HUIS ULBURGHS INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE THEMA’S , afgekort : HUIT
http://www.interlevensbeschouwelijk.be/HUITHUISULBURGHSINTERLEVENSBESCHOUWELIJKETHEMAS.html . Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .

Graag heet ik je welkom op volgende activiteiten .

Locatie: 'Huis van Jef en Jeanne Ulburghs' ,Sint-Annastraat 7 in Zolder (na het kruispunt Bolderberg - Zolder , dan richting Zolder , 1ste straat links) . Ook gemakkelijk met het Openbaar Vervoer te bereiken : bus : Hasselt - Beringen)
Kosten: vrije bijdrage (incl. koffie, thee )
Meebrengen: zo mogelijk een bijbel (Oude en Nieuwe Testament)
Begeleiding : Arseen De Kesel
Inschrijven is niet verplicht , maar het is wel efficiënt als je verwittigt : arseen.de.kesel@telenet.be OF 0485/729 030 .

Een leergroep vertrekkende van TEKSTEN EN VERHALEN ROND RIVALITEIT EN GEWELD

Dond. 20 april 2017 , 10.00 - 12.00 u : Jij zult niet doden. Eén van de verboden in de 10 "geboden". Niet lichamelijk doden, niet doodpesten, niet doodzwijgen, niet de ogen sluiten.
In de context van geweld wordt soms verwezen naar oproepen tot geweld in religieuze teksten.
In de Bijbel vinden we in de Tien Geboden het verbod " Gij zult niet doden" maar anderzijds op andere plaatsen vinden we wel teksten waarin God beveelt dat iemand moet gedood worden!
Wat is de context van dit verbod enerzijds en wat met de verovering van Kanaän?

Dond. 18 mei 2017 , 10.00 - 12.00 u : Van rivaliteit naar broederschap/zusterschap in het OT. Kaïn en Abel , Sara en Hagar , Jakob en Esau , Lea en Rachel , Jozef en zijn broers .

Dond. 22 juni 2017, 10.00 -12.00 u . Van rivaliteit naar broederschap/zusterschap in het NT. Johannes de Doper en Jezus, Martha en Maria , de jongste en de oudste zoon .
De bijeenkomsten verlopen in dialoogvorm

De thema’s worden telkens interlevensbeschouwelijk benaderd .
In principe elke vierde vrijdag van de maand in Huize Ulburghs : 10:00 – 12:00 u.
Data en themata :
1.            22 september 2017 : mystieke richtingen
2.            27 oktober 2017 : begrafenisrituelen en doden vereren
3.            24 november 2017 : organisatievormen
4.            22 december 2017 : geboorteverhalen
5.            26 januari 2018 : initiatieriten
6.            23 februari 2018 : geboden en verboden (ethiek)
7.            23 maart 2018 : bidden en gebeden
8.            27 april 2018 : (geloofs)belijdenissen
9.            25 mei 2018 : de plaats van de vrouw
10.         22 juni 2018 : ‘eeuwig’ leven


 HUIS ULBURGS JEF EN JEANNE . 20 april 2017. THEMA: “JIJ ZULT NIET DODEN” (Ex  19,13; Dt 5,17).
Arseen De Kesel
  1. TEKST : “JIJ ZULT NIET DODEN” (Ex  19,13; Dt 5,17)

Het is het zesde gebod in de decaloog (de tien geboden).  In de Hebreeuwse tekst zijn slechts 2 woorden nodig: lo´ tirdzach. De werkwoordvorm tirdzach komt slechts 2X voor, nl. in de 10 geboden. In de Joodse traditie wordt het begrepen als: jij zult niet moorden. Deze werkwoordvorm wordt in het Grieks vertaald naar : foneuseis . Deze vorm komt 6X voor : 3X in het OT:2X in de decaloog en 1X in Nu 35,30; 3X in het NT met telkens verwijzing naar de decaloog: Mt 5,21; Mt 19,18; Rom 13,9.
De vertalingen geven nuances : doden, doodslaan , vermoorden, een moord plegen. E.: to kill (kelen?).

Excursus:
Op verschillende wijzen kan iemand de dood vinden: een zachte dood (in de slaap) sterven, verongelukken, verdrinken, dood gebliksemd, door een dier verscheurd, vergiftigd, de keel overgesneden, opgehangen, gekruisigd, gevierendeeld, verbrand, onthoofd, gevild, gestenigd.

De context
Exodus is het tweede boek van de Bijbel. De 12 zonen van Jakob zijn in Egypte tot het volk Israël gegroeid.  Ze werden in Egypte als slaven behandeld. Ze zijn weggetrokken uit Egypte. Na een zwerftocht komen ze in Ex 19,2 aan bij de berg Sinaï. Op die berg ontvangt Mozes de decaloog en wordt er een verbond tussen JHWH en het volk Israël gesloten. Dat wordt beschreven in het zgn “Verbondsboek” (Ex 19-24). Uit onderzoek blijkt dat het ritueel van de verbondssluiting sterk gelijkt op dat van de Hittitische vorsten met hun volk. In het verbond wordt de relatie van JHWH tot zijn volk Israël beschreven als een relatie van een vorst tot zijn volk.
De decaloog begint met de woorden: “Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.” (Ex 20,2). Wat dit betekent wordt duidelijker vanuit Ex 19,4-6: “… Als u naar mijn woord luistert en mijn verbond onderhoudt, dan zult u van alle volken mijn bijzondere eigendom zijn, want aan Mij behoort de aarde. U zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. ..”  Het volk Israël is bezit van JHWH. Hij sluit met dit volk een verbond. Daarin worden wederzijdse afspraken gemaakt. Wederzijds is veel gezegd. Want JHWH bepaalt wat mag en niet mag. Van het volk wordt verwacht dat het de voorgeschreven geboden en bepalingen onderhoudt. Zo ja, dan zal JHWH goed voor het volk zorgen. Zo neen, dan zal het gestraft worden.
Het gebod “Jij zult niet doden” is een bepaling van JHWH met het volk Israël. Het houdt in dat een Israëliet geen andere Israëliet mag doden/vermoorden op eigen initiatief. Of hij een niet-Israëliet of een dier mag doden is buiten de kwestie. Ook wordt hier buiten beschouwing gelaten of het doden opzettelijk of onopzettelijk was.  We moeten een tekst ook niet meer laten zeggen dan hij zegt.
We zullen zien dat er in het OT vaak sprake is van doden. Maar dan is het steeds binnen het kader van een wetgeving, die door JHWH is gegeven.

Excursus
Een Bijbel is niet uit de hemel gevallen. Hij is geschreven door mensen. De relaties van mensen onder elkaar wordt geregeld door een wetgeving. Die is door mensen gemaakt. Nochtans wordt die niet gezien als een uitvinding van mensen, maar als gegeven door God. Een samenleving evolueert  en mensen groeien in inzicht; bijgevolg evolueert ook de wetgeving en het beeld van God die aan de basis van de wetgeving staat. Hieruit afleiden dat God een uitvinding van de mens is, lijkt me een brug te ver. Mensen ervaren dat zij in hun samenleven bepaalde grenzen niet mogen overschrijden. Dat is hen gegeven. Dat overstijgt hen. Hierin zien zij een Hogere, God.
Maar natuurlijk kan hiervan misbruik gemaakt worden en kan God als wetgever gebruikt worden om de eigen macht en instituut te bevestigen en te versterken.

De Bijbel is een literair geschrift. Het is niet noodzakelijk een precieze weergave van historische feiten. Er bestaan nu heel wat vragen over de historiciteit van de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de intocht in Kanaän zoals de Bijbel die beschrijft. We houden ons bij een literaire benadering.  Archeologisch onderzoek  geeft b.v. geen aanwijzingen over een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel die beschrijft . De soep wordt nooit zo heet gegeven als dat ze wordt opgediend.

  1. Enkele Bijbelse teksten met een vorm van het werkwoord râdzach (doden, moorden, doodslaan) : Nu 35,10-32

10 Zeg aan de Israëlieten:
Wanneer gij over de Jordaan naar Kanaän trekt, 11 moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daarheen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen. 12 Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloedwreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.
13 Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen: 14 drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanaän. Het zullen vrijsteden zijn. 15 Zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood.
16 Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden. 17 Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 18 Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 19 De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden.
20 Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft, 21 of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft.
22 Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid, 23 of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijandschap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan, 24 dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker.
Daarbij gelden de volgende regels.
25 De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is.
26 Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat 27 en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld. 28 De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit.
29 Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont. 30 Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken.
31 Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden. 32 Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen. 

Bespreking
Nu 35,10-32 zijn “woorden van God”.  We hebben hier met een echte rechtspraak te maken: overtreden van een verbod, oordeel van al dan niet schuld door een oordelende instantie (‘rechtbank’),  vrijspraak of schuldigverklaring met het bepalen van de straf, het uitvoeren van de straf .
Het zgn absolute verbod om iemand te doden krijgt nuances. Is het opzettelijk of onopzettelijk.  Bij het bepalen van schuld of onschuld is de houding van de doder tegenover de gedode van kapitaal belang. Wie iemand onopzettelijk doodt, is onschuldig en verdient bescherming  ook als het oordeel nog niet is uitgesproken. De bescherming wordt geboden in veilige plaatsen, asielsteden. Wie iemand opzettelijk doodt, is schuldig en moet gedood worden.
De verzen Nu 36,16-18 wijzen toch op schuld: zo slaan met een ijzeren, een stenen of een houten voorwerp dat hij sterft. Dergelijk slaan verdient de doodstraf. De bloedwreker mag hem doden, zodra hij hem aantreft. (Het lijkt wel op een lynchen).
De asielzoeker kan terugkeren naar zijn bezit wanneer de hogepriester is gestorven. Komt die asielzoeker in gevaar voor een bloedwreker, dan moet de gemeenschap hem redden uit de hand van de bloedwreker.
We komen er nog eens op terug. We hebben hier met concrete rechtspraak van mensen te maken. Die rechtspraak krijgt een goddelijk handtekening omdat de wetgevers ervan overtuigd zijn dat hun God dat zo wel wil tot het geluk van de samenleving.  Evolutie van de samenleving en beter inzicht ervan zal een nieuwe wetgeving vergen. Dat zullen wetgeversspecialisten uitwerken. En dat zal dan een goddelijk handtekening krijgen.
Niets van wat we over God zeggen is onveranderlijk en absoluut, omdat onze inzichten steeds veranderlijk en beperkt zijn.

  1. (môth jämûth) Hij moet de dood sterven (voorbeeld: Lv 20,9-16)  

Opnieuw spreekt JHWH. De 8 verzen spreken over het doorbreken van 8  taboes van sexuele omgang, die met de dood worden bestraft. Onder de taboes horen  sexuele omgang met naaste familieleden, homosexualiteit en bestialiteit . Meestal wordt niet nader bepaald hoe de daders van het sexueel misdrijf worden gedood. 
De zware straf kan erop wijzen dat bepaalde sexuele gedragingen sterke emoties oproepen  en de relaties in de gemeenschap ontywrichten.

  1. Bezit van het  land 

Het verhaal van het bezit van het land begint reeds met Gn 12,1 : “… naar het land dat Ik u aan zal wijzen…” en krijgt zijn voltooiïng met de inwijding van de tempel door Salomo (1 K 8) . In 721 v. Chr. Werd het Noordrijk veroverd door Assyrië en werden er vreemde volkeren ingevoerd . Koning Josia (640-609) ondernam een poging om het Noordrijk te heroveren maar mislukte. In 586 werd Jeruzalem ingenomen en de tempel verwoest door Babylonië. Hierop volgde een deportatie en een ballingschap in Babylonië. In 538 v. Chr. Gaf de Perzische koning Cyrus de Joden de toelating om naar Jeruzalem terug te keren en de tempel te herbouwen. De teruggekeerden beriepen zich op het recht van eigendom dat intussen door anderen was ingenomen.
Wellicht is vanuit die situatie de verovering van Kanaän door Josuë beschreven.
We blijven het herhalen. Niets komt van boven, tenzij het van beneden komt. Wat God zegt, komt van mensen.
In Gn 1 wordt God voorgesteld als de schepper van hemel en aarde. Hij ordent de schepping. Vanaf Gn 12 kiest JHWH Abram om te gaan naar het land dat Hij hem belooft. Uit de aartsvaders groeit het volk Israël. Met dat volk sluit JHWH een verbond op de berg Sinaï.
Het lijkt erop dat JHWH recht heeft op het land Kanaän en dat de volkeren van Kanaän onrechtmatig dat land bezitten (bezetten). Dat is theologie. In de 13e eeuw hadden er rond Kanaän volksverhuizingen plaats. Wellicht hoort het in bezit nemen van Kanaän thuis in het kader van de volksverhuizingen. En dan is er vlucht, verzet, oorlog, genadeloos moorden, verkrachten, vernietigen. En als je gelooft, dat wat er ook gebeurt, de hand van JHWH / God er iets mee te maken heeft, dan wordt dat in een literaire en theologische taal gegoten.
Enkele teksten:
Dt 7,1-2: “1 Wanneer Jahwe uw God u in het land heeft gebracht dat gij in bezit gaat nemen, en hij vele volken voor u verdrijft, de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken talrijker en sterker dan gijzelf,  2 en wanneer Jahwe uw God ze aan u overlevert, zodat gij ze verslaat, dan moet gij ze met de ban slaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen medelijden met hen hebben. “
Joz 6,20b-21: “Bij het schallen van de hoorns begon het volk uit alle macht te schreeuwen. De muur stortte in, het volk klom naar boven, ieder recht voor zich uit, en zij veroverden de stad.  21Alles in de stad sloegen zij met de ban, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, runderen, schapen en ezels, een prooi voor het zwaard. “
Enkele nabeschouwingen

  1. Er zijn tijden van overleg, compromis, zoeken naar vormen van samenleven. Er zijn tijden van tegenstelling, confrontatie, escalatie, geweld, oorlog, genadeloos doden. De hele geschiedenis getuigt ervan. Ook de geschiedenis van Israël getuigt ervan.
  2. In het oude Israël kreeg die geschiedenis een theologische interpretatie. En naargelang de samenleving evolueerde en het inzicht groter werd, veranderde het beeld op mens, maatschappij en God.  Zonder ophouden.
  3. De bijbel is een literair werk, meestal geschreven in verhalen. Dat literair werk en die verhalen zijn niet noodzakelijk weergave van historische feiten. Integendeel. Daarvoor zijn andere bewijsstukken nodig, zoals b.v. archeologie.
  4. We moeten God niet de schuld geven dat er gedood werd, en soms zo genadeloos gemoord. Daarvoor zijn mensen schuldig. Dat ze hun handelen zagen in opdracht van God, komt soms over dat ze hun eigen verantwoordelijkheid niet onder ogen durfden zien en  dat ze een legitimatie zochten voor hun expansiedrang en machtsstreven.
  5. Wellicht wordt deze benadering en interpretatie als waardeloos terzijde geschoven door hen die de Bijbel letterlijk nemen.
  6. Bij deze benadering  bevragen we niet alleen de geschiedenis, de theologie, maar ook de rituelen, de ethiek, de organisatie, de ervaringen. Wat heeft meegespeeld voor een dergelijke invulling en speelt nog steeds mee.
  7. De mens is een ethisch wezen, of hij dat nu wil of niet, of hij zich hierbij gelukkig voelt of niet. Aan een mens worden be’perk’ingen opgelegd. Hij kan met zijn medemens, maatschappij, natuur niet zomaar doen wat hij wil. Hij zal moeten luisteren en zich ‘onderwerpen’.  Dat is hem gegeven, dat overstijgt hem.
  8. In het oude Israël is JHWH / God schepper, verlosser. Hij sloot een verbond met Israël.  Geloven en leven bestaat in onderwerping: het volgen van geboden en verboden.
  9. In het NT krijgen de geboden een creatief karakter. Het gaat om het ‘gebod’ van de liefde. Het gebod om niet te doden wordt een gebod om een relatie volop tot leven te laten komen.

20 april 2017
Arseen De Kesel


RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP  IN HET OUDE TESTAMENT

Waarom wil ik het thema rivaliteit en broederschap / zusterschap vanuit de Bijbel bekijken?
Bij het begin van het evangelie van Marcus (Mc 1,14) lezen we: “Het koninkrijk van God is nabij”. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Een theocratie met God als een koning – monarch aan het hoofd? Zonder scheiding der machten? In het vervolg van het evangelie van Marcus lezen we het roepingenverhaal  van tweemaal twee broers (Mc 1,16-20). De roeping bestaat in het leren beoefenen van de broederschap / zusterschap (fraternité). Bij de roeping van de Twaalf worden de geroepenen twee aan twee vermeld (Mc 3,13-19) en bij de zending worden ze twee aan twee gezonden (Mc 6,7-13). Hun zending bestaat allereerst in de boodschap hoe ze de onderlinge broederschap beoefenen. Het Laatste Avondmaal met het breken van het brood en het delen van de beker staat symbool van de universele solidariteit.

Godsdiensten bekommeren zich vaak meer om God dan om de mens. Ik veronderstel dat God zich wel kan behelpen en dat Hij onze zorg wel kan missen. Wat mensen niet kunnen missen is de zorg om elkaar. Misschien is God wel bekommerd om de mensen, om de wijze waarop ze met elkaar omgaan. De klemtoon op de éénheid van God zou ons ertoe moeten aanzetten om geen enkel mens uit te sluiten maar aan elk mens recht te doen.

We bekijken slechts enkele verhalen uit het Oude Testament vanuit het oogpunt van rivaliteit en broederschap / zusterschap. Hoe moet ik rivaal omschrijven? Etymologisch komt het woord rivaal van het Latijnse rivalis : wat een rivier betreft. Een rivier heeft twee oevers. Vaak is de rivier een grens (b.v. tussen twee landen), maar hij kan ook het middelpunt van een stad vormen; langs beide oevers strekt de stad zich uit. Broederschap / zusterschap is één van het trio van de Franse revolutie: liberté, égalité, fraternité. Met broederschap/ zusterschap bedoelen we de positieve omgang met de naaste.
De verhalen van de schepping, de zondeval, Kaïn en Abel, de zondvloed, de toren van Babel zijn geen historische verhalen. Het zijn verhalen van mensen die nadachten over het concrete bestaan met iedere dag zonsopgang en –ondergang, met de maan en de sterren in de nacht, met planten en dieren, met medemensen. Mensen zochten antwoorden op hun vragen en oplossingen voor de problemen die zich stelden.
Ook de verhalen van de aartsvaders zijn niet bedoeld als historische verhalen.
Vaak ervaarden zij krachten en machten die hen te boven gingen. De uitwerkingen werden vaak toegeschreven aan goden of aan God. Het zijn dus woorden en opvattingen van mensen die in de mond van God werden gelegd.

1. Het verhaal van Kaïn en Abel  (Gn 4,1-16)

Inleiding
We zeggen wel eens dat we een tekst moeten ontcijferen. Dat is ook het geval met een Bijbeltekst. We zien bij de tekst van de aartsvaders soms niet de onderlinge verbanden, die wel door getallen worden weergegeven.
Het Hebreeuwse alfabet heeft 22 letters, medeklinkers, waaronder de half-medeklinkers / half-klinkers worden meegerekend. Elke letter krijgt een rangtelwoordwaarde volgens de rang in het alfabet. Daarnaast krijgt het ook een hopfdtelwoordwaarde. Zo bekomen we een getalswaarde van een woord of een zin. Ook de vermelde getallen moeten we niet al te letterlijk nemen.
De getalswaarde van Adam is 18 of 45 , die van Eva 19; samen 37: een met 18 in de punten en 19 als zeshoek. De getalswaarde van Kaïn is 43 (26 + 17) of 160 , die van 19 (zie Eva) of 37 (Adam en Eva samen). Volgens de getalswaarde lijkt Kaïn een zeer goddelijke naam, die van Abel een zeer menselijke. De paradox kan niet groter.
http://www.biblewheel.com/images/GenJohnElements.gif .
De zogenaamde eerste mensen, Adam en Eva,  hadden gemeenschap met elkaar. Eva baarde Kaïn. Eva noemde hem Kaïn naar de werkwoordvorm : Ik heb voortgebracht , in de zin: “Ik heb een man voortgebracht, met (de hulp van) JHWH.”  De tekst gaat verder: “Zij baarde nog eens : zijn broer, Abel”. Het Hebreeuwse woord hèvèl betekent ademtocht, vluchtigheid, ijdelheid, een niemendalletje. In tegenstelling tot de verklaring van de naam Kaïn krijgt de naam Abel geen verklaring. Opmerkelijk is wel dat er niet van zonen gesproken wordt. Toen Eva voor de tweede maal baarde, spreekt de tekst eerst over zijn broer en dan Abel. Het verhaal gaat dus over Kaïn en zijn broer Abel.
Abel werd schapenherder en Kaïn landbouwer.  Het is te mooi gezegd dat Kaïn een landbouwer werd. Er staat  ‘obed ädâmâh: slaaf van de aardegrond. Het eerste woord van Gn 4 begon met wëhââdâm (de aardemens) en het laatste woord van Gn 4,2 is ädâmâh (aardegrond). Uit Gn 3 weten we dat die aardegrond vervloekt is (Gn 3,17) en dat Adam in het zweet voor zijn brood zal moeten werken. De vloek gaat van Adam op Kaïn over. Bij schaapsherder wordt vooraf gegrepen op het verhaal van David die vanachter de schapen wordt geroepen om tot koning te worden gezalfd door Samuël. Het verhaal van KaÏn en Abel lijkt de tegenstelling aan te geven tussen de / het vervloekte en de / het idyllische.  Hoe zullen beide broers met elkaar omgaan?
Ieder brengt uit zijn bezit een offer aan JHWH. Kaïn offert eerst: van de vruchten van de aardegrond. Hier wordt die verdoemde ädâmâh gebruikt. In Gn 3,18 wordt gezegd dat ze distels, doorns en veldgewas zal voortbrengen. Als de aardegrond alleen maar dat geeft, kan je toch niet veel anders offeren. Abel offert aan JHWH eerstgeborenen van zijn beste schapen.
We kunnen al verwachten wat de reactie van JHWH zal zijn. JHWH zag genadig neer op Abel en op zijn offer. Op Kaïn en op zijn offer zag Hij niet om. Het is pijnlijk om te zien hoe de godsnaam JHWH vermeld wordt bij het brengen van het offer door Kaïn en niet bij dat van Abel, en in tegenstelling hiermee hoe de Godsnaam gebruikt wordt om aan te duiden dat JHWH genadig neerzag op Abel en zijn offer en niet op Kaïn en zijn offer. Het lijkt alsof de hardwerkende Kaïn, de oudste,  moeite doet om aan JHWH een offer te brengen terwijl dat anders ligt voor Abel, het niemendalletje, de jongste. JHWH lijkt het overtreden van zijn gebod aan Adam en Eva nog niet verteerd. 
Wat doe je als de één door het lot wordt benadeeld, en de ander bevoordeeld?  Wat doe je als de één wordt bemind en de ander niet? Wat doe je als je broers bent, als de één hard labeurt, en de ander vrij kan rondtrekken?
Kaïn wordt boos en hij valt met zijn gezicht op die verdoemde aarde. Op wie wordt hij boos? Op JHWH die hem en zijn offer geen blik gunt en wel op Abel en zijn offer? Is hij jaloers op Abel? JHWH reageert. Waarom ben je boos en waarom vereenzelvig je jezelf met die verdoemde aarde. Je kuit goed doen, en je aangezicht oprichten. Zo niet, loert de zonde aan je deur en zal je de verleiding te boven komen?
Kaïn is boos en terneergedrukt omdat het Abel beter afgaat dan hemzelf. Kaïn vereenzelvigt het lot en noodlot met de persoon. Met Abel gaat het goed en is dus geliefd. Met Kaïn gaat het minder goed en zou dus minder geliefd zijn.
Zal Kaïn een grens overschrijden en “eten van de boom van de kennis van goed en kwaad” (Gn 2,16)? In Gn 4,8 lezen we: “Daarop zei Kaïn tegen Abel , zijn broer: “Laten we gaan wandelen.  En het gebeurde terwijl zij op het veld waren . Kaïn stond op (opstand) tegen Abel , zijn broer , en vermoordde hem.”
Dan komt JHWH weer aan het woord en zegt tot KaÏn: “Waar is Abel , je broer?” En hij zei: “Ik weet het niet . Moet IK op mijn  broer  letten?” Met de moord op Abel , zijn broer , weet Kaïn niet meer waar zijn broer is , want hij is er niet meer . Voordien had hij wel gezien dat het goed ging met Abel, zijn broer . Daarop antwoordt JHWH : “Wat heb jij gedaan? Het bloed van jouw broer krijst vanuit de aardbodem.” En hierop volgt de vervloeking van Kaïn en van de aardbodem door JHWH . Het beeld van het aards paradijs is meer dan ooit ver weg. Tegenover elkaar moeten mensen grenzen respecteren. Zo niet loert de dood om de hoek. (niet eten van de boom van goed en kwaad).
In de Koran vinden we het verhaal in soera 5,27-32. Kaïn doodt zijn broer en krijgt wroeging. Niet zozeer omdat hij hem vermoordde maar omdat hij niet wist hoe hem te begraven en hem niet aan de roofvogels over te leveren (zie Sophocles, Antigone). In commentaren op de soera wordt o.a. verwezen naar het Joods apocrief geschrift Sefer Adam.
Het verhaal van de moord van KaÏn op Abel is uitvoerig beschreven in de Oudtestamentische apocrief : Vita Adam en in een variante versie in de Apocalyps van Mozes.
We vinden het verhaal ook in de eerste brief van Clemens van Rome aan de gemeente van Korinte. Deze brief is geschreven rond 100 na Chr. naar aanleiding van de afzetting van enkele presbyters door een jonge garde. De “paus” van Rome grijpt in. In 1 Clem 4 lezen we het verhaal van Kaïn en Abel en over de jaloezie. Jaloezie (zèlos, denk maar aan zeloot) en na-ijver spelen in dit geschrift een belangrijke rol.

Overgang: de aartsvaders (Abraham, Isaak, Jakob, Jozef)
Bij de aartsvaders אַבְרָהָם = Abraham , יִצְחָק = Isaak , יַעֳקֹב = Jakob en יוֹסֵף = Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis (onderlinge verbondenheid en verbondenheid met het mysterie)
1. Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 OF (10 X 17 = 170) + 5 . (Gn 25,7) . 5 is de getalswaarde van de letter he . Abram en Saraj ontvangen de letter he in hun naam en zij worden vruchtbaar (Gn 17,5 en Gn 17,15) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
2. Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 OF (10 X 17 = 170) + 10 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
3. Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 OF (8 X 17 = 136) + 11 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers . Jakob diende 7 jaar voor Lea en Rachel (Gn 29,20 en Gn 29,30) . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
1. - 3. Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend (7 - 5 - 3) .
- De plechtige zegen in Nu 6,24 - Nu 6,25 - Nu 6,26 telt 3 - 5 - 7 woorden .
4. Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² ( = 25) + 6² ( = 36) + 7² ( = 49) OF (6 X 17) + 8 . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) OF de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) (5 X 22) = 110 .
1. - 4. De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2² X 3² X 17) OF : (10 + 10 + 8 + 6 = 34) X 17 PLUS (5 + 10 + 11 + 8 = .34 = 2 X 17) OF 36 X 17 . Het gemiddelde van de leeftijden van de aartsvaders is 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is een driehoeksgetal . Het getal 153 is de som van alle getallen van 1 tot en met 17 . 612 is een vierkant (4 X 153) . Daarmee is het probleem opgelost waarom de som van de factoren bij Jozef geen 17 is . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .

 Ook de getalswaarde van de namen van Isaak , Jakob en Jozef heeft een symbolische waarde (verbondenheid met het mysterie: JHWH=26 en onderlinge verbondenheid) .
2. Isaak (Gn 21,3) . יִצְחָק = jitsëchâq (Isaak) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
3. Jakob (Gn 25,26) . יַעֳקֹב = ja`äqobh (Jakob) . Getalswaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
4. Jozef (Gn 30,24) . יוֹסֵף = Jôseph (Jozef) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
De getalswaarde van de namen Isaak , Jakob en Jozef volgens de tweede telling wordt gevormd door het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalswaarde van de godsnaam JHWH volgens de gewone telling (26) : 8 X 26 EN 7 X 26 EN 6 X 26 . In totaal geven de twee tellingen 49 + 47 + 48 = 144 (12 X 12) OF 208 + 182 + 156 = 546 (21 X 26) . Het gemiddelde is 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .
- Bij de leeftijden en de naamgeving spelen de 2 getalswaarden van de Godsnaam JHWH een beslissende rol . Het getal 17 bij de leeftijden , het getal 26 bij de naamgeving . De leeftijd van Jakob is 147 , de getalswaarde van de naam van Jakob is 47 of 182 (7 X 26) . Bij Jakob overheerst het getal 7 , zowel bij zijn leeftijd als bij de getalswaarde van zijn naam .

Toemaatje : de leeftijden van de geslachtslijst Adam – Noach (Gn 5) :
- In de geslachtslijst Adam - Noach worden 10 geslachten genoemd . De leeftijd van deze 10 geslachten wordt gevormd door de som van vier tot zeven kwadraten . In 9 van de 10 leeftijden komt het kwadraat van 17 voor (niet bij Henoch) . De leeftijd van Henoch is de som van de kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (10² + 11² + 12²) (Gn 5,21) .
- In 8 van de 9 geslachten met het kwadraat van 17 maakt het kwadraat van 17 deel uit van een som van 3 kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (5X : 16² + 17² + 18² ; 3X : 15² + 16² + 17² ) . De leeftijd van Jered bestaat uit 7 kwadraten , waarvan 2X drie kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (2² + 3² + 4² EN 16² + 17² + 18²)

2. Het verhaal van Sara en Hagar  

De getalswaarde van Sarai is 51 (3 X 17) of 510 (30 X 17).
Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Via de getalswaarde is er een duidelijke link tussen de ouders Abram en Hagar en hun zoon Ismaël . Ook in de naamgeving is er een link tussen de vernedering die Hagar vanwege Saraj moest ondergaan . haggar of hagger (de vreemdeling, proseliet).
Het verhaal van Abram / Abraham wordt verteld in Gn 12,1-25,11. Sarai (Sara) was onvruchtbaar (Gn 11,30). Sarai heeft een Egyptische slavin  Hagar wordt leenmoeder. Maar het loopt mis tussen de twee vrouwen. Wanneer Hagar merkt dat zij zwanger is, behandelt zij Sarai, haar meesteres, vanuit de hoogte. Sarai beklaagt zich bij Abram en hij geeft haar carte blanche om met haar te doen wat zij wil. Sarai maakt Hagar het leven zuur, waardoor Hagar wegvlucht. Zij komt in de woestijn, bij een bron, terecht. Daar ontmoet zij een engel (van de Heer) die haar aanraadt terug naar haar meesteres te gaan. Daarenboven spreekt hij een zegenwens over haar uit. Hagar baart een zoon en noemt hem Ismaël , wat betekent: God heeft (naar mij) geluisterd (zoals de naam Samuël). Abram is dan 86 jaar (2 X (26 + 17). Na 13 jaar wordt Sara dan toch zwanger. Sara baart Isaak, een toespeling op “lachen”. Maar dan loopt het weer fout. Toen Isaak van de borst werd genomen, werd er gefeest. Op dat feest zag Sara Ismaël naar Isaak lachen. Maar dat verdroeg Sara niet. Ze eist van Abraham dat hij Ismaël zou onterven. Dat vind Abraham ongepast. God komt tussen om het verzoek van Abraham niet ongepast te vinden en spreekt een zegen over Ismaël uit. Gn 21,14-20 volgens de Naardense Bijbel: “In de ochtend recht Abraham zijn schouders, neemt een brood en een zak water, geeft dat aan Hagar, legt het op haar schouder, zo ook het kind, en zendt haar heen; ze gaat heen en verdwaalt in de woestijn van Beëer Sjeva. Met de laatste druppels water uit de zak op zijn rug zendt ze de jonggeborene heen onder een van de struiken. 16 Ze gaat heen en zet zich, zij alleen, daartegenover, op een boogschot afstand,- want, heeft ze gezegd, ik kan niet aanzien hoe de jonggeborene sterft; ze zit daar tegenover, verheft haar stem en weent. 17 Maar dan hoort God de stem van de jongen en roept de engel van God tot Hagar vanuit de hemelen en zegt tot haar: wat is er met jou, Hagar?- vrees niet, want gehoord heeft God naar de stem van de jongen daar waar hij is; 18 sta op, til de jongen op en maak je hand sterk om hem; want tot een groot volk zal ik hem maken. 19 Dan opent God haar ogen: ze ziet een waterbron; ze gaat daarheen, vult de zak met water en geeft de jongen te drinken. 20 God is met de jongen en hij wordt groot; hij zet zich neer in de woestijn en wordt boogschutter.”
De rivaliteit tussen de twee vrouwen was groot. Geen van de twee heeft veel moeite gedaan om het probleem op te lossen. Abraham koos partij voor zijn vrouw Sara en de slavin van Sara moest uiteindelijk vertrekken. Abraham had blijkbaar wel moeite om zijn oudste zoon Ismaël te zien vertrekken. Nu lag de erfenis voor Isaak open, wat de wens van Sara was.
In Gal 4,21-31 schrijft Paulus merkwaardige dingen over Sara en Hagar. Het gevaar bestaat wel dat men door dergelijke theologie het onrecht dat aan Hagar werd aangedaan wordt weggemoffeld.

3. Het verhaal van Esau en Jakob

De getalswaarde van Esau is 43 (26 = 17) of 376.
De naam Jakob komt voort uit de Griekse transcriptie Jakôb van het Hebreeuwse ja`aqob. In het Hebreeuws is het de verleden tijd (weergegeven door het prefix j) van het werkwoord `âqab (bedriegen, vasthouden): hij bedriegt / bedroog. Isaak noemde hem zo omdat Jakob als tweede werd geboren  terwijl hij de hiel van zijn broertje Esau vasthield (Genesis 25,26). Hiel heeft in het Hebreeuws dezelfde medeklinkers (`qb) als de stamletters van de naam Jakob (`qb uit ja`aqob).`âqeb betekent hiel, achterhoede. Jakob had bij zijn geboorte zijn oudste broer Esau een voetje willen lichten: hij hield de hiel van zijn broer vast . De strijd tussen die twee begon al in de moederschoot: zij botsten tegen elkaar op (Genesis 25,22). Jakob was listig en wist het eerstgeboorterecht van Esau afhandig te maken (Genesis 25,31). Daarna ontfutselde Jakob de vaderlijke zegen aan de eerstgeborene die Esau toekwam (Genesis 27). Esau was van plan om Jakob te doden en Jakob vlucht (Genesis 27,41-45). Door scha en schande zal Jakob leren wat het betekent eerlijk te zijn en zijn medemens (broer) recht in de ogen te kijken. Jakob zal door zijn oom tweemaal bedrogen worden; eerst wat zijn bruid betreft, daarna met de schapen die hem zullen toebehoren. Na vele jaren komt Jakob terug . Hij komt aan de Jabbok; zijn broer Esau is gelegerd aan de overkant van de rivier. Jakob worstelt die nacht. Het is een worsteling met zijn schaduwzijde. Er grijpt een innerlijke verandering bij Jakob plaats. Hij zal zijn broer 's anderendaags recht in de ogen kijken en zich kwetsbaar opstellen. De klank Jabbok komt sterk overeen met de klank Jakob. Er is in de naam Jabbok iets opmerkelijks : twee medeklinkers zijn van plaats veranderd, die de verandering van Jakob weergeeft. In Genesis 32,25 is er sprake dat Jakob worstelde met een man... In het Hebreeuws staat wajjebeq (van het werkwoord ´âbaq :worstelen): en hij worstelde. Zie hier eveneens de verandering van medeklinkers.
Wat geeft dit allemaal weer. De aartsvader Jakob (hij bedriegt/bedroog), de vader van de 12 zonen en van de 12 stammen van Israël,  zal groeien van listig man, bedrieger naar een rechtschapen man, die de ander in de ogen kijkt. Wat van Jakob gezegd wordt, geldt evenzeer van het volk van Israël : het zal moeten leren groeien naar rechtvaardigheid, rechtschapenheid.
Heel het boek Genesis verhaalt het moeilijke proces van menswording. Hoe kan de ene mens voor de ander een broer / zus worden.

4. Jozef en zijn broers

Eerst iets over de twee zussen: Lea en Rachel, echtgenotes van Jakob. Rachel is mooi maar Lea heeft fletse ogen. Rachel wordt meer bemind door Jakob dan haar zus Lea. Uit de namen van de kinderen blijkt dat Lea er alles wil voor doen om de liefde van Jakob te winnen (Gn29,31-35). Rachel is gefocust op kinderen. Daarom is ze jaloers op haar zus Lea, die kinderen krijgt. Ze moet kinderen krijgen, eist ze van Jakob, maar hij reageert verontwaardigd. Met de liefdesappels van Lea tracht ze vruchtbaar te worden. Ze heeft hiervoor over dat Lea nog meer kinderen krijgt. En wanneer ze Jozef krijgt, wil ze nog meer. Het is niet voldoende. Tenslotte wordt het kinderen krijgen haar fataal, want ze sterft in het kraambed van Benjamin . Ben-Oni: kind van mijn lijden. Rachel was gefocust op kinderen krijgen en ze is eraan ten onder gegaan.
Het verhaal van Jozef en zijn broers benaderen we vanuit de eindsituatie. Jakob is gestorven en de broers van Jozef vrezen dat hij wraak zal nemen voor wat hem werd aangedaan. Eerst sturen zijn broers boodschappers. Wanneer ze merken dat Jozef hen goed gezind is, komen ze zelf en willen zich als slaven aan hem onderwerpen. Maar Jozef reageert als volgt: ”vreest niet!- want zit ík op de plek van God?- 20 en jullie, je hebt tegen mij kwaad bedacht;- Gód heeft dat ten goede gedacht, met het doel om te doen als op deze dag: een grote gemeenschap in leven te houden,- 21 welnu, vreest niet, ík zal jullie en je kroost onderhouden! Zo troost hij hen en spreekt hij tot hun hart. (Gn 50,19b-21 volgens de Naardense Bijbel).
Voordat Jozef geboren wordt, zijn er al tien halfbroers geboren; 4 uit Lea, 2 uit Bilha, de slavin van Rachel, en 2 uit Zilpa, de slavin van Lea. (Sara, Rebekka, Lea en Rachel worden als de aartsmoeders van Israël beschouwd; wat dan met de 4 stammen, die zijn voortgekomen uit Bilha en Zilpa?). Jozef is de zoon van Jakob en Rachel, zijn grote liefde. Het is de laatste zoon van Jakob die in Aram wordt geboren. Later zullen Jakob en Benjamin nog Benjamin krijgen in het land Kanaän. Jozef is de lieveling van Jakob. Hij krijgt extyra kleding en wordt op inspectie naar zijn broers gestuurd. Bovendien laat Jozef door zijn dromen merken dat hij toch een trapje hoger staat dan de andere broers. Dat wekt jaloezie en naijver. Jozef wordt uiteindelijk verkocht als slaaf, komt in Egypte terecht en wordt er onderkoning. Bij een hongersnood komen zijn broers om voedsel. Uiteindelijk komen zijn broers en zijn vader naar Egypte.

 

Besluit

  1. Bijbelstudie is geen archeologische activiteit. Het gaat erom hoe oude teksten eventueel inspiratie voor het nu kunnen betekenen.

Hoe ga je om met de ander? Met naijver en jaloezie? De zwakte van de ander uitbuiten voor eigen belang? Zonder respect voor de ander?
We zagen de verhalen van Kaïn en Abel, Sara en Hagar en hierbij de houding van Abram / Abraham tegenover beide vrouwen, de verhalen van Esau en Jakob en lieten de houding van Isaak en Rebekka tegenover  beide kinderen buiten beschouwing, de verhalen van Jozef en zijn broers  en terloops de relatie tussen Lea en Rachel en de houding van Jakob tegenover beide vrouwen.
Er is veel onrecht in het boek Genesis. En we bezondigen ons eraan – vaak onbewust – dat onrecht te verdoezelen. We spreken over Isaak als de eerstgeborene terwijl Ismaël dat was. We spreken over de Abrahamitische volkeren en bedoelen daarmee de volkeren die voortkwamen uit Ismaël en Isaak, maar vermelden niet tot Abraham ook nog een derde vrouw had, die hem zeven kinderen schonk  (Gn 25,1-6).
We weten dat het boek  Genesis geen geschiedenisboek is. Het vertelt ons wel hoe mensen worstelen om elkaar niet met jaloezie en na-ijver te benaderen en hoe ze slechts heel langzaam groeien tot broers en zussen van elkaar.
Ons economisch systeem is gebouwd op vrije concurrentie, op het opsporen van de zwakke plekken van de ander om hem onderuit te halen, op het profijt voor de consument. In dit systeem wordt het belangrijk om er als beste tevoorschijn te komen; soms doet de kwaliteit van het product er niet mee toe, maar de perceptie.
Het is een uitdaging  om in ons economisch stelsel van vrije markteconomie een samenleving van solidariteit uit te bouwen.

  1. Het wordt meestal afgedaan als Spielerei wanneer aandacht wordt besteed aan getallen in de Bijbel.

Het lijkt me toch opvallend hoe door getallen verbanden worden ontdekt en hoe via de getallen de band met het “mysterie” wordt benadrukt. Hoeveel vernoemde namen hebben een getalswaarde van 17 / 26 of een meervoud ervan. 17 en 26 verwijzen naar JHWH.

  1. Wat van boven komt, komt van beneden. Alles wat we over God zeggen, komt van mensen: hun ervaring en beleving, hun fantasie en begeerte, hun zwakte en onmacht. We moeten God niet tot verantwoording roepen waarvoor hij niet verantwoordelijk is. We staan soms wel versteld van wat er in Gods mond wordt gelegd. B.v. God keurt goed dat Hagar wordt weggezonden, m.a.w. Abraham heeft voor Sara door de knieën moeten gaan en met een beroep op God kan Abraham zonder gezichtsverlies Hagar en Ismaël wegzenden.

Religieuze inspiratie kunnen teksten brengen wanneer ze door allerlei menselijke wederwaardigheden iets van het “mysterie” oplichten.

Zolder, 18 mei 2017
Arseen De Kesel


RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP IN HET NT

Woord vooraf

  1. Dit thema, deze tekst wil uitnodigen tot nadenken en onderling gesprek. Het is niet mijn bedoeling heilige huisjes af te breken (of misschien toch). Huisjes die onbewoonbaar zijn geworden, moeten ofwel gerestaureerd ofwel afgebroken worden.
  2. Godsdiensten hebben vaak God voor vele dingen verantwoordelijk gesteld waarvoor de mensen zelf verantwoordelijk zijn. Daarenboven houden verantwoordelijken van de godsdiensten soms voor dat God dit of dat zegt of wil, terwijl het om menselijke denkbeelden en verlangens gaat. Wel kunnen mensen voor en met  elkaar kansen en mogelijkheden scheppen (of ontnemen) om het diepe mysterie van het bestaan – God – te ontdekken.
  3. Ik herhaal wat ik reeds heb gezegd bij dit thema in de bijdrage over het OT: “Bij het begin van het evangelie van Marcus (Mc 1,14) lezen we: “Het koninkrijk van God is nabij”. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Een theocratie met God als een koning – monarch aan het hoofd? Zonder scheiding der machten? In het vervolg van het evangelie van Marcus lezen we het roepingenverhaal van tweemaal twee broers (Mc 1,16-20). De roeping bestaat in het leren beoefenen van de broederschap / zusterschap (fraternité). Bij de roeping van de Twaalf worden de geroepenen twee aan twee vermeld (Mc 3,13-19) en bij de zending worden ze twee aan twee gezonden (Mc 6,7-13). Hun zending bestaat allereerst in de boodschap hoe ze de onderlinge broederschap beoefenen. Het Laatste Avondmaal met het breken van het brood en het delen van de beker staat symbool van de universele solidariteit.

Indertijd mocht een medebroeder of medezuster het klooster niet verlaten tenzij begeleid door een andere medebroeder of medezuster. Was het om het beoefenen van broederschap/zusterschap of uit controle?

  1. Kloosters zouden laboratoria van samenleven kunnen zijn: plaatsen waar mensen proberen broeders / zusters van elkaar te zijn. In hun poging kunnen zij aan en bij elkaar misschien nu en dan de transcendente God en Vader ervaren. Zij kunnen een gist en een licht voor de wereld zijn. Het is een wonder als dat gebeurt. Het is niet vanzelfsprekend.

Dit kan evenzeer gezegd worden van parochiegemeenschappen en om het even welke christelijke gemeenschappen.

  1. De geschriften van het NT getuigen van voortdurende spanningen tussen mensen. Er worden hoge idealen geschetst zoals in het boek Handelingen waarin geschreven staat dat de eerste joods-christelijke gemeenschappen van Jeruzalem  alles gemeenschappelijk hadden en één van hart en één van ziel waren. Maar het verloopt ook anders. Spanningen tussen mensen bereiken de uiterste grens zodat onder een zogenaamde gerechtvaardigde wet een mens zoals Jezus wordt gedood.  Een samenleven kan voor sommigen een hemel op aarde of een hel betekenen, ook het samenleven in kloosters.
  1. Johannes de Doper en Jezus

Het evangelie van Lucas begint met het verhaal van Zacharia en Elisabeth. Volgens buitenstaanders zouden ze zich moeten schamen. Ze hadden immers geen kinderen. Dat moet wel een straf van God zijn. Ze moeten wel iets heel ergs hebben gedaan, dat nu voor iedereen zichtbaar wordt. Buitenstaanders minachten hen. Juist van een priesterkoppel had men dit niet verwacht. Schijnheiligen zijn het. De auteur Lukas neemt het voor hen op. Hij zegt dat ze rechtvaardig zijn in Gods ogen.  De zwangerschap van Elisabeth en de geboorte van Johannes moet de mens de ogen openen voor wat God hier aan het doen is.
Het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper, het verhaal over Zacharia en Elisabeth, is gemodelleerd op dat van Abraham en Sara. Hun toekomstig kind wordt voorgesteld in de lijn van de profeet Elia. In het verhaal van de aankondiging van Jezus, het verhaal over Maria, komt de aankondiging zelf literair het best overeen met de aankondiging van Ismaël voor Hagar, de slavin van Sara (Gn 16,9-11). Toch wel iets merkwaardigs. Als het al een wonder is dat Abraham en Sara op hun oude dag een kind kunnen krijgen (Gn 18,14), des te meer is het voor God niet onmogelijk dat Maria zwanger wordt zonder tussenkomst van een man (Lc 1,37). Gods werk in een overtreffende macht . (Weet wel dat mensen dit schrijven en  al dit wonderbaarlijke meer zegt over mensen dan over God.) Jezus wordt beschreven in termen van koningschap, in de lijn van koning David.
Bij de ontmoeting tussen Maria en Elisabeth gebeurt er iets merkwaardigs. Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in de schoot van Elisabeth. Datzelfde werkwoord en vorm ervan vinden we in Gn 25,22. In dit vers betreft het Esau en Jakob. Ze boksen al vanaf de moederschoot tegen elkaar op.  In Lc 1,44 wordt het lief gezegd: het kind sprong met blijdschap op in haar schoot. Verbloemend?  Zullen Johannes de Doper en Jezus tegen elkaar opboksen? Zij zelf en hun leerlingen?
Zacharia en Elisabeth, het priesterpaar, had naar een kind verlangd opdat het priesterschap zou blijven doorgaan. Maar Johannes doet geen dienst in de tempel, maar hij doopt in de Jordaan , tot vergeving van zonden. Dat was revolutionair. Want alleen God kan zonden vergeven, door het voorgeschreven offer door een priester in de tempel van Jeruzalem. De Farizeeën gaan nog een stapje verder. Ze zeggen: je weet nooit, wanneer God vergeeft. Neem het zekere voor het onzekere en sluit die persoon uit de gemeenschap (die er één van zuiveren moet zijn).
Johannes de Doperj staat tevens in de traditie. Hij staat in het spoor van Elia: streng en rechtvaardig.
Jezus liet zich dopen door Johannes. Werd hij een leerling van hem? Na de doop krijgt Jezus een visioen met de boodschap dat hij een geliefde zoon van God is.
Jezus verschilt grondig van Johannes doordat Jezus barmhartigheid als hoofdboodschap neemt.  Maar dat komt later tot uiting.
In Mc 1,12 lezen we: “En de geest werpt hem buiten”. Gooide Johannes hem buiten? Waarom? Jezus kwam in de woestijn terecht (letterlijk en figuurlijk): alleen, met nu en dan gezelschap van engelen en duivels.  Daar wordt hij geconfronteerd met zijn oude dromen en idealen, met zijn verleden en toekomst, van hemzelf en van zijn volk.
Er is een spanning tussen Johannes de Doper en Jezus en tussen beide groepen leerlingen. Er is  spanning tussen personen, maar ook tussen ideeën. Hoe zijn personen met zeer uiteenlopende ideeën met elkaar te verzoenen. Hoe broederschap / zusterschap in dat geval uitbouwen?
Heeft het vroege christendom de stroming van Johannes de Doper (en het jodendom in zijn geheel) proberen te accapareren door het doopsel als initiatie in te voeren?  Door een nood aan een initiatieritueel bij het wegvallen van de besnijdenis?  Heeft een beweging van universele solidariteit, waarvoor Jezus stond,  wel  een initiatieritus nodig? Het instituut kerk wellicht wel. Spanning tussen beweging en instituut?

  1. Een vader heeft twee zonen (Lc 15,11-32)

Omdat er van twee zonen sprake is, spreken we over de jongste en de oudste zoon. Vaak horen we in het OT dat de oudste het onderspit moet delven voor de jongere. Volgens de Griekse tekst kunnen we vertalen : de nieuwere (jongere) en de oudere (presbuteros). De jongere lijkt een bon vivant, de oudere een harde werker. Wat verschil bestaat er tussen beiden?  De jongere erkent zijn vader als vader en de vader erkent zijn zoon. De oudere spreekt nooit zijn vader als vader aan en ook niet zijn broer als broer. De jongere heeft berouw, bekeert zich en wendt zich tot zijn vader. De oudere blijft buiten. De vader gaat naar hem toe om hem uit te nodigen tot het feest van zijn broer. Maar de oudere gaat uit van de grondgedachte: voor wat, hoort wat. Barmhartigheid en liefde tegenover rechtvaardigheid (in een bepaalde zin begrepen. Vergoeding kan je opeisen, vriendschap en liefde niet.
Het doet me denken aan het 16de eeuiwse dispuut tussen “protestanten” en “katholieken”, tussen enerzijds sola gratia, sola fides (enkel genade, enkel geloof) tegenover loon naar werken.
Het is een parabel. Met dit verhaal wil Jezus naar een andere werkelijkheid verwijzen.  Dat maakt Lc 15,2 ons duidelijk: De Farizeeën en de Schriftgeleerden morren omdat Jezus zondaars ontvangt en met hen eet. Het gaat om de wijze waarop de Farizeeën en Schriftgeleerden enerzijds en Jezus anderzijds met zondaars omgaan.  Het gaat ook over de wijze waarop een jongere en een oudere generatie zich tot elkaar verhouden.  De oudere generatie wil door het onderhouden van de geboden en verboden van God haar identiteit bewaren, het uitverkoren volk van God zijn. De nieuwere generatie wil de scheidslijnen tussen zondaars en niet-zondaars doorbreken en pleit voor een inclusieve maatschappij en wil van die oude identiteit af. De nieuwere generatie heeft een nieuw godsbeeld: God is een barmhartige Vader.
Dit verhaal is een uitdaging voor onze tijd. De grijze koppen zien dat de jongere generatie (onder de 65 jaar) hen niet meer volgt; ze heeft geen nood aan de opvattingen en de rituelen zoals de oudere generatie ze invult. Denken we God op andere gedachten te kunnen brengen als we zo voort doen? Zijn wij op andere gedachten te brengen? Zijn we wel goed bezig?  

  1. Het Laatste Avondmaal  (Mc 14,22-23)

Was Jezus zich wel bewust dat het zijn laatste maaltijd was? Heeft de evangelist in dit verhaal willen condenseren waarvoor Jezus stond: een inclusieve maatschappij, een wereldwijde solidariteit, een barmhartige God-Vader.
De zinnen “dit is mijn lichaam” , “dit is mijn bloed”  wekken  vele betekenissen en zijn voorwerp van geloof en ongeloof. Literair verwijst “Hij nam … en zei… dit is… bloed van het verbond”  naar de verbondssluiting tussen God en het volk via Mozes op de berg Sinaï  in Ex24,8: “Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: ‘Dit is het bloed van het verbond…” Hier bevinden we ons in de duiding van de dood van Jezus als een offer aan God  in het kader van een verbondssluiting. Heeft Jezus zijn dood ooit gezien als een offer? Heeft God een mensenoffer nodig om zich met de mensheid te verzoenen?
En parallel ermee hebben we dan: “dit is mijn lichaam…”.
Heeft het jonge christendom het offer in de tempel voor de vergeving van de zonden geaccapareerd en in haar duiding van Jezus’dood ingepast? Zoals in de tempel het offer werd opgedragen door een priester, zo werden de twaalf, en de bisschoppen als hun opvolgers, offeraars. En de maaltijd werd dan geïnterpreteerd als een offermaaltijd. En om aan het offer te mogen deelnemen, moest men rein zijn. Zondaars waren uitgesloten.
De grondgedachte van Jezus lijkt onder een dikke laag lava bedolven. Het gaat om samen het brood breken en de beker delen, om onderlinge broederschap / zusterschap. Ook Judas was er aanwezig en Jezus heeft hem er niet uitgegooid. Dankzij Judas mogen ook zondaars aan de broodbreking deelnemen. Zijn er dan geen voorwaarden om deel te nemen? In een beweging niet , in een organisatie / instituut wel. In een organisatie heb je een lidkaart nodig, in een beweging niet.

  1. Marta en Maria (Lc 10,38-42)

Wat moet ik denken  van dit verhaal? Marta ontvangt Jezus. Hoe ontvang je iemand? Marta was druk in de weer met bedienen. Gelukkig had Marta een zus Maria. Die bleef bij Jezus en luisterde naar hem. Jezus had blijkbaar een luisterend oor nodig. Was Maria er niet geweest, dan had Jezus daar een hele tijd alleen gezeten en had hij niet kunnen vertellen. En misschien  was Maria wel een hulpje van Marta en wist Maria aan haar zus te ontsnappen. Op welke wijze zijn ze zussen en hoe verschillen ze van elkaar?
In kloosters waren er Maria’s en Martas , de mères en de soeurs, de broeders en de priesters. Een afspiegeling van een maatschappij met heren en werkvolk?

Er is nog zoveel te zeggen over dit thema in het NT. Over de onderlinge relaties tussen de apostelen, over Paulus, over de eerste christelijke gemeenschappen. Blijkbaar is het moeilijk om gist te verwerven en licht te maken.

Zolder, 22 juni 2017
Arseen De Kesel