BIJBEL : Taalgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- A

  1. De letter אָלֶף = א = ´ = ´âleph (alef) is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet . Deze letter heeft getalswaarde 1 als rang- en hoofdtelwoord . Deze letter is een echte medeklinker ofschoon hij in de uitspraak (bijna) niet meer hoorbaar is . Hij geeft een glottisslag weer (zoals b.v. in het Nederlandse naäpen) . De aleph wordt weergegeven door het teken ´ .
  2. Ned. : aanraken , tikken , aantikken -> toets ? . E. : touch . Fr. toucher < volkslat. toccare < Lat. : ta-n-g-ere (tetigi , tactum) . It. : toccare . Sp. : tocar . "Noli me tangere" (wil me niet aanraken, wil me niet vasthouden, klamp je niet vast) : Joh 20,13 . Ned. : tang : gereedschap om iets te grijpen , vast te houden . Ned. : tank : een reservoir om vloeistoffen vast te houden .
    - Lat. attingere (attetigi, attactum) . Fr. attaque < Fr. attaquer < ook Lat. attoccare en attaccare : aanraken ; neg. : slaan , aanvallen ; vasthechten .
    - Lat. contingere (contetigi , contactum) . Fr. en Ned. : contact .
  3. Ned. : aarde . Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) . Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) . Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) . D. : Erde . E. : earth . Fr. : terre . Grieks : γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) . Italiaans : terra . Lat. : terra . Spaans : tierra . Syrisch : ´ar`o (aarde) .
  4. ααρων = aarôn (Aäron) . Taalgebruik in het NT : aarôn (Aäron) . Nu 6,23 .
  5. אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Lc 1,55 .
    1. אָבִי = ´âbhî (mijn vader) < zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. .
    2. אָבִיךָ = ´âbhîkhâ (jouw vader) < stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 12,1 .
    3. אָבִיו = abhîw (zijn vader) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. .
      1. בֵית אָבִיו = be(j)th ´âbhîw (huis van zijn vader) .
      2. וּבֵית אָבִיו = ûbhe(j)th ´âbhîw (en het huis van zijn vader) .
    4. אָבִינוּ = ´âbhînû (onze vader) < zelfst. naamw. stat. constr. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. .
    5. mann. mv. אֲבוֹת = ´äbhôth (vaders) . Lc 1,55 .
      1. אֲבֹתֶיךָ = ´äbhothè(j)khâ (jouw vaderen) < mann. mv. stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. Lc 1,55 .
        1. אֲבֹתֶיךָ אֶל = ´èl ´äbhothè(j)khâ (naar jouw vaderen) .
      2. אֲבֹתֵינוּ = ´äbhothe(j)nû (onze vaderen) < mann. mv. stat. constr. + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mann. mv. . Lc 1,55 .
        1. לַאֲבֹתֵינוּ = la´äbhothe(j)nû (tot onze vaderen) .
          1. אֱלֹהֵי אֲבֹתֵינוּ = ´êlohe(j) ´äbhothe(j)nû (God van onze vaderen) .
      3. אֲבוֹתֵיכֶם = ´äbhothe(j)khèm (jullie vaders) .
        1. לאֲבוֹתֵיכֶם = la´äbhothe(j)khèm (aan jullie vaders) < voorzetsel lë + zelfst. naamw. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. mv. .
      4. אֲבוֹתָם = ´äbhôthâm (hun vaderen) < mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. .
        1. לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. .
    6. הָאָבוֹת = hâ´âbhôth (de vaderen) < prefix bepaald lidw. ha + mann. mv. . Lc 1,55 .
      1. לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. .
  6. אָבָה = ´âbhâh (willen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâh (willen) .
    1. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. יאֹבֶה = jo'bhèh (hij wil) .
  7. - ´jl , zie Ps 42,2 .
  8. אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) .
  9. עָבַד = `âbhad (werken, dienen) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen) .
    1. prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal perf. 3de pers. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. וַעֲבָדוּם = wa`äbhâdûm (en zij zullen dienen) . Dt 31,20 .
    2. act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. תַעֲבֹד = tha`äbhod (jij zult werken, dienen) . Ex 20,9 . Dt 6,13 .
    3. וְנַעַבְדֶכָּ = wënaàbhëdèkhâ (en wij zullen jou dienen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal jiqtol (imperf.) 1ste pers. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Mt 6,13 .
    4. act. piël imperf. 2de pers. mann. mv. תְּאַבְּדוּן = thë´abbëdûn (jullie zult doen verdwijnen) OF act. qal jiqtol (imperf.) 2de pers. mann. mv. תֹּאבֵדוּן= tho´bhedûn (jullie verdwijnen) .
    5. act. hifil stat. constr. הַאֲבִיד = ha´äbhîd (om te verdelgen) .
    6. pass. hofal imperf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. תָעָבְדֵם = thâ`âbhëdem (jij zult hen dienst doen) . Ex 20,5 .
  10. אָבַק = ´âbhaq (worstelen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen) .
    1. וַיִאָבִק = waje´âbheq < verbindingswoord wë + werkw.vorm pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 32,25 .
  11. אָבָק = ´âbhâq (stof, stuifzand) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâq (stof, stuifzand) .
  12. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Lc 8,22 .
    1. וַיַּעֲבֵר = wajja`äbher (en hij deed voorbijgaan) < wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 32,23 .
    2. וַיַּעֲבֹר = wajja`äbhor (en hij trok door) < prefix verbindingswoord wë (consecutivum) + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 32,24 .
    3. נַעְבְּרָה נָּא = na`ëbërah-nâ´ (dat wij mogen doortrekken) < act. qal cohort. 1ste pers. mv. + versterking nâ´ . Mc 4,35 .
      1. נַעְבְּרָה נָּא אֶל אֵבֶר = na`ëbërah-nâ´ ´l `ebhèr (dat wij mogen doortrekken naar de overzijde) . Mc 5,1 .
    4. qal act. part. praes. עֹבֵד = `obhed (voorbijgaande) .
  13. אָבַס = ´âbâs (voederen, vetten) . Lc 2,12 .
  14. אֵבוּס = ´ebhûs (kribbe) . Taalgebruik in Tenakh : ´ebhûs (kribbe) . Lc 2,12 .
    - ´äbhîhû (Abihoe) , zie Ex 24,9 .
  15. אַהֱרֹן = ´ahäron (Aäron) . Taalgebruik in Tenakh : ´ahäron (Aäron) . Ps 133,2 .
    1. וְאַהֱרֹן = wë´ahäron (en Aäron) < prefix voegwoord wë + persoonsnaam . Ex 24,9 .
  16. ahäron (Aäron) , zie Ex 24,9 .
    - ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) , zie Ps 1,6 .
  17. ´abhërâm (Abram) , zie Gn 12,1 .
  18. Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrahim (Ibrahim) . Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) . Hebreeuws : אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) .
  19. αβρααμ = abraam (Abraham) . Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) . Lc 1,55 .
  20. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) .
    1. אַבְרָהָם אֶל הָאֱלֹהִים = ´abhërâhâm ´èl hâ´èlohîm (en Abraham tot God) . Gn 17,18 .
    2. וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם אֶל = wajjo'mèr ´abhërâhâm ´èl (en Abraham zei tot) . Gn 17,18 .
    3. וְאַבְרָהָם = wë´abhërâhâm (en Abraham) < prefix wë + persoonsnaam אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Gn 18,11 .
    4. אֶל אַבְרָהָם = ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) . Lc 1,55 .
    5. לְאַבְרָהָם = lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) . Lc 1,55 .
  21. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) . Gn 12,10 .
    1. אֶל אַבְרָם = ´èl ´abhërâm (tot Abram) . Gn 12,1 .
      1. יהוה אֶל אַבְרָם = JHWH ´èl ´abhërâm (JHWH tot Abram) . Gn 12,1 .
    2. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) . Gn 11,29 .
    3. וְאַבְרָם בֶּן = wë´abërâm bèn (en Abram was oud) . Gn 16,16 .
    4. לְאַבְרָם = lëabhrâm (voor Abram) < prefix voorzetsel lë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) . Gn 16,16 .
    5. וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) . Gn 12,4 .
    6. וַיּקַּח אַבְרָם = wajjiqqach Abram (en Abram nam) . Gn 11,29 .
    7. מִצְרַיְמָה אַבְרָם וַיֵּרֶד = wajjerèd ´abhërâm mitsërajëmâh (en Abram daalde af Egyptewaarts) . Gn 12,4 .
    8. וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam . Gn 12,4 .
  22. אָח = ´âch (broer) .Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Lc 15,27 .
    1. ´-ch-j : (1) zelfst. naamw. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk.אָחִי / אֲחִי = ´âchî OF ´ächî (mijn broer) . (2) zelfst. naamw. stat. constr. mann. enk. אֲחִי = ´äche(j) (broers van) .
    2. אַחִים = mann. mv. ´achîm (broers) . Ps 133,1 .
    3. אָחִיו = ´achîw (zijn broer) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 25,26 .
    4. mann. enk. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. אָחִיךָ = âchîkhâ (jouw broer) . Dt 22,4 .
    5. אָחִינוּ = .´âchînû (onze broer) .
    6. אֶחָיו = ´èchâ(j)w (zijn broers) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. .
      1. כָל אֶחָיו = kâl ´èchâ(j)w (al zijn broers) .
      2. וְכָל אֶחָיו = wëkhâl ´èchâ(j)w (en al zijn broers) .
  23. `âchar (dralen, toeven, zich ophouden) , zie Ps 40,18 .
  24. ´-ch-r . (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat. constr. אַחַר = ´achar . (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) . Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) .
    1. אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Gn 22,1 .
    2. אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 22,1 .
    3. mann. mv. אֲחֵרִים = ´ächarîm / ´ächerîm . Dt 6,14 .
      1. אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) . Dt 6,14 .
        1. אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´achäre(j) ´èlohîm ´ächarîm (achter andere goden) . Dt 6,14 .
  25. אַחֲרֵי =´achäre(j) (achter, na) . Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Gn 25,26 .
    1. אַחַרֵי כֵן = ´achäre(j) khen (achter zo, zo dan) . Gn 25,26 .
    2. אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) . Dt 6,14 .
    3. וַיְהי אַחַרֵי = wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na...) . Gn 25,11 .
    4. וְאַחֲרֵי = wë´achäre(j) (en achter, en na) <. prefix voegwoord wë + voorzetsel (de vorm van een stat. constr. mann. mv.) . Gn 25,26 .
      1. וְאַחֲרֵי כֵן = wë´achäre(j) khen (en achter zo, en zo dan, en daarna) . Gn 25,26 .
    5. אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Mc 1,18 .
      1. הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Mc 1,18 .
  26. אָחַז = ´âchaz (grijpen, vatten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âchaz (grijpen, vatten) .
    1. act. part. vr. enk. אֹחֶזֶת = ´ochèzèth (vastgrijpende) . Gn 25,26 .
  27. עַד = `ad (tot) . Taalgebruik in Tenakh : `ad (tot) . Gn 32,25 .
  28. אָדָם = ´âdâm (mens) . Taalgebruik in Tenakh : ´âdâm (mens) . Gn 1,26 . Lc 15,11 .
    1. הָאָדָם = hâ´âdâm (en Adam) < prefix bepaald lidwoord + zelfst. naam (eigennaam) . Gn 4,1 .
      1. וְהָאָדָם = wëhâ´âdâm (en Adam) < prefix voegwoord wë + bepaald lidwoord + zelfst. naam (eigennaam) . Gn 4,1 .
  29. אֲדָמָה = ´ädâmâh (aarde, grond) . Taalgebruik in Tenakh : ´ädâmâh (aarde, grond) . Gn 1,26 .
    1. הָאֲדָמָה = hâ´ädâmâh de aarde) < bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Dt 4,10 :
      1. עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = `al hâ´ädâmâh ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ nothen lâkh (op de grond die/dat JHWH, jouw God gevende aan jou) .
      2. מֵעַל הָאֲדָמָה = me`al hâ´ädâmâh (vanop de aarde) . Dt 28,21 .
  30. אָדַר = ´âdar (nif.: verheerlijkt zijn) . Taalgebruik in Tenakh : ´âdar (nif.: verheerlijkt zijn) .
    1. pass. nifal part. mann. enk. נֶאְדָּר = nè'ëdâr (verheerlijkt) . Ex 15,11 .
  31. כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele gemeenschap van Israëlieten) . Lv 19,2 .
    1. אֶל כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ´èl kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele gemeenschap van Israëlieten) . Lv 19,2 .
  32. nom. vr. enk. αδελφη = adelfè (zuster) . Taalgebruik in het NT : adelfè (zuster) . Mc 3,35 .
  33. αδελφος = adelfos (broer) . Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) .
    1. nom. mann. enk. αδελφος = adelfos (broer) . Mc 3,35 . Lc 15,27 .
      1. ὁ αδελφος αυτου = ho adelfos autou (zijn broer) . Gn 25,26 .
    2. gen. mann. enk. αδελφου = adelfou (van de broer) . Mc 6,17 .
      1. του αδελφου αυτου = tou adelfou autou (van zijn broer) . Mc 6,17 .
        1. την γυναικα του αδελφου αυτου = tèn gunaika tou adelfou autou (de vrouw van zijn broer) . Mc 6,17 .
  34. אֲדֹנָי = ´ädonaj (mijn heer / mijne heren) . Taalgebruik in Tenakh : ´ädonâj / ´ädonaj (mijn heer / mijne heren) . Lc 4,18 .
    1. אֲדֹנָי יהוה = ´ädonaj JHWH (Heer God) . Lc 4,18 .
  35. adorare (tot de mond brengen, kussen, aanbidden) .
    1. act. part. praes. nom. mann. mv. adorantes (aanbiddend) . Lc 24,52 .
    2. act. fut. perf. 1ste pers. mv. adoraverimus (wij zullen aanbeden hebben) . Gn 22,5 .
  36. אֵי = ´e(j) (waar?) . Taalgebruik in Tenakh : ´e(j) (waar?) .
    1. אַיֶּכָּה = ´ajèkkâh (waar ben je?) < vragend voornaamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 3,9 .
  37. αφαιρεω = afaireô (wegnemen) . Taalgebruik in het NT : afaireô (wegnemen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. αφειλεν = afeilen (hij nam weg) . Lc 1,25 .
    2. act. inf. 2de aor. αφελειν = afelein . Lc 1,25 .
  38. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) .
    1. dat. vr. enk. αφεσει = afesei . Lc 4,18 .
      1. εν αφεσει = en afesei (door vergeving) . Lc 4,18 .
        1. εν αφεσει ἁμαρτιων = en afesei hamartiôn (door vergeving van zonden) . Mc 1,4 .
    2. acc. vr. enk. αφεσιν = afesin . Lv 25,10 . Mc 1,4 . Lc 24,47 .
      1. εις αφεσιν = eis afesin (tot vergeving) . Mc 1,4 .
        1. εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων (tot vergeving van (de) zonden) . Lc 24,47 .
  39. αφιημι = afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) .
    1. 3de pers. enk. act. ind. praes. of imperf. (ion.) απιει = apiei (hij begaf zich op weg) . PJ 1,1 .
    2. pass. ind. praes. 3de pers. mv. αφιενται = afientai (zij worden vergeven) . Mc 2,5 .
    3. act. imperat. aor. 2de pers. enk. αφες = afes (vergeef) . Lc 17,3 .
      1. και αφες = kai afes (en vergeef) . Mt 6,12 .
    4. inf. praes. αφιεναι = afienai (te vergeven) . Mc 2,7 .
    5. act. part. aor. nom. mann. enk. αφεις = afeis (achterlatend) . Mt 13,36 .
      1. αφεις τους οχλους = afeis tous ochlous (achterlatend de massa's) . Mt 13,36 .
    6. act. part. aor. nom. mann. mv. αφεντες = afentes (achtergelaten) . Mc 4,36 . Mc 14,50 . Lc 5,11 .
      1. αφεντες τα δικτυα = afentes ta diktua (de netten achtergelaten) . Mt 4,20 .
      2. αφεντες ἁπαντα = afentes hapanta (alles achtergelaten) . Mt 4,20 .
      3. αφεντες αυτον = afentes auton (hem achtergelaten) . Mt 4,20 . Mc 14,50 .
        1. και αφεντες αυτον = kai afentes auton (en achtergelaten hem) . Mc 14,50 .
      4. αφεντες τον οχλον = afentes ton ochlon (achtergelaten de menigte) . Mc 4,36 .
    7. pass. ind. perf. 3de pers. mv. αφεωνται = afeôntai (zij zijn vergeven) . Mc 2,5 .
      1. αφεωνται σοι = afeôntai soi (zij zijn vergeven aan jou) . Mc 2,5 .
        1. αφεωνται σοι αἱ ἁμαρτιαι = afeôntai soi hai hamartiai (zij zijn vergeven aan jou de zonden) . Mc 2,5 .
  40. αφοριζω = aforizô (afzonderen) . Taalgebruik in het NT : aforizô (afzonderen) .
    1. act. part. aor. nom. mann. enk. αφορισας = aforisas (afgezonderd) . Gal 1,15 .
  41. αφυπνoô = afupnoô (wegdromen) . Lc 8,23 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. αφυπνωσεν = afupnôsen (hij droomde weg) . Lc 8,23 .
  42. αγαλλιαω = agalliaô (jubelen) . Taalgebruik in het NT : agalliaô (jubelen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηγαλλιασεν = ègalliasen (hij jubelde) . Lc 1,47 .
    2. deponent werkw. ind. fut. 1ste pers. enk. αγαλλιασομαι = agalliasomai (ik zal jubelen) . Lc 1,47 .
    3. deponent werkw. ind. aor. 3de pers. enk. ηγαλλιασατο = ègalliasato (hij jubelde) . Lc 1,47 .
  43. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) .
    1. act. ind. praes. + imperat. 2de pers. mv. αγαπατε = agapate (jullie beminnen, bemint) . Lc 6,27 .
    2. act. ind. futurum 2de pers. enk. αγαπησεις = agapèseis (jij bemint) . Dt 6,5 .
    3. act. ind. aor. 2de pers. ank. ηγαπησας = ègapèsas (jij beminde) . Gn 22,2 .
  44. αγαπη = agapè (liefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) .
    1. nom. vr. enk. αγαπη = agapè (liefde) . Jud 1,3 .
  45. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) . Zie het werkw. αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) .
    1. nom. mann. enk. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) .
    2. gen. mann. enk. αγαπητου = agapètou . Gn 22,16 .
    3. acc. mann. enk. αγαπητον = agapèton . Gn 22,2 .
    4. nom. + voc. mann. mv. αγαπητοι = agapètoi (beminden) . Jud 1,3 .
  46. αγαθος = agathos (goed) . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) .
    1. nom. mann. enk. αγαθος = agathos (goed) . Lc 23,50 .
  47. nom. mann. enk. αγγελος = aggelos (engel) . Gn 16,11 . Lc 1,11 . Hnd 12,8 .
    1. αγγελος κυριου = aggelos kuriou (de engel van de Heer) . Gn 16,11 . Lc 2,9 .
    2. acc. mann. enk. αγγελον = aggelon . Mc 1,2. .
  48. - aggelos (engel) . aggelos (engel) , zie Mt 13,41 .
  49. αγοραζω = agorazô (kopen) . Taalgebruik in het NT : αγοραζω = agorazô (kopen) . Mc 15,46 .
    1. act. indic. aor. 3de pers. mv. ηγορασαν = ègorasan (zij kochten) . Mc 15,46 .
    2. act. ind. fut. 1ste pers. mv. OF act. conjunct. aor. 1ste pers. mv. αγορασωμεν = agorasômen (dat wij zouden kopen) . Lc 9,13 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. αγορασας = agorasas (gekocht) . Mc 15,46 .
  50. αγρα = agra (vangst, buit) . Taalgebruik in het NT : agra (vangst, buit) . Lc 5,4 .
    1. acc. vr. enk. αγραn = agran . Lc 5,4 .
  51. αγρος = agros (akker, land, veld) . Zie : αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) . Taalgebruik in het NT : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) .
    1. acc. mann. enk. αγρον = agron . Lv 25,4 .
  52. - agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken) .
  53. αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren) .
    1. act. conjunct. praes. 1ste pers. mv. αγωμεν = agômen (laten wij gaan) . Mc 1,38 .
  54. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) .
    1. act. qal perf. 2de pers. mann. enk. אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) . Dt 6,5 .
      1. אֲשֶׁר אָהַבְתָּ = äsjèr ´âhabhëthâ (die jij bemint) . Gn 22,2 .
      2. וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act. qal perf. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,5 .
        1. וְאָהַבְתָּ אֵת = wë´âhabhëthâ ´eth (en jij zult beminnen) . Dt 6,5 .
          1. וְאָהַבְתָּ אֵת יהוה = wë´âhabhëthâ ´eth JHWH (en jij zult JHWH beminnen) . Dt 6,5 .
    2. לאַהֲבָה = lë´ahäbhâh (om te beminnen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct. . Dt 11,1 .
      1. וּלאַהֲבָה = ûlë´ahäbhâh (en om te beminnen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf. stat. construct. . Dt 6,5 .
      2. לאַהֲבָה אֶת יהוה = lë´ahäbhâh ´èth JHWH (om JHWH te beminnen) . Dt 6,5 .
  55. אָהַל = ´âhal (de tent opslaan) .
    1. וַיֶּאֶהַל = wajjè´èhal (en hij sloeg zijn tenten op) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. enk. . Gn 13,12 .
  56. אַהֱרֹן = ´ahäron (Aäron) . Taalgebruik in Tenakh : ´ahäron (Aäron) . Nu 6,23 . Ps 133,2 .
    1. אֶל אַהֱרֹן = ´èl ´ahäron (tot Aäron) . Nu 6,23 .
      1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן = dabber ´èl ´ahäron (spreek tot Aäron) . Nu 6,23 .
      2. אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = ´èl áhäron wë´èl bânâ(j)w (tot Aäron en tot zijn zonen) . Nu 6,23 .
        1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = dabber ´èl ´ahäron wë´èl bânâ(j)w (spreek tot Aäron en tot zijn zonen) . Nu 6,23 .
          1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו לֵאמֹר = dabber ´èl ´ahäron wë´èl bânâ(j)w le´mor (spreek tot Aäron en tot zijn zonen om te zeggen) . Nu 6,23 .
  57. אִי = ´î (î) kan verschillende betekenissen hebben :
    1. אַיִן = ´ajin (waar) = אִי = אֵי = אַיֵּה = ´ajjeh . Zie : אִי = ´î (ie) 1. vragend woord : waar ? Taalgebruik in Tenakh : ´î =´ie (waar?) .
    2. אִי = ´î (wee) , wellicht ontstaan uit de scriptio defectiva אֹי = ´oj van אוֹי = ´ôj (wee) . Taalgebruik uit Tenakh : אִי = ´î (wee) . Tenakh o.a. Pr 10,16 .
    3. אִי = ´î ( (î) (eiland) . Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland) .
      1. mann. mv. stat. absol. אִיִּים = ´ijjîm (eilanden) .
      1. mann. mv. stat. construct. אִיֵּי = ´ijje (eilanden van) .
    4. niet (prefix ontkennend) .
  58. אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : 'âjabh (vijandig zijn) .
    1. וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. vr. enk. אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) . Gn 3,15 .
  59. -
    1. εξ αιγυπτου = ex aiguptou (uit Egypte) . Dt 26,8 .
  60. אַיִל = ´ajil (ram, post, boog, zuil , vlakte) . Taalgebruik in Tenakh : ´ajil (ram, post, boog, zuil , vlakte) .
  61. -
    1. וָלָד לָהֶם אֵין = ´e(j)n lahèm wâlâd . Lc 1,7 .
    2. וְאֵין = wë´e(j)n (en er is niet) < wë + עַיִן = ´ajin (er is niet) . Stat. constr. עיֵן = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Lc 1,7 .
  62. - ´âhal (zijn tenten opslaan) , zie Gn 13,18 .
  63. αινεω = aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : aineô (loven, prijzen) .
    1. act. part. praes. nom. mann. mv. αινουντες = ainountes (prijzend) . Lc 2,20 .
      1. αινουντες τον θεον = ainountes ton theon (prijzende God) . Lc 2,20 .
    2. act. part. praes. gen. mv. αινουντων = ainountôn (van hen die lofprijzen) . Lc 2,13 .
  64. aiônion (eeuwig) , zie Joh 3,15 . Bij Johannes : (1) Joh 3,15 . (2) Joh 3,16 . (3) Joh 3,36 . (4) Joh 4,14 . (5) Joh 4,36 . (6) Joh 5,24 . (7) Joh 5,39 . (8) Joh 6,27 . (9) Joh 6,40 . (10) Joh 6,47 . (11) Joh 6,54 . (12) Joh 10,28 . (13) Joh 12,25 . (14) Joh 17,2 . In al deze verzen staat aiônion (eeuwig) onmiddellijk na zôèn (leven). In 6 verzen staat zôèn (leven) zonder aiônion (eeuwig) : (1) Joh 5,26 . (2) Joh 5,40 . (3) Joh 6,33 . (4) Joh 6,53 . (5) Joh 10,10 . (6) Joh 20,31 .
  65. עַיִן = `ajin (oog, bron) . Stat. constr. עֵין = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron) .
    1. stat. constr. mann. mv. עֵינֵי = `e(j)ne(j) (ogen van) . Js 35,5 .
    2. עֵינֶיךָ = `e(j)nè(j)khâ (jouw ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,8 .
      1. בֵּין עֵינֶיךָ = be(j)n `e(j)nè(j)khâ (tussen jouw ogen) . Dt 6,8 .
    3. עֵינֵיכֶם = `e(j)ne(j)khèm (jullie ogen) < zelfst. naamw. stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. . Dt 11,18 .
      1. בֵּין עֵינֵיכֶם = be(j)n `e(j)ne(j)khèm (tussen jullie ogen) . Dt 11,18 .
    4. עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 13,10 . Gn 22,4 .
      1. אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) . Gn 13,10 . Gn 22,4 .
    5. בְּעֵינֵי = bë`e(j)ne(j) (in de ogen van) < prefix voorzetsel bë + stat. constr. mann. mv. . Re 3,12 .
      1. בְּעֵינֵי יהוה = bë`e(j)ne(j) JHWH (in de ogen van JHWH) . Re 3,12 .
        1. אֶת הָרַע בְּעֵינֵי יהוה = ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen van JHWH) . Dt 31,29 .
  66. αιρω = airô (nemen) . Taalgebruik in het NT : airô (nemen) .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. enk. αρον = aron (neem) . Mc 2,9 .
  67. αιτεω = aiteô (vragen, bedelen) . Taalgebruik in het NT : aiteô (vragen, bedelen) .
    1. med. conj. aor. 1ste pers. enk. αιτησομαι = aitèsomai (ik zou vragen) . Mc 6,24 .
    2. med. inf. praes. αιτεισθαι = aiteisthai (voor zich te vragen, eisen) . Mc 15,8 .
  68. אך = akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker) . Taalgebruik in Tenakh : akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker) .
  69. ακατασκευαστος = akataskeuastos (onuitgerust, oningericht) . Zie het werkw. κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) . Taalgebruik in het NT : kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) . Gn 1,2 .
  70. ακαθαρτος = akathartos (onzuiver) . Taalgebruik in het NT : akathartos (onzuiver) . Mc 1,26 .
    1. nom. en acc. onz. enk. ακαθαρτον = akatharton (onzuiver) . Mc 1,26 .
      1. το ακαθαρτον = to akatharton (de onzuivere) . Mc 1,26 .
        1. το ακαθαρτον πνευμα = to akatharton pneuma (de onzuivere geest) . Mc 1,26 .
    2. dat. mann. + onz. enk. ακαθαρτῳ = akathartô(i) : (met een) onzuivere (geest) . Mc 1,26 .
    3. nom. en acc. onz. mv. ακαθαρτα = akatharta (onzuiver) . Mc 3,11 .
      1. τα πνευματα τα ακαθαρτα = ta pneumata ta akatharta (de onzuivere geesten) . Mc 3,11 .
  71. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) .
    1. וַאֲכַלְתֶּם = wë´äkhalëthèm (en jullie zullen eten) < prefix verbindingswoord wë + werkw. act. ind. perf. 2de pers. mann. mv. . Ex 12,11 .
    2. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. יאֹכַל = jo´khal (hij eet) .
    3. act. ind. imperf. 1ste pers. mv. נֹאכֵל / נֹאכַל = no´khel / no´khal (wij zullen eten) . Gn 3,2 .
    4. וַיּאֹכְל = wajjo´khël (en hij at) < prefix wa consecutivum + act. indic. imperf. 3de pers. mann. enk. . Mc 4,4 .
    5. act. ind. imperf. 2de pers. mann. mv. t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = to'khëlû / to'khelô (jullie zullen eten) . Gn 9,4 .
      1. לֹא t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = lo´ to'khëlû / to'khelô (jullie zullen niet eten) .
    6. וַיּאֹכְלוּ = wajjo´khëlû (en zij aten) < wa consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. . Mc 6,42 .
    7. act. qal part. vr. enk אֹכְלָה = ´okhëlâh (verslindende) . Dt 4,24 .
      1. אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) . Dt 4,24 .
    8. אֻכָּל = ´ukkol (wordende verteerd) : pass. pual part. mann. enk. (part. zonder mem) .
  72. אָכְלָה = ´âkhëlâh (spijs, voedsel) , zie het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten) .
    1. לְאָכְלָה = lë´âkhëlâh (tot voedsel) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. . Ex 16,15 .
  73. Ned. : akker . D. : Acker . E. : field . Fr. : champs . Grieks : αγρος = agros (akker, land, veld) . Hebreeuws : שָׂדֶה = shâdèh (veld) . Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) . Latijn : ager (akker) .
  74. ακοη = akoè (gerucht, gehoor) . Zie het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) .
    1. nom. vr. mv. ακοαι = akoai (gehoren) . Mc 7,35 .
  75. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. EN act. imperatief praes. 2de pers. enk. ακολουθει = akolouthei (volg) . Lc 18,22 .
    2. act. ind. praes. 3de pers. mv.  ακολουθουσιν = akolouthousin (zij volgen) . Mc 6,1 .
    3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηκολουθει = èkolouthei . Lc 18,43 .
    4. act. ind. aor. 3de p. enk. ηκολουθησεν = èkolouthèsen (hij volgde) . Mc 2,14.
      1. ηκολουθησεν αυτῳ = èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) . Mc 2,14.
    5. ind. aor. 3de pers. mv. ηκολουθησαν = èkolouthèsan (zij volgden) . Mt 4,20 . Mc 1,18 . Lc 5,11 . Lc 9,11 .
      1. ηκολουθησαν αυτῳ = èkolouthèsan autô(i) (zij volgden hem) . Mc 1,18 . Lc 9,11 .
    6. ind. aor. 1ste pers. mv. ηκολουθησαμεν = èkolouthèsamen (wij volgden) . Lc 18,28 .
    7. act. imperat. aor. 2de pers. mv. ακολουθησατε = akolouthèsate  (volgt) . Lc 22,10 .
  76. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) .
    1. actief ind. imperf. 3de pers. mv.ηκουον = èkouon (zij hoorden) . Hnd 22,22 .
    2. act. imperat. 2de pers. enk. ακουε = akoue (hoor, luister) . Dt 6,4 .
      1. ακουε ισραηλ = akoue israèl (hoor, luister Israël) . Dt 6,4 .
    3. act. indic. praes. + imperat. praes. . 2de pers. mv. ακουετε = akouete (jullie horen / hoort) . Mc 4,3 .
    4. act. inf. praes. ακουειν = akouein . Lc 5,1 . Lc 15,1 .
      1. ακουειν αυτου = akouein autou (om hem te horen) . Lc 15,1 .
    5. act. part. praes. nom. mann. mv. ακουοντες = akouontes (horende) . Mc 3,8 .
    6. act. ind. aor. 3de p. enk. ηκουσεν = èkousen (hij / zij hoorde) . Mc 6,14 . Lc 15,25 .
      1. και ηκουσεν = kai èkousen (en hij hoorde) . Mc 6,14 .
        1. και ηκουσεν ὁ βασιλευς ἡρῳδης = kai èkousen ho basileus hèrô(i)dès (en koning Herodes hoorde) . Mc 6,14 .
      2. ηκουσεν δε = èkousen de (hij hoorde echter) . Mc 6,14 .
        1. ηκουσεν δε ἡρῳδης = èkousen de hèrô(i)dès (Herodes hoorde echter) . Mc 6,14 .
    7. act. inf. aor. ακουσαι = akousai . Hnd 22,14 .
    8. act. part. aor. nom. mann. enk. ακουσας = akousas (gehoord) . Lc 18,22 .
      1. ακουσας δε = akousas de (gehoord echter) . Lc 18,22 .
        1. ὁ δε ακουσας (hij echter gehoord) . Lc 18,22 .
        2. ακουσας δε ὁ ιησους = akousas de ho ièsous (gehoord echter Jezus) . Lc 18,22 .
        3. ακουσας δε ταυτα = akousas de tauta (gehoord echter ie dingen) . Lc 18,22 .
          1. ακουσας δε ταυτα ὁ ιησους = akousas de tauta ho ièsous (gehoord echter die dingen Jezus) . Lc 18,22 .
      2. και ακουσας (en gehoord) . Lc 18,22 .
        1. και ακουσας ὁ ιησους = kai akousas ho ièsous (en gehoord) . Lc 18,22 .
    9. act. part. aor. nom. vr. enk. ακουσασα = akousasa (horend) . Mc 5,27 .
    10. act. part. aor. nom. mv. ακουσαντες = akousantes (gehoord) . Mc 3,21 . Lc 2,18 . Hnd 22,2 .
      1. ακουσαντες δε = akousantes de (gehoord echter) . Hnd 22,2 .
      2. ακουσαντες εθαυμασαν = akousantes ethaumasan (gehoord hebbende waren zij verbaasd) . Lc 2,18 .
      3. παντες οἱ ακουσαντες = pantes hoi akousantes (alle toehoorders) . Lc 2,18 .
  77. - akouei (hij luistert) 4X bij Johannes
    - akou˘ (luisteren, horen) , zie Mt 4,12 .
  78. Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) .
  79. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is אֵל = ´èl OF ontkenning אַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Ex 3,5 .
  80. עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) . Gn 29,3 . Lc 4,18 .
    1. עַל פְנֵי = `al pëne(j) (aanschijn van) . Gn 1,2 .
    2. עָלָיו = `âlâ(j)w (over hem) < voorzetsel `al + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Dt 34,9 .
    3. עָלַי = `âlaj (over mij) < `al + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Js 1,14 . Lc 4,18 .
    4. מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) . Gn 29,3 . Ex 3,5 .
  81. `al (op, overeenkomstig) , zie Gn 29,34 .
  82. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen) .
    1. ויעל = wj`l : (1) verbindingsletter wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) . (2) verbindingsletter wë + act. qal jussief 3de pers. mann. enk. וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) . Dt 34,1 . Mt 5,1 .
      1. וַיַּעַל מֹשֶׁה = wajja`al mosjèh (en Mozes klom op) . Dt 34,1 .
    2. actief inf. construct. עֲלוֹת = `älôth (opgaan) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) . Gn 32,25 .
  83. `âlah (opgaan, opklimmen) , zie Ps 68,19 .
  84. עָלַז = `âlaz (zich verheugen, juichen) . Taalgebruik in Tenakh : `âlaz (zich verheugen, juichen) .
    1. act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. אֶעְלוֹזָה = ´è`ëlôzâh (dat ik juiche) .
  85. `âlats (juichen) . Taalgebruik in Tenach : `âlats (juichen) .
    - aleifô (zalven) , zie Mc 16,1 .
    - ´aleph (alef), zie Ps 111,10 .
    - alèthôs (waarlijk) .
    - alfaios (Alfeüs) . Taalgebruik in het N.T. : alfaios (Alfeüs) . Taalgebruik in Mc : alfaios (Alfeüs) .
  86. αλλα = alla , afkorting αλλ' = all' (maar) . Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Mc 14,28 .
  87. αλληλοι = allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het NT : allèloi (elkander, elkaar) .
    1. acc. mann. mv. αλληλους = allèlous . Mc 4,41 .
  88. αλλος = allos (ander) . Taalgebruik in het NT : allos (ander) .
    1. nom. mann. mv. αλλοι = alloi (anderen) . Mc 6,15 .
  89. עָם / עַם = `am (volk) . Taalgebruik in Tenakh : `am (volk) .
    1. הָעָם = hâ`âm (het volk) < prefix bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud . Js 9,1 .
    2. עַמֵּך = `ammekh (jouw volk) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. vr. enk. .
    3. לְעַמּוֹ = . lë`ammô (voor zijn volk) < voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. עָם / עַם = `am (volk) . Lc 1,68 .
    4. הָעַמִּים = hâ`ammîm (de volken) < bepaald lidw. ha + mann. mv. . Dt 4,6 .
  90. `am (volk) , zie Js 9,1 .
  91. עָמַד = `âmad (gestand doen, zich stellen, staan) . Taalgebruik in Tenakh : `âmad (gestand doen, zich stellen, staan) .
    1. act. qal imperf. 3de pers. vr. mv. יַעֱמֹדְנָה = ja`ämodënâh (en zij staan) . Da 8,22 .
  92. עֲמָלֵק = `ämâleq (Amalek) . Taalgebruik in Tenach : `ämâleq (Amalek) . Nu 13,29 .
  93. אָמַן= ´âman (steunen, onderhouden; hifil : geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âman (steunen, onderhouden; hifil : geloven, vertrouwen) .
    1. וְהֶאֱמִן = wëhè´èmin (en hij geloofde) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. hifil 3de pers. mann. enk. . Gn 15,6 .
  94. אמר = ´-m-r . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt) . (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) .
    1. -
      1. כֹּה אָמַר יהוה = koh ´âmar JHWH (zo spreekt JHWH) . Js 43,1 .
    2. וֱאָמַרְתָּ = wë´âmarëthâ (en jij zegt) < wë + act. qal perf. 2de pers. mann. enk. . Dt 26,5 .
      1. וֱאָמַרְתָּ אֵלָיו = wë´âmarëthâ ´elâ(j)w (en jij zegt tot hem) . Ex 13,14 .
    3. ὁτι ελεγον = hoti elegon (want zij zeiden) . Bijbel (2) : (1) Mc 3,30 . (2) Jud 1,18 .
      - כִּ֥י אָמְר֖וּ = kî ´âmërû (want zij zeiden) .
    4. act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. יאֹמַר = jo´mar (hij zegt) . Js 10,8 .
    5. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 12,1 . Lc 15,11 . Lc 17,1 . Lc 18,19 .
      1. וַיּאֹמֶר אֵלָיו = wajjo´mèr ´elâ(j)w (en hij zei tot hem) . Gn 22,1 .
      2. וַיּאֹמֶר אֲלֵיהֶם = wajjo´mèr ´äle(j)hèm (en hij zei tot hen) . Gn 16,11 . Lc 2,49 .
      3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) . Gn 8,15 . Ex 20,1 .
        1. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי = wajjo´mèr ´èlohîm jëhî (en God zei : het weze) . Gn 1,3 .
        2. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl (en God zei tot) . Gn 12,1 .
          1. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל אַבְרָהָם = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl ´abhërâhâm (en God zei tot Abraham) . Gn 12,1 .
          2. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl noach (en God zei tot Noach) . Gn 8,15 .
          3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) . Ex 12,1 .
      4. וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) . Gn 8,15 . Gn 12,1 . Ex 12,1 .
        1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל = = wajjo´mèr JHWH ´èl (en JHWH zei tot) . Gn 12,1 .
          1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָם = wajj´omèr JHWH (en JHWH zei) ´èl ´abhërâm (tot Abram) . Gn 12,1 .
          2. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָהָם = wajjo´mèr JHWH ´èl ´´abhërâhâm (en JHWH zei tot Abraham) . Gn 12,1 .
          3. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) . Ex 12,1 .
            1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹר = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh le'mor (en JHWH zei tot Mozes om te zeggen) . Ex 25,1 .
      5. וַיּאֹמֶר יהוה אֱלֹהִים = wajjo´mèr JHWH ´èlohîm (en JHWH God zei) .
        1. וַיּאֹמֶר יהוה אֱלֹהִים אֶל = wajjo´mèr JHWH ´èlohîm ´èl (en JHWH God zei tot) . Gn 12,1 .
      6. וַיּאֹמֶר לָהּ = wajjo´mèr lâh (en hij zei tot haar) . Gn 16,11 .
        1. וַיּאֹמֶר לָהּ מַלְאַך יהוה = wajjo´mer lâh malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei tot haar) . Lc 1,30 .
      7. וַיּאֹמֶר לָהֶם = wajjo´mèr lâhèm (en hij zei hen) . Gn 16,11 . Lc 2,49 .
      8. וַיּאֹמֶר מַלְאַך יהוה = wajjo´mer malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei) . Gn 16,11 . Lc 1,30 .
      9. וַיּאֹמֶר מַלְאַך הָאֱלֹהִים = wajjo´mer malë´akh ´èlohîm (de engel van God zei) . Gn 16,11 . Lc 1,30 .
      10. וַיּאֹמֶר יוֹסֵף = wajjo`mèr Jôseph (en Jozef zei) . Gn 50,24 .
      11. וַיּאֹמֶר מֹשֶׁה = wajjo´mèr Mosjèh (en Mozes zei ) . Ex 3,3 .
      12. וַיּאֹמֶר נָתָצ = wajjo´mèr Nathan (en Nathan zei) . 1 K 1,11 .
      13. וַיּאֹמֶר קַח = wajj´omèr qach (en hij zei : neem) . Gn 22,2 .
      14. וַיּאֹמֶר קַיִן = wajjo´mèr qajin (en Kaïn zei) . Gn 4,8 .
    6. וַיּאֹמְרוּ = wajjô´mërû (en zij zeiden) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. . Mc 5,31 .
    7. act. qal inf. absolut. אָמוֹר = ´âmôr (om te zeggen) . Nu 6,23 .
    8. לֵאמֹר = le´mor (om te zeggen) < prefix voorzetsel lë + act. qal inf. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Gn 8,15 .
    9. pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. יֵאָמֵר = je´âmer (er zal gezegd worden) . Js 62,4 .
  95. αμφι = amfi (langs beide zijden) . Taalgebruik in het NT : amfi (langs beide zijden) .
  96. αμφιβαλλω = amfiballô (langs beide zijden werpen) . Taalgebruik in het NT : amfiballô (langs beide zijden werpen) .
  97. Amfipolin (Amfipolis) , zie Hnd 17,1 .
    - `ammud (kolom, zuil) , zie Ex 13,21 .
    - ´âmats (sterk, machtig zijn , moedig handelen) . Taalgebruik in Tenach : ´âmats (sterk, machtig zijn , moedig handelen) .
    - âmôts (Amos) . Taalgebruik in Tenach : âmôts (Amos) .
    -`amërâm (Amram) , zie Ex 6,18 .
  98. αν = an . Taalgebruik in het NT : an . Mc 3,35 .
  99. -
    1. ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) . Gn 1,4 .
  100. αναβαινω = anabainô (beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen) . Mt 5,1 . Mc 3,13 .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. αναβαινει = anabainei (hij beklimt) . Mc 3,13 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεβη = anebè (hij klom naar boven) . Mt 5,1 . Mc 3,13 .
      1. ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) . Joh 5,1 .
  101. αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) . Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) . Mc 16,4 .
    1. act. ind. praes. 3de pers. mv. αναβλεπουσιν = anablepousin (zij kijken omhoog / opnieuw) . Lc 7,22 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεβλεψεν = aneblepsen (hij keek omhoog / opnieuw) . Lc 18,43 .
      1. ανεβλεψεν και = aneblepsen kai (hij keek omhoog / opnieuw en) . Lc 18,43 .
        1. ανεβλεψεν και ηκολουθει = aneblepsen kai èkolouthei (hij keek omhoog / opnieuw en hij volgde) . Lc 18,43 .
    3. act. ind. futurum 2de pers. enk. + act. part. aor. nom. mann. enk. αναβλεψας = anablepsas (omhooggeblikt) . Lc 9,16 .
      1. αναβλεψας δε = anablepsas de (op1,5 .
  102. αναφερω = anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Taalgebruik in het NT : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) . Lc 24,51 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανηνεγκεν = anèvegken (hij droeg op, hij offerde) . Gn 8,20 .
    2. pass. ind. imperf. 3de pers. enk. αναφερετο = anefereto (hij werd omhooggevoerd) . Lc 24,51 .
  103. `ânag (weelderig opgevoed zijn, zich verheugen , zich verlustigen) . Taalgebruik in Tenach : `ânag (weelderig opgevoed zijn, zih verheugen , zich verlustigen) .
  104. ἠνάγκασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anagkazô : verplichten , dwingen; zie anagkè : noodzaak , dwang ; wkw eindigend op -azô : tot noodzaak maken (causatief)
  105. αναγω = anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in het NT : anagô (omhoogvoeren) . Lc 8,22 .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. mv. ανηχθησαν = anèchthèsan (zij werden omhooggevoerd) . Lc 8,22 .
  106. ανακειμαι = anakeimai (aanliggen) . Taalgebruik in het NT : anakeimai (aanliggen) .
    1. part. praes. gen. mv. ανακειμενων = anakeimenôn (aanliggende) . Mc 14,18 .
  107. ανακραζω = anakrazô (uitschreeuwen, oproep
      1. gekeken echter) . Lc 21,1 .
        1. αναβλεψας δε ειδεν = anablepsas de eiden (opgekeken echter hij zag) . Lc 21,1 .
      2. και αναβλεψας = kai anablepsas (en opgekeken) . Lc 21,1 .
      3. αναβλεψας εις τον ουρανον = anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel) . Lc 9,16 .
    1. act. part. aor. nom. vr. mv. αναβλεψασασαι = anablepsasai (opgekeken) . Mc 16,4 .
  108. αναχωρεω = anachôreô (uitwijken) . Taalgebruik in het NT : anachôreô (uitwijken) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. = anechôrèsen (hij week uit) . Mc 3,7 .
  109. ´ânaph (toornig zijn, zich vertoornen), zie Ps 11
  110. en) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεκραξεν = anekraxen (hij schreeuwde het uit) . Mc 1,23 .
  111. αναγκαζω = anagkazô (dwingen, aandringen, eisen) .
    1. act. ind.aor. 3de pers. enk. ηναγκασεν = ènagkasen (hij dwong) . Mc 6,45 .
  112. anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 . fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 . boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 .
  113. ανακυπτω = anakuptô (het hoofd omhoogsteken) .
    1. act. imperat.  aor. 2de pers. mv. ανακυψατε = anakupsate (hef je hoof omhoog) . Lc 21,28 ,
    2. act. inf. aor. ανακυψαι = anakupsai (om het hoofd op te heffen) . Lc 17,15 .
  114. αναμιμνῃσκω = anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) . Taalgebruik in het NT : anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) . Lc 22,19 .
  115. αναμνησις = anamnèsis (herinnering, het zich weer te binnen brengen) . Lc 22,19 .
    1. acc. vr. enk. αναμνησιν = anamnèsin (her-denking, herinnering) . Lc 22,19 .
      1. εις ... αναμνησιν = eis ... anamnèsin (tot herinnering, tot gedachtenis) . Lc 22,19 .
  116. עָנָן = `ânân (wolk) . Taalgebruik in Tenach : `ânân (wolk) . Dt 31,15 .
  117. `ânân (wolk) , zie Ex 13,21 .
    - anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 .
  118. ανατελλω = anatellô (optillen, oprijzen, opgaan) . Taalgebruik in het NT : anatellô (oprijzen) .
    1. act. part. aor. gen. mann. enk. ανατειλαντος = anateilantos . Mc 16,2 .
  119. ander zie allos
  120. ανεμος = anemos (wind) . Taalgebruik in het NT : anemos (wind) . Lc 8,24 .
    1. nom. mann. enk. ανεμος = anemos (wind) . Mc 4,41 .
    2. gen. mann. enk. ανεμου = anemou . Mc 4,37 .
    3. dat. mann. enk. ανεμῳ = anemô(i) . Mc 4,39 . Lc 8,24 .
    4. dat. mann. mv. ανεμοις = anemois . Lc 8,25 .
  121. acc. onz. enk. ανενδεκτον = anendektos (onaannemelijk, onontvankelijk) . Lc 17,1 .
  122. ανηρ = anèr (man) . Taalgebruik in het NT : anèr (man) .
    1. mann. enk. ανηρ = anèr (man) . Lc 5,8 .
      1. ανηρ τις = anèr tis (man) . Lc 15,11 .
        1. ανηρ δε τις = anèr de tis (een man echter) . Lc 15,11 .
    2. acc. mann. enk. ανδρα = andra (man) . Mc 6,20 .
    3. nom. + voc. mann. mv. ανδρες = andres . Lc 24,4 .
      1. δυο ανδρες = duo andres (2 mannen) . Lc 24,4 .
      2. ανδρες δυο = andres duo (2 mannen) . Lc 24,4 .
  123. Ned. : angst < Lat. : angustus . Lat. : angor .
    - Ned. : angstig . Lat.: angustus (angstig , eng) .
  124. אֲנִי = ´änî (ik) . Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik) .
    1. אֱנִי יהוה = ´anî JHWH (ik ben JHWH ) . Ex 20,5 . Lv 19,18 .
      1. כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH) . Lv 19,2 .
  125. אֳנִי = 'änî (schip, vloot) . Taalgebruik in Tenakh : 'änî (schip, vloot) . Mc 5,2 . Lc 5,2 .
    1. אֳנִיָּה ´ânijjah (boot) .
      1. וְהָאֱנִיָּה = wëhâ`ânijjâh (en de boot) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Jon 1,4 .
      2. בַאֳנִיָּה = bâânijjâh (in de boot) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Jon 1,4 .
    2. vr. mv. אֳנִיּוֹת = ´änijjôth (schepen) . Lc 5, 2 .
  126. - ´ani (ik) , zie Ps 70,6 .
  127. אָנֹכִי = ´ânokhî (ik) . Zie : אֲנִי = ´änî (ik) . Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik) . Ex 20,2 . Ex 20,5 .
    1. אָנֹכִי יְהוָה = ´ânokhî JHWH (ik ben JHWH) . Ex 20,2 . Ex 20,5 .
      1. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ (ik ben JHWH, jouw God) . Ex 20,2 .
        1. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (ik ben JHWH, jouw God, die) . Ex 20,2 . Ex 20,5 .
      2. כִּי אָנֹכִי יְהוָה = kî ´ânokhî JHWH (want ik ben JHWH) . Ex 20,5 .
  128. עֲנִי = `ânî (arm, ellendig, deemoedig) . Taalgebruik in Tenakh : `ânî (arm, ellendig, deemoedig) . Ex 3,7 .
    1. mann. mv. עֲנָוִים = änâwîm (armen) . Lc 4,18.
    2. acc. + zelfst. naamw. אֶת עֳנִי = ´èth `ânî (ellende) . Ex 3,7 .
  129. - `ânî (arm, ellendig, deemoedig) , zie Ps 70,6 .
    -- `ÔnŰjţ (mijn armoede) < ┤Ônţ + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het bijvoegl. naamw. `Ônţ (arm, ellendig, deemoedig) : Ps 25,18.2.
  130. ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Lc 22,46 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεστη = anestè (hij/zij stond op) . Mc 5,42 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. αναστας = anastas (opgestaan) . Lc 15,20 .
      1. και αναστας = kai anastas (en opgestaan) . Lc 15,20 .
      2. αναστας δε = anastas de (opgestaan echter) . Lc 15,20 .
      3. αναστας ηλθεν = anastas èlthen (opgestaan ging hij) . Lc 15,20 .
    3. act. part. aor. nom. mann. mv. ανασταντες = anastantes (opstaande) . Lc 22,46 .
  131. anoigô (openen) , zie Js 35,5 .
  132. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Mc 1,23 . Mc 15,39 . Lc 2,25 . Lc 15,11 . Lc 22,10 .
    1. ανθρωπος εκ = anthrôpos ek (een mens uit) . Lc 15,4 .
    2. ανθρωπος εν = anthrôpos en (een mens in / een mens met) . Mc 1,23 .
      1. ανθρωπος εν πνευματι ακαθαρῳ = anthrôpos en pneumati akatharthô(i) ( een mens met een onzuivere geest) .
    3. ανθρωπος εξ = anthrôpos eks (een mens uit) . Lc 15,4 .
    4. ὁ ανθρωπος = ho anthrôpos (de mens) . Lc 2,25 .
      1. ὁ ανθρωπος οὑτος = ho anthrôpos houtos (deze mens) . Mc 15,39 . Lc 2,25 .
        1. ὁ ανθρωπος οὑτος δικαιος = ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) . Lc 2,25 .
    5. ανθρωπος τις = anthrôpos tis (een mens) . Lc 15,11 .
    6. τις ανθρωπος = tis anthrôpos . Lc 15,11 .
  133. Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19 .
  134. nom. mann. enk. αορατος = aoratos (ongezien) . Taalgebruik in het NT : aoratos (onzichtbaar) . Gn 1,2 .
  135. απαγγελλω = apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in het NT : apaggellô (af-kondigen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγγειλαν = apèggeilan (zij kondigden af, zij deelden mee) . Mc 6,30 .
      1. και απηγγειλαν = kai apèggeilan (en zij kondigden af, en zij deelden mee) . Mc 6,30 .
        1. και απηγγειλαν αυτῳ = kai apèggeilan autô(i) (en zij kondigden af hem , en zij deelden hem mee) .
          1. και απηγγειλαν αυτῳ παντα = kai apèggeilan autô(i) panta (en zij kondigden af hem alles, en zij deelden hem alles mee) . Mc 6,30 .
    2. act. imperat. aor. 2de pers. enk. απαγγειλον = apaggeilon (kondig af, vertel) . Mc 5,19 .
  136. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren) . Taalgebruik in het NT : apagô (wegleiden, afvoeren) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) . Mt 27,31 .
      1. ... τον ιησουν απηγαγον = ton Ièsoun apègagon (zij leidden Jezus weg) . Mt 27,31 .
      2. απηγαγον τον ιησουν = apègagon ton Ièsoun (zij leidden Jezus weg) . Mt 27,31 .
      3. απηγαγον αυτον = apègagon auton (zij leidden hem weg) . Mt 27,31 .
  137. apekrithè (hij antwoordde) 57X bij Johannes
  138. apechô (afhouden, onthouden) .
  139. απερχομαι = aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Lc 8,37 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) . Mc 6,46 . Joh 5,15 .
      1. απηλθεν εις = apèlthen eis (hij ging weg naar) . Mc 6,46 .
    2. απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) . Joh 5,1 .
    3. ind. aor. 3de pers. mv. απηλθον = apèlthon (zij gingen weg) .
    4. inf. aor. απελθειν = apelthein (weg te gaan) . Lc 8,37 .
    5. depon. werkw. part. aor. nom. mann. enk. απελθων = apelthôn (weggegaan) . Mc 6,27 .
  140. apesteilen (hij /zij zond) , zie Mt 10,5 .
  141. ´âphaph (omringen) , zie Ps 18,5 .
  142. `âphâr (stof, aarde) . Taalgebruik in Tenach : `âphâr (stof, aarde) .
  143. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Lc 24,2 . Taalgebruik in Mt : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) .
    1. απο του νυν = af van nu = vanaf nu . Lc 5,10 .
  144. αποβαινω = apobainô (afstappen, afklimmen) . Taalgebruik in het NT : apobainô (afstappen, afklimmen) . Lc 5,2 .
    1. act. part. aor. nom. mann. mv. αποβαντες = apobantes (afgestapt, uitgeklommen) . Lc 5,2 .
  145. αποδημεω = apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan) . Taalgebruik in het NT : apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. απεδημησεν = apedèmèsen (hij ging op reis) . Lc 15,13 .
  146. αποδιδωμι = apodidômi (teruggeven, betalen, vergoeden, verkopen) . Taalgebruik in het NT : apodidômi (teruggeven, betalen, vergoeden, verkopen) .
    1. med. indic. futurum 3de pers. enk. αποδωσεται = apodôsetai (hij zal verkopen) . Lv 25,29 .
    2. ind. aor. 3de pers. mv. απεδοντο = apedonto (zij verkochten) . Gn 37,28 .
      1. απεδοντο τον ιωσηφ = apedonto τον jôsèph (zij verkochten Jozef) . Gn 37,28 .
      2. τον ιωσηφ απεδοντο = τον jôsèph apedonto (Jozef verkochten zij) . Gn 37,28 .
  147. apografesthai (zich laten opschrijven) , zie Lc 2,1 .
  148. αποκαλυπτω = apokaluptô (openbaren, ontdekken) . Taalgebruik in het NT : apokaluptô (openbaren, ontdekken) .
    1. act. inf. aor. αποκαλυψαι = apokaλupsai (om te openbaren , te ontdekken) . Gal 1,16 .
  149. apokaluptô (openbaren, ont-dekken) , zie Mt 10,26 . Zie ook gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) , zie Js 40,5 .
  150. αποκαθιστημι = apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) . Taalgebruik in het NT : apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. enk. απεκατεσταθη = apekatestathè (hij werd genezen) . Mc 3,5 .
  151. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) .
    1. ind. aor. 3de pers. enk. απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) . Mc 12,28 .
    2. αποκριθεις = apokritheis (geantwoord) . Mc 3,33 .
      1. και αποκριθεις = kai apokritheis (en beantwoord) . Mc 3,33 .
        1. και αποκριθεις αυτῳ = kai apokritheis autô(i) = en hem beantwoord . Mc 3,33 .
        2. και αποκριθεις αυτοις = kai apokritheis autois = en beantwoord hen . Mc 3,33 .
      2. ὁ δε () αποκριθεις = ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord . Mc 3,33 .
        1. ὁ δε () αποκριθεις αυτῳ = ho de apokritheis autô(i) = hij echter hem beantwoord . Mc 3,33 .
        2. ὁ δε () αποκριθεις αυτοις = ho de apokritheis autois = hij echter beantwoord hen . Mc 3,33 .
        3. ὁ δε () αποκριθεις ειπεν αυτοις = ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc 6,37 .
      3. αποκριθεις = apokritheis (...) + λεγει = legei (hij zegt) . Mc 3,33 .
      4. αποκριθεις = apokritheis (...) + ελεγεν = elegen (hij zei) . Mc 3,33 .
      5. αποκριθεις = apokritheis (...) + ειπεν = eipen (hij zei) . Mc 3,33 .
  152. apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 3,15 .
  153. αποκτεινω = apokteinô (doden) . Taalgebruik in het NT : apokteinô (doden, vermoorden) . Mc 6,19 .
    1. act. inf. aor. αποκτειναι = apokteinai (doden) . Mc 6,19 .
  154. αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) . Zie het werkw. κυλιω = kuliô (rollen, wentelen) . Taalgebruik in het NT : kuliô (rollen) . Mt 28,2 . Mc 16,3 .
    1. act. ind. fut. 3de pers. enk. αποκυλισει = apokulisei (hij zal wegrollen) . Mc 16,3 .
    2. actief ind. aorist derde persoon enkelvoud απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) . Mt 28,2 .
    3. pass. ind. perf. 3de pers. enk. αποκεκυλισται = apokekulistai (hij is weggerold) . Mc 16,4 .
    4. pass. part. perf. acc. mann. enk. αποκεκυλισμενον = apokekulismenon (weggerold) . Lc 24,2 .
  155. apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) . Taalgebruik in het N.T. : apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) . Taalgebruik in Mc : apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) .
  156. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) . Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) .
    1. act. inf. aor. απολεσαι = apolesai . Lc 4,34 .
    2. act. conjunctief aor. 3de pers. mv. απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) . Mc 3,6 .
      1. ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) . Mc 3,6 .
      2. πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) . Mc 3,6 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. απολεσας = apolesas (verloren) . Lc 15,4 .
    4. act. part. perf. nom. mann. enk. απολωλως = apolôlôs (verloren) . Lc 15,32 .
    5. act. part. perf. nom. + acc. onz. enk. . απολωλος = apolôlos (het verlorene) . Lc 15,4 .
    6. med. ind. praes. 1ste pers. enk. = apollumai (ik verlies me) . Lc 15,17 .
    7. pass. ind. praes. 1ste pers. mv. απολλυμεθα = apollumetha (wij worden gedood, wij gaan ten gronde) .Mc 4,38 . Lc 8,24 .
  157. απολυω = apoluô (vrijmaken, ontbinden) . Taalgebruik in het NT : apoluô (losmaken) .
    - aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) , zie Lc 24,4 .
  158. αποστεγαζω = apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) . Taalgebruik in het NT : apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. mv. απεστεγασαν = apestegasan (zij ont-dek (dak) ten) . Mc 2,4 .
  159. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) .
    1. act. ind.praes. 1ste pers. enk. αποστελλω = apostellô (ik zend) . Mc 1,2 .
    2. act. ind. perf. 3de pers. enk. απεσταλκεν = apestalken (hij heeft gezonden) . Js 61,1 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) . Mc 6,17 .
  160. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 , Mt 10,5 en Mc 1,2 .
  161. αποστολος = apostolos (apostel, gezondene) . Taalgebruik in het NT : apostolos (apostel) .
    1. nom. mann. enk. αποστολος = apostolos (apostel, gezondene) . Kol 1,1 .
      1. αποστολος ιησου = apostolos ièsou (apostel of gezondene van Jezus) . Kol 1,1 .
    2. nom. mann. mv. αποστολοι = apostoloi (apostelen) . Mc 6,30 .
      1. οἱ αποστολοι = hoi apostoloi (de apostelen) . Mc 6,30 .
  162. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij/zij stierf) . Mc 5,39 .
  163. αποψυχω = apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) . Taalgebruik in het NT : apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) .
    1. act. part. praes. gen. mv. mv. αποψυχοντων = apopsuchontôn . Lc 21,26 .
  164. עָקַב = `âqab (bedriegen) . Taalgebruik in Tenakh : `âqab (bedriegen) .
    1. qal ind. jiqtol (imperfect.) 3de pers. mann. enk. יַעֳקֹב =ja`äqobh (hij bedriegt , Jakob) . Gn 32,26 .
  165. עָקֵב = `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) . Taalgebruik in Tenakh : `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) . Gn 3,15 .
    1. בַּעֲקֵב = ba`äqebh (in / aan / met de hiel) . Gn 25,26 .
  166. עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) . Lc 1,7 .
    1. vr. enk. עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh . Gn 11,30 . Js 54,1 . Lc 1,7 .
      1. Gn 11,30 : עֲקָרָה שָׂרַי וַתְּהִי = waththëhî Shâraj `äqârâh (en Sarai was onvruchtbaar) .
      2. וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Gn 11,30 . Js 54,1 .
  167. αρα = ara (dus, immers, natuurlijk) . Taalgebruik in het NT : ara (dus, immers, natuurlijk) . Mc 4,41 .
  168. עָרַם = `âram (nif.) zich opstapelen . Taalgebruik in Tenakh : `âram (nif.) zich opstapelen . Ex 15,8 .
    1. pass. nifal perf. 3de pers. mann. mv. נֶעֶרְמוּ = nè`èrëmû (zij stapelden zich op) . Ex 15,8 .
  169. ´ärâm (Aram) . Taalgebruik in Tenach : ´ärâm (Aram) .
    - ´ärammî (Arameeër) , zie Dt 26,5 .
    - ´ârar (vervloeken) , zie Jr 17,5 .
  170. אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig . 40) . Gn 25,20 .
    1. אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig , 40) . Gn 5,13 .
      1. אַרְבָּעִים יוֹם = ´arëbâ`îm jôm (40 dagen) . Gn 50,3 .
      2. אַרְבָּעִים שָׁנָה = ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar) . Gn 5,13 .
    2. וְאַרְבָּעִים = wë´arëbâ`îm (en veertig , 40) . Gn 5,13 .
      1. וְאַרְבָּעִים שָׁנָה = wë´arëbâ`îm sjânâh (en veertig jaar, en 40 jaar) . Gn 5,13 .
  171. ´arëbâ`îm (veertig . 40) , zie Ex 24,18 .
    - archiereis (hogepriesters) , zie Mt 2,4 . Zie ook Mc 14,1 .
  172. αρχη = archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) .
    1. nom. vr. enk. αρχη = archè (begin, heerschappij) . Mc 1,1 .
  173. - archè (begin, heerschappij) .
  174. αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Mc 1,1. .
    1. ind. aor. 3de pers. enk. ηρξατο = èrxato (hij begon) . Mc 1,1 . Mc 1,45 . Lc 9,12 .
      1. ηρξατο κηρυσσειν = èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen) . Mc 1,45 .
    2. ind. aor. 3de pers. mv. ηρξαντο = èrxanto (zij begonnen) . Mc 1,1. Mc 5,17 .
  175. arithmos (getal, aantal) , zie Hnd 4, 4 .
  176. αραομαι = araomai (een gebed tot iemand richten, aanroepen) . PJ 2,3 .
  177. Ned. : arm . D. : Arm . E. : arm . Fr. : bras . embrasser (omarmen) . Grieks : βραχιων = brachiôn (arm) . Taalgebruik in het NT : brachiôn (arm) . Hebreeuws : זְרֹעַ = zëro`a (arm, macht, hulp) . Taalgebruik in Tenakh : zëro`a (arm, macht, hulp) . Latijn : bracchium .
  178. Ned.: bovenarm . Grieks : αρμος = armos (gewricht) . Latijn : armus .
  179. אֲרוֹן = ´ärôn (ark, kast, kist) . Taalgebruik in Tenakh : ´ärôn (ark, kast, kist) .
  180. - aroô (ploegen, zaaien) , zie 1 K 19,19 .
  181. αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Lc 22,19 .
    1. dat. mann. enk. αρτῳ = artôi . Dt 8,3 .
    2. acc. mann. enk. αρτον = arton . Mc 3,20 . Lc 22,19 .
      1. τον αρτον = ton arton (het brood) . Mt 6,11 .
      2. λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) . Lc 22,19 .
        1. λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) . Lc 22,19 .
        2. λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) . Lc 22,19 .
    3. nom. mann. mv. αρτοι = artoi (broden) . Lc 9,13 .
    4. gen. mann. mv. αρτων = artôn (van broden) . Lc 15,17 .
    5. dat. mann. mv αρτοις = artois . Mc 6,52 .
    6. acc. mann. mv. αρτους = artous (broden) . Lc 9,16 .
      1. τους πεντε αρτους = tous pente artous (de 5 broden) . Lc 9,16 .
  182. אָרַר = ´ârar (vervloeken) . Taalgebruik in Tenakh : ârar (vervloeken) .
    1. אָאֹר = ´â´or (ik zal vervloeken) , act. qal imperf. 1ste pers. enk. . Gn 12,3 .
  183. אָסַף = ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen) .
  184. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Ex 20,11 .
    1. אֲשֶׁר הוּא עֹשֶׂה = ´äsjèr hû´ `oshèh (wat hij doende is , wat hij doet) . Ex 18,14 .
    2. אֲשֶׁר עָשׂוּ = äsjèr `âshû (wat zij deden) . Ex 18,14 .
    3. עָשָׂה יהוה =`âshâh JHWH (JHWH maakt) . Dt 4,3 .
    4. עָשָׂה כִּי = kî `âshâh (omdat hij maakte) .
      1. כִּי עָשָׂה כִּי = kî `âshâh JHWH (omdat JHWH maakte) .
    5. עָשָׂה לִי = `âshâh lî (hij deed aan mij) .
    6. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 1,7 .
      1. וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash JHWH (en JHWH deed) . Gn 1,7 .
    7. prefix verbindingswoord wë + act. ind. perf. 2de pers. mann. enk. וְעָשִׂיתָ = wë`âshîthâ (en jij zult maken) . Ex 20,9 .
    8. act. qal imperf. 1ste pers. mv. נַעֲשֶׂה = naäshèh (- laten - wij maken) . Gn 1,26 .
    9. -
      1. עֹשֵׂה שָׁמַיִם וְאָרֶץ = `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) . Ps 121,2 .
      2. וְעֹשֶׂה = wë`oshèh (en doende) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm (2) act. qal part. mann. enk. . Ex 20,6 .
        1. וְעֹשֶׂה חֶסֶד = wë`oshèh chèsèd (en doende barmhartigheid) . Ex 20,6 .
    10. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Lc 1,68 .
    11. act. qal imperf. 2de pers. mann. enk. תַּעֱשֶׂה = tha`äshèh (jij zult maken) . Ex 23,12 .
    12. וְאֶעֶשְׂךָ = wë´è`èshëkhâ (en ik zal je maken) < prefix consec. wë + act. ind. imperf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 12,2 .
    13. לַעֲשׂוֹת = la`äshôth (om te doen) < prefix voorzetsel lë + werkw. qal infin. . Gn 2,3 .
    14. pass. nifal imperf. 3de pers. vr. enk. תֵּעָשֶׂה = the`âshèh (het zal gedaan worden) . Lv 23,3 .
  185. עָשַׂר = `âshâr (tien) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) . Lc 9,12 .
    1. עֲשֶׂרֶת = `äshèrèth (tien) . Dt 4,13 .
      1. עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים = ´äshèrèth haddëbhärîm (tien woorden) . Dt 4,13 .
    2. בֶּעָשׂוֹר לַחֹדֶשׁ = bè`âshôr lachodèsj (op de tiende van de maand) . Lv 25,9 .
    3. שְׁנִים עָשַׂר = sjënîm `âshâr (12) . Lc 9,12 .
  186. עֶשְׂרִים = `èshërîm (twintig) , zie 20 . Taalgebruik in Tenakh : `èshërîm (twintig) .
    1. מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) . Dt 34,7 .
  187. werkw. אָשַׁם = ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten) . Taalgebruik in Tenakh : ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten) .
    1. vr. enk. אַשְׁמָה = ´asjëmâh (schuld) . Mt 6,12 . .
  188. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´ä sjèr (die) . Dt 1,1 . Dt 6,6 . Lv 25,2. .
    1. אֲשֶׁר אָנֹכִי = ´äsjèr ´ânokhî (die ik ) . Dt 6,6 .
    2. אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH) . Ex 20,12 . Dt 17,14 .
      1. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God) . Ex 20,12 .
        1. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God gevende) . Ex 20,12 .
    3. כַּאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) . Dt 6,3 . Joz 4,1 .
      1. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) . Lc 1,70 . Dt 6,3 .
        1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij sprak tot hem) . Gn 12,4 .
        2. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem) . Gn 12,4 .
        3. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) . Gn 12,4 .
        4. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) . Dt 6,3 .
  189. ´asjëre (gelukkig, zalig), zie Ps 1,1 .
    - astèr (ster) , zie Mt 5,14 .
  190. αστραπτω = astraptô (bliksemen, stralen) . Taalgebruik in het NT : astraptô (bliksemen, stralen) . Lc 24,4 .
    1. act. part. praes. dat. vr. enk. αστραπτουσῃ = astraptousèi . Lc 24,4 .
  191. עָטָה = `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) . Lc 23,53 .
    1. וַיַּעֲטֵהוּ = wajja`ätehû (en hij bedekte) . Lc 23,53 .
  192. עָטַף = `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) . Taalgebruik in Tenakh : `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) .
    1. וּבְהַעֱטִיף = ûbhëha`ätîph (en in het verkwijnen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act. hifil inf. constr. . Gn 30,42 .
  193. אָתָה = ´âthâh (komen, aankomen, gaan) . Taalgebruik in Tenakh : ´âthâh (komen, aankomen, gaan) .
  194. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. אַתָּה = ´aththâh (jij) . Taalgebruik in Tenakh : ´aththâh .
    1. הַאַתָּה = ha´aththâh (jij?) < vragend voornaamw. ha + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . 1 K 18,17
      1. הַאַתָּה זֶה = ha´aththâh zèh (ben jij deze /het?) . 1 K 18,17 .
    2. וְאַתָּה = wë´âththâh (en jij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 3,15 . 1 K 18,17 .
    3. accusatief + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. אֹתָם = ´othâm (hen) . OF : persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv. אַתֶּם = ´aththèm (jullie) . Zie : אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Dt 11,18 .
  195. עַתָּה = `aththâh (nu) . Taalgebruik in Tenakh : `aththâh (nu) . Dt 4,1 .
    1. מֵעַתָּה = me `aththâh (vanaf nu) < prefix voorzetsel min + bijwoord van tijd עַתָּה = `aththâh (nu) . Ps 113,2 .
    2. וְעַתָּה = wë`aththâh (en nu) < wë + `aththâh . Dt 4,1 . (nu) . Dt 6,4 .
      1. וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל = wë`aththâh jishërâ´el (en nu Israël) . Dt 4,1 .
          1. וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = wë`aththâh jishërâ´el sjëma` (en welnu Israël , luister) . Dt 4,1 .
          2. וְעַתָּה כֹּה אָמַר יהוה = wë`aththâh koh ´âmar (+ JHWH) (en welnu zo spreekt - JHWH -) . Js 43,1 .
  196. עָתַק = `âthaq (opbreken) . Taalgebruik in Tenakh : `âthaq (opbreken) .
    1. וַיַּעְתֵּק = wajja`theq (en hij ging verder) < prefix waw consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 12,8 .
  197. `âthar (bidden) , zie Gn 25,21 .
  198. persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord .
    1. persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3,13 . Lc 5,1 . Lc 19,2 .
      1. και αυτος = kai autos (en hij) . Lc 5,1 . Lc 19,2 .
        1. και αυτος ην = kai autos èn (en hij was) . Lc 5,1 .
      2. αυτος γαρ = autos gar (want hij) . Mt 1,21 .
        1. αυτος γαρ ὁ = autos gar ho (want hij) . Mc 6,17 .
    2. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou . Mc 1,26 . Lc 15,1 . Lc 24,50 .
      1. μετ' αυτου = met' autou (met hem) . Mc 4,36 .
        1. ην μετ' αυτου = èn met' autou (hij was met hem) . Mc 4,36 .
    3. gen. vr. enk. αυτης = autès . Mc 6,24 .
    4. dat. mann. + onz. enk. αυτῳ = autô(i) . Mc 1,25 . Mc 3,9 . Lc 15,27 . Lc 15,31 .
      1. αυτῳ οἱ = autô(i) hoi (aan hem de) .
      2. αυτῳ ὁτι = autô(i) hoti (aan hem dat) . Lc 15,27 .
      3. αυτῳ παντες = autô(i) pantes (aan hem allen) . Lc 15,1 .
    5. pers. voornaamw. dat. vr. enk. αυτῃ = autè(i) . Mc 5,41 .
    6. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) . Mc 1,40 . Mc 3,2 . Mc 3,8 . Mc 4,36 .
      1. επ' αυτον = ep' auton (bij hem) . Mc 5,21 .
      2. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . Mc 3,8 .
    7. pers. voornaamw. acc. vr. enk. αυτην = autèn (haar) . Mc 6,17 .
    8. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn . Mc 1,23 .
    9. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. . Mc 3,4 . Mc 6,37 . Lc 1,7 . Lc 9,13 .
    10. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) . Mc 3,5 . Lc 22,15 . Lc 24,50 .
      1. προς αυτους = pros autous (naar hen) . Mc 6,51 .
  199. autos (hij zelf) , zie Lc 24,36 .
  200. auxanô (doen groeien, vermeerderen) , zie Lc 2,40 .
  201. Ned. : av-ond . D. : Ab-end . E. eve , ev-ening . v / b / p ; v / w ; d / t .
    - Gr. : ἑσ-περα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Lat. : ves-per (gen. : vesperis) . Zie Ned. : west . (de andere windstreken eindigen eveneens op t / d : oos-t , zui-d , noor-d .)
    - Arabisch : مَسَاء = masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Qoran : masâ´ (avond) .
    - Aramees : רְמַשׁ / רַמְשָׁא = rëmasj / ramësjâ' . Syrisch : ramcho .
    - Fr. : le soir . Lat. : serus . Italiaans : alla sera . Gr. : οψια = opsia (avond) . Taalgebruik in het NT : opsia (avond) EN : ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Hebr. : עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Lat. : vesper (gen. : vesperi) . Spaans : la tarde .
  202. אָז = ´âz (dan) . Taalgebruik in Tenach : ´âz (dan) . Js 35,5 .
  203. עָזַב = `âzabh (verlaten, achterlaten) . Taalgebruik in Tenakh : `âzabh (verlaten, achterlaten) . Dt 28,20 .
    1. עֱזַבְתָּנִי = `äzabhëtânî (je hebt mij verlaten / achtergelaten) < werkwoordvorm qâtal 2de pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. -nî (mij) . Dt 28,20 .
    2. עֲזוּבָה = äzûbhâh (Azuba , verlatene) . Eigennaam en / of werkwoordvorm qal pass. vr. enk. .
  204. אָזַן = ´âzan (luisteren, het oor lenen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âzan (luisteren, het oor lenen) .
    1. actief hifil imperatief 2de persoon mannelijk enkelvoud הַאֲזִינָה = ha´äzînah (luister naar) . Ps 84,9 .
  205. `âzar (helpen, bijstaan) , zie Ps 40,14 .
    - azuma (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


B
  1. Hebreeuws . בּ = bë (in, met) . Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met) .
    1. בּי = bî (in / tegen mij) < bë + persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. .
  2. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Mc 5,1 . 1 K 1,1 .
    1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. בָּא = bâ´ (hij ging / kwam) .1 K 1,1 .
      1. בָּא אֶל = bâ´ ´èl (hij gaat naar) . Mc 6,48 .
      2. בָּא בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (hij ging in de dagen) . 1 K 1,1 .
      3. בָּאִים בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (gaande in de dagen) . 1 K 1,1 .
    2. וַיָּבּוֹא / וַיָּבֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en hij liet gaan, en hij liet komen) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. OF act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. . Ex 24,18 . Mc 1,39 .
      1. וַיָּבּוֹא מֹשֶׁה = wajjâbho´ mosjèh (en Mozes ging) .
    3. וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. .
    4. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) . Lc 9,12 .
      1. וַיָּבּאוּ אַרְצָה = wajjâbo´û ´arëtsâh (en zij gingen naar het land) . Gn 12,5 .
    5. prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act. ind. imperf. 3de pers. vr. mv. וַתָּבֹאנָה = waththâbho´nâh (en zij gingen) . Mc 16,5 .
    6. כִּי תָבֹא = kî thâbo' (wanneer je zal gaan) . Lv 25,2 .
    7. כִּי תָבֹא אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo' ´èl hâ´ârèts (wanneer je zal gaan naar het land) . Lv 25,2 .
    8. act. qal imperf. 2de pers. mann. mv. תָבֹאוּ = thâbo'û (jullie zullen gaan) . Lv 19,23 .
      1. תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23 .
      2. -
      3. כִּי תָבֹאוּ = kî thâbo'û (wanneer jullie zullen gaan) . Lv 19,23 .
        1. כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23 .
      4. וְכִּי תָבֹאוּ = wëkî thâbo'û (en wanneer jullie zullen gaan) . Lv 19,23 .
        1. וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23 .
    9. וּבְבֹא = ûbhëbho´ (en in het binnengaan van) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + qal inf. construct. . Mc 6,22 .
  3. בַעַל / בָעַל = ba`al / bâ`al (Baäl, meester) . Taalgebruik in Tenakh : ba`al / bâ`al (Baäl, meester) . Dt 4,3 .
    1. בַעַל פְּעוֹר = ba`al pë`ôr (Baäl Peor) . Dt 4,3 .
  4. בָאַר = bâ´ar (verklaren, duidelijk maken) . Dt 27,8 .
    1. act. piël inf. absol. בַּאֵר = ba´er . Dt 27,8 .
  5. bâ`ath (schrikken, vrezen) , zie Ps 18,5 .
  6. בָחַר = bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Tenakh : bâchar (kiezen, uitverkiezen) .
    1. act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. יִבְחַר = jibhëchar / jibhëchâr (hij verkoos) . Dt 23,17 .
  7. בַּד = bad (afzondering, deel) . Taalgebruik in Tenakh : bad (afzondering, deel) .
    1. לְבַדּוֹ = lëbhaddô (voor zijn afzondering) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 32,25 .
  8. בָּדַד = bâdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) . Taalgebruik in Tenakh : bâdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) .
  9. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) . Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) . Gn 1,4 .
    1. prefix waw. consect. + werkw.vorm act. hifil imperf. (jaqtil) 3de pers. enk. וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) . Gn 1,4 .
    2. וּלְהֲבְדִּיל = ûlähabhëdîl (en om een scheiding aan te brengen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + act. hifil inf. stat. construct. .
    3. act. hifil part. mann. enk. מַבְדִּיל = mabhëdîl (scheidende) . Gn 1,6 .
  10. בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen) . Taalgebruik in Tenakh : bâkhâh (weeklagen, wenen) .
        1. act. ind. qal jiqtol (imperf.) 2de pers. mann. enk. en 3de pers. vr. enk. תִּבְכֶּה = thibhëkèh (jij weent / zij weent) .
  11. בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden) . Taalgebruik in Tenakh : bâlâh (ver-slijten, oud worden) .
    1. act. hifil imperat. 2de pers. vr. enk. בְּלִי = bëlî (word oud) .
  12. βαλλω = ballô (werpen, gooien, vallen) . Taalgebruik in het NT : ballô (werpen, gooien) .
  13. Ned.: balsemen . Arabisch : ضمخ = damkh . D. : einbalsamieren . E.: embalm . Fr. : embaumer . Grieks : ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Hebreeuws : חָנַט = chânat (balsemen) . Lat.: condire .
  14. בָמָה = bâmâh (hoogte, grafheuvel, tempel) .
    1. הַבָּמוֹת = habbâmôth (de hoogten) < bepaald lidw. + vr. mv. van het zelfst. naamw. . 1 K 12,32 .
  15. בָנָה = bânâh (bouwen, bebouwen) . Taalgebruik in Tenakh : bânâh (bouwen, bebouwen) .
    1. וַיִּבֶן = wajjibhèn (en hij bouwde) < wë + act; qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 12,7 .
      1. וַיִּבֶן שָׁם = wajjibhèn sjâm (en hij bouwde daar) . Gn 12,7 .
        1. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een altaar) . Gn 12,7.
          1. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ לַיהוה = wajjibhèn sjâm mizëbeach laJHWH (en hij bouwde daar een altaar voor de Heer) . Gn 12,7. .
  16. Ned. : banen, gaan . Grieks : βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) . Taalgebruik in het NT : bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) .
  17. Ned. : bang . Middelned. : bange < be + ange (eng, benauwd, beklemd) .
  18. nom. + acc. onz. enk. βαπτισμα = baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het NT : baptisma (doopsel) . Mc 1,4 .
    1. βαπτισμα μετανοιας = baptisma metanoias (doopsel van bekering) . Mc 1,4 .
  19. βαπτιζω = baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εβαπτισεν = ebaptisen (hij doopte) . Hnd 1,5 .
    2. act. ind. aor. 1ste pers. enk. εβαπτισα = ebaptisa (ik doopte) . Mc 1,8 .
    3. reflexief aor. 3de pers. enk. = ebaptisato (hij dompelde zich onder) . Mc 1,8 .
    4. pass. imperf. 3de pers. mv. εβαπτιζοντο = ebaptizonto (zij werden gedoopt) . Mc 1,5 .
  20. baptisma (doopsel) . baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 . Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8 .
  21. βαπτω = baptô (doppen, plonsen, onderdompelen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εβαψεν = ebapsen (hij doopte) . Mc 1,8 .
  22. בָקָע = bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) . Taalgebruik in Tenakh : bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) .
  23. בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Gn 1,8 .
  24. bâqasj (zoeken) , zie Ex 2,15 .
  25. בָרָא = bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik in Tenakh : bârâ´ (scheppen) .
    1. act. ind. perf. 3de pers. enk. בָרָא = bârâ´ (hij schiep) . Gn 1,1 .
      1. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) . Gn 1,1 .
        1. אֲשֶׁר בָרָא אֱלֹהִים= ´äsjèr bârâ ´èlohîm (die God schiep) . Gn 2,3 .
  26. bârach (vluchten, snel weggaan) , zie Ex 2,15 .
  27. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Lc 1,42 .
    1. act. piël perf. 3de pers. mann. enk. בֵּרַךְ = berakh (hij zegende) . Ex 20,11 .
      1. בֵּרַךְ יהוה = berakh JHWH (JHWH (JHWH zegende) . Ex 20,11 .
    2. יְבָרֵךְ = jëbhârekhë (hij zegene) < piël jussivus derde persoon mannelijk enkelvoud . Nu 6,24 .
      1. יְבָרֶכְךָ = jëbhârèkhëkhâ (hij zegene je) < piël jussivus derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) van het persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud . Nu 6,24 .
      2. waw consec. + act. piel imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְבָרֶך = wajëbhârèkh (en hij zegende) . Gn 1,22 .
        1. וַיְבָרֶך אֱלֹהִים = wajëbhârèkh èlohîm (en God zegende) . Gn 2,3 .
        2. וַיְבָרֶך יהוה = wajëbhârèkh JHWH (en JHWH zegende) . Gn 2,3 .
    3. וַיְבָרְכֵם = wajëbhârëkhem (en hij zegende hen) < prefix waw consec. + actief piel imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Gn 48,20 . Lc 9,16 .
      1. יְבָרֶכְךָ יהוה = jëbhârèkhëkhâ JHWH (JHWH zal je zegenen) . Nu 6,24 .
    4. וַאֲבָרֲכָה = wa´äbhâräkhâh (en ik zal zegenen) < prefix voegwoord wë + act. piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud . Gn 12,3 .
    5. וַאֲבָרֶכְךָ = wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen) < prefix consec. wë + act. piël imperf. 1ste pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 12,2 .
    6. act. qal piël imperat. 2de pers. mann. enk. בָּרֵךְ = bârekh (zegen) . Dt 33,11 .
    7. וְנִבְרְכוּ = wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) < prefix voegwoord wë + pass. nifal perf. 3de pers. mann. mv. . Gn 12,3 .
    8. pass. qal deelw. tegenwoordige tijd mann. enk. בָּרוּך = bârûkh (gezegend) . Lc 1,68 .
      1. בָרוּך יהוה = bârûkh JHWH . Lc 1,68 .
        1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי = bârûch JHWH ´èlohe(j) = gezegend JHWH , God van... Lc 1,68 .
          1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el (gezegend JHWH de God van Israël) . Lc 1,68 .
            1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el ´äsjèr (gezegend JHWH de God van Israël die) . Lc 1,68 .
      2. בָרוּך אתָּה יהוה = bârûkh ´aththâh JHWH (gezegend zijt Gij , JHWH) . Lc 1,68 .
    9. pass. qal part. praes. vr. enk. בְרוּכָה = bërûkhâh (gezegend) . Lc 1,42 .
    10. מְבָרְכֶיךָ = mëbhârëkkhè(j)khâ (degenen die jou zegenen) < act. piel part. stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 12,3 .
  28. בְּרָכָה = bërâkhâ (zegen, zegenspreuk, geschenk, weldaad) . Zie het werkw. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen) .
    1. הַבְּרָכָה = habbërâkhâ < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Ps 133,3 .
  29. βαρναβας = barnabas (Barnabas) . Taalgebruik in het NT : barnabas (Barnabas) .
    1. nom. mann. enk. βαρναβας = barnabas (Barnabas) . Hnd 4,36 .
  30. βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) . Taalgebruik in het NT : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) .
    1. act. subjonctief aor. 2de pers. enk. βασανισῃς = basanisè(i)s (jij zoudt folteren) . Mc 5,7 .
      1. μη με βασανισῃς = mè me basanisè(i)s (dat jij mij niet zoudt folteren) . Mc 5,7 .
    2. pass. part. praes. acc. mann. mv. βασανιζομενους = basavizomenous (gekweld wordende) . Mc 6,48 .
  31. בָּשָׂר = bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenakh : bâshâr (vlees, lichaam) . Lc 24,3 .
  32. בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) .
    1. לְבַשֵּׂר = lëbhashsher (om de goede boodschap te brengen) < prefix voorzetsel lë + act. piël inf. . Js 61,1 .
  33. βασιλεια = basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) .
    1. nom. vr. enk. βασιλεια , dat. vr. enk. βασιλειᾳ = basileia (i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Mt 5,3 .
      1. ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk) . Mt 6,10 .
      2. ἡ βασιλεια των ουρανων = hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) . Mt 5,3 .
  34. basileia (koninkrijk) . hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2 .
  35. βασιλευς = basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Mc 6,22 . Lc 1,5 .
    1. nom. mann. enk. βασιλευς = basileus (koning) . Mc 6,22 .
      1. και ὁ βασιλευς (en de koning) . 1 K 1,1 .
      2. βασιλευς ἡρῳδης = basileus hèrô(i)dès (koning Herodes) . Mc 6,14 .
    2. gen. mann. enk. βασιλεως = basileôs . Lc 1,5 .
  36. bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) , zie Jr 17,5 .
  37. בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Mc 5,23 .
    1. בַת צִיּוֹן = bath tsijjôn (dochter Sion) . Mi 4,10 . Mc 5,23 .
  38. nom. + acc. onz. enk. βαθος = bathos (diepte) . Taalgebruik in het NT : bathos (diepte) . Lc 5,4 .
  39. בּ = bë (in, met) . Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met) .
    1. בְךָ = bëkhâ (in u) < prefix voorzetsel bë + suffix bezittel. voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud . Gn 12,3 .
    2. בָּם = bâm (aan hen) < prefix voorzetsel bë + bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. (< hèm) . Dt 6,7 .
  40. Ned. : been . D. : Bein . E. : leg . Fr. : jambe .
  41. בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) . Gn 29,10 .
    1. הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw. ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Gn 29,10 .
  42. בְהֵמָה = bëhemâh (vee, roofdier) . Taalgebruik in Tenakh : bëhemâh (vee, roofdier) . Gn 1,24 .
  43. בֵּין = be(j)n (tussen) . Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) . Dt 6,8 .
  44. Ned. : beker . Arabisch : كوب = kub . D. : Kelck . E. : cup . Fr. : coup . Grieks : ποτηριον = potèrion (beker) . Hebreeuws : כּוֹס = kôs (beker) . Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Lat. : calix .
  45. Ned. : beminnen , liefhebben . Arabisch : اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in de Qoran : ´ahabba (beminnen, liefhebben) . D. : lieben . E. : to love . Fr. : aimer . Grieks : αγαπαω = agapaô (liefhebben) . Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) . Hebreeuws : אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) . Lat. : amare .
  46. בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lc 1,31 .
    1. בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst. naamw. ben + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 22,16 .
      1. אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) . Gn 22,16 .
        1. אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶךָ = ´èth binëkhâ jëchîdèkhâ (jouw zoon, jouw enige) . Gn 22,16 .
      2. לְבָנֶיךָ = lëbhânè(j)khâ (aan jou zonen) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. stat. construct. mann. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,7 .
    2. mann. mv. בָנִים = bânîm (zonen) . Lc 15,11 .
      1. שְׂנֵי בָנִים = sjëni bânîm (twee zonen) . Lc 15,11 .
    3. mann. mv stat construct. בְּנֵי = bëne(j) (zonen van) .
    4. zelfst. naamw. mann. mv. en suffix bezittelijk voornaamw. 3de pers. mann. enk. בָּנָיו = bânâ(j)w (zijn zonen) . Nu 6,23 .
  47. Ned. : berg , gebergte . D. : Gebirge . E. : mount . Fr. : mont / montagne . Grieks : ὁρος = horos (berg) . Taalgebruik in het NT : horos (berg) . Lat. mons , -tis . Dt 1,19 .
  48. בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Lc 22,20 .
    1. בְרִיתוֹ = bërîthô (zijn verbond) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Ex 2,24 . Lc 1,72 .
      1. אֶת בְרִיתוֹ = ´èth bërîthô (zijn verbond) . Ex 2,24 .
        1. אֶת בְרִיתוֹ אֲשֶׁר = ´èth bërîthô ´äsjèr (zijn verbond dat) . Dt 4,13 .
    2. הַבְּרִית אֲשֶׁר = habbërîth ´äsjèr (het verbond dat) . Ex 24,8 .
      1. הַבְּרִית אֲשֶׁר כָּרַת = habbërîth ´äsjèr kârath (het verbond dat hij sloot) . Ex 24,8 .
  49. בֵּית = be(j)th van het zelfst. naamw. בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Ex 23,19 .
    1. בֵּית יַעֳקֹב = be(j)th Ja`äqobh (huis van Jakob) . Ps 114,1 .
    2. בֵיתֶךָ = be(j)thèkhâ (jouw huis) < zelfst. naamw. stat. construct. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,9 .
    3. מִבֵּית = mibbe(j)th (uit het huis van) < voorzetsel min + stat. constr. . Ex 20,2 .
      1. מִבֵּית עֲבָדִים = mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het huis van dienaren, slaven) . Ex 20,2 . Dt 6,12 .
    4. וּמִבֵּית = ûmibe(j)th (en uit het huis) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst. naamw. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 12,1 .
    5. בְּבֵיתֶךָ = bëbthe(j)thèkhâ (in jouw huis) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. enk. . Dt 6,7 .
  50. בֵּית אֵל = be(j)th ´el (huis van God = Betel) . Gn 28,19 .
  51. בֵּית לָחֶם = bêth lâchèm (Bethlehem) . Taalgebruik in het NT : bethleem (Betlehem) .
  52. Betlehem , zie Mt 2,1 .
  53. - bëtèrèm (vooraleer) , zie Jr 1,5 .
    - De getalswaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 (zie Joh 1,28 ).
  54. βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda) . Taalgebruik in het NT : Bètsaïda (Betsaïda) .
    1. acc. vr. enk. βηθσαιδαν = bèthsaïdan (Betsaïda) . Mc 6,45 .
  55. בְצַלְאֵל = betsalë´el (Besaleël) . Taalgebruik in Tenakh : betsalë´el (Besaleël) . Ex 31,2 .
  56. Ned. : binnengaan . D. : eingehen . E. : to enter . F. : entrer . Grieks : εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : intro-ire (binnengaan) . intrare - inire . Italiaans : entrare . Spaans : entrar .
  57. Ned. : bij . Fr. : abeille . In het hiëroglyfisch geeft de bij de klankwaarde bit weer .
  58. blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in het N.T. : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) .
  59. βλεπω = blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het NT : blepô (kijken, zien) .
    1. act. ind. praes. 2de pers. enk. βλεπεις = blepeis (jij ziet) . Mc 5,31 .
    2. act. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. βλεπετε = blepete (jullie kijken, kijkt) . Mc 4,24 . Mc 13,5 . Lc 21,8 .
      1. βλεπετε μη = blepete mè (jullie kijken niet , kijkt niet) . Lc 21,8 .
  60. blepô (kijken, zien) . blepô (zien) , zie Joh 1,29 . - blepô (kijken) bij Marcus, zie Mc 13,33 . - blepô (zien, kijken) bij Matteüs, zie Mt 11,4 : - Mt 11,2-6 -
  61. Ned. : bloed . Arabisch : دَم = dam (bloed) . Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) . D. : Blut . E. : blood . Fr. : sang . Gr. : αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Lat. : sanguis .
  62. boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 . fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 . anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 .
  63. בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) . Gn 1,2 .
    1. וָבֹהוּ = wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + zelfst. naamw. . Gn 1,2 .
  64. Ned. : boot . D. : Boot . E. : boat . Fr. : navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau) . Gr. : ναυς , gen. νεως = naus (schip) . L. : navis (= schip ; navicula = boot) .
  65. בֹקֶר = boqèr (morgen) . Zie : בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) . Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) .
    1. וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî boqèr (en het werd morgen) . Gn 1,8 .
  66. -
    1. εν βραχιονι ὑψηλῳ = en brachioni hupsèlô(i) met uitgestrekte arm) . Dt 6,21 .
    2. εν βραχιονι αυτου = en brachioni autou met zijn arm) . Dt 6,21 .
  67. nom. + acc. onz. enk. βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Lc 1,41 .
  68. Ned. : broer . Arabisch : أخ = ´ach (broer) . Taalgebruik in de Qoran : ´ach (broer) . D. : Bruder . E. : brother . Fr. : frère . Grieks : αδελφος = adelfos (broer) . Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) . Hebreeuws : אָח = ´âch (broer) . Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) . Lat.: frater (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der) .
  69. Ned. : bron . Grieks : φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Hebreeuws : בְאֵר = bhë´er (put, bron) . Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) .
  70. Ned. : brood . Arabisch : خُبز = chubz (brood) . Taalgebruik in de Qoran : chubz (brood) . In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis . Zie لَحْم = lachm (vlees) . Taalgebruik in de Qoran : lachm (vlees) . Aramees : לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem . D. : Brot . E. : bread . Fr. pain . Grieks : αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Hebreeuws : לֶחֶמ = lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Lat. : panis . In het hiëroglyfisch stelt een brood de letter t voor .
  71. βυθιζω = buthizô (doen zinken) . Taalgebruik in het NT : buthizô (doen zinken) . Lc 5,7 .
    1. pass. inf. praes. βυθιζεσθαι = buthizesthai (zinken) . Lc 5,7 .
  72. בּוּל = bûl (zegel b.v. van een postzegel) .
    - bw´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenach : bw´ (gaan, komen) .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


C

  1. Aramees : חֲדָא = chädâ´ (zich verheugen) . Taalgebruik : chädâ´ (zich verheugen) .
    1. וַחדִי = wachdî (en hij verheugde zich) > prefix waw + act. qal perf. 3de pers. mann. enk. . Gn 17,17 .
  2. - chag (feest) , zie Lc 22,1 .
  3. χαιρω = chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) . Lc 15,5 .
    1. act. part. praes. nom. mann. enk. χαιρων = chairôn (zich verheugende) . Lc 15,5 .
  4. châjâh (leven) . Taalgebruik in Tenach : châjâh (leven) .
    1. prefix voorzetsel wë + act. piël part. mann. enk. וּמְחַיֶּה = ûmëchajjèh (en doen levende) . 1 S 2,6 .
    2. חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) . Stat. constr. חַיַת = chajath .
      1. stat. constr. חַיַּת = chajjath . Gn 1,25 .
      2. חַיְתוֹ = chajëthô (en zijn wildgedierte) < stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 1,24 .
  5. châkhmâh (wijsheid) , zie Ps 111,10 .
  6. חָלָב = châlâbh (melk) . Qatal-vorm (חַלַב) . De stat. constr. חֲלֵב = chälebh is moeilijk verklaarbaar (Joüon 96Bb) . Taalgebruik in Tenakh : châlâbh (melk) . Ex 23,19 .
  7. חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) .
    1. וַיָּחֶל = wajjâchèl (en hij begon) < prefiw voegwoord w consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. .
  8. χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) . Taalgebruik in het NT : chalaô (ontspannen, los maken) . Lc 5,5 .
    1. act. ind. fut. 1ste pers. enk. χαλασω = chalasô (ik zal losmaken) . Lc 5,5 .
  9. חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) . Taalgebruik in Tenakh : châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) . Mt 2,14 .
  10. חֱמוֹר = chämôr (ezel, ezelin) . Taalgebruik in Tenakh : chämôr (ezel, ezelin) . Zach 9,9 . Ned. : ezel . Fr. âne . Grieks : onos . Lat. : asinus .
  11. חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) . Taalgebruik in Tenakh : châmesj (vijf) . Lc 9,16 .
    1. חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar) . Gn 12,4 .
      1. בֶּן חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = bèn châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar oud) . Gn 12,4 . .
    2. vr. enk. חֱמִשָּׁה = chämisjsjâh (vijf, 5) . Dt 34,12 .
  12. chânâh (zich neerlaten, zich legeren) , zie Ex 13,20 .
  13. חָנַן= chânan (genadigzijn, zich over iemand ontfermen) . Taalgebruik : chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen) .
    1. וִיחֻנֶּךָּ = wîchunnèkhâ (en hij zal genadig zijn) < prefix waw consecut. + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Nu 6,25 .
  14. chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen) , zie Ps 111,5 .
    - châphar (zich schamen, in zijn verwachtingen teleurgesteld worden), zie Ps 35,4 .
    - châphatz verlangen, begeren, willen) , zie Ps 40,15 . châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) . Taalgebruik in Tenach : châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) .
    - châqaq (vaststellen, besluiten) , zie Ps 2,7 .
  15. χαρα = chara (vreugde) . Taalgebruik in het NT : chara (vreugde) .
    1. nom. vr. enk. χαρα = chara (vreugde) . Lc 15,7 .
    2. gen. vr. enk. χαρας = charas . 1 Tes 1,6 .
      1. μετα χαρας = meta charas (met vreugde) .
  16. chara (genade, dankbaarheid), zie Lc 24,52 .
  17. חָרָן = chârân (Haran) . Taalgebruik in Tenakh : chârân (Haran) .
    1. מֵחָרָן = mechârân (uit Haran) < prefix voorzetsel min (uit) en חָרָן = chârân (Haran) .
  18. חָרָה = chârah ( branden, ontbranden ) . Taalgebruik in Tenakh : (chârâh ( branden, ontbranden) . Nu 11,1 .
    1. וַיִּחַר = wajjichar ( hij ontbrandde ) < wë + act. qal imperfectum 3de pers. mann. enk. . Gn 4,5 .
  19. חָרַק = châraq (knarsen, piepen) . Taalgebruik in Tenakh : châraq (knarsen, piepen) .
  20. χαρις = charis (genade, gratie) . Taalgebruik in het NT : charis (genade, gratie) .
    1. nom. vr. enk. χαρις = charis (genade, gratie) . 1 Tes 1,1 .
      1. χαρις ὑμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ὑμων και απο κυριου ιησου χριστου = charis humin kai eirènè apo theou patros hèmôn kai apo kuriou ièsou christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) . Kol 1,2 .
    2. gen. vr. enk. χαριτος = charitos (van genade) . Gal 1,15 .
      1. δια της χαριτος = dia tès charitos (door / bij middel van de genade) . Gal 1,15 .
    3. acc. vr. enk. χαριν = charin . Lc 17,9 .
  21. châsar (missen, verminderen) , zie 1 K 17,14 .
    - châsjabh (rekenen, achten, denken) , zie Ps 40,18 .
  22. חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) . Taalgebruik in Tenakh : châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) .
    1. act. qal imperf. eerste persoon enkelvoud אֶחֶשֶׁה = ´èchêsjèh (ik zal zwijgen) .
  23. חַטָֹאָה = chattâ´âh (zonde, misdaad) .
    1. חַטֹּאתָם = chatto´thâm (hun zonden) < vr. mv. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Ex 32,34 .
  24. חַוָּה = chawwâh (Eva) . Taalgebruik in Tenakh : chawwâh (Eva) .
  25. châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . Taalgebruik in Tenach : châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) .
  26. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Taalgebruik in Tenakh : chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) .
    1. וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) . Mc 1,31 .
  27. chèsèd (liefde, gunst, genade, barmhartigheid) , zie Ps 111,5 .
    - chât´â (zondigen, missen) , zie Ps 1,1 .
  28. חָתַל = châthal (omwikkelen met windels) . Lc 23,53 .
    - châzah (zien, uitkiezen) , zie Gn 15,1 .
  29. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) .
    1. gen. mann. enk. χειρος = cheiros (van de hand) . Lc 1,71 .
      1. εκ χειρος = ek cheiros (uit de hand van) . Lc 1,71 .
    2. -
      1. εν χειρι κραταιᾳ = en cheiri krataia(i) (met krachtige hand) . Dt 6,21 .
        1. εν χειρι κραταιᾳ και εν βραχιονι αυτου τῳ ὑψηλῳ = en cheiri krataia(i) kai en brachioni autou tô(i) hupsèlô(i) (met krachtige hand en met zijn arm, de uitgestrekte) . Dt 6,21 .
    3. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) . Mc 3,1 .
      1. την χειρα = tèn cheira (de hand) . Mc 3,1 .
    4. acc. vr. mv. χειρας = cheiras . Lc 24,50 .
      1. τας χειρας αυτου = tas cheiras autou (zijn handen) . Dt 34,9 .
  30. חֵמָה = chemâh (toorn) . Taalgebruik in Tenakh : chemâh (toorn) .
  31. חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Taalgebruik in Tenakh : chèsèd (liefde, barmhartigheid) . Ex 34,7 .
  32. ִ : een punt onder de regel : חִירֶק = chîrèq (chireq) is een klinker en duidt een i-klank aan .
  33. χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in het NT : chitôn (wollen of linnen onderkleed) .
    1. acc. mann. mv. χιτωνας = chitônas (kleren) . Lc 9,3 .
      1. τους χιτωνας αυτου = tous chitônas autou (zijn kleren) . Mc 14,63 .
      2. δυο χιτωνας = duo chitônas (2 kledingstukken) . Mc 14,63 .
  34. חוֹד = hôd (pracht, glans, majesteit) . Taalgebruik in Tenakh : hôd (pracht, glans, majesteit) .
  35. - chwsj (zich haasten, genieten, zijn zinnen volgen), zie Ps 40,14 .
  36. χοιρος = choiros (varken) . Taalgebruik in het NT : choiros (varken) .
    1. nom. mann. mv. χοιρων = choirôn . Mc 5,11 .
      1. των χοιρων = tôn choirôn (van de varkens) . Mc 5,16 .
  37. חָכְמָה = châkhëmah (wijsheid) . Taalgebruik in Tenakh : châkhëmâh (wijsheid) .
    1. בְחָכְמָה = bëchâkhëmah (met wijsheid) . Gn 1,1 .
  38. chôlos (lamme) , zie Mt 11,5 .
  39. Lat. commemoratio (het samen gedenken) .
    1. acc. vr. enk. commemorationem . Lc 22,19 .
  40. χωρα = chôra (streek, land) . Taalgebruik in het NT : chôra (streek, land) .
    1. acc. vr. enk. χωραν = chôran (streek, plaats) . Mc 5,1 . Lc 15,13 .
      1. εις την χωραν = eis tèn chôran (naar de streek, plaats) . Mc 5,1 .
  41. chôrion (gebied, plek) , zie Mc 14,32 .
  42. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) . Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) .
    1. pass. ind. fut. 3de pers. mv. χορτασθησονται = chortasthèsontai (zij zullen verzadigd worden) . Mc 6,42 .
      1. και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) . Mc 6,42 .
    2. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εχορασθησαν = echorasthèsan (zij werden verzadigd) . Mc 6,42 .
      1. και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) . Mc 6,42 .
        1. και εφαγον παντες και εχορασθησαν = kai efagon pantes kai echorasthèsan (en allen aten en zij werden verzadigd) . Mc 6,42 .
        2. και εφαγον και εχορασθησαν παντες = kai efagon kai echorasthèsan pantes (en zij aten en allen werden verzadigd) . Mc 6,42 .
    3. pass. inf. aor. χορασθηναι = chorasthènai (om verzadigd te worden) . Mc 7,27 .
  43. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Gn 1,2 . Lc 1,79 .
    1. הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw. ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Gn 1,4 .
    2. וְחֹשֶׁךְ= wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. . Gn 1,2 .
    3. וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Gn 1,5 .
    4. בַּחֹשֶׁך = bachosèkh (in - de - duisternis) < voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord . Js 9,1 . Lc 1,79 .
  44. chothen (schoonvader) , zie Ex 3,1 .
    - chreian echô : ik behoef (6X bij Matteüs)
  45. χριω = chriô (zalven) . Taalgebruik in het NT : chriô (zalven) . Ef 1,1 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εχρισεν = echrisen (hij zalfde) . Lv 8,10 . Lc 4,18 .
      1. εχρισεν αυτον = echrisen auton (hij zalfde hem) . Lv 8,12 .
      2. εχρισεν με = echrisen me (hij zalfde mij) . Lv 8,12 .
  46. χριστος = christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het NT : christos (Christus) .
    1. gen. mann. enk. χριστου = christou (van Christus) . Mc 1,1 . Fil 1,1 . Kol 1,1 . Kol 2,2 .
  47. christos (Christus) . Christou (Christus. 5X bij Matteüs)
    - chshkh (duisternis) , zie Js 9,1
  48. חוּר = chûr (Chur) . Taalgebruik in Tenakh : chûr (Chur) . 1 Kr 2,19
  49. חוּץ = chûts (straat, buiten) . Taalgebruik in Tenakh : chûts (straat, buiten) . Lc 24,50 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


D

  1. dâ`âkh (uitgaan van licht) . Taalgebruik in Tenakh : dâ`âkh (uitgaan van licht) .
  2. Ned. : daar (aanwijz. bijw. van plaats; da.. r) <-> hier (aanwijz. bijw. van plaats : hi...r; zie persoonl. voornaamw. hij) . D. : da <-> hier . E. : the-re <-> he-re . Grieks : εκει (hier; Fr. : ici; k - c -h) . Arabisch : هناك = hunak (daar; h... in Ned. : hij) <-> هنا = huna (hier) . Hebreeuws : שָׁם = sjâm (daar) . Zie het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Lat. : ibi (daar) <-> hic (hier) .
  3. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Lc 1,37 .
    1. act. piël perf. 3de pers. mann. enk. דִּבֶּר = dibbèr (hij sprak) .
      1. דִּבֶּר אֶל = dibbèr ´èl (hij sprak tot) . Lc 1,55 .
        1. דִּבֶּר מֹשֶׁה אֶל = dibbèr mosjèh ´èl (Mozes sprak tot) . Dt 1,3 .
      2. דִּבֶּר אֵלָיו = dibbèr ´elâjw (hij zei tot hem) . Gn 12,4
      3. דִּבֶּר אִתּוֹ = dibbèr ´iththô (hij sprak met hem) .
      4. דִּבֶּר לוֹ = dibbèr lô ( hij sprak tot hem) .
      5. אֲשֶׁר דִּבֶּר מֹשֶׁה = ´äsjèr dibbèr Mosjèh (die Mozes sprak) . Dt 34,1 .
      6. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) . . Gn 12,4 .
        1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij zei tot hem) . Gn 12,4 .
          1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו יהוה = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw JHWH (zoals JHWH sprak tot hem) . Gn 12,4 .
        2. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem) . Gn 12,4 .
        3. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) . Gn 12,4 .
        4. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה = ka´äsjèr dibbèr JHWH (zoals JHWH sprak) . Gn 12,4 .
          1. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) . Dt 1,21 .
    2. prefix verbindingswoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) . Gn 8,15 . Ex 20,1 . Lv 23,1 . Lv 25,1 . Nu 6,22 .
      1. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) . Gn 8,15 . Ex 20,1 .
        1. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ = wajëdabber ´èlohîm ´èl noach (en God sprak tot Noach) . Gn 8,15 .
        2. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) . Ex 12,1 .
      2. וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) . Gn 8,15 . Lv 23,1 . Nu 6,22 .
        1. וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) . Ex 12,1 . Nu 6,22 .
          1. וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹר = wajëdabber JHWH èl mosjèh le'mor (en JHWH sprak tot Mozes om te zeggen) . Ex 25,1 . Nu 6,22 .
    3. וְדִבַּרְתָּ = wëdibbarëthâ (en jij zult spreken) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. piël 2de pers. mann. enk. . Dt 6,7 .
    4. דְבַר אֱלֹהִים = dëbhar ´èlohîm (woord van God) . Lc 5,1 .
      1. דְבַר יהוה = dëbhar JHWH (woord van JHWH) . Lc 5,1 .
      2. כִּדְבַר = kidëbhar (volgens het woord) < prefix kë + zelfst. naamw. דָּובָר = dâbhâr (woord) . Lc 1,38 .
      3. הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw. ha + mann. mv. . Ex 20,1 . Dt 6,6 .
        1. אֵלֶּה הַדְּבָרִים = ´ellèh haddëbhârîm (deze woorden) . Dt 1,1 .
        2. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) . Gn 44,6 . Ex 24,8 .
          1. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr (deze woorden die) . Dt 6,6 .
            1. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr ´asjèr ´ânokhî mëtsawwëkhâ (deze woorden die ik opdragende) . Dt 6,6 .
        3. כל הַדְּבָרִים = kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen) . Ex 20,1 .
          1. אֵת כל הַדְּבָרִים = `eth kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen) . Ex 20,1 .
        4. כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = kâl haddëbharîm hâ´ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) . Ex 24,8 .
          1. אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = `eth kâl haddëbharîm hâ ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) . Ex 20,1 .
      4. -
        1. דִּבְרֵי יהוה = dibhëre(j) JHWH (woorden van JHWH) . Ex 24,3 .
          1. אִת דִּבְרֵי יהוה = ´eth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) . Ex 24,3 .
            1. אִת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´eth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden van JHWH) . Ex 24,3 .
          2. אֶת דִּבְרֵי יהוה = ´èth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) . Ex 24,3 .
            1. אֶת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´èth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden van JHWH) . Ex 2.
        2. אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה = ´èth kâl dibhër(j)e haththôrâh (al de woorden van de Thorah) . Dt 27,8 .
  4. Ned. : dag . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . D. : Tag . E. : day . F. : jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Lat. : dies . Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Latijn : dies (dag) . diurnus (dagelijks) .
  5. דָג / דָגָה = dâg / dâgâh (vis) . Taalgebruik in Tenakh : dâg / dâgâh (vis) . Lc 5,2
  6. δαιμονιον = daimonion (demon) . Taalgebruik in het NT : daimonion (demon) .
  7. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) . Taalgebruik in het NT : daimonizomai (bezeten zijn) .
    1. acc. mann. enk. δαιμονιζομενον = daimonizomenon (een demon wordende) . Mc 5,15 .
    2. nom. mann. mv. δαιμονιζομενοι = daimonizomenoi (een demon wordende) . Mc 8,28 .
  8. דָלָה = dâlâh (putten, scheppen; piël : redden, bevrijden) . Taalgebruik in Tenakh : dâlâh (putten, scheppen; piël : redden, bevrijden) .
    1. werkwoordvorm act. imperat. 2de pers. vr. enk. דְלִי = dëlî (schep) OF zelfst. naamw. דְלִי = dëlî (emmer) .
  9. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Ex 24,8 . Lc 22,20 .
    1. דַם הַבְּרִית = dam habbërîth (bloed van het verbond) .
    2. הַדָּם = haddâm (het bloed) . Ex 24,8 .
      1. אֶת הַדָּם= ´èth haddâm (het bloed) . Ex 24,8 .
    3. בְדָמִי = bëdâmî (met mijn bloed) < prefix bë + zelfst. naamw. + + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Lc 22,20 .
    4. stat. construct. mann. mv. דְמֵי = dëme(j) (bloed van) .
  10. Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2 .
  11. δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) . Taalgebruik in het NT : damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) .
    1. act. inf. aor. δαμασαι = damasai (om te bedwingen) . Mc 5,4 .
  12. Ned. : dan . D. : dann . E. : then . Fr. : alors . Grieks : τοτε = tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het NT : tote (dan) . Lat. : tunc .
  13. dânijje´l (Daniël) . Taalgebruik in Tenach : dânijje´l (Daniël) . Taalgebruik in Amos : dânijje´l (Daniël) . Getalwaarde : daleth = 4 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 41 OF 95 (5 X 19) . Gr. danièl (Daniël) . Taalgebruik in de Septuaginta : dânijje´l (Daniël) . Taalgebruik in het N.T. : dânijje´l (Daniël) . δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Lc 9,11 . Lc 18,29 .
  14. דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Taalgebruik in Tenakh : dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) .
    1. act. hifil imperf. jussief 3de pers. vr. enk. תַּדְשֵׁא = thadësje´ (dat zij gewas voortbrenge) . Gn 1,11 .
  15. דַק = daq (dun, mager, fijn, zacht). Taalgebruik in Tenakh : daq (dun, mager, fijn, zacht) .
  16. דָקַק = dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil : vergruizen, fijn maken) . Taalgebruik in Tenakh : dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil : vergruizen, fijn maken) .
  17. דָּוִד = dâwid (David) . Taalgebruik in Tenakh : dâwid (David) . Lc 1,27 .
  18. δαυιδ = dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Lc 1,27 .
  19. Ned. : dauw . Arabisch : ظَل = tal (dauw) . Taalgebruik in de Qoran : tal (dauw) . D. : der Tau . E. : dew . Fr. : la rosèe . Grieks : δροσος = drosos (dauw) . Hebreeuws : טַל = tal (dauw) . Taalgebruik in Tenakh : tal (dauw) . Lat. : ros (dauw) , zie rorare (dauwen) , zie Js 45,8 : rorate caeli desuper (dauwt hemelen van boven) .
  20. Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .
  21. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Mc 1,45 . Lc 5,1 . Lc 8,22 . Lc 9,11 . Lc 15,1 . Lc 15,27 . Lc 17,1 . Lc 18,9 . Lc 24,2 .
    1. δε ειπεν = de eipen (hij echter zei) . Lc 15,27 . Lc 18,41 .
      1. δε ειπεν αυτῳ = de eipen autô(i) (hij echter zei hem) . Lc 15,27 .
    2. δε (...) εν = de en (echter in / tijdens) . Lc 18,35 .
      1. δε εν τῳ = de en tô(i) (echter in de/ tijdens de) . Lc 18,35 .
    3. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc 10,52 . Lc 18,40 .
    4. δε και = echter ook . Lc 18,9 .
    5. δε προς = de pros (echter naar) . Lc 17,22 .
    6. δε τας = de tas (echter de) . Lc 21,37 .
      1. τας δε = tas de (de echter / en de) . Lc 21,37 .
  22. de (echter) . de (echter) , zie Joh 1,1 . - de (echter) , zie Lc 1,2 . de (echter) , zie Mt 1,2 . Zie Hnd 13,6 .
  23. דֶבֶר = dèbhèr (pest) . Taalgebruik in Tenakh : dèbhèr (pest) .
  24. dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40 .
  25. δεησις = deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in het NT : deèsis (gebed, vraag) .
    1. dat. vr. enk. δεησει = deèsei . Fil 1,4 .
    2. acc. vr. enk. δεησιν = deèsin . Fil 1,4 .
  26. deiknuô (tonen) , zie Mt 16,21 .
  27. δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) . Zie het werkw. δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden) . Taalgebruik in het NT : dechomai (ontvangen) .
    1. nom. mann. enk. δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) . Lc 17,1 .
    2. acc. mann. enk. δεκτον = dekton . Lc 4,19 .
  28. δειλος = deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) . Taalgebruik in het NT : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) .
    1. nom. mann. mv. δειλοι = deiloi (kleingelovigen) .
  29. דְמוּת = dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte) . Taalgebruik in Tenakh : dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte) .
    1. בְּצַלְמֵנוּ = bëtsalëmenû (met ons beeld) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. mv. . Gn 1,26 .
  30. δεω = deô (binden, boeien, ketenen) . Taalgebruik in het NT : deô (binden, boeien, ketenen) .
    1. act. inf. aor. δησαι = dèsai (om te binden) .
  31. deô (moeten) , zie Mt 16,21 .
    - Derbè (Derbe) , zie Hnd 14,6 .
  32. Ned. : derde . D. : tritte . Fr. : troisième . E. third . Gr. : τριτος = tritos . Hebreeuws : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) . Lat. : tertius .
  33. דֶרֶך = dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) . Taalgebruik in Tenakh : dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) .
    1. בַדֶרֶך = badèrèch (op de weg) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Dt 6,7 .
  34. derô (slaan) , zie Lc 22,63 .
  35. דְרוֹר = dërôr 1. (vrijheid, vrijlating) . 2. zwaluw . 3. vanzelf vloeiende myrrhe . Taalgebruik in Tenakh : dërôr (vrijheid, vrijlating) . Lv 25,10 .
  36. דֶּשֶׁא = dèsjè´ (gewas, jong groen, gras) . Zie het werkw. דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) . Gn 1,11 .
  37. Ned. : deur . Arabisch : باب (bab) .Hebreeuws : דָלֶת = dalèth (de letter daleth; dèlèth = deur) . Taalgebruik in Tenakh : dalèth (deur) .
  38. δεξιος = dexios (rechts) . Taalgebruik in het NT : dexios (rechts) .
    1. gen. mv. δεξιων = dexiôn . Hnd 2,25 .
  39. δια = dia (door, omwille van, na) . Taalgebruik in NT : dia (door) . Mc 3,9 . Lc 5,30 . Kol 2,19 .
    1. δια τον = dia ton (omwille van de) . Mc 3,9 .
  40. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . Gn 1,4 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) . Gn 1,4 .
      1. διεχωρισεν ὁ θεος = diechôrisen ho theos (God maakte een scheiding) . Gn 1,4 .
  41. διαγογγυζω = diagogguzô (brommen, morren) . Lc 15,2 . Lc 19,7 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. διεγογγυζον = diegogguzon (zij morden) . Lc 15,2 .
  42. diaireô (uiteennemen, verdelen), zie Lc 15,12 .
  43. διακονεω = diakoneô (dienen, dienaar zijn) . Taalgebruik in het NT : diakoneô (dienen, dienaar zijn) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. διηκονει = dièkonei (zij bediende)
  44. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) . Taalgebruik in het NT : diaperaô (doortrekken, oversteken) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. διεπερασεν = dieperasen (hij stak over) . Mt 9,1 .
    2. act. part. aor. gen. mann. enk. διαπερασαντος = diaperasantos (nadat hij overstak) . Mc 5,21 .
    3. act. part. aor. nom. mann. mv. διαπερασαντες = diaperasantes (overgestoken) . Mc 6,53 .
  45. διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) . Taalgebruik in het NT : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) .
    1. ind. imperf. 3de pers. enk. διεπορευετο = dieporeueto (hij trok door) . Lc 13,22 .
    2. part. praes. gen. mann. en onz. enk. διαπορευομενου = diaporeuomenou . Lc 18,36 .
  46. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) . Taalgebruik in het NT : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) . Mc 14,63 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. διαρρηξας = diarrèksas (verscheurd) . Mc 14,63 .
  47. διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) . Taalgebruik in het NT : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. διεσκορπισεν = dieskorpisen (hij verkwistte, verstrooide) . Dt 30,3 . Lc 15,13 .
  48. διασπαω = diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) . Taalgebruik in het NT : diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) .
    1. passief inf. perf. διεσπασθαι = diespasthai (om los te rukken) . Mc 5,4 .
  49. diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1 .
  50. διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) . Taalgebruik in het NT : diastellomai (bevelen) .
    1. mediaal aor. 3de pers. enk. διεστειλατο = diesteilato (hij beval) . Mc 5,43 .
      1. διεστειλατο αυτοις = diesteilato autois (hij beval hen) . Mc 5,43 .
        1. και διεστειλατο αυτοις = kai diesteilato autois (en hij beval hen) . Mc 5,43 .
          1. και διεστειλατο αυτοις πολλα = kai diesteilato autois polla (en hij beval hen vele dingen) . Mc 5,43 .
  51. διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Lc 22,20 .
    1. gen. vr. enk. διαθηκης = diathèkès . Lc 1,72 .
  52. - diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28 .
  53. διδαχη = didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het NT : didachè (lering, onderrichting) . Mc 1,22 .
    1. nom. vr. enk. διδαχη = didachè (lering, onderrichting)  . Mc 1,27 .
    2. τῃ διδαχῃ = tè(i) didachè(i) (de lering, de onderrichting) . Mc 1,22 .
      1. εν τῃ διδαχῃ = en tè(i) didachè(i) (in / tijdens de leer) . Mc 1,22 .
      2. επι τῃ διδαχῃ = epi tè(i) didachè(i) (over de leer) . Mc 1,22 .
  54. διδασκαλος = didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het NT : didaskalos (leraar , leermeester) .
    1. voc. mann. enk. διδασκαλε = didaskale (leermeester) .
  55. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Lc 5,3 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εδιδασκεν = edidasken (en hij onderrichtte) . Lc 5,3 .
    2. act. part. praes. nom. mann. enk. διδασκων = didaskôn (onderrichtend) . Lc 21,37 .
      1. διδασκων αυτους = didaskôn autous (hen onderrichtend) . Mc 1,22 .
      2. διδασκων εν = didaskôn en (onderrichtend in) . Lc 21,37 .
        1. εν τῳ ἱερῳ διδασκων = en tôi hierôi didaskôn (in de tempel onderrichtend) . Lc 21,37 .
        2. διδασκων εν τῳ ἱερῳ = didaskôn en tô(i) hierô(i) (onderrichtend in de tempel) . Lc 21,37 .
        3. διδασκων εν ταις συναγογαις = didaskôn en tais sunagogais (onderrichtend in de synagogen) . Lc 21,37 .
        4. διδασκων εν μιᾳ των συναγωγων = didaskôn en mia(i) tôn sunagôgôn (onderrichtend in één van de synagogen) . Lc 21,37 .
    3. actief inf. praes. διδασκειν = didaskein (onderrichten) . Mc 4,1 . Hnd 1,1 .
      1. ηρξατο διδασκειν = èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) . Mc 4,1 . Hnd 1,1 .
  56. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) .
    1. act. ind. fut. 1ste pers. enk. δωσω = dôsô ( ik zal geven) .
      1. δωσω ὑμιν = dôsô humin (ik zal geven aan jullie) . Mc 6,22 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. εδωκεν = edôken (hij gaf) . Mt 10,1 .
      1. εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) . Mt 10,1 .
        1. εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen macht) . Mt 10,1 .
      2. ἔδωκεν αὐτῷ ὁ θεὸς = edôken autô(i) ho theos (God gaf hem) . PJ 1,3 .
    3. act. imperat. aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) . Lc 15,12 . 2 K 4,42 .
    4. act. imperat. aor. 2de pers. mv. δοτε = dote (geeft) . Mc 6,37 . Lc 15,22 .
      1. δοτε αυτοις = dote autois (geeft aan hen) . Mc 6,37 .
    5. act. inf. aor. δουναι = dounai (om te geven) . Lc 1,73 .
    6. pass. ind. fut. 3de pers. enk. δοθησεται = dothèsetai (er zal gegeven worden) . Mc 6,22 .
      1. δοθησεται αυτῳ = dothèsetai autô(i) (er zal gegeven worden aan hem) . Mc 6,22 .
    7. pass. inf. aor. δοθηναι = dothènai (om gegeven te worden) . Mc 5,43 .
    8. pass. part. aor. nom. vr. enk. δοθεισα = dotheisa (gegeven werd) . Mc 6,2 .
      1. δοθεισα αυτῳ = dotheisa autô(i) (gegeven werd aan hem) .
  57. διεγειρω = diegeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : diegeirô (opwekken) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. mv. διεγειρουσιν = diegeirousin (zij wekken) . Mc 4,38 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. mv. διηγειραν = diègeiran (zij wekten) .
    3. pass. part. aor. nom. mann. enk. διεγερθεις = diegertheis (gewekt) . Mc 4,39 .
  58. διηγεομαι = diègèomai (uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen) . Zie : διηγησις = diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in de bijbel : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) .
    1. ind. aor. 3de pers. mv. διηγησονται = diègèsanto (zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) . Mc 5,16 .
      1. και διηγησονται = kai diègèsanto (en zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) . Mc 5,16 .
        1. και διηγησονται αυτοις = kai diègèsanto autois (en zij zetten hen uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) . Mc 5,16 .
  59. Ned. : dier . Hebreeuws : חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) . Stat. constr. חַיַת = chajath . Taalgebruik in Tenakh : châjâh (leven) .
  60. διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) . Lc 8,22 .
    1. ind. imperf. 3de pers. enk. διηρχετο = dièrcheto (hij ging doorheen) . Lc 19,1 .
    2. conjunct. aor. 1ste pers. mv. διελθωμεν = dielthômen (laten we doorheengaan) . Lc 8,22 .
  61. Latijn : dies (dag) . Ex 20,9 .
    1. dat. + abl. vr. mv. diebus . Ex 20,9 .
  62. διιστημι = diistèmi (uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen, afzonderen, scheiden, tussenin (dia) staan) . Taalgebruik in Lc : diistèmi : uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen . Lc 24,51 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. διεστη = diestè (hij verwijderde zich - distantie - hij distantieerde zich van hen - hij nam afstand van hen) . Ex 15,8 . Lc 24,51 .
  63. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) .
    1. nom. mann. enk. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Lc 2,25 .
      1. ὁ ανθρωπος οὑτος δικαιος = ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) . Lc 2,25 .
    2. nom. mann. mv. δικαιοι = dikaioi (rechtvaardigen) . Lc 18,9 .
    3. acc. mann. mv. δικαιους = dikaious . Lc 15,7 .
  64. δικαιοσυνη = dikaiosunè (rechtvaardigheid) . Zie het bijvoegl. naamw. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) . acc. vr. enk. δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) . Gn 15,6 .
    1. acc. vr. enk. δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) . Ex 34,7 .
  65. - - dikaios (rechtvaardig) , Mt 3,15 .
  66. δικτυον = diktuon (vissersnet) . Taalgebruik in het NT : diktuon (vissersnet) . Lc 5,2 .
    1. nom. onz. mv. δικτυα = diktua . Lc 5,2 .
  67. Latijn : diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen) .
    1. act. ind. praes. 2de pers. enk. diligis (jij bemint, hebt lief , kiest uit , verkiest) . Dt 6,5 .
    2. act. ind. futurum 2de pers. enk. diliges (jij bemint) . Dt 6,5 .
  68. act. qal ind. perfect. 3de pers. mann. enk. דָן = dân (hij sprak recht) van het werkw. דִּין / דוּן= dîn / dûn (recht spreken) .
  69. nom. mann. enk. διωγμος = diôgmos (vervolging) . Taalgebruik in het NT : diôgmos (vervolging) .
    1. gen. mann. enk. διωγμου = diôgmou (van de vervolging) . Mc 4,17 .
    2. Een vorm van θλιψις = thlipsis (verdrukking) en διωγμος = diôgmos (vervolging) komt samen voor . Mc 4,17 .
  70. Ned. : dochter . Arabisch : ابنة = 'ibna . D. : Tochter . E. : daughter . Fr. : la fille . Grieks : θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Hebreeuws : בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Lat. : filia .
  71. דוֹד = dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader) . Taalgebruik in Tenakh : dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader) .
    1. דוֹדָה = dôdâh (geliefde, vriendin, tante: zus of schoonzus van vader) .
  72. δωδεκα = dôdeka (twaalf) . Taalgebruik in het NT : dôdeka (twaalf) . Lc 9,12 . PJ 1,1 .
    1. οἱ δωδεκα = hoi dôdeka (de twaalf) . Lc 9,12 .
    2. τῶν δώδεκα (de twaalf) . PJ 1,1 .
    3. συν τοις δωδεκα = sun tois dôdeka (met de twaalf) . Mc 4,10 .
  73. dôdeka (twaalf) , zie Mt 28,16 .
  74. Ned. : doen . Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) . Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken) . D. : tun . E. : do . Fr. : faire . Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) . Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) . Lat. : facere .
    - dogma (bevel, decreet) , zie Lc 2,1 .
  75. δοκεω = dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in de bijbel : dokeô (menen, schijnen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. mv. εδοξαν = edoksan (zij meenden) . Mc 6,49 .
  76. Ned.: doof . D. : Taub . E. : deaf . Fr. : sourd . Lat. : surdus . (t / d; f / b) .
  77. doulos (dienaar) .
  78. nom. vr. enk. δοξα = doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) . Lc 2,9 .
  79. δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) . Taalgebruik in het NT : doxazô (verheerlijken) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εδοξαζεν = edoxazen (hij / zij verheerlijkte) . Lc 23,47 .
    2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εδοξαζον = edoxazon (zij verheerlijkten) . Lc 5,26 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. mv. εδοξασαν = edoxasan (zij verheerlijkten) . Lc 5,26 .
    4. act. part. praes. nom. mann. enk. δοξαζων = doxazôn (verheerlijkend, lovend) . Lc 18,43 .
    5. act. part. praes. nom. mann. mv. δοξαζοντες = doxazontes (verheerlijkend) . Lc 2,20 .
    6. pass. part. praes. nom. mann. enk. δοξαζομενος = doxazomenos (worden verheerlijkt / geloofd) . Lc 4,15 .
  80. Ned. : passeren = door-gaan . D. : passieren = duch-gehen . E. : go through . Fr. : passer . Grieks : διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) . Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) . Hebreeuws : עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Italiaans : passare . Latijn : passare . Spaans : pasar .
  81. Ned. : do- p-en (zie het Hebreeuws tâbal) , doop-s-el , do-m-pe-l- en . D. : taufen . E. : baptize . Fr. : bapt- ê - me . Grieks : βαπτιζω = baptizô (dopen) (metathesis van t-b?) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Hebreeuws : טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) . Taalgebruik in Tenakh : tâbhal (dopen, zich dompelen) . Latijn : baptizare .
  82. דֹר / דוֹר = dor / dôr (geslacht, generatie) . Taalgebruik in Tenakh : dor (geslacht, generatie) .
  83. Ned. : dragen . D. : tragen . Lat. : trahere (trekken) . Van Dale (EWB 1993 :"De betekenis heeft zich ontwikkeld van lmasten voorttrekken via opladen tot dragen") .
  84. Ned. : duisternis . Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) . Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) . D. : Finsternis . E. : darkness . Fr. : ténèbres . Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) . Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) . Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) . Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) . Lat. : tenebrae .
  85. Ned. : duizend . Arabisch : اَلف = ´alph (duizend) . Taalgebruik : ´alph (duizend) . D. : tausend . E. : thousand. Fr. : mille . Gr. : χιλια = chilia (duizend) . Lat. : mille . Hebr. : אֶלֶף = ´èlèph (duizend) . Taalgebruik in Tenakh : ´aleph (aleph) .
  86. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) .
    1. ind. praes. 3de pers. enk. δυναται = dunatai (hij kan) . Lc 14,26 .
    2. dep. of pass. ind. praes. 2de pers. enk. δυνασαι = dunasai (jij kunt) . Mc 1,40 .
    3. ind. imperf. 3de pers. enk. εδυνατο = edunato (hij kon) . Mc 5,3 .
      1. ουδεις εδυνατο = oudeis edunato (niemand kon) . Mc 5,3 .
    4. inf. praes. δυνασθαι = dunasthai (te kunnen) . Mc 3,20 .
  87. - dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1 .
  88. δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in het NT : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) .
    1. act. part. praes. gen. mann. enk. δυνοντος = dunontos . Lc 4,40 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. εδυ / εδυσεν = edu (hij ging onder) . Mc 1,32 .
  89. δυο = duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Lc 5,2 .
  90. דושׁ = dwsj (treden, dorsen, verteren) . Taalgebruik in Tenakh : dwsj (treden, dorsen, verteren) .
    1. act. qal perf. 3de pers. vr. enk. דָשָׁה = dâsjâh (zij dorst) .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


E
  1. ֵ : twee punten onder de regel duidt de צֵרֵי = tsere(j) (tsere) = e aan . Het is een tussenklinker , een klinker tussen de lange i (chireq) en de korte i (chireq) evenals de korte è (sëgôl) . Bij deze klinker e kan de medeklinker jod een leesmoeder zijn
  2. אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord : waar ?
  3. εαν = ean (indien) . Taalgebruik in het NT : ean (indien) . Mc 9,50 . Lc 15,8 .
    1. εαν θελῃς = ean thelè(i)s (indien je wil) . Mc 6,22 .
    2. ὁ εαν = ho ean (wat indien) . Mc 6,22 .
    3. ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) . Mc 6,22 .
  4. אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) . Zie אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : 'âjabh (vijandig zijn) .
    1. וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst. naamw. vr. enk. . Gn 3,15 .
  5. עֶבֶד = `èbhèd (dienaar, knecht) . Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar) .
    1. עֶבֶד יהוה = `èbhèd JHWH (dienaar van JHWH, knecht van JHWH) . Dt 34,5 .
    2. mann. mv. עֲבָדִים = `äbhâdîm (dienaars, slaven) . Ex 20,2 .
  6. - `èbhèd (dienaar) , zie Ps 113,1
  7. mw. אֶבֶן = ´èbhèn (steen) . Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) . Gn 29,10 .
    1. הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Gn 29,3 .
      1. אֶת הָאֶבֶן = ´èth hâ´èbhèn (de steen) . Gn 29,3 .
        1. וְגָלֲלוּ אֶת הָאֶבֶן = wëgâlälû ´èth hâ´èbhèn (en zij rolden de steen) . Gn 29,3
  8. עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) . Lc 8,22 .
    1. הָעֵבֶר = hâ`ebhèr (de overzijde, de overkant) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. עֵבֶר `ebhèr (overzijde, overkant) . Lc 8,22 .
    2. אֶל אֵבֶר = ´l `ebhèr (naar de overzijde, overkant) . Mc 5,1 .
      1. אֶל אֵבֶר הַּיָּם= ´l `ebhèr hajjâm (naar de overzijde van de zee, overkant) . Mc 5,1 .
  9. ´èbhjôn (behoeftig) . Taalgebruik in Tenach : ´èbhjôn (behoeftig) .
  10. אֶחָד = ´èchâd (één) . Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) . Dt 6,4 . Lc 8,22 .
    1. בְּאֶחָד / בְּאַחַד = bë´èchâd / bë´achad (op één , op de eerste) < bë + hoofdtelwoord אֶחָד = ´èchâd (één) . Lc 8,22 .
  11. εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT .
    1. act. ind. praes. 3de peres. enk. εχει = echei (hij heeft) . Mc 3,30 .
    2. act. ind. praes. 2de pers. mv. εχετε = echete (jullie hebben) . Mc 4,40 .
    3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ειχεν = eichen (hij had) . Lc 15,11 .
    4. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ειχον = eichon (zij hadden) . Mc 3,10 .
    5. act. inf. praes. εχειν = echein (om te hebben) . Mc 3,15 .
    6. part. praes. nom. mann. enk. εχων = echôn (hebbende) . Lc 15,4 .
  12. εχθρα = echthra (vijandschap) . Zie : εχθρος = echthros (vijand) . Taalgebruik in het NT : echthros (vijand) .
    1. acc. vr. enk. εχθραν = echthran . Gn 3,15 .
  13. εχθρος = echthros (vijand) . Taalgebruik in het NT : echthros (vijand) .
    1. gen. mann. mv. εχθρων = echthrôn (van de vijanden) . Lc 1,74 .
  14. ηδη = èdè (reeds) . Taalgebruik in het NT : èdè (reeds) . Mc 15,42 .
    1. και ηδη = kai èdè (en reeds) . Mc 15,42 .
    2. ηδη δε = èdè de (reeds echter) . Mc 15,42 .
  15. עֵדֶר = `edèr (kudde) . Taalgebruik in Tenakh : `edèr (kudde) .
  16. אֶדוֹם = ´ëdôm (Edom, rood) . Taalgebruik in Tenakh : ´ëdôm (Edom) . Gn 32,4 .
  17. Ned. : eend . Lat. : anas , anatis . Fr. : canard . In het hiëroglyfisch geeft de eend (dafila acuta) de klankwaarde s' (zoon) aan .
  18. εφιστημι = efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het NT : efistèmi (staan bij) . Lc 2,9 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. επεστη = epestè (hij stond bij) . Lc 2,9 .
  19. εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) . Taalgebruik in het NT : eforaô (kijken op, neerkijken) . Lc 1,25 .
    1. επειδεν = epeiden ( hij keek neer ) < voorzetsel ep' + act. ind. aor. 3de pers. enk. . Lc 1,25 .
  20. אִפְרָיֶם = ´èphërajim (Efraïm) . Taalgebruik in Tenakh : ´èphëraîm (Efraïm) . Gn 48,20.
  21. אֶפְרָתָה = ´èphërâthâh (Efrata) . Taalgebruik in Tenakh : ´èphërâthâh (Efrata) . Gn 48,7 .
    - ┤ŔphŔs (uiteinde) , zie Mi 5,3 .
  22. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. mv. εγειρουσιν = egeirousin (zij wekken) . Mc 4,38 .
    2. act. imperat. 2de pers enk. εγειρε = egeire (sta op) . Mc 2,9 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηγειρεν = ègeiren (hij wekte op) . Lc 1,69 .
      1. ηγειρεν εκ νεκρων = ègeiren ek nekrôn ( Hij wekte op uit de doden ) . 1 Tes 1,10 .
      2. και ηγειρεν = kai ègeiren (en hij wekte op) . Lc 1,69 .
    4. act. ind. aor. 3de pers. mv. ηγειραν = ègeiran (zij wekten) . Mt 8,25 .
    5. pass. ind. fut. 3de pers. enk. εγερθησεται = egerthèsetai (hij zal opgewekt worden) . Mc 13,22 .
      1. εγερθησεται γαρ = egerthèsetai gar (hij zal immers opgewekt worden) . Mc 13,22 .
    6. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) . Mc 16,6 .
      1. ηγερθη εκ νεκρων = ègerthè ek vekrôn (hij werd uit de doden opgewekt) . Mc 6,14 .
      2. εκ νεκρων ηγερθη = ek vekrôn ègerthè (hij werd uit de doden opgewekt) . Mc 6,14 .
    7. pass. ind. fut. 3de pers. mv. εγερθησονται = egerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) . Mc 13,22 .
      1. pass. ind. fut. 3de pers. mv. επεγερθησονται = epegerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) . Mc 13,22 .
    8. pass. ind. perf. 3de pers. enk. εγηγερται = egègertai (hij is opgewekt) . Mc 6,14 .
    9. passief infinitief aorist εγερθηναι = egerthènai (opgewekt zijn) . Mc 14,28 .
    10. passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud εγερθεις = egertheis (ontwaakt, gewekt) . Mt 8,26 .
  23. עֶגֶל = `egèl (kalf) . Taalgebruik in Tenakh : `egèl (kalf) .
    1. dualis אֶגְלַיִמ = ´ègëlajim (de 2 kalveren) .
    2. עֵגְלוֹן =´ègëlôn (Eglon) .
    3. mann. mv. stat. constr. עֶגְלֵי = ´ègële(j) (kalveren van) .
  24. εγγιζω = eggizô (naderen) . Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. εγγιζει = eggizei (hij nadert) . Lc 12,33 .
    2. act. ind. fut. 3de pers. enk. εγγιει = eggiei (hij zal naderbij komen) . Ex 24,2 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. mv. ηγγισαν = èggisan (zij naderden) . Lc 15,1 .
    4. act. part. praes. nom. mann. en vr. mv. εγγιζοντες = eggizontes (naderend) . Lc 15,1 .
  25. - eggus (naderbij) . Bij Matteüs, zie Mt 21,1 .
  26. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1,8 .
    1. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. mann. enk. μου = mou (van mij) . Mc 1,2 . Lc 15,24 .
    2. gen. mann. enk. 1ste pers. enk. εμου = emou (van mij) . Lc 15,31 .
    3. persoonl. voornaamw. 1ste pers. dat. enk. εμοι = emoi . Lc 4,6 . Lc 15,29 .
    4. persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. dat. μοι = moi (aan mij) . Mc 5,9 .
    5. pers. voornaamw. 1ste pers. acc. enk. με = me (mij) . Mc 14,28 .
    6. acc. enk. persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. εμε = eme (mij) . Lc 4,18 .
    7. pers. voornaamw. 2de pers. acc. enk. σε = se (u) . Mc 5,7 .
    8. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. υμας = humas (jullie, u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Mc 14,28 .
  27. egô (ik) . egô (ik) 123X bij Johannes
  28. Latijn : egredi (uitschrijden) .
    1. act. part. aor. nom. mann. enk. egressus (uitgeschreden) . Mc 2,13 .
  29. Ned. : Egypte . Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) . Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) . Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) . D. : Ägypten . E. : Egypt . Fr. : Égypte . Grieks : αιγυπτος . Hebreeuws : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Latijn . Aegyptus .
  30. ει = ei (indien) .
    1. ει τις = ei tis (indien iemand) . Lc 14,26 .
      1. ει τις ερχεται προς = ei tis erchetai pros (indien iemand komt naar) . Lc 14,26 .
  31. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ειδεν = eiden (hij zag) . Mc 2,14 . Lc 5,2 .
      1. ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee) . Lc 5,2 .
      2. ειδεν δε = eiden de (hij zag echter) . Lc 21,2 .
      3. και ειδεν = kai eiden de (en hij zag) . Lc 21,2 .
        1. -
          1. ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee) .
      4. δε ειδεν = de eiden (echter hij zag) . Lc 21,1 .
    2. inf. aor. ιδειν = idein (zien) . Mc 5,32 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) . Lc 17,14 .
      1. ιδων δε = idôn de (gezien echter) . Mc 9,25 .
        1. ιδων δε ὁ ιησους = idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) . Mc 9,25 .
        2. ιδων δε τον ιησουν = idôn de ton ièsoun (gezien echter Jezus) . Mc 5,6 .
      2. και ιδων = kai idôn (en ziende) . Mc 2,5 .
        1. και ὁ ιησους ιδων = kai ho ièsous idôn (en Jezus gezien) . Mc 5,6 .
        2. και ιδων αυτον = kai idôn auton (en hem ziende) . Mc 5,22 .
      3. ιδων αυτον = idôn auton (hem ziende) . Mc 5,22 .
    4. act. part. aor. nom. mann. mv. ιδοντες = idontes (gezien) . Mt 8,34 . Mt 9,11 . Mc 5,16 . Lc 19,7 .
      1. και ιδοντες = kai idontes (en gezien) . Mt 8,34 . Mt 9,11 . Lc 19,7 .
      2. ιδοντες δε = idontes de (gezien echter) . Mt 8,34 . Mt 9,11 . Lc 19,7 .
  32. εικων = eikôn (beeld) . Taalgebruik in het NT : eikôn (beeld) . Kol 1,15 .
    1. acc. mann. enk. εικονα = eikona . Gn 5,3.
  33. Ned. : eiland . Arabisch : الجزيرة = aldzazîra (het eiland) . D. Insel : . E. : isle . Fr. : île . Gr. : νησος = nèsos (eiland) . Taalgebruik in het NT : nèsos (eiland) . Taalgebruik in de LXX : nèsos (eiland) . Hebreeuws : אִי = ´î ( (î) (eiland) . Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland) .
  34. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) . Lc 23,53 .
  35. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) .
    1. act. ind. pr. 2de pers. enk. ει = ei van het werkw. ειμι = eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Mc 1,11 .
    2. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin . Mc 1,27 . Mc 4,41 . Lc 17,1 . Lc 22,19 . Kol 2,17 .
      1. τι εστιν = ti estin (wat is?) . Mc 1,27 .
    3. act. ind. praes. 1ste pers. mv. εσμεν = esmen (wij zijn) . Mc 5,9 .
    4. act. ind. praes. 2de pers. mv. εστε = este (jullie zijn) . Mc 4,40 .
    5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) . Gn 11,30 . Mc 4,36 . Mc 15,39 , Lc 21,37 .
      1. ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) . Lc 1,7 .
      2. ην δε = èn de (hij was echter) . Mc 1,39 . Lc 21,37 .
        1. ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) . Mc 1,23 .
      3. ην εν = èn en (hij was in) . Mc 1,23 .
        1. και ην εν = kai èn en (en hij was in) . Mc 1,23 .
      4. ην γαρ = èn gar (want hij / zij was) . Mc 1,22 .
      5. και ην = kai èn (en hij was) . Mc 1,23 . Mc 1,39 .
        1. και ην εκει = kai èn ekei (en er was daar) . Mc 1,23 .
        2. και ην εν = kai èn en (en hij was in) . Mc 1,23 .
    6. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ησαν = èsan  (zij waren) . Lc 15,1 . Lc 24,10 .
      1. in een omschrijving . Lc 15,1 .
      2. ησαν δε = èsan  de (zij waren echter) . Lc 15,1 .
      3. και ησαν = kai èsan (en zij waren) .
    7. act. ind. fut. 3de pers. mv. εσονται = esontai (zij zullen zijn) .
  36. - eimi (zijn) , zie Mc 1,6 . ousès , zie Joh 20,19 .
    - einde - beëindigen zie teleö
    - eipèis (je zegge). In 2 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,4 .
  37. ειρηνη = eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) .
    1. nom vr. enk. ειρηνη = eirènè / dat. vr. enk. ειρηνῃ = eirènè(i) (vrede) . Lc 24,36 . Ef 1,2 .
      1. ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) . Lc 24,36 .
  38. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Mc 1,14 . Mc 4,37 . Lc 15,13 . Lc 17,11 . Lc 24,47 .
    1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 .
    2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 . Hnd 22,17 .
    3. εις πλοιον = eis ploion (in een boot) . Lc 8,22 .
  39. εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Lc 1,13 .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εισηκουσθη = eisèkousthè (er werd gehoord, hij werd verhoord) . Lc 1,13 .
  40. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) .
    1. ind. aor. 3de pers. enk. εισηλθεν = eisèlthen (hij ging binnen) . Lc 17,27 .
      1. και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . Ex 24,18 . Mc 2,1 .
        1. και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis (en hij ging naar - binnen naar ) . Mc 2,1 .
      2. εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . Ex 24,18 . Mc 2,1 .
      3. εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc 2,1 . Lc 17,27 .
      4. ὁτε εισηλθεν = = hote eisèlthen (toen hij binnenging) . Mc 7,17 .
    2. part. aor. nom. mann. enk. εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) . Mc 2,1 .
      1. και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) . Ex 24,18 . Mc 2,1 .
        1. και εισελθων εις = kai eiselthôn eis (en binnengegaan naar) . Mc 2,1 .
      2. εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) . Ex 24,18 . Mc 2,1 .
        1. εισελθων δε εις = eiselthôn de eis (binnengegaan echter naar) . Mc 2,1 .
      3. εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc 2,1 .
      4. deponent werkw. part. aor. gen. mann. enk. εισελθοντος = eiselthontos (toen hij was binnengegaan) . Mc 6,22 .
    3. -
      1. deponent werkw. qal part. aor. gen. vr. enk. εισελθουσης = eiselthousès (toen zij was binnengekomen) . Mc 6,22 .
    4. part. aor. nom. vr. mv. εισελθουσαι = eiselthousai (binnengegaan) . Mc 16,5 .
  41. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) : Mc 2,1.2.
    - eis tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt 4,12 . In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 .
    - eiseltön eis (binnengegaan in) 6X bij Marcus - eiserchomai (binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3 : Mt 4,1-11 - ekballô (buitenwerpen, buitengooien) bij Marcus, zie Mc 1,12 : Mc 1,12-13
    - eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in het N.T. : eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : poreuomai (zich op weg begeven) .
  42. εκ = ek of εξ = ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Mc 5,2 . Lc 15,4 .
  43. εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen)  . Taalgebruik in het NT : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .
    1. act. part. pr. nom. mann. enk. εκβαλλων = ekballôn (uitwerpend) . Mc 1,39 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξεβαλεν = exebalen (en hij gooide buiten) . Gn 3,24 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. εκβαλων = ekbalôn (uitgeworpen) . Mc 1,39 .
  44. εκχεω = ekcheô / ekchunnô (gieten, vergieten) . Taalgebruik in het NT : ekchunnô (gieten, vergieten) . Lc 22,20 .
    1. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) . Lc 22,20 .
  45. εικηνος (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) .
    1. nom. + dat. vr. enk. εκεινη / εκεινῃ = ekeikè(i) (die) . Mc 4,35 . Lc 2,1 . Joh 20,1 .
  46. εκειθεν = ekeithen . Taalgebruik in het NT : vanhier, vandaar . Mc 6,1 .
    1. και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) . Mc 7,24 .
  47. ekklèsia (kerk) .
  48. εκπλησσομαιι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het NT : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) .
    1. pass. imperf. 3de pers. enk. εξεπλησσeτο = exeplèsseto . Mc 1,22 .
      1. εξεπλησσeτο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèsseto epi tè(i) didachè(i) autou (hij was buiten zichzelf over zijn leer) .
    2. pass. imperf. 3de pers. mv. εξεπλησσοντο = exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf) . Mc 1,22 .
      1. και εξεπλησσοντο = kai exeplèssonto (en zij waren buiten zichzelf) . Mc 1,22 .
        1. και εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = kai exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (en zij waren buiten zichzelf over zijn leer) . Mc 1,22 .
      2. εξεπλησσοντο επι = exeplèssonto epi (zij waren buiten zichzelf over) . Mc 1,22 .
        1. εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (zij waren buiten zichzelf over zijn leer) . Mc 1,22 .
  49. εκπνεω = ekpneô (uitademen, sterven) . Taalgebruik in het NT : ekpneô (uitademen, sterven) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξεπνευσεν = exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) . Mc 15,37 .
  50. εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het NT : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) .
    1. ind. imperf. 3de pers. enk. εξεπορευετο = exeporeueto (en hij begaf zich op weg naar buiten) . Mc 1,5 .
  51. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) . Mc 3,5 .
  52. εκθαμβεομαι = ekthambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Zie het werkw. θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik in het NT : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εξεθαμβηθησαν = exethambèthèsan (zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen) . Mc 16,5 .
  53. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Gn 12,1 . Ex 34,2 .
    1. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) . Voorvoegsel ´el + suffix bezittel. voornaamw. derde persoon mannelijk enkelvoud . Gn 22,1 .
    2. אֵלֶיךָ = ´elè(j)khâ (tot u) < voorzetsel ´el (naar, tot) + suffix tweede persoon mannelijk enkelvoud . Nu 6,25 .
  54. -
    1. אֵלִי = 'elî (mijn God) < het zelfst. naamw . ´el + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Zie : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
    2. אֵל שַׁדַּי = el sjaddaj (´el sjaddaj) . Gn 17,1 .
      1. וְאֵל שַׁדַּי wë´el sjaddaj (en el sjaddaj) . Gn 17,1 .
  55. ελαιον = elaion (olie) . Taalgebruik in het NT : elaion (olie) .
  56. ελαυνω = elaunô (varen, roeien) . Taalgebruik in het NT : elaunô (varen, roeien) . Mc 6,48 .
  57. Jouön 1965 , 88cb : een zelfst. naamw. met een oorspronkelijke a-klinker : qatl-vorm . אֶלֶף = ´èlèph is ontstaan uit אַלף= ´alph . stat. constr. mann. mv. : אַלְפֵי = ´alphe(j) . Het is een zelfst. naamw. dat begint met een larynchaal / gutturaal .
  58. ελεγχω = elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) . Taalgebruik in het NT : elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. enk. ελεγξον = elegkson (wijs terecht) . Mt 18,15 .
  59. elevare (uit-lichten, oplichten, opheffen) . Zie rûm (zich verheffen, opstaan) . Taalgebruik in Tenach : rûm (zich verheffen, opstaan) .
    - elk, ieder, al , zie pas
  60. ελεεω = eleeô (medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) . Taalgebruik in het NT : eleeô (medelijden hebben) .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. enk. ελεησον = eleèson (ontferm je over) . Lc 17,13 .
  61. ελεημοσυνη = eleèmosunè (barmhartigheid) .
    1. acc. vr. enk ελεημοσυνην = eleèmosunèn . Lc 1,72 .
  62. ελεος = eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) . Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) . Ex 20,6 .
    - eleutheria (vrijheid) , zie Gal 5,13 .
    - ´êlîsjä` (Elisa) , zie 1 K 19,19 .
  63. אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit) . Taalgebruik in Tenakh : ´lh .
    1. הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw. ha + aanwijz. voornaamw. . Gn 44,6 .
  64. ελισαβετ = elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Lc 1,5 .
  65. אֱלִישֶׁבַע = ´ëlîsjèbha` < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. אֵלִי = 'elî (mijn God) en misschien sjèbha < שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Lc 1,5 .
  66. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Gn 8 ,1 . Ex 20,1 . Dt 6,14 . Mc 1,1 .
    1. הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) . Gn 22,1 .
      1. אֶל הָאֱלֹהִים = ´èl hâ´èlohîm (tot God) .Ex 19,3 .
    2. וְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < verbindingswoord wë + bepaald lidw. ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Gn 22,1 .
      1. אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) . Ex 24,10 .
        1. אֵת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´eth ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) . Ex 24,10 .
    3. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Ex 20,2 . Ex 20,5 . Ex 20,7 . Ex 20,10 . Ex 20,12 . Dt 6,13 .
      1. אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (jouw God, die) . Ex 20,2 . Ex 20,5 .
    4. אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´èlohîm ´ächerîm (andere goden) . Ex 20,3 . Dt 6,14 .
    5. אֱלֹהֵינוּ = ´è:lohe(j)nû (onze God) . Dt 6,4 .
    6. אֱלֹהֶיכֶם = ´êlohe(j)khèm (jullie God) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. mv. . Dt 11,13 .
      1. אֶת יהוה אֱלֹהֶיכֶם = ´èth JHWH ´êlohe(j)khèm (JHWH, jullie God) . Dt 11,13 .
    7. בֵּאלֹהֵי יִשְׁעִי = be´lohe(j)jisj`î ( in de god van mijn redder) . Lc 1,47 .
  67. εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) . Taalgebruik in het NT : embainô (inklimmen) . Mc 5,18 .
    1. actief part. praes. gen. mann. enk. εμβαινοντος = embainontos (terwijl hij instapt) . Mc 5,18 .
      1. και εμβαιντος = embaintos (terwijl hij instapt) . Mc 5,18 .
      2. εμβαινοντος αυτου = embainontos (terwijl hij instapt) . Mc 5,18 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ενεβη = enebè (hij stapte in) . Jon 1,3 .
      1. και ενεβη = kai enebè (en hij stapte in) . Jon 1,3 .
      2. ενεβη εις = enebè eis (hij stapte in) . Jon 1,3 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. εμβας = embas (ingestapt) . Lc 5,3 .
      1. εμβας εις = embas eis (ingestapt in) . Lc 5,3 .
        1. εμβας δε εις = embas de eis (ingestapt echter in) . Lc 5,3 .
      2. act. part. aor. gen. mann. enk. εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) . Mc 5,18 .
        1. και εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) . Mc 5,18 .
        2. εμβαντος αυτου = embantos (terwijl hij instapte) . Mc 5,18 .
      3. actief part. aor. acc. mann. enk. εμβαντα = embanta (inklimmende) .
    4. act. inf. aor. εμβηναι = embènai (om in te stappen) . Mc 6,45 .
  68. εμφοβος = emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd) .
    1. nom. mann. mv. εμφοβοι = emfoboi (bevreesd) . Lc 24,37 .
  69. - ´èlohîm (God) , zie Ps 42,2 . Betekenis : (1)
    - èlthen (hij / zij kwam) 12X bij Marcus - èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 . In 8 verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b . (2) Mt 7,25 . (3) Mt 7,27 . (4) Mt 9,13 . (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b . (6) Mt 10,35 . (7) Mt 14,34 . (8) Mt 21,1 . Jezus en zijn leerlingen : (7) Mt 14,34 . (8) Mt 21,1 . Jezus als 1ste persoon enkelvoud: Jezus en zijn leerlingen : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b . (4) Mt 9,13 . (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b . (6) Mt 10,35 . - elthôn (gegaan, gekomen), zie Mt 8,14 . In 14 verzen bij Matteüs . (1) Mt 2,8 . (2) Mt 2,9 . (3) Mt 2,23 . (4) Mt 4,13 . (5) Mt 5,24 . (6) Mt 8,7 . (7) Mt 8,14 . (8) Mt 9,18 . (9) Mt 9,23 . (10) Mt 13,54 . (11) Mt 16,13 . (12) Mt 24,46 . (13) Mt 25,27 . (14) Mt 26,43 . - elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14 .
  70. ´èmeth (waarheid, trouw) , zie Ps 111,5 .
    - empaizô (zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc 22,63 .
  71. εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) . Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ενεπλησεν = eneplèsen (hij vervulde, overlaadde) .
  72. εμπροσθεν = emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het NT : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Lc 19,4 .
    - emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen , zie Js 50,6 .
  73. Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .
  74. εν = en (in, tijdens, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Mc 1,2 . Lc 1,5 . Lc 5,1 . Lc 8,22 . Lc 15,25 . Lc 17,6 . Lc 18,35 . Lc 21,6 . Lc 24,4 . 1 Tes 1,1 .
    1. εν μιᾳ = en mia(i) (op één) . Lc 8,22 .
      1. εν μιᾳ των = en mia(i) tôn (op één van) . Lc 8,22 .
        1. εν μιᾳ των ἡμερων = en mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) . Lc 8,22 .
        2. εν μιᾳ των συναγωγων = en mia(i) tôn sunagôgôn(op één van de sabbatten) . Lc 13,10 .
    2. εν τῃ = en tè(i) . Mc 1,23 .
    3. εν ταις = en tais (in... ) . Lc 1,5 .
      1. εν ταις ἡμεραις = en tais hèmerais (in de dagen) . Lc 1,5 .
    4. εν τῳ = en tô(i) . Lc 5,1 . Lc 18,35 .
      1. εν δε τῳ = en de tôi + infinitief .
  75. - en (in) . en de tôi + infinitief , zie Mt 13,25 .
    - en (nevenschikkend voegwoord) zie kai
    - enanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) .
    - enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het N.T. : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) .
  76. ενδεχομαι = endechomai (aanvaarden, aannemen, ontvangen) . Lc 17,1 .
  77. ενδεχομενως = endechomenôs (aannemelijk, aanvaardbaar) . Lc 17,1 .
    - enduô (aantrekken, bekleden) , zie Lc 24,49 .
  78. ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) . Taalgebruik in het NT : enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ενειχεν = eneichen (hij / zij had het gemunt op) . Mc 6,19 .
  79. ενειλεω = eneileô (inwikkelen) . Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) . Lc 23,53 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ενειλησεν = eneilèsen (hij wikkelde in) . Mc 15,46 . Lc 23,53 .
  80. ενωπιον = enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Lc 24,43 .
    1. ενωπιον αυτου = enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc 24,43 .
    2. ενωπιον αυτων = enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc 24,43 .
  81. entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20 .
  82. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) . Lc 23,53 .
  83. εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) . Taalgebruik in de Bijbel : entulissô (inwikkelen) . Lc 23,53 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. ενετυλιξεν = enetulixen (hij wikkelde in) . Mc 15,46 . Lc 23,53 .
  84. ενυπνιαζω = enupniazô (indromen) . Lc 8,23 .
  85. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρεν = epèren (hij hief op) . Lc 24,50 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. επαρας = eparas (opgeheven) . Gn 13,10 . Lc 24,50 .
  86. επαναγω = epanagô (opvaren) . Taalgebruik in het NT : epanagô (opvaren) . Lc 5,3 .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. enk. επαναγαγε = epanagage . Lc 5,4 .
    2. act. inf. aor. επαναγαγειν = epanagagein . Lc 5,3 .
  87. epanô (bovenop. 8X bij Matteüs)
  88. επαυριον = epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) . Taalgebruik in het NT : epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) .
    1. τῃ επαυριον = tè(i) epaurion ('s anderendaags) . Joh 1,43 .
  89. επερχομαι = eperchomai (komen op) . Taalgebruik in het NT : eperchomai (komen op) . Lc 1,35 .
    1. ind. fut. 3de pers. enk. επελευσεται = epeleusetai (hij zal komen over) . Lc 1,35 .
  90. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. επηρωτα = epèrôta (hij ondervroeg) . Mc 5,9 .
      1. και επηρωτα = kai epèrôta (en hij ondervroeg) . Mc 5,9 .
      2. επηρωτα αυτον = epèrôta auton (hij vroeg hem uit) . Mc 5,9 .
    2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. επηρωτων = epèrôtôn (zij vroegen op) . Lc 22,64 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. enk. επηρωτησεν = epèrôtèsen (hij ondervroeg) . Lc 18,40 .
      1. και επηρωτησεν = kai epèrôtèsen (en hij ondervroeg) . Lc 18,18 .
      2. επηρωτησεν αυτον = epèrôtèsen auton (hij ondervroeg hem) . Lc 18,40 .
    4. act. ind. aor. 3de pers. mv. επηρωτησαν = epèrôtèsan (zij vroegen) . Mt 12,10 .
      1. επηρωτησαν αυτον = epèrôtèsan auton (zij vroegen hem) . Lc 21,7 .
        1. και επηρωτησαν αυτον = kai epèrôtèsan auton (en zij vroegen hem) . Lc 21,7 .
        2. επηρωτησαν δε αυτον = epèrôtèsan de auton (zij echter vroegen hem) . Lc 21,7 .
    5. act. inf. aor. επερωτησαι = eperôtèsai (om te ondervragen) . Mc 12,34 .
  91. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Mc 16,2 . Lc 1,35 . Lc 4,18 . Lc 15,4 . Lc 21,6 . Lc 24,1 .
    1. επ' εμε = ep' eme (over mij) . Lc 4,18 .
    2. επι το = epi to . Mc 16,2 . Lc 15,4 .
      1. επι το μνημειον = epi to mnèmeion (op / naar het grafmonument) . Lc 24,12 .
    3. επι τῃ = tè(i) (de) . Mc 1,22 .
    4. επι τῳ = epi tô(i) (op de) . Lc 21,8 .
      1. επι τῳ ονοματι = epi tôi onomati (bij de naam van) . Lc 21,8 .
        1. επι τῳ ονοματι μου = epi tôi onomati mou (bij mijn naam) . Lc 21,8 .
  92. επιβαλλω = epiballô ('op-werpen', overvallen) . Taalgebruik in het NT : epiballô (op-werpen , over-vallen) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. επεβαλλεν = epeballen (hij viel op , hij overviel) . Mc 4,37 .
  93. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) . Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. επεβλεψεν = epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) . Lc 1,48 .
      1. επεβλεψεν επι = epeblepsen epi (hij keek naar) . Lc 1,48 .
    2. επεβλεψα επι = epeblepsa epi (ik keek naar) . Lc 1,48 .
  94. επιφαινω = epifainô (tonen, laten zien, ten toon spreiden) . Taalgebruik in de Bijbel : epifainô (tonen,laten zien, ten toon spreiden) .
    1. act. inf. aor. επιφαναι = epifanai . Nu 6,25 .
  95. επιγιγνωσκω = epigignôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in het NT : epigignôskô (leren kennen, begrijpen) .
    1. act. part. aor. nom. mann. mv. επιγοντες = epignontes (begrepen hebbende) . Mc 6,54 .
  96. επικειμαι = epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Taalgebruik in het NT : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) . Lc 5,1 .
    1. inf. praes. επικεισθαι = epikeisthai . Lc 5,1 .
  97. epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in het N.T. : epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in Mc : epipiptô (vallen op, opdringen) .
  98. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) . Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken) .
    1. ind. fut. 3de pers. enk. επισκεψεται = episkepsetai (hij zal naar ons omkijken) . Lc 1,78 . PJ 1,4 .
    2. ind. aor. 3de pers. enk. επεσκεψατο = epeskepsato (hij zag om) . Gn 21,1 . Lc 1,68 .
      1. ὁτι επεσκεψατο = hoti epeskepsato (omdat hij omzag) . Gn 21,1 . Lc 1,68 .
  99. επιστατης = epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in het NT : epistatès (bijstaander, meester) .
    1. voc. mann. enk. επιστατα = epistata (bijstaander) . Lc 17,13 .
  100. επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) .
    1. act. imperat. aor. 2de pers. mv. επιστρεψατε = epistrepsato (keert jullie toe) . Js 46,8 .
    2. act. imperat. aor. 2de pers. mv. επιστραφητε = epistrafète (keert jullie toe) . Hnd 3,19 .
  101. επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : epitassô (opdragen, bevelen) . Mc 1,27 . Lc 8,25 .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. επιτασσει = epitassei (hij beveelt) . Mc 1,27 . Lc 8,25 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. επεταξεν = epetaksen (hij beval) . Mc 6,27 .
  102. επιτιθημι = epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in het NT : epitithèmi (opleggen) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. επιτιθησιν = epitithèsin . Lc 15,5 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. επεθηκεν = epethèken (hij legde op) . Lv 8,9 .
  103. επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Mt 8,27 . Mc 4,39 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. επετιμα = epetima (hij beval) . Mc 3,12 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. επετιμησεν = epetimèsen (hij beval) . Mt 8,27 . Mc 1,25 . Mc 4,39 .
      1. επετιμησεν αυτῳ = epetimèsen autô(i) (hij beval hem) . Mc 1,25 .
        1. και επετιμησεν αυτῳ ὁ ιησους = kai epetimèsen autô(i) ho ièsous (en Jezus beval hem) . Mc 1,25 .
      2. επετιμησεν αυτοις = epetimèsen autois (hij deed een beroep op hun eer) . Mc 5,43 .
        1. και επετιμησεν αυτοις = kai epetimèsen autois (en hij deed een beroep op hun eer, hij droeg op) . Mc 5,43 .
    3. act. imperat. aor. 2de pers. enk. επιτιμησον (vermaan) . Lc 17,3 .
  104. επιτρεπω = epitrepô (overlaten, toevertrouwen) . Taalgebruik in het NT : epitrepô (overlaten, toevertrouwen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. επετρεψεν = epetrepsen (hij stond toe) . Mc 5,13 .
      1. επετρεψεν αυτοις = epetrepsen autois (hij stond hen toe) . Mc 5,13 .
  105. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) . Mc 14,32 . Lc 14,26 .
      1. ερχεται εις = erchetai eis (hij gaat naar) . Mc 3,20 .
        1. ερχεται εις την = erchetai eis tèn (hij ging naar de) . Mc 6,1 .
        2. ερχεται εις τον = erchetai eis ton (hij gaat naar de) . Mc 6,1 .
        3. ερχεται εις το = erchetai eis to (hij gaat naar het) . Mc 6,1 .
        4. ερχεται εις τα = erchetai eis ta (hij gaat naar de) . Mc 6,1 .
      2. ερχεται προς = erchetai pros (hij gaat naar) . Mc 6,48 .
        1. ερχεται προς αυτους = erchetai pros autous (hij gaat naar hen) . Mc 6,48 .
      3. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) . Mc 1,40 .
        1. και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar) . Mc 3,20 .
        2. και ερχεται και = kai erchetai kai (en hij gaat en , en hij komt en ) . Mc 14,37 .
        3. και ερχεται προς = kai erchetai pros (en hij gaat naar) . Mc 1,40 .
          1. και ερχεται προς αυτον = kai erchetai pros auton (en hij gaat naar hem) . Mc 1,40 .
    2. ind. praes. 3de pers. mv. ερχονται = erchontai (zij gaan) . Mc 14,32 . Mc 16,2 .
      1. ερχονται επι = erchontai epi (zij gaan naar) . Mc 16,2 .
        1. ερχονται επι το μνημειον = = erchontai epi to mnèmeion (zij gaan op het graf) . Mc 5,15 .
      2. ερχονται προς = erchontai pros (zij gaan naar) . Mc 5,15 .
        1. ερχονται προς αυτον = erchontai pros auton (zij gaan naar hem) . Mc 2,3 .
        2. ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) . Mc 5,15 .
      3. και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) . Mc 5,15 .
        1. και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar) . Mc 3,20 . Mc 11,27 .
        2. και ερχονται προς = kai erchontai pros (en zij gaan naar) . Mc 5,15 .
    3. ind. imperf. 3de pers. enk. ηρχετο = èrcheto (hij ging) . Mc 2,13 .
    4. ind. fut. 3de pers. mv. ελευσονται = eleusontai (zij zullen komen) . Lc 21,8 .
    5. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) . Mc 1,14 . Lc 15,20 .
      1. και ηλθεν = kai èlthen (en hij kwam / ging) . Mc 1,39 .
      2. ηλθεν δε = èlthen de (hij kwam / ging echter) . Mc 1,39 .
      3. ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) . Joh 5,1 .
    6. ind. aor. 3de p. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) . Mc 5,1 .
      1. και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen) . Mc 5,1 .
        1. και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar) . Mc 5,1 .
      2. ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar) . Mc 5,1 .
    7. imperat. aor. 3de pers. enk. ελθετω = elthetô (kome) . Mt 6,10 .
      1. ελθετω ἡ = elthetô hè (kome de) . Mt 6,10 .
        1. ελθετω ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk kome) . Mt 6,10 .
    8. inf. aor. ελθειν = elthein (om te gaan / komen) . Lc 17,1 .
      1. ελθειν τα σκανδαλα = elthein ta skandala (de hindernissen te komen) . Lc 17,1 .
    9. part. praes. nom. mann. enk. ερχομενος = erchomenos (komende) . Lc 15,25 .
    10. part. aor. nom. mann. enk. ελθων = elthôn (gekomen) . Mt 9,18 .
    11. act. part. aor. nom. vr. enk. ελθουσα = elthousa . Mc 5,27 .
  106. עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Gn 1,5 . Mc 15,42 .
    1. וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond) . Mc 1,32 .
    2. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Mc 1,32 .
      1. וַיְהִי בָעֶרֶב = wajëhî bâ`èrèbh (en het gebeurde in de avond) . Gn 1,5 .
  107. ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in NT : erèmos (woestijn) . Js 64,9 .
    1. dat. vr. enk. ερημῳ = erèmô(i) . Mc 1,3 . Lc 4,1 .
      1. εν τῃ ερημῳ = en tè(i) erèmô(i) (in de woestijn) . Mc 1,3 . Lc 4,1 . Lc 15,4 .
    2. acc. vr. enk. ερημον = erèmon (woestijn) . Mc 6,31 .
      1. εις ερημον = eis erèmon (naar een eenzame plaats) . Mc 6,31 .
      2. εις την ερημον = eis tèn erèmon (naar de woestijn) . Mc 6,31 .
  108. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) .
    1. nom. mann. enk. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Gn 1,24 . Lv 25,9
    2. אַרְצָה = ´arëtsâh (naar het land) . Gn 12,5 .
    3. אַרְצְכֶם = ´arëtsëkhèm (jullie land) : a-r-ts + pers. voornaamw. 2de pers . mv. . Lv 25,9 . Dt 11,14 .
    4. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Gn 12,7 . Lv 19,23 .
      1. אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land) . Lv 19,23 . Mc 4,31 .
        1. תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23 .
          1. כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23 .
          2. וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) . Lv 19,23.
        2. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr (naar het land dat) . Gn 12,1 .
          1. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יהוה = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr JHWH . Dt 18,9 .
      2. עַל הָאָרֶץ = `al hâ´ârèts (op de aarde) . Mt 6,19 .
      3. אֵת הָאָרֶץ = ´eth hâ´ârèts (het land) . Gn 1,1 . Gn 12,7 .
        1. אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת = ´èth hâ´ârèts hazzo´th (dit land) . Gn 12,7 .
          1. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr (het land dat) . Dt 4,1 .
          2. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר אֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba` (het land dat Hij zwoer) . Dt 1,8 .
          3. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיכֶם נֹתִן לָכֶם = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khèm nothen lâkhèm (het land dat JHWH, jullie God, jullie gevende) . Dt 4,1 .
            1. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lâkh (het land dat JHWH, je God, je gevende) . Dt 4,1 .
            2. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lëkhâ (het land dat JHWH, je God, je gevende) . Dt 4,1 .
        2. וְאִת הָאָרֶץ = wë´eth hâ´ârèts (en het land) . Gn 1,1 .
    5. וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < wë + bepaald lidw. ha + ´èrèts (land, aarde) . Lv 19,23 .
    6. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) . Lv 25,9 .
      1. בְּאַרְצְךָ = bë´arë tsëkhâ (in jouw land) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . . Lv 25,9 .
      2. בְּאַרְצְכֶם = bë´arëtsëkhèm (in jullie land) : prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. a-r-ts + bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. . Lv 25,9 .
    7. לָאָרֶץ = lâ´ârèts (voor de aarde) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Lv 25,9 .
    8. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) . Ex 12,51 . Ex 20,2 . Lv 25,9 . Dt 6,12 .
      1. מֵאַרְצְךָ = me´arëtsëkhâ (uit je land) < voorzetsel min (uit) , zelfstandig naamwoord אֶרֶץ = ´èrèts (land) en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud khâ . Gn 12,1 .
      2. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) . Ex 20,2 . Dt 6,12 .
        1. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם מִבֵּית עֲבָדִים = me´èrèts mitsërâjim mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het land Egypte, uit het huis van de dienaren ) . Ex 20,2 . Dt 6,12 .
  109. - èrxato (hij begon) , zie Mc 1,45 . In 18 verzen bij Marcus . - èrxato (hij begon). In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,17 .
  110. ερευναω = ereunaô (zoeken, onderzoeken, zoeken te kennen, zoeken te begrijpen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηρευωησε = èreunèsen (hij zocht) . PJ 1,1 .
  111. ερωταω = erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het NT : erôtaô .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) . Mc 7,26 .
      1. και ηρωτα = kai èrôta (en hij / zij vroeg) . Mc 7,26 .
        1. και ηρωτα αυτον = kai èrôta auton (en hij / zij vroeg hem) . Mc 7,26 .
          1. και ηρωτα αυτον ἱνα = kai èrôta auton hina (en hij / zij vroeg hem opdat) . Mc 7,26 .
  112. עֵשֶׂב = `eshèbh (kruid) . Taalgebruik in Tenakh : `eshèbh (kruid) . Gn 1,11 .
  113. אֵש = ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) . Dt 4,24 .
    1. אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) . Dt 4,24 .
  114. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. εσθιει = esthiei (hij eet) . συνεσθιει = sunesthiei (hij eet samen met) . Lc 15,2 .
    2. act. ind praes. 3de pers. mv. εσθιουσιν = esthiousin (zij eten) . Mc 7,28 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. enk. εφαγεν = efagen (hij at) . Mc 2,26 .
    4. act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv. εφαγον = efagon (zij aten) . Mc 6,42 .
      1. και εφαγον = kai efagon (en zij aten) . Mc 6,42 .
      2. εφαγον παντες = efagon pantes (allen aten) . Mc 6,42 .
    5. act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) . Mc 3,20 . Lc 9,13 .
      1. δοτε αυτοις ὑμεις φαγειν = dote autois humeis fagein (geeft jullie aan hen te eten) . Of jullie moeten hen geven te eten . Mc 6,37 .
    6. med. futurum 2de pers. mv. φαγεσθε = fagesthe (jullie zullen eten) . Gn 9,4 .
  115. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Lv 25,3 .
    1. nom. + acc. onz. mv. ετη = etè (jaren) . Lv 25,3 .
  116. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Gn 1,1 . Ex 20,11 .
    1. וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) . Ex 20,1 .
    2. אֶת יהוה = ´èth JHWH (JHWH) . Dt 6,13 .
    3. אִתּוֹ = iththô (met hem) < voorzetsel ´eth + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 12,4 .
    4. accusatief + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. אֶתְכֶם = ´èthëkhèm (jullie) . Dt 11,13 .
    5. accusatief + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. mv. אֹתָם = ´othâm (hen) . OF : persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. mv. אַתֶּם = ´aththèm (jullie) . Zie : אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) . Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) . Dt 11,18 .
  117. `eth (tijd) . Taalgebruik in Tenach : `eth (tijd) .
    - etos (tijd) , zie Lc 3,1 .
  118. ευαγγελιζομαι = euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) .
    1. inf. aor. ευαγγελισασθαι = euaggelisasthai (om de goede boodschap te brengen) . Lc 4,18 .
  119. ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Gal 2,2 .
    1. nom. + acc. onz. enk. ευαγγελιον = euaggelion (evangelie) . Mc 1,14 .
      1. το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (de goede boodschap van God) . Mc 1,14 . 1 Tes 3,2 .
      2. ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) . Mc 1,14 . 1 Tes 3,2 .
      3. το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) . Mc 1,14 . 1 Tes 3,2 .
      4. το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . 1 Tes 3,2 .
    2. gen. onz. enk. ευαγγελιου = euaggeliou (van het evangelie) . Mc 1,1 .
      1. ευαγγελιου ιησου = euaggeliou ièsou (van het evangelie van Jezus) . Mc 1,1 .
      2. του ευαγγελιου του χριστου = tou euaggeliou tou christou (van het evangelie van Christus) . Mc 1,1 .
      3. του ευαγγελιου της δοξης του χριστου = tou euaggeliou tès doksès tou christou (van het evangelie van Christus) . Mc 1,1 .
    3. dat. onz. enk. ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) . Mc 1,15 .
      1. τῳ ευαγγελιῳ = tô(i) euaggeliô(i) . Mc 1,15 . 1 Tes 3,2 .
        1. τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = tôi euaggeliôi tou christou (aan het evangelie van Christus) . Mc 1,15 .
        2. τῳ ευαγγελιῳ του κυριου ἡμων ιησου = tôi euaggeliôi tou kuriou hèmôn ièsou (aan het evangelie van onze Heer Jezus) . Mc 1,15 .
        3. τῳ του θεου ευαγγελιῳ = tô(i) tou theou euaggeliô(i) (aan het evangelie van God) . Mc 1,15 .
        4. εν τῳ ευαγγελιῳ = en tô(i) euaggeliô(i) (in het evangelie) . Mc 1,15 . 1 Tes 3,2 .
          1. εν τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = en tôi euaggeliôi tou christou (in het evangelie van Christus) . 1 Tes 3,2 .
          2. εν τῳ ευαγγελιῳ του υἱου αυτου = en tôi euaggeliôi tou huiou autou (in het evangelie van zijn zoon) . Mc 1,15 .
  120. ευχαριστεω = eucharisteô (danken) . Taalgebruik in het NT : eucharisteô (danken) . Lc 22,17 .
    1. actief indicatief praesens 1ste persoon meervoud ευχαριστουμεν = eucharistoumen (wij danken) . Kol 1,3 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. ευχαριστησας = eucharistèsas (gedankt) . Lc 22,17 .
      1. ευχαριστησας εκλασεν = eucharistèsas eklasen (gedankt brak hij) . Lc 22,19 .
        1. ευχαριστησας εκλασεν και εδωκεν = eucharistèsas eklasen kai edôken (gedankt brak hij en gaf hij) . Lc 22,19 .
  121. ευδεχομαι = eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen) . Taalgebruik in het NT : eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen) .
  122. ευδοκεω = eudokeô (instemmen, een welbehagen vinden in) . Taalgebruik in het NT : eudokeô (instemmen, een welbehagen vinden in) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ευδοκησεν = eudokèsen (hij vond welbehagen in) . Gal 1,15 .
      1. ευδοκησεν (...) ὁ = eudokèsen (hij vond welbehagen in) .
        1. ευδοκησεν (...) ὁ θεος = eudokèsen theos (God vond welbehagen in) .
  123. ευδοκια = eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid) . Taalgebruik in het NT : eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid, welbehagen) .
    1. gen. vr. enk. ευδοκιας = eudokias (van welbehagen) . Lc 2,14 .
  124. ευλογεω = eulogeô (zegenen, goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) .
    1. act. ind. fut. 2de pers. mv. ευλογησετε = eulogèsete (jullie zullen zegenen) . Nu 6,23 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ευλογησεν = eulogèsen (hij zegende) . Lc 9,16 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηυλογησεν = èulogèsen (hij zegende) . Gn 1,22 .
    4. inf. praes. ευλογειν = eulogein (te zegenen) . Lc 24,51 .
    5. act. part. aor. nom. mann. enk. ευλογησας = eulogèsas (zegenend) . Lc 24,50 .
    6. act. optat. aor. 3de pers. enk. + act. inf. aor. ευλογησαι = eulogèsai (dat hij zegene) . Nu 6,24 .
        1. ευλογησαι σε κυριος = eulogèsai se kurios (de Heer zegene je) . Nu 6,24 .
        2. ὁ δε θεος μου ευλογησαι σε = ho de theos mou eulogèsai se (en mijn God zegene je) . Nu 6,24 .
    7. act. part. praes. nom. mann. enk.  ευλογων = eulogôn (zegenend) . Lc 1,64 .
    8. actief participium nominatief mannelijk meervoud ευλογουντες = eulogountes (lofprijzend) . Lc 24,53 .
  125. eulogeô (goed zeggen, prijzen), zie Lc 24,53
  126. nom. mann. enk. ευλογητος = eulogètos (zegenend, zegenaar) . Taalgebruik in het NT : eulogètos (gezegend) . Lc 1,68 .
    1. ευλογητος κυριος = eulogètos kurios (gezegend JHWH) . Lc 1,68 .
      1. ευλογητος κυριος ὁ θεος = eulogètos kurios ho theos (gezegend de Heer de God van) . Lc 1,68 .
  127. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ; bijwoord : εὐθέως = eutheôs ; zie euthunô : recht maken , richten . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Mc 1,10 .
    1. και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk) .Mc 1,23 .
  128. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) . Ex 12,51 . Lc 24,50 .
      1. εξηγαγεν ἡμας = exagègen hèmas (hij leidde ons uit) . Dt 6,21 .
        1. και εξηγαγεν ἡμας = kai exagègen hèmas (en hij leidde ons uit) . Dt 6,21 .
    2. act. imperat. aor. 3de pers. enk. εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) . Gn 1,20 .
    3. act. inf. aor. εξαγαγειν = exagagein (naar buiten te leiden) . Js 42,7 .
  129. eξαιρω = exairô .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξηρεν = eksèren (hij strekte uit) . Lc 24,50 .
    2. εξαρας = exaras (uitgeheven, uitgestrekt) . Lv 9,22 .
  130. εξανιστημι = exanistèmi (opstaan) . Lc 22,46 .
    1. act. part. aor. nom. mann. mv. εξανασταντες = exanastantes (opstaande) . Lc 22,46 .
  131. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
    1. ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) . Mc 1,26 . Lc 5,27 . Lc 8,35 .
      1. εξηλθεν εκειθεν = exèlthen (hij ging vandaar uit) . Mc 6,1 .
        1. εξηλθεν εκειθεν και = exèlthen ekeithen kai (hij ging vandaar uit en) . Mc 6,1 .
      2. εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) . Joh 5,1 .
      3. εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) . Mc 2,13 .
      4. και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit) . Mc 2,13 .
        1. και εξηλθεν εκειθεν = kai exèlthen (en hij ging vandaar uit) . Mc 6,1 .
        2. και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) . Mc 2,13 .
        3. και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . Mc 2,13 .
      5. εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit) . Mc 2,13 .
    2. imperat. aor. 2de pers enk. εξελθε = exelthe (ga uit) . Mc 1,25 . Mc 5,8 . Lc 5,8 .
    3. med. part. aor. nom. mann. enk. εξελθων = exelthôn (uitgegaan) . Mc 1,45 .
      1. ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Mc 2,13 .
      2. και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) . Mc 2,13 .
      3. part. aor. gen. mann. enk.  εξελθοντος = exelthontos . Mc 5,2 .
        1. εξελθοντος αυτου = exelthontos autou (nadat hij was uitgegaan) . Mc 5,2 .
    4. med. part. aor. nom. vr. enk. εξελθουσαι = exelthousai (uitgegaan) . Mc 6,24 .
    5. part. aor. gen. mann. mv.  εξελθοντων = exelthontôn  . Mc 6,54 .
      1. εξελθοντων αυτων = exelthontôn autôn (toen zij uitgegaan waren) . Mc 6,54 .
  132. εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken) . Taalgebruik in het NT : existamai (buiten zichzelf zijn , (ontsteld / ontzet zijn) . Lc 2,47 .
    1. ind. imperf. 3de pers. meerv. εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) . Lc 2,47 .
    2. ind. aor. 3de pers. enk. εξεστη = exestè (hij was buiten zichzelf) . Mc 3,21 .
  133. existamai (buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc 16,8 .
  134. εξεστιν = exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het NT : exestin (het is toegelaten) . Mc 3,4 .
  135. εξουσια = exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) .
    1. acc. vr. enk. εξουσιαν = exousian (macht, gezag) . Mc 1,22 .
      1. εχειν εξουσιαν = echein exousian (om macht te hebben) . Mc 3,15 .
      2. εξουσιαν εχειν = exousian echein (om macht te hebben) . Mc 3,15 .
      3. εξουσιαν εχων = exousian echôn (macht, gezag hebbende) . Mc 1,22 .
      4. εδιδου αυτοις εξουσιαν = edidou autois exousian (hij gaf hen macht) . Mt 10,1 .
      5. εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) . Mt 10,1 .
        1. εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen macht) . Mt 10,1 .
      6. εξουσιαν πνευματων = exousian pneumatôn (macht over geesten) . Mc 3,15 .
      7. εξουσιαν των = exousian tôn (macht over de) . Mc 3,15 .
        1. εξουσιαν των πνευματων = exousian tôn pneumatôn (macht over de geesten) . Mc 3,15 .
  136. εξω = exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Lc 24,50 .
    - exousia (macht) bij Marcus, zie Mc11,27 : Mc 11,27-33 . - exousia (macht), zie Mt 28,18 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


F
  1. Arabisch : فَدَى = fadâ (loskopen, vrijkopen) . Taalgebruik in de Qoran : fada (loskopen, vrijkopen) . Lc 1,68 .
  2. nom. mann. mv. φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het NT : Pharisaioi (Farizeeën) . Lc 15,2 .
  3. φατνη = fatnè (krib, ruif) . Lc 23,53 .
    1. dat. vr. enk. φατνῃ = fatnè(i) . Lc 2,12 .
      1. εν φατνῃ = en fatnè(i) = in een krib, voederbak . Lc 2,12 .
  4. εφανερωσεν = efanerôsen (hij openbaarde zich) . Joh 21,1 .
  5. φανερος = faneros (zichtbaar, bekend) .
    1. acc. mann. + onz. enk. φανερον . Mc 3,12 .
  6. φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het NT : Pharisaioi (Farizeeën) .
    1. nom. mann. mv. φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) . Lc 15,2 .
      1. και (οἱ) φαρισαιοι = kai (hoi) farisaioi (en 'de' Farizeeën) . Lc 2,12 .
      2. φαρισαιοι και = farisaioi kai (Farizeeën en) . Lc 2,12 .
      3. γραμματεις και φαρισαιοι = grammateis kai farisaioi (schriftgeleerden en Farizeeën) . Lc 15,2 .
      4. οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) . Lc 15,2 .
      5. οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) . Lc 15,2 .
      6. οἱ δε φαρισαιοι και νομικοι = hoi de farisaioi kai hoi nomikoi (de Farizeeën echter en de wetgeleerden) . Lc 15,2 .
  7. Farisaioi (Farizeeën) , zie Mc 2,18 . Eveneens : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11 .
  8. φειδομαι = feidomai . Taalgebruik in het NT : feidomai (sparen) .
    1. ind. aor. 2de pers. enk. εφεισω = efeisô (jij spaarde) . Gn 22,16 .
    2. ind. aor. 3de pers. enk. εφεισατο = efeisato (hij spaarde) . Rom 8,32 .
  9. fèmè (faam) . Taalgebruik in het N.T. : fèmè (faam) . Taalgebruik in Lc : fèmè (faam) .
  10. φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εφερον = eferon (zij droegen) .
    2. act. part. praes. nom. mann. mv. φεροντες = ferontes (dragende) . Mc 2,3 .
    3. act. part. praes. nom. vr. mv. φερουσαι = ferousai (dragende) . Lc 24,1 .
  11. Grieks : φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) . Lat. : ferre . por-tare (f / p) . Frans : porter . Italiaans : portare . Ned. : bre-n-gen (p / b) . D. : bringen . E. : to bring .
    - feugô (vluchten), zie Mc 16,8 .
  12. Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .
    - filippos (Filippos) . Taalgebruik in het N.T. : filippos (Filippus) . Taalgebruik in Mc : filippos (Filippus) .
  13. φιμοω = fimoô (muilkorven, mond snoeren) . Taalgebruik in het NT : fimoô (muilkorven, mond snoeren) .
    1. passief imperat. aor. 2de pers. enk. φιμωθητι = fimôthèti (wees gemuilkorfd) . Mc 1,25 .
  14. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
    1. ind. imperf. 3de pers. mv. εφοβουντο = efobounto (zij vreesden) . Mc 16,8 .
    2. -
      1. μη φοβου = mè fobou (vrees niet) . Lc 1,13 .
    3. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv.  φοβεισθε = fobeisthe (vreest) . Lc 2,10 .
      1. μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet) . Lc 1,13 . Lc 2,10 .
    4. pass. part. praes. nom. mann. enk. φοβουμενος = foboumenos (vrezend) . Gal 2,12 .
    5. ind. aor. 3de pers. mv. εφοβηθησαν = efobèthèsan (zij vreesden) . Mc 4,41 . Mc 5,15 .
      1. και εφοβηθησαν φοβον μεγαν = kai efobèthèsan (en zij vreesden) fobon megan (een grote vrees) . Mc 4,41 .
    6. pass. part. aor. nom. mann. mv. φοβηθεντες = fobèthentes (bevreesd) . Lc 8,25 .
  15. φοβος = fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in het NT : fobos (vrees, fobie) .
    1. acc. mann. enk. φοβον = fobon (vrees) . Mc 4,41 .
      1. φοβον μεγαν = fobon megan (een grote vrees) . Mc 4,41 .
  16. φωνη = fônè (stem, roep)  . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) .
    1. nom. + dat. vr. enk. φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep)  . Mc 1,3 .
      1. φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem) . Mc 5,7 .
        1. κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) . Mc 5,7 .
  17. φωνεω = foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) .
    1. act. part. aor. nom. + acc. onz. enk. φωνησαν = fonèsan (schreeuwend) . Mc 1,26 .
  18. φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Gn 1,3 . Js 9,1 .
    1. dat. onz. enk. φωτι = fôti . Kol 1,12 ,
        1. τῳ φωτι = tô(j) fôti EN εν τῳ φωτι = en tô(j) fôti (in het licht) . Kol 1,12 ,
  19. fôs (licht) . fôs (licht) , zie Mt 5,14 .
  20. φρεαρ = frear (put) . Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) . Gn 29,3 .
    1. genitief enkelvoud φρεατος = freatos . Gn 29,3 .
  21. -
    - fruattô (briesen, ongeduldig zijn) . Verwijzing : râgasj (onrustig zijn, tobben) , zie Ps 2,1 .
    - Frugian (Frygië) , zie Hnd 2,10 .

  22. φυλη = fulè (volks-stam, afdeling van het volk) . Taalgebruik in het NT : fulè (volks-stam, afdeling van het volk) .
    1. gen. vr. mv. φυλων = fulôn (van de stammen) .
      1. δώδεκα φυλῶν (twaalf stammen) . PJ 1,1 .
      2. φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de stammen van Israël) . PJ 1,1 .
        1. τῶν δώδεκα φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de twaalf stammen van Israël) . PJ 1,1 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


G

  1. Ned. : gaan . D. : gehen . E. : go . Grieks : ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Arabisch : اذهب (adhhab) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : ire . vadere (Fr. je vais , il va) . amb-ulare (Fr. nous allons , vous allez) .
  2. גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) .
    1. act. ind. perf. (qatal) 3de pers. mann. enk. גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) .
  3. גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Taalgebruik in Tenakh : gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Mt 8,27 . Mc 4,39 .
    1. wa consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) . Gn 37,10 . Mt 8,27 . Mc 4, 39 .
  4. גָבָה = gâbhâh (hoog / verheven zijn, uitsteken) . Taalgebruik in Tenakh : gâbhâh (hoog / verheven zijn, uitsteken) . Ps 113,5 .
    1. prefix bepaald lidw. ha + act. hifil part. nom. mann. enk. הַמַּגְבּיהִי = hammagëbîhî (hij die doet hoog zijn , die zich verheft) . Ps 113,5 .
  5. Gabriël . Gabriël (Gabriël) , zie Lc 1,26 .
  6. גָדַל = gâdal (groot worden, opgroeien) . Taalgebruik in Tenakh : gâdal (groot worden, opgroeien) . Gn 12,2 .
    1. prefix wë + act. piël imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. וַאֲגַדְּלָה = waägaddëlâh (en dat ik groot make)
    2. גָדוֹל = gâdôl (groot) . Gn 12,2 .
  7. gâdal (groot worden, opgroeien) , zie Ps 34,4 .
  8. גַּל = gal (steenhoop, wel) . Zie : גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen) .
    1. mann. mv. גַּלִּים = gallîm (golven, baren) . Mc 4,37 .
  9. גָלָה = gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) . Taalgebruik in Tenakh : gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) .
    1. act. ind. jiqtol (imperf.) 3de pers. mv. יִגְלוּ = jiglû (zij openen) .
    2. וְנִגְלָה = wënigëlâh (en zal geopenbaard worden) < wë + passief nifal perf. 3de pers. mann. enk. . Js 40,5 .
  10. גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik in Tenakh : gâlal (rollen, wentelen) . Mt 28,2 .
    1. וְגָלֲלוּ = wëgâlälû (en zij rolden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. . Gn 29,3 .
    2. וַיָּגֶל = wajjâgèl (en hij rolde weg) < prefix verbindingswoord wë + actief. imperf. 3de pers. mann. enk. . Mt 28,2 .
  11. Galatikèn chôran (Galatië) , zie Hnd 2,10 .
  12. nom. vr. enk. γαληνη = galènè (windstilte) . Taalgebruik in het NT : galènè (windstilte) . Mc 4,39 .
  13. γαλιλαια = galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Lc 1,26 . Lc 8,26 .
    1. gen. vr. enk. γαλιλαιας = Galilaias (Galilea) . Mc 1,16 . Lc 1,26 . Lc 3,1 . Lc 17,11 . Joh 21,2 .
      1. απο της γαλιλαιας = apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc 3,7 .
        1. απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) . Mc 3,7 .
    2. acc. vr. enk. γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea) . Mc 1,39 . Joh 4,3 .
      1. την γαλιλαιαν = tèn galilaian (Galilea) . Mc 1,39 .
        1. ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) . Mc 1,39 .
        2. εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . Mc 1,39 . Joh 4,3 .
  14. גַּם = gam (tezamen, ook, zelfs) . Taalgebruik in Tenakh : gam (tezamen, ook, zelfs) . Ps 133,1 .
  15. γαρ = gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Mc 1,22 . Mc 3,10 .
  16. גָרַשׁ = gârasj (verdrijven, verjagen, uitwerpen) . Taalgebruik in Tenakh : gârasj (verdrijven, uitwerpen) .
    1. act. piël perf. 2de pers. mann. enk. גֵּרַשְׁתָּ = gerasjëthâ (jij verdrijft) . Gn 4,14 .
    2. וַיְגָרֶשׁ = wajëgârèsj (en hij verdrijft) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 3,24 .
    3. וְגֵרַשׁתָּמוֹ = wëgerasjthâmô (en jij zult hen verdrijven) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act. piël perf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Ex 23,31 .
  17. γαστηρ = gastèr (buik, schoot) . Taalgebruik in het NT : gastèr (buik, schoot) . Lc 1,31 .
    1. dat. vr. enk. γαστρι = gastri . Lc 1,31 .
      1. εν γαστρι = len gastri (in de buik) .
    2. εχω εν γαστρι = echô en gastri (in de buik hebben) . Gn 16,11 .
        1. λαμβανω εν γαστρι = lambanô en gastri (in de buik nemen) . Gn 16,11 .
        2. συλλαμβανω εν γαστρι = sullambanô en gastri . Gn 16,11 .
  18. γη = gè (aarde, land) . Taalgebruik in het NT : gè (aarde) . Lv 19,23 .
    1. nom. vr. enk. γη = gè (aarde, land) . Gn 1,2 .
      1. ἡ δε γη = hè de gè (het land / de aarde echter) . Gn 1,2 .
      2. και ἡ γη = kai hè gè (en het land / de aarde) .Gn 1,2 .
    2. gen. vr. enk. γης = gès . Mt 6,10 .
      1. επι γης = epi gès (op aarde) . Mt 6,19 .
      2. της γης = tès gès (van de aarde) . Mt 6,19 .
          1. επι της γης = epi tès gès (op de aarde) . Mt 6,19 . Mc 4,31 .
      3. acc. mann. enk. γην = gèn . Gn 12,1 .
  19. gè (aarde) , zie Mt 28,18 .
  20. Ned. : gedachtenis . Arabisch : ذِكرى = dhikrâ (herinnering) . Taalgebruik in de Qoran : dhikrâ (herinnering) . Aramees : דוּכְרָנָא = dûkhërânâ´ (herinnering, gedachtenis) van het werkw. דְכַר = dëkhar (zich herinneren) . D. : Gedächtnis . E. : remembrance . Fr. : mémoire . Latijn : commemoratio (het samen gedenken) . Lc 22,19 .
  21. Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .
  22. - gegraptai (er werd geschreven) , zie Mt 2,5 .
  23. γελαω = gelaô (lachen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εγελασεν = egelasen (hij / zij lachte) . Gn 17,17 .
  24. genesis (wording, ontstaan bij Matteüs)
    - genezen zie iaomai
    - genitief (losse) , zie Mt 2,1 .
    - gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1 .
  25. גֵרשׁוֹן = gerësjôn (Gerson) . Taalgebruik in Tenakh : gerësjôn (Gerson) . Gn 46,11 .
    - gèsjèm (regen) , zie Zach 10,1 .
    - gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1 .
  26. Ned. : geven . D. : geben . E. : to give . Fr. : donner - don : geven - gave . Grieks : διδωμι = didômi (geven) . Hebreeuws : נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum .
  27. Ned. : gier . D. : Geier . Grieks : γρυψ = γρυπος (grijpvogel, gier) . In het Grieks heeft het woord 3 medeklinkers : g-r-p , zie het Ned. grijpen , grabbelen . E. : vulture . Fr. : vautour < Latijn : vultur . In het Hebreeuws zijn er verschillende woorden voor gier .
  28. γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : gignôskô (kennen, weten) .
    1. ind. fut. 1ste pers. enk. γνωσομαι = gnôsomai (ik zal kennen) . Lc 1,18 .
      1. κατα τι γνωσομαι = kata ti gnôsomai (waardoor zal ik weten) . Lc 1,18 .
    2. act. ind. fut. 2de pers. mv. γνωσεσθε = gnôsesthe (jullie zullen kennen) . Mc 4,13 .
    3. act. conj. aor. 3de pers. enk. γνοι = gnoi  (hij zou weten) . Mc 5,43 .
  29. gignôskô (kennen) , zie Mt 12,15 .
  30. גיל / גול = gîl / gûl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) . Taalgebruik in Tenakh : gjl / gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) .
    1. act. qal imperf. (cohortatief) 1ste pers. enk. אָגִילָה = ´âgîlâh (dat ik juiche) . Lc 1,47 .
  31. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Lc 5,1 .
    1. ind. praes. 3de pers. enk. = ginetai (het gebeurt) .
    2. ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) . Lc 5,1 . Lc 8,22 . Lc 17,11 . Lc 19,15 . Lc 24,51 .
      1. εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . Gn 22,1 . Lc 1,5 . Lc 5,1 . Lc 24,51 .
        1. πως εγενετο = pôs egeneto  (hoe het gebeurde) . Mc 5,16 .
        2. εγενετο δε εν = egeneto de en = het gebeurde echter tijdens . Lc 5,1 .
          1. εγενετο δε εν τῳ = egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc 5,1 . Lc 24,51 .
          2. -
            1. εγενετο δε εν ταις ἡμεραις = = egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc 1,5 .
              1. εγενετο εν ταις ἡμεραις ... βασιλεως της ιουδαιας = egeneto en tais hèmerais ... basileôs tès ioudaias (het gebeurde in de dagen van ... koning van Judea .
        3. ὁτε δε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc 4,10 .
      2. εγενετο εν = egeneto en (het gebeurde tijdens) . Lc 17,11 .
        1. εγενετο εν τῳ = egeneto en tô(i) (het gebeurde tijdens de) . Mc 4,4 . Lc 17,11 .
        2. εγενετο εν ταις ἡμεραις = egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in de dagen) . Lc 1,5 .
      3. και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . Gn 22,1 . Mc 2,23 . Lc 5,1 . Lc 19,15 . Lc 24,51 .
        1. και εγενετο επι παντας φοβος = kai egeneto epi pantas fobos (en er was vrees over allen) . Lc 1,65 .
        2. και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) . Gn 1,8 .
        3. και εγενετο θαμβος επι παντας = kai egeneto thambos epi pantas (en er was ontzetting over allen) . Lc 4,36 .
        4. και εγενετο εν = kai egeneto en = en het gebeurde tijdens . Lc 5,1 . Lc 19,15 .
          1. (και) εγενετο (δε) εν ... και αυτος = (kai) egeneto (de) en ... kai autos (- en - het gebeurde - echter - in... en hij zelf ) . Lc 8,22 .
          2. και εγενετο εν τῳ = kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Mc 4,4 . Lc 5,1 . Lc 19,15 . Lc 24,51 .
        5. και εγενετο εν μιᾳ των ἡμερων = kai egeneto en mia(i) tôn hèmerôn (en het gebeurde tijdens één van de dagen) . Lc 8,22 .
        6. και εγενετο μετα = kai egeneto (en het gebeurde na) . Gn 22,1 .
        7. και ὁτε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc 4,10 .
    3. aor. imperat. 3de pers. enk. γενηθητω = genèthètô (het weze/ het gebeure) . Gn 1,3 .
    4. aor. imperat. 3de pers. mv. γενηθητωσαν = genèthètôsan (het weze/ het gebeure) . Gn 1,14 .
    5. inf. aor. γινεσθαι = ginesthai (om te gebeuren) . Lc 21,7 .
    6. part. aor. gen. mann. en onz. enk. γενομενου = genomenou (geworden) . Mc 6,2 .
    7. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) . Mc 4,35 .
  32. Ned. : God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) . In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) . D. : Gott . E. : God . Fr. : dieu . De vloek dju . Grieks : θεος = theos (God)  . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) .
  33. Ned. : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .
    ed. - ginomai (worden) . ginomai (gebeuren, worden, ontstaan) , zie Lc 1,5 , Mc 1,4 en Mc 16,1 .
  34. Ned. . : goed . Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) . Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) . Aramees : טַב = tabh (goed) . D. : gut . E. : good . Fr. : bijvoegl. naamw. : bon / bijw. : bien . Gr. : αγαθος = agathos . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) . Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) . Lat. : bijvoegl. naamw. : bonus / bijw. : bene .
  35. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) . Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) . Lc 15,2 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εγογγυζον = egogguzon (zij morden) . Lc 5,30 . Lc 15,2 .
  36. גוֹי = gôj (volk) . Taalgebruik in Tenakh : gôj (volk) .
    1. mann. mv. גוֹיִם = gojim (volken) . Js 61,9 .
    2. לְגוֹי = lëgôj (tot volk) . < prefix voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord גוֹי = gôj (volk) . Gn 12,2 .
      1. לְגוֹי גָדוֹל = lëgôj gädôl (tot een groot volk) . Gn 12,2 .
  37. gonupeteô (op zijn knie vallen) , zie Mc 1,40 .
  38. γονυ = gonu (knie) . Gen. γυνατος = gunatos . Taalgebruik in het NT : gonu (knie) . Lc 24,52 .
  39. γονυπετεω = gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het NT : gonupeteô (op zijn knie vallen) .
    1. act. part. praes. nom. mann. enk. γονυπετων = gonupetôn (knievallend) . Mc 1,40 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. γονυπετησας = gonupetèsas (op de knie gevallen) . Mc 1,40 .
  40. γραφω = grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) .
    1. act. ind. fut. 2de pers. enk. grapseis (jij zult schrijven) . Dt 27,8 .
    2. passief indicatief perfectum derde persoon enkelvoud γεγραπται = gegraptai (er werd geschreven) . Mc 1,2 .
      1. καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) . Mc 1,2 .
        1. καθως γεγραπται εν = kathôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) .
      2. ὡς γεγραπται = hôs gegraptai (zoals er werd geschreven) . Mc 1,2 .
        1. ὡς γεγραπται εν = hôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) . Mc 1,2 .
          1. ὡς γεγραπται εν τῳ = hôs gegraptai en tô(j) (zoals er werd geschreven in de / het) . Mc 1,2 .
  41. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde) .
    1. nom. mann. mv. γραμματεις = grammateis (schriftgeleerden) . Mc 1,22 . Lc 15,2 .
      1. και οἱ γραμματεις = kai hoi grammateis (en de schriftgeleerden) . Lc 15,2 .
      2. γραμματεις και = grammateis kai (schriftgeleerden en) . Lc 15,2 .
      3. οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) . Lc 15,2 .
      4. οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) . Lc 15,2 .
      5. οἱ αρχιερεις και οἱ γραμματεις = hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Lc 15,2 .
    2. gen. mann. mv. γραμματεων = grammateôn (schriftgeleerden) . Mc 12,28 .
      1. εἱς των γραμματεων = heis tôn grammateôn (één van de schriftgeleerden) . Mc 12,28 .
  42. grammateis (schriftgeleerden) , zie Joh 8,3 .
    - grègoreô (waken) .

  43. γυνη = gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Mc 7,26 .
    1. gn. vr. enk. γυναικος = gunaikos . Gn 3,15 .
    2. acc. vr. enk. γυναικα = gunaika . Lc 14,20 . Lc 14,26 . Lc 18,29 .
    3. nom. vr. mv. γυναικες = gunaikes (vrouwen) . Ef 5,22 .
  44. gwr (zich als vreemdeling ophouden) , zie Dt 26,5 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


H

- Werkwoorden , eindigend met ה = h : -- bâkhâh (weeklagen, wenen) -- qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen) -- râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien) -- râdâh (vertreden , innemen, heersen) -- sjâthâh (drinken) --

  1. הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) . Mc 1,23 .
  2. Ned. : haas . Fr. : lièvre . Lat.: lepus , leporis . l, p/v . Het dier is genoemd naar de kleur grijs . In het hiëroglyfisch heeft de haas de klankwaarde wn . Arabisch : أرنبة ('arnba) . Hebreeuws : ארנבת .
  3. - hâdâr (eer, majesteit, glorie) , zie Ps 145,5 .
  4. hâgâh (grommen, kirren, zuchten) , zie Ps 2,1 .
  5. הָגָר = hâgâr (Hagar) . Taalgebruik in Tenakh : hâgâr (Hagar) . Gn 16,1 .
  6. ἁγιαζω = hagiazô (heiligen) . Taalgebruik in het NT : hagiazô (heiligen) .
    1. pass. fut. 3de pers. enk. ἁγιασθησεται = hagiasthèsetai (zal geheiligd worden) . Mt 6,9 .
    2. pass. aor. 3de pers. enk. ἁγιασθητω = hagiasthèto (geheiligd worde) . Mt 6,9 .
  7. ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Lc 1,35 .
    1. nom. mann. enk. ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Mc 1,24 .
      1. ὁ ἁγιος του θεου = ho hagios tou theou (de heilige van God) .
    2. nom. + acc. onz. enk. ἁγιον = hagion . Lc 1,35 .
      1. τον ἁγιον του θεου = ton hagion tou theou (de heilige Gods) . Mc 1,24 .
    3. gen. mv. ἁγιων = hagiôn . Kol 1,12 .
  8. αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Ex 24,8 . Lc 22,20 .
    1. dat. onz. enk. αἱματι = haimati . Lc 22,20 .
      1. εν τῳ αἱματι = en tô(i) haimati (in mijn bloed, door mijn bloed) . Lc 22,20 .
  9. haireô (nemen, grijpen) , zie Joz 5,9 .
  10. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lc 5,1 .
    1. וְהָיָה = wëhâjâh (en het zal zijn / en het is) < prefix verbindingswoord wë + werkw. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. OF וֶהְיֵה = wèhëjeh (en wees) < wë + act. qal imperat. 2de pers. mann. enk.. . Gn 12,2 . Dt 11,13 .
    2. act. qal perf. 3de pers. vr. enk. הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) . Gn 1,2 .
    3. act. qal imperfect. 3de pers. mann. enk. יִהְיֶה = jihëjèh (hij zal zijn) . Ex 20,3 .
      1. לֹא יִהְיֶה לְךָ = lo´ ihëjèh lëkhâ (er is niet aan jou = jij hebt niet) . Ex 20,3 .
    4. הָיוּ = hâjû (zij waren) . Lc 15,1 .
      1. וּהָיוּ = hâjû (zij waren) < prefix voegw. wë + act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. . Dt 6,6 .
    5. prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) . Gn 22,1 . Ex 2,23 . Lc 5,1 .
      1. וַיְהִי אַחַר = wajëhî ´achar (en het was na) . Gn 22,1 .
        1. וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Gn 22,1 .
      2. -
        1. וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) . Gn 22,1 .
      3. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) . Gn 1,7 .
      4. וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) . Dt 34,5 .
      5. בִּימֵי וַיְהִי = wajëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) . Lc 1,5 . .
    6. וַתְּהִי = waththëhî (en zij was) < waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. . Gn 11,30 .
    7. וַיִּהְיוּ = wajjihëjû (en zij waren) < wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mv. . Lc 15,1 .
  11. häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . wajëhî , zie Joz 1,1 . wajëhî ka´äsjèr (en het was zoals/zodra) , zie Joz 4,1 . wajëhî ka´äsjèr thammû (en het was zoals zij eindigden, zodra zij eindigden) , zie Joz 4,1 .

  12. הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen) .
  13. הָלַך = hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) .
    1. הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Lc 5,11 .
    2. וַיֵּלֶך = wajjelèkh (en hij ging) < waw + act. qal imperf. 3de pers.mann. enk. . Gn 12,4 .
      1. וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) . Gn 12,4 .
      2. וַיֵּלֶך אִתּוֹ = wajjelèkh ´iththô (en hij ging met hem) . Gn 12,4 .
    3. וַיֵּלְכוּ = wajjelëkhû (en zij gingen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. . Gn 22,6 . Mc 1,18 .
      1. וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם = wajjelëkhû sjëne(j)hèm (en zij gingen samen) . Gn 22,6 .
    4. .לְךָ לֶכ = lèkh lëkhâ (ga - voor je uit) .
    5. act. inf. abs. הָלוֹך = hâlôkh (om te gaan) . Gn 12,9 .
    6. וּבְלֶכְתְּךָ = ûbhëlèkhëthëkhâ (en in jouw gaan) < < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act. inf. stat. construct. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,7 .
      1. וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶרֶך = ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch (en in jouw gaan op de weg) . Dt 6,7 .
    7. הַהֹלְכִים = haholëkhim (zij die gaan) < bepaald lidwoord + act. qal participium praesens mannelijk meervoud . Js 9,1 .
  14. - hâlakh (gaan) , zie Js 9,1 .
  15. הָלַל = hâlal (loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : halal (loven, prijzen) .
    1. act. piël part. mann. mv. מְהַלְלִים = mëhalëlîm (lofprijzende) . Lc 2,20 .
      1. prefix waw + prefix bepaald lidw. + act. piël part. mann. mv. וְהַמְהַלְלִים = wëhamëhalëlîm (lofprijzende) .
  16. halal (loven, prijzen) , zie Ps 113,1 .
    - halas (zout) 10X in de bijbel, 1X bij Matteüs
  17. ἁλιευς = halieus (visser) . Taalgebruik in het NT : halieus (visser) . Lc 5,2 .
    1. nom. mann. mv. ἁλιεις = halieis (vissers) . Lc 5,2 .
  18. ἁλυσις = halusis (metalen ketting, boei, halsketen) . Taalgebruik in het NT : halusis (metalen ketting, boei, halsketen) .
    1. dat. vr. enk. ἁλυσει = halusei . Mc 5,3 .
    2. acc. vr. mv. ἁλυσεις = haluseis (boeien) . Mc 5,4 .
    3. dat. vr. mv. ἁλυσεσιν = halusesin (met halskettingen) . Mc 5,4 .
  19. הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen) . Taalgebruik in Tenakh : hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen) .
    1. הָמוֹן = hâmôn (alarm, gedruis, menigte, overvloed) . Mc 4,36 .
  20. ἁμαρτανω = harmartanô (zondigen) .
    1. act. conjunctief aor. 3de pers. enk. ἁμαρτησῃ = hamartèsè(i) (hij zou zondigen) . Lc 17,3 .
  21. ἁμαρτια = hamartia (zonde) . Taalgebruik in het NT : hamartia (zonde) .
    1. nom. vr. enk. ἁμαρτια = hamartia (zonde) . Taalgebruik in het NT : hamartia (zonde) .
    2. gen. vr. mv. ἁμαρτιων = hamartiôn (van de zonden) . Mt 1,21 .
      1. των ἁμαρτιων = tôn hamartiôn (van de zonden) . Mt 1,21 .
        1. των ἁμαρτιων αυτων = tôn hamartiôn (van hun zonden) . Mt 1,21 .
        2. των ἁμαρτιων ἡμων = tôn hamartiôn hèmôn (van onze zonden) . Mt 1,21 .
      2. απο των ἁμαρτιων = apo tôn hamartiôn (van de zonden) . Mt 1,21 .
  22. ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in het NT : hamartôlos (zondaar) .
    1. mann. enk. ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in het NT : hamartôlos (zondaar) . Lc 5,8 . Lc 15,2 .
    2. nom. mann. mv. ἁμαρτωλοι = hamartôloi (zondaars) . Lc 15,1 .
      1. οἱ ἁμαρτωλοι = hoi hamartôloi (de zondaars) . Lc 15,1 .
  23. Ned. : hand . Arabisch : يد = jad (hand) . Taalgebruik in de Qoran : jad (hand) . D. : Hand . E. : hand . Fr. : main . Grieks : χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) ; cfr chirurgie, chiropraxie . Hebreeuws : יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Lat. : manus . Oudengels : hentan (trachten te pakken) . Oudnoors : henda (grijpen) . Hand betekent dus 'grijper' , evenals het Griekse χειρ = cheir (hand) ; (g - ch ; r) . In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) . Uit het Hebreeuws : jatten (stelen) . Portal (2008, 63) . Horappollon 119 .
  24. ἁπας = hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het NT : hapas (ieder, allen, alles) .
    1. nom. mann. mv. ἁπαντες = hapantes . Mc 1,27 .
  25. ἁπτω = haptô (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het NT : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Mc 3,10 .
    1. act. conjunct. aor. 3de pers. mv. ἁψωνται = hapsôntai (zij zouden aanraken) . Mc 3,10 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ἡψατο = hèpsato (hij greep vast; hij raakte aan) . Mc 1,41 .
    3. αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen) .
      1. act. imperat. aor. 2de pers. mv. αφαψετε = afapsete (bindt af - bindt op) . Bijbel (1) : Dt 11,18 .
  26. הַר = har (berg) . Taalgebruik in Tenakh : har (berg ) . Ex 34,2 .
    1. הָהָר = hâhâr (de berg) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Ex 34,2 .
    2. mann. mv. stat. construct. הַרְרֵיו = harrëre(j) (de bergen van) . Ps 133,3 .
    3. אֶל הַר = ´èl har (naar de berg van) . Ex 34,2 .
      1. עַל רֹאשׁ הָהָר = `al ro´sj (op de top van) . Ex 34,2 .
  27. hârag (doden, ombrengen) , zie Ex 2,15 .
  28. הָרָה = hârâh (zwanger worden, - zijn) . Taalgebruik in Tenakh : härâh (zwanger worden, - zijn) . Gn 16,11 . Lc 1,31 .
    1. הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = hârâh wëjoladëth (zwanger zijnde en barende) . Gn 16,11 .
      1. הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת בֵּן = hârâh wëjoladëth ben (zwanger zijnde en barende een zoon) . Js 7,14 .
  29. harpazô (roven) , zie Mt 13,19 .
  30. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 4,41 . Lc 1,29 . Lc 9,12 .
    1. ἡ δε = hè de (... echter) . Lc 9,12 .
    2. gen. vr. enk. της = tès (de) . Mc 3,7 . Lc 3,1 .
    3. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) . Mc 1,23 . Joh 1,43 .
    4. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) . Mc 1,14 .
      1. εις την = eis tèn (naar de) .
    5. bepaald lidw. dat. vr. mv. ταις = tais . Lc 1,5 .
    6. bepaald lidw. nom. vr. mv. αἱ = hai (de) . Mc 6,2 .
    7. bep. lidw. acc. vr. mv. τας = tas (de) . Mc 1,39 . Lc 24,50 .
  31. ἑαυτος = heautos (zichzelf) . Taalgebruik in het NT : heautos (zichzelf) .
    1. acc. mann. enk. ἑαυτον = heauton (zichzelf) . Mc 5,5 .
  32. Ned. : hebben . D. : haben . E. : have . Fr. : avoir . Grieks : εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Lat. : habere .
  33. ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) . Gn 4,24 .
  34. הֶבֶל = hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) . Ook de persoonsnaam Abel . Taalgebruik in Tenakh : hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) . Gn 4,2 .
    1. וְהֶבֶל = wëhèbèl (en nietigheid , en Abel) < prefix voegwoord wë + . Gn 4,2 .
    2. אֶל הֶבֶל = ´èl hèbhèl (tot Abel) . Gn 4,8 .
  35. hèbhërôn (Hebron) , zie Gn 13,18 .
  36. Ned. : hechten uit ouder heften . D. : haften . Grieks : ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het NT : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Ook αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen) . Hebreeuws : קָשַׁר = qâsjar (binden, verbonden zijn aan, samenzweren) . Taalgebruik in Tenakh : qâsjar (binden) .
  37. Ned. : Heer . Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) . Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) . Aramees : יוי = JWJ . D. : Herr . E. : Lord . Fr. : seigneur . Grieks : κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Hebreeuws : יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenakh : JHWH . Latijn : Dominus . (Eerste medeklinker Gr. k , Ned. + D. h ; tweede medeklinker : Gr. + Ned. + D. : r ) .
  38. ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) . Taalgebruik : hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) .
    1. act. part. praes. gen. mann. enk. ἡγεμονευοντος = hègemoneuontos . Lc 3,1 .
  39. ἡγεμων = hègemôn (leider, heerser) . Taalgebruik in het NT : hègemôn (leider, heerser) .
    1. gen. mann. enk.ἡγεμονος = hègemonos (van de heerser) . Mt 27,27 .
  40. ἡγεμονια = hègemonias (van de hegemonie , heerschappij) . Zie : ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) .
  41. Ned. : heilig . Arabisch : qadîsj (heilig) . D. : heilig . E. : holy . Fr. : saint . Gr. : ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Hebreeuws : קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) . Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Latijn : sanctus .
  42. εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : heis (één) . Lc 15,4 .
    1. nom. mann. enk. εἱς . Mc 14,51 .
      1. εἱς τις = heis tis (een zekere) . Mc 14,51 .
      2. εἱς δε τις = heis de tis (een zekere echter) . Mc 14,51 .
      3. εἱς των = heis tôn (één van de) . Mc 12,28 .
    2. nom. + acc. onz. enk. ἑν = hen (één) . Lc 15,4 .
      1. ἑν εξ = hen ex (één uit) . Lc 15,4 .
    3. nom. + dat. vr. μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (b.v. op dag één) . Lc 8,22 .
  43. ἑκατον = hekaton (honderd) . Lc 15,4 .
    1. ἑκατον προβατα = hekaton probata (honderd schapen) . Lc 15,4 .
    1. nom. + dat. vr. μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Lc 8,22 .
  44. ἑξ = hex . Zie : Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Lv 25,3 .
    - hemels zie ouranios
  45. ἡλιας = èlias (Elia) . Taalgebruik in het NT : èlias (Elia) .
    1. acc. mann. enk. ἡλιαν = èlian (Elia) . Mc 15,35 .
  46. ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) .
    1. nom. mann. enk. ἡλιος = hèlios (zon) . Mc 1,32 .
      1. ὁ ἡλιος = ho hèlios (de zon) . Mc 1,32 .
    2. gen. mann. enk. ἡλιου = hèliou . Lc 4,40 .
      1. δυνοντος του ἡλιου = dunontos tou hèliou (bij de ondergaande zon) . Lc 4,40 .
      2. δυνοντος δε του ἡλιου = dunontos de tou hèliou (echter bij de ondergaande zon) . Lc 4,40 .
  47. persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. הֵם = hem (hen) . Taalgebruik in Tenakh : hem (hen) .
    1. הֶמָּה = hemmâh (hen) . Verlengde vorm .
  48. ἡμεις (ons) .
  49. Ned. : hemel . Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) . Taalgebruik in de Qoran : samâ´ (hemel) . D. : Himmel . E. : heaven . Fr. : ciel . Grieks : ουρανος = ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Hebreeuws : שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen) .
  50. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) .
    1. nom. vr. . enk. ἡμερα = hèmera (dag) . Gn 1,5 . Lc 9,12 .
      1. ἡ ἡμερα = hè hèmera (de dag) . Lc 9,12 .
      2. ἡ δε ἡμερα = hè de hèmera (de dag echter) . Lc 9,12 .
    2. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἡμερας = hèmeras (dagen) . Ex 20,9 . Mc 5,5 . Lc 4,2 . Lc 15,13 . Lc 21,37 .
      1. νυκτος και ἡμερας = nuktos kai hèmeras (nacht en dag) . Mc 5,5 .
      2. ἡμερας εν = hèmeras en (dagen in) . Lc 21,37 .
      3. πολλας ἡμερας = pollas hèmeras (vele dagen) . Lc 15,13 .
        1. ου πολλας ἡμερας = ou pollas hèmeras (niet vele dagen) . Lc 15,13 .
      4. τας ἡμερας = tas hèmeras (de dagen) . Lc 21,37 .
        1. δε τας ἡμερας = de tas hèmeras (echter de dagen) . Lc 21,37 .
    3. dat. vr. enk. ἡμερᾳ .
      1. tῃ ἡμερᾳ tῃ tritῃ = tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag , de derde) . Gn 22,4 . Ex 19,16 .
      2. εν εκεινῃ τῃ ἡμερᾳ = en ekeinè(i) tè(i) hèmera(i) (op die dag) . Mc 4,35 .
    4. acc. vr. enk. ἡμεραν = hèmeran . Gn 1,5 .
    5. gen. mv. ἡμερων = hèmerôn . Lc 8,22 .
      1. των ἡμερων = tôn hèmerôn (van de dagen) . Lc 8,22 .
    6. dat. vr. mv. ἡμεραις = hèmerais . Lc 1,5 .
  51. hèmera (dag) , zie Joh 2,12 , Lc 1,5 , Mc 1,13 , Ex 2,23 .
    - hieron (tempel), zie Lc 24,53
  52. הֵן = hen (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Dt 31,14 .
  53. הֶנֵּה = hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Ex 23,20 .
  54. הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Lc 1,31 . Lc 24,4 .
    1. הִנָּךְ = hinnâkh (zie jij) < = hinneh + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. vr. enk. . Lc 1,31 .
    2. וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie) . Lc 1,31 .
  55. hendeka (elf), zie Mt 28,16 .
  56. εὑρισκω = heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. εὑρισκει = heuriskei (hij vindt) . Joh 1,43 .
  57. ἑως = heôs (tot, totdat)  . Taalgebruik in het NT : heôs (tot , totdat) . Mc 15,33 ,
  58. heôs hou (totdat) , zie Lc 24,49 .
    - heôs (tot , totdat) .
  59. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Lc 1,5 .
    1. gen. mann. enk. ἡρῳδου = hèrô(i)dou (van Herodes) . Lc 1,5 .
    2. dat. mann. enk. ἡρῳδῃ = hèrô(i)dè(i) (aan Herodes) . Mc 6,18 .
  60. ἡρῳδιας = hèrô(i)dias (Herodias) . Mc 6,19 .
    1. gen. vr. enk. ἡρῳδιαδος = hèrô(i)diados (van Herodias) . Mc 6,22 .
  61. εσθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Gn 3,2 .
  62. ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) .
    1. nom. vr. enk. ἑσπερα = hespera (avond) . Gn 1,5 .
    2. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. ἑσπερας = hesperas ( 's avonds) .
  63. ἑτοιμαζω = hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Lc 22,12 .
  64. εὑρισκω = heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) .
    1. act. ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. εὑρον = heuron (ik vond of zij vonden) . Mc 1,37 . Lc 2,46 . Lc 24,2 .
    2. act. ind. aor. 2de pers. enk. εὑρες = heures (jij vondt) . Lc 1,30 .
      1. εὑρες χαριν ( jij vondt genade) . Lc 1,30 .
    3. act. part. aor. nom. mann. enk. εὑρων = heurôn (gevonden) . Lc 15,5 .
    4. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εὑρεθη = heurethè (hij werd gevonden) .
  65. Ned. : daar (aanwijz. bijw. van plaats; da.. r) <-> hier (aanwijz. bijw. van plaats : hi...r; zie persoonl. voornaamw. hij) . D. : da <-> hier . E. : the-re <-> he-re . Grieks : εκει (hier; Fr. : ici; k - c -h) . Arabisch : هناك = hunak (daar; h... in Ned. : hij) <-> هنا = huna (hier) . Hebreeuws : שָׁם = sjâm (daar) . Zie het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  . Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) . Lat. : ibi (daar) <-> hic (hier) .
  66. ἱερατεια = hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in het NT : hierateia (priesterschap) . Lc 1,9 .
    1. gen. vr. enk. ἱερατειας = hierateias . Lc 1,9 .
  67. nom. mann. enk. ἱερευς = hiereus (priester) . Taalgebruik in het NT : hiereus (priester) . Lc 1,5 .
  68. ἱερον = hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) .
    1. nom. + acc. onz. enk. ἱερον = hieron (heiligdom, tempel) . Lc 2,27 .
    2. gen. onz. enk. ἱερου = hierou . Lc 21,5 .
    3. dat. onz. enk. ἱερῳ = hierô(i) . Lc 21,37 .
      1. εν τῳ ἱερῳ = en tôi hierôi (in de tempel) . Lc 21,37 . Hnd 22,17 .
  69. ἱεροσολυμα = hierosoluma (Jeruzalem) . Taalgebruik in het NT : Hierosoluma (Jeruzalem)  .
    1. nom. + acc. onz. mv. ἱεροσολυμα = hierosoluma (Jeruzalem) . Lc 13,22 .
      1. απο ἱεροσολυμα = apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc 3,8 .
      2. εις ἱεροσολυμα = eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc 3,8 .
    2. -
      1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 .
      2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 .
  70. Hierosoluma (Jeruzalem), zie Mt 2,1 . In 9 verzen bij Matteüs: (1) Mt 2,1 . (2) Mt 2,3 . (3) Mt 3,5 . (4) Mt 5,35 . (5) Mt 16,21 . (6) Mt 20,17 . (7) Mt 20,18 . (8) Mt 21,1 . (9) Mt 21,10 .
  71. ἱματιον = himation (kleed) . Taalgebruik in het NT : himation (kleed) .
    1. nom. + acc. onz. mv. ἱματια = himatia (kleren) . Mc 14,63 .
  72. ἱνα = hina (opdat, zodat) . Voegwoord . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Mc 3,2 . Kol 2,2 .
    1. ἱνα μη = hina mè (opdat niet) . Mc 3,9 .
    2. αυτοις ἱνα = hina autois (aan hen opdat) . Mc 3,12 .
  73. הֶנֵּה = hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Ex 23,20 .
    1. הִנְּךָ= hinnëkhâ (zie jij) < hinneh + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Gn 16,11 .
    2. הִנָּךְ = hinnâkh . Gn 16,11 .
      1. הִנָּךְ הָרָה = hinnâkh hârâh (zie jij zwanger zijnde) . Gn 16,11 .
        1. הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ = hinnakh hârâh wëjoladëth (zie zwanger zijnde en barende) . Gn 16,11 .
          1. הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ נֵן = hinnâkh hârah wëjoladëth ben (zie jij zwanger zijnde en barende een zoon) . Gn 16,11 .
    3. הִנְנִי = hinnënî (zie ik; zie hier ben ik) < hinneh + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Mc 1,2 .
  74. histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36 .
  75. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord .
    1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Mc 1,14 . Mc 2,28 . Mc 4,41 . Mc 9,7 . Mc 10,52 . Mc 15,39 . Lc 15,27 .
      1. ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc 10,52 . Mc 15,14 . Lc 15,27 . Lc 18,41 .
        1. ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) . Lc 15,27 . Lc 18,41 .
          1. ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) . Lc 15,27 .
          2. ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen) . Lc 18,29 .
        2. ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei) . Lc 18,22 .
        3. ὁ ιησους ειπεν = ho ièsous eipen (Jezus zei) . Lc 18,22 .
      2. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc 1,45 . Mc 10,52 .
      3. και ὁ = kai ho (en de) . Mc 1,45 . Mc 10,52 .
    2. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) . Mc 1,14 . Mc 14,28 .
    3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. του = tou . Mc 5,2 . Lc 17,1 .
    4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) . Mc 1,15 . Mc 4,36 . Lc 1,26 . Lc 5,1 . Lc 17,5 . Lc 18,35 .
    5. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 1,14 . Mc 3,9 . Mc 14,53 .
    6. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi . Mc 1,22 . Lc 15,1 .
      1. οἱ δε = hoi de (zij echter) . Mc 3,4 .
    7. nom. en acc. onz. mv. τα = ta (de) . Mc 7,24 .
    8. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) . Mc 3,6 .
    9. dat. mann. en onz. mv. τοις = tois . Mc 3,9 . Lc 1,79 .
    10. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de) . Mc 3,34 . Lc 9,16 . Lc 15,5 . Lc 17,1 . Lc 18,9 .
  76. hôd (eer, majesteit, glorie), zie Ps 145,5 .- hôd (pracht, glans, majesteit), zie Ps 8,2 .
  77. ὁδος = hodos (weg) . Taalgebruik in het ΝΤ : hodos (weg) .
    1. acc. vr. enk. ὁδον = hodon (weg) . Mc 1,2 .
      1. παρα την ὁδον = para tèn hodon (langs de weg) . Mc 4,4 .
  78. hogepriesters zie archiereis
    - hoj (wee) . Taalgebruik in Tenach : hoj (wee) . Taalgebruik in Amos : hoj (wee) .
  79. ὁλος = holos (heel) . Taalgebruik in het ΝΤ : holos (heel) .
    1. nom. vr. enk. ὁλη = holè (heel) . Mc 1,33 .
    2. acc. vr. enk. ὁλην = holèn (heel) . Mc 1,39 .
      1. εις ὁλην = eis holèn (naar heel) . Mc 1,39 .
      2. ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) . Mc 1,39 .
  80. homoioô (vergelijken met, gelijken op) , zie Mt 13,24 .
    - homothumadon (eensgezind) , zie Hnd 1,14 .
  81. Ned. : hond . D. : Hund . Fr. : chien . Gr. : κυων OF κυνος = kuôn of kunos . Latijn : canis . (c - k - ch - h) . IE : cu . Litouws : suo . Russisch : suka (teef) .
    - Arabisch : الكلب = alkalb (de hond) . Hebreeuws : כֶלֶב = kèlèbh (hond) . Taalgebruik in Tenakh : kèlèbh (hond) .
    - E. : dog .
  82. Ned. : honderd . Aramees : מְאָה = mëâh (honderd, 100) . Arabisch : مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) . D. : hundert . E. : hundred . Fr. : cent . Grieks : ἑκατον = hekaton (honderd, 100) . Hebreeuws : מֵאָה = me´âh (honderd) . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Latijn : centum (honderd, 100) .
  83. Ned. : hoofd < Lat. : caput , capitis ; h/k , f/p , d/t . D. : Koph ; c/k , p/ph . E. : head . Zie Fr. : chef (degene die aan het hoofd staat) < Lat. : caput ; ch/c , p/f .
    - Fr. : tête < Lat. : testa (vr. enk. van testus, a, um < tegere : dekken ; t/g , g/k) . Is tête = bedekt ? Het hoofd dat bedekt is ?
    - Gr. : καρα = kara (hoofd) . Proto-Indo-Europees : krh-(e)s-n- ('hoofd') . Zie Ned. : hersenen , k/h . Sanskriet : sirsn-as .
    - Arabisch : رئيس (rajîsj) . Hebreeuws : רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin) . Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin) .
    - Fr. : bout (uit-einde, uiterst punt , top (metathesis: b-t/ t-p) . Lat. : pungere , pupugi , punctum . In het Hiërglyfisch stelt een hoofd in profiel de ideogram voor met de klankwaarde pt ; b/p .
  84. ὁπως = hopôs (opdat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hopôs (opdat) . Mc 3,6 .
    1. ὁπως αυτον = hopôs auton (zodat hem) . Mc 3,6 .
  85. ὁπου = hopou (waar) . Taalgebruik in het NT : hopou (waar) . Mt 6,19 .
  86. ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) .
    1. gen. vr. enk. ὡρας = hôras (uur) . Mc 15,33 .
    2. nom. + dat. vr. enk. ὡρα / ὡρᾳ = hôra(i) (uur) . Mc 15,34 .
  87. ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) . Gn 12,7 .
  88. horaô (zien) , zie Mc 16,7 .
    - Horeb , zie Ex 3,1 .
  89. Ned. : horen . Horen en oor zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis . Lat. : auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Arabisch : سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen) . Taalgebruik in de Qoran : sami`a (luisteren, horen) . D. hören . E. : to hear . Fr. : écouter . Grieks : ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Hebreeuws : שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) .
  90. ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) . Taalgebruik in het NT : horkizô (laten zweren, beëdigen) .
    1. act. ind. praes. 1ste pers. enk. ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) . Mc 5,7 .
  91. ὁρκος = horkos (eed) . Taalgebruik in de Bijbel : horkos (eed) . Dt 7,8 .
    1. ὁρκον ὁν = horkon hon (de eed die) . Dt 7,8 .
  92. betrekk. voornaamw. ὁς (die) .
    1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. ὁς = hos (die) . Mc 3,35 . Kol 2,10 .
      1. ὁς γαρ = hos gar (want wie) . Mc 3,35 .
        1. ὁς γαρ αν = hos gar an (want wie zou) . Mc 3,35 .
        2. ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) . Mc 6,22 .
      2. ὁς δ' αν = hos d' an (wie echter zou) . Mc 3,35 .
      3. ὁς εστιν = hos estin (die is) . Kol 2,10 .
        1. ὁς εστιν ἡ κεφαλη = hos estin hè kefalè (die is het hoofd) . Kol 2,10 .
      4. ὁς την = hos tèn (die de) . Mc 5,3 .
    2. acc. vr. enk. ἡν (die) . Lc 13,11 .
  93. ὡς = hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Mc 4,36 .
    1. ὡς και = hôs kai (zoals ook) . Mt 6,12 .
  94. ὁσος = hosos (zo groot als) . Taalgebruik in het ΝΤ : hosos (zo groot als) . Mc 3,8 .
    1. nom. +  acc. onz. mv. ὁσα = hosa . Mc 3,8 .
      1. παντα ὁσα = panta hosa (al wat) . Mc 6,30 .
  95. -
    1. ὁστις γαρ αν = hostis an (want wie zou) . Mc 3,35 .
  96. ὁταν = hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Mc 13,7 . Lc 21,7 .
    1. ὁταν δε = hotan de (telkens wanneer echter, wanneer echter, zodra echter) . Mc 13,7 . Lc 21,7 .
    2. και ὁταν = kai hotan (en telkens wanneer, en wanneer, en zodra) . Mc 13,7 . Lc 21,7 .
  97. ὁτε = hote (toen) . Taalgebruik in het NT : hote (toen) . Mt 26,1 . Mc 1,32 .
    1. και ὁτε = kai hote (en toen) . Mc 4,10 .
  98. ὁτι = hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Mc 16,7 . Lc 15,27 . Lc 15,32 . Lc 19,7 .
    1. ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) . Lc 15,24 .
    2. ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) . Lc 15,7 .
  99. hoti (dat, omdat) . hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16 .
    - hosa (wat) , zie Mt 13,44 .
  100. ὡς = hôs (zoals, zodra) ,
    - hôsjeà (Hosea) . Taalgebruik in Tenach : hôsjeà (Hosea) . Taalgebruik in Hosea : hôsjeà (Hosea) . Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 381 (3 X 127) . -Gr. ôsèe (Hosea) . Taalgebruik in de Septuaginta : ôsèe (Hosea) .
    - hôsper (zoals) .
  101. ὡste = hôste (zodat) . Taalgebruik in het NT : hôste (zodat) . Mc 1,27 .
  102. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Lc 22,42 .
    1. aanwijz. voornaamw. nom. mann. enk. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Mc 2,7 . Lc 15,24 .
      1. οὑτος εστιν = houtos estin (deze is) . Mc 4,41 .
      2. οὑτος ὁ = houtos ho (deze de) . Lc 15,24 .
        1. οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) . Lc 15,24 .
      3. οὑτος οὑτως = houtos houtôs (deze zo) . Mc 2,7 .
      4. ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) . Lc 15,24 .
        1. ὁτι οὑτος ὁ = hoti houtos ho (dat deze de) . Lc 15,24 .
    2. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) . Mt 1,22 . Mc 1,27 . Lc 22,15 . Lc 22,42 .
      1. τι εστιν τουτο = ti estin touto (wat is dit?) . Mc 1,27 .
      2. τουτο δε = touto de (dit echter) . Mt 1,22 .
        1. τουτο δε ὁλον γεγονεν = touto de holon gegeonen (dit geheel echter gebeurde) . Mt 1,22 .
    3. aanwijz. voornaamw. dat. mann. en onz. enk. τουτῳ = toutô(i) . Mc 6,2 .
    4. acc. vr. enk. ταυτην = tautèn . Lc 15,3 .
    5. nom. en acc. onz. mv. ταυτα = tauta (deze dingen) . Lc 24,36 . Joh 5,1 .
      1. ταυτα δε = tauta de (die dingen echter) . Lc 24,36 .
        1. ταυτα δε αυτου λεγοντος = tauta de autou legontos = terwijl hij echter die dingen zegt . Lc 24,36 .
        2. ταυτα δε αυτων λαλουντων = tauta de autôn lalountôn = terwijl zij echter die dingen spraken . Lc 24,36 .
        3. ταυτα γινεσθαι = tauta ginesthai (dat die dingen gebeuren) . Lc 21,7 .
        4. ταυτα γενεσθαι = tauta genesthai (dat die dingen gebeurden) . Lc 21,7 .
      2. δε ταυτα = de auta (echter die dingen) . Lc 24,36 .
        1. ακουσας δε ταυτα= akousas de tauta (die dingen echter gehoord) . Lc 24,36 .
        2. ηκουον δε ταυτα= èkouon de tauta (zij hoorden echter die dingen) . Lc 24,36 .
        3. μετα δε ταυτα = meta de tauta (na die dingen echter) . Lc 24,36 .
  103. οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Gn 1,7 . Mc 2,7 . Lc 12,21 . Lc 15,10 . Hnd 12,8 .
    1. ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) . Lc 15,7 .
  104. houtos (deze) , zie Hnd 1,14 .
    - houtôs (zo, op zo'n wijze) . In 14 verzen bij Johannes, zie Joh 3,16 : (1) Joh 3,8 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 3,16 (houtôs... hôste : zo... dat). (4) Joh 4,6 . (5) Joh 5,21 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (6) Joh 5,26 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (7) Joh 7,46 . (8) Joh 11,48 . (9) Joh 12,50 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . . (10) Joh 13,25 . (11) Joh 14,31 (12) Joh 15,4 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . (13) Joh 18,22 . (14) Joh 21,1 . - houtôs (zo, op deze wijze) . In 32 verzen bij Matteüs, zie Mt 21,6
  105. הוּא = hû´ (hij, d.i.) . Taalgebruik in Tenakh : hû´(hij, d.i.) . Mc 1,23 .
    1. וְהוּא =wëhû´ (en hij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Lc 8,22 .
  106. ὑδωρ = hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) .
    1. nom. onz. enk. ὑδωρ = hudôr (water) . Gn 1,9 .
    2. gen. onz. enk. ὑδατος = hudatos (van water) . Gn 1,6 .
      1. επανω του ὑδατος = epanô tou hudatos (bovenop het water) . Gn 1,2 .
    3. nom. en acc. onz. mv. ὑδατα = hudata . Gn 1,20 .
    4. gen. onz. mv. ὑδατων = hudatôn . Gn 1,10 .
  107. Ned. : huis : indogermaanse basis met de betekenis van "bedekken" (dak) . Hiervan zijn ook afgeleid Latijn cus-tos (bewaker) , Grieks κευθω = keuthô (bedekken, verbergen) , E. to hide (verbergen) . D. : Hause . E. : house . Fr. : maison < mansio (verblijf) -> manere (blijven, verblijven) . Grieks : οικος = oikos (woning) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Hebreeuws : בַּיִּת = bajith (huis) . Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) . Lat. : domus (domi-nus : het huis betreffende , heer) . In het hieroglyfisch geeft een soort huis met binnentuin de klankwaarde pr weer . In Gn 2,9 wordt het Hebreeuwse gan vertaald naar het Griekse paradeisos .
  108. υἱος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) .
    1. nom. mann. enk. υἱος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Mt 3,17 . Mc 1,11 . Lc 1,32 . Lc 15,13 . Lc 15,24 .
      1. ὁ υἰος = ho huios (de zoon) . Lc 15,24 .
        1. οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) . Lc 15,24 .
      2. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) . Lc 15,24 .
      3. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) . Lc 15,24 .
        1. ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) . Mc 1,11 .
      4. ὁ υἰος αυτου = ho huios autou (de zoon van hem = zijn zoon) . Lc 15,25 .
    2. voc. mann. enk. υἰε = huie (zoon) . Mc 5,7 .
      1. υἰε του θεου = huie tou theou (zoon van God) . Mc 5,7 .
    3. gen. mann. enk. υἰου = huiou (zoon) . Mc 1,1 . Rom 8,32 .
      1. υἰου θεου = huiou theou (zoon van God) . Mc 1,1 .
      2. του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) . Rom 8,32 .
      3. του ὑιου σου = tou huiou sou (jouw zoon) . Gn 22,16 .
        1. του ὑιου σου του αγαπητου = tou huiou sou tou agapètou (jouw zoon, jouw geliefde) . Gn 22,16 .
      4. του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) . Rom 8,32 .
    4. acc. mann. enk. υἱον = huion . Lc 1,31 .
      1. τον ὑιον σου τον αγαπητον = ton huion sou ton agapèton (jouw zoon, jouw geliefde) .
      2. τον υἱον αυτου = ton huion autou (zijn zoon) . Gal 1,16 .
    5. acc. mann. mv. υἱους = huious (zonen) . Lc 15,11 .
      1. δυο υἱους = duo huious (twee zonen) . Lc 15,11 .
  109. ὑμεις = humeis (jullie) . Zie Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord .
    1. persoonl. voornaamw. 2de pers. nom. mann. mv. ὑμεις = humeis (jullie) . Mc 6,37 . Lc 9,13 .
    2. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mv. ὑμων = humôn (van jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Lc 15,4 .
    3. dat. mann. mv. ὑμιν = humin . Jud 1,2 .
  110. ὑπο = hupo (door) . Afkorting : ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf' . Taalgebruik in het NT : hupo (door) .
    1. ὑπ' αυτου = hup' autou (door hem) . Mc 5,4 .
  111. ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het ΝΤ : hupagô (onder iets brengen, weggaan) .
    1. act. imperat.  praes. 2de pers. enk. ὑπαγει = hupage (ga weg, vertrek) . Mc 5,19 .
      1. ὑπαγει εις = hupage eis (ga weg, vertrek naar) . Mc 5,19 .
  112. ὑπακουω = hupakouô (luisteren, antwoord geven, gehoorzamen) . Lc 8,25 .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. ὑπακουει = hupakouei (hij gehoorzaamt) . Mc 4,41 .
    2. act. ind. praes. 3de pers. mv. ὑπακουουσιν = hupakouousin (zij gehoorzamen) . Lc 8,25 .
  113. ὑπανταω = hupantaô (tegemoet komen, ontmoeten) . Taalgebruik in het NT : hupantaô (tegemoet komen, ontmoeten) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ὑπηντησεν = hupèntèsen (hij ontmoette) . Mc 5,2 .
  114. huparchô (zijn) , zie Lc 23,50 .
  115. ὑπνοω = hupnoô (dromen) . Taalgebruik in het NT : hupnoô (dromen) . Lc 8,23 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ὑπνωσεν = hupnôsen (hij droomde) . Lc 8,23 .
  116. ὑψιστος = hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in het NT : hupsistos (allerhoogste) .
    1. του θεου του ὑψιστου = tou theou tou hupsistou (van de allerhoogste God ) . Mc 5,7 .
      1. υἰε του θεου του ὑψιστου = huie tou theou tou hupsistou (zoon van de allerhoogste God ) . Mc 5,7 .
  117. ὑπολειπω = hupoleipô (achterlaten, overlaten) . Gn 32,25 .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ὑπελειφθη = hupeleiphthè (pass. : achterblijven, overblijven; hij bleef achter) . Gn 32,25 .
  118. ὑποστρεφω = hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Lc 8,37 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ὑπεστρεψεν = hupestrepsen (hij keerde terug) . Lc 8,37 .
  119. hupostrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


I

  1. י ִ : een punt onder een medeklinker , gevolgd door de medeklinker יוֹד = י (jôd) duidt een lange i-klank aan .
  2. אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord : waar ? אִי = ´î (ie) kan verschillende betekenissen hebben : 1. vragend woord : waar ? 2. zelfstandig naamw. : eiland . Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland) . 3. zelfst. naamw. : een diersoort b.v. nachtuil . 4. tussenwerpsel : de uitroep wee . 5. bijwoord : niet . Jouön 1965 , 88A . Het is een zelfstandig naamw. met slechts één medeklinker , nl. de aleph . Taalgebruik in Tenakh : ´î =´ie (waar?) .
    1. אַיִן= ´ajin (waar) = אַיֵה = ´ajeh .
    2. מֵאַיִן = me´ajin (vanwaar?) .
    3. MH : = lë´ân (waarheen?) . BH : אָנָה = ´ânâh (waarheen?) .
  3. - iaomai (genezen) , zie Mt 15,28 .
  4. ιχθυς = ichthus (vis) . Taalgebruik in het NT : ichthus (vis) .
    1. acc. vr. mv. ιχθυας = ichthuas (vissen) .
  5. idios (eigen) , zie Mc 4,34 .
    - idôn (gezien) , zie Mt 2,16 .
    - Ioudaia (Judea) , zie Mt 2,1 .
  6. ιδου = idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Dt 31,14 . Mc 4,3 .
    1. ιδου συ = idou su (zie jij) . Gn 16,11 .
  7. idou (zie) . idou (zie) , zie Mt 1,20 .
  8. Ned. : ik (Grieks e-g) . Arabisch : أنا . ´anâ (ik) ; Taalgebruik in de Qoran : ´anâ (ik) . Aramees : אנה = ´änâh (ik) . Fr. : je . D. : Ich . E. : I . Fr. : je . Grieks : εγω ειμι = egô eimi (ik ben) . Taalgebruik in het NT : egô (ik) . Hebreeuws : אָנֹכִי = ´ânokhî (ik) . Zie : אֲנִי = ´änî (ik) . Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik) . Lat. : ego sum (ik ben) . In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord . Eerste letter : Hebr. + Ar. : a ; Gr. + Lat. : e ; Ned. + D. + E. : i . Tweede letter . Hebr. 3de letter : kh ; Gr. + Lat. : g ; Ned. : k ; D. ch . ) . Lat. : ego sum (ik ben) . In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord .
  9. עִם = ´im (indien, ofschoon) .
    1. עִמּוֹ = `immô (met / tegen hem) < voorzetsel `im + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. .
  10. -
  11. Ned. in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : en . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Hebreeuws : בְּ = bë .
  12. zelfst. naamw. vr. enk. אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw) .
    1. הָאִשָּׁה = hâ'isjsjâh (de vrouw) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. vr. enk. . Gn 3,15 .
    2. vr. enk. stat. construct אֵשֶׁת = 'esjèth (de vrouw van) . Gn 11,29 .
      1. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) . Gn 11,29 .
        1. שָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = shâraj ´esjèth ´abhërâm (Sara, de vrouw van Abram) . Gn 16,1 .
        2. וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = wëshâraj ´esjèth ´abhërâm (en Sara, de vrouw van Abram) . Gn 16,1 .
      2. אֵשֶׁת אָחִיו = 'esjèth ´achîw (de vrouw van zijn broer) .
    3. mann. mv. נָשִׁים = nâsjîm (vrouwen) bij het zelfst. naamw. אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) . Gn 4,19 .
  13. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) .
    1. mann. enk. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Gn 32,25 .
      1. אִישׁ אֶחַד = ´îsj ´èchâd (een bepaalde man) . Nu 13,2 .

J

  1. יָעַל = jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben , iets bereiken) . Taalgebruik in Tenakh : jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben , iets bereiken) .
    1. act. hifil jiqtol (imperf.) 3de pers. mann. enk. יוֹעִיל = jô`îl (hij zal baat hebben) .
  2. יַעֳקֹב =ja`äqobh (Jakob) . Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) . Gn 32,25 .
  3. Ned. : jaar . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . D. : Jahr . E. : year . Fr. : an of année . Grieks : ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Hebreeuws : שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Latijn : annus (jaar) .
  4. - jâ`ats (raden, besluiten) , zie Ps 1,1 .
  5. יָבַשׁ = jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) . Taalgebruik in Tenakh : jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) .
    1. zelfst. naamw. יַבָּשָׁה = jabbâsjâh (droog land, land, het droge) .
      1. הַיַּבָּשָׁה = jabbâsjâh (het droog land, het land, het droge) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Gn 1,9 .
        1. לַיַּבָּשָׁה = lajjabbâsjâh (tot het droge) < prefix voorzetsel lë + prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Gn 1,10 .
  6. יַבֹּק = jabboq (Jabbok) . Taalgebruik in Tenakh : jabboq (Jabbok) .
    1. הַיַּבֹּק = hajjabbok (de Jabbok) . Gn 32,23 .
  7. יָחַם = jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) .
    1. וַיֵּחַמְנָה = wajechamënâh (het werd bronstig) < waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. vr. mv. .
  8. יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Taalgebruik in Tenakh : jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) . Gn 22,6 .
  9. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) . Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) .
    1. יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. + bijvoegl. naamw. . Gn 22,16 .
  10. יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) .
    1. יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,8 .
      1. עַל יָדֶךָ = `al jâdèkhâ (op jouw hand) . Dt 6,8 .
    2. יָדָיו = jâdâ(j)w (zijn handen) . zelfst. naamw. mann. mv. stat. construct. jâd (hand) + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Dt 34,9 . Lc 24,50 .
    3. מִיַּד אֹיְבִינוּ = mijjad ´ojëbhe(j)nû (uit de hand van onze vijanden) . Lc 1,74 .
  11. יָדַע = jâda` (kennen, weten) . Taalgebruik in Tenakh : jâda` (kennen, weten) .
    1. act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֵדַע = ´eda` (ik zal weten/kennen) . Gn 15,8 .
  12. - jâd`a (kennen, weten) , zie Jr 1,5 .
  13. יָדָה = jâdah (loven, prijzen) . Taalgebruik in Tenakh : jâdah (loven, prijzen) .
    1. act. hifil perf. 3de pers. vr. enk. הוֹדָה = hôdâh (zij lofprijst) .
    2. act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. יוֹדֶה = jôdèh (hij zal lofzingen) .
    3. act. hifil imperf. 1ste pers. enk. אוֹדֶה = ´ôdèh (ik zal lofzingen, ik loof) . Ps 111,1 .
    4. act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. יוֹדוּ = jôdû (zij loven) .
    5. act. hifil imperat. 2de pers. mann. mv. הוֹדוּ = hôdû (looft, prijst) .
    6. וּמוֹדֶה = ûmôdèh (en de lofprijzende) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm hifil part. mann. enk. .
  14. יָהַב = jâhab (geven, aanstellen) . Taalgebruik in Tenakh : jâhab (geven, aanstellen) .
    1. act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. הָבִי = hâbhî (geef) .
  15. ָקָע = jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) . Taalgebruik in Tenakh : jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) .
  16. יָלַד = jâlad (voortbrengen) . Zie het zelfst. naamw. יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte , kind . Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind . Lc 1,31 .
    1. actief perfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud יָלְדָה = jâlëdâh (zij baarde) . Gn 16,1 .
      1. אֲשֶׁר יָלְדָה = äsjèr jâlëdâh (die zij baarde) . Gn 16,15 .
    2. וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) < prefix voegwoord wë consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 5,3 .
    3. וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = wëjoladëth / wëjolèdèth (en barende) < prefix verbindingswoord wë + act. qal part. vr. enk. . Gn 16,11 . Lc 1,31 .
      1. וְיֹלֶדֶת בֵּן = wëjolèdèth ben (en barende een zoon) . Js 7,14 .
    4. בְּלֶדֶת = bëlèdèth (bij het baren van, toen baarde) < prefix voorzetsel bë + act. qal inf. construct. .
  17. יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) .
    1. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Ex 15,19 .
    2. mann. mv. יַמִּים = jammîm (zeeën) .
    3. מִיַּם = mijjam (van de zee van) < prefix voorzetsel min + zelfst. naamw. יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Ex 23,31 .
  18. יָנַק = jânaq (zuigen, genieten) . Taalgebruik in Tenakh : jânaq (zuigen, genieten) . Lc 1,41 .
    1. act. qal part. praes. mann. יוֹנֵק = jôneq (de zuigende, zuigeling) . Lc 1,41 .
  19. יָפָה = jâphâh (mooi) . Taalgebruik in Tenakh : jâphâh (mooi) .
  20. יָקָע = jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) . Taalgebruik in Tenakh : jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) .
  21. יָקַר = jâqar (kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâqar (kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn) .
  22. יָרָא = jârâ´ (vrezen, eerbied hebben) . Taalgebruik in Tenakh : jârâ´ (vrezen, eerbied hebben) .
    1. וַיִּירְאוּ = wajjîr´û (en zij vreesden) < prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. . Mc 5,15 .
    2. act. ind. imperf. 2de pers. mann. enk. תִירָא = thîrâ´ (jij zult vrezen) . Dt 6,13 .
      1. תִירָא אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ = thîrâ´ ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ (jij zult vrezen JHWH, jouw God) . Dt 6,2 .
      2. אַל תִירָא = ´al thîrâ´ (vrees niet) . Lc 1,13 . Lc 2,10 .
      3. אַל תִירָאוּ = ´al thîrâ´û (vreest niet) . Lc 1,13 . Lc 2,10 .
      4. act. qal part. mann. enk. יָרֵא = jâre´ (vrezende) .
  23. יָרָה = jârâh (1. werpen. 2. doen regenen. 3. onderwijzen) . Taalgebruik in Tenakh : jârâh (1. werpen. 2. doen regenen. 3. onderwijzen) .
    1. מוֹרַי = môraj (mijn meermeester) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. .
  24. יָרָבְעָם = jârâbhë`âm (Jerobeam) . Taalgebruik in Tenakh : jârâbhë`âm (Jerobeam) .
  25. יָרַד =jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in Tenakh : järad (afdalen, afstijgen, vallen) . Lc 8,23 .
    1. act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֵרֵד = ´ered ( ik daalde af) . Lc 8,23 .
    2. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 1ste pers. enk. וָאֵרֵד = wâ´ered (en ik daalde af) . Lc 8,23 .
    3. verbindingswoord wa + werkw.vorm act. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. וַיֵּרֶד = wajjerèd (en hij daalde - neer -) . Lc 8,23 .
      1. act. qal part. mann. enk. יֹרִד = jored (afdalende) . Ps 133,2 .
    4. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. רֵד = red (daal af) .
    5. שֶׁיֹּרֵד = sjèjjored (die neerdalende) < prefix betrekk. voornaamw. + act. qal part. mann. enk. . Ps 133,2 .
  26. jârasj (erven, bezitten, in bezit nemen) . Taalgebruik in Tenakh : (erven, bezitten, in bezit nemen) .
  27. יַּרדֵןְ = jarëden (Jordaan) . Taalgebruik in Tenakh : jarëden (Jordaan) . Mc 3,8 .
  28. jâsad (zetten; beraadslagen) , zie Ps 2,2 .
  29. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Ef 1,1 .
    1. act. hifil imperfect. 3de pers. enk. יוֹשִׁיעַ = jôsjî`a (hij zal redden) . Mt 1,21 .
    2. וְיֹשִׁעֵנוּ = wëjosji`enû (en dat hij ons zal redden) < prefix verbindingswoord wë + act. hifil jussief 3de pers. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mv. . Lc 1,74 .
    3. מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende, de redder ) act. part. hifil nom. mann. enk. . Mc 1,1 .
  30. יָשַׁב = jâsjabh (wonen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen) .
    1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. יָשַׁב = jâsjabh (hij verbleef) . Gn 13,12 .
    2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שִׁב = sjeb (zit, blijf) .
    3. act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. שְׁבִי = sjëbhi (zit, blijf) .
    4. בְּשִׁבְתְּךָ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou) < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act. inf. construct. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,7 .
      1. בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ bëbthe(j)thèkhâ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou in jouw huis) . Dt 6,7 .
        1. בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ בְּשִׁבְתךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ = bësjibhëthëkhâ bëbthe(j)thèkhâ ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch ûbhësjâkhëbëkhâ ûbëqûmèkhâ (in het zitten van jou in jouw huis en in jouw gaan op de weg en in jouw zitten en in jouw opstaan) . Dt 6,7 .
    5. act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. יוֹשִׁיב = jôsjîbh (hij deed wonen/blijven/verblijven) .
  31. jâsjab (wonen) , zie katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
    - Jasôn (Jason) , zie Hnd 17,7 .
  32. יָשַׁר = jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn) .
    1. וַיִּשַּׁרְנָה = wajjisjsjarënâh (en ) < waw consecutivum + act; qal imperf. 3de pers. vr. mv. . 1 S 6,12 .
  33. יָתַר = jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) . Taalgebruik in Tenakh : jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) .
    1. prefix voegwoord wa-consecutivum + pass. nifal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּוָּתֵר = wajjiwwâther (en hij werd achtergelaten) . Gn 32,25 .
  34. יָצָא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) .
    1. act. qal qatal (perf.) 3de pers. mann. enk. יָצָא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Gn 25,26 .
    2. act. qal perf. 3de pers. mann. mv. יָצְאוּ = jâtsë´û (zij gingen uit) . Gn 10,14 .
      1. יָצְאוּ מִשָּׁם = jâtsë´û misjsjâm (zij gingen uit vandaar) . Gn 10,14 .
    3. וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mann. enk. . Mc 2,13 .
      1. וַיֵּצֵא מִשָּׁם = wajjetse´ misjsjâm (en vandaar ging hij uit) . Mc 6,1 .
    4. וַיֵּצְאוּ = wajjetsë´û (en zij gingen uit) : waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk meervoud . Gn 12,5 .
    5. -
      1. בְּצֵאת = bëts´eth (in uittrekken) < voorzetsel bë + act. qal inf. stat. construct. . Ps 114,1 .
      2. בְּצֵאתוֹ = bëtse´thô (in het buitengaan hem = toen hij buitenging uit) < prefix voorzetsel bë + act. inf. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. .
    6. הוֹצִיא = hôtsî´ (hij deed uitgaan) : (1) act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. OF (2) act. hifil imperatief 2de pers. enk . Ex 12,51 . Lc 24,50 .
      1. יְהוָה הוֹצִיא = hôtsî´ JHWH (JHWH deed uitgaan) . Ex 12,51 .
        1. הוֹצִיא יְהוָה אֶתְכֶם = hôtsî´ JHWH ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) . Lc 24,50 .
        2. יְהוָה הוֹצִיא אֶתְכֶם = JHWH hôtsî´ ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) . Lc 24,50 .
      2. הוֹצֵאתִיךָ = hôtse´thîkhâ (ik leidde je uit) < werkwoordvorm act. hifil perf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Ex 20,2
        1. אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ = ´äsjèr hôtse´thîkhâ (die deed uitgaan) . Ex 20,2 .
    7. act. qal imperf. 3de pers. vr. enk. jussief תוֹצֵא = thôtse`(dat zij doet uitgaan) .
    8. וַיּוֹצֵא = wajjôtse´ (en hij deed uitgaan) < waw consec. + werkw.vorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. (jiqtol) . Gn 48,12 .
    9. יוֹצִיאֵם = jôtsî´em (hij deed hen uitgaan) < werkwoordvorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv.
    10. וַיּוֹצִיאֵם = wajjôtsî´em (en hij deed hen buitengaan) < wë consecutivum + werkwoordvorm act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Lc 24,50 .
    11. לְהוֹצִיא = lëhôtsî´ (om te doen uitgaan) <prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. hifil inf. constr. . Js 42,7 .
  35. jâtsabh (zich stellen, toegang hebben) , zie Ps 2,2 .
  36. יָצַק = jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten) .
    1. וַיִּצֹק = wajjitsoq (en hij goot uit) < prefix wa consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Lv 8,12 .
  37. jâtsar (vormen) , zie Jr 1,5 .
    - jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen), zie Ps 38,22
  38. ιδου = idou (zie) . Ps 133,1 . Lc 1,31 . Lc 24,4 .
    1. ιδου δυο = idou duo (zie 2) . Lc 24,4 .
      1. ιδου δυο ανδρες = idou duo andres (zie 2 mannen) . Lc 24,4 .
    2. ιδου ανδρες = idou andres (zie mannen) . Lc 24,4 .
      1. ιδου oἱ ανδρες = idou hoi andres (zie de mannen) . Lc 24,4 .
    3. και ιδου = kai idou (en zie) . Lc 1,31 .
      1. και ιδου δυο = kai idou duo (zie 2) . Lc 24,4 .
      2. και ιδου δυο ανδρες = kai idou duo andres (en zie 2 mannen) . Lc 24,4 .
      3. και ιδου ανδρες = kai idou andres (en zie mannen) . Lc 24,4 .
      4. και ιδου oἱ ανδρες = kai idou hoi andres (en zie de mannen) . Lc 24,4 .
      5. και ιδου ανδρες δυο = kai idou andres duo (en zie 2 mannen) . Lc 24,4 .
    4. ιδου συ = idou su (zie jij) . Gn 16,11 .
  39. ιδυμαια = idumaia (Idumea) . Taalgebruik in het NT : idumaia (Idumea) .
    1. gen. vr. enk. ιδυμαιας = idumaias (van Idumea) . Mc 3,8 .
  40. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Mc 3,7 . Ef 1,1 .
    1. אֶל יְהוֹשֻׁעַ = ´èl jëhôsju`a (tot Jozua) . Joz 2,23 .
      1. אֶל יְהוֹשֻׁעַ בִן נוּן = ´èl jëhôsju`a bin nûn (tot Jozua, zoon van Nun) . Joz 2,23.
  41. יְהוּדָה = jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Lc 1,5 .
    - jëhôsju`a (Jozua) , zie Joz 5,9 .
  42. יֶרֶק = jèrèq (het groen bij planten) . Taalgebruik in Tenakh : jèrèq (het groen bij planten) . Gn 1,30 .
  43. ιερουσαλην = ierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het NT : ierousalèm (Jeruzalem) . Lc 17,11 .
    1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 .
    2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc 17,11 .
  44. יֵשׁ / יֶשׁ = jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn) . Taalgebruik in Tenakh : jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn) .
  45. יְשַׁעְיָהוּ = jësja`ëjâhû (Jesaja) . Taalgebruik in Tenakh : jësja`jâhû (Jesaja) .
    1. יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja, de profeet) . 2 K 19,2 .
      1. יְשַׁעְיָהוּ בֶּן אָמוֹץ הַנָּבִיא = jësja`ëjâhû bèn ´âmôts hannabhî ´ (Jesaja, zoon van Amots, de profeet) . 2 K 19,2 .
  46. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Mc 5,15 .
    1. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Mc 1,14 . Mc 10,52 . Lc 18,42 .
    2. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) . Mc 10,52 .
      1. ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) . Joh 5,1 .
      2. ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) . Joh 5,1 .
      3. απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) . Joh 5,1 .
      4. εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) . Joh 5,1 .
      5. ερχεται ὁ Ιησους = erchetai ho Ièsous (Jezus komt) . Joh 4,46 .
      6. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) . Mc 10,52 . Lc 18,40 .
      7. και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) . Mc 10,52 . Lc 18,42 .
        1. και ὁ ιησους ειπεν = kai ho ièsous (en Jezus) eipen (en Jezus zei) . Lc 18,42 .
          1. και ὁ ιησους ειπεν αυτῳ = kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (en Jezus zei hem) . Mc 10,52 .
      8. ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) . Mc 10,52 . Lc 18,42 .
        1. ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei ) . Lc 18,42 .
          1. ὁ δε ιησους ειπεν αυτῳ = ho de ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) . Mc 10,52 .
    3. gen. mann. enk. ιησου = Ièsou (Jezus) . Mt 14,1 . Mc 1,1 . Kol 1,1 .
      1. ιησου χριστου = Ièsou Christou (Jezus Christus) . Mc 1,1 . Kol 1,1 .
    4. acc. mann. enk. ιησουν = Ièsoun (Jezus) .
      1. τον ιησουν = ton ièsoun (Jezus) . Mc 5,15 .
        1. προς τον ιησουν = pros ton Ièsoun (naar Jezus) . Mc 5,15 .
  47. jithërô (Jetro) , zie Ex 3,1 .
  48. יהוה = JHWH . Taalgebruik in Tenach : JHWH . Ex 20,5 . Dt 1,8 . Dt 6,13 . Js 61,9 . Ps 84,2 . Lc 4,18 .
    1. כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH) . Dt 4,24 .
      1. כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) . Dt 4,24 .
    2. אֵת OF אֶת יהוה = ´eth OF ´èth JHWH (JHWH) . Dt 6,2 .
    3. אֲדֹנָי יהוה = ´ädonaj JHWH (Heer God) . Lc 4,18 .
    4. יהוה אֱלֹהֵי = JHWH ´èlohe(j) = JHWH , de God van... Lc 1,68 .
    5. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) . Ex 20,2 . Dt 5,12 .
      1. כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) . Dt 4,4. .
      2. יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) . Ex 20,12
      3. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (JHWH, jouw God, die) .
      4. . Dt 6,2 .
        1. אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ תִירָא = ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ thîrâ´ (JHWH, jouw God , zal je vrezen) . Dt 6,2 .
    6. יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, jullie God) . Ex 20,2 .
    7. יהוה אֱלֹהֵינוּ = JHWH ´è:lohe(j)nû (JHWH, onze God) . Dt 6,4 .
    8. בַּיהוה = bJHWH (in/aan JHWH) < bë + יהוה = JHWH . Gn 15,6 . Ps 35,9 .
    9. כַּיהוה = kJHWH < kë + JHWH . Dt 4,7 .
      1. כַּיהוה אֱלֹהֵינוּ = kJHWH ´êlohe(j)nû (als JHWH , onze God) . Dt 4,7 .
    10. לַיהוה = lJHWH (voor JHWH) < prefix voorzetsel lë + . Ex 20,10 .
  49. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Mc 1,1 .
  50. Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .
  51. inimicitia (vijandschap) .
    1. acc. vr. enk. inimicitiam . Gn 3,15 .
    2. acc. vr. mv. inimicitias . Gn 3,15 .
  52. involvere , involvi , involutum (wentelen, rollen, wikkelen in) . Lc 23,53 .
  53. bëne jisërâ`el (Israëlieten) , zie Ex 40,36 .
  54. ιωαννης = Jôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) .
    1. ιωαννου = Jôannou (van Johannes) . Mc 6,24 . Hnd 12,12 .
    2. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn (Johannes) . Mc 1,14 . Mc 6,17 .
  55. Iôannès (Johannes) 26X bij Matteüs. 23X Johannes de Doper. 3X Johannes, apostel - Iordanès (Jordaan. 6X bij Matteüs)
  56. יוֹבֵל = jôbhel (ram / jobel , vergeving) . Taalgebruik in Tenakh : jôbhel (ram / jobel , vergeving) .
    1. בַיֹּבֵל = bajjobhel (in de jobel , in de vergeving) < prefix voorzetsel bë = bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. jobhel . Lc 4,18 .
  57. jô´el (Joël) . Taalgebruik in Tenach : jô´el (Joël) . Taalgebruik in Joël : jô´el (Joël) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , aleph = 1 c, lamed = 12 of 30 ; totaal : 29 OF 47 . Gr. iôèl (Joël) . Taalgebruik in de Septuaginta : iôèl (Joël) .
  58. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) .
    1. יוֹם = jôm (dag) .
      1. אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag) . Ex 20,8 .
    2. בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw. ha) + יוֹם = jôm (dag) . Gn 1,18 . Gn 22,4 .
      1. בַּיּוֹם הַהוּא = bajjôm hahû´ (op die dag) . Zach 12,3 .
        1. וְהָיָה בַּיּוֹם הַהוּא = wëhâjâh bajjôm hahû´ (en het zal zijn op die dag) . Zach 12,3 .
      2. בַּיּוֹם הַשְּׁביעִי = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag) . Lv 23,3 .
        1. וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag) . Lv 23,3 .
      3. בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי = bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) .
    3. הַיּוֹם = hajjôm (de dag, vandaag) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. . Gn 1,14 . Mt 6,11 .
      1. הַיּוֹם הַזֶּה אָהֵל = hajjôm hazzeh ´âchel (deze dag begin ik) . Dt 2,25 .
    4. וְיוֹם = wëjôm (en op de dag) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Ex 20,10 .
      1. וְיוֹם הַשְּׁבִיעִי = wëjôm hasjsjëbhî`î (en 'op' de zevende dag) . Ex 20,10 .
    5. mann. mv. יָמִים = jâmîm (dagen) . Lv 23,3 . Lc 8,22 .
      1. stat. constr. mann. mv. יְמֵי = jëme(j) (dagen van) .
      2. הַיָּמִים = hajjâmîm (de dagen) < prefix bepaald lidw. ha + nom. mann. mv. van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Lc 8,22 .
        1. בְּאַחֱרִית הַיָּמִים = bë´achärîth hajjâmîm (in de laatste dagen) . Dt 4,30 .
    6. בַּיָּמִּים = bajjâmîm (in de dagen) < voorzetsel bë + zelfst. naamw. mann. mv. van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Lc 1,5 .
      1. בִּימֵי = bîme(j) < voorzetsel bë + stat. constr. mann. mv. OF בְיָמָי = bëjâmâj (in mijn dagen) <bë + stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Lc 1,5 .
  59. jôm (dag) , zie Ex 2,23 .
  60. יוֹנָה = jônâh (Jona) . Taalgebruik in Tenakh : jônâh (Jona) . Jon 1,3 .
  61. ιωνας = iônas (Jona) . Taalgebruik in het NT : iônas (Jona) . Jon 1,3 .
  62. ιορδανης = iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het NT : iordanès (Jordaan) . Mc 3,8 .
    1. gen. mann. enk. ιορδανου = iordanou (van de Jordaan) . Mc 3,8 .
  63. וֹרֶה = jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) . Taalgebruik in Tenakh : jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) . Dt 11,14 .
  64. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Gn 37,28 . Lc 1,27 .
    1. אֶת יוֹסֵף = ´èth jôseph (Jozef) . Gn 37,28 .
  65. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Mc 15,45 . Lc 1,27 .
    1. τον ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Gn 37,28 .
  66. יוּסִי = iôsî (Jozef) .
  67. ιουδαια = ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Lc 1,5 .
    1. nom. vr. enk. ιουδαια = ioudaia (Judea) en dat. vr. enk. ιουδαιᾳ = ioudaia(i) . Lc 21,21 .
    2. gen. vr. enk. ιουδαιας = ioudaias (van Judea) . Mc 3,7 . Lc 1,5 .
      1. απο της ιουδαιας = apo tès ioudaias (vanaf Judea) . Mc 3,7 .
      1. εk της ιουδαιας = ek tès ioudaias (uit Judea) . Joh 4,3 .
    3. -
      1. εν τῃ ιουδαιᾳ = en tè(i) ioudaia(i) (in Judea) . Joh 4,3
    4. -
      1. εις την ιουδαιαν = eis tèn ioudaian (naar Judea) . Joh 4,3 .
  68. ισχυω = ischuô (sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn , kunnen) . Taalgebruik in het NT : ischuô (sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn , kunnen) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ισχυεν = ischuen (hij was bij machte) . Mc 5,4 .
  69. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Lc 2,25 .
    1. אִישׁ צַדִּיק = ´isj tsaddîq (rechtvaardig . Lc 2,25 .
  70. יִשְׁמָעֵאל = jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Gn 25,13 .
    1. אֶת יִשְׁמָעֵאל = ´èth jisjëmâ`e´l (Ismaël) . Gn 16,16 .
  71. ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Lc 1,16 .
  72. יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Gn 32,29 . Dt 4,1 . Lc 1,16 . 1 S 8,4 .
    1. בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) . Ex 16,15 .
      1. וּבְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ûbhënê jishërâ´el (en de zonen van Israël, Israëlieten) . Ex 16,15 .
    2. יִשְׂרָאֵל מַה / מָה = jishërâ´el (Israël) mah / mâh (Israël, wat?) . Dt 10,12 .
  73. יִצְחָק = jitsëchaq (Isaak) . Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak) .
  74. עִוֵּר = `iwwer (blind) . Taalgebruik in Tenakh : `iwwer (blind) . Mc 10,46 .
    1. mann. mv. עִוְרִים = iwërîm (blinden) . Lc 4,18 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


K
  1. כָעַס = kâ`as (zich ergeren, vertoornen) . Taalgebruik in Tenakh : kâ`as (zich ergeren, vertoornen) .
    1. כַעַס = ka`as (toorn, gramschap, verdriet) .
  2. כָּבָה = kâbhâh (geblust worden, uitgaan) . Taalgebruik in Tenakh : kâbhâh (geblust worden, uitgaan) .
    1. act. qal perf. 3de pers. mann. mv. כָּבוּ = kâbhû (zij werden geblust) .
  3. כָּבַד = kâbhad (zwaar zijn, verheerlijken) . piël : eren ; nifal : verheerlijkt worden .
    1. act. piël imperatief 2de pers. mann. enk. כַּבּד = kabbed (eer) . Ex 20,12 .
    2. מְכַבְּדֶיהָ = mëkhabbëdèjhä (zij die haar verheerlijken) .
  4. כָבַשׁ = kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) . Taalgebruik in Tenakh : kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) . Hifil : onderwerpen .
    1. וְכִבְשֻׁהָ = wëkibësjuhâ (en onderwerpt haar) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal imperat. 2de pers. mann. mv. .
  5. כַבוֹד = kabhôd (heerlijkheid) . Taalgebruik in Tenakh : kabhôd (heerlijkheid) . Lc 2,9 .
    1. כַּבֹד יהוה = këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH) . Lc 2,9 .
    2. וּכַבֹד = ûkhëbhôd (en de heerlijkheid) . Lc 2,9 .
      1. וּכַבֹד יהוה = ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) . Lc 2,9 .
  6. כַד = kad (kruik) . Taalgebruik in Tenakh : kad (kruik) .
  7. כַף = khaph (handpalm) . Taalgebruik in Tenakh : khaph (handpalm) .
  8. καφαρναυμ = kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het NT : kafarnaoum (Kafarnaüm) .
  9. και = kai (nevensch voegw : en) . D.: und . E. : and . Fr.: et . Lat.: et . Hebr. : וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Mc 1,4 . Mc 4,35 . Mc 4,39 . Mc 10,52 . Mc 15,42 . Mc 15,46 . Lc 1,68 . Lc 4,36 . Lc 5,30 . Lc 15,1 .
    1. και ὁ = kai de (en de) . Mc 10,52 . Lc 18,40 .
    2. και οἱ = kai hoi (en de) . Lc 15,1 .
    3. και ιδου = kai idou (en zie) . Lc 1,31 .
    4. και ουκ = kai ouk . Lc 1,7 .
      1. και ουκ ην = kai ouk èn (en er was niet) . Lc 1,7 .
  10. καινος = kainos (nieuw) . Taalgebruik in het NT : kainos (nieuw) . Lc 22,20 .
    1. nom. vr. enk. καινη = kainè . Lc 22,20 .
  11. kairos (hét moment ) bij Marcus, zie Mc 1,15 : Mc 1,14-15 -
    - Kaisar (keizer) , zie Lc 3,1 .
    - Kaisareia (Cesarea) , zie Hnd 10,1 .
  12. κακοω = kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen) . Taalgebruik in het NT : kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκακωσεν = ekakôsen (hij behandelde slecht) . Dt 8,3 .
  13. כָּלָה = kâlâh (voltooien, eindigen) . Taalgebruik in Tenakh : kâlâh (voltooien, eindigen) .
    1. act. qal perf. 3de pers. mann. mv. kâlû (zij eindigen) .
    2. act. qal imperat. 2de pers. vr. enk. כְּלִי = këlî .
    3. וַיְכַלּוּ = wajëkullû (en zij werden voltooid) < prefix voegwoord waw consecutivum + pass. pual 3de pers. mv. . Gn 2,1 .
  14. khâlâh (ophouden, vergaan) , zie 1 K 17,14 .
    - khâlam ( zich schamen, versmaden, beschaamd maken), zie Ps 35,4 .
  15. כלב = k-l-b . (1) persoonsnaam kâlebh (Kaleb) . (2) zelfst. naamw. kèlebh (hond) . (3) këlebh (als een hart) < kë + lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : kâlebh (Kaleb) . 1 .
    1. וַכָלֵב = wakhâlebh (en Kaleb) . 1 Kr 2,18 .
  16. καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) . Gn 25,26 .
      1. και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) . Gn 1,5 .
    2. act. inf. aor. καλεσαι = kalesai (om te roepen) . Js 61,2 .
  17. kaleô (roepen) , zie Gal 5,13 .
  18. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) . Gn 1,4 .
    1. nom. onz. enk. + acc. mann. en onz. enk. καλον . Gn 1,4 .
  19. καλως = kalôs (goed) . Bijwoord . Taalgebruik in het NT : kalôs (goed) . Mc 12,28 .
  20. Kana (Kana). Plaatsnaam, zie Joh 2,11 .
  21. Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . Mc 1,23
    - Khënâ`an (Kanaän) , zie Gn 10,6 .
  22. כָנַס = kânas (verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : kânas (verzamelen) .
  23. כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Mc 2,1 .
  24. כָּפָר / כֹּפֶר = kâphâr / kophèr (dorp) . Taalgebruik in Tenakh : kâphâr / kophèr (dorp) . Mc 2,1 .
  25. כָרַת = kârath (snijden, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : kârath (snijden) .
    1. כָרַת יהוה = kârath JHWH (JHWH sloot / sneed) . Ex 24,8 .
  26. kârath (snijden) , zie Gn 15,18 .
  27. καρδια = kardia (hart) . Taalgebruik in het NT : kardia (hart) . Dt 6,5 .
    1. εξ ὁλης της καρδιας σου = ex holès tès kardias sou (uit heel je hart) . Dt 6,5 .
      1. εξ ὁλης της καρδιας σου και εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès kardias sou kai ex holès tès psuchès sou (uit heel je hart en uit heel je ziel) . Dt 6,5 .
  28. karpos (vrucht) , zie Joh 15,2
  29. καρποφορεω = karpoforeô (vrucht dragen) . Zie het werkw. καρπος = karpos (vrucht) . Taalgebruik in het NT : karpos (vrucht) .
    1. pass. part. nom. mann. enk. καρποφορουμενον = karpoforoumenon (vrucht dragend) . Kol 1,6 .
  30. כָּסָה = kâsâh (bedekken) . Taalgebruik in Tenakh : kâsâh (bedekken) .kâsâh (bedekken) , zie Nu 9,15 .
    1. prefix verbindingswoord wë en werkwoordvorm actief piel imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיְכַס = wajëkhas (en hij bedekte) . Nu 22,11 .
    2. prefix verbindingswoord wë + act. piel wajjiqtol (imperfectum) 3de pers. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. וַיְכַסֻּהוּ = wajëkassuhû (en zij bedekten hem) . 1 K 1,1 .
  31. כָשַׁל = kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) . Taalgebruik in Tenakh : kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) . Lc 17,1 .
    1. מִכְשֹׁל = mikhësjol (struikelblok, valstrik, aanleiding, ergernis) . Lc 17,1 .
  32. κατα = kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Mc 4,10 .
    1. κατα μονας = kata monas (afzonderlijk) . Mc 4,10 .
  33. καταβαινω = katabainô (naar beneden dalen , afdalen) . Taalgebruik in het NT : katabainô (neerdalen, afdalen) . Lc 8,23 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. κατεβαινεν = katebainen (hij daalde af) . Lc 10,31 .
    2. act. ind. aor. 1ste pers. enk. κατεβην = katebèn (ik daalde af) . Lc 8,23 .
    3. act. ind. aor. 3de pers. enk. κατεβη = katebè (hij daalde neer) . Lc 8,23 .
  34. κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het NT : katakeimai (neerliggen) .
    1. ind. imperf. 3de pers. enk. κατεκειτο = = katekeito (hij / zij lag neer) . Mc 1,30 .
    2. inf. praes. κατακεισθαι = katakeisthai (neerliggen) . Mc 2,15 .
    3. part. praes. gen. mann. enk. κατακειμενου = katakeimenou (terwijl hij neerligt) . Mc 14,3 .
  35. καταλειπω = kataleipô (verlaten, achterlaten) . Taalgebruik in het NT : kataleipô (verlaten, achterlaten) .
  36. κατακοπτω = katakoptô (neerslaan, doden) . Taalgebruik in het NT : katakoptô (neerslaan, doden) .
    1. act. part. praes. nom. mann. enk. κατακοπτων = katakoptôn (neerslaand, dodend) . Mc 5,5 .
  37. καταπαυω = katapauô (ophouden) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. κατεπαυσεν = katepausen (hij hield op) . Gn 49,33 .
  38. καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) . Taalgebruik in het NT : katapetasma (voorhangsel) .
    1. nom. + acc. onz. enk. καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) . Mc 15,38 .
  39. καταρτιζω = katartizô (inrichten, in orde brengen, herstellen) . Taalgebruik in het NT : katartizô (inrichten, in orde brengen, herstellen) .
  40. κατασκεδαννυμι = kataskedannumi (uitstrooien, uitgieten, verbreiden) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. κατεσκεδασεν = kateskedasen (hij goot uit) . Ex 24,8 .
  41. kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
  42. κατεσθιω = katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) . Taalgebruik in het NT : katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) . Mc 4,4 .
  43. katha (zoals), zie Mt 21,6 .
  44. כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Mc 1,2 .
    1. וְכָתַבְתָּ = wëkhâthabhëthâ (en jij zult schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act. qal perf. 2de pers. mann. enk. . Dt 27,8 .
    2. וּכְתַבְתָּם = ukhëthabh¨thâm (en jij zult ze schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act. qal perf. 2de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. . Dt 6,9 .
    3. וַיִּכְתֹּב = wajjikhëthobh (en hij schreef) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Dt 31,9 .
      1. וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה = wajjikhëthobh mosjèh (en Mozes schreef) . Dt 31,9 .
    4. כַּכָּתוּב = kakâthûbh (zoals het geschrevene) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + passief qal partic. mann. enk. . Mc 1,2 .
  45. καθαιρεω = kathaireô (naar beneden nemen, afnemen) . Taalgebruik in het NT : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) . Mc 15,46 .
    1. act. part. aor. nom. mann. enk. καθελων = kathelôn (afnemend) . Mc 15,46 .
  46. καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in het NT : katharizô (schoon maken, reinigen) .
    1. act. inf. aor. καθαρισαι = katharisai (om te reinigen) . Mc 1,40 .
    2. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εκαθαρισθη = ekatharisthè (hij werd gereinigd) . Mc 1,42 .
    3. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εκαθαρισθησαν = ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) . Mc 1,42 .
  47. κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) .
    1. act. ind. fut. 3de pers. enk. κατασκευασει = kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) . Mc 1,2 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. κατασκευασας = kataskeuasas (uitrustende) .
  48. κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het NT : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. κατηγορουν = katègoroun (zij bleven beschuldigen/ aanklagen) . Mc 15,3 .
    2. act. conjunct. aor. 3de pers. mv. κατηγορησωσιν = katègorèsôsin (zij zouden beschulldigen) . Mc 3,2 .
    3. pass. inf. praes. κατηγορεισθαι = katègoreisthai (tijdens het beschuldigen) . Mt 27,12 .
    4. act. part. praes. nom. mann. mv. κατηγορουντες = katègorountes (beschudigend) . Lc 23,10 .
  49. κατεσθιω = katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) . Taalgebruik in het NT : katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) . Mc 4,4 .
  50. καθημαι = kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het NT : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Mc 16,5 .
    1. ind. imperfect. 3de pers. enk. = εκαθητο = ekathèto . Mc 10,46 .
    2. part. praes. acc. mann. enk. καθημενον = kathèmenon (gezeten) . Mc 16,5 .
  51. kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) , zie Mt 28,2 .
  52. καθευδω = katheudô (slapen) . Taalgebruik in het NT : katheudô (slapen) .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εκαθευδεν = ekatheuden (hij sliep) . Jon 1,5 .
    2. act. ind. praes. nom. mann. enk. καθευδων = katheudôn (slapende) . Mc 4,38 .
    3. act. part. praes. acc. mann. mv. καθευδοντας = katheudontas (slapend) . Mc 14,37 .
  53. καθιζω = kathizô (zitten) . Taalgebruik in het NT : kathizô (zitten) .
    1. act. part. aor. nom. mann. enk. καθισας = kathisas (gezeten) . Lc 5,3 .
  54. καθως = kathôs (zoals) . Mc 1,2 . Lc 1,2 . Lc 1,55 . Lc 17,26 . Lc 22,13 .
    1. καθως ειπεν = kathôs eipen (zoals hij zei) . Mc 1,2 .
    2. καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) . Mc 1,2 .
    3. καθως ελαλησεν = kathôs elalèsen (zoals hij sprak) . Lc 1,70 .
  55. katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13 .
    - kaô (in brand steken, verbranden) , Mt 13,40 .
    - keimai (liggen, rusten) , zie Lc 5,1 .
  56. κεφαλη = kefalè (hoofd) . Taalgebruik in het NT : kefalè (hoofd) .
  57. כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Lc 1,55 .
    1. כָמֹנכָה = kâmokhâh (als jou) < voorzetsel + bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Ex 15,11 .
  58. כֶן = ken (zo) . Hnd 12,8 .
  59. כְּנָעַן = kënâ`an (Kanaän) . Taalgebruik in Tenakh : kënâ`an (Kanaän) .
  60. kënâ`an (Kanaän) , zie Gn 12,5 .
    - Qênân = Qenan (Kenan) , zie Gn 5,9
  61. κερας = keras (hoorn) . Taalgebruik in het NT : keras (hoorn) .
    1. κερας σωτηριας = keras sôtèrias (hoorn / kracht van redding) . Lc 1,69 .
  62. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Lc 8,39 .
    1. act. inf. praes. κηρυσσειν = kèrussein (verkondigen) . Mc 1,45 .
    2. act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) . Mc 1,14 . Lc 8,39 .
      1. κηρυσσων βαπτισμα = kèrussôn baptisma (verkondigend) . Mc 1,4 .
        1. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας = kèrussôn baptisma (verkondigend een doopsel van bekering) . Mc 1,4 .
          1. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = kèrussôn baptisma metanoias eis afesin (tôn) hamartiôn (verkondigend een doopsel van bekering tot vergeving van (de) zonden) . Mc 1,4 .
      2. και κηρυσσων = kai kèrussôn (en verkondigend) . Mc 1,4 .
      3. και ην κηρυσσων = kai èn kèrussôn (en hij was verkondigend) . Mc 1,4 .
    3. act. inf. aor. κηρυξαι = kèruxai . Lv 25,10 . Lc 4,18 .
  63. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed) . Taalgebruik in Tenakh : këthonèth (kleed) .
    1. mv. כחֳנֹח = khuthänoth (klederen) . Mc 14,63 .
    2. כָּתְנוֹת = kâthënôth (kleren) . Mc 14,63 .
  64. Ned. : kever . D. : Käfer . E. : chafer . Ook scarab (met metethesis) . In het Hiëroglyfisch geeft de scarabee de klankwaarde ch-p-r weer .
  65. כִּי = kî (want) . Dt 4,24 .
    1. כִּי בוֹ = kî bô (want erop) . Gn 2,3 .
    2. כִּי הוּא = kî hû´ (want hij) . Mc 6,17 .
    3. כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH) .
    4. כִּי קָדוֹשׁ אֱנִי יהוה = kî qâdôsj ´anî JHWH (want heilig ben ik , JHWH) . Lv 19,2 .
    5. כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH) . Lv 19,2 .
  66. כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Gn 25,26 .
    - khoh (zo) , zie Jr 31,7 .
    - kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenach : kî (want, omdat) . kî (want) , zie Jr 31,7 .
  67. Ned. : kind . D. : Kind . E. : child . Fr. : enfant < Lat. : in-fans = niet sprekend) . Gr. : γενος . Lat. gens , -ntis (geslacht, volksstam, afstammeling) . Hiërogl. : hrd . Arabisch : طفل (tifl) . Hebreeuws : יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte , kind . Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind .
  68. כִּנָּה = kînnâh (aanduiden, een bijnaam geven) .
  69. כִּנּוּי = kinnûj (benaming, bijnaam) .
    1. mann. mv. כִּנּוּיִים = kinnûjîm (suffixen van het persoonlijk voornaamwoord) .
    2. הַשֵּׁם כִּנּוּי = kinnûj hasjsjem (voornaamwoord) .
  70. כל = kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Ex 20,9 . Ex 40,38 . Lc 15,1 .
    1. בְכֹל = bëkol (met al, met geheel) . Dt 6,5 .
      1. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw. wë + prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. . Dt 6,5
    2. כְּכֹל / כְּכָל = këkol / këkhâl < kë + kl (al) . Dt 4,8 .
  71. κλαω = klaô (breken) . Taalgebruik in het NT : klaô (breken) . Lc 22,19 .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκλασεν = eklasen (hij brak) . Lc 22,19 .
      1. εκλασεν και εδωκεν = eklasen kai edôken (brak hij en gaf hij) . Lc 22,19 .
  72. κλινω = klinô (doen leunen, neerleggen, neigen) . Taalgebruik in het NT : klinô (doen leunen, neerleggen, neigen) .
    1. act. inf. praes. κλινειν = klinein . Lc 9,12 .
    2. act. ind. perf. 3de pers. enk. κεκλικεν = kekliken (hij is geneigd) .
  73. kludôn (golfslag, vloedgolf, branding), zie Mt 8,24 .
  74. Ned. : knie . Gr. : γονυ = gonu (knie) ; gen. γυνατος = gunatos . Taalgebruik in het NT : gonu (knie) . Lat. : genu . k/g . D. : Knie . E. : knee . Fr. : genou .
    - Arabisch : ركبة (rakba) . Hebreeuws : בֶרֶךְ= bèrèkh) . In het Arabisch staat de b achteraan , in het Hebreeuws vooraan .
  75. - knielen zie prosekunei
  76. κωφος = kôfos (doof) . Taalgebruik in het NT : kôfos (doof) .
  77. כֹהֵן = kohen (priester) . Taalgebruik in Tenakh : kohen (priester) . Lc 1,5.
    1. mann. mv. כֹּהֲנִים = kohänîm (priesters) . 1 K 12,31 .
      1. mann. mv. הַכֹּהֲנִים = hakkohänîm (de priesters) . 2 K 19,2 .
  78. κοιλια = koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) .
    1. gen. vr. enk. κοιλιας = koilias . Gal 1,15 .
  79. κοινωνια = koinônia (gemeenschap) . Taalgebruik in het NT : koinônia (gemeenschap) .
  80. כוֹכָב = kôkhâbh (ster) . Taalgebruik in Tenakh : kôkhâbh (ster) .
    1. הַכּוֹכָבִם = hakkôkhâbhîm (de sterren) < prefix bepaald lidwoord ha + zelfst. naamw. mann. mv. .
    2. כְּכוֹכְבֵי = këkhôkhëbhê (als sterren) < prefix voorzetsel kë + zelfst. naamw. mann. mv. stat. constr. . Dt 10,22 .
      1. כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Dt 10,22 .
      2. כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמָיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) . Dt 10,22 .
  81. kôkhâbh (ster) , zie Gn 15,5 .
  82. nom. mann. enk. κοκκος = kokkos (kern, pit, zaad, graan) . Taalgebruik in het NT : kokkos (kerk, pit, zaad, graan) . Mc 4,31 .
    1. dat. mann. enk. κοκκῳ = kokkô(j) . Mc 4,31 .
      1. κοκκῳ σιναπεως = kokkô(j) sinapeôs (zaad van de mosterd) . Mc 4,31 .
    2. acc. mann. enk. κοκκον = kokkon . Mc 4,31 .
      1. κοκκον σιναπεως = kokkon sinapeôs (zaad van de mosterd) . Mc 4,31 .
  83. kolafizô (oorvijgen geven, mishandelen) , zie Mt 26,67 .
  84. κοπαζω = kopazô (moe worden, gaan liggen) . Taalgebruik in het NT : kopazô (moe worden, gaan liggen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) . Mc 4,39 .
  85. כּוֹס = kôs (beker) . Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) . Lc 22,20 .
  86. κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in het NT : krateô (vastnemen, bemachtigen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast) . Mc 1,31 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. κρατησας = kratèsas (vastgenomen) . Mc 1,31 .
      1. κρατησας της χειρος = kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) . Mc 1,31 .
    3. act. part. aor. mann. mv. κρατησαντες = kratèsantes (overmachtigd, vastgenomen) .
  87. zelfst. naamw. nom. + acc. onz. enk. κρατος = kratos (kracht) . Zie het werkw. κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) . Lc 1,51 .
  88. κραζω = krazô (krijsen, schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in het NT : krazô (schreeuwen, roepen) .
    1. act. part. praes. nom. mann. enk. κραζων = krazôn  (krijsend) . Mc 5,5 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκραξεν = ekraksen (hij schreeuwde) .
    3. act. ind. aor. 3de pers. mv. εκραξαν = ekraksan (zij krijsten) . Mt 8,29 . Mt 14,26 .
    4. act. part. aor. nom. mann. enk. κραξας = kraksas (schreeuwende) . Mc 5,7 .
      1. κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) . Mc 5,7 .
  89. Ned. : kribbe . Arabisch : مَعْلَف = ma`laf (kribbe) . Taalgebruik in de Qoran : ma`laf (kribbe) . Zie het werkw. عَلَفَ = `alafa (voederen, als voer geven) . D. : Krippe . E. : a manger . Fr. : crèche . φατνη = fatnè (krib, ruif) . Taalgebruik in het NT : fatnè (krib, ruif) . Hebreeuws : אֵבוּס = ´ebhûs (kribbe) . Taalgebruik in Tenakh : ´ebhûs (kribbe) . Lat. : praesepium .
  90. ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in het NT : xèrainô (verschrompelen, dor worden) .
    1. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εξηρανθη = exèranthè (het werd verdord) .
    2. pass. part. perf. acc. vr. enk. εξηραμμενην = exèrammenèn (verschrompeld) . Mc 3,3 .
  91. ξηρος = xèros (droog, dor) . Taalgebruik in het NT : xèros (droog, dor) .
    1. acc. vr. enk. ξηραν = xèran  (verschrompeld) . Mc 3,3 .
  92. κτιζω = ktizô (funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen) . Taalgebruik in het NT : ktizô (scheppen) .
    1. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκτισεν = ektisen (hij schiep) .
  93. - kuliô (rollen) , zie Mt 28,2 . Vormen van apokuliô (wegrollen) in : Gn 29,10 . Mc 16,3 . Mc 16,4 . Mt 28,2 .
  94. κυπτω = kuptô (zich bukken, gebukt gaan onder een last) . Taalgebruik in het NT : kuptô (zich bukken, gebukt gaan onder een last) .
    - kurios (heer) . kurie (heer) . In 31 verzen bij Matteüs, zie Mt 7,21 : Mt 7,21-23 -
  95. κυριος = kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Lc 1,68 . Ex 20,2 .
    1. nom. mann. enk. κυριος = kurios (heer) . Lc 1,68 .
      1. κυριος ὁ θεος = kurios ho theos (JHWH God = Heer God) . Lc 1,68 .
    2. gen. mann. enk. κυριου = kuriou (van de heer) . Lc 2,9 . Lc 4,18 .
    3. -
      1. κυριον τον θεον σου = kurion ton theon sou (de Heer jouw God) . Mc 12,30 .
  96. - κυμα = kuma (golf) . Taalgebruik in het NT : kuma (golf) . Mc 4,37 .
    1. onz. mv. κυματα= kumata (golven) . Mc 4,37 .
  97. כּוֹס = kôs (beker) . Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) . Lc 22,20 .
  98. kôfos (doof) . Taalgebruik in het N.T. : kôfos (doof) . Taalgebruik in Mc : kôfos (doof) . k˘fos (doof) , zie Mt 11,4 .
  99. Ned. : kwaken (klanknabootsend geluid van eenden en kikkers) . Oudndl : qua(c)ken) . D. : quaken . E. : croak .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


L
  1. prefix voorzetsel לְ = lë (voor, aan) + suffix persoonl. voornaamw . Taalgebruik in Tenakh : prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw. .
    1. לוֹ = lô (voor hem) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 4,19 .
    2. לִי = lî (voor mij) , prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. enk. . 1 K 17,18 .
    3. l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. לֵךְ = lekh (ga) . Mc 1,24 .
    4. לָנו = lânû (voor ons) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. . Mc 1,24 .
  2. - lâ`ag (bespotten, beschimpen) , zie Ps 2,4 .
  3. לָעָז = lâ`âz (een vreemde taal spreken) . Ps 114,1 .
    1. act. qal part. mann. enk. לֹעֵז = lo`ez (een vreemde taal sprekend) . Ps 114,1 .
  4. lâbhasj (kleden, zich kleden) , zie Bar 5,1 .
  5. λαχανον = lachanon (gekweekte groente) . Mc 4,32 .
    1. gen. onz. mv. λαχανων = lachanôn . Mc 4,32 .
  6. לָיְלָה = lajëlâh (nacht) . Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) . Gn .
    1. הַלָּיְלָה = hallâjëlâh (de nacht) < prefix bepaald lidw. ha + לָיְלָה = lajëlâh (nacht) .
  7. λαιλαψ = lailaps (storm met regenbuien) . Taalgebruik : lailaps (storm met regenbuien) . Lc 8,23 .
    1. λαιλαψ μεγαλη = lailaps megalè (een grote storm met regenbuien) . Mc 4,37 .
  8. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Nu 6,22 . Lc 1,55 .
    1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ελαλει = elalei (hij sprak) . Mc 7,35 .
      1. ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen) . Mc 4,13 .
    2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) . Gn 12,4 . Ex 20,1 . Lc 1,55 .
      1. ελαλησεν προς = elalèsen pros (hij sprak tot) . Lc 1,55 .
      2. ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) . Ex 20,1 . Nu 6,22 .
      3. και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) . Ex 20,1 . Nu 6,22 .
      4. καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak) . Gn 12,4 .
      5. καθαπερ ελαλησεν = kathaper elalèsen (zoals hij sprak) .καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak) .
      6. καθως ελαλησεν = kathôs elalèsen (zoals hij sprak) . Gn 12,4 .
      7. ελαλησεν δια = elalèsen dia (hij sprak door) . Lc 1,70 .
    3. act. inf. praes. λαλειν = lalein (te spreken) . Lc 7,15 .
    4. act. part. praes. gen. mv. λαλουντων = lalountôn (terwijl zij aan het praten waren - naar hen die aan het praten waren) . Lc 24,36 .
      - laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 . - elalèsen (hij sprak). In 7 verzen bij Matteüs. (1) Mt 9,33 (de stomme). (2) Mt 13,3 . (3) Mt 13,33 . (4) Mt 13,34 . (5) Mt 14,27 . (6) Mt 23,1 . (7) Mt 28,18 .
  9. λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Lc 22,19 .
    1. act. inf. aor. λαβειν = labein . Mc 7,27 .
    2. act. part. aor. nom. mann. enk. λαβων = labôn . Mc 6,41 .
      1. λαβων δε = labôn de (genomen hebbende echter) . Ex 24,8 .
      2. και λαβων = kai labôn (en genomen hebbende) . Ex 24,8 .
      3. λαβων τους = labôn tôn (genomen hebbende de) . Mc 6,41 .
      4. λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) . Lc 22,19 .
        1. λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) . Lc 22,19 .
        2. λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) . Lc 22,19 .
      5. λαβων το αἱμα = labôn to haima (het bloed genomen hebbende) . Ex 24,8 .
  10. לָמַד = lâmad (leren, onderrichten) . Taalgebruik in Tenakh : lâmad (leren, onderrichten) .
    1. לְלַמֵּד = lëlammed (om te onderrichten) < prefix voorzetsel lë + piël infin. absol. .
      1. וּלְלַמֵּד = ûlëlammed (en om te onderrichten) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + piël infin. absol. .
  11. לָמָּה = lâmmâh (waarom) . Taalgebruik in Tenach : lâmmâh (waarom) . Gn 4,6 .
  12. λαμπας = lampas (toorts, fakkel) . Js 62,1 .
  13. λαμπω = lampô (stralen, schijnen) . Taalgebruik in het NT : lampô (stralen, schijnen) . Lc 2,9 .
    1. act. ind. aor 3de pers. enk. ελαμψεν = elampsen (hij straalde) . Lc 2,9 .
  14. λαος = laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) .
    1. nom. mann. enk. λαος = laos (volk) . Lc 18,43 .
      1. πας ὁ λαος = pas ho laos (al het volk) . Lc 18,43 .
    2. gen. mann. enk. = laou . Lc 1,10 .
    3. dat. mann. enk. λαῳ = laô(i) . Lc 1,68 .
    4. acc. mann. enk. λαον = laon (volk) . Mt 1,21 .
        1. τον λαον αυτου = ton laon autou (zijn volk) . Mt 1,21 .
  15. latomeô (uit steen houwen) , zie Mc 15,46 .
  16. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Lc 22,19 .
    1. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Lv 8,10 . Ex 24,8 . Lc 22,19 .
      1. וַיּקַּח אֶת = wajjiqqach ´èth (en hij nam de) . Gn 12,5 .
      2. וַיּקַּח לוֹ = wajjiqqach (en hij nam voor zich / hem) . Gn 4,19 .
      3. וַיּקַּח מֹשֶׁה = wajjiqqach mosjèh (en Mozes nam) . Lv 8,10 . Ex 24,8 .
        1. וַיּקַּח מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = wajjiqqach mosjèh ´èth haddâm (en Mozes nam het bloed) . Ex 24,8 .
    2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. קַח = qach (neem) . Gn 22,2 .
      1. קַח נָא = qach nâ´ (neem dan) . Gn 22,2 .
  17. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) .
    1. act. ind. fut. 2de pers. enk. λατρευσεις = latreuseis (jij zult dienen) . Lc 4,8 .
    2. act. ind. aor. 2de pers. enk. λατρευσῃς = latreusè(i)s (jij zoudt dienen) . Ex 20,5 .
    3. act. inf. praes. λατρευειν = latreuein (om te dienen) . Lc 1,74 .
      - leâh (Lea) , zie Gn 29,31 .
  18. לֶחֶמ = lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Lc 22,19 .
    1. חֻקִי לֶהֶם= lèchem huqqî (brood van bestemming voor mij , het voor mij bestemde brood) . Mt 6,11 .
  19. - le`èzrathi chûsjâh (tot hulp aan mij haast je), zie Ps 40,14 : (1) Ps 22,20 . (2) Ps 40,14 . (3) Ps 70,2 . chûsjâh le`èzrathi (haast je tot hulp aan mij) : Ps 38,23 .
  20. לֵב = lebh (hart) . Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart) .
    1. לְבָבְךָ = lëbhâbhëkhâ (je hart) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Dt 6,5 .
      1. עַל לְבָבְךָ = `al lëbhâbhëkhâ (op je hart) . Dt 6,6 .
      2. בְכֹל לְבָבְךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ (met heel je hart) . Dt 6,5 .
        1. בְכֹל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ ûbhëkhâl naphësjëkhâ (met heel je hart en met heel je ziel) . Dt 6,5 .
      3. אֶל לְבָבְךָ = ´èl lëbhâbhëkhâ (tot je hart) . Dt 30,1 .
    2. לְבַבְכֶם = lëbhabhëkhèm (jullie hart) < zelfst. naamw. stat. construct. mann. enk. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. mv. . Dt 11,18 .
      1. עַל לְבַבְכֶם = `al lëbhabhëkhèm (op jullie hart) . Dt 11,18 .
      2. בְכֹל לְבַבְכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm (met heel jullie hart) . Dt 11,13 .
        1. בְכֹל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm ûbhëkhâl naphësjëkhèm (met heel je hart en met heel jullie ziel) . Dt 11,13 .
    3. בְּכָל לְבָבוֹ = bëkhâl lëbhâbhô (met heel zijn hart) . Dt 6,5 .
  21. nom. mann. enk. λεγιων = legiôn (legioen) . Mc 5,9 .
  22. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Gn 16,11 . Lc 8,25 . Lc 19,7 .
    1. act. ind. praes. 1ste pers. enk. λεγω = legô (ik zeg) . Lc 15,7 .
      1. λεγω ὑμιν = legô humin (ik zeg jullie) . Lc 15,7 .
        1. λεγω ὑμιν ὁτι = legô humin hoti (ik zeg jullie dat) . Lc 15,7 .
    2. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) . Gn 15,2 . Mc 14,32 . Mc 2,5 .
      1. λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc 2,5 .
        1. λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) . Mc 2,5 .
        2. λεγει τῳ αρχισυναργωγῳ = archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste . Mc 2,5 .
        3. λεγει τῳ παραλυτικῳ = paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc 2,5 .
      2. σοι λεγει = soi legô (aan jou zeg ik) . Mc 2,11 .
      3. λεγει αυτῳ = legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc 5,19 .
      4. και λεγει = kai legei (en hij zegt) . Mc 14,32 . Mc 2,14 .
        1. και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc 5,9 .
        2. και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen) . Mc 1,38 . Mc 4,13 .
    3. act. ind. praes. 3de pers. mv. λεγουσιν = legousin (zij zeggen) . Mc 1,30 .
    4. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ελεγεν = elegen (hij zei) . Mc 4,11 . Lc 16,1 . Lc 18,1 .
      1. και ελεγεν = kai elegen (en hij zei) . Mc 2,25 .
        1. και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc 4,13 .
      2. ελεγεν δε = elegen de (hij zei echter) . Mc 2,25 .
    5. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) . Mc 3,21 .
      1. ελεγον αυτῳ = elegon autô(i) (zij zeiden hem) . Mc 2,24 .
      2. ελεγον προς αλληλους = elegon pros allèlous (zij zeiden tot elkaar) . Mc 4,41 .
      3. ὁτι ελεγον = hoti elegon (want zij zeiden) . Mc 3,30 .
    6. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) . Mc 1,40 .
    7. act. part. praes. nom. mann. mv. λεγοντες = legontes (zeggende) . Mc 6,2 . Lc 8,25 .
      1. λεγοντες ὁτι = legontes hoti (zeggende dat) . Lc 19,7 .
      2. λεγοντες προς αλληλους = legontes pros allèlous (zeggende tot elkaar) . Lc 8,25 .
    8. act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) . Ex 20,1 . Mc 10,52 . Lc 8,22 . Lc 9,13 . Lc 15,3 . Lc 15,11 . Lc 17,1 . Lc 18,22 .
      1. ειπεν (...) αυτῳ = eipen (...) autô(i) (hij zei hem) . Mc 10,52 . Lc 15,27 .
        1. ειπεν αυτῳ ὁτι = eipen autô(i) hoti (hij zei aan hem dat) . Lc 15,27 .
      2. ειπεν αυτῃ = eipen autè(i) (hij zei haar) . Mc 5,43 .
      3. ειπεν αυτοις = eipen autois (hij zei hen) . Mc 6,37 .
      4. ειπεν προς τον σιμωνα = eipen pros ton simôna (hij zei tot Simon) . Lc 5,4 .
      5. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . Mc 3,9 . Lc 15,3 .
        1. και ειπεν ὁ = kai eipen ho (en hij zei) . Lc 15,12 .
          1. και ειπεν ὁ αγγελος = kai eipen ho aggelos (en de engel zei) . Lc 1,30 .
            1. και ειπεν ὁ αγγελος αυτῃ = kai eipen ho aggelos autè(i) (en de engel zei tot haar) . Lc 1,30 .
            2. και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) . Gn 1,5 .
              1. και ειπεν ὁ θεος γενηθητω = kai eipen ho theos genèthètô (en God zei : het gebeure) . Gn 1,3 .
        2. και ειπεν αυτῃ = kai eipen autè(i) (en hij zei tot haar) . Lc 1,30 .
        3. και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) . Lc 8,22 .
        4. και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) . Lc 8,22 . Lc 15,3 .
          1. και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) . Lc 8,22 . Lc 9,13 . Lc 15,3 .
      6. ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . Mc 3,9 . Lc 15,3 . Lc 18,19 .
        1. ειπεν δε ὁ = eipen de ho (hij zei echter) . Lc 15,12 .
        2. ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) . Lc 8,22 .
        3. ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc 8,22 .
          1. ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) . Lc 8,22 . Lc 9,13 .
          2. ειπεν δε προς τους = eipen de pros tous (hij zei echter tot de) . Lc 14,25 .
            1. ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) . Lc 8,22 .
              1. ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) . Lc 17,1 .
        4. ειπεν δε και προς = eipen de kai pros (hij zei echter ook tot) . Lc 18,9 .
      7. ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) . Mc 5,34 .
        1. ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen) .
        2. ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) . Lc 15,27 .
    9. act. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ειπαν = eipan (zij zeiden) . Lc 9,12 .
      1. ειπαν αυτῳ = eipan autô(i) (zij zeiden hem) . Lc 9,12 .
  23. - legô (zeggen) . Verwijzing in N.T. : legô (zeggen) , in Mc : legô (zeggen) . zie Joh 1,21 . - legô (zeggen) , zie Lc 15,11 . - legô (zeggen) , zie Mc 1,38 . - leg˘ (zeggen) bij Matteüs, zie Mt 4,6 . Eipen (hij zei), zie Mt 4,6 .
  24. lëma`an (omwille van, opdat) , zie Js 62,1 .
  25. לֶמֶך = lèmèkh (Lemech, Lamech) . Taalgebruik in Tenakh : lèmèkh (Lemech, Lamech) . Gn 4,19 .
    1. וְלֶמֶך = wëlèmèkh (en Lamech) . Gn 4,19 .
  26. Ned. : leren . D. : lernen . E. : learn .
  27. λεπρα = lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in het NT : lepra (melaatsheid) .
    1. ἡ λεπρα = hè lepra (de melaatsheid) . Mc 1,42 .
  28. λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) .
    1. nom. mann. enk. λεπρος = lepros (melaatse) . Mc 1,40 .
    2. nom. mann. mv. λεπροι = leproi (melaatsen) . Lc 4,27. .
  29. λευκος = leukos (wit) . Taalgebruik in het NT : leukos (wit) .
  30. לֵוִי = lewî (Levi) . Taalgebruik in Tenakh : lewî (Levi) . Gn 46,11 .
    - lian (zeer) , zie Mc 1,35 .
  31. Ned. : licht . Arabisch : نور = nûr (licht) . Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) . Aramees : נוּר = nûr (licht) . D. : Licht . E. : light . Fr. : lumière . Grieks : φως = fôs (licht) .Taalgebruik in het NT : fôs (licht) . Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) . Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) . Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) . Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) . Zie ook : werkw. אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) . Zie het zelfst. naamw. אוֹר = ´ôr (licht) . Lat. : lux / lumen .
  32. λιμνη = limnè (meer) . Taalgebruik in het NT : limnè (meer) . Lc 5,1 .
    1. gen. vr. enk. λιμνης = limnès . Lc 8,22 .
    2. acc. vr. enk. λιμνην = limnèn . Lc 5,1 .
  33. לון/ לין = lwn / ljn (morren tegen) . Taalgebruik in Tenakh : lwn / ljn (morren tegen) . Ex 17,3 .
    1. וַיָּלֶן = wajjâlèn (en het morde) < prefix wë (en) + werkwoordvorm act. hifil imperfect. 3de pers. mann. enk. . Ex 17,3 .
    2. וַיִּלֹּנוּ = wajjillonû (zij morden tegen) < prefix wë (en) + werkwoordvorm nifal imperfect. 3de pers. mann. mv. . Lc 15,2 .
  34. Ned. : lip . D. : Lippe . E. : lip . Fr. : lèv-re . Lat. : labium . l; b/p/v . Gr. : χειλος = cheilos . Arabisch : شفة (sjifa) . Hebreeuws : שָׂפָה = shâphâh (lip, spraak, tongval) . Taalgebruik in Tenakh : shâphâh (lip, spraak, tongval) . In het hiëroglyfisch duiden de twee lippen de klankwaarde r aan .
  35. λιθος = lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) .
    1. nom. mann. enk. λιθος = lithos (steen) . Lc 17,2 .
    2. acc. mann. enk. λιθον = lithon (steen) . Gn 29,3 .
      1. τον λιθον = ton lithon (de steen) . Lc 24,2 .
    3. dat. mann. mv. λιθοις = lithois (stenen) . Mc 5,5 .
  36. לֹא = lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Lc 1,7 .
    1. וְלֹא = wëlo´ (en niet) . Lc 1,7 .
  37. lo´(niet) , zie Ps 1,1 .
  38. λογος = logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Lc 5,1 .
    1. acc. mann. enk. λογον = logon . Mc 1,45 . Lc 5,1 .
      1. τον λογον του θεου = ton logon tou theou (het woord van God) . Lc 5,1 .
    2. acc. mann. mv. λογους = logous (woorden) .
    3. παντας τους λογους = pantas tous logous (alle woorden) . Ex 24,3 .
      1. παντας τους λογους τουτους = pantas tous logous toutous (al deze woorden) . Mt 26,1 .
  39. logos (woord) , zie Mt 7,24 .
  40. Lat. : loqui (spreken) . Nu 6,22 .
    1. pass. perf. deelw. nom. mann. enk. locutus (gesproken) . Nu 6,22 .
    2. locutusque (en gesproken) . Nu 6,22 .
  41. losse genitief : Mc 9,28 , Mc 11,27 , Mc 13,1 . - losse genitief (bij Matteüs)
    - lqsj (piel : napluk houden) , zie Zach 10,1 .
    - Lustra (Lystra) , zie Hnd 14,6 .
  42. λυτρωσις = lutrôsis (loskoping, verlossing) . Taalgebruik in het NT : lutrôsis (loskopen, verlossing) .
    1. acc. vr. enk. λυτρωσιν = lutrôsin (loskoping, verlossing) . Lc 1,68 .
    2. λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen) .
      1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ελυτρωσατο = elutrôsato (hij kocht los, hij verloste) . Lc 1,68 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


M

Hebreeuwse werkwoorden die eindigen om – (eind-mem) : -- qûm (opstaan) --

  1. werkw. מָעַל = mâ`al (trouweloos handelen, trouweloos zijn , zich vergrijpen) . Zie het zelfst. naamw. מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) . Taalgebruik in Tenakh : ma`al (ontrouw, bedrog) . מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) . Taalgebruik in Tenakh : ma`al (ontrouw, bedrog) .
  2. מַעַן = ma`an (beweegreden, beweeggrond) .
  3. מַיִם= majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) .
  4. מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) . Taalgebruik in Tenakh : mah / mâh (wat?) . Dt 10,12 . Ps 133,1 .
    1. בַּמָּה = bammâh (waardoor) < prefix bë + vragend naamw. . Gn 15,8 .
    2. וּמַה = ûmah (en wat ?) < prefix voegwoord wë + vragend voornaamw. .
    3. כַּמָּה = kammâh (hoe veel? hoe dikwijls? hoe lang? hoe groot?)
    4. מַה לִי = mah lî (wat voor mij) . Mc 1,24 .
      1. מַה לִי וָלָךְ = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) . Mc 1,24 .
      2. מַה לִי וְלָכֶם = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) . Mc 1,24 .
      3. מַה לָּכֶם = mah lâkhèm (wat voor jullie?) . Mc 1,24 .
    5. מַה לָּנוּ = mah lânû (wat aan ons) . Mc 1,24 .
    6. מַה טּוֹב = mahttôbh (wat goed) .
  5. מַיִם = majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Gn 1,2 . Ex 15,8 .
    1. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw. ha + mann. mv. van het zelfstandig naamw. . Gn 1,6 .
    2. לָמָיִם = lammajim (naar de wateren) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw. ha + mann. mv. . Gn 1,6 .
  6. מָכַר = mâkhar (verkopen) . Taalgebruik in Tenakh : mâkhar (verkopen) .
    1. act. ind. perf. 3de pers. mann. mv. מָכְרוּ = mâkhërû (zij verkochten) . Gn 37,28 .
      1. מָכְרוּ אֹתוֹ = mâkhërû ´othô (zij verkochten hem) . Gn 37,28 .
    2. וַיִּמְכְּרְוּ = wajjimëkërû (en zij verkochten) < prefix voegwoord wë + werkwoordsvorm act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. . Gn 37,28 .
      1. וַיִּמְכְּרְוּ אֶת יוֹסֵף = wajjimëkërû ´èth jôseph (en zij verkochten Jozef) . Gn 37,28 .
    3. qal inf. stat. constr. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. mv. מִכְרָם = mikhërâm (omwille van het verkopen van hen) . Am 2,6 .
  7. μακαριος = makarios (zalig, gelukkig) . Taalgebruik in het NT : makarios (zalig, gelukkig) .
  8. μακροθεν = makrothen (van verre, in de verte) . Taalgebruik in het NT : makrothen (van verre, in de verte) . Mc 5,6 ,
  9. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenach : mâlâ´ (vullen, vervullen) .
  10. מָלָא = mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) .
    1. prefix voegw. wë + act. piël imperf. 3de pers. vr. enk. וַתְּמַלֵּא = waththëmalle´ (en zij vulde) .
    2. מָלֵא = mâle´ (vol) .
      1. stat. constr. מְלֵא = mële´ (vol, rijk) .
  11. מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Gn 16,11 . Lc 1,11 .
    1. מַלְאַך יהוה = malë´akh JHWH (engel van JHWH) . Gn 16,11 .
    2. מַלְאַך הָאֱלֹהִים = malë´akh hâ´èlohîm (de engel van God) . Gn 16,11 .
  12. מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) . Taalgebruik in Tenakh : mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) .
    1. מְלָאכָה כָּל (al het werk) . Ex 20,9 .
    2. מְלָאכְתֶּךָ כָּל (jouw werk) . Ex 20,9 .
  13. מַלְכוּת = malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk) . Taalgebruik in Tenakh : malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk) .
    1. zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. מַלְכוּתֶךָ = malëkhûthèkhâ (jouw koningschap, jouw koninkrijk) . Mt 6,10 .
    2. מַלְכוּתְךָ = malëkhûthëkhâ .
    3. מַלְכוּתָךְ = malëkhûthâkh .
  14. מַמְרֵא = mamëre' (Mamre) . Taalgebruik in Tenakh : mamëre´ (Mamre) . Gn 13,18 .
    1. בְאֵלֹנֵי מַמְרֵא = bë´elonè(j) mamëre´ (bij de eik van Mamre) . Gn 13,18 .
  15. מָן = mân (1. manna . 2. wat ?) . Taalgebruik in Tenakh : mân (1. manna . 2. wat ?) .
    1. וּמָן = ûmân (en wat?) < prefix voorzetsel wë + naamwoord .
  16. מְנַשֶּׁה = mënasjsjèh (Manasse) . Taalgebruik in Tenakh : mënasjsjèh (Manasse) . Gn 48,20 .
  17. מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats) .
    1. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) . Gn 22,14 .
  18. mârâh (weerspannig zijn) , zie Js 50,5 .
  19. μαρκος = markos (Marcus) . Taalgebruik in het NT : markos (Marcus) .
    1. nom. mann. enk. μαρκος = markos (Marcus) . Hnd 12,12 .
    2. gen. mann. enk. μαρκου = markou (van Marcus) . Hnd 12,12 .
    3. acc. mann. enk. μαρκον = markon (Marcus) . Hnd 12,12 .
  20. μαρτυρεω = martureô (getuigen) . Taalgebruik in het NT : martureô (getuigen) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. μαρτυρει = marturei (hij getuigt) . Joh 3,32 .
  21. מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjâh (uittrekken) .
  22. מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) .
    1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Lv 8,11 .
    2. וַיִּמְשַׁח = wajjimësjach (en hij zalfde) < prefix wë consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. enk. . Lv 8,10 . Lc 4,18 .
      1. וַיִּמְשַׁח אֹתוֹ = wajjimësjach ´othô (en hij zalfde hem / het) . Lv 8,12. .
  23. מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjal (heersen, macht hebben) .
    1. וְלִמְשֹׁל = wëlimësjol (en om te heersen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act. qal inf. construct. . Gn 1,18 .
  24. מָשִׁיחַ = mâsjîach (messias , gezalfde) . Ef 1,1 .
  25. תוֹרַת מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias , gezalfde) .
  26. μαστιξ = mastiks (-igos) (gesel, plaag) . Mc 3,10 .
    1. acc. vr. mv. μαστιγας = mastigas (gesels, plagen) . Mc 3,10 .
  27. מָטָר = mâtâr (regen) . Taalgebruik in Tenach : mâtâr (regen) . Dt 11,14 .
    1. stat. construct. מְטַר = mëtar . Dt 11,14 .
  28. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) .
    1. nom. mann. enk. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Lc 14,26 .
    2. nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) . Mc 5,31 . Lc 8,22 .
      1. μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen) . Lc 17,1 .
      2. οἱ μαθηται = hoi mathètai (de leerlingen) . Mc 6,35 .
        1. οἱ μαθηται αυτου = hoi mathètai autou (zijn leerlingen) . Mc 5,31 . Lc 8,22 .
          1. και οἱ μαθηται αυτου = kai hoi mathètai autou (en zijn leerlingen) . Lc 8,22 .
          2. αυτῳ οἱ μαθηται = autô(i) hoi mathètai (aan hem de leerlingen) . Mc 6,35 .
    3. gen. mann. mv. μαθητων == mathètôn (van leerlingen) . Mc 3,7 . Lc 22,11 .
      1. των μαθητων == tôn mathètôn (van de leerlingen) . Mc 3,7 . Lc 22,11 .
        1. μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . Mc 3,7 . Lc 22,11 .
      2. μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen) . Mc 3,7 . Lc 17,1 .
      3. μετα των μαθητων αυτου = meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) . Mc 3,7 .
      4. μαθητων μου = mathètôn mou (van mijn leerlingen) . Lc 22,11 .
        1. μετα των μαθητων μου = meta tôn mathètôn mou (met mijn leerlingen) . Lc 22,11 .
    4. dat. mann. mv. μαθηταις = mathètais (leerlingen) . Mc 3,9 .
      1. τοις μαθηταις αυτου = tois mathètais autou (aan zijn leerlingen) . Mc 3,9 .
        1. ειπεν τοις μαθηταις αυτου = eipen tois mathètais autou (hij zei aan zijn leerlingen) . Mc 3,9 .
          1. και ειπεν τοις μαθηταις αυτου = kai eipen tois mathètais autou (en hij zei aan zijn leerlingen) . Mc 3,9 .
    5. acc. mann. mv. μαθητας = mathètas (leerlingen) . Mc 6,45 . Lc 17,1 . (zn acc. mann. mv. van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; zie Baeyens nr 133 : praesensstam op -an met nasale in de stam)
      1. τους μαθητας = tous mathètas (de leerlingen) . Mc 6,45 .
      2. μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen) . Lc 17,1 .
      3. τους μαθητας αυτου = tous mathètas autou (zijn leerlingen) . Mc 6,45 .
        1. τους μαθητας αυτου εμβηναι = tous mathètas autou embènai (zijn leerlingen om in te stappen) . Mc 6,45 .
      4. προς τους μαθητας = pros tous mathètas (tot de leerlingen) . Lc 17,1 .
        1. ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) . Lc 17,1 .
        2. προς τους μαθητας αυτου = pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen) . Lc 17,1 .
          1. ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) . Lc 17,1 .
  29. מָצָא = mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik in Tenakh : mâtsâ´ (vinden) . Lc 1,30 .
    1. act. qal perf. 2de pers. mann. enk. מָצָאתָ = mâtsâthâ (jij vondt) . Lc 1,30 .
      1. מָצָאתָ הֵן = mâtsâthâ hen (jij vondt genade) . Lc 1,30 .
      1. מָצָא הֵן = mâtsâ hen (hij vond genade) . Lc 1,30 .
      2. -
    2. act. qal perf. 3de pers. mann. mv. מָצָאוּ / מָצְאוּ = mâtsâ´û / mâtsë´û (zij vonden) . Lc 24,2 .
    3. wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּמְצָא = wajjimëtsâ´ (en hij vond) . Lc 15,5 .
    4. וַיִּמְצְאוּ = wajjimëtsë´û (en zij vonden) < prefix verbindingswoord wa (consecuitivum) + act. qal imperef. 3de pers. mann. mv. . Lc 24,2 .
  30. מָרַד = mârad (rebelleren, revolteren, in opstand komen) . Aram. - Syr. : מְרַד = rëmad . Arabisch : = marada . Gn 14,4 .
  31. matstsôth (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .
  32. μη = mè (niet) . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Mc 3,9 . Mc 5,7 . Lc 17,1 .
    1. μη απελθητε = mè apelthète (gaat niet weg) . Lc 17,23 .
    2. μη αυτον = mè auton (niet hem) . Mc 3,12 .
    3. μη επιστρεψατο = mè epistrepsato (keer niet naar) . Lc 17,31 .
    4. μη εὑροντες = mè heurontes (niet gevonden) . Lc 24,3 .
    5. μη εὑρουσαι = mè heurousai (niet gevonden) . Lc 24,3 .
    6. μη καταβατω = mè katabatô (daal niet af) . Lc 17,31 .
  33. מֵאָה = me´âh (honderd) . Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) . Gn 25,7 . Lc 15,4 .
    1. מֵאָה שָׁנָה = me´âh sjânâh (honderd jaar) . Gn 23,1 .
    2. מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) . Dt 34,7 .
    3. vr. mv. מֵאוֹת = me´ôth (honderden) . Gn 5,5 .
      1. מֵאוֹת שָׁנָה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar) .
  34. μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand . Taalgebruik in het NT : mèdeis (niemand) .
    1. nom. mann. enk. μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand . Mc 5,43 .
      1. ἱνα μηδεις = hina mèdeis (opdat niemand) . Mc 5,43 .
    2. dat. mann. enk. μηδενι = mèdeni (aan niemand) . Mc 1,44 .
      1. ἱνα μηδενι = hina mèdeni (opdat aan niemand) . Mc 7,36 .
  35. Ned. : meester . Meest is een superlatief (maximus van het Latijnse magnus , major, maximus = groot, groter, grootst) . Meester = magis-ter (meer-der) . Fr. : maî-tre .
  36. act. ind. praes. 1ste pers. enk. μεγαλυνω = megalunô (ik maak groot) . Gn 12,2 .
  37. μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) .
    1. nom. + dat. vr. enk. μεγαλη / μεγαλῃ = megalè(i) (groot) . Mc 4,37 .
    2. acc. mann. enk. μεγαν = megan . Mc 4,41 .
  38. מֶלֶך = mèlèkh (koning) . Taalgebruik in Tenakh : mèlèkh (koning) . Lc 1,5 .
    1. הַמֶּלֶךְ = hammèlèkh (de koning) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. מֶלֶך = mèlèkh (koning) .
    2. וְהַמֶּלֶךְ = wëhammèlèkh (en de koning) < prefix verbindingswoord wë + prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. מֶלֶך = mèlèkh (koning) . 1 K 1,1 .
      1. וְהַמֶּלֶךְ דָּוִד = wëhammèlèkh dâwid (en koning David) . 1 K 1,1 .
  39. מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) . Taalgebruik in Tenakh : mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) . Lv 23,3 .
    1. מְלָאכָה כָּל (al het werk) . Lv 23,3 .
    2. מְלָאכָה כָּל (al het werk) . Lv 23,3 .
    3. מְלַאכְתּוֹ = mëla'khëthô (zijn werk) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 2,3 .
      1. מְלַאכְתּוֹ אֲשֶׁר עָשָׂה = mëla'khëthô äsjèr `âshâh (zijn werk dat hij deed) . Gn 2,2 .
  40. meletaô (zorg dragen voor, aandacht wijden aan) , zie Ps 2,1 .
  41. μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) . Taalgebruik in het NT : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. μελει = melei (het gaat ter harte) . Mc 4,38 .
      1. ου μελει = ou melei (het gaat niet ter harte) . Mc 4,38 .
        1. ου μελει σοι = ou melei soi (het gaat jou niet ter harte) . Mc 4,38 .
          1. ου μελει σοι ὁτι = ou melei soi hoti (het gaat jou niet ter harte dat) . Mc 4,38 .
      2. μελει σοι = melei soi (het gaat jou ter harte) . Mc 4,38 .
  42. men (enerzijds) .
    - mèn (maan, maand, of : werkelijk, waarachtig) , zie Lc 1,26 .
  43. Ned.: menigte , veelheid . D. : die Menge . E. : multitude . Fr. multitude . Grieks : πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Lat. : multitudo .
  44. מְאֹד = më´od (hevigheid, kracht, vermogen) . Taalgebruik in Tenakh : më´od (hevigheid, kracht, vermogen) .
    1. מְאֹדֶךָ = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst. naamw. + suffix bezitt. voornaamw. 2de pers. enk. . Dt 6,5 .
  45. μεριμνα = merimna (kommer, angst) . Taalgebruik in het NT : merimna (kommer, angst) .
    1. nom. vr. mv. μεριμναι = merimnai (zorgen, bekommernissen) .
  46. μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) .
    1. εις το μεσον = eis to meson (naar het midden) . Ex 24,18 .
    2. dat. mann. enk. μεσῳ = mesôi (in het midden van) . Mc 6,47 .
      1. εν μεσῳ = en mesôi (in het midden van) . Mc 6,47 .
        1. (εν) μεσῳ της = en mesôi tès (in het midden van de) . Mc 6,47 .
  47. Ned. : met . Arabisch : D. : besessen von . E. :with . Fr. : en . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Hebreeuws : בְּ = bë .
  48. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Gn 22,1 . Mc 1,14 . Mc 14,28 . Joh 5,1 .
    1. μετα δε = meta de (na echter) . Mc 1,14 .
      1. μετα δε το = meta de to . Mc 1,14 .
    2. δε μετα = de meta (echter na) . Mc 1,14 .
    3. και μετα = kai meta (en na / met) . Mc 1,14 .
    4. και μετ' = kai met' (en na / met) . Mc 1,14 .
    5. και μεθ' = kai meth' (en na) . Mc 1,14 .
    6. μετα το = meta to . Mc 1,14 . Mc 14,28 .
      1. και μετα το = kai meta to (en na) . Mc 1,14 .
    7. μετα ταυτα = meta tauta (na deze dingen, daarna) . Joh 21,1 .
    8. μετ' = met' .
      1. μετ' ου = met' ou (na niet) . Lc 15,13 .
      2. και μετ' = kai met' (en na) . Lc 15,13 .
  49. metamorfoomai (omvormen) . In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt 17,2 . (2) Mc 9,2 . (3) . (4)
  50. μετανοεω = metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren) .
    1. act. part. praes. dat. mann. enk. μετανοουντι = metavoounti (aan de bekerende) . Lc 15,10 .
    2. act. imperat. aor. 2de pers. mv. μετανοησατε = metanoèsate (bekeert jullie) . Hnd 2,38 .
    3. act. conjunct. aor. 3de pers. enk. μετανοησῃ = metanoèsè(i) (hij zou zich bekeren)
  51. μετανοια = metanoia (bekering) . Taalgebruik in het NT : metanoia (bekering) .
    1. gen. vr. enk. μετανοιας = metanoias (van bekering) . Mc 1,4 .
      1. μετανοιας εις = metanoias eis (van bekering tot) . Mc 1,4 .
  52. μητηρ = mètèr (moeder) . Taalgebruik in het NT : mètèr (moeder) .
    1. nom. vr. enk. μητηρ = mètèr (moeder) . Mc 3,35 .
  53. Methüsjâlach (Metuselach) , zie Gn 5,21 .
    - mè (niet) .
  54. vr. mv. lectio plena מְזוּזוֹת = mëzûzôth (Dt 11,20) OF lectio defectiva מְזוּזֹת = mëzûzoth (Dt 6,9) van het zelfst. naamw. מְזוּזָה = mëzûzâh (mezoeza, teken aan joodse deurpost) .
  55. מִי = mî (wie) . Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) . Dt 4,7 .
  56. nom. + dat. vr. μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Lc 8,22 .
    1. μιᾳ των = mia(i) tôn (op één van de) . Lc 8,22 .
      1. μιᾳ των ἡμερων = mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) . Lc 8,22 .
  57. מִדְבָּר = midëbâr (woestijn, woestenij) . Taalgebruik in Tenakh : midëbâr (woestijn, woestenij) . Js 64,9 .
  58. Ned. : midden . D. : mitten . E. : midst . Fr. : milieu . Grieks : μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) . Hebreeuws : תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige . Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat. constr. thôkh) : het midden, het inwendige . Lat. : medius .
  59. מִדְיָן = midjân (Midjan) . Taalgebruik in Tenakh : midjân (Midjan) . Gn 37,28 .
    1. מִדְיָנִים = midjânîm (Midjanieten) . Gn 37,28 . .
  60. מִכְתַּב / מִבְתָּב = mikhëthabh of mikhëthâbh (geschrift, gedicht, lied , brief) . Taalgebruik in Tenakh : mikhëthabh (geschrift) .
  61. מִלָּה = millâh (woord) . Taalgebruik in Tenakh : millâh (woord) .
  62. μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc 1,5 .
    1. imperat. aor. 2de pers. mv. μνησθητε = mnèsthète (herinner je / gedenk) . Ex 20,8 ,
  63. מִין= mîn (soort, aard) . Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard) .
    1. לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 1,11 .
    2. לְמִינֵהוּ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Gn 1,21 .
    3. לְמִינָהּ = lëmînâh (naar zijn soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 3de pers. vr. enk. .
  64. מִקְוֵה = miqweh (1. hoop, vertrouwen. 2. verzameling.) . Zie het werkw. קָוָה = qâwâh (nifal: verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : qâwâh (nifal: verzamelen) .
    1. וּלְמִקְוֵה = ûlëmiqweh (en tot de verzameling) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. . Gn 1,10 .
  65. מִרַיָם = mirajâm (Miriam) . Taalgebruik in Tenakh : mirajâm (Miriam) . Nu 20,1 .
  66. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) .
    1. act. ind. praes. 3de pers. enk. μισει = misei (hij haat) . Lc 14,26 .
  67. μισθος = misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) . Taalgebruik in het NT : misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) .
    1. μισθωτος = misthôtos (gehuurd, huurling, werknemer) .
  68. מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam) . Taalgebruik in Tenakh : misjëpâchâh (geslacht, stam) .
    1. מִשְׁפַּחְתּוֹ = misjëpachëthô (zijn stam) : zelfst. naamw. stat. constr. vr. enk. + suffix bezitt. voornaamw. 3de pers. mann. enk. . Lv 25,10 .
      1. אֶל מִשְׁפַּחְתּוֹ = `el misjëpachëthô (naar zijn stam) . Lv 25,10 .
    2. כֹל מִשׁפְּחֹת = kol misjëpëchoth (alle gslachten) . Gn 12,3 .
  69. מִצְוָה = mitsëwâh (bevel, gebod) . Taalgebruik in Tenakh : mitsëwâh (bevel, gebod) .
    1. מִצְוֹתַי = mitsëwothaj (mijn geboden / bevelen) < zelfst. naamw. stat. construct. vr. mv. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. .
    2. אֶת כָּל הַמִּצְוָה = ´èth kâl hammitsëwah (elke opdracht, elk gebod) . Dt 27,1 .
  70. מִזְבֵחַ = mizëbeach (altaar) . Taalgebruik in Tenakh : mizëbeach (altaar) . Gn 12,7 .
    1. שָׁם מִזְבֵחַ = sjâm mizëbeach (daar een altaar) . Gn 12,7 .
    2. מִזְבֵחַ לָיהוה = mizëbeach lâJHWH (een altaar voor JHWH) . Gn 12,7 .
      1. שָׁם מִזְבֵחַ לָיהוה = sjâm mizëbeach lâJHWH (daar een altaar voor JHWH) . Gn 12,7 .
  71. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken,gedenkteken) . Lc 23,53 . Het hiëroglyfisch dambord met pionnen heeft de klankwaarde van mn . Het staat voor blijven, vastgelegd zijn . Dit is het geval met de gebouwen, door de Farao opgericht . Het is de stam van het Griekse μνημα = mnèma en het Latijnse monumentuml , waaruit het Nederlandse monument , gedenkteken is afgeleid .
    1. gen. onz. enk. μνηματος = mnèmatos ,
    2. dat. onz. enk. μνηματι = mnèmati . Lc 23,53 .
      1. εν μνηματι = en mnèmati (in een graf) . Lc 23,53 . Lc 2,12 .
      2. εν τῳ μνηματι = en tô(i) mnèmati (in het graf) . Lc 23,53 . Lc 2,12 .
    3. dat. onz. mv. μνημασιν = mnèmasin (in de gedenktekens) . Mc 5,3 .
      1. εν τοις μνημασιν = en tois mnèmasin (in de gedenktekens) . Mc 5,3 .
  72. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) . Ex 12,35 .
    1. אֶל מִצְרָיִם = ´èl mitsërâjim (naar Egypte) . Gn 37,28 .
    2. יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = jishërâ´el mimmitsërajim / mitsërâjim (Israël uit Egypte) . Ps 114,1 .
    3. מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim / mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) . Ex 12,35 .
    4. מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) . Gn 12,10 .
  73. nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Lc 24,12 .
    1. gen. onz. enk. μνημειου = mnèmeiou . Lc 24,2 .
      1. του μνημειου = tou mnèmeiou . Lc 24,2 .
        1. απο του μνημειου = apo tou mnèmeiou (weg van het aandenken) . Lc 24,2 .
        2. εκ του μνημειου = ek tou mnèmeiou (uit het aandenken) . Joh 20,2 .
    2. dat. onz. enk. μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) . Mc 15,46 .
    3. gen. onz. mv. μνημειων = mnèmeiôn (van de grafgedenktekens) . Mc 5,2 .
      1. εκ των μνημειων = ek tôn mnèmeiôn (uit de grafgedenktekens) . Mc 5,2 .
    4. dat. onz. mv. μνημειοις = mnèmeiois (in de grafgedenktekens) . Mc 5,3 .
      1. εν τοις μνημειοις = en tois mnèmeiois (in de grafgedenktekens) . Mc 5,3 .
  74. וּמִמּוֹלַדְתְּךָ = ûmimmôladëthëkhâ (en uit jouw stam) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst. naamw. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie מוֹלֶדֶת = môlèdèth (kring van verwanten) . Gn 12,1 .
  75. מוֹאָב = mô´abh (Moab) . Taalgebruik in Tenakh : mô´abh (Moab) . Rt 1,1 .
  76. monas (alleen) , zie Mc 4,10 .
  77. Ned. : mond . E. : mouth . Fr. : bouche . Gr. : στομα = sto-ma . Lat. : os, oris . Arabisch : فم = fam . Hebreeuws : פֵה = pèh (mond, opening, ingang) . Taalgebruik in Tenakh : pèh (mond, opening, ingang) .
  78. μονογενης = monogenès (eniggeboren) . Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren) .
    1. acc. mann. enk. = monogenè (eniggeboren) . Gn 22,2 . .
  79. bijvoegl. naamw. nom. mann. enk. μονος = monos (alleen) . Ex 24,2 .
  80. Ned. : morgen . D. : Morgen . E. : morning . Fr. : matin . Grieks : πρωι = prôi (morgen) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Hebreeuws : בֹקֶר = boqèr (morgen) . Lat. : mane .
  81. מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes) . Taalgebruik in Tenakh : Mosjèh (Mozes) . Ex 17,3 . Ex 24,8 .
    1. מֹשֶׁה עֶבֶד יהוה = mosjèh `èbhèd JHWH (Mozes, dienaar van JHWH, knecht van JHWH) . Dt 34,5 .
    2. מֹשֶׁה וַאַהֲרֹן = mosjèh wë´ahäron (Mozes en Aäron) . Lv 9,23 .
    3. וּמֹשֶׁה = ûmosjèh (en Mozes) . Ex 3,1 . Ex 19,3 .
    4. אֶל מֹשֶׁה = ´èl mosjèh (tot Mozes) . Ex 12,1 .
    5. מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = mosjèh ´èth haddâm (Mozes het bloed) . Ex 24,8 .
    6. תוֹרַת מֹשֶׁה = thorath mosjèh (de wet van Mozes) .
  82. Ned. : mosterd . D. : Senf (zie sinapi) . E. : moustard . Fr. : sénevé . Grieks : σιναπι = sinapi (mosterd) . Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) . Latijn : sinapi . Waarschijnlijk van Egyptische oorsprong .
  83. מוּם = mûm (gebrek défault; ziekte, infirmité) .
  84. מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) .
    1. וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . Gn 5,5 .
    2. וַתָּמָת / וַתָּמוֹת = waththâmâth / waththâmoth (en zij stierf) < wë + act. qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud . Nu 20,1 . 1 Kr 2,19 .
    3. qal inf. absol. מוֹת = môth (te sterven) . Ex 31,15 .
    4. act. qal inf. construct. מוֹת = môth (sterven) . Ex 31,15 .
      1. אַחַרֵי מוֹת = ´achäre(j) môth (na de dood van) . Gn 26,18 .
        1. וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) . Dt 34,5 .
    5. act. qal part. nom. mann. mv. מֵתִים = methîm (stervenden) . 1 S 2,6 .
    6. act. hifil part. nom. mann. enk. מֵמִית = memîth (doen stervende) . 1 S 2,6 .
    7. pass. hofal imperf. 3de pers. mann. enk. יוּמָת = jûmâth (hij zal gedood worden) . Ex 31,15 .
      1. מוֹת יוּמָת = môth jûmâth (hij zal gedood worden te sterven) . Ex 31,15 .

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


N

Hebreeuwse werkwoorden die beginnen met de letter נ (noen) : -- nûs (vluchten, wegsnellen) --

  1. נָא = nâ´ (toch) . Taalgebruik in Tenakh : nâ´ (toch) .
  2. Ned. : naam . stam : N ... M . Arabisch : اسم = ism (naam) . Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) . D. : Name . Eng. : name . Fr. : nom . Grieks : ονομα = onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Hebr. שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Lat. nomen .
  3. Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Gr. : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. in / ad .
  4. נַעֲרָה = na`ärâh (meisje) .
  5. נָבַט = nâbhat (openspringen, schijnen; hifil : verlichten) . Gn 25,13 .
  6. נָבִיא = nâbhî´(profeet) . Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet) .
    1. הַנָּבִיא = hannâbhî´( de profeet) . 2 K 19,2 .
      1. יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja, de profeet) . 2 K 19,2 .
  7. נָחָה = nâchâh (voeren, leiden) . Taalgebruik in Tenakh : nâchâh (voeren, leiden) .
    1. act. ind. perf. 2de pers. mann. enk. נָחִיתָ = nâchîthâ (jij leidde) . Ex 15,13 .
  8. נָחוֹר = nâchôr (Nachor) . Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) . Gn 11,29 .
    1. וְנָחוֹר = wënâchôr (en Nachor) . Gn 11,29 .
  9. Ned. : nacht . D. : Nacht . E. : night . Fr. : nuit . Gr. : νυξ , νυκτος = nux (nacht) . Taalgebruik in het NT : nux (nacht) . לָיְלָה = lajëlâh (nacht) . Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) . Lat. : nox , noctis . Het Griekse nuks < ne ok(w)t . Got. : nahts . Sanskr. : nak . Oudeng. : neaht , niht . (u - o - i - a) . Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin , de moeder van de zonnegod Re , die zij dagelijks ter wereld brengt .
    - Arabisch : ليل