BIJBEL : Taalgebruik
- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Overzicht van Tenach : Tenach
: overzicht , Tenach
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Tenach
: commentaar ,
Overzicht van Septuaginta : Septuaginta
: overzicht , Septuaginta
: taalgebruik - A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z
- , Septuaginta
: commentaar
Overzicht N.T. : N.T.
: overzicht , N.T.
: taalgebruik - N.T.
A - N.T.
B - N.T.
C - N.T.
D - N.T.
E - N.T.
F - N.T. G
- N.T. H
- N.T. I
- N.T. J
- N.T. K
- N.T. L
- N.T. M
- N.T. N
- N.T. O
- N.T. P
- N.T. Q
- N.T. R
- N.T. S
- N.T. T
- N.T. U
- N.T. V
- N.T. W
- N.T.
X -
N.T. Y - N.T. Z -
N.T. :
commentaar .
Overzicht van de
bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, bijbelTaalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
van Paulus , Apostolische
brieven .
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth)
, 1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1
Kronieken) , 2
Kr (2 Kronieken) , Ezr
(Ezra) , Neh
(Nehemia) , Tob
(Tobia) , Jdt
(Judith) , Est
(Esther) , 1 Mak
(1 Makkabeeën) , 2
Mak (2 Makkabeeën) , Job
, Ps (Psalmen
) , Spr (Spreuken)
, Pr (Prediker)
, Hl (Hooglied)
, W (Wijsheid)
, Sir (Sirach)
, Js (Jesaja)
, Jr (Jeremia)
, Kl (Klaagliederen)
, Bar (Baruch)
, Ez (Ezechiël)
, Da (Daniël)
, Hos (Hosea)
, Jl (Joël)
, Am (Amos)
, Ob (Obadja)
, Jon (Jona)
, Mi (Micha)
, Nah (Nahum)
, Hab (Habakuk)
, Sef (Sefanja)
, Hag (Haggai)
, Zach (Zacharia)
, Mal (Maleachi)
.
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2
Kor (Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1
Tes (Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2
Joh (Johannes) , 2
Joh (Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel | Cahier biblique |
| bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel (2) | liturgische lezing |
- Brieven van Paulus : taalgebruik -
A
- ´jl
, zie Ps 42,2
.
- ´äbhîhû
(Abihoe) , zie Ex
24,9 .
- ´ahäron
(Aäron) , zie Ex
24,9 .
- ´âbhad
(verdwijnen, verloren gaan) , zie Ps
1,6 .
- `âbhar
(doortrekken) , zie Gn
12,6 .
- ´abhërâm
(Abram) , zie Gn
12,1 .
- `âchar
(dralen, toeven, zich ophouden) , zie Ps
40,18 .
- ´âdâm
(mens) , zie Gn
1,26 .
- afièmi
(aflaten, achterlaten) . afièmi
(weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) ,
zie Mt
6,14 .
- aforizô
(afzonderen) .
- agathos
(goed) , zie Lc
23,50 .
- aggelos
(engel) . aggelos
(engel) , zie Mt
13,41 .
- agorazô
(kopen) , zie Mc
15,46 .
- agrupneô
(slaaploos of wakker zijn, waken) .
- agô
(leiden) , zie Lc
23,1 .
- ´âhabh
(beminnen, liefhebben) , zie Gn
29,30 .
- ´âhal
(zijn tenten opslaan) , zie Gn
13,18 .
- aineô
(loven, prijzen), zie Lc
24,53 .
- aiônion
(eeuwig) , zie Joh
3,15 . Bij Johannes : (1) Joh
3,15 . (2) Joh
3,16 . (3) Joh
3,36 . (4) Joh
4,14 . (5) Joh
4,36 . (6) Joh
5,24 . (7) Joh
5,39 . (8) Joh
6,27 . (9) Joh
6,40 . (10) Joh
6,47 . (11) Joh
6,54 . (12) Joh
10,28 . (13) Joh
12,25 . (14) Joh
17,2 . In al deze verzen staat aiônion (eeuwig) onmiddellijk na zôèn
(leven). In 6 verzen staat zôèn (leven) zonder aiônion (eeuwig)
: (1) Joh
5,26 . (2) Joh
5,40 . (3) Joh
6,33 . (4) Joh
6,53 . (5) Joh
10,10 . (6) Joh
20,31 .
- `ajin
(oog, bron) , zie Gn
16,1-16 .
-- `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. : Gn
13,10.4.
- ´âkhal
(eten, verorberen, verslinden) , zie Gn
1,29 .
- akoloutheô
(volgen) , zie Mt
4,20 . - èkolouthèsan (zij volgden). In 11 verzen bij Matteüs:
(1) Mt
4,20 . (2) Mt
4,22 . (3) Mt
4,25 . (4) Mt
8,1 . (5) Mt
8,25 . (6) Mt
9,27 . (7) Mt
12,15 . (8) Mt
14,13 . (9) Mt
19,2 . (10) Mt
20,34 . (11) Mt
27,55 . - èkolouthèsen (hij volgde). In 3 verzen bij Matteüs:
(1) Mt
9,9 . (2) Mt
9,19 . (3) Mt
20,29 .
- akouei
(hij luistert) 4X bij Johannes
- akouô
(luisteren, horen) , zie Mt
4,12 .
- `al
(op, overeenkomstig) , zie Gn
29,34 .
- `âlah
(opgaan, opklimmen) , zie Ps
68,19 .
- `âlats (juichen) . Taalgebruik in Tenach : `âlats
(juichen) .
- aleifô
(zalven) , zie Mc
16,1 .
- ´aleph
(alef), zie Ps
111,10 .
- alèthôs
(waarlijk) .
- alfaios (Alfeüs) . Taalgebruik in het N.T. : alfaios
(Alfeüs) . Taalgebruik in Mc : alfaios
(Alfeüs) .
- alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het N.T. : alla
(maar) . Taalgebruik in Mc : alla
(maar) .
- allos
(ander) , zie Mt
13,24 .
- `am (volk)
, zie Js 9,1
.
- `ämâleq (Amalek) . Taalgebruik in Tenach : `ämâleq
(Amalek) .
- ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenach : ´âmar
(zeggen) .
- Amfipolin
(Amfipolis) , zie Hnd
17,1 .
- `ammud
(kolom, zuil) , zie Ex
13,21 .
- ´âmats (sterk, machtig zijn , moedig handelen) . Taalgebruik in
Tenach : ´âmats
(sterk, machtig zijn , moedig handelen) .
- âmôts (Amos) . Taalgebruik in Tenach : âmôts
(Amos) .
- `amërâm
(Amram) , zie Ex
6,18 .
- anabainô
(opklimmen) , zie Mt
3,16 .
- anachôreô
(uitwijken) In 9 verzen bij Matteüs, zie Mt
2,12
- ´ânaph
(toornig zijn, zich vertoornen), zie Ps
111,5 .
- `ânag (weelderig opgevoed zijn, zih verheugen , zich verlustigen) .
Taalgebruik in Tenach : `ânag
(weelderig opgevoed zijn, zih verheugen , zich verlustigen) .
- anakrazô
(uitschreeuwen) , zie Mc
1,23 . fôneô
(roepen, schreeuwen) , zie Mc
1,26 . anakrazô
(uitschreeuwen) , zie Mc
1,23 . boaô
(luid roepen, schreeuwen) , zie Mc
15,34 .
- `ânân
(wolk) , zie Ex
13,21 .
- anastas
(opgestaan) , zie Mc
1,35 .
- anatellô (optillen, oprijzen, opgaan) . Taalgebruik in het NT : anatellô
(oprijzen) . Taalgebruik in de LXX : anatellô
(oprijzen) .
- ander zie allos
- anèr
(man) , zie Lc
5,12 .
- ´ani
(ik) , zie Ps
70,6 .
- `ânî (arm, ellendig, deemoedig) , zie Ps
70,6 .
-- `ânëjî (mijn armoede) < ´ânî + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. van het bijvoegl. naamw. `ânî (arm, ellendig, deemoedig) : Ps
25,18.2.
- anoigô
(openen) , zie Js
35,5 .
- anthrôpos
(mens) . anthrôpos
(mens) , zie Joh
1,6 , Lc
15,11 .
- Antiocheia
(Antiochië) , zie Hnd
11,19 .
- apaggeilate
(brengt de boodschap vanwege. 3X bij Matteüs) - apekrithè
(hij antwoordde) 57X bij Johannes
- apechô
(afhouden, onthouden) .
- aperchomai (weggaan) . Verwijzing in N.T. : aperchomai
(weggaan) . Verwijzing in Mc : aperchomai
(weggaan) .
- apesteilen
(hij /zij zond) , zie Mt
10,5 .
- ´âphaph
(omringen) , zie Ps
18,5 .
- `âphâr (stof, aarde) . Taalgebruik in Tenach : `âphâr
(stof, aarde) .
- apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mt : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) .
- apografesthai
(zich laten opschrijven) , zie Lc
2,1 .
- apokaluptô (openbaren, ont-dekken) , zie Mt
10,26 . Zie ook gâlâh
(openen, ontbloten, openbaren) , zie Js
40,5 .
- apokrinomai
(antwoorden) , zie Mt
3,15 .
- apokteinô
(doden) , Mt
16,21 .
- apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) . Taalgebruik in het N.T.
: apolambanô
(afnemen, wegnemen, afzonderen) . Taalgebruik in Mc : apolambanô
(afnemen, wegnemen, afzonderen) .
- apollumi
(ten gronde richten, doden) verliezen , zie Mt
2,12 .
- apoluô (ontbinden, loslaten) verliezen , zie Mc
6,45 .
- aporeô
(zonder doortocht, zonder uitweg zijn) , zie Lc
24,4 .
- apostellô
(afsturen, wegsturen , afzenden) . apostellô
(wegsturen, zenden) , zie Joh
1,6 , Mt
10,5 en Mc
1,2 .
- apostel , zie apostolos
(apostel) .
- apostolos
(apostel) .
- `äqârâh
(onvruchtbaar) , zie Re
13,3 .
- ´ärâm (Aram) . Taalgebruik in Tenach : ´ärâm
(Aram) .
- ´ärammî
(Arameeër) , zie Dt
26,5 .
- ´ârar
(vervloeken) , zie Jr
17,5 .
- ´arëbâ`îm
(veertig . 40) , zie Ex
24,18 .
- archiereis
(hogepriesters) , zie Mt
2,4 . Zie ook Mc
14,1 .
- archè
(begin, heerschappij) .
- archomai
(beginnen) , zie Mc
1,45 .
- arithmos (getal, aantal) , zie Hnd
4, 4 .
- aroô
(ploegen, zaaien) , zie 1
K 19,19 .
- `âshâh
(maken) , zie Jr
1,5 .
- ´äsjèr (die) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr
(die) . ka´äsjèr (zoals) ,
zie Joz
4,1 . wajëhî ka´äsjèr (en het was zoals/zodra)
. wajëhî ka´äsjèr thammû (en het was zoals
zij eindigden, zodra zij eindigden) .
- ´asjëre
(gelukkig, zalig), zie Ps
1,1 .
- astèr
(ster) , zie Mt
5,14 .
- astraptô
(bliksemen, stralen) , zie Lc
24,4 .
- `âthar
(bidden) , zie Gn
25,21 .
- autos
(hij zelf) , zie Lc
24,36 .
- auxanô
(doen groeien, vermeerderen) , zie Lc
2,40 .
- ('s) avond(s) zie opsias
- ´âz (dan) . Taalgebruik in Tenach : ´âz
(dan) .
- `âzab
(verlaten, achterlaten) , zie Ps
22,2 .
- ´âzan
(overwegen, luisteren), zie Ps
86,5 .
- `âzar
(helpen, bijstaan) , zie Ps
40,14 .
- azuma
(ongedesemde broden)
, zie Lc
22,1 .
B
- bâ`ath
(schrikken, vrezen) , zie Ps
18,5 .
- bâkhâh
(wenen, weeklagen) , zie Gn 45,15 .
- bâchar (kiezen, uitverkiezen) . Taalgebruik in Tenach : bâchar
(kiezen, uitverkiezen) .
- ballô
(werpen, gooien), zie Mt
8,14 .
- bânah
(bouwen) , zie Gn
12,7 .
- baptisma
(doopsel) . baptizô
(dopen) , zie Mt
3,13 . Zie ook : baptizô
(dopen) , zie Mc
1,8 .
- bâqasj
(zoeken) , zie Ex
2,15 .
- bârâ´ (scheppen) . Taalgebruik : bârâ´
(scheppen) .
- bârach
(vluchten, snel weggaan) , zie Ex
2,15 .
- bârakh
(zegenen, loven, prijzen) , zie Ps
113,2 .
- Barnabas
(Barnabas) , zie Hnd
4,36 .
- basileia
(koninkrijk) . hè
basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen)
, zie Mt
3,2 .
- bâtach
(vertrouwen, zich veilig voelen) , zie Jr
17,5 .
- bë
, zie Gn 12,3
.
- bhë´er
(put) , Gn
29,2 .
- beginnen zie èrxato
- berg zie horos
- bërîth
(verbond) , zie Gn
15,18 .
- be(j)th
(huis) , zie Js
2,2 .
- Betlehem
, zie Mt
2,1 .
- bëtèrèm
(vooraleer) , zie Jr
1,5 .
- De getalwaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 +
1 + 50 + 10 + 1 = 81 (zie Joh
1,28 ).
- Bètsaïda ( Betsaïda) , zie Mc
1,21 .
- blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in het N.T.
: blasfèmeô
(lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô
(lasteren, godslasteren) .
- blepô
(kijken, zien) . blepô
(zien) , zie Joh
1,29 . - blepô
(kijken) bij Marcus, zie Mc
13,33 . - blepô
(zien, kijken) bij Matteüs, zie Mt 11,4 : - Mt
11,2-6 -
- boaô
(luid roepen, schreeuwen) , zie Mc
15,34 . fôneô
(roepen, schreeuwen) , zie Mc
1,26 . anakrazô
(uitschreeuwen) , zie Mc
1,23 .
- bw´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenach : bw´
(gaan, komen) .
C
- chag
(feest) , zie Lc
22,1 .
- chairô
(zich verheugen) .
- châjâh (leven) . Taalgebruik in Tenach : châjâh
(leven) .
- châkhmâh
(wijsheid) , zie Ps
111,10 .
- chânâh
(zich neerlaten, zich legeren) , zie Ex
13,20 .
- chânan
(genadig zijn, zich over iemand ontfermen) , zie Ps
111,5 .
- châphar
(zich schamen, in zijn verwachtingen teleurgesteld worden), zie Ps
35,4 .
- châphatz
verlangen, begeren, willen) , zie Ps
40,15 . châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) . Taalgebruik
in Tenach : châphats
(verlangen, begeren, behagen scheppen) .
- châqaq
(vaststellen, besluiten) , zie Ps
2,7 .
- chara
(genade, dankbaarheid), zie Lc
24,52 .
- charis
(genade, gratie) .
- chârah
(branden, ontbranden) , zie Nu
11,1 .
- châsar
(missen, verminderen) , zie 1
K 17,14 .
- châsjabh
(rekenen, achten, denken) , zie Ps
40,18 .
- châsjâh
(zwijgen, zich stil, rustig houden) , zie Js
62,1 .
- châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) . Taalgebruik in Tenach : châzâh
(zien, aanzien, uitkiezen) .
- chèsèd
(liefde, gunst, genade, barmhartigheid) , zie Ps
111,5 .
- chât´â
(zondigen, missen) , zie Ps
1,1 .
- châzah
(zien, uitkiezen) , zie Gn
15,1 .
- cheir
(hand) , zie Lc
23,46 .
- chwsj
(zich haasten, genieten, zijn zinnen volgen), zie Ps
40,14 .
- chôlos
(lamme) , zie Mt
11,5 .
- chôrion (gebied, plek) , zie Mc
14,32 .
- chortazô
(voederen, verzadigen) , zie Mt
5,6 .
- chothen
(schoonvader) , zie Ex
3,1 .
- chreian
echô : ik behoef (6X bij Matteüs)
- christos
(Christus) . Christou
(Christus. 5X bij Matteüs)
- chshkh
(duisternis) , zie Js
9,1 .
D
- daarom zie dia touto
- d-bh-r . Taalgebruik in Tenach : dâbhar
(spreken) . dâbhar
(spreken) , zie Nu
27,15 .
- dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenach : dâm
(bloed, bloedschuld) .
- Damaskos
(Damascus) , zie Hnd
9,2 .
- dânijje´l (Daniël) . Taalgebruik in Tenach : dânijje´l
(Daniël) . Taalgebruik in Amos : dânijje´l
(Daniël) . Getalwaarde : daleth = 4 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , aleph
= 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 41 OF 95 (5 X 19) . Gr. danièl (Daniël)
. Taalgebruik in de Septuaginta : dânijje´l
(Daniël) . Taalgebruik in het N.T. : dânijje´l
(Daniël) .
- de
(echter) . de (echter) , zie Joh
1,1 . - de
(echter) , zie Lc
1,2 . de
(echter) , zie Mt
1,2 . Zie Hnd
13,6 .
- dechomai
(ontvangen) , zie Mt
10,40 .
- deiknuô
(tonen) , zie Mt
16,21 .
- deô
(moeten) , zie Mt
16,21 .
- Derbè
(Derbe) , zie Hnd
14,6 .
- dèrèkh
(weg, wijze, levenswijze) , zie Ps
1,1 .
- derô
(slaan) , zie Lc
22,63 .
- dia (door, omwille van) . Verwijzing in N.T. : dia
(door) . Verwijzing in Mc : dia
(door) . Verwijzing in Brieven : dia
(door) . dia
: dia touto (daarom) zie Mt
6,25 .
- diaireô
(uiteennemen, verdelen), zie Lc
15,12 .
- diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd
8,1 .
- diatribô
(stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd
14,28 .
- didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in het N.T. : didachè
(lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè
(lering, onderrichting) .
- didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) .
- didômi
(geven) , zie Mt
28,18 . - natan
(geven), zie Ps
111,6 .
- diistèmi
: uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen , zie Lc
24,51 .
- dikaios
(rechtvaardig) , Mt
3,15 .
- dôdeka
(twaalf) , zie Mt
28,16 .
- dogma (bevel,
decreet) , zie Lc
2,1 .
- doulos
(dienaar) .
- doxa
(heerlijkheid) . doxa (heerlijkheid), zie Lc
2,9
- doxazô
(verheerlijken) , zie Lc
5,26
- dunamis
(kracht, macht) , zie Lc
4,1 .
E
- ean
(indien) , zie Mc
9,49 - ean
(indien. 56X bij Matteüs)
- `èbhèd
(dienaar) , zie Ps
113,1
- ´èbhjôn (behoeftig) . Taalgebruik in Tenach : ´èbhjôn
(behoeftig) .
- ´èchâd
(één) , zie Lc
4,6 .
- echter , zie de
- echô (hebben, bezitten)
. Verwijzing : echô
(hebben, bezitten) in het N.T. . Verwijzing : echô
(hebben, bezitten) in Mc . Verwijzing : echô
(hebben, bezitten) in Lc .
- èdè (reeds) , zie Mc
15,42 .
- ´èphëraîm
(Efraïm) , zie 1 S 1,1 .
- ´èphërâthâh
(Efrata) , zie Gn
35,19 .
- ´èphès (uiteinde) , zie Mi
5,3 .
- egeirô
(ontwaken, opwekken) , zie Mc
1,31 .
- eggus
(naderbij) . Bij Matteüs, zie Mt
21,1 .
- egô
(ik) . egô
(ik) 123X bij Johannes
- eiden (hij zag) . Taalgebruik in Tenach : châzâh
(zien, aanzien, uitkiezen) . eiden
(hij zag) 7X bij Johannes -- eiden
(hij zag) , zie Mt
2,16 .
- eimi
(zijn) , zie Mc 1,6 . ousès
, zie Joh
20,19 .
- einde - beëindigen zie teleö
- eipèis
(je zegge). In 2 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,4 .
- eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . eis
(naar) , Mt
2,1 .
- eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) .
- actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) : Mc 2,1.2.
- eis
tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt
4,12 . In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt
4,12 . (2) Mt
26,32 . (3) Mt
28,7 . (4) Mt
28,10 . (5) Mt
28,16 .
- eiseltön
eis (binnengegaan in) 6X bij Marcus - eiserchomai
(binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3 : Mt
4,1-11 - ekballô
(buitenwerpen, buitengooien) bij Marcus, zie Mc 1,12 : Mc
1,12-13
- eisporeuomai (zich op weg begeven) . Taalgebruik in het N.T. : eisporeuomai
(zich op weg begeven) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : poreuomai
(zich op weg begeven) .
- ek
(uit) .
- ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Verwijzing in N.T. : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) . Verwijzing in Mc : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) .
- ekeinè
(die) , zie Joh
20,1 .
- ekeinos
(die) , zie Lc
2,1 .
- ekeithen (vanaf hier, vanaf daar) , zie Mt
4,21 en Mc
10,1 . Verwijzing in N.T. : vanhier,
vandaar , Mc : vanhier,
vandaar .
- ekklèsia
(kerk) .
- ekpneô
(uitademen, sterven) , zie Lc
23,46 .
- ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit)
- ´èl
(naar, tot) , zie Gn
12,1 .
- elegchô
(voor de dag brengen, ter sprake brengen) , zie Mt
18,15 .
- elevare (uit-lichten, oplichten, opheffen) . Zie rûm (zich verheffen,
opstaan) . Taalgebruik in Tenach : rûm
(zich verheffen, opstaan) .
- elk, ieder, al , zie pas
- eleos (barmhartigheid, genade) , zie chèsèd
(liefde, gunst, genade, barmhartigheid) . - eleèmôn
(barmhartig) , zie Mt
5,7 .
- eleutheria
(vrijheid) , zie Gal
5,13 .
- ´êlîsjä`
(Elisa) , zie 1
K 19,19 .
- ´èlohîm
(God) , zie Ps
42,2 . Betekenis : (1)
- èlthen
(hij / zij kwam) 12X bij Marcus - èlthon
(ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt
8,14 . In 8 verzen bij Matteüs : (1) Mt
5,17a en Mt
5,17b . (2) Mt
7,25 . (3) Mt
7,27 . (4) Mt
9,13 . (5) Mt
10,34a en Mt
10,34b . (6) Mt
10,35 . (7) Mt
14,34 . (8) Mt
21,1 . Jezus en zijn leerlingen : (7) Mt
14,34 . (8) Mt
21,1 . Jezus als 1ste persoon enkelvoud: Jezus en zijn leerlingen : (1)
Mt 5,17a
en Mt
5,17b . (4) Mt
9,13 . (5) Mt
10,34a en Mt
10,34b . (6) Mt
10,35 . - elthôn
(gegaan, gekomen), zie Mt
8,14 . In 14 verzen bij Matteüs . (1) Mt
2,8 . (2) Mt
2,9 . (3) Mt
2,23 . (4) Mt
4,13 . (5) Mt
5,24 . (6) Mt
8,7 . (7) Mt
8,14 . (8) Mt
9,18 . (9) Mt
9,23 . (10) Mt
13,54 . (11) Mt
16,13 . (12) Mt
24,46 . (13) Mt
25,27 . (14) Mt
26,43 . - elthontes
(gegaan, gekomen) , zie Mt
8,14 .
- ´èmeth
(waarheid, trouw) , zie Ps
111,5 .
- empaizô
(zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc
22,63 .
- emptuô (spuwen op of in
: in iemands gelaat spuwen, uitspuwen , zie Js
50,6 .
- en
(in) . en de tôi + infinitief , zie Mt
13,25 .
- en (nevenschikkend voegwoord) zie kai
- enanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : enanti
(tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti
(tegenover) .
- enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het N.T. : enantion
(tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion
(tegenover, in de ogen van) .
- enduô
(aantrekken, bekleden) , zie Lc
24,49 .
- eneileô
(inwikkelen) , Mc
15,46 .
- entellô
(bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt
28,20 .
- entulissô (inwikkelen)
, Mc 15,46
.
-
epanô (bovenop. 8X bij Matteüs)
- tèi
epaurion ('s anderendaags) , zie Joh
1,35
- eperôtaô (opvragen) . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô
(epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô
(epi - erôtaô) .
- epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in het N.T. : epipiptô
(vallen op, opdringen) . Taalgebruik in Mc : epipiptô
(vallen op, opdringen) .
- epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in het N.T. : epitithèmi
(opleggen) . Taalgebruik in Mc : epitithèmi
(opleggen) . epitithèmi
(opleggen) , zie Hnd
6,6 .
- epitimaô
(opdragen, bevelen, berispen) , zie Mc
1,25 . epetimèsen
(hij droeg op / beval) , zie Mc
1,25 .
- epi (op,
bij, naar, tot bij)
- erchomai (gaan) + samenstellingen. Bij Marcus: zie Mc
2,1 en Mc
11,1 . Marcus: zie Mc
11,1 . eiselthôn
(binnengegaan) bij Marcus, zie Mc
2,1 . (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
5,39 . (5) Mc
7,24 . (6) Mc
11,15 . - Erchontai
(zij gaan), zie Mc
11,1 . In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
8,22 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
11,15 . (9) Mc
11,27 . (10) Mc
12,18 . (11) Mc
14,32 . (12) Mc
16,2 . Erchetai
(hij gaat / komt) In 16 verzen bij Marcus, zie Mc
11,1 . In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,20 . (2) Mc
6,1 . (3) Mc
6,48 . (4) Mc
10,1 . (5) Mc
14,17 . (6) Mc
14,37 . (7) Mc
14,41 . In Mc
1,40 gaat een zieke naar Jezus. In Mc
5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. Slechts
in 2 verzen wordt erchetai (hij gaat / komt) + voorzetsel pros (naar) gebruikt
: (1) Mc
1,40 . (2) Mc
6,48 . De andere teksten : (10) Mc
1,7 (in een citaat) . (11) Mc
3,31 (de moeder van Jezus) . (12) Mc
4,15 (de satan) . (13) Mc
4,15 (de standaard) . (14) Mc
13,35 (de huisheer) . (15) Mc
14,66 (één van de dienstmeisjes) . (16) Mc
15,36 (een omstaander zegt). - erchomai
(gaan, komen), zie Mc
2,1 . - exelthontes
(uitgegaan), zie Mc
2,1 . In 5 verzen bij Marcus : (1) Mc
1,29 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
6,12 . (4) Mc
9,30 . (5) Mc
16,20 .
- erchomai
(gaan, komen) , zie Mt
3,14 en . Bij Matteüs, zie Mt 3,14 : Mt
3,13-17 - - erchomai
(komen, gaan) , zie Lc
1,35 .
- erèmos
(woestijn) .
- ´èrètz
(land) , zie Gn
12,1 .
- èrxato
(hij begon) , zie Mc
1,45 . In 18 verzen bij Marcus . - èrxato
(hij begon). In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt
4,17 .
- erôtaô
(vragen) bij Johannes - erôtaô (vragen) / eperotaô (ondervragen)
: zie Mc
4,10 en Mc
7,17
- `eshèbh
(kruid, groente) , zie Zach
10,1 .
- ´esj
(vuur) , zie Ex
13,21 . ´esj (vuur) . Taalgebruik in Tenach : ´esj
(vuur) . Getalwaarde : aleph = 1 ; sjin = 21 of 300 ; totaal : 22 of 301
. Tenach (144) . Taalgebruik in Amos : ´esj
(vuur) . Taalgebruik in de Septuaginta : pur
(vuur) . Taalgebruik in het N.T. : pur
(vuur) . Ned. : p -> ph = f -> v in vuur . D. Feuer . E. fire . Fr.
feu . Lat. ignis .
- ´eth
of ´èth , zie Gn
1,1 .
- `eth (tijd) . Taalgebruik in Tenach : `eth
(tijd) .
- etos
(tijd) , zie Lc
3,1 .
- euaggelion
(evangelie) .
- eudokia
(welwillendheid, goedgunstigheid) , zie Lc
2,14 .
- eulogeô
(goed zeggen, prijzen), zie Lc
24,53
- euthus
(onmiddellijk, dadelijk, terstond) , zie Mc
1,10 .
- exagô
(uitleiden) , zie Lc
24,50 .
- het werkw. epairô
(opheffen, verheffen) . Taalgebruik in het NT : epairô
(opheffen, verheffen) : Gn
29,1.1.
- existamai
(buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc
16,8 .
- exousia
(macht) bij Marcus, zie Mc11,27 : Mc
11,27-33 . - exousia
(macht), zie Mt
28,18 .
F
- Farisaioi
(Farizeeën) , zie Mc
2,18 . Eveneens : Farisaioi
(Farizeeën) , zie Mt
9,11 .
- fèmè (faam) . Taalgebruik in het N.T. : fèmè
(faam) . Taalgebruik in Lc : fèmè
(faam) .
- ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in het N.T. : ferô
(voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô
(voeren, dragen) .
- feugô
(vluchten), zie Mc
16,8 .
- filippos (Filippos) . Taalgebruik in het N.T. : filippos
(Filippus) . Taalgebruik in Mc : filippos
(Filippus) .
- fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) , zie Mc
1,27 .
- fôneô
(roepen, schreeuwen) , zie Mc
1,26 . anakrazô
(uitschreeuwen) , zie Mc
1,23 . boaô
(luid roepen, schreeuwen) , zie Mc
15,34 .
- fôs
(licht) . fôs
(licht) , zie Mt
5,14 .
- fruattô (briesen, ongeduldig zijn) . Verwijzing : râgasj
(onrustig zijn, tobben) , zie Ps
2,1 .
- Frugian
(Frygië) , zie Hnd
2,10 .
G
- gaan zie èlthen, elthôn
- gâbhâh
(hoog / verheven zijn, uitsteken) , zie Ps
113,5 .
- Gabriël
. Gabriël
(Gabriël) , zie Lc
1,26 .
- gâdal
(groot worden, opgroeien) , zie Ps
34,4 .
- gâlâh
(openen, ontbloten, openbaren) , zie Js
40,5 .
- gâlal
(rollen, wentelen) , zie Mc
4,37 .
- Galatikèn
chôran (Galatië) , zie Hnd
2,10 .
-
Galilaia (Galilea) - eis
tèn Galilaian (naar Galilea) . In 6 verzen bij Johannes, zie Joh
1,43 : Joh
1,43-51 . - Galilea
, zie Mc
1,14 .
- gar
(want, immers) . In 61 verzen bij Johannes, zie Joh 2,25 : Joh
2,23-3,21 - gar
(want) , zie Mc
1,16 . In 63 verzen bij Marcus. - gar
(want) , zie Mt
1,20 .
- gè
(aarde) , zie Mt
28,18 .
- gegraptai
(er werd geschreven) , zie Mt
2,5 .
- genesis
(wording, ontstaan bij Matteüs)
- genezen zie iaomai
- genitief (losse) , zie Mt
2,1 .
- gennaomai
(geboren worden) , zie Mt
2,1 .
- gèsjèm
(regen) , zie Zach
10,1 .
- gennaomai
(geboren worden) , zie Mt
2,1 .
- gignôskô
(kennen) , zie Mt
12,15 .
- ginomai
(worden) . ginomai
(gebeuren, worden, ontstaan) , zie Lc
1,5 , Mc
1,4 en Mc
16,1 .
- gogguzô
(brommen, morren), zie Mc
2,15-17 .
- gôj
(volk) , zie Gn
12,2 .
- gonupeteô
(op zijn knie vallen) , zie Mc
1,40 .
- grafô
(schrijven) , zie Mc
1,2 .
- grammateis
(schriftgeleerden) , zie Joh
8,3 .
- grègoreô
(waken) .
- gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè
(vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè
(vrouw) .
- gwr
(zich als vreemdeling ophouden) , zie Dt
26,5 .
H
- hâdâr
(eer, majesteit, glorie) , zie Ps
145,5 .
- hâgâh
(grommen, kirren, zuchten) , zie Ps
2,1 .
- hâgâr
(Hagar) , zie Gn
16,1 .
- haireô
(nemen, grijpen) , zie Joz
5,9 .
- häjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh
(zijn) . wajëhî , zie Joz
1,1 . wajëhî ka´äsjèr
(en het was zoals/zodra) , zie Joz
4,1 . wajëhî ka´äsjèr thammû (en het
was zoals zij eindigden, zodra zij eindigden) , zie Joz
4,1 .
- hâlakh
(gaan) , zie Js
9,1 .
- halal
(loven, prijzen) , zie Ps
113,1 .
- halas
(zout) 10X in de bijbel, 1X bij Matteüs
- hamartia
(zonde) , zie Lc
11,4 .
- haptô (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het N.T. : haptô
(vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptô
(vastgrijpen, aanraken) .
- hârag
(doden, ombrengen) , zie Ex
2,15 .
- harpazô
(roven) , zie Mt
13,19 .
- hèbhërôn
(Hebron) , zie Gn
13,18 .
- hègemoneuô
(de weg wijzen, aanvoeren, besturen) , zie Lc
3,1 .
- hemels zie ouranios
- hèlios
(zon) . Bij Marcus (zie Mc
1,32) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,6 . (3) Mc
13,24 .
- hèmera
(dag) , zie Joh
2,12 , Lc
1,5 , Mc
1,13 , Ex
2,23 .
- hieron
(tempel), zie Lc
24,53
- hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenach : hen
/ hinneh (zie) .
- hendeka
(elf), zie Mt
28,16 .
- heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô
(vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô
(vinden) . Taalgebruik in Hnd : heuriskô
(vinden) . Taalgebruik in de Septuaginta :
heuriskô (vinden) . Hebr. mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik
in Tenach : mâtsâ´
(vinden) . Lat. invenire . Fr. trouver . Du latin populaire *tropare («
composer, inventer un air » d’où « composer un poème
», puis « inventer, découvrir »), dérivé
de tropus (« figure de rhétorique » ? voir trope). Website
: http://fr.wiktionary.org/wiki/trouver
. Ned. vinden . D. finden . E. to find .
- heôs
hou (totdat) , zie Lc
24,49 .
- heôs
(tot , totdat) .
- Hierosoluma
(Jeruzalem), zie Mt
2,1 . In 9 verzen bij Matteüs: (1) Mt
2,1 . (2) Mt
2,3 . (3) Mt
3,5 . (4) Mt
5,35 . (5) Mt
16,21 . (6) Mt
20,17 . (7) Mt
20,18 . (8) Mt
21,1 . (9) Mt
21,10 .
- hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) .
- hinneh
(zie) , zie Gn
29,1 .
- histèmi
(doen staan) , zie Lc
24,36 .
- ho (de)
, zie Mt
28,18 .
- hôd
(eer, majesteit, glorie), zie Ps
145,5 .- hôd
(pracht, glans, majesteit), zie Ps
8,2 .
- hogepriesters zie archiereis
- hoj (wee) . Taalgebruik in Tenach : hoj
(wee) . Taalgebruik in Amos : hoj
(wee) .
- homoioô
(vergelijken met, gelijken op) , zie Mt
13,24 .
- homothumadon
(eensgezind) , zie Hnd
1,14 .
- hôra (uur) . Taalgebruik in het N.T. : hôra
(uur) . Taalgebruik in Mc : hôra
(uur) . Taalgebruik in Lc : hôra
(uur) .
- horaô
(zien) , zie Mc
16,7 .
- Horeb , zie Ex
3,1 .
- horen, luisteren, zie akouô
- horos
(berg) , zie Mt
4,8 en Mc
9,2. In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc
3,13 . (2) Mc
6,46 . (3) Mc
9,2 . (4) Mc
11,2 . (5) Mc
13,3 . (6) Mc
14,26 .
- hote
(toen, wanneer) : voegwoord van tijd. In 12 verzen bij Marcus, zie Mc 1,32
: Mc
1,32-34 . - hote
(toen)
, zie Mt
21,1 . Voegwoord van tijd. In 12 verzen bij Matteüs : (1) Mt
7,28 . (2) Mt
9,25 . (3) Mt
11,1 . (4) Mt
12,3 . (5) Mt
13,26 . (6) Mt
13,48 . (7) Mt
13,53 . (8) Mt
19,1 . (9) Mt
21,1 . (10) Mt
21,34 . (11) Mt
26,1 . (12) Mt
27,31 .
- hoti
(dat, omdat) . hoti
(dat, omdat) , zie Mt
2,16 .
- hosa
(wat) , zie Mt
13,44 .
- hôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : hôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs
(zoals) .
- hôsjeà (Hosea) . Taalgebruik in Tenach : hôsjeà
(Hosea) . Taalgebruik in Hosea : hôsjeà
(Hosea) . Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16
of 70 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 381 (3 X 127) . -Gr. ôsèe
(Hosea) . Taalgebruik in de Septuaginta : ôsèe
(Hosea) .
- hôsper
(zoals) .
- hôste
(zodat), zie Mc
1,27 .
- houtos (deze) , zie Hnd
1,14 .
- houtôs
(zo, op zo'n wijze) . In 14 verzen bij Johannes, zie Joh
3,16 : (1) Joh
3,8 . (2) Joh
3,14 . (3) Joh
3,16 (houtôs... hôste : zo... dat). (4) Joh
4,6 . (5) Joh
5,21 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (6) Joh
5,26 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (7) Joh
7,46 . (8) Joh
11,48 . (9) Joh
12,50 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . . (10) Joh
13,25 . (11) Joh
14,31 (12) Joh
15,4 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . (13) Joh
18,22 . (14) Joh
21,1 . - houtôs
(zo, op deze wijze) . In 32 verzen bij Matteüs, zie Mt
21,6
- hudôr
(water) .
- huios
(zoon) . - huios
(zoon), zie Mc
1,11 . - huios
(zoon), zie Mt
3,17 .
- humeis
(jullie. 29X bij Matteüs) - hupo
(door. bij Matteüs 27X . hup' : 4X.)
- hupagô
(gaan) , zie Mc
16,7 .
- huparchô
(zijn) , zie Lc
23,50 .
- hupsistos
(hoogste) , zie Lc
2,14 .
- hupostrefô
(omkeren, terugkeren) , zie Lc
4,1 .
I
- iaomai (genezen) , zie Mt
15,28 .
- idios (eigen)
, zie Mc
4,34 .
- idôn
(gezien) , zie Mt
2,16 .
- Ioudaia
(Judea) , zie Mt
2,1 .
- idou
(zie) . idou
(zie) , zie Mt
1,20 .
- JHWH . Taalgebruik in Tenach : JHWH
.
- ´îsj
(man) , zie Ps
1,1 .
J
- jâ`ats
(raden, besluiten) , zie Ps
1,1 .
- jachëdâw
(tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) , zie Js
40,5 .
- jâd (hand) . Taalgebruik in Tenach : jâd
(hand) . jad
(hand) , zie Ps
31,6 .
- jâdah
(loven, prijzen) , zie Ps
111,1 . - jâdâh
(loven, prijzen, erkennen) , zie Ps
8,2 .
- jâd`a
(kennen, weten) , zie Jr
1,5 .
- Jakob (zie
letter J) . - Ja`äqobh
(Jakob) , zie Gn
28,1 .
- jâr´â
(vrezen, eerbied hebben) , zie Ps
111,10 .
- jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in Tenach : jârad
(afdalen, afstijgen, vallen) . järad
(afdalen, afstijgen, vallen) , zie Nu
11,9 . - jèrèd
(Jered) , zie Gn
5,15 .
- jârasj (erven, bezitten, in bezit nemen) . Taalgebruik
in Tenakh : (erven,
bezitten, in bezit nemen) .
- jâsad
(zetten; beraadslagen) , zie Ps
2,2 .
- jâsjab (wonen) , zie katoikeô
(nederzetten, wonen) , zie Mt
4,13 .
- Jasôn
(Jason) , zie Hnd
17,7 .
- jâtsâ´ (uitgaan,
uittrekken) , zie Gn
15,7 .
- jâtsabh
(zich stellen, toegang hebben) , zie Ps
2,2 .
- jâtsar
(vormen) , zie Jr
1,5 .
- jâsj`a
(redden, bevrijden, verlossen), zie Ps
38,22
- jëhôsju`a
(Jozua) , zie Joz
5,9 .
- Jërûsâlaim
(Jeruzalem) , zie Js
62,1 .
- jësja`ëjâhû (Jesaja) . Taalgebruik in Tenach : jësja`ëjâhû
(Jesaja) .
- Ièsou
(Jezus. 21X bij Matteüs) - Ièsoun
(Jezus. 15X bij Matteüs) - Ièsoun
(Jezus. 15X bij Matteüs) - Ièsous
(Jezus), zie Mt
1,1 . In 110 verzen bij Matteüs . - Verwijzing in N.T. : Ièsous
(Jezus) , Mc : Ièsous
(Jezus) . Ièsous
(Jezus) . Ièsous
(Jezus) , zie Lc
15,11 .
- jithërô
(Jetro) , zie Ex
3,1 .
- Jezus zie Ièsous
- JHWH . Eigennaam van God . Taalgebruik in Tenach : JHWH
. Taalgebruik in Genesis : JHWH
. Taalgebruik in Jesaja : JHWH
. Taalgebruik in Amos : JHWH
. Taalgebruik in Jona : JHWH
. Taalgebruik in Sefanja : JHWH
. JHWH
, zie Ps 1,2
.
- bëne jisërâ`el (Israëlieten) , zie Ex
40,36 .
- Iôannès
(Johannes) 26X bij Matteüs. 23X Johannes de Doper. 3X Johannes, apostel
- Iordanès
(Jordaan. 6X bij Matteüs)
- jô´el (Joël) . Taalgebruik in Tenach : jô´el
(Joël) . Taalgebruik in Joël : jô´el
(Joël) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , aleph = 1 c, lamed = 12
of 30 ; totaal : 29 OF 47 . Gr. iôèl (Joël) . Taalgebruik
in de Septuaginta : iôèl
(Joël) .
- jôm
(dag) , zie Ex
2,23 .
-- bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + jôm (dag) : Gn
22,4.1.
- jônâh (Jona) . Taalgebruik in Tenach : jônâh
(Jona) . Taalgebruik in Jona : jônâh
(Jona) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal
: 35 (5 X 7) OF 71 . Gr. iôna (Jona) . Taalgebruik in de Septuaginta :
iôna
(Jona) .
- Jôseph (Jozef) , zie Gn
30,24
- jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenach : jishërâ´el
(Israël) .
- Juda
K
- ka'äsjèr
(zoals) , zie Mt
21,6 .
- kabhôd
(heerlijkheid) .
- Kafarnaüm
: eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm), zie Mc
1,21 . Bij Marcus : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
9,33 .
- kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mt : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) .
- kairos
(hét moment) bij Marcus, zie Mc 1,15 : Mc
1,14-15 -
- Kaisar
(keizer) , zie Lc
3,1 .
- Kaisareia
(Cesarea) , zie Hnd
10,1 .
- khâlâh
(ophouden, vergaan) , zie 1
K 17,14 .
- khâlam
( zich schamen, versmaden, beschaamd maken), zie Ps
35,4 .
- kaleô
(roepen) , zie Gal
5,13 .
- Kana (Kana). Plaatsnaam, zie Joh
2,11 .
- Khënâ`an
(Kanaän) , zie Gn
10,6 .
- kârath
(snijden) , zie Gn
15,18 .
- karpos
(vrucht) , zie Joh
15,2
- kâsâh
(bedekken) , zie Nu
9,15 .
- kataleipô
(achterlaten) , zie Mt
4,13 .
- katègoreô (iemand van iets beschuldigen) , zie Mc
7,1 .
- kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
--
- katha
(zoals), zie Mt
21,6 .
- kathaireô
(afnemen, naar beneden nemen) , zie Mc
15,46 .
- katharizô
(reinigen) , zie Mc
1,40 .
- kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) , zie Mt
28,2 .
- katheudô
(slapen) , zie Jon
1,5 .
- kathôs
(zoals) .
- katoikeô
(nederzetten, wonen) , zie Mt
4,13 .
- kaô
(in brand steken, verbranden) , Mt
13,40 .
- keimai
(liggen, rusten) , zie Lc
5,1 .
- kënâ`an (Kanaän) , zie Gn
12,5 .
- Qênân
= Qenan (Kenan) , zie Gn
5,9 .
- kèrussô
(verkondigen) . kèrussô
(verkondigen) , Mc
1,45 .
- khen (zo)
, zie Gn
29,34 .
- khoh (zo)
, zie Jr 31,7
.
- kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenach : kî
(want, omdat) . kî
(want) , zie Jr
31,7 .
- kl (alles) , zie Ex
40,38 .
- kludôn
(golfslag, vloedgolf, branding), zie Mt
8,24 .
- knielen zie prosekunei
- koinônia
(gemeenschap) .
- kôkhâbh
(ster) , zie Gn
15,5 .
- kolafizô
(oorvijgen geven, mishandelen) , zie Mt
26,67 .
- komen = gaan
- koninkrijk zie basileia
- krateô
(vastnemen, bemachtigen) , zie Mc
1,31 .
- krazô (roepen) zie anakrazô (uitroepen) .
- kuliô
(rollen) , zie Mt
28,2 . Vormen van apokuliô (wegrollen) in : Gn 29,10 . Mc
16,3 . Mc
16,4 . Mt
28,2 .
- kurios
(heer) . kurie
(heer) . In 31 verzen bij Matteüs, zie Mt 7,21 : Mt
7,21-23 -
- kuma
(golf) , zie Mc
4,37 .
- kôfos (doof) . Taalgebruik in het N.T. :
kôfos (doof) . Taalgebruik in Mc :
kôfos (doof) . kôfos
(doof) , zie Mt
11,4 .
L
- lâ`ag
(bespotten, beschimpen) , zie Ps
2,4 .
- lâbhasj
(kleden, zich kleden) , zie Bar
5,1 .
- laleô
(lallen, spreken, praten) , zie Mt
4,6 . - elalèsen (hij sprak). In 7 verzen bij Matteüs. (1) Mt
9,33 (de stomme). (2) Mt
13,3 . (3) Mt
13,33 . (4) Mt
13,34 . (5) Mt
14,27 . (6) Mt
23,1 . (7) Mt
28,18 .
- lâmmâh (waarom) . Taalgebruik in Tenach : lâmmâh
(waarom) .
- laos (volk) . Taalgebruik in het N.T. : laos
(volk) . Taalgebruik in Lc : laos
(volk) .
- latomeô
(uit steen houwen) , zie Mc
15,46 .
- leâh
(Lea) , zie Gn
29,31 .
- lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm
(brood) . Gr. artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos
(brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos
(brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread .
- le`èzrathi
chûsjâh (tot hulp aan mij haast je), zie Ps
40,14 : (1) Ps
22,20 . (2) Ps
40,14 . (3) Ps
70,2 . chûsjâh le`èzrathi (haast je tot hulp aan mij)
: Ps 38,23
.
- legô (zeggen) . Verwijzing in N.T. : legô
(zeggen) , in Mc : legô
(zeggen) . zie Joh
1,21 . - legô
(zeggen) , zie Lc
15,11 . - legô
(zeggen) , zie Mc
1,38 . - legô
(zeggen) bij Matteüs, zie Mt
4,6 . Eipen
(hij zei), zie Mt
4,6 .
- lëma`an
(omwille van, opdat) , zie Js
62,1 .
- lepros (melaatse), zie Mc
1,40 . Slechts in 2 verzen in het N.T. : (1) Mt
8,2 . (2) Mc
1,40 .
- lewî
(Levi) , zie Gn
29,34 .
- lian
(zeer) , zie Mc
1,35 .
- bepaald
lidwoord . lidwoord
, zie Mt
28,18 .
- lithos
(steen) , zie Lc
4,2 .
- lo´(niet)
, zie Ps 1,1
.
- logos
(woord) , zie Mt
7,24 .
- losse genitief : Mc
9,28 , Mc
11,27 , Mc
13,1 . - losse
genitief (bij Matteüs)
- lqsj
(piel : napluk houden) , zie Zach
10,1 .
- Lustra
(Lystra) , zie Hnd
14,6 .
M
- magos
(magiër) , zie Mt
2,1 .
- makarios
(zalig, gelukkig) , zie Mt
5,3 .
- mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenach : mâlâ´
(vullen, vervullen) . mâlâ´ , zie plèroô
(vervullen) , zie Mt
2,15 .
- mamëre´
(Mamre) , zie Gn
13,18 .
- mârâh
(weerspannig zijn) , zie Js
50,5 .
- martureô (getuigen) , zie Joh
1,7 .
- mâsjal
(heersen, macht hebben) , zie Mi
5,1 .
- mâtâr
(regen) , zie Zach
10,1 .
- mathèteuô (tot
leerling maken) , zie Mt
28,19 .
- matstsôth
(ongedesemde broden) , zie Lc
22,1 .
- mèdeis (niemand) . mèdeni
(aan niemand). In 3 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,4 . (1) Mt
8,4 . (2) Mt
16,20 . (3) Mt
17,9 . In 4 verzen bij Marcus : (1) Mc
1,44 ( // Mt
8,4 ) . (2) Mc
7,36 . (3) Mc
8,30 ( // Mt
16,20 ). (4) Mc
9,9 ( // Mt
17,9 ).
- meletaô
(zorg dragen voor, aandacht wijden aan) , zie Ps
2,1 .
- men
(enerzijds) .
- mèn
(maan, maand, of : werkelijk, waarachtig) , zie Lc
1,26 .
- menigte zie ochlos
- mesos
(midden), zie Lc
24,36 .
- meta (na , met) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . meta
(na, met), zie Joh
1,43 . Meta + to + infinitief : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 .(3) Mc
16,19 . - meta
met genitief (met) , met accusatief (na) , zie Lc
9,28 .
- metamorfoomai (omvormen) . In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt
17,2 . (2) Mc
9,2 . (3) . (4)
- Methüsjâlach
(Metuselach) , zie Gn
5,21 .
- mè
(niet) .
- Midëjân
(Midjan) , zie Ex
3,1 .
- mitsërajim
(Egypte) , zie Gn
12,10 .
- mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) , zie Mc
15,46 .
- monas (alleen) , zie Mc
4,10 .
- Mosjèh
(Mozes) , zie Ex
24,18 .
- 's morgens zie prôi
- mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenach : mwth
(sterven, ondergaan) . mwth
(sterven) , zie Mt
26,66 .
N
- Nâdâbh (Nadab) , zie Ex
24,9 .
- naderen zie eggus
- nâ´âq
(weeklagen, kermen) , Ex
2,24 .
- nâb`a
(ontspringen, opwellen, spreken, verkondigen) , zie Ps
145,7 .
- nâchâsj
(slang) , zie Gn
3,1 .
- Nâdâbh
(Nadab) , zie Ex
24,9 .
- nâdâh (dwalen, zich laten verleiden) . Taalgebruik in Tenach :
nâdâh
(dwalen, zich laten verleiden) .
- nâgad
(vertellen, verkondigen, bekend maken), zie Ps
145,4 .
- nâgâh
(stralen, schijnen) , zie Mt
5,14 .
- nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenach : nâphal
(vallen) . Taalgebruik in de Septuaginta : piptô
(vallen) . Taalgebruik in het N.T. : piptô
(vallen) .
- nâs`â
(opbreken, reizen) , zie Ex
16,1 .
- nâshâ´(dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenach
: nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) .
- verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud wajjishshâ´ (en hij verhief) : Gn
29,1.1.
- nâtah
(uitstrekken, neigen, zich wenden), zie Ps
86,1 .
- nâthan (geven) . Taalgebruik
in Tenakh : nâthan
(geven) . - didômi
(geven) , zie Mt
28,18 .
-- actief qal perfectum 1ste persoon enkelvoud nâthaththî (ik zal
geven) : 1 K 3,13.5.
- nâ´wah
(schoon, lieflijk, passend zijn) , zie Ps
68,35 .
- Nazaret
(Nazaret) , zie Mt
4,13 .
- nâzar
(zich afzonderen, onthouden, wijden) , zie Jr
1,5 .
- neos
(nieuw, jong), zie Lc
15,12 .
- nèphèsj
(geest) , zie Ps
104,1 .
- nemen naast zich, vergezellen zie paralambanô -
- niemand zie mèdeni
O
- `obadëjâh (Obadja) . Taalgebruik in Tenach : `obadëjâh
(Obadja) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , beth = 2 , daleth = 4 , jod =
10 , he = 5 ; totaal : 37 OF 91 (7 X 13) . Gr. abdios (Obadja) . Taalgebruik
in de Septuaginta : abdios
(Obadja) .
- ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos
(menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos
(menigte) .
- `ôd
(nog, opnieuw) , zie Gn
29,34 .
- ofeilô
(schuldig / verschuldigd zijn) , zie Mt
18,24 .
- acc. mann. mv. ofthalmous (ogen) :
- offer - sacrifice
-
- ´ohèl mô`ed (tent van de samenkomst) , zie Nu
11,16 .
- oida
(ik weet) , zie Joh
19,28 .
- oikia
(huis) , zie Mc
1,29 . - Oikian (huis). In 11 verzen bij Matteüs, zie oikia
(huis) in Mc
1,29 : (1) Mt
2,11 zie elthontes
(gegaan, gekomen) in Mt
2,11 . (2) Mt
7,24 (huis op de rots) . (3) Mt
7,26 (huis op zand) . (4) Mt
8,14 zie elthôn
(gegaan, gekomen) . (5) Mt
9,18 zie elthôn
(gegaan, gekomen) . (6) Mt
9,28 (elthonti de eis tèn oikian - zij kwamen dichterbij hem die
echter naar huis kwam) . (7) Mt
10,12 (eiserchomenoi de eis tèn oikian - terwijl jullie echter in
het huis binnengaan) . (8) Mt
12,29 (eiselthein eis oikian tou ischurou - in het huis van de sterke binnengaan)
. (9) Mt
13,36 (èlthen eis tèn oikian - ging hij naar het huis) . (10)
Mt 17,25
(elthonta eis tèn oikian - gekomen in het huis) (11) Mt
24,43 (zijn huis verwoesten) .
- `ôlâm (eeuwig) . Taalgebruik in Tenach : `ôlâm
(eeuwig) .
- nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma
(naam) . Taalgebruik in Mc : onoma
(naam) . Taalgebruik in Lc : onoma
(naam) . Taalgebruik in Hnd : onoma
(naam) . Taalgebruik in de Septuaginta : onoma
(naam) . Stam : N ... M . Lat. nomen . Fr. nom . Ned. naam . D. Name . Eng.
name . Hebr. sjem (naam) . Taalgebruik in Tenach : sjem
(naam) .
- ontvangen zie dechomai
- opnieuw zie palin
- opse
(laat) , zie Mt
28,1 .
- opsia (avond) . Taalgebruik in het N.T. : opsia
(avond) . Taalgebruik in Mc : opsia
(avond) . opsias
. - In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,16 .
- ´ôr
(verlicht, verhelderd zijn) , zie Ps
31,17 .
- orthros (ochtendschemering,
morgen), zie Lc
24,1 .
- ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk. . Taalgebruik
in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
- oun
(bij-gevolg) eropvolgend, dus, derhalve) , zie Joh
1,21. - oun
(derhalve, bijgevolg) , zie Mt
1,17 .
- houtos
(zo) .
- ouranios
(hemels) , zie Mt
5,48 . Zie ook : ouranos
(hemel) , zie Mt
28,18 .
P
- pâdâh
(verlossen, redden, vrijkopen) , zie Ps
111,9 .
- Pafos
(Pafos) , zie Hnd
13,13 .
- paidion
(kind) , zie Lc
2,40 .
- paiô
(slaan, treffen) , zie Lc
22,64 .
- phâl`a
(buitengewoon, wonderbaar zijn), zie Ps
86,10 .
- palin
(opnieuw) . In 45 verzen bij Johannes, zie Joh
1,35 - palin
(opnieuw) , zie Mc
2,1 . In 26 verzen bij Marcus . - palin (opnieuw) komt bij Matteüs
in 16 verzen voor, zie Mt
13,47 .
- Pamfulia
(Pamfylië) , zie Hnd
2,10 .
- panîm
(gezicht, aangezicht) , zie Ps
4,7 en Dt
34,10 .
- pâqad
(omzien) , zie Ex
3,7 .
- para (langs, naast) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs, vanwege) . Taalgebruik in Mc : para
(langs, vanwege) .
- parabel , zie parabolè
- parabel
(parabel, gelijkenis) , zie Mt
13,24 .
- parabiazomai (dwingen, dringen) , zie Hnd
16,15 .
- para-tèreô : bijhouden, opvolgen, schaduwen, zie Mc
3,2 .
- paradidômi (overleveren) bij Marcus, zie Mc
1,14 - paradidômi (overleveren). Bij Matteüs, zie Mt
4,12 -
- paraggellô
(afkondigen, bevelen) , zie Hnd
5,28 .
- paraginetai
(2X bij Matteüs)
- parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen,
aandringen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen
. Taalgebruik in het N.T. : parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in Mc : parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen) . parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan) , zie Mt
5,4 .
- parakalôn
(te hulp roepend) , zie Mc
1,40 .
- paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het N.T. : paralambanô
(overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô
(overnemen) . paralambanô
(naast zich nemen) bij Mt
4,5 .
- paralutikos
(lam, lamme) , zie Mc
2,3 .
- paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het N.T. : paraporeuomai
(zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai
(zich begeven langs) .
- paratithèmi
(neerzetten voor , bij) , zie Ps
31,6 .
- parrèsia
(vrijmoedigheid) , zie Hnd
28,31 .
- pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas
(ieder, elk, alles) . pas
(elk, ieder) , zie Joh
3,16 . - pas
(elk, ieder, al) , zie Mt
5,22 .
- paschô
(lijden) , zie Mt
16,21 .
- patassô
(slaan) , zie Mc
14,27 .
- patèr
(vader) , zie Lc
15,12 .
-- nom. mann. mv. paterôn : W
9,1.2.
- peinaô
(hongeren, honger hebben), zie Lc
4,2 .
- peirazô
(beproeven, op de proef stellen) , zie Lc
4,2 .
- pèl´è
(wonderbaar, wonderlijk) , zie Ps
111,1 .
- pempsas
(gezonden) In 4 verzen bij Matteüs, zie Mt 2,8 : Mt
2,1-12 .
- penthera
(schoonmoeder), zie Mc
1,30 .
- pentheô
(beklagen, betreuren, treuren) , zie Mt
5,4 .
- Pergè
(Perge) , zie Hnd
14,25 .
- persoonlijke voornaamwoorden bij
Matteüs
- peran
(overzijde, overkant), zie Mc
4,35 .
- petra
(rots) , zie Mc
15,46 .
- Petros
(Petrus) , zie Mc
8,29 . Zie ook Mt 10,2 . Zie Hnd
1,13 .
- Pharisaioi (Farizeeën) , zie Mt
9,11 .
- phûts
(vrspeiden, verstrooien) , zie Jr
23,1 .
- pimplèmi
(vervullen, vol maken) , zie Lc
4,1 .
- pipraskô
(verkopen) , zie Hnd
2,45 .
- piptô
(vallen) , zie Mc
1,40 .
- Pisidia
(Pisidië) , Hnd
13,14 .
- pisteuô
(geloven, vertrouwen) bij Johannes, zie Joh
3,16 ; pisteuôn
(wie gelooft) . In 14 verzen bij Johannes, zie Joh
3,16 : (1) Joh
3,15 . (2) Joh
3,16 . (3a) Joh
3,18a . (3b)
Joh 3,18b . (4) Joh
3,36 . (5) Joh
5,24 . (6) Joh
6,35 . (7) Joh
6,40 . (8) Joh
6,47 . (9) Joh
7,38 . (10) Joh
11,25 . (11) Joh
11,26 . (12) Joh
12,44 . (13) Joh
12,46 . (14) Joh
14,12
- plèroô
(vervullen) , zie Mt
2,15 .
- plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het N.T. : plèthos
(menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos
(menigte, veelheid) .
- ploion
(boot) , zie Mt
4,22 .
- pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . pneuma
(geest) 18X bij Matteüs) - pneuma
(adem, wind, geest) , zie Lc
4,1 .
- poieô
(doen, maken)
-- act. part. aor. nom. mann. enk. poièsas (makende, scheppende) : W
9,1.8.
--- ho poièsas (de makende = de maker) : W
9,1.7. - 8.
- poiein
(doen, handelen) , zie Hnd
1,1 .
-- act. part. aor. nom. mann. enk. poièsas (makende, scheppende) : W
9,1.8.
- poimèn
(herder) .
- poimnè
(kudde) .
- pôleô
(verkopen) , zie Lc
12,33 .
- polis (stad) . Verwijzing in N.T. : polis
(stad) . Verwijzing in Mc : polis
(stad) . Verwijzing in Hnd : polis
(stad) .
- ponèros
(slecht) . ponèros
(slecht-e) , zie Mt
13,19 .
- poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . poreuomai (zich op weg begeven
, op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Mc : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Mt : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) .
- pote
(wanneer, soms) .
- pou
(waar?). Vragend voegwoord. In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38 : Joh
1,35-42 -- pou
(waar) , zie Mt
2,2 .
- praesens
bij Marcus
- pragmatôn
(van de handelingen / gebeurtenissen) , zie Lc
1,1 .
- praus
(zacht, vriendelijk) , zie Mt
5,5 .
- presbuteroi (oudsten) , zie Hnd
14,23 .
- pro
(voor) .
- proagô
(gaan voor. bij Matteüs)
- probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : probainô
(vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Mc : probainô
(vooruitbanen , vooruitgaan) .
- proetoimazô
(voorafbereiden) .
- profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet)
. Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès <
pro - fè - tès (fèmi : spreken) .
- prôi
('s morgens) , zie Mc
1,32 .
-
- pro-orizô
(vooraf bepalen, bestemmen) .
- pros (naar,bij) + acc. . Verwijzing in N.T. : pros
(naar, bij) . Verwijzing in Mc : pros
(naar, bij) . - pros
(naar, bij. 41X bij Matteüs)
- prosechô (bijhebben,
bijhouden), zie Lc
12,1 .
- proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in het N.T. : proserchomai
(naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai
(naderbijkomen) . proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in het N.T.
: proserchomai
(naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai
(naderbijkomen) . prosèlthen
(hij kwam naderbij), zie Mt
4,3 .
- proseuchè (aanroeping, gebed) . Taalgebruik in het N.T. : proseuchè
(aanroeping, gebed) .
- proseuchomai
(bidden) , zie Hnd
6,6 .
- prosferô
(brengen of dragen bij) , zie Mt
9,2 .
- proskaleomai (bij zich roepen) . Verwijzing in N.T. : proskaleomai
(bij zich roepen) . Verwijzing in Mc : proskaleomai
(bij zich roepen) .zie Mc
3,23
- proskartereô
(volharden, aan iets volhouden) , zie Hnd
1,14 .
- proskuliô (ernaartoerollen)
, zie Mc
15,46 .
- proskuneô (knielen bij). - prosekunei
autôi (hij knielde bij hem) In 4 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,2 . (1) Mt
8,2 . (2) Mt
9,18 . (3) Mt
15,25 . (4) Mt
18,26 . - prosekunèsan
(zij knielden bij). In. 4 verzen bij Matteüs, zie Mt
2,11 . (1) Mt
2,11 . (2) Mt
14,33 . (3) Mt
28,9 . (4) Mt
28,17 .
- prosôpon
(aangezicht) .
- prosporeuomai (zich op weg begeven naar) . Taalgebruik in het N.T. : prosporeuomai
(zich op weg begeven naar) . Taalgebruik in Mc : prosporeuomai
(zich op weg begeven naar) .
- prothesis
(tentoonstelling, voorstel, voorafbepaling, plan) .
- prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in het N.T. :
prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in Mc : prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) .
- ptôchos
(arm) , zie Mt
5,3 .
- puretos
(koorts), zie Mc
1,31 .
Q
- qâbhats
(verzamelen) , zie Jr
31,8 .
- qâdasj
(gewijd, heilig zijn) , zie Jr
1,5 .
- qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenach : qârâ´
(roepen, heten) . qârâ´
(roepen, heten) , zie Joz
5,9 .
- qâsjabh
(zijn oren neigen tot, aandacht geven), zie Ps
40,14 .
- qëhâth
(Qehat) , zie Gn 46,11 .
- Qênân
= Qenan (Kenan) , zie Gn
5,9 .
- qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm
(opstaan) .
R
- râ´âh
(zien) , zie Ex
3,7 .
- râ`âh
(herderen, weiden) , zie Jr
23,1 .
- râ`asj
(heen en weer geschud worden) , zie Mt
8,24 .
- râcham
(beminnen, zich ontfermen), zie Ps
111,5 .
- rachel
(Rachel) , zie Gn
35,19 .
- râchaq
(ver zijn, zich verwijderen) , zie Ps
22,2
- râgasj
(onrustig zijn, tobben) , zie Ps
2,1 .
- râph´â (genezen) , zie 281
.
- râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken) . Taalgebruik
in Tenach : râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken) .
- rânan
(luid roepen, jubelen, jammeren), zie Ps
145,7 .
- rapizô
(afranselen, in het gezicht slaan) , zie Mt
26,67 .
- râsj`â
(goddeloos, schuldig zijn) , zie Ps
1,1 .
- râtsah
(behagen scheppen in), zie Ps
40,14
- rechtstreeks / direct zie euthus
- regen . Verwijzing : gèsjèm
(regen) , zie Zach
10,1 + mâtâr
(regen) , zie Zach
10,1 .
- rèma
(woord) , zie Lc
9,45 .
- re´sjîth
(begin) .
- râtsats
(knakken, verbreken, verdrukken) , zie Lc
1,41 .
- rîq
(ijdeloos, tevergeefs) , zie Ps
2,1 .
- rômaios
(Romein) , zie Hnd
28,17 .
- pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Hnd : pneuma
(geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma
(geest) . Hebr. rûach (geest) . Taalgebruik in Tenach : rûach
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist
.
- rûm (zich verheffen, opstaan) . Taalgebruik in Tenach : rûm
(zich verheffen, opstaan) .
S
- sa`ar
(storm) , zie Jon
1,4 .
- sâgar
(sluiten) , zie 1 S 1,5 .
- Sârâh
(Sara) , zie Gn
17,15 .
- sjâ´al
(verlangen, eisen, vragen) , zie Zach
10,1 .
- sjä´ar
(overblijven, achterblijven) , zie Jr
31,7 .
- sjâbhâ`(zweren)
, zie Ps
110,4 .
- sâbhabh
(draaien, omsingelen) , zie Ps
18,6 .
- sabbaton
(sabbat) , zie Mc
16,1
- sâjach
(nadenken, overdenken, bemediteren), zie Ps
145,5 .
- saleuô
(heen en weer schudden, heftig bewegen) , zie Hnd
4,31 .
- shâm
(plaatsen, stellen) , zie Ex
2,14 .
- sâthar
(afwenden) , zie Js
50,6 .
- sephèr
(boek) , zie Gn
5,1 .
- seismos
(beving, trilling) , zie Mt
8,24 .
- sënè
(doornstruik, braambos) , zie Ex
3,2 .
- shâdèh
(veld) , zie Zach
10,1 .
- shâm
(plaatsen, stellen) .
- shâmach
(zich verheugen) , zie Jr
31,7 .
- shânâ´(haten,
met tegenzin hebben, niet beminnen) , zie Gn
29,31 .
- Sînâj
(Sinaï) , zie Ex
16,1 .
- sindôn
(linnen weefsel) . sindôn
(linnen doek) , zie Mc
15,46 .
- sjâbhach
(loven, prijzen), zie Ps
145,4 .
- sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) . Taalgebruik in Tenach : sjâkhab
(liggen, zich neerleggen) .
- sjâkhan
(wonen) , zie Ex
40,35 .
- sjâlach . Verwijzing : apostellô
(wegsturen, zenden) , zie Joh
1,6 .
- sjâphal
(nederig, laag zijn, zich vernederen) , zie Ps
113,6 .
- sjâm`â
(horen, luisteren) , zie Ex
2,15 .
- sjâmad
(verwoesten, vernietigen,uitroeien), zie Ps
145,20 .
- sjâmar
(behouden, bewaren) , zie Ps
145,20 .
- sjânâh
(jaar) , zie Ex
21,2 .
- sjâqâh
(laten drinken, drenken) , zie Gn
29,10 .
- sjâqat
(rusten, zich rustig houden) , zie Js
62,1 .
- sjawë`âh
(geschrei, hulpgeschrei) , zie Ex
2,23 .
- sjelat
(heersen , macht hebben over) , zie Da
7,14 .
- sjem
(de naam) , zie Ps
113,2 .
- sjesj
(zes) , zie Ex
21,2 .
- skeptomai
(kijken, letten op) , zie Ex
3,7 .
- skirtaô
(huppelen, springen, dansen) , zie Lc
1,41 .
- zelfstandig naamwoord nominatief vrouwelijk enkelvoud (sofia) of
datief vrouwelijk enkelvoud sofia(i) :
- sou
(van u. bij Matteüs 71 X)
- sôzô
(redden) .
- sparassô
: door elkaar schudden, stuiptrekken , zie Mc
1,26 .
- sparganoô
(inwikkelen, bakeren) , zie Lc
2,7 .
- sperma
(zaad, nakomeling) , zie Gn
1,29 .
- sprink-haan < spring-en . Fr. sauterelle < sauter : springen < salire
: springen , frequentatief is saltare : herhaaldelijk springen , dansen (hieruit
: salto) . Website : http://educatie-en-school.infonu.nl/buitenlands/9427-vertaling-dierensoorten-frans-nederlands.html
. Gr. hè akris , akridos , +akrida . Fr. acridien . Website : http://pot-pourri.fltr.ucl.ac.be/itinera/ebook/etymons.pdf
.
- steden in het Marcusevangelie : * Bètsaïda . In 2 verzen (Mc
6,45 , Mc
8,22) bij Marcus, zie Mc
1,21 .* Kafarnaüm : eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm). In 3 verzen
(Mc 1,21
, Mc 2,1
, Mc 9,33)
bij Marcus, zie Mc
1,21 .
- sullegô
(samen-lezen; verzamelen) , zie Mt
13,40 .
- sumboulion
(besluit) , zie Mc
7,1 . - sumboulion
(besluit). In 5 verzen bij Matteüs, zie Mt
12,14 .
- sunagô
(bijeendrijven, verzamelen) , zie Mc
2,2 .
- sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik : sunagôgè
(synagoge) .
- sunechô
(bijeenhouden, vasthouden) , zie Lc
22,63 .
- sunedrion
(sanhedrin) , zie Mc
14,55 .
- sunteleia
(voltooiîng, voleinding) , zie Mt
13,39 .
- swg
(wijken) , zie Js
50,5 .
T
- tabernakel , zie Nu
11,16
- tapeinoô
(lager maken, met de grond gelijk maken) , Lc
3,5 .
- tassö
(bevelen, opdragen) zie bij Mt
21,6 (sunetaxen)
- tauta
(die 'dingen') , zie Mt
1,20 .
- thëhillâh
(lofzang), zie Ps
145,1
- theos (God)
-- voc. mann. enk. thee : W
9,1.1.
- teleô
(beëindigen), zie Mt
7,28 -
- telwoord
, zie Mc
16,2 .
- thalassa
(zee, meer), zie Mc
1,16 . Bij Marcus: thalassa in 1 vers : Mc
4,41 ; thalassès in 4 verzen : (1) Mc
5,1 . (2) Mc
6,47 . (3) Mc
6,48 . (4) Mc
6,49 ; thalassan in 9 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 .
- thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) .
Taalgebruik in het N.T. : thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in
Mc : thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) .
- thelèma
(wil) . thelèma
(wil) zie Mt
6,10 .
- thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô
(willen) . Taalgebruik in Mc : thelô
(willen) .
- therapeuô
(genezen) bij Matteüs
- therismos
(oogst) , zie Mt
13,30 .
- theôreô
(zien, kijken), zie Mc
16,4 .
- theos
(God) . theos
(God) , zie Lc
24,53 .
-- voc. mann. enk. thee van het zelfst. naamw. theos (God) : W
9,1.1.
- tèreô
(behouden, bewaren) , zie Mt
28,20 .
- tithèmi
(zetten, plaatsen, maken) , zie Hnd
7,60 .
- tiktô
(bevallen) , zie Lc
2,6 .
- Timotheos (Timoteüs) , zie Hnd
16,1 .
- tina
(wie) , zie Mt
16,13 .
- tis
(een bepaald) , zie Lc
15,11 .
- thôlëdoth
(ontstaansgeschiedenissen) , zie Gn
2,4 .
- tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in de
LXX : tote
(dan) . Taalgebruik in het N.T. : tote
(dan) . Zie ook : Taalgebruik in Tenach : ´âz
(dan) .
- tsâ`âq
(roepen, schreeuwen, klagen) , zie Ex
3,7 .
- tsâhâl
(juichen, hinniken) , zie Jr
31,7 .
- tsâ´îr
(klein, jongste) , zie Mi
5,1 .
- tsâm´â
(dorst hebben, dorsten), zie Ps
42,3 .
- tsâmach (ontspruiten, groeien) . Taalgebruik in Tenach : tsâmach
(ontspruiten, groeien) . tsamach
(oprijzen, opgaan) , zie Mt
5,14 .
- tsâwâh
(opdragen) , zie Mt
28,20 .
- tsèdèq
(rechtvaardig) , zie Ps
111,5 .
- Tsijjôn
(Sion) , zie Js
62,1 .
- ts´on
(kudde) , zie Ex
3,1 .
- tsûph
(tsuph) , zie 1 S 1,1 .
- thura
(deur) , zie Mc
1,33 en Mt
28,2 .
- tuflos
(blinde) , zie Mt
11,5 .
- tunc (dan) . Zie : Taalgebruik in Tenach : ´âz
(dan) .
- twaalf zie dôdeka
- twl
(werpen, slingeren), zie Jon
1,4 .
U
- uitwijken zie anachôreô
V
- van , vanaf , zie apo
- vergeven zie afièmi
- vergezellen, naast zich nemen zie paralambanô -
- vidit (hij zag) . Taalgebruik in Tenach : châzâh
(zien, aanzien, uitkiezen) .
- vinden zie heuriskô
- volgen zie akoloutheô
W
- we`aththâh
(en nu) , zie Dt
4,1 .
- werkwoordvormen
van eimi (zijn) bij Matteüs -
- woord zie logos
Z
- zâbhach (slachten, offeren) . Taalgebruik in Tenach : zâbhach
(slachten, offeren) .
-- lizëboach (om te offeren) < voorzetsel lë + act. qal inf. OF : lëzèbach (tot offer) voorzetsel lë + zelfst. naamw. zèbhach (offer, slachtoffer, offermaaltijd) : 1 K 3,4.4.
- zâkhar
(gedenken) , Ex
2,24 .
- zâr`â
(zaaien, planten, voortbrengen) , zie Gn
15,18 .
- zârach (rijzen, opgaan) . Taalgebruik in Tenach : zârach
(rijzen, opgaan) . zârach
(rijzen, opgaan) , zie Mt
5,14 .
- zèteô
(zoeken) , zie Mc
7,1 en Mt
2,12 .
- zeggen zie legei
- zèh
(deze) , zie Gn
5,1 .
- zèlos
(ijverzucht, afgunst) , zie Hnd
5,17 .
- zenden zie pempsas
- zie cfr idou
- zien -> verleden deelwoord gezien, zie
idôn
- zizania
(onkruid) , zie Mt
13,40 .
- zoals ... zo, zie hôsper
- zoeken zie zèteô
- zôèn
(leven) in 20 verzen bij Johannes, zie Joh
3,15 : (1) Joh
3,15 . (2) Joh
3,16 . (3) Joh
3,36 . (4) Joh
4,14 . (5) Joh
4,36 . (6) Joh
5,24 . (7) Joh
5,26 . (8) Joh
5,39 . (9) Joh
5,40 . (10) Joh
6,27 . (11) Joh
6,33 . (12) Joh
6,40 . (13) Joh
6,47 . (14) Joh
6,53 . (15) Joh
6,54 . (16) Joh
10,10 . (17) Joh
10,28 . (18) Joh
12,25 . (19) Joh
17,2 . (20) Joh
20,31
- zoon : Verwijzing : huios
(zoon) , zie Mt
3,17 . Eveneens : huios
(zoon) , zie Mc
1,11 .