BIJBEL : Taalgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- A

  1. De letter אָלֶף = א = ´ = ´âleph (alef) is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet Deze letter heeft getalswaarde 1 als rang- en hoofdtelwoord Deze letter is een echte medeklinker ofschoon hij in de uitspraak (bijna) niet meer hoorbaar is Hij geeft een glottisslag weer (zoals bv in het Nederlandse naäpen) De aleph wordt weergegeven door het teken ´
  2. Ned : aanraken , tikken , aantikken -> toets ? E : touch Fr toucher < volkslat toccare < Lat : ta-n-g-ere (tetigi , tactum) It : toccare Sp : tocar "Noli me tangere" (wil me niet aanraken, wil me niet vasthouden, klamp je niet vast) : Joh 20,13 Ned : tang : gereedschap om iets te grijpen , vast te houden Ned : tank : een reservoir om vloeistoffen vast te houden
    - Lat attingere (attetigi, attactum) Fr attaque < Fr attaquer < ook Lat attoccare en attaccare : aanraken ; neg : slaan , aanvallen ; vasthechten
    - Lat contingere (contetigi , contactum) Fr en Ned : contact
  3. Ned : aarde Arabisch : أَرْض = ´arD (aarde) Taalgebruik in de Qoran : ´arD (aarde) Aramees : אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) D : Erde E : earth Fr : terre Grieks : γη = gè (aarde, land) Taalgebruik in het NT : gè (aarde) Hebreeuws : אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land) Italiaans : terra Lat : terra Spaans : tierra Syrisch : ´ar`o (aarde)
  4. ααρων = aarôn (Aäron) Taalgebruik in het NT : aarôn (Aäron) Nu 6,23
  5. אַב = ´abh (vader) Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) Lc 1,55
    1. אָבִי = ´âbhî (mijn vader) < zelfst naamw + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk
    2. אָבִיךָ = ´âbhîkhâ (jouw vader) < stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 12,1
    3. אָבִיו = abhîw (zijn vader) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
      1. בֵית אָבִיו = be(j)th ´âbhîw (huis van zijn vader)
      2. וּבֵית אָבִיו = ûbhe(j)th ´âbhîw (en het huis van zijn vader)
    4. אָבִינוּ = ´âbhînû (onze vader) < zelfst naamw stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mv
    5. mann mv אֲבוֹת = ´äbhôth (vaders) Lc 1,55
      1. אֲבֹתֶיךָ = ´äbhothè(j)khâ (jouw vaderen) < mann mv stat constr + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk Lc 1,55
        1. אֲבֹתֶיךָ אֶל = ´èl ´äbhothè(j)khâ (naar jouw vaderen) 
      2. אֲבֹתֵינוּ = ´äbhothe(j)nû (onze vaderen) < mann mv stat constr + suffix pers voornaamw 1ste pers mann mv Lc 1,55
        1. לַאֲבֹתֵינוּ = la´äbhothe(j)nû (tot onze vaderen)
          1. אֱלֹהֵי אֲבֹתֵינוּ = ´êlohe(j) ´äbhothe(j)nû (God van onze vaderen)
      3. אֲבוֹתֵיכֶם = ´äbhothe(j)khèm (jullie vaders)
        1. לאֲבוֹתֵיכֶם = la´äbhothe(j)khèm (aan jullie vaders) < voorzetsel lë + zelfst naamw mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann mv
      4. אֲבוֹתָם = ´äbhôthâm (hun vaderen) < mann mv + suffix pers voornaamw 3de pers mann mv
        1. לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann mv + suffix pers voornaamw 3de pers mann mv
    6. הָאָבוֹת = hâ´âbhôth (de vaderen) < prefix bepaald lidw ha + mann mv Lc 1,55
      1. לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann mv + suffix pers voornaamw 3de pers mann mv
  6. אָבָה = ´âbhâh (willen) Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâh (willen)
    1. act qal imperf 3de pers mann enk יאֹבֶה = jo'bhèh (hij wil)
  7. - ´jl , zie Ps 42,2
  8. אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) Taalgebruik in Tenakh : ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan)
  9. עָבַד = `âbhad (werken, dienen) Taalgebruik in Tenakh : `âbhad (werken, dienen)
    1. prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act qal perf 3de pers mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv וַעֲבָדוּם = wa`äbhâdûm (en zij zullen dienen) Dt 31,20
    2. act ind imperf 2de pers mann enk תַעֲבֹד = tha`äbhod (jij zult werken, dienen) Ex 20,9 Dt 6,13
    3. וְנַעַבְדֶכָּ = wënaàbhëdèkhâ (en wij zullen jou dienen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal jiqtol (imperf) 1ste pers mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Mt 6,13
    4. act piël imperf 2de pers mann mv תְּאַבְּדוּן = thë´abbëdûn (jullie zult doen verdwijnen) OF act qal jiqtol (imperf) 2de pers mann mv תֹּאבֵדוּן= tho´bhedûn (jullie verdwijnen)
    5. act hifil stat constr הַאֲבִיד = ha´äbhîd (om te verdelgen)
    6. pass hofal imperf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv תָעָבְדֵם = thâ`âbhëdem (jij zult hen dienst doen) Ex 20,5
  10. אָבַק = ´âbhaq (worstelen) Taalgebruik in Tenakh : ´âbhaq (worstelen)
    1. וַיִאָבִק = waje´âbheq < verbindingswoord wë + werkwvorm pass nifal imperf 3de pers mann enk Gn 32,25
  11. אָבָק = ´âbhâq (stof, stuifzand) Taalgebruik in Tenakh : ´âbhâq (stof, stuifzand)
  12. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Lc 8,22
    1. וַיַּעֲבֵר = wajja`äbher (en hij deed voorbijgaan) < wë + act hifil imperf 3de pers mann enk Gn 32,23
    2. וַיַּעֲבֹר = wajja`äbhor (en hij trok door) < prefix verbindingswoord wë (consecutivum) + act qal imperf 3de pers mann enk Gn 32,24
    3. נַעְבְּרָה נָּא = na`ëbërah-nâ´ (dat wij mogen doortrekken) < act qal cohort 1ste pers mv + versterking nâ´ Mc 4,35
      1. נַעְבְּרָה נָּא אֶל אֵבֶר = na`ëbërah-nâ´ ´l `ebhèr (dat wij mogen doortrekken naar de overzijde) Mc 5,1
    4. qal act part praes עֹבֵד = `obhed (voorbijgaande)
  13. אָבַס = ´âbâs (voederen, vetten) Lc 2,12
  14. אֵבוּס = ´ebhûs (kribbe) Taalgebruik in Tenakh : ´ebhûs (kribbe) Lc 2,12
    - ´äbhîhû (Abihoe) , zie Ex 24,9
  15. אַהֱרֹן = ´ahäron (Aäron) Taalgebruik in Tenakh : ´ahäron (Aäron) Ps 133,2
    1. וְאַהֱרֹן = wë´ahäron (en Aäron) < prefix voegwoord wë + persoonsnaam Ex 24,9
  16. ahäron (Aäron) , zie Ex 24,9
    - ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) , zie Ps 1,6
  17. ´abhërâm (Abram) , zie Gn 12,1
  18. Grieks : αβρααμ = abraam (Abraham) Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) Arabisch : ابرَاهِيم = ´ibrahim (Ibrahim) Taalgebruik in de Qoran : ibrahim (Ibrahim) Hebreeuws : אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) Zie אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram)
  19. αβρααμ = abraam (Abraham) Taalgebruik in het NT : abraam (Abraham) Lc 1,55
  20. אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham)
    1. אַבְרָהָם אֶל הָאֱלֹהִים = ´abhërâhâm ´èl hâ´èlohîm (en Abraham tot God) Gn 17,18
    2. וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם אֶל = wajjo'mèr ´abhërâhâm ´èl (en Abraham zei tot) Gn 17,18
    3. וְאַבְרָהָם = wë´abhërâhâm (en Abraham) < prefix wë + persoonsnaam אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) Gn 18,11
    4. אֶל אַבְרָהָם = ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) Lc 1,55
    5. לְאַבְרָהָם = lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) Lc 1,55
  21. אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) Taalgebruik in Tenakh : ´abhërâm (Abram) Gn 12,10
    1. אֶל אַבְרָם = ´èl ´abhërâm (tot Abram) Gn 12,1
      1. יהוה אֶל אַבְרָם = JHWH ´èl ´abhërâm (JHWH tot Abram) Gn 12,1
    2. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) Gn 11,29
    3. וְאַבְרָם בֶּן = wë´abërâm bèn (en Abram was oud) Gn 16,16
    4. לְאַבְרָם = lëabhrâm (voor Abram) < prefix voorzetsel lë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) Gn 16,16
    5. וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) Gn 12,4
    6. וַיּקַּח אַבְרָם = wajjiqqach Abram (en Abram nam) Gn 11,29
    7. מִצְרַיְמָה אַבְרָם וַיֵּרֶד = wajjerèd ´abhërâm mitsërajëmâh (en Abram daalde af Egyptewaarts) Gn 12,4
    8. וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam Gn 12,4
  22. אָח = ´âch (broer) Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) Lc 15,27
    1. ´-ch-j : (1) zelfst naamw mann enk + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enkאָחִי / אֲחִי = ´âchî OF ´ächî (mijn broer) (2) zelfst naamw stat constr mann enk אֲחִי = ´äche(j) (broers van)
    2. אַחִים = mann mv ´achîm (broers) Ps 133,1
    3. אָחִיו = ´achîw (zijn broer) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn 25,26
    4. mann enk + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk אָחִיךָ = âchîkhâ (jouw broer) Dt 22,4
    5. אָחִינוּ = ´âchînû (onze broer)
    6. אֶחָיו = ´èchâ(j)w (zijn broers) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
      1. כָל אֶחָיו = kâl ´èchâ(j)w (al zijn broers)
      2. וְכָל אֶחָיו = wëkhâl ´èchâ(j)w (en al zijn broers)
  23. `âchar (dralen, toeven, zich ophouden) , zie Ps 40,18
  24. ´-ch-r (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat constr אַחַר = ´achar (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere)
    1. אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) Gn 22,1
    2. אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn 22,1
    3. mann mv אֲחֵרִים = ´ächarîm / ´ächerîm Dt 6,14
      1. אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) Dt 6,14
        1. אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´achäre(j) ´èlohîm ´ächarîm (achter andere goden) Dt 6,14
  25. אַחֲרֵי =´achäre(j) (achter, na) Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) Gn 25,26
    1. אַחַרֵי כֵן = ´achäre(j) khen (achter zo, zo dan) Gn 25,26
    2. אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) Dt 6,14
    3. וַיְהי אַחַרֵי = wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na) Gn 25,11
    4. וְאַחֲרֵי = wë´achäre(j) (en achter, en na) < prefix voegwoord wë + voorzetsel (de vorm van een stat constr mann mv) Gn 25,26
      1. וְאַחֲרֵי כֵן = wë´achäre(j) khen (en achter zo, en zo dan, en daarna) Gn 25,26
    5. אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Mc 1,18
      1. הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) Mc 1,18
  26. אָחַז = ´âchaz (grijpen, vatten) Taalgebruik in Tenakh : ´âchaz (grijpen, vatten)
    1. act part vr enk אֹחֶזֶת = ´ochèzèth (vastgrijpende) Gn 25,26
  27. עַד = `ad (tot) Taalgebruik in Tenakh : `ad (tot) Gn 32,25
  28. אָדָם = ´âdâm (mens) Taalgebruik in Tenakh : ´âdâm (mens) Gn 1,26 Lc 15,11
    1. הָאָדָם = hâ´âdâm (en Adam) < prefix bepaald lidwoord + zelfst naam (eigennaam) Gn 4,1
      1. וְהָאָדָם = wëhâ´âdâm (en Adam) < prefix voegwoord wë + bepaald lidwoord + zelfst naam (eigennaam) Gn 4,1
  29. אֲדָמָה = ´ädâmâh (aarde, grond) Taalgebruik in Tenakh : ´ädâmâh (aarde, grond) Gn 1,26
    1. הָאֲדָמָה = hâ´ädâmâh de aarde) < bepaald lidw + zelfst naamw Dt 4,10 :
      1. עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = `al hâ´ädâmâh ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ nothen lâkh (op de grond die/dat JHWH, jouw God gevende aan jou)
      2. מֵעַל הָאֲדָמָה = me`al hâ´ädâmâh (vanop de aarde) Dt 28,21
  30. אָדַר = ´âdar (nif: verheerlijkt zijn) Taalgebruik in Tenakh : ´âdar (nif: verheerlijkt zijn)
    1. pass nifal part mann enk נֶאְדָּר = nè'ëdâr (verheerlijkt) Ex 15,11
  31. כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele gemeenschap van Israëlieten) Lv 19,2
    1. אֶל כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ´èl kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele gemeenschap van Israëlieten) Lv 19,2
  32. nom vr enk αδελφη = adelfè (zuster) Taalgebruik in het NT : adelfè (zuster) Mc 3,35
  33. αδελφος = adelfos (broer) Taalgebruik in het NT : adelfos (broer)
    1. nom mann enk αδελφος = adelfos (broer) Mc 3,35 Lc 15,27
      1. ὁ αδελφος αυτου = ho adelfos autou (zijn broer) Gn 25,26
    2. gen mann enk αδελφου = adelfou (van de broer) Mc 6,17
      1. του αδελφου αυτου = tou adelfou autou (van zijn broer) Mc 6,17
        1. την γυναικα του αδελφου αυτου = tèn gunaika tou adelfou autou (de vrouw van zijn broer) Mc 6,17
  34. אֲדֹנָי = ´ädonaj (mijn heer / mijne heren) Taalgebruik in Tenakh : ´ädonâj / ´ädonaj (mijn heer / mijne heren) Lc 4,18
    1. אֲדֹנָי יהוה = ´ädonaj JHWH (Heer God) Lc 4,18
  35. adorare (tot de mond brengen, kussen, aanbidden)
    1. act part praes nom mann mv adorantes (aanbiddend) Lc 24,52
    2. act fut perf 1ste pers mv adoraverimus (wij zullen aanbeden hebben) Gn 22,5
  36. אֵי = ´e(j) (waar?) Taalgebruik in Tenakh : ´e(j) (waar?)
    1. אַיֶּכָּה = ´ajèkkâh (waar ben je?) < vragend voornaamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn 3,9
  37. αφαιρεω = afaireô (wegnemen) Taalgebruik in het NT : afaireô (wegnemen)
    1. act ind aor 3de pers enk αφειλεν = afeilen (hij nam weg) Lc 1,25
    2. act inf 2de aor αφελειν = afelein Lc 1,25
  38. αφεσις = afesis (vergeving) Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving)
    1. dat vr enk αφεσει = afesei Lc 4,18
      1. εν αφεσει = en afesei (door vergeving) Lc 4,18
        1. εν αφεσει ἁμαρτιων = en afesei hamartiôn (door vergeving van zonden) Mc 1,4
    2. acc vr enk αφεσιν = afesin Lv 25,10 Mc 1,4 Lc 24,47
      1. εις αφεσιν = eis afesin (tot vergeving) Mc 1,4
        1. εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων (tot vergeving van (de) zonden) Lc 24,47
  39. αφιημι = afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) Taalgebruik in het NT : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten)
    1. 3de pers enk act ind praes of imperf (ion) απιει = apiei (hij begaf zich op weg) PJ 1,1
    2. pass ind praes 3de pers mv αφιενται = afientai (zij worden vergeven) Mc 2,5
    3. act imperat aor 2de pers enk αφες = afes (vergeef) Lc 17,3
      1. και αφες = kai afes (en vergeef) Mt 6,12
    4. inf praes αφιεναι = afienai (te vergeven) Mc 2,7
    5. act part aor nom mann enk αφεις = afeis (achterlatend) Mt 13,36
      1. αφεις τους οχλους = afeis tous ochlous (achterlatend de massa's) Mt 13,36
    6. act part aor nom mann mv αφεντες = afentes (achtergelaten) Mc 4,36 Mc 14,50 Lc 5,11
      1. αφεντες τα δικτυα = afentes ta diktua (de netten achtergelaten) Mt 4,20
      2. αφεντες ἁπαντα = afentes hapanta (alles achtergelaten) Mt 4,20
      3. αφεντες αυτον = afentes auton (hem achtergelaten) Mt 4,20 Mc 14,50
        1. και αφεντες αυτον = kai afentes auton (en achtergelaten hem) Mc 14,50
      4. αφεντες τον οχλον = afentes ton ochlon (achtergelaten de menigte) Mc 4,36
    7. pass ind perf 3de pers mv αφεωνται = afeôntai (zij zijn vergeven) Mc 2,5
      1. αφεωνται σοι = afeôntai soi (zij zijn vergeven aan jou) Mc 2,5
        1. αφεωνται σοι αἱ ἁμαρτιαι = afeôntai soi hai hamartiai (zij zijn vergeven aan jou de zonden) Mc 2,5
    8. ἀφεθῇ (= afethè: hij zou laten; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
  40. αφοριζω = aforizô (afzonderen) Taalgebruik in het NT : aforizô (afzonderen)
    1. act part aor nom mann enk αφορισας = aforisas (afgezonderd) Gal 1,15
  41. αφυπνoô = afupnoô (wegdromen) Lc 8,23
    1. act ind aor 3de pers enk αφυπνωσεν = afupnôsen (hij droomde weg) Lc 8,23
  42. αγαλλιαω = agalliaô (jubelen) Taalgebruik in het NT : agalliaô (jubelen)
    1. act ind aor 3de pers enk ηγαλλιασεν = ègalliasen (hij jubelde) Lc 1,47
    2. deponent werkw ind fut 1ste pers enk αγαλλιασομαι = agalliasomai (ik zal jubelen) Lc 1,47
    3. deponent werkw ind aor 3de pers enk ηγαλλιασατο = ègalliasato (hij jubelde) Lc 1,47
  43. αγαπαω = agapaô (liefhebben) Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben)
    1. act ind praes + imperat 2de pers mv αγαπατε = agapate (jullie beminnen, bemint) Lc 6,27
    2. act ind futurum 2de pers enk αγαπησεις = agapèseis (jij bemint) Dt 6,5
    3. act ind aor 2de pers ank ηγαπησας = ègapèsas (jij beminde) Gn 22,2
  44. αγαπη = agapè (liefde) Zie het werkw αγαπαω = agapaô (liefhebben) Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben)
    1. nom vr enk αγαπη = agapè (liefde) Jud 1,3
  45. αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde) Zie het werkw αγαπαω = agapaô (liefhebben) Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben)
    1. nom mann enk αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde)
    2. gen mann enk αγαπητου = agapètou Gn 22,16
    3. acc mann enk αγαπητον = agapèton Gn 22,2
    4. nom + voc mann mv αγαπητοι = agapètoi (beminden) Jud 1,3
  46. αγαθος = agathos (goed) Taalgebruik in het NT : agathos (goed)
    1. nom mann enk αγαθος = agathos (goed) Lc 23,50
  47. nom mann enk αγγελος = aggelos (engel) Gn 16,11 Lc 1,11 Hnd 12,8
    1. αγγελος κυριου = aggelos kuriou (de engel van de Heer) Gn 16,11 Lc 2,9
    2. acc mann enk αγγελον = aggelon Mc 1,2
  48. - aggelos (engel) aggelos (engel) , zie Mt 13,41
  49. αγοραζω = agorazô (kopen) Taalgebruik in het NT : αγοραζω = agorazô (kopen) Mc 15,46
    1. act indic aor 3de pers mv ηγορασαν = ègorasan (zij kochten) Mc 15,46
    2. act ind fut 1ste pers mv OF act conjunct aor 1ste pers mv αγορασωμεν = agorasômen (dat wij zouden kopen) Lc 9,13
    3. act part aor nom mann enk αγορασας = agorasas (gekocht) Mc 15,46
  50. αγρα = agra (vangst, buit) Taalgebruik in het NT : agra (vangst, buit) Lc 5,4
    1. acc vr enk αγραn = agran Lc 5,4
  51. αγρος = agros (akker, land, veld) Zie : αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) Taalgebruik in het NT : agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven)
    1. acc mann enk αγρον = agron Lv 25,4
  52. - agrupneô (slaaploos of wakker zijn, waken)
  53. αγω = agô (leiden, voeren) Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren)
    1. act conjunct praes 1ste pers mv αγωμεν = agômen (laten wij gaan) Mc 1,38
    2. ἄγωσιν (= agôsin: zij zouden brengen; wkw act conjunct 3de pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren)
  54. אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben)aTaalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben)
    1. act qal perf 2de pers mann enk אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) Dt 6,5
      1. אֲשֶׁר אָהַבְתָּ = äsjèr ´âhabhëthâ (die jij bemint) Gn 22,2
      2. וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act qal perf 2de pers mann enk Dt 6,5
        1. וְאָהַבְתָּ אֵת = wë´âhabhëthâ ´eth (en jij zult beminnen) Dt 6,5
          1. וְאָהַבְתָּ אֵת יהוה = wë´âhabhëthâ ´eth JHWH (en jij zult JHWH beminnen) Dt 6,5
    2. לאַהֲבָה = lë´ahäbhâh (om te beminnen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf stat construct Dt 11,1
      1. וּלאַהֲבָה = ûlë´ahäbhâh (en om te beminnen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf stat construct Dt 6,5
      2. לאַהֲבָה אֶת יהוה = lë´ahäbhâh ´èth JHWH (om JHWH te beminnen) Dt 6,5
  55. אָהַל = ´âhal (de tent opslaan)
    1. וַיֶּאֶהַל = wajjè´èhal (en hij sloeg zijn tenten op) < prefix waw consecutivum + act ind imperf 3de pers enk Gn 13,12
  56. אַהֱרֹן = ´ahäron (Aäron) Taalgebruik in Tenakh : ´ahäron (Aäron) Nu 6,23 Ps 133,2
    1. אֶל אַהֱרֹן = ´èl ´ahäron (tot Aäron) Nu 6,23
      1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן = dabber ´èl ´ahäron (spreek tot Aäron) Nu 6,23
      2. אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = ´èl áhäron wë´èl bânâ(j)w (tot Aäron en tot zijn zonen) Nu 6,23
        1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = dabber ´èl ´ahäron wë´èl bânâ(j)w (spreek tot Aäron en tot zijn zonen) Nu 6,23
          1. דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו לֵאמֹר = dabber ´èl ´ahäron wë´èl bânâ(j)w le´mor (spreek tot Aäron en tot zijn zonen om te zeggen) Nu 6,23
  57. אִי = ´î (î) kan verschillende betekenissen hebben :
    1. אַיִן = ´ajin (waar) = אִי = אֵי = אַיֵּה = ´ajjeh Zie : אִי = ´î (ie) 1 vragend woord : waar ? Taalgebruik in Tenakh : ´î =´ie (waar?)
    2. אִי = ´î (wee) , wellicht ontstaan uit de scriptio defectiva אֹי = ´oj van אוֹי = ´ôj (wee) Taalgebruik uit Tenakh : אִי = ´î (wee) Tenakh oa Pr 10,16
    3. אִי = ´î ( (î) (eiland) Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland)
      1 mann mv stat absol אִיִּים = ´ijjîm (eilanden)
      1. mann mv stat construct אִיֵּי = ´ijje (eilanden van)
    4. niet (prefix ontkennend)
  58. אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) Taalgebruik in Tenakh : 'âjabh (vijandig zijn)
    1. וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst naamw vr enk אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) Gn 3,15
  59. -
    1. εξ αιγυπτου = ex aiguptou (uit Egypte) Dt 26,8
  60. אַיִל = ´ajil (ram, post, boog, zuil , vlakte) Taalgebruik in Tenakh : ´ajil (ram, post, boog, zuil , vlakte)
  61. -
    1. וָלָד לָהֶם אֵין = ´e(j)n lahèm wâlâd Lc 1,7
    2. וְאֵין = wë´e(j)n (en er is niet) < wë + עַיִן = ´ajin (er is niet) Stat constr עיֵן = ´e(j)n Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) Lc 1,7
  62. - ´âhal (zijn tenten opslaan) , zie Gn 13,18
  63. αινεω = aineô (loven, prijzen) Taalgebruik in het NT : aineô (loven, prijzen)
    1. act part praes nom mann mv αινουντες = ainountes (prijzend) Lc 2,20
      1. αινουντες τον θεον = ainountes ton theon (prijzende God) Lc 2,20
    2. act part praes gen mv αινουντων = ainountôn (van hen die lofprijzen) Lc 2,13
  64. aiônion (eeuwig) , zie Joh 3,15 Bij Johannes : (1) Joh 3,15 (2) Joh 3,16 (3) Joh 3,36 (4) Joh 4,14 (5) Joh 4,36 (6) Joh 5,24 (7) Joh 5,39 (8) Joh 6,27 (9) Joh 6,40 (10) Joh 6,47 (11) Joh 6,54 (12) Joh 10,28 (13) Joh 12,25 (14) Joh 17,2 In al deze verzen staat aiônion (eeuwig) onmiddellijk na zôèn (leven) In 6 verzen staat zôèn (leven) zonder aiônion (eeuwig) : (1) Joh 5,26 (2) Joh 5,40 (3) Joh 6,33 (4) Joh 6,53 (5) Joh 10,10 (6) Joh 20,31
  65. עַיִן = `ajin (oog, bron) Stat constr עֵין = ´e(j)n Taalgebruik in Tenakh : `ajin (oog, bron)
    1. stat constr mann mv עֵינֵי = `e(j)ne(j) (ogen van) Js 35,5
    2. עֵינֶיךָ = `e(j)nè(j)khâ (jouw ogen) < stat constr mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,8
      1. בֵּין עֵינֶיךָ = be(j)n `e(j)nè(j)khâ (tussen jouw ogen) Dt 6,8
    3. עֵינֵיכֶם = `e(j)ne(j)khèm (jullie ogen) < zelfst naamw stat construct mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv Dt 11,18
      1. בֵּין עֵינֵיכֶם = be(j)n `e(j)ne(j)khèm (tussen jullie ogen) Dt 11,18
    4. עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn 13,10 Gn 22,4
      1. אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) Gn 13,10 Gn 22,4
    5. בְּעֵינֵי = bë`e(j)ne(j) (in de ogen van) < prefix voorzetsel bë + stat constr mann mv Re 3,12
      1. בְּעֵינֵי יהוה = bë`e(j)ne(j) JHWH (in de ogen van JHWH) Re 3,12
        1. אֶת הָרַע בְּעֵינֵי יהוה = ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte in de ogen van JHWH) Dt 31,29
  66. αιρω = airô (nemen) Taalgebruik in het NT : airô (nemen)
    1. act imperat aor 2de pers enk αρον = aron (neem) Mc 2,9
    2. ἆραι (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen)
  67. αιτεω = aiteô (vragen, bedelen) Taalgebruik in het NT : aiteô (vragen, bedelen)
    1. med conj aor 1ste pers enk αιτησομαι = aitèsomai (ik zou vragen) Mc 6,24
    2. med inf praes αιτεισθαι = aiteisthai (voor zich te vragen, eisen) Mc 15,8
  68. אך = akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker) Taalgebruik in Tenakh : akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker)
  69. ακατασκευαστος = akataskeuastos (onuitgerust, oningericht) Zie het werkw κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) Taalgebruik in het NT : kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) Gn 1,2
  70. ακαθαρτος = akathartos (onzuiver) Taalgebruik in het NT : akathartos (onzuiver) Mc 1,26
    1. nom en acc onz enk ακαθαρτον = akatharton (onzuiver) Mc 1,26
      1. το ακαθαρτον = to akatharton (de onzuivere) Mc 1,26
        1. το ακαθαρτον πνευμα = to akatharton pneuma (de onzuivere geest) Mc 1,26
    2. dat mann + onz enk ακαθαρτῳ = akathartô(i) : (met een) onzuivere (geest) Mc 1,26
    3. nom en acc onz mv ακαθαρτα = akatharta (onzuiver) Mc 3,11
      1. τα πνευματα τα ακαθαρτα = ta pneumata ta akatharta (de onzuivere geesten) Mc 3,11
  71. אָכַל = ´âkhal (eten) Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten)
    1. וַאֲכַלְתֶּם = wë´äkhalëthèm (en jullie zullen eten) < prefix verbindingswoord wë + werkw act ind perf 2de pers mann mv Ex 12,11
    2. act qal imperf 3de pers mann enk יאֹכַל = jo´khal (hij eet)
    3. act ind imperf 1ste pers mv נֹאכֵל / נֹאכַל = no´khel / no´khal (wij zullen eten) Gn 3,2
    4. וַיּאֹכְל = wajjo´khël (en hij at) < prefix wa consecutivum + act indic imperf 3de pers mann enk Mc 4,4
    5. act ind imperf 2de pers mann mv t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = to'khëlû / to'khelô (jullie zullen eten) Gn 9,4
      1. לֹא t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = lo´ to'khëlû / to'khelô (jullie zullen niet eten)
    6. וַיּאֹכְלוּ = wajjo´khëlû (en zij aten) < wa consecutivum + act ind imperf 3de pers mann mv Mc 6,42
    7. act qal part vr enk אֹכְלָה = ´okhëlâh (verslindende) Dt 4,24
      1. אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) Dt 4,24
    8. אֻכָּל = ´ukkol (wordende verteerd) : pass pual part mann enk (part zonder mem)
  72. אָכְלָה = ´âkhëlâh (spijs, voedsel) , zie het werkw אָכַל = ´âkhal (eten) Taalgebruik in Tenakh : ´âkhal (eten)
    1. לְאָכְלָה = lë´âkhëlâh (tot voedsel) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Ex 16,15
  73. Ned : akker D : Acker E : field Fr : champs Grieks : αγρος = agros (akker, land, veld) Hebreeuws : שָׂדֶה = shâdèh (veld) Taalgebruik in Tenakh : shâdèh (veld) Latijn : ager (akker)
  74. ακοη = akoè (gerucht, gehoor) Zie het werkw ακουω = akouô (horen) Taalgebruik in het NT : akouô (horen)
    1. nom vr mv ακοαι = akoai (gehoren) Mc 7,35
  75. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen)
    1. act ind praes 3de pers enk EN act imperatief praes 2de pers enk ακολουθει = akolouthei (volg) Lc 18,22
    2. act ind praes 3de pers mv  ακολουθουσιν = akolouthousin (zij volgen) Mc 6,1
    3. act ind imperf 3de pers enk ηκολουθει = èkolouthei Lc 18,43
    4. act ind aor 3de p enk ηκολουθησεν = èkolouthèsen (hij volgde) Mc 2,14
      1. ηκολουθησεν αυτῳ = èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) Mc 2,14
    5. ind aor 3de pers mv ηκολουθησαν = èkolouthèsan (zij volgden) Mt 4,20 Mc 1,18 Lc 5,11 Lc 9,11
      1. ηκολουθησαν αυτῳ = èkolouthèsan autô(i) (zij volgden hem) Mc 1,18 Lc 9,11
    6. ind aor 1ste pers mv ηκολουθησαμεν = èkolouthèsamen (wij volgden) Lc 18,28
    7. act imperat aor 2de pers mv ακολουθησατε = akolouthèsate  (volgt) Lc 22,10
  76. ακουω = akouô (horen) Taalgebruik in het NT : akouô (horen)
    1. actief ind imperf 3de pers mvηκουον = èkouon (zij hoorden) Hnd 22,22
    2. act imperat 2de pers enk ακουε = akoue (hoor, luister) Dt 6,4
      1. ακουε ισραηλ = akoue israèl (hoor, luister Israël) Dt 6,4
    3. act indic praes + imperat praes 2de pers mv ακουετε = akouete (jullie horen / hoort) Mc 4,3
    4. act inf praes ακουειν = akouein Lc 5,1 Lc 15,1
      1. ακουειν αυτου = akouein autou (om hem te horen) Lc 15,1
    5. act part praes nom mann mv ακουοντες = akouontes (horende) Mc 3,8
    6. act ind aor 3de p enk ηκουσεν = èkousen (hij / zij hoorde) Mc 6,14 Lc 15,25
      1. και ηκουσεν = kai èkousen (en hij hoorde) Mc 6,14
        1. και ηκουσεν ὁ βασιλευς ἡρῳδης = kai èkousen ho basileus hèrô(i)dès (en koning Herodes hoorde) Mc 6,14
      2. ηκουσεν δε = èkousen de (hij hoorde echter) Mc 6,14
        1. ηκουσεν δε ἡρῳδης = èkousen de hèrô(i)dès (Herodes hoorde echter) Mc 6,14
    7. ἀκούσητε (= akousète: jullie zouden horen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
    8. act inf aor ακουσαι = akousai Hnd 22,14
    9. act part aor nom mann enk ακουσας = akousas (gehoord) Lc 18,22
      1. ακουσας δε = akousas de (gehoord echter) Lc 18,22
        1. ὁ δε ακουσας (hij echter gehoord) Lc 18,22
        2. ακουσας δε ὁ ιησους = akousas de ho ièsous (gehoord echter Jezus) Lc 18,22
        3. ακουσας δε ταυτα = akousas de tauta (gehoord echter ie dingen) Lc 18,22
          1. ακουσας δε ταυτα ὁ ιησους = akousas de tauta ho ièsous (gehoord echter die dingen Jezus) Lc 18,22
      2. και ακουσας (en gehoord) Lc 18,22
        1. και ακουσας ὁ ιησους = kai akousas ho ièsous (en gehoord) Lc 18,22
    10. act part aor nom vr enk ακουσασα = akousasa (horend) Mc 5,27
    11. act part aor nom mv ακουσαντες = akousantes (gehoord) Mc 3,21 Lc 2,18 Hnd 22,2
      1. ακουσαντες δε = akousantes de (gehoord echter) Hnd 22,2
      2. ακουσαντες εθαυμασαν = akousantes ethaumasan (gehoord hebbende waren zij verbaasd) Lc 2,18
      3. παντες οἱ ακουσαντες = pantes hoi akousantes (alle toehoorders) Lc 2,18
  77. - akouei (hij luistert) 4X bij Johannes
    - akouô (luisteren, horen) , zie Mt 4,12
  78. Arabisch : bepaald lidw اَل = ´al (de) Taalgebruik in de Qoran : ´al (de)
  79. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is אֵל = ´èl OF ontkenning אַל = ´al (niet) Taalgebruik in Tenakh : ´èl Ex 3,5
  80. עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) Taalgebruik in Tenakh : `al (op, overeenkomstig) Gn 29,3 Lc 4,18
    1. עַל פְנֵי = `al pëne(j) (aanschijn van) Gn 1,2
    2. עָלָיו = `âlâ(j)w (over hem) < voorzetsel `al + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Dt 34,9
    3. עָלַי = `âlaj (over mij) < `al + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Js 1,14 Lc 4,18
    4. מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig, omwille van) Gn 29,3 Ex 3,5
  81. `al (op, overeenkomstig) , zie Gn 29,34
  82. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) Taalgebruik in Tenakh : `âlâh (opgaan, opklimmen)
    1. ויעל = wj`l : (1) verbindingsletter wë + act qal imperf 3de pers mann enk וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) (2) verbindingsletter wë + act qal jussief 3de pers mann enk וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) Dt 34,1 Mt 5,1
      1. וַיַּעַל מֹשֶׁה = wajja`al mosjèh (en Mozes klom op) Dt 34,1
    2. actief inf construct עֲלוֹת = `älôth (opgaan) van het werkw עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) Gn 32,25
  83. `âlah (opgaan, opklimmen) , zie Ps 68,19
  84. עָלַז = `âlaz (zich verheugen, juichen) Taalgebruik in Tenakh : `âlaz (zich verheugen, juichen)
    1. act qal imperf (cohortatief) 1ste pers enk אֶעְלוֹזָה = ´è`ëlôzâh (dat ik juiche)
  85. `âlats (juichen) Taalgebruik in Tenach : `âlats (juichen)
    - aleifô (zalven) , zie Mc 16,1
    - ´aleph (alef), zie Ps 111,10
    - alèthôs (waarlijk)
    - alfaios (Alfeüs) Taalgebruik in het NT : alfaios (Alfeüs) Taalgebruik in Mc : alfaios (Alfeüs)
  86. αλλα = alla , afkorting αλλ' = all' (maar) Taalgebruik in het NT : alla (maar) Mc 14,28
  87. αλληλοι = allèloi (elkander, elkaar) Taalgebruik in het NT : allèloi (elkander, elkaar)
    1. acc mann mv αλληλους = allèlous Mc 4,41
  88. αλλος = allos (ander) Taalgebruik in het NT : allos (ander)
    1. nom mann mv αλλοι = alloi (anderen) Mc 6,15
  89. עָם / עַם = `am (volk) Taalgebruik in Tenakh : `am (volk)
    1. הָעָם = hâ`âm (het volk) < prefix bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud Js 9,1
    2. עַמֵּך = `ammekh (jouw volk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers vr enk
    3. לְעַמּוֹ = lë`ammô (voor zijn volk) < voorzetsel lë + zelfst naamw + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk van het zelfst naamw עָם / עַם = `am (volk) Lc 1,68
    4. הָעַמִּים = hâ`ammîm (de volken) < bepaald lidw ha + mann mv Dt 4,6
  90. `am (volk) , zie Js 9,1
  91. עָמַד = `âmad (gestand doen, zich stellen, staan) Taalgebruik in Tenakh : `âmad (gestand doen, zich stellen, staan)
    1. act qal imperf 3de pers vr mv יַעֱמֹדְנָה = ja`ämodënâh (en zij staan) Da 8,22
  92. עֲמָלֵק = `ämâleq (Amalek) Taalgebruik in Tenach : `ämâleq (Amalek) Nu 13,29
  93. אָמַן= ´âman (steunen, onderhouden; hifil : geloven, vertrouwen) Taalgebruik in Tenakh : ´âman (steunen, onderhouden; hifil : geloven, vertrouwen)
    1. וְהֶאֱמִן = wëhè´èmin (en hij geloofde) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act hifil 3de pers mann enk Gn 15,6
  94. אמר = ´-m-r (1) act qal perf 3de pers mann enk אָמַר = ´âmar (hij zegt) (2) act qal imperf 1ste pers enk אֹמַר = ´omar (ik zeg) Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen)
    1. -
      1. כֹּה אָמַר יהוה = koh ´âmar JHWH (zo spreekt JHWH) Js 43,1
    2. וֱאָמַרְתָּ = wë´âmarëthâ (en jij zegt) < wë + act qal perf 2de pers mann enk Dt 26,5
      1. וֱאָמַרְתָּ אֵלָיו = wë´âmarëthâ ´elâ(j)w (en jij zegt tot hem) Ex 13,14
    3. ὁτι ελεγον = hoti elegon (want zij zeiden) Bijbel (2) : (1) Mc 3,30 (2) Jud 1,18
      - כִּ֥י אָמְר֖וּ = kî ´âmërû (want zij zeiden)
    4. act ind imperf 3de pers mann enk יאֹמַר = jo´mar (hij zegt) Js 10,8
    5. וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act imperf 3de pers mann enk Gn 12,1 Lc 15,11 Lc 17,1 Lc 18,19
      1. וַיּאֹמֶר אֵלָיו = wajjo´mèr ´elâ(j)w (en hij zei tot hem) Gn 22,1
      2. וַיּאֹמֶר אֲלֵיהֶם = wajjo´mèr ´äle(j)hèm (en hij zei tot hen) Gn 16,11 Lc 2,49
      3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים = wajjo´mèr ´èlohîm (en God zei) Gn 8,15 Ex 20,1
        1. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים יְהִי = wajjo´mèr ´èlohîm jëhî (en God zei : het weze) Gn 1,3
        2. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl (en God zei tot) Gn 12,1
          1. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל אַבְרָהָם = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl ´abhërâhâm (en God zei tot Abraham) Gn 12,1
          2. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ = wajjo´mèr ´èlohîm ´èl noach (en God zei tot Noach) Gn 8,15
          3. וַיּאֹמֶר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr ´èlohîm 'èl mosjèh (en God zei tot Mozes) Ex 12,1
      4. וַיּאֹמֶר יהוה = wajjo´mèr JHWH (en JHWH zei) Gn 8,15 Gn 12,1 Ex 12,1
        1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל = = wajjo´mèr JHWH ´èl (en JHWH zei tot) Gn 12,1
          1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָם = wajj´omèr JHWH (en JHWH zei) ´èl ´abhërâm (tot Abram) Gn 12,1
          2. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל אַבְרָהָם = wajjo´mèr JHWH ´èl ´´abhërâhâm (en JHWH zei tot Abraham) Gn 12,1
          3. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh (en JHWH zei tot Mozes) Ex 12,1
            1. וַיּאֹמֶר יהוה אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹר = wajjo´mèr JHWH ´èl mosjèh le'mor (en JHWH zei tot Mozes om te zeggen) Ex 25,1
      5. וַיּאֹמֶר יהוה אֱלֹהִים = wajjo´mèr JHWH ´èlohîm (en JHWH God zei)
        1. וַיּאֹמֶר יהוה אֱלֹהִים אֶל = wajjo´mèr JHWH ´èlohîm ´èl (en JHWH God zei tot) Gn 12,1
      6. וַיּאֹמֶר לָהּ = wajjo´mèr lâh (en hij zei tot haar) Gn 16,11
        1. וַיּאֹמֶר לָהּ מַלְאַך יהוה = wajjo´mer lâh malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei tot haar) Lc 1,30
      7. וַיּאֹמֶר לָהֶם = wajjo´mèr lâhèm (en hij zei hen) Gn 16,11 Lc 2,49
      8. וַיּאֹמֶר מַלְאַך יהוה = wajjo´mer malë´akh JHWH (de engel van JHWH zei) Gn 16,11 Lc 1,30
      9. וַיּאֹמֶר מַלְאַך הָאֱלֹהִים = wajjo´mer malë´akh ´èlohîm (de engel van God zei) Gn 16,11 Lc 1,30
      10. וַיּאֹמֶר יוֹסֵף = wajjo`mèr Jôseph (en Jozef zei) Gn 50,24
      11. וַיּאֹמֶר מֹשֶׁה = wajjo´mèr Mosjèh (en Mozes zei ) Ex 3,3
      12. וַיּאֹמֶר נָתָצ = wajjo´mèr Nathan (en Nathan zei) 1 K 1,11
      13. וַיּאֹמֶר קַח = wajj´omèr qach (en hij zei : neem) Gn 22,2
      14. וַיּאֹמֶר קַיִן = wajjo´mèr qajin (en Kaïn zei) Gn 4,8
    6. וַיּאֹמְרוּ = wajjô´mërû (en zij zeiden) < prefix waw consecutivum + act ind imperf 3de pers mann mv Mc 5,31
    7. act qal inf absolut אָמוֹר = ´âmôr (om te zeggen) Nu 6,23
    8. לֵאמֹר = le´mor (om te zeggen) < prefix voorzetsel lë + act qal inf van het werkw אמר = ´-m-r (zeggen) Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) Gn 8,15
    9. pass nifal imperf 3de pers mann enk יֵאָמֵר = je´âmer (er zal gezegd worden) Js 62,4
  95. αμφι = amfi (langs beide zijden) Taalgebruik in het NT : amfi (langs beide zijden)
  96. αμφιβαλλω = amfiballô (langs beide zijden werpen) Taalgebruik in het NT : amfiballô (langs beide zijden werpen)
  97. Amfipolin (Amfipolis) , zie Hnd 17,1
    - `ammud (kolom, zuil) , zie Ex 13,21
    - ´âmats (sterk, machtig zijn , moedig handelen) Taalgebruik in Tenach : ´âmats (sterk, machtig zijn , moedig handelen)
    - âmôts (Amos) Taalgebruik in Tenach : âmôts (Amos)
    -`amërâm (Amram) , zie Ex 6,18
  98. αν = an Taalgebruik in het NT : an Mc 3,35
  99. -
    1. ανα μεσον = ana meson (in het midden van? tussen) Gn 1,4
  100. αναβαινω = anabainô (beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen) Mt 5,1 Mc 3,13
    1. act ind praes 3de pers enk αναβαινει = anabainei (hij beklimt) Mc 3,13
    2. act ind aor 3de pers enk ανεβη = anebè (hij klom naar boven) Mt 5,1 Mc 3,13
      1. ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) Joh 5,1
  101. αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken) Taalgebruik in het NT : anablepô (naar boven blikken) Mc 16,4
    1. act ind praes 3de pers mv αναβλεπουσιν = anablepousin (zij kijken omhoog / opnieuw) Lc 7,22
    2. act ind aor 3de pers enk ανεβλεψεν = aneblepsen (hij keek omhoog / opnieuw) Lc 18,43
      1. ανεβλεψεν και = aneblepsen kai (hij keek omhoog / opnieuw en) Lc 18,43
        1. ανεβλεψεν και ηκολουθει = aneblepsen kai èkolouthei (hij keek omhoog / opnieuw en hij volgde) Lc 18,43
    3. act ind futurum 2de pers enk + act part aor nom mann enk αναβλεψας = anablepsas (omhooggeblikt) Lc 9,16
      1. αναβλεψας δε = anablepsas de (op1,5
  102. αναφερω = anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) Taalgebruik in het NT : anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) Lc 24,51
    1. act ind aor 3de pers enk ανηνεγκεν = anèvegken (hij droeg op, hij offerde) Gn 8,20
    2. pass ind imperf 3de pers enk αναφερετο = anefereto (hij werd omhooggevoerd) Lc 24,51
  103. `ânag (weelderig opgevoed zijn, zich verheugen , zich verlustigen) Taalgebruik in Tenach : `ânag (weelderig opgevoed zijn, zih verheugen , zich verlustigen)
  104. ἠνάγκασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anagkazô : verplichten , dwingen; zie anagkè : noodzaak , dwang ; wkw eindigend op -azô : tot noodzaak maken (causatief)
  105. αναγω = anagô (omhoogvoeren) Taalgebruik in het NT : anagô (omhoogvoeren) Lc 8,22
    1. pass ind aor 3de pers mv ανηχθησαν = anèchthèsan (zij werden omhooggevoerd) Lc 8,22
  106. ἀναγινώσκων (= anagignôskôn: lezende, lezer; wkw act part praes nom mùann enk van het wkw ἀναγινώσκω = anagignôskô: lezen)
  107. ανακειμαι = anakeimai (aanliggen) Taalgebruik in het NT : anakeimai (aanliggen)
    1. part praes gen mv ανακειμενων = anakeimenôn (aanliggende) Mc 14,18
  108. ανακραζω = anakrazô (uitschreeuwen, oproep
      1. gekeken echter) Lc 21,1
        1. αναβλεψας δε ειδεν = anablepsas de eiden (opgekeken echter hij zag) Lc 21,1
      2. και αναβλεψας = kai anablepsas (en opgekeken) Lc 21,1
      3. αναβλεψας εις τον ουρανον = anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel) Lc 9,16
    1. act part aor nom vr mv αναβλεψασασαι = anablepsasai (opgekeken) Mc 16,4
  109. αναχωρεω = anachôreô (uitwijken) Taalgebruik in het NT : anachôreô (uitwijken)
    1. act ind aor 3de pers enk = anechôrèsen (hij week uit) Mc 3,7
  110. ´ânaph (toornig zijn, zich vertoornen), zie Ps 11
  111. en)
    1. act ind aor 3de pers enk ανεκραξεν = anekraxen (hij schreeuwde het uit) Mc 1,23
  112. αναγκαζω = anagkazô (dwingen, aandringen, eisen)
    1. act indaor 3de pers enk ηναγκασεν = ènagkasen (hij dwong) Mc 6,45
  113. anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23 boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34
  114. ανακυπτω = anakuptô (het hoofd omhoogsteken)
    1. act imperat  aor 2de pers mv ανακυψατε = anakupsate (hef je hoof omhoog) Lc 21,28 ,
    2. act inf aor ανακυψαι = anakupsai (om het hoofd op te heffen) Lc 17,15
  115. αναμιμνῃσκω = anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) Taalgebruik in het NT : anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) Lc 22,19
  116. αναμνησις = anamnèsis (herinnering, het zich weer te binnen brengen) Lc 22,19
    1. acc vr enk αναμνησιν = anamnèsin (her-denking, herinnering) Lc 22,19
      1. εις αναμνησιν = eis anamnèsin (tot herinnering, tot gedachtenis) Lc 22,19
  117. עָנָן = `ânân (wolk) Taalgebruik in Tenach : `ânân (wolk) Dt 31,15
  118. `ânân (wolk) , zie Ex 13,21
    - anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35
  119. ανατελλω = anatellô (optillen, oprijzen, opgaan) Taalgebruik in het NT : anatellô (oprijzen)
    1. act part aor gen mann enk ανατειλαντος = anateilantos Mc 16,2
  120. ander zie allos
  121. ανεμος = anemos (wind) Taalgebruik in het NT : anemos (wind) Lc 8,24
    1. nom mann enk ανεμος = anemos (wind) Mc 4,41
    2. gen mann enk ανεμου = anemou Mc 4,37
    3. dat mann enk ανεμῳ = anemô(i) Mc 4,39 Lc 8,24
    4. dat mann mv ανεμοις = anemois Lc 8,25
  122. acc onz enk ανενδεκτον = anendektos (onaannemelijk, onontvankelijk) Lc 17,1
  123. ανηρ = anèr (man) Taalgebruik in het NT : anèr (man)
    1. mann enk ανηρ = anèr (man) Lc 5,8
      1. ανηρ τις = anèr tis (man) Lc 15,11
        1. ανηρ δε τις = anèr de tis (een man echter) Lc 15,11
    2. acc mann enk ανδρα = andra (man) Mc 6,20
    3. nom + voc mann mv ανδρες = andres Lc 24,4
      1. δυο ανδρες = duo andres (2 mannen) Lc 24,4
      2. ανδρες δυο = andres duo (2 mannen) Lc 24,4
  124. Ned : angst < Lat : angustus Lat : angor
    - Ned : angstig Lat: angustus (angstig , eng)
  125. אֲנִי = ´änî (ik) Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik)
    1. אֱנִי יהוה = ´anî JHWH (ik ben JHWH ) Ex 20,5 Lv 19,18
      1. כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH) Lv 19,2
  126. אֳנִי = 'änî (schip, vloot) Taalgebruik in Tenakh : 'änî (schip, vloot) Mc 5,2 Lc 5,2
    1. אֳנִיָּה ´ânijjah (boot)
      1. וְהָאֱנִיָּה = wëhâ`ânijjâh (en de boot) < prefix voegwoord wë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Jon 1,4
      2. בַאֳנִיָּה = bâânijjâh (in de boot) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Jon 1,4
    2. vr mv אֳנִיּוֹת = ´änijjôth (schepen) Lc 5, 2
  127. - ´ani (ik) , zie Ps 70,6
  128. אָנֹכִי = ´ânokhî (ik) Zie : אֲנִי = ´änî (ik) Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik) Ex 20,2 Ex 20,5
    1. אָנֹכִי יְהוָה = ´ânokhî JHWH (ik ben JHWH) Ex 20,2 Ex 20,5
      1. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ (ik ben JHWH, jouw God) Ex 20,2
        1. אָנֹכִי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´ânokhî JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (ik ben JHWH, jouw God, die) Ex 20,2 Ex 20,5
      2. כִּי אָנֹכִי יְהוָה = kî ´ânokhî JHWH (want ik ben JHWH) Ex 20,5
  129. עֲנִי = `ânî (arm, ellendig, deemoedig) Taalgebruik in Tenakh : `ânî (arm, ellendig, deemoedig) Ex 3,7
    1. mann mv עֲנָוִים = änâwîm (armen) Lc 4,18
    2. acc + zelfst naamw אֶת עֳנִי = ´èth `ânî (ellende) Ex 3,7
  130. - `ânî (arm, ellendig, deemoedig) , zie Ps 70,6
    -- `ânëjî (mijn armoede) < ´ânî + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk van het bijvoegl naamw `ânî (arm, ellendig, deemoedig) : Ps 25,182
  131. ανιστημι = anistèmi (opstaan) Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) Lc 22,46
    1. act ind aor 3de pers enk ανεστη = anestè (hij/zij stond op) Mc 5,42
    2. act part aor nom mann enk αναστας = anastas (opgestaan) Lc 15,20
      1. και αναστας = kai anastas (en opgestaan) Lc 15,20
      2. αναστας δε = anastas de (opgestaan echter) Lc 15,20
      3. αναστας ηλθεν = anastas èlthen (opgestaan ging hij) Lc 15,20
    3. act part aor nom mann mv ανασταντες = anastantes (opstaande) Lc 22,46
  132. anoigô (openen) , zie Js 35,5
  133. nom mann enk ανθρωπος = anthrôpos (mens) Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) Mc 1,23 Mc 15,39 Lc 2,25 Lc 15,11 Lc 22,10
    1. ανθρωπος εκ = anthrôpos ek (een mens uit) Lc 15,4
    2. ανθρωπος εν = anthrôpos en (een mens in / een mens met) Mc 1,23
      1. ανθρωπος εν πνευματι ακαθαρῳ = anthrôpos en pneumati akatharthô(i) ( een mens met een onzuivere geest)
    3. ανθρωπος εξ = anthrôpos eks (een mens uit) Lc 15,4
    4. ὁ ανθρωπος = ho anthrôpos (de mens) Lc 2,25
      1. ὁ ανθρωπος οὑτος = ho anthrôpos houtos (deze mens) Mc 15,39 Lc 2,25
        1. ὁ ανθρωπος οὑτος δικαιος = ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) Lc 2,25
    5. ανθρωπος τις = anthrôpos tis (een mens) Lc 15,11
    6. τις ανθρωπος = tis anthrôpos Lc 15,11
  134. Antiocheia (Antiochië) , zie Hnd 11,19
  135. nom mann enk αορατος = aoratos (ongezien) Taalgebruik in het NT : aoratos (onzichtbaar) Gn 1,2
  136. απαγγελλω = apaggellô (af-kondigen) Taalgebruik in het NT : apaggellô (af-kondigen)
    1. act ind aor 3de pers mv απηγγειλαν = apèggeilan (zij kondigden af, zij deelden mee) Mc 6,30
      1. και απηγγειλαν = kai apèggeilan (en zij kondigden af, en zij deelden mee) Mc 6,30
        1. και απηγγειλαν αυτῳ = kai apèggeilan autô(i) (en zij kondigden af hem , en zij deelden hem mee)
          1. και απηγγειλαν αυτῳ παντα = kai apèggeilan autô(i) panta (en zij kondigden af hem alles, en zij deelden hem alles mee) Mc 6,30
    2. act imperat aor 2de pers enk απαγγειλον = apaggeilon (kondig af, vertel) Mc 5,19
  137. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren) Taalgebruik in het NT : apagô (wegleiden, afvoeren)
    1. act ind aor 3de pers mv απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) Mt 27,31
      1. τον ιησουν απηγαγον = ton Ièsoun apègagon (zij leidden Jezus weg) Mt 27,31
      2. απηγαγον τον ιησουν = apègagon ton Ièsoun (zij leidden Jezus weg) Mt 27,31
      3. απηγαγον αυτον = apègagon auton (zij leidden hem weg) Mt 27,31
  138. apekrithè (hij antwoordde) 57X bij Johannes
  139. apechô (afhouden, onthouden)
  140. απερχομαι = aperchomai (weggaan) Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) Lc 8,37
    1. act ind aor 3de pers enk απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) Mc 6,46 Joh 5,15
      1. απηλθεν εις = apèlthen eis (hij ging weg naar) Mc 6,46
    2. απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) Joh 5,1
    3. ind aor 3de pers mv απηλθον = apèlthon (zij gingen weg)
    4. inf aor απελθειν = apelthein (weg te gaan) Lc 8,37
    5. depon werkw part aor nom mann enk απελθων = apelthôn (weggegaan) Mc 6,27
  141. apesteilen (hij /zij zond) , zie Mt 10,5
  142. ´âphaph (omringen) , zie Ps 18,5
  143. `âphâr (stof, aarde) Taalgebruik in Tenach : `âphâr (stof, aarde)
  144. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) Lc 24,2 Taalgebruik in Mt : apo (af , van-weg) Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg)
    1. απο του νυν = af van nu = vanaf nu Lc 5,10
  145. αποβαινω = apobainô (afstappen, afklimmen) Taalgebruik in het NT : apobainô (afstappen, afklimmen) Lc 5,2
    1. act part aor nom mann mv αποβαντες = apobantes (afgestapt, uitgeklommen) Lc 5,2
  146. αποδημεω = apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan) Taalgebruik in het NT : apodèmeô (op reis, naar het buitenland zijn / gaan)
    1. act ind aor 3de pers enk απεδημησεν = apedèmèsen (hij ging op reis) Lc 15,13
  147. αποδιδωμι = apodidômi (teruggeven, betalen, vergoeden, verkopen) Taalgebruik in het NT : apodidômi (teruggeven, betalen, vergoeden, verkopen)
    1. med indic futurum 3de pers enk αποδωσεται = apodôsetai (hij zal verkopen) Lv 25,29
    2. ind aor 3de pers mv απεδοντο = apedonto (zij verkochten) Gn 37,28
      1. απεδοντο τον ιωσηφ = apedonto τον jôsèph (zij verkochten Jozef) Gn 37,28
      2. τον ιωσηφ απεδοντο = τον jôsèph apedonto (Jozef verkochten zij) Gn 37,28
  148. apografesthai (zich laten opschrijven) , zie Lc 2,1
  149. αποκαλυπτω = apokaluptô (openbaren, ontdekken) Taalgebruik in het NT : apokaluptô (openbaren, ontdekken)
    1. act inf aor αποκαλυψαι = apokaλupsai (om te openbaren , te ontdekken) Gal 1,16
  150. apokaluptô (openbaren, ont-dekken) , zie Mt 10,26 Zie ook gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) , zie Js 40,5
  151. αποκαθιστημι = apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) Taalgebruik in het NT : apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen)
    1. pass ind aor 3de pers enk απεκατεσταθη = apekatestathè (hij werd genezen) Mc 3,5
  152. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden)
    1. ind aor 3de pers enk απεκριθη = apekrithè (hij antwoordde) Mc 12,28
    2. αποκριθεις = apokritheis (geantwoord) Mc 3,33
      1. και αποκριθεις = kai apokritheis (en beantwoord) Mc 3,33
        1. και αποκριθεις αυτῳ = kai apokritheis autô(i) = en hem beantwoord Mc 3,33
        2. και αποκριθεις αυτοις = kai apokritheis autois = en beantwoord hen Mc 3,33
      2. ὁ δε () αποκριθεις = ho de () apokritheis (hij echter beantwoord Mc 3,33
        1. ὁ δε () αποκριθεις αυτῳ = ho de apokritheis autô(i) = hij echter hem beantwoord Mc 3,33
        2. ὁ δε () αποκριθεις αυτοις = ho de apokritheis autois = hij echter beantwoord hen Mc 3,33
        3. ὁ δε () αποκριθεις ειπεν αυτοις = ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) Mc 6,37
      3. αποκριθεις = apokritheis () + λεγει = legei (hij zegt) Mc 3,33
      4. αποκριθεις = apokritheis () + ελεγεν = elegen (hij zei) Mc 3,33
      5. αποκριθεις = apokritheis () + ειπεν = eipen (hij zei) Mc 3,33
  153. apokrinomai (antwoorden) , zie Mt 3,15
  154. αποκτεινω = apokteinô (doden) Taalgebruik in het NT : apokteinô (doden, vermoorden) Mc 6,19
    1. act inf aor αποκτειναι = apokteinai (doden) Mc 6,19
  155. αποκυλιω = apokuliô (wegrollen) Zie het werkw κυλιω = kuliô (rollen, wentelen) Taalgebruik in het NT : kuliô (rollen) Mt 28,2 Mc 16,3
    1. act ind fut 3de pers enk αποκυλισει = apokulisei (hij zal wegrollen) Mc 16,3
    2. actief ind aorist derde persoon enkelvoud απεκυλισεν = apekulisen (hij rolde weg) Mt 28,2
    3. pass ind perf 3de pers enk αποκεκυλισται = apokekulistai (hij is weggerold) Mc 16,4
    4. pass part perf acc mann enk αποκεκυλισμενον = apokekulismenon (weggerold) Lc 24,2
  156. apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) Taalgebruik in het NT : apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) Taalgebruik in Mc : apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen)
  157. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen )
    1. act inf aor απολεσαι = apolesai Lc 4,34
    2. act conjunctief aor 3de pers mv απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) Mc 3,6
      1. ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) Mc 3,6
      2. πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) Mc 3,6
    3. act part aor nom mann enk απολεσας = apolesas (verloren) Lc 15,4
    4. act part perf nom mann enk απολωλως = apolôlôs (verloren) Lc 15,32
    5. act part perf nom + acc onz enk απολωλος = apolôlos (het verlorene) Lc 15,4
    6. med ind praes 1ste pers enk = apollumai (ik verlies me) Lc 15,17
    7. pass ind praes 1ste pers mv απολλυμεθα = apollumetha (wij worden gedood, wij gaan ten gronde) Mc 4,38 Lc 8,24
  158. απολυω = apoluô (vrijmaken, ontbinden) Taalgebruik in het NT : apoluô (losmaken)
    - aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) , zie Lc 24,4
  159. αποστεγαζω = apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) Taalgebruik in het NT : apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken)
    1. act ind aor 3de pers mv απεστεγασαν = apestegasan (zij ont-dek (dak) ten) Mc 2,4
  160. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden)
    1. act indpraes 1ste pers enk αποστελλω = apostellô (ik zend) Mc 1,2
    2. act ind perf 3de pers enk απεσταλκεν = apestalken (hij heeft gezonden) Js 61,1
    3. act part aor nom mann enk αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) Mc 6,17
  161. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) apostellô (wegsturen, zenden) , zie Joh 1,6 , Mt 10,5 en Mc 1,2
  162. αποστολος = apostolos (apostel, gezondene) Taalgebruik in het NT : apostolos (apostel)
    1. nom mann enk αποστολος = apostolos (apostel, gezondene) Kol 1,1
      1. αποστολος ιησου = apostolos ièsou (apostel of gezondene van Jezus) Kol 1,1
    2. nom mann mv αποστολοι = apostoloi (apostelen) Mc 6,30
      1. οἱ αποστολοι = hoi apostoloi (de apostelen) Mc 6,30
  163. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven)
    1. act ind aor 3de pers enk απεθανεν = apethanen (hij/zij stierf) Mc 5,39
  164. αποψυχω = apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) Taalgebruik in het NT : apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen)
    1. act part praes gen mv mv αποψυχοντων = apopsuchontôn Lc 21,26
  165. עָקַב = `âqab (bedriegen) Taalgebruik in Tenakh : `âqab (bedriegen)
    1. qal ind jiqtol (imperfect) 3de pers mann enk יַעֳקֹב =ja`äqobh (hij bedriegt , Jakob) Gn 32,26
  166. עָקֵב = `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) Taalgebruik in Tenakh : `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) Gn 3,15
    1. בַּעֲקֵב = ba`äqebh (in / aan / met de hiel) Gn 25,26
  167. עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) Lc 1,7
    1. vr enk עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh Gn 11,30 Js 54,1 Lc 1,7
      1. Gn 11,30 : עֲקָרָה שָׂרַי וַתְּהִי = waththëhî Shâraj `äqârâh (en Sarai was onvruchtbaar)
      2. וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) Gn 11,30 Js 54,1
  168. αρα = ara (dus, immers, natuurlijk) Taalgebruik in het NT : ara (dus, immers, natuurlijk) Mc 4,41
  169. עָרַם = `âram (nif) zich opstapelen Taalgebruik in Tenakh : `âram (nif) zich opstapelen Ex 15,8
    1. pass nifal perf 3de pers mann mv נֶעֶרְמוּ = nè`èrëmû (zij stapelden zich op) Ex 15,8
  170. ´ärâm (Aram) Taalgebruik in Tenach : ´ärâm (Aram)
    - ´ärammî (Arameeër) , zie Dt 26,5
    - ´ârar (vervloeken) , zie Jr 17,5
  171. אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig , 40) Taalgebruik in Tenakh : ´arëbâ`îm (veertig 40) Gn 25,20
    1. אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig , 40) Gn 5,13
      1. אַרְבָּעִים יוֹם = ´arëbâ`îm jôm (40 dagen) Gn 50,3
      2. אַרְבָּעִים שָׁנָה = ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar) Gn 5,13
    2. וְאַרְבָּעִים = wë´arëbâ`îm (en veertig , 40) Gn 5,13
      1. וְאַרְבָּעִים שָׁנָה = wë´arëbâ`îm sjânâh (en veertig jaar, en 40 jaar) Gn 5,13
  172. ´arëbâ`îm (veertig 40) , zie Ex 24,18
    - archiereis (hogepriesters) , zie Mt 2,4 Zie ook Mc 14,1
  173. αρχη = archè (begin, heerschappij) Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij)
    1. nom vr enk αρχη = archè (begin, heerschappij) Mc 1,1
  174. - archè (begin, heerschappij)
  175. αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) Mc 1,1
    1. ind aor 3de pers enk ηρξατο = èrxato (hij begon) Mc 1,1 Mc 1,45 Lc 9,12
      1. ηρξατο κηρυσσειν = èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen) Mc 1,45
    2. ind aor 3de pers mv ηρξαντο = èrxanto (zij begonnen) Mc 1,1 Mc 5,17
  176. arithmos (getal, aantal) , zie Hnd 4, 4
  177. αραομαι = araomai (een gebed tot iemand richten, aanroepen) PJ 2,3
  178. Ned : arm D : Arm E : arm Fr : bras embrasser (omarmen) Grieks : βραχιων = brachiôn (arm) Taalgebruik in het NT : brachiôn (arm) Hebreeuws : זְרֹעַ = zëro`a (arm, macht, hulp) Taalgebruik in Tenakh : zëro`a (arm, macht, hulp) Latijn : bracchium
  179. Ned: bovenarm Grieks : αρμος = armos (gewricht) Latijn : armus
  180. אֲרוֹן = ´ärôn (ark, kast, kist) Taalgebruik in Tenakh : ´ärôn (ark, kast, kist)
  181. - aroô (ploegen, zaaien) , zie 1 K 19,19
  182. αρτος = artos (brood) Taalgebruik in het NT : artos (brood) Lc 22,19
    1. dat mann enk αρτῳ = artôi Dt 8,3
    2. acc mann enk αρτον = arton Mc 3,20 Lc 22,19
      1. τον αρτον = ton arton (het brood) Mt 6,11
      2. λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) Lc 22,19
        1. λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) Lc 22,19
        2. λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) Lc 22,19
    3. nom mann mv αρτοι = artoi (broden) Lc 9,13
    4. gen mann mv αρτων = artôn (van broden) Lc 15,17
    5. dat mann mv αρτοις = artois Mc 6,52
    6. acc mann mv αρτους = artous (broden) Lc 9,16
      1. τους πεντε αρτους = tous pente artous (de 5 broden) Lc 9,16
  183. אָרַר = ´ârar (vervloeken) Taalgebruik in Tenakh : ârar (vervloeken)
    1. אָאֹר = ´â´or (ik zal vervloeken) , act qal imperf 1ste pers enk Gn 12,3
  184. אָסַף = ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen) Taalgebruik in Tenakh : ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen)
  185. עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) Ex 20,11
    1. אֲשֶׁר הוּא עֹשֶׂה = ´äsjèr hû´ `oshèh (wat hij doende is , wat hij doet) Ex 18,14
    2. אֲשֶׁר עָשׂוּ = äsjèr `âshû (wat zij deden) Ex 18,14
    3. עָשָׂה יהוה =`âshâh JHWH (JHWH maakt) Dt 4,3
    4. עָשָׂה כִּי = kî `âshâh (omdat hij maakte)
      1. כִּי עָשָׂה כִּי = kî `âshâh JHWH (omdat JHWH maakte)
    5. עָשָׂה לִי = `âshâh lî (hij deed aan mij)
    6. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act qal imperf 3de pers mann enk Gn 1,7
      1. וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash JHWH (en JHWH deed) Gn 1,7
    7. prefix verbindingswoord wë + act ind perf 2de pers mann enk וְעָשִׂיתָ = wë`âshîthâ (en jij zult maken) Ex 20,9
    8. act qal imperf 1ste pers mv נַעֲשֶׂה = naäshèh (- laten - wij maken) Gn 1,26
    9. -
      1. עֹשֵׂה שָׁמַיִם וְאָרֶץ = `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts (makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) Ps 121,2
      2. וְעֹשֶׂה = wë`oshèh (en doende) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm (2) act qal part mann enk Ex 20,6
        1. וְעֹשֶׂה חֶסֶד = wë`oshèh chèsèd (en doende barmhartigheid) Ex 20,6
    10. וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Lc 1,68
    11. act qal imperf 2de pers mann enk תַּעֱשֶׂה = tha`äshèh (jij zult maken) Ex 23,12
    12. וְאֶעֶשְׂךָ = wë´è`èshëkhâ (en ik zal je maken) < prefix consec wë + act ind imperf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 12,2
    13. לַעֲשׂוֹת = la`äshôth (om te doen) < prefix voorzetsel lë + werkw qal infin Gn 2,3
    14. pass nifal imperf 3de pers vr enk תֵּעָשֶׂה = the`âshèh (het zal gedaan worden) Lv 23,3
  186. עָשַׂר = `âshâr (tien) Taalgebruik in Tenakh : `âshâr (tien) Lc 9,12
    1. עֲשֶׂרֶת = `äshèrèth (tien) Dt 4,13
      1. עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים = ´äshèrèth haddëbhärîm (tien woorden) Dt 4,13
    2. בֶּעָשׂוֹר לַחֹדֶשׁ = bè`âshôr lachodèsj (op de tiende van de maand) Lv 25,9
    3. שְׁנִים עָשַׂר = sjënîm `âshâr (12) Lc 9,12
  187. עֶשְׂרִים = `èshërîm (twintig) , zie 20 Taalgebruik in Tenakh : `èshërîm (twintig)
    1. מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) Dt 34,7
  188. werkw אָשַׁם = ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten) Taalgebruik in Tenakh : ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten)
    1. vr enk אַשְׁמָה = ´asjëmâh (schuld) Mt 6,12
  189. אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) Taalgebruik in Tenakh : ´ä sjèr (die) Dt 1,1 Dt 6,6 Lv 25,2
    1. אֲשֶׁר אָנֹכִי = ´äsjèr ´ânokhî (die ik ) Dt 6,6
    2. אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH) Ex 20,12 Dt 17,14
      1. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God) Ex 20,12
        1. אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God gevende) Ex 20,12
    3. כַּאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) Dt 6,3 Joz 4,1
      1. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) Lc 1,70 Dt 6,3
        1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4
        2. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem)  Gn 12,4
        3. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4
        4. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) Dt 6,3
  190. ´asjëre (gelukkig, zalig), zie Ps 1,1
    - astèr (ster) , zie Mt 5,14
  191. αστραπτω = astraptô (bliksemen, stralen) Taalgebruik in het NT : astraptô (bliksemen, stralen) Lc 24,4
    1. act part praes dat vr enk αστραπτουσῃ = astraptousèi Lc 24,4
  192. עָטָה = `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) Taalgebruik in Tenakh : `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) Lc 23,53
    1. וַיַּעֲטֵהוּ = wajja`ätehû (en hij bedekte) Lc 23,53
  193. עָטַף = `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) Taalgebruik in Tenakh : `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen)
    1. וּבְהַעֱטִיף = ûbhëha`ätîph (en in het verkwijnen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act hifil inf constr Gn 30,42
  194. אָתָה = ´âthâh (komen, aankomen, gaan) Taalgebruik in Tenakh : ´âthâh (komen, aankomen, gaan)
  195. persoonl voornaamw 2de pers enk אַתָּה = ´aththâh (jij) Taalgebruik in Tenakh : ´aththâh
    1. הַאַתָּה = ha´aththâh (jij?) < vragend voornaamw ha + persoonl voornaamw 2de pers mann enk 1 K 18,17
      1. הַאַתָּה זֶה = ha´aththâh zèh (ben jij deze /het?) 1 K 18,17
    2. וְאַתָּה = wë´âththâh (en jij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 3,15 1 K 18,17
    3. accusatief + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv אֹתָם = ´othâm (hen) OF : persoonl voornaamw 2de pers mann mv אַתֶּם = ´aththèm (jullie) Zie : אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) Dt 11,18
  196. עַתָּה = `aththâh (nu) Taalgebruik in Tenakh : `aththâh (nu) Dt 4,1
    1. מֵעַתָּה = me `aththâh (vanaf nu) < prefix voorzetsel min + bijwoord van tijd עַתָּה = `aththâh (nu) Ps 113,2
    2. וְעַתָּה = wë`aththâh (en nu) < wë + `aththâh Dt 4,1 (nu) Dt 6,4
      1. וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל = wë`aththâh jishërâ´el (en nu Israël) Dt 4,1
          1. וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = wë`aththâh jishërâ´el sjëma` (en welnu Israël , luister) Dt 4,1
          2. וְעַתָּה כֹּה אָמַר יהוה = wë`aththâh koh ´âmar (+ JHWH) (en welnu zo spreekt - JHWH -) Js 43,1
  197. עָתַק = `âthaq (opbreken) Taalgebruik in Tenakh : `âthaq (opbreken)
    1. וַיַּעְתֵּק = wajja`theq (en hij ging verder) < prefix waw consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Gn 12,8
  198. `âthar (bidden) , zie Gn 25,21
  199. persoonl voornaamw αυτος = autos (hij) Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord
    1. persoonl voornaamw 3de pers enk nom mann enk αυτος = autos (hij) Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord Mc 3,13 Lc 5,1 Lc 19,2
      1. και αυτος = kai autos (en hij) Lc 5,1 Lc 19,2
        1. και αυτος ην = kai autos èn (en hij was) Lc 5,1
      2. αυτος γαρ = autos gar (want hij) Mt 1,21
        1. αυτος γαρ ὁ = autos gar ho (want hij) Mc 6,17
    2. pers voornaamw 3de pers gen mann enk αυτου = autou Mc 1,26 Lc 15,1 Lc 24,50
      1. μετ' αυτου = met' autou (met hem) Mc 4,36
        1. ην μετ' αυτου = èn met' autou (hij was met hem) Mc 4,36
    3. gen vr enk αυτης = autès Mc 6,24
    4. dat mann + onz enk αυτῳ = autô(i) Mc 1,25 Mc 3,9 Lc 15,27 Lc 15,31
      1. αυτῳ οἱ = autô(i) hoi (aan hem de)
      2. αυτῳ ὁτι = autô(i) hoti (aan hem dat) Lc 15,27
      3. αυτῳ παντες = autô(i) pantes (aan hem allen) Lc 15,1
    5. pers voornaamw dat vr enk αυτῃ = autè(i) Mc 5,41
    6. acc mann enk αυτον = auton (hem) Mc 1,40 Mc 3,2 Mc 3,8 Mc 4,36
      1. επ' αυτον = ep' auton (bij hem) Mc 5,21
      2. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) Mc 3,8
    7. pers voornaamw acc vr enk αυτην = autèn (haar) Mc 6,17
    8. pers voornaamw gen mv αυτων = autôn Mc 1,23
    9. dat mann en onz mv αυτοις = autois van het pers voornaamw Mc 3,4 Mc 6,37 Lc 1,7 Lc 9,13
    10. acc mann mv αυτους = autous (hen) Mc 3,5 Lc 22,15 Lc 24,50
      1. προς αυτους = pros autous (naar hen) Mc 6,51
  200. autos (hij zelf) , zie Lc 24,36
  201. auxanô (doen groeien, vermeerderen) , zie Lc 2,40
  202. Ned : av-ond D : Ab-end E eve , ev-ening v / b / p ; v / w ; d / t
    - Gr : ἑσ-περα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT : hespera (avond) Lat : ves-per (gen : vesperis) Zie Ned : west (de andere windstreken eindigen eveneens op t / d : oos-t , zui-d , noor-d )
    - Arabisch : مَسَاء = masâ´ (avond) Taalgebruik in de Qoran : masâ´ (avond)
    - Aramees : רְמַשׁ / רַמְשָׁא = rëmasj / ramësjâ' Syrisch : ramcho
    - Fr : le soir Lat : serus Italiaans : alla sera Gr : οψια = opsia (avond) Taalgebruik in het NT : opsia (avond) EN : ἑσπερα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT : hespera (avond) Hebr : עֶרֶב = `èrèbh (avond) Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) Lat : vesper (gen : vesperi) Spaans : la tarde
  203. אָז = ´âz (dan) Taalgebruik in Tenach : ´âz (dan) Js 35,5
  204. עָזַב = `âzabh (verlaten, achterlaten) Taalgebruik in Tenakh : `âzabh (verlaten, achterlaten) Dt 28,20
    1. עֱזַבְתָּנִי = `äzabhëtânî (je hebt mij verlaten / achtergelaten) < werkwoordvorm qâtal 2de pers enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk -nî (mij) Dt 28,20
    2. עֲזוּבָה = äzûbhâh (Azuba , verlatene) Eigennaam en / of werkwoordvorm qal pass vr enk
  205. אָזַן = ´âzan (luisteren, het oor lenen) Taalgebruik in Tenakh : ´âzan (luisteren, het oor lenen)
    1. actief hifil imperatief 2de persoon mannelijk enkelvoud הַאֲזִינָה = ha´äzînah (luister naar) Ps 84,9
  206. `âzar (helpen, bijstaan) , zie Ps 40,14
    - azuma (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


B
  1. Hebreeuws בּ = bë (in, met) Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met)
    1. בּי = bî (in / tegen mij) < bë + persoonl voornaamw 1ste pers mann enk
  2. בָּא = bâ´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) Mc 5,1 1 K 1,1
    1. act qal perf 3de pers mann enk בָּא = bâ´ (hij ging / kwam) 1 K 1,1
      1. בָּא אֶל = bâ´ ´èl (hij gaat naar) Mc 6,48
      2. בָּא בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (hij ging in de dagen) 1 K 1,1
      3. בָּאִים בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (gaande in de dagen) 1 K 1,1
    2. וַיָּבּוֹא / וַיָּבֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en hij liet gaan, en hij liet komen) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk OF act hifil imperf 3de pers mann enk Ex 24,18 Mc 1,39
      1. וַיָּבּוֹא מֹשֶׁה = wajjâbho´ mosjèh (en Mozes ging)
    3. וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec wë + act qal imperf 3de pers mann enk
    4. prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann mv וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) Lc 9,12
      1. וַיָּבּאוּ אַרְצָה = wajjâbo´û ´arëtsâh (en zij gingen naar het land) Gn 12,5
    5. prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act ind imperf 3de pers vr mv וַתָּבֹאנָה = waththâbho´nâh (en zij gingen) Mc 16,5
    6. כִּי תָבֹא = kî thâbo' (wanneer je zal gaan) Lv 25,2
    7. כִּי תָבֹא אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo' ´èl hâ´ârèts (wanneer je zal gaan naar het land) Lv 25,2
    8. act qal imperf 2de pers mann mv תָבֹאוּ = thâbo'û (jullie zullen gaan) Lv 19,23
      1. תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
      2. -
      3. כִּי תָבֹאוּ = kî thâbo'û (wanneer jullie zullen gaan) Lv 19,23
        1. כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
      4. וְכִּי תָבֹאוּ = wëkî thâbo'û (en wanneer jullie zullen gaan) Lv 19,23
        1. וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
    9. וּבְבֹא = ûbhëbho´ (en in het binnengaan van) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + qal inf construct Mc 6,22
  3. בַעַל / בָעַל = ba`al / bâ`al (Baäl, meester) Taalgebruik in Tenakh : ba`al / bâ`al (Baäl, meester) Dt 4,3
    1. בַעַל פְּעוֹר = ba`al pë`ôr (Baäl Peor) Dt 4,3
  4. בָאַר = bâ´ar (verklaren, duidelijk maken) Dt 27,8
    1. act piël inf absol בַּאֵר = ba´er Dt 27,8
  5. bâ`ath (schrikken, vrezen) , zie Ps 18,5
  6. בָחַר = bâchar (kiezen, uitverkiezen) Taalgebruik in Tenakh : bâchar (kiezen, uitverkiezen)
    1. act qal imperf 3de pers mann enk יִבְחַר = jibhëchar / jibhëchâr (hij verkoos) Dt 23,17
  7. בַּד = bad (afzondering, deel) Taalgebruik in Tenakh : bad (afzondering, deel)
    1. לְבַדּוֹ = lëbhaddô (voor zijn afzondering) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw mann enk + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 32,25
  8. בָּדַד = bâdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn) Taalgebruik in Tenakh : bâdad (binnengaan in , splijten , afzonderen, zich afzonderen , eenzaam zijn)
  9. בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen) Taalgebruik in Tenakh : bâdal (afscheiden, verdelen) Gn 1,4
    1. prefix waw consect + werkwvorm act hifil imperf (jaqtil) 3de pers enk וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel (en hij maakte een scheiding) Gn 1,4
    2. וּלְהֲבְדִּיל = ûlähabhëdîl (en om een scheiding aan te brengen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + act hifil inf stat construct
    3. act hifil part mann enk מַבְדִּיל = mabhëdîl (scheidende) Gn 1,6
  10. בָכָה = bâkhâh (weeklagen, wenen) Taalgebruik in Tenakh : bâkhâh (weeklagen, wenen)
        1. act ind qal jiqtol (imperf) 2de pers mann enk en 3de pers vr enk תִּבְכֶּה = thibhëkèh (jij weent / zij weent)
  11. בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden) Taalgebruik in Tenakh : bâlâh (ver-slijten, oud worden)
    1. act hifil imperat 2de pers vr enk בְּלִי = bëlî (word oud)
  12. βαλλω = ballô (werpen, gooien, vallen) Taalgebruik in het NT : ballô (werpen, gooien)
  13. Ned: balsemen Arabisch : ضمخ = damkh D : einbalsamieren E: embalm Fr : embaumer Grieks : ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) Hebreeuws : חָנַט = chânat (balsemen) Lat: condire
  14. בָמָה = bâmâh (hoogte, grafheuvel, tempel)
    1. הַבָּמוֹת = habbâmôth (de hoogten) < bepaald lidw + vr mv van het zelfst naamw 1 K 12,32
  15. בָנָה = bânâh (bouwen, bebouwen) Taalgebruik in Tenakh : bânâh (bouwen, bebouwen)
    1. וַיִּבֶן = wajjibhèn (en hij bouwde) < wë + act; qal imperf 3de pers mann enk Gn 12,7
      1. וַיִּבֶן שָׁם = wajjibhèn sjâm (en hij bouwde daar) Gn 12,7
        1. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een altaar) Gn 12,7
          1. וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ לַיהוה = wajjibhèn sjâm mizëbeach laJHWH (en hij bouwde daar een altaar voor de Heer) Gn 12,7
  16. Ned : banen, gaan Grieks : βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) Taalgebruik in het NT : bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen)
  17. Ned : bang Middelned : bange < be + ange (eng, benauwd, beklemd)
  18. nom + acc onz enk βαπτισμα = baptisma (doopsel) Taalgebruik in het NT : baptisma (doopsel) Mc 1,4
    1. βαπτισμα μετανοιας = baptisma metanoias (doopsel van bekering) Mc 1,4
  19. βαπτιζω = baptizô (dopen) Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen)
    1. act ind aor 3de pers enk εβαπτισεν = ebaptisen (hij doopte) Hnd 1,5
    2. act ind aor 1ste pers enk εβαπτισα = ebaptisa (ik doopte) Mc 1,8
    3. reflexief aor 3de pers enk = ebaptisato (hij dompelde zich onder) Mc 1,8
    4. pass imperf 3de pers mv εβαπτιζοντο = ebaptizonto (zij werden gedoopt) Mc 1,5
  20. baptisma (doopsel) baptizô (dopen) , zie Mt 3,13 Zie ook : baptizô (dopen) , zie Mc 1,8
  21. βαπτω = baptô (doppen, plonsen, onderdompelen)
    1. act ind aor 3de pers enk εβαψεν = ebapsen (hij doopte) Mc 1,8
  22. בָקָע = bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) Taalgebruik in Tenakh : bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden)
  23. בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Gn 1,8
  24. bâqasj (zoeken) , zie Ex 2,15
  25. בָרָא = bârâ´ (scheppen) Taalgebruik in Tenakh : bârâ´ (scheppen)
    1. act ind perf 3de pers enk בָרָא = bârâ´ (hij schiep) Gn 1,1
      1. בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) Gn 1,1
        1. אֲשֶׁר בָרָא אֱלֹהִים= ´äsjèr bârâ ´èlohîm (die God schiep) Gn 2,3
  26. bârach (vluchten, snel weggaan) , zie Ex 2,15
  27. בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) Lc 1,42
    1. act piël perf 3de pers mann enk בֵּרַךְ = berakh (hij zegende) Ex 20,11
      1. בֵּרַךְ יהוה = berakh JHWH (JHWH (JHWH zegende) Ex 20,11
    2. יְבָרֵךְ = jëbhârekhë (hij zegene) < piël jussivus derde persoon mannelijk enkelvoud Nu 6,24
      1. יְבָרֶכְךָ = jëbhârèkhëkhâ (hij zegene je) < piël jussivus derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) van het persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud Nu 6,24
      2. waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk וַיְבָרֶך = wajëbhârèkh (en hij zegende) Gn 1,22
        1. וַיְבָרֶך אֱלֹהִים = wajëbhârèkh èlohîm (en God zegende) Gn 2,3
        2. וַיְבָרֶך יהוה = wajëbhârèkh JHWH (en JHWH zegende) Gn 2,3
    3. וַיְבָרְכֵם = wajëbhârëkhem (en hij zegende hen) < prefix waw consec + actief piel imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Gn 48,20 Lc 9,16
      1. יְבָרֶכְךָ יהוה = jëbhârèkhëkhâ JHWH (JHWH zal je zegenen) Nu 6,24
    4. וַאֲבָרֲכָה = wa´äbhâräkhâh (en ik zal zegenen) < prefix voegwoord wë + act piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud Gn 12,3
    5. וַאֲבָרֶכְךָ = wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen) < prefix consec wë + act piël imperf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 12,2
    6. act qal piël imperat 2de pers mann enk בָּרֵךְ = bârekh (zegen) Dt 33,11
    7. וְנִבְרְכוּ = wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) < prefix voegwoord wë + pass nifal perf 3de pers mann mv Gn 12,3
    8. pass qal deelw tegenwoordige tijd mann enk בָּרוּך = bârûkh (gezegend) Lc 1,68
      1. בָרוּך יהוה = bârûkh JHWH Lc 1,68
        1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי = bârûch JHWH ´èlohe(j) = gezegend JHWH , God van Lc 1,68
          1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el (gezegend JHWH de God van Israël) Lc 1,68
            1. בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el ´äsjèr (gezegend JHWH de God van Israël die) Lc 1,68
      2. בָרוּך אתָּה יהוה = bârûkh ´aththâh JHWH (gezegend zijt Gij , JHWH) Lc 1,68
    9. pass qal part praes vr enk בְרוּכָה = bërûkhâh (gezegend) Lc 1,42
    10. מְבָרְכֶיךָ = mëbhârëkkhè(j)khâ (degenen die jou zegenen) < act piel part stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 12,3
  28. בְּרָכָה = bërâkhâ (zegen, zegenspreuk, geschenk, weldaad) Zie het werkw בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) Taalgebruik in Tenakh : bârakh (zegenen, loven, prijzen)
    1. הַבְּרָכָה = habbërâkhâ < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Ps 133,3
  29. βαρναβας = barnabas (Barnabas) Taalgebruik in het NT : barnabas (Barnabas)
    1. nom mann enk βαρναβας = barnabas (Barnabas) Hnd 4,36
  30. βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) Taalgebruik in het NT : basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen)
    1. act subjonctief aor 2de pers enk βασανισῃς = basanisè(i)s (jij zoudt folteren) Mc 5,7
      1. μη με βασανισῃς = mè me basanisè(i)s (dat jij mij niet zoudt folteren) Mc 5,7
    2. pass part praes acc mann mv βασανιζομενους = basavizomenous (gekweld wordende) Mc 6,48
  31. בָּשָׂר = bâshâr (vlees, lichaam) Taalgebruik in Tenakh : bâshâr (vlees, lichaam) Lc 24,3
  32. בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten)
    1. לְבַשֵּׂר = lëbhashsher (om de goede boodschap te brengen) < prefix voorzetsel lë + act piël inf Js 61,1
  33. βασιλεια = basileia (koninkrijk) Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk)
    1. nom vr enk βασιλεια , dat vr enk βασιλειᾳ = basileia (i) (koninkrijk) Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) Mt 5,3
      1. ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk) Mt 6,10
      2. ἡ βασιλεια των ουρανων = hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) Mt 5,3
  34. basileia (koninkrijk) hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) , zie Mt 3,2
  35. βασιλευς = basileus (koning) Taalgebruik in het NT : basileus (koning) Mc 6,22 Lc 1,5
    1. nom mann enk βασιλευς = basileus (koning) Mc 6,22
      1. και ὁ βασιλευς (en de koning) 1 K 1,1
      2. βασιλευς ἡρῳδης = basileus hèrô(i)dès (koning Herodes) Mc 6,14
    2. gen mann enk βασιλεως = basileôs Lc 1,5
  36. bâtach (vertrouwen, zich veilig voelen) , zie Jr 17,5
  37. בַת = bath (dochter) Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) Mc 5,23
    1. בַת צִיּוֹן = bath tsijjôn (dochter Sion) Mi 4,10 Mc 5,23
  38. nom + acc onz enk βαθος = bathos (diepte) Taalgebruik in het NT : bathos (diepte) Lc 5,4
  39. בּ = bë (in, met) Taalgebruik in Tenakh : bë (in, met)
    1. בְךָ = bëkhâ (in u) < prefix voorzetsel bë + suffix bezittel voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud Gn 12,3
    2. בָּם = bâm (aan hen) < prefix voorzetsel bë + bezittel voornaamw 3de pers mann mv (< hèm) Dt 6,7
  40. Ned : been D : Bein E : leg Fr : jambe
  41. בְאֵר = bhë´er (put, bron) Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put) Gn 29,10
    1. הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) Gn 29,10
  42. בְהֵמָה = bëhemâh (vee, roofdier) Taalgebruik in Tenakh : bëhemâh (vee, roofdier) Gn 1,24
  43. בֵּין = be(j)n (tussen) Taalgebruik in Tenakh : be(j)n (tussen) Dt 6,8
  44. Ned : beker Arabisch : كوب = kub D : Kelck E : cup Fr : coup Grieks : ποτηριον = potèrion (beker) Hebreeuws : כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) Lat : calix
  45. Ned : beminnen , liefhebben Arabisch : اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) Taalgebruik in de Qoran : ´ahabba (beminnen, liefhebben) D : lieben E : to love Fr : aimer Grieks : αγαπαω = agapaô (liefhebben) Taalgebruik in het NT : agapaô (liefhebben) Hebreeuws : אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) Taalgebruik in Tenakh : ´âhabh (beminnen, liefhebben) Lat : amare
  46. בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) Lc 1,31
    1. בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst naamw ben + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn 22,16
      1. אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) Gn 22,16
        1. אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶךָ = ´èth binëkhâ jëchîdèkhâ (jouw zoon, jouw enige) Gn 22,16
      2. לְבָנֶיךָ = lëbhânè(j)khâ (aan jou zonen) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw stat construct mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,7
    2. mann mv בָנִים = bânîm (zonen) Lc 15,11
      1. שְׂנֵי בָנִים = sjëni bânîm (twee zonen) Lc 15,11
    3. mann mv stat construct בְּנֵי = bëne(j) (zonen van)
    4. zelfst naamw mann mv en suffix bezittelijk voornaamw 3de pers mann enk בָּנָיו = bânâ(j)w (zijn zonen) Nu 6,23
  47. Ned : berg , gebergte D : Gebirge E : mount Fr : mont / montagne Grieks : ὁρος = horos (berg) Taalgebruik in het NT : horos (berg) Lat mons , -tis Dt 1,19
  48. בְרִית = bërîth (verbond) Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) Lc 22,20
    1. בְרִיתוֹ = bërîthô (zijn verbond) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Ex 2,24 Lc 1,72
      1. אֶת בְרִיתוֹ = ´èth bërîthô (zijn verbond) Ex 2,24
        1. אֶת בְרִיתוֹ אֲשֶׁר = ´èth bërîthô ´äsjèr (zijn verbond dat) Dt 4,13
    2. הַבְּרִית אֲשֶׁר = habbërîth ´äsjèr (het verbond dat) Ex 24,8
      1. הַבְּרִית אֲשֶׁר כָּרַת = habbërîth ´äsjèr kârath (het verbond dat hij sloot) Ex 24,8
  49. בֵּית = be(j)th van het zelfst naamw בַּיִּת = bajith (huis) Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) Ex 23,19
    1. בֵּית יַעֳקֹב = be(j)th Ja`äqobh (huis van Jakob) Ps 114,1
    2. בֵיתֶךָ = be(j)thèkhâ (jouw huis) < zelfst naamw stat construct + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,9
    3. מִבֵּית = mibbe(j)th (uit het huis van) < voorzetsel min + stat constr Ex 20,2
      1. מִבֵּית עֲבָדִים = mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het huis van dienaren, slaven) Ex 20,2 Dt 6,12
    4. וּמִבֵּית = ûmibe(j)th (en uit het huis) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn 12,1
    5. בְּבֵיתֶךָ = bëbthe(j)thèkhâ (in jouw huis) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw stat construct enk + suffix bezittel voornaamw 2de pers enk Dt 6,7
  50. בֵּית אֵל = be(j)th ´el (huis van God = Betel) Gn 28,19
  51. בֵּית לָחֶם = bêth lâchèm (Bethlehem) Taalgebruik in het NT : bethleem (Betlehem)
  52. Betlehem , zie Mt 2,1
  53. - bëtèrèm (vooraleer) , zie Jr 1,5
    - De getalswaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 + 1 + 50 + 10 + 1 = 81 (zie Joh 1,28 )
  54. βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda) Taalgebruik in het NT : Bètsaïda (Betsaïda)
    1. acc vr enk βηθσαιδαν = bèthsaïdan (Betsaïda) Mc 6,45
  55. בְצַלְאֵל = betsalë´el (Besaleël) Taalgebruik in Tenakh : betsalë´el (Besaleël) Ex 31,2
  56. Ned : binnengaan D : eingehen E : to enter F : entrer Grieks : εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) Lat : intro-ire (binnengaan) intrare - inire Italiaans : entrare Spaans : entrar
  57. Ned : bij Fr : abeille In het hiëroglyfisch geeft de bij de klankwaarde bit weer
  58. blasfèmeô (lasteren, godslasteren) Taalgebruik in het NT : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) Taalgebruik in Mc : blasfèmeô (lasteren, godslasteren)
  59. βλεπω = blepô (kijken, zien). Taalgebruik in het NT: blepô (kijken, zien).
    1. βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien). Mc 13,2.
    2. βλεπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien). Mc 4,24 Mc 13,5 Lc 21,8
      1. βλεπετε μη = blepete mè (jullie kijken niet , kijkt niet) Lc 21,8
  60. βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien)
    blepô (kijken, zien) blepô (zien) , zie Joh 1,29 - blepô (kijken) bij Marcus, zie Mc 13,33 - blepô (zien, kijken) bij Matteüs, zie Mt 11,4 : - Mt 11,2-6 -
  61. Ned : bloed Arabisch : دَم = dam (bloed) Taalgebruik in de Qoran : dam (bloed) D : Blut E : blood Fr : sang Gr : αἱμα = haima (bloed) Taalgebruik in het NT : haima (bloed) Hebreeuws : דָם = dâm (bloed, bloedschuld) Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) Lat : sanguis
  62. boaô (luid roepen, schreeuwen) , zie Mc 15,34 fôneô (roepen, schreeuwen) , zie Mc 1,26 anakrazô (uitschreeuwen) , zie Mc 1,23
  63. בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) Taalgebruik in Tenakh : bohû (ledigheid, eenzaamheid) Gn 1,2
    1. וָבֹהוּ = wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + zelfst naamw Gn 1,2
  64. Ned : boot D : Boot E : boat Fr : navire , bateau (oud-eng bat + suffix -eau) Gr : ναυς , gen νεως = naus (schip) L : navis (= schip ; navicula = boot)
  65. בֹקֶר = boqèr (morgen) Zie : בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Taalgebruik in Tenakh : bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen)
    1. וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî boqèr (en het werd morgen) Gn 1,8
  66. -
    1. εν βραχιονι ὑψηλῳ = en brachioni hupsèlô(i) met uitgestrekte arm) Dt 6,21
    2. εν βραχιονι αυτου = en brachioni autou met zijn arm) Dt 6,21
  67. nom + acc onz enk βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) Lc 1,41
  68. Ned : broer Arabisch : أخ = ´ach (broer) Taalgebruik in de Qoran : ´ach (broer) D : Bruder E : brother Fr : frère Grieks : αδελφος = adelfos (broer) Taalgebruik in het NT : adelfos (broer) Hebreeuws : אָח = ´âch (broer) Taalgebruik in Tenakh : ´ach (broer) Lat: frater (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der)
  69. Ned : bron Grieks : φρεαρ = frear (put) Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) Hebreeuws : בְאֵר = bhë´er (put, bron) Taalgebruik in Tenakh : bhë´er (put)
  70. Ned : brood Arabisch : خُبز = chubz (brood) Taalgebruik in de Qoran : chubz (brood) In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis Zie لَحْم = lachm (vlees) Taalgebruik in de Qoran : lachm (vlees) Aramees : לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem D : Brot E : bread Fr pain Grieks : αρτος = artos (brood) Taalgebruik in het NT : artos (brood) Hebreeuws : לֶחֶמ = lèchèm (brood) Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) Lat : panis In het hiëroglyfisch stelt een brood de letter t voor
  71. βυθιζω = buthizô (doen zinken) Taalgebruik in het NT : buthizô (doen zinken) Lc 5,7
    1. pass inf praes βυθιζεσθαι = buthizesthai (zinken) Lc 5,7
  72. בּוּל = bûl (zegel bv van een postzegel)
    - bw´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenach : bw´ (gaan, komen)

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


C

  1. Aramees : חֲדָא = chädâ´ (zich verheugen) Taalgebruik : chädâ´ (zich verheugen)
    1. וַחדִי = wachdî (en hij verheugde zich) > prefix waw + act qal perf 3de pers mann enk Gn 17,17
  2. - chag (feest) , zie Lc 22,1
  3. χαιρω = chairô (zich verheugen) Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) Lc 15,5
    1. act part praes nom mann enk χαιρων = chairôn (zich verheugende) Lc 15,5
  4. châjâh (leven) Taalgebruik in Tenach : châjâh (leven)
    1. prefix voorzetsel wë + act piël part mann enk וּמְחַיֶּה = ûmëchajjèh (en doen levende) 1 S 2,6
    2. חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) Stat constr חַיַת = chajath
      1. stat constr חַיַּת = chajjath Gn 1,25
      2. חַיְתוֹ = chajëthô (en zijn wildgedierte) < stat constr + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 1,24
  5. châkhmâh (wijsheid) , zie Ps 111,10
  6. חָלָב = châlâbh (melk) Qatal-vorm (חַלַב) De stat constr חֲלֵב = chälebh is moeilijk verklaarbaar (Joüon 96Bb) Taalgebruik in Tenakh : châlâbh (melk) Ex 23,19
  7. חָלַל = châlal (beginnen) Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen)
    1. וַיָּחֶל = wajjâchèl (en hij begon) < prefiw voegwoord w consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk
  8. χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) Taalgebruik in het NT : chalaô (ontspannen, los maken) Lc 5,5
    1. act ind fut 1ste pers enk χαλασω = chalasô (ik zal losmaken) Lc 5,5
  9. חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) Taalgebruik in Tenakh : châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) Mt 2,14
  10. חֱמוֹר = chämôr (ezel, ezelin) Taalgebruik in Tenakh : chämôr (ezel, ezelin) Zach 9,9 Ned : ezel Fr âne Grieks : onos Lat : asinus
  11. חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) Taalgebruik in Tenakh : châmesj (vijf) Lc 9,16
    1. חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar) Gn 12,4
      1. בֶּן חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = bèn châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar oud) Gn 12,4
    2. vr enk חֱמִשָּׁה = chämisjsjâh (vijf, 5) Dt 34,12
  12. chânâh (zich neerlaten, zich legeren) , zie Ex 13,20
  13. חָנַן= chânan (genadigzijn, zich over iemand ontfermen) Taalgebruik : chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen)
    1. וִיחֻנֶּךָּ = wîchunnèkhâ (en hij zal genadig zijn) < prefix waw consecut + act qal ind imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Nu 6,25
  14. chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen) , zie Ps 111,5
    - châphar (zich schamen, in zijn verwachtingen teleurgesteld worden), zie Ps 35,4
    - châphatz verlangen, begeren, willen) , zie Ps 40,15 châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen) Taalgebruik in Tenach : châphats (verlangen, begeren, behagen scheppen)
    - châqaq (vaststellen, besluiten) , zie Ps 2,7
  15. χαρα = chara (vreugde) Taalgebruik in het NT : chara (vreugde)
    1. nom vr enk χαρα = chara (vreugde) Lc 15,7
    2. gen vr enk χαρας = charas 1 Tes 1,6
      1. μετα χαρας = meta charas (met vreugde)
  16. chara (genade, dankbaarheid), zie Lc 24,52
  17. חָרָן = chârân (Haran) Taalgebruik in Tenakh : chârân (Haran)
    1. מֵחָרָן = mechârân (uit Haran) < prefix voorzetsel min (uit) en חָרָן = chârân (Haran)
  18. חָרָה = chârah ( branden, ontbranden ) Taalgebruik in Tenakh : (chârâh ( branden, ontbranden) Nu 11,1
    1. וַיִּחַר = wajjichar ( hij ontbrandde ) < wë + act qal imperfectum 3de pers mann enk Gn 4,5
  19. חָרַק = châraq (knarsen, piepen) Taalgebruik in Tenakh : châraq (knarsen, piepen)
  20. χαρις = charis (genade, gratie) Taalgebruik in het NT : charis (genade, gratie)
    1. nom vr enk χαρις = charis (genade, gratie) 1 Tes 1,1
      1. χαρις ὑμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ὑμων και απο κυριου ιησου χριστου = charis humin kai eirènè apo theou patros hèmôn kai apo kuriou ièsou christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) Kol 1,2
    2. gen vr enk χαριτος = charitos (van genade) Gal 1,15
      1. δια της χαριτος = dia tès charitos (door / bij middel van de genade) Gal 1,15
    3. acc vr enk χαριν = charin Lc 17,9
  21. châsar (missen, verminderen) , zie 1 K 17,14
    - châsjabh (rekenen, achten, denken) , zie Ps 40,18
  22. חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden) Taalgebruik in Tenakh : châsjâh (zwijgen, zich stil, rustig houden)
    1. act qal imperf eerste persoon enkelvoud אֶחֶשֶׁה = ´èchêsjèh (ik zal zwijgen)
  23. חַטָֹאָה = chattâ´âh (zonde, misdaad)
    1. חַטֹּאתָם = chatto´thâm (hun zonden) < vr mv + suffix pers voornaamw 3de pers mann mv Ex 32,34
  24. חַוָּה = chawwâh (Eva) Taalgebruik in Tenakh : chawwâh (Eva)
  25. châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) Taalgebruik in Tenach : châzâh (zien, aanzien, uitkiezen)
  26. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) Taalgebruik in Tenakh : chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen)
    1. וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) Mc 1,31
  27. chèsèd (liefde, gunst, genade, barmhartigheid) , zie Ps 111,5
    - chât´â (zondigen, missen) , zie Ps 1,1
  28. חָתַל = châthal (omwikkelen met windels) Lc 23,53
    - châzah (zien, uitkiezen) , zie Gn 15,1
  29. χειρ = cheir (hand) Taalgebruik in het NT : cheir (hand)
    1. gen mann enk χειρος = cheiros (van de hand) Lc 1,71
      1. εκ χειρος = ek cheiros (uit de hand van) Lc 1,71
    2. -
      1. εν χειρι κραταιᾳ = en cheiri krataia(i) (met krachtige hand) Dt 6,21
        1. εν χειρι κραταιᾳ και εν βραχιονι αυτου τῳ ὑψηλῳ = en cheiri krataia(i) kai en brachioni autou tô(i) hupsèlô(i) (met krachtige hand en met zijn arm, de uitgestrekte) Dt 6,21
    3. acc vr enk χειρα = cheira (hand) Mc 3,1
      1. την χειρα = tèn cheira (de hand) Mc 3,1
    4. acc vr mv χειρας = cheiras Lc 24,50
      1. τας χειρας αυτου = tas cheiras autou (zijn handen) Dt 34,9
  30. חֵמָה = chemâh (toorn) Taalgebruik in Tenakh : chemâh (toorn)
  31. חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) Taalgebruik in Tenakh : chèsèd (liefde, barmhartigheid) Ex 34,7
  32. ִ : een punt onder de regel : חִירֶק = chîrèq (chireq) is een klinker en duidt een i-klank aan
  33. χιτων = chitôn (wollen of linnen onderkleed) Taalgebruik in het NT : chitôn (wollen of linnen onderkleed)
    1. acc mann mv χιτωνας = chitônas (kleren) Lc 9,3
      1. τους χιτωνας αυτου = tous chitônas autou (zijn kleren) Mc 14,63
      2. δυο χιτωνας = duo chitônas (2 kledingstukken) Mc 14,63
  34. חוֹד = hôd (pracht, glans, majesteit) Taalgebruik in Tenakh : hôd (pracht, glans, majesteit)
  35. - chwsj (zich haasten, genieten, zijn zinnen volgen), zie Ps 40,14
  36. χοιρος = choiros (varken) Taalgebruik in het NT : choiros (varken)
    1. nom mann mv χοιρων = choirôn Mc 5,11
      1. των χοιρων = tôn choirôn (van de varkens) Mc 5,16
  37. חָכְמָה = châkhëmah (wijsheid) Taalgebruik in Tenakh : châkhëmâh (wijsheid)
    1. בְחָכְמָה = bëchâkhëmah (met wijsheid) Gn 1,1
  38. chôlos (lamme) , zie Mt 11,5
  39. Lat commemoratio (het samen gedenken)
    1. acc vr enk commemorationem Lc 22,19
  40. χωρα = chôra (streek, land) Taalgebruik in het NT : chôra (streek, land)
    1. acc vr enk χωραν = chôran (streek, plaats) Mc 5,1 Lc 15,13
      1. εις την χωραν = eis tèn chôran (naar de streek, plaats) Mc 5,1
  41. chôrion (gebied, plek) , zie Mc 14,32
  42. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen) Taalgebruik in het NT : chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen)
    1. pass ind fut 3de pers mv χορτασθησονται = chortasthèsontai (zij zullen verzadigd worden) Mc 6,42
      1. και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) Mc 6,42
    2. pass ind aor 3de pers mv εχορασθησαν = echorasthèsan (zij werden verzadigd) Mc 6,42
      1. και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) Mc 6,42
        1. και εφαγον παντες και εχορασθησαν = kai efagon pantes kai echorasthèsan (en allen aten en zij werden verzadigd) Mc 6,42
        2. και εφαγον και εχορασθησαν παντες = kai efagon kai echorasthèsan pantes (en zij aten en allen werden verzadigd) Mc 6,42
    3. pass inf aor χορασθηναι = chorasthènai (om verzadigd te worden) Mc 7,27
  43. חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) Gn 1,2 Lc 1,79
    1. הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw ha + חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) Gn 1,4
    2. וְחֹשֶׁךְ= wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst naamw Gn 1,2
    3. וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) Gn 1,5
    4. בַּחֹשֶׁך = bachosèkh (in - de - duisternis) < voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt samen tot ba + zelfstandig naamwoord Js 9,1 Lc 1,79
  44. chothen (schoonvader) , zie Ex 3,1
    - chreian echô : ik behoef (6X bij Matteüs)
  45. χριω = chriô (zalven) Taalgebruik in het NT : chriô (zalven) Ef 1,1
    1. act ind aor 3de pers enk εχρισεν = echrisen (hij zalfde) Lv 8,10 Lc 4,18
      1. εχρισεν αυτον = echrisen auton (hij zalfde hem) Lv 8,12
      2. εχρισεν με = echrisen me (hij zalfde mij) Lv 8,12
  46. χριστος = christos (gezalfde, Christus) Taalgebruik in het NT : christos (Christus)
    1. gen mann enk χριστου = christou (van Christus) Mc 1,1 Fil 1,1 Kol 1,1 Kol 2,2
  47. christos (Christus) Christou (Christus 5X bij Matteüs)
    - chshkh (duisternis) , zie Js 9,1
  48. חוּר = chûr (Chur) Taalgebruik in Tenakh : chûr (Chur) 1 Kr 2,19
  49. חוּץ = chûts (straat, buiten) Taalgebruik in Tenakh : chûts (straat, buiten) Lc 24,50

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


D

  1. dâ`âkh (uitgaan van licht) Taalgebruik in Tenakh : dâ`âkh (uitgaan van licht)
  2. Ned : daar (aanwijz bijw van plaats; da r) <-> hier (aanwijz bijw van plaats : hir; zie persoonl voornaamw hij) D : da <-> hier E : the-re <-> he-re Grieks : εκει (hier; Fr : ici; k - c -h) Arabisch : هناك = hunak (daar; h in Ned : hij) <-> هنا = huna (hier) Hebreeuws : שָׁם = sjâm (daar) Zie het werkw שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) Lat : ibi (daar) <-> hic (hier)
  3. דָבַר = dâbhar (spreken) Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) Lc 1,37
    1. act piël perf 3de pers mann enk דִּבֶּר = dibbèr (hij sprak)
      1. דִּבֶּר אֶל = dibbèr ´èl (hij sprak tot) Lc 1,55
        1. דִּבֶּר מֹשֶׁה אֶל = dibbèr mosjèh ´èl (Mozes sprak tot) Dt 1,3
      2. דִּבֶּר אֵלָיו = dibbèr ´elâjw (hij zei tot hem) Gn 12,4
      3. דִּבֶּר אִתּוֹ = dibbèr ´iththô (hij sprak met hem)
      4. דִּבֶּר לוֹ = dibbèr lô ( hij sprak tot hem)
      5. אֲשֶׁר דִּבֶּר מֹשֶׁה = ´äsjèr dibbèr Mosjèh (die Mozes sprak) Dt 34,1
      6. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) Gn 12,4
        1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij zei tot hem) Gn 12,4
          1. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו יהוה = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw JHWH (zoals JHWH sprak tot hem) Gn 12,4
        2. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem) Gn 12,4
        3. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4
        4. כַאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה = ka´äsjèr dibbèr JHWH (zoals JHWH sprak) Gn 12,4
          1. כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) Dt 1,21
    2. prefix verbindingswoord wë + act piël imperf 3de pers mann enk וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) Gn 8,15 Ex 20,1 Lv 23,1 Lv 25,1 Nu 6,22
      1. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm (en God sprak) Gn 8,15 Ex 20,1
        1. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ = wajëdabber ´èlohîm ´èl noach (en God sprak tot Noach) Gn 8,15
        2. וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm ´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) Ex 12,1
      2. וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) Gn 8,15 Lv 23,1 Nu 6,22
        1. וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) Ex 12,1 Nu 6,22
          1. וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹר = wajëdabber JHWH èl mosjèh le'mor (en JHWH sprak tot Mozes om te zeggen) Ex 25,1 Nu 6,22
    3. וְדִבַּרְתָּ = wëdibbarëthâ (en jij zult spreken) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act piël 2de pers mann enk Dt 6,7
    4. דְבַר אֱלֹהִים = dëbhar ´èlohîm (woord van God) Lc 5,1
      1. דְבַר יהוה = dëbhar JHWH (woord van JHWH) Lc 5,1
      2. כִּדְבַר = kidëbhar (volgens het woord) < prefix kë + zelfst naamw דָּובָר = dâbhâr (woord) Lc 1,38
      3. הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw ha + mann mv Ex 20,1 Dt 6,6
        1. אֵלֶּה הַדְּבָרִים = ´ellèh haddëbhârîm (deze woorden) Dt 1,1
        2. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) Gn 44,6 Ex 24,8
          1. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr (deze woorden die) Dt 6,6
            1. הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr ´asjèr ´ânokhî mëtsawwëkhâ (deze woorden die ik opdragende) Dt 6,6
        3. כל הַדְּבָרִים = kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen) Ex 20,1
          1. אֵת כל הַדְּבָרִים = `eth kâl haddëbharîm (alle woorden / gebeurtenissen) Ex 20,1
        4. כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = kâl haddëbharîm hâ´ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) Ex 24,8
          1. אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = `eth kâl haddëbharîm hâ ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) Ex 20,1
      4. -
        1. דִּבְרֵי יהוה = dibhëre(j) JHWH (woorden van JHWH) Ex 24,3
          1. אִת דִּבְרֵי יהוה = ´eth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) Ex 24,3
            1. אִת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´eth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden van JHWH) Ex 24,3
          2. אֶת דִּבְרֵי יהוה = ´èth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) Ex 24,3
            1. אֶת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´èth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden van JHWH) Ex 2
        2. אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה = ´èth kâl dibhër(j)e haththôrâh (al de woorden van de Thorah) Dt 27,8
  4. Ned : dag Arabisch : يَوم = jaum (dag) Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) D : Tag E : day F : jour < Lat diurnum Cfr journaal Grieks : ἡμερα = hèmera (dag) Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) Lat : dies Hebreeuws : יוֹם = jôm (dag) Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) Latijn : dies (dag) diurnus (dagelijks)
  5. דָג / דָגָה = dâg / dâgâh (vis) Taalgebruik in Tenakh : dâg / dâgâh (vis) Lc 5,2
  6. δαιμονιον = daimonion (demon) Taalgebruik in het NT : daimonion (demon)
  7. δαιμονιζομαι = daimonizomai (bezeten zijn) Taalgebruik in het NT : daimonizomai (bezeten zijn)
    1. acc mann enk δαιμονιζομενον = daimonizomenon (een demon wordende) Mc 5,15
    2. nom mann mv δαιμονιζομενοι = daimonizomenoi (een demon wordende) Mc 8,28
  8. דָלָה = dâlâh (putten, scheppen; piël : redden, bevrijden) Taalgebruik in Tenakh : dâlâh (putten, scheppen; piël : redden, bevrijden)
    1. werkwoordvorm act imperat 2de pers vr enk דְלִי = dëlî (schep) OF zelfst naamw דְלִי = dëlî (emmer)
  9. דָם = dâm (bloed, bloedschuld) Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) Ex 24,8 Lc 22,20
    1. דַם הַבְּרִית = dam habbërîth (bloed van het verbond)
    2. הַדָּם = haddâm (het bloed) Ex 24,8
      1. אֶת הַדָּם= ´èth haddâm (het bloed) Ex 24,8
    3. בְדָמִי = bëdâmî (met mijn bloed) < prefix bë + zelfst naamw + + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk Lc 22,20
    4. stat construct mann mv דְמֵי = dëme(j) (bloed van)
  10. Damaskos (Damascus) , zie Hnd 9,2
  11. δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) Taalgebruik in het NT : damazô (temmen, bedwingen, overweldigen)
    1. act inf aor δαμασαι = damasai (om te bedwingen) Mc 5,4
  12. Ned : dan D : dann E : then Fr : alors Grieks : τοτε = tote (dan) (< to - de : dat echter ; dan , daarop) Taalgebruik in het NT : tote (dan) Lat : tunc
  13. dânijje´l (Daniël) Taalgebruik in Tenach : dânijje´l (Daniël) Taalgebruik in Amos : dânijje´l (Daniël) Getalwaarde : daleth = 4 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , aleph = 1 , lameth = 12 of 30 ; totaal : 41 OF 95 (5 X 19) Gr danièl (Daniël) Taalgebruik in de Septuaginta : dânijje´l (Daniël) Taalgebruik in het NT : dânijje´l (Daniël) δε = de (echter) , afkorting δ' = d' Taalgebruik in het NT : de (echter) Lc 9,11 Lc 18,29
  14. דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) Taalgebruik in Tenakh : dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen)
    1. act hifil imperf jussief 3de pers vr enk תַּדְשֵׁא = thadësje´ (dat zij gewas voortbrenge) Gn 1,11
  15. דַק = daq (dun, mager, fijn, zacht) Taalgebruik in Tenakh : daq (dun, mager, fijn, zacht)
  16. דָקַק = dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil : vergruizen, fijn maken) Taalgebruik in Tenakh : dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil : vergruizen, fijn maken)
  17. דָּוִד = dâwid (David) Taalgebruik in Tenakh : dâwid (David) Lc 1,27
  18. δαυιδ = dauid (David) Taalgebruik in het NT : dauid (David) Lc 1,27
  19. Ned : dauw Arabisch : ظَل = tal (dauw) Taalgebruik in de Qoran : tal (dauw) D : der Tau E : dew Fr : la rosèe Grieks : δροσος = drosos (dauw) Hebreeuws : טַל = tal (dauw) Taalgebruik in Tenakh : tal (dauw) Lat : ros (dauw) , zie rorare (dauwen) , zie Js 45,8 : rorate caeli desuper (dauwt hemelen van boven)
  20. Nederl : bepaald lidwoord de / het Arabisch : bepaald lidw اَل = ´al (de) Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) D : der , die , das enz E : the Fr : le , la enz (< lat aanwijz voornaamwoord il-lum , il-lam) Gr ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord Hebreeuws : הַ = ha (de, het) Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het)
  21. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' Taalgebruik in het NT : de (echter) Mc 1,45 Lc 5,1 Lc 8,22 Lc 9,11 Lc 15,1 Lc 15,27 Lc 17,1 Lc 18,9 Lc 24,2
    1. δε ειπεν = de eipen (hij echter zei) Lc 15,27 Lc 18,41
      1. δε ειπεν αυτῳ = de eipen autô(i) (hij echter zei hem) Lc 15,27
    2. δε () εν = de en (echter in / tijdens) Lc 18,35
      1. δε εν τῳ = de en tô(i) (echter in de/ tijdens de) Lc 18,35
    3. δε ὁ = de ho (echter de) Mc 10,52 Lc 18,40
    4. δε και = echter ook Lc 18,9
    5. δε προς = de pros (echter naar) Lc 17,22
    6. δε τας = de tas (echter de) Lc 21,37
      1. τας δε = tas de (de echter / en de) Lc 21,37
  22. de (echter) de (echter) , zie Joh 1,1 - de (echter) , zie Lc 1,2 de (echter) , zie Mt 1,2 Zie Hnd 13,6
  23. דֶבֶר = dèbhèr (pest) Taalgebruik in Tenakh : dèbhèr (pest)
  24. dechomai (ontvangen) , zie Mt 10,40
  25. δεησις = deèsis (gebed, vraag) Taalgebruik in het NT : deèsis (gebed, vraag)
    1. dat vr enk δεησει = deèsei Fil 1,4
    2. acc vr enk δεησιν = deèsin Fil 1,4
  26. deiknuô (tonen) , zie Mt 16,21
  27. δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) Zie het werkw δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden) Taalgebruik in het NT : dechomai (ontvangen)
    1. nom mann enk δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) Lc 17,1
    2. acc mann enk δεκτον = dekton Lc 4,19
  28. δειλος = deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) Taalgebruik in het NT : deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf)
    1. nom mann mv δειλοι = deiloi (kleingelovigen)
  29. דְמוּת = dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte) Taalgebruik in Tenakh : dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte)
    1. בְּצַלְמֵנוּ = bëtsalëmenû (met ons beeld) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 1ste pers mv Gn 1,26
  30. δεω = deô (binden, boeien, ketenen) Taalgebruik in het NT : deô (binden, boeien, ketenen)
    1. act inf aor δησαι = dèsai (om te binden)
  31. δει (= dei: het moet); wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten). deô (moeten) , zie Mt 16,21
    - Derbè (Derbe) , zie Hnd 14,6
  32. Ned : derde D : tritte Fr : troisième E third Gr : τριτος = tritos Hebreeuws : שׁלשׁ = sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie) Taalgebruik in Tenakh : sjâlosj / sjâ.lôsj / sjëlosj (drie) Lat : tertius
  33. דֶרֶך = dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) Taalgebruik in Tenakh : dèrèkh (weg, wijze, levenswijze)
    1. בַדֶרֶך = badèrèch (op de weg) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Dt 6,7
  34. derô (slaan) , zie Lc 22,63
    - δαρήσεσθε (= darèsesthe: jullie zullen mishandeld worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw derô: villen, mishandelen)
  35. דְרוֹר = dërôr 1 (vrijheid, vrijlating) 2 zwaluw 3 vanzelf vloeiende myrrhe Taalgebruik in Tenakh : dërôr (vrijheid, vrijlating) Lv 25,10
  36. דֶּשֶׁא = dèsjè´ (gewas, jong groen, gras) Zie het werkw דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) Gn 1,11
  37. Ned : deur Arabisch : باب (bab) Hebreeuws : דָלֶת = dalèth (de letter daleth; dèlèth = deur) Taalgebruik in Tenakh : dalèth (deur)
  38. δεξιος = dexios (rechts) Taalgebruik in het NT : dexios (rechts)
    1. gen mv δεξιων = dexiôn Hnd 2,25
  39. δια = dia (door, omwille van, na) Taalgebruik in NT : dia (door) Mc 3,9 Lc 5,30 Kol 2,19
    1. δια τον = dia ton (omwille van de) Mc 3,9
  40. διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) Taalgebruik in de Septuaginta : diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) Gn 1,4
    1. act ind aor 3de pers enk διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) Gn 1,4
      1. διεχωρισεν ὁ θεος = diechôrisen ho theos (God maakte een scheiding) Gn 1,4
  41. διαγογγυζω = diagogguzô (brommen, morren) Lc 15,2 Lc 19,7
    1. act ind imperf 3de pers mv διεγογγυζον = diegogguzon (zij morden) Lc 15,2
  42. diaireô (uiteennemen, verdelen), zie Lc 15,12
  43. διακονεω = diakoneô (dienen, dienaar zijn) Taalgebruik in het NT : diakoneô (dienen, dienaar zijn)
    1. act ind imperf 3de pers enk διηκονει = dièkonei (zij bediende)
  44. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) Taalgebruik in het NT : diaperaô (doortrekken, oversteken)
    1. act ind aor 3de pers enk διεπερασεν = dieperasen (hij stak over) Mt 9,1
    2. act part aor gen mann enk διαπερασαντος = diaperasantos (nadat hij overstak) Mc 5,21
    3. act part aor nom mann mv διαπερασαντες = diaperasantes (overgestoken) Mc 6,53
      - διαπεράσαντες (= diaperasantes: overgestoken; wkw part aor nom mann mv van het wkw δια-περα-ω = dia-pera-ô: 'over-en doorheen', oversteken; zie oever)
  45. διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) Taalgebruik in het NT : diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen)
    1. ind imperf 3de pers enk διεπορευετο = dieporeueto (hij trok door) Lc 13,22
    2. part praes gen mann en onz enk διαπορευομενου = diaporeuomenou Lc 18,36
  46. διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) Taalgebruik in het NT : diarrègnumi (doorbreken, doorklieven , doen barsten, verscheuren)
    1. act ind aor 3de pers enk διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) Mc 14,63
    2. act part aor nom mann enk διαρρηξας = diarrèksas (verscheurd) Mc 14,63
  47. διασκορπιζω = diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten) Taalgebruik in het NT : diaskorpizô (uiteenwerpen, verkwisten)
    1. act ind aor 3de pers enk διεσκορπισεν = dieskorpisen (hij verkwistte, verstrooide) Dt 30,3 Lc 15,13
  48. διασπαω = diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) Taalgebruik in het NT : diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken)
    1. passief inf perf διεσπασθαι = diespasthai (om los te rukken) Mc 5,4
  49. diaspeirô (verspreiden, verstrooien) , zie Hnd 8,1
  50. διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) Taalgebruik in het NT : diastellomai (bevelen)
    1. mediaal aor 3de pers enk διεστειλατο = diesteilato (hij beval) Mc 5,43
      1. διεστειλατο αυτοις = diesteilato autois (hij beval hen) Mc 5,43
        1. και διεστειλατο αυτοις = kai diesteilato autois (en hij beval hen) Mc 5,43
          1. και διεστειλατο αυτοις πολλα = kai diesteilato autois polla (en hij beval hen vele dingen) Mc 5,43
  51. διαθηκη = diathèkè (verbond) Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) Lc 22,20
    1. gen vr enk διαθηκης = diathèkès Lc 1,72
  52. - diatribô (stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen) , zie Hnd 14,28
  53. διδαχη = didachè (lering, onderrichting)   Taalgebruik in het NT : didachè (lering, onderrichting) Mc 1,22
    1. nom vr enk διδαχη = didachè (lering, onderrichting)   Mc 1,27
    2. τῃ διδαχῃ = tè(i) didachè(i) (de lering, de onderrichting) Mc 1,22
      1. εν τῃ διδαχῃ = en tè(i) didachè(i) (in / tijdens de leer) Mc 1,22
      2. επι τῃ διδαχῃ = epi tè(i) didachè(i) (over de leer) Mc 1,22
  54. διδασκαλος = didaskalos (leraar , leermeester) Taalgebruik in het NT : didaskalos (leraar , leermeester)
    1. voc mann enk διδασκαλε = didaskale (leermeester)
  55. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) Lc 5,3
    1. act ind imperf 3de pers enk εδιδασκεν = edidasken (en hij onderrichtte) Lc 5,3
    2. act part praes nom mann enk διδασκων = didaskôn (onderrichtend) Lc 21,37
      1. διδασκων αυτους = didaskôn autous (hen onderrichtend) Mc 1,22
      2. διδασκων εν = didaskôn en (onderrichtend in) Lc 21,37
        1. εν τῳ ἱερῳ διδασκων = en tôi hierôi didaskôn (in de tempel onderrichtend) Lc 21,37
        2. διδασκων εν τῳ ἱερῳ = didaskôn en tô(i) hierô(i) (onderrichtend in de tempel) Lc 21,37
        3. διδασκων εν ταις συναγογαις = didaskôn en tais sunagogais (onderrichtend in de synagogen) Lc 21,37
        4. διδασκων εν μιᾳ των συναγωγων = didaskôn en mia(i) tôn sunagôgôn (onderrichtend in één van de synagogen) Lc 21,37
    3. actief inf praes διδασκειν = didaskein (onderrichten) Mc 4,1 Hnd 1,1
      1. ηρξατο διδασκειν = èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) Mc 4,1 Hnd 1,1
  56. διδωμι = didômi (geven) Taalgebruik in het NT : didômi (geven)
    1. act ind fut 1ste pers enk δωσω = dôsô ( ik zal geven)
      1. δωσω ὑμιν = dôsô humin (ik zal geven aan jullie) Mc 6,22
    2. act ind aor 3de pers enk εδωκεν = edôken (hij gaf) Mt 10,1
      1. εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) Mt 10,1
        1. εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen macht) Mt 10,1
      2. ἔδωκεν αὐτῷ ὁ θεὸς = edôken autô(i) ho theos (God gaf hem) PJ 1,3
    3. act imperat aor 2de pers enk δος = dos (geef) Lc 15,12 2 K 4,42
    4. act imperat aor 2de pers mv δοτε = dote (geeft) Mc 6,37 Lc 15,22
      1. δοτε αυτοις = dote autois (geeft aan hen) Mc 6,37
    5. act inf aor δουναι = dounai (om te geven) Lc 1,73
    6. pass ind fut 3de pers enk δοθησεται = dothèsetai (er zal gegeven worden) Mc 6,22
      1. δοθησεται αυτῳ = dothèsetai autô(i) (er zal gegeven worden aan hem) Mc 6,22
    7. δοθῇ (= dothè: hij zou geven; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave)
    8. pass inf aor δοθηναι = dothènai (om gegeven te worden) Mc 5,43
    9. pass part aor nom vr enk δοθεισα = dotheisa (gegeven werd) Mc 6,2
      1. δοθεισα αυτῳ = dotheisa autô(i) (gegeven werd aan hem)
  57. διεγειρω = diegeirô (opwekken) Taalgebruik in het NT : diegeirô (opwekken)
    1. act ind praes 3de pers mv διεγειρουσιν = diegeirousin (zij wekken) Mc 4,38
    2. act ind aor 3de pers mv διηγειραν = diègeiran (zij wekten)
    3. pass part aor nom mann enk διεγερθεις = diegertheis (gewekt) Mc 4,39
  58. διηγεομαι = diègèomai (uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen) Zie : διηγησις = diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) Taalgebruik in de bijbel : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal)
    1. ind aor 3de pers mv διηγησονται = diègèsanto (zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16
      1. και διηγησονται = kai diègèsanto (en zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16
        1. και διηγησονται αυτοις = kai diègèsanto autois (en zij zetten hen uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16
  59. Ned : dier Hebreeuws : חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) Stat constr חַיַת = chajath Taalgebruik in Tenakh : châjâh (leven)
  60. διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) Lc 8,22
    1. ind imperf 3de pers enk διηρχετο = dièrcheto (hij ging doorheen) Lc 19,1
    2. conjunct aor 1ste pers mv διελθωμεν = dielthômen (laten we doorheengaan) Lc 8,22
  61. Latijn : dies (dag) Ex 20,9
    1. dat + abl vr mv diebus Ex 20,9
  62. διιστημι = diistèmi (uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen, afzonderen, scheiden, tussenin (dia) staan) Taalgebruik in Lc : diistèmi : uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen Lc 24,51
    1. act ind aor 3de pers enk διεστη = diestè (hij verwijderde zich - distantie - hij distantieerde zich van hen - hij nam afstand van hen) Ex 15,8 Lc 24,51
  63. δικαιος = dikaios (rechtvaardig) Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig)
    1. nom mann enk δικαιος = dikaios (rechtvaardig) Lc 2,25
      1. ὁ ανθρωπος οὑτος δικαιος = ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) Lc 2,25
    2. nom mann mv δικαιοι = dikaioi (rechtvaardigen) Lc 18,9
    3. acc mann mv δικαιους = dikaious Lc 15,7
  64. δικαιοσυνη = dikaiosunè (rechtvaardigheid) Zie het bijvoegl naamw δικαιος = dikaios (rechtvaardig) Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) acc vr enk δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) Gn 15,6
    1. acc vr enk δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) Ex 34,7
  65. - - dikaios (rechtvaardig) , Mt 3,15
  66. δικτυον = diktuon (vissersnet) Taalgebruik in het NT : diktuon (vissersnet) Lc 5,2
    1. nom onz mv δικτυα = diktua Lc 5,2
  67. Latijn : diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen)
    1. act ind praes 2de pers enk diligis (jij bemint, hebt lief , kiest uit , verkiest) Dt 6,5
    2. act ind futurum 2de pers enk diliges (jij bemint) Dt 6,5
  68. act qal ind perfect 3de pers mann enk דָן = dân (hij sprak recht) van het werkw דִּין / דוּן= dîn / dûn (recht spreken)
  69. nom mann enk διωγμος = diôgmos (vervolging) Taalgebruik in het NT : diôgmos (vervolging)
    1. gen mann enk διωγμου = diôgmou (van de vervolging) Mc 4,17
    2. Een vorm van θλιψις = thlipsis (verdrukking) en διωγμος = diôgmos (vervolging) komt samen voor Mc 4,17
  70. Ned : dochter Arabisch : ابنة = 'ibna D : Tochter E : daughter Fr : la fille Grieks : θυγατηρ = thugatèr (dochter) Hebreeuws : בַת = bath (dochter) Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) Lat : filia
  71. דוֹד = dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader) Taalgebruik in Tenakh : dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader)
    1. דוֹדָה = dôdâh (geliefde, vriendin, tante: zus of schoonzus van vader)
  72. δωδεκα = dôdeka (twaalf) Taalgebruik in het NT : dôdeka (twaalf) Lc 9,12 PJ 1,1
    1. οἱ δωδεκα = hoi dôdeka (de twaalf) Lc 9,12
    2. τῶν δώδεκα (de twaalf) PJ 1,1
    3. συν τοις δωδεκα = sun tois dôdeka (met de twaalf) Mc 4,10
  73. dôdeka (twaalf) , zie Mt 28,16
  74. Ned : doen Arabisch : عَمَلَ = `amala (werken) Taalgebruik in de Qoran : `amala (werken) D : tun E : do Fr : faire Grieks : ποιεω = poieô (doen, maken) Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) Hebreeuws : עָשָׂה = `âshâh (maken, doen) Taalgebruik in Tenakh : `âshâh (maken) Lat : facere
    - dogma (bevel, decreet) , zie Lc 2,1
  75. δοκεω = dokeô (menen, schijnen) Taalgebruik in de bijbel : dokeô (menen, schijnen)
    1. act ind aor 3de pers mv εδοξαν = edoksan (zij meenden) Mc 6,49
  76. Ned: doof D : Taub E : deaf Fr : sourd Lat : surdus (t / d; f / b)
  77. doulos (dienaar)
  78. nom vr enk δοξα = doxa (heerlijkheid) Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) Lc 2,9
  79. δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) Taalgebruik in het NT : doxazô (verheerlijken)
    1. act ind imperf 3de pers enk εδοξαζεν = edoxazen (hij / zij verheerlijkte) Lc 23,47
    2. act ind imperf 3de pers mv εδοξαζον = edoxazon (zij verheerlijkten) Lc 5,26
    3. act ind aor 3de pers mv εδοξασαν = edoxasan (zij verheerlijkten) Lc 5,26
    4. act part praes nom mann enk δοξαζων = doxazôn (verheerlijkend, lovend) Lc 18,43
    5. act part praes nom mann mv δοξαζοντες = doxazontes (verheerlijkend) Lc 2,20
    6. pass part praes nom mann enk δοξαζομενος = doxazomenos (worden verheerlijkt / geloofd) Lc 4,15
  80. Ned : passeren = door-gaan D : passieren = duch-gehen E : go through Fr : passer Grieks : διερχομαι = dierchomai (doorheen gaan) Taalgebruik in het NT : dierchomai (doorheen gaan) Hebreeuws : עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Italiaans : passare Latijn : passare Spaans : pasar
  81. Ned : do- p-en (zie het Hebreeuws tâbal) , doop-s-el , do-m-pe-l- en D : taufen E : baptize Fr : bapt- ê - me Grieks : βαπτιζω = baptizô (dopen) (metathesis van t-b?) Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) Hebreeuws : טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) Taalgebruik in Tenakh : tâbhal (dopen, zich dompelen) Latijn : baptizare
  82. דֹר / דוֹר = dor / dôr (geslacht, generatie) Taalgebruik in Tenakh : dor (geslacht, generatie)
  83. Ned : dragen D : tragen Lat : trahere (trekken) Van Dale (EWB 1993 :"De betekenis heeft zich ontwikkeld van lmasten voorttrekken via opladen tot dragen")
  84. Ned : duisternis Arabisch : ظلام = DHalâm (duisternis) Taalgebruik in de Qoran : DHalâm (duisternis) D : Finsternis E : darkness Fr : ténèbres Grieks : σκοτος = skotos (duisternis) Taalgebruik in het NT : skotos (duisternis) Hebreeuws : חֹשֶׁך = chosjèkh (duisternis) Taalgebruik in Tenakh : chosjèkh (duisternis) Lat : tenebrae
  85. Ned : duizend Arabisch : اَلف = ´alph (duizend) Taalgebruik : ´alph (duizend) D : tausend E : thousand Fr : mille Gr : χιλια = chilia (duizend) Lat : mille Hebr : אֶלֶף = ´èlèph (duizend) Taalgebruik in Tenakh : ´aleph (aleph)
  86. δυναμαι = dunamai (kunnen) Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen)
    1. ind praes 3de pers enk δυναται = dunatai (hij kan) Lc 14,26
    2. dep of pass ind praes 2de pers enk δυνασαι = dunasai (jij kunt) Mc 1,40
    3. ind imperf 3de pers enk εδυνατο = edunato (hij kon) Mc 5,3
      1. ουδεις εδυνατο = oudeis edunato (niemand kon) Mc 5,3
    4. inf praes δυνασθαι = dunasthai (te kunnen) Mc 3,20
  87. - dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1
  88. δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) Taalgebruik in het NT : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan)
    1. act part praes gen mann enk δυνοντος = dunontos Lc 4,40
    2. act ind aor 3de pers mann enk εδυ / εδυσεν = edu (hij ging onder) Mc 1,32
  89. δυο = duo (twee) Telwoord Taalgebruik in het NT : telwoorden Lc 5,2
  90. דושׁ = dwsj (treden, dorsen, verteren) Taalgebruik in Tenakh : dwsj (treden, dorsen, verteren)
    1. act qal perf 3de pers vr enk דָשָׁה = dâsjâh (zij dorst)

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


E
  1. ֵ : twee punten onder de regel duidt de צֵרֵי = tsere(j) (tsere) = e aan Het is een tussenklinker , een klinker tussen de lange i (chireq) en de korte i (chireq) evenals de korte è (sëgôl) Bij deze klinker e kan de medeklinker jod een leesmoeder zijn
  2. אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord : waar ?
  3. εαν = ean (indien) Taalgebruik in het NT : ean (indien) Mc 9,50 Lc 15,8
    1. εαν θελῃς = ean thelè(i)s (indien je wil) Mc 6,22
    2. ὁ εαν = ho ean (wat indien) Mc 6,22
    3. ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) Mc 6,22
  4. אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) Zie אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) Taalgebruik in Tenakh : 'âjabh (vijandig zijn)
    1. וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst naamw vr enk Gn 3,15
  5. עֶבֶד = `èbhèd (dienaar, knecht) Taalgebruik in Tenakh : `èbhèd (dienaar)
    1. עֶבֶד יהוה = `èbhèd JHWH (dienaar van JHWH, knecht van JHWH) Dt 34,5
    2. mann mv עֲבָדִים = `äbhâdîm (dienaars, slaven) Ex 20,2
  6. - `èbhèd (dienaar) , zie Ps 113,1
  7. mw אֶבֶן = ´èbhèn (steen) Taalgebruik in Tenakh : ´èbhèn (steen) Gn 29,10
    1. הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn 29,3
      1. אֶת הָאֶבֶן = ´èth hâ´èbhèn (de steen) Gn 29,3
        1. וְגָלֲלוּ אֶת הָאֶבֶן = wëgâlälû ´èth hâ´èbhèn (en zij rolden de steen) Gn 29,3
  8. עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) Lc 8,22
    1. הָעֵבֶר = hâ`ebhèr (de overzijde, de overkant) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw עֵבֶר `ebhèr (overzijde, overkant) Lc 8,22
    2. אֶל אֵבֶר = ´l `ebhèr (naar de overzijde, overkant) Mc 5,1
      1. אֶל אֵבֶר הַּיָּם= ´l `ebhèr hajjâm (naar de overzijde van de zee, overkant) Mc 5,1
  9. ´èbhjôn (behoeftig) Taalgebruik in Tenach : ´èbhjôn (behoeftig)
  10. אֶחָד = ´èchâd (één) Taalgebruik in Tenakh : ´èchâd (één) Dt 6,4 Lc 8,22
    1. בְּאֶחָד / בְּאַחַד = bë´èchâd / bë´achad (op één , op de eerste) < bë + hoofdtelwoord אֶחָד = ´èchâd (één) Lc 8,22
  11. εχω = echô (hebben, bezitten) Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT
    1. act ind praes 3de peres enk εχει = echei (hij heeft) Mc 3,30
    2. act ind praes 2de pers mv εχετε = echete (jullie hebben) Mc 4,40
    3. act ind imperf 3de pers enk ειχεν = eichen (hij had) Lc 15,11
    4. act ind imperf 3de pers mv ειχον = eichon (zij hadden) Mc 3,10
    5. act inf praes εχειν = echein (om te hebben) Mc 3,15
    6. part praes nom mann enk εχων = echôn (hebbende) Lc 15,4
  12. εχθρα = echthra (vijandschap) Zie : εχθρος = echthros (vijand) Taalgebruik in het NT : echthros (vijand)
    1. acc vr enk εχθραν = echthran Gn 3,15
  13. εχθρος = echthros (vijand) Taalgebruik in het NT : echthros (vijand)
    1. gen mann mv εχθρων = echthrôn (van de vijanden) Lc 1,74
  14. ηδη = èdè (reeds) Taalgebruik in het NT : èdè (reeds) Mc 15,42
    1. και ηδη = kai èdè (en reeds) Mc 15,42
    2. ηδη δε = èdè de (reeds echter) Mc 15,42
  15. עֵדֶר = `edèr (kudde) Taalgebruik in Tenakh : `edèr (kudde)
  16. אֶדוֹם = ´ëdôm (Edom, rood) Taalgebruik in Tenakh : ´ëdôm (Edom) Gn 32,4
  17. Ned : eend Lat : anas , anatis Fr : canard In het hiëroglyfisch geeft de eend (dafila acuta) de klankwaarde s' (zoon) aan
  18. εφιστημι = efistèmi (staan bij) Taalgebruik in het NT : efistèmi (staan bij) Lc 2,9
    1. act ind aor 3de pers enk επεστη = epestè (hij stond bij) Lc 2,9
  19. εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) Taalgebruik in het NT : eforaô (kijken op, neerkijken) Lc 1,25
    1. επειδεν = epeiden ( hij keek neer ) < voorzetsel ep' + act ind aor 3de pers enk Lc 1,25
  20. אִפְרָיֶם = ´èphërajim (Efraïm) Taalgebruik in Tenakh : ´èphëraîm (Efraïm) Gn 48,20
  21. אֶפְרָתָה = ´èphërâthâh (Efrata) Taalgebruik in Tenakh : ´èphërâthâh (Efrata) Gn 48,7
    - ´èphès (uiteinde) , zie Mi 5,3
  22. εγειρω = egeirô (opwekken) Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken)
    1. act ind praes 3de pers mv εγειρουσιν = egeirousin (zij wekken) Mc 4,38
    2. act imperat 2de pers enk εγειρε = egeire (sta op) Mc 2,9
    3. act ind aor 3de pers enk ηγειρεν = ègeiren (hij wekte op) Lc 1,69
      1. ηγειρεν εκ νεκρων = ègeiren ek nekrôn ( Hij wekte op uit de doden ) 1 Tes 1,10
      2. και ηγειρεν = kai ègeiren (en hij wekte op) Lc 1,69
    4. act ind aor 3de pers mv ηγειραν = ègeiran (zij wekten) Mt 8,25
    5. pass ind fut 3de pers enk εγερθησεται = egerthèsetai (hij zal opgewekt worden) Mc 13,22
      1. εγερθησεται γαρ = egerthèsetai gar (hij zal immers opgewekt worden) Mc 13,22
    6. pass ind aor 3de pers enk ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) Mc 16,6
      1. ηγερθη εκ νεκρων = ègerthè ek vekrôn (hij werd uit de doden opgewekt) Mc 6,14
      2. εκ νεκρων ηγερθη = ek vekrôn ègerthè (hij werd uit de doden opgewekt) Mc 6,14
    7. pass ind fut 3de pers mv εγερθησονται = egerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) Mc 13,22
    8. εγερθησεται (= egerthèsetai:: hij zal opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken)
      1. pass ind fut 3de pers mv επεγερθησονται = epegerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) Mc 13,22
    9. pass ind perf 3de pers enk εγηγερται = egègertai (hij is opgewekt) Mc 6,14
    10. passief infinitief aorist εγερθηναι = egerthènai (opgewekt zijn) Mc 14,28
    11. passief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud εγερθεις = egertheis (ontwaakt, gewekt) Mt 8,26
  23. עֶגֶל = `egèl (kalf) Taalgebruik in Tenakh : `egèl (kalf)
    1. dualis אֶגְלַיִמ = ´ègëlajim (de 2 kalveren)
    2. עֵגְלוֹן =´ègëlôn (Eglon)
    3. mann mv stat constr עֶגְלֵי = ´ègële(j) (kalveren van)
  24. εγγιζω = eggizô (naderen) Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen)
    1. act ind praes 3de pers enk εγγιζει = eggizei (hij nadert) Lc 12,33
    2. act ind fut 3de pers enk εγγιει = eggiei (hij zal naderbij komen) Ex 24,2
    3. act ind aor 3de pers mv ηγγισαν = èggisan (zij naderden) Lc 15,1
    4. act part praes nom mann en vr mv εγγιζοντες = eggizontes (naderend) Lc 15,1
  25. - eggus (naderbij) Bij Matteüs, zie Mt 21,1
  26. εγω = egô (ik - mij) Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord Mc 1,8
    1. pers voornaamw 1ste pers gen mann enk μου = mou (van mij) Mc 1,2 Lc 15,24
    2. gen mann enk 1ste pers enk εμου = emou (van mij) Lc 15,31
    3. persoonl voornaamw 1ste pers dat enk εμοι = emoi Lc 4,6 Lc 15,29
    4. persoonl voornaamw 1ste pers enk dat μοι = moi (aan mij) Mc 5,9
    5. pers voornaamw 1ste pers acc enk με = me (mij) Mc 14,28
    6. acc enk persoonl voornaamw 1ste pers enk εμε = eme (mij) Lc 4,18
    7. pers voornaamw 2de pers acc enk σε = se (u) Mc 5,7
    8. persoonl voornaamw acc mann mv υμας = humas (jullie, u) Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord Mc 14,28
  27. egô (ik) egô (ik) 123X bij Johannes
  28. Latijn : egredi (uitschrijden)
    1. act part aor nom mann enk egressus (uitgeschreden) Mc 2,13
  29. Ned : Egypte Arabisch : مِصْرُ = misr (Egypte) Taalgebruik in de Qoran : misr (Egypte) Aramees : מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) D : Ägypten E : Egypt Fr : Égypte Grieks : αιγυπτος Hebreeuws : מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) Latijn Aegyptus
  30. ει = ei (indien)
    1. ει τις = ei tis (indien iemand) Lc 14,26
      1. ει τις ερχεται προς = ei tis erchetai pros (indien iemand komt naar) Lc 14,26
  31. ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag).
    1. act ind aor 3de pers enk ειδεν = eiden (hij zag) Mc 2,14 Lc 5,2
      1. ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee) Lc 5,2
      2. ειδεν δε = eiden de (hij zag echter) Lc 21,2
      3. και ειδεν = kai eiden de (en hij zag) Lc 21,2
        1. -
          1. ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee)
      4. δε ειδεν = de eiden (echter hij zag) Lc 21,1
    2. ιδε (= ide: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id)
    3. ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
    4. inf aor ιδειν = idein (zien) Mc 5,32
    5. act part aor nom mann enk ιδων = idôn (gezien) Lc 17,14
      1. ιδων δε = idôn de (gezien echter) Mc 9,25
        1. ιδων δε ὁ ιησους = idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) Mc 9,25
        2. ιδων δε τον ιησουν = idôn de ton ièsoun (gezien echter Jezus) Mc 5,6
      2. και ιδων = kai idôn (en ziende) Mc 2,5
        1. και ὁ ιησους ιδων = kai ho ièsous idôn (en Jezus gezien) Mc 5,6
        2. και ιδων αυτον = kai idôn auton (en hem ziende) Mc 5,22
      3. ιδων αυτον = idôn auton (hem ziende) Mc 5,22
    6. act part aor nom mann mv ιδοντες = idontes (gezien) Mt 8,34 Mt 9,11 Mc 5,16 Lc 19,7
      1. και ιδοντες = kai idontes (en gezien) Mt 8,34 Mt 9,11 Lc 19,7
      2. ιδοντες δε = idontes de (gezien echter) Mt 8,34 Mt 9,11 Lc 19,7
  32. εικων = eikôn (beeld) Taalgebruik in het NT : eikôn (beeld) Kol 1,15
    1. acc mann enk εικονα = eikona Gn 5,3
  33. Ned : eiland Arabisch : الجزيرة = aldzazîra (het eiland) D Insel : E : isle Fr : île Gr : νησος = nèsos (eiland) Taalgebruik in het NT : nèsos (eiland) Taalgebruik in de LXX : nèsos (eiland) Hebreeuws : אִי = ´î ( (î) (eiland) Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland)
  34. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) Lc 23,53
  35. ειμι = eimi (zijn) Taalgebruik in het NT : eimi (zijn)
    1. ειμι (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse)
    2. act ind pr 2de pers enk ει = ei van het werkw ειμι = eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde Taalgebruik in het NT : ei Mc 1,11
    3. act ind praes 3de pers enk εστιν = estin Mc 1,27 Mc 4,41 Lc 17,1 Lc 22,19 Kol 2,17
      1. τι εστιν = ti estin (wat is?) Mc 1,27
    4. act ind praes 1ste pers mv εσμεν = esmen (wij zijn) Mc 5,9
    5. εστε (= este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat: esse) Mc 4,40
    6. - ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2)
      - act ind imperf 3de pers enk ην = èn (hij / zij was) Gn 11,30 Mc 4,36 Mc 15,39 , Lc 21,37
      1. ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) Lc 1,7
      2. ην δε = èn de (hij was echter) Mc 1,39 Lc 21,37
        1. ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) Mc 1,23
      3. ην εν = èn en (hij was in) Mc 1,23
        1. και ην εν = kai èn en (en hij was in) Mc 1,23
      4. ην γαρ = èn gar (want hij / zij was) Mc 1,22
      5. και ην = kai èn (en hij was) Mc 1,23 Mc 1,39
        1. και ην εκει = kai èn ekei (en er was daar) Mc 1,23
        2. και ην εν = kai èn en (en hij was in) Mc 1,23
    7. act ind imperf 3de pers mv ησαν = èsan  (zij waren) Lc 15,1 Lc 24,10
      1. in een omschrijving Lc 15,1
      2. ησαν δε = èsan  de (zij waren echter) Lc 15,1
      3. και ησαν = kai èsan (en zij waren)
    8. ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is).
    9. ἔσεσθε (= esesthe: jullie zullen zijn; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is)
  36. - eimi (zijn) , zie Mc 1,6 ousès , zie Joh 20,19
    - einde - beëindigen zie teleö
    - eipèis (je zegge) In 2 verzen bij Matteüs, zie Mt 8,4
  37. ειρηνη = eirènè (vrede) Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede)
    1. nom vr enk ειρηνη = eirènè / dat vr enk ειρηνῃ = eirènè(i) (vrede) Lc 24,36 Ef 1,2
      1. ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) Lc 24,36
  38. εις = eis (naar) Taalgebruik in het NT : eis (naar) Mc 1,14 Mc 4,37 Lc 15,13 Lc 17,11 Lc 24,47
    1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) Lc 17,11
    2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc 17,11 Hnd 22,17
    3. εις πλοιον = eis ploion (in een boot) Lc 8,22
  39. εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) Lc 1,13
    1. pass ind aor 3de pers enk εισηκουσθη = eisèkousthè (er werd gehoord, hij werd verhoord) Lc 1,13
  40. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan)
    1. ind aor 3de pers enk εισηλθεν = eisèlthen (hij ging binnen) Lc 17,27
      1. και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) Ex 24,18 Mc 2,1
        1. και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis (en hij ging naar - binnen naar ) Mc 2,1
      2. εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) Ex 24,18 Mc 2,1
      3. εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) Mc 2,1 Lc 17,27
      4. ὁτε εισηλθεν = = hote eisèlthen (toen hij binnenging) Mc 7,17
    2. εἰσελθάτω (= eiselthatô: dat hij binnenga; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
    3. part aor nom mann enk εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) Mc 2,1
      1. και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) Ex 24,18 Mc 2,1
        1. και εισελθων εις = kai eiselthôn eis (en binnengegaan naar) Mc 2,1
      2. εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) Ex 24,18 Mc 2,1
        1. εισελθων δε εις = eiselthôn de eis (binnengegaan echter naar) Mc 2,1
      3. εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) Mc 2,1
      4. deponent werkw part aor gen mann enk εισελθοντος = eiselthontos (toen hij was binnengegaan) Mc 6,22
    4. -
      1. deponent werkw qal part aor gen vr enk εισελθουσης = eiselthousès (toen zij was binnengekomen) Mc 6,22
    5. part aor nom vr mv εισελθουσαι = eiselthousai (binnengegaan) Mc 16,5
  41. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) : Mc 2,12
    - eis tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt 4,12 In 5 verzen bij Matteüs : (1) Mt 4,12 (2) Mt 26,32 (3) Mt 28,7 (4) Mt 28,10 (5) Mt 28,16
    - eiseltön eis (binnengegaan in) 6X bij Marcus - eiserchomai (binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3 : Mt 4,1-11 - ekballô (buitenwerpen, buitengooien) bij Marcus, zie Mc 1,12 : Mc 1,12-13
    - eisporeuomai (zich op weg begeven) Taalgebruik in het NT : eisporeuomai (zich op weg begeven) Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) Taalgebruik in Mc : poreuomai (zich op weg begeven)
  42. εκ = ek of εξ = ex (uit) Taalgebruik in het NT : ek (uit) Mc 5,2 Lc 15,4
  43. εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen)  Taalgebruik in het NT : ekballô (uitwerpen, uitvallen)
    1. act part pr nom mann enk εκβαλλων = ekballôn (uitwerpend) Mc 1,39
    2. act ind aor 3de pers enk εξεβαλεν = exebalen (en hij gooide buiten) Gn 3,24
    3. act part aor nom mann enk εκβαλων = ekbalôn (uitgeworpen) Mc 1,39
  44. εκχεω = ekcheô / ekchunnô (gieten, vergieten) Taalgebruik in het NT : ekchunnô (gieten, vergieten) Lc 22,20
    1. pass part praes nom + acc onz enk εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) Lc 22,20
  45. εικηνος (die) Taalgebruik in het NT : ekeinos (die)
    1. nom + dat vr enk εκεινη / εκεινῃ = ekeikè(i) (die) Mc 4,35 Lc 2,1 Joh 20,1
  46. εκειθεν = ekeithen Taalgebruik in het NT : vanhier, vandaar Mc 6,1
    1. και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) Mc 7,24
  47. ekklèsia (kerk)
  48. εκπλησσομαιι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) Overlopen van Taalgebruik in het NT : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn)
    1. pass imperf 3de pers enk εξεπλησσeτο = exeplèsseto Mc 1,22
      1. εξεπλησσeτο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèsseto epi tè(i) didachè(i) autou (hij was buiten zichzelf over zijn leer)
    2. pass imperf 3de pers mv εξεπλησσοντο = exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf) Mc 1,22
      1. και εξεπλησσοντο = kai exeplèssonto (en zij waren buiten zichzelf) Mc 1,22
        1. και εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = kai exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (en zij waren buiten zichzelf over zijn leer) Mc 1,22
      2. εξεπλησσοντο επι = exeplèssonto epi (zij waren buiten zichzelf over) Mc 1,22
        1. εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (zij waren buiten zichzelf over zijn leer) Mc 1,22
  49. εκπνεω = ekpneô (uitademen, sterven) Taalgebruik in het NT : ekpneô (uitademen, sterven)
    1. act ind aor 3de pers enk εξεπνευσεν = exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) Mc 15,37
  50. εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen. Taalgebruik in het NT : ekporeuomai (zich op weg begeven uit)
    1. εξεπορευετο ( = exeporeueto: hij begaf zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw . Mc 1,5 .
    2. ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen.)
  51. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken)
    1. act imperat aor 2de pers enk εκτεινον = ekteinon (strek uit) Mc 3,5
  52. εκθαμβεομαι = ekthambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) Zie het werkw θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) Taalgebruik in het NT : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn)
    1. pass ind aor 3de pers mv εξεθαμβηθησαν = exethambèthèsan (zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen) Mc 16,5
  53. ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet) Taalgebruik in Tenakh : ´èl Gn 12,1 Ex 34,2
    1. אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) Voorvoegsel ´el + suffix bezittel voornaamw derde persoon mannelijk enkelvoud Gn 22,1
    2. אֵלֶיךָ = ´elè(j)khâ (tot u) < voorzetsel ´el (naar, tot) + suffix tweede persoon mannelijk enkelvoud Nu 6,25
  54. -
    1. אֵלִי = 'elî (mijn God) < het zelfst naamw ´el + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Zie : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God)
    2. אֵל שַׁדַּי = el sjaddaj (´el sjaddaj) Gn 17,1
      1. וְאֵל שַׁדַּי wë´el sjaddaj (en el sjaddaj) Gn 17,1
  55. ελαιον = elaion (olie) Taalgebruik in het NT : elaion (olie)
  56. ελαυνω = elaunô (varen, roeien) Taalgebruik in het NT : elaunô (varen, roeien) Mc 6,48
  57. Jouön 1965 , 88cb : een zelfst naamw met een oorspronkelijke a-klinker : qatl-vorm אֶלֶף = ´èlèph is ontstaan uit אַלף= ´alph stat constr mann mv : אַלְפֵי = ´alphe(j) Het is een zelfst naamw dat begint met een larynchaal / gutturaal
  58. ελεγχω = elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) Taalgebruik in het NT : elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen)
    1. act imperat aor 2de pers enk ελεγξον = elegkson (wijs terecht) Mt 18,15
  59. elevare (uit-lichten, oplichten, opheffen) Zie rûm (zich verheffen, opstaan) Taalgebruik in Tenach : rûm (zich verheffen, opstaan)
    - elk, ieder, al , zie pas
  60. ελεεω = eleeô (medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) Taalgebruik in het NT : eleeô (medelijden hebben)
    1. act imperat aor 2de pers enk ελεησον = eleèson (ontferm je over) Lc 17,13
  61. ελεημοσυνη = eleèmosunè (barmhartigheid)
    1. acc vr enk ελεημοσυνην = eleèmosunèn Lc 1,72
  62. ελεος = eleos (barmhartigheid) Taalgebruik in het NT : eleos (barmhartigheid) Taalgebruik in de Septuaginta : eleos (barmhartigheid) Ex 20,6
    - eleutheria (vrijheid) , zie Gal 5,13
    - ´êlîsjä` (Elisa) , zie 1 K 19,19
  63. אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit) Taalgebruik in Tenakh : ´lh
    1. הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw ha + aanwijz voornaamw Gn 44,6
  64. ελισαβετ = elisabet (Elisabet) Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) Lc 1,5
  65. אֱלִישֶׁבַע = ´ëlîsjèbha` < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk אֵלִי = 'elî (mijn God) en misschien sjèbha < שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren) Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) Lc 1,5
  66. אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) Gn 8 ,1 Ex 20,1 Dt 6,14 Mc 1,1
    1. הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm (God) Gn 22,1
      1. אֶל הָאֱלֹהִים = ´èl hâ´èlohîm (tot God) Ex 19,3
    2. וְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < verbindingswoord wë + bepaald lidw ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) Gn 22,1
      1. אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) Ex 24,10
        1. אֵת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´eth ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) Ex 24,10
    3. אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat constr mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk Ex 20,2 Ex 20,5 Ex 20,7 Ex 20,10 Ex 20,12 Dt 6,13
      1. אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (jouw God, die) Ex 20,2 Ex 20,5
    4. אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´èlohîm ´ächerîm (andere goden) Ex 20,3 Dt 6,14
    5. אֱלֹהֵינוּ = ´è:lohe(j)nû (onze God) Dt 6,4
    6. אֱלֹהֶיכֶם = ´êlohe(j)khèm (jullie God) < stat constr mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann mv Dt 11,13
      1. אֶת יהוה אֱלֹהֶיכֶם = ´èth JHWH ´êlohe(j)khèm (JHWH, jullie God) Dt 11,13
    7. בֵּאלֹהֵי יִשְׁעִי = be´lohe(j)jisj`î ( in de god van mijn redder) Lc 1,47
  67. εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) Taalgebruik in het NT : embainô (inklimmen) Mc 5,18
    1. actief part praes gen mann enk εμβαινοντος = embainontos (terwijl hij instapt) Mc 5,18
      1. και εμβαιντος = embaintos (terwijl hij instapt) Mc 5,18
      2. εμβαινοντος αυτου = embainontos (terwijl hij instapt) Mc 5,18
    2. act ind aor 3de pers enk ενεβη = enebè (hij stapte in) Jon 1,3
      1. και ενεβη = kai enebè (en hij stapte in) Jon 1,3
      2. ενεβη εις = enebè eis (hij stapte in) Jon 1,3
    3. act part aor nom mann enk εμβας = embas (ingestapt) Lc 5,3
      1. εμβας εις = embas eis (ingestapt in) Lc 5,3
        1. εμβας δε εις = embas de eis (ingestapt echter in) Lc 5,3
      2. act part aor gen mann enk εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) Mc 5,18
        1. και εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) Mc 5,18
        2. εμβαντος αυτου = embantos (terwijl hij instapte) Mc 5,18
      3. actief part aor acc mann enk εμβαντα = embanta (inklimmende)
    4. act inf aor εμβηναι = embènai (om in te stappen) Mc 6,45
  68. εμφοβος = emfobos (bevreesd) Taalgebruik in het NT : emfobos (bevreesd)
    1. nom mann mv εμφοβοι = emfoboi (bevreesd) Lc 24,37
  69. - ´èlohîm (God) , zie Ps 42,2 Betekenis : (1)
    - èlthen (hij / zij kwam) 12X bij Marcus - èlthon (ik ben of zij zijn gegaan / gekomen) , zie Mt 8,14 In 8 verzen bij Matteüs : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b (2) Mt 7,25 (3) Mt 7,27 (4) Mt 9,13 (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b (6) Mt 10,35 (7) Mt 14,34 (8) Mt 21,1 Jezus en zijn leerlingen : (7) Mt 14,34 (8) Mt 21,1 Jezus als 1ste persoon enkelvoud: Jezus en zijn leerlingen : (1) Mt 5,17a en Mt 5,17b (4) Mt 9,13 (5) Mt 10,34a en Mt 10,34b (6) Mt 10,35 - elthôn (gegaan, gekomen), zie Mt 8,14 In 14 verzen bij Matteüs (1) Mt 2,8 (2) Mt 2,9 (3) Mt 2,23 (4) Mt 4,13 (5) Mt 5,24 (6) Mt 8,7 (7) Mt 8,14 (8) Mt 9,18 (9) Mt 9,23 (10) Mt 13,54 (11) Mt 16,13 (12) Mt 24,46 (13) Mt 25,27 (14) Mt 26,43 - elthontes (gegaan, gekomen) , zie Mt 8,14
  70. ´èmeth (waarheid, trouw) , zie Ps 111,5
    - empaizô (zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc 22,63
  71. εμπιμπλημι = empimplèmi (invullen, vervullen) Taalgebruik in het NT : empimplèmi (invullen, vervullen)
    1. act ind aor 3de pers enk ενεπλησεν = eneplèsen (hij vervulde, overlaadde)
  72. εμπροσθεν = emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) Taalgebruik in het NT : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) Lc 19,4
    - emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen , zie Js 50,6
  73. Ned : en Arabisch : وَ = wa (en) Taalgebruik in de Qoran : wa (en) E : and D : und Fr : et Grieks : και = kai (en) Taalgebruik : kai (en) in NT Hebr : וְ = wë (en) Lat : et
  74. εν = en (in, tijdens, met) Taalgebruik in het NT : en (in) Mc 1,2 Lc 1,5 Lc 5,1 Lc 8,22 Lc 15,25 Lc 17,6 Lc 18,35 Lc 21,6 Lc 24,4 1 Tes 1,1
    1. εν μιᾳ = en mia(i) (op één) Lc 8,22
      1. εν μιᾳ των = en mia(i) tôn (op één van) Lc 8,22
        1. εν μιᾳ των ἡμερων = en mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) Lc 8,22
        2. εν μιᾳ των συναγωγων = en mia(i) tôn sunagôgôn(op één van de sabbatten) Lc 13,10
    2. εν τῃ = en tè(i) Mc 1,23
    3. εν ταις = en tais (in ) Lc 1,5
      1. εν ταις ἡμεραις = en tais hèmerais (in de dagen) Lc 1,5
    4. εν τῳ = en tô(i) Lc 5,1 Lc 18,35
      1. εν δε τῳ = en de tôi + infinitief
  75. - en (in) en de tôi + infinitief , zie Mt 13,25
    - en (nevenschikkend voegwoord) zie kai
    - enanti (tegenover) Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover)
    - enantion (tegenover, in de ogen van) Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van)
  76. ενδεχομαι = endechomai (aanvaarden, aannemen, ontvangen) Lc 17,1
  77. ενδεχομενως = endechomenôs (aannemelijk, aanvaardbaar) Lc 17,1
    - enduô (aantrekken, bekleden) , zie Lc 24,49
  78. ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben) Taalgebruik in het NT : enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben)
    1. act ind aor 3de pers enk ενειχεν = eneichen (hij / zij had het gemunt op) Mc 6,19
  79. ενειλεω = eneileô (inwikkelen) Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) Lc 23,53
    1. act ind aor 3de pers enk ενειλησεν = eneilèsen (hij wikkelde in) Mc 15,46 Lc 23,53
  80. ενωπιον = enôpion (voor het aangezicht van) Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) Lc 24,43
    1. ενωπιον αυτου = enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) Lc 24,43
    2. ενωπιον αυτων = enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) Lc 24,43
  81. entellô (bevelen, opdragen, vragen) , zie Mt 28,20
  82. ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) Lc 23,53
  83. εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) Taalgebruik in de Bijbel : entulissô (inwikkelen) Lc 23,53
    1. act ind aor 3de pers mann enk ενετυλιξεν = enetulixen (hij wikkelde in) Mc 15,46 Lc 23,53
  84. ενυπνιαζω = enupniazô (indromen) Lc 8,23
  85. επαιρω = epairô (opheffen, verheffen) Taalgebruik in het NT : epairô (opheffen, verheffen)
    1. act ind aor 3de pers enk επηρεν = epèren (hij hief op) Lc 24,50
    2. act part aor nom mann enk επαρας = eparas (opgeheven) Gn 13,10 Lc 24,50
  86. επαναγω = epanagô (opvaren) Taalgebruik in het NT : epanagô (opvaren) Lc 5,3
    1. act imperat aor 2de pers enk επαναγαγε = epanagage Lc 5,4
    2. act inf aor επαναγαγειν = epanagagein Lc 5,3
  87. ἐπαναστήσονται (= epanastèsontai: zij zullen opstaan tegen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw επανιστημι = epanistèmi: weer oprichten; med: opstaan, opstaan tegen)
  88. epanô (bovenop 8X bij Matteüs)
  89. επαυριον = epaurion ('s anderendaags, de volgende dag) Taalgebruik in het NT : epaurion ('s anderendaags, de volgende dag)
    1. τῃ επαυριον = tè(i) epaurion ('s anderendaags) Joh 1,43
  90. επερχομαι = eperchomai (komen op) Taalgebruik in het NT : eperchomai (komen op) Lc 1,35
    1. ind fut 3de pers enk επελευσεται = epeleusetai (hij zal komen over) Lc 1,35
  91. επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô)
    1. επηρωτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) Mc 5,9
      1. και επηρωτα = kai epèrôta (en hij ondervroeg) Mc 5,9
      2. επηρωτα αυτον = epèrôta auton (hij vroeg hem uit) Mc 5,9
    2. act ind imperf 3de pers mv επηρωτων = epèrôtôn (zij vroegen op) Lc 22,64
    3. act ind aor 3de pers enk επηρωτησεν = epèrôtèsen (hij ondervroeg) Lc 18,40
      1. και επηρωτησεν = kai epèrôtèsen (en hij ondervroeg) Lc 18,18
      2. επηρωτησεν αυτον = epèrôtèsen auton (hij ondervroeg hem) Lc 18,40
    4. act ind aor 3de pers mv επηρωτησαν = epèrôtèsan (zij vroegen) Mt 12,10
      1. επηρωτησαν αυτον = epèrôtèsan auton (zij vroegen hem) Lc 21,7
        1. και επηρωτησαν αυτον = kai epèrôtèsan auton (en zij vroegen hem) Lc 21,7
        2. επηρωτησαν δε αυτον = epèrôtèsan de auton (zij echter vroegen hem) Lc 21,7
    5. act inf aor επερωτησαι = eperôtèsai (om te ondervragen) Mc 12,34
  92. επι = epi (op, bij) Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) Mc 16,2 Lc 1,35 Lc 4,18 Lc 15,4 Lc 21,6 Lc 24,1
    1. επ' εμε = ep' eme (over mij) Lc 4,18
    2. επι το = epi to Mc 16,2 Lc 15,4
      1. επι το μνημειον = epi to mnèmeion (op / naar het grafmonument) Lc 24,12
    3. επι τῃ = tè(i) (de) Mc 1,22
    4. επι τῳ = epi tô(i) (op de) Lc 21,8
      1. επι τῳ ονοματι = epi tôi onomati (bij de naam van) Lc 21,8
        1. επι τῳ ονοματι μου = epi tôi onomati mou (bij mijn naam) Lc 21,8
  93. επιβαλλω = epiballô ('op-werpen', overvallen) Taalgebruik in het NT : epiballô (op-werpen , over-vallen)
    1. act ind imperf 3de pers enk επεβαλλεν = epeballen (hij viel op , hij overviel) Mc 4,37
  94. επιβλεπω = epiblepô (kijken op, neerzien) Taalgebruik in het NT : epiblepô (kijken op, neerzien)
    1. act ind aor 3de pers enk επεβλεψεν = epeblepsen (hij keek op, hij keek neer) Lc 1,48
      1. επεβλεψεν επι = epeblepsen epi (hij keek naar) Lc 1,48
    2. επεβλεψα επι = epeblepsa epi (ik keek naar) Lc 1,48
  95. επιφαινω = epifainô (tonen, laten zien, ten toon spreiden) Taalgebruik in de Bijbel : epifainô (tonen,laten zien, ten toon spreiden)
    1. act inf aor επιφαναι = epifanai Nu 6,25
  96. επιγιγνωσκω = epigignôskô (leren kennen, begrijpen) Taalgebruik in het NT : epigignôskô (leren kennen, begrijpen)
    1. act part aor nom mann mv επιγοντες = epignontes (begrepen hebbende) Mc 6,54
  97. επικειμαι = epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) Taalgebruik in het NT : epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen) Lc 5,1
    1. inf praes επικεισθαι = epikeisthai Lc 5,1
  98. epipiptô (vallen op, opdringen) Taalgebruik in het NT : epipiptô (vallen op, opdringen) Taalgebruik in Mc : epipiptô (vallen op, opdringen)
  99. επισκεπτομαι = episkeptomai (kijken naar, bekijken) Taalgebruik in het NT : episkeptomai (kijken naar, bekijken)
    1. ind fut 3de pers enk επισκεψεται = episkepsetai (hij zal naar ons omkijken) Lc 1,78 PJ 1,4
    2. ind aor 3de pers enk επεσκεψατο = epeskepsato (hij zag om) Gn 21,1 Lc 1,68
      1. ὁτι επεσκεψατο = hoti epeskepsato (omdat hij omzag) Gn 21,1 Lc 1,68
  100. επιστατης = epistatès (bijstaander, meester) Taalgebruik in het NT : epistatès (bijstaander, meester)
    1. voc mann enk επιστατα = epistata (bijstaander) Lc 17,13
  101. επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren)
    1. act imperat aor 2de pers mv επιστρεψατε = epistrepsato (keert jullie toe) Js 46,8
    2. act imperat aor 2de pers mv επιστραφητε = epistrafète (keert jullie toe) Hnd 3,19
  102. επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) Taalgebruik in het NT : epitassô (opdragen, bevelen) Mc 1,27 Lc 8,25
    1. act ind praes 3de pers enk επιτασσει = epitassei (hij beveelt) Mc 1,27 Lc 8,25
    2. act ind aor 3de pers enk επεταξεν = epetaksen (hij beval) Mc 6,27
  103. επιτιθημι = epitithèmi (opleggen) Taalgebruik in het NT : epitithèmi (opleggen)
    1. act ind praes 3de pers enk επιτιθησιν = epitithèsin Lc 15,5
    2. act ind aor 3de pers enk επεθηκεν = epethèken (hij legde op) Lv 8,9
  104. επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) Mt 8,27 Mc 4,39
    1. act ind imperf 3de pers enk επετιμα = epetima (hij beval) Mc 3,12
    2. act ind aor 3de pers enk επετιμησεν = epetimèsen (hij beval) Mt 8,27 Mc 1,25 Mc 4,39
      1. επετιμησεν αυτῳ = epetimèsen autô(i) (hij beval hem) Mc 1,25
        1. και επετιμησεν αυτῳ ὁ ιησους = kai epetimèsen autô(i) ho ièsous (en Jezus beval hem) Mc 1,25
      2. επετιμησεν αυτοις = epetimèsen autois (hij deed een beroep op hun eer) Mc 5,43
        1. και επετιμησεν αυτοις = kai epetimèsen autois (en hij deed een beroep op hun eer, hij droeg op) Mc 5,43
    3. act imperat aor 2de pers enk επιτιμησον (vermaan) Lc 17,3
  105. επιτρεπω = epitrepô (overlaten, toevertrouwen) Taalgebruik in het NT : epitrepô (overlaten, toevertrouwen)
    1. act ind aor 3de pers enk επετρεψεν = epetrepsen (hij stond toe) Mc 5,13
      1. επετρεψεν αυτοις = epetrepsen autois (hij stond hen toe) Mc 5,13
  106. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen)
    1. act ind praes 3de pers enk ερχεται = erchetai (hij gaat) Mc 14,32 Lc 14,26
      1. ερχεται εις = erchetai eis (hij gaat naar) Mc 3,20
        1. ερχεται εις την = erchetai eis tèn (hij ging naar de) Mc 6,1
        2. ερχεται εις τον = erchetai eis ton (hij gaat naar de) Mc 6,1
        3. ερχεται εις το = erchetai eis to (hij gaat naar het) Mc 6,1
        4. ερχεται εις τα = erchetai eis ta (hij gaat naar de) Mc 6,1
      2. ερχεται προς = erchetai pros (hij gaat naar) Mc 6,48
        1. ερχεται προς αυτους = erchetai pros autous (hij gaat naar hen) Mc 6,48
      3. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) Mc 1,40
        1. και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar) Mc 3,20
        2. και ερχεται και = kai erchetai kai (en hij gaat en , en hij komt en ) Mc 14,37
        3. και ερχεται προς = kai erchetai pros (en hij gaat naar) Mc 1,40
          1. και ερχεται προς αυτον = kai erchetai pros auton (en hij gaat naar hem) Mc 1,40
    2. ind praes 3de pers mv ερχονται = erchontai (zij gaan) Mc 14,32 Mc 16,2
      1. ερχονται επι = erchontai epi (zij gaan naar) Mc 16,2
        1. ερχονται επι το μνημειον = = erchontai epi to mnèmeion (zij gaan op het graf) Mc 5,15
      2. ερχονται προς = erchontai pros (zij gaan naar) Mc 5,15
        1. ερχονται προς αυτον = erchontai pros auton (zij gaan naar hem) Mc 2,3
        2. ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) Mc 5,15
      3. και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) Mc 5,15
        1. και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar) Mc 3,20 Mc 11,27
        2. και ερχονται προς = kai erchontai pros (en zij gaan naar) Mc 5,15
    3. ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
    4. ind imperf 3de pers enk ηρχετο = èrcheto (hij ging) Mc 2,13
    5. ind fut 3de pers mv ελευσονται = eleusontai (zij zullen komen) Lc 21,8
    6. ind aor 3de pers enk ηλθεν = èlthen (hij kwam) Mc 1,14 Lc 15,20
      1. και ηλθεν = kai èlthen (en hij kwam / ging) Mc 1,39
      2. ηλθεν δε = èlthen de (hij kwam / ging echter) Mc 1,39
      3. ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) Joh 5,1
    7. ind aor 3de p mv ηλθον = èlthon (zij gingen) Mc 5,1
      1. και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen) Mc 5,1
        1. και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar) Mc 5,1
      2. ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar) Mc 5,1
    8. imperat aor 3de pers enk ελθετω = elthetô (kome) Mt 6,10
      1. ελθετω ἡ = elthetô hè (kome de) Mt 6,10
        1. ελθετω ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk kome) Mt 6,10
    9. inf aor ελθειν = elthein (om te gaan / komen) Lc 17,1
      1. ελθειν τα σκανδαλα = elthein ta skandala (de hindernissen te komen) Lc 17,1
    10. part praes nom mann enk ερχομενος = erchomenos (komende) Lc 15,25
    11. part aor nom mann enk ελθων = elthôn (gekomen) Mt 9,18
    12. act part aor nom vr enk ελθουσα = elthousa Mc 5,27
  107. עֶרֶב = `èrèbh (avond) Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) Gn 1,5 Mc 15,42
    1. וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond) Mc 1,32
    2. וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) Mc 1,32
      1. וַיְהִי בָעֶרֶב = wajëhî bâ`èrèbh (en het gebeurde in de avond) Gn 1,5
  108. ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) Taalgebruik in NT : erèmos (woestijn) Js 64,9
    1. dat vr enk ερημῳ = erèmô(i) Mc 1,3 Lc 4,1
      1. εν τῃ ερημῳ = en tè(i) erèmô(i) (in de woestijn) Mc 1,3 Lc 4,1 Lc 15,4
    2. acc vr enk ερημον = erèmon (woestijn) Mc 6,31
      1. εις ερημον = eis erèmon (naar een eenzame plaats) Mc 6,31
      2. εις την ερημον = eis tèn erèmon (naar de woestijn) Mc 6,31
  109. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Taalgebruik in Tenakh : ´èrètz (land)
    1. nom mann enk אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Gn 1,24 Lv 25,9
    2. אַרְצָה = ´arëtsâh (naar het land) Gn 12,5
    3. אַרְצְכֶם = ´arëtsëkhèm (jullie land) : a-r-ts + pers voornaamw 2de pers mv Lv 25,9 Dt 11,14
    4. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw ha + zelfst naamw אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Gn 12,7 Lv 19,23
      1. אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land) Lv 19,23 Mc 4,31
        1. תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
          1. כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
          2. וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv 19,23
        2. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr (naar het land dat) Gn 12,1
          1. אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יהוה = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr JHWH Dt 18,9
      2. עַל הָאָרֶץ = `al hâ´ârèts (op de aarde) Mt 6,19
      3. אֵת הָאָרֶץ = ´eth hâ´ârèts (het land) Gn 1,1 Gn 12,7
        1. אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת = ´èth hâ´ârèts hazzo´th (dit land) Gn 12,7
          1. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr (het land dat) Dt 4,1
          2. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר אֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba` (het land dat Hij zwoer) Dt 1,8
          3. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיכֶם נֹתִן לָכֶם = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khèm nothen lâkhèm (het land dat JHWH, jullie God, jullie gevende) Dt 4,1
            1. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lâkh (het land dat JHWH, je God, je gevende) Dt 4,1
            2. אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lëkhâ (het land dat JHWH, je God, je gevende) Dt 4,1
        2. וְאִת הָאָרֶץ = wë´eth hâ´ârèts (en het land) Gn 1,1
    5. וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < wë + bepaald lidw ha + ´èrèts (land, aarde) Lv 19,23
    6. בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë + bepaald lidw ha + zelfst naamw אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Lv 25,9
      1. בְּאַרְצְךָ = bë´arë tsëkhâ (in jouw land) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw + suffix bezitt voornaamw 2de pers mann enk Lv 25,9
      2. בְּאַרְצְכֶם = bë´arëtsëkhèm (in jullie land) : prefix voorzetsel bë + zelfst naamw a-r-ts + bezittel voornaamw 2de pers mann mv Lv 25,9
    7. לָאָרֶץ = lâ´ârèts (voor de aarde) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Lv 25,9
    8. מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts (land, aarde) Ex 12,51 Ex 20,2 Lv 25,9 Dt 6,12
      1. מֵאַרְצְךָ = me´arëtsëkhâ (uit je land) < voorzetsel min (uit) , zelfstandig naamwoord אֶרֶץ = ´èrèts (land) en suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud khâ Gn 12,1
      2. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) Ex 20,2 Dt 6,12
        1. מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם מִבֵּית עֲבָדִים = me´èrèts mitsërâjim mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het land Egypte, uit het huis van de dienaren ) Ex 20,2 Dt 6,12
  110. - èrxato (hij begon) , zie Mc 1,45 In 18 verzen bij Marcus - èrxato (hij begon) In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt 4,17
  111. ερευναω = ereunaô (zoeken, onderzoeken, zoeken te kennen, zoeken te begrijpen)
    1. act ind aor 3de pers enk ηρευωησε = èreunèsen (hij zocht) PJ 1,1
  112. ερωταω = erôtaô (vragen) Taalgebruik in het NT : erôtaô
    1. act ind imperf 3de pers enk ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) Mc 7,26
      1. και ηρωτα = kai èrôta (en hij / zij vroeg) Mc 7,26
        1. και ηρωτα αυτον = kai èrôta auton (en hij / zij vroeg hem) Mc 7,26
          1. και ηρωτα αυτον ἱνα = kai èrôta auton hina (en hij / zij vroeg hem opdat) Mc 7,26
  113. עֵשֶׂב = `eshèbh (kruid) Taalgebruik in Tenakh : `eshèbh (kruid) Gn 1,11
  114. אֵש = ´esj (vuur) Taalgebruik in Tenakh : ´esj (vuur) Dt 4,24
    1. אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) Dt 4,24
  115. εσθιω = esthiô (eten) Taalgebruik in het NT : esthiô (eten)
    1. act ind praes 3de pers enk εσθιει = esthiei (hij eet) συνεσθιει = sunesthiei (hij eet samen met) Lc 15,2
    2. act ind praes 3de pers mv εσθιουσιν = esthiousin (zij eten) Mc 7,28
    3. act ind aor 3de pers enk εφαγεν = efagen (hij at) Mc 2,26
    4. act ind aor 1ste pers enk en 3de pers mv εφαγον = efagon (zij aten) Mc 6,42
      1. και εφαγον = kai efagon (en zij aten) Mc 6,42
      2. εφαγον παντες = efagon pantes (allen aten) Mc 6,42
    5. act infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) Mc 3,20 Lc 9,13
      1. δοτε αυτοις ὑμεις φαγειν = dote autois humeis fagein (geeft jullie aan hen te eten) Of jullie moeten hen geven te eten Mc 6,37
    6. med futurum 2de pers mv φαγεσθε = fagesthe (jullie zullen eten) Gn 9,4
  116. ετος = etos (jaar) Taalgebruik in het NT : etos (jaar) Lv 25,3
    1. nom + acc onz mv ετη = etè (jaren) Lv 25,3
  117. אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) Gn 1,1 Ex 20,11
    1. וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) Ex 20,1
    2. אֶת יהוה = ´èth JHWH (JHWH) Dt 6,13
    3. אִתּוֹ = iththô (met hem) < voorzetsel ´eth + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 12,4
    4. accusatief + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv אֶתְכֶם = ´èthëkhèm (jullie) Dt 11,13
    5. accusatief + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv אֹתָם = ´othâm (hen) OF : persoonl voornaamw 2de pers mann mv אַתֶּם = ´aththèm (jullie) Zie : אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh : ´eth (accusatief) Dt 11,18
  118. `eth (tijd) Taalgebruik in Tenach : `eth (tijd)
    - etos (tijd) , zie Lc 3,1
  119. ευαγγελιζομαι = euaggelizomai (goede boodschap brengen) Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen)
    1. inf aor ευαγγελισασθαι = euaggelisasthai (om de goede boodschap te brengen) Lc 4,18
  120. ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) Gal 2,2
    1. nom + acc onz enk ευαγγελιον = euaggelion (evangelie) Mc 1,14
      1. το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (de goede boodschap van God) Mc 1,14 1 Tes 3,2
      2. ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) Mc 1,14 1 Tes 3,2
      3. το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) Mc 1,14 1 Tes 3,2
      4. το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) 1 Tes 3,2
    2. gen onz enk ευαγγελιου = euaggeliou (van het evangelie) Mc 1,1
      1. ευαγγελιου ιησου = euaggeliou ièsou (van het evangelie van Jezus) Mc 1,1
      2. του ευαγγελιου του χριστου = tou euaggeliou tou christou (van het evangelie van Christus) Mc 1,1
      3. του ευαγγελιου της δοξης του χριστου = tou euaggeliou tès doksès tou christou (van het evangelie van Christus) Mc 1,1
    3. dat onz enk ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) Mc 1,15
      1. τῳ ευαγγελιῳ = tô(i) euaggeliô(i) Mc 1,15 1 Tes 3,2
        1. τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = tôi euaggeliôi tou christou (aan het evangelie van Christus) Mc 1,15
        2. τῳ ευαγγελιῳ του κυριου ἡμων ιησου = tôi euaggeliôi tou kuriou hèmôn ièsou (aan het evangelie van onze Heer Jezus) Mc 1,15
        3. τῳ του θεου ευαγγελιῳ = tô(i) tou theou euaggeliô(i) (aan het evangelie van God) Mc 1,15
        4. εν τῳ ευαγγελιῳ = en tô(i) euaggeliô(i) (in het evangelie) Mc 1,15 1 Tes 3,2
          1. εν τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = en tôi euaggeliôi tou christou (in het evangelie van Christus) 1 Tes 3,2
          2. εν τῳ ευαγγελιῳ του υἱου αυτου = en tôi euaggeliôi tou huiou autou (in het evangelie van zijn zoon) Mc 1,15
  121. ευχαριστεω = eucharisteô (danken) Taalgebruik in het NT : eucharisteô (danken) Lc 22,17
    1. actief indicatief praesens 1ste persoon meervoud ευχαριστουμεν = eucharistoumen (wij danken) Kol 1,3
    2. act part aor nom mann enk ευχαριστησας = eucharistèsas (gedankt) Lc 22,17
      1. ευχαριστησας εκλασεν = eucharistèsas eklasen (gedankt brak hij) Lc 22,19
        1. ευχαριστησας εκλασεν και εδωκεν = eucharistèsas eklasen kai edôken (gedankt brak hij en gaf hij) Lc 22,19
  122. ευδεχομαι = eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen) Taalgebruik in het NT : eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen)
  123. ευδοκεω = eudokeô (instemmen, een welbehagen vinden in) Taalgebruik in het NT : eudokeô (instemmen, een welbehagen vinden in)
    1. act ind aor 3de pers enk ευδοκησεν = eudokèsen (hij vond welbehagen in) Gal 1,15
      1. ευδοκησεν () ὁ = eudokèsen (hij vond welbehagen in)
        1. ευδοκησεν () ὁ θεος = eudokèsen theos (God vond welbehagen in)
  124. ευδοκια = eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid) Taalgebruik in het NT : eudokia (welwillendheid, goedgunstigheid, welbehagen)
    1. gen vr enk ευδοκιας = eudokias (van welbehagen) Lc 2,14
  125. ευλογεω = eulogeô (zegenen, goed spreken, loven, prijzen) Taalgebruik in het NT : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen)
    1. act ind fut 2de pers mv ευλογησετε = eulogèsete (jullie zullen zegenen) Nu 6,23
    2. act ind aor 3de pers enk ευλογησεν = eulogèsen (hij zegende) Lc 9,16
    3. act ind aor 3de pers enk ηυλογησεν = èulogèsen (hij zegende) Gn 1,22
    4. inf praes ευλογειν = eulogein (te zegenen) Lc 24,51
    5. act part aor nom mann enk ευλογησας = eulogèsas (zegenend) Lc 24,50
    6. act optat aor 3de pers enk + act inf aor ευλογησαι = eulogèsai (dat hij zegene) Nu 6,24
        1. ευλογησαι σε κυριος = eulogèsai se kurios (de Heer zegene je) Nu 6,24
        2. ὁ δε θεος μου ευλογησαι σε = ho de theos mou eulogèsai se (en mijn God zegene je) Nu 6,24
    7. act part praes nom mann enk  ευλογων = eulogôn (zegenend) Lc 1,64
    8. actief participium nominatief mannelijk meervoud ευλογουντες = eulogountes (lofprijzend) Lc 24,53
  126. eulogeô (goed zeggen, prijzen), zie Lc 24,53
  127. nom mann enk ευλογητος = eulogètos (zegenend, zegenaar) Taalgebruik in het NT : eulogètos (gezegend) Lc 1,68
    1. ευλογητος κυριος = eulogètos kurios (gezegend JHWH) Lc 1,68
      1. ευλογητος κυριος ὁ θεος = eulogètos kurios ho theos (gezegend de Heer de God van) Lc 1,68
  128. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ; bijwoord : εὐθέως = eutheôs ; zie euthunô : recht maken , richten Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) Mc 1,10
    1. και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk) Mc 1,23
  129. εξαγω = exagô (uitleiden, naar buiten leiden) < ex (uit) + agô (leiden, voeren) Taalgebruik in het NT : exagô (uitleiden, naar buiten leiden)
    1. act ind aor 3de pers enk εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) Ex 12,51 Lc 24,50
      1. εξηγαγεν ἡμας = exagègen hèmas (hij leidde ons uit) Dt 6,21
        1. και εξηγαγεν ἡμας = kai exagègen hèmas (en hij leidde ons uit) Dt 6,21
    2. act imperat aor 3de pers enk εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) Gn 1,20
    3. act inf aor εξαγαγειν = exagagein (naar buiten te leiden) Js 42,7
  130. eξαιρω = exairô
    1. act ind aor 3de pers enk εξηρεν = eksèren (hij strekte uit) Lc 24,50
    2. εξαρας = exaras (uitgeheven, uitgestrekt) Lv 9,22
  131. εξανιστημι = exanistèmi (opstaan) Lc 22,46
    1. act part aor nom mann mv εξανασταντες = exanastantes (opstaande) Lc 22,46
  132. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)
    1. ind aor 3de pers enk εξηλθεν = exèlthen (ging uit) Mc 1,26 Lc 5,27 Lc 8,35
      1. εξηλθεν εκειθεν = exèlthen (hij ging vandaar uit) Mc 6,1
        1. εξηλθεν εκειθεν και = exèlthen ekeithen kai (hij ging vandaar uit en) Mc 6,1
      2. εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) Joh 5,1
      3. εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) Mc 2,13
      4. και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit) Mc 2,13
        1. και εξηλθεν εκειθεν = kai exèlthen (en hij ging vandaar uit) Mc 6,1
        2. και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) Mc 2,13
        3. και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) Mc 2,13
      5. εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit) Mc 2,13
    2. imperat aor 2de pers enk εξελθε = exelthe (ga uit) Mc 1,25 Mc 5,8 Lc 5,8
    3. med part aor nom mann enk εξελθων = exelthôn (uitgegaan) Mc 1,45
      1. ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) Mc 2,13
      2. και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) Mc 2,13
      3. part aor gen mann enk  εξελθοντος = exelthontos Mc 5,2
        1. εξελθοντος αυτου = exelthontos autou (nadat hij was uitgegaan) Mc 5,2
    4. med part aor nom vr enk εξελθουσαι = exelthousai (uitgegaan) Mc 6,24
    5. part aor gen mann mv  εξελθοντων = exelthontôn   Mc 6,54
      1. εξελθοντων αυτων = exelthontôn autôn (toen zij uitgegaan waren) Mc 6,54
  133. εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken) Taalgebruik in het NT : existamai (buiten zichzelf zijn , (ontsteld / ontzet zijn) Lc 2,47
    1. ind imperf 3de pers meerv εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) Lc 2,47
    2. ind aor 3de pers enk εξεστη = exestè (hij was buiten zichzelf) Mc 3,21
  134. existamai (buiten zichzelf zijn , ontsteld / ontzet zijn) , zie Mc 16,8
  135. εξεστιν = exestin (het is toegelaten) Taalgebruik in het NT : exestin (het is toegelaten) Mc 3,4
  136. εξουσια = exousia (gezag, macht) Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht)
    1. acc vr enk εξουσιαν = exousian (macht, gezag) Mc 1,22
      1. εχειν εξουσιαν = echein exousian (om macht te hebben) Mc 3,15
      2. εξουσιαν εχειν = exousian echein (om macht te hebben) Mc 3,15
      3. εξουσιαν εχων = exousian echôn (macht, gezag hebbende) Mc 1,22
      4. εδιδου αυτοις εξουσιαν = edidou autois exousian (hij gaf hen macht) Mt 10,1
      5. εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) Mt 10,1
        1. εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen macht) Mt 10,1
      6. εξουσιαν πνευματων = exousian pneumatôn (macht over geesten) Mc 3,15
      7. εξουσιαν των = exousian tôn (macht over de) Mc 3,15
        1. εξουσιαν των πνευματων = exousian tôn pneumatôn (macht over de geesten) Mc 3,15
  137. εξω = exô (buiten) Taalgebruik in het NT : exô (buiten) Lc 24,50
    - exousia (macht) bij Marcus, zie Mc11,27 : Mc 11,27-33 - exousia (macht), zie Mt 28,18

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


F
  1. Arabisch : فَدَى = fadâ (loskopen, vrijkopen) Taalgebruik in de Qoran : fada (loskopen, vrijkopen) Lc 1,68
  2. nom mann mv φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) Taalgebruik in het NT : Pharisaioi (Farizeeën) Lc 15,2
  3. φατνη = fatnè (krib, ruif) Lc 23,53
    1. dat vr enk φατνῃ = fatnè(i) Lc 2,12
      1. εν φατνῃ = en fatnè(i) = in een krib, voederbak Lc 2,12
  4. εφανερωσεν = efanerôsen (hij openbaarde zich) Joh 21,1
  5. φανερος = faneros (zichtbaar, bekend)
    1. acc mann + onz enk φανερον Mc 3,12
  6. φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) Taalgebruik in het NT : Pharisaioi (Farizeeën)
    1. nom mann mv φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) Lc 15,2
      1. και (οἱ) φαρισαιοι = kai (hoi) farisaioi (en 'de' Farizeeën) Lc 2,12
      2. φαρισαιοι και = farisaioi kai (Farizeeën en) Lc 2,12
      3. γραμματεις και φαρισαιοι = grammateis kai farisaioi (schriftgeleerden en Farizeeën) Lc 15,2
      4. οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) Lc 15,2
      5. οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) Lc 15,2
      6. οἱ δε φαρισαιοι και νομικοι = hoi de farisaioi kai hoi nomikoi (de Farizeeën echter en de wetgeleerden) Lc 15,2
  7. Farisaioi (Farizeeën) , zie Mc 2,18 Eveneens : Farisaioi (Farizeeën) , zie Mt 9,11
  8. φειδομαι = feidomai Taalgebruik in het NT : feidomai (sparen)
    1. ind aor 2de pers enk εφεισω = efeisô (jij spaarde) Gn 22,16
    2. ind aor 3de pers enk εφεισατο = efeisato (hij spaarde) Rom 8,32
  9. fèmè (faam) Taalgebruik in het NT : fèmè (faam) Taalgebruik in Lc : fèmè (faam)
  10. φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen)
    1. act ind imperf 3de pers mv εφερον = eferon (zij droegen)
    2. act part praes nom mann mv φεροντες = ferontes (dragende) Mc 2,3
    3. act part praes nom vr mv φερουσαι = ferousai (dragende) Lc 24,1
  11. Grieks : φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) Lat : ferre por-tare (f / p) Frans : porter Italiaans : portare Ned : bre-n-gen (p / b) D : bringen E : to bring
    - feugô (vluchten), zie Mc 16,8
  12. φευγέτωσαν (= feugetôsan: dat zij vluchten; wkw act imperat praes 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten)
  13. Arabisch : فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran : fi (in)
    - filippos (Filippos) Taalgebruik in het NT : filippos (Filippus) Taalgebruik in Mc : filippos (Filippus)
  14. φιμοω = fimoô (muilkorven, mond snoeren) Taalgebruik in het NT : fimoô (muilkorven, mond snoeren)
    1. passief imperat aor 2de pers enk φιμωθητι = fimôthèti (wees gemuilkorfd) Mc 1,25
  15. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
    1. ind imperf 3de pers mv εφοβουντο = efobounto (zij vreesden) Mc 16,8
    2. -
      1. μη φοβου = mè fobou (vrees niet) Lc 1,13
    3. ind + imperat praes 2de pers mv  φοβεισθε = fobeisthe (vreest) Lc 2,10
      1. μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet) Lc 1,13 Lc 2,10
    4. pass part praes nom mann enk φοβουμενος = foboumenos (vrezend) Gal 2,12
    5. ind aor 3de pers mv εφοβηθησαν = efobèthèsan (zij vreesden) Mc 4,41 Mc 5,15
      1. και εφοβηθησαν φοβον μεγαν = kai efobèthèsan (en zij vreesden) fobon megan (een grote vrees) Mc 4,41
    6. pass part aor nom mann mv φοβηθεντες = fobèthentes (bevreesd) Lc 8,25
  16. φοβος = fobos (vrees, fobie) Taalgebruik in het NT : fobos (vrees, fobie)
    1. acc mann enk φοβον = fobon (vrees) Mc 4,41
      1. φοβον μεγαν = fobon megan (een grote vrees) Mc 4,41
  17. φωνη = fônè (stem, roep)  Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep)
    1. nom + dat vr enk φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep)  Mc 1,3
      1. φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem) Mc 5,7
        1. κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) Mc 5,7
  18. φωνεω = foneô (roepen, schreeuwen) Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen)
    1. act part aor nom + acc onz enk φωνησαν = fonèsan (schreeuwend) Mc 1,26
  19. φως = fôs (licht) Taalgebruik in het NT : fôs (licht) Gn 1,3 Js 9,1
    1. dat onz enk φωτι = fôti Kol 1,12 ,
        1. τῳ φωτι = tô(j) fôti EN εν τῳ φωτι = en tô(j) fôti (in het licht) Kol 1,12 ,
  20. fôs (licht) fôs (licht) , zie Mt 5,14
  21. φρεαρ = frear (put) Taalgebruik in de Bijbel : frear (put) Gn 29,3
    1. genitief enkelvoud φρεατος = freatos Gn 29,3
  22. -
    - fruattô (briesen, ongeduldig zijn) Verwijzing : râgasj (onrustig zijn, tobben) , zie Ps 2,1
    - Frugian (Frygië) , zie Hnd 2,10

  23. φυλη = fulè (volks-stam, afdeling van het volk) Taalgebruik in het NT : fulè (volks-stam, afdeling van het volk)
    1. gen vr mv φυλων = fulôn (van de stammen)
      1. δώδεκα φυλῶν (twaalf stammen) PJ 1,1
      2. φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de stammen van Israël) PJ 1,1
        1. τῶν δώδεκα φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de twaalf stammen van Israël) PJ 1,1

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


G

  1. Ned : gaan D : gehen E : go Grieks : ερχομαι = erchomai (gaan, komen) Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) Arabisch : اذهب (adhhab) Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) Lat : ire vadere (Fr je vais , il va) amb-ulare (Fr nous allons , vous allez)
  2. גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien) Taalgebruik in Tenakh : gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien)
    1. act ind perf (qatal) 3de pers mann enk גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien)
  3. גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) Taalgebruik in Tenakh : gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) Mt 8,27 Mc 4,39
    1. wa consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) Gn 37,10 Mt 8,27 Mc 4, 39
  4. גָבָה = gâbhâh (hoog / verheven zijn, uitsteken) Taalgebruik in Tenakh : gâbhâh (hoog / verheven zijn, uitsteken) Ps 113,5
    1. prefix bepaald lidw ha + act hifil part nom mann enk הַמַּגְבּיהִי = hammagëbîhî (hij die doet hoog zijn , die zich verheft) Ps 113,5
  5. Gabriël Gabriël (Gabriël) , zie Lc 1,26
  6. גָדַל = gâdal (groot worden, opgroeien) Taalgebruik in Tenakh : gâdal (groot worden, opgroeien) Gn 12,2
    1. prefix wë + act piël imperf (cohortatief) 1ste pers enk וַאֲגַדְּלָה = waägaddëlâh (en dat ik groot make)
    2. גָדוֹל = gâdôl (groot) Gn 12,2
  7. gâdal (groot worden, opgroeien) , zie Ps 34,4
  8. גַּל = gal (steenhoop, wel) Zie : גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen)
    1. mann mv גַּלִּים = gallîm (golven, baren) Mc 4,37
  9. גָלָה = gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) Taalgebruik in Tenakh : gâlâh (openen, ontbloten, openbaren)
    1. act ind jiqtol (imperf) 3de pers mv יִגְלוּ = jiglû (zij openen)
    2. וְנִגְלָה = wënigëlâh (en zal geopenbaard worden) < wë + passief nifal perf 3de pers mann enk Js 40,5
  10. גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) Taalgebruik in Tenakh : gâlal (rollen, wentelen) Mt 28,2
    1. וְגָלֲלוּ = wëgâlälû (en zij rolden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act ind perf 3de pers mann mv Gn 29,3
    2. וַיָּגֶל = wajjâgèl (en hij rolde weg) < prefix verbindingswoord wë + actief imperf 3de pers mann enk Mt 28,2
  11. Galatikèn chôran (Galatië) , zie Hnd 2,10
  12. nom vr enk γαληνη = galènè (windstilte) Taalgebruik in het NT : galènè (windstilte) Mc 4,39
  13. γαλιλαια = galilaia (Galilea) Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) Lc 1,26 Lc 8,26
    1. gen vr enk γαλιλαιας = Galilaias (Galilea) Mc 1,16 Lc 1,26 Lc 3,1 Lc 17,11 Joh 21,2
      1. απο της γαλιλαιας = apo tès Galilaias (vanaf Galilea) Mc 3,7
        1. απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) Mc 3,7
    2. acc vr enk γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea) Mc 1,39 Joh 4,3
      1. την γαλιλαιαν = tèn galilaian (Galilea) Mc 1,39
        1. ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) Mc 1,39
        2. εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) Mc 1,39 Joh 4,3
  14. גַּם = gam (tezamen, ook, zelfs) Taalgebruik in Tenakh : gam (tezamen, ook, zelfs) Ps 133,1
  15. γαρ = gar (want) Taalgebruik in het NT : gar (want) Mc 1,22 Mc 3,10
  16. גָרַשׁ = gârasj (verdrijven, verjagen, uitwerpen) Taalgebruik in Tenakh : gârasj (verdrijven, uitwerpen)
    1. act piël perf 2de pers mann enk גֵּרַשְׁתָּ = gerasjëthâ (jij verdrijft) Gn 4,14
    2. וַיְגָרֶשׁ = wajëgârèsj (en hij verdrijft) < wë + act piël imperf 3de pers mann enk Gn 3,24
    3. וְגֵרַשׁתָּמוֹ = wëgerasjthâmô (en jij zult hen verdrijven) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act piël perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Ex 23,31
  17. γαστηρ = gastèr (buik, schoot) Taalgebruik in het NT : gastèr (buik, schoot) Lc 1,31
    1. dat vr enk γαστρι = gastri Lc 1,31
      1. εν γαστρι = len gastri (in de buik)
    2. εχω εν γαστρι = echô en gastri (in de buik hebben) Gn 16,11
        1. λαμβανω εν γαστρι = lambanô en gastri (in de buik nemen) Gn 16,11
        2. συλλαμβανω εν γαστρι = sullambanô en gastri Gn 16,11
  18. γη = gè (aarde, land) Taalgebruik in het NT : gè (aarde) Lv 19,23
    1. nom vr enk γη = gè (aarde, land) Gn 1,2
      1. ἡ δε γη = hè de gè (het land / de aarde echter) Gn 1,2
      2. και ἡ γη = kai hè gè (en het land / de aarde) Gn 1,2
    2. gen vr enk γης = gès Mt 6,10
      1. επι γης = epi gès (op aarde) Mt 6,19
      2. της γης = tès gès (van de aarde) Mt 6,19
          1. επι της γης = epi tès gès (op de aarde) Mt 6,19 Mc 4,31
      3. acc mann enk γην = gèn Gn 12,1
  19. gè (aarde) , zie Mt 28,18
  20. Ned : gedachtenis Arabisch : ذِكرى = dhikrâ (herinnering) Taalgebruik in de Qoran : dhikrâ (herinnering) Aramees : דוּכְרָנָא = dûkhërânâ´ (herinnering, gedachtenis) van het werkw דְכַר = dëkhar (zich herinneren) D : Gedächtnis E : remembrance Fr : mémoire Latijn : commemoratio (het samen gedenken) Lc 22,19
  21. Ned : geest Arabisch : روح = rûH (geest) Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) D : Geist E : spirit Fr : esprit Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) Hebreeuws רוַח = rûach (geest) Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) Lat : spiritus
  22. - gegraptai (er werd geschreven) , zie Mt 2,5
  23. γελαω = gelaô (lachen)
    1. act ind aor 3de pers enk εγελασεν = egelasen (hij / zij lachte) Gn 17,17
  24. genesis (wording, ontstaan bij Matteüs)
    - genezen zie iaomai
    - genitief (losse) , zie Mt 2,1
    - gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1
  25. גֵרשׁוֹן = gerësjôn (Gerson) Taalgebruik in Tenakh : gerësjôn (Gerson) Gn 46,11
    - gèsjèm (regen) , zie Zach 10,1
    - gennaomai (geboren worden) , zie Mt 2,1
  26. Ned : geven D : geben E : to give Fr : donner - don : geven - gave Grieks : διδωμι = didômi (geven) Hebreeuws : נָתַן = nâthan (geven) Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) Lat dare / donare - donum
  27. Ned : gier D : Geier Grieks : γρυψ = γρυπος (grijpvogel, gier) In het Grieks heeft het woord 3 medeklinkers : g-r-p , zie het Ned grijpen , grabbelen E : vulture Fr : vautour < Latijn : vultur In het Hebreeuws zijn er verschillende woorden voor gier
  28. γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten)  Taalgebruik in het NT : gignôskô (kennen, weten)
    1. ind fut 1ste pers enk γνωσομαι = gnôsomai (ik zal kennen) Lc 1,18
      1. κατα τι γνωσομαι = kata ti gnôsomai (waardoor zal ik weten) Lc 1,18
    2. act ind fut 2de pers mv γνωσεσθε = gnôsesthe (jullie zullen kennen) Mc 4,13
    3. act conj aor 3de pers enk γνοι = gnoi  (hij zou weten) Mc 5,43
  29. gignôskô (kennen) , zie Mt 12,15
  30. גיל / גול = gîl / gûl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen) Taalgebruik in Tenakh : gjl / gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen)
    1. act qal imperf (cohortatief) 1ste pers enk אָגִילָה = ´âgîlâh (dat ik juiche) Lc 1,47
  31. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) Lc 5,1
    1. ind praes 3de pers enk = ginetai (het gebeurt)
    2. ind aor 3de pers enk εγενετο = egeneto (het gebeurde) Lc 5,1 Lc 8,22 Lc 17,11 Lc 19,15 Lc 24,51
      1. εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) Gn 22,1 Lc 1,5 Lc 5,1 Lc 24,51
        1. πως εγενετο = pôs egeneto  (hoe het gebeurde) Mc 5,16
        2. εγενετο δε εν = egeneto de en = het gebeurde echter tijdens Lc 5,1
          1. εγενετο δε εν τῳ = egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het Lc 5,1 Lc 24,51
          2. -
            1. εγενετο δε εν ταις ἡμεραις = = egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) Lc 1,5
              1. εγενετο εν ταις ἡμεραις βασιλεως της ιουδαιας = egeneto en tais hèmerais basileôs tès ioudaias (het gebeurde in de dagen van koning van Judea
        3. ὁτε δε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) Mc 4,10
      2. εγενετο εν = egeneto en (het gebeurde tijdens) Lc 17,11
        1. εγενετο εν τῳ = egeneto en tô(i) (het gebeurde tijdens de) Mc 4,4 Lc 17,11
        2. εγενετο εν ταις ἡμεραις = egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in de dagen) Lc 1,5
      3. και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) Gn 22,1 Mc 2,23 Lc 5,1 Lc 19,15 Lc 24,51
        1. και εγενετο επι παντας φοβος = kai egeneto epi pantas fobos (en er was vrees over allen) Lc 1,65
        2. και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) Gn 1,8
        3. και εγενετο θαμβος επι παντας = kai egeneto thambos epi pantas (en er was ontzetting over allen) Lc 4,36
        4. και εγενετο εν = kai egeneto en = en het gebeurde tijdens Lc 5,1 Lc 19,15
          1. (και) εγενετο (δε) εν και αυτος = (kai) egeneto (de) en kai autos (- en - het gebeurde - echter - in en hij zelf ) Lc 8,22
          2. και εγενετο εν τῳ = kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het Mc 4,4 Lc 5,1 Lc 19,15 Lc 24,51
        5. και εγενετο εν μιᾳ των ἡμερων = kai egeneto en mia(i) tôn hèmerôn (en het gebeurde tijdens één van de dagen) Lc 8,22
        6. και εγενετο μετα = kai egeneto (en het gebeurde na) Gn 22,1
        7. και ὁτε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) Mc 4,10
    3. aor imperat 3de pers enk γενηθητω = genèthètô (het weze/ het gebeure) Gn 1,3
    4. aor imperat 3de pers mv γενηθητωσαν = genèthètôsan (het weze/ het gebeure) Gn 1,14
    5. inf aor γινεσθαι = ginesthai (om te gebeuren) Lc 21,7
    6. γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
    7. part aor gen mann en onz enk γενομενου = genomenou (geworden) Mc 6,2
    8. part aor gen vr enk γενομενης = genomenès (geworden) Mc 4,35
  32. Ned : God Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven) D : Gott E : God Fr : dieu De vloek dju Grieks : θεος = theos (God)  Taalgebruik in het NT : theos (God) Hebreeuws : אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God)
  33. Ned : goed Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) Aramees : טַב = tabh (goed) D : gut E : good Fr : bijvoegl naamw : bon / bijw : bien Gr : αγαθος = agathos Taalgebruik in het NT : agathos (goed) Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) Lat : bijvoegl naamw : bonus / bijw : bene
    ed - ginomai (worden) ginomai (gebeuren, worden, ontstaan) , zie Lc 1,5 , Mc 1,4 en Mc 16,1
  34. Ned : goed Arabisch : طَيَّبٌ = thajjab (goed) Taalgebruik in de Qoran : thajjab (goed) Aramees : טַב = tabh (goed) D : gut E : good Fr : bijvoegl naamw : bon / bijw : bien Gr : αγαθος = agathos Taalgebruik in het NT : agathos (goed) Hebreeuws : טוֹב = tôbh (goed) Taalgebruik in Tenakh : tôbh (goed) Lat : bijvoegl naamw : bonus / bijw : bene
  35. γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) Taalgebruik : gogguzô (brommen, morren) Lc 15,2
    1. act ind imperf 3de pers mv εγογγυζον = egogguzon (zij morden) Lc 5,30 Lc 15,2
  36. גוֹי = gôj (volk) Taalgebruik in Tenakh : gôj (volk)
    1. mann mv גוֹיִם = gojim (volken) Js 61,9
    2. לְגוֹי = lëgôj (tot volk) < prefix voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord גוֹי = gôj (volk) Gn 12,2
      1. לְגוֹי גָדוֹל = lëgôj gädôl (tot een groot volk) Gn 12,2
  37. gonupeteô (op zijn knie vallen) , zie Mc 1,40
  38. γονυ = gonu (knie) Gen γυνατος = gunatos Taalgebruik in het NT : gonu (knie) Lc 24,52
  39. γονυπετεω = gonupeteô (op zijn knie vallen) Taalgebruik in het NT : gonupeteô (op zijn knie vallen)
    1. act part praes nom mann enk γονυπετων = gonupetôn (knievallend) Mc 1,40
    2. act part aor nom mann enk γονυπετησας = gonupetèsas (op de knie gevallen) Mc 1,40
  40. γραφω = grafô (schrijven) Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven)
    1. act ind fut 2de pers enk grapseis (jij zult schrijven) Dt 27,8
    2. passief indicatief perfectum derde persoon enkelvoud γεγραπται = gegraptai (er werd geschreven) Mc 1,2
      1. καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2
        1. καθως γεγραπται εν = kathôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in)
      2. ὡς γεγραπται = hôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2
        1. ὡς γεγραπται εν = hôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) Mc 1,2
          1. ὡς γεγραπται εν τῳ = hôs gegraptai en tô(j) (zoals er werd geschreven in de / het) Mc 1,2
  41. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde)
    1. nom mann mv γραμματεις = grammateis (schriftgeleerden) Mc 1,22 Lc 15,2
      1. και οἱ γραμματεις = kai hoi grammateis (en de schriftgeleerden) Lc 15,2
      2. γραμματεις και = grammateis kai (schriftgeleerden en) Lc 15,2
      3. οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) Lc 15,2
      4. οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) Lc 15,2
      5. οἱ αρχιερεις και οἱ γραμματεις = hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) Lc 15,2
    2. gen mann mv γραμματεων = grammateôn (schriftgeleerden) Mc 12,28
      1. εἱς των γραμματεων = heis tôn grammateôn (één van de schriftgeleerden) Mc 12,28
  42. grammateis (schriftgeleerden) , zie Joh 8,3
    - grègoreô (waken)

  43. γυνη = gunè (vrouw) Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) Mc 7,26
    1. gn vr enk γυναικος = gunaikos Gn 3,15
    2. acc vr enk γυναικα = gunaika Lc 14,20 Lc 14,26 Lc 18,29
    3. nom vr mv γυναικες = gunaikes (vrouwen) Ef 5,22
  44. gwr (zich als vreemdeling ophouden) , zie Dt 26,5

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


H

- Werkwoorden , eindigend met ה = h : -- bâkhâh (weeklagen, wenen) -- qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen) -- râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien) -- râdâh (vertreden , innemen, heersen) -- sjâthâh (drinken) --

  1. הַ = ha (de, het) Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) Mc 1,23
  2. Ned : haas Fr : lièvre Lat: lepus , leporis l, p/v Het dier is genoemd naar de kleur grijs In het hiëroglyfisch heeft de haas de klankwaarde wn Arabisch : أرنبة ('arnba) Hebreeuws : ארנבת
  3. - hâdâr (eer, majesteit, glorie) , zie Ps 145,5
  4. hâgâh (grommen, kirren, zuchten) , zie Ps 2,1
  5. הָגָר = hâgâr (Hagar) Taalgebruik in Tenakh : hâgâr (Hagar) Gn 16,1
  6. ἁγιαζω = hagiazô (heiligen) Taalgebruik in het NT : hagiazô (heiligen)
    1. pass fut 3de pers enk ἁγιασθησεται = hagiasthèsetai (zal geheiligd worden) Mt 6,9
    2. pass aor 3de pers enk ἁγιασθητω = hagiasthèto (geheiligd worde) Mt 6,9
  7. ἁγιος = hagios (heilig) Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) Lc 1,35
    1. nom mann enk ἁγιος = hagios (heilig) Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) Mc 1,24
      1. ὁ ἁγιος του θεου = ho hagios tou theou (de heilige van God)
    2. nom + acc onz enk ἁγιον = hagion Lc 1,35
      1. τον ἁγιον του θεου = ton hagion tou theou (de heilige Gods) Mc 1,24
    3. gen mv ἁγιων = hagiôn Kol 1,12
  8. αἱμα = haima (bloed) Taalgebruik in het NT : haima (bloed) Ex 24,8 Lc 22,20
    1. dat onz enk αἱματι = haimati Lc 22,20
      1. εν τῳ αἱματι = en tô(i) haimati (in mijn bloed, door mijn bloed) Lc 22,20
  9. haireô (nemen, grijpen) , zie Joz 5,9
  10. הָיָה = hâjâh (zijn) Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) Lc 5,1
    1. וְהָיָה = wëhâjâh (en het zal zijn / en het is) < prefix verbindingswoord wë + werkw act qal perf 3de pers mann enk OF וֶהְיֵה = wèhëjeh (en wees) < wë + act qal imperat 2de pers mann enk Gn 12,2 Dt 11,13
    2. act qal perf 3de pers vr enk הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) Gn 1,2
    3. act qal imperfect 3de pers mann enk יִהְיֶה = jihëjèh (hij zal zijn) Ex 20,3
      1. לֹא יִהְיֶה לְךָ = lo´ ihëjèh lëkhâ (er is niet aan jou = jij hebt niet) Ex 20,3
    4. הָיוּ = hâjû (zij waren) Lc 15,1
      1. וּהָיוּ = hâjû (zij waren) < prefix voegw wë + act ind perf 3de pers mann mv Dt 6,6
    5. prefix verbindingswoord wa + act qal imperf 3de pers mann enk וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) Gn 22,1 Ex 2,23 Lc 5,1
      1. וַיְהִי אַחַר = wajëhî ´achar (en het was na) Gn 22,1
        1. וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) Gn 22,1
      2. -
        1. וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh (na deze woorden/gebeurtenissen) Gn 22,1
      3. וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het was zo) Gn 1,7
      4. וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) Dt 34,5
      5. בִּימֵי וַיְהִי = wajëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) Lc 1,5
    6. וַתְּהִי = waththëhî (en zij was) < waw consecutivum + act qal imperf 3de pers vr enk Gn 11,30
    7. וַיִּהְיוּ = wajjihëjû (en zij waren) < wa-consecutivum + act qal imperf 3de pers mv Lc 15,1
  11. häjâh (zijn) Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) wajëhî , zie Joz 1,1 wajëhî ka´äsjèr (en het was zoals/zodra) , zie Joz 4,1 wajëhî ka´äsjèr thammû (en het was zoals zij eindigden, zodra zij eindigden) , zie Joz 4,1

  12. הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen)
  13. הָלַך = hâlakh (gaan) Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan)
    1. הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) Lc 5,11
    2. וַיֵּלֶך = wajjelèkh (en hij ging) < waw + act qal imperf 3de persmann enk Gn 12,4
      1. וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) Gn 12,4
      2. וַיֵּלֶך אִתּוֹ = wajjelèkh ´iththô (en hij ging met hem) Gn 12,4
    3. וַיֵּלְכוּ = wajjelëkhû (en zij gingen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act qal imperf 3de pers mann mv Gn 22,6 Mc 1,18
      1. וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם = wajjelëkhû sjëne(j)hèm (en zij gingen samen) Gn 22,6
    4. לְךָ לֶכ = lèkh lëkhâ (ga - voor je uit)
    5. act inf abs הָלוֹך = hâlôkh (om te gaan) Gn 12,9
    6. וּבְלֶכְתְּךָ = ûbhëlèkhëthëkhâ (en in jouw gaan) < < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf stat construct + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,7
      1. וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶרֶך = ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch (en in jouw gaan op de weg) Dt 6,7
    7. הַהֹלְכִים = haholëkhim (zij die gaan) < bepaald lidwoord + act qal participium praesens mannelijk meervoud Js 9,1
  14. - hâlakh (gaan) , zie Js 9,1
  15. הָלַל = hâlal (loven, prijzen) Taalgebruik in Tenakh : halal (loven, prijzen)
    1. act piël part mann mv מְהַלְלִים = mëhalëlîm (lofprijzende) Lc 2,20
      1. prefix waw + prefix bepaald lidw + act piël part mann mv וְהַמְהַלְלִים = wëhamëhalëlîm (lofprijzende)
  16. halal (loven, prijzen) , zie Ps 113,1
    - halas (zout) 10X in de bijbel, 1X bij Matteüs
  17. ἁλιευς = halieus (visser) Taalgebruik in het NT : halieus (visser) Lc 5,2
    1. nom mann mv ἁλιεις = halieis (vissers) Lc 5,2
  18. ἁλυσις = halusis (metalen ketting, boei, halsketen) Taalgebruik in het NT : halusis (metalen ketting, boei, halsketen)
    1. dat vr enk ἁλυσει = halusei Mc 5,3
    2. acc vr mv ἁλυσεις = haluseis (boeien) Mc 5,4
    3. dat vr mv ἁλυσεσιν = halusesin (met halskettingen) Mc 5,4
  19. הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen) Taalgebruik in Tenakh : hâmâh (bruisen, brommen , klagen , woelen)
    1. הָמוֹן = hâmôn (alarm, gedruis, menigte, overvloed) Mc 4,36
  20. ἁμαρτανω = harmartanô (zondigen)
    1. act conjunctief aor 3de pers enk ἁμαρτησῃ = hamartèsè(i) (hij zou zondigen) Lc 17,3
  21. ἁμαρτια = hamartia (zonde) Taalgebruik in het NT : hamartia (zonde)
    1. nom vr enk ἁμαρτια = hamartia (zonde) Taalgebruik in het NT : hamartia (zonde)
    2. gen vr mv ἁμαρτιων = hamartiôn (van de zonden) Mt 1,21
      1. των ἁμαρτιων = tôn hamartiôn (van de zonden) Mt 1,21
        1. των ἁμαρτιων αυτων = tôn hamartiôn (van hun zonden) Mt 1,21
        2. των ἁμαρτιων ἡμων = tôn hamartiôn hèmôn (van onze zonden) Mt 1,21
      2. απο των ἁμαρτιων = apo tôn hamartiôn (van de zonden) Mt 1,21
  22. ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar) Taalgebruik in het NT : hamartôlos (zondaar)
    1. mann enk ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar) Taalgebruik in het NT : hamartôlos (zondaar) Lc 5,8 Lc 15,2
    2. nom mann mv ἁμαρτωλοι = hamartôloi (zondaars) Lc 15,1
      1. οἱ ἁμαρτωλοι = hoi hamartôloi (de zondaars) Lc 15,1
  23. Ned : hand Arabisch : يد = jad (hand) Taalgebruik in de Qoran : jad (hand) D : Hand E : hand Fr : main Grieks : χειρ = cheir (hand) Taalgebruik in het NT : cheir (hand) ; cfr chirurgie, chiropraxie Hebreeuws : יָד = jâd (hand) Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) Lat : manus Oudengels : hentan (trachten te pakken) Oudnoors : henda (grijpen) Hand betekent dus 'grijper' , evenals het Griekse χειρ = cheir (hand) ; (g - ch ; r) In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) Uit het Hebreeuws : jatten (stelen) Portal (2008, 63) Horappollon 119
  24. ἁπας = hapas (ieder, allen, alles) Taalgebruik in het NT : hapas (ieder, allen, alles)
    1. nom mann mv ἁπαντες = hapantes Mc 1,27
  25. ἁπτω = haptô (vastgrijpen, aanraken) Taalgebruik in het NT : haptô (vastgrijpen, aanraken) Mc 3,10
    1. act conjunct aor 3de pers mv ἁψωνται = hapsôntai (zij zouden aanraken) Mc 3,10
    2. act ind aor 3de pers enk ἡψατο = hèpsato (hij greep vast; hij raakte aan) Mc 1,41
    3. αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen)
      1. act imperat aor 2de pers mv αφαψετε = afapsete (bindt af - bindt op) Bijbel (1) : Dt 11,18
  26. הַר = har (berg) Taalgebruik in Tenakh : har (berg ) Ex 34,2
    1. הָהָר = hâhâr (de berg) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Ex 34,2
    2. mann mv stat construct הַרְרֵיו = harrëre(j) (de bergen van) Ps 133,3
    3. אֶל הַר = ´èl har (naar de berg van) Ex 34,2
      1. עַל רֹאשׁ הָהָר = `al ro´sj (op de top van) Ex 34,2
  27. hârag (doden, ombrengen) , zie Ex 2,15
  28. הָרָה = hârâh (zwanger worden, - zijn) Taalgebruik in Tenakh : härâh (zwanger worden, - zijn) Gn 16,11 Lc 1,31
    1. הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = hârâh wëjoladëth (zwanger zijnde en barende) Gn 16,11
      1. הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת בֵּן = hârâh wëjoladëth ben (zwanger zijnde en barende een zoon) Js 7,14
  29. harpazô (roven) , zie Mt 13,19
  30. bep lidw nom vr enk ἡ = hè of betrekk voornaamw dat vr enk ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of) Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord Mc 4,41 Lc 1,29 Lc 9,12
    1. ἡ δε = hè de ( echter) Lc 9,12
    2. gen vr enk της = tès (de) Mc 3,7 Lc 3,1
    3. bep lidw dat vr enk τῃ = tè(i) (de) Mc 1,23 Joh 1,43
    4. bep lidw acc vr enk την = tèn (de) Mc 1,14
      1. εις την = eis tèn (naar de)
    5. bepaald lidw dat vr mv ταις = tais Lc 1,5
    6. bepaald lidw nom vr mv αἱ = hai (de) Mc 6,2
    7. bep lidw acc vr mv τας = tas (de) Mc 1,39 Lc 24,50
  31. ἑαυτος = heautos (zichzelf) Taalgebruik in het NT : heautos (zichzelf)
    1. acc mann enk ἑαυτον = heauton (zichzelf) Mc 5,5
  32. Ned : hebben D : haben E : have Fr : avoir Grieks : εχω = echô (hebben, bezitten) Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT Lat : habere
  33. ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) Gn 4,24
  34. הֶבֶל = hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) Ook de persoonsnaam Abel Taalgebruik in Tenakh : hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) Gn 4,2
    1. וְהֶבֶל = wëhèbèl (en nietigheid , en Abel) < prefix voegwoord wë + Gn 4,2
    2. אֶל הֶבֶל = ´èl hèbhèl (tot Abel) Gn 4,8
  35. hèbhërôn (Hebron) , zie Gn 13,18
  36. Ned : hechten uit ouder heften D : haften Grieks : ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken) Taalgebruik in het NT : haptô (vastgrijpen, aanraken) Ook αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen) Hebreeuws : קָשַׁר = qâsjar (binden, verbonden zijn aan, samenzweren) Taalgebruik in Tenakh : qâsjar (binden)
  37. Ned : Heer Arabisch : رَب = rabb (God, Heer) Taalgebruik in de Qoran : rabb (God, Heer) Aramees : יוי = JWJ D : Herr E : Lord Fr : seigneur Grieks : κυριος = kurios (heer) Taalgebruik in het NT : kurios (heer) Hebreeuws : יהוה = JHWH Taalgebruik in Tenakh : JHWH Latijn : Dominus (Eerste medeklinker Gr k , Ned + D h ; tweede medeklinker : Gr + Ned + D : r )
  38. ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) Taalgebruik : hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen)
    1. act part praes gen mann enk ἡγεμονευοντος = hègemoneuontos Lc 3,1
  39. ἡγεμων = hègemôn (leider, heerser) Taalgebruik in het NT : hègemôn (leider, heerser)
    1. gen mann enkἡγεμονος = hègemonos (van de heerser) Mt 27,27
  40. ἡγεμονια = hègemonias (van de hegemonie , heerschappij) Zie : ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen)
  41. Ned : heilig Arabisch : qadîsj (heilig) D : heilig E : holy Fr : saint Gr : ἁγιος = hagios (heilig) Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) Hebreeuws : קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) Stat constr קְדוֹשׁ = qëdôsj Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) Latijn : sanctus
  42. εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) Telwoord Taalgebruik in het NT : heis (één) Lc 15,4
    1. nom mann enk εἱς Mc 14,51
      1. εἱς τις = heis tis (een zekere) Mc 14,51
      2. εἱς δε τις = heis de tis (een zekere echter) Mc 14,51
      3. εἱς των = heis tôn (één van de) Mc 12,28
    2. nom + acc onz enk ἑν = hen (één) Lc 15,4
      1. ἑν εξ = hen ex (één uit) Lc 15,4
    3. nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (bv op dag één) Lc 8,22
  43. ἑκατον = hekaton (honderd) Lc 15,4
    1. ἑκατον προβατα = hekaton probata (honderd schapen) Lc 15,4
    1. nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (bv op dag één) van het telwoord εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) Taalgebruik in het NT : telwoorden Lc 8,22
  44. ἑξ = hex Zie : Taalgebruik in het NT : ek (uit) Lv 25,3
    - hemels zie ouranios
  45. ἡλιας = èlias (Elia) Taalgebruik in het NT : èlias (Elia)
    1. acc mann enk ἡλιαν = èlian (Elia) Mc 15,35
  46. ἡλιος = hèlios (zon) Taalgebruik in het NT : hèlios (zon)
    1. nom mann enk ἡλιος = hèlios (zon) Mc 1,32
      1. ὁ ἡλιος = ho hèlios (de zon) Mc 1,32
    2. gen mann enk ἡλιου = hèliou Lc 4,40
      1. δυνοντος του ἡλιου = dunontos tou hèliou (bij de ondergaande zon) Lc 4,40
      2. δυνοντος δε του ἡλιου = dunontos de tou hèliou (echter bij de ondergaande zon) Lc 4,40
  47. persoonl voornaamw 3de pers mann mv הֵם = hem (hen) Taalgebruik in Tenakh : hem (hen)
    1. הֶמָּה = hemmâh (hen) Verlengde vorm
  48. ἡμεις (ons)
  49. Ned : hemel Arabisch : سَمَاة = samâ´ (hemel) Taalgebruik in de Qoran : samâ´ (hemel) D : Himmel E : heaven Fr : ciel Grieks : ουρανος = ouranos (hemel) Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) Hebreeuws : שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim / sjâmâjim (hemelen) Taalgebruik in Tenakh : sjâmajim (hemelen)
  50. ἡμερα = hèmera (dag) Taalgebruik in het NT : hèmera (dag)
    1. nom vr enk ἡμερα = hèmera (dag) Gn 1,5 Lc 9,12
      1. ἡ ἡμερα = hè hèmera (de dag) Lc 9,12
      2. ἡ δε ἡμερα = hè de hèmera (de dag echter) Lc 9,12
    2. gen vr enk + acc vr mv ἡμερας = hèmeras (dagen) Ex 20,9 Mc 5,5 Lc 4,2 Lc 15,13 Lc 21,37
      1. νυκτος και ἡμερας = nuktos kai hèmeras (nacht en dag) Mc 5,5
      2. ἡμερας εν = hèmeras en (dagen in) Lc 21,37
      3. πολλας ἡμερας = pollas hèmeras (vele dagen) Lc 15,13
        1. ου πολλας ἡμερας = ou pollas hèmeras (niet vele dagen) Lc 15,13
      4. τας ἡμερας = tas hèmeras (de dagen) Lc 21,37
        1. δε τας ἡμερας = de tas hèmeras (echter de dagen) Lc 21,37
    3. dat vr enk ἡμερᾳ
      1. tῃ ἡμερᾳ tῃ tritῃ = tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag , de derde) Gn 22,4 Ex 19,16
      2. εν εκεινῃ τῃ ἡμερᾳ = en ekeinè(i) tè(i) hèmera(i) (op die dag) Mc 4,35
    4. acc vr enk ἡμεραν = hèmeran Gn 1,5
    5. gen mv ἡμερων = hèmerôn Lc 8,22
      1. των ἡμερων = tôn hèmerôn (van de dagen) Lc 8,22
    6. dat vr mv ἡμεραις = hèmerais Lc 1,5
  51. hèmera (dag) , zie Joh 2,12 , Lc 1,5 , Mc 1,13 , Ex 2,23
    - hieron (tempel), zie Lc 24,53
  52. הֵן = hen (zie) Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) Dt 31,14
  53. הֶנֵּה = hinneh (zie) Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) Ex 23,20
  54. הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) Lc 1,31 Lc 24,4
    1. הִנָּךְ = hinnâkh (zie jij) < = hinneh + suffix persoonl voornaamw 2de pers vr enk Lc 1,31
    2. וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie) Lc 1,31
  55. hendeka (elf), zie Mt 28,16
  56. εὑρισκω = heuriskô (vinden) Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden)
    1. act ind praes 3de pers enk εὑρισκει = heuriskei (hij vindt) Joh 1,43
  57. ἑως = heôs (tot, totdat)  Taalgebruik in het NT : heôs (tot , totdat) Mc 15,33 ,
  58. heôs hou (totdat) , zie Lc 24,49
    - heôs (tot , totdat)
  59. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) Lc 1,5
    1. gen mann enk ἡρῳδου = hèrô(i)dou (van Herodes) Lc 1,5
    2. dat mann enk ἡρῳδῃ = hèrô(i)dè(i) (aan Herodes) Mc 6,18
  60. ἡρῳδιας = hèrô(i)dias (Herodias) Mc 6,19
    1. gen vr enk ἡρῳδιαδος = hèrô(i)diados (van Herodias) Mc 6,22
  61. εσθιω = esthiô (eten) Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) Gn 3,2
  62. ἑσπερα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT : hespera (avond)
    1. nom vr enk ἑσπερα = hespera (avond) Gn 1,5
    2. gen vr enk + acc vr mv ἑσπερας = hesperas ( 's avonds)
  63. ἑτοιμαζω = hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) Lc 22,12
  64. εὑρισκω = heuriskô (vinden) Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden)
    1. act ind aor 1ste pers enk of 3de pers mv εὑρον = heuron (ik vond of zij vonden) Mc 1,37 Lc 2,46 Lc 24,2
    2. act ind aor 2de pers enk εὑρες = heures (jij vondt) Lc 1,30
      1. εὑρες χαριν ( jij vondt genade) Lc 1,30
    3. act part aor nom mann enk εὑρων = heurôn (gevonden) Lc 15,5
    4. pass ind aor 3de pers enk εὑρεθη = heurethè (hij werd gevonden)
  65. Ned : daar (aanwijz bijw van plaats; da r) <-> hier (aanwijz bijw van plaats : hir; zie persoonl voornaamw hij) D : da <-> hier E : the-re <-> he-re Grieks : εκει (hier; Fr : ici; k - c -h) Arabisch : هناك = hunak (daar; h in Ned : hij) <-> هنا = huna (hier) Hebreeuws : שָׁם = sjâm (daar) Zie het werkw שָׂם = shâm (plaatsen, stellen)  Taalgebruik in Tenakh : shâm (plaatsen, stellen) Lat : ibi (daar) <-> hic (hier)
  66. ἱερατεια = hierateia (priesterschap) Taalgebruik in het NT : hierateia (priesterschap) Lc 1,9
    1. gen vr enk ἱερατειας = hierateias Lc 1,9
  67. nom mann enk ἱερευς = hiereus (priester) Taalgebruik in het NT : hiereus (priester) Lc 1,5
  68. ἱερον = hieron (heiligdom, tempel) Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel)
    1. nom + acc onz enk ἱερον = hieron (heiligdom, tempel) Lc 2,27
    2. gen onz enk ἱερου = hierou Lc 21,5
    3. dat onz enk ἱερῳ = hierô(i) Lc 21,37
      1. εν τῳ ἱερῳ = en tôi hierôi (in de tempel) Lc 21,37 Hnd 22,17
  69. ἱεροσολυμα = hierosoluma (Jeruzalem) Taalgebruik in het NT : Hierosoluma (Jeruzalem)  
    1. nom + acc onz mv ἱεροσολυμα = hierosoluma (Jeruzalem) Lc 13,22
      1. απο ἱεροσολυμα = apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) Mc 3,8
      2. εις ἱεροσολυμα = eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) Mc 3,8
    2. -
      1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) Lc 17,11
      2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc 17,11
  70. Hierosoluma (Jeruzalem), zie Mt 2,1 In 9 verzen bij Matteüs: (1) Mt 2,1 (2) Mt 2,3 (3) Mt 3,5 (4) Mt 5,35 (5) Mt 16,21 (6) Mt 20,17 (7) Mt 20,18 (8) Mt 21,1 (9) Mt 21,10
  71. ἱματιον = himation (kleed) Taalgebruik in het NT : himation (kleed)
    1. nom + acc onz mv ἱματια = himatia (kleren) Mc 14,63
  72. ἱνα = hina (opdat, zodat) Voegwoord Taalgebruik in het NT : hina (opdat) Mc 3,2 Kol 2,2
    1. ἱνα μη = hina mè (opdat niet) Mc 3,9
    2. αυτοις ἱνα = hina autois (aan hen opdat) Mc 3,12
  73. הֶנֵּה = hinneh (zie) Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) Ex 23,20
    1. הִנְּךָ= hinnëkhâ (zie jij) < hinneh + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn 16,11
    2. הִנָּךְ = hinnâkh Gn 16,11
      1. הִנָּךְ הָרָה = hinnâkh hârâh (zie jij zwanger zijnde) Gn 16,11
        1. הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ = hinnakh hârâh wëjoladëth (zie zwanger zijnde en barende) Gn 16,11
          1. הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ נֵן = hinnâkh hârah wëjoladëth ben (zie jij zwanger zijnde en barende een zoon) Gn 16,11
    3. הִנְנִי = hinnënî (zie ik; zie hier ben ik) < hinneh + suffix pers voornaamw 1ste pers mann enk Mc 1,2
  74. histèmi (doen staan) , zie Lc 24,36
    1. ἑστηκότα (= hestèkota: staande; wkw act part perf acc onz enk van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan)
    2. σταθήσεσθε (= stathèsesthe:: jullie zullen gesteld worden / terechtstaan; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan)
  75. bepaald lidwoord nom mann enk ὁ = ho Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord
    1. bepaald lidwoord nom mann enk ὁ = ho Mc 1,14 Mc 2,28 Mc 4,41 Mc 9,7 Mc 10,52 Mc 15,39 Lc 15,27
      1. ὁ δε = ho de (hij echter) Mc 10,52 Mc 15,14 Lc 15,27 Lc 18,41
        1. ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) Lc 15,27 Lc 18,41
          1. ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) Lc 15,27
          2. ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen) Lc 18,29
        2. ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei) Lc 18,22
        3. ὁ ιησους ειπεν = ho ièsous eipen (Jezus zei) Lc 18,22
      2. δε ὁ = de ho (echter de) Mc 1,45 Mc 10,52
      3. και ὁ = kai ho (en de) Mc 1,45 Mc 10,52
    2. bep lidw nom + acc onz enk το = to (het) Mc 1,14 Mc 14,28
    3. bep lidw gen mann en onz enk του = tou Mc 5,2 Lc 17,1
    4. bep lidw dat mann + onz enk τῳ = tô(i) Mc 1,15 Mc 4,36 Lc 1,26 Lc 5,1 Lc 17,5 Lc 18,35
    5. bep lidw acc mann enk τον = ton (de) Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord Mc 1,14 Mc 3,9 Mc 14,53
    6. bepaald lidw nom mann mv οἱ = hoi Mc 1,22 Lc 15,1
      1. οἱ δε = hoi de (zij echter) Mc 3,4
    7. nom en acc onz mv τα = ta (de) Mc 7,24
    8. bep lidw gen m + vr + onz mv των = tôn (van de) Mc 3,6
    9. dat mann en onz mv τοις = tois Mc 3,9 Lc 1,79
    10. bep lidw acc mann mv τους = tous (de) Mc 3,34 Lc 9,16 Lc 15,5 Lc 17,1 Lc 18,9
  76. hôd (eer, majesteit, glorie), zie Ps 145,5 - hôd (pracht, glans, majesteit), zie Ps 8,2
  77. ὁδος = hodos (weg) Taalgebruik in het ΝΤ : hodos (weg)
    1. acc vr enk ὁδον = hodon (weg) Mc 1,2
      1. παρα την ὁδον = para tèn hodon (langs de weg) Mc 4,4
  78. hogepriesters zie archiereis
    - hoj (wee) Taalgebruik in Tenach : hoj (wee) Taalgebruik in Amos : hoj (wee)
  79. ὁλος = holos (heel) Taalgebruik in het ΝΤ : holos (heel)
    1. nom vr enk ὁλη = holè (heel) Mc 1,33
    2. acc vr enk ὁλην = holèn (heel) Mc 1,39
      1. εις ὁλην = eis holèn (naar heel) Mc 1,39
      2. ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) Mc 1,39
  80. homoioô (vergelijken met, gelijken op) , zie Mt 13,24
    - homothumadon (eensgezind) , zie Hnd 1,14
  81. Ned : hond D : Hund Fr : chien Gr : κυων OF κυνος = kuôn of kunos Latijn : canis (c - k - ch - h) IE : cu Litouws : suo Russisch : suka (teef)
    - Arabisch : الكلب = alkalb (de hond) Hebreeuws : כֶלֶב = kèlèbh (hond) Taalgebruik in Tenakh : kèlèbh (hond)
    - E : dog
  82. Ned : honderd Aramees : מְאָה = mëâh (honderd, 100) Arabisch : مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) D : hundert E : hundred Fr : cent Grieks : ἑκατον = hekaton (honderd, 100) Hebreeuws : מֵאָה = me´âh (honderd) Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) Latijn : centum (honderd, 100)
  83. Ned : hoofd < Lat : caput , capitis ; h/k , f/p , d/t D : Koph ; c/k , p/ph E : head Zie Fr : chef (degene die aan het hoofd staat) < Lat : caput ; ch/c , p/f
    - Fr : tête < Lat : testa (vr enk van testus, a, um < tegere : dekken ; t/g , g/k) Is tête = bedekt ? Het hoofd dat bedekt is ?
    - Gr : καρα = kara (hoofd) Proto-Indo-Europees : krh-(e)s-n- ('hoofd') Zie Ned : hersenen , k/h Sanskriet : sirsn-as
    - Arabisch : رئيس (rajîsj) Hebreeuws : רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin) Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin)
    - Fr : bout (uit-einde, uiterst punt , top (metathesis: b-t/ t-p) Lat : pungere , pupugi , punctum In het Hiërglyfisch stelt een hoofd in profiel de ideogram voor met de klankwaarde pt ; b/p
  84. ὁπως = hopôs (opdat) Taalgebruik in het ΝΤ : hopôs (opdat) Mc 3,6
    1. ὁπως αυτον = hopôs auton (zodat hem) Mc 3,6
  85. ὁπου = hopou (waar) Taalgebruik in het NT : hopou (waar) Mt 6,19
  86. ὡρα = hôra (uur) Taalgebruik in het NT : hôra (uur)
    1. gen vr enk ὡρας = hôras (uur) Mc 15,33
    2. nom + dat vr enk ὡρα / ὡρᾳ = hôra(i) (uur) Mc 15,34
  87. ὁραω = horaô (zien) Taalgebruik in het NT : horaô (zien)
    1. pass ind aor 3de pers enk ωφθη = ôfthè (hij verscheen, hij werd gezien) Gn 12,7
  88. horaô (zien) , zie Mc 16,7
    - Horeb , zie Ex 3,1
  89. Ned: horen. Horen en oor zijn verwant met elkaar oor < Lat aus , auris , zie Gr ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis. Lat : auscultare (het oor lenen aan, toehoren, aanhoren) -> écouter. Arabisch : سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen). Taalgebruik in de Qoran : sami`a (luisteren, horen). D: hören. E: to hear. Fr: écouter. Grieks: ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô. (horen) Hebreeuws : שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren).
  90. ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) Taalgebruik in het NT : horkizô (laten zweren, beëdigen)
    1. act ind praes 1ste pers enk ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) Mc 5,7
  91. ὁρκος = horkos (eed) Taalgebruik in de Bijbel : horkos (eed) Dt 7,8
    1. ὁρκον ὁν = horkon hon (de eed die) Dt 7,8
  92. betrekk voornaamw ὁς (die)
    1. betrekk voornaamw nom mann enk ὁς = hos (die) Mc 3,35 Kol 2,10
      1. ὁς γαρ = hos gar (want wie) Mc 3,35
        1. ὁς γαρ αν = hos gar an (want wie zou) Mc 3,35
        2. ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) Mc 6,22
      2. ὁς δ' αν = hos d' an (wie echter zou) Mc 3,35
      3. ὁς εστιν = hos estin (die is) Kol 2,10
        1. ὁς εστιν ἡ κεφαλη = hos estin hè kefalè (die is het hoofd) Kol 2,10
      4. ὁς την = hos tèn (die de) Mc 5,3
    2. acc vr enk ἡν (die) Lc 13,11
  93. ὡς = hôs (zoals, zodra) Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) Mc 4,36
    1. ὡς και = hôs kai (zoals ook) Mt 6,12
  94. ὁσος = hosos (zo groot als) Taalgebruik in het ΝΤ : hosos (zo groot als) Mc 3,8
    1. nom +  acc onz mv ὁσα = hosa Mc 3,8
      1. παντα ὁσα = panta hosa (al wat) Mc 6,30
  95. -
    1. ὁστις γαρ αν = hostis an (want wie zou) Mc 3,35
  96. ὁταν = hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) Mc 13,7 Lc 21,7
    1. ὁταν δε = hotan de (telkens wanneer echter, wanneer echter, zodra echter) Mc 13,7 Lc 21,7
    2. και ὁταν = kai hotan (en telkens wanneer, en wanneer, en zodra) Mc 13,7 Lc 21,7
  97. ὁτε = hote (toen) Taalgebruik in het NT : hote (toen) Mt 26,1 Mc 1,32
    1. και ὁτε = kai hote (en toen) Mc 4,10
  98. ὁτι = hoti (dat, omdat) Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) Mc 16,7 Lc 15,27 Lc 15,32 Lc 19,7
    1. ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) Lc 15,24
    2. ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) Lc 15,7
  99. hoti (dat, omdat) hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16
    - hosa (wat) , zie Mt 13,44
  100. ὡς = hôs (zoals, zodra) ,
    - hôsjeà (Hosea) Taalgebruik in Tenach : hôsjeà (Hosea) Taalgebruik in Hosea : hôsjeà (Hosea) Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 381 (3 X 127) -Gr ôsèe (Hosea) Taalgebruik in de Septuaginta : ôsèe (Hosea)
    - hôsper (zoals)
  101. ὡste = hôste (zodat) Taalgebruik in het NT : hôste (zodat) Mc 1,27
  102. οὑτος = houtos (deze) Taalgebruik in het NT : houtos (deze) Lc 22,42
    1. aanwijz voornaamw nom mann enk οὑτος = houtos (deze) Taalgebruik in het NT : houtos (deze) Mc 2,7 Lc 15,24
      1. οὑτος εστιν = houtos estin (deze is) Mc 4,41
      2. οὑτος ὁ = houtos ho (deze de) Lc 15,24
        1. οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) Lc 15,24
      3. οὑτος οὑτως = houtos houtôs (deze zo) Mc 2,7
      4. ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) Lc 15,24
        1. ὁτι οὑτος ὁ = hoti houtos ho (dat deze de) Lc 15,24
    2. nom en acc onz enk τουτο = touto (dit) Mt 1,22 Mc 1,27 Lc 22,15 Lc 22,42
      1. τι εστιν τουτο = ti estin touto (wat is dit?) Mc 1,27
      2. τουτο δε = touto de (dit echter) Mt 1,22
        1. τουτο δε ὁλον γεγονεν = touto de holon gegeonen (dit geheel echter gebeurde) Mt 1,22
    3. aanwijz voornaamw dat mann en onz enk τουτῳ = toutô(i) Mc 6,2
    4. acc vr enk ταυτην = tautèn Lc 15,3
    5. nom en acc onz mv ταυτα = tauta (deze dingen) Lc 24,36 Joh 5,1
      1. ταυτα δε = tauta de (die dingen echter) Lc 24,36
        1. ταυτα δε αυτου λεγοντος = tauta de autou legontos = terwijl hij echter die dingen zegt Lc 24,36
        2. ταυτα δε αυτων λαλουντων = tauta de autôn lalountôn = terwijl zij echter die dingen spraken Lc 24,36
        3. ταυτα γινεσθαι = tauta ginesthai (dat die dingen gebeuren) Lc 21,7
        4. ταυτα γενεσθαι = tauta genesthai (dat die dingen gebeurden) Lc 21,7
      2. δε ταυτα = de auta (echter die dingen) Lc 24,36
        1. ακουσας δε ταυτα= akousas de tauta (die dingen echter gehoord) Lc 24,36
        2. ηκουον δε ταυτα= èkouon de tauta (zij hoorden echter die dingen) Lc 24,36
        3. μετα δε ταυτα = meta de tauta (na die dingen echter) Lc 24,36
  103. οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) Taalgebruik in het NT : houtos (zo) Gn 1,7 Mc 2,7 Lc 12,21 Lc 15,10 Hnd 12,8
    1. ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) Lc 15,7
  104. houtos (deze) , zie Hnd 1,14
    - houtôs (zo, op zo'n wijze) In 14 verzen bij Johannes, zie Joh 3,16 : (1) Joh 3,8 (2) Joh 3,14 (3) Joh 3,16 (houtôs hôste : zo dat) (4) Joh 4,6 (5) Joh 5,21 (hôsper houtôs : zoals zo) (6) Joh 5,26 (hôsper houtôs : zoals zo) (7) Joh 7,46 (8) Joh 11,48 (9) Joh 12,50 kathôs (zoals) houtôs (zo) (10) Joh 13,25 (11) Joh 14,31 (12) Joh 15,4 kathôs (zoals) houtôs (zo) (13) Joh 18,22 (14) Joh 21,1 - houtôs (zo, op deze wijze) In 32 verzen bij Matteüs, zie Mt 21,6
  105. הוּא = hû´ (hij, di) Taalgebruik in Tenakh : hû´(hij, di) Mc 1,23
    1. וְהוּא =wëhû´ (en hij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl voornaamw 3de pers mann enk Lc 8,22
  106. ὑδωρ = hudôr (water) Taalgebruik in het NT : hudôr (water)
    1. nom onz enk ὑδωρ = hudôr (water) Gn 1,9
    2. gen onz enk ὑδατος = hudatos (van water) Gn 1,6
      1. επανω του ὑδατος = epanô tou hudatos (bovenop het water) Gn 1,2
    3. nom en acc onz mv ὑδατα = hudata Gn 1,20
    4. gen onz mv ὑδατων = hudatôn Gn 1,10
  107. Ned : huis : indogermaanse basis met de betekenis van "bedekken" (dak) Hiervan zijn ook afgeleid Latijn cus-tos (bewaker) , Grieks κευθω = keuthô (bedekken, verbergen) , E to hide (verbergen) D : Hause E : house Fr : maison < mansio (verblijf) -> manere (blijven, verblijven) Grieks : οικος = oikos (woning) Taalgebruik in het NT : oikos (huis) Hebreeuws : בַּיִּת = bajith (huis) Taalgebruik in Tenakh : bajith (huis) Lat : domus (domi-nus : het huis betreffende , heer) In het hieroglyfisch geeft een soort huis met binnentuin de klankwaarde pr weer In Gn 2,9 wordt het Hebreeuwse gan vertaald naar het Griekse paradeisos
  108. υἱος = huios (zoon) Taalgebruik in het NT : huios (zoon)
    1. nom mann enk υἱος = huios (zoon) Taalgebruik in het NT : huios (zoon) Mt 3,17 Mc 1,11 Lc 1,32 Lc 15,13 Lc 15,24
      1. ὁ υἰος = ho huios (de zoon) Lc 15,24
        1. οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) Lc 15,24
      2. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) Lc 15,24
      3. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) Lc 15,24
        1. ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) Mc 1,11
      4. ὁ υἰος αυτου = ho huios autou (de zoon van hem = zijn zoon) Lc 15,25
    2. voc mann enk υἰε = huie (zoon) Mc 5,7
      1. υἰε του θεου = huie tou theou (zoon van God) Mc 5,7
    3. gen mann enk υἰου = huiou (zoon) Mc 1,1 Rom 8,32
      1. υἰου θεου = huiou theou (zoon van God) Mc 1,1
      2. του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) Rom 8,32
      3. του ὑιου σου = tou huiou sou (jouw zoon) Gn 22,16
        1. του ὑιου σου του αγαπητου = tou huiou sou tou agapètou (jouw zoon, jouw geliefde) Gn 22,16
      4. του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) Rom 8,32
    4. acc mann enk υἱον = huion Lc 1,31
      1. τον ὑιον σου τον αγαπητον = ton huion sou ton agapèton (jouw zoon, jouw geliefde)
      2. τον υἱον αυτου = ton huion autou (zijn zoon) Gal 1,16
    5. acc mann mv υἱους = huious (zonen) Lc 15,11
      1. δυο υἱους = duo huious (twee zonen) Lc 15,11
  109. ὑμεις = humeis (jullie) Zie Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord
    1. persoonl voornaamw 2de pers nom mann mv ὑμεις = humeis (jullie) Mc 6,37 Lc 9,13
    2. persoonl voornaamw 2de pers gen mv ὑμων = humôn (van jullie) Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord Lc 15,4
    3. dat mann mv ὑμιν = humin Jud 1,2
  110. ὑπο = hupo (door) Afkorting : ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf' Taalgebruik in het NT : hupo (door)
    1. ὑπ' αυτου = hup' autou (door hem) Mc 5,4
  111. ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) Taalgebruik in het ΝΤ : hupagô (onder iets brengen, weggaan)
    1. act imperat  praes 2de pers enk ὑπαγει = hupage (ga weg, vertrek) Mc 5,19
      1. ὑπαγει εις = hupage eis (ga weg, vertrek naar) Mc 5,19
  112. ὑπακουω = hupakouô (luisteren, antwoord geven, gehoorzamen) Lc 8,25
    1. act ind praes 3de pers enk ὑπακουει = hupakouei (hij gehoorzaamt) Mc 4,41
    2. act ind praes 3de pers mv ὑπακουουσιν = hupakouousin (zij gehoorzamen) Lc 8,25
  113. ὑπανταω = hupantaô (tegemoet komen, ontmoeten) Taalgebruik in het NT : hupantaô (tegemoet komen, ontmoeten)
    1. act ind aor 3de pers enk ὑπηντησεν = hupèntèsen (hij ontmoette) Mc 5,2
  114. huparchô (zijn) , zie Lc 23,50
  115. ὑπνοω = hupnoô (dromen) Taalgebruik in het NT : hupnoô (dromen) Lc 8,23
    1. act ind aor 3de pers enk ὑπνωσεν = hupnôsen (hij droomde) Lc 8,23
  116. ὑψιστος = hupsistos (allerhoogste) Taalgebruik in het NT : hupsistos (allerhoogste)
    1. του θεου του ὑψιστου = tou theou tou hupsistou (van de allerhoogste God ) Mc 5,7
      1. υἰε του θεου του ὑψιστου = huie tou theou tou hupsistou (zoon van de allerhoogste God ) Mc 5,7
  117. ὑπολειπω = hupoleipô (achterlaten, overlaten) Gn 32,25
    1. pass ind aor 3de pers enk ὑπελειφθη = hupeleiphthè (pass : achterblijven, overblijven; hij bleef achter) Gn 32,25
  118. ὑπομείνας (= hupomeinas: ondergaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ὑπομενω = hupomenô: achterblijven, afwachten, geduldig doorstaan, ondergaan)
  119. ὑποστρεφω = hupostrefô (omkeren, terugkeren) Lc 8,37
    1. act ind aor 3de pers enk ὑπεστρεψεν = hupestrepsen (hij keerde terug) Lc 8,37
  120. hupostrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


I

  1. י ִ : een punt onder een medeklinker , gevolgd door de medeklinker יוֹד = י (jôd) duidt een lange i-klank aan
  2. אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord : waar ? אִי = ´î (ie) kan verschillende betekenissen hebben : 1 vragend woord : waar ? 2 zelfstandig naamw : eiland Taalgebruik in Tenach : ´î (eiland) 3 zelfst naamw : een diersoort bv nachtuil 4 tussenwerpsel : de uitroep wee 5 bijwoord : niet Jouön 1965 , 88A Het is een zelfstandig naamw met slechts één medeklinker , nl de aleph Taalgebruik in Tenakh : ´î =´ie (waar?)
    1. אַיִן= ´ajin (waar) = אַיֵה = ´ajeh
    2. מֵאַיִן = me´ajin (vanwaar?)
    3. MH : = lë´ân (waarheen?) BH : אָנָה = ´ânâh (waarheen?)
  3. - iaomai (genezen) , zie Mt 15,28
  4. ιχθυς = ichthus (vis) Taalgebruik in het NT : ichthus (vis)
    1. acc vr mv ιχθυας = ichthuas (vissen)
  5. idios (eigen) , zie Mc 4,34
    - idôn (gezien) , zie Mt 2,16
    - Ioudaia (Judea) , zie Mt 2,1
  6. ιδου = idou (zie) Taalgebruik in het NT : idou (zie) Dt 31,14 Mc 4,3
    1. ιδου συ = idou su (zie jij) Gn 16,11
  7. idou (zie) idou (zie) , zie Mt 1,20
  8. Ned : ik (Grieks e-g) Arabisch : أنا ´anâ (ik) ; Taalgebruik in de Qoran : ´anâ (ik) Aramees : אנה = ´änâh (ik) Fr : je D : Ich E : I Fr : je Grieks : εγω ειμι = egô eimi (ik ben) Taalgebruik in het NT : egô (ik) Hebreeuws : אָנֹכִי = ´ânokhî (ik) Zie : אֲנִי = ´änî (ik) Taalgebruik in Tenakh : ´änî (ik) Lat : ego sum (ik ben) In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord Eerste letter : Hebr + Ar : a ; Gr + Lat : e ; Ned + D + E : i Tweede letter Hebr 3de letter : kh ; Gr + Lat : g ; Ned : k ; D ch ) Lat : ego sum (ik ben) In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord
  9. עִם = ´im (indien, ofschoon)
    1. עִמּוֹ = `immô (met / tegen hem) < voorzetsel `im + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk
  10. -
  11. Ned in Arabisch : فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran : fi D : in E : in Fr : en Grieks : εν = en (in, tijdens) Hebreeuws : בְּ = bë
  12. zelfst naamw vr enk אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) Taalgebruik in Tenakh : ´isjsjâh (vrouw)
    1. הָאִשָּׁה = hâ'isjsjâh (de vrouw) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw vr enk Gn 3,15
    2. vr enk stat construct אֵשֶׁת = 'esjèth (de vrouw van) Gn 11,29
      1. אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) Gn 11,29
        1. שָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = shâraj ´esjèth ´abhërâm (Sara, de vrouw van Abram) Gn 16,1
        2. וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = wëshâraj ´esjèth ´abhërâm (en Sara, de vrouw van Abram) Gn 16,1
      2. אֵשֶׁת אָחִיו = 'esjèth ´achîw (de vrouw van zijn broer)
    3. mann mv נָשִׁים = nâsjîm (vrouwen) bij het zelfst naamw אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) Gn 4,19
  13. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man)
    1. mann enk אִישׁ = ´îsj (man, ieder) Gn 32,25
      1. אִישׁ אֶחַד = ´îsj ´èchâd (een bepaalde man) Nu 13,2

J

  1. יָעַל = jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben , iets bereiken) Taalgebruik in Tenakh : jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben , iets bereiken)
    1. act hifil jiqtol (imperf) 3de pers mann enk יוֹעִיל = jô`îl (hij zal baat hebben)
  2. יַעֳקֹב =ja`äqobh (Jakob) Taalgebruik in Tenakh : Ja`äqobh (Jakob) Gn 32,25
  3. Ned : jaar Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) D : Jahr E : year Fr : an of année Grieks : ετος = etos (jaar) Taalgebruik in het NT : etos (jaar) Hebreeuws : שָׁנָה = sjânâh (jaar) Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) Latijn : annus (jaar)
  4. - jâ`ats (raden, besluiten) , zie Ps 1,1
  5. יָבַשׁ = jâbasj (droog worden of zijn , verdorren) Taalgebruik in Tenakh : jâbasj (droog worden of zijn , verdorren)
    1. zelfst naamw יַבָּשָׁה = jabbâsjâh (droog land, land, het droge)
      1. הַיַּבָּשָׁה = jabbâsjâh (het droog land, het land, het droge) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Gn 1,9
        1. לַיַּבָּשָׁה = lajjabbâsjâh (tot het droge) < prefix voorzetsel lë + prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn 1,10
  6. יַבֹּק = jabboq (Jabbok) Taalgebruik in Tenakh : jabboq (Jabbok)
    1. הַיַּבֹּק = hajjabbok (de Jabbok) Gn 32,23
  7. יָחַם = jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) Taalgebruik in Tenakh : jâcham (verhit zijn, bronstig zijn)
    1. וַיֵּחַמְנָה = wajechamënâh (het werd bronstig) < waw consecutivum + act qal imperf 3de pers vr mv
  8. יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) Taalgebruik in Tenakh : jachëdâw (tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) Gn 22,6
  9. יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) Taalgebruik in Tenakh : jâchîd (enig, eenzaam, verlaten)
    1. יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel voornaamw 2de pers mann enk + bijvoegl naamw Gn 22,16
  10. יָד = jâd (hand) Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand)
    1. יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,8
      1. עַל יָדֶךָ = `al jâdèkhâ (op jouw hand) Dt 6,8
    2. יָדָיו = jâdâ(j)w (zijn handen) zelfst naamw mann mv stat construct jâd (hand) + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Dt 34,9 Lc 24,50
    3. מִיַּד אֹיְבִינוּ = mijjad ´ojëbhe(j)nû (uit de hand van onze vijanden) Lc 1,74
  11. יָדַע = jâda` (kennen, weten) Taalgebruik in Tenakh : jâda` (kennen, weten)
    1. act qal imperf 1ste pers enk אֵדַע = ´eda` (ik zal weten/kennen) Gn 15,8
  12. - jâd`a (kennen, weten) , zie Jr 1,5
  13. יָדָה = jâdah (loven, prijzen) Taalgebruik in Tenakh : jâdah (loven, prijzen)
    1. act hifil perf 3de pers vr enk הוֹדָה = hôdâh (zij lofprijst)
    2. act hifil imperf 3de pers mann enk יוֹדֶה = jôdèh (hij zal lofzingen)
    3. act hifil imperf 1ste pers enk אוֹדֶה = ´ôdèh (ik zal lofzingen, ik loof) Ps 111,1
    4. act hifil imperf 3de pers mann mv יוֹדוּ = jôdû (zij loven)
    5. act hifil imperat 2de pers mann mv הוֹדוּ = hôdû (looft, prijst)
    6. וּמוֹדֶה = ûmôdèh (en de lofprijzende) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm hifil part mann enk
  14. יָהַב = jâhab (geven, aanstellen) Taalgebruik in Tenakh : jâhab (geven, aanstellen)
    1. act qal imperat 2de pers vr enk הָבִי = hâbhî (geef)
  15. ָקָע = jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) Taalgebruik in Tenakh : jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van)
  16. יָלַד = jâlad (voortbrengen) Zie het zelfst naamw יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte , kind Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind Lc 1,31
    1. actief perfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud יָלְדָה = jâlëdâh (zij baarde) Gn 16,1
      1. אֲשֶׁר יָלְדָה = äsjèr jâlëdâh (die zij baarde) Gn 16,15
    2. וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) < prefix voegwoord wë consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Gn 5,3
    3. וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = wëjoladëth / wëjolèdèth (en barende) < prefix verbindingswoord wë + act qal part vr enk Gn 16,11 Lc 1,31
      1. וְיֹלֶדֶת בֵּן = wëjolèdèth ben (en barende een zoon) Js 7,14
    4. בְּלֶדֶת = bëlèdèth (bij het baren van, toen baarde) < prefix voorzetsel bë + act qal inf construct
  17. יָם = jâm (zee, meer, stroom) Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom)
    1. הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw ha + zelfst naamw יָם = jam Ex 15,19
    2. mann mv יַמִּים = jammîm (zeeën)
    3. מִיַּם = mijjam (van de zee van) < prefix voorzetsel min + zelfst naamw יָם = jâm (zee, meer, stroom) Ex 23,31
  18. יָנַק = jânaq (zuigen, genieten) Taalgebruik in Tenakh : jânaq (zuigen, genieten) Lc 1,41
    1. act qal part praes mann יוֹנֵק = jôneq (de zuigende, zuigeling) Lc 1,41
  19. יָפָה = jâphâh (mooi) Taalgebruik in Tenakh : jâphâh (mooi)
  20. יָקָע = jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van) Taalgebruik in Tenakh : jâqâ` (verwrongen worden , ontwrichten , zich vervreemden van)
  21. יָקַר = jâqar (kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn) Taalgebruik in Tenakh : jâqar (kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn)
  22. יָרָא = jârâ´ (vrezen, eerbied hebben) Taalgebruik in Tenakh : jârâ´ (vrezen, eerbied hebben)
    1. וַיִּירְאוּ = wajjîr´û (en zij vreesden) < prefix verbindingswoord wa + act qal imperf 3de pers mann mv Mc 5,15
    2. act ind imperf 2de pers mann enk תִירָא = thîrâ´ (jij zult vrezen) Dt 6,13
      1. תִירָא אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ = thîrâ´ ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ (jij zult vrezen JHWH, jouw God) Dt 6,2
      2. אַל תִירָא = ´al thîrâ´ (vrees niet) Lc 1,13 Lc 2,10
      3. אַל תִירָאוּ = ´al thîrâ´û (vreest niet) Lc 1,13 Lc 2,10
      4. act qal part mann enk יָרֵא = jâre´ (vrezende)
  23. יָרָה = jârâh (1 werpen 2 doen regenen 3 onderwijzen) Taalgebruik in Tenakh : jârâh (1 werpen 2 doen regenen 3 onderwijzen)
    1. מוֹרַי = môraj (mijn meermeester) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk
  24. יָרָבְעָם = jârâbhë`âm (Jerobeam) Taalgebruik in Tenakh : jârâbhë`âm (Jerobeam)
  25. יָרַד =jârad (afdalen, afstijgen, vallen) Taalgebruik in Tenakh : järad (afdalen, afstijgen, vallen) Lc 8,23
    1. act qal imperf 1ste pers enk אֵרֵד = ´ered ( ik daalde af) Lc 8,23
    2. prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 1ste pers enk וָאֵרֵד = wâ´ered (en ik daalde af) Lc 8,23
    3. verbindingswoord wa + werkwvorm act ind imperf 3de pers mann enk וַיֵּרֶד = wajjerèd (en hij daalde - neer -) Lc 8,23
      1. act qal part mann enk יֹרִד = jored (afdalende) Ps 133,2
    4. act qal imperat 2de pers mann enk רֵד = red (daal af)
    5. שֶׁיֹּרֵד = sjèjjored (die neerdalende) < prefix betrekk voornaamw + act qal part mann enk Ps 133,2
  26. jârasj (erven, bezitten, in bezit nemen) Taalgebruik in Tenakh : (erven, bezitten, in bezit nemen)
  27. יַּרדֵןְ = jarëden (Jordaan) Taalgebruik in Tenakh : jarëden (Jordaan) Mc 3,8
  28. jâsad (zetten; beraadslagen) , zie Ps 2,2
  29. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) Ef 1,1
    1. act hifil imperfect 3de pers enk יוֹשִׁיעַ = jôsjî`a (hij zal redden) Mt 1,21
    2. וְיֹשִׁעֵנוּ = wëjosji`enû (en dat hij ons zal redden) < prefix verbindingswoord wë + act hifil jussief 3de pers enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mv Lc 1,74
    3. מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende, de redder ) act part hifil nom mann enk Mc 1,1
  30. יָשַׁב = jâsjabh (wonen) Taalgebruik in Tenakh : jâsjabh (wonen)
    1. act qal perf 3de pers mann enk יָשַׁב = jâsjabh (hij verbleef) Gn 13,12
    2. act qal imperat 2de pers mann enk שִׁב = sjeb (zit, blijf)
    3. act qal imperat 2de pers vr enk שְׁבִי = sjëbhi (zit, blijf)
    4. בְּשִׁבְתְּךָ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou) < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf construct + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,7
      1. בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ bëbthe(j)thèkhâ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou in jouw huis) Dt 6,7
        1. בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ בְּשִׁבְתךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ = bësjibhëthëkhâ bëbthe(j)thèkhâ ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch ûbhësjâkhëbëkhâ ûbëqûmèkhâ (in het zitten van jou in jouw huis en in jouw gaan op de weg en in jouw zitten en in jouw opstaan) Dt 6,7
    5. act hifil imperf 3de pers mann enk יוֹשִׁיב = jôsjîbh (hij deed wonen/blijven/verblijven)
  31. jâsjab (wonen) , zie katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13
    - Jasôn (Jason) , zie Hnd 17,7
  32. יָשַׁר = jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn) Taalgebruik in Tenakh : jâsjar (recht zijn , rechtuit gaan , rechtschapen zijn)
    1. וַיִּשַּׁרְנָה = wajjisjsjarënâh (en ) < waw consecutivum + act; qal imperf 3de pers vr mv 1 S 6,12
  33. יָתַר = jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven) Taalgebruik in Tenakh : jâthar (overblijven , over hebben , overvloed geven)
    1. prefix voegwoord wa-consecutivum + pass nifal imperf 3de pers mann enk וַיִּוָּתֵר = wajjiwwâther (en hij werd achtergelaten) Gn 32,25
  34. יָצָא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken)
    1. act qal qatal (perf) 3de pers mann enk יָצָא = jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) Gn 25,26
    2. act qal perf 3de pers mann mv יָצְאוּ = jâtsë´û (zij gingen uit) Gn 10,14
      1. יָצְאוּ מִשָּׁם = jâtsë´û misjsjâm (zij gingen uit vandaar) Gn 10,14
    3. וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mann enk Mc 2,13
      1. וַיֵּצֵא מִשָּׁם = wajjetse´ misjsjâm (en vandaar ging hij uit) Mc 6,1
    4. וַיֵּצְאוּ = wajjetsë´û (en zij gingen uit) : waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk meervoud Gn 12,5
    5. -
      1. בְּצֵאת = bëts´eth (in uittrekken) < voorzetsel bë + act qal inf stat construct Ps 114,1
      2. בְּצֵאתוֹ = bëtse´thô (in het buitengaan hem = toen hij buitenging uit) < prefix voorzetsel bë + act inf constr + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
    6. הוֹצִיא = hôtsî´ (hij deed uitgaan) : (1) act hifil perf 3de pers mann enk OF (2) act hifil imperatief 2de pers enk Ex 12,51 Lc 24,50
      1. יְהוָה הוֹצִיא = hôtsî´ JHWH (JHWH deed uitgaan) Ex 12,51
        1. הוֹצִיא יְהוָה אֶתְכֶם = hôtsî´ JHWH ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) Lc 24,50
        2. יְהוָה הוֹצִיא אֶתְכֶם = JHWH hôtsî´ ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) Lc 24,50
      2. הוֹצֵאתִיךָ = hôtse´thîkhâ (ik leidde je uit) < werkwoordvorm act hifil perf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Ex 20,2
        1. אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ = ´äsjèr hôtse´thîkhâ (die deed uitgaan) Ex 20,2
    7. act qal imperf 3de pers vr enk jussief תוֹצֵא = thôtse`(dat zij doet uitgaan)
    8. וַיּוֹצֵא = wajjôtse´ (en hij deed uitgaan) < waw consec + werkwvorm act hifil imperf 3de pers mann enk (jiqtol) Gn 48,12
    9. יוֹצִיאֵם = jôtsî´em (hij deed hen uitgaan) < werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv
    10. וַיּוֹצִיאֵם = wajjôtsî´em (en hij deed hen buitengaan) < wë consecutivum + werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Lc 24,50
    11. לְהוֹצִיא = lëhôtsî´ (om te doen uitgaan) <prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act hifil inf constr Js 42,7
  35. jâtsabh (zich stellen, toegang hebben) , zie Ps 2,2
  36. יָצַק = jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten) Taalgebruik in Tenakh : jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten)
    1. וַיִּצֹק = wajjitsoq (en hij goot uit) < prefix wa consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk Lv 8,12
  37. jâtsar (vormen) , zie Jr 1,5
    - jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen), zie Ps 38,22
  38. ιδου = idou (zie) Ps 133,1 Lc 1,31 Lc 24,4
    1. ιδου δυο = idou duo (zie 2) Lc 24,4
      1. ιδου δυο ανδρες = idou duo andres (zie 2 mannen) Lc 24,4
    2. ιδου ανδρες = idou andres (zie mannen) Lc 24,4
      1. ιδου oἱ ανδρες = idou hoi andres (zie de mannen) Lc 24,4
    3. και ιδου = kai idou (en zie) Lc 1,31
      1. και ιδου δυο = kai idou duo (zie 2) Lc 24,4
      2. και ιδου δυο ανδρες = kai idou duo andres (en zie 2 mannen) Lc 24,4
      3. και ιδου ανδρες = kai idou andres (en zie mannen) Lc 24,4
      4. και ιδου oἱ ανδρες = kai idou hoi andres (en zie de mannen) Lc 24,4
      5. και ιδου ανδρες δυο = kai idou andres duo (en zie 2 mannen) Lc 24,4
    4. ιδου συ = idou su (zie jij) Gn 16,11
  39. ιδυμαια = idumaia (Idumea) Taalgebruik in het NT : idumaia (Idumea)
    1. gen vr enk ιδυμαιας = idumaias (van Idumea) Mc 3,8
  40. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) Mc 3,7 Ef 1,1
    1. אֶל יְהוֹשֻׁעַ = ´èl jëhôsju`a (tot Jozua) Joz 2,23
      1. אֶל יְהוֹשֻׁעַ בִן נוּן = ´èl jëhôsju`a bin nûn (tot Jozua, zoon van Nun) Joz 2,23
  41. יְהוּדָה = jëhûdâh (Juda) Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) Lc 1,5
    - jëhôsju`a (Jozua) , zie Joz 5,9
  42. יֶרֶק = jèrèq (het groen bij planten) Taalgebruik in Tenakh : jèrèq (het groen bij planten) Gn 1,30
  43. ιερουσαλην = ierousalèm (Jeruzalem) Taalgebruik in het NT : ierousalèm (Jeruzalem) Lc 17,11
    1. εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma (naar Jeruzalem) Lc 17,11
    2. εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc 17,11
  44. יֵשׁ / יֶשׁ = jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn) Taalgebruik in Tenakh : jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn)
  45. יְשַׁעְיָהוּ = jësja`ëjâhû (Jesaja) Taalgebruik in Tenakh : jësja`jâhû (Jesaja)
    1. יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja, de profeet) 2 K 19,2
      1. יְשַׁעְיָהוּ בֶּן אָמוֹץ הַנָּבִיא = jësja`ëjâhû bèn ´âmôts hannabhî ´ (Jesaja, zoon van Amots, de profeet) 2 K 19,2
  46. ιησους = ièsous (Jezus) Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) Mc 5,15
    1. nom mann enk ιησους = ièsous (Jezus) Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) Mc 1,14 Mc 10,52 Lc 18,42
    2. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) Mc 10,52
      1. ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) Joh 5,1
      2. ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) Joh 5,1
      3. απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) Joh 5,1
      4. εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) Joh 5,1
      5. ερχεται ὁ Ιησους = erchetai ho Ièsous (Jezus komt) Joh 4,46
      6. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) Mc 10,52 Lc 18,40
      7. και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) Mc 10,52 Lc 18,42
        1. και ὁ ιησους ειπεν = kai ho ièsous (en Jezus) eipen (en Jezus zei) Lc 18,42
          1. και ὁ ιησους ειπεν αυτῳ = kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (en Jezus zei hem) Mc 10,52
      8. ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) Mc 10,52 Lc 18,42
        1. ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei ) Lc 18,42
          1. ὁ δε ιησους ειπεν αυτῳ = ho de ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) Mc 10,52
    3. gen mann enk ιησου = Ièsou (Jezus) Mt 14,1 Mc 1,1 Kol 1,1
      1. ιησου χριστου = Ièsou Christou (Jezus Christus) Mc 1,1 Kol 1,1
    4. acc mann enk ιησουν = Ièsoun (Jezus)
      1. τον ιησουν = ton ièsoun (Jezus) Mc 5,15
        1. προς τον ιησουν = pros ton Ièsoun (naar Jezus) Mc 5,15
  47. jithërô (Jetro) , zie Ex 3,1
  48. יהוה = JHWH Taalgebruik in Tenach : JHWH Ex 20,5 Dt 1,8 Dt 6,13 Js 61,9 Ps 84,2 Lc 4,18
    1. כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH) Dt 4,24
      1. כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) Dt 4,24
    2. אֵת OF אֶת יהוה = ´eth OF ´èth JHWH (JHWH) Dt 6,2
    3. אֲדֹנָי יהוה = ´ädonaj JHWH (Heer God) Lc 4,18
    4. יהוה אֱלֹהֵי = JHWH ´èlohe(j) = JHWH , de God van Lc 1,68
    5. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) Ex 20,2 Dt 5,12
      1. כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) Dt 4,4
      2. יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) Ex 20,12
      3. יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (JHWH, jouw God, die)
      4. Dt 6,2
        1. אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ תִירָא = ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ thîrâ´ (JHWH, jouw God , zal je vrezen) Dt 6,2
    6. יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, jullie God) Ex 20,2
    7. יהוה אֱלֹהֵינוּ = JHWH ´è:lohe(j)nû (JHWH, onze God) Dt 6,4
    8. בַּיהוה = bJHWH (in/aan JHWH) < bë + יהוה = JHWH Gn 15,6 Ps 35,9
    9. כַּיהוה = kJHWH < kë + JHWH Dt 4,7
      1. כַּיהוה אֱלֹהֵינוּ = kJHWH ´êlohe(j)nû (als JHWH , onze God) Dt 4,7
    10. לַיהוה = lJHWH (voor JHWH) < prefix voorzetsel lë + Ex 20,10
  49. יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) Mc 1,1
  50. Ned : in Arabisch : فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran : fi D : in E : in Fr : dans Grieks : εν = en (in, tijdens) Taalgebruik in het NT : en (in) Hebreeuws : בְּ = bë Lat : in
  51. inimicitia (vijandschap)
    1. acc vr enk inimicitiam Gn 3,15
    2. acc vr mv inimicitias Gn 3,15
  52. involvere , involvi , involutum (wentelen, rollen, wikkelen in) Lc 23,53
  53. bëne jisërâ`el (Israëlieten) , zie Ex 40,36
  54. ιωαννης = Jôannès (Johannes) Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes)
    1. ιωαννου = Jôannou (van Johannes) Mc 6,24 Hnd 12,12
    2. acc mann enk ιωαννην = Iôannèn (Johannes) Mc 1,14 Mc 6,17
  55. Iôannès (Johannes) 26X bij Matteüs 23X Johannes de Doper 3X Johannes, apostel - Iordanès (Jordaan 6X bij Matteüs)
  56. יוֹבֵל = jôbhel (ram / jobel , vergeving) Taalgebruik in Tenakh : jôbhel (ram / jobel , vergeving)
    1. בַיֹּבֵל = bajjobhel (in de jobel , in de vergeving) < prefix voorzetsel bë = bepaald lidw ha + zelfst naamw jobhel Lc 4,18
  57. jô´el (Joël) Taalgebruik in Tenach : jô´el (Joël) Taalgebruik in Joël : jô´el (Joël) Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , aleph = 1 c, lamed = 12 of 30 ; totaal : 29 OF 47 Gr iôèl (Joël) Taalgebruik in de Septuaginta : iôèl (Joël)
  58. יוֹם = jôm (dag) Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag)
    1. יוֹם = jôm (dag)
      1. אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag) Ex 20,8
    2. בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw ha) + יוֹם = jôm (dag) Gn 1,18 Gn 22,4
      1. בַּיּוֹם הַהוּא = bajjôm hahû´ (op die dag) Zach 12,3
        1. וְהָיָה בַּיּוֹם הַהוּא = wëhâjâh bajjôm hahû´ (en het zal zijn op die dag) Zach 12,3
      2. בַּיּוֹם הַשְּׁביעִי = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag) Lv 23,3
        1. וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag) Lv 23,3
      3. בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי = bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag)
    3. הַיּוֹם = hajjôm (de dag, vandaag) < bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn 1,14 Mt 6,11
      1. הַיּוֹם הַזֶּה אָהֵל = hajjôm hazzeh ´âchel (deze dag begin ik) Dt 2,25
    4. וְיוֹם = wëjôm (en op de dag) < prefix voegwoord wë + zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Ex 20,10
      1. וְיוֹם הַשְּׁבִיעִי = wëjôm hasjsjëbhî`î (en 'op' de zevende dag) Ex 20,10
    5. mann mv יָמִים = jâmîm (dagen) Lv 23,3 Lc 8,22
      1. stat constr mann mv יְמֵי = jëme(j) (dagen van)
      2. הַיָּמִים = hajjâmîm (de dagen) < prefix bepaald lidw ha + nom mann mv van het zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Lc 8,22
        1. בְּאַחֱרִית הַיָּמִים = bë´achärîth hajjâmîm (in de laatste dagen) Dt 4,30
    6. בַּיָּמִּים = bajjâmîm (in de dagen) < voorzetsel bë + zelfst naamw mann mv van het zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Lc 1,5
      1. בִּימֵי = bîme(j) < voorzetsel bë + stat constr mann mv OF בְיָמָי = bëjâmâj (in mijn dagen) <bë + stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Lc 1,5
  59. jôm (dag) , zie Ex 2,23
  60. יוֹנָה = jônâh (Jona) Taalgebruik in Tenakh : jônâh (Jona) Jon 1,3
  61. ιωνας = iônas (Jona) Taalgebruik in het NT : iônas (Jona) Jon 1,3
  62. ιορδανης = iordanès (Jordaan) Taalgebruik in het NT : iordanès (Jordaan) Mc 3,8
    1. gen mann enk ιορδανου = iordanou (van de Jordaan) Mc 3,8
  63. וֹרֶה = jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) Taalgebruik in Tenakh : jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) Dt 11,14
  64. יוֹסֵף = jôseph (Jozef) Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) Gn 37,28 Lc 1,27
    1. אֶת יוֹסֵף = ´èth jôseph (Jozef) Gn 37,28
  65. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) Mc 15,45 Lc 1,27
    1. τον ιωσηφ = iôsèf (Jozef) Gn 37,28
  66. יוּסִי = iôsî (Jozef)
  67. ιουδαια = ioudaia (Judea) Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) Lc 1,5
    1. nom vr enk ιουδαια = ioudaia (Judea) en dat vr enk ιουδαιᾳ = ioudaia(i) Lc 21,21
    2. gen vr enk ιουδαιας = ioudaias (van Judea) Mc 3,7 Lc 1,5
      1. απο της ιουδαιας = apo tès ioudaias (vanaf Judea) Mc 3,7
      1. εk της ιουδαιας = ek tès ioudaias (uit Judea) Joh 4,3
    3. -
      1. εν τῃ ιουδαιᾳ = en tè(i) ioudaia(i) (in Judea) Joh 4,3
    4. -
      1. εις την ιουδαιαν = eis tèn ioudaian (naar Judea) Joh 4,3
  68. ισχυω = ischuô (sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn , kunnen) Taalgebruik in het NT : ischuô (sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn , kunnen)
    1. act ind imperf 3de pers enk ισχυεν = ischuen (hij was bij machte) Mc 5,4
  69. אִישׁ = ´îsj (man, ieder) Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) Lc 2,25
    1. אִישׁ צַדִּיק = ´isj tsaddîq (rechtvaardig Lc 2,25
  70. יִשְׁמָעֵאל = jisjëmâ`e´l (Ismaël) Taalgebruik in Tenakh : jisjëmâ`e´l (Ismaël) Gn 25,13
    1. אֶת יִשְׁמָעֵאל = ´èth jisjëmâ`e´l (Ismaël) Gn 16,16
  71. ισραηλ = israèl (Israël) Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) Lc 1,16
  72. יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) Gn 32,29 Dt 4,1 Lc 1,16 1 S 8,4
    1. בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = bënê jishërâ´el (zonen van Israël, Israëlieten) Ex 16,15
      1. וּבְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ûbhënê jishërâ´el (en de zonen van Israël, Israëlieten) Ex 16,15
    2. יִשְׂרָאֵל מַה / מָה = jishërâ´el (Israël) mah / mâh (Israël, wat?) Dt 10,12
  73. יִצְחָק = jitsëchaq (Isaak) Taalgebruik in Tenakh : jitsëchâq (Isaak)
  74. עִוֵּר = `iwwer (blind) Taalgebruik in Tenakh : `iwwer (blind) Mc 10,46
    1. mann mv עִוְרִים = iwërîm (blinden) Lc 4,18

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


K
  1. כָעַס = kâ`as (zich ergeren, vertoornen) Taalgebruik in Tenakh : kâ`as (zich ergeren, vertoornen)
    1. כַעַס = ka`as (toorn, gramschap, verdriet)
  2. כָּבָה = kâbhâh (geblust worden, uitgaan) Taalgebruik in Tenakh : kâbhâh (geblust worden, uitgaan)
    1. act qal perf 3de pers mann mv כָּבוּ = kâbhû (zij werden geblust)
  3. כָּבַד = kâbhad (zwaar zijn, verheerlijken) piël : eren ; nifal : verheerlijkt worden
    1. act piël imperatief 2de pers mann enk כַּבּד = kabbed (eer) Ex 20,12
    2. מְכַבְּדֶיהָ = mëkhabbëdèjhä (zij die haar verheerlijken)
  4. כָבַשׁ = kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) Taalgebruik in Tenakh : kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) Hifil : onderwerpen
    1. וְכִבְשֻׁהָ = wëkibësjuhâ (en onderwerpt haar) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal imperat 2de pers mann mv
  5. כַבוֹד = kabhôd (heerlijkheid) Taalgebruik in Tenakh : kabhôd (heerlijkheid) Lc 2,9
    1. כַּבֹד יהוה = këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH) Lc 2,9
    2. וּכַבֹד = ûkhëbhôd (en de heerlijkheid) Lc 2,9
      1. וּכַבֹד יהוה = ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) Lc 2,9
  6. כַד = kad (kruik) Taalgebruik in Tenakh : kad (kruik)
  7. כַף = khaph (handpalm) Taalgebruik in Tenakh : khaph (handpalm)
  8. καφαρναυμ = kafarnaoum (Kafarnaüm) Taalgebruik in het NT : kafarnaoum (Kafarnaüm)
  9. και = kai: en; nevensch vw D: und E: and Fr: et Lat: et Hebr: וְ = wë Arabisch: اَل = ´al Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) Taalgebruik : kai (en) in NT Mc 1,4 Mc 4,35 Mc 4,39 Mc 10,52 Mc 15,42 Mc 15,46 Lc 1,68 Lc 4,36 Lc 5,30 Lc 15,1
    1. και ὁ = kai de (en de) Mc 10,52 Lc 18,40
    2. και οἱ = kai hoi (en de) Lc 15,1
    3. και ιδου = kai idou (en zie) Lc 1,31
    4. και ουκ = kai ouk Lc 1,7
      1. και ουκ ην = kai ouk èn (en er was niet) Lc 1,7
  10. καινος = kainos (nieuw) Taalgebruik in het NT : kainos (nieuw) Lc 22,20
    1. nom vr enk καινη = kainè Lc 22,20
  11. kairos (hét moment ) bij Marcus, zie Mc 1,15 : Mc 1,14-15 -
    - Kaisar (keizer) , zie Lc 3,1
    - Kaisareia (Cesarea) , zie Hnd 10,1
  12. κακοω = kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen) Taalgebruik in het NT : kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen)
    1. act ind aor 3de pers enk εκακωσεν = ekakôsen (hij behandelde slecht) Dt 8,3
  13. כָּלָה = kâlâh (voltooien, eindigen) Taalgebruik in Tenakh : kâlâh (voltooien, eindigen)
    1. act qal perf 3de pers mann mv kâlû (zij eindigen)
    2. act qal imperat 2de pers vr enk כְּלִי = këlî
    3. וַיְכַלּוּ = wajëkullû (en zij werden voltooid) < prefix voegwoord waw consecutivum + pass pual 3de pers mv Gn 2,1
  14. khâlâh (ophouden, vergaan) , zie 1 K 17,14
    - khâlam ( zich schamen, versmaden, beschaamd maken), zie Ps 35,4
  15. כלב = k-l-b (1) persoonsnaam kâlebh (Kaleb) (2) zelfst naamw kèlebh (hond) (3) këlebh (als een hart) < kë + lebh (hart) Taalgebruik in Tenakh : kâlebh (Kaleb) 1
    1. וַכָלֵב = wakhâlebh (en Kaleb) 1 Kr 2,18
  16. καλεω = kaleô (roepen, noemen) Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen)
    1. act ind aor 3de pers enk εκαλεσεν = ekalesen (hij riep) Gn 25,26
      1. και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) Gn 1,5
    2. act inf aor καλεσαι = kalesai (om te roepen) Js 61,2
  17. kaleô (roepen) , zie Gal 5,13
  18. καλος = kalos (goed, mooi, schoon) Taalgebruik in het NT : kalos (goed, mooi, schoon) Gn 1,4
    1. nom onz enk + acc mann en onz enk καλον Gn 1,4
  19. καλως = kalôs (goed) Bijwoord Taalgebruik in het NT : kalôs (goed) Mc 12,28
  20. Kana (Kana) Plaatsnaam, zie Joh 2,11
  21. Arabisch : كانَ = kâna (zijn) Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) Mc 1,23
    - Khënâ`an (Kanaän) , zie Gn 10,6
  22. כָנַס = kânas (verzamelen) Taalgebruik in Tenakh : kânas (verzamelen)
  23. כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) Mc 2,1
  24. כָּפָר / כֹּפֶר = kâphâr / kophèr (dorp) Taalgebruik in Tenakh : kâphâr / kophèr (dorp) Mc 2,1
  25. כָרַת = kârath (snijden, uitroeien) Taalgebruik in Tenakh : kârath (snijden)
    1. כָרַת יהוה = kârath JHWH (JHWH sloot / sneed) Ex 24,8
  26. kârath (snijden) , zie Gn 15,18
  27. καρδια = kardia (hart) Taalgebruik in het NT : kardia (hart) Dt 6,5
    1. εξ ὁλης της καρδιας σου = ex holès tès kardias sou (uit heel je hart) Dt 6,5
      1. εξ ὁλης της καρδιας σου και εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès kardias sou kai ex holès tès psuchès sou (uit heel je hart en uit heel je ziel) Dt 6,5
  28. karpos (vrucht) , zie Joh 15,2
  29. καρποφορεω = karpoforeô (vrucht dragen) Zie het werkw καρπος = karpos (vrucht) Taalgebruik in het NT : karpos (vrucht)
    1. pass part nom mann enk καρποφορουμενον = karpoforoumenon (vrucht dragend) Kol 1,6
  30. כָּסָה = kâsâh (bedekken) Taalgebruik in Tenakh : kâsâh (bedekken) kâsâh (bedekken) , zie Nu 9,15
    1. prefix verbindingswoord wë en werkwoordvorm actief piel imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיְכַס = wajëkhas (en hij bedekte) Nu 22,11
    2. prefix verbindingswoord wë + act piel wajjiqtol (imperfectum) 3de pers mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers enk וַיְכַסֻּהוּ = wajëkassuhû (en zij bedekten hem) 1 K 1,1
  31. כָשַׁל = kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) Taalgebruik in Tenakh : kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) Lc 17,1
    1. מִכְשֹׁל = mikhësjol (struikelblok, valstrik, aanleiding, ergernis) Lc 17,1
  32. κατα = kata (tegen, volgens) Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) Mc 4,10
    1. κατα μονας = kata monas (afzonderlijk) Mc 4,10
  33. καταβαινω = katabainô (naar beneden dalen , afdalen) Taalgebruik in het NT : katabainô (neerdalen, afdalen) Lc 8,23
    1. act ind imperf 3de pers enk κατεβαινεν = katebainen (hij daalde af) Lc 10,31
    2. καταβάτω (= katabatô: dat hij afdale); wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw καταβαινω = katabainô: (naar beneden dalen , afdalen)
    3. act ind aor 1ste pers enk κατεβην = katebèn (ik daalde af) Lc 8,23
    4. act ind aor 3de pers enk κατεβη = katebè (hij daalde neer) Lc 8,23
  34. κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) Taalgebruik in het NT : katakeimai (neerliggen)
    1. ind imperf 3de pers enk κατεκειτο = = katekeito (hij / zij lag neer) Mc 1,30
    2. inf praes κατακεισθαι = katakeisthai (neerliggen) Mc 2,15
    3. part praes gen mann enk κατακειμενου = katakeimenou (terwijl hij neerligt) Mc 14,3
  35. καταλειπω = kataleipô (verlaten, achterlaten) Taalgebruik in het NT : kataleipô (verlaten, achterlaten)
  36. κατακοπτω = katakoptô (neerslaan, doden) Taalgebruik in het NT : katakoptô (neerslaan, doden)
    1. act part praes nom mann enk κατακοπτων = katakoptôn (neerslaand, dodend) Mc 5,5
  37. καταλυθῇ.(= kataluthè: hij zou vernietigd worden); wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen)
  38. καταπαυω = katapauô (ophouden)
    1. act ind aor 3de pers enk κατεπαυσεν = katepausen (hij hield op) Gn 49,33
  39. καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) Taalgebruik in het NT : katapetasma (voorhangsel)
    1. nom + acc onz enk καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) Mc 15,38
  40. καταρτιζω = katartizô (inrichten, in orde brengen, herstellen) Taalgebruik in het NT : katartizô (inrichten, in orde brengen, herstellen)
  41. κατασκεδαννυμι = kataskedannumi (uitstrooien, uitgieten, verbreiden)
    1. act ind aor 3de pers enk κατεσκεδασεν = kateskedasen (hij goot uit) Ex 24,8
  42. kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
  43. κατεσθιω = katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) Taalgebruik in het NT : katesthiô (eten, verscheuren, verslinden)
    1. act ind aor 3de pers enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) Mc 4,4
  44. katha (zoals), zie Mt 21,6
  45. כָּתַב= kâthabh (schrijven) Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) Mc 1,2
    1. וְכָתַבְתָּ = wëkhâthabhëthâ (en jij zult schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act qal perf 2de pers mann enk Dt 27,8
    2. וּכְתַבְתָּם = ukhëthabh¨thâm (en jij zult ze schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act qal perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Dt 6,9
    3. וַיִּכְתֹּב = wajjikhëthobh (en hij schreef) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Dt 31,9
      1. וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה = wajjikhëthobh mosjèh (en Mozes schreef) Dt 31,9
    4. כַּכָּתוּב = kakâthûbh (zoals het geschrevene) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + passief qal partic mann enk Mc 1,2
  46. καθαιρεω = kathaireô (naar beneden nemen, afnemen) Taalgebruik in het NT : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) Mc 15,46
    1. act part aor nom mann enk καθελων = kathelôn (afnemend) Mc 15,46
  47. καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) Taalgebruik in het NT : katharizô (schoon maken, reinigen)
    1. act inf aor καθαρισαι = katharisai (om te reinigen) Mc 1,40
    2. pass ind aor 3de pers enk εκαθαρισθη = ekatharisthè (hij werd gereinigd) Mc 1,42
    3. pass ind aor 3de pers mv εκαθαρισθησαν = ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) Mc 1,42
  48. κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
    1. act ind fut 3de pers enk κατασκευασει = kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) Mc 1,2
    2. act part aor nom mann enk κατασκευασας = kataskeuasas (uitrustende)
  49. κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) Taalgebruik in het NT : katègoreô (iemand van iets beschuldigen)
    1. act ind imperf 3de pers mv κατηγορουν = katègoroun (zij bleven beschuldigen/ aanklagen) Mc 15,3
    2. act conjunct aor 3de pers mv κατηγορησωσιν = katègorèsôsin (zij zouden beschulldigen) Mc 3,2
    3. pass inf praes κατηγορεισθαι = katègoreisthai (tijdens het beschuldigen) Mt 27,12
    4. act part praes nom mann mv κατηγορουντες = katègorountes (beschudigend) Lc 23,10
  50. κατεσθιω = katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) Taalgebruik in het NT : katesthiô (eten, verscheuren, verslinden)
    1. act ind aor 3de pers enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) Mc 4,4
  51. καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten. Taalgebruik in het NT : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) Mc 16,5
    1. ind imperfect 3de pers enk = εκαθητο = ekathèto Mc 10,46
    2. part praes acc mann enk καθημενον = kathèmenon (gezeten) Mc 16,5
    3. καθημένου (= kathèmenou: zittende); wkw med part praes gen mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten)
  52. kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) , zie Mt 28,2
  53. καθευδω = katheudô (slapen) Taalgebruik in het NT : katheudô (slapen)
    1. act ind imperf 3de pers enk εκαθευδεν = ekatheuden (hij sliep) Jon 1,5
    2. act ind praes nom mann enk καθευδων = katheudôn (slapende) Mc 4,38
    3. act part praes acc mann mv καθευδοντας = katheudontas (slapend) Mc 14,37
  54. καθιζω = kathizô (zitten) Taalgebruik in het NT : kathizô (zitten)
    1. act part aor nom mann enk καθισας = kathisas (gezeten) Lc 5,3
  55. καθως = kathôs (zoals) Mc 1,2 Lc 1,2 Lc 1,55 Lc 17,26 Lc 22,13
    1. καθως ειπεν = kathôs eipen (zoals hij zei) Mc 1,2
    2. καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2
    3. καθως ελαλησεν = kathôs elalèsen (zoals hij sprak) Lc 1,70
  56. katoikeô (nederzetten, wonen) , zie Mt 4,13
    - kaô (in brand steken, verbranden) , Mt 13,40
    - keimai (liggen, rusten) , zie Lc 5,1
  57. κεφαλη = kefalè (hoofd) Taalgebruik in het NT : kefalè (hoofd)
  58. כּמוֹ = këmô (zoals) Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) Lc 1,55
    1. כָמֹנכָה = kâmokhâh (als jou) < voorzetsel + bezittel voornaamw 2de pers mann enk Ex 15,11
  59. כֶן = ken (zo) Hnd 12,8
  60. כְּנָעַן = kënâ`an (Kanaän) Taalgebruik in Tenakh : kënâ`an (Kanaän)
  61. kënâ`an (Kanaän) , zie Gn 12,5
    - Qênân = Qenan (Kenan) , zie Gn 5,9
  62. κερας = keras (hoorn) Taalgebruik in het NT : keras (hoorn)
    1. κερας σωτηριας = keras sôtèrias (hoorn / kracht van redding) Lc 1,69
  63. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) Lc 8,39
    1. act inf praes κηρυσσειν = kèrussein (verkondigen) Mc 1,45
    2. act part pr  nom m + vr enk κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) Mc 1,14 Lc 8,39
      1. κηρυσσων βαπτισμα = kèrussôn baptisma (verkondigend) Mc 1,4
        1. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας = kèrussôn baptisma (verkondigend een doopsel van bekering) Mc 1,4
          1. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = kèrussôn baptisma metanoias eis afesin (tôn) hamartiôn (verkondigend een doopsel van bekering tot vergeving van (de) zonden) Mc 1,4
      2. και κηρυσσων = kai kèrussôn (en verkondigend) Mc 1,4
      3. και ην κηρυσσων = kai èn kèrussôn (en hij was verkondigend) Mc 1,4
    3. act inf aor κηρυξαι = kèruxai Lv 25,10 Lc 4,18
    4. κηρυχθηναι = kèruchthènai: verkondigd te worden;  wkw pass inf aor van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
  64. כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed) Taalgebruik in Tenakh : këthonèth (kleed)
    1. mv כחֳנֹח = khuthänoth (klederen) Mc 14,63
    2. כָּתְנוֹת = kâthënôth (kleren) Mc 14,63
  65. Ned : kever D : Käfer E : chafer Ook scarab (met metethesis) In het Hiëroglyfisch geeft de scarabee de klankwaarde ch-p-r weer
  66. כִּי = kî (want) Dt 4,24
    1. כִּי בוֹ = kî bô (want erop) Gn 2,3
    2. כִּי הוּא = kî hû´ (want hij) Mc 6,17
    3. כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH)
    4. כִּי קָדוֹשׁ אֱנִי יהוה = kî qâdôsj ´anî JHWH (want heilig ben ik , JHWH) Lv 19,2
    5. כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH) Lv 19,2
  67. כֵן = khen (zo) Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) Gn 25,26
    - khoh (zo) , zie Jr 31,7
    - kî (want, omdat) Taalgebruik in Tenach : kî (want, omdat) kî (want) , zie Jr 31,7
  68. Ned : kind D : Kind E : child Fr : enfant < Lat : in-fans = niet sprekend) Gr : γενος Lat gens , -ntis (geslacht, volksstam, afstammeling) Hiërogl : hrd Arabisch : طفل (tifl) Hebreeuws : יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte , kind Taalgebruik in Tenakh : jèlèd = het voortgebrachte , kind
  69. כִּנָּה = kînnâh (aanduiden, een bijnaam geven)
  70. כִּנּוּי = kinnûj (benaming, bijnaam)
    1. mann mv כִּנּוּיִים = kinnûjîm (suffixen van het persoonlijk voornaamwoord)
    2. הַשֵּׁם כִּנּוּי = kinnûj hasjsjem (voornaamwoord)
  71. כל = kl (al) Taalgebruik in Tenakh : kl (al) Ex 20,9 Ex 40,38 Lc 15,1
    1. בְכֹל = bëkol (met al, met geheel) Dt 6,5
      1. וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw wë + prefix voorzetsel bë + zelfst naamw Dt 6,5
    2. כְּכֹל / כְּכָל = këkol / këkhâl < kë + kl (al) Dt 4,8
  72. κλαω = klaô (breken) Taalgebruik in het NT : klaô (breken) Lc 22,19
    1. act ind aor 3de pers enk εκλασεν = eklasen (hij brak) Lc 22,19
      1. εκλασεν και εδωκεν = eklasen kai edôken (brak hij en gaf hij) Lc 22,19
  73. κλινω = klinô (doen leunen, neerleggen, neigen) Taalgebruik in het NT : klinô (doen leunen, neerleggen, neigen)
    1. act inf praes κλινειν = klinein Lc 9,12
    2. act ind perf 3de pers enk κεκλικεν = kekliken (hij is geneigd)
  74. kludôn (golfslag, vloedgolf, branding), zie Mt 8,24
  75. Ned : knie Gr : γονυ = gonu (knie) ; gen γυνατος = gunatos Taalgebruik in het NT : gonu (knie) Lat : genu k/g D : Knie E : knee Fr : genou
    - Arabisch : ركبة (rakba) Hebreeuws : בֶרֶךְ= bèrèkh) In het Arabisch staat de b achteraan , in het Hebreeuws vooraan
  76. - knielen zie prosekunei
  77. κωφος = kôfos (doof) Taalgebruik in het NT : kôfos (doof)
  78. כֹהֵן = kohen (priester) Taalgebruik in Tenakh : kohen (priester) Lc 1,5
    1. mann mv כֹּהֲנִים = kohänîm (priesters) 1 K 12,31
      1. mann mv הַכֹּהֲנִים = hakkohänîm (de priesters) 2 K 19,2
  79. κοιλια = koilia (buikholte , moederschoot) Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot)
    1. gen vr enk κοιλιας = koilias Gal 1,15
  80. κοινωνια = koinônia (gemeenschap) Taalgebruik in het NT : koinônia (gemeenschap)
  81. כוֹכָב = kôkhâbh (ster) Taalgebruik in Tenakh : kôkhâbh (ster)
    1. הַכּוֹכָבִם = hakkôkhâbhîm (de sterren) < prefix bepaald lidwoord ha + zelfst naamw mann mv
    2. כְּכוֹכְבֵי = këkhôkhëbhê (als sterren) < prefix voorzetsel kë + zelfst naamw mann mv stat constr Dt 10,22
      1. כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) Dt 10,22
      2. כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמָיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim (als sterren van de hemelen) Dt 10,22
  82. kôkhâbh (ster) , zie Gn 15,5
  83. nom mann enk κοκκος = kokkos (kern, pit, zaad, graan) Taalgebruik in het NT : kokkos (kerk, pit, zaad, graan) Mc 4,31
    1. dat mann enk κοκκῳ = kokkô(j) Mc 4,31
      1. κοκκῳ σιναπεως = kokkô(j) sinapeôs (zaad van de mosterd) Mc 4,31
    2. acc mann enk κοκκον = kokkon Mc 4,31
      1. κοκκον σιναπεως = kokkon sinapeôs (zaad van de mosterd) Mc 4,31
  84. kolafizô (oorvijgen geven, mishandelen) , zie Mt 26,67
  85. κοπαζω = kopazô (moe worden, gaan liggen) Taalgebruik in het NT : kopazô (moe worden, gaan liggen)
    1. act ind aor 3de pers enk εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) Mc 4,39
  86. כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) Lc 22,20
  87. κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) Taalgebruik in het NT : krateô (vastnemen, bemachtigen)
    1. act ind aor 3de pers enk εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast) Mc 1,31
    2. act part aor nom mann enk κρατησας = kratèsas (vastgenomen) Mc 1,31
      1. κρατησας της χειρος = kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) Mc 1,31
    3. act part aor mann mv κρατησαντες = kratèsantes (overmachtigd, vastgenomen)
  88. zelfst naamw nom + acc onz enk κρατος = kratos (kracht) Zie het werkw κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) Lc 1,51
  89. κραζω = krazô (krijsen, schreeuwen, roepen) Taalgebruik in het NT : krazô (schreeuwen, roepen)
    1. act part praes nom mann enk κραζων = krazôn  (krijsend) Mc 5,5
    2. act ind aor 3de pers enk εκραξεν = ekraksen (hij schreeuwde)
    3. act ind aor 3de pers mv εκραξαν = ekraksan (zij krijsten) Mt 8,29 Mt 14,26
    4. act part aor nom mann enk κραξας = kraksas (schreeuwende) Mc 5,7
      1. κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) Mc 5,7
  90. Ned : kribbe Arabisch : مَعْلَف = ma`laf (kribbe) Taalgebruik in de Qoran : ma`laf (kribbe) Zie het werkw عَلَفَ = `alafa (voederen, als voer geven) D : Krippe E : a manger Fr : crèche φατνη = fatnè (krib, ruif) Taalgebruik in het NT : fatnè (krib, ruif) Hebreeuws : אֵבוּס = ´ebhûs (kribbe) Taalgebruik in Tenakh : ´ebhûs (kribbe) Lat : praesepium
  91. ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) Taalgebruik in het NT : xèrainô (verschrompelen, dor worden)
    1. pass ind aor 3de pers enk εξηρανθη = exèranthè (het werd verdord)
    2. pass part perf acc vr enk εξηραμμενην = exèrammenèn (verschrompeld) Mc 3,3
  92. ξηρος = xèros (droog, dor) Taalgebruik in het NT : xèros (droog, dor)
    1. acc vr enk ξηραν = xèran  (verschrompeld) Mc 3,3
  93. κτιζω = ktizô (funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen) Taalgebruik in het NT : ktizô (scheppen)
    1. act ind aor 3de pers enk εκτισεν = ektisen (hij schiep)
  94. - kuliô (rollen) , zie Mt 28,2 Vormen van apokuliô (wegrollen) in : Gn 29,10 Mc 16,3 Mc 16,4 Mt 28,2
  95. κυπτω = kuptô (zich bukken, gebukt gaan onder een last) Taalgebruik in het NT : kuptô (zich bukken, gebukt gaan onder een last)
    - kurios (heer) kurie (heer) In 31 verzen bij Matteüs, zie Mt 7,21 : Mt 7,21-23 -
  96. κυριος = kurios (heer) Taalgebruik in het NT : kurios (heer) Lc 1,68 Ex 20,2
    1. nom mann enk κυριος = kurios (heer) Lc 1,68
      1. κυριος ὁ θεος = kurios ho theos (JHWH God = Heer God) Lc 1,68
    2. gen mann enk κυριου = kuriou (van de heer) Lc 2,9 Lc 4,18
    3. -
      1. κυριον τον θεον σου = kurion ton theon sou (de Heer jouw God) Mc 12,30
  97. - κυμα = kuma (golf) Taalgebruik in het NT : kuma (golf) Mc 4,37
    1. onz mv κυματα= kumata (golven) Mc 4,37
  98. כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) Lc 22,20
  99. kôfos (doof) Taalgebruik in het NT : kôfos (doof) Taalgebruik in Mc : kôfos (doof) kôfos (doof) , zie Mt 11,4
  100. Ned : kwaken (klanknabootsend geluid van eenden en kikkers) Oudndl : qua(c)ken) D : quaken E : croak

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


L
  1. prefix voorzetsel לְ = lë (voor, aan) + suffix persoonl voornaamw Taalgebruik in Tenakh : prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl voornaamw
    1. לוֹ = lô (voor hem) < prefix voorzetsel lë + suffix pers voornaamw 3de pers mann enk Gn 4,19
    2. לִי = lî (voor mij) , prefix voorzetsel lë + suffix pers voornaamw 1ste pers enk 1 K 17,18
    3. l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk OF act qal imperat 2de pers mann enk לֵךְ = lekh (ga) Mc 1,24
    4. לָנו = lânû (voor ons) < prefix voorzetsel lë + suffix pers voornaamw 1ste pers mv Mc 1,24
  2. - lâ`ag (bespotten, beschimpen) , zie Ps 2,4
  3. לָעָז = lâ`âz (een vreemde taal spreken) Ps 114,1
    1. act qal part mann enk לֹעֵז = lo`ez (een vreemde taal sprekend) Ps 114,1
  4. lâbhasj (kleden, zich kleden) , zie Bar 5,1
  5. λαχανον = lachanon (gekweekte groente) Mc 4,32
    1. gen onz mv λαχανων = lachanôn Mc 4,32
  6. לָיְלָה = lajëlâh (nacht) Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) Gn
    1. הַלָּיְלָה = hallâjëlâh (de nacht) < prefix bepaald lidw ha + לָיְלָה = lajëlâh (nacht)
  7. λαιλαψ = lailaps (storm met regenbuien) Taalgebruik : lailaps (storm met regenbuien) Lc 8,23
    1. λαιλαψ μεγαλη = lailaps megalè (een grote storm met regenbuien) Mc 4,37
  8. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten) Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) Nu 6,22 Lc 1,55
    1. act ind imperf 3de pers enk ελαλει = elalei (hij sprak) Mc 7,35
      1. ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen) Mc 4,13
    2. λαλεῖτε (= laleite: spreekt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
    3. act ind aor 3de pers enk ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) Gn 12,4 Ex 20,1 Lc 1,55
      1. ελαλησεν προς = elalèsen pros (hij sprak tot) Lc 1,55
      2. ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) Ex 20,1 Nu 6,22
      3. και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) Ex 20,1 Nu 6,22
      4. καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak) Gn 12,4
      5. καθαπερ ελαλησεν = kathaper elalèsen (zoals hij sprak) καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak)
      6. καθως ελαλησεν = kathôs elalèsen (zoals hij sprak) Gn 12,4
      7. ελαλησεν δια = elalèsen dia (hij sprak door) Lc 1,70
    4. act inf praes λαλειν = lalein (te spreken) Lc 7,15
    5. λαλοῦντες (= lalountes: de sprekenden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
    6. act part praes gen mv λαλουντων = lalountôn (terwijl zij aan het praten waren - naar hen die aan het praten waren) Lc 24,36
      - laleô (lallen, spreken, praten) , zie Mt 4,6 - elalèsen (hij sprak) In 7 verzen bij Matteüs (1) Mt 9,33 (de stomme) (2) Mt 13,3 (3) Mt 13,33 (4) Mt 13,34 (5) Mt 14,27 (6) Mt 23,1 (7) Mt 28,18
    7. λαλήσητε (= lalèsète: jullie zouden zeggen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
  9. λαμβανω = lambanô (nemen) Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) Lc 22,19
    1. act inf aor λαβειν = labein Mc 7,27
    2. act part aor nom mann enk λαβων = labôn Mc 6,41
      1. λαβων δε = labôn de (genomen hebbende echter) Ex 24,8
      2. και λαβων = kai labôn (en genomen hebbende) Ex 24,8
      3. λαβων τους = labôn tôn (genomen hebbende de) Mc 6,41
      4. λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) Lc 22,19
        1. λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) Lc 22,19
        2. λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) Lc 22,19
      5. λαβων το αἱμα = labôn to haima (het bloed genomen hebbende) Ex 24,8
  10. לָמַד = lâmad (leren, onderrichten) Taalgebruik in Tenakh : lâmad (leren, onderrichten)
    1. לְלַמֵּד = lëlammed (om te onderrichten) < prefix voorzetsel lë + piël infin absol
      1. וּלְלַמֵּד = ûlëlammed (en om te onderrichten) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + piël infin absol
  11. לָמָּה = lâmmâh (waarom) Taalgebruik in Tenach : lâmmâh (waarom) Gn 4,6
  12. λαμπας = lampas (toorts, fakkel) Js 62,1
  13. λαμπω = lampô (stralen, schijnen) Taalgebruik in het NT : lampô (stralen, schijnen) Lc 2,9
    1. act ind aor 3de pers enk ελαμψεν = elampsen (hij straalde) Lc 2,9
  14. λαος = laos (volk) Taalgebruik in het NT : laos (volk)
    1. nom mann enk λαος = laos (volk) Lc 18,43
      1. πας ὁ λαος = pas ho laos (al het volk) Lc 18,43
    2. gen mann enk = laou Lc 1,10
    3. dat mann enk λαῳ = laô(i) Lc 1,68
    4. acc mann enk λαον = laon (volk) Mt 1,21
        1. τον λαον αυτου = ton laon autou (zijn volk) Mt 1,21
  15. latomeô (uit steen houwen) , zie Mc 15,46
  16. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) Lc 22,19
    1. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch voegwoord waw + act qal imperf 3de pers mann enk Lv 8,10 Ex 24,8 Lc 22,19
      1. וַיּקַּח אֶת = wajjiqqach ´èth (en hij nam de) Gn 12,5
      2. וַיּקַּח לוֹ = wajjiqqach (en hij nam voor zich / hem) Gn 4,19
      3. וַיּקַּח מֹשֶׁה = wajjiqqach mosjèh (en Mozes nam) Lv 8,10 Ex 24,8
        1. וַיּקַּח מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = wajjiqqach mosjèh ´èth haddâm (en Mozes nam het bloed) Ex 24,8
    2. act qal imperat 2de pers mann enk קַח = qach (neem) Gn 22,2
      1. קַח נָא = qach nâ´ (neem dan) Gn 22,2
  17. λατρευω = latreuô (door (loon) dienen) Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen)
    1. act ind fut 2de pers enk λατρευσεις = latreuseis (jij zult dienen) Lc 4,8
    2. act ind aor 2de pers enk λατρευσῃς = latreusè(i)s (jij zoudt dienen) Ex 20,5
    3. act inf praes λατρευειν = latreuein (om te dienen) Lc 1,74
      - leâh (Lea) , zie Gn 29,31
  18. לֶחֶמ = lèchèm (brood) Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) Lc 22,19
    1. חֻקִי לֶהֶם= lèchem huqqî (brood van bestemming voor mij , het voor mij bestemde brood) Mt 6,11
  19. - le`èzrathi chûsjâh (tot hulp aan mij haast je), zie Ps 40,14 : (1) Ps 22,20 (2) Ps 40,14 (3) Ps 70,2 chûsjâh le`èzrathi (haast je tot hulp aan mij) : Ps 38,23
  20. לֵב = lebh (hart) Taalgebruik in Tenakh : lebh (hart)
    1. לְבָבְךָ = lëbhâbhëkhâ (je hart) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt 6,5
      1. עַל לְבָבְךָ = `al lëbhâbhëkhâ (op je hart) Dt 6,6
      2. בְכֹל לְבָבְךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ (met heel je hart) Dt 6,5
        1. בְכֹל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ ûbhëkhâl naphësjëkhâ (met heel je hart en met heel je ziel) Dt 6,5
      3. אֶל לְבָבְךָ = ´èl lëbhâbhëkhâ (tot je hart) Dt 30,1
    2. לְבַבְכֶם = lëbhabhëkhèm (jullie hart) < zelfst naamw stat construct mann enk + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv Dt 11,18
      1. עַל לְבַבְכֶם = `al lëbhabhëkhèm (op jullie hart) Dt 11,18
      2. בְכֹל לְבַבְכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm (met heel jullie hart) Dt 11,13
        1. בְכֹל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm ûbhëkhâl naphësjëkhèm (met heel je hart en met heel jullie ziel) Dt 11,13
    3. בְּכָל לְבָבוֹ = bëkhâl lëbhâbhô (met heel zijn hart) Dt 6,5
  21. nom mann enk λεγιων = legiôn (legioen) Mc 5,9
  22. λεγω = legô (zeggen) Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) Gn 16,11 Lc 8,25 Lc 19,7
    1. act ind praes 1ste pers enk λεγω = legô (ik zeg) Lc 15,7
      1. λεγω ὑμιν = legô humin (ik zeg jullie) Lc 15,7
        1. λεγω ὑμιν ὁτι = legô humin hoti (ik zeg jullie dat) Lc 15,7
    2. λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon). Gn 15,2. Mc 14,32. Mc 2,5.
      1. λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) Mc 2,5
        1. λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) Mc 2,5
        2. λεγει τῳ αρχισυναργωγῳ = archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste Mc 2,5
        3. λεγει τῳ παραλυτικῳ = paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) Mc 2,5
      2. σοι λεγει = soi legô (aan jou zeg ik) Mc 2,11
      3. λεγει αυτῳ = legei autô(i) (hij / zij zei hem) Mc 5,19
      4. και λεγει = kai legei (en hij zegt) Mc 14,32 Mc 2,14
        1. και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) Mc 5,9
        2. και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen) Mc 1,38 Mc 4,13
    3. act ind praes 3de pers mv λεγουσιν = legousin (zij zeggen) Mc 1,30
    4. act ind imperf 3de pers enk ελεγεν = elegen (hij zei) Mc 4,11 Lc 16,1 Lc 18,1
      1. και ελεγεν = kai elegen (en hij zei) Mc 2,25
        1. και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen) Mc 4,13
      2. ελεγεν δε = elegen de (hij zei echter) Mc 2,25
    5. act ind imperf 3de pers mv ελεγον = elegon (zij zeiden) Mc 3,21
      1. ελεγον αυτῳ = elegon autô(i) (zij zeiden hem) Mc 2,24
      2. ελεγον προς αλληλους = elegon pros allèlous (zij zeiden tot elkaar) Mc 4,41
      3. ὁτι ελεγον = hoti elegon (want zij zeiden) Mc 3,30
    6. λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep)
    7. act part praes nom mann enk λεγων = legôn (zeggend) Mc 1,40
    8. act part praes nom mann mv λεγοντες = legontes (zeggende) Mc 6,2 Lc 8,25
      1. λεγοντες ὁτι = legontes hoti (zeggende dat) Lc 19,7
      2. λεγοντες προς αλληλους = legontes pros allèlous (zeggende tot elkaar) Lc 8,25
    9. εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon). Ex 20,1 Mc 10,52 Lc 8,22 Lc 9,13 Lc 15,3 Lc 15,11 Lc 17,1 Lc 18,22
      1. ειπεν () αυτῳ = eipen () autô(i) (hij zei hem) Mc 10,52 Lc 15,27
        1. ειπεν αυτῳ ὁτι = eipen autô(i) hoti (hij zei aan hem dat) Lc 15,27
      2. ειπεν αυτῃ = eipen autè(i) (hij zei haar) Mc 5,43
      3. ειπεν αυτοις = eipen autois (hij zei hen) Mc 6,37
      4. ειπεν προς τον σιμωνα = eipen pros ton simôna (hij zei tot Simon) Lc 5,4
      5. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) Mc 3,9 Lc 15,3
        1. και ειπεν ὁ = kai eipen ho (en hij zei) Lc 15,12
          1. και ειπεν ὁ αγγελος = kai eipen ho aggelos (en de engel zei) Lc 1,30
            1. και ειπεν ὁ αγγελος αυτῃ = kai eipen ho aggelos autè(i) (en de engel zei tot haar) Lc 1,30
            2. και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) Gn 1,5
              1. και ειπεν ὁ θεος γενηθητω = kai eipen ho theos genèthètô (en God zei : het gebeure) Gn 1,3
        2. και ειπεν αυτῃ = kai eipen autè(i) (en hij zei tot haar) Lc 1,30
        3. και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) Lc 8,22
        4. και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) Lc 8,22 Lc 15,3
          1. και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) Lc 8,22 Lc 9,13 Lc 15,3
      6. ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) Mc 3,9 Lc 15,3 Lc 18,19
        1. ειπεν δε ὁ = eipen de ho (hij zei echter) Lc 15,12
        2. ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) Lc 8,22
        3. ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) Lc 8,22
          1. ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) Lc 8,22 Lc 9,13
          2. ειπεν δε προς τους = eipen de pros tous (hij zei echter tot de) Lc 14,25
            1. ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) Lc 8,22
              1. ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) Lc 17,1
        4. ειπεν δε και προς = eipen de kai pros (hij zei echter ook tot) Lc 18,9
      7. ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) Mc 5,34
        1. ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen)
        2. ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) Lc 15,27
    10. act ind 2de aor 3de pers mv ειπαν = eipan (zij zeiden) Lc 9,12
      1. ειπαν αυτῳ = eipan autô(i) (zij zeiden hem) Lc 9,12
    11. Εἰπὸν (= eipon: zeg; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon)
  23. - legô (zeggen) Verwijzing in NT : legô (zeggen) , in Mc : legô (zeggen) zie Joh 1,21 - legô (zeggen) , zie Lc 15,11 - legô (zeggen) , zie Mc 1,38 - legô (zeggen) bij Matteüs, zie Mt 4,6 Eipen (hij zei), zie Mt 4,6
  24. lëma`an (omwille van, opdat) , zie Js 62,1
  25. לֶמֶך = lèmèkh (Lemech, Lamech) Taalgebruik in Tenakh : lèmèkh (Lemech, Lamech) Gn 4,19
    1. וְלֶמֶך = wëlèmèkh (en Lamech) Gn 4,19
  26. Ned : leren D : lernen E : learn
  27. λεπρα = lepra (melaatsheid) Taalgebruik in het NT : lepra (melaatsheid)
    1. ἡ λεπρα = hè lepra (de melaatsheid) Mc 1,42
  28. λεπρος = lepros (melaatse) Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse)
    1. nom mann enk λεπρος = lepros (melaatse) Mc 1,40
    2. nom mann mv λεπροι = leproi (melaatsen) Lc 4,27
  29. λευκος = leukos (wit) Taalgebruik in het NT : leukos (wit)
  30. לֵוִי = lewî (Levi) Taalgebruik in Tenakh : lewî (Levi) Gn 46,11
    - lian (zeer) , zie Mc 1,35
  31. Ned : licht Arabisch : نور = nûr (licht) Taalgebruik in de Qoran : nûr (licht) Aramees : נוּר = nûr (licht) D : Licht E : light Fr : lumière Grieks : φως = fôs (licht) Taalgebruik in het NT : fôs (licht) Hebreeuws : אוֹר = ´ôr (licht) Taalgebruik in Tenakh : ´ôr (licht) Zie ook : נִר = ner (licht, lamp) Taalgebruik in Tenakh : ner (licht, lamp) Zie ook : werkw אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht , schijnen) Zie het zelfst naamw אוֹר = ´ôr (licht) Lat : lux / lumen
  32. λιμνη = limnè (meer) Taalgebruik in het NT : limnè (meer) Lc 5,1
    1. gen vr enk λιμνης = limnès Lc 8,22
    2. acc vr enk λιμνην = limnèn Lc 5,1
  33. לון/ לין = lwn / ljn (morren tegen) Taalgebruik in Tenakh : lwn / ljn (morren tegen) Ex 17,3
    1. וַיָּלֶן = wajjâlèn (en het morde) < prefix wë (en) + werkwoordvorm act hifil imperfect 3de pers mann enk Ex 17,3
    2. וַיִּלֹּנוּ = wajjillonû (zij morden tegen) < prefix wë (en) + werkwoordvorm nifal imperfect 3de pers mann mv Lc 15,2
  34. Ned : lip D : Lippe E : lip Fr : lèv-re Lat : labium l; b/p/v Gr : χειλος = cheilos Arabisch : شفة (sjifa) Hebreeuws : שָׂפָה = shâphâh (lip, spraak, tongval) Taalgebruik in Tenakh : shâphâh (lip, spraak, tongval) In het hiëroglyfisch duiden de twee lippen de klankwaarde r aan
  35. λιθος = lithos (steen) Taalgebruik in het NT : lithos (steen)
    1. nom mann enk λιθος = lithos (steen) Lc 17,2
    2. acc mann enk λιθον = lithon (steen) Gn 29,3
      1. τον λιθον = ton lithon (de steen) Lc 24,2
    3. dat mann mv λιθοις = lithois (stenen) Mc 5,5
  36. לֹא = lo´(niet) Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) Lc 1,7
    1. וְלֹא = wëlo´ (en niet) Lc 1,7
  37. lo´(niet) , zie Ps 1,1
  38. λογος = logos (woord) Taalgebruik in het NT : logos (woord) Lc 5,1
    1. acc mann enk λογον = logon Mc 1,45 Lc 5,1
      1. τον λογον του θεου = ton logon tou theou (het woord van God) Lc 5,1
    2. acc mann mv λογους = logous (woorden)
    3. παντας τους λογους = pantas tous logous (alle woorden) Ex 24,3
      1. παντας τους λογους τουτους = pantas tous logous toutous (al deze woorden) Mt 26,1
  39. logos (woord) , zie Mt 7,24
  40. Lat : loqui (spreken) Nu 6,22
    1. pass perf deelw nom mann enk locutus (gesproken) Nu 6,22
    2. locutusque (en gesproken) Nu 6,22
  41. losse genitief : Mc 9,28 , Mc 11,27 , Mc 13,1 - losse genitief (bij Matteüs)
    - lqsj (piel : napluk houden) , zie Zach 10,1
    - Lustra (Lystra) , zie Hnd 14,6
  42. λυτρωσις = lutrôsis (loskoping, verlossing) Taalgebruik in het NT : lutrôsis (loskopen, verlossing)
    1. acc vr enk λυτρωσιν = lutrôsin (loskoping, verlossing) Lc 1,68
    2. λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen)
      1. act ind aor 3de pers enk ελυτρωσατο = elutrôsato (hij kocht los, hij verloste) Lc 1,68

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


M

Hebreeuwse werkwoorden die eindigen om – (eind-mem) : -- qûm (opstaan) --

  1. werkw מָעַל = mâ`al (trouweloos handelen, trouweloos zijn , zich vergrijpen) Zie het zelfst naamw מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) Taalgebruik in Tenakh : ma`al (ontrouw, bedrog) מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) Taalgebruik in Tenakh : ma`al (ontrouw, bedrog)
  2. מַעַן = ma`an (beweegreden, beweeggrond)
  3. מַיִם= majim (water) Taalgebruik in Tenakh : majim (water)
  4. מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) Taalgebruik in Tenakh : mah / mâh (wat?) Dt 10,12 Ps 133,1
    1. בַּמָּה = bammâh (waardoor) < prefix bë + vragend naamw Gn 15,8
    2. וּמַה = ûmah (en wat ?) < prefix voegwoord wë + vragend voornaamw
    3. כַּמָּה = kammâh (hoe veel? hoe dikwijls? hoe lang? hoe groot?)
    4. מַה לִי = mah lî (wat voor mij) Mc 1,24
      1. מַה לִי וָלָךְ = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) Mc 1,24
      2. מַה לִי וְלָכֶם = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) Mc 1,24
      3. מַה לָּכֶם = mah lâkhèm (wat voor jullie?) Mc 1,24
    5. מַה לָּנוּ = mah lânû (wat aan ons) Mc 1,24
    6. מַה טּוֹב = mahttôbh (wat goed)
  5. מַיִם = majim (water) Taalgebruik in Tenakh : majim (water) Gn 1,2 Ex 15,8
    1. הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw ha + mann mv van het zelfstandig naamw Gn 1,6
    2. לָמָיִם = lammajim (naar de wateren) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + mann mv Gn 1,6
  6. מָכַר = mâkhar (verkopen) Taalgebruik in Tenakh : mâkhar (verkopen)
    1. act ind perf 3de pers mann mv מָכְרוּ = mâkhërû (zij verkochten) Gn 37,28
      1. מָכְרוּ אֹתוֹ = mâkhërû ´othô (zij verkochten hem) Gn 37,28
    2. וַיִּמְכְּרְוּ = wajjimëkërû (en zij verkochten) < prefix voegwoord wë + werkwoordsvorm act ind imperf 3de pers mann mv Gn 37,28
      1. וַיִּמְכְּרְוּ אֶת יוֹסֵף = wajjimëkërû ´èth jôseph (en zij verkochten Jozef) Gn 37,28
    3. qal inf stat constr + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv מִכְרָם = mikhërâm (omwille van het verkopen van hen) Am 2,6
  7. μακαριος = makarios (zalig, gelukkig) Taalgebruik in het NT : makarios (zalig, gelukkig)
  8. μακροθεν = makrothen (van verre, in de verte) Taalgebruik in het NT : makrothen (van verre, in de verte) Mc 5,6 ,
  9. mâlâ´ (vullen, vervullen) Taalgebruik in Tenach : mâlâ´ (vullen, vervullen)
  10. מָלָא = mâlâ´ (vullen, vervullen) Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen)
    1. prefix voegw wë + act piël imperf 3de pers vr enk וַתְּמַלֵּא = waththëmalle´ (en zij vulde)
    2. מָלֵא = mâle´ (vol)
      1. stat constr מְלֵא = mële´ (vol, rijk)
  11. מַלְאַך = malë´akh (engel) Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) Gn 16,11 Lc 1,11
    1. מַלְאַך יהוה = malë´akh JHWH (engel van JHWH) Gn 16,11
    2. מַלְאַך הָאֱלֹהִים = malë´akh hâ´èlohîm (de engel van God) Gn 16,11
  12. מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Taalgebruik in Tenakh : mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad)
    1. מְלָאכָה כָּל (al het werk) Ex 20,9
    2. מְלָאכְתֶּךָ כָּל (jouw werk) Ex 20,9
  13. מַלְכוּת = malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk) Taalgebruik in Tenakh : malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk)
    1. zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk מַלְכוּתֶךָ = malëkhûthèkhâ (jouw koningschap, jouw koninkrijk) Mt 6,10
    2. מַלְכוּתְךָ = malëkhûthëkhâ
    3. מַלְכוּתָךְ = malëkhûthâkh
  14. מַמְרֵא = mamëre' (Mamre) Taalgebruik in Tenakh : mamëre´ (Mamre) Gn 13,18
    1. בְאֵלֹנֵי מַמְרֵא = bë´elonè(j) mamëre´ (bij de eik van Mamre) Gn 13,18
  15. מָן = mân (1 manna 2 wat ?) Taalgebruik in Tenakh : mân (1 manna 2 wat ?)
    1. וּמָן = ûmân (en wat?) < prefix voorzetsel wë + naamwoord
  16. מְנַשֶּׁה = mënasjsjèh (Manasse) Taalgebruik in Tenakh : mënasjsjèh (Manasse) Gn 48,20
  17. מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) Taalgebruik in Tenakh : maqôm (plaats, verblijfplaats)
    1. הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) Gn 22,14
  18. mârâh (weerspannig zijn) , zie Js 50,5
  19. μαρκος = markos (Marcus) Taalgebruik in het NT : markos (Marcus)
    1. nom mann enk μαρκος = markos (Marcus) Hnd 12,12
    2. gen mann enk μαρκου = markou (van Marcus) Hnd 12,12
    3. acc mann enk μαρκον = markon (Marcus) Hnd 12,12
  20. μαρτυρεω = martureô (getuigen) Taalgebruik in het NT : martureô (getuigen)
    1. act ind praes 3de pers enk μαρτυρει = marturei (hij getuigt) Joh 3,32
  21. מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken) Taalgebruik in Tenakh : mâsjâh (uittrekken)
  22. מָשַׁח = mâsjach (zalven) Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven)
    1. act qal perf 3de pers mann enk מָשַׁח = mâsjach (zalven) Lv 8,11
    2. וַיִּמְשַׁח = wajjimësjach (en hij zalfde) < prefix wë consecutivum + act qal imperf 3de pers enk Lv 8,10 Lc 4,18
      1. וַיִּמְשַׁח אֹתוֹ = wajjimësjach ´othô (en hij zalfde hem / het) Lv 8,12
  23. מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben) Taalgebruik in Tenakh : mâsjal (heersen, macht hebben)
    1. וְלִמְשֹׁל = wëlimësjol (en om te heersen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act qal inf construct Gn 1,18
  24. מָשִׁיחַ = mâsjîach (messias , gezalfde) Ef 1,1
  25. תוֹרַת מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias , gezalfde)
  26. μαστιξ = mastiks (-igos) (gesel, plaag) Mc 3,10
    1. acc vr mv μαστιγας = mastigas (gesels, plagen) Mc 3,10
  27. מָטָר = mâtâr (regen) Taalgebruik in Tenach : mâtâr (regen) Dt 11,14
    1. stat construct מְטַר = mëtar Dt 11,14
  28. μαθητης = mathètès (leerling) Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling)
    1. nom mann enk μαθητης = mathètès (leerling) Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) Lc 14,26
    2. nom mann mv μαθηται = mathètai (leerlingen) Mc 5,31 Lc 8,22
      1. μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen) Lc 17,1
      2. οἱ μαθηται = hoi mathètai (de leerlingen) Mc 6,35
        1. οἱ μαθηται αυτου = hoi mathètai autou (zijn leerlingen) Mc 5,31 Lc 8,22
          1. και οἱ μαθηται αυτου = kai hoi mathètai autou (en zijn leerlingen) Lc 8,22
          2. αυτῳ οἱ μαθηται = autô(i) hoi mathètai (aan hem de leerlingen) Mc 6,35
    3. gen mann mv μαθητων == mathètôn (van leerlingen) Mc 3,7 Lc 22,11
      1. των μαθητων == tôn mathètôn (van de leerlingen) Mc 3,7 Lc 22,11
        1. μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) Mc 3,7 Lc 22,11
      2. μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen) Mc 3,7 Lc 17,1
      3. μετα των μαθητων αυτου = meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) Mc 3,7
      4. μαθητων μου = mathètôn mou (van mijn leerlingen) Lc 22,11
        1. μετα των μαθητων μου = meta tôn mathètôn mou (met mijn leerlingen) Lc 22,11
    4. dat mann mv μαθηταις = mathètais (leerlingen) Mc 3,9
      1. τοις μαθηταις αυτου = tois mathètais autou (aan zijn leerlingen) Mc 3,9
        1. ειπεν τοις μαθηταις αυτου = eipen tois mathètais autou (hij zei aan zijn leerlingen) Mc 3,9
          1. και ειπεν τοις μαθηταις αυτου = kai eipen tois mathètais autou (en hij zei aan zijn leerlingen) Mc 3,9
    5. acc mann mv μαθητας = mathètas (leerlingen) Mc 6,45 Lc 17,1 (zn acc mann mv van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; zie Baeyens nr 133 : praesensstam op -an met nasale in de stam)
      1. τους μαθητας = tous mathètas (de leerlingen) Mc 6,45
      2. μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen) Lc 17,1
      3. τους μαθητας αυτου = tous mathètas autou (zijn leerlingen) Mc 6,45
        1. τους μαθητας αυτου εμβηναι = tous mathètas autou embènai (zijn leerlingen om in te stappen) Mc 6,45
      4. προς τους μαθητας = pros tous mathètas (tot de leerlingen) Lc 17,1
        1. ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) Lc 17,1
        2. προς τους μαθητας αυτου = pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen) Lc 17,1
          1. ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) Lc 17,1
  29. מָצָא = mâtsâ´ (vinden) Taalgebruik in Tenakh : mâtsâ´ (vinden) Lc 1,30
    1. act qal perf 2de pers mann enk מָצָאתָ = mâtsâthâ (jij vondt) Lc 1,30
      1. מָצָאתָ הֵן = mâtsâthâ hen (jij vondt genade) Lc 1,30
      1. מָצָא הֵן = mâtsâ hen (hij vond genade) Lc 1,30
      2. -
    2. act qal perf 3de pers mann mv מָצָאוּ / מָצְאוּ = mâtsâ´û / mâtsë´û (zij vonden) Lc 24,2
    3. wa-consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּמְצָא = wajjimëtsâ´ (en hij vond) Lc 15,5
    4. וַיִּמְצְאוּ = wajjimëtsë´û (en zij vonden) < prefix verbindingswoord wa (consecuitivum) + act qal imperef 3de pers mann mv Lc 24,2
  30. מָרַד = mârad (rebelleren, revolteren, in opstand komen) Aram - Syr : מְרַד = rëmad Arabisch : = marada Gn 14,4
  31. matstsôth (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1
  32. μη ( = mè: niet; partikel van ontkenning) Taalgebruik in het NT : mè (niet) Mc 3,9 Mc 5,7 Lc 17,1
    1. μη απελθητε = mè apelthète (gaat niet weg) Lc 17,23
    2. μη αυτον = mè auton (niet hem) Mc 3,12
    3. μη επιστρεψατο = mè epistrepsato (keer niet naar) Lc 17,31
    4. μη εὑροντες = mè heurontes (niet gevonden) Lc 24,3
    5. μη εὑρουσαι = mè heurousai (niet gevonden) Lc 24,3
    6. μη καταβατω = mè katabatô (daal niet af) Lc 17,31
  33. מֵאָה = me´âh (honderd) Taalgebruik in Tenakh : me´âh (honderd) Gn 25,7 Lc 15,4
    1. מֵאָה שָׁנָה = me´âh sjânâh (honderd jaar) Gn 23,1
    2. מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) Dt 34,7
    3. vr mv מֵאוֹת = me´ôth (honderden) Gn 5,5
      1. מֵאוֹת שָׁנָה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar)
  34. μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand Taalgebruik in het NT : mèdeis (niemand)
    1. nom mann enk μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand Mc 5,43
      1. ἱνα μηδεις = hina mèdeis (opdat niemand) Mc 5,43
    2. dat mann enk μηδενι = mèdeni (aan niemand) Mc 1,44
      1. ἱνα μηδενι = hina mèdeni (opdat aan niemand) Mc 7,36
  35. Ned : meester Meest is een superlatief (maximus van het Latijnse magnus , major, maximus = groot, groter, grootst) Meester = magis-ter (meer-der) Fr : maî-tre
  36. act ind praes 1ste pers enk μεγαλυνω = megalunô (ik maak groot) Gn 12,2
  37. μεγας = megas (groot) Taalgebruik in het NT : megas (groot)
    1. nom + dat vr enk μεγαλη / μεγαλῃ = megalè(i) (groot) Mc 4,37
    2. acc mann enk μεγαν = megan Mc 4,41
  38. מֶלֶך = mèlèkh (koning) Taalgebruik in Tenakh : mèlèkh (koning) Lc 1,5
    1. הַמֶּלֶךְ = hammèlèkh (de koning) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw מֶלֶך = mèlèkh (koning)
    2. וְהַמֶּלֶךְ = wëhammèlèkh (en de koning) < prefix verbindingswoord wë + prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw מֶלֶך = mèlèkh (koning) 1 K 1,1
      1. וְהַמֶּלֶךְ דָּוִד = wëhammèlèkh dâwid (en koning David) 1 K 1,1
  39. מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Taalgebruik in Tenakh : mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Lv 23,3
    1. מְלָאכָה כָּל (al het werk) Lv 23,3
    2. מְלָאכָה כָּל (al het werk) Lv 23,3
    3. מְלַאכְתּוֹ = mëla'khëthô (zijn werk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 2,3
      1. מְלַאכְתּוֹ אֲשֶׁר עָשָׂה = mëla'khëthô äsjèr `âshâh (zijn werk dat hij deed) Gn 2,2
  40. meletaô (zorg dragen voor, aandacht wijden aan) , zie Ps 2,1
  41. μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) Taalgebruik in het NT : melô (ter harte gaan, zich bekommeren om)
    1. act ind praes 3de pers enk μελει = melei (het gaat ter harte) Mc 4,38
      1. ου μελει = ou melei (het gaat niet ter harte) Mc 4,38
        1. ου μελει σοι = ou melei soi (het gaat jou niet ter harte) Mc 4,38
          1. ου μελει σοι ὁτι = ou melei soi hoti (het gaat jou niet ter harte dat) Mc 4,38
      2. μελει σοι = melei soi (het gaat jou ter harte) Mc 4,38
  42. μέλλῃ (= mellè: het staat op het punt; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te)
  43. men (enerzijds)
    - mèn (maan, maand, of : werkelijk, waarachtig) , zie Lc 1,26
  44. Ned: menigte , veelheid D : die Menge E : multitude Fr multitude Grieks : πληθος = plèthos (menigte, veelheid) Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) Lat : multitudo
  45. מְאֹד = më´od (hevigheid, kracht, vermogen) Taalgebruik in Tenakh : më´od (hevigheid, kracht, vermogen)
    1. מְאֹדֶךָ = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst naamw + suffix bezitt voornaamw 2de pers enk Dt 6,5
  46. μεριμνα = merimna (kommer, angst) Taalgebruik in het NT : merimna (kommer, angst)
    1. nom vr mv μεριμναι = merimnai (zorgen, bekommernissen)
  47. μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend)
    1. εις το μεσον = eis to meson (naar het midden) Ex 24,18
    2. dat mann enk μεσῳ = mesôi (in het midden van) Mc 6,47
      1. εν μεσῳ = en mesôi (in het midden van) Mc 6,47
        1. (εν) μεσῳ της = en mesôi tès (in het midden van de) Mc 6,47
  48. Ned : met Arabisch : D : besessen von E :with Fr : en Grieks : εν = en (in, tijdens) Hebreeuws : בְּ = bë
  49. μετα = meta (met , na) Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' Taalgebruik in het NT : meta (na , met) Gn 22,1 Mc 1,14 Mc 14,28 Joh 5,1
    1. μετα δε = meta de (na echter) Mc 1,14
      1. μετα δε το = meta de to Mc 1,14
    2. δε μετα = de meta (echter na) Mc 1,14
    3. και μετα = kai meta (en na / met) Mc 1,14
    4. και μετ' = kai met' (en na / met) Mc 1,14
    5. και μεθ' = kai meth' (en na) Mc 1,14
    6. μετα το = meta to Mc 1,14 Mc 14,28
      1. και μετα το = kai meta to (en na) Mc 1,14
    7. μετα ταυτα = meta tauta (na deze dingen, daarna) Joh 21,1
    8. μετ' = met'
      1. μετ' ου = met' ou (na niet) Lc 15,13
      2. και μετ' = kai met' (en na) Lc 15,13
  50. metamorfoomai (omvormen) In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt 17,2 (2) Mc 9,2 (3) (4)
  51. μετανοεω = metanoeô (bekeren) Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren)
    1. act part praes dat mann enk μετανοουντι = metavoounti (aan de bekerende) Lc 15,10
    2. act imperat aor 2de pers mv μετανοησατε = metanoèsate (bekeert jullie) Hnd 2,38
    3. act conjunct aor 3de pers enk μετανοησῃ = metanoèsè(i) (hij zou zich bekeren)
  52. μετανοια = metanoia (bekering) Taalgebruik in het NT : metanoia (bekering)
    1. gen vr enk μετανοιας = metanoias (van bekering) Mc 1,4
      1. μετανοιας εις = metanoias eis (van bekering tot) Mc 1,4
  53. μητηρ = mètèr (moeder) Taalgebruik in het NT : mètèr (moeder)
    1. nom vr enk μητηρ = mètèr (moeder) Mc 3,35
  54. Methüsjâlach (Metuselach) , zie Gn 5,21
    - mè (niet)
  55. vr mv lectio plena מְזוּזוֹת = mëzûzôth (Dt 11,20) OF lectio defectiva מְזוּזֹת = mëzûzoth (Dt 6,9) van het zelfst naamw מְזוּזָה = mëzûzâh (mezoeza, teken aan joodse deurpost)
  56. מִי = mî (wie) Taalgebruik in Tenakh : mî (wie) Dt 4,7
  57. nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (bv op dag één) van het telwoord εἱς , μια , ἑν = heis , mia , hen (één) Taalgebruik in het NT : telwoorden Lc 8,22
    1. μιᾳ των = mia(i) tôn (op één van de) Lc 8,22
      1. μιᾳ των ἡμερων = mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) Lc 8,22
  58. מִדְבָּר = midëbâr (woestijn, woestenij) Taalgebruik in Tenakh : midëbâr (woestijn, woestenij) Js 64,9
  59. Ned : midden D : mitten E : midst Fr : milieu Grieks : μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) Taalgebruik in het NT : mesos (zich in het midden bevindend) Hebreeuws : תָוֶך = thâwèkh (stat constr תּוֹך = thôkh) : het midden, het inwendige Taalgebruik in Tenakh : thâwèkh (stat constr thôkh) : het midden, het inwendige Lat : medius
  60. מִדְיָן = midjân (Midjan) Taalgebruik in Tenakh : midjân (Midjan) Gn 37,28
    1. מִדְיָנִים = midjânîm (Midjanieten) Gn 37,28
  61. מִכְתַּב / מִבְתָּב = mikhëthabh of mikhëthâbh (geschrift, gedicht, lied , brief) Taalgebruik in Tenakh : mikhëthabh (geschrift)
  62. מִלָּה = millâh (woord) Taalgebruik in Tenakh : millâh (woord)
  63. μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) Lc 1,5
    1. imperat aor 2de pers mv μνησθητε = mnèsthète (herinner je / gedenk) Ex 20,8 ,
  64. מִין= mîn (soort, aard) Taalgebruik in Tenakh : mîn (soort, aard)
    1. לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 1,11
    2. לְמִינֵהוּ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 1,21
    3. לְמִינָהּ = lëmînâh (naar zijn soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers vr enk
  65. מִקְוֵה = miqweh (1 hoop, vertrouwen 2 verzameling) Zie het werkw קָוָה = qâwâh (nifal: verzamelen) Taalgebruik in Tenakh : qâwâh (nifal: verzamelen)
    1. וּלְמִקְוֵה = ûlëmiqweh (en tot de verzameling) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Gn 1,10
  66. מִרַיָם = mirajâm (Miriam) Taalgebruik in Tenakh : mirajâm (Miriam) Nu 20,1
  67. μισεω = miseô (haten) Taalgebruik in het NT : miseô (haten)
    1. act ind praes 3de pers enk μισει = misei (hij haat) Lc 14,26
    2. μισούμενοι (= misoumenoi: wordende gehaat; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten)
  68. μισθος = misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) Taalgebruik in het NT : misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning)
    1. μισθωτος = misthôtos (gehuurd, huurling, werknemer)
  69. מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam) Taalgebruik in Tenakh : misjëpâchâh (geslacht, stam)
    1. מִשְׁפַּחְתּוֹ = misjëpachëthô (zijn stam) : zelfst naamw stat constr vr enk + suffix bezitt voornaamw 3de pers mann enk Lv 25,10
      1. אֶל מִשְׁפַּחְתּוֹ = `el misjëpachëthô (naar zijn stam) Lv 25,10
    2. כֹל מִשׁפְּחֹת = kol misjëpëchoth (alle gslachten) Gn 12,3
  70. מִצְוָה = mitsëwâh (bevel, gebod) Taalgebruik in Tenakh : mitsëwâh (bevel, gebod)
    1. מִצְוֹתַי = mitsëwothaj (mijn geboden / bevelen) < zelfst naamw stat construct vr mv + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk
    2. אֶת כָּל הַמִּצְוָה = ´èth kâl hammitsëwah (elke opdracht, elk gebod) Dt 27,1
  71. מִזְבֵחַ = mizëbeach (altaar) Taalgebruik in Tenakh : mizëbeach (altaar) Gn 12,7
    1. שָׁם מִזְבֵחַ = sjâm mizëbeach (daar een altaar) Gn 12,7
    2. מִזְבֵחַ לָיהוה = mizëbeach lâJHWH (een altaar voor JHWH) Gn 12,7
      1. שָׁם מִזְבֵחַ לָיהוה = sjâm mizëbeach lâJHWH (daar een altaar voor JHWH) Gn 12,7
  72. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken,gedenkteken) Lc 23,53 Het hiëroglyfisch dambord met pionnen heeft de klankwaarde van mn Het staat voor blijven, vastgelegd zijn Dit is het geval met de gebouwen, door de Farao opgericht Het is de stam van het Griekse μνημα = mnèma en het Latijnse monumentuml , waaruit het Nederlandse monument , gedenkteken is afgeleid
    1. gen onz enk μνηματος = mnèmatos ,
    2. dat onz enk μνηματι = mnèmati Lc 23,53
      1. εν μνηματι = en mnèmati (in een graf) Lc 23,53 Lc 2,12
      2. εν τῳ μνηματι = en tô(i) mnèmati (in het graf) Lc 23,53 Lc 2,12
    3. dat onz mv μνημασιν = mnèmasin (in de gedenktekens) Mc 5,3
      1. εν τοις μνημασιν = en tois mnèmasin (in de gedenktekens) Mc 5,3
  73. מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) Taalgebruik in Tenakh : mitsërajim (Egypte) Ex 12,35
    1. אֶל מִצְרָיִם = ´èl mitsërâjim (naar Egypte) Gn 37,28
    2. יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = jishërâ´el mimmitsërajim / mitsërâjim (Israël uit Egypte) Ps 114,1
    3. מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim / mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim / mitsërâjim (Egypte) Ex 12,35
    4. מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) Gn 12,10
  74. nom of acc onz enk μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) Lc 24,12
    1. gen onz enk μνημειου = mnèmeiou Lc 24,2
      1. του μνημειου = tou mnèmeiou Lc 24,2
        1. απο του μνημειου = apo tou mnèmeiou (weg van het aandenken) Lc 24,2
        2. εκ του μνημειου = ek tou mnèmeiou (uit het aandenken) Joh 20,2
    2. dat onz enk μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) Mc 15,46
    3. gen onz mv μνημειων = mnèmeiôn (van de grafgedenktekens) Mc 5,2
      1. εκ των μνημειων = ek tôn mnèmeiôn (uit de grafgedenktekens) Mc 5,2
    4. dat onz mv μνημειοις = mnèmeiois (in de grafgedenktekens) Mc 5,3
      1. εν τοις μνημειοις = en tois mnèmeiois (in de grafgedenktekens) Mc 5,3
  75. וּמִמּוֹלַדְתְּךָ = ûmimmôladëthëkhâ (en uit jouw stam) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Zie מוֹלֶדֶת = môlèdèth (kring van verwanten) Gn 12,1
  76. מוֹאָב = mô´abh (Moab) Taalgebruik in Tenakh : mô´abh (Moab) Rt 1,1
  77. monas (alleen) , zie Mc 4,10
  78. Ned : mond E : mouth Fr : bouche Gr : στομα = sto-ma Lat : os, oris Arabisch : فم = fam Hebreeuws : פֵה = pèh (mond, opening, ingang) Taalgebruik in Tenakh : pèh (mond, opening, ingang)
  79. μονογενης = monogenès (eniggeboren) Taalgebruik in het NT : monogenès (eniggeboren)
    1. acc mann enk = monogenè (eniggeboren) Gn 22,2
  80. bijvoegl naamw nom mann enk μονος = monos (alleen) Ex 24,2
  81. Ned : morgen D : Morgen E : morning Fr : matin Grieks : πρωι = prôi (morgen) Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) Hebreeuws : בֹקֶר = boqèr (morgen) Lat : mane
  82. מֹשֶׁה = mosjèh (Mozes) Taalgebruik in Tenakh : Mosjèh (Mozes) Ex 17,3 Ex 24,8
    1. מֹשֶׁה עֶבֶד יהוה = mosjèh `èbhèd JHWH (Mozes, dienaar van JHWH, knecht van JHWH) Dt 34,5
    2. מֹשֶׁה וַאַהֲרֹן = mosjèh wë´ahäron (Mozes en Aäron) Lv 9,23
    3. וּמֹשֶׁה = ûmosjèh (en Mozes) Ex 3,1 Ex 19,3
    4. אֶל מֹשֶׁה = ´èl mosjèh (tot Mozes) Ex 12,1
    5. מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = mosjèh ´èth haddâm (Mozes het bloed) Ex 24,8
    6. תוֹרַת מֹשֶׁה = thorath mosjèh (de wet van Mozes)
  83. Ned : mosterd D : Senf (zie sinapi) E : moustard Fr : sénevé Grieks : σιναπι = sinapi (mosterd) Taalgebruik in het NT : sinapi (mosterd) Latijn : sinapi Waarschijnlijk van Egyptische oorsprong
  84. מוּם = mûm (gebrek défault; ziekte, infirmité)
  85. מות = mwth (sterven, ondergaan) Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan)
    1. וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Gn 5,5
    2. וַתָּמָת / וַתָּמוֹת = waththâmâth / waththâmoth (en zij stierf) < wë + act qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud Nu 20,1 1 Kr 2,19
    3. qal inf absol מוֹת = môth (te sterven) Ex 31,15
    4. act qal inf construct מוֹת = môth (sterven) Ex 31,15
      1. אַחַרֵי מוֹת = ´achäre(j) môth (na de dood van) Gn 26,18
        1. וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) Dt 34,5
    5. act qal part nom mann mv מֵתִים = methîm (stervenden) 1 S 2,6
    6. act hifil part nom mann enk מֵמִית = memîth (doen stervende) 1 S 2,6
    7. pass hofal imperf 3de pers mann enk יוּמָת = jûmâth (hij zal gedood worden) Ex 31,15
      1. מוֹת יוּמָת = môth jûmâth (hij zal gedood worden te sterven) Ex 31,15

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


N

Hebreeuwse werkwoorden die beginnen met de letter נ (noen) : -- nûs (vluchten, wegsnellen) --

  1. נָא = nâ´ (toch) Taalgebruik in Tenakh : nâ´ (toch)
  2. Ned : naam stam : N M Arabisch : اسم = ism (naam) Taalgebruik in de Qoran : ism (naam) D : Name Eng : name Fr : nom Grieks : ονομα = onoma (naam) Taalgebruik in het NT : onoma (naam) Hebr שֵׁם = sjem (naam) Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) Lat nomen
  3. Ned : naar D : nach E : for Fr : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à Gr : εις = eis (naar) Taalgebruik in het NT : eis (naar) Lat in / ad
  4. נַעֲרָה = na`ärâh (meisje)
  5. נָבַט = nâbhat (openspringen, schijnen; hifil : verlichten) Gn 25,13
  6. נָבִיא = nâbhî´(profeet) Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet)
    1. הַנָּבִיא = hannâbhî´( de profeet) 2 K 19,2
      1. יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja, de profeet) 2 K 19,2
  7. נָחָה = nâchâh (voeren, leiden) Taalgebruik in Tenakh : nâchâh (voeren, leiden)
    1. act ind perf 2de pers mann enk נָחִיתָ = nâchîthâ (jij leidde) Ex 15,13
  8. נָחוֹר = nâchôr (Nachor) Taalgebruik in Tenakh : nâchôr (Nachor) Gn 11,29
    1. וְנָחוֹר = wënâchôr (en Nachor) Gn 11,29
  9. Ned : nacht D : Nacht E : night Fr : nuit Gr : νυξ , νυκτος = nux (nacht) Taalgebruik in het NT : nux (nacht) לָיְלָה = lajëlâh (nacht) Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht) Lat : nox , noctis Het Griekse nuks < ne ok(w)t Got : nahts Sanskr : nak Oudeng : neaht , niht (u - o - i - a) Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin , de moeder van de zonnegod Re , die zij dagelijks ter wereld brengt
    - Arabisch : ليلة = nacht (laila) Taalgebruik in de Qoran : nacht (laila) לָיְלָה = lajëlâh (nacht) Taalgebruik in Tenakh : lajëlâh (nacht)
  10. - Nâdâbh (Nadab) , zie Ex 24,9
  11. Ned : na-dat D : nachdem E : after Fr : après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) Grieks : μετα = meta (met , na) Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' Taalgebruik in het NT : meta (na , met) Hebreeuws : ´-ch-r (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat constr אַחַר = ´achar (2) אַחֵר = ´acher (ander, andere) Taalgebruik in Tenakh : ´acher (ander, andere) Lat : post-quam
  12. - naderen zie eggus
    - nâ´âq (weeklagen, kermen) ,