TAAL
BIJBEL: Taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.html.
- A.
- Lat: a-m-are -> Fr: ai-m-er.
- De letter אָלֶף = א = ´ = ´âleph (alef) is de eerste letter van het Hebreeuwse alfabet Deze letter heeft getalswaarde 1 als rang- en hoofdtelwoord Deze letter is een echte medeklinker ofschoon hij in de uitspraak (bijna) niet meer hoorbaar is Hij geeft een glottisslag weer (zoals bv in het Nederlandse naäpen) De aleph wordt weergegeven door het teken ´
- Ned: aanraken, tikken, aantikken -> toets ? E: touch Fr toucher < volkslat toccare < Lat: ta-n-g-ere (tetigi, tactum)
It: toccare Sp: tocar "Noli me tangere" (wil me niet aanraken, ttttfwil me niet vasthouden, klamp je niet vast): Joh 20,13 Ned: tang: gereedschap om iets te grijpen, vast te houden Ned: tank: een reservoir om vloeistoffen vast te houden
-
Lat attingere (attetigi, attactum) Fr attaque < Fr attaquer < ook Lat attoccare en attaccare : aanraken ; neg : slaan, aanvallen ; vasthechten
-
Lat contingere (contetigi, contactum) Fr en Ned : contact
- Ned: aarde Arabisch: أَرْض = ´arD (aarde) Taalgebruik in de Qoran: ´arD (aarde) Aramees: אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde) D: Erde E: earth Fr: terre Grieks: γη = gè (aarde, land) Taalgebruik
in het NT: gè
(aarde) Hebreeuws: אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz
(land) Italiaans: terra Lat: terra Spaans: tierra Syrisch: ´ar`o (aarde)
- אַהֱרֹן (= ´ahäron: Aäron; persoonsnaam, de broer van Mozes.)
- ααρων = aarôn (Aäron) Taalgebruik in het NT: aarôn
(Aäron). Nu 6,23.
- a-ban-donner. 1. donner: geven. 2. ban - bannen, verbannen, een banvloek uitspreken enz Een ban is een rechtsgebied waaraan men onderworpen is. A-ban-donner: afstaan, overgeven aan, overlaten, afzien van... Mettre à bandon: overleveren aan de rechtsmacht van een ander.
- אַב = ´abh (vader) Taalgebruik
in Tenakh: ´abh
(vader) Lc 1,55
- אָבִי = ´âbhî (mijn vader) < zelfst naamw + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk
- אָבִיךָ = ´âbhîkhâ (jouw vader) < stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,1.
- אָבִיו = abhîw (zijn vader) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
- בֵית אָבִיו = be(j)th ´âbhîw (huis van zijn vader)
- וּבֵית אָבִיו = ûbhe(j)th ´âbhîw (en het huis van zijn vader)
- אָבִינוּ = ´âbhînû (onze vader) < zelfst naamw stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mv
- mann mv אֲבוֹת = ´äbhôth (vaders) Lc 1,55
- אֲבֹתֶיךָ = ´äbhothè(j)khâ (jouw vaderen) < mann mv stat constr + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk Lc 1,55
- אֲבֹתֶיךָ אֶל = ´èl ´äbhothè(j)khâ (naar jouw vaderen)
- אֲבֹתֵינוּ = ´äbhothe(j)nû (onze vaderen) < mann mv stat constr + suffix pers voornaamw 1ste pers mann mv Lc 1,55
- לַאֲבֹתֵינוּ = la´äbhothe(j)nû (tot onze vaderen)
- אֱלֹהֵי אֲבֹתֵינוּ = ´êlohe(j) ´äbhothe(j)nû (God van onze vadere
- אֲבוֹתֵיכֶם = ´äbhothe(j)khèm (jullie vaders)
- לאֲבוֹתֵיכֶם = la´äbhothe(j)khèm (aan jullie vaders) < voorzetsel lë
+ zelfst naamw mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann mv
- אֲבוֹתָם = ´äbhôthâm (hun vaderen) < mann mv + suffix pers voornaamw
3de pers mann mv
- לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann mv + suffix
pers voornaamw 3de pers mann mv
- הָאָבוֹת = hâ´âbhôth (de vaderen) < prefix bepaald lidw ha + mann mv Lc 1,55
- לַאֲבוֹתָם = la´äbhôthâm (hun vaderen) < lë + mann mv + suffix
pers voornaamw 3de pers mann mv
- אָבָה = ´âbhâh (willen) Taalgebruik in Tenakh: ´âbhâh (willen)
- act qal imperf 3de pers mann enk יאֹבֶה = jo'bhèh (hij wil)
- - ´jl, zie Ps 42,2
- אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) Taalgebruik
in Tenakh: ´âbhad
(verdwijnen, verloren gaan).
- עָבַד = `âbhad
(werken, dienen) Taalgebruik in Tenakh: `âbhad
(werken, dienen)
- prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act qal perf 3de pers mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv וַעֲבָדוּם = wa`äbhâdûm (en zij zullen dienen) Dt
31,20.
- act ind imperf 2de pers mann enk תַעֲבֹד = tha`äbhod (jij zult werken, dienen) Ex
20,9 Dt
6,13.
- וְנַעַבְדֶכָּ = wënaàbhëdèkhâ (en wij zullen jou dienen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal jiqtol (imperf) 1ste pers mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Mt
6,13.
- act piël imperf 2de pers mann mv תְּאַבְּדוּן = thë´abbëdûn (jullie zult doen verdwijnen) OF act qal jiqtol (imperf) 2de pers mann mv תֹּאבֵדוּן= tho´bhedûn (jullie verdwijnen)
- act hifil stat constr הַאֲבִיד = ha´äbhîd (om te verdelgen)
- pass hofal imperf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv תָעָבְדֵם = thâ`âbhëdem (jij zult hen dienst doen) Ex
20,5.
- אָבַק = ´âbhaq
(worstelen) Taalgebruik in Tenakh: ´âbhaq
(worstelen)
- וַיִאָבִק = waje´âbheq < verbindingswoord wë + werkwvorm pass nifal
imperf 3de pers mann enk Gn
32,25.
- אָבָק = ´âbhâq (stof, stuifzand) Taalgebruik in
Tenakh: ´âbhâq
(stof, stuifzand).
- עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken)
Taalgebruik in Tenakh: `âbhar
(overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Lc
8,22
- וַיַּעֲבֵר = wajja`äbher (en hij deed voorbijgaan) < wë +
act hifil imperf 3de pers mann enk Gn
32,23.
- וַיַּעֲבֹר = wajja`äbhor (en hij trok door) < prefix verbindingswoord wë (consecutivum) + act qal imperf 3de
pers mann enk Gn
32,24.
- נַעְבְּרָה נָּא = na`ëbërah-nâ´ (dat wij mogen doortrekken) < act qal cohort 1ste pers mv + versterking nâ´ Mc 4,35
- נַעְבְּרָה נָּא אֶל אֵבֶר = na`ëbërah-nâ´ ´l `ebhèr (dat wij mogen doortrekken naar de overzijde) Mc 5,1.
- לְהַֽעֲבִיר֙ (= leha`äbhir: om te laten voorbijgaan; voorzetsel lë en wkw hifil inf constr van het wkw עָבַר = `âbhar: 'oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Taalgebruik in Tenakh: `âbhar
(overgaan, voorbijgaan, doortrekken).
- qal act part praes עֹבֵד = `obhed (voorbijgaande)
- אָבַס = ´âbâs (voederen, vetten) Lc 2,12.
- Αββα (= abba: vader; Aramees woord).
- Fr: accusation < ac / ad: tot, naar - cusa < Lat: causa: geval, rechtszaak; Fr: la cause: geval, oorzaak - uitgang -tion. Tot een rechtszaak gekomen. Begin van een rechtszaak is een aanklacht, een beschuldiging.
- אֵבוּס = ´ebhûs
(kribbe) Taalgebruik in Tenakh: ´ebhûs
(kribbe) Lc 2,12
- ´äbhîhû
(Abihoe), zie Ex
24,9.
- אַהֱרֹן (= ´ahäron: Aäron; persoonsnaam, de broer van Mozes.) Taalgebruik in Tenakh: ´ahäron
(Aäron). Ps 133,2.
- וְאַהֱרֹן (= wë´ahäron: en Aäron < prefix voegwoord wë + persoonsnaam). Ex
24,9.
- ´âbhad
(verdwijnen, verloren gaan), zie Ps
1,6.
- ´abhërâm
(Abram), zie Gn
12,1.
- Grieks: αβρααμ = abraam (Abraham) Taalgebruik in het NT: abraam (Abraham) Arabisch: ابرَاهِيم = ´ibrahim (Ibrahim) Taalgebruik in de Qoran: ibrahim (Ibrahim) Hebreeuws: אַבְרָהָם =
´abhërâhâm (Abraham) Zie אַבְרָם = ´abhërâm
(Abram) Taalgebruik in Tenakh: ´abhërâm
(Abram).
- αβρααμ (= abraam: Abraham; zn eigennaam) Taalgebruik in het NT: abraam (Abraham) Lc 1,55.
- אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham)
- אַבְרָהָם אֶל הָאֱלֹהִים = ´abhërâhâm ´èl hâ´èlohîm (en Abraham tot God) Gn
17,18.
- וַיּאֹמֶר אַבְרָהָם אֶל = wajjo'mèr ´abhërâhâm ´èl (en Abraham zei tot) Gn
17,18.
- וְאַבְרָהָם = wë´abhërâhâm (en Abraham) < prefix wë + persoonsnaam אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) Gn
18,11.
- אֶל אַבְרָהָם = ´èl ´abhërâhâm (tot Abraham) Lc 1,55.
- לְאַבְרָהָם = lë´abhërâhâm (aan Abraham) < voorzetsel lë + אַבְרָהָם = ´abhërâhâm (Abraham) Lc 1,55.
- אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) Taalgebruik in Tenakh: ´abhërâm
(Abram) Gn
12,10
- אֶל אַבְרָם = ´èl ´abhërâm (tot Abram) Gn
12,1
- יהוה אֶל אַבְרָם = JHWH ´èl ´abhërâm (JHWH tot Abram) Gn
12,1.
- אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) Gn
11,29.
- וְאַבְרָם בֶּן = wë´abërâm bèn (en Abram was oud) Gn
16,16.
- לְאַבְרָם = lëabhrâm (voor Abram) < prefix voorzetsel lë + eigennaam אַבְרָם = ´abhërâm (Abram) Gn
16,16.
- וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) Gn 12,4.
- וַיּקַּח אַבְרָם = wajjiqqach Abram (en Abram nam) Gn
11,29.
- מִצְרַיְמָה אַבְרָם וַיֵּרֶד = wajjerèd ´abhërâm mitsërajëmâh
(en Abram daalde af Egyptewaarts) Gn 12,4.
- וְאַבְרָם = wë´abërâm (en Abram) < prefix voegwoord wë + eigennaam Gn 12,4.
- abord < à Lat: ad: naar, tot) bord: boord / rand / zoom van een kleed, de oever van een rivier, de boord van een schip, aan boord komen, landing (van een vliegtuig op een luchthaven), toegang (aan boord komen van een vliegtuig, trein enz..
- d'abord: van bij de boord, aan-vankelijk, eerst, vooreerst, onmiddellijk.
- אָח = ´âch (broer) Taalgebruik in Tenakh: ´ach (broer) Lc
15,27
- ´-ch-j: (1) zelfst naamw mann enk + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enkאָחִי / אֲחִי = ´âchî OF ´ächî (mijn broer) (2) zelfst naamw stat constr mann enk אֲחִי = ´äche(j) (broers van)
- אַחִים = mann mv ´achîm (broers) Ps 133,1.
- אָחִיו = ´achîw (zijn broer) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
25,26.
- mann enk + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk אָחִיךָ = âchîkhâ (jouw broer) Dt 22,4.
- אָחִינוּ = ´âchînû (onze broer)
- אֶחָיו = ´èchâ(j)w (zijn broers) < mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
- כָל אֶחָיו = kâl ´èchâ(j)w (al zijn broers)
- וְכָל אֶחָיו = wëkhâl ´èchâ(j)w (en al zijn broers)
- `âchar
(dralen, toeven, zich ophouden), zie Ps
40,18.
- ´-ch-r (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat constr אַחַר = ´achar (2) אַחֵר = ´acher
(ander, andere) Taalgebruik in Tenakh: ´acher
(ander, andere)
- אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = ´achar haddëbharîm hâ´ellèh
(na deze woorden/gebeurtenissen) Gn
22,1.
- אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
22,1.
- mann mv אֲחֵרִים = ´ächarîm / ´ächerîm Dt 6,14
- אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) Dt 6,14
- אַחֲרֵי אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´achäre(j) ´èlohîm ´ächarîm
(achter andere goden) Dt 6,14.
- אַחֲרֵי =´achäre(j) (achter, na) Taalgebruik in Tenakh: ´achäre(j)
(achter) Gn
25,26
- אַחַרֵי כֵן = ´achäre(j) khen (achter zo, zo dan) Gn
25,26
- אַחֲרֵי אֱלֹהִים = ´achäre(j) ´èlohîm (achter goden) Dt 6,14.
- וַיְהי אַחַרֵי = wajëhî ´achäre(j) (en het zal zijn na) Gn
25,11.
- וְאַחֲרֵי = wë´achäre(j) (en achter, en na) < prefix voegwoord wë + voorzetsel (de vorm van een stat constr mann mv) Gn 25,26
- וְאַחֲרֵי כֵן = wë´achäre(j) khen (en achter zo, en zo dan, en daarna) Gn
25,26.
- אַחֲרָיו= ´achärâ(j)w (achter hem) < voorzetsel + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Mc 1,18
- הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) Mc 1,18.
- אָחַז = ´âchaz (grijpen, vatten) Taalgebruik in Tenakh: ´âchaz (grijpen, vatten)
- act part vr enk אֹחֶזֶת = ´ochèzèth (vastgrijpende) Gn
25,26.
- ἀχειροποίητον (= acheiropoièton: niet handgemaakt; bv nw acc mann enk van het bv nw ἀχειροποίητος = acheiropoiètos: niet handgemaakt).
- עַד = `ad (tot) Taalgebruik in Tenakh: `ad
(tot) Gn
32,25. Lat: ad. Fr: à.
- אָדָם (= ´âdâm: mens). Taalgebruik
in Tenakh: ´âdâm
(mens). Gn
1,26 Lc 15,11
- הָאָדָם = hâ´âdâm (en Adam) < prefix bepaald lidwoord + zelfst naam (eigennaam) Gn 4,1
- וְהָאָדָם = wëhâ´âdâm (en Adam) < prefix voegwoord wë + bepaald lidwoord + zelfst naam (eigennaam) Gn 4,1.
- לָֽאָדָ֑ם (= lä´âdâm: voor de mens; < prefix voortzetsel lë + zn ֽאָדָ֑ם = ´âdâm: mens). Taalgebruik
in Tenakh: ´âdâm
(mens).
- אֲדָמָה = ´ädâmâh (aarde, grond) Taalgebruik in Tenakh: ´ädâmâh
(aarde, grond) Gn
1,26
- הָאֲדָמָה = hâ´ädâmâh de aarde) < bepaald lidw + zelfst naamw Dt
4,10:
- עַל הָאֲדָמָה אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = `al hâ´ädâmâh ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ nothen lâkh (op de grond die/dat JHWH, jouw God gevende aan jou)
- מֵעַל הָאֲדָמָה = me`al hâ´ädâmâh (vanop de aarde) Dt
28,21.
- אָדַר = ´âdar (nif: verheerlijkt zijn) Taalgebruik in Tenakh: ´âdar (nif: verheerlijkt zijn)
- pass nifal part mann enk נֶאְדָּר = nè'ëdâr (verheerlijkt) Ex 15,11.
- כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele
gemeenschap van Israëlieten) Lv
19,2
- אֶל כָּל עֱדַת בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ´èl kâl `ädath bënê jishërâ´el (de hele gemeenschap van Israëlieten) Lv
19,2.
- αδεια (= a-deia: vrijheid van vrees, veiligheid, onbevreesdheid)
- nom vr enk αδελφη = adelfè (zuster) Taalgebruik in het NT: adelfè (zuster) Mc 3,35.
- ἀδελφὰς (= adelfas: zusters; zn acc vr mv van het zn αδελφη = adelfè: zuster)
- αδελφος = adelfos: broer) Taalgebruik in
het NT: adelfos
(broer)
- αδελφος (= adelfos: broer; zn nom mann enk) Mc 3,35 Lc
15,27
- ὁ αδελφος αυτου = ho adelfos autou (zijn broer) Gn
25,26.
- gen mann enk αδελφου = adelfou (van de broer) Mc 6,17
- του αδελφου αυτου = tou adelfou autou (van zijn broer) Mc 6,17
- την γυναικα του αδελφου αυτου = tèn gunaika tou adelfou autou (de vrouw van zijn broer) Mc 6,17.
- ἀδελφῷ (= adelfô: aan de broer; zn dat mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer)
- ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer)
- ἀδελφοὶ (= adelfoi: broers; zn nom mann mv van het zn αδελφος = adelfos: broer)
- ἀδελφοὺς (= adelfous: broers; zn acc mann mv van het zn αδελφος = adelfos: broer)
- ἀδημονεῖν (= adèmonein: angstig te zijn; wkw act inf praes van het wkw αδημονεω = adèmoneô: angstig, onrustig zijn).
- ἀδικίᾳ (= adikia: ongerechtigheid; zn dat vr enk van het zn ἀ-δικία = a-dikia: ongerechtigheid, onrecht; < a + dik + ia; a als ontkenning; de stam dik; uitgang -ia: wkw + bv nw + zn -> zn: substantivering; zie zn δικη = dikè: recht, rechtspraak, gewoonte, handelswijze; stam deik-, zie deiknumi: wijzen, tonen)
- ἀδικίαν (= adikian: ongerechtigheid; zn acc vr enk van het zn ἀ-δικία = a-dikia: ongerechtigheid, onrecht; < a + dik + ia; a als ontkenning; de stam dik; uitgang -ia: wkw + bv nw + zn -> zn: substantivering; zie zn δικη = dikè: recht, rechtspraak, gewoonte, handelswijze; stam deik-, zie deiknumi: wijzen, tonen)
- admettre: toelaten, toestaan, aannemen, opnemen. < Lat: ad-mittere: zenden naar; zie missie/zending, missionaris/zendeling -
- Fr: admission: toelating, aanneming, opneming.
- Fr: admissible: aannemelijk, toelaatbaar.
- ᾖσεν (= èsen: hij zong; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αδω = adô: zingen). LXX (4): (1) Ex 15,1. (2) Nu
21,17. (3) Re 5,1. (4) Ps 7,1,
- אֲדֹנָי (= ´ädonaj: mijn heer / mijne heren). Taalgebruik in
Tenakh: ´ädonâj
/ ´ädonaj (mijn heer / mijne heren). Lc 4,18
- אֲדֹנָי יהוה (= ´ädonaj JHWH: mijn Heer JHWH). Lc 4,18.
- adorare (tot de mond brengen, kussen, aanbidden)
- act part praes nom mann mv adorantes (aanbiddend) Lc
24,52.
- act fut perf 1ste pers mv adoraverimus (wij zullen aanbeden hebben) Gn
22,5.
- ἀδύνατον (= adunaton: onmogelijk; bn nom onz enk van het bn ἀδύνατος = adunatos: onmogelijk)
- אֵי = ´e(j) (waar?) Taalgebruik in Tenakh: ´e(j) (waar?)
- אַיֶּכָּה = ´ajèkkâh (waar ben je?) < vragend voornaamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn
3,9.
- αφαιρεω = afaireô (wegnemen) Taalgebruik in het NT: afaireô (wegnemen)
- αφειλεν (= afeilen: hij nam weg; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφαιρεω = afaireô: wegnemen). Lc 1,25.
- act inf 2de aor αφελειν = afelein Lc 1,25
- מֵעָפָר (= me`âphâr: uit stof) < voorzetsel mn + zn mann enk van het zn עָפָר = `âphâr: stof,
aarde). Ps 113,7.
- ἀφεδρῶνα (= afedrôna: w.c.; zn acc mann enk van het zn αφεδρων = afedrôn: w.c.)
- αφεσις = afesis: vergeving, af-lat-ing) Taalgebruik
in het NT: afesis
(vergeving)
- dat vr enk αφεσει = afesei Lc 4,18
- εν αφεσει = en afesei (door vergeving) Lc 4,18
- εν αφεσει ἁμαρτιων = en afesei hamartiôn (door vergeving van zonden) Mc
1,4.
- αφεσιν (= afesin: aflating, vergeving; zn acc vr enk van het zn αφεσις = afesis: vergeving, af-lat-ing) Lv
25,10 Mc
1,4 Lc 24,47
- εις αφεσιν = eis afesin (tot vergeving) Mc
1,4
- εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων (tot vergeving van (de) zonden) Lc 24,47.
- αφιημι = afièmi: (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten, ver-laten) Taalgebruik in het NT: afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten, ver-laten)
- 3de pers enk act ind praes of imperf (ion) απιει = apiei (hij begaf zich op weg) PJ 1,1
- ἀφίεμεν (= afiemen: wij vergeven; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten, ver-laten)
- αφιενται (= afientai: zij worden vergeven; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) Mc 2,5.
- ἤφιεν (= èfien: hij liet toe; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- Ἄφες (= afes: sta toe; wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) Lc
17,3
- και αφες = kai afes (en vergeef) Mt
6,12.
- ἀφίετε (= afiete: vergeeft; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten, ver-laten)
- ἀfete (= afete: laten jullie; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan)
- ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- ἀφήκαμεν (= afèkamen: wij verlieten; wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw αφιημι = af-ièmi: af-laten, verlaten; afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- ἀφῆκαν (= afèkan: zij lieten achter; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- ἀφῇ (= afè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- αφιεναι (= afienai: te vergeven; wkw act inf praes van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) Mc 2,7.
- act part aor nom mann enk αφεις = afeis (achterlatend) Mt
13,36
- αφεις τους οχλους = afeis tous ochlous (achterlatend de massa's) Mt
13,36.
- ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) Mc 4,36 Mc
14,50 Lc 5,11
- αφεντες τα δικτυα = afentes ta diktua (de netten achtergelaten) Mt
4,20.
- αφεντες ἁπαντα = afentes hapanta (alles achtergelaten) Mt
4,20.
- αφεντες αυτον (= afentes auton: hem achtergelaten) Mt
4,20 Mc
14,50
- και αφεντες αυτον = kai afentes auton (en achtergelaten hem) Mc
14,50.
- αφεντες τον οχλον = afentes ton ochlon (achtergelaten de menigte) Mc 4,36.
- pass ind perf 3de pers mv αφεωνται = afeôntai (zij zijn vergeven) Mc 2,5
- αφεωνται σοι = afeôntai soi (zij zijn vergeven aan jou) Mc 2,5
- αφεωνται σοι αἱ ἁμαρτιαι = afeôntai soi hai hamartiai (zij zijn vergeven aan jou de zonden) Mc 2,5.
- ἀφεθῇ (= afethè: hij zou laten; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8)
- αφοριζω (= aforizô: afzonderen) Taalgebruik in het NT: aforizô
(afzonderen)
- αφορισας (= aforisas afzonderende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw. αφοριζω = aforizô: afzonderen). Gal
1,15.
- ἀφρίζει (= afridzei: hij schuimt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αφριζω = afrizô: schuimen)
- ἀφρίζων (= afridzôn: schuimbekkend; wkw part praes nom mann enk van het wkw αφριζω = afrizô: schuimen) zie Mc 9,18) .
- ἀφροσύνη (= afrosunè: onverstand, dwaasheid; zn nom vr enk)
- αφυπνoô = afupnoô (wegdromen) Lc
8,23
- act ind aor 3de pers enk αφυπνωσεν = afupnôsen (hij droomde weg) Lc
8,23.
- αγαλλιαω = agalliaô: jubelen) Taalgebruik in het NT: agalliaô
(jubelen)
- ηγαλλιασεν (= ègalliasen: hij jubelde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αγαλλιαω = agalliaô: jubelen). Lc 1,47.
- deponent werkw ind fut 1ste pers enk αγαλλιασομαι = agalliasomai (ik zal jubelen) Lc 1,47.
- deponent werkw ind aor 3de pers enk ηγαλλιασατο = ègalliasato (hij jubelde) Lc 1,47.
- ἀγαλλιάσεται (= agalliasetai: zij zal jubelen, zij zal galmen; wkw act ind fut 3de pers vr enk van het wkw αγαλλιαω = agalliaô: jubelen, galmen, weergalmen). Ps
35,9.
- ἀγαλλιάσθω (= agalliasthô: dat hij / zij zich verheuge; wkw med of pass imperat aor 3de pers enk van het wkw αγαλλιαω = agalliaô: jubelen). Js
61,10.
- ἀγαλλιᾶσθε (agalliasthe: jubelt; wkw med of pass imperat 2de pers mv van het wkw αγαλλιαω = agalliaô: jubelen). Js
12,6.
- αγανακτουντες (= aganaktountes: zich ergeren; wkw act part praes nom mann mv van het wkw αγανακτω = aganakteô: zich ergeren)
- ἠγανάκτησεν (èganaktèsen: hij ergerde zich; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αγανακτω = aganakteô: ontevreden zijn, toornig zijn, zich ergeren)
- ἀγανακτεῖν (aganaktein:zich te ergeren; wkw act inf praes van het wkw αγανακτω = aganaktô: verontwaardigd zijn, zich ergeren)
- αγαπαω = agapaô
(liefhebben) Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben)
- ἀγαπᾶτε (= agapate: jullie beminnen, bemint; wkw act ind + imperat praes 2de pers mv van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p) Lc
6,27.
- ἀγαπᾶν (= agapan: te beminnen; wkw act inf praes van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p)
- αγαπησεις (= agapèseis: jij zult beminnen, wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p) Dt
6,5
- αγαπησω (= agapèsô: ik zal beminnen; wkw act ind fut ste pers enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p).
NT (1): Joh
14,21.
- act ind aor 2de pers ank ηγαπησας = ègapèsas (jij beminde) Gn
22,2
- ἠγάπησεν (= ègapèsen: hij beminde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αγαπαω = agapaô: houden van, beminnen)
- αγαπων (= agapôn: beminnende, liefhebbende; wkw part praes nom mann enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אהב = ´. âhabh. Stam: '/a -g/h - b/p). NT (15). Joh (3). (1) Joh
14,21a. (2) Joh
14,21b. (3) Joh
14,24.
- ἀγαπῶντες (= agapôntes: beminnende, wkw act part praes nom mann mv van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אָהַב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - p/b)
- ἀγαπῶντας (= agapôntas: beminnende, wkw act part praes acc mann mv van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אָהַב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - p/b).
- αγαπηθησεται (= agapèthèsetai: hij zal bemind worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw. αγαπαω = agapaô: liefhebben; zie Hebr.: אָהַב = ´âhabh. Stam: '/a -g/h - p/b).
NT (1): Joh
14,21.
- αγαπη = agapè: liefde) Zie het werkw αγαπαω = agapaô
(liefhebben) Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben)
- nom vr enk αγαπη = agapè (liefde) Jud
1,3.
- ἀγάπῃ (= agapè: in liefde; zn dat vr enk van het zn αγαπη = agapè: liefde)
- αγαπητος (= agapètos: beminde, geliefde; bn nom mann enk; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw αγαπαω = agapaô: liefhebben).Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben)
- nom mann enk αγαπητος = agapètos (beminde, geliefde)
- gen mann enk αγαπητου = agapètou Gn
22,16.
- αγαπητον (= agapèton: geliefde; bv nw acc mann enk van het bv nw αγαπητος = agapètos: beminde, geliefde) Gn
22,2.
- nom + voc mann mv αγαπητοι = agapètoi (beminden) Jud
1,3.
- αγαθος = agathos: goed) Taalgebruik in
het NT: agathos
(goed)
- nom mann enk αγαθος = agathos (goed) Lc
23,50.
- ἀγαθῷ (= agathô: aan het goede; bv nw zelfstandig gebruikt dat onz enk van het bv nw αγαθος = agathos: goed; stam g-th, zie Ned.: goed)
- ἀγαθον (= agathon: het goede; bv nw zelfstandig gebruikt acc onz enk van het bv nw αγαθος = agathos: goed; stam g-th, zie Ned.: goed)
- ἀγαθῶν (= agathôn: van goede dingen, van het goede; bv nw zelfstandig gebruikt gen onz mv van het bv nw αγαθος = agathos: goed; stam g-th, zie Ned.: goed)
- ἀγγαρεύουσιν (= aggareuousin: zij dwingen om mee te gaan; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ἀγγαρεύω = aggareuô: dwingen om mee te gaan).
- nom mann enk αγγελος = aggelos: engel, bode) Gn
16,11 Lc 1,11 Hnd
12,8
- αγγελος κυριου = aggelos kuriou (de engel van de Heer) Gn
16,11 Lc 2,9.
- acc mann enk αγγελον (= aggelon: bode; zn acc mann enk van het zn αγγελος = aggelos: engel, bode) Mc 1,2.
- ἄγγελοι (= aggeloi: engelen; zn nom mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel)
- ἀγγέλων (= aggelôn: van engelen; zn gen mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel)
- ἀγγέλους (= aggelous: engelen; zn acc mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel)
- - aggelos
(engel) aggelos
(engel), zie Mt
13,41.
- ἠγνόουν (= ègnooun: zij wisten, zij begrepen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw αγνοω = agnoô: niet weten, niet begrijpen)
- ο αμνος του Θεου (ho agnos tou Theou = het lam van God; NT (2): (1) Joh
1,29. (2) Joh
1,36.
- ἀγοραῖς (= agorais: markten; zn dat vr mv van het zn ἀγορα = agora: vergadering, bijeenkomst, markt)
- αγοραζω = agorazô: kopen) Taalgebruik in het NT: αγοραζω = agorazô (kopen) Mc
15,46
- ηγορασαν (= ègorasan: zij kochten; wkw act indic aor 3de pers mv van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen). Mc
15,46.
- act ind fut 1ste pers mv OF act conjunct aor 1ste pers mv αγορασωμεν = agorasômen (dat wij zouden kopen) Lc 9,13.
- αγορασας (= agorasas: gekocht; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) Mc
15,46.
- ἀγοράζοντας (= agoradzontas: kopers; wkw act part praes acc mann mv van het wkw αγοραζω = agorazô: kopen)
- αγρα = agra (vangst, buit)
Taalgebruik in het NT: agra
(vangst, buit) Lc 5,4
- acc vr enk αγραn = agran Lc 5,4.
- ἀγρεύσωσιν (agreusôsin: zij zouden vangen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw αγρευω = agr-euô: jagen, vangen, najagen)
- αγριον (= agrion: wilde; bv nw acc onz enk van het bv nw αγριος = agrios: wild, woest, onbeschaafd)
- αγρος = agros (akker, land, veld) Zie: αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) Taalgebruik in het NT: agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven)
- ἀγροῦ (= agrou: akker; zn gen mann enk van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r)
- ἀγρὸν (= agron: akker; zn acc mann enk van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r) Lv
25,4
- ἀγρῶν (= agrôn: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r)
- ἀγροὺς (= agrous: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r)
- - agrupneô
(slaaploos of wakker zijn, waken).
- ἀγρυπνοῦντες (= agrupnountes: wakende, wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἀγρυπνεω =
agrupneô: slaaploos, of wakker zijn, waken),
- ἀγρυπνεῖτε (= agrupneite: waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀγρυπνεω =
agrupneô: slaaploos, of wakker zijn, waken),
- αγω = agô (leiden, voeren)
Taalgebruik in het NT: agô
(leiden, voeren)van het wkw αγω = agô: leiden, voeren)
- ἤγαγον (= ègagon: zij brachten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren).
- αγωμεν (= agômen: laten wij gaan; wkw act conjunct praes 1ste pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren, gaan) Mc 1,38.
- ἄγωσιν (= agôsin: zij zouden brengen; wkw act conjunct 3de pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren, gaan)
- ἀγάγετέ (= agagate: brengt; wkw act imper aor 2de pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren, gaan).
- אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben)aTaalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben)
- act qal perf 2de pers mann enk אָהַבְתָּ = ´âhabhëthâ (jij bemint) Dt
6,5
- אֲשֶׁר אָהַבְתָּ = äsjèr ´âhabhëthâ (die jij bemint) Gn
22,2.
- וְאָהַבְתָּ = wë´âhabhëthâ (en jij bemint) < prefix verbindingswoord wë + act qal perf 2de pers mann enk Dt
6,5
- וְאָהַבְתָּ אֵת = wë´âhabhëthâ ´eth (en jij zult beminnen) Dt
6,5
- וְאָהַבְתָּ אֵת יהוה = wë´âhabhëthâ ´eth JHWH (en jij zult JHWH beminnen) Dt
6,5.
- לאַהֲבָה = lë´ahäbhâh (om te beminnen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf stat construct Dt
11,1
- וּלאַהֲבָה = ûlë´ahäbhâh (en om te beminnen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm qal inf stat construct Dt
6,5.
- לאַהֲבָה אֶת יהוה = lë´ahäbhâh ´èth JHWH (om JHWH te beminnen) Dt
6,5.
- אָהַל = ´âhal (de tent opslaan)
- וַיֶּאֶהַל = wajjè´èhal (en hij sloeg zijn tenten op) < prefix waw consecutivum + act ind imperf 3de pers enk Gn
13,12.
- אַהֱרֹן = ´ahäron
(Aäron) Taalgebruik in Tenakh: ´ahäron
(Aäron) Nu 6,23 Ps 133,2
- אֶל אַהֱרֹן = ´èl ´ahäron
(tot Aäron) Nu 6,23
- דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן = dabber ´èl ´ahäron
(spreek tot Aäron) Nu 6,23.
- אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = ´èl áhäron wë´èl bânâ(j)w (tot Aäron en tot zijn zonen) Nu 6,23
- דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו = dabber ´èl ´ahäron
wë´èl bânâ(j)w (spreek tot Aäron en tot zijn zonen) Nu 6,23
- דַבֵּר אֶל אַהֱרֹן וְאֶל בָּנָיו לֵאמֹר = dabber ´èl ´ahäron
wë´èl bânâ(j)w le´mor (spreek tot Aäron en tot zijn zonen om te zeggen) Nu 6,23.
- אִי = ´î (î) kan verschillende betekenissen hebben:
- אַיִן = ´ajin (waar) = אִי = אֵי = אַיֵּה = ´ajjeh Zie: אִי = ´î (ie) 1
vragend woord: waar ? Taalgebruik in Tenakh: ´î =´ie (waar?).
- אִי = ´î (wee), wellicht ontstaan uit de scriptio defectiva אֹי = ´oj van אוֹי = ´ôj (wee) Taalgebruik uit Tenakh: אִי = ´î (wee) Tenakh oa Pr 10,16.
- אִי = ´î ( (î) (eiland) Taalgebruik in Tenach: ´î (eiland)
1 mann mv stat absol אִיִּים = ´ijjîm (eilanden)
- mann mv stat construct אִיֵּי = ´ijje (eilanden van)
- niet (prefix ontkennend)
- αἰφνιδίους (= aifnidious: plotselinge; bv nw acc vr mv van het bv nw αἰφνιδίος = aifnidious: plotseling)
- ain-si: even-als.
- אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) Taalgebruik in Tenakh: 'âjabh (vijandig zijn)
- וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst naamw vr enk אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) Gn
3,15.
- -
- εξ αιγυπτου = ex aiguptou (uit Egypte) Dt
26,8.
- אַיִל = ´ajil (ram, post, boog, zuil, vlakte) Taalgebruik in
Tenakh: ´ajil
(ram, post, boog, zuil, vlakte).
- -
- וָלָד לָהֶם אֵין = ´e(j)n lahèm wâlâd Lc 1,7.
- וְאֵין = wë´e(j)n (en er is niet) < wë + עַיִן = ´ajin (er
is niet) Stat constr עיֵן = ´e(j)n Taalgebruik in Tenakh: ´ajin
(er is niet) Lc 1,7.
- - ´âhal
(zijn tenten opslaan), zie Gn
13,18.
- Fr: -ai- . Lat: vanus (ijdel) -> Fr: vain. Lat: manus (hand) -> Fr: main. Lat: sanctus (heilig) -> Fr; saint. Fr: bain (bad).
- αινεω = aineô
(loven, prijzen) Taalgebruik in het NT: aineô
(loven, prijzen)
- act part praes nom mann mv αινουντες = ainountes (prijzend) Lc 2,20
- αινουντες τον θεον = ainountes ton theon (prijzende God) Lc 2,20.
- act part praes gen mv αινουντων = ainountôn (van hen die lofprijzen) Lc 2,13.
- αιξ (= aix: geit; zn enk αιγος = aigos).
- αιγων (= aigôn; zn gen vr mv van het zn αιξ = aix: geit).
- αἰῶνας (= aiônas: eeuwen; zn acc mann mv van het zn αιων = aiôn: eeuw)
- αἰῶνα (= aiôna: eeuwigheid; zn acc mann enk van het zn αιων = aiôn: eeuw)
- αἰῶνι (= aiôni; zn dat mann enk van het zn αιων = aiôn: tijd, wereld)
- αἰώνιον (= aiônion: eeuwig; bv nw acc vr enk van het bv nw αἰώνιος = aiônios: eeuwig) .
- aiônion
(eeuwig), zie Joh
3,15 Bij Johannes: (1) Joh
3,15 (2) Joh
3,16 (3) Joh
3,36 (4) Joh
4,14 (5) Joh
4,36 (6) Joh
5,24 (7) Joh
5,39 (8) Joh
6,27 (9) Joh
6,40 (10) Joh
6,47 (11) Joh
6,54 (12) Joh
10,28 (13) Joh
12,25 (14) Joh
17,2 In al deze verzen staat aiônion (eeuwig) onmiddellijk na zôèn
(leven) In 6 verzen staat zôèn (leven) zonder aiônion (eeuwig): (1) Joh
5,26 (2) Joh
5,40 (3) Joh
6,33 (4) Joh
6,53 (5) Joh
10,10 (6) Joh
20,31.
- עַיִן = `ajin (oog, bron) Stat constr עֵין = ´e(j)n Taalgebruik
in Tenakh: `ajin
(oog, bro. n)
- stat constr mann mv עֵינֵי = `e(j)ne(j) (ogen van) Js
35,5.
- עֵינֶיךָ = `e(j)nè(j)khâ (jouw ogen) < stat constr mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,8
- בֵּין עֵינֶיךָ = be(j)n `e(j)nè(j)khâ (tussen jouw ogen) Dt
6,8.
- עֵינֵיכֶם = `e(j)ne(j)khèm (jullie ogen) < zelfst naamw stat construct mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv Dt
11,18
- בֵּין עֵינֵיכֶם = be(j)n `e(j)ne(j)khèm (tussen jullie ogen) Dt
11,18.
- עֵינָיו = `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) < stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
13,10 Gn
22,4
- אֶת עֵינָיו = ´èth `e(j)nâ(j)w (zijn ogen) Gn
13,10 Gn
22,4.
- בְּעֵינֵי = bë`e(j)ne(j) (in de ogen van) < prefix voorzetsel bë + stat constr
mann mv Re 3,12
- בְּעֵינֵי יהוה = bë`e(j)ne(j) JHWH (in de ogen van JHWH) Re 3,12
- אֶת הָרַע בְּעֵינֵי יהוה = ´èth hâra` bë`e(j)ne(j) JHWH (het slechte
in de ogen van JHWH) Dt
31,29.
- αιρεσεις (= aireseis: secten, partijen; zn nom vr mv van het zn αιρεσις = airesis: inname, verovering, secte, partij).
- αιρω = airô: nemen)
Taalgebruik in het NT: airô
(nemen)
- ἀρεῖς (= areis: jij zult nemen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen)
- ἦραν (= èran: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen)
- ἤρατε (= èrate: jullie namen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen)
- ἄρῃ (= arè: hij zou dragen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen, dragen)
- ἄρας (= aras: nemende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen)
- αρον (= aron: neem; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) Mc 2,9.
- ἀράτω (= aratô: dat hij neme; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen)
- ἆραι (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen)
- αἰρόμενον (= airomenon: genomen; wkw pass part acc mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen)
- Ἄρθητι (= arthèti: word genomen; wkw pass imperat 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen)
- αιτεω = aiteô
(vragen, bedelen) Taalgebruik in het NT: aiteô
(vragen, bedelen)
- αἰτεῖσθε (= aiteisthe: jullie vragen; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen)
- med conj aor 1ste pers enk αιτησομαι = aitèsomai (ik zou vragen) Mc
6,24
- ᾐτήσατο (= ètèsato: hij vroeg voor zich; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen)
- αἰτήσωμέν (= aitèsômen: wij zouden vragen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen)
- med inf praes αιτεισθαι = aiteisthai (voor zich te vragen, eisen) Mc 15,8.
- αἰτίας (= aitias: van de reden; zn gen vr enk van het zn αἰτία= aitia: reden).
- Arab `ajil: verwonderlijk, verbazingwekkend. Fr.: étonnant.
- אך = akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker) Taalgebruik in Tenakh: akh (slechts, nauwelijks, pas, voorzeker).
- ακατασκευαστος = akataskeuastos (onuitgerust, oningericht) Zie het werkw κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) Taalgebruik in het NT: kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) Gn
1,2.
- ακαθαρσια (= akatharsia: onreinheid, onzuiverheid; zn nom vr enk van het zn α-καθαρ-σια= a-kathar-sia: on-rein-heid, on-zuiver-heid)
- ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen)
Taalgebruik in het NT: akathartos
(onzuiver) Mc 1,26
- το ακαθαρτον = to akatharton (de onzuivere) Mc 1,26
- το ακαθαρτον πνευμα = to akatharton pneuma (de onzuivere geest) Mc 1,26.
- ἀκαθάρτῳ (= akatharô: met een onzuivere geest; bv nw dat onz enk van het bv nw ακαθαρος = akatharos: onzuiver, onrein) Mc 1,26.
- nom en acc onz mv ακαθαρτα = akatharta (onzuiver) Mc 3,11
- τα πνευματα τα ακαθαρτα = ta pneumata ta akatharta (de onzuivere geesten) Mc 3,11.
-
- אָכַל (= ´âkhal: eten). Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal
(eten)
- וַאֲכַלְתֶּם = wë´äkhalëthèm (en jullie zullen eten) < prefix verbindingswoord wë + werkw act ind perf 2de pers mann mv Ex 12,11.
- act qal imperf 3de pers mann enk יאֹכַל = jo´khal (hij eet)
- act ind imperf 1ste pers mv נֹאכֵל / נֹאכַל = no´khel / no´khal (wij zullen eten) Gn
3,2.
- וַיּאֹכְל = wajjo´khël (en hij at) < prefix wa consecutivum + act indic imperf 3de pers mann enk Mc 4,. 4.
- act ind imperf 2de pers mann mv t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = to'khëlû / to'khelô (jullie zullen eten) Gn
9,4
- לֹא t'klw תֹאכְלוּ / תֹאכֵלוּ = lo´ to'khëlû / to'khelô (jullie zullen niet eten)
- וַיּאֹכְלוּ (= wajjo´khëlû: en zij aten; < wa consecutivum + wkw act ind imperf 3de pers mann mv van het wkw אָכַל = ´âkhal: eten). Mc
6,42.
- act qal part vr enk אֹכְלָה = ´okhëlâh (verslindende) Dt
4,24
- אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) Dt
4,24.
- אֻכָּל = ´ukkol (wordende verteerd): pass pual part mann enk (part zonder mem)
- ἀκάνθινον (= akanthinon: doornen; bv nw acc mann enk van het bv nw ἀκάνθινος = akanthinos: doornen).
- אָכְלָה = ´âkhëlâh (spijs, voedsel), zie het werkw אָכַל = ´âkhal (eten) Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal (eten)
- לְאָכְלָה = lë´âkhëlâh (tot voedsel) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Ex
16,15.
- Ned: akker D: Acker E: field Fr: champs Grieks: αγρος = agros (akker, land, veld) Hebreeuws: שָׂדֶה = shâdèh (veld) Taalgebruik in Tenakh: shâdèh
(veld) Latijn: ager (akker)
- ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen) Taalgebruik in het NT: akouô (horen)
- ακοαι (= akoai: gehoren, gehoor; zn nom vr mv van het zn ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen) Mc
7,35
- ἀκοὰς (= akoas: gehoren, gehoor, geruchten; zn acc vr mv van het zn ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen)
- ακολουθεω = akoloutheô: volgen) Taalgebruik in het NT: akoloutheô
(volgen)
- ακολουθει (= akolouthei: volg; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen).
- act ind praes 3de pers enk EN act imperatief praes 2de pers enk ακολουθει = akolouthei (volg) Lc
18,22.
- ακολουθει (= akolouthei: volg; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)
- act ind praes 3de pers mv ακολουθουσιν = akolouthousin (zij volgen) Mc 6,1.
- ηκολουθει (= èkolouthei: hij volgde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) Lc
18,43.
- ηκολουθουν (= èkolouthoun: zij volgden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)
- ακολουθησουσιν (= akolouthèsousin: zij zullen volgen; act ind fut 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen).
- ηκολουθησεν (= èkolouthèsen: hij volgde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) Mc 2,14
- ηκολουθησεν αυτῳ = èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) Mc 2,14.
- ηκολουθησαν (= èkolouthèsan: zij volgden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) Mt
4,20 Mc 1,18 Lc 5,11 Lc 9,11
- ηκολουθησαν αυτῳ = èkolouthèsan autô(i) (zij volgden hem) Mc 1,18 Lc 9,11.
- ind aor 1ste pers mv ηκολουθησαμεν = èkolouthèsamen (wij volgden) Lc
18,28.
- ἠκολουθήκαμέν (= èkolouthèkamen: wij hebben gevolgd; wkw act ind perf 1ste pers mv van het wkw ακολουθεω = aakoloutheô: volgen)
- ακολουθησωσιν (= akolouthèsôsin: zij zouden volgen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = aakoloutheô: volgen).
- ακολουθησατε (= akolouthèsate: volgt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) Lc
22,10
- ἀκολουθείτω (= akoloutheitô: dat hij volge; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)
- ἀκολουθεῖν (= akolouthein: om te volgen; wkw act inf praes van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)
- ἀκολουθοῦντες (= akolouthountes: volgende; wkw act ind part praes nom mann mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen)
- ἀκόρεστος (= akorestos: onverzadigbaar, onophoudelijk; bv nw nom mann enk; zie het wkw κορεννυμι = korennumi: verzadigen)
- ακουω = akouô (horen) Taalgebruik in het NT: akouô
(horen)
- ακουει (= akouei: hij luistert; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren). Joh
10,3.
- ἤκουεν (= èkouen: hij hoorde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
- ηκουον (= èkouon: zij hoorden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) Hnd
22,22.
- ἠκούσαμεν (= èkousamen: wij hoorden; wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren).
- ακουε (= akoue: hoor, luister; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) Dt
6,4
- ακουε ισραηλ = akoue israèl (hoor, luister Israël) Dt
6,4.
- ἀκούετε (= akouete: jullie horen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
- ακουετε (= akouete: luistert; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) Mc 4,3.
- ἀκούειν (= akouein: te luisteren; wkw act inf praes van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) Lc 5,1 Lc
15,1
- ακουειν αυτου = akouein autou (om hem te horen) Lc
15,1.
- act part praes nom mann mv ακουοντες = akouontes (horende) Mc 3,8.
- act ind aor 3de p enk ηκουσεν = èkousen (hij / zij hoorde) Mc 6,14 Lc
15,25
- και ηκουσεν = kai èkousen (en hij hoorde) Mc 6,14
- και ηκουσεν ὁ βασιλευς ἡρῳδης = kai èkousen ho basileus hèrô(i)dès (en koning Herodes hoorde) Mc 6,14.
- ηκουσεν δε = èkousen de (hij hoorde echter) Mc 6,14
- ηκουσεν δε ἡρῳδης = èkousen de hèrô(i)dès (Herodes hoorde echter) Mc 6,14.
- ἠκούσατε (= èkousate: jullie hoorden; wkw act ind aor 2de pers mv van het
wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
- ἤκουσαν (= èkousan: zij hoorden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren). Joh
10,8.
- ἀκούσητε (= akousète: jullie zouden horen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het
wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
- act inf aor ακουσαι = akousai Hnd
22,14.
- ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) Lc 18,22
- ακουσας δε = akousas de (gehoord echter) Lc 18,22
- ὁ δε ακουσας (hij echter gehoord) Lc 18,22.
- ακουσας δε ὁ ιησους = akousas de ho ièsous (gehoord echter Jezus) Lc 18,22.
- ακουσας δε ταυτα = akousas de tauta (gehoord echter ie dingen) Lc 18,22
- ακουσας δε ταυτα ὁ ιησους = akousas de tauta ho ièsous (gehoord echter die dingen Jezus) Lc 18,22.
- και ακουσας (en gehoord) Lc 18,22
- και ακουσας ὁ ιησους = kai akousas ho ièsous (en gehoord) Lc 18,22.
- ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter)
- ἠκούσθη (= èkousthè: er werd gehoord; wkw pass ind aor 3de pers enk van het
wkw ακουω = akouô: horen, luisteren)
- act part aor nom vr enk ακουσασα = akousasa (horend) Mc
5,27 .
- ακουσαντες (= akousantes: gehoord; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) Mc
3,21 Lc
2,18 Hnd
22,2
- ακουσαντες δε = akousantes de (gehoord echter) Hnd
22,2.
- ακουσαντες εθαυμασαν = akousantes ethaumasan (gehoord hebbende waren zij verbaasd) Lc
2,18.
- παντες οἱ ακουσαντες = pantes hoi akousantes (alle toehoorders) Lc
2,18.
- - akouei
(hij luistert) 4X bij Johannes
- akou? (luisteren, horen), zie Mt
4,12.
- ακριδας (= akridas: sprinkhanen; zn acc vr mv van het zn ακρις = akris: sprinkhaan)
- ἄκοντες (= akontes: ongewild; bv nw nom mann mv van het bv nw ἄκων = akôn: tegen zijn zin, ongewild, onopzettelijk)
- ἄκρου (= akrou: spits; zn gen enk van het zn en bv nw ακρος = akros: spits, uitstekend, voortreffelijk).
- Arabisch: bepaald lidw اَل = ´al (de) Taalgebruik in de Qoran: ´al (de)
- ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam אֵל = El De verkorte vorm van de godsnaam ´èlohîm is אֵל = ´èl OF ontkenning אַל (= ´al: niet) Taalgebruik in Tenakh: ´èl Ex
3,5.
- עַל = `al (op, overeenkomstig,
omwille van) Taalgebruik in Tenakh: `al
(op, overeenkomstig) Gn
29,3 Lc 4,18
- עַל פְנֵי = `al pëne(j) (aanschijn van) Gn
1,2.
- עָלָיו = `âlâ(j)w (over hem) < voorzetsel `al + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Dt
34,9.
- עָלַי = `âlaj (over mij) < `al + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Js
1,14 Lc 4,18.
- מֵעַל = me`al (vanop, weg vanop) < prefix voorzetsel min + עַל = `al (op, overeenkomstig,
omwille van) Gn
29,3 Ex
3,5.
- `al
(op, overeenkomstig), zie Gn
29,34.
- αλαβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc anz enk)
- עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) Taalgebruik in Tenakh: `âlâh
(opgaan, opklimmen)
- ויעל = wj`l: (1) verbindingsletter wë + act qal imperf 3de pers mann enk
וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op) (2) verbindingsletter wë + act qal jussief 3de pers mann enk
וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) Dt
34,1 Mt
5,1
- וַיַּעַל מֹשֶׁה (= wajja`al mosjèh: en Mozes klom op). Ex
24,9. Dt
34,1.
- actief inf construct עֲלוֹת = `älôth (opgaan) van het werkw עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen) Gn
32,25.
- `âlah
(opgaan, opklimmen), zie Ps
68,19.
- עָלַז = `âlaz (zich verheugen, juichen). Taalgebruik in Tenakh: `âlaz
(zich verheugen, juichen).
- act qal imperf (cohortatief) 1ste pers enk אֶעְלוֹזָה = ´è`ëlôzâh (dat ik juiche)
- וְעָלְזִי (= wë`ilëzî: en verheug je); prefix vw waw wë + wkw act qal imperat 2de pers
vr enk.van het wkw עָלַז = `âlaz: zich verheugen, juichen). Sef 3,14.
- עָלַץ (= `âlats: juichen. Taalgebruik in Tenach: `âlats
(juichen).
- עָלַץ (= alats: hij zal juichen; wkw act qal perf 3de pers enk van het wkw עָלַז = `âlaz: zich verheugen, juichen).
- עָלַץ לִבִּי (= `âlats libbî: mijn hart juicht). Tenakh (1): 1
S 2,1.
- - aleifô
(zalven), zie Mc
16,1.
- - ´aleph
(alef), zie Ps
111,10.
- ἀλάλους (= alalous: niet sprekenden, stommen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἀλάλος = alalaos: niet sprekend, stom)
- ἄλαλον (= alalon: niet sprekend; bv nw acc onz enk van het bv nw ἀλάλος = a-lal-os: niet sprekend, stom)
- Ἀλεξάνδρου (= aleksandrou: van Aleksander; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἀλεξάνδηρ = aleksandèr: Alexander).
- ἀλαζόνας (= alazonas: bluffers, misdadigers; bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn ἀλαζων: pralend, leugenachtig, bluffer, bedrieger, leugenaar)
- ἀλαζονεία (= aladzoneia: het pronken, bluffen, pochen, blufferij; zn nom vr enk)
- ἀλαζονευόμενοι (= aladzoneumenoi: bluffende; wkw med / pass part praes nom mann mv van het wkw ἀλαζονευόμαι.= aladzoneuomai: grootspreken, bluffen, pochen)
- ἀλέκτωρ (= alektôr: haan; nom mann enk)
- ἀλέκτορα (= alektôra: haan; zn acc mann enk van het zn ἀλέκτωρ = alektôr: haan)
- alèthôs
(waarlijk).
- ἀλεκτοροφωνίας (= aleofônias: bij hanengekraai; zn gen venk van het zn ἀλεκτοροφωνία = aleofônia: hanengekraai).
- ἀλείψωσιν (= aleipsôsin: opdat zij zouden zalven; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ἀλείφω = aleifô: zalven). Mc
16,1.
- ἀλήθειαν (= alètheian: waarheid; zn acc vr enk van het zn ἀλήθεια: waarheid)
- ἀλήθειας (= alètheias: waarheid; zn gen vr enk van het zn ἀλήθεια: waarheid)
- ἀληθὴς (= alèthès: waar, echt; bv nw nom vr enk).
- Ἀληθῶς (= alèthôs: waarlijk; bw).
- Ἁλφαίου (= alfaiou: van Alfeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn a?fa??? = alfaios: Alfeüs) Taalgebruik in het NT: alfaios
(Alfeüs) Taalgebruik in Mc: alfaios
(Alfeüs).
- αλλα (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') Taalgebruik
in het NT: alla
(maar) Mc 14,28
- ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling)
- αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) Taalgebruik in het NT: allèloi
(elkander, elkaar)
- αλληλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) Mc 4,41.
- ἀλλήλοις (allèlois: met anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar)
- αλλος (= allos: ander; bv nw nom mann enk) Taalgebruik in het NT: allos
(ander)
- ἄλλο (= allo: ander; bv nw acc onz enk van het onbep vnw αλλος = allos: ander)
- ἄλλῳ (= allô: aan een ander; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw αλλος = allos: ander)
- ἄλλον (= allon: een andere; bv nw acc mann enk van het bv nw αλλος = allos: ander)
- ἄλλην (= allèn: een andere; bv nw acc vr enk van het bv nw αλλος = allos: ander)
- αλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) Mc 6,15.
- ἄλλαι (= allai: anderen; onbep vnw nom vr mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander)
- αλλα (= alla: andere; bv nw nom onz mv van het bv nw αλλος = allos: ander)
- ἄλλοις (= allois: aan anderen; bv nw mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander)
- ἄλλους (= allous: anderen; bv nw acc mann mv van het bv nw αλλος = allos: ander)
- αλλοτριω (= allotriô: aan de vreemde; bv nw dat mann enk van het bv nw ἀλλοτριος = allotrios: vijandig aan, afkerig van, niet passend bij). Joh
10,5
- αλλοτριων (= allotriôn: van vreemden; bv nw gen mann mv van het bv nw ἀλλοτριος = allotrios: vijandig aan, afkerig van, niet passend bij). Joh
10,5.
- ἀλλοτρίας (= allotrias: van wat vreemd is aan; bv nw gen vr enk van het bv nw ἀλλοτριος = allotrios: vijandig aan, afkerig van, niet passend bij)
- Fr: alors < a [ad] l' ore < hora - heur.
- עָם / עַם = `am (volk) Taalgebruik in
Te nakh: `am
(volk)
- הָעָם = hâ`âm (het volk) < prefix bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord enkelvoud Js
9,1.
- עַמֵּך = `ammekh (jouw volk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers vr enk
- לְעַמּוֹ = lë`ammô (voor zijn volk) < voorzetsel lë + zelfst naamw + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk van het zelfst naamw עָם / עַם = `am (volk) Lc
1,68.
- הָעַמִּים = hâ`ammîm (de volken) < bepaald lidw ha + mann mv Dt
4,6. עָמַד = `âmad (gestand doen, zich stellen, staan)
Taalgebruik in Tenakh:`âmad
(gestand doen, zich stellen, staan)
- עֹמֵד (= òmed: staande; wkw act part praes nom mann enk van het wkw עָמַד = `âmad: gestand doen, zich stellen, staan).
- act qal imperf 3de pers vr mv יַעֱמֹדְנָה = ja`ämodënâh (en zij staan) Da 8,22.
- עֲמָלֵק = `ämâleq (Amalek). Taalgebruik in Tenach: `ämâleq
(Amalek). 1 S 15,2.9.
- אָמַן (= ´âman: steunen, onderhouden; hifil: geloven, vertrouwen). Taalgebruik in Tenakh: ´âman (steunen, onderhouden; hifil: geloven, vertrouwen). Gn
1
- וַיּאֹמֶר (= wajjo´mèr: en hij zei; prefix voegwoord wë
+ werkwoordvorm qal act imperf 3de pers mann enk van het wkw אמר = ´-m-r: zeggen).
- - ἄμωμον (= amômon: onberispelijk, rein, zuiver, zonder gebrek, integer, gaaf, smetteloos; bv nw acc mann enk van het bv nw ἄμωμος = amômos).
- αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen; stam: ana-banJ).
- ανεβη (= anebè: hij klom naar boven; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw
αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen; stam: ana-banJ). Ex 24,9.
- ἀναβαίνων (= anabainôn: opklimmend; wkw act praes part nom mann enk van het wkw
αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen; stam: ana-banJ).
- עָנָן (= `ânân: wolk; zn mann enk).
- αναβλεψασασαι (= anablepsasai: opgekeken; wkw act part aor nom vr mv van het wkw αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken, opkijken). Taalgebruik in het NT: anablepô
(naar boven blikken). Bijbel (1): Mc
16,4.
- ανευ (= aneu: buiten weten van; vz).
- ἀνοίξας (= anoiksas: openende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ανοιγνυμι: anoignumi / ανοιγω: anoigô: openen).
- ανοιγει (= anoigei: opent; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw anoigô: openen). Joh
10,3.
- ανεωγμενης (= aneôgmenès: geopend; wkw pass part perf gen vr enk van het wkw anoigô: openen). 2
Kor 2,12.
- (zn dat mann enk anthrôpô(i) van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens). Pr (9): (1) Pr 1,3. (2) Pr 2,18. (3) Pr 2,22. (4) Pr 2,24. (5) Pr 2,26. (6) Pr 6,11. (7) Pr 6,12. (8) Pr 8,9. (9) Pr 8,15.
- απελθητε (= apelthète: gaat niet af, gaat niet weg; wkw med conjunct aor 2de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai (weggaan). Taalgebruik in het NT: aperchomai
(weggaan). NT (2): (1) Mt 10,5. (2) Lc 17,23.
- αποκαλυφθησεται (= apokaluphthèsetai: het zal openbaar worden; wkw pass fut 3de pers enk van het wkw ἀποκαλύπτω = apokaluptô: openbaar maken; openbaren). NT (3): (1) Mt
10,26. (2) Lc 12,2. (3) .
- g, ondergang, verkwisting; zn nom vr enk; zie het wkw απολλυμι = apollumi: verderven, verdoemen)
- ἀπονοίας (= aponoias: weg van het verstand, onverstand, wanhoop; zn gen vr enk van het zn ἀπονοία = apo-noia)
- αποκριθεις (= apokritheis: antwoordende; wkw med part nom mann enk van het wkw ἀποκρίνομαι = apokrinomai: antwoorden).
- αποκτεινοντων (= apokteinontôn: van de doders; wkw act part praes gen mv van het wkw ἀποκτείνω = apokteinô: doden). NT (2): (1) Mt 10,28. (2) Lc 12,4.
- απολλυμι = apollumi: verderven, verdoemen) Taalgebruik in het NT: apollumi
( ten gronde richten, doden, verliezen )
- ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen)
- act inf aor απολεσαι = apolesai Lc 4,34.
- ἀπολέσῃ (= apolesè: hij zou doden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: derven, ontgaan verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen). Joh
10,10.
- απολεσωσιν (= apolesôsin: zij zouden doden; wkw act conjunctief aor 3de pers mv van het wkw απολλυμι = apollumi: derven, ontgaan verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen) Mc 3,6
- ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) Mc 3,6.
- πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) Mc 3,6.
- act part aor nom mann enk απολεσας = apolesas (verloren) Lc
15,4.
- act part perf nom mann enk απολωλως = apolôlôs (verloren) Lc
15,32.
- act part perf nom + acc onz enk απολωλος = apolôlos (het verlorene) Lc
15,4.
- med ind praes 1ste pers enk = apollumai (ik verlies me) Lc
15,17.
- pass ind praes 1ste pers mv απολλυμεθα = apollumetha (wij worden gedood, wij gaan ten gronde) Mc 4,38 Lc
8,24.
- απολυω = apoluô: vrijmaken,
ontbinden. Taalgebruik in het NT: apoluô
(losmaken). - Gn 15,1 - Lc
2,29.
- απολυεις = apolueis: jij maakt los, jij ontbindt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden. Lc
2,29. .
- ἀπέλυεν (= apeluen: hij liet los; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: loslaten, losmaken, ontbinden)
- ἀπολύσῃ (= apolusè: hij zou vrijlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: loslaten, losmaken, vrijlaten, ontbinden)
- απολυομαι = apoluomai: ik ga heen; wkw med ind praes 1ste pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden). Gn
15,2.
- απολυσεν (= apelusen: hij ontbond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
- aporeô
(zonder doortocht, zonder uitweg zijn), zie Lc
24,4.
- απολυσον (= apoluson: ontbind; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
- ἀπολῦσαι (= apolusai: vrijmaken, ontbinden, scheiden; wkw act inf aor van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
- απολεσαι (= apolesai: om te vernietigen; wkw act inf aor van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden, vernietigen). NT (8). (1) Mt
2,13. (2) Mt
10,28.
- απολυσας (= apolusas: ontbindend; wkw part aor nom mann enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
- ἀπολύσασα (= apolusasa: ontbonden; wkw act part aor nom vr enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden).
- απολωλοτα (= apolôlota: verloren; wkw act part perf acc onz mv van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden). Taalgebruik in het NT: apoluô
(losmaken). NT (2). Mt (2): (1) Mt
10,6. (2) Mt
15,24.
- ἀπονέμοντες (= aponemontes: toewijzende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἀπονέμω = aponemô: toewijzen, toedelen)
- ἀποπλανᾶν (= apoplanan: af te dwalen; wkw act inf praes van het wkw ἀποπλαναω = apoplanaô: afdwalen)
- aporeô
(zonder doortocht, zonder uitweg zijn), zie Lc
24,4.
- ἀποστασίου (= apostasiou: van afstand; zn gen mann enk van het zn ἀποστασιος = apostasios: afstand)
- αποστεγαζω = postegadzô: het dak eraf nemen, ontdakken) Taalgebruik in het NT: apostegadzô: het dak eraf nemen, ontdakken)
- απεστεγασαν (= apestegasan: zij ont-dek (dak) ten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστεγαζω = postegadzô: het dak eraf nemen, ontdakken) Mc 2,4.
- αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
Taalgebruik in het NT: apostellô
(afsturen, wegsturen, afzenden), zie Joh
1,6, Mt
10,5 en Mc
1,2
- αποστελλω (= apostellô: ik zend; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) Mc 1,2.
- ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- ἀποστέλλουσιν (= apostellousin: zij zenden; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- ἀποστελεῖ (= apostelei: hij zal zenden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- ἀπέστειλεν (= apesteilen: hij zond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- act ind perf 3de pers enk απεσταλκεν = apestalken (hij heeft gezonden) Js 61,1.
- act part aor nom mann enk αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) Mc 6,17.
- ἀποστείλαντά (= aposteilanta: zendende; wkw act part aor acc mann enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- ἀποστερήσῃς (= aposterèsès: jij zou beroven; wkw conjunctief aor 2de pers enk van het wkw αποστερεω = âpostero: beroven, ontnemen)
- αποστολος = apostolos: apostel, gezondene) Taalgebruik
in het NT: apostolos
(apostel)
- ἀπόστολος (= apostolos: af-gestuurde, gezondene, afgezant< voorzetsel apo + stam stelJ; nom mann enk; zie wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) Kol
1,1
- αποστολος ιησου = apostolos ièsou (apostel of gezondene van Jezus) Kol
1,1.
- αποστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel: απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) Mc 6,30
- οἱ αποστολοι = hoi apostoloi (de apostelen) Mc 6,30.
- ἀποστόλων (= apostolôn: van de apostelen/af-gestuurden,gezondenen, afgezanten, zn gen mann mv van het zn ἀπόστολος = apostolos: af-gestuurde, gezondene < voorzetsel apo + stam stelJ; zie wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden)
- αποθνῃσκω (= apothnèskô: sterven < prefix απο = apo; stam θν = th+n; affix σκ = sk). Taalgebruik in de Bijbel: apothnè(i)skô (sterven).
- ἀπέθανεν (= apethanen: hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnèskô: sterven; < prefix απο = apo; stam θν = th+n; affix σκ = sk). Mc
5,39. 1
Kor 15,3.
- χριστος απεθανεν (= Christos apethanen: Christus stierf). 1
Kor 15,3.
- ἀποθάνῃ (= apothanè: hij zou sterven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnèskô: sterven)
- ἀποθνῄσκων (= apothnèskôn: stervende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw αποθνῃσκω = apothnèskô: sterven)
- αποψυχω = apopsuchô (wegblazen, in zwijm vallen) Taalgebruik in het
NT: apopsuchô
(wegblazen, in zwijm vallen)
- act part praes gen mv mv αποψυχοντων = apopsuchontôn Lc 21,26.
- Volkslat: appodiare < podium: onderbouw, zie Gr: ποδιον = podion: voetje. Fr: appuyer: steunen, stutten; appui: steun, stut.
- ἀπροσωπολήμπτως (= aprosôlèmptôs: zonder aanzien van persoon, onpartijdig; bw)
- עָקַב = `âqab (bedriegen) Taalgebruik in Tenakh: `âqab (bedriegen)
- qal ind jiqtol (imperfect) 3de pers mann enk יַעֳקֹב =ja`äqobh (hij bedriegt, Jakob) Gn
32,26.
- עָקֵב = `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) Taalgebruik in Tenakh: `âqebh (hiel, hoef, achterhoede) Gn
3,15
- בַּעֲקֵב = ba`äqebh (in / aan / met de hiel) Gn
25,26.
- עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) Lc 1,7
- עֲקָרָה (= `äqârâh: onvruchtbaar; bv nw vr enk). Taalgebruik
in Tenakh: `äqârâh. Gn
11,30. Js
54,1. Lc 1,7
- Gn
11,30: עֲקָרָה שָׂרַי וַתְּהִי (= waththëhî Shâraj `äqârâh: en Sarai
was onvruchtbaar)
- וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) Gn
11,30 Js
54,1.
- αρα (= ara (dus, immers, natuurlijk; partikel) Taalgebruik in het NT: ara (dus, immers, natuurlijk) Mc 4,41.
- עָרַם = `âram ( (= bladeren; acc onz mv van het zn φυλλον = fullon: blad) nif) zich opstapelen Taalgebruik in Tenakh: `âram (nif) zich opstapelen Ex 15,8
- pass nifal perf 3de pers mann mv נֶעֶרְמוּ = nè`èrëmû (zij stapelden zich op) Ex 15,8.
- ´ärâm (Aram) Taalgebruik in Tenach: ´ärâm
(Aram)
- ´ärammî
(Arameeër), zie Dt
26,5
- ´ârar
(vervloeken), zie Jr
17,5.
- אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig, 40) Taalgebruik
in Tenakh: ´arëbâ`îm
(veertig 40) Gn
25,20
- אַרְבָּעִים = ´arëbâ`îm (veertig, 40) Gn
5,13
- אַרְבָּעִים יוֹם = ´arëbâ`îm jôm (40 dagen) Gn
50,3.
- אַרְבָּעִים שָׁנָה = ´arëbâ`îm sjânâh (40 jaar) Gn
5,13.
- וְאַרְבָּעִים = wë´arëbâ`îm (en veertig, 40) Gn
5,13
- וְאַרְבָּעִים שָׁנָה = wë´arëbâ`îm sjânâh (en veertig jaar, en 40 jaar) Gn
5,13.
- ´arëbâ`îm
(veertig 40), zie Ex
24,18.
- ἀρχιεριες (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester), zie Mt
2,4 Zie ook Mc
14,1
- ἀρχιερεὺς (= archiereus: hogepriester; zn nom mann enk).
- ἀρχιερέως (= archiereôs: van de hogepriester; zn gen mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester).
- ἀρχιερέα (= archiera: hogepriester; zn acc mann enk van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester).
- ἀρχιερέων (= archiereôn: van de hogepriesters; zn gen mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester)
- αρχη = archè: begin, heerschappij) Taalgebruik in het NT: archè
(begin, heerschappij)
- αρχη (= archè: begin, heerschappij; zn nom vr enk) Mc 1,1.
- ἀρχῆς (= archès: vanaf het begin; zn gen vr enk van het zn αρχη = archè: begin, heerschappij)
- αρχη(ι) (= archè: in begin; zn dat vr enk van het zn αρχη = archè: begin, heerschappij)
- ἀρχιερευς (= arch-iereus: hoge-priester; zn nom mann enk).
- ἀρχιερεῦσιν (= archiereusin: aan de hogepriesters; zn dat mann mv van het zn ἀρχιερευς = arch-iereus: hoge-priester)
- ἀρχιερέως (= archereôs: van de hogepriester; zn gen mann enk van het zn ἀρχιερευς = arch-iereus: hoge-priester)
- ἄρχειν (= archein: te heersen; wkw act inf praes van het wkw αρχω = archô: heersen)
- αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) Taalgebruik in het NT: archomai
(beginnen, aanvangen, heersen) Mc 1,1
- ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) Mc 1,1 Mc
1,45 Lc
9,12.
- καὶ ἤρξατο (= kai èrksato: en hij begon). Mc 12,1.
- καὶ ἤρξατο αὐτοῖς (= kai èrksato autois: en hij begon hen). Bijbel/NT (1): Mc
12,1.
- ηρξατο κηρυσσειν = èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen) Mc
1,45.
- ηρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) Mc 1,1 Mc
5,17.
- Ἁριμαθαίας (= arimathaios: van Arimatea; zn eigennaam gen vr enk van het zn Ἁριμαθαία = arimathaia: Arimathea).
- ηριθμημεναι = èrithmèmenai: geteld zijnde; wkw pass part perf nom vr mv van het wkw ἀριθμέω = arithmeô: tellen). NT (1): Mt
10,30.
- arithmos (getal, aantal), zie Hnd
4, 4.
- αραομαι = araomai (een gebed tot iemand richten, aanroepen) PJ 2,3
- αρην - ἀρνός (= arnos: lam; zn mann enk).
- ἀρνῶν (= arnôn: van lammeren; zn gen mann mv van het zn ἀρνός = arnos: lam; zn mann enk).
- αρνιον (arnion: lam, lammetje; zn onz enk). Apk (28).
- ἀρκούμενοι (= arkoumenoi: zich tevreden stellende met; wkw pass part praes van het wkw αρκεω: afweten, helpen, volbrengen; pass: zich tevreden stellen met)
- Ned: arm D: Arm E: arm Fr: bras embrasser (omarmen) Grieks: βραχιων = brachiôn (arm) Taalgebruik in het NT: brachiôn (arm) Hebreeuws: זְרֹעַ = zëro`a (arm, macht, hulp) Taalgebruik in Tenakh: zëro`a (arm, macht, hulp) Latijn: bracchium
- Ned: bovenarm Grieks: αρμος = armos (gewricht) Latijn: armus
- ἠρνήσατο (= èrnèsato: hij ontkende; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αρνεομαι = arneomai: ontkennen).
- ἠρνεῖτο (= èrneito: hij ontkende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw αρνεομαι = arneomai: ontkennen)µ
-
- אֲרוֹן = ´ärôn (ark, kast, kist) Taalgebruik in Tenakh: ´ärôn
(ark, kast, kist)
- ἄρσεν (= arsen: mannelijk; bv nw acc onz enk van het bv nw ἄρσην: mannelijk)
- - aroô
(ploegen, zaaien), zie 1
K 19,19.
- αρτος = artos (brood) Taalgebruik in
het NT: artos
(brood) Lc 22,19
- dat mann enk αρτῳ = artôi Dt
8,3.
- ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d). Mc
3,20. Lc 22,19
- τον αρτον = ton arton (het brood) Mt
6,11.
- λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) Lc 22,19
- λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) Lc 22,19.
- λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) Lc 22,19.
- nom mann mv αρτοι = artoi (broden) Lc 9,13.
- αρτων (= artôn: van broden; zn gen mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) Lc
15,17.
- dat mann mv αρτοις = artois Mc
6,52.
- ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) Lc 9,16
- τους πεντε αρτους = tous pente artous (de 5 broden) Lc 9,16.
- אָרַר = ´ârar (vervloeken) Taalgebruik in Tenakh: ârar (vervloeken)
- אָאֹר = ´â´or (ik zal vervloeken), act qal imperf 1ste pers enk Gn
12,3.
- אָרוּר (= ´ârûr: vervloekt; wkw pass part praes nom
mann enk van het wkw. אָרַר = ´ârar: vervloeken).
- ἀργήσωμεν (= argèsômen: wij zullen niets doen / ophouden; wkw act ind fut 1ste pers mv van het wkw ἀργεω = argeô: werkloos / lui zijn, niets doen, rusten; wellicht < a-erg: niet-werk; uitgang op -eô: van zn en bv nw naar wkw: het grondwoord zijn, gebruiken, uitvoeren)
- ἀργύριον (= argurion: zilver; zn acc onz enk; zilver, geld, munt, zilverling)
- ἀρώματα (= arômata: reukwaren; zn acc onz mv van het zn ἀρώμα: reukwaar). Mc
16,1.
- ἄρτου (= artou: van het brood; zn gen mann enk van het zn ἄρτος = artos: brood).
- ἄρτων (= artôn: van broden; zn gen mann mv van het zn ἄρτος = artos: brood).
- ἀρτύσετε (= arttusete: jullie zullen kruiden; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw αρτυω = artuô: kruiden, klaar maken)
- אָסַף = ´âsaph (verzamelen,
vergaderen, wegnemen) Taalgebruik in Tenakh: ´âsaph (verzamelen,
vergaderen, wegnemen).
- ἄσβεστον (= a-sbeston: onblusbaar, zie het wkw σβέννυμι = sbennumi: doven, dempen).
- ἀσέβειαν (= asebeien: goddeloosheid; zn acc vr enk van het zn ἀσέβεια = asebeia: goddeloosheid; < a - seb - eia: a is negatie, niet; seb: eerbied, ontzag, verering; uitgang -eia: bv nw en zn -> zn, substantivering; zie het wkw σεβομαι = sebomai: vereren, zich schuwen; wkw; goddeloosheid omwille van het niet vereren van God)
- ασεβων (= asebôn: van goddelozen; bv nw gen mann mv van het bv nw ασεβης = asebès: goddeloos).
- ασελγεια (= aselgeia: losbandigheid; zn nom vr enk)
- ἀσφαλῶς (= asfalôs: veilig; bw).
- עָשָׂה = `âshâh
(maken, doen) Taalgebruik in Tenakh: `âshâh
(maken) Ex
20,11
- אֲשֶׁר הוּא עֹשֶׂה = ´äsjèr hû´ `oshèh (wat hij doende is, wat hij doet) Ex
18,14.
- אֲשֶׁר עָשׂוּ = äsjèr `âshû (wat zij deden) Ex
18,14.
- עָשָׂה יהוה =`âshâh JHWH (JHWH maakt) Dt 4,3.
- עָשָׂה כִּי = kî `âshâh (omdat hij maakte)
- כִּי עָשָׂה כִּי = kî `âshâh JHWH (omdat JHWH maakte)
- עָשָׂה לִי = `âshâh lî (hij deed aan mij)
- וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < wë + act qal
imperf 3de pers mann enk Gn
1,7
- וַיַּעַשׂ אֱלֹהִים = wajja`ash JHWH (en JHWH deed) Gn
1,7.
- prefix verbindingswoord wë + act ind perf 2de pers mann enk וְעָשִׂיתָ = wë`âshîthâ (en jij zult maken) Ex
20,9.
- act qal imperf 1ste pers mv נַעֲשֶׂה = naäshèh (- laten - wij maken) Gn
1,26.
- -
- עֹשֵׂה שָׁמַיִם וְאָרֶץ = `osheh sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts
(makende hemel en aarde = die hemel en aarde heeft gemaakt) Ps
121,2.
- וְעֹשֶׂה = wë`oshèh (en doende) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm (2) act qal part mann enk Ex
20,6
- וְעֹשֶׂה חֶסֶד = wë`oshèh chèsèd (en doende barmhartigheid) Ex
20,6.
- וַיַּעַשׂ = wajja`ash (en hij maakte, en hij deed) < prefix verbindingswoord wë + act qal
imperf 3de pers mann enk Lc
1,68.
- act qal imperf 2de pers mann enk תַּעֱשֶׂה = tha`äshèh (jij zult maken) Ex
23,12.
- וְאֶעֶשְׂךָ = wë´è`èshëkhâ (en ik zal je maken) < prefix consec wë + act ind imperf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,2.
- לַעֲשׂוֹת (= la`äshôth: om te doen; < prefix voorzetsel lë + wkw qal infin עָשָׂה = `âshâh: maken, doen). Gn
2,3.
- pass nifal imperf 3de pers vr enk תֵּעָשֶׂה = the`âshèh (het zal gedaan worden) Lv
23,3.
- עָשַׂר = `âshâr (tien) Taalgebruik in Tenakh: `âshâr (tien) Lc
9,12
- עֲשֶׂרֶת = `äshèrèth (tien) Dt
4,13
- עֲשֶׂרֶת הַדְּבָרִים = ´äshèrèth haddëbhärîm (tien woorden) Dt
4,13.
- בֶּעָשׂוֹר לַחֹדֶשׁ = bè`âshôr lachodèsj (op de tiende van de maand) Lv
25,9.
- שְׁנִים עָשַׂר = sjënîm `âshâr (12) Lc
9,12.
- עֶשְׂרִים = `èshërîm (twintig), zie 20 Taalgebruik in Tenakh: `èshërîm (twintig)
- מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) Dt
34,7 .
- werkw אָשַׁם = ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten) Taalgebruik in Tenakh: ´âsjam (zich schuldig maken, zich schuldig voelen, schuld boeten)
- vr enk אַשְׁמָה = ´asjëmâh (schuld) Mt
6,12.
- עֹ֣שֶׁק (`osjèq: verdrukking, geweld, angst, bezorgdheid; zn mann enk).
- אֲשֶׁר = ´äsjèr
(die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) Taalgebruik in Tenakh: ´ä sjèr
(die) Dt 1,1 Dt
6,6 Lv 25,2
- אֲשֶׁר אָנֹכִי = ´äsjèr
´ânokhî (die ik ) Dt
6,6.
- אֲשֶׁר יהוה = ´äsjèr JHWH (die/dat JHWH) Ex
20,12 Dt 17,14
- אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God) Ex
20,12
- אֲשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן = ´äsjèr JHWH ´êlohè(j)khâ (die/dat JHWH, jouw God gevende) Ex
20,12.
- כַּאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) <
prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr
(die) Dt
6,3 Joz 4,1
- כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) Lc 1,70 Dt 6,3
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem) Gn 12,4.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4.
- כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) Dt
6,3.
- ´asjëre
(gelukkig, zalig), zie Ps
1,1
- ἠσπάζοντο (= èspadzonto: zij begroetten; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ασπάζω = vriendelijk begroeten, welkom heten).
- ἀσπάζεσθαι (= aspadzesthai: te groeten; wkw med of pass inf praes van het wkw ασπάζω = vriendelijk begroeten, welkom heten).
- ἀσπασμοὺς (= aspasmous: begroetingen; zn acc mann mv van het zn ἀσπασμος = aspasmos: liefkozingen, begroeting, groet).
- - astèr
(ster), zie Mt
5,14
- ἀστέρες (= asteres: sterren; zn nom mann mv van het zn αστηρ = ster).
- ασσαριου (= assariou munt; zn gen onz enk van het zn ἀσσάριον: munt). NT (2): (1) Mt
10,29. (2) Lc 12,6.
- ἀστόργους (= astorgous: liefdelozen; bv nw acc mann mv van het bv nw ἀ-στόργ-ος = a-storg-os: liefdeloos; a van ontkenning, wkwstam sterg-, uitgang -os; zie het wkw στεργω - perf εστοργα = stergô - perf estorga: beminnen, liefhebben). Rom
1,31.
- αστραπτω = astraptô (bliksemen, stralen) Taalgebruik in het NT: astraptô
(bliksemen, stralen) Lc 24,4
- act part praes dat vr enk αστραπτουσῃ = astraptousèi Lc 24,4.
- ἠσπάζοντο (= èspadzonto: zij begroetten; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ασπάζω = vriendelijk begroeten, welkom heten).
- as-si-st-ence < voorzetsel ad: bij - de d assimileert met de s; si: verdubbeling van de eerste medeklinker van het werkwoord stare; de stam st van het wkw stare: staan, -ence < Lat: entia: zn vr enk uit part stans, ntis. Ned: assistentie, bij-stand.
- ἀσθενής (= a-sthe-nès: zwak; bv nw nom onz enk; zie σθη-νος: kracht, sterkte; MG: α-σθε-νο-φορο: ziekenwagen).
- ασθενουντας (= athenountas: zwakken, zieken; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ἀσθενέω = ziek, zwak zijn). NT (6).
- α σύνετοί (= asunetoi: zonder begrip, onbegrijpelijk; bv nw nom mann mv van het bv nw a-sun-e-toi: zonder inzicht, onbegrijpelijk; zie het wkw ιημι = ièmi: laten, loslaten, laten klinken)
- ἀσυνέτους (= asunetoi: zonder begrip, onbegrijpelijk; bv nw acc mann mv van het bv nw a-sun-e-toi: zonder inzicht, onbegrijpelijk; zie het wkw ιημι = ièmi: laten, loslaten, laten klinken; a- van ontkenning; -sun- een voorzetsel: samen met; wkwstam è, bv nwuitgang -tos: van wkw naar bv nw wkwvorm pass part perf). Rom
1,31.
- ἀσυνθέτους (= asunthetous: scheurmakers; bv nw acc mann mv van het bv nw ἀσυνθέτος = asunthetos: niet samengesteld, eenwoudig, niet verenigd, trouweloos, meinedig; a- van ontkenning; -sun- een voorzetsel: samen met; wkwstam è, bv nwuitgang -tos: van wkw naar bv nw wkwvorm pass part perf; zie het wkw συντιθημι = suntithèmi: samenstellen, bij elkaar zetten, samenvoegen, verenigen; zie syn-the-se: samenvatting). Rom
1,31.
- עָטָה = `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) Taalgebruik in Tenakh: `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) Lc
23,53
- וַיַּעֲטֵהוּ = wajja`ätehû (en hij bedekte) Lc
23,53.
- עָטַף = `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen) Taalgebruik in Tenakh: `âtaph (zwak zijn, krachteloos woorden, verkwijnen)
- וּבְהַעֱטִיף = ûbhëha`ätîph (en in het verkwijnen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act hifil inf constr Gn
30,42.
- אָתָה = ´âthâh (komen, aankomen, gaan) Taalgebruik in Tenakh: ´âthâh (komen, aankomen, gaan).
- persoonl voornaamw 2de pers enk אַתָּה = ´aththâh (jij) Taalgebruik in Tenakh: ´aththâh
- הַאַתָּה = ha´aththâh (jij?) < vragend voornaamw ha + persoonl voornaamw 2de pers mann enk 1
K 18,17
- הַאַתָּה זֶה = ha´aththâh zèh (ben jij deze /het?) 1
K 18,17.
- וְאַתָּה = wë´âththâh (en jij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
3,15 1
K 18,17.
- accusatief + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv אֹתָם = ´othâm (hen) OF: persoonl voornaamw 2de pers mann mv אַתֶּם = ´aththèm (jullie) Zie: אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh: ´eth
(accusatief) Dt
11,18.
- עַתָּה = `aththâh (nu)
Taalgebruik in Tenakh: `aththâh
(nu) Dt
4,1
- מֵעַתָּה = me `aththâh (vanaf nu) < prefix voorzetsel min + bijwoord van tijd עַתָּה = `aththâh (nu) Ps 113,2.
- וְעַתָּה = wë`aththâh (en nu) < wë + `aththâh Dt
4,1 (nu) Dt
6,4
- וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל = wë`aththâh jishërâ´el (en nu Israël) Dt
4,1
- וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = wë`aththâh jishërâ´el sjëma` (en
welnu Israël, luister) Dt
4,1.
- וְעַתָּה כֹּה אָמַר יהוה = wë`aththâh koh ´âmar (+ JHWH) (en welnu zo spreekt
- JHWH -) Js 43,1.
- ἀθανασίας (= athanasias: van onsterfelijkheid; zn gen vr enk van het zn ἀθανασία = athanasia: onsterfelijkheid)
- עָתַק = `âthaq (opbreken) Taalgebruik in Tenakh: `âthaq (opbreken)
- וַיַּעְתֵּק = wajja`theq (en hij ging verder) < prefix waw consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Gn
12,8.
- `âthar
(bidden), zie Gn
25,21.
- ἠτίμασαν (=ètimasan: zij beledigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ατιμαω = atimaô: verachten, krenken, beledigen)
- Lat: at-tendere: aan-spannen; Fr: attendre. attention: aan-dacht.
- αὐλὴν (= aulèn: voorhof; zn acc vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis). Joh
10,1.
- αὐλὴς (= aulès: voorhof; zn gen vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis).
- αὐλῇ (= aulè: voorhof; zn dat vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis).
- Fr: aussi < Lat: alterum/aliud sic.
- αὐθάδεια (= authadeia: zelfingenomenheid, aanmatiging, trots, eigenzinnigheid, eigengereidheid; zn nom vr enk)
- Lat: at-tribuere: bij-dragen, toebedelen, toekennen; Fr: at-tribuer.
- αὐθάδης (= auth-adès: met zichzelf ingenomen, eigengereid; bv nw nom mann enk).
- αυτος (= autos: hij, zelf; pers vnw nom mann enk)
- αὐτὸ (= auto: hetzelfde; aanwijz vnw nom/acc onz enk van het aanwijz vnw αυτος = autos: zelf)
- persoonl voornaamw αυτος = autos (hij) Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord
- αυτος (= autos: hij; pers vnw 3de pers nom mann enk) Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord Mc 3,13 Lc 5,1 Lc
19,2
- και αυτος = kai autos (en hij) Lc 5,1 Lc
19,2
- και αυτος ην = kai autos èn (en hij was) Lc 5,1.
- αυτος γαρ = autos gar (want hij) Mt
1,21
- αυτος γαρ ὁ = autos gar ho (want hij) Mc 6,17.
- αὕτη (= autè: zij, pers vnw 3de pers nom vr enk van het pers vnw αυτος: hij)
- αὐτὸ (= auto: het; pers vnw acc onz enk van het pers vnw 3de pers αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
- αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Mc 1,26 Lc
15,1 Lc 24,50
- μετ' αυτου = met' autou (met hem) Mc 4,36
- ην μετ' αυτου = èn met' autou (hij was met hem) Mc 4,36.
- αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Mc
6,24.
- αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Mc 1,25 Mc
3,9 Lc
15,27 Lc
15,31
- αυτῳ οἱ = autô(i) hoi (aan hem de)
- αυτῳ ὁτι = autô(i) hoti (aan hem dat) Lc
15,27.
- αυτῳ παντες = autô(i) pantes (aan hem allen) Lc
15,1.
- αυτῃ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Mc 5,41.
- αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Mc 1,40 Mc
3,2 Mc 3,8 Mc 4,36
- επ' αυτον = ep' auton (bij hem) Mc 5,21 .
- προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) Mc 3,8.
- αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Mc 6,17.
- αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
- αὐτὰ (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
- αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Mc 1,23.
- αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Mc
3,4 Mc 6,37 Lc 1,7 Lc 9,13.
- αυτους (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) Mc 3,5 Lc
22,15 Lc 24,50
- προς αυτους = pros autous (naar hen) Mc 6,51.
- αὐτὰς (= autas: hen; pers vnw 3de pers acc vr mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
- autos
(hij zelf), zie Lc
24,36.
- auxanô
(doen groeien, vermeerderen), zie Lc
2,40.
- Ned: av-ond D: Ab-end
E eve, ev-ening v / b / p; v / w; d / t
- Gr: ἑσ-περα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT: hespera (avond) Lat: ves-per (gen: vesperis) Zie Ned: west (de andere windstreken eindigen eveneens op t / d: oos-t, zui-d, noor-d )
- Arabisch: مَسَاء = masâ´ (avond) Taalgebruik in de Qoran: masâ´ (avond)
- Aramees: רְמַשׁ / רַמְשָׁא = rëmasj / ramësjâ' Syrisch: ramcho
- Fr: le soir Lat: serus Italiaans: alla sera Gr: οψια = opsia (avond) Taalgebruik in het NT: opsia
(avond) EN: ἑσπερα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT: hespera (avond) Hebr: עֶרֶב = `èrèbh (avond) Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond) Lat: vesper (gen: vesperi) Spaans: la tarde
- עֲוֺנֵ֙ינוּ֙ (= `äwône-j-noe: onze ongerechtigheden; zn mv van het zn עֲוֺנֵ֙ = `äwon + suffix pers vnw 1ste pers mv נו = nou). Jr
14,7.
- אָז (= ´âz: dan). Taalgebruik in Tenach: ´âz
(dan) Js
35,5.
- עָזַב = `âzabh (verlaten, achterlaten) Taalgebruik in Tenakh: `âzabh
(verlaten, achterlaten) Dt
28,20
- עֱזַבְתָּנִי = `äzabhëtânî (je hebt mij verlaten / achtergelaten) <
werkwoordvorm qâtal 2de pers enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk -nî
(mij) Dt
28,20.
- עֲזוּבָה = äzûbhâh (Azuba, verlatene) Eigennaam en / of werkwoordvorm qal pass vr enk
- אָזַן = ´âzan (luisteren, het oor lenen) Taalgebruik
in Tenakh: ´âzan
(luisteren, het oor lenen)
- actief hifil imperatief 2de persoon mannelijk enkelvoud הַאֲזִינָה = ha´äzînah
(luister naar) Ps
84,9.
- `âzar
(helpen, bijstaan), zie Ps
40,14.
- ???�a (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ???�?? = adzumos: ongegist, ongedesemd)
- ἀζύμων (= adzumôn: van ongedesemde broden; bv nw gen onz mv van het bv nw ἄζυμος = adzumos: ongegist, ongedesemd)
- azuma
(ongedesemde broden) , zie Lc
22,1
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
B.
- Hebreeuws בּ = bë (in, met) Taalgebruik
in Tenakh: bë
(in, met)
- בּי = bî (in / tegen mij) < bë + persoonl voornaamw 1ste pers mann
enk
- בָּא = bâ´
(gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen) Mc 5,1 1
K 1,1
- wkw act qal perf 3de pers mann enk בָּא = bâ´
(hij ging / kwam) 1
K 1,1
- בָּא אֶל = bâ´ ´èl (hij gaat naar) Mc
6,48.
- בָּא בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (hij ging in de dagen) 1
K 1,1.
- בָּאִים בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (gaande in de dagen) 1
K 1,1.
- יָב֔וֹא (=jâbhô´: hij gaat,
komt; wkw act qal ind imperf 3de pers mann enk van het wkw בָּא = bâ´: gaan, komen).
- וַיָּבּוֹא / וַיָּבֹא = wajjâbho´ (en hij ging, en hij kwam) OF וַיָּבֵא = wajjâbhe´(en
hij liet gaan, en hij liet komen) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf
3de pers mann enk OF act hifil imperf 3de pers mann enk Ex
24,18 Mc 1,39.
- וַיָּבּוֹא מֹשֶׁה = wajjâbho´ mosjèh (en Mozes ging)
- וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec wë + act qal imperf 3de pers mann enk
- prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann mv וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û
(en zij gingen) Lc 9,12
- וַיָּבּאוּ אַרְצָה = wajjâbo´û ´arëtsâh (en zij gingen naar het land) Gn
12,5.
- prefix verbindingswoord wa (consecutivum) + act ind imperf 3de pers vr mv וַתָּבֹאנָה = waththâbho´nâh (en zij gingen) Mc
16,5.
- כִּי תָבֹא = kî thâbo' (wanneer je zal gaan) Lv
25,2.
- כִּי תָבֹא אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo' ´èl hâ´ârèts (wanneer je zal gaan naar het land) Lv
25,2.
- act qal imperf 2de pers mann mv תָבֹאוּ = thâbo'û (jullie zullen gaan) Lv
19,23
- תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23.
- -
- כִּי תָבֹאוּ = kî thâbo'û (wanneer jullie zullen gaan) Lv
19,23
- כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23.
- וְכִּי תָבֹאוּ = wëkî thâbo'û (en wanneer jullie zullen gaan) Lv
19,23
- וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23.
- וּבְבֹא = ûbhëbho´ (en in het binnengaan van) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + qal inf construct Mc 6,22.
- Arab ba`ada: ver, daarna zijn (stam 424).
- ba`id: verweg, afgelegen. Fr: loin.
- בַעַל / בָעַל = ba`al / bâ`al (Baäl, meester) Taalgebruik in Tenakh: ba`al / bâ`al (Baäl, meester) Dt 4,3
- בַעַל פְּעוֹר = ba`al pë`ôr (Baäl Peor) Dt 4,3.
- בָאַר = bâ´ar (verklaren, duidelijk maken) Dt
27,8
- act piël inf absol בַּאֵר = ba´er Dt
27,8.
- bâ`ath
(schrikken, vrezen), zie Ps
18,5.
- בָחַר = bâchar (kiezen, uitverkiezen) Taalgebruik in Tenakh: bâchar (kiezen, uitverkiezen)
- act qal imperf 3de pers mann enk יִבְחַר = jibhëchar / jibhëchâr (hij verkoos) Dt
23,17.
- בַּד = bad (afzondering, deel) Taalgebruik in Tenakh: bad (afzondering, deel)
- לְבַדּוֹ = lëbhaddô (voor zijn afzondering) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw mann enk + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn
32,25.
- בָּדַד = bâdad (binnengaan in, splijten, afzonderen, zich afzonderen, eenzaam zijn) Taalgebruik in Tenakh: bâdad (binnengaan in, splijten, afzonderen, zich afzonderen, eenzaam zijn).
- בָדַל (= bâdal: fscheiden, verdelen)
Taalgebruik in Tenakh: bâdal
(afscheiden, verdelen) Gn
1,4
- prefix waw consect + werkwvorm act hifil imperf (jaqtil) 3de pers enk וַיַבְדֵּל = wajjabhëdel
(en hij maakte een scheiding) Gn
1,4.
- וּלְהֲבְדִּיל = ûlähabhëdîl (en om een scheiding aan te brengen) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + act hifil inf stat construct
- act hifil part mann enk מַבְדִּיל = mabhëdîl (scheidende) Gn
1,6.
- תְּבַהֵ֨ל (= thebbahel: overijl u niet met uw mond; wkw act piel 3de pers enk van het wkw בהל = bâhal: overijlen, haastig doen). Pr (3): (1) Pr
5,1. (2) Pr 7,9. (3) Pr 8,3. Getalswaarde: beth= 2, he = 5, lamed = 12 of 30; totaal: 19 of 37. Hier komen dezelfde medeklinkers voor als הֶבֶל = hèbhèl: ademtocht, ijdelheid,
nietigheid, vergankelijkheid, damp. Ned.: ijlen, overijlen, ijdelheid.
- βαινω (= bainô: banen). Lat: b - bh = v, venire. Fr: venir: je viens, nous venons. Fr. : je vais, tu vas, il va. Hebr: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Ned: baan.
- בָכָה (= bâkhâh: weeklagen, wenen). Taalgebruik in Tenakh: bâkhâh (weeklagen, wenen).
- act ind qal jiqtol - imperf - 2de pers mann enk en 3de pers vr enk תִּבְכֶּה = thibkhëkèh (jij weent / zij weent)
- בָּלָה = bâlâh (ver-slijten, oud worden) Taalgebruik in Tenakh: bâlâh (ver-slijten, oud worden)
- act hifil imperat 2de pers vr enk בְּלִי = bëlî (word oud)
- βαλλω = ballô (werpen, gooien, vallen) Taalgebruik in het NT: ballô
(werpen, gooien)
- βάλλει (= ballei: hij werpt, hij laat vallen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- ἔβαλλον (= eballon: zij wierpen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- ἔβαλον (= ebalon: zij wierpen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βάλλοντες (= ballontes: werpende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βαλλόντων (= ballontôn: van de werpers; wkw act part praes gen mann mv van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βλήθητι (= blèthèti: word geworpen; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βληθῆναι (= blèthènai: om geworpen te worden; wkw pass inf aor van het wkw βαλλω = ballô: vallen, werpen; stam bal-)
- βέβληται (= beblètai: hij werd geworpen; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- βεβλημένον (= beblèmenon: gevallen, geworpen; wkw med part perf acc onz enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen)
- Ned: balsemen Arabisch: ضمخ = damkh D: einbalsamieren E: embalm Fr: embaumer Grieks: ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) Hebreeuws: חָנַט = chânat (balsemen) Lat: condire
- בָמָה = bâmâh (hoogte, grafheuvel, tempel)
- הַבָּמוֹת = habbâmôth (de hoogten) < bepaald lidw + vr mv van het zelfst naamw 1 K 12,32.
- בָנָה = bânâh (bouwen, bebouwen) Taalgebruik in Tenakh: bânâh (bouwen, bebouwen)
- וַיִּבֶן = wajjibhèn (en hij bouwde) < wë + act; qal imperf 3de pers mann enk Gn 12,7
- וַיִּבֶן שָׁם = wajjibhèn sjâm (en hij bouwde daar) Gn 12,7
- וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ = wajjibhèn sjâm mizëbeach (en hij bouwde daar een
altaar) Gn 12,7
- וַיִּבֶן שָׁם מִזְבֵחַ לַיהוה = wajjibhèn sjâm mizëbeach laJHWH (en hij bouwde
daar een altaar voor de Heer) Gn 12,7.
- Ned: banen, gaan Grieks: βαινω = bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) Taalgebruik in het NT: bainô (banen, gaan, zich in beweging zetten) Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen).
- Ned: bang Middelned: bange < be + ange (eng, benauwd, beklemd)
- βαπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) Taalgebruik in het NT: baptisma
(doopsel) Mc 1,4
- βαπτίσματος (= baptismatos: van het doopsel; zn gen onz enk van het zn βαπτισμα = baptisma: doopsel)
- βαπτισμα μετανοιας = baptisma metanoias (doopsel van bekering) Mc 1,4.
- βαπτιζω = baptizô: dopen)
Taalgebruik in het NT: baptizô
(dopen)
- βαπτίσει (= baptisei: hij zal dopen; wkw act fut 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen)
- act ind aor 3de pers enk εβαπτισεν = ebaptisen (hij doopte) Hnd
1,5.
- εβαπτισα (= ebaptisa: ik doopte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) Mc 1,8.
- reflexief aor 3de pers enk = ebaptisato (hij dompelde zich onder) Mc 1,8.
- βαπτίσωνται (= baptisôntai: zij zouden zich wassen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βάπτισον (= baptison: doop; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτίσατε (= baptisate: doopt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτίζων (= baptidzôn: dopende, de doper; - eventueel bijnaam - wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτίζομαι (= baptidzomai: ik word gedoopt; wkw pass ind praes 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- εβαπτιζοντο (= ebaptizonto: zij werden gedoopt; wkw pass imperf 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) Mc 1,5.
- βαπτισθήσεσθε (= baptisthèsesthe: jullie zullen gedoopt worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτισθῆναι (= baptisthènai: gedoopt te worden; wkw pass inf aor van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- ἐβαπτίσθη (= ebapthisthè (hij werd gedoopt); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen)
- βαπτιζόμενος (= baptidzomenos: degene die wordt gedoopt; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτιζόμενον (= baptidzomenon: degene die gedoopt wordt; wkw pass part praes acc mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτισθέντες (= baptisthentes: zij die werden gedoopt; wkw pass part aor nom mann mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- baptisma
(doopsel) baptizô
(dopen), zie Mt
3,13 Zie ook: baptizô
(dopen), zie Mc
1,8
- βαπτισμοὺς (= baptismous: onderdompelingen; zn acc mann mv van het zn βαπτισμος = baptismos: onderdompeling; zn einidgend op -smos: van wkw naar zn: de handeling aanduidend; zie het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?)
- βαπτιστήν (= baptistèn: doper; zn acc mann enk van het zn βαπτιστης = baptistès: doper)
- βαπτω = baptô (doppen, plonsen, onderdompelen)
- act ind aor 3de pers enk εβαψεν = ebapsen (hij doopte) Mc 1,8.
- בָקָע = bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden) Taalgebruik in Tenakh: bâqâ` (openscheuren, klieven, splijten, wonden).
- בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Taalgebruik in Tenakh: bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Gn
1,8.
- bâqasj
(zoeken), zie Ex
2,15.
- בַּקָּשָׁתֵ֛ךְ (= baqqâsjâthekh: jouw verzoek; zn nw vr enk stat constr van het zn בַּקָּשָׁה = baqqâsjâh: verzoek; pers vnw 2de pers vr enk: van u).
- בָרָא = bârâ´ (scheppen) Taalgebruik in Tenakh: bârâ´
(scheppen)
- act ind perf 3de pers enk בָרָא = bârâ´ (hij schiep) Gn
1,1
- בָרָא אֱלֹהִים = bârâ ´èlohîm (God schiep) Gn
1,1
- אֲשֶׁר בָרָא אֱלֹהִים= ´äsjèr bârâ ´èlohîm (die God schiep) Gn
2,3.
- Βαραββᾶς (= barabbas: Barabbas; zn eigennaam nom mann enk).
- Βαραββᾶν (= barabban: Barabbas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Βαραββᾶς = barabbas: Barabbas).
- bârach
(vluchten, snel weggaan), zie Ex
2,15.
- בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) Lc 1,42
- act piël perf 3de pers mann enk בֵּרַךְ = berakh (hij zegende) Ex
20,11
- בֵּרַךְ יהוה = berakh JHWH (JHWH (JHWH zegende) Ex
20,11.
- יְבָרֵךְ = jëbhârekhë (hij zegene) < piël jussivus
derde persoon mannelijk enkelvoud Nu
6,24
- יְבָרֶכְךָ = jëbhârèkhëkhâ (hij zegene je) < piël jussivus
derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) van het persoonlijk voornaamwoord
tweede persoon mannelijk enkelvoud Nu
6,24.
- וַיְבָרֶך (= wajëbhârèkh: en hij zegende; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw בָרַך = bârakh: zegenen, loven, prijzen). Gn
1,22
- וַיְבָרֶך אֱלֹהִים = wajëbhârèkh èlohîm (en God zegende) Gn
2,3.
- וַיְבָרֶך יהוה = wajëbhârèkh JHWH (en JHWH zegende) Gn
2,3.
- וַיְבָרְכֵם = wajëbhârëkhem (en hij zegende hen) < prefix waw consec + actief piel imperf
3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Gn
48,20 Lc 9,16
- יְבָרֶכְךָ יהוה = jëbhârèkhëkhâ JHWH (JHWH zal je zegenen) Nu
6,24.
- וַאֲבָרֲכָה = wa´äbhâräkhâh (en ik zal zegenen) < prefix voegwoord wë + act piel imperfectum 1ste persoon enkelvoud Gn
12,3.
- וַאֲבָרֶכְךָ = wa´äbhârëkhèkhâ (en ik zal je zegenen) < prefix consec wë + act piël imperf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,2.
- act qal piël imperat 2de pers mann enk בָּרֵךְ = bârekh (zegen) Dt
33,11.
- בָּרְכִי נַפְשִׁי, אֶת-יְהוָה (= bâräkhî naphësjî
- 'èth - JHWH (zegen, mijn ziel, JHWH). Ps
104,1.
- וְנִבְרְכוּ = wënibhërëkhû (en zij zullen gezegend worden) < prefix voegwoord wë + pass nifal perf 3de pers mann mv Gn
12,3.
- pass qal deelw tegenwoordige tijd mann enk בָּרוּך = bârûkh (gezegend) Lc
1,68
- בָרוּך יהוה = bârûkh JHWH Lc
1,68
- בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי = bârûch JHWH ´èlohe(j) = gezegend JHWH, God van Lc
1,68
- בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el
(gezegend
JHWH de God van Israël) Lc
1,68
- בָרוּך יהוה אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל אֲשֶׁר = bârûkh JHWH êlohe(j) jisërâ´el
´äsjèr (gezegend
JHWH de God van Israël die) Lc
1,68.
- בָרוּך אתָּה יהוה = bârûkh ´aththâh JHWH (gezegend zijt Gij, JHWH) Lc
1,68.
- pass qal part praes vr enk בְרוּכָה = bërûkhâh (gezegend) Lc 1,42.
- מְבָרְכֶיךָ = mëbhârëkkhè(j)khâ (degenen die jou zegenen) < act piel part stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,3.
- מְבֹרָךְ (= mëborâkh: gezegend); wkw passief pual part mann enk van het wkw בָרַך = bârakh: zegenen, loven, prijzen).
- בְּרָכָה = bërâkhâ (zegen, zegenspreuk, geschenk, weldaad) Zie het werkw בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) Taalgebruik
in Tenakh: bârakh
(zegenen, loven, prijzen)
- הַבְּרָכָה = habbërâkhâ < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Ps 133,3.
- βαρναβας = barnabas (Barnabas) Taalgebruik in het NT: barnabas (Barnabas)
- nom mann enk βαρναβας = barnabas (Barnabas) Hnd
4,36.
- βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) Taalgebruik in het NT: basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen)
- act subjonctief aor 2de pers enk βασανισῃς = basanisè(i)s (jij zoudt folteren) Mc
5,7
- μη με βασανισῃς = mè me basanisè(i)s (dat jij mij niet zoudt folteren) Mc 5,7.
- pass part praes acc mann mv βασανιζομενους = basavizomenous (gekweld wordende) Mc
6,48.
- בָּשָׂר = bâshâr (vlees, lichaam) Taalgebruik in Tenakh: bâshâr
(vlees, lichaam) Lc 24,3
- בָשַׂר = bâshar (een
goede boodschap brengen, berichten) Taalgebruik in Tenakh: bâshar (een
goede boodschap brengen, berichten)
- לְבַשֵּׂר = lëbhashsher (om de goede boodschap te brengen) < prefix voorzetsel lë + act piël inf Js 61,1.
- βασιλεια (= basileia: koninkrijk, koningschap; zn nom vr enk) Taalgebruik in het NT: basileia
(koninkrijk)
- nom vr enk βασιλεια, dat vr enk βασιλειᾳ = basileia (i) (koninkrijk) Taalgebruik in het NT: basileia
(koninkrijk) Mt
5,3
- ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk) Mt
6,10.
- ἡ βασιλεια των ουρανων = hè basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen) Mt
5,3.
- βασιλείας (= basileias: van het koningschap; zn gen vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap)
- βασιλείᾳ (= basileia = in het koninkschap; zn dat vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap)
- βασιλείαν (= basileian: koninkrijk, koningschap; zn acc vr enk van het zn βασιλεια = basileia: koninkrijk, koningschap)
- basileia
(koninkrijk) hè
basileia tôn ouranôn (het koninkrijk van de hemelen). , zie Mt
3,2
- βασιλευς = basileus (koning) Taalgebruik
in het NT: basileus
(koning) Mc 6,22 Lc 1,5
- βασιλευς (= basileus: koning; zn nom mann enk). Mc 6,22
- και ὁ βασιλευς: en de koning) 1
K 1,1.
- βασιλευς ἡρῳδης = basileus hèrô(i)dès (koning Herodes) Mc 6,14.
- βασιλεῦ (= basileu: koning; zn voc mann enk van het zn βασιλευς = basileus: koning)
- gen mann enk βασιλεως = basileôs Lc 1,5.
- βασιλέα (= basilea: koning; zn acc mann enk van het zn βασιλευς = basileus: koning)
- βασιλέων (= basileôn: koningen; zn gen mann mv van het zn βασιλευς = basileus: koning)
- βαστάζων (= bastadzôn: dragende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαστάζω: dragen, wegnemen)
- bâtach
(vertrouwen, zich veilig voelen), zie Jr
17,5.
- בַת (= bath: dochter). Taalgebruik in
Tenakh: bath
(dochter) Mc
5,23
- בְנֹתַ֔י (= bhënothaj: mijn dochters; zn vr. mv. tat. constr. + pers. vnw. 1ste pers en.). Hebr.: ben: zoon, banah: dochter; Gr.: thugatèr: dochter < th/d - g/ch - t/t; Lat.: filius: zoon, filia: dochter; Fr.: fils: zoon; fille: dochter. Rt
1,11.
- בַת יְרוּשָׁלִָם (= bath jërûsjâlaim: dochter Jeruzalem). Sef 3,14.
- בַת צִיּוֹן (= bath tsijjôn: dochter Sion). Mi
4,10 Mc
5,23.
- nom + acc onz enk βαθος = bathos (diepte) Taalgebruik
in het NT: bathos
(diepte) Lc 5,4.
- βάτου (= batou: braamstruik; zn gen vr enk van het zn βάτος = batos)
- βδέλυγμα (bdelugma: het verafschuwde, gruwel; zn nom en acc onz enk).
- בּ = bë (in, met) Taalgebruik
in Tenakh: bë
(in, met)
- בְךָ = bëkhâ (in u) < prefix voorzetsel bë + suffix bezittel voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud Gn
12,3.
- בָּם = bâm (aan hen) < prefix voorzetsel bë + bezittel voornaamw 3de pers mann mv (< hèm) Dt
6,7.
- Ned: been D: Bein E: leg Fr: jambe
- בְאֵר = bhë´er (put, bron) Taalgebruik in Tenakh: bhë´er
(put) Gn
29,10
- הַבְּאֵר = habbë´er (de bron, de put) < prefix bepaald lidw ha + בְאֵר = bhë´er (put, bron) Gn
29,10.
- בְהֵמָה = bëhemâh (vee, roofdier) Taalgebruik in Tenakh: bëhemâh (vee, roofdier) Gn
1,24
- בֵּין = be(j)n (tussen) Taalgebruik in Tenakh: be(j)n (tussen) Dt
6,8.
- Ned: beker Arabisch: كوب = kub D: Kelck E: cup Fr: coup Grieks: ποτηριον = potèrion
(beker) Hebreeuws: כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker) Taalgebruik in het NT: potèrion
(beker) Lat: calix
- Ned: beminnen, liefhebben Arabisch: اَدَبَّ = ´ahabba (beminnen, liefhebben) Taalgebruik in de Qoran: ´ahabba (beminnen, liefhebben) D: lieben E: to love Fr: aimer Grieks: αγαπαω = agapaô
(liefhebben) Taalgebruik in het NT: agapaô
(liefhebben) Hebreeuws: אָהַב = ´âhabh (beminnen, liefhebben) Taalgebruik in Tenakh: ´âhabh
(beminnen, liefhebben) Lat: amare
- בֵּן/ בִּן / בֶּן (= ben / bin / bèn: zoon, kind). Taalgebruik
in Tenakh: ben
(zoon, kind) Lc 1,31
- בִּנְךָ = binëkhâ (jouw zoon) < zelfst naamw ben + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn
22,16
- אֶת בִּנְךָ = ´èth binëkhâ (jouw zoon) Gn
22,16
- אֶת בִּנְךָ אֶת יְחִידֶךָ = ´èth binëkhâ jëchîdèkhâ (jouw zoon, jouw enige) Gn
22,16.
- לְבָנֶיךָ = lëbhânè(j)khâ (aan jou zonen) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw stat construct mann mv + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,7.
- mann mv בָנִים = bânîm (zonen) Lc 15,11
- שְׂנֵי בָנִים = sjëni bânîm (twee zonen) Lc 15,11.
- mann mv stat construct בְּנֵי = bëne(j) (zonen van)
- וּבְנֵי (= ûbhëne: zonen van; prefix verbindingswoord wë + stat constructus mann mv van het zn בֵּן/ בִּן / בֶּן (= ben / bin / bèn: zoon, kind).
- zelfst naamw mann mv en suffix bezittelijk voornaamw 3de pers mann enk בָּנָיו = bânâ(j)w (zijn zonen) Nu 6,23.
- Ned: berg,
gebergte D: Gebirge E: mount Fr: mont / montagne Grieks: ὁρος = horos (berg) Taalgebruik in het NT: horos
(berg) Lat mons, -tis Dt
1,19 .
- בְרִית = bërîth
(verbond) Taalgebruik in Tenakh: bërîth
(verbond) Lc 22,20
- בְרִיתוֹ = bërîthô (zijn verbond) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Ex
2,24 Lc 1,72
- אֶת בְרִיתוֹ = ´èth bërîthô (zijn verbond) Ex
2,24
- אֶת בְרִיתוֹ אֲשֶׁר = ´èth bërîthô ´äsjèr (zijn verbond dat) Dt
4,13.
- הַבְּרִית אֲשֶׁר = habbërîth ´äsjèr (het verbond dat) Ex
24,8
- הַבְּרִית אֲשֶׁר כָּרַת = habbërîth ´äsjèr kârath (het verbond dat hij sloot) Ex
24,8.
- בֵּית (= beth: huis van; zn vr enk van het zn בַּיִּת = bajith: huis). Taalgebruik in Tenakh: bajith
(huis) Ex
23,19
- בֵּית יַעֳקֹב = be(j)th Ja`äqobh (huis van Jakob) Ps
114,1.
- בֵּית צִיּוֹן (= beth tsijjôn: huis van Sion).
- בֵיתֶךָ = be(j)thèkhâ (jouw huis) < zelfst naamw stat construct + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,9.
- מִבֵּית = mibbe(j)th (uit het huis van) < voorzetsel min + stat constr Ex 20,2
- מִבֵּית עֲבָדִים = mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het huis van dienaren, slaven) Ex 20,2 Dt 6,12.
- וּמִבֵּית = ûmibe(j)th (en uit het huis) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,1.
- בְּבֵיתֶךָ = bëbthe(j)thèkhâ (in jouw huis) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw stat construct enk + suffix bezittel voornaamw 2de pers enk Dt
6,7.
- בֵּית אֵל = be(j)th ´el (huis van God = Betel) Gn
28,1. 9.
- בֵּית לָחֶם = bêth lâchèm (Bethlehem) Taalgebruik in het NT: bethleem (Betlehem).
- (= bètèn: buik, schoot). Gal
1,15.
- Betlehem, zie Mt
2,1.
- - bëtèrèm
(vooraleer), zie Jr
1,5
- De getalswaarde van het woord Bèthania (Betanië) = 2 + 8 + 9 +
1 + 50 + 10 + 1 = 81 (zie Joh
1,28 )
- Βηθανίαν (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, acc vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis, – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden)
- Βηθανίᾳ (= bèthania: in Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, dat vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis, – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden)
- Βηθφαγὴ (= bèthfagè = Bethfage; zn eigennaam, plaatsnaam; בית פגי; "huis van onrijpe vijgen", Hebr.: fag = Ned.: vijg)
- βηθσαιδα = bèthsaïda: Betsaïda) Taalgebruik in het NT: Bètsaïda
(Betsaïda)
- βηθσαιδαν (= bèthsaïdan: Betsaïda; zn eigennaam acc vr enk van het zn βηθσαιδα = bèthsaïda: Betsaïda) Mc
6,45
- בְצַלְאֵל = betsalë´el (Besaleël) Taalgebruik in Tenakh: betsalë´el (Besaleël) Ex
31,2.
- βιβλίον (= biblion: boek; zn acc onz enk)
- βίβλῳ (= biblô: boek; zn dat vr enk van het zn βίβλος = biblos: boek)
- Ned: binnengaan D: eingehen E: to enter F: entrer Grieks: εισερχομαι = eiserchomai
(binnengaan) Taalgebruik in het NT: eiserchomai
(binnengaan) Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen) Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen) Lat: intro-ire (binnengaan) intrare - inire Italiaans: entrare Spaans: entrar
- βίον (= bion: leven; zn acc mann enk van het zn βίος = bios: leven; zie Fr vie).
- Ned: bij Fr: abeille In het hiëroglyfisch geeft de bij de klankwaarde bit weer
- βλασφημεω (= blasfèmeô: (lasteren, godslasteren) Taalgebruik in het NT: blasfèmeô
(lasteren, godslasteren) Taalgebruik in Mc: blasfèmeô
(lasteren, godslasteren)
- ἐβλασφήμουν (= eblasfèmoun: zij belasterden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw βλασφημεω: = blasfèmeô: lasteren, godslasteren)
- βλασφημηθῆναι (= blasfèmèthèvai: te worden belasterd; wkw pass inf aor van het wkw βλασφημεω: = blasfèmeô: lasteren, godslasteren)
- βλασφημία (= blasfèmia: 'gods'lastering, lasterspreken; zn nom vr enk)
- βλασφημίας (= blasfèmias: 'gods'lastering; zn gen vr enk van het zn βλασφημία = blasfèmia: 'gods'lastering, lasterspreken)
- βλασφημίαν (= blasfèmian: 'gods'lastering; zn acc vr enk van het zn βλασφημία = blasfèmia: 'gods'lastering, lasterspreken)
- βλεπω = blepô: ik zie; wkw act ind praes 1ste pers enk; kijken, zien). Taalgebruik in het NT: blepô
(kijken, zien).
- βλεπει (= blepei: hij kijkt, hij ziet, hij werpt een blik op; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: blikken, kijken, zien). Mc
13,2. Joh
20,5.
- βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien). Mc
13,2.
- βλεπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt;
wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien). Mc
4,24 Mc 13,5 Lc
21,8
- βλεπετε μη = blepete mè (jullie kijken niet, kijkt niet) Lc
21,8.
- βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien)
blepô
(kijken, zien). blepô
(zien), zie Joh
1,29 - blepô
(kijken) bij Marcus, zie Mc
13,33 - blepô (zien, kijken) bij Matteüs, zie Mt 11,4: - Mt
11,2-6 -
- βλέπειν (= blepein: te zien; wkw act inf praes van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien)
- Ned: bloed Arabisch: دَم = dam (bloed) Taalgebruik in de Qoran: dam (bloed) D: Blut E: blood Fr: sang Gr: αἱμα = haima (bloed) Taalgebruik in het NT: haima (bloed) Hebreeuws: דָם = dâm (bloed, bloedschuld) Taalgebruik in Tenakh: dâm (bloed, bloedschuld) Lat: sanguis
- ἐβόησεν (= eboèsen: hij schreeuwde luid; act ind aor 3de pers enk van het wkw βοαω = boaô: luid schreeuwen)
- boaô
(luid roepen, schreeuwen), zie Mc
15,34 fôneô
(roepen, schreeuwen), zie Mc
1,26 anakrazô
(uitschreeuwen), zie Mc
1,23.
- βοήθησον (= boèthèson: help; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw βοηθεω = boètheô: helpen)
- βοήθει (= boèthei: help; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw βοηθεω = boètheô: helpen)
- βοηθὸς (= boèthos: helper; zn nom mann enk).
- Ned: boek, E: book, D: Buch - de k als ch: de zachte k = c+ h.
- בֹהוּ = bohû (ledigheid, eenzaamheid) Taalgebruik in Tenakh: bohû (ledigheid, eenzaamheid) Gn
1,2
- וָבֹהוּ = wâbhohû (en ledigheid) < wë (en) + zelfst naamw Gn
1,2.
- Ned: boot D: Boot E: boat Fr: navire, bateau (oud-eng bat + suffix -eau) Gr: ναυς, gen νεως = naus (schip) L: navis (= schip; navicula = boot)
- בֹקֶר = boqèr (morgen) Zie: בָקַר = bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen) Taalgebruik in Tenakh: bâqar (onderzoeken, voor iets zorgen, overleggen)
- וַיְהִי בֹקֶר = wajëhî boqèr (en het werd morgen) Gn
1,8.
- -
- εν βραχιονι ὑψηλῳ = en brachioni hupsèlô(i) met uitgestrekte arm) Dt
6,21.
- εν βραχιονι αυτου = en brachioni autou met zijn arm) Dt
6,21.
- βράδιον (= bradion; later; bv nw comparat acc onz enk van het bv nw βραχυς = brachus: langzaam, traag)
- nom + acc onz enk βρεφος = brefos (ongeboren vrucht, jong kind) Taalgebruik in het NT: brefos
(ongeboren vrucht, jong kind) Lc 1,41.
- Ned: broer Arabisch: أخ = ´ach (broer) Taalgebruik in de Qoran: ´ach (broer) D: Bruder E: brother Fr: frère Grieks: αδελφος = adelfos (broer) Taalgebruik in
het NT: adelfos
(broer) Hebreeuws: אָח = ´âch (broer) Taalgebruik in Tenakh: ´ach (broer) Lat: frater (fra-ter, pa-ter, ma-ter; broe-der, va-der, moe-der)
- βρώματα (= brômata: spijzen; zn acc onz mv van het zn βρωμα = brôma: spijs)
- Ned: bron Grieks: φρεαρ = frear (put) Taalgebruik in de Bijbel: frear (put) Hebreeuws: בְאֵר = bhë´er (put, bron) Taalgebruik in Tenakh: bhë´er
(put).
- Ned: brood Arabisch: خُبز = chubz (brood) Taalgebruik in de Qoran: chubz (brood) In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis Zie لَحْم = lachm (vlees) Taalgebruik in de Qoran: lachm (vlees) Aramees: לַחְמָא = lachëmâ´(brood); לְחֵים = lëche(j)m; לְחֵם = lëchem D: Brot E: bread Fr pain Grieks: αρτος = artos (brood) Taalgebruik in
het NT: artos
(brood) Hebreeuws: לֶחֶמ = lèchèm
(brood) Taalgebruik in Tenakh: lèchèm
(brood) Lat: panis In het hiëroglyfisch stelt een brood de letter t voor
- βουλευτής (= bouleutès: raadsheer).
- βουλόμενος (= wensende, willende; wkw med of pass part praes nom mann enk van het wkw βουλομαι = boulomai: willen, wensen).
- βυθιζω = buthizô (doen zinken) Taalgebruik in het NT: buthizô (doen zinken) Lc 5,7
- pass inf praes βυθιζεσθαι = buthizesthai (zinken) Lc 5,7.
- בּוּל = bûl (zegel bv van een postzegel)
- bw´ (gaan, komen) Taalgebruik in Tenach: bw´
(gaan, komen).
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
C.
- c = k. Gr: καισαρ, Lat: Caesar : wordt uitgesproken als kaisar of als sesar.
- Aramees: חֲדָא = chädâ´ (zich verheugen) Taalgebruik: chädâ´ (zich verheugen)
- וַחדִי = wachdî (en hij verheugde zich) > prefix waw + act qal perf 3de pers mann enk Gn
17,17.
- calefacere (warm maken, verwarmen). Fr: chauffer < caledus facere: l wordt u, d assimileert met f - us valt weg - eind e valt weg.
- Lat: caput, -itis ( h f d: hoofd). Fr: chapeau: kap, hoofddeksel, hoed (hoede, bescherming); klak < Fr: claque: pet.
- Lat: carcer (= kerker).
- Lat: caro (vlees). Fr: chair.
- Lat: causa: geval, oorzaal, rechtsgeding. < cadere: vallen, perf casum: gevallen.
- Aram: וַחדִי (= wachdî: en hij verheugde zich; < prefix waw + wkw act qal perf 3de pers mann enk van het wkw חֲדָא = chädâh: zich verheugen).
Joh
8,56.
- châdal: ophouden, aflaten, een einde nemen.
- חָדֵל (= châdel: vergankelijk). bv nw afgeleid van het wkw châdal: ophouden, aflaten, een einde nemen.
- - chag
(feest), zie Lc
22,1
-
- χαιρω = chairô: zich verheugen) Taalgebruik in het NT: chairô
(zich verheugen) Lc
15,5
- Χαῖρε (= chaire: verheug je; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw χαιρω = chairô: zich verheugen).
- χαιρετε (= chairete: verheugen jullie zich; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw χαιρω = chairô: zich verheugen). Fil
4,4.
- ἐχάρησαν (= echarèsan: zij verheugden zich; wkw act ind aor 3de pers mann mv van het wkw χαιρω = chairô: zich verheugen)
- act part praes nom mann enk χαιρων = chairôn (zich verheugende) Lc
15,5.
- châjâh (leven). Taalgebruik in Tenach: châjâh
(leven)
- prefix voorzetsel wë + act piël part mann enk וּמְחַיֶּה = ûmëchajjèh (en doen levende) 1 S 2,6.
- חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) Stat constr חַיַת = chajath
- stat constr חַיַּת = chajjath Gn
1,25.
- חַיְתוֹ = chajëthô (en zijn wildgedierte) < stat constr + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn
1,24.
- châkhmâh
(wijsheid), zie Ps
111,10
- חָלָב = châlâbh (melk) Qatal-vorm (חַלַב) De stat constr חֲלֵב = chälebh is moeilijk verklaarbaar (Joüon 96Bb) Taalgebruik in Tenakh: châlâbh (melk) Ex
23,19
- חָלַל = châlal (beginnen) Taalgebruik in Tenakh: châlal (beginnen)
- וַיָּחֶל = wajjâchèl (en hij begon) < prefiw voegwoord w consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk
- χαλαω = chalaô (ontspannen, los maken) Taalgebruik in het NT: chalaô
(ontspannen, los maken) Lc 5,5
- χαλῶσι (= chalôsi: zij maakten los, zij lieten dalen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw χαλαω = chalaô: ontspannen, los maken)
- act ind fut 1ste pers enk χαλασω = chalasô (ik zal losmaken) Lc 5,5.
- חָלַף = châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) Taalgebruik in Tenakh: châlaph (verwisselen, verruilen, in de plaats stellen) Mt
2,14
- χαλκίων (= chalkiôn: van de ketels / van het vaatwerk; zn gen onz mv van het zn χαλκιον = chalkion: koperen vaatwerk, ketel)
- χαλκὸν (= chalkon: koperen munt; bv nw acc onz enk van het bv nw χαλκὸς = chalkos: koperen, bronzen, koperen munt)
- Fr: chambre (kam-er). chambrette (een kamertje).
- חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) Taalgebruik in Tenakh: châmesj (vijf) Lc 9,16
- חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar) Gn 12,4
- בֶּן חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ שָׁנֶים = bèn châmesj / chämesj sjânîm (vijf jaar oud) Gn 12,4.
- vr enk חֱמִשָּׁה = chämisjsjâh (vijf, 5) Dt
34,12.
- חֱמוֹר = chämôr (ezel, ezelin) Taalgebruik in Tenakh: chämôr
(ezel, ezelin) Zach
9,9 Ned: ezel Fr âne Grieks: onos Lat: asinus
- Fr:
champs (plein, veld) < Lat: campus.
- chânâh
(zich neerlaten, zich legeren), zie Ex
13,20
- חָנַן = chânan (genadig zijn, zich over iemand ontfermen). Taalgebruik: chânan
(genadig zijn, zich over iemand ontfermen)
- וִיחֻנֶּךָּ = wîchunnèkhâ (en hij zal genadig zijn) < prefix waw consecut + act qal ind imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Nu
6,25.
- chânan
(genadig zijn, zich over iemand ontfermen), zie Ps
111,5
- châphar
(zich schamen, in zijn verwachtingen teleurgesteld worden), zie Ps
35,4
châqaq
(vaststellen, besluiten), zie Ps
2,7
- châphatz
verlangen, begeren, willen), zie Ps
40,15
- חָפֵ֣ץ = chaapets: hij schept behagen in; wkw act qal perf 3de pers mann enk van het wkw חָפֵ֣ץ = châphats: verlangen, begeren, behagen scheppen) Taalgebruik
in Tenach: châphats
(verlangen, begeren, behagen scheppen)
- χαρα (= chara: vreugde).
Taalgebruik in het NT: chara
(vreugde). Fil
1,4.
- nom vr enk χαρα = chara (vreugde) Lc
15,7.
- χαρας (= charas: van vreugde; zn gen vr enk van het zn χαρα = chara: vreugde). 1
Tes 1,6.
- μετα χαρας (= meta charas: met vreugde). Fil
1,4.
- chara
(genade, dankbaarheid), zie Lc
24,52
- ἐχαράκωσα (= echarakôsa: hij versterkte met palen; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw χαρακόω = charakoô: met palen versterken; palissaderen).
Js
5,1.
- ἐχαράκωσεν (= echarakôsen: ik versterkte met palen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw χαρακόω = charakoô: met palen versterken; palissaderen). Jr 39,2.
- châram hifil: aan de vernietiging prijsgeven, vernietigen. Getalswaarde: chet = 8, resj = 20 of 200, mem = 13 of 40; totaal: 41 OF 248 (8 x 31). Zn hèrèm: ban, vernietiging.
- חָרָן = chârân (Haran) Taalgebruik in Tenakh: chârân (Haran)
- מֵחָרָן = mechârân (uit Haran) < prefix voorzetsel min (uit) en חָרָן = chârân (Haran)
- חָרָה = chârah ( branden, ontbranden ) Taalgebruik in Tenakh: (chârâh
( branden, ontbranden) Nu
11,1
- וַיִּחַר = wajjichar ( hij ontbrandde ) < wë + act qal imperfectum 3de pers mann enk Gn
4,5.
- חָרַק = châraq (knarsen, piepen) Taalgebruik in Tenakh: châraq (knarsen, piepen)
- ἐχαρίσω (= echarisô: jij schonkt; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw χαριζω = charidzô: schenken, genoegen doen
- χαρις (= charis: genade,
gratie; nom vr enk) Taalgebruik in het NT: charis (genade, gratie)
- nom vr enk χαρις = charis (genade,
gratie) 1
Tes 1,1
- χαρις ὑμιν και ειρηνη απο θεου πατρος ὑμων και απο κυριου ιησου χριστου = charis humin kai eirènè apo theou patros hèmôn
kai apo kuriou ièsou christou (Genade zij u en vrede vanwege God onze
vader en vanwege onze Heer Jezus Christus) Kol
1,2.
- χαριτος (= charitos: van genade; zn gen vr enk van het zn χαρις = charis: genade,
gratie). Gal 1,15
- δια της χαριτος = dia tès charitos (door / bij middel van de genade) Gal 1,15.
- acc vr enk χαριν = charin Lc
17,9.
-
- châsar
(missen, verminderen), zie 1
K 17,14
- châsjabh
(rekenen, achten, denken), zie Ps
40,18
- חָשַׁב (= châsjabh: hij plande; wkw qal perf 3de pers mann enk van het wkw חָשַׁב = châsjabh: rekenen, plannen). Taalgebruik in Tenakh: châsjabh (rekenen).
- מַֽחֲשַׁבְתּ֔וֹ (= machäsjabhthô: zijn plan; zn - gevormd met mem - vr enk stat construct en suffix pers vn 3de pers mann enk - van hem). Zie het wkw חָשַׁב = châsjabh: rekenen, plannen).
- חָשָׁה = châsjâh (zwijgen, zich
stil, rustig houden) Taalgebruik in Tenakh: châsjâh
(zwijgen, zich stil, rustig houden)
- act qal imperf eerste persoon enkelvoud אֶחֶשֶׁה = ´èchêsjèh
(ik zal zwijgen)
-
- חַטָֹאָה = chattâ´âh (zonde, misdaad)
- חַטֹּאתָם = chatto´thâm (hun zonden) < vr mv + suffix pers voornaamw 3de pers mann mv Ex
32,34 .
- Lat: causa (= zaak; Fr: chose: c/ch + s; een metathesis in het Ned?).
- חַוָּה (= chawwâh: Eva; eigennaam). Taalgebruik in Tenakh: chawwâh (Eva).
- châzâh (zien, aanzien, uitkiezen) Taalgebruik in Tenach: châzâh
(zien, aanzien, uitkiezen)
- חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen)
- וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) Mc 1,31.
- בְּחָזָק (= bechâzâq: met kracht; < prefix vz בְּ = bë + bv nw absol: krachtig).
- חֶסֶד (= chèsèd: liefde, gunst, genade, barmhartigheid). Taalgebruik in Tenakh: chèsèd
(liefde, barmhartigheid).
Ps
111,5.
- - chât´â
(zondigen, missen), zie Ps
1,1
- חָתַל = châthal (omwikkelen met windels) Lc
23,53
- châzah
(zien, uitkiezen), zie Gn
15,1
- χειμῶνος (cheimônos: 's winters; zn gen mann enk van het zn χειμων: cheimôn: winter).
- χειρ (= cheir: hand; zn nom vr enk; zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) Taalgebruet NT: cheir
(hand)
- χειρος (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) Lc 1,71
- εκ χειρος = ek cheiros (uit de hand van) Lc 1,71.
- -
- εν χειρι κραταιᾳ = en cheiri krataia(i) (met krachtige hand) Dt
6,21
- εν χειρι κραταιᾳ και εν βραχιονι αυτου τῳ ὑψηλῳ = en cheiri krataia(i) kai en brachioni autou tô(i) hupsèlô(i) (met krachtige hand en met zijn arm, de uitgestrekte) Dt
6,21.
- χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) Mc 3,1
- την χειρα = tèn cheira (de hand) Mc 3,1.
- χειρων (= cherôn: door de handen; zn gen vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen).
- χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep, gr-: grijpen)
- χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) Lc 24,50
- τας χειρας αυτου = tas cheiras autou (zijn handen) Dt
34,9.
- χειροποίητον (= cheiropoièton: handgemaakt; bv nw acc mann enk van het bv nw χειροποίητος = cheiropoètos: handgemaakt).
- חֵמָה = chemâh (toorn) Taalgebruik in Tenakh: chemâh (toorn)
- Fr: cher < Lat: carus: duur, kostbaar, kostelijk; geliefd, bemind, geacht.
- χήρα (= chèra: weduwe, verweesd; zn nom vr enk)
- χηρῶν (= chèrôn: van de weduwen; zn gen vr mv van het zn χηρα = chèra: weduwe, verweesd).
- חֶסֶד = chèsèd (liefde, barmhartigheid) Taalgebruik in Tenakh: chèsèd
(liefde, barmhartigheid) Ex
34,7
- ִ: een punt onder de regel: חִירֶק = chîrèq (chireq) is een klinker en duidt een i-klank aan
- χιμαρος (chimaros; zn mannelijke geit).
- χιτων = chitôn (wollen
of linnen onderkleed) Taalgebruik in het NT: chitôn
(wollen of linnen onderkleed)
- χιτωνας (= chitônas: kleren; zn acc mann mv van het zn χιτων = chitôn: wollen
of linnen onderkleed). Lc
9,3
- τους χιτωνας αυτου = tous chitônas autou (zijn kleren) Mc
14,63.
- δυο χιτωνας = duo chitônas (2 kledingstukken) Mc
14,63.
- חוֹד = hôd (pracht, glans, majesteit) Taalgebruik in Tenakh: hôd
(pracht, glans, majesteit)
- - chwsj
(zich haasten, genieten, zijn zinnen volgen), zie Ps
40,14
- χοιρος = choiros (varken) Taalgebruik in het NT: choiros (varken)
- nom mann mv χοιρων = choirôn Mc
5,11
- των χοιρων = tôn choirôn (van de varkens) Mc 5,16.
- חָכְמָה (= châkhëmah: wijsheid). Taalgebruik in Tenakh: châkhëmâh
(wijsheid). Ps
111,10.
- בְחָכְמָה = bëchâkhëmah (met wijsheid) Gn
1,1.
- chôlos
(lamme), zie Mt
11,5
- χωλὸν (= chôlon: lam; bv nw acc mann enk van het bv nw χωλος = chôlos: lam)
- Lat commemoratio (het samen gedenken)
- acc vr enk commemorationem Lc 22,19.
- χωρεῖν
(= chôrein; act inf praes van het wkw χωρεω = plaats maken, wijken voor)
- χωρα = chôra: streek, land; zn nom vr enk) Taalgebruik in het NT: chôra (streek, land)
- χωραν (= chôran: streek, plaats; zn acc vr enk van het zn χωρα = chôra: streek, land) Mc 5,1 Lc
15,13
- εις την χωραν = eis tèn chôran (naar de streek, plaats) Mc 5,1.
- χωριζέτω (= chôridzetô: dat hij scheidde; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw χωριζω = chôridzô: scheiden)
- χωρίον (= chôrion: gebied, streek, plek), zie Mc
14,32
- χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen) Taalgebruik in het NT: chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen)
- χορτάσαι (= chortasai: te verzadigen); wkw act inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen)
- pass ind fut 3de pers mv χορτασθησονται = chortasthèsontai (zij zullen verzadigd worden) Mc
6,42
- και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) Mc
6,42.
- εχορασθησαν (= echorasthèsan: zij werden verzadigd; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen) Mc
6,42
- και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd) Mc
6,42
- και εφαγον παντες και εχορασθησαν = kai efagon pantes kai echorasthèsan (en allen aten en zij werden verzadigd) Mc
6,42.
- και εφαγον και εχορασθησαν παντες = kai efagon kai echorasthèsan pantes (en zij aten en allen werden verzadigd) Mc
6,42.
- χορτασθῆναι (= chortasthènai: om verzadigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: verzadigen) Mc
7,27.
- Fr: choisir (= kiezen; ch/k + s/z; Germ: kausjan; D: kiesen). Fr: choix (= keuze).
- חֹשֶׁך = chosjèkh
(duisternis) Taalgebruik in Tenakh: chosjèkh
(duisternis) Gn
1,2 Lc 1,79
- הַחֹשֶׁך = hachosjèkh (de duisternis) < prefix bepaald lidw ha + חֹשֶׁך = chosjèkh
(duisternis) Gn
1,4.
- וְחֹשֶׁךְ= wëchosjèkh (en duisternis) < prefix voegwoord wë + zelfst naamw Gn
1,2.
- וְלַחֹשֶׁך = wëlachosèkh (en tot de duisternis) < prefix voegwoord wë + voorzetsel be + bepaald lidwoord ha -> trekt
samen tot la + zelfstandig naamwoord חֹשֶׁך = chosjèkh
(duisternis) Gn
1,5.
- בַּחֹשֶׁך = bachosèkh (in - de - duisternis) < voorzetsel be + lidwoord ha -> trekt
samen tot ba + zelfstandig naamwoord Js 9,1. Lc 1,79.
- chothen
(schoonvader), zie Ex
3,1
- ??e?a? (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn ??e?a = cgreia: behoefte, nood)
- chreian
echô: ik behoef (6X bij Matteüs)
- χρήματα (= chrèmata: bezittingen; zn acc onz mv van het zn χρημα = chrèma: gebruiksvoorwerp, ding, benodigheid, bezit)
- χριω = chriô: zalven)
Taalgebruik in het NT: chriô
(zalven) Ef
1,1
- act ind aor 3de pers enk εχρισεν = echrisen (hij zalfde) Lv 8,10 Lc 4,18
- εχρισεν αυτον = echrisen auton (hij zalfde hem) Lv 8,12.
- εχρισεν με = echrisen me (hij zalfde mij) Lv 8,12.
- χριστος (= christos: gezalfde,
Christus; zn eigennaam nom mann enk) Taalgebruik in het NT: christos
(Christus)
- ὅτι χριστος (= hoti christos: dat/omdat). 1
Kor 15,3.
- χριστου (= christou: van Christus; zn gen mann enk van het zn χριστος = christos: gezalfde,
Christus) Mc 1,1 Fil
1,1 Kol
1,1 Kol
2,2.
- christos
(Christus) Christou (Christus 5X bij Matteüs)
- ?????? (= chronon: tijd; zn acc mann enk van het zn ?????ς = chronos: tijd)
- χρόνος (= chronos: tijd; zn nom mann enk)
- chshkh
(duisternis), zie Js
9,1
- חוּר = chûr (Chur) Taalgebruik in Tenakh: chûr (Chur) 1
Kr 2,19
- חוּץ = chûts (straat, buiten) Taalgebruik in Tenakh: chûts
(straat, buiten) Lc 24,50
- Lat: circumdedit (hij omgaf; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw circumdare: omgeven).
Mc 12,1.
- Lat: clavis < Lat: claudere (= sluiten; c wordt s, l, d/t; sleutel; slot: claust-um: klooster). Fr: clef en clé.
- colligere < con-legere: verzamelen. Fr.: cueillir: plukken, inzamelen, oogsten. zie ook Fr: collecter: inzamelen, ophalen.
- ac-cueillir: ontvangen, onthalen, bejegenen, begroeten (bij het geheel bregen).
-
zelfstandig naamwoord accueil: onthaal, ontvangst, begroeting, opname.
- Lat: continere, continui, contentum: bijeenhouden, vasthouden, verbinden, bevatten. Fr: contenir, contenu.
- crux (= cruks: kruis; zn nom mann enk; crucis = crutsis: van het kruis; zn gen mann enk van het zn crux = cruks: kruis. Fr: croix).
- Lat: cumulare: stapelen. Fr: ac-cumuler: opstapelen, ophopen.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
D
- dâ`âkh (uitgaan van licht) Taalgebruik in Tenakh: dâ`âkh (uitgaan van licht)
- Ned: daar (aanwijz bijw van plaats; da r) <-> hier (aanwijz bijw van plaats: hir; zie persoonl voornaamw hij) D: da <-> hier E: the-re <-> he-re Grieks: εκει (hier; Fr: ici; k - c -h) Arabisch: هناك = hunak (daar; h in Ned: hij) <-> هنا = huna (hier) Hebreeuws: שָׁם = sjâm (daar) Zie het werkw שָׂם = shâm
(plaatsen, stellen) Taalgebruik in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen) Lat: ibi (daar) <-> hic (hier)
- דָבַר = dâbhar (spreken)
Taalgebruik in Tenakh: dâbhar
(spreken) Lc 1,37
- דִּבֶּר (= dibbèr: hij sprak; wkw act piël perf 3de pers mann enk van het wkw = dâbhar: spreken.)
- דִּבֶּר אֶל = dibbèr
´èl (hij sprak tot) Lc 1,55
- דִּבֶּר מֹשֶׁה אֶל = dibbèr
mosjèh ´èl (Mozes sprak tot) Dt
1,3.
- דִּבֶּר אֵלָיו = dibbèr ´elâjw (hij zei tot hem) Gn 12,4.
- דִּבֶּר אִתּוֹ = dibbèr ´iththô (hij sprak met hem)
- דִּבֶּר לוֹ = dibbèr lô ( hij sprak tot hem)
- אֲשֶׁר דִּבֶּר מֹשֶׁה = ´äsjèr dibbèr Mosjèh (die Mozes sprak) Dt
34,1.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) Gn 12,4
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw (zoals hij zei tot hem) Gn 12,4
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אֵלָיו יהוה = ka´äsjèr dibbèr ´elâjw
JHWH (zoals JHWH sprak tot hem) Gn 12,4.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר אִתּוֹ = ka´äsjèr dibbèr ´iththô (zoals hij sprak met hem) Gn 12,4.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר לוֹ = ka´äsjèr dibbèr lô (zoals hij sprak tot hem) Gn 12,4.
- כַאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה = ka´äsjèr dibbèr JHWH (zoals JHWH sprak) Gn 12,4
- כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר יהוה אֱלֹהֵי אֲבֹתֶיךָ = ka´äsjèr dibbèr JHWH ´èlohe(j) ´äbhotè(j)khâ (zoals JHWH, de God van jouw vaderen, sprak) Dt
1,21.
- וַיְדַבֵּר (= wajëdabber: en hij sprak; prefix koppelletter waw en wkw piël imperf 3de pers mann enk van het wkw = dâbhar: spreken.) Gn
8,15. Ex
20,1. Lv
23,1. Lv
25,1. Nu 6,22.
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים = wajëdabber ´èlohîm
(en God sprak) Gn
8,15 Ex
20,1
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל נֹחַ = wajëdabber ´èlohîm
´èl noach (en God sprak tot Noach) Gn
8,15.
- וַיְדַבֵּר אֱלֹהִים אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber ´èlohîm
´èl mosjèh (en God sprak tot Mozes) Ex 12,1.
- וַיְדַבֵּר יהוה = wajëdabber JHWH (en JHWH sprak) Gn
8,15 Lv
23,1 Nu 6,22
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה = wajëdabber JHWH èl mosjèh (en JHWH sprak tot Mozes) Ex 12,1 Nu 6,22
- וַיְדַבֵּר יהוה אֶל מֹשֶׁה לֵאמֹר = wajëdabber JHWH èl mosjèh le'mor (en JHWH sprak tot Mozes om te zeggen) Ex
25,1 Nu 6,22.
- וְדִבַּרְתָּ = wëdibbarëthâ (en jij zult spreken) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act piël 2de pers mann enk Dt
6,7
- וַתְּדַבֵּר֙ (waththëdabber: en zij sprak; prefix koppelletter waw en wkw piël imperf 3de pers vr enk van het wkw דָבַר = dâbhar: spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar
(spreken). Getalswaarde: daleth = 4, beth = 2, resj = 20 of 200; totaal: 26 (2 X 13) OF 206 = 2 X 103. Structuur: 4 - 2 - 2 .
- דְבַר אֱלֹהִים = dëbhar ´èlohîm (woord van God) Lc 5,1
- דְבַר יהוה = dëbhar JHWH (woord van JHWH) Lc 5,1.
- כִּדְבַר = kidëbhar (volgens het woord) < prefix kë + zelfst naamw דָּובָר = dâbhâr (woord) Lc 1,38.
- הַדְּבָרִים = haddëbhârîm (de woorden) < bepaald lidw ha + mann mv Ex
20,1 Dt
6,6
- אֵלֶּה הַדְּבָרִים = ´ellèh haddëbhârîm (deze woorden) Dt
1,1.
- הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = haddëbharîm
hâ´ellèh (deze woorden/gebeurtenissen) Gn 44,6 Ex
24,8
- הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr (deze woorden die) Dt
6,6
- הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ = haddëbhârîm hâ´elleèh ´asjèr ´asjèr ´ânokhî mëtsawwëkhâ (deze woorden die ik opdragende) Dt
6,6.
- כל הַדְּבָרִים = kâl haddëbharîm
(alle woorden / gebeurtenissen) Ex
20,1
- אֵת כל הַדְּבָרִים = `eth kâl haddëbharîm
(alle woorden / gebeurtenissen) Ex
20,1.
- כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = kâl haddëbharîm
hâ´ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) Ex
24,8
- אֵת כל הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = `eth kâl haddëbharîm
hâ ellèh (al deze woorden / gebeurtenissen) Ex
20,1.
- -
- דִּבְרֵי יהוה = dibhëre(j) JHWH (woorden van JHWH) Ex
24,3
- אִת דִּבְרֵי יהוה = ´eth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) Ex
24,3
- אִת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´eth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden van JHWH) Ex
24,3.
- אֶת דִּבְרֵי יהוה = ´èth dibhër(j)e JHWH (de woorden van JHWH) Ex
24,3
- אֶת כָּל דִּבְרֵי יהוה = ´èth kâl dibhër(j)e JHWH (al de woorden
van JHWH) Ex
2
- אֶת כָּל דִּבְרֵי הַתּוֹרָה = ´èth kâl dibhër(j)e haththôrâh (al de woorden van de Thorah) Dt
27,8
- Ned: dag Arabisch: يَوم = jaum (dag) Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum) D: Tag E: day F: jour < Lat diurnum
Cfr journaal Grieks: ἡμερα = hèmera (dag) Taalgebruik in het NT: hèmera
(dag) Lat: dies Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag) Taalgebruik
in Tenakh: jôm
(dag) Latijn: dies (dag) diurnus (dagelijks)
- דָג / דָגָה = dâg / dâgâh (vis) Taalgebruik in Tenakh: dâg / dâgâh (vis) Lc 5,2
- Fr: daigner. Lat: dignari: zich ver-waardig-en.
- δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) Taalgebruik in het NT: daimonδαιμόνιαion
(demon) m + acc onz mv δαιμονια = daimonia (demonen) Mc
1,39
- δαιμόνια (= daimonia: demonen; zn acc onz mv van het zn δαιμόνιον = daimonion: demon)
- δαιμονιζομαι = daimonizomai: bezeten zijn) Taalgebruik in het NT: daimonizomai (bezeten zijn)
- acc mann enk δαιμονιζομενον = daimonizomenon (een demon wordende) Mc 5,15
- nom mann mv δαιμονιζομενοι = daimonizomenoi (een demon wordende) Mc
8,28.
- δαιμονιζομένους (= daimonidzomenous: gedemoniseerden; wkw pass part praes acc mann mv van het wkw δαιμονιζομαι = daimonizomai: bezeten zijn)
- δακτύλους (=
daktulous: vingers; zn acc mann mv van het zn δακτυλος
=
daktulos: vinger; Lat: ta-n-gere, tetigi,tactum: aanraken; Fr: doigt; stam: t/d - g/c -> dig-itus)
- דָּל (= dâl OF dal: arm, gering; bv nw).
Ps 113,7.
- דָלָה = dâlâh (putten, scheppen; piël: redden, bevrijden) Taalgebruik in Tenakh: dâlâh (putten, scheppen; piël: redden, bevrijden)
- werkwoordvorm act imperat 2de pers vr enk דְלִי = dëlî (schep) OF zelfst naamw דְלִי = dëlî (emmer)
- ?a?�a????? (= dalmanoutha: Dalmanoutha; zn eigennaam)
- דָם = dâm
(bloed, bloedschuld) Taalgebruik in Tenakh: dâm
(bloed, bloedschuld) Ex
24,8 Lc 22,20
- דַם הַבְּרִית = dam habbërîth (bloed van het verbond)
- הַדָּם = haddâm (het bloed) Ex
24,8
- אֶת הַדָּם= ´èth haddâm (het bloed) Ex
24,8.
- בְדָמִי = bëdâmî (met mijn bloed) < prefix bë + zelfst naamw + + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk Lc 22,20.
- stat construct mann mv דְמֵי = dëme(j) (bloed van)
- Damaskos
(Damascus), zie Hnd
9,2
- δαμαζω = damazô (temmen, bedwingen, overweldigen) Taalgebruik in het NT: damazô (temmen, bedwingen, overweldigen)
- act inf aor δαμασαι = damasai (om te bedwingen) Mc
5,4.
- Ned: dan D: dann E: then Fr: alors Grieks: τοτε = tote (dan) (< to - de: dat echter; dan, daarop) Taalgebruik in het NT: tote
(dan) Lat: tunc
- dânijje´l (Daniël) Taalgebruik in Tenach: dânijje´l
(Daniël) Taalgebruik in Amos: dânijje´l
(Daniël) Getalwaarde: daleth = 4, nun = 14 of 50, jod = 10, aleph
= 1, lameth = 12 of 30; totaal: 41 OF 95 (5 X 19) Gr danièl (Daniël)
Taalgebruik in de Septuaginta: dânijje´l
(Daniël) Taalgebruik in het NT: dânijje´l
(Daniël) δε = de (echter), afkorting δ' = d' Taalgebruik in het NT: de
(echter) Lc
9,11 Lc
18,29
- דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) Taalgebruik in Tenakh: dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen)
- act hifil imperf jussief 3de pers vr enk תַּדְשֵׁא = thadësje´ (dat zij gewas voortbrenge) Gn
1,11.
- דַק = daq (dun, mager, fijn, zacht) Taalgebruik in Tenakh: daq (dun, mager, fijn, zacht)
- דָקַק = dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil: vergruizen, fijn maken) Taalgebruik in Tenakh: dâqaq (verbrijzelen, verpletteren; hifil: vergruizen, fijn maken)
- דָּוִד (= dâwid: David).
Taalgebruik in Tenakh: dâwid
(David) Lc 1,27.
Js
9,6.
- δαυιδ (= dauid: David; zn eigennaam David; getalswaarde 14) Taalgebruik in het NT: dauid
(David) Lc 1,27
- Ned: dauw Arabisch: ظَل = tal (dauw) Taalgebruik in de Qoran: tal (dauw) D: der Tau E: dew Fr: la rosèe Grieks: δροσος = drosos (dauw) Hebreeuws: טַל = tal (dauw) Taalgebruik in Tenakh: tal (dauw) Lat: ros (dauw), zie rorare (dauwen), zie Js 45,8: rorate caeli desuper (dauwt hemelen van boven)
- Nederl: bepaald lidwoord de / het Arabisch: bepaald lidw اَل = ´al (de) Taalgebruik in de Qoran: ´al (de) D: der, die, das
enz E: the Fr: le, la enz (< lat aanwijz voornaamwoord il-lum, il-lam) Gr ὁ = ho, ἡ = hè, το = to
(de - het) Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord Hebreeuws: הַ = ha (de, het) Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het)
- δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') Taalgebruik in het NT: de
(echter) Mc 1,45 Lc 5,1 Lc
8,22 Lc
9,11 Lc
15,1 Lc
15,27 Lc
17,1 Lc
18,9 Lc 24,2
- δ' (= d': tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting van δὲ = de)
- δε ειπεν = de eipen (hij echter zei) Lc
15,27 Lc
18,41
- δε ειπεν αυτῳ = de eipen autô(i) (hij echter zei hem) Lc
15,27.
- δε () εν = de en (echter in / tijdens) Lc 18,35
- δε εν τῳ = de en tô(i) (echter in de/ tijdens de) Lc 18,35.
- δε ὁ = de ho (echter de) Mc 10,52 Lc
18,40.
- δε και = echter ook Lc
18,9.
- δε προς = de pros (echter naar) Lc
17,22.
- δε τας = de tas (echter de) Lc
21,37
- τας δε = tas de (de echter / en de) Lc
21,37.
- de
(echter) de (echter), zie Joh
1,1 - de
(echter), zie Lc
1,2 de (echter), zie Mt
1,2 Zie Hnd
13,6
- דֶבֶר = dèbhèr (pest) Taalgebruik in Tenakh: dèbhèr (pest)
- dechomai
(ontvangen), zie Mt
10,40
- δέχεται (= dechetai: hij ontvant; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden)
- δέχηται (= dechètai; hij zou ontvangen; wkw med conjunct praes 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden)
- δέξηται (= deksètai: hij zou ontvangen; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden)
- δέξασθε (= deksasthe: ontvangt, wkw med imperat aor 2de pers mv van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden)
- δεχθήτω (= dechthètô: dat hij worde ontvangen, wkw pass med imperat aor 3de pers enk van het wkw δεχομαι = dechomai: ontvangen, aanvaarden)
- Fr: dé-coup-age (= af-kap-ping).
- δεησις = deèsis
(gebed, vraag) Taalgebruik in het NT: deèsis
(gebed, vraag)
- dat vr enk δεησει = deèsei Fil
1,4 .
- acc vr enk δεησιν = deèsin Fil
1,4 .
- δείπνοις (= deipnois: maaltijden; zn dat onz mv van het zn δείπνον = deipnon: hoofdmaaltijd, middag-maaltijd)
- deiknuô
(tonen), zie Mt
16,21
- δείξει (= deiksei: hij zal tonen; wkw act ind fut 3de pers mann enk van het wkw δεικνυμι = deiknumi: tonen, wijzen, laten zien)
- Δεκαπόλεως (= dekapoleôs: van Dekapolis; zn eigennaam gen vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad)
- ?e?ap??e? (= dekapolei: in Dekapolis; zn eigennaam dat vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad)
- δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) Zie het werkw δεχομαι = dechomai (ontvangen, aanvaarden)
Taalgebruik in het NT: dechomai
(ontvangen)
- nom mann enk δεκτος = dektos (ontvankelijk, aanvaardbaar) Lc
17,1.
- acc mann enk δεκτον = dekton Lc
4,19.
- δειλος = deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf) Taalgebruik in het NT: deilos (vreesachtig, zwak van geloof, laf)
- nom mann mv δειλοι = deiloi (kleingelovigen)
- דְמוּת = dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte) Taalgebruik in Tenakh: dëmûth (gelijkenis, beeld, gestalte)
- בְּצַלְמֵנוּ = bëtsalëmenû (met ons beeld) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 1ste pers mv Gn
1,26.
- d??a???? (= d�nari�n: van denari�n; zn gen onz mv van het zn
d??a???? = d�narion: denarie)
- δεω = deô: binden, boeien, ketenen) Taalgebruik in het NT: deô (binden, boeien, ketenen)
- act inf aor δησαι = dèsai (om te binden).
- δήσαντες (= dèsantes: boeiende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw δεω = deô: binden, boeien, ketenen)
- δεδεμένος (= dedemenos: geboeid, gebonden; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien)
- δεδεμένον (= dedemenon: gebonden; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien).
- δεδεμένην (= dedemenèn: gebonden; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien).
- δει (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten). deô
(moeten), zie Mt
16,21
- δέῃ (= deè: het was nodig; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten).
- δηνάριον (= dènarion: denarie; zn acc onz enk)
- d??d?a (= dendra: bomen; zn acc onz mv van het zn d??d??? = dendron: boom)
- - Derbè
(Derbe), zie Hnd
14,6
- Ned: derde D: tritte Fr: troisième E third Gr: τριτος = tritos Hebreeuws: שׁלשׁ = sjâlosj
/ sjâlôsj / sjëlosj (drie) Taalgebruik in Tenakh: sjâlosj / sjâ.lôsj / sjëlosj (drie) Lat: tertius
- דֶרֶך = dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) Taalgebruik
in Tenakh: dèrèkh
(weg, wijze, levenswijze)
- בַדֶרֶך = badèrèch (op de weg) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Dt
6,7.
- de?�at???? (= dermatin�n: leren; bv nw acc vr enk van het bv nw de?�at??oς = dermatinos: van leren, leren)
- derô
(slaan), zie Lc
22,63
- ἔδειραν (= edeiran: zij mishandelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw derô: mishandelen)
- δαρήσεσθε (= darèsesthe: jullie zullen mishandeld worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw derô: villen, mishandelen)
- δέροντες (= derontes: mishandelende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw derô: mishandelen)
- דְרוֹר = dërôr 1 (vrijheid, vrijlating) 2 zwaluw 3 vanzelf vloeiende myrrhe Taalgebruik in Tenakh: dërôr (vrijheid, vrijlating) Lv
25,10
- דֶּשֶׁא = dèsjè´ (gewas, jong groen, gras) Zie het werkw דָשָׁא = dâsjâ´ (qal: opschieten van gewas; hifil: gewas voortbrengen) Gn
1,11
- δέσμιον (= desmion: gevangene; zn acc mann enk van het zn δέσμιος = desmios: gevangene).
- δεσμoς (= desmos: band; zn nom mann enk; zie het wkw δεω = deô: binden, boeien, ketenen)
- δέσποτα (= despota: heerser; zn voc mann enk van het zn δέσποτης = despotès: heer des huizes, heerser, bezitter)
- Ned: deur Arabisch: باب (bab) Hebreeuws: דָלֶת = dalèth (de letter daleth; dèlèth = deur) Taalgebruik in Tenakh: dalèth (deur)
- δεξιος = dexios: rechts) Taalgebruik
in het NT: dexios
(rechts)
- ἐν δεξιᾷ τοῦ θεοῦ (= en deksia tou theou: aan de rechterhand van God). Kol 3,1.
- δεξιὰν (= deksian: rechts; bv acc vr enk van het bv δεξιος = dexios: rechts)
- δεξιων (= dexiôn: rechts; bv nw gen mann mv van het bv δεξιος = dexios: rechts) Hnd
2,25.
- δεξιοῖς (= deksiois; rechts; bv nw dat onz mv van het bv δεξιος = dexios: rechts)
- δεῦρο (= deuro: partikel: welaan, vervolgens)
- Δεῦτε (= deute: welaan; bw)
- Δευτέρα (= deutera: tweede, bv nw rangtelw nom vr enk van het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)
- δεύτερος (= deuteros: tweede, bv nw rangtelw nom mann enk)
- δευτέρου (= deuterou; bv nw rangtelw gen onz enk van het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)
- δευτέρᾳ (= deutera: tweede; bv nw rangtelw dat vr enk van het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)
- δεύτερον (= deuteron: ten tweede, bw, zie het bijv nw δευτερος = deuteros: tweede)
- δια (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker). Taalgebruik in NT: dia
(door). Mc
3,9 Lc
5,30 Kol
2,19
- δια τον = dia ton (omwille van de) Mc
3,9
- διὰ τὰ (= dia ta: omwille van). Rom
4,25.
- διεβλεψεν (= dieblepsen: hij zag duidelijk; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διαβλεπω = diablepô: scherp toezien, strak voor zich uitkijken, duidelijk zien)
- διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen, zich verwijderen) Taalgebruik in de Septuaginta: diachôrizô
(uiteenplaatsen, zich verwijderen) Gn
1,4
- act ind aor 3de pers enk διεχωρισεν = diechôrisen (hij maakte een scheiding) Gn
1,4
- διεχωρισεν ὁ θεος = diechôrisen ho theos (God maakte een scheiding) Gn
1,4.
- διαφημίζειν (= diafèmidzein: bekend te maken; wkw act inf praes van het wkw διαφημίζω: bekendmaken)
- διενέγκῃ (= dienegkè: hij zou doorheen voeren; wkw act conjunct aor 3de per enk van het wkw διαφερω = dragen, ver-dragen)
-
- διαφορὰ (= diafora: verschil, het uiteen gedragene, zn nom vr enk)
- διαφθειρω (= diaftheirô: geheel te gronde richten, vernielen, bederven, beschadigen, verminken; stam: ftherJ -> ftheirô). verrotten, ontbinden (bij verrotting).
Taalgebruik in de Bijbel: diaftheirô (verwoesten, vernietigen, bederven).
Hnd
2,27.
- διαφθοράν (= diafthoran: bederf; zn acc vr enk van het zn διαφθορα = diafthora: vernietiging, bederf, ramp; stam: ftherJ -> ftheirô). Zie Hnd
2,27.
- ιδειν διαφθοράν (= idein diafthoran: bederf zien; verrotting / ontbinding ervaren / meemaken). Zie Hnd
2,27.
- διαγενομένου (= diagenomenou: verlopen; wkw med part gen mann enk van het wkw διαγινομαι. voortduren, verlopen)
- διαγογγυζω = diagogguzô (brommen, morren) Lc
15,2 Lc
19,7
- act ind imperf 3de pers mv διεγογγυζον = diegogguzon (zij morden) Lc
15,2.
- diaireô
(uiteennemen, verdelen), zie Lc
15,12
- διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) Taalgebruik in het NT: diakoneô
(dienen, dienaar zijn)
- διηκονει (= dièkonei: hij/zij bediende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn)
- διηκόνουν (= dèkonoun: zij dienden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn)
- διακονῆσαι (= diakonèsai: te dienen; wkw act inf aor van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn)
- διακονηθῆναι (= diakonèthènai: gediend te worden; wkw pass van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen)
- διακόνους (= diakonous: dienaren; zn acc mann mv van het zn διακονος = diakonos: dienaar, diaken)
- διάκονος (= diakonos: dienaar, diaken; zn nom mann enk)
- διακριθῇ (= diakrithè: hij zou vertwijfeld worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw διακρινω = diakrinô: in verscheidene stukken breken)
-
- διαμερίζονται (= diameridzontai: zij worden verdeeld; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw διαμερίζω = diameridzô: verdelen).
- διανοιας (= dianoias: van gezindheid, gemoed; zn gen vr enk vn het zn διανοια = dianoia: verstand, inzicht, gezindheid, gemoed).
- διελέχθησαν (= dielechthèsan: zij discussieerden; wkw med / pass ind aor 3de pers mv van het wkw διαλεγω = dialegô: overleggen, overwegen; med uiteenzetten, disucciëren; zie het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- διαλογισμοὶ (= dialogismoi: gedachten; zn nom mann mv van het zn διαλογισμος (= dialogismos: overleg, gedachte, afrekening, twijfel, twist)
- διελογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)
- διαλογίζονται (= dialogidzontai: zij overleggen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)
- διελογίζοντο (= dielogidzonto: zij discussieerden; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)
- διαλογίζεσθε (= dialogidzesthe: jullie discussiëren; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)
- διαλογιζόμενοι (= dialogidzomenoi: discussiërende, afwegende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)
- διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) Taalgebruik in het NT: diaperaô (doortrekken, oversteken)
- act ind aor 3de pers enk διεπερασεν = dieperasen (hij stak over) Mt
9,1.
- act part aor gen mann enk διαπερασαντος = diaperasantos (nadat hij overstak) Mc 5,21.
- act part aor nom mann mv διαπερασαντες = diaperasantes (overgestoken) Mc
6,53
- διαπεράσαντες (= diaperasantes: overgestoken; wkw part aor nom mann mv van het wkw δια-περα-ω = dia-pera-ô: 'over-en doorheen', oversteken; zie oever)
- διαπορευομαι = diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen) Taalgebruik in het NT: diaporeuomai (oversteken, doortrekken, doorreizen)
- ind imperf 3de pers enk διεπορευετο = dieporeueto (hij trok door) Lc
13,22.
- part praes gen mann en onz enk διαπορευομενου = diaporeuomenou Lc
18,36.
- διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren)
- act ind aor 3de pers enk διερρηξεν = dierrèksen (hij verscheurde) Mc
14,63.
- διαρρηξας (= diarrèksas: verscheurd; wkw act part aor nom mann enk van het διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen). Mc
14,63.
- διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten) Taalgebruik in het NT: diaskorpizô
(uiteenwerpen, verkwisten)
- διεσκορπισεν (= dieskorpisen: hij verkwistte, verstrooide; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, verkwisten). Taalgebruik in het NT: diaskorpizô
(uiteenwerpen, verkwisten). Bijbel (4): (1) Dt 30,3. (2) Ps 53,6. Lc (2): (1) Lc
1,51. (2) Lc
15,13.
- διεσκορπισμένον (= dieskorpismenon: uitgestrooid; wkw pass part perf nom onz enk van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten)
- διασκορπισθήσονται (= diaskorpisthèsontai: zij zullen verstrooid worden; wkw pass fut 3de pers mv van het wkw διασκορπιζω = diaskorpizô: uiteenwerpen, uitstrooien, verkwisten).
- διασπαω = diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken) Taalgebruik in het NT: diaspaô (uiteentrekken, verstrooien, verscheuren, losrukken)
- passief inf perf διεσπασθαι = diespasthai (om los te rukken) Mc
5,4.
- diaspeirô (verspreiden, verstrooien), zie Hnd
8,1
- διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten,
scheiden, bepalen) Taalgebruik in
het NT: diastellomai
(bevelen)
- διεστέλλετο (= diestelleto: hij zette uiteen; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten,
scheiden, bepalen)
- διεστείλατο (= diesteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten,
scheiden, bepalen) Mc 5,43
- διεστειλατο αυτοις = diesteilato autois (hij beval hen) Mc 5,43
- και διεστειλατο αυτοις = kai diesteilato autois (en hij beval hen) Mc 5,43
- και διεστειλατο αυτοις πολλα = kai diesteilato autois polla (en hij beval hen vele dingen) Mc 5,43.
- διαθηκη = diathèkè (verbond) Taalgebruik in het NT: diathèkè
(verbond) Lc 22,20
- διαθηκης (= diathèkès: van het verbond; zn gen vr enk van het zn διαθηκη = diathèkè: verbond) Lc 1,72.
- - diatribô
(stuk wrijven, opslijten, tijd doorbrengen), zie Hnd
14,28
- dic-ere: zeggen.
- dixi (< dic-si: ik zei / ik zeg; wkw act ind perf 1ste pers enk van het wkw dic-ere: zeggen. De d van aanwijzing, zie b.v. het Gr wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Fr: dire). De wkwvorm in het Lat wordt gevormd zoals in het Hebr: stam + uitgang. Hebr uitgang thi, Lat si (th/s). Zeggen is met woorden naar iets (ver)wijzen (auditief), wat met een vinger (digitus) kan aangewezen worden (visueel).
- διχοστασιαι (= dichostasiai: tweedrachten, onenigheiden, twisten; zn nom vr mv).
- διδαχη = didachè: (lering, onderrichting) Taalgebruik in het NT: didachè
(lering, onderrichting) Mc 1,22
- διδαχη (= didachè: lering, onderrichting; zn nom vr enk) Mc
1,27.
- διδαχῃ (= didachè: lering, onderrichting; zn dat vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c)
- τῃ διδαχῃ (= tè didachè: in de lering, de onderrichting) Mc 1,22
- εν τῃ διδαχῃ = en tè(i) didachè(i) (in / tijdens de leer) Mc 1,22.
- επι τῃ διδαχῃ = epi tè(i) didachè(i) (over de leer) Mc 1,22.
- διδασκαλος = didaskalos (leraar, leermeester) Taalgebruik in het NT: didaskalos
(leraar, leermeester)
- διδάσκαλος (= didaskalos: leraar, leermeester; nom mann enk)
- voc mann enk διδασκαλε = didaskale (leermeester)
- διδασκω = didaskô: (leren,
onderrichten) Taalgebruik in de NT: didaskô
(leren) Lc 5,3
- διδάξεις (= didakseis: jij zult leren / onderwijzen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c)
- εδιδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) Lc 5,3.
- ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren,
onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks, zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n)
- διδάσκῃ (= didaskè: hij zou leren; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw διδασκω = didaskô: leren,
onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks, zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n)
- διδάξῃ (= didaksè: hij zou leren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδασκω = didaskô: leren,
onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks, zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n)
- διδασκων (= didaskôn: onderrichtend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) Lc
21,37
- διδασκων αυτους = didaskôn autous (hen onderrichtend) Mc 1,22.
- διδασκων εν = didaskôn en (onderrichtend in) Lc
21,37
- εν τῳ ἱερῳ διδασκων = en tôi hierôi didaskôn (in de tempel onderrichtend) Lc
21,37.
- διδασκων εν τῳ ἱερῳ = didaskôn en tô(i) hierô(i) (onderrichtend in de tempel) Lc
21,37.
- διδασκων εν ταις συναγογαις = didaskôn en tais sunagogais (onderrichtend in de synagogen) Lc
21,37.
- διδασκων εν μιᾳ των συναγωγων = didaskôn en mia(i) tôn sunagôgôn (onderrichtend in één van de synagogen) Lc
21,37.
- διδασκοντες (= didaskontes: lerende, onderrichtende, onderwijzende; wkw act praes nom mann mv van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c)
- διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) Mc 4,1 Hnd
1,1
- ηρξατο διδασκειν = èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) Mc 4,1 Hnd
1,1.
- διδωμι = didômi: geven) Taalgebruik in het NT: didômi
(geven)
- ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- ἐδίδουν (= edidoun: zij gven; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- δωσω (= dôsô: ik zal geven; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven).
- δωσω ὑμιν = dôsô humin (ik zal geven aan jullie) Mc 6,22.
- δώσει (= dôsei (hij / zij zal geven; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- δώσουσιν (= dôsouisin: zij zullen geven); wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- ἔδωκας (= edôkas: jij gaf; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- εδωκεν (= edôken: hij gaf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven). Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave) Mt
10,1
- εκλασεν και εδωκεν (= eklasen kai edôken: brak hij en gaf hij). NT (3): (1) Mt
15,36. (2) Mc
14,22. (3) Lc 22,19.
- εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) Mt
10,1
- εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen gezag / macht) Mt 10,1.
- ἔδωκεν αὐτῷ ὁ θεὸς = edôken autô(i) ho theos (God gaf hem) PJ 1,3
- ἐδέδοτο (ededoto: hij werd gegeven; wkw pass ind plqpf 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- δοῖ (= doi: hij zou geven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- δῷ (= dô: dat hij zou geven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- δῶμεν (= dômen: wij zouden geven; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- δῶτε (= dôte: geve; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- δεδώκει (= dedôkei: hij heeft gegeven; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave).
- δος (= dos: geef; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) Lc
15,12 2
K 4,42.
- δοντος (= dontos: wanneer hij gaf; wkw act part aor gen mann enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave). Gal
1,4.
- δοντος ἑαυτον (= dontos heauton: van de zichzelf gevende). Gal
1,4.
- δοτε (= dote: geeft; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) Mc 6,37 Lc 15,22
- δοτε αυτοις = dote autois (geeft aan hen) Mc 6,37.
- δοῦναι (= dounai: om te geven; wkw act inf aor van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift . Fr:
donner - don: geven - gave)
- d????a? (= doth�nai: te worden gegeven; wkw pass inf aor van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- δοὺς (= dous: gevende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- δοθησεται (= dothèsetai: er zal gegeven worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave) Mc 6,22
- δοθησεται αυτῳ = dothèsetai autô(i) (er zal gegeven worden aan hem) Mc 6,22.
- δοθῇ (= dothè: hij zou geven; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι =
didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr:
donner - don: geven - gave)
- pass inf aor δοθηναι = dothènai (om gegeven te worden) Mc 5,43.
- pass part aor nom vr enk δοθεισα = dotheisa (gegeven werd) Mc 6,2
- δοθεισα αυτῳ = dotheisa autô(i) (gegeven werd aan hem)
- διεγειρω = diegeirô (opwekken) Taalgebruik in het NT: diegeirô (opwekken)
- act ind praes 3de pers mv διεγειρουσιν = diegeirousin (zij wekken) Mc 4,38.
- act ind aor 3de pers mv διηγειραν = diègeiran (zij wekten)
- pass part aor nom mann enk διεγερθεις = diegertheis (gewekt) Mc
4,39.
- διηγεομαι = diègèomai: uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen) Zie: διηγησις = diègèsis
(uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) Taalgebruik in de bijbel: diègèsis
(uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal)
- ind aor 3de pers mv διηγησονται = diègèsanto (zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16
- και διηγησονται = kai diègèsanto (en zij zetten uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16
- και διηγησονται αυτοις = kai diègèsanto autois (en zij zetten hen uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) Mc 5,16.
- διηγήσωνται (= diègèsôntai: zij zouden verhalen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw διηγεομαι = diègèomai: uiteenzetten, verhandelen, uitleggen, verhalen)
- Ned: dier Hebreeuws: חַיָּה = chajâh (dier, gedierte, wildgedierte) Stat constr חַיַת = chajath
Taalgebruik in Tenakh: châjâh
(leven)
- διερχομαι = dierchomai: doorheen gaan) Taalgebruik in het NT: dierchomai
(doorheen gaan) Lc
8,22
- ind imperf 3de pers enk διηρχετο = dièrcheto (hij ging doorheen) Lc
19,1.
- διελθωμεν (= dielthômen: laten we doorheengaan; wkw aansporend, conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διερχομαι = dierchomai: doorheen gaan) Lc
8,22.
- Latijn: dies (dag) Ex
20,9
- dat + abl vr mv diebus Ex
20,9.
- διιστημι = diistèmi (uiteen
plaatsen, afzonderlijk opstellen, afzonderen, scheiden, tussenin (dia) staan)
Taalgebruik in Lc: diistèmi: uiteen plaatsen, afzonderlijk opstellen Lc 24,51
- act ind aor 3de pers enk διεστη = diestè (hij verwijderde zich - distantie - hij distantieerde zich van hen - hij nam afstand van hen) Ex 15,8 Lc 24,51.
- δικαιος = dikaios: (rechtvaardig)
Taalgebruik in het NT: dikaios
(rechtvaardig)
- nom mann enk δικαιος = dikaios (rechtvaardig) Lc 2,25
- ὁ ανθρωπος οὑτος δικαιος = ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) Lc 2,25
- δικαίᾳ (= dikaia: rechtvaardig; bv nw dat vr enk van het bv nw δικαιος = dikaios: rechtvaardig)
- nom mann mv δικαιοι = dikaioi (rechtvaardigen) Lc 18,9.
- δικαιους (= dikaious: rechtvaardigen; bv nw acc mann mv van het bv nw δικαιος = dikaios: rechtvaardig) Lc
15,7.
- δικαιοσυνη = dikaiosunè: rechtvaardigheid) Zie het bijvoegl naamw δικαιος = dikaios (rechtvaardig)
Taalgebruik in het NT: dikaios
(rechtvaardig) acc vr enk δικαιοσυνην = dikaiosunèn (rechtvaardigheid) Gn
15,6
- δικαιοσυνην (= dikaiosunèn: rechtvaardigheid; zn acc vr enk van het zn δικαιοσυνη = dikaiosunè: rechtvaardigheid) Ex
34,7.
- -
- dikaios (rechtvaardig), Mt
3,15.
- δικτυον = diktuon: vissersnet)
Taalgebruik in het NT: diktuon
(vissersnet) Lc 5,2
- δικτυα (= diktua: vissersnetten; zn nom en acc onz mv van het zn δικτυον = diktuon: vissersnet) Lc 5,2.
- Latijn: diligere (beminnen, liefhebben, uitkiezen, verkiezen)
- act ind praes 2de pers enk diligis (jij bemint, hebt lief, kiest uit, verkiest) Dt
6,5.
- act ind futurum 2de pers enk diliges (jij bemint) Dt
6,5.
- act qal ind perfect 3de pers mann enk דָן = dân (hij sprak recht) van het werkw דִּין / דוּן= dîn / dûn (recht spreken)
- nom mann enk διωγμος = diôgmos (vervolging) Taalgebruik
in het NT: diôgmos
(vervolging)
- gen mann enk διωγμου = diôgmou (van de vervolging) Mc
4,17.
- Een vorm van θλιψις = thlipsis (verdrukking) en διωγμος = diôgmos (vervolging) komt samen
voor Mc
4,17.
- Διανοίχθητι (= diavoichthèti: word geopend; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw διανοιγω = dianoigô: openen; zie het wkw οιγω = oigô en οιγνυμι = oig-nu-mi: openen)
- van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderrichten. Lat: docere. Stam d - k/c)
- ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderwees; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c)
- διδάσκεις: (= didaskeis: jij leert; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c)
- διδαχη (= didachè: lering, onderrichting, zn nom vr enk; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderrichten. Lat: docere. Stam d - k/c)
- διδαχῆς (= didachès: van de lering/onderrichting, zn gen vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderrichten. Lat: docere. Stam d - k/c)
- διδαχῆν (= didachèn: de lering/onderrichting, zn acc vr enk van het zn διδαχη = didachè: lering, onderrichting; zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderrichten. Lat: docere. Stam d - k/c)
- διδασκάλων (= didaskalôn: van de leraren, zn gen mann mv van het zn διδασκαλος = didaskalos: leraar, di-da-s-k-a-los, zie het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderrichten. Lat: docere. Stam d - k/c)
- διελθεῖν (= dielthein: door te gaan; wkw med inf aor van het wkw διερχομαι / dierchomai. doorgaan; stam aor elth)
- δικαιοσύνης (= dikaiosunès: van rechtvaardigheid; zn gen vr enk van het zn δικαιοσύνη: rechtvaardigheid; bv nw dikaio- met uitgang -sunè: van bv nw naar zn: zuivere substantivering)
- δικη (= dikè: recht, rechtspraak, gewoonte, handelswijze; stam deik-, zie deiknumi: wijzen, tonen)
- δὶς (= dis: tweemaal; telw)
- Ned: dochter Arabisch: ابنة = 'ibna D: Tochter E: daughter Fr: la fille Grieks: θυγατηρ = thugatèr (dochter) Hebreeuws: בַת = bath (dochter) Taalgebruik in
Tenakh: bath
(dochter) Taalgebruik in het NT: thugatèr
(dochter) Lat: filia
- διωγμῶν (= diôgmôn; zn gen mann mv van het zn διωγμος = diôgmos: vervolging)
-
- διωκω = diôkô: vervolgen
- διώξωσιν (= diôksôsin: zij zouden vervolgen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw διωκω = diôkô: vervolgen).
- διωκόντων (= diôkontôn: van hen die vervolgen; wkw act part praes gen mann mv van het wkw διωκω = diôkô: vervolgen)
- δεδιωγμένοι (= dediôgmenoi: vervolgden; wkw pass perf part nom mann mv van het wkw διωκω = diôkô: vervolgen)
- διῶκται (= diôktai: vervolgers; zn nom mann mv van het zn διῶκτης = diôktès: vervolger;; uitgang op -tès: van bv nw naar zn: zuiver substantiverend; zie het wkw διωκω = diôkô: vervolgen)
- διπλοκαρδία (= diplokardia: dubbelheid van hart, gespletenheid van hart; zn nom vr enk; < di-: twee, plo-: voudig, kardia: hart)
- διπλους (= diplous: dubbel, tweevoudig, onbetrouwbaar, bedriegelijk; bv nw nom mann enk)
- διασκορπισθήσονται (di
- διψῶντες (= dipsôntes: dorstigen; wkw act part praes nom mann mv van het wkw διψαω = dipsaô: dorsten).
- דוֹד = dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader) Taalgebruik in Tenakh: dôd (geliefde, vriend, oom: broer van de vader)
- דוֹדָה = dôdâh (geliefde, vriendin, tante: zus of schoonzus van vader)
- δωδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw)
Taalgebruik in het NT: dôdeka (twaalf) Lc
9,12 PJ 1,1
- οἱ δωδεκα = hoi dôdeka (de twaalf) Lc
9,12.
- τῶν δώδεκα (de twaalf) PJ 1,1
- συν τοις δωδεκα = sun tois dôdeka (met de twaalf) Mc 4,10.
- dôdeka
(twaalf), zie Mt
28,16
- Ned: doen Arabisch: عَمَلَ = `amala (werken) Taalgebruik in de Qoran: `amala (werken) D: tun E: do Fr: faire Grieks: ποιεω = poieô
(doen, maken) Taalgebruik in het NT: poieô
(doen, maken) Hebreeuws: עָשָׂה = `âshâh
(maken, doen) Taalgebruik in Tenakh: `âshâh
(maken) Lat: facere
- δόγμα (= dogma: leer, zn acc onz enk van het zn δόγμα: leer; zie wkw di-da-s-kô: onderrichten, leren; stam: d - g/k; Lat.: doc-ere) - dogma (bevel,
decreet), zie Lc
2,1
- δοκεω = dokeô
(menen, schijnen) Taalgebruik in de bijbel: dokeô
(menen, schijnen)
- act ind aor 3de pers mv εδοξαν = edoksan (zij meenden) Mc
6,49.
- δοκοῦντες (dokountes: menende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw δοκεω = dokeô: menen, schijnen)
- ἐδοκίμασεν (= edokimasen: hij heeft goedgekeurd; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw δοκιμαζω = dokimadzô: onderzoeken, nagaan, proberen, goedkeuren)
- d??? (= dol�: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog)
- δόλος (= dolos: list, bedrog; zn nom mann enk)
- δόλου (= dolou: van bedrog; zn gen mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog)
- Ned: doof D: Taub E: deaf Fr: sourd Lat: surdus (t / d; f / b)
- δοξα (= doxa: heerlijkheid; zn nom vr enk) Taalgebruik in het NT: doxa
(heerlijkheid) Lc 2,9
- δοξαζω = doxazô: verheerlijken, loven) Taalgebruik in het NT: doxazô
(verheerlijken)
- act ind imperf 3de pers enk εδοξαζεν = edoxazen (hij / zij verheerlijkte) Lc 23,47.
- act ind imperf 3de pers mv εδοξαζον = edoxazon (zij verheerlijkten) Lc
5,26.
- act ind aor 3de pers mv εδοξασαν = edoxasan (zij verheerlijkten) Lc
5,26.
- δοξάζειν (= doksadzein: te verheerlijken; wkw act inf praes van het wkw δοξαζω = doxazô: verheerlijken, loven)
- act part praes nom mann enk δοξαζων = doxazôn (verheerlijkend, lovend) Lc
18,43.
- act part praes nom mann mv δοξαζοντες = doxazontes (verheerlijkend) Lc 2,20.
- pass part praes nom mann enk δοξαζομενος = doxazomenos (worden verheerlijkt / geloofd) Lc 4,15.
- δεδόξασται (= dedoksastai: hij werd verheerlijkt; wkw med of pass perf 3de pers enk van het wkw δοξαζω = doxazô: verheerlijken, loven).
- δόξῃ (doksè: heerlijkheid; zn dat vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid)
- δόξης (= doksès: heerlijkheid; zn gen vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid)
- δώματος (= dômatos: woning, huis; zn gen vr enk van het zn δώμα = dôma: gebouw, huis, woning, paleis; zie Lat: domus)
- δωματων (= dômatôn: woning, huis, van de daken; zn gen vr mv van het zn δώμα = dôma: gebouw, huis, woning, paleis; zie Lat: domus). NT (2): (1) Mt
10,26. (2) Lc 12,3.
- Ned: passeren = door-gaan D: passieren = duch-gehen E: go through Fr: passer Grieks: διερχομαι = dierchomai
(doorheen gaan) Taalgebruik in het NT: dierchomai
(doorheen gaan) Hebreeuws: עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken)
Taalgebruik in Tenakh: `âbhar
(overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Italiaans: passare Latijn: passare Spaans: pasar
- Ned: dood. Gr: θ ν τ ς (= th-n-t-s: th/d-'n'-t/d- eind-s: θανατος = thanatos: d-oo-d).
- Ned: do- p-en (zie het Hebreeuws tâbal), doop-s-el, do-m-pe-l- en D: taufen E: baptize Fr: bapt- ê - me Grieks: βαπτιζω = baptizô (dopen)
(metathesis van t-b?) Taalgebruik in het NT: baptizô
(dopen) Hebreeuws: טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) Taalgebruik in Tenakh: tâbhal
(dopen, zich dompelen) Latijn: baptizare
- דֹר / דוֹר = dor / dôr (geslacht,
generatie) Taalgebruik in Tenakh: dor
(geslacht, generatie).
- ἐδωρήσατο (= edôrèsato: het werd geschonken; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw δωρεω = dôreô: geven, schenken).
- Ned: dragen D: tragen Lat: trahere (trekken) Van Dale (EWB 1993:"De betekenis heeft zich ontwikkeld van lmasten voorttrekken via opladen tot dragen")
- δουλον (= doulon: dienaar; zn acc mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar). Lc
2,29.
- δούλῳ (= doulô: aan je slaaf; zn dat mann enk van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar)
- δούλοις (= doulois: aan de dienaars; zn dat mann mv van het zn δουλος = doulos: slaaf, dienaar)
- Ned: duisternis Arabisch: ظلام = DHalâm (duisternis) Taalgebruik in de Qoran: DHalâm (duisternis) D: Finsternis E: darkness
Fr: ténèbres Grieks: σκοτος = skotos (duisternis)
Taalgebruik in het NT: skotos
(duisternis) Hebreeuws: חֹשֶׁך = chosjèkh
(duisternis) Taalgebruik in Tenakh: chosjèkh
(duisternis) Lat: tenebrae
- Ned: duizend Arabisch: اَلف = ´alph (duizend) Taalgebruik: ´alph (duizend) D: tausend E: thousand Fr: mille Gr: χιλια = chilia (duizend) Lat: mille Hebr: אֶלֶף = ´èlèph (duizend) Taalgebruik in Tenakh: ´aleph
(aleph).
- δυναμαι = dunamai: kunnen) Taalgebruik in het NT: dunamai
(kunnen)
- ind praes 3de pers enk δυναται = dunatai (hij kan) Lc 14,26 .
- δύνανται (= dunantai: zij kunnen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- Δυνάμεθα (= dunametha: wij kunnen; wkw med ind praes 1ste pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- d??as?e (= dunasthe: jullie kunnen; wkw med of pass ind praes 2de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- δυνασαι (= dunasai: jij kunt; wkw dep of pass ind praes 2de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) Mc 1,40.
- ind imperf 3de pers enk εδυνατο = edunato (hij kon) Mc
5,3
- ουδεις εδυνατο = oudeis edunato (niemand kon) Mc
5,3.
- ?d??at? (= �dunato: hij kon; wkw med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- ἠδυνήθημεν (= èdunèthèmen: wij konden; wkw med of pass ind aor 1ste pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- δυνήσεταί (= dunèsetai: hij zal kunnen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- δύνῃ (= dunè: wkw med conjunct praes 2de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- ἠδυνήθη (= èdunathè: hij kon; med/pass ind aor 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- δυνασθαι (= dunasthai: te kunnen; wkw med inf praes van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) Mc
3,20.
- δυνάμενοι (= dunamenoi: kunnende, in staat zijnde; wkw med part praes nom mann mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen)
- δυναμενων (= dunamenôn: kunnende, in staat zijnde; wkw med part praes nom mann mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen). NT (1): Mt
10,28.
- δύναμις (= dunamis: kracht, macht; zn nom vr enk)
- - dunamis
(kracht, macht), zie Lc
4,1.
- δυνάμεως (= dunameôs: kracht; zn gen vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht).
- δυνάμει (= dunamei: met kracht; zn dat vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht)
- δύναμιν (= dunamin: wonderkracht; zn acc vr enk van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht)
- δυνάμεις (= dunameis; krachten; zn nom vr mv van het zn δύναμις = dunamis: kracht, macht).
- δυνάστας (= dunastas: machthebbers; zn acc mann mv van het zn δυνάστης = dunastès: machthebber).
- δυνατὸς (= dunatos: krachtig, machtig; bv nam nom mann enk)
- δυνατόν (= dunaton: mogelijk, machtig; bv nw nom onz enk van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig)
- δυνατὰ (= dunata: mogelijk, machtig; bv nw nom onz mv van het bv nw δυνατὸς = dunatos: krachtig, machtig)
- δυνω / δυω = dunô / duô: onderdompelen, ondergaan) Taalgebruik in het NT: dunô
= duô (onderdompelen, ondergaan)
- act part praes gen mann enk δυνοντος = dunontos Lc
4,40.
- εδυ / εδυσεν (= edu: hij ging onder; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw δυνω / δυω = dunô / duô: onderdompelen, ondergaan) Mc 1,32.
- δυο (= duo: twee; hoofdtelw; Lat.: duo. Fr.: deux) Taalgebruik in het NT: telwoorden Lc 5,2.
- דושׁ = dwsj (treden, dorsen, verteren) Taalgebruik in Tenakh: dwsj (treden, dorsen, verteren)
- act qal perf 3de pers vr enk דָשָׁה = dâsjâh (zij rst)
- δύσκολόν (= duskolon: moeilijk; bn nom onz enk van het bn δύσκολος = duskolos: ontevreden, moeilijk)
- δυσκόλως (= duskolôs: ontevreden, moeilijk; bw)
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
E.
- ֵ: twee punten onder de regel duidt de צֵרֵי = tsere(j) (tsere) = e aan Het is een tussenklinker, een klinker tussen de lange i (chireq) en de korte i (chireq) evenals de korte è (sëgôl) Bij deze klinker e kan de medeklinker jod een leesmoeder zijn
- אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord: waar ?
- ἢ (= è: of; partikel)
- ἐὰν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) Taalgebruik in het NT: ean
(indien) Mc 9,50 Lc
15,8
- εαν θελῃς = ean thelè(i)s (indien je wil) Mc 6,22.
- ὁ εαν = ho ean (wat indien) Mc 6,22.
- ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) Mc 6,22.
- אֵיבָה = 'e(j)bhâh (vijandschap) Zie אָיַב = 'âjabh (vijandig zijn) Taalgebruik in Tenakh: 'âjabh (vijandig zijn)
- וֱאֵיבָה = wë'e(j)bhâh (en vijandschap) < prefix verbindingswoord wë + zelfst naamw vr enk Gn
3,15.
- עֶבֶד (= `èbhèd: dienaar, knecht). Taalgebruik
in Tenakh: `èbhèd
(dienaar)
- עַבְדִּי (= `bhdi: mijn dienaar; zn mann enk stat constr van het zn עֶבֶד = `èbhèd: dienaar, knecht + suffix pers vnw 1ste pers mann enk). Ps 113,1.
- עֶבֶד יהוה = `èbhèd JHWH (dienaar van JHWH, knecht van JHWH) Dt 34,5.
- mann mv עֲבָדִים = `äbhâdîm (dienaars, slaven) Ex 20,2.
- עַבְדֵי (= `abhde: dienaren van; zn stat constr mann mv van het zn עֶבֶד = `èbhèd: dienaar, knecht).
- עַבְדֵי יְהוָה (= `abhëde JHWH: dienaars van.JHWH). Ps
113,1.
- mw אֶבֶן = ´èbhèn (steen) Taalgebruik in Tenakh: ´èbhèn (steen) Gn
29,10
- הָאֶבֶן = hâ´èbhèn (de steen) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
29,3
- אֶת הָאֶבֶן = ´èth hâ´èbhèn (de steen) Gn
29,3
- וְגָלֲלוּ אֶת הָאֶבֶן = wëgâlälû ´èth hâ´èbhèn (en zij rolden de steen) Gn
29,3.
- עֵבֶר (= `ebhèr: overzijde, overkant) Lc
8,22
- הָעֵבֶר (= hâ`ebhèr (de overzijde, de overkant) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw עֵבֶר `ebhèr (overzijde, overkant) Lc
8,22.
- אֶל אֵבֶר = ´l `ebhèr (naar de overzijde, overkant) Mc 5,1
- אֶל אֵבֶר הַּיָּם= ´l `ebhèr hajjâm (naar de overzijde van de zee, overkant) Mc 5,1.
- ´èbhjôn (behoeftig) Taalgebruik in Tenach: ´èbhjôn
(behoeftig).
- אֶחָד = ´èchâd (één) Taalgebruik in Tenakh: ´èchâd
(één) Dt 6,4 Lc
8,22
- בְּאֶחָד / בְּאַחַד = bë´èchâd / bë´achad (op één, op de eerste) < bë + hoofdtelwoord אֶחָד = ´èchâd (één) Lc
8,22.
- εχω = echô: hebben, bezitten) Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in het NT
- εχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) Mc
3,30.
- ἔχεις (= echeis: jij hebt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχομεν (= echomen: wij hebben; act ind praes 1ste pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- εχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) Mc
4,40.
- ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔσχον (= eschon: zij hadden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) Lc 15,11.
- ειχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) Mc
3,10.
- es?e? (= eschen: hij had; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχῃς (= echès: jij zoudt hebben; wkw act conjunct praes 2de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἕξεις (= ekseis: jij zult hebben; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἕξετε (= eksete: jullie zullen hebben; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- Ἔχετε (= echete: hebt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- act inf praes εχειν = echein (om te hebben) Mc
3,15.
- εχων (= echôn: hebbende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) Lc
15,4.
- ????sa (= echousa: hebbende; wkw act part praes nom vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχουσαν (= echousan: hebbende; wkw part praes acc vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἐχόντων (= echontôn: van zij die hebben; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἐχούσαις (= echousais: aan de hebbende; wkw act part praes dat vr mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
- εχθρα = echthra (vijandschap) Zie: εχθρος = echthros (vijand) Taalgebruik in het NT: echthros (vijand)
- acc vr enk εχθραν = echthran Gn
3,15.
- εχθραι (= echthrai: vijandschappen; zn nom vr mv)
- εχθρος = echthros: vijand) Taalgebruik in het NT: echthros (vijand)
- ἐχθρόν (= echthron: vijand; zn acc mann enk van het zn εχθρος = echthros: vijand)
- εχθρων (= echthrôn: van de vijanden; zn gen mann mv van het zn εχθρος = echthros: vijand) Lc
1,74.
- ἐχθρούς (= echthrous: vijanden; zn acc mann mv van het zn εχθρος = echthros: vijand)
- ηδη (= èdè: reeds, al; bw) Taalgebruik in het NT: èdè
(reeds) Mc 15,42
- και ηδη = kai èdè (en reeds) Mc 15,42.
- ηδη δε = èdè de (reeds echter) Mc 15,42.
- עֵדֶר = `edèr (kudde) Taalgebruik in Tenakh: `edèr (kudde).
- אֶדוֹם = ´ëdôm (Edom, rood) Taalgebruik in Tenakh: ´ëdôm (Edom) Gn
32,4.
- Ned: eend Lat: anas, anatis Fr: canard In het hiëroglyfisch geeft de eend (dafila acuta) de klankwaarde s' (zoon) aan
- ἐφευρετὰς (= efeuretas: uitvinders, verzinners; bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn ἐφευρετης = efeuretès: uitvinder, verzinner)
- Lat: efficere, - feci, fectum:tot stand brengen, volbrengen, volvoeren, uitmaken (voltooien).
- εφιστημι = efistèmi
(staan bij) Taalgebruik in het NT: efistèmi
(staan bij) Lc 2,9
- act ind aor 3de pers enk επεστη = epestè (hij stond bij) Lc 2,9.
- ἐφοδίοις (= efodiois: met de middelelen; zn dat onz mv van het zn ἐφοδίον: reisgeld, proviand, bestaansmiddel)
- εφοραω = eforaô (kijken op, neerkijken) Taalgebruik in het NT: eforaô
(kijken op, neerkijken) Lc 1,25
- επειδεν (= epeiden: hij keek neer; < prefix voorzetsel ep' + wkw act ind aor 3de
pers enk van het wkw εφοραω = eforaô: kijken op, neerkijken). Lc 1,25.
- אִפְרָיֶם = ´èphërajim (Efraïm) Taalgebruik in Tenakh: ´èphëraîm
(Efraïm) Gn
48,20.
- אֶפְרָתָה = ´èphërâthâh (Efrata) Taalgebruik in Tenakh: ´èphërâthâh (Efrata) Gn
48,7
- ??ph?s (uiteinde), zie Mi
5,3.
- ἐναγκαλισάμενος (= enagkalisamenos: omarmend; wkw med part aor nom mann enk van het wkw ἐναγκαλιςω = enagkalizomai: omarmen)
- εγειρω = egeirô
(opwekken) Taalgebruik in het NT: egeirô
(wekken)
- ἐγείρει (= egeirei: hij wekt op; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). 1 S 2,8.
- act ind praes 3de pers mv εγειρουσιν = egeirousin (zij wekken) Mc 4,38.
- εγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) Mc 2,9.
- εγειρετε (= egeirete: staat op; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). Taalgebruik in het NT: egeirô
(wekken).
- ἐγείρεσθε (egeiresthe: wordt wakker; wkw med / pass wkw med imperat 2de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken).
- ηγειρεν (= ègeiren; hij wekte op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). Lc 1,69
- ὃν ὁ θεὸς ηγειρεν (= hon ho theos: die 'Jezus' God opwekte). Bijbel = Hnd (2): (1) Hnd 3,15. (2) Hnd 4,10.
- ηγειρεν εκ νεκρων (= ègeiren ek nekrôn: Hij wekte op uit de
doden). 1
Tes 1,10.
- και ηγειρεν = kai ègeiren (en hij wekte op) Lc
1,69.
- act ind aor 3de pers mv ηγειραν = ègeiran (zij wekten) Mt
8,25.
- εγειρων (= egeirôn: die opwekt; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken).
- ἐγείραντα (= egeiranta: die opwekt; wkw act part praes acc mann enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). Rom
4,24.
- ἐγείρονται (= egeirontai: zij worden opgewekt; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken)
- pass ind fut 3de pers enk εγερθησεται = egerthèsetai (hij zal opgewekt worden) Mc
13,22
- εγερθησεται γαρ = egerthèsetai gar (hij zal immers opgewekt worden) Mc
13,22.
- ηγερθη (= ègerthè: hij werd opgewekt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) Mc
16,6
- ηγερθη εκ νεκρων = ègerthè ek vekrôn (hij werd uit de doden opgewekt) Mc 6,14.
- εκ νεκρων ηγερθη = ek vekrôn ègerthè (hij werd uit de doden opgewekt) Mc 6,14.
- pass ind fut 3de pers mv εγερθησονται = egerthèsontai (zij zullen opgewekt worden) Mc
13,22.
- εγερθησεται (= egerthèsetai:: hij zal opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken)
- εγερθησονται (= egerthèsontai:: zij zullen opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) Mc
13,22.
- ἐγερθῇ (= egerthè: hij zou opgewekt worden; wkw pass conjunct 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken).
- εγηγερται (= egègertai: hij is opgewekt; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) Mc 6,14.
- εγερθηναι (= egerthènai: opgewekt zijn; pass inf aor van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) Mc 14,28.
- Ἐγέρθητε (= egethète: wordt wakker; wkw pass imperat aor 2de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken).
- εγερθεις (= egertheis: ontwaakt, gewekt; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken). Mt
8,26.
- עֶגֶל = `egèl (kalf) Taalgebruik in Tenakh: `egèl (kalf)
- dualis אֶגְלַיִמ = ´ègëlajim (de 2 kalveren)
- עֵגְלוֹן =´ègëlôn (Eglon)
- mann mv stat constr עֶגְלֵי = ´ègële(j) (kalveren van)
- εγγιζω = eggizô (naderen) Taalgebruik
in het NT: eggizô
(naderen).
- act ind praes 3de pers enk εγγιζει = eggizei (hij nadert) Lc
12,33.
- ἐγγίζουσιν (= eggidzousin: zij naderen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen).
- act ind fut 3de pers enk εγγιει = eggiei (hij zal naderbij komen) Ex
24,2.
- ηγγισαν (= èggisan: zij naderden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen). Lc
15,1.
- act part praes nom mann en vr mv εγγιζοντες = eggizontes (naderend) Lc
15,1.
- ἤγγικεν (= èggiken: hij is genaderd; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen).
- - eggus
(naderbij) Bij Matteüs, zie Mt
21,1
- ἐγγὺς (= eggus: nabij; bw).
- ἐγκατέλιπές (= egkatelipes: jij verliet in; wkw act ind aor 2de pers jubelt over zijn werken. enk van het wkw εγκαταλειπω = egkataleipô: achterlaten in, verlaten in)
- ἐγκαταλίπωμεν (= egkatalipômen: wij zullen achterlaten; wkw act ind fut 1ste pers mv van het wkw εγκαταλειπω = egkataleipô: achterlaten in, verlaten in; < en - kata - leipô).
- εγω (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk). Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord Mc 1,8
- μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) Mc 1,2 Lc
15,24.
- εμου (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) Lc
15,31.
- persoonl voornaamw 1ste pers dat enk εμοι = emoi Lc 4,6 Lc
15,29.
- μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) Mc
5,9.
- ?�?? (= emoi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij)
- με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) Mc 14,28.
- ἐμέ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) Lc 4,18.
- pers voornaamw 2de pers acc enk σε = se (u) Mc
5,7.
- persoonl voornaamw acc mann mv υμας = humas (jullie, u) Taalgebruik in het
NT: persoonlijk
voornaamwoord Mc 14,28.
- egô
(ik) egô
(ik) 123X bij Johannes.
- Latijn: egredi (uitschrijden)
- act part aor nom mann enk egressus (uitgeschreden) Mc 2,13.
- Ned: Egypte Arabisch: مِصْرُ = misr (Egypte) Taalgebruik in de Qoran: misr (Egypte) Aramees: מִצְרַיִם (mitsërajim = Egypte) D: Ägypten E: Egypt Fr: Égypte Grieks: αιγυπτος Hebreeuws: מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim
/ mitsërâjim (Egypte) Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim
(Egypte) Latijn Aegyptus
- ει (= ei: indien; ondergeschikt vw van voorwaarde: indien, als, in geval)
- ει τις = ei tis (indien iemand) Lc
14,26
- ει τις ερχεται προς = ei tis erchetai pros (indien iemand komt naar) Lc
14,26.
- ειδεν = eiden
(hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden
(hij zag).
- ειδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh). Zie: Mc 2,14. Lc 5,2.
- ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee) Lc 5,2.
- ειδεν δε = eiden
de (hij zag echter) Lc
21,2.
- και ειδεν = kai eiden
de (en hij zag) Lc
21,2
- -
- ειδεν δυο = eiden duo (hij zag twee)
- δε ειδεν = de eiden
(echter hij zag) Lc
21,1.
- εἴδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- εἴδομεν (= eidomen: wij zagen; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh).zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- ιδε (= ide zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id).
- ιδε/?d?? (= idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id)
- ἴδω (= idô: ik zou zien; wkw act conjunct aor 1ste pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh). NT (3). (1) . (2) Joh
20,25. (3) .
- ἴδωμεν (= idômen: wij zouden zien; wkw act conjunct aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- ἴδωσιν (= idôsin: zij zouden zien; wkw act conjunct aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- ιδειν (= idein: om te zien; wkw act inf aor; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id ) Mc 5,32.
- ιδων (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh). Mt
9,36. Lc
17,14.
- ιδων δε = idôn de (gezien echter) Mc 9,25
- ιδων δε ὁ ιησους = idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) Mc 9,25.
- ιδων δε τον ιησουν = idôn de ton ièsoun (gezien echter Jezus) Mc
5,6.
- και ιδων = kai idôn (en ziende) Mc 2,5
- και ὁ ιησους ιδων = kai ho ièsous idôn (en Jezus gezien) Mc
5,6.
- και ιδων αυτον = kai idôn auton (en hem ziende) Mc 5,22.
- ιδων αυτον = idôn auton (hem ziende) Mc 5,22.
- ἰδοῦσα (= idousa: gezien; wkw act part aor nom vr enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh)
- ιδοντες (= idontes: gezien; wkw act part aor nom mann mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag - Lat: videre; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh). ) Mt
8,34 Mt
9,11 Mc 5,16 Lc
19,7
- και ιδοντες = kai idontes (en gezien) Mt
8,34 Mt
9,11 Lc
19,7.
- ιδοντες δε = idontes de (gezien echter) . Mt
8,34 Mt
9,11 Lc
19,7.
- Gr: ειδωλον (= eidôlon: beeld) < eid- Lat: vid: zien.
- εἰδωλολατρία (= eidôlolatria: beeldendienst, afgodendienst; zn nom vr enk)
- εἰδωλολατρίαι (= eidôlotriai: afgodendiensten; zn nom vr mv van het zn εἰδωλολατρία = eidôlolatria: beeldendienst, afgodendienst).
- εἰδωλολατρίαν (= eidôlolatrian: beeldendienst, afgodendienst; zn acc vr enk van het zn εἰδωλολατρία = eidôlolatria: beeldendienst, afgodendienst)
- ειδος (= eidos: zien, gezicht, uiterlijk, vorm, soort; zn nom
- ειδου (= eidou: van het soort; zn gen onz enk van het zn ειδος = eidos: zien, gezicht, uiterlijk, vorm, soort)
- εικων (= eikôn: beeld). Taalgebruik
in het NT: eikôn
(beeld). Kol
1,15
- εἰκὼν (= eikôn: beeld; nom vr enk)
- εικονα (= eikona: beeld; zn acc mann enk van het zn εικων = eikôn: beeld). Gn
5,3
- κατ'εικονα (= kat'eikôna: naar het beeld). Gn
5,3.
- Ned: eiland Arabisch: الجزيرة = aldzazîra (het eiland) D Insel: E: isle Fr: île Gr: νησος = nèsos (eiland) Taalgebruik in het NT: nèsos (eiland) Taalgebruik in de LXX: nèsos (eiland) Hebreeuws: אִי = ´î ( (î) (eiland) Taalgebruik in Tenach: ´î (eiland).
- ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) Lc
23,53.
- ειμι = eimi (zijn) Taalgebruik in het NT: eimi
(zijn). Lat: esse < esJ. Ned: wegvallende begin e -> z-ij-n. Fr: je suis, nous sommes, ils sont. Fr: être; tu es, il est, vous êtes.
- ειμι (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse)
- εγω ειμι (= egô eimi: ik ben). Joh
10,9.
- ει (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn) en ει (= ei: indien, of; vw van voorwaarde)
Taalgebruik in het NT: ei Mc 1,11.
- ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse). Mc
1,27 Mc 4,41 Lc
17,1 Lc 22,19 Kol
2,17
- τι εστιν = ti estin (wat is?) Mc
1,27.
- act ind praes 1ste pers mv εσμεν = esmen (wij zijn) Mc
5,9.
- εστε (= este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat: esse) Mc
4,40.
- εἰσί (= eisi: zij zijn, wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is)
- - ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2)
- act ind imperf 3de pers enk ην = èn (hij / zij was) Gn
11,30 Mc 4,36 Mc 15,39, Lc
21,37
- ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) Lc 1,7.
- ην δε = èn de (hij was echter) Mc 1,39 Lc
21,37
- ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) Mc 1,23.
- ην εν = èn en (hij was in) Mc 1,23
- και ην εν = kai èn en (en hij was in) Mc 1,23.
- ην γαρ = èn gar (want hij / zij was) Mc 1,22.
- και ην = kai èn (en hij was) Mc 1,23 Mc 1,39
- και ην εκει = kai èn ekei (en er was daar) Mc 1,23.
- και ην εν = kai èn en (en hij was in) Mc 1,23.
- ἤμην (èmèn: ik was; wkw act ind imperf 1ste pers enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- ἦτε (= ète: jullie waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- ἦσθα (= èstha: jij was; wkw act ind imperf 2de pers enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- ησαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse). Lc
15,1 Lc 24,10
- in een omschrijving Lc
15,1.
- ησαν δε = èsan de (zij waren echter) Lc
15,1.
- και ησαν = kai èsan (en zij waren)
- ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse)
- ἔσομαι (= esomai: ik zal zijn; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; ei-mi < es-mi; zie Lat. es-se, Fr. être < es-tre, Ned. 3de pers enk. hij is: Gr. estin)
- ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- ἔσεσθε (= esesthe: jullie zullen zijn; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse)
- ὄντος (= ontos: terwijl er is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse)
- ἔσῃ (= esè: jij zult zijn; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- ἔστωσαν (= estôsan: dat zij zijn; wkw act imperat praes 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse).
- εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse)
- οὔσης (= ousès; wkw act part vr enk van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse)
- - eimi
(zijn), zie Mc 1,6 ousès, zie Joh
20,19
- einde - beëindigen zie teleö
- eipèis (je zegge) In 2 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,4.
- ειρηνη = eirènè (vrede). Taalgebruik in het NT: eirènè
(vrede). Gr: tweeklank-r-n -> Ned: zwakke medeklinker v-r + uitgang de. Naam: Ireneüs.
- nom vr enk ειρηνη = eirènè / dat vr enk ειρηνῃ = eirènè(i) (vrede) Lc 24,36 Ef
1,2
- ειρηνη ὑμιν = eirènè humin (vrede aan jullie) Lc 24,36.
- εἰρηνοποιοί (= eirènopoioi: de vrededoeners, vredestichters; zn nom mann mv van het zn εἰρηνοποιος: vrededoener, vredestichter). In deze vorm slechts 1X in de bijbel.
- εἰρηνεύετε (= eirèneuete; hebt vrede; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ειρηνευω = eirèneuô: in vrede leven)
- εἰς (= eis: naar, tot; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: eis
(naar). Mc 1,14 Mc
4,37 Lc
15,13 Lc
17,11 Lc 24,47
- εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma
(naar Jeruzalem) Lc
17,11.
- εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc
17,11 Hnd
22,17.
- εις πλοιον = eis ploion (in een boot) Lc
8,22.
- εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) Taalgebruik
in het NT: eisakouô
(luisteren naar, verhoren) Lc 1,13
- pass ind aor 3de pers enk εισηκουσθη = eisèkousthè (er werd gehoord, hij werd
verhoord) Lc 1,13.
- εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) Taalgebruik in het NT: eiserchomai
(binnengaan)
- εισερχομενος (= eiserchomenos: de komende naar; wkw part praes nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen).
- εισηλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ) Lc
17,27
- και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) Ex
24,18 Mc 2,1
- και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis (en hij ging naar - binnen naar ) Mc 2,1.
- εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) Ex
24,18 Mc 2,1.
- εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) Mc 2,1 Lc
17,27.
- ὁτε εισηλθεν = = hote eisèlthen (toen hij binnenging) Mc 7,17.
- εἰσελεύσονται (= eiseleusontai: zij zullen binnengaan; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- εἰσέλθῃ (= eiselthè: hij zou binnengaan; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Joh
10,9.
- εἰσέλθῃς (= eiselthès: jij zoudt binnengaan; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
- εἰσελθάτω (= eiselthatô: dat hij binnenga; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
- εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
- εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
- part aor nom mann enk εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) Mc 2,1
- και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) Ex
24,18 Mc 2,1
- και εισελθων εις = kai eiselthôn eis (en binnengegaan naar) Mc 2,1.
- εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) Ex
24,18 Mc 2,1
- εισελθων δε εις = eiselthôn de eis (binnengegaan echter naar) Mc 2,1.
- εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) Mc 2,1.
- deponent werkw part aor gen mann enk εισελθοντος = eiselthontos (toen hij was binnengegaan) Mc 6,22.
- εἰσελθόντος (= eiselthontos: nadat hij was binnengegaan; wkw med part aor gen mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)
- deponent werkw qal part aor gen vr enk εισελθουσης = eiselthousès (toen zij was binnengekomen) Mc 6,22.
- εισελθουσαι (= eiselthousai: binnengegaan; wkw part aor nom vr mv van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg). Mc
16,5.
- actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan): Mc 2,12
- eis
tèn Galilaian (naar Galilea), zie Mt
4,12 In 5 verzen bij Matteüs: (1) Mt
4,12 (2) Mt
26,32 (3) Mt
28,7 (4) Mt
28,10 (5) Mt
28,16
- eiseltön
eis (binnengegaan in) 6X bij Marcus - eiserchomai
(binnengaan) bij Matteüs, zie Mt 4,3: Mt
4,1-11 - ekballô
(buitenwerpen, buitengooien) bij Marcus, zie Mc 1,12: Mc
1,12-13.
- εἰσενέγκῃς (= eisenegkès: voere in; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισφερω = eisferô: binnenvoeren, binnenbrengen)
- - eisporeuomai (zich op weg begeven) Taalgebruik in het NT: eisporeuomai
(zich op weg begeven) Taalgebruik in Mt: ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) Taalgebruik in Mc: poreuomai
(zich op weg begeven)
- εἰσπορεύεται (eisporeuetai: hij begeeft zich op weg naar; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar)
- εἰσπορεύονται (= eisporeuontai: zij gaan op weg naar; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven)
- εἰσπορευόμενοι (= eisporeuomenoi: de zich op weg begevende naar; wkw med part praes nom mann mv van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar)
- e?ta (= eita: daarop, vervolgens; bw)
- εἴτε... εἴτε... (= eite... eite: hetzij... hetzij; vw). 1
Kor 15,11.
- εκ / εξ (= of = ex: uit; + gen; vz). Taalgebruik
in het NT: ek
(uit). Mc 5,2 Lc
15,4.
- εξ (= εξ - voor een klinker - : uit; + gen; vz). Taalgebruik
in het NT: ek
(uit).
- εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, uitvallen) Taalgebruik in het NT: ekballô
(uitwerpen, uitvallen)
- ἐκβάλλει (= ekballei: hij werpt buiten; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, uitvallen)
- act ind aor 3de pers enk εξεβαλεν = exebalen (en hij gooide buiten) Gn
3,24.
- ἐξέβαλον (= eksebalon: zijn wierpen buiten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, buitenwerpen)
- ἐκβάλῃ (= ekbalè: hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen)
- ἐκβάλωσιν (= ekbalôsin: zij zouden uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw εκβαλλω = ek-bal-l-ô: uit-val-len, uitwerpen)
- ἔκβαλε (= ekbale: werp uit; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-)
- ἐκβάλλειν (= ekballein: uit te werpen; wkw act inf praes van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen; stam bal-)
- act part aor nom mann enk εκβαλων = ekbalôn (uitgeworpen) Mc
1,39.
- ἐκβάλλοντα (= ekballonta; uitwerpende; wkw act part praes acc mann enk van het wkw εκβαλλω = ek-bal-l-ô: uit-val-len, uitwerpen)
- εκχεω = ekcheô / ekchunnô: gieten, vergieten, uitgieten) Taalgebruik in het NT: ekchunnô (gieten, vergieten) Lc 22,20
- εκχυννομενον (= ekchunnomenon: uitgegoten, vergoten; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw εκχεω = ekcheô / ekchunnô: gieten, vergieten, uitgieten) Lc 22,20
- ἔκχεον (= excheon: giet uit; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw εκχεω = ekcheô / ekchunnô: gieten, vergieten, uitgieten)
- εξεδοτο (= eksedoto: hij gaf uit handen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκδιδωμι = ekdidômi: uit handen geven)
- ἔκδυσαι (= ekdusai: ontdoe je; wkw med aor imperat 2de pers enk van het wkw εκδυω = ekduô: zich ontdoen van). Bar
5,1.
- ἐξέδυσαν (= eksedusan: zij kleedden uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εκδυω = ekduô: zich ontdoen van, uitkleden)
- ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r)
- ἐκείνος (= ekeinos: die; aanwijz vnw nom mann enk) Taalgebruik in het NT: ekeinos
(die)
- nom + dat vr enk εκεινη / εκεινῃ = ekeikè(i) (die) Mc 4,35 Lc
2,1 Joh
20,1.
- ἐκείνῳ (= ekeinô: die; aanwijz vnw dat mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκείνης (= ekeinès: van die; aanwijz vnw gen vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- εκεινῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- κἀκεῖνον (= kakeinon: ook die; samentrekking van het nevenschikkend vw και = kai en het aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκείνην (= ekeinèn; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκεῖνοι (= ekeinoi: die; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκεῖναι (= ekeinai: die; aanwijz vnw nom vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die)
- ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) Taalgebruik
in het NT: vanhier,
vandaar Mc 6,1
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) Mc 7,24.
- ????e??e? (= eks?negken: hij bracht buiten; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw e?fe?? = ekfer?: buitenbrengen)
- ἐξελθοῦσαι (= ekselthousai: buitengegaan; wkw med part aor nom vr mv van het wkw ἐξερχομαι = ekserchomai: naar buiten gaan).
- ἔκφοβοι (= ekfoboi: bevreesd; bv nw nom mann mv van het bv nw εκφοβος = ekfobos: bevreesd)
- ἐκφύῃ (= ekfuè: hij zou voortbrengen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw εκφυω = ekfuô: verwekken, voortbrengen)
- ἐξέκαυσαν (= eksekausan: zij deden ontvlammen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εκκαιω = ekkaiô: uitbranden, ontsteken, doen ontvlammen)
- εκκακειν (ekkakein: op te geven, te versagen; wkw inf praes van het wkw ἐκκακέω = ekkakeô: opgeven, versagen). Zie: Lc
18,1.
- ἐκκλησία (= ekklèsia: kerk; zn nom vr enk; < ek-klè-sia: zie het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen; de geroepene uit).
- ekklèsia
(kerk).
- ἐκκλησίας (= ekklèsias: van de kerk; zn gen vr enk van het zn ἐκκλησία = ekklèsia: kerk; zn nom vr enk < ek-klè-sia: zie het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen; de geroepene uit).
- ἐκκλησίᾳ (= ekklèsia: aan de kerk; zn dat vr enk van het zn ἐκκλησία = ekklèsia: kerk; zn nom vr enk < ek-klè-sia: zie het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen; de geroepene uit).
- ἥκασιν (= èkasin: zij zijn gekomen; wkw act ind perf 3de pers mv van het wkw èkô: gekomen zijn)
- ἐκλεκτός (= uitgelezene, uitverkoren, gekozene; bv nw nom mann enk). Lat: electus. E: chosen (gekozene < kiezen).
- ἐξελέξατο (= ekseleksato: hij verkoos uit; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εκλεγω = eklegô: uit-lezen, uitverkiezen)
- ἐξέγειρον (= eksegeiron: wek uit, wek op; wkw act aor imperat 2de pers enk van het wkw εξεγειρω = eksegeirô: opwekken). Ps
80,3.
- ἐκλείψει (= ekleipsè: hij zal in de steek laten; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw εκλειπω = weglaten, verlaten, in de steek laten, zich onttrekken aan)
- ἐκλεκτοὺς (= eklektous: uitverkorenen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἐκλεκτος = eklektos: uitverkorene).
- εκλυθήσονται (= ekluthèsontai: zij zullen vermoeid worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εκλυω = ekluô: losmaken, verlossen, vermoeien, verzwakken).
- εκλελυμενοι (= eklelumenoi: vermoeid; wkw pass part nom mann mv van het wkw εκλυω = ekluô: losmaken, verlossen, vermoeien, verzwakken).
- ἐκπερισσῶς (= ekperissôs: nog te meer, ijveriger; bw). Mc
14,31.
- εκπλησσομαιι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst, verbazing, vreugde, bewondering) Overlopen van Taalgebruik in het NT: ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn)t>
- pass imperf 3de pers enk εξεπλησσeτο = exeplèsseto Mc 1,22
- εξεπλησσeτο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèsseto epi tè(i) didachè(i) autou (hij was buiten zichzelf over zijn leer)
- εξεπλησσοντο (= exeplèssonto: zij waren buiten zichzelf; wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσω = ekplèssô: overvol zijn van; pl -> Ned. vol) Mc 1,22
- και εξεπλησσοντο = kai exeplèssonto (en zij waren buiten zichzelf) Mc 1,22
- και εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = kai exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (en zij waren buiten zichzelf over zijn leer) Mc 1,22.
- εξεπλησσοντο επι = exeplèssonto epi (zij waren buiten zichzelf over) Mc 1,22
- εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (zij waren buiten zichzelf over zijn leer) Mc 1,22.
- εκπνεω = ekpneô (uitademen, sterven) Taalgebruik in het NT: ekpneô
(uitademen, sterven)
- εξεπνευσεν (= exepneusen: hij ademde uit, hij stierf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκπνεω = ekpneô: uitademen, sterven). Mc
15,37.
- εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford, oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen. Taalgebruik in het NT: ekporeuomai
(zich op weg begeven uit)
- εξεπορευετο ( = exeporeueto: hij begaf zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford, oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen) . Mc 1,5 .
- εξεπορευοντο ( = exeporeuonto: zij begaven zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford, oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen) .
- ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford, oeng: ford. Het
woord behoort tot de groep van varen)
- ἐξάπινα (= eksapina: plotseling, onverwacht; bw)
- ἔκστασις (= ekstasis: ontsteltenis, het buiten zichzelf zijn; zn nom vr enk);
- εκτεινω = ekteinô
(uitstrekken) Taalgebruik in het NT: ekteinô (strekken, uitstrekken)
- act imperat aor 2de pers enk εκτεινον = ekteinon (strek uit) Mc 3,5.
- εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden) Zie het werkw θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden) Taalgebruik in het NT: thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn)
- ἐκθαμβεῖσθε (= ekthambeisthe: weest niet verbijsterd; wkw med imperat 2de pers mv van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden)
- εξεθαμβηθησαν (= exethambèthèsan: zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden) Mc
16,5.
- ἐκθαμβεῖσθαι (= ekthambèsthai: met ontzetting te worden geslagen; wkw pass inf praes van het wkw εκθαμβεομαι = ekthambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden).
- ἐξεθαύμαζον (= eksethaudmadzon; zij verwonderden zich zeer; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εκθαυμαζω = ekthaumadzô: zich zeer verwonderen over)
- ἐξαίφνης (= eksaifnès: plotseling, onverwacht; bw).
- ἐξάπινα
- ἐξουσίᾳ (= eksousia: gezag; zn dat vr enk van het zn ἐξουσία = exousia: gezag, macht)
- ´l: voorzetsel
אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El De verkorte vorm van de godsnaam
´èlohîm is´èl OF ontkenning ´al (niet)
Taalgebruik in Tenakh: ´èl Gn
12,1 Ex
34,2
- אֵלָיו = ´elâ(j)w (tot hem) Voorvoegsel ´el + suffix bezittel voornaamw derde persoon
mannelijk enkelvoud Gn
22,1.
- אֵלֶיךָ (= ´elèkhâ: tot u; < voorzetsel אֵל = ´el: naar, tot + suffix pers vnw 2de pers mann enk). Nu
6,25. Ps
25,1.
- -
- אֵלִי = 'elî (mijn God) < het zelfst naamw ´el + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Zie: אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God) Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm
(God).
- אֵל שַׁדַּי = el sjaddaj (´el sjaddaj) Gn 17,1
- וְאֵל שַׁדַּי wë´el sjaddaj (en el sjaddaj) Gn 17,1.
- Ἐλαιῶν (= elaiôn: van olijven; zn gen vr mv van het zn ελαια = elaia: olijf)
- ελαιον = elaion (olie) Taalgebruik in het NT: elaion (olie).
- ελαυνω = elaunô (varen, roeien) Taalgebruik in het NT: elaunô (varen, roeien) Mc
6,48.
- Jouön 1965, 88cb: een zelfst naamw met een oorspronkelijke a-klinker: qatl-vorm אֶלֶף = ´èlèph is ontstaan uit אַלף= ´alph stat constr mann mv: אַלְפֵי = ´alphe(j) Het is een zelfst naamw dat begint met een larynchaal / gutturaal
- ελεγχω = elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen) Taalgebruik in het NT: elegchô (berispen, terecht wijzen, van schuld overtuigen)
- act imperat aor 2de pers enk ελεγξον = elegkson (wijs terecht) Mt
18,15.
- elevare (uit-lichten, oplichten, opheffen) Zie rûm (zich verheffen,
opstaan) Taalgebruik in Tenach: rûm
(zich verheffen, opstaan.
- elevet (hij verheft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw elevare: uit-lichten,
oplichten, opheffen). 1 S 2,8.
- - elk, ieder, al , zie pas
- ελεεω = eleeô (medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn)
Taalgebruik in het NT: eleeô
(medelijden hebben)
- ἐλέησόν (= eleèson: ontferm u; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen,,barmhartig zijn) Lc
17,13.
- ελεησεν (= eleèsen: hij ontfermde zich; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen,,barmhartig zijn)
- ἐλεηθήσονται (= eleèthèsontai: zij zullen barmhartigheid ondervinden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen,,barmhartig zijn).
- ἐλεήμονες (= eleèmones: barmhartigen; bv nw nom mann mv van het bv nw ἐλεήμων = eleèmôn: barmhartig).
- ελεημοσυνη = eleèmosunè (barmhartigheid)
- acc vr enk ελεημοσυνην = eleèmosunèn Lc
1,72.
- ελεος (= eleos: barmhartigheid; zn nom / acc onz enk).
Taalgebruik in het NT: eleos
(barmhartigheid). Taalgebruik in de Septuaginta: eleos
(barmhartigheid). Ex
20,6
- το ελεος αυτου (= to eleos autou: zijn barmhartigheid).
- ἐλέους (= eleous: barmhartigheid; zn gen onz enk van het zn ελεος = eleos: barmhartigheid).
- -
- Τη ελευθερια (= tè eleutheria: voor de vrijheid). NT (1): Gal
5,1.
- ελευθερος (= eleutheros: vrij; bv nw nom mann enk; stam (e)lev-th-eros; Lat: liber; Fr: libre). Gal
3,28.
- eleutheria
(vrijheid), zie Gal
5,13
- ´êlîsjä`
(Elisa), zie 1
K 19,19.
- אֵלֶּה = ´ellèh (deze /dit) Taalgebruik in Tenakh: ´lh
- הָאֵלֶּה = hâ´ellèh (deze) < bepaald lidw ha + aanwijz voornaamw Gn 44,6
- וְאֵלֶּה (= wë´ellèh: en deze; koppelteken waw + aanwijz vnw mv ְאֵלֶּה = ellèh: deze).
- Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) .
- Ἠλίαν (= èlian: Elia; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Ἠλίας = èlias; Elia)
- אֶלִיפָ֑ז (= 'èlîphâz: Elifaz; eigennaam). Gn
36,4.
- ελισαβετ = elisabet (Elisabet) Taalgebruik in het NT: elisabet
(Elisabeth) Lc 1,5.
- אֱלִישֶׁבַע = ´ëlîsjèbha` < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk אֵלִי = 'elî (mijn God) en misschien sjèbha < שָׁבָע = sjâbhâ`
(zweren) Taalgebruik in Tenakh: sjâbhâ`(zweren) Lc 1,5.
- אֱלֹהִים (= ´èlohîm: God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm
(God) Gn 8,1 Ex
20,1 Dt 6,14 Mc 1,1
- הָאֱלֹהִים = hâ´èlohîm (God) < bepaald lidwoord + godsaanduidng ´èlohîm
(God) Gn
22,1
- אֶל הָאֱלֹהִים = ´èl hâ´èlohîm (tot God) Ex
19,3.
- וְהָאֱלֹהִים = wëhâ´èlohîm (God) < verbindingswoord wë + bepaald lidw ha + godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God) Gn
22,1
- אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) Ex 24,10
- אֵת אֱלֹהֵי יִשְׂרָאֵל = ´eth ´èloh(j)e jishërâel (de God van Israël) Ex 24,10.
- אֱלֹהֶיךָ = ´êlohe(j)khâ / ´êlohè(j)khâ (je God) < stat constr mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk Ex 20,2 Ex 20,5 Ex 20,7 Ex 20,10 Ex 20,12 Dt
6,13
- אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (jouw God, die) Ex 20,2 Ex 20,5.
- אֱלֹהִים אֲחֵרִים = ´èlohîm ´ächerîm (andere goden) Ex
20,3 Dt 6,14.
- אֱלֹהֵינוּ (= ´èlohe(j)nû: onze God) Dt 6,4.
- אֱלֹהֶיכֶם = ´êlohe(j)khèm (jullie God) < stat constr mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann mv Dt
11,13
- אֶת יהוה אֱלֹהֶיכֶם = ´èth JHWH ´êlohe(j)khèm (JHWH, jullie God) Dt
11,13.
- בֵּאלֹהֵי יִשְׁעִי = be´lohe(j)jisj`î ( in de god van mijn redder) Lc 1,47.
- ἐλπίζουσιν (= elpidzousin: zij hopen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐλπίζω = elpidzô: hopen)
- εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) Taalgebruik
in het NT: embainô
(inklimmen) Mc
5,18
- actief part praes gen mann enk εμβαινοντος = embainontos (terwijl hij instapt) Mc
5,18
- και εμβαιντος = embaintos (terwijl hij instapt) Mc
5,18.
- εμβαινοντος αυτου = embainontos (terwijl hij instapt) Mc
5,18.
- act ind aor 3de pers enk ενεβη = enebè (hij stapte in) Jon 1,3
- και ενεβη = kai enebè (en hij stapte in) Jon 1,3.
- ενεβη εις = enebè eis (hij stapte in) Jon 1,3.
- εμβας (= embas: ingestapt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) Lc 5,3
- εμβας εις = embas eis (ingestapt in) Lc 5,3
- εμβας δε εις = embas de eis (ingestapt echter in) Lc 5,3.
- act part aor gen mann enk εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) Mc
5,18
- και εμβαντος = embantos (terwijl hij instapte) Mc
5,18.
- εμβαντος αυτου = embantos (terwijl hij instapte) Mc
5,18.
- actief part aor acc mann enk εμβαντα = embanta (inklimmende)
- act inf aor εμβηναι = embènai (om in te stappen) Mc
6,45.
- ἐμβαπτόμενος (= embaptomenos: indopende; wkw med / pass part praes nom mann enk van het wkw ἐμβαπτω = embatô: indopen, indompelen)
- ἐμβλέψας (= emblepsas: hij keek aan; wkw part aor nom mann enk van het wkw εμβλεπω = emblepô: aankijken)
- ἐμβλέψασα (= emblepsasa: aankijkende; wkw part aor nom vr enk van het wkw εμβλεπω = emblepô: aankijken)
- ??e�??�??t? (= enebrim�nto: zij waren vertoornd op; wkw med of pass ind imperf 3de pers mv van het wkw e��??�a?�a? = diep bewogen zijn, vertoornd zijn, uitdrukkelijk gelasten, verwijten)
- ?????epe? (= eneblepen: en hij lette op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw e???ep? = emble?: kijken, letten op)
- εμφοβος = emfobos (bevreesd) Taalgebruik in het NT: emfobos
(bevreesd)
- nom mann mv εμφοβοι = emfoboi (bevreesd) Lc
24,37.
- - ´èlohîm
(God), zie Ps
42,2 Betekenis: (1)
- èlthen
(hij / zij kwam) 12X bij Marcus - èlthon
(ik ben of zij zijn gegaan / gekomen), zie Mt
8,14 In 8 verzen bij Matteüs: (1) Mt
5,17a en Mt
5,17b (2) Mt
7,25 (3) Mt
7,27 (4) Mt
9,13 (5) Mt
10,34a en Mt
10,34b (6) Mt
10,35 (7) Mt
14,34 (8) Mt
21,1 Jezus en zijn leerlingen: (7) Mt
14,34 (8) Mt
21,1 Jezus als 1ste persoon enkelvoud: Jezus en zijn leerlingen: (1) Mt 5,17a
en Mt
5,17b (4) Mt
9,13 (5) Mt
10,34a en Mt
10,34b (6) Mt
10,35 - elthôn
(gegaan, gekomen), zie Mt
8,14 In 14 verzen bij Matteüs (1) Mt
2,8 (2) Mt
2,9 (3) Mt
2,23 (4) Mt
4,13 (5) Mt
5,24 (6) Mt
8,7 (7) Mt
8,14 (8) Mt
9,18 (9) Mt
9,23 (10) Mt
13,54 (11) Mt
16,13 (12) Mt
24,46 (13) Mt
25,27 (14) Mt
26,43 - elthontes
(gegaan, gekomen), zie Mt
8,14.
- ´èmeth
(waarheid, trouw), zie Ps
111,5
- empaizô
(zijn spel drijven, bespotten), zie Lc
22,63.
- ἐμοὺς (= emous: mijn; bezitt vnw acc mann mv van het bezitt vnw εμος = emos: mijn)
- ἐνέπαιξαν (= enepaiksan: zij bespotten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐμπαίζ
- ἐμπαίζοντες (= empaidzontes: bespottende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἐμπαίζω = empaidzô: bespotten)
- εμπιμπλημι = empimplèmi: invullen, vervullen) Taalgebruik in het NT: empimplèmi (invullen, vervullen)
- act ind aor 3de pers enk ενεπλησεν = eneplèsen (hij vervulde, overlaadde)
- ἐμπλησθῆσαι (= emplèsthèsai: vervuld te worden; wkw pass inf aor van het wkw εμπιμπλημι = empimplèmi: invullen, vervullen)
- εμπροσθεν
(= emprosthen: van voren, in aanwezigheid van, voor) Taalgebruik in het NT: emprosthen
(van voren, in aanwezigheid van, voor) Lc
19,4
- emptuô (spuwen op of in: in iemands gelaat spuwen, uitspuwen, zie Js
50,6.
- ἐμπαίξουσιν (= empaiksousin: zj zullen bespotten; wkw actind fut 3de pers mv van het wkw εμπαιζω = empaidzô: bespotten)
- ἐνέπαιξαν (= enepaiksan: zij bespotten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εμπαιζω = empaidzô: bespotten),
- ἐμπτύσουσιν (= emptusousin: zij zullen spuwen; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen,
uitspuwen).
- ἐνέπτυον (= eneptuon: zij spuwden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen,
uitspuwen).
- ἐμπτύειν (= emptuein: te spuwen; wkw act inf praes van het wkw εμπτυω = emptuô: spuwen op of in; in iemands gelaat spuwen,
uitspuwen).
- Ned: en Arabisch: وَ = wa (en) Taalgebruik in de Qoran: wa (en) E: and D: und Fr: et Grieks: και = kai (en) Taalgebruik: kai
(en) in NT Hebr: וְ = wë (en) Lat: et
- εν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd, middel).Taalgebruik in het NT: en
(in). Mc 1,2 Lc 1,5 Lc 5,1 Lc
8,22 Lc 15,25 Lc 17,6 Lc 18,35 Lc
21,6 Lc 24,4 1
Tes 1,1
- εν μιᾳ = en mia(i) (op één) Lc
8,22
- εν μιᾳ των = en mia(i) tôn (op één van) Lc
8,22
- εν μιᾳ των ἡμερων = en mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) Lc
8,22.
- εν μιᾳ των συναγωγων = en mia(i) tôn sunagôgôn(op één van de sabbatten) Lc
13,10.
- εν τῃ = en tè(i) Mc 1,23.
- εν ταις = en tais (in ) Lc 1,5
- εν ταις ἡμεραις = en tais hèmerais (in de dagen) Lc 1,5.
- εν τῳ = en tô(i) Lc 5,1 Lc
18,35
- εν δε τῳ = en de tôi + infinitief
- - en
(in) en de tôi + infinitief, zie Mt
13,25
- en (nevenschikkend voegwoord) zie kai
- enanti (tegenover) Taalgebruik in het NT: enanti
(tegenover) Taalgebruik in Lc: enanti
(tegenover)
- enantion (tegenover, in de ogen van) Taalgebruik in het NT: enantion
(tegenover, in de ogen van) Taalgebruik in Lc: enantion
(tegenover, in de ogen van).
- ἐναντίας (= enantias; het tegenover, tegendeel; zn gen vr enk van het zn ἐναντίον = enantion). Mc 15,39
- ἐνάτῃ (= enatè: negende); bv nw rangtelw dat vr enk van het bv nw rangtelw ενατος = enatos:: negende)
- ἐνάτης (= enatès: negende; bv nw rangtelw gen vr enk van het bv nw rangtelw ενατος = enatos:: negende)
- ἐναγκαλισάμενος (= enagkalisamenos: omarmens; wkw med part aor nom mann enk van het wkw εναγκαλιζομαι = enagkalizomai: in de armen nemen)
- ενδεχομαι = endechomai (aanvaarden, aannemen, ontvangen) Lc
17,1.
- ενδεχομενως = endechomenôs (aannemelijk, aanvaardbaar) Lc
17,1
- ἐνδιδύσκουσιν (= endiduskousin: zij trekken aan; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐνδιδύσκω: aantrekken).
- ενδυω (= enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met).
- ἐνέδυσαν (= enedusan: zij kleedden aan; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ενδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met).
- ενδεδυμενος (= endedumenos: gekleed; wkw med part perf nom mann enk van het wkw ενδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met).
- ἔνδυσαι (= endusai: bekleed je; wkw med aor imperat 2de pers enk van het wkw ενδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met). LXX (5). Bar
5,1.
- ενεχω = enechô (hebben, vast-houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben < en - -h-ech-ô: in-how-d-en; E: pass: to be held - w/l). Taalgebruik in het NT: enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben)
- ενειχεν (= eneichen: hij / zij had het gemunt op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ενεχω = enechô: hebben, vast-houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben < en - -h-ech-ô: in-how-d-en; E: pass: to be held - w/l). Mc
6,19.
- ἐνέχεσθε (= enechesthe: wordt niet vastgehouden; wkw pass imperat praes 2de pers mv van het wkw ενεχω = enechô: hebben, vast-houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben < en -h-ech-ô: in-how-d-en; E: pass: to be held - w/l: howden - held). Gal
5,1.
- ενειλεω (= eneileô: inwikkelen) Taalgebruik: eneileô
(inwikkelen) Lc
23,53
- ενειλησεν (= eneilèsen: hij wikkelde in; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ενειλεω = eneileô: inwikkelen) Mc
15,46 Lc
23,53.
- ἔνοχον (= enochos: schuldig; bv nw acc mann enk van het bv nw ἔνοχος = enochos: onderworpen, schuldig).
- ενωπιον = enôpion (voor het aangezicht van) Taalgebruik in het NT: enôpion
(voor het aangezicht van) Lc 24,43
- ενωπιον αυτου = enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) Lc 24,43.
- ενωπιον αυτων = enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun
aangezicht) Lc 24,43
- ἐνεστερνισμένοι (= enesternismenoi: vastgedrukt zijnde in; wkw med / pass part perf nom mann mv van het wkw ἐνστερνιζω = ensternidzô: vastgedrukt zijn in)
- entellô
(bevelen, opdragen, vragen), zie Mt
28,20.
- ἐνετείλατο (= eneteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εντελλω = entellô: bevelen, opdragen, vragen)
- ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) Lc
23,53
- Ἐντραπήσονται (= entrapèsontai: zij zullen ontzien; wkw med / pass ind fut 3de pers mv van het wkw = entrepô: achten, ontzien, zich schamen voor)
- ἐνταφιασμόν (= entafiasmon: begrafenis; zn acc mann mv van het zn ἐνταφιασμος = entafiasmos: balseming, begrafenis)
- entellô
(bevelen, opdragen, vragen), zie Mt
28,20.
- ἐνετείλατο (= eneteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers ede nk van het wkw εντελλω = entellô: bevelen, opdragen, vragen)
- ἐνεθυμήθη (= enethumèthè: hij overwoog; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἐνθυμεομαι = enthumeomai: overwegen, ter harte nemen, overleggen, bedenken)
- ἐντολὴ (= entolè: opdracht, gebod, zn nom vr enk).
- ἐντολήν (= entolènè: opdracht, gebod, zn acc vr enk van het zn ἐντολὴ = entolè: opdracht, gebod). Joh
13,34.
- ἐντολὰς (= entolas: opdrachten, geboden, zn acc vr mv van het zn ἐντολὴ = entolè: opdracht, gebod)
- εντυλισσω (= entulissô: inwikkelen). Taalgebruik in de Bijbel: entulissô (inwikkelen) Lc
23,53
- ενετυλιξεν (= enetulixen: hij wikkelde in; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw εντυλισσω = entulissô: inwikkelen). Mc 15,46. Lc
23,53.
- ενυπνιαζω = enupniazô (indromen) Lc
8,23.
- Fr: envergure (= wijdte, breedte, omvang).
- επι (epi= op; vz met dat; plaatsaanduiding; επ' = ep': afkorting vóór een niet-aangeblazen klinker en εφ' = ef' vóór een aangeblazen klinker);
- ἐπηγγείλαντο (epèggeilanto: en zij beloofden; wkw med of pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw epaggellô: med: voorstellen, beloven)
- επαιρω = epairô
(opheffen, verheffen) Taalgebruik in het NT: epairô
(opheffen, verheffen)
- act ind aor 3de pers enk επηρεν = epèren (hij hief op) Lc
24,50.
- act part aor nom mann enk επαρας = eparas (opgeheven) Gn
13,10 Lc
24,50.
- ἐπάραντες (= eparantes: opheffende, opslaande; wkw act part aor nom mann mv van het wkw επαιρω = epairô: opheffen, verheffen).
- ἐπαισχυνθῇ (= epaischunthè: hij zou zich schamen over; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over)
- ἐπαισχυνθήσεται (= epaischunthèsetai: hij zal zich schamen; wkw med / pass ind fut 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over)
- ἐπαλλήλους (= epallèlous: wederzijds treffend, op elkaar, vlak na elkaar; bv nw acc vr mv van het bv nw ἐπαλλήλος (= epallèlos)
- ἐπάνω (= epanô: boven, eerder, vroeger; bw)
- επαναγω = epanagô
(opvaren) Taalgebruik in het NT: epanagô
(opvaren) Lc 5,3
- act imperat aor 2de pers enk επαναγαγε = epanagage Lc 5,4.
- act inf aor επαναγαγειν = epanagagein Lc 5,3.
- ἐπαναστήσονται (= epanastèsontai: zij zullen opstaan tegen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw επανιστημι = epanistèmi: weer oprichten; med: opstaan, opstaan tegen)
- ?p??? (= epan�: bovenop; vz van plaats)
- epanô (bovenop 8X bij Matteüs)
- ἐπαοιδὸς (= epaoidos: bezweerder; zn nom mann enk)
- Fr: épargner. Ned. sparen. besparen. redden. Oudfrankisch: sparanjan. Protogermaans: sparon. E: to spare. Fr: é i.p.v. s - p - r. Fr: s initial devant consonne s' est fait précéder d'un é. Lat: parcere. Vanwaar de gn in het Frans?
- επαυριον (= epaurion: de dag erop; bw; αυριον = aurion: morgen: vroeg; επ-αυριον = ep-aurion: de dag erop, de volgende dag. Fr.: lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain; demain > Lat.: de mane: matin. Lat.: altera die -> Ned.: 's anderendaags) Taalgebruik in het NT: epaurion ('s anderendaags, de volgende dag)
- τῃ επαυριον = tè(i) epaurion ('s anderendaags) Joh
1,43.
- ἐπεὶ (= epei: wanneer, zodra, zo dikwijls als; vw van tijd).
- ἐπειδὴ (= epeidè: omdat immers; vw)
- επερχομαι = eperchomai
(komen op) Taalgebruik in het NT: eperchomai
(komen op) Lc 1,35
- ind fut 3de pers enk επελευσεται = epeleusetai (hij zal komen over)επερχομαι = eperchomai
(komen op) Lc 1,35.
- επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen Taalgebruik
in het NT: eperotaô
(epi - erôtaô)
- επηρωτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) Mc
5,9
- και επηρωτα = kai epèrôta (en hij ondervroeg) Mc
5,9.
- επηρωτα αυτον = epèrôta auton (hij vroeg hem uit) Mc
5,9.
- ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) Lc
22,64.
- Ἐπερωτήσω (= eperôtèsô: ik zal je vragen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger)
- επηρωτησεν (= epèrôtèsen: hij ondervroeg: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) Lc
18,40
- και επηρωτησεν = kai epèrôtèsen (en hij ondervroeg) Lc
18,18.
- επηρωτησεν αυτον = epèrôtèsen auton (hij ondervroeg hem) Lc
18,40.
- act ind aor 3de pers mv επηρωτησαν = epèrôtèsan (zij vroegen) Mt
12,10
- επηρωτησαν αυτον = epèrôtèsan auton (zij vroegen hem) Lc
21,7
- και επηρωτησαν αυτον = kai epèrôtèsan auton (en zij vroegen hem) Lc
21,7.
- επηρωτησαν δε αυτον = epèrôtèsan de auton (zij echter vroegen hem) Lc
21,7.
- ἐπερωτῶσιν (= eperôtôsin: zij ondervragen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen)
- επερωτησαι (= eperôtèsai: om te ondervragen; wkw act inf aor van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) Mc 12,34.
- επι (= ef' : over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) Taalgebruik in het NT: epi
(op, bij) Mc
16,2 Lc 1,35 Lc 4,18 Lc
15,4 Lc
21,6 Lc 24,1
- επ' εμε = ep' eme (over mij) Lc 4,18.
- επι το = epi to Mc
16,2 Lc
15,4
- επι το μνημειον = epi to mnèmeion (op / naar het grafmonument) Lc 24,12.
- επι τῃ = tè(i) (de) Mc 1,22.
- επι τῳ = epi tô(i) (op de) Lc
21,8
- επι τῳ ονοματι = epi tôi onomati (bij de naam van) Lc
21,8
- επι τῳ ονοματι μου = epi tôi onomati mou (bij mijn naam) Lc
21,8.
- ἐπιβεβηκὼς (= epibebèkôs: geklommen; wkw act part perf nom mann enk van het wkw επιβαινω: klimmen op, klimmen).
- επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen) Taalgebruik in het NT: epiballô
(op-werpen, over-vallen)
- ἐπιβάλλουσιν (= epiballousin; zij werpen op; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen)
- act ind imperf 3de pers enk επεβαλλεν = epeballen (hij viel op, hij overviel) Mc
4,37.
- ἐπέβαλον (= epebalon: zij sloegen op; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen)
- ἐπιβαλὼν (= epibalôn: overvallen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιβαλλω = epiballô: 'op-werpen', overvallen)
- επιβλεπω (= epiblepô: kijken op, neerzien). Taalgebruik in het NT: epiblepô
(kijken op, neerzien).
- επεβλεψεν (= epeblepsen: hij keek op, hij keek neer: wkw act aor 3de pers enk van het wkw επιβλεπω = epiblepô: kijken op, neerzien). Lc
1,48
- επεβλεψεν επι (= epeblepsen epi: hij keek naar) Lc
1,48.
- επεβλεψα επι = epeblepsa epi (ik keek naar) Lc
1,48.
- ἐπιβλέψονται (epiblepsontai: zij keken op; wkw med fut 3de pers mv επιβλεπω = epiblepô: kijken op, neerzien)
- επιδημεω (= epidèmeô: in het land / thuis blijven, terugkeren, als vreemdeling bezoeken)
- ἐπιεικῆ (= epieikè: gepast, matig, mild; bv nw acc vr enk van het bv nw ἐπιεικης = epieikès)
- επιφαινω (= epifainô: tonen, laten zien, ten toon spreiden) Taalgebruik in de Bijbel: epifainô (tonen,laten zien, ten toon spreiden).
- επιφαναι (= epifanai: om te verlichten; wkw act inf aor van het wkw επιφαινω = epifainô: tonen, laten zien, ten toon spreiden). Nu
6,25.
- επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen)
Taalgebruik in het NT: epigignôskô
(leren kennen, begrijpen)
- ἐπέγνωσαν (= epegnôsan: zij herkenden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen; voorvoegsel epi + stam gno- of gnô - Ned.: k-n -; athematische aor, de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô; act ind aor 3de pers mv egnôsan; wkw met praesensversterking sk:Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô: Baeyens 130a blz 97)
- ἐπιγνοὺς (= epignous: begrepen hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen)
- act part aor nom mann mv επιγοντες = epignontes (begrepen hebbende) Mc
6,54.
- ἐπιγραφή (= epigrafè: opschrift; zn nom vr enk)
- ἐπιγεγραμμένη (= epigegrammenè: opgeschreven; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw ἐπιγραφω = epigrafô: opschrijven).
- ἐπεκάθισεν (= epekathisen: hij zat op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επικαθιζω: zitten op, neerzitten).
- επικειμαι = epikeimai (op iets liggen, aandringen, bedreigen)
Taalgebruik in het NT: epikeimai
(op iets liggen, aandringen, bedreigen) Lc 5,1
- inf praes επικεισθαι = epikeisthai Lc 5,1.
- ?p??a???e??? (= epilabomenos: bij zich genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw ?p??a??a?? = epilamban?: bij zich nemen, grijpen, aanvallen).
- ἐπελάθοντο (= epelathonto: zij vergaten; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw επιλανθανω = epilanthanô: vergeten, nalaten, zich niet bekommeren om)
- ἐπιμελῶς (= epimelôs: zorgzaam, bezorgd; bw; zie het wkw μελεταω = meletaô: zorg dragen voor, aandacht wijden aan)
- ἐπιορκήσεις (= epiorkèseis: jij zult zweren bij; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw ἐπιορκεω = epiorkeô: zweren bij)
- ἐπιούσιον (= epiousion: dagelijks; bv nw acc mann enk van het bv ἐπιούσιος = epiousios: dagelijks, blijvend)
- epipiptô (vallen op, opdringen) Taalgebruik in het NT: epipiptô
(vallen op, opdringen) Taalgebruik in Mc: epipiptô
(vallen op, opdringen).
- επισκεπτομαι (= episkeptomai: (kijken naar, bekijken, omkijken). Taalgebruik in het NT: episkeptomai
(kijken naar, bekijken)
- ind fut 3de pers enk επισκεψεται (= episkepsetai: hij zal omkijken naar; wkw act ) Lc 1,78 PJ 1,4
- επεσκεψατο (= epeskepsato: hij zag om; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw
επισκεπτομαι = episkeptomai: kijken naar, bekijken, omkijken). Gn
21,1 Lc
1,68
- ὁτι επεσκεψατο = hoti epeskepsato (omdat hij omzag) Gn
21,1 Lc
1,68.
- επισκιαζω (= episkiadsô: overschaduwen).
- ἐπεσκίασεν (= epeskiasen: hij overschaduwde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επισκιαζω = episkiadsô: overschaduwen).
- ἐπισκιάζουσα (= episkiadzousa: overschaduwend; wkw act part praes nom vr enk van het wkw ἐπισκιάζω = episkiadzô: overschaduwen)
- ἐπισκόπους (= episkopous: bisschoppen, opzichters; zn acc mann mv van het zn επισκοπος = episkopos: opziener, opzichter, bisschop)
- επιστατης = epistatès (bijstaander, meester) Taalgebruik in het
NT: epistatès
(bijstaander, meester)
- voc mann enk επιστατα = epistata (bijstaander) Lc
17,13.
- ἐπίσταμαι (= epistamai: ik begrijp, ik versta; wkw med of pass ind praes 1ste pers enk van het wkw ἐπίσταμαι = epistamai: begrijpen, verstaan).
- επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) Taalgebruik in het NT: epistrefô
(naar iets toekeren)
- act imperat aor 2de pers mv επιστρεψατε = epistrepsato (keert jullie toe) Js
46,8.
- act imperat aor 2de pers mv επιστραφητε = epistrafète (keert jullie toe) Hnd
3,19.
- ἐπιστρεψάτω (= epistrepsatô: dat hij terugkere; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren)
- ἐπιστραφεὶς (= epistrafeis: omgekeerd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren)
- ἐπιστροφὴν (= epistrofèn: aandacht; zn acc vr enk van het zn ἐπιστροφη = epistrofè: ommekeer, wending, zorg, aandacht; zie het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren)
- ἐπισυνάξει (= episunaksei: hij zal verzamelen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw επισυναγω = episunagô: bijeendrijven, verzamelen)
- ἐπισυνηγμένη (= episunègmenè: verzamelde; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw ἐπισυναγω = episunagô: bijeenbrengen, verzamelen)
- ἐπισυντρέχει (= episuntrechei: hij stroomt samen bij; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐπισυντρέχω: samen lopen naar).
- επιτασσω (= epitassô: opdragen, bevelen; wkw act ind praes 1ste pers enk: ik draag op, ik beveel) Taalgebruik in het NT: epitassô (opdragen, bevelen) Mc 1,27 Lc
8,25
- act ind praes 3de pers enk επιτασσει = epitassei (hij beveelt) Mc 1,27 Lc
8,25.
- ἐπιτάξεις (= epitakseis: jij zult bevelen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw επιτασσω = epitassô: opdragen, bevelen)
- act ind aor 3de pers enk επεταξεν = epetaksen (hij beval) Mc
6,27.
- ἐπιθυμία (= epithumia: begeerlijkheid; zn nom vr enk)
- ἐπιθυμίαν (epithumian: begeerlijkiheid, begeerte; zn gen vr enk van het zn ἐπιθυμία = epithumia: begeerlijkheid, begeerte)
- ἐπιθυμίαι (= epithumiai: begeerten; zn nom vr mv van het zn ἐπιθυμία = epithumia: begeerlijkheid, begeerte).
- ἐπιθυμιῶν (= epithumiôn: van begeerten; zn gen vr mv van het zn ἐπιθυμία = epithumia: begeerlijkheid, begeerte)
- ἐπιθυμητής (= epithumètès: iemand die begeert; zn nom mann enk)
- επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) Taalgebruik in het NT: epitithèmi
(opleggen)
- act ind praes 3de pers enk επιτιθησιν = epitithèsin Lc
15,5.
- επεθηκεν (= epethèken: hij legde op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) Lv 8,9.
- ἐπέθηκαν (= epethèkan: zij legden op; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen)
- ἐπιθῇ (= epithè: hij zou opleggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen; stam θη = thè)
- ?p??e?? (= epitheis: nadat hij oplegde; wkw act part aor van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen)
- επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) Mt
8,27 Mc
4,39
- act ind imperf 3de pers enk επετιμα = epetima (hij beval) Mc
3,12.
- ἐπετίμων (= epetimôn: zij bevalen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen)
- επετιμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) Mt
8,27 Mc 1,25 Mc
4,39
- επετιμησεν αυτῳ = epetimèsen autô(i) (hij beval hem) Mc 1,25
- και επετιμησεν αυτῳ ὁ ιησους = kai epetimèsen autô(i) ho ièsous (en Jezus beval hem) Mc 1,25.
- επετιμησεν αυτοις = epetimèsen autois (hij deed een beroep op hun eer) Mc 5,43
- και επετιμησεν αυτοις = kai epetimèsen autois (en hij deed een beroep op hun eer, hij droeg op) Mc 5,43
- ἐπετίμησαν (epetimèsan: zij wezen met de vinger; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen)
- act imperat aor 2de pers enk επιτιμησον (vermaan) Lc
17,3.
- ἐπιτιμᾶν (= epitiman: nadrukkelijk vermanen; wkw act inf praes van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk
vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen)
- επιτρεπω (= epitrepô: overlaten, toevertrouwen, toelaten) Taalgebruik in het NT: epitrepô
(overlaten, toevertrouwen)
- ἐπετρέπετε (= epetrepete: jullie staan toe; wkw act ind imperf 2de pers mv van het wkw επιτρεπω = epitrepô: overlaten, toevertrouwen, toelaten)
- επετρεψεν (= epetrepsen: hij stond toe; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτρεπω = epitrepô: overlaten, toevertrouwen, toelaten) Mc 5,13
- επετρεψεν αυτοις = epetrepsen autois (hij stond hen toe) Mc 5,13.
- ἐπιτρέπετε (= epitrepete: sta toe; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw επιτρεπω = epitrepô: overlaten, toevertrouwen, toelaten)
- ἐπιζητουμένων (= epidzètoumenôn: die worden gewenst; wkw pass part praes gen onz mv van het wkw ἐπιζητέω: opzoeken, navorsen, wensen, verlangen, nastreven)
- ερχομαι = erchomai (gaan,
komen) Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen)
- ερχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. ερχ - ελθ liggen toch dicht bij elkaar). Mc
14,32 Lc
14,26
- ερχεται εις = erchetai eis (hij gaat naar) Mc
3,20
- ερχεται εις την = erchetai eis tèn (hij ging naar de) Mc 6,1.
- ερχεται εις τον = erchetai eis ton (hij gaat naar de) Mc 6,1.
- ερχεται εις το = erchetai eis to (hij gaat naar het) Mc 6,1.
- ερχεται εις τα = erchetai eis ta (hij gaat naar de) Mc 6,1.
- ερχεται προς = erchetai pros (hij gaat naar) Mc
6,48
- ερχεται προς αυτους = erchetai pros autous (hij gaat naar hen) Mc
6,48.
- και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) Mc 1,40
- και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar) Mc
3,20.
- και ερχεται και = kai erchetai kai (en hij gaat en, en hij komt en ) Mc 14,37.
- και ερχεται προς = kai erchetai pros (en hij gaat naar) Mc 1,40
- και ερχεται προς αυτον = kai erchetai pros auton (en hij gaat naar hem) Mc 1,40.
- ιδού κυριος ἔρχεται (= idou kurios erchetai: zie de heer komt). Js
40,10.
- ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc
14,32 Mc
16,2
- ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw mad ind praes 3de pers enk
- ερχονται = erchontai epi (zij gaan naar) Mc
16,2
- ερχονται επι το μνημειον = = erchontai epi to mnèmeion (zij gaan op het graf) Mc 5,15.
- ερχονται προς = erchontai pros (zij gaan naar) Mc 5,15
- ερχονται προς αυτον = erchontai pros auton (zij gaan naar hem) Mc 2,3.
- ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) Mc 5,15.
- και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) Mc 5,15
- και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar) Mc
3,20 Mc 11,27.
- και ερχονται προς = kai erchontai pros (en zij gaan naar) Mc 5,15.
- ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med
ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ηρχετο (= èrcheto: hij ging; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 2,13.
- ἤρχοντο (= èrchonto: zij gingen; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ind fut 3de pers mv ελευσονται = eleusontai (zij zullen komen) Lc 21,8.
- ηλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 1,14 Lc 15,20
- και ηλθεν = kai èlthen (en hij kwam / ging) Mc 1,39.
- ηλθεν δε = èlthen de (hij kwam / ging echter) Mc 1,39.
- ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) Joh
5,1.
- ηλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 5,1
- και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen) Mc 5,1
- και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar) Mc 5,1.
- ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar) Mc 5,1.
- ἐλήλυθεν (= elèluthen: hij kwam; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἔλθῃ (= elthè: hij zou komen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἔλθητε (= elthète: jullie zouden komen; wkw act conjunct aor 2de pers mv bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἔλθητε
- ἐρχέσθω (= erchesthô: dat hij kome; wkw med imperat praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ελθετω (= elthetô: kome; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) . Mt
6,10
- ελθετω ἡ = elthetô hè (kome de) Mt
6,10
- ελθετω ἡ βασιλεια σου = hè basileia sou (jouw koningschap, jouw koninkrijk kome) Mt
6,10.
- ἔρχεσθαι (= erchesthai: te komen; wkw med inf praes van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ελθειν (= elthein: om te gaan / komen; wkw med inf aor; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = elth: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Lc
17,1
- ελθειν τα σκανδαλα = elthein ta skandala (de hindernissen te komen) Lc
17,1.
- ἐρχόμενος (= erchomenos: komende, wkw med part praes nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Lc
15,25.
- ἐρχομένη (= erchomenè: komende, wkw med part praes nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐρχομένῳ (= erchomenô: komende; wkw med part praes dat mann enk v6, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐρχόμενον (= erchomenon: komende; wkw part praes acc mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐρχόμενοι (= erchomenoi: komenden; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ελθων (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Mt
9,18.
- ελθε (= elthe: kom). wkw act / med imperat 2de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Ps
80,3.
- ἐλθοῦσα (elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc
5,27.
- ἐλθόντες (= elthontes: komende; ww med part aor nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐληλυθυῖαν (= elèluthuian: gekomen; wkw act part perf acc vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελθ = ethl: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- עֶרֶב = `èrèbh (avond) Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond) Gn
1,5 Mc 15,42
- וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond) Mc 1,32.
- וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) Mc 1,32
- וַיְהִי בָעֶרֶב = wajëhî bâ`èrèbh (en het gebeurde in de avond) Gn
1,5.
- ἐρημίας (= erèmias: van de woestenij, van de eenzame streek; zn gen vr enk van het zn ἐρημία = erèmia: woestenij, eenzame streek)
- ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) Taalgebruik in NT: erèmos
(woestijn) Js
64,9
- ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats)
- dat vr enk ερημῳ = erèmô(i) Mc 1,3 Lc 4,1
- εν τῃ ερημῳ = en tè(i) erèmô(i) (in de woestijn) Mc 1,3 Lc
4,1 Lc
15,4.
- acc vr enk ερημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het bv nw / zn ερημος = erèmos: woest / eenzaam, woestijn / eenzame plaats) Mc 6,31
- εις ερημον = eis erèmon (naar een eenzame plaats) Mc 6,31.
- εις την ερημον = eis tèn erèmon (naar de woestijn) Mc 6,31.
- ἐρήμοις (= erèmois: woeste, eenzame; bv nw dat mann mv van het bv nw / zn ερημος = erèmos: woest / eenzaam, woestijn / eenzame plaats)
- ἐρημώσεως (= erèmôseôs: verwoesting, ontvolking; zn gen vr enk van het zn ἐρημώσις = erèmôsis: verwoesting, ontvolking).
- אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz
(land)
- nom mann enk אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Gn
1,24 Lv
25,9.
- אַרְצָה = ´arëtsâh (naar het land) Gn
12,5.
- אַרְצְכֶם = ´arëtsëkhèm (jullie land): a-r-ts + pers voornaamw
2de pers mv Lv
25,9 Dt 11,14.
- הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw ha + zelfst
naamw אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Gn 12,7 Lv
19,23
- אֶל הָאָרֶץ = ´èl hâ´ârèts (naar het land) Lv
19,23 Mc
4,31
- תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = thâbo'û 'èl hâ'ârèts (jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23
- כִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = kî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23.
- וְכִּי תָבֹאוּ אֶל הָאָרֶץ = wëkî thâbo'û ´èl hâ´ârèts (en wanneer jullie zullen gaan naar het land) Lv
19,23.
- אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr
(naar het land dat) Gn
12,1
- אֶל הָאָרֶץ אֲשֶׁר יהוה = ´èl hâ´ârèts ´äsjèr
JHWH Dt
18,9.
- עַל הָאָרֶץ = `al hâ´ârèts (op de aarde) Mt
6,19.
- אֵת הָאָרֶץ = ´eth hâ´ârèts (het land) Gn
1,1 Gn 12,7
- אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת = ´èth hâ´ârèts hazzo´th
(dit land) Gn 12,7
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr (het land dat) Dt
4,1.
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר אֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr nisjëba` (het land dat Hij zwoer) Dt 1,8.
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיכֶם נֹתִן לָכֶם = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khèm nothen lâkhèm (het land dat JHWH, jullie God, jullie gevende) Dt
4,1
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לָךְ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lâkh (het land dat JHWH, je God, je gevende) Dt
4,1.
- אֵת הָאָרֶץ אֱשֶׁר יהוה אֱלֹהֶיךָ נֹתֵן לְךָ = ´èth hâ´ârèts ´äsjèr JHWH ´êlohe(j)khâ lëkhâ (het land dat JHWH, je God, je gevende) Dt
4,1.
- וְאִת הָאָרֶץ = wë´eth hâ´ârèts (en het land) Gn
1,. 1.
- וְהָאָרֶץ = wëhâ´ârèts (en de aarde) < wë + bepaald lidw ha + ´èrèts
(land, aarde) Lv
19,23.
- בְּאֶ֥רֶץ (= bë´èrèts: in het land van); vz ב: bë + zn אֶ֥רֶץ = ´èrèts: land) - בְּאֶרֶץ / בָּאָרֶץ = bâ´èrèts / bâ´ârèts (in het land) < voorzetsel bë
+ bepaald lidw ha + zelfst naamw אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde) Lv
25,9
- בְּאַרְצְךָ = bë´arë tsëkhâ (in jouw land) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw + suffix bezitt voornaamw 2de pers mann enk Lv
25,9.
- בְּאַרְצְכֶם = bë´arëtsëkhèm (in jullie land): prefix voorzetsel bë + zelfst naamw a-r-ts + bezittel voornaamw 2de pers mann mv Lv
25,9.
- לָאָרֶץ = lâ´ârèts (voor de aarde) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Lv
25,9.
- מֵאֶרֶץ = me´èrèts (uit het land) < min + אֶרֶץ =´èrèts
(land, aarde) Ex
12,51 Ex 20,2 Lv
25,9 Dt
6,12
- מֵאַרְצְךָ = me´arëtsëkhâ (uit je land) < voorzetsel min (uit), zelfstandig naamwoord אֶרֶץ = ´èrèts (land) en suffix persoonlijk
voornaamwoord tweede persoon mannelijk enkelvoud khâ Gn
12,1.
- מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם = me´èrèts mitsërâjim (uit het land Egypte) Ex 20,2 Dt 6,12
- מֵאֶרֶץ מִצְרָיִם מִבֵּית עֲבָדִים = me´èrèts mitsërâjim mibbe(j)th `äbhâdîm (uit het land Egypte, uit het huis van de dienaren ) Ex 20,2 Dt 6,12.
- - èrxato
(hij begon), zie Mc
1,45 In 18 verzen bij Marcus - èrxato (hij begon) In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt
4,17.
- ερευναω = ereunaô (zoeken, onderzoeken, zoeken te kennen, zoeken te begrijpen)
- act ind aor 3de pers enk ηρευωησε = èreunèsen (hij zocht) PJ 1,1
- ????sat? (= �rgasato: hij bewerkte; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw e??a?? = ergadz�: bewerken)
- ἔργον (= ergon: werk; zn acc onz enk).
- ἐριθεια (= eritheia: twistzucht, egoïsme, zelfzucht; zn nom vr enk).
- ἐρις (= eris: twist, ruzie; zn nom vr enk).
- ἔριδος (= eridos: van ruzie; zn gen vr enk van het zn ἐρις = eris: twist, ruzie)
- ἔριφος (erifos: lam, bokje, geitenbokje).
- ἐρίφων (= erifôn: bokjes; zn gen mann mv van het zn ἔριφος = erifos: lam, bokje, geitenbokje).
- ἐριστικὸς (= eristikos: twistziek, ruziemakend; bv nw nom mann enk)
- ερωταω = erôtaô: vragen) Taalgebruik in het NT: erôtaô
- Ἐρωτῶμεν (= erôtômen: wij vragen; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw ερωταω = erôtaô: vragen). 2
Tes 2,1.
- act ind imperf 3de pers enk ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) Mc 7,26
- και ηρωτα = kai èrôta (en hij / zij vroeg) Mc 7,26
- και ηρωτα αυτον = kai èrôta auton (en hij / zij vroeg hem) Mc 7,26
- και ηρωτα αυτον ἱνα = kai èrôta auton hina (en hij / zij vroeg hem opdat) Mc 7,26.
-
- עֵשָׂו (= `eshâw: Esau; eigennaam, mann enk). Gn
36,4.
- ἔσχατος (= eschatos: laatste; bv nw nom mann enk)
- ἔσχατον (= eschaton: laatste; bv nw acc mann enk)
- עֵשֶׂב = `eshèbh (kruid) Taalgebruik in Tenakh: `eshèbh (kruid) Gn
1,11
- אֵש = ´esj (vuur) Taalgebruik
in Tenakh: ´esj
(vuur) Dt
4,24
- אֵש אֹכְלָה = ´esj ´okhëlâh (vuur verslindende) Dt
4,24.
- Fr: e- voor sp; Fr: e-sprit. Lat: spiritus. Fr: e-spagne. Ned: Spanje.
- ἔσχατος (= eschatos: laatste;
- ἔσχατον (= eschaton: laatste; bv nw acc mann enk van het bv nw ἔσχατος = eschatos: laatste)
- ἔσω (= esô: binnenin, bw).
- εσθιω = esthiô: eten)
Taalgebruik in het NT: esthiô
(eten)
- εσθιει (= esthiei: hij eet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten) συνεσθιει = sunesthiei (hij eet samen met) Lc
15,2.
- ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai, aor. εφαγον = efagon, perf. εδηδως = edèdôs, wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) Mc 7,28.
- ἐσθιόντων (= esthiontôn: etende; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εσθιω = esthiô: eten)
- και εσθιοντων (= kai esthiontôn: en terwijl zij eten): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε (= esthiontôn: terwijl zij eten):
Mt
26,26.
- εσθιοντων αυτων (= esthiontôn autôn: terwijl zij eten): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21.
- και εσθιοντων αυτων (= kai esthiontôn autôn: en terwijl zij eten): Bijbel = NT (2): (1) Mc
14,22. (2) Mt 26,21.
- εσθιοντων δε αυτων (= esthiontôn de autôn: terwijl zij echter eten):
Mt
26,26.
- act ind aor 3de pers enk εφαγεν = efagen (hij at) Mc 2,26.
- εφαγον (= efagon: zij aten; wkw act ind aor 1ste pers enk en 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) Mc
6,42
- και εφαγον = kai efagon (en zij aten) Mc
6,42.
- εφαγον παντες = efagon pantes (allen aten) Mc
6,42.
- φάγοι (= fagoi: moge hij eten; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- φάγω (= fagô: ik zou eten; wkw act conjunct aor 1ste pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- φάγῃς (= fagès: jij zoudt eten; wkw act conjunct aor 2de pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- φαγέτω (= fagetô: ete; wkw act imperat aor 3de pers enk bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- act infinitief aor (2de) φαγειν = fagein: te eten) Mc
3,20 Lc 9,13
- δοτε αυτοις ὑμεις φαγειν = dote autois humeis fagein (geeft jullie aan hen te eten) Of jullie moeten hen geven te eten Mc 6,37.
- med futurum 2de pers mv φαγεσθε = fagesthe (jullie zullen eten) Gn
9,4.
- ?s???? (= esthi�n: etende; wkw act part praes mann enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- φαγόντες (= fagontes: etenden; wkw act part aor mann mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102)
- Fr: état. Lat: status. Ned: staat, toestand. Fr: é i.p.v. s - t - t. Fr: s initial devant consonne s' est fait précéder d'un é.
- Fr: étendard. Ned: standaard, vaandel.
- έτι (= eti: ook, nog; bw; bw; Ned: ietsje?)
- ετος = etos (jaar) Taalgebruik in het NT: etos
(jaar) Lv
25,3
- nom + acc onz mv ετη = etè (jaren) Lv
25,3.
- אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh: ´eth
(accusatief) Gn
1,1 Ex
20,11
- וְאֶת / וְאִת = wë´èth / wë´eth < wë + ´eth / ´èth (accusatief) Ex
20,1 .
- אֶת יהוה = ´èth JHWH (JHWH) Dt 6,13.
- אִתּוֹ = iththô (met hem) < voorzetsel ´eth + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn 12,4.
- accusatief + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv אֶתְכֶם = ´èthëkhèm (jullie) Dt
11,13.
- accusatief + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv אֹתָם = ´othâm (hen) OF: persoonl voornaamw 2de pers mann mv אַתֶּם = ´aththèm (jullie) Zie: אֵת / אֶת = ´eth / ´èth (accusatief) Taalgebruik in Tenakh: ´eth
(accusatief) Dt
11,18.
- `eth (tijd) Taalgebruik in Tenach: `eth
(tijd)
- etos
(tijd), zie Lc
3,1.
- ἔθνος (= ethnos: volk; zn nom onz enk).
- ἔθνη (= ethnè: volkeren; zn nom onz mv van het zn εθνος = volk)
- ἐθνῶν (= ethnôn: volkeren; zn gen onz mv van het zn εθνος = volk)
- ευ (= eu: goed; bw).
- ευαγγελιζομαι = euaggelizomai (goede boodschap brengen) Taalgebruik in het
NT: euaggelizomai
(goede boodschap brengen)
- inf aor ευαγγελισασθαι = euaggelisasthai (om de goede boodschap te brengen) Lc 4,18.
- ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) Taalgebruik
in het NT: euaggelion
(evangelie) Gal
2,2
- ευαγγελιον (= euaggelion: goede boodschap; zn acc onz enk).
- ευαγγελιον (= euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel) ευαγγελιον. Mc 1,14
- το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (de goede boodschap van God) Mc 1,14 1
Tes 3,2.
- ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) Mc 1,14 1
Tes 3,2.
- το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) Mc 1,14 1
Tes 3,2.
- το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) 1
Tes 3,2.
- εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel) Mc 1,1
- ευαγγελιου ιησου = euaggeliou ièsou (van het evangelie van Jezus) Mc 1,1.
- του ευαγγελιου του χριστου = tou euaggeliou tou christou (van het evangelie van Christus) Mc 1,1.
- του ευαγγελιου της δοξης του χριστου = tou euaggeliou tès doksès tou christou (van het evangelie van Christus) Mc 1,1.
- ευαγγελιῳ (= euaggeliô: in de goede boodschap; dat onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap) Mc 1,15
- τῳ ευαγγελιῳ = tô(i) euaggeliô(i) Mc 1,15 1
Tes 3,2
- τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = tôi euaggeliôi tou christou (aan het evangelie van Christus) Mc 1,15.
- τῳ ευαγγελιῳ του κυριου ἡμων ιησου = tôi euaggeliôi tou kuriou hèmôn ièsou (aan het evangelie van onze Heer Jezus) Mc 1,15.
- τῳ του θεου ευαγγελιῳ = tô(i) tou theou euaggeliô(i) (aan het evangelie van God) Mc 1,15.
- εν τῳ ευαγγελιῳ = en tô(i) euaggeliô(i) (in het evangelie) Mc 1,15 1
Tes 3,2
- εν τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = en tôi euaggeliôi tou christou (in
het evangelie van Christus) 1
Tes 3,2.
- εν τῳ ευαγγελιῳ του υἱου αυτου = en tôi euaggeliôi tou huiou autou (in
het evangelie van zijn zoon) Mc 1,15.
- ευχαριστεω = eucharisteô: danken) Taalgebruik in het NT: eucharisteô
(danken) Lc
22,17
- ευχαριστουμεν (= eucharistoumen: wij zeggen dank, wkw act ind praes 1ste pers mv: wij zeggen dank van het wkw εὐχαριστεω = eu-charis-t-eô: goed danken, bedanken; zn χαρις = charis: gratis, genade) Kol
1,3.
- εὐχαριστήσωσιν (= eucharistèsôsin: zij zouden dankzeggen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw εὐχαριστεω = eu-charis-t-eô: goed danken, bedanken; zn χαρις = charis: gratis, genade)
- εὐχαριστήσατε (= eucharistèsate: jullie zullen dankzeggen/bedanken, wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw εὐχαριστεω = eu-charis-t-eô: goed danken, bedanken; zn χαρις = charis: gratis, genade )·
- εὐχαριστεῖν (= eucharistein: dank te zeggen; wkw inf praes van het wkw εὐχαριστεω = eu-charis-t-eô: goed danken, bedanken; zn χαρις = charis: gratis, genade)
- ευχαριστησας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken). Lc
22,17.
- ευχαριστησας εκλασεν = eucharistèsas eklasen (gedankt brak hij) Lc 22,19
- ευχαριστησας εκλασεν και εδωκεν = eucharistèsas eklasen kai edôken (gedankt brak hij en gaf hij) Lc 22,19.
- εὐχαριστίας (= eucharistias: eucharistie, zn gen vr enk van het zn εὐχαριστία = eu-charis-t-ia: goede gratie/gave, dankzegging, eucharistie; zn met uitgang op -ia geeft een abstractie weer; zn charis: gratis, genade)
- ευδεχομαι = eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen) Taalgebruik in het NT: eudechomai (wel ontvangen, goed onthalen).
- ευδοκεω = eudokeô: instemmen, een welbehagen vinden
in) Taalgebruik in het NT: eudokeô
(instemmen, een welbehagen vinden in)
- εὐδόκησα (= eudokèsa: ik vond welbehagen in; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw ευδοκεω = eudokeô: instemmen, een welbehagen vinden
in.)
- ευδοκησεν (= eudokèsen: hij vond welbehagen in; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ευδοκεω = eudokeô: instemmen, een welbehagen vinden
in ) Gal
1,15
- εὐδόκησα
- ευδοκησεν () ὁ (= eudokèsen ho: hij vond welbehagen in)
- ευδοκησεν () ὁ θεος (= eudokèsen ho theos: God vond welbehagen in).
- ευδοκια = eudokia (welwillendheid,
goedgunstigheid) Taalgebruik in het NT: eudokia
(welwillendheid, goedgunstigheid, welbehagen)
- gen vr enk ευδοκιας = eudokias (van welbehagen) Lc 2,14.
- ευφραινω (= eufrainô: verheugen, blij maken).
- εὐφραίνου (= eufrainou: verheug je; wkw med of pass imperat praes 2de pers enk van het wkw ευφραινω: = eufrainô: verheugen, blij maken). Jl
2,21.
- εὐφρανθήσονται ( = eufranthèsontai: zij zullen blij zijn / zich verheugen); wkw pass fut 3de pers mv van het wkw ευφραινω: = eufrainô: verheugen, blij maken). Js
61,10.
- εὐφρανθήτω (= eufranthètô: wees blij, verheug je; wkw pass imperat aor 3de pers enk van het wkw ευφραινω: = eufrainô: verheugen, blij maken). Js
45:8.
- εὐφράνθητε (= eufranthète: weest blij, verheugen jullie zich; wkw pass imperat aor 2de pers mv van het wkw ευφραινω: = eufrainô: verheugen, blij maken). Js 44,23.
- εὐκαίρουν (= eukairoun: zijn vonden gelegenheid; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ευκαιρεω = eukaireô: vrije tijd hebben, gelegenheid vinden; < eu: goed + kair-: gepaste tijd, geschikt moment; augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens, nr 70,2, blz 53).
- εὐκαιρως (= eukairôs: juist op tijd, gunstig gelegen moment; bw)
- εὐκοπώτερον (= eukopôteron: gemakkelijker; bv nw vergelijkende trap acc onz enk van het bv nw ευκοπος = eukopos: gemakkelijk, zonder moeite)
- ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) Taalgebruik
in het NT: eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen)
- act ind fut 2de pers mv ευλογησετε = eulogèsete (jullie zullen zegenen) Nu 6,23.
- act ind aor 3de pers enk ευλογησεν = eulogèsen (hij zegende) Lc 9,16.
- act ind aor 3de pers enk ηυλογησεν = èulogèsen (hij zegende) Gn
1,22.
- εὐλογεῖτε (= eulogeite: spreekt goed, zegent; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen)
- inf praes ευλογειν = eulogein (te zegenen) Lc 24,51.
- ευλογησας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen). Lc 24,50.
- act optat aor 3de pers enk + act inf aor ευλογησαι = eulogèsai (dat hij zegene) Nu
6,24
- ευλογησαι σε κυριος = eulogèsai se kurios (de Heer zegene je) Nu
6,24.
- ὁ δε θεος μου ευλογησαι σε = ho de theos mou eulogèsai se (en mijn God zegene je) Nu
6,24.
- act part praes nom mann enk ευλογων = eulogôn (zegenend) Lc 1,64.
- actief participium nominatief mannelijk meervoud ευλογουντες = eulogountes (lofprijzend) Lc 24,53.
- Εὐλογημένος (= eulogèmenos: gezegend; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen)
- Εὐλογημένη (= eulogèmenè: gezegend; pass part praes nom vr enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen)
- eulogeô
(goed zeggen, prijzen), zie Lc
24,53.
- ευλογητος = eulogètos: gezegende; bv nw nom mann enk). Taalgebruik in het
NT: eulogètos
(gezegend) Lc
1,68
- ευλογητος κυριος = eulogètos kurios (gezegend JHWH) Lc
1,68
- ευλογητος κυριος ὁ θεος = eulogètos kurios ho theos (gezegend de Heer de God van) Lc
1,68.
- εὐλογητοῦ (= eulogètou: van de gezegende; bv nw gen mann enk van het bv nw ευλογητος = eulogètos: gezegende).
- εὐωνύμων (= euônumôn: links; bv nw gen mann enk van het bv nw εὐωνυμος = euônumos: links geplaatst,
linker)
- εὐσχήμων (= euschèmôn: voornaam, aanzienlijk; bv nw nom mann enk).
- (= eutheias: recht; bv nw acc vr mv van het bv nw e??e?ο? = eutheios: recht)
- ευθυς (= euthus: bv nw van tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; bv nw van plaats: rechtstreeks, direct, zonder omwegen; bv nw; bw: εὐθέως = eutheôs; zie euthunô: recht maken, richten; Ned: ef-tjes = eventjes?). Taalgebruik in het NT: euthus
(onmiddellijk, rechtstreeks) Mc
1,10
- και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk) Mc 1,23.
- Lat: exaggerare: 'tassen, optassen', stapelen. Fr: exagérer - exagération: overdrijven, overdrijving.
- εξαγω = exagô: uitleiden, naar buiten leiden; prefix voorzetsel ex: uit + wkw αγω = agô: leiden, voeren). Taalgebruik in het NT: exagô
(uitleiden, naar buiten leiden).
- ἐξάγουσιν (= eksagousin: zij leiden naar buiten; wkw act ind praes 3de mv van het wkw εξαγω = exagô: uitleiden, naar buiten leiden; prefix voorzetsel ex: uit + wkw αγω = agô: leiden, voeren)
- act ind aor 3de pers enk εξηγαγεν = exègagen (hij leidde uit) Ex
12,51 Lc. 24,50
- εξηγαγεν ἡμας = exagègen hèmas (hij leidde ons uit) Dt
6,21
- και εξηγαγεν ἡμας = kai exagègen hèmas (en hij leidde ons uit) Dt
6,21.
- act imperat aor 3de pers enk εξαγαγετω = exagagetô (moge uitgaan) Gn
1,20.
- εξαγαγειν (= exagagein: naar buiten te leiden; wkw act inf aor van het wkw εξαγω = exagô: uitleiden, naar buiten leiden; prefix voorzetsel ex: uit + wkw αγω = agô: leiden, voeren). Js 42,7.
- eξαιρeω = exaireô: eruit nemen, wegnemen, vernietigen, verdrijven.
- act ind aor 3de pers enk εξηρεν = eksèren (hij strekte uit) Lc 24,50.
- εξαρας = exaras: uitgeheven, uitgestrekt; wkw act part aor nom mann enk ) Lv 9,22.
- εξανιστημι = exanistèmi
(opstaan) Lc
22,46
- ἐξαναστήσῃ (eksanastèsè: hij zou doen opstaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εξ-αν-ι-στη-μι = eks-an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-)
- act part aor nom mann mv εξανασταντες = exanastantes (opstaande) Lc
22,46.
- εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan) Taalgebruik in het NT: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan)
- εξηλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 1,26 Lc 5,27 Lc 8,35
- εξηλθεν εκειθεν = exèlthen (hij ging vandaar uit) Mc 6,1
- εξηλθεν εκειθεν και = exèlthen ekeithen kai (hij ging vandaar uit en) Mc 6,1.
- εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) Joh
5,1.
- εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) Mc 2,13.
- και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit) Mc 2,13
- και εξηλθεν εκειθεν = kai exèlthen (en hij ging vandaar uit) Mc 6,1.
- και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) Mc 2,13.
- και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) Mc 2,13.
- εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit) Mc 2,13.
- εξηλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐξήλθατε (= eksèlthate: jullie zijn uitgetrokken; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐξελήλυθεν (= ekselèluthen: hij is uitgegaan; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- εξελθε (= exelthe: ga uit; wkw med imperat aor 2de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) M 1,25 Mc
5,8 Lc 5,8
- ἐξελθεῖν (= ekselthein: om uit te gaan; wkw med inf aor van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 1,45
- ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) Mc 2,13.
- και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) Mc 2,13.
- part aor gen mann enk εξελθοντος = exelthontos Mc 5,2
- εξελθοντος αυτου = exelthontos autou (nadat hij was uitgegaan) Mc 5,2.
- ἐξελθόντος (= ekselthontos: nadat hij was uitgegaan; wkw med part aor gen mann enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden)
- med part aor nom vr enk εξελθουσαι = exelthousai (uitgegaan) Mc
6,24.
- part aor gen mann mv εξελθοντων = exelthontôn Mc
6,54
- εξελθοντων αυτων = exelthontôn autôn (toen zij uitgegaan waren) Mc
6,54.
- εξισταμαι (= existamai: uit / buiten zichzelf staan, boven zichzelf uitstijgen, zichzelf overstijgen, uit zijn evenwicht geraken) Taalgebruik in het NT: existamai
(buiten zichzelf zijn, (ontsteld / ontzet zijn) Lc 2,47
- ind imperf 3de pers meerv εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) Lc 2,47.
- ind aor 3de pers enk εξεστη = exestè (hij was buiten zichzelf) Mc
3,21.
- ἐξίστασθαι (= eksistasthai: buiten zichzelf zijn; wkw med inf praes van het wkw εξισταμαι = existamai: uit / buiten zichzelf staan, boven zichzelf uitstijgen, zichzelf overstijgen, uit zijn evenwicht geraken)
- existamai
(buiten zichzelf zijn, ontsteld / ontzet zijn), zie Mc
16,8.
- εξεστιν = exestin
(het is toegelaten) Taalgebruik in het NT: exestin
(het is toegelaten) Mc 3,4.
- ἐξομολογούμενοι (= eksomologoumenoi: bekennende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐξομολογεω = eksomologeô: het eens worden; med: beknnen, prijzen, danken)
- ἐξορύξαντες (= exoruxantes; uitgegraven; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξ-οτυσσω / ορυττω < ex (uit) + orussô of oruttô: graven, uitgraven, een opening maken; Fr. creuser)
- ἐξουδενηθῇ (= eksoudenèthè: hij zou vernietigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἐξουδενεω / -οω = eksoudeneô / -oô: vernietigen)
- εξουσια = exousia: gezag, macht) Taalgebruik in het
NT: exousia
(gezag, macht)
- εξουσιαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) Mc 1,22
- εχειν εξουσιαν = echein exousian (om macht te hebben) Mc
3,15.
- εξουσιαν εχειν = exousian echein (om macht te hebben) Mc
3,15.
- εξουσιαν εχων = exousian echôn (macht, gezag hebbende) Mc 1,22.
- εδιδου αυτοις εξουσιαν = edidou autois exousian (hij gaf hen macht) Mt
10,1.
- εδωκεν εξουσιαν = edôken exousian (hij gaf macht) Mt
10,1
- εδωκεν αυτοις εξουσιαν = edôken autois exousian (hij gaf hen macht) Mt
10,1.
- εξουσιαν πνευματων = exousian pneumatôn (macht over geesten) Mc
3,15.
- εξουσιαν των = exousian tôn (macht over de) Mc
3,15
- εξουσιαν των πνευματων = exousian tôn pneumatôn (macht over de geesten) Mc
3,15.
- εξω (= exô: buiten; bw) Taalgebruik in het NT: exô
(buiten) Lc 24,50
- exousia
(macht) bij Marcus, zie Mc11,27: Mc
11,27-33 - exousia
(macht), zie Mt
28,18.
- ex-sultare (telkens opspringen, uitgelaten zijn, zich verheugen, blij zijn). Jl
2,21.
- exsulta (= spring op, verheug je; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ex-sultare: telkens opspringen, uitgelaten zijn, zich verheugen, blij zijn). Jl
2,21.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
F.
- Arabisch: فَدَى = fadâ (loskopen, vrijkopen) Taalgebruik in de Qoran: fada (loskopen, vrijkopen) Lc
1,68.
- φαίνεται (= fainetai: het schijnt; wkw med of pass ind praes 3de pers enk van het wkw φαινομαι = fainomai: schijnen, stralen, vookomen).
- nom mann mv φαρισαιοι = farisaioi
(Farizeeën) Taalgebruik in het NT: Pharisaioi
(Farizeeën) Lc
15,2.
- φατνη = fatnè (krib, ruif) Lc
23,53
- dat vr enk φατνῃ = fatnè(i) Lc 2,12
- εν φατνῃ = en fatnè(i) = in een krib, voederbak Lc 2,12.
- εφανερωσεν = efanerôsen (hij openbaarde zich) Joh
21,1.
- φανερος = faneros; zichtbaar, bekend)
- acc mann + onz enk φανερον Mc
3,12.
- φανερῶς (= fanerôs: openlijk; zie het bv nw φανερος = faneros; zichtbaar, bekend)
- φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) Taalgebruik in het NT: Pharisaioi
(Farizeeën)
- Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) Lc
15,2
- και (οἱ) φαρισαιοι = kai (hoi) farisaioi (en 'de' Farizeeën) Lc 2,12.
- φαρισαιοι και = farisaioi kai (Farizeeën en) Lc 2,12.
- γραμματεις και φαρισαιοι = grammateis kai farisaioi (schriftgeleerden en Farizeeën) Lc
15,2.
- οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) Lc
15,2.
- οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) Lc
15,2.
- οἱ δε φαρισαιοι και νομικοι = hoi de farisaioi kai hoi nomikoi (de Farizeeën echter en de wetgeleerden) Lc
15,2.
- Φαρισαίων (= Farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het wkw pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten)
- Farisaioi
(Farizeeën), zie Mc
2,18 Eveneens: Farisaioi
(Farizeeën), zie Mt
9,11.
- Fr: fardeau: vracht, last.
- φαρμακεια (= farmakeia: tovermiddelen, tovenarij; zn nom vr enk)
- φαρμακίαι (= farmakiai: tovermiddelen, tovenarij; zn nom vr mv van het zn φαρμακεια = farmakeia: tovermiddelen, tovenarij)
- φαρμακεύσεις (= farmakeuseis: jij zult geen toverkunsten gebruiken; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw φαρμακεύω = farmakeuô: toverkunsten gebruiken)
- φέγγος (= feggos: licht, glans; zn aac onz enk).
- φειδομαι = feidomai Taalgebruik in het NT: feidomai (sparen). Welk verband is er tussen het Griekse φειδομαι = feidomai en het Latijnse parcere.
- ind aor 2de pers enk εφεισω = efeisô (jij spaarde) Gn
22,16.
- ind aor 3de pers enk εφεισατο = efeisato (hij spaarde) Rom
8,32.
- fèmè (faam) Taalgebruik in het NT: fèmè
(faam) Taalgebruik in Lc: fèmè
(faam).
- φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) Taalgebruik in het NT: ferô
(voeren, dragen)
- εφερον (= eferon: zij droegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen)
- φεροντες (= ferontes: dragende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) Mc 2,3.
- φέρετέ (= ferete: brengt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen)
- ἤνεγκα (= ènegka: ik bracht; wkw act ind aor 1ste pers enk; wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 103, wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen)
- ἤνεγκαν (= ènegkan: zij brachten; wkw act ind aor 3de pers mv bij het wkw φερω = ferô: dragen, brengen)
- act part praes nom vr mv φερουσαι = ferousai (dragende) Lc 24,1.
- Grieks: φερω = ferô
(voeren, dragen, brengen) Taalgebruik in het NT: ferô
(voeren, dragen) Lat: ferre por-tare (f / p) Frans: porter Italiaans: portare Ned: bre-n-gen (p / b) D: bringen E: to bring
- feugô
(vluchten), zie Mc
16,8.
- φευγω (= feugô. vluchten; stam: fug; f/v - u/l - g/ch,h -> Ned: vlucht).
- φευγέτωσαν (= feugetôsan: dat zij vluchten; wkw act imperat praes 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten)
- ἔφυγεν (= efugen; hij vluchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten)
- ἔφυγον (= efugon: zij vluchtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten)
- φευξονται (= feuksontai: zij zullen vluchten; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten).
- φεῦγε (= feuge: vlucht; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw φευγω = feugô. vluchten)
- Arabisch: فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran: fi (in)
- φιλάργυρος (= filarguros: geldminnend, hebzuchtig; bv nw nom mann enk)
- φιλήσω (= filèsô: ik kus; wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw φιλεω = fileô: vriendelijk behandelen, zoenen, kussen).
- Φιλίππου (= filippou: van Filippus; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam Φιλίππος = filippos: Filippus)
- filippos (Filippos) Taalgebruik in het NT: filippos
(Filippus) Taalgebruik in Mc: filippos
(Filippus).
- φιμοω = fimoô (muilkorven, mond snoeren) Taalgebruik in het NT: fimoô (muilkorven, mond snoeren)
- passief imperat aor 2de pers enk φιμωθητι = fimôthèti (wees gemuilkorfd) Mc 1,25.
- Lat: fumen. Ned: vloe-i-en - vloed.
- φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
- εφοβουντο (= efobounto (zij vreesden; wkw med dep ind imperf 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden) Mc
16,8.
- φοβηθήσονται (= fobèsontai: zij zullen vrezen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden)
- μη φοβου = mè fobou (vrees niet) Lc 1,13.
- φοβεισθε (= fobeisthe: vreest; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). Lc 2,10
- μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet) Lc 1,13 Lc 2,10.
- pass part praes nom mann enk φοβουμενος = foboumenos (vrezend) Gal
2,12.
- ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). Mc 4,41 Mc 5,15.
- και εφοβηθησαν φοβον μεγαν = kai efobèthèsan (en zij vreesden) fobon megan (een grote vrees) Mc 4,41.
- pass part aor nom mann mv φοβηθεντες = fobèthentes (bevreesd) Lc
8,25.
- φοβηθητε (= fobèthète: vreest, weest bevreesd; wkw pass imperat mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). NT (10). Mt (3): (1) Mt
10,26. (2) Mt
10,28. (3) Mt
10,31. Lc (5): (1) Lc 12,4. (2) Lc 12,5 (3X).
- φοβος = fobos (vrees, fobie)
Taalgebruik in het NT: fobos
(vrees, fobie)
- φοβῳ (= fobô: vrees, fobie; zn dat mann enk van het zn φοβος = fobos: vrees, fobie).
- φοβον (= fobon: vrees; zn acc mann enk van het zn φοβος = fobos: vrees, fobie) Mc 4,41
- φοβον μεγαν = fobon megan (een grote vrees) Mc 4,41.
- φωνη (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk). Taalgebruik in het NT: fônè
(stem, roep). Lat: vo-x = stem, vo-care = roepen; Gr: φημι = fèmi: spreken. Lat: for - fari. Verwant met de indogermaanse stam bha. Hebr:
יפ = p´: mond.
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen. Lat. facies. E. face. Ned. aangezicht , aanschijn.
- φωνῃ (= fônè: met stem, roep; zn dat vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) Mc 1,3
- φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem) Mc
5,7
- κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) Mc
5,7.
- φωνὴν (= fônèn: stem; zn acc vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep). Mc 15,37.
- φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen) Taalgebruik in het NT: fôneô
(roepen, schreeuwen)
- φωνεῖ (= fônei: hij roept; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen)
- ἐφώνησεν (= efônèsen: hij kraaide, hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen)
- act part aor nom + acc onz enk φωνησαν = fonèsan (schreeuwend) Mc 1,26 .
- F???sate (= f?n?sate: roept; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen)
- φωνῆσαι (= fônèsai: te kraaien, te roepen; wkw act inf aor van het wkw φωνεω = foneô: roepen, schreeuwen)
- φονεῖς (= foneis: moordenaars, doders, zn nom mann mv van het zn foneus: moordenaar, doder; zn eindigend op - ευς = eus: wkw/zn -> zn, vaak personen die met het grondwoord verbonden zijn, zie wkw φονευω: moorden, doden; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: φονος -> φονευω: fonos -> foneuô: moord/dood -> moorden/doden)
- φονεύσεις (= foneuseis: jij zult moorden/doden, wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw φονευω: moorden, doden; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: φονος -> φονευω: fonos -> foneuô: moord/dood -> moorden/doden).
- φονος = fonos: moord.
- φόνον (= fonon: moord; zn acc mann enk van het zn φονος = fonos: moord)
- φόνου (= fonou: van moord; zn gen mann enk van het zn φονος = fonos: moord)
- φόνοι (= fonoi: moorden; zn nom mann mv van het zn φονος = fonos: moord)
- Lat: fons , -tis. Ned: bron (f=ph, p/b). la fontaine: fontein.
- φως (= fôs: licht; zn nom onz enk) Taalgebruik
in het NT: fôs
(licht) zie Mt
5,14. Gn
1,3 Js 9,1
- dat onz enk φωτι = fôti Kol
1,12,
- τῳ φωτι = tô(j) fôti EN εν τῳ φωτι = en tô(j) fôti (in het licht) Kol
1,12,
- φραζω (= fradzô: omheinen, afsluiten, blokkeren).
- φραγελλώσας (= fragellôsas: gegeseld; wkw act part aor nom mann enk van het wkw φραγελλοω = fragelloô: geselen, zie Lat: flagellare).
- φραγμὸν (= fragmon: afsluiting, omheining; zn acc mann enk van het zn φραγμος = fragmos). Mc 12,1.
- φρεαρ = frear (put) Taalgebruik in de Bijbel: frear (put) Gn
29,3
- genitief enkelvoud φρεατος = freatos Gn
29,3
- φρονεῖς (= froneis: jij bedenkt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw φρονεω: verstandig zijn, inzien, weten, bedenken)
- -
- fruattô (briesen, ongeduldig zijn) Verwijzing: râgasj
(onrustig zijn, tobben), zie Ps
2,1
- Frugian
(Frygië), zie Hnd
2,10
- φθειρω (= ftheirô: te gronde richten, vernielen, verwoesten; stam: ftherJ -> ftheirô). Mnemotechisch middel: het Nederlands bv nw
vort (verrot, corrupt, vgl rotten). Ned: rotten: zonder f en met metathesis. "Verrotting is biologische afbraak in het beginstadium, direct na de dood (dieren, mensen) of het afsterven (bladeren)." Wikipedia. Lat: rumpere (m als infix), rupi, ruptum: breken, afbreken, verbreken, uiteen splijten, doen barsten; f = ph en p; methathesis met ftheirô en zonder th. Lat: corruptio: het bederven, omkoping, ont-binding. Hnd
2,27.
- φθόνοι (= fthonoi: afgunsten, nijd; zn nom mann mv van het zn φθόνος = fthonos: afgunst, nijd, jaloersheid). Lat.: invidia. Fr.: envie. E.: envying.
- φθόνου (= fthonou: van afgunst; zn gen mann enk van het zn φθόνος = fthonos: afgunst, nijd, jaloersheid). Lat.: invidia. Fr.: envie. E.: envying.
- φθορα (= fthora: verderf, vernietiging, ondergang, dood; stam: ftherJ -> ftheirô). Rotting. Hnd
2,27.
- φθορᾷ (= fthora: door misbruik; zn dat vr enk van het zn φθορα = fthora: verderf, misbruik, vernietiging).
1
Kor 15,42.
- φυλη = fulè (volks-stam, afdeling van het volk) Taalgebruik in het NT: fulè (volks-stam, afdeling van het volk)
- gen vr mv φυλων = fulôn (van de stammen)
- δώδεκα φυλῶν (twaalf stammen) PJ 1,1
- φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de stammen van Israël) PJ 1,1
- τῶν δώδεκα φυλῶν τοῦ Ἰσραὴλ (van de twaalf stammen van Israël) PJ 1,1
- ἐφυλαξάμην (= efulaksamèn: ik onderhield; wkw med ind aor 1ste pers enk van het wkw φυλλαττω = fulattô: bewaken, bewaren, onderhouden)
- φύλλα (= bladeren; acc onz mv van het zn φυλλον = fullon: blad)
- φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken.
- ἐφύτευσα (= efuteusa: ik plantte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken). Taalgebruik in het NT: futeuô
(voortplanten, telen). Js
5,2.
- ἐφύτευσεν (= efuteusen: hij plantte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw φυτευω = futeuô: planten, voortbrengen, verwekken; stam Gr: futeuô / Ned: planten: f/p - u/l - (n) -t). Taalgebruik in het NT: futeuô
(voortplanten, telen). Mc 12,1.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
G .
- Ned: gaan. D: gehen. E: go. Grieks: ερχομαι = erchomai: gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Arabisch: اذهب (adhhab). Hebreeuws: בָּא = bâ´: gaan, komen. Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Lat: ire, vadere (Fr: je vais, il va). amb-ulare (Fr: nous allons, vous allez).
- גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn, klimmen, groeien) Taalgebruik in Tenakh: gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn, klimmen, groeien)
- act ind perf (qatal) 3de pers mann enk גָאָה = gâ´âh (zich verheffen, verheven zijn, klimmen, groeien)
- גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) Taalgebruik in Tenakh: gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) Mt
8,27 Mc
4,39
- wa consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) Gn
37,10 Mt
8,27 Mc
4, 39.
- גָבָה = gâbhâh (hoog / verheven zijn,
uitsteken) Taalgebruik in Tenakh: gâbhâh
(hoog / verheven zijn, uitsteken) Ps
113,5
- prefix bepaald lidw ha + act hifil part nom mann enk הַמַּגְבּיהִי = hammagëbîhî (hij
die doet hoog zijn, die zich verheft) Ps 113,5.
- Gabriël Gabriël
(Gabriël), zie Lc
1,26.
- גָדַל (= gâdal: groot worden, opgroeien). Taalgebruik in Tenakh: gâdal
(groot worden, opgroeien). Gn
12,2.
- גָּדְלָה (= gâdlâh: zij maakt groot; wkw act ind perf / qal 3de pers vr enk van het wkw גָדַל = gâdal: groot worden, opgroeien).
- תִגְדַּל (= thigëdal: en zij maakt groot; wkw act qal imperf 3de pers vr enk van het wkw גָדַל = gâdal: groot worden, opgroeien). Lc
1,46.
- prefix wë + act piël imperf (cohortatief) 1ste pers enk וַאֲגַדְּלָה = waägaddël
- גָדוֹל (= gâdôl: groot; bv nw mann enk). Gn
12,2.
- הַגְּדוֹלָה (= haggëdôlâh: de grote; < ha: bep lidw + bv nw vr enk van het bv nw גָדוֹל = gâdôl: groot).
- gâdal
(groot worden, opgroeien), zie Ps
34,4.
- גַּל = gal (steenhoop, wel) Zie: גָלַל = gâlal (rollen, wentelen)
Taalgebruik: gâlal
(rollen, wentelen)
- mann mv גַּלִּים = gallîm (golven, baren) Mc
4,37.
- גָלָה = gâlâh (openen, ontbloten, openbaren) Taalgebruik in Tenakh: gâlâh
(openen, ontbloten, openbaren)
- act ind jiqtol (imperf) 3de pers mv יִגְלוּ = jiglû (zij openen)
- וְנִגְלָה = wënigëlâh (en zal geopenbaard worden) < wë + passief nifal perf 3de pers mann enk Js
40,5
- גָלַל = gâlal (rollen, wentelen)
Taalgebruik in Tenakh: gâlal
(rollen, wentelen) Mt
28,2
- וְגָלֲלוּ = wëgâlälû (en zij rolden) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act ind perf 3de pers mann mv Gn
29,3.
- וַיָּגֶל = wajjâgèl (en hij rolde weg) < prefix verbindingswoord wë + actief imperf 3de pers mann enk Mt
28,2.
- Galatikèn
chôran (Galatië), zie Hnd
2,10.
- nom vr enk γαληνη = galènè (windstilte) Taalgebruik in het NT: galènè (windstilte) Mc
4,39.
- γαλιλαια = galilaia: Galilea) Taalgebruik
in het NT: Galilaia
(Galilea) Lc 1,26 Lc
8,26
- γαλιλαιας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) Mc 1,16 Lc 1,26 Lc
3,1 Lc
17,11 Joh
21,2
- απο της γαλιλαιας = apo tès Galilaias (vanaf Galilea) Mc 3,7
- απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) Mc 3,7.
- Γαλιλαίᾳ (= Galilaia: in Galilea; zn eigennaam dat vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea)
- γαλιλαιαν (= Galilaian: Galilea; zn eigennaam van plaats; acc vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) Mc 1,39 Joh
4,3
- την γαλιλαιαν = tèn galilaian (Galilea) Mc 1,39
- ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) Mc 1,39.
- εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) Mc 1,39 Joh
4,3.
- Γαλιλαῖος (= Galilaios: Galileeër; zn eigennaam nom mann enk).
- גַּם = gam (tezamen, ook, zelfs) Taalgebruik in Tenakh: gam (tezamen, ook, zelfs) Ps 133,1.
- γαμοῦσιν (= gamousin: zij huwen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw γαμεω = gameô: huwen)
- γαμήσῃ (= gamèsè: hij zou huwen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γαμεω = gameô: huwen)
- γαμίζονται (= gamidzontai: zij worden uitgehuwelijkt; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw γαμιζω = gamidzô: uithuwelijken)
- גְּאֹונְך (= gâ'ônkhâ: uw heerlijkheid; zn mann enk גְּאֹונ = gâ'ôn: heerlijkheid, grootheid, verhevenheid + suffix pers vnw 2de pers enk). Ex 15,7.
- γαρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden; Fr.: car). Taalgebruik
in het NT: gar
(want). Mc 1,22 Mc
3,10.
- גָרַשׁ = gârasj (verdrijven, verjagen, uitwerpen) Taalgebruik in Tenakh: gârasj
(verdrijven, uitwerpen)
- act piël perf 2de pers mann enk גֵּרַשְׁתָּ = gerasjëthâ (jij verdrijft) Gn
4,14.
- וַיְגָרֶשׁ = wajëgârèsj (en hij verdrijft) < wë + act piël imperf 3de pers mann enk Gn
3,24.
- וְגֵרַשׁתָּמוֹ = wëgerasjthâmô (en jij zult hen verdrijven) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act piël perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Ex
23,31.
- γαστηρ = gastèr (buik, schoot). Taalgebruik
in het NT: gastèr
(buik, schoot) Lc 1,31
- γαστρι (= gastri: in de buik; zn dat vr enk van het zn γαστηρ = gastèr: buik, schoot). Lc 1,31
- εν γαστρι (= en gastri: in de buik).
- εχω εν γαστρι = echô en gastri (in de buik hebben) Gn
16,11
- λαμβανω εν γαστρι = lambanô en gastri (in de buik nemen) Gn
16,11.
- συλλαμβανω εν γαστρι = sullambanô en gastri Gn
16,11.
- gaudebo (= ik zal mij verheugen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw gaudere: zich verheugen, zich verblijden). Js
61,10.
- gaudete (= verheugen jullie zich; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw gaudere: zich verheugen, zich verblijden).
- γη (= gè: aarde, land) Taalgebruik in het NT: gè
(aarde) Lv
19,23
- nom vr enk γη = gè
(aarde, land) Gn
1,2
- ἡ δε γη = hè de gè (het land / de aarde echter) Gn
1,2.
- και ἡ γη = kai hè gè (en het land / de aarde) Gn
1,2.
- γης (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) Mt
6,10
- επι γης = epi gès (op aarde) Mt
6,19.
- της γης = tès gès (van de aarde) Mt
6,19
- επι της γης = epi tès gès (op de aarde) Mt
6,19 Mc
4,31.
- acc mann enk γην = gèn Gn
12,1.
- γῆν (= gèn: aarde, land; zn acc vr enk van het zn γη = gè: aarde, land)
- gè
(aarde), zie Mt
28,18.
- Ned: gedachtenis Arabisch: ذِكرى = dhikrâ (herinnering) Taalgebruik in de Qoran: dhikrâ (herinnering) Aramees: דוּכְרָנָא = dûkhërânâ´ (herinnering, gedachtenis) van het werkw דְכַר = dëkhar (zich herinneren) D: Gedächtnis E: remembrance Fr: mémoire Latijn: commemoratio (het samen gedenken) Lc 22,19.
- γέενναν (= geennan: gehenna, hel; zn acc vr enk van het zn γέεννα = geenna: gehenna, hel)
- Ned: geest Arabisch: روح = rûH (geest) Taalgebruik in de Qoran: rûH (geest) D: Geist
E: spirit Fr: esprit Grieks: πνευμα = pneuma (geest): Taalgebruik
in het NT: pneuma
(geest) Hebreeuws רוַח = rûach (geest) Taalgebruik in Tenakh: rûach
(geest) Lat: spiritus
-
- - gegraptai (er werd geschreven), zie Mt
2,5.
- γελαω = gelaô (lachen)
- act ind aor 3de pers enk εγελασεν = egelasen (hij / zij lachte) Gn
17,17.
- γεμίσας (= gemisas: gevuld hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γεμιζω = gemidzô: vullen).
- γενεα (= genea: afstamming, geslacht, stam; zn nom vr enk)
- γενεᾷ (= genea: generatie; zn dat vr enk van het zn γενεα = genea: afstamming, geslacht, stam, generatie)
- γενήματος (=genèmatos: van de vrucht; zn gen onz enk van het zn γενήμα / γεννήμα = genèma / gennèma: het voortgebrachte, vrucht)
- genesis (wording, ontstaan bij Matteüs)
- - genezen zie iaomai
- - genitief (losse), zie Mt
2,1.
- γεννῶνται (gennôntai: zij komen voort; wkw med / pass ind praes 3de pers mv van het wkw γενναω: voortbrengen, verwekken, maken)
- γεννᾶται (= gennatai: hij komt voort; wkw med / pass ind praes 3de pers enk van het wkw γενναω: voortbrengen, verwekken, maken)
- ἐγεννήθησαν (= egennèthèsan: zij werden voortgebracht; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw γενναω: voortbrengen, verwekken, maken)
- γένει (= genei: afkomst; zn dat onz enk van het zn γενος = genos, genous: geslacht, afkomst; stam: gen-)
- γενος (= genos, genous: geslacht, afkomst; zn nom onz enk; stam: gen-)
- gennaomai
(geboren worden), zie Mt
2,1.
- γεωργοὺς (= geôrgous: landbouwer, wijngaardenier; zn acc mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier).
- γεωργοὶ (= geôrgoi: landbouwers, wijngaardeniers; zn nom mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier)
- γεωργοῖς (= geôrgois: landbouwer, wijngaardenier; zn dat mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier)
- γεωργῶν (= geôrgôn: landbouwer; zn gen mann mv van het zn γεωργος = georgos: landbouwer, wijngaardenier)
- גֵרשׁוֹן = gerësjôn (Gerson) Taalgebruik in Tenakh: gerësjôn (Gerson) Gn 46,11
- gèsjèm
(regen), zie Zach
10,1
- gennaomai
(geboren worden), zie Mt
2,1.
- ἐγεννήθη (= egennèthè: hij werd geboren; wkw pass ind aor 3de pers mann enk van het wkw gennaô: geboren worden)
- γερασηνων (= geras�n�n: van de Gerasenen; zn eigennaam gen mann mv ).
- γεύσωνται (= geusôntai: zij zouden smaken; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw γευομαι = geuomai: smaken)
- Ned: geven D: geben E: to give Fr: donner
- don: geven - gave Grieks: διδωμι = didômi (geven) Hebreeuws: נָתַן = nâthan (geven) Taalgebruik
in Tenakh: nâthan
(geven) Lat dare / donare - donum
- גְּבוּרָתֶך (= gibôrthèkhâ: jouw kracht; zn stat constr vr enk van het zn גְּבוּרָה = gibôrâh: kracht, macht + suffix pers vnw 2de pers mann enk ך : kha: jou). Ps
80,3.
- אֶת־גְּבֽוּרָתֶ֑ךָ (= èth: om de acc aan te duiden + zn). Ps
80,3.
- Ned: gier D: Geier Grieks: γρυψ = γρυπος (grijpvogel, gier) In het Grieks heeft het woord 3 medeklinkers: g-r-p, zie het Ned grijpen, grabbelen E: vulture Fr: vautour < Latijn: vultur In het Hebreeuws zijn er verschillende woorden voor gier
- γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten) Taalgebruik in het NT: gignôskô
(kennen, weten). zie Mt
12,15.
- γινώσκοντες (= ginôskontes: kennende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn)
- ind fut 1ste pers enk γνωσομαι = gnôsomai (ik zal kennen) Lc 1,18
- κατα τι γνωσομαι = kata ti gnôsomai (waardoor zal ik weten) Lc 1,18.
- act ind fut 2de pers mv γνωσεσθε = gnôsesthe (jullie zullen kennen) Mc
4,13.
- γινώσκετε (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gno- of gnô; athematische aor., de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi; wkw met praesensversterking sk - Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97 -; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô - Baeyens 130a blz 97)
- ἐγίνωσκεν (= eginôsken: hij wist; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gno- of gnô; athematische aor., de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi; wkw met praesensversterking sk - Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97 -; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô - Baeyens 130a blz 97)
- γνοι (= gnoi: hij zou weten; wkw act conj aor 3de pers enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten; ) Mc 5,43.
- ἔγνωσαν (= egnôsan: zij wisten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten). Joh
10,6.
- γνῶναι (gnômai: om te kennen; wkw act inf aor van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn)
- γνοὺς (= gnous: wetende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn)
- γνωσθησεται (= gnôsthèsetai: het zal gekend worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten). NT (5).
- גיל / גול (= gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen, klinken, weerklinken).
Taalgebruik in Tenakh: gjl
/ gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen). De verschillende werkwoorden kunnen verwantschap hebben: g-l (Hebr: גיל / גול = gîl / gûl), in g-l (Gr: αγαλλιαω = agalliaô), g-l en k-l (Ned: en, galmen en klinken).
- act qal imperf (cohortatief) 1ste pers enk אָגִילָה = ´âgîlâh (dat ik juiche) Lc 1,47.
- נָגִ֤ילָה (= nâgîlâh: laten wij ons verheugen; wkw act imperf / jiqtol 1ste pers mv cohortatief van het wkw גיל / גול = gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen, klinken, weerklinken).
Taalgebruik in Tenakh: gjl
/ gwl (zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen).
- נָגִ֤ילָה וְנִשְׂמְחָה֙ (= nâgîlâh wënishmëchâh: laten wij ons verheugen en vrolijk zijn). Tenach (3). (1) Js
25,9 . (2) Ps
118,24. (3) Hl 1,4.
- תָּגִיל (= thâgîl: zij verheugt zich, zij galmt; wkw act ind imperf / jiqtol van het wkw גיל / גול: = gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen, klinken, weerklinken). Ps
35,9.
- תָּגִיל (= thâgîl: jij verheugt je, jij galmt; wkw act ind imperf (jiqtol) 2de pers mann enk van het wkw גיל / גול: = gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen).
- גִּילִי (= gîlî: verheug je; wkw act qal imperat 2de pers vr enk van het wkw גיל / גול (= gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen, klinken, weerklinken). Jl
2,21.
- גִּילו (gîlû: verheugen jullie; wkw act qal imperat 2de pers mv van het wkw גיל / גול (= gîl / gûl: zich verheugen, vrolijk zijn, vrezen, galmen, weergalmen, klinken, weerklinken). Tenakh (1): Jl
2,23.
- γινομαι = ginomai: worden,
gebeuren) Taalgebruik in de LXX: ginomai
(worden) Taalgebruik in het NT: ginomai
(worden) Lc 5,1
- ???eta? (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γίνου (= ginou: word, wees; wkw med imperat praes 2de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γινόμενα (= ginomena: het gebeurende; wkw part praes acc onz mv van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- εγενετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) . Lc 5,1 Lc
8,22 Lc 17,11 Lc
19,15 Lc 24,51
- εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) Gn
22,1 Lc 1,5 Lc 5,1 Lc 24,51
- πως εγενετο = pôs egeneto (hoe het gebeurde) Mc 5,16.
- εγενετο δε εν = egeneto de en = het gebeurde echter tijdens Lc 5,1
- εγενετο δε εν τῳ = egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het Lc 5,1 Lc 24,51.
- -
- εγενετο δε εν ταις ἡμεραις = = egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) Lc 1,5
- εγενετο εν ταις ἡμεραις βασιλεως της ιουδαιας = egeneto en tais hèmerais basileôs tès ioudaias (het gebeurde in de dagen van koning van Judea
- ΕΓΕΝΕΤΟ δὲ λιμὸς = egeneto de limos: er was eens een hongersnood. Gn 26,1.
- ὁτε δε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) Mc 4,10.
- εγενετο εν = egeneto en (het gebeurde tijdens) Lc 17,11
- εγενετο εν τῳ = egeneto en tô(i) (het gebeurde tijdens de) Mc 4,4 Lc 17,11.
- εγενετο εν ταις ἡμεραις = egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in de dagen) Lc 1,5.
- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) Gn
22,1 Mc 2,23 Lc 5,1 Lc
19,15 Lc 24,51
- και εγενετο επι παντας φοβος = kai egeneto epi pantas fobos (en er was vrees over allen) Lc
1,65.
- και εγενετο ἑσπερα = kai egeneto hespera (en het werd avond) Gn
1,8.
- και εγενετο θαμβος επι παντας = kai egeneto thambos epi pantas (en er was ontzetting over allen) Lc 4,36.
- και εγενετο εν = kai egeneto en = en het gebeurde tijdens Lc 5,1 Lc
19,15
- (και) εγενετο (δε) εν και αυτος = (kai) egeneto (de) en kai autos (- en - het gebeurde - echter - in en hij zelf ) Lc
8,22.
- και εγενετο εν τῳ = kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het Mc 4,4 Lc 5,1 Lc
19,15 Lc 24,51.
- και εγενετο εν μιᾳ των ἡμερων = kai egeneto en mia(i) tôn hèmerôn (en het gebeurde
tijdens één van de dagen) Lc
8,22.
- και εγενετο μετα = kai egeneto (en het gebeurde na) Gn
22,1.
- και ὁτε εγενετο = kai hote egeneto (en toen het gebeurde) Mc 4,10.
- ἐγένοντο (= egenonto: zij werden; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γένηται (= genètai: het zou gebeuren); wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden,
gebeuren)
- ἐγενήθη (= egenèthè: hij werd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γενηθητω (= genèthètô: het weze/ het gebeure; wkw med / pass imperat aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) Gn
1,3.
- aor imperat 3de pers mv γενηθητωσαν = genèthètôsan (het weze/ het gebeure) Gn
1,14.
- γίνεσθαί (= ginesthai: te gebeuren; wkw med inf praes van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) Lc 21,7.
- γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass
inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-)
- part aor gen mann en onz enk γενομενου = genomenou (geworden) Mc
6,2.
- γενομενης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) Mc 4,35.
- γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen)
- γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong)
- γναφεὺς (= gnafeus: volder, bleker; zn nom mann enk)
- Ned: God. Arabisch: اَللە = ´allah (Allah). Taalgebruik in de Qoran: ´allah (Allah). In het woord Allah zit het woord `al (op, verheven). D: Gott. E: God. Fr: dieu. De vloek dju Grieks: θεος = theos (God). Taalgebruik in het
NT: theos
(God). Hebreeuws: אֱלֹהִים = ´èlohîm
(God). Taalgebruik in Tenakh: ´èlohîm
(God).
- Ned: goed Arabisch: طَيَّبٌ = thajjab (goed) Taalgebruik in de Qoran: thajjab (goed) Aramees: טַב = tabh (goed) D: gut E: good Fr: bijvoegl naamw: bon / bijw: bien Gr: αγαθος = agathos Taalgebruik in
het NT: agathos
(goed) Hebreeuws: טוֹב = tôbh (goed) Taalgebruik
in Tenakh: tôbh
(goed) Lat: bijvoegl naamw: bonus / bijw: bene
ed - ginomai
(worden) ginomai
(gebeuren, worden, ontstaan), zie Lc
1,5, Mc
1,4 en Mc
16,1.
- γνωριζω (= gnôrizô: ik doe kennen; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw γνωριζω = gnôrizô).
- ἐγνώρισας (= egnôrisas: jij kende, jij maakte bekend; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw γνωριζω = gnôrizô: kennen, bekend maken; wkw eindigend op ιζω = -izô: 'iemand tot het grondwoord maken' - causatief; zie γνωσις = gnô-sis: kennis)
- γνώσεως (= gnôseôs: van de kennis, zn gen vr enk van het zn γνωσις = gnôsis: kennis, zn eindigend op -σις = -sis: van wkw naar zn om de handeling uit te drukken; zie het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn)
- γνῶσιν (= gnôsin: kennis; zn acc vr enk van het zn γνωσις = gnôsis: kennis, zn eindigend op -σις = -sis: van wkw naar zn om de handeling uit te drukken; zie het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn)
- Ned: goed Arabisch: طَيَّبٌ = thajjab (goed) Taalgebruik in de Qoran: thajjab (goed) Aramees: טַב = tabh (goed) D: gut E: good Fr: bijvoegl naamw: bon / bijw: bien Gr: αγαθος = agathos Taalgebruik in
het NT: agathos
(goed) Hebreeuws: טוֹב = tôbh (goed) Taalgebruik
in Tenakh: tôbh
(goed) Lat: bijvoegl naamw: bonus / bijw: bene
- γογγυζω = gogguzô (brommen, morren) Taalgebruik: gogguzô
(brommen, morren) Lc
15,2
- act ind imperf 3de pers mv εγογγυζον = egogguzon (zij morden) Lc
5,30 Lc
15,2.
- γόγγυσος (= goggusos: brommend, morrend; bv nw nom mann enk)
- גוֹי (= gôj: volk). Taalgebruik in Tenakh: gôj
(volk)
- גוֹיִם = gojim: volken; zn nw mann mv van het zn גוֹי = gôj: volk). Js
61,9
- kâl haggôjim: alle volkeren).
- לְגוֹי = lëgôj (tot volk) < prefix voorzetsel lë + zelfstandig naamwoord
גוֹי = gôj (volk) Gn
12,2. Mi
4,7.
- לְגוֹי גָדוֹל = lëgôj gädôl (tot een groot volk) Gn
12,2.
- Γολγοθᾶν (= golgothan: Golgatha; zn eigennaam acc vr enk van het zn Γολγοθα = golgatha: Golgotha).
- γωνίας (= gônias: hoek, winkelhaak; zn nw gen vr enk van het zn γωνία = gônia: hoek, winkelhaak)
- gonupeteô
(op zijn knie vallen), zie Mc
1,40.
- γονυ = gonu (knie) Gen γυνατος = gunatos Taalgebruik in het NT: gonu (knie) Lc
24,52.
- γόνατα (= gonuta: knieën; zn acc onz mv van het zn γονυ = gonu: knie).
- γονυπετεω = gonupeteô (op zijn knie vallen) Taalgebruik in het NT: gonupeteô
(op zijn knie vallen)
- act part praes nom mann enk γονυπετων = gonupetôn (knievallend) Mc 1,40.
- act part aor nom mann enk γονυπετησας = gonupetèsas (op de knie gevallen) Mc 1,40.
- γραφη (= grafè: schrift; zn nom vr enk). Rom
4,3.
- γραφὴς (=grafès: geschrift; zn gen vr enk van het zn γραφη = grafè: schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t).
- γραφὴν (=grafèn: geschrift; zn acc vr enk van het zn γραφη = grafè: schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t).
- γραφαῖς (= grafais: geschriften; zn dat vr mv van het zn γραφη = grafè: schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t). Rom
1,2.
- ἐν (...) γραφαῖς (= en grafais: in geschriften). Rom
1,2.
- γραφαί (= grafai: schriften; zn nom vr mv van het zn γραφη = schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t).
- γραφας (= grafas: schriften; zn acc vr mv van het zn γραφη = schrift; Indo-Europees: (s)-ch/g-r-f+t).
- τας γραφας (= tas grafas: de Schriften).
- κατα τας γραφας (= kata tas grafas: volgens de Schriften).
- γραφω = grafô
(schrijven) Taalgebruik in het NT: grafô
(s chrijven)
- ἔγραψεν (= egrapsen: hij schreef; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven)
- act ind fut 2de pers enk grapseis (jij zult schrijven) Dt
27,8.
- γράψαι (= grapsai: te schrijven; wkw act inf aor van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven)
- γεγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven). Mc 1,2. Gal
3,10.
- καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2
- καθως γεγραπται εν = kathôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in)
- ὡς γεγραπται = hôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2
- ὡς γεγραπται εν = hôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) Mc 1,2
- ὡς γεγραπται εν τῳ = hôs gegraptai en tô(j) (zoals er werd geschreven in de / het) Mc 1,2.
- γραμματευς (= grammateus: letter-kundige, (schriftgeleerde; zn nom mann enk) Taalgebruik in het NT: grammateus
(schriftgeleerde)
- γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) Mc 1,22 Lc
15,2
- και οἱ γραμματεις = kai hoi grammateis (en de schriftgeleerden) Lc
15,2.
- γραμματεις και = grammateis kai (schriftgeleerden en) Lc
15,2.
- οἱ γραμματεις και οἱ φαρισαιοι = hoi grammateis kai hou farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) Lc
15,2.
- οἱ φαρισαιοι και οἱ γραμματεις = hoi farisioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) Lc
15,2.
- οἱ αρχιερεις και οἱ γραμματεις = hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) Lc
15,2.
- γραμματεων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) Mc 12,28
- εἱς των γραμματεων = heis tôn grammateôn (één van de schriftgeleerden) Mc 12,28.
- γραμματεῦσιν (= grammateusin: aan de schriftgeleerden; zn dat mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven)
- grammateis
(schriftgeleerden), zie Joh
8,3
- grègoreô
(waken)
- γρηγορῇ (= grègorèi; hij zou waken; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).
- γρηγορεῖτε (= grègoreite: waakt; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken)
- γρηγορῆσαι (= grègorèsai: om te waken; wkw act inf aor van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).
- Ned: groot. Heb: gdl. Metathesis l/r en d/t. Medeklinkers: g - r/l - d/t. Fr?: grand. Lat: grandire (groeien), grandis (groot), granditas.
- γυμνὸς (= gumnos: naakt; bv nw nom mann enk)
- γυμνοῦ (= gumnou: naakt; bv nw gen onz enk van het bv nw γυμνὸς = gumnos: naakt)
- γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje).
Taalgebruik in het NT: gunè
(vrouw) Mc 7,26
- gn vr enk γυναικος = gunaikos Gn
3,15.
- γυναικα (= gunaika: een vrouw; zn acc vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw) Lc
14,20 Lc
14,26 Lc
18,29.
- γυναικες (= gunaikes: vrouwen; zn nom vr mv van het zn γυνη = gunè: vrouw). Ef
5,22.
- וַיָּגָר (= wajjâgâr: hij verbleef als vreemdeling; < prefix verbindingswoord wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw גר = gwr: als vreemdeling verblijven). Dt
26,5.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
H.
- Werkwoorden, eindigend met ה = h: -- bâkhâh (weeklagen, wenen) -- qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen) -- râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien) -- râdâh (vertreden, innemen, heersen) -- sjâthâh
(drinken) --
- הַ = ha (de, het) Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) Mc 1,23.
- Ned: haas Fr: lièvre Lat: lepus, leporis l, p/v Het dier is genoemd naar de kleur grijs In het hiëroglyfisch heeft de haas de klankwaarde wn Arabisch: أرنبة ('arnba) Hebreeuws: ארנבת
- גָּאָה (= hâ'âg: hij is verheven; wkw act ind / qatal 3de pers mann enk van het wkw גָאָה = gâ´âh: zich verheffen, verheven zijn , klimmen, groeien). Ex 15,1.
- גָאֹה (= ho'âg: verheven zijn; wkw inf absolutus van het wkw גָאָה = gâ´âh: zich verheffen, verheven zijn, klimmen, groeien).
- - hâdâr
(eer, majesteit, glorie), zie Ps
145,5.
- hâgâh
(grommen, kirren, zuchten), zie Ps
2,1.
- הָגָר (= hâgâr: Hagar; eigennaam). Taalgebruik in Tenakh: hâgâr (Hagar) Gn
16,1.
- ἁγιαζω = hagiazô: heiligen) Taalgebruik in het NT: hagiazô (heiligen)
- pass fut 3de pers enk ἁγιασθησεται = hagiasthèsetai (zal geheiligd worden) Mt
6,9.
- ἁγιασθητω (= hagiasthèto: geheiligd worde; wkw pass aor 3de pers enk van het wkw ἁγιαζω = hagiazô: heiligen) Mt
6,9.
- ἁγιασθεῖσαν (= hagiastheisan: geheiligd; wkw pass part aor acc vr enk van het wkw ἁγιαζω = hagiazô: heiligen)
- ἡγιασμένοις (= hègiasmenois: aan de geheiligden; wkw pass part perf dat mann mv van het wkw ἁγιαζω = hagiazô: heiligen)
- ἁγιος = hagios: heilig) Taalgebruik
in het NT: hagios
(heilig) Lc 1,35
- nom mann enk
ἁγιος (= hagios: heilig; bv nw nom mann enk) Taalgebruik
in het NT: hagios
(heilig) Mc 1,24
- ὁ ἁγιος του θεου = ho hagios tou theou (de heilige van God)
- ἅγιε (= hagie: heilig, bn voc mann enk van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy)
- ἁγίου (= hagiou: heilig, bn gen mann enk van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy)
- ἁγίῳ (= hagiô: heilig; bv nw dat mann en onz enk van het bv nw ἁγιος = hagios: heilig; stam: h, l)
- ἁγίας (= hagias: heilig, bn gen vr enk van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy)
- ἁγιον (= hagion: heilig; bv nw acc onz enk van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy) Lc 1,35
- τον ἁγιον του θεου = ton hagion tou theou (de heilige Gods) Mc 1,24.
- gen mv ἁγιων (= hagiôn: van heilige; bv nw gen mann mv van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy) Kol
1,12.
- ἁγίαις (= hagiais: heilige; bv nw dat vr mv bn ἁγιος = hagios: heilig).
- αἱμα (= haima: bloed; zn nom onz enk) Taalgebruik in het
NT: haima
(bloed) Ex
24,8 Lc 22,20
- dat onz enk αἱματι = haimati Lc 22,20
- εν τῳ αἱματι = en tô(i) haimati (in mijn bloed, door mijn bloed) Lc 22,20.
- haireô
(nemen, grijpen), zie Joz
5,9.
- הָיָה = hâjâh (zijn) Taalgebruik
in Tenakh: hâjâh
(zijn) Lc 5,1
- וְהָיָה = wëhâjâh (en het zal zijn / en het is) < prefix verbindingswoord
wë + werkw act qal perf 3de pers mann enk OF וֶהְיֵה = wèhëjeh
(en wees) < wë + act qal imperat 2de pers mann enk Gn
12,2 Dt
11,13.
- act qal perf 3de pers vr enk הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) Gn
1,2.
- act qal imperfect 3de pers mann enk יִהְיֶה = jihëjèh (hij zal zijn) Ex
20,3
- וְהָיָה־לָ֤ךְ (= jihëjèh lëkhâ: hij zal zijn).
- לֹא יִהְיֶה לְךָ = lo´ ihëjèh lëkhâ (er is niet aan jou = jij hebt niet) Ex
20,3.
- הָיוּ = hâjû (zij waren) Lc
15,1
- וַיְהִי (= wajëhî: en het
was; prefix verbindingswoord wa consecutivum + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw הָיָה = hâjâh: zijn).וּהָיוּ = hâjû (zij waren) < prefix voegw wë + act ind perf 3de pers mann mv Dt
6,6.
- ַיְהִי (= jëhî: wees; wkw act qal imperat 2de pers mann enk van het wkw הָיָה = hâjâh: zijn).
- וַיְהִי (= wajëhî: en het
was; prefix verbindingswoord wa consecutivum + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw הָיָה = hâjâh: zijn). Gn
22,1 Ex 2,23 Lc 5,
- וַיְהִי אַחַר = wajëhî ´achar (en het was na) Gn
22,1
- וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh
(na deze woorden/gebeurtenissen) Gn
22,1.
- -
- וַיְהִי אַחַר הַדְּבָרִים הָאֵלֶּה = wajëhî ´achar haddëbharîm hâ´ellèh
(na deze woorden/gebeurtenissen) Gn
22,1.
- וַיְהִי כֵן = wajëhî khen (en het
was zo) Gn 1,7.
- וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) Dt
34,5.
- בִּימֵי וַיְהִי = wajëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) Lc 1,5.
- וַתְּהִי (= waththëhî: en zij was; < waw consecutivum + wkw act qal imperf 3de pers vr enk van het wkw הָיָה = hâjâh: zijn). Gn
11,30.
- וַיִּהְיוּ = wajjihëjû (en zij waren) < wa-consecutivum + wkw act qal imperf 3de pers mv Lc
15,1.
- häjâh (zijn) Taalgebruik in Tenakh: hâjâh
(zijn) wajëhî, zie Joz
1,1 wajëhî ka´äsjèr
(en het was zoals/zodra), zie Joz
4,1 wajëhî ka´äsjèr thammû (en het
was zoals zij eindigden, zodra zij eindigden), zie Joz
4,1.
- הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen, klagen, woelen)
- הָלַך = hâlakh (gaan) Taalgebruik in Tenakh: hâlakh
(gaan)
- לֵכְנָה (lekhnâh = gaan jullie; wkw qal imper. vr. mv. van het wkw הָלַך = hâlakh: gaan).
- הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) Taalgebruik in Tenakh: hâlakh
(gaan) en Taalgebruik in Tenakh: ´achäre(j)
(achter) Lc 5,11.
- וַיֵּלֶך = wajjelèkh (en hij ging) < waw + act qal imperf
3de persmann enk Gn
12,4
- וַיֵּלֶך אַבְרָם = wajjelèkh (en hij ging) ´abhërâm (Abram) Gn
12,4.
- וַיֵּלֶך אִתּוֹ = wajjelèkh ´iththô (en hij ging met hem) Gn 12,4.
- וַיֵּלְכוּ = wajjelëkhû (en zij gingen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act
qal imperf 3de pers mann mv Gn
22,6 Mc 1,18
- וַיֵּלְכוּ שְׁנֵיהֶם = wajjelëkhû sjëne(j)hèm (en zij gingen samen) Gn
22,6.
- לְךָ לֶכ = lèkh lëkhâ (ga - voor je uit)
- וּלְכָ֖ה (ûlëkhäh: en kom; < vw ו (= waw: en) + wkw act imperat 2de pers mann enk van het wkw הָלַך = hâlakh: gaan + ה achteraan toegevoegd). Ps
80,3.
- act inf abs הָלוֹך = hâlôkh (om te gaan) Gn
12,9.
- הוֹלֵך (= hôlekh: gaande; wkw act part praes mann enk van het wkw הָלַך = hâlakh: gaan). Lc 2,29.
- וּבְלֶכְתְּךָ = ûbhëlèkhëthëkhâ (en in jouw gaan) < < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf stat construct + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,7
- וּבְלֶכְתְּךָ בַדֶרֶך = ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch (en in jouw gaan op de weg) Dt 6,7.
- הַהֹלְכִים = haholëkhim (zij die gaan) < bepaald lidwoord + act qal participium praesens
mannelijk meervoud Js 9,1.
- - hâlakh
(gaan), zie Js
9,1.
- הָלַל (= hâlal: loven, prijzen). Taalgebruik in Tenakh: halal
(loven, prijzen)
- act piël part mann mv מְהַלְלִים = mëhalëlîm (lofprijzende) Lc 2,20
- prefix waw + prefix bepaald lidw + act piël part mann mv וְהַמְהַלְלִים = wëhamëhalëlîm (lofprijzende)
- halal
(loven, prijzen), zie Ps
113,1
- halas (zout) 10X in de bijbel, 1X bij Matteüs
- ἅλας (= halas: zout; zn nom onz enk)
- ἅλα (= hala: zout-en; zn acc onz mv van het zn ἅλας = halas: zout; zie verbuiging van het zn κρεας = kreas)
- ἁλιευς = halieus: visser) Taalgebruik in het NT: halieus
(visser) Lc 5,2
- ἁλιεις (= halieis: vissers; zn nom mann mv van het zn ἁλιευς = halieus: visser) Lc 5,2.
- ἁλισθήσεται (= halisthèsetai: hij zal gezouten worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw ἁλιζω = halidzô: zouten)
- ἁλυσις = halusis (metalen ketting, boei, halsketen) Taalgebruik in het NT: halusis (metalen ketting, boei, halsketen)
- dat vr enk ἁλυσει = halusei Mc
5,3.
- acc vr mv ἁλυσεις = haluseis (boeien) Mc
5,4.
- dat vr mv ἁλυσεσιν = halusesin (met halskettingen) Mc
5,4.
- הָמָה = hâmâh (bruisen, brommen, klagen, woelen) Taalgebruik in Tenakh: hâmâh (bruisen, brommen, klagen, woelen)
- הָמוֹן = hâmôn (alarm, gedruis, menigte, overvloed) Mc 4,36.
- ἁμαρτανω = harmartanô: zondigen)
- ἡμάρτετε (= hèmartete: jullie zondigden; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw ἁμαρτανω = harmartanô: zondigen)
- act conjunctief aor 3de pers enk ἁμαρτησῃ = hamartèsè(i) (hij zou zondigen) Lc
17,3.
- ἁμαρτια = hamartia (zonde) Taalgebruik in
het NT: hamartia
(zonde)
- nom vr enk ἁμαρτια = hamartia (zonde) Taalgebruik in
het NT: hamartia
(zonde).
- αμαρτια (= hamartia: zonde; zn dat vr enk van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde).
- ἁμαρτιαι (= hamartiai: zonden; zn nom vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde)
- ἁμαρτιων (= hamartiôn: van de zonden; zn gen vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) Mt
1,21
- των ἁμαρτιων = tôn hamartiôn (van de zonden) Mt
1,21
- των ἁμαρτιων αυτων = tôn hamartiôn (van hun zonden) Mt
1,21.
- των ἁμαρτιων ἡμων = tôn hamartiôn hèmôn (van onze zonden) Mt
1,21.
- απο των ἁμαρτιων = apo tôn hamartiôn (van de zonden) Mt
1,21
- υπερ των αμαρτιων ημων (= huper tôn hamartiôn hèmôn: omwille van onze zonden). 1
Kor 15,3.
- ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde). Js
53,12.
- διὰ της ἁμαρτίας (= dia tés hamartias: omwille van de zonde). Js
53,12.
- διὰ τὰς ἁμαρτίας αὐτῶν (= dia tas hamartias autôn: omwille van hun zonden).Js
53,12.
- διὰ τὰς ἁμαρτίας αὐτῶν παρεδόθη (= dia tas hamartias autôn paredothè:: omwille van hun zonden werd hij overgeleverd). Js
53,12.
- διὰ της ἁμαρτίας (= dia tés hamartias: omwille van de zonde).
(= hamart?lous: zondaars; zn acc mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar)
- ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) Taalgebruik in het NT: hamartôlos
(zondaar)
- mann enk ἁμαρτωλος = hamartôlos (zondaar) Taalgebruik in het NT: hamartôlos
(zondaar) Lc 5,8 Lc
15,2.
- ἁμαρτωλοι = hamartôloi: zondaars; zn nom mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) Lc
15,1
- οἱ ἁμαρτωλοι = hoi hamartôloi (de zondaars) Lc
15,1.
- ??a?t???? (= hamart?l?n: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar)
- ἁμαρτωλῷ (= hamartôlô: zondig; bv nw dat vr enk van het bv nw ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar)
- Ned: hand Arabisch: يد = jad (hand) Taalgebruik in de Qoran: jad (hand) D: Hand E: hand Fr: main Grieks: χειρ = cheir (hand) Taalgebruik in het
NT: cheir
(hand); cfr chirurgie, chiropraxie Hebreeuws: יָד = jâd (hand) Taalgebruik in
Tenakh: jâd
(hand) Lat: manus Oudengels: hentan (trachten te pakken) Oudnoors: henda (grijpen) Hand betekent dus 'grijper', evenals het Griekse χειρ = cheir (hand); (g - ch; r) In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) Uit het Hebreeuws: jatten (stelen) Portal (2008, 63) Horappollon 119
- ἁπας = hapas: ieder, allen, alles)
Taalgebruik in het NT: hapas
(ieder, allen, alles)
- ἁπαντες (= hapantes: allen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles) Mc 1,27.
- ?pa?ta (= hapanta: alles); onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles)
- ἁπάντων (= hapantôn: van alle dingen; onbep vnw gen mann + onz mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles)
- ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken) Taalgebruik in het NT: haptô
(vastgrijpen, aanraken) Mc
3,10
- ???ta? (= haps?tai: hij zou aanraken; act conjunc aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken)
- act conjunct aor 3de pers mv ἁψωνται = hapsôntai (zij zouden aanraken) Mc
3,10.
- ἡψατο (= hèpsato: hij/zij greep vast; hij/zij raakte aan; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken) Mc 1,41.
- ἁψάμενος (= hapsamenos: aanrakende; wkw part aor nom mann enk het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken).
- αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen)
- act imperat aor 2de pers mv αφαψετε = afapsete (bindt af - bindt op) Bijbel (1): Dt
11,18.
- הַר (= har: berg) Taalgebruik in Tenakh: har
(berg ) Ex
34,2
- הָהָר = hâhâr (de berg) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Ex
34,2.
- mann mv stat construct הַרְרֵיו = harrëre(j) (de bergen van) Ps 133,3.
- אֶל הַר (= ´èl har: naar de berg van). Ex
34,2
- עַל רֹאשׁ הָהָר = `al ro´sj (op de top van) Ex
34,2.
- hârag
(doden, ombrengen), zie Ex
2,15.
- לַהֲר֣וֹג (= lahärog: om te doden; voorzetsel la + wkw qal inf van het wkw הָרַג = hârag: doden). Tenakh: (1) Pr 3,3. (2) Est 7,4.
- הָרָה = hârâh (zwanger worden, - zijn) Taalgebruik in Tenakh: härâh
(zwanger worden, - zijn) Gn
16,11 Lc 1,31
- הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = hârâh wëjoladëth (zwanger zijnde en barende) Gn
16,11
- הָרָה וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת בֵּן = hârâh wëjoladëth ben (zwanger zijnde en barende een zoon) Js
7,14.
- ἁρπαγαί (= harpagai: het roven, plunderingen; zn nom vr mv van het zn ἁρπαγη = harpagè: het roven, plundering)
- ἁρπαζω (= harpadzô: roven). Ned: roven. D: be-rauben. E: rob. Gr:
ἁρπαζω = harpazô (roven). Lat: rapere (roven). Stam: r-v/b/p. In het Grieks zijn er twee medeklinkers na elkaar, misschien moeilijk uitspreekbaar en vandaar misschien een begin ἁ = ha.
- harpazô
(roven), zie Mt
13,19.
- תַּהֲרֹס (= thähäros: wkw act ind imperf / jiqtol 2de pers mann enk van het wkw הרס = hâras: verwoesten, verbreken, doorbreken, neerhalen). Ex 15,7.
- Fr: hâter. Ned: haasten, verhaasten, bespoedigen.
- ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) of betrekk voornaamw dat vr enk ᾑ = hè(i)
of partikel van vergelijking ἠ = è (of) Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord Mc 4,41 Lc 1,29 Lc
9,12
- ἡ δε = hè de ( echter) Lc
9,12.
- της (= tès: van de; bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Mc 3,7 Lc
3,1.
- τῃ (= tè: de; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 1,23 Joh
1,43.
- bep lidw acc vr enk την = tèn (de) Mc 1,14
- εις την = eis tèn (naar de)
-
- bepaald lidw dat vr mv ταις = tais Lc 1,5.
- αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 6,2.
- ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Rom
1,2.
- τας (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 1,39 Lc 24,50.
- ἑαυτος = heautos: zichzelf) Taalgebruik in het NT: heautos (zichzelf)
- ἑαυτον (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) Mc 5,5.
- ?a?t?? (= heaut�n: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf)
- ἑαυτοῖς (= heautois: in zichzelf); wederkerig vnw dat mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf
- ἑαυτοὺς (= heautous: zichzelf; wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf)
- ἑαυτάς (= heautous: tot elkaar; wederkerig vnw acc vr mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf)
- Ned: hebben D: haben E: have Fr: avoir Grieks: εχω = echô
(hebben, bezitten) Taalgebruik: echô
(hebben, bezitten) in het NT Lat: habere
- ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) Gn
4,24.
- הֲבֵ֤ל (= häbhel: ademtocht, ijdelheid,
nietigheid, vergankelijkheid, damp; zn stat constr van het zn הֶבֶל = hèbhèl).
- הֶבֶל = hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) Ook de persoonsnaam Abel Taalgebruik in Tenakh: hèbhèl (ademtocht, ijdelheid, nietigheid) Gn
4,2
- הֲבָלִים֙ (= häbhâlîm: ijdelheden...; zn mann mv van het zn הֶבֶל = hèbhèl: ademtocht, ijdelheid,
nietigheid, vergankelijkheid, damp).
- וְהֶבֶל = wëhèbèl (en nietigheid, en Abel) < prefix voegwoord wë + Gn
4,2.
- אֶל הֶבֶל = ´èl hèbhèl (tot Abel) Gn
4,8.
- hèbhërôn
(Hebron), zie Gn
13,18.
- Ned: hechten uit ouder heften D: haften Grieks: ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken) Taalgebruik in het NT: haptô
(vastgrijpen, aanraken) Ook αφαπτω = afaptô (afbinden, binden op, knopen) Hebreeuws: קָשַׁר = qâsjar (binden, verbonden zijn aan, samenzweren) Taalgebruik in Tenakh: qâsjar (binden) .
- ἡδέως (= hèdeôs: graag, welwillend; bw)
- ἥδιον (= hèdion: graag, welwillend; bw)
- Ned: Heer Arabisch: رَب = rabb (God, Heer) Taalgebruik in de Qoran: rabb (God, Heer) Aramees: יוי = JWJ D: Herr E: Lord Fr: seigneur Grieks: κυριος = kurios (heer) Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer) Hebreeuws: יהוה = JHWH Taalgebruik in Tenakh: JHWH Latijn: Dominus (Eerste medeklinker Gr k, Ned + D h; tweede medeklinker: Gr + Ned + D: r )
- ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) Taalgebruik: hègemoneuô
(de weg wijzen, aanvoeren, besturen)
- act part praes gen mann enk
ἡγεμονευοντος = hègemoneuontos Lc
3,1.
- ἡγεμων = hègemôn (leider, heerser) Taalgebruik in het NT: hègemôn (leider, heerser)
- gen mann enk ἡγεμονος = hègemonos (van de heerser) Mt
27,27.
- ἡγεμόνων (= hègemonôn: heersers; zn acc mann mv van het zn ἡγεμων = hègemôn: leider, heerser)
- ἡγεμονια = hègemonias (van de hegemonie, heerschappij) Zie: ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen)
- Ned: heilig Arabisch: qadîsj (heilig) D: heilig E: holy Fr: saint Gr: ἁγιος = hagios (heilig) Taalgebruik
in het NT: hagios
(heilig) Hebreeuws: קָדוֹשׁ = qâdôsj
(heilig) Stat constr קְדוֹשׁ = qëdôsj Taalgebruik in Tenakh: qâdôsj
(heilig) Latijn: sanctus
- εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) Telwoord Taalgebruik in het NT: heis
(één) Lc
15,4
- nom mann enk εἱς Mc
14,51
- εἱς τις = heis tis (een zekere) Mc
14,51.
- εἱς δε τις = heis de tis (een zekere echter) Mc
14,51.
- εἱς των = heis tôn (één van de) Mc 12,28.
- ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één)
- ἑν (= hen: één; hoofdtelw nom + acc onz enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één) Lc
15,4
- ἑν εξ = hen ex (één uit) Lc
15,4.
- nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de éé
- (bv op dag één) Lc
8,22.
- μια (= mia: één; hoofdtelw nom vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één)
- μιᾶς (= mias: voor één; hoofdtelw gen vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één)
- μιᾷ (= mia: één; hoofdtelw dat vr enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één). Mc
16,1.
- μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc; vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia,
hen: één)
- ἑκατον = hekaton (honderd) Lc
15,4.
- n
- ἑκατον προβατα = hekaton probata (honderd schapen) Lc
15,4.
- nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (bv op dag één)
van het telwoord εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen (één) Taalgebruik in het NT: telwoorden Lc
8,22.
- ἑκάστῳ (hekastô: aan ieder; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw ἑκάστος = ieder).
- ἑκατονταπλασίονα (= hekatontaplasiona: honderdvoudig; bn acc onz mv van het bn ἑκατονταπλασιων = hekatontaplasiôn: honderdvoudig)
- ἑξ (= hex: zes; hoofdtelw). Zie: Taalgebruik
in het NT: ek
(uit) Lv
25,3. Ex
24,16.
- hemels zie ouranios ἡλιας = èlias (Elia) Taalgebruik in het NT: èlias (Elia)
- Ἠλίᾳ (= èlia: aan Elia; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam ἡλιας = èlias: Elia)
- acc mann enk ἡλιαν = èlian (Elia) Mc
15,35.
- ἕκτης (= hektès: zesde; rangtelw gen vr enk van het rangtelw ἕκτος = hektos: zesde).
- ἡλιος = hèlios (zon) Taalgebruik in het NT: hèlios
(zon)
- ἡλιος (= hèlios: zon; zn nom mann enk) Mc 1,32
- ὁ ἡλιος = ho hèlios (de zon) Mc 1,32.
- ἡλιου (= hèliou: zon; zn gen mann enk van het zn ἡλιος = hèlios: zon). Lc 4,40
- δυνοντος του ἡλιου = dunontos tou hèliou (bij de ondergaande zon) Lc 4,40;
- δυνοντος δε του ἡλιου = dunontos de tou hèliou (echter bij de ondergaande zon) Lc 4,40.
- persoonl voornaamw 3de pers mann mv הֵם = hem (hen) Taalgebruik in Tenakh: hem (hen)
- הֶמָּה = hemmâh (hen) Verlengde vorm
- ἡμεις (= hèmeis: wij)
- ἡμεις (= hèmeis: wij; pers vnw 1ste pers mann mv)
- ἡμῶν (= hèmôn: van onze; pers vnw 1ste pers gen mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij)
- ἡμῖν (= hèmin: aan ons; pers vnw dat mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij)
- ἡμᾶς (= hèmas: ons; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: wij)
- Ned: hemel Arabisch: سَمَاة = samâ´ (hemel) Taalgebruik in de Qoran: samâ´ (hemel) D: Himmel E: heaven
Fr: ciel Grieks: ουρανος = ouranos (hemel)
Taalgebruik in het NT: ouranos
(hemel) Hebreeuws: שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim
(hemelen).
- ἡμερα (= hèmera: dag; verwant met schemer?). Taalgebruik in het NT: hèmera
(dag).
- nom vr enk ἡμερα = hèmera (dag) Gn
1,5 Lc
9,12
- ἡ ἡμερα = hè hèmera (de dag) Lc
9,12.
- ἡ δε ἡμερα = hè de hèmera (de dag echter) Lc
9,12.
- ἡμέρας (= hèmeras: van de dag; zn gen vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?)
- ἡμερας = hèmeras: van de dag / dagen; gen vr enk + acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?). Ex
20,9 Mc
5,5 Lc 4,2 Lc
15,13 Lc
21,37
- νυκτος και ἡμερας = nuktos kai hèmeras (nacht en dag) Mc
5,5.
- ἡμερας εν = hèmeras en (dagen in) Lc
21,37.
- πολλας ἡμερας = pollas hèmeras (vele dagen) Lc
15,13
- ου πολλας ἡμερας = ou pollas hèmeras (niet vele dagen) Lc
15,13.
- τας ἡμερας = tas hèmeras (de dagen) Lc
21,37
- δε τας ἡμερας = de tas hèmeras (echter de dagen) Lc
21,37.
- ἡμερᾳ (= h?mera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?)
- tῃ ἡμερᾳ tῃ tritῃ = tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag, de derde) Gn
22,4 Ex 19,16.
- εν εκεινῃ τῃ ἡμερᾳ = en ekeinè(i) tè(i) hèmera(i) (op die dag) Mc 4,35.
- ἡμεραν (= hèmeran: dag zn acc vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?). Gn
1,5.
- ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?)
- ἡμερων (= hèmerôn: van de dagen; zn gen vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) Lc
8,22
- των ἡμερων = tôn hèmerôn (van de dagen) Lc
8,22.
- ἡμεραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?). Lc 1,5.
- εγενετο εν ταις ἡμεραις βασιλεως της ιουδαιας (= egeneto en tais hèmerais basileôs tès ioudaias: het gebeurde in de dagen van koning van Judea).
- ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?)
- μεθ ημερας εξ (= meth hèmeras heks: na zes dagen;
- hèmera
(dag), zie Joh
2,12, Lc
1,5, Mc
1,13, Ex
2,23
- hieron
(tempel), zie Lc
24,53.
- הֵן = hen (zie) Taalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie) Dt
31,14.
- הֶנֵּה = hinneh (zie) Taalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie) Ex
23,20. Js
40,10.
- הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) Taalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie) Lc 1,31 Lc 24,4
- הִנֵּנִי (= hinnënî: zie mij; zie hier ben ik; < הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh + suffix pers vnw 1ste pers mann enk). Gn
22,1.
- הִנָּךְ = hinnâkh (zie jij) < = hinneh + suffix persoonl voornaamw 2de pers vr enk Lc 1,31.
- וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie) Lc 1,31.
- hendeka
(elf), zie Mt
28,16.
- ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen)
- ἡνίκα (= hènika: wanneer, toen, zodra; vw)
- ???t? (= heort�: feest; zn dat vr enk van het zn ???t? = heort�: feest)
- εὑρισκω = heuriskô (vinden) Taalgebruik in het NT: heuriskô
(vinden)
- act ind praes 3de pers enk εὑρισκει = heuriskei (hij vindt) Joh
1,43.
- ηὕρισκον (= hèuriskon: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden).
- ἑορτὴν (= heortèn: feest; zn acc vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest).
- ἑως (= heôs: tot, totdat; onderschikkend vw) Taalgebruik in het NT: heôs (tot, totdat). Mc
15,33,
- heôs
hou (totdat), zie Lc
24,49
- heôs
(tot, totdat).
- ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw)
- ἡρῳδης = hèrô(i)dès: Herodes) Lc 1,5
- gen mann enk ἡρῳδου (= hèrô(i)dou: van Herodes; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam ἡρῳδης = hèrô(i)dès: Herodes) Lc 1,5.
- dat mann enk ἡρῳδῃ = hèrô(i)dè(i) (aan Herodes) Mc 6,18.
- Ἡρῳδιανῶν (= hèrôdianôn: Herodianen; zn eigennaam gen mann mv van het zn nom mann mv Ἡρῳδιανοι = hèrôdianoi: Herodianen.
- ἡρῳδιας = hèrô(i)dias (Herodias) Mc 6,19
- gen vr enk ἡρῳδιαδος = hèrô(i)diados (van Herodias) Mc 6,22.
- ?sa?? (= hesaja: Jesaja; zn eigennaam dat mann enk van het zn ?sa?a? = hesajas = Jesaja)
- εσθιω = esthiô (eten)
Taalgebruik in de Bijbel: esthiô
(eten) Gn
3,2.
- ἑσπερα = hespera (avond) Taalgebruik in het NT: hespera (avond)
- nom vr enk ἑσπερα = hespera (avond) Gn
1,5.
- gen vr enk + acc vr mv ἑσπερας = hesperas ( 's avonds)
- ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) Lc
22,12
- ἡτοίμασαν (= hètoimasan: zij bereidden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden)
- ἑτοιμάσωμεν (= hetoimasômen: wij zouden bereiden; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden)
- ἡτοίμασας (= hètoimasas: jij bereidde; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden)
- ἑτοιμάσατε (= hetoimasate: maakt gereed; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden)
- ἡτοίμασται (= hetoimasthai: het is bereid geworden; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: bereiden)
- ἕτοιμον (= hetoimon: klaar, gereed; bv nw acc onz enk van het bv nw ἕτοιμος = hetoimos: klaar, bereid)
- εὑρισκω = heuriskô (vinden Taalgebruik
in het NT: heuriskô
(vinden)
- εὑρίσκει (= heuriskei: hij vindt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden)
- εὗρεν (= heuren: zij vond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô: vinden)
- εὗρον (= heuron: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) Mc
1,37 Lc 2,46 Lc 24,2.
- act ind aor 2de pers enk εὑρες = heures (jij vondt) Lc 1,30
- εὑρες χαριν ( jij vondt genade) Lc 1,30.
- εὑρήσει (= heurèsei: hij zal vinden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r). Joh
10,9.
- εὑρήσετε (= heurèsete: jullie zullen vinden; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r)
- act part aor nom mann enk εὑρων = heurôn (gevonden) Lc
15,5.
- εὕρῃ (= heurè: hij zou vinden); wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden)
- pass ind aor 3de pers enk εὑρεθη = heurethè (hij werd gevonden)
- Ned: daar (aanwijz bijw van plaats; da r) <-> hier (aanwijz bijw van plaats: hir; zie persoonl voornaamw hij) D: da <-> hier E: the-re <-> he-re. Grieks: εκει (hier; Fr: ici; k - c -h) Arabisch: هناك = hunak (daar; h in Ned: hij) <-> هنا = huna (hier). Hebreeuws: שָׁם = sjâm (daar). Zie het werkw שָׂם = shâm
(plaatsen, stellen) Taalgebruik in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen). Lat: ibi (daar) <-> hic (hier)
- ἱερατεια = hierateia
(priesterschap) Taalgebruik in het NT: hierateia
(priesterschap) Lc 1,9
- gen vr enk ἱερατειας = hierateias Lc 1,9.
- ἱερευς (= hiereus: priester; zn nom man enk). Taalgebruik
in het NT: hiereus
(priester) Lc 1,5.
- Ἰεριχώ (= ierichô: Jericho; zn eigennaam)
- ἱερον = hieron (heiligdom,
tempel) Taalgebruik in het NT: hieron
(heiligdom, tempel)
- nom + acc onz enk ἱερον = hieron (heiligdom,
tempel) Lc 2,27.
- ἱερον (= hieron: heiligdom,
tempel; zn acc onz enk)
- ἱερου (= hierou: -door - de tempel; zn gen onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom,
tempel) Lc
21,5.
- ἱερῳ (= hierô(i): in de tempel; zn dat onz enk van het zn ἱερον = hieron: heiligdom,
tempel) Lc
21,37
- εν τῳ ἱερῳ = en tôi hierôi (in de tempel) Lc
21,37 Hnd
22,17.
- Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz mv. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) Taalgebruik in het NT: Hierosoluma
(Jeruzalem).
- nom + acc onz mv ἱεροσολυμα = hierosoluma
(Jeruzalem) Lc
13,22
- απο ἱεροσολυμα = apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) Mc 3,8.
- εις ἱεροσολυμα = eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) Mc 3,8.
- -
- εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma
(naar Jeruzalem) Lc
17,11.
- εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc
17,11.
- Ἱεροσολύμων (= hierosolumôn: van Jeruzalem; zn eigennaam gen onz mv van het zn Ἱεροσόλυμα = Hierosuluma: Jeruzalem)
- Hierosoluma (Jeruzalem), zie Mt
2,1 In 9 verzen bij Matteüs: (1) Mt
2,1 (2) Mt
2,3 (3) Mt
3,5 (4) Mt
5,35 (5) Mt
16,21 (6) Mt
20,17 (7) Mt
20,18 (8) Mt
21,1 (9) Mt
21,10.
- Ἱεροσολυμῖται (= hierosolumitai: Jeruzalemmers, inwoners van Jeruzalem; zn nom vr mv van het zn Ἱεροσολυμῖτης: Jeruzalemmer, inwoner van Jeruzalem)
- ἱκανοῦ (= hikanou: talrijk; bijv nw gen mann enk van het bijv nw ἱκανος (= hikanos: voldoende, talrijk, in staat; bv nw nom mann enk)
- ἱκανὸν (= hikanon: talrijk; bv nw acc onz enk van het bv nw ἱκανος = hikanos: voldoende, talrijk, in staat)
- ἱκετεύοντες (= hiketeuontes: smekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἱκετεύω = hiketeuô: smekeling zijn, smeken)
- ἱλέως (= hileôs: genadig, goedgunstig; bv nw nom mann enk)
- ἱμαντα (= himanta: riem; zn acc mann enk van het zn ἱμας = himas: riem)
- ἱματιον = himation: kleed) Taalgebruik in het NT: himation (kleed)
- ἱμάτιον (= himation: kleed; zn acc onz enk)
- ἱματια (= himatia: kleren; zn nom onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) Mc
14,63
- ἱματια (= himatia: kleren; zn acc onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed)
- ἱνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel). Taalgebruik in het NT: hina
(opdat). Mc 3,2 Kol
2,2
- ἱνα μη = hina mè (opdat niet) Mc
3,9.
- αυτοις ἱνα = hina autois (aan hen opdat) Mc
3,12.
- הֶנֵּה = hinneh (zie). Taalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie) Ex
23,20. Js
66,15.
- הִנְּךָ= hinnëkhâ (zie jij) < hinneh + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk. Gn
16,11.
- הִנָּךְ = hinnâkh Gn
16,11
- הִנָּךְ הָרָה = hinnâkh hârâh (zie jij zwanger zijnde) Gn
16,11
- הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ = hinnakh hârâh wëjoladëth (zie zwanger zijnde en barende) Gn
16,11
- הִנָּךְ הָרָה וְיֹּלַדְתְּ נֵן = hinnâkh hârah wëjoladëth ben (zie jij zwanger zijnde
en barende een zoon) Gn
16,11.
- הִנְנִי = hinnënî (zie ik; zie hier ben ik) < hinneh + suffix pers voornaamw 1ste pers mann enk Mc 1,2.
- ἵππον (= hippon: paard; zn acc mann enk van het zn ἵππος = hippos: paard).
- histèmi
(doen staan), zie Lc
24,36
- ἔστησεν (= estèsen: hij plaatste; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἱστημι = istèmi: staan; stam: sta-)
- στὰς (= stas: staande; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἱστημι = istèmi: staan; stam: sta-)
- ἑστηκότα (= hestèkota: staande; wkw act part perf acc onz enk van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan)
- ἑστηκότων (hestèkotôn: van de 'om'staanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan)
- σταθήσεσθε (= stathèsesthe:: jullie zullen gesteld worden / terechtstaan; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan)
- ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord
- ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 1,14 Mc
2,28 Mc 4,41 Mc 9,7 Mc 10,52 Mc 15,39 Lc
15,27
- ὁ δε = ho de (hij echter) Mc 10,52 Mc 15,14 Lc
15,27 Lc
18,41
- ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) Lc
15,27 Lc
18,41
- ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) Lc
15,27.
- ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen) Lc
18,29.
- ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei) Lc
18,22.
- ὁ ιησους ειπεν = ho ièsous eipen (Jezus zei) Lc
18,22.
- δε ὁ = de ho (echter de) Mc 1,45 Mc 10,52.
- και ὁ = kai ho (en de) Mc 1,45 Mc 10,52.
- ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- τὸ (= to: het; bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Mc 1,14 Mc 14,28.
- τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Mc 5,2 Lc
17,1.
- τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)
- τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 1,15 Mc 4,36 Lc 1,26 Lc 5,1 Lc 17,5 Lc 18,35.
- τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: (de - het)
- τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord Mc 1,14 Mc
3,9 Mc 14,53.
- τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc 1,22 Lc
15,1
- οἱ δε = hoi de (zij echter) Mc 3,4.
- αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Mc 7,24.
- τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Mc 3,6.
- τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Mc
3,9 Lc
1,79.
- ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Mc 3,34 Lc 9,16 Lc
15,5 Lc
17,1 Lc 18,9.
- τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)
- hôd
(eer, majesteit, glorie), zie Ps
145,5 - hôd
(pracht, glans, majesteit), zie Ps
8,2.
- ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats)
- ὁδηγεῖ (= hodègei: hij leidt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὁδηγεω = hopègeô: naar de weg voeren, leiden)
- ὁδος = hodos (weg) Taalgebruik in het ΝΤ: hodos
(weg)
- ὁδὸς (= hodos: weg; zn nom vr enk)
- ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg)
- ὁδον (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) Mc
1,2
- παρα την ὁδον = para tèn hodon (langs de weg) Mc 4,4.
- Ὁδοὶ (= hodoi: wegen, zn nom vr mv van het zn ὁδὸς = hodos: weg)
- ὁδῶν (= hodôn: van de wegen, zn gen vr mv van het zn ὁδὸς = hodos: weg)
- hogepriesters zie archiereis
- hoj (wee) Taalgebruik in Tenach: hoj
(wee) Taalgebruik in Amos: hoj
(wee).
- οἷα (= hoia: als; onbep vnw bv nw nom onz mv van het onbep vnw bv nw οἷος: zo een... als)
- ὁλος = holos: heel) Taalgebruik in het
ΝΤ: holos
(heel)
- ὁλη (= holè: heel; bv nw nom vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) Mc 1,33.
- ὅλης (= holès: heel; bv nw gen vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel)
- ὁλη (= holè: heel; bv nw nom vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel)
- ὅλην (= holèn: heel; bv nw acc vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel)
- acc vr enk ὁλην = holèn (heel) Mc 1,39
- εις ὁλην = eis holèn (naar heel) Mc 1,39.
- ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) Mc 1,39.
- ὁλοκαυτωμάτων (= holokautômatôn: van brandoffers; zn gen onz mv van het zn ὁλοκαυτωμάτα = holokautôma: brandoffer).
- Lat: homo, gen: hom-inis, acc: hominem. Ned: mens.
- ὁμοίου (= homoiou: gelijkends; bv nw gen mann + onz enk van het bv nw ὁμοίος = homoios: gelijkend, gelijklaardig)
- ὁμοίως (= homoiôs: op gelijke wijze; bw).
- homoioô
(vergelijken met, gelijken op), zie Mt
13,24
- homothumadon
(eensgezind), zie Hnd
1,14.
- Ned: hond D: Hund Fr: chien Gr: κυων OF κυνος = kuôn of kunos Latijn: canis (c - k - ch - h) IE: cu Litouws: suo Russisch: suka (teef)
- Arabisch: الكلب = alkalb (de hond) Hebreeuws: כֶלֶב = kèlèbh (hond) Taalgebruik in Tenakh: kèlèbh (hond)
- E: dog
- Ned: honderd Aramees: מְאָה = mëâh (honderd, 100) Arabisch: مِئَة OF مِائَة = mija of miaja (honderd, 100) D: hundert E: hundred Fr: cent Grieks: ἑκατον = hekaton (honderd, 100) Hebreeuws: מֵאָה = me´âh (honderd) Taalgebruik in Tenakh: me´âh (honderd) Latijn: centum (honderd, 100)
- Ned: hoofd < Lat: caput, capitis; h/k, f/p, d/t. D: Koph; c/k, p/ph. E: head. Zie Fr: chef (degene die aan het hoofd staat) < Lat: caput; ch/c, p/f.
- Fr: tête < Lat: testa (vr enk van testus, a, um < tegere: dekken; t/g, g/k). Is tête = bedekt? Het hoofd dat bedekt is?
- Gr: καρα = kara (hoofd). Proto-Indo-Europees: krh-(e)s-n- ('hoofd'). Zie Ned: hersenen, k/h. Sanskriet: sirsn-as.
- Arabisch: رئيس (rajîsj). Hebreeuws: רֹאשׁ = ro´sj
(hoofd, top, begin) Taalgebruik in Tenakh: ro´sj
(hoofd, top, begin).
- Fr: bout (= uit-einde, uiterst punt, top (metathesis: b-t/ t-p) Lat: pungere, pupugi, punctum In het Hiërglyfisch stelt een hoofd in profiel de ideogram voor met de klankwaarde pt; b/p
- ὁπως = hopôs (opdat) Taalgebruik in het ΝΤ: hopôs
(opdat) Mc 3,6
- ὁπως αυτον = hopôs auton (zodat hem) Mc 3,6.
- ὁπου (= hopou: waar; onbep betr bw) Taalgebruik in het NT: hopou
(waar) Mt
6,19.
- ὡρα (= hôra: uur; zn nom vr enk)
Taalgebruik in het NT: hôra
(uur)
- ὡρας (= hôras: uur; zn gen vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) Mc
15,33.
- ὡρᾳ (= hôra: op het uur; zn dat vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) Mc
15,34.
- ὥραν (= hôran: uur; zn acc vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur).
- ὁραω = horaô: zien) Taalgebruik
in het NT: horaô
(zien).
- ??? (= hor?: ik zie; wkw act ind p aes 1ste pers enk van het wkw ὁραω = horaô: zien)
- Ὁρᾶτε (= horate: ziet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien)
- ωφθη (= ôfthè: hij verscheen, hij werd gezien; wkw pass ind aor 3de pers enk bij het wkw ὁραω = horaô: zien) Gn 12,7.
- ὤφθη δὲ αὐτῷ = ôfthè de autô(i): hij verscheen echter aan hem. Zie Gn 26,2.
- ὄψεσθε (= opsesthe: jullie zullen zien; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien)
- ὄψονται (= opsontai: zij zullen zien; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien)
- ἑώρακεν (= heôraken: hij heeft gezien; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw ὁραω = horaô: zien). NT (12). Joh (5). (1) Joh
1,18 (2) Joh
3,32 (3) Joh
6,46. (4) Joh
14,9. (5) Joh
20,18. Joh 6,46 ouch hoti ton pâtera eôraken tis ei mè ôn para tou theou houtos eôraken ton patera (niet omdat iemand de Vader heeft gezien tenzij hij die bij God is, hij heeft de Vader gezien)
- εωρακαμεν (= heôrèkamen: wij hebben gezien; wkw act ind perf 1ste pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien). NT (5). (1) Joh
3,11. (2) Joh
20,25. (3) Joh
1,1. (4) Joh
1,2. (5) Joh
1,3.
- horaô
(zien), zie Mc
16,7
- Horeb, zie Ex
3,1.
- Ned: horen. Horen en oor zijn verwant met elkaar oor < Lat aus, auris, zie
Gr ους = ous / ως= ôs, ωτις = ôtis. Lat: auscultare (het oor lenen aan, toehoren,
aanhoren) -> écouter. Arabisch: سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen). Taalgebruik in de Qoran: sami`a (luisteren, horen). D: hören. E: to hear. Fr: écouter. Grieks: ακουω = akouô (horen).
Taalgebruik in het NT: akouô.
(horen) Hebreeuws: שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâm`â
(horen, luisteren).
- οριζω (= horizô: begrenzen, bepalen, vaststellen). Gal 1,15.
- ὁρισθέντος (= horisthentes: die bepaald werd; wkw pass part aor gen mann enk van het wkw ὁριζω = horizô: begrenzen, bepalen, vaststellen). Bijbel (1): Rom
1,4. .
- ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam)
- ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion, gebied)
- ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) Taalgebruik in het NT: horkizô (laten zweren, beëdigen)
- act ind praes 1ste pers enk ὁρκιζω = horkizô (ik zweer) Mc
5,7.
- ὁρκος = horkos (eed) Taalgebruik in de Bijbel: horkos (eed) Dt
7,8
- ὁρκον ὁν = horkon hon (de eed die) Dt
7,8.
- betrekk vnw: ὁς: die)
- ὁς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) Mc 3,35 Kol
2,10
- ὁς γαρ = hos gar (want wie) Mc 3,35
- ὁς γαρ αν = hos gar an (want wie zou) Mc 3,35.
- ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie) Mc 6,22.
- ὁς δ' αν = hos d' an (wie echter zou) Mc 3,35.
- ὁς εστιν = hos estin (die is) Kol
2,10
- ὁς εστιν ἡ κεφαλη = hos estin hè kefalè (die is het hoofd) Kol
2,10.
- ὁς την = hos tèn (die de) Mc
5,3.
- ὃ (= ho; betrekk vnw acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wat) .
- οὗ (= hou: van wie; betrekk vnw gen mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat)
- οὗ (= hou: van wat; betrekk vnw gen onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat)
- ἧς (= hès: wat; betrekk vnw gen vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat)
- ω (= hô: in wat; betrekk vnw dat onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat)
- ?? (= hou: van wie; betrekk vnw gen mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat)
- ἣν (= hèn; betrekk vnw acc vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- (= ha: die; betrekk vnw nom of acc onz mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- ὃν (= hon: die; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- ὃν ὁ θεὸς (= hon ho theos: die God). Bijbel = Hnd (3): (1) Hnd
2,24. (2) Hnd 3,15. (3) Hnd 4,10.
- acc vr enk ἡν (die) Lc
13,11.
- ἃ (= ha: die; betrekk vnw nom of acc onz mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- ὧν (= hôn: van wie; betrekk vnw gen mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- οἷς (= hois: aan wie; betrekk vnw dat mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- αἷς (= hais: aan wie; betrekk vnw dat vr mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- οὓς (= hous: die; betrekk vnw acc mann mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat)
- οἵτινες (= hoitines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw ὁστις - ὁτι = hostis, hoti: iemand, iets; mv: sommigen)
- ὡς = hôs: zoals, zodra)
Taalgebruik in het NT: hôs
(zoals) Mc 4,36
- ὡς και = hôs kai (zoals ook) Mt
6,12.
- ὡσαύτως (= hôsautôs: evenzo; bw van wijze)
- Ὡσαννὰ (= hôsanna: Hosanna; onverbuigbaar woord van Hebreeuwse oorsprong)
- ὥσπερ (= hôsper: juist zoals, zoals bijvoorbeeld; partikel)
- ὁσος = hosos: zo groot als)
Taalgebruik in het ΝΤ: hosos
(zo groot als) Mc 3,8
- ὅσον (= hoson: zo groot als; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als)
- ὁσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) Mc 3,8
- παντα ὁσα = panta hosa (al wat) Mc 6,30.
- ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) -
- ὁστις γαρ αν = hostis an (want wie zou) Mc 3,35.
- ὁταν (= hotan: telkens
wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) Mc
13,7 Lc
21,7
- ὁταν δε = hotan de (telkens
wanneer echter, wanneer echter, zodra echter) Mc
13,7 Lc
21,7.
- και ὁταν = kai hotan (en telkens
wanneer, en wanneer, en zodra) Mc
13,7 Lc
21,7.
- ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) Taalgebruik in het NT: hote
(toen) Mt
26,1 Mc 1,32
- και ὁτε = kai hote (en toen) Mc 4,10.
- ὁτι (= hoti: dat, omdat; vw van reden, ook om een objectszin in te leiden). Taalgebruik in het NT: hoti
(dat, omdat). Mc 16,7 Lc
15,27 Lc
15,32 Lc
19,7
- ὅτι χριστος (= hoti christos: dat/omdat). 1
Kor 15,3.
- ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) Lc
15,24.
- ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) Lc
15,7.
- hoti
(dat, omdat) hoti (dat, omdat), zie Mt
2,16
- hosa
(wat), zie Mt
13,44.
- Ned: houden. E: to hold. u/l.
- ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord),
- hôsjeà (Hosea) Taalgebruik in Tenach: hôsjeà
(Hosea) Taalgebruik in Hosea: hôsjeà
(Hosea) Getalwaarde: he = 5, waw = 6, sjin = 21 of 300, ajin = 16
of 70; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 381 (3 X 127) -Gr ôsèe
(Hosea) Taalgebruik in de Septuaginta: ôsèe
(Hosea)
- hôsper
(zoals).
- ὡσεὶ (= hôsei: zoals indien, zoals, evenals; bw; bij getallen: ongeveer)
- ὡste = hôste (zodat)
Taalgebruik in het NT: hôste
(zodat) Mc 1,27.
- Ned: oud (u<l). E: old. D: alt. Lat: vetus - veteris. Fr: vieux - vieil.
- οὐδέποτε (= oudepote: nooit; < niet ooit; partikel)
- οὑτος = houtos: deze)
Taalgebruik in het NT: houtos
(deze) Lc 22,42
- οὑτος:(= houtos: deze; aanwijz vnw nom mann enk)
Taalgebruik in het NT: houtos
(deze) Mc 2,7 Lc
15,24
- οὑτος εστιν = houtos estin (deze is) Mc 4,41.
- οὑτος ὁ = houtos ho (deze de) Lc
15,24
- οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) Lc
15,24.
- οὑτος οὑτως = houtos houtôs (deze zo) Mc 2,7.
- ὁτι οὑτος = hoti houtos (dat deze) Lc
15,24
- ὁτι οὑτος ὁ = hoti houtos ho (dat deze de) Lc
15,24.
- a?t? (= haut�: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze)
- τουτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr: tu). Mt
1,22 Mc
1,27 Lc
22,15 Lc 22,42
- τι εστιν τουτο = ti estin touto (wat is dit?) Mc
1,27.
- εἰς τουτο (= eis touto: daartoe).
- τουτο δε = touto de (dit echter) Mt
1,22
- τουτο δε ὁλον γεγονεν = touto de holon gegeonen (dit geheel echter gebeurde) Mt
1,22.
- τοῦτ' (afkorting vóór een klinker van τοῦτο = touto: dit; aanwijz vnw nom of acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- τούτου (= toutou: van dit; aanwijz vnw gen onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- τουτῳ (= toutô: dit, deze; aanwijz vnw dat mann en onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) Mc 6,2.
- ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- ταυτην (= tautèn: deze; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) Lc
15,3.
- οὗτοι (= houtoi: dezen; aanwijz vnw nom mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- τούτους (= toutous: deze); aanwijz vnw acc mann mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) Lc 24,36 Joh
5,1
- ταυτα δε = tauta de (die dingen echter) Lc 24,36
- ταυτα δε αυτου λεγοντος = tauta de autou legontos = terwijl hij echter die dingen zegt Lc 24,36.
- ταυτα δε αυτων λαλουντων = tauta de autôn lalountôn = terwijl zij echter die dingen spraken Lc 24,36.
- ταυτα γινεσθαι = tauta ginesthai (dat die dingen gebeuren) Lc
21,7.
- ταυτα γενεσθαι = tauta genesthai (dat die dingen gebeurden) Lc
21,7.
- δε ταυτα = de auta (echter die dingen) Lc 24,36
- ακουσας δε ταυτα= akousas de tauta (die dingen echter gehoord) Lc 24,36.
- ηκουον δε ταυτα= èkouon de tauta (zij hoorden echter die dingen) Lc 24,36.
- μετα δε ταυτα = meta de tauta (na die dingen echter) Lc 24,36
- τουτων (= toutôn: van deze; aanwijz vnw gen mann of onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu)
- ταύτας (= tautas: de die, deze; bv nw aanwijz vnw acc vr mv van het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze).
- οὑτω (= houtô: op die wijze, zo; bw van wijze)
- οὑτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) Taalgebruik
in het NT: houtos
(zo) Gn
1,7 Mc 2,7 Lc
12,21 Lc
15,10 Hnd
12,8
- ὁτι οὑτως = houtôs (dat op die wijze) Lc
15,7.
- houtos (deze), zie Hnd
1,14
- houtôs
(zo, op zo'n wijze) In 14 verzen bij Johannes, zie Joh
3,16: (1) Joh
3,8 (2) Joh
3,14 (3) Joh
3,16 (houtôs hôste: zo dat) (4) Joh
4,6 (5) Joh
5,21 (hôsper houtôs: zoals zo) (6) Joh
5,26 (hôsper houtôs: zoals zo) (7) Joh
7,46 (8) Joh
11,48 (9) Joh
12,50 kathôs (zoals) houtôs (zo) (10) Joh
13,25 (11) Joh
14,31 (12) Joh
15,4 kathôs (zoals) houtôs (zo) (13) Joh
18,22 (14) Joh
21,1 - houtôs
(zo, op deze wijze) In 32 verzen bij Matteüs, zie Mt
21,6.
- הוּא = hû´
(hij, di) Taalgebruik in Tenakh: hû´(hij,
di) Mc 1,23
- וְהוּא =wëhû´ (en hij) < prefix verbindingswoord wë + persoonl voornaamw 3de pers mann enk Lc
8,22.
- ὑβριστάς (= hubristas: hoogmoedigen, misdadigers, geweldenaars; zn acc mann mv van het zn ὑβριστης = hubristès: hoogmoedig of overmoedig iemand, misdadiger, geweldenaar)
- ὑδωρ = hudôr: water) Taalgebruik in het NT: hudôr
(water)
- ὑδωρ (= hudôr: water; nom onz enk) Gn 1,9.
- ὑδατος (= hudatos: van water; zn gen onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) Gn
1,6
- επανω του ὑδατος = epanô tou hudatos (bovenop het water) Gn
1,2.
- ὕδατι (= hudati: met water; zn dat onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r)
- ὑδατα (= hudata: water; zn acc onz mv van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) Gn 1,20.
- gen onz mv ὑδατων = hudatôn Gn
1,10.
- Ned: huis: indogermaanse basis met de betekenis van "bedekken" (dak) Hiervan zijn ook afgeleid Latijn cus-tos (bewaker), Grieks κευθω = keuthô (bedekken, verbergen), E to hide (verbergen) D: Hause E: house Fr: maison < masnsio (verblijf) -> manere (blijven, verblijven) Grieks: οικος = oikos (woning) Taalgebruik in het NT: oikos
(huis) Hebreeuws: בַּיִּת = bajith (huis) Taalgebruik in Tenakh: bajith
(huis) Lat: domus (domi-nus: het huis betreffende, heer) In het hieroglyfisch geeft een soort huis met binnentuin de klankwaarde pr weer In Gn 2,9 wordt het Hebreeuwse gan vertaald naar het Griekse paradeisos
- υἱος = huios: zoon; zn nom mann enk. Ned.: zoon. D: Sohn. E: son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s': zoon, weer. Aramees: bar) Taalgebruik in het
NT: huios
(zoon)
- υἱος (= huios: zoon; zn nom mann enk) Taalgebruik in het
NT: huios
(zoon) Mt
3,17 Mc 1,11 Lc 1,32 Lc
15,13 Lc
15,24
- ὁ υἰος = ho huios (de zoon) Lc
15,24
- οὑτος ὁ υἰος = houtos ho huios (deze de zoon) Lc
15,24.
- υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) Lc
15,24.
- ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) Lc
15,24
- ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) Mc
1,11.
- ὁ υἰος αυτου = ho huios autou (de zoon van hem = zijn zoon) Lc
15,25.
- voc mann enk υἰε = huie (zoon) Mc
5,7
- υἰε του θεου = huie tou theou (zoon van God) Mc
5,7.
- υἰου (= huiou; zoon; zn gen mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D: Sohn. E: son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s': zoon, weer. Aramees: bar) Mc 1,1 Rom 8,32
- υἰου θεου = huiou theou (zoon van God) Mc 1,1.
- του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) Rom 8,32.
- του ὑιου σου = tou huiou sou (jouw zoon) Gn
22,16
- του ὑιου σου του αγαπητου = tou huiou sou tou agapètou (jouw zoon, jouw geliefde) Gn
22,16.
- του ιδιου ὑιου = tou idiou huiou (de eigen zoon) Rom
8,32.
- υἱον (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon). Ned.: zoon. D: Sohn. E: son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s': zoon, weer. Aramees: bar. Lc 1,31
- τον ὑιον σου τον αγαπητον = ton huion sou ton agapèton (jouw zoon, jouw geliefde)
- τον υἱον αυτου = ton huion autou (zijn zoon) Gal
1,16.
- ???? (= huioi: zonen; zn nom mann mv van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D: Sohn. E: son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s': zoon, weer. Aramees: bar)
- acc mann mv υἱους = huious (zonen) Lc 15,11
- δυο υἱους = duo huious (twee zonen) Lc 15,11.
- ὑμεις = humeis (jullie) Zie Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord
- ὑμεις (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mann mv) Mc 6,37 Lc 9,13.
- ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord Lc
15,4.
- ὑμιν (= humin: aan jullie; pers vnw dat man/vr mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) Jud
1,2.
- ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie).
- ὑμνήσαντες (= humnèsantes: lofzangen zingende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw ὑμνεω = humneô: lofzangen zingen)
- ὑπο (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf' )
Taalgebruik in het NT: hupo
(door).
- ὑπ' (= hup': door; afkorting van ὑπο = hupo; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder)
- ὑπ' αυτου = hup' autou (door hem) Mc
5,4
- ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) Taalgebruik in het
ΝΤ: hupagô
(onder iets brengen, weggaan)
- ὑπάγει (= hupagei: hij gaat weg; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
- act imperat praes 2de pers enk ὑπαγει = hupage (ga weg, vertrek) Mc 5,19
- ὑπαγει εις = hupage eis (ga weg, vertrek naar) Mc 5,19.
- ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
- Ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
- ὑπάγοντες (= hupagontes: weggaanden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
- ὑπάγοντας (= hupagontas: weggaanden; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
- ὑπακουω = hupakouô (luisteren, antwoord geven, gehoorzamen) Lc
8,25
- act ind praes 3de pers enk ὑπακουει = hupakouei (hij gehoorzaamt) Mc 4,41.
- act ind praes 3de pers mv ὑπακουουσιν = hupakouousin (zij gehoorzamen) Lc
8,25.
- ὑπανταω = hupantaô (tegemoet komen, ontmoeten) Taalgebruik in het NT: hupant. ô (tegemoet komen, ontmoeten)
- act ind aor 3de pers enk ὑπηντησεν = hupèntèsen (hij ontmoette) Mc 5,2.
- huparchô
(zijn), zie Lc
23,50.
- ὑπὲρ (= huper: voor, ten voordele van; vz met gen).
- ὑπὲρ εμου (= huper emou: omwille van mij). Gal
2,20.
- ὑπὲρ ἡμῶν (= huper hèmôn: voor ons / omwille van ons).
- ὑπερηφάνους (= huperèfanous: hoogmoedigen, trotsen; bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn ὑπερηφάνος = huperèfanos: hoogmoedig, trots, voortreffelijk, verheven). Lc 1,51.
- ὑπερηφανία (= huperèfania: overmoed, aanmatiging; zn nom vr enk)
- ὑπηρετῶν (= hupèretôn: van dienaren; zn gen mann mv van het zn υπηρετης = hupèretès: dienaar, hulp, knecht).
- ὑπηρέται (= hupèretai: dienaren; zn nom mann mv van het zn υπηρετης = hupèretès: dienaar, hulp, knecht).
- ὑπνοω = hupnoô (dromen) Taalgebruik in het NT: hupnoô (dromen) Lc
8,23
- act ind aor 3de pers enk ὑπνωσεν = hupnôsen (hij droomde) Lc
8,23.
- ὑποκάτω (= hupokatô: onder, beneden; vz + gen)
- ὑποκρίσεις (= hupokriseis: hypocrisieën, huichelarijen; zn nom vr mv van het zn ὑποκρίσις = hupocrisis: hypocrisie, huichelarij)
- ὑποκριτῶν (= hupokritôn: van huichelaars; zn gen mann mv van het zn ὑποκριτης = hupokritès: hypocriet, huichelaar)
- ὑποκριταί (= hupokritai: huichelaars; zn nom mann mv van het zn ὑποκριτης = hupokritès: hypocriet, huichelaar)
- ὑψιστος = hupsistos
(allerhoogste) Taalgebruik in het NT: hupsistos
(allerhoogste)
- του θεου του ὑψιστου = tou theou tou hupsistou (van de allerhoogste God ) Mc
5,7
- υἰε του θεου του ὑψιστου = huie tou theou tou hupsistou (zoon van de allerhoogste God ) Mc
5,7.
- ὑψίστοις (= hupsistois: in het allerhoogste; bv dat onz mv van het bv nw ὑψιστος = hupsistos: allerhoogste)
- ὑψηλὸν (= hupsèlon: hoog; bv nw acc onz enk van het bv nw ὑψηλος = hupsèlos: hoog).
- ὑψηλόφθαλμος (= hupsèlofthalmos: uit de hoogte kijkend, hoogmoedig; zn nom mann enk)
- ὕψος (= hupsos: hoogte, top, verhevenheid, verwaanheid; grootheidswaanzin; zn nom onz enk)
- ?p?d?�?t?? (= hupod�mat�n: van schoensel; zn gen onz mv van het zn ?p?d?�? = hupod�ma: sandalen, schoen, het ondergebondene)
- ὑποκάτω (= hupokatô: onder; vz + gen)
- ὑπόκρισιν (= hupokrisin: antwoord, huichelarij; zn acc vr enk van het zn ὑπόκρισις = hupokrisis: antwoord, voordracht, huichelarij)
- ὑπολειπω = hupoleipô (achterlaten, overlaten) Gn
32,25
- pass ind aor 3de pers enk ὑπελειφθη = hupeleiphthè (pass: achterblijven, overblijven; hij bleef achter) Gn
32,25.
- ὑπολήνιον (= hupolènion: ondergezette kuip; zn acc onz enk). Mc 12,1.
- ὑπομείνας (= hupomeinas: ondergaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ὑπομενω = hupomenô: achterblijven, afwachten, geduldig doorstaan, ondergaan)
- upomeinon (= hupomeinon: wacht; wkw act imperat praes 2de pers mann enk van het wkw ὑπομενω = hupomenô: achterblijven, afwachten, wachten, geduldig doorstaan, ondergaan)
- ὑπομονή (= hupomonè: standvastigheid, vastberadenheid; zn nom vr enk)
- ὑποστρεφω = hupostrefô (omkeren, terugkeren) Lc
8,37
- act ind aor 3de pers enk ὑπεστρεψεν = hupestrepsen (hij keerde terug) Lc
8,37.
- hupostrefô
(omkeren, terugkeren), zie Lc
4,1.
- ὑστερεῖ (= husterei: het ontbreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw υστερεω = hustereô: ontbreken)
- ὑστερήσεως (= husterèseôs: van het tekort, gebrek; zn gen vr enk ) van het zn ὑστερήσις = husterèsis: tekort, gebrek)
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
I.
- י ִ: een punt onder een medeklinker, gevolgd door de medeklinker יוֹד = י (jôd) duidt een lange i-klank aan
- אִי = ´î (î) en אֵי = ´e(j) (e) worden gebruikt voor het vragend woord: waar ? אִי = ´î (ie) kan verschillende betekenissen hebben: 1
vragend woord: waar ? 2 zelfstandig naamw: eiland Taalgebruik in Tenach: ´î (eiland) 3 zelfst naamw: een diersoort bv nachtuil 4 tussenwerpsel: de uitroep wee 5 bijwoord: niet Jouön 1965, 88A Het is een zelfstandig naamw met slechts één medeklinker, nl de aleph Taalgebruik in Tenakh: ´î =´ie (waar?)
- אַיִן= ´ajin (waar) = אַיֵה = ´ajeh
- מֵאַיִן = me´ajin (vanwaar?)
- MH: = lë´ân (waarheen?) BH: אָנָה = ´ânâh (waarheen?)
- - iaomai (genezen), zie Mt
15,28.
- ιατρου (= iatrou: van een genezer; zn gen mann enk van het zn ιατρος = iatros: genezer)
- ιχθυς = ichthus (vis) Taalgebruik in het NT: ichthus (vis)
- acc vr mv ιχθυας = ichthuas (vissen)
- idios (eigen), zie Mc
4,34
- ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf)
- idôn (gezien), zie Mt
2,16
- Ioudaia (Judea), zie Mt
2,1.
- ιδου (= idou: zie) Taalgebruik in het NT: idou
(zie) Dt
31,14 Mc 4,3
- ιδου συ = idou su (zie jij) Gn
16,11.
- idou
(zie) idou (zie), zie Mt
1,20.
- Ned: ik (Grieks e-g) Arabisch: أنا ´anâ (ik); Taalgebruik in de Qoran: ´anâ (ik) Aramees: אנה = ´änâh (ik) Fr: je D: Ich E: I Fr: je Grieks: εγω ειμι = egô eimi (ik ben) Taalgebruik in het NT: egô
(ik) Hebreeuws: אָנֹכִי = ´ânokhî (ik) Zie: אֲנִי = ´änî
(ik) Taalgebruik in Tenakh: ´änî
(ik) Lat: ego sum (ik ben) In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord Eerste letter: Hebr + Ar: a; Gr + Lat: e; Ned + D + E: i Tweede letter Hebr 3de letter: kh; Gr + Lat: g; Ned: k; D ch ) Lat: ego sum (ik ben) In navolging van de LXX gebruikt de Vulgaat het hulpwerkwoord
- illuminare (= verlichten; wkw act inf praes). Lc 1,79.
- עִם = ´im
(indien, ofschoon)
- עִמּוֹ = `immô (met / tegen hem) < voorzetsel `im + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk
- עִמָּהּ (= `immâh: met haar); voorzetsel `im + suffix pers voornaamw 3de pers vr. enk.
- Ned in Arabisch: فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran: fi D: in E: in Fr: en Grieks: εν = en (in, tijdens)
Hebreeuws: בְּ = bë
- in-nocentes (= on-schuld-ig-en; zn < wkw act part praes nom mann mv van het wkw in-noc-ere: on-schuld-ig zijn). Da 14,53.
- in-nocentem (= on-schuld-ig-e; zn < wkw act part praes acc mann enk van het wkw in-noc-ere: on-schuld-ig zijn).
- Volkslat: insignare, versterking van signare: insnijden, ingriffen, indrukken, inprenten, kenbaar maken, opmerkzaam maken op. Fr: enseigner. Ned: onder-wijzen, onder-wijz-er.
- Lat: inter-rogare. Fr: interroger. Ned: onder-vragen; -nd/t-r-'v'-r-g. e ene aan de andere vragen, tussen mij en jou.
- Ἰσαὰκ (= isaak: Isaak; zn eigennaam)
- ?s????te??? (= ischuroteros: sterker; bv nw nom mann enk van het bv nw ?s????? = ischuros: sterk, machtig, krachtig)
- ἴσχυσαν (= ischusan: zij konden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ισχυω = ischuô: krachtig zijn, vermogen, kunnen)
- zelfst naamw vr enk אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) Taalgebruik in Tenakh: ´isjsjâh (vrouw)
- הָאִשָּׁה = hâ'isjsjâh (de vrouw) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw vr enk Gn
3,15.
- vr enk stat construct אֵשֶׁת = 'esjèth (de vrouw van) Gn
11,29
- אֵשֶׁת אַבְרָם = ´esjèth ´abhërâm (de vrouw van Abram) Gn
11,29
- שָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = shâraj ´esjèth ´abhërâm (Sara, de vrouw van Abram) Gn
16,1.
- וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = wëshâraj ´esjèth ´abhërâm (en Sara, de vrouw van Abram) Gn
16,1.
- אֵשֶׁת אָחִיו = 'esjèth ´achîw (de vrouw van zijn broer)
- mann mv נָשִׁים = nâsjîm (vrouwen) bij het zelfst naamw אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) Gn
4,19.
- אִישׁ = ´îsj (man,
ieder) Taalgebruik in Tenakh: ´îsj
(man)
- mann enk אִישׁ = ´îsj (man,
ieder) Gn
32,25
- אִישׁ אֶחַד = ´îsj ´èchâd (een bepaalde man) Nu 13,2
- Ἰσκαριὼθ (= iskariôth: Iskarioth; zn eigennaam)
- ἴσαι (= isai: gelijk; bv nw nom vr mv van het bv nw ισος = isos: gelijk).
- ἴση (= isè: gelijk; bv nw nom vr enk van het bv nw ισος = isos: gelijk).
J.
- יָעַל = jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben, iets bereiken) Taalgebruik in Tenakh: jâ´al (baten, helpen, voordeel van iets hebben, iets bereiken)
- act hifil jiqtol (imperf) 3de pers mann enk יוֹעִיל = jô`îl (hij zal baat hebben)
- יַעֳקֹב =ja`äqobh (Jakob) Taalgebruik in Tenakh: Ja`äqobh
(Jakob) Gn
32,25.
- Ned: jaar Arabisch: سَنَة = sanah (jaar) Taalgebruik in de Qoran: sanah (jaar) Aramees: שְׁנָה = sjënâh (jaar) D: Jahr E: year Fr: an of année Grieks: ετος = etos (jaar) Taalgebruik in het NT: etos
(jaar) Hebreeuws: שָׁנָה = sjânâh
(jaar) Taalgebruik in Tenakh: sjânâh
(jaar) Latijn: annus (jaar)
- - jâ`ats
(raden, besluiten), zie Ps
1,1.
- יָבַשׁ = jâbasj (droog worden of zijn, verdorren) Taalgebruik in Tenakh: jâbasj (droog worden of zijn, verdorren)
- zelfst naamw יַבָּשָׁה = jabbâsjâh (droog land, land, het droge)
- הַיַּבָּשָׁה = jabbâsjâh (het droog land, het land, het droge) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Gn
1,9
- לַיַּבָּשָׁה = lajjabbâsjâh (tot het droge) < prefix voorzetsel lë + prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,10.
- יַבֹּק = jabboq (Jabbok) Taalgebruik in Tenakh: jabboq
(Jabbok)
- הַיַּבֹּק = hajjabbok (de Jabbok) Gn
32,23.
- יָחַם = jâcham (verhit zijn, bronstig zijn) Taalgebruik in Tenakh: jâcham (verhit zijn, bronstig zijn)
- וַיֵּחַמְנָה = wajechamënâh (het werd bronstig) < waw consecutivum + act qal imperf 3de pers vr mv
- יַחְדָּו = jachëdâw (tezamen,
tegelijkertijd, allen te zamen) Taalgebruik in Tenakh: jachëdâw
(tezamen, tegelijkertijd, allen te zamen) Gn
22,6.
- יָחִיד = jâchîd (enig, eenzaam, verlaten) Taalgebruik in Tenakh: jâchîd (enig, eenzaam, verlaten)
- יְחִידֶךָ = jëchîdèkhâ (jouw enige) < prefix bezittel voornaamw 2de pers mann enk + bijvoegl naamw Gn
22,16.
- יָד = jâd (hand) Taalgebruik in
Tenakh: jâd
(hand)
- יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,8
- עַל יָדֶךָ = `al jâdèkhâ (op jouw hand) Dt
6,8.
- יָדָיו = jâdâ(j)w (zijn handen) zelfst naamw mann mv stat construct
jâd (hand) + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Dt
34,9 Lc 24,50.
- מִיַּד אֹיְבִינוּ = mijjad ´ojëbhe(j)nû (uit de hand van onze vijanden) Lc
1,74.
- יָדַע = jâda`
(kennen, weten) Taalgebruik in Tenakh: jâda`
(kennen, weten)
- act qal imperf 1ste pers enk אֵדַע = ´eda` (ik zal weten/kennen) Gn
15,8.
- - jâd`a
(kennen, weten), zie Jr
1,5.
- יָדָה = jâdah
(loven, prijzen) Taalgebruik in Tenakh: jâdah
(loven, prijzen)
- act hifil perf 3de pers vr enk הוֹדָה = hôdâh (zij lofprijst)
- act hifil imperf 3de pers mann enk יוֹדֶה = jôdèh (hij zal lofzingen)
- אוֹדֶה (= ´ôdèh: ik
zal lofzingen, ik loof; wkw act hifil imperf 1ste pers enk ´ôdèh van het wkw יָדָה = jâdah: loven, prijzen). Ps
111,1.
- אוֹדֶה יְהוָה (= ´ôdèh JHWH: ik zal JHWH loven). Ps
7,18.
- act hifil imperf 3de pers mann mv יוֹדוּ = jôdû (zij loven)
- act hifil imperat 2de pers mann mv
הוֹדוּ = hôdû (looft, prijst)
- וּמוֹדֶה = ûmôdèh (en de lofprijzende) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm hifil part mann enk
- Arab jadid: nieuw, recent, modern, vernieuwd: renouvelé; bv nw Glotton nr 230 (blz 304). soera 50,15. jâhab (geven, aanstellen) Taalgebruik in Tenakh: jâhab (geven, aanstellen)
- act qal imperat 2de pers vr enk הָבִי = hâbhî (geef)
- ָקָע = jâqâ`
- יָהַב (= jâhab: geven).
- הָב֥וּ (= hâbû: geeft; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw יָהַב = jâhab: geven).
- (verwrongen worden, ontwrichten, zich vervreemden van) Taalgebruik in Tenakh: jâqâ` (verwrongen worden, ontwrichten, zich vervreemden van).
- Ἰακώβ (= jakôb: zn eigennaam)
- Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus)
- Ἰάκωβος (= jakôbos: Jakobus; zn eigennaam nom mann enk).
- Ἰακώβου (= iakôbou: met Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus)
- יָלַד = jâlad: voortbrengen) Zie het zelfst naamw יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte, kind Taalgebruik in
Tenakh: jèlèd
= het voortgebrachte, kind Lc 1,31
- actief perfectum derde persoon vrouwelijk
enkelvoud יָלְדָה = jâlëdâh (zij baarde) Gn
16,1
- אֲשֶׁר יָלְדָה = äsjèr jâlëdâh (die zij baarde) Gn
16,15.
- וַיּוֹלֶד = wajjôlèd (en hij verwekte) < prefix voegwoord wë consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Gn
5,3.
- הוֹלִיד (= hôlîd: hij deed baren; wkw act hifil 3de pers enk van het wkw יָלַד = jâlad: voortbrengen, baren)
- וְיֹּלַדְתְּ / וְיֹלֶדֶת = wëjoladëth / wëjolèdèth (en barende) < prefix verbindingswoord wë + act qal part vr enk Gn
16,11 Lc 1,31
- וְיֹלֶדֶת בֵּן = wëjolèdèth ben (en barende een zoon) Js
7,14.
- בְּלֶדֶת = bëlèdèth (bij het baren van, toen baarde) < prefix voorzetsel bë + act qal inf construct
- יָם = jâm (zee, meer, stroom) Taalgebruik in Tenakh: jâm (zee, meer, stroom)
- הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw ha + zelfst naamw יָם = jam Ex 15,19.
- mann mv יַמִּים = jammîm (zeeën)
- מִיַּם = mijjam (van de zee van) < prefix voorzetsel min + zelfst naamw יָם = jâm (zee, meer, stroom) Ex
23,31.
- יָנַק = jânaq (zuigen, genieten) Taalgebruik in Tenakh: jânaq (zuigen, genieten) Lc 1,41
- act qal part praes mann יוֹנֵק = jôneq (de zuigende, zuigeling) Lc 1,41.
- יָפָה = jâphâh (mooi) Taalgebruik in Tenakh: jâphâh (mooi).
- יָקָע = jâqâ` (verwrongen worden, ontwrichten, zich vervreemden van) Taalgebruik in Tenakh: jâqâ` (verwrongen worden, ontwrichten, zich vervreemden van).
- יָקַר (= jâqar: kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn.) Taalgebruik in Tenakh: jâqar (kostbaar, duur, dierbaar, gewichtig zijn).
- יָרָא = jârâ´ (vrezen, eerbied hebben) Taalgebruik
in Tenakh: jârâ´
(vrezen, eerbied hebben)
- וַיִּירְאוּ = wajjîr´û (en zij vreesden) < prefix verbindingswoord wa + act qal imperf 3de pers mann mv Mc 5,15.
- act ind imperf 2de pers mann enk תִירָא = thîrâ´ (jij zult vrezen) Dt 6,13
- תִירָא אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ = thîrâ´ ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ (jij zult vrezen JHWH, jouw God) Dt
6,2.
- אַל תִירָא = ´al thîrâ´ (vrees niet) Lc 1,13 Lc 2,10.
- אַל תִירָאוּ = ´al thîrâ´û (vreest niet) Lc 1,13 Lc 2,10.
- act qal part mann enk יָרֵא = jâre´ (vrezende)
- יָרָה (= jârâh: 1 werpen 2 doen regenen 3 onderwijzen). Taalgebruik in Tenakh: jârâh (1 werpen 2 doen regenen 3 onderwijzen)
- מוֹרַי = môraj (mijn meermeester) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk
- יָרָבְעָם = jârâbhë`âm (Jerobeam) Taalgebruik in Tenakh: jârâbhë`âm (Jerobeam).
- יָרַד =jârad (afdalen, afstijgen, vallen) Taalgebruik
in Tenakh: järad
(afdalen, afstijgen, vallen) Lc
8,23
- act qal imperf 1ste pers enk אֵרֵד = ´ered ( ik daalde af) Lc
8,23.
- prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 1ste pers enk וָאֵרֵד = wâ´ered (en ik daalde af) Lc
8,23.
- verbindingswoord wa + werkwvorm act ind imperf 3de pers mann enk וַיֵּרֶד = wajjerèd (en hij
daalde - neer -) Lc
8,23
- act qal part mann enk יֹרִד = jored (afdalende) Ps 133,2.
- act qal imperat 2de pers mann enk רֵד = red (daal af)
- שֶׁיֹּרֵד = sjèjjored (die neerdalende) < prefix betrekk voornaamw + act qal part mann enk Ps 133,2.
- jârasj (erven, bezitten, in bezit nemen) Taalgebruik
in Tenakh: (erven,
bezitten, in bezit nemen).
- יַּרדֵןְ = jarëden (Jordaan)
Taalgebruik in Tenakh: jarëden
(Jordaan) Mc 3,8.
- jâsad
(zetten; beraadslagen), zie Ps
2,2.
- יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) Taalgebruik in
Tenakh: jâsja`
(redden, bevrijden, verlossen) Ef
1,1
- act hifil imperfect 3de pers enk
יוֹשִׁיעַ = jôsjî`a (hij zal redden) Mt
1,21.
- וְיֹשִׁעֵנוּ = wëjosji`enû (en dat hij ons zal redden) < prefix verbindingswoord wë + act hifil jussief 3de pers enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mv Lc
1,74.
- מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende, de redder ) act part hifil nom mann
enk Mc 1,1.
- יָשַׁב = jâsjabh (wonen)
Taalgebruik in Tenakh: jâsjabh
(wonen)
- act qal perf 3de pers mann enk יָשַׁב = jâsjabh (hij verbleef) Gn
13,12.
- act qal imperat 2de pers mann enk שִׁב = sjeb (zit, blijf)
- act qal imperat 2de pers vr enk שְׁבִי = sjëbhi (zit, blijf)
- בְּשִׁבְתְּךָ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou) < prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf construct + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,7
- בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ bëbthe(j)thèkhâ = bësjibhëthëkhâ (in het zitten van jou in jouw huis) Dt
6,7
- בְּשִׁבְתְּךָ בְּבֵיתֶךָ בְּשִׁבְתךָ בְּבֵיתֶךָ וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ = bësjibhëthëkhâ bëbthe(j)thèkhâ ûbhëlèkhëthëkhâ badèrèch ûbhësjâkhëbëkhâ ûbëqûmèkhâ (in het zitten van jou in jouw huis en in jouw gaan op de weg en in jouw zitten en in jouw opstaan) Dt
6,7.
- act hifil imperf 3de pers mann enk יוֹשִׁיב = jôsjîbh (hij deed wonen/blijven/verblijven)
- jâsjab (wonen), zie katoikeô (nederzetten, wonen), zie Mt
4,13
- Jasôn
(Jason), zie Hnd
17,7.
- יָשַׁר = jâsjar (recht zijn, rechtuit gaan, rechtschapen zijn) Taalgebruik in Tenakh: jâsjar (recht zijn, rechtuit gaan, rechtschapen zijn)
- וַיִּשַּׁרְנָה = wajjisjsjarënâh (en ) < waw consecutivum + act; qal imperf 3de pers vr mv 1 S 6,12.
- יָתַר = jâthar (overblijven, over hebben, overvloed geven) Taalgebruik in Tenakh: jâthar (overblijven, over hebben, overvloed geven)
- prefix voegwoord wa-consecutivum + pass nifal imperf 3de pers mann enk וַיִּוָּתֵר = wajjiwwâther (en hij werd achtergelaten) Gn
32,25.
- יָצָא = jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken) Taalgebruik in Tenakh: jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken).
- act qal qatal (perf) 3de pers mann enk יָצָא = jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken) Gn
25,26.
- act qal perf 3de pers mann mv יָצְאוּ = jâtsë´û (zij gingen uit) Gn
10,14
- יָצְאוּ מִשָּׁם = jâtsë´û misjsjâm (zij gingen uit vandaar) Gn
10,14.
- וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consecutivum en qal
actief imperfectum derde persoon mann enk Mc 2,13
- וַיֵּצֵא מִשָּׁם = wajjetse´ misjsjâm (en vandaar ging hij uit) Mc 6,1.
- וַתֵּצֵא (= wathets'e: en zij ging uit); waw consecutivum en wkw qal
actief imperfectum derde persoon vrouw. enk van het wkw יָצָא = jâtsâ´
: uitgaan, uittrekken). Taalgebruik in Tenakh: jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken).
- וַיֵּצְאוּ = wajjetsë´û (en zij gingen uit): waw consecutivum en wkw qal
actief imperfectum derde persoon mannelijk meervoud Gn
12,5.
- -
- בְּצֵאת = bëts´eth (in uittrekken) < voorzetsel bë + act qal inf stat construct Ps
114,1.
- בְּצֵאתוֹ = bëtse´thô (in het buitengaan hem = toen hij buitenging uit) < prefix voorzetsel bë + act inf constr + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk
- הוֹצִיא = hôtsî´ (hij deed uitgaan): (1) act hifil perf 3de pers mann
enk OF (2) act hifil imperatief 2de pers enk Ex
12,51 Lc 24,50
- יְהוָה הוֹצִיא = hôtsî´ JHWH (JHWH deed uitgaan) Ex
12,51
- הוֹצִיא יְהוָה אֶתְכֶם = hôtsî´ JHWH ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) Lc 24,50.
- יְהוָה הוֹצִיא אֶתְכֶם = JHWH hôtsî´ ´èthëkhèm (JHWH deed jullie uitgaan) Lc 24,50.
- הוֹצֵאתִיךָ = hôtse´thîkhâ (ik leidde je uit) < werkwoordvorm act hifil perf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Ex 20,2
- אֲשֶׁר הוֹצֵאתִיךָ = ´äsjèr hôtse´thîkhâ (die deed uitgaan) Ex 20,2.
- act qal imperf 3de pers vr enk jussief תוֹצֵא = thôtse`(dat zij doet uitgaan)
- וַיּוֹצֵא = wajjôtse´ (en hij deed uitgaan) < waw consec + werkwvorm act
hifil imperf 3de pers mann enk (jiqtol) Gn
48,12.
- יוֹצִיאֵם = jôtsî´em (hij deed hen uitgaan) < werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv
- וַיּוֹצִיאֵם = wajjôtsî´em (en hij deed hen buitengaan) < wë consecutivum + werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Lc 24,50.
- לְהוֹצִיא (= lëhôtsî´: om te doen uitgaan; prefix voorzetsel lë + wkw act
hifil infin stat constr van het wkw יָצָא = jâtsa´: uitgaan, uittrekken). ְ Js 42,7.
- jâtsabh
(zich stellen, toegang hebben), zie Ps
2,2.
- יָצַק = jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten) Taalgebruik in Tenakh: jâtsaq (uitgieten, uitstorten, overgieten)
- וַיִּצֹק = wajjitsoq (en hij goot uit) < prefix wa consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk Lv 8,12.
- jâtsar
(vormen), zie Jr
1,5
- jâsj`a
(redden, bevrijden, verlossen). , zie Ps
38,22
- ιδου = idou (zie) Ps 133,1 Lc 1,31 Lc 24,4.
- ἰχθύδια (= ichthudia: visjes; zn verkleinwoord nom en acc onz mv van het zn ιχθυδιον = ichthudion: visje)
- ιδου δυο = idou duo (zie 2) Lc 24,4
- ιδου δυο ανδρες = idou duo andres (zie 2 mannen) Lc 24,4.
- ιδου ανδρες = idou andres (zie mannen) Lc 24,4
- ιδου oἱ ανδρες = idou hoi andres (zie de mannen) Lc 24,4.
- και ιδου = kai idou (en zie) Lc 1,31
- και ιδου δυο = kai idou duo (zie 2) Lc 24,4.
- και ιδου δυο ανδρες = kai idou duo andres (en zie 2 mannen) Lc 24,4.
- και ιδου ανδρες = kai idou andres (en zie mannen) Lc 24,4.
- και ιδου oἱ ανδρες = kai idou hoi andres (en zie de mannen) Lc 24,4.
- και ιδου ανδρες δυο = kai idou andres duo (en zie 2 mannen) Lc 24,4.
- ιδου συ = idou su (zie jij) Gn
16,11.
- ιδού κυριος ἔρχεται (= idou kurios erchetai: zie de heer komt). Js
40,10.
- ιδυμαια = idumaia (Idumea) Taalgebruik in het NT: idumaia (Idumea)
- gen vr enk ιδυμαιας = idumaias (van Idumea) Mc 3,8.
- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a
(Jozua) Taalgebruik in Tenakh: jëhôsju`a
(Jozua) Mc 3,7 Ef
1,1
- אֶל יְהוֹשֻׁעַ = ´èl jëhôsju`a (tot Jozua) Joz
2,23
- אֶל יְהוֹשֻׁעַ בִן נוּן = ´èl jëhôsju`a bin nûn (tot Jozua, zoon
van Nun) Joz
2,23.
- יְהוּדָה = jëhûdâh
(Juda) Taalgebruik in Tenakh: jëhûdâh
(Juda) Lc 1,5
- jëhôsju`a
(Jozua), zie Joz
5,9.
- יֶלֶד = jèlèd (= het voortgebrachte, kind). Taalgebruik in Tenakh: jèlèd = het voortgebrachte, kind . Getalswaarde: jod = 10, lamed = 12 of 30, daleth = 4; totaal: 26 OF 44 (4 X 11). Structuur: 1 - 3 - 4. De som van de elementen is telkens 8.
- יְלָדִ֔ים (= j?l?d?m: kinderen; zn mann mv van het zn יֶלֶד = jèlèd: het voortgebrachte, kind).
- וָלָד לָה ֶם אֵין (= ´e(j)n lahèm wâlâd: er was niet aan hen een kind OF zij hadden geen kind). Hieraan beantwoordt Gn 11,30: וָלָד לָהּ אֵין = ´e(j)n lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij
had geen kind) LXX vertaalt: και = kai (MT heeft geen verbindingsartikel wa = en),
ουκ = ouk (ontkenning in het Hebreeuws אֵין = ´en (er is niet), ετεκνοποιει = eteknopoiei: zij maakte
een kind - τεκνοποιεω = teknopoieô); zij maakte geen kind.
- יֶרֶק = jèrèq (het groen bij planten) Taalgebruik in Tenakh: jèrèq (het groen bij planten) Gn
1,30.
- ιερουσαλην (= ierousalèm: Jeruzalem). Taalgebruik in het NT: ierousalèm (Jeruzalem) Lc
17,11
- εις ἱεροσολυμα = eis hierosoluma
(naar Jeruzalem) Lc
17,11.
- εις ιερουσαλην = eis ierousalèm (naar Jeruzalem) Lc
17,11.
- יְרוּשָׁלִָם = jërûsjâlaim: Jeruzalem). Sef 3,14.
- יֵשׁ / יֶשׁ = jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn) Taalgebruik in Tenakh: jesj / jèsj (er is, er was, er zal zijn).
- יְשַׁעְיָהוּ = jësja`ëjâhû (Jesaja) Taalgebruik in Tenakh: jësja`jâhû (Jesaja)
- יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja,
de profeet) 2
K 19,2
- יְשַׁעְיָהוּ בֶּן אָמוֹץ הַנָּבִיא = jësja`ëjâhû bèn ´âmôts hannabhî ´ (Jesaja, zoon van Amots, de profeet) 2
K 19,2.
- Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus) Mc 5,15
- Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr: יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a: Jozua / Jezus: hij brengt redding, van het wkw יָשַׁע = jâsja: redden, bevrijden, verlossen; Gr: σωζω = sôzô). Taalgebruik in het NT: Ièsous
(Jezus) Mc 1,14 Mc 10,52 Lc
18,42.
- ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) Mc 10,52
- Ἰησοῦ (= ièsou: van Jezus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus).
- ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) Joh
5,1.
- ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) Joh
5,1.
- απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) Joh
5,1.
- εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) Joh
5,1.
- ερχεται ὁ Ιησους = erchetai ho Ièsous (Jezus komt) Joh
4,46.
- δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) Mc 10,52 Lc
18,40.
- και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) Mc 10,52 Lc
18,42
- και ὁ ιησους ειπεν = kai ho ièsous (en Jezus) eipen (en Jezus zei) Lc
18,42
- και ὁ ιησους ειπεν αυτῳ = kai ho ièsous (en Jezus) eipen autô(i) (en Jezus zei hem) Mc 10,52.
- ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) Mc 10,52 Lc
18,42
- ὁ δε ιησους ειπεν = ho de ièsous eipen (Jezus echter zei ) Lc
18,42
- ὁ δε ιησους ειπεν αυτῳ = ho de ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) Mc 10,52.
- Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; voc mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô)
- gen mann enk ιησου = Ièsou (Jezus) Mt
14,1 Mc 1,1 Kol
1,1
- ιησου χριστου = Ièsou Christou (Jezus Christus) Mc 1,1 Kol
1,1.
- Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô)
- ιησουν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô).
- τον ιησουν = ton ièsoun (Jezus) Mc 5,15
- προς τον ιησουν = pros ton Ièsoun (naar Jezus) Mc 5,15.
- jithërô
(Jetro), zie Ex
3,1
- יהוה = JHWH Taalgebruik in Tenach: JHWH. Ex 20,5 Dt 1,8 Dt
6,13 Js
61,9 Ps
84,2 Lc 4,18
- כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH) Dt
4,24
- כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) Dt
4,24.
- אֵת OF אֶת יהוה = ´eth OF ´èth JHWH (JHWH) Dt
6,2
- אֲדֹנָי יהוה = ´ädonaj JHWH (Heer God) Lc 4,18
- יהוה אֱלֹהֵי = JHWH ´èlohe(j) = JHWH, de God van Lc
1,68
- יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, je God) Ex 20,2 Dt
5,12
- כִּי יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = kî JHWH ´êlohè(j)khâ (want JHWH, je God) Dt
4,4.
- יהוה אֱלֹהֶךָ נֹתֵן לָך = JHWH ´êlohe(j)khâ nothen lâkh (JHWH je God je gevende) Ex
20,12.
- יְהוָה אֱלֹהֶיךָ אֲשֶׁר = JHWH ´êlohè(j)khâ ´äsjèr (JHWH, jouw God, die)
- Dt
6,2
- אֶת יהוה אֱלֹהֶיךָ תִירָא = ´èth JHWH ´êlohè(j)khâ thîrâ´ (JHWH, jouw God, zal je vrezen) Dt
6,2.
- יְהוָה אֱלֹהֵיכֶם = JHWH ´êlohè(j)khâ (JHWH, jullie God) Ex 20,2
- יהוה אֱלֹהֵינוּ = JHWH ´è:lohe(j)nû (JHWH, onze God) Dt 6,4
- בַּיהוה = bJHWH (in/aan JHWH) < bë + יהוה = JHWH Gn
15,6 Ps 35,9
- כַּיהוה = kJHWH < kë + JHWH Dt
4,7
- כַּיהוה אֱלֹהֵינוּ = kJHWH ´êlohe(j)nû (als JHWH, onze God) Dt
4,7.
- לַיהוה = lJHWH (voor JHWH) < prefix voorzetsel lë + Ex
20,10
- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a
(Jozua) Taalgebruik in Tenakh: jëhôsju`a
(Jozua) Mc 1,1.
- בִּישׁוּעָתוֹ (= bîsjû`âthô = op zijn redding) < voorzetsel bë + zn vr enk stat constr + suffix pers vnw 3de pers mann enk van het zn יְשׁוּעָה = jësjû`âh / tësjû`âh: redding, verlossing, heil).
- לִישֻׁעָ֣תָה (= lisjo`âthâh: tot redding, tot bevrijding: < prefix vz ל = lë: tot + zn vr enk van het zn יְשׁוּעָה = jësjû`âh / tësjû`âh: redding, verlossing, heil). Ps
80,3.
- Lat: imago. Ned: imaginatie: ver-beeld-ing.
- Ned: in Arabisch: فِي = fi (in) Taalgebruik in de Qoran: fi D: in E: in Fr: dans Grieks: εν = en (in, tijdens)
Taalgebruik in het NT: en
(in) Hebreeuws: בְּ = bë Lat: in
- inimicitia (vijandschap) <-> in-amacitia.
- acc vr enk inimicitiam Gn
3,15.
- acc vr mv inimicitias Gn
3,15.
- יִצְחָק (= jitsëchâq: Isaak; zn eigennaam)
- involvere, involvi, involutum (wentelen, rollen, wikkelen in) Lc
23,53.
- bëne jisërâ`el (Israëlieten), zie Ex
40,36.
- ιωαννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) Taalgebruik in het NT: Iôannès
(Johannes)
- ιωαννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) Mc
6,24 Hnd
12,12.
- ιωαννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) Mc 1,14 Mc 6,17.
- Iôannès (Johannes) 26X bij Matteüs 2van het zn 3X Johannes de Doper 3X Johannes, apostel
- Iordanès (Jordaan 6X bij Matteüs)
- יוֹבֵל = jôbhel (ram / jobel, vergeving) Taalgebruik in Tenakh: jôbhel (ram / jobel, vergeving)
- בַיֹּבֵל = bajjobhel (in de jobel, in de vergeving) < prefix voorzetsel bë = bepaald lidw ha + zelfst naamw jobhel Lc 4,18.
- jô´el (Joël) Taalgebruik in Tenach: jô´el
(Joël) Taalgebruik in Joël: jô´el
(Joël) Getalwaarde: jod = 10, waw = 6, aleph = 1 c, lamed = 12
of 30; totaal: 29 OF 47 Gr iôèl (Joël) Taalgebruik
in de Septuaginta: iôèl
(Joël).
- יוֹם (= jôm: dag). Taalgebruik
in Tenakh: jôm
(dag).
- יוֹם = jôm (dag)
- אֶת יוֹם = ´èth jôm (dag) Ex
20,8.
- בְּיוֹם /בַּיּוֹם = bëjôm / bajjôm = op een (de) dag < voorzetsel bë + (bepaald lidw ha) + יוֹם = jôm (dag). Gn
1,18. Gn
22,4. Ex
24,16.
- בַּיּוֹם הַהוּא = bajjôm hahû´ (op die dag). Zach
12,3
- וְהָיָה בַּיּוֹם הַהוּא = wëhâjâh bajjôm hahû´ (en het zal
zijn op die dag) Zach
12,3.
- בַּיּוֹם הַשְּׁביעִי = bajjôm hasjsjëbhî`î (op de zevende dag). Lv
23,3. Ex
24,16.
- וּבַיּוֹם הַשְּׁבִיעִי = ûbhajjôm hasjsjëbhî`î (en op de zevende dag) Lv
23,3.
- בַּיּוֹם הַשְּׁלִישִׁי = bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag).
- הַשְּׁבִיעִי וּבַיּוֹם (= ûbhajjôm hasjsjëbhî`î: en op de zevende dag).
- הַיּוֹם = hajjôm (de dag, vandaag) < bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,14 Mt
6,11
- הַיּוֹם הַזֶּה אָהֵל = hajjôm hazzeh ´âchel (deze dag begin ik) Dt
2,25.
- וְיוֹם = wëjôm (en op de dag) < prefix voegwoord wë + zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Ex
20,10
- וְיוֹם הַשְּׁבִיעִי = wëjôm hasjsjëbhî`î (en 'op' de zevende dag) Ex
20,10.
- יָמִ֑ים (= jâmîm: dagen; zn mann mv van het zn יוֹם = jôm: dag). Lv
23,3. Lc
8,22. Ex
24,16.
- stat constr mann mv יְמֵי = jëme(j) (dagen van)
- הַיָּמִים = hajjâmîm (de dagen) < prefix bepaald lidw ha + nom mann mv van het zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Lc
8,22
- בְּאַחֱרִית הַיָּמִים = bë´achärîth hajjâmîm (in de laatste
dagen) Dt
4,30.
- בַּיָּמִּים = bajjâmîm (in de dagen) < voorzetsel bë + zelfst naamw mann mv van het zelfst naamw יוֹם = jôm (dag) Lc 1,5
- בִּימֵי = bîme(j) < voorzetsel bë + stat constr mann mv OF בְיָמָי = bëjâmâj (in mijn dagen) <bë + stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mann enk Lc 1,5.
- יוֹם-יְהוָה (= jôm JHWH: de dag van de Heer). Js
13,9.
- jôm
(dag), zie Ex
2,23.
- יוֹנָה (= jônâh: Jona; eigennaam). Taalgebruik in Tenakh: jônâh
(Jona) Jon 1,3.
- ιωνας = iônas (Jona) Taalgebruik in het NT: iônas (Jona) Jon 1,3.
- ιορδανης = iordanès Jordaan) Taalgebruik in het NT: iordanès
(Jordaan) Mc 3,8
- ιορδανου (= iordanou: van de Jordaan; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) Mc 3,8.
- Ἰορδάνῃ (= jordanè: Jordaan; zn eigennaam dat vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan)
- Ἰορδάνην (= iordanèn: Jordaan; zn eigennaam acc vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan)
- וֹרֶה = jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) Taalgebruik in Tenakh: jôrèh (vroege regen in Palestina vanaf half oktober tot half december) Dt 11,14.
- יוֹסֵף = jôseph (Jozef)
Taalgebruik in Tenakh: jôseph
(Jozef). Gn
37,28 Lc 1,27
- אֶת יוֹסֵף = ´èth jôseph (Jozef) Gn
37,28.
- ιωσηφ (= iôsèf: Jozef; zn eigennaam nom mann enk) Taalgebruik in het NT: iôsèf
(Jozef) Mc
15,45 Lc 1,27
- τον ιωσηφ = iôsèf (Jozef) Gn
37,28
- Ἰωσῆτος (= jôsètos: van Josès; zn eigennaam gen vr enk van het zn ιωσης = Iôsès: Josès).
- יוּסִי = iôsî (Jozef)
- ιουδαια (= ioudaia: Judea, Judees, Joods; bv nw nom vr enk, ook wel zelfstandig gebruikt)
Taalgebruik in het NT: ioudaia
(Judea) Lc 1,5
- nom vr enk ιουδαια = ioudaia (Judea) en dat vr enk ιουδαιᾳ = ioudaia(i) Lc
21,21.
- ιουδαιας (= ioudaias: van Judea; zn eigennaam, gen vr enk van het zn ιουδαια = ioudaia: Judea) Mc 3,7 Lc 1,5
- απο της ιουδαιας = apo tès ioudaias (vanaf Judea) Mc 3,7.
- εk της ιουδαιας = ek tès ioudaias (uit Judea) Joh
4,3.
- Ἰουδαίᾳ (= joudaia: Judea; van het zn ιουδαια = ioudaia: Judea)
- εν τῃ ιουδαιᾳ = en tè(i) ioudaia(i) (in Judea) Joh
4,3.
- -
- εις την ιουδαιαν = eis tèn ioudaian (naar Judea) Joh
4,3.
- Ἰουδαίων (= judaiôn: van de Joden; zn gen mann mv van het zn Ἰουδαίος = judaios: Jood).
- Ἰούδας (= ioudas: Judas; zn eigennaam)
- יִרְאַת יְהוָה (= jirë´ath JHWH: vrees voor JHWH). Spr
1,7.
- ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn, kunnen) Taalgebruik in het NT: ischuô (sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn, kunnen)
- act ind imperf 3de pers enk ισχυεν = ischuen (hij was bij machte) Mc
5,4.
- ἴσχυσας (= ischuas: jij hebt kracht; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn, kunnen)
- ισχυοντες (= ischuontes: degenen die gezond zijn; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn, kunnen)
- אִישׁ = ´îsj (man,
ieder) Taalgebruik in Tenakh: ´îsj
(man) Lc 2,25
- אִישׁ צַדִּיק = ´isj tsaddîq (rechtvaardig Lc 2,25.
- אֵשֶׁת (= 'esjèth: de vrouw van; zn stat construct vr enk van het zn אִשָּׁה = ´isjsjâh: vrouw). Gn
16,1.
- אֵשֶׁת אַבְרָם (= ´esjèth ´abhërâm: de vrouw van Abram). Gn
16,1.
- שָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם (= shâraj ´esjèth ´abhërâm: Sara, de vrouw van Abram). Tenakh (2): (1) Gn
12,17 . (2) Gn
16,3 .
- וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם (= wëshâraj ´esjèth ´abhërâm: en Sara, de vrouw van Abram). Tenakh (1): Gn 16,1 .
- יִשְׁמָעֵאל = jisjëmâ`e´l (Ismaël) Taalgebruik in Tenakh: jisjëmâ`e´l (Ismaël) Gn
25,13
- אֶת יִשְׁמָעֵאל = ´èth jisjëmâ`e´l (Ismaël) Gn
16,16.
- ἰσχύος (= ischuos: van kracht; zn gen mann enk van het zn ἰσχύς = ischus: kracht).
- μετα ἰσχύος (= meta ischuos: met kracht). Js
40,10. LXX (7). Js (6).
- ισραηλ (= israèl: Israël; eigennaam) Taalgebruik in het NT: Israèl
(Israël) Lc 1,16. Sef 3,14.
- יִשְׂרָאֵל (= jishërâ´el: Israël). Taalgebruik in Tenakh: jishërâ´el
(Israël) Gn
32,29 Dt 4,1 Lc 1,16 1 S 8,4
- בְּנֵי יִשְׂרָאֵל = bënê jishërâ´el (zonen van Israël,
Israëlieten) Ex
16,15
- וּבְּנֵי יִשְׂרָאֵל = ûbhënê jishërâ´el (en de zonen van Israël,
Israëlieten) Ex
16,15.
- יִשְׂרָאֵל מַה / מָה = jishërâ´el (Israël) mah / mâh (Israël, wat?) Dt
10,12.
- יִצְחָק = jitsëchaq (Isaak) Taalgebruik in Tenakh: jitsëchâq
(Isaak).
- עִוֵּר = `iwwer (blind) Taalgebruik in
Tenakh: `iwwer
(blind) Mc 10,46
- mann mv עִוְרִים = iwërîm (blinden) Lc 4,18.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
K.
- De k wordt niet uitgesproken: E.: knowledge (kennis).
- weglating van Lat: c=k naar het Fr. Lat: san-c-tus -> Fr: saint. Lat: di-c-ere -> Fr: dire.
- כָעַס = kâ`as (zich ergeren, vertoornen) Taalgebruik in Tenakh: kâ`as (zich ergeren, vertoornen)
- כַעַס = ka`as (toorn, gramschap, verdriet)
- כָּבָה = kâbhâh (geblust worden, uitgaan) Taalgebruik
in Tenakh: kâbhâh
(geblust worden, uitgaan)
- act qal perf 3de pers mann mv כָּבוּ = kâbhû (zij werden geblust)
- כָּבַד = kâbhad
(zwaar zijn, verheerlijken) piël: eren; nifal: verheerlijkt worden
- act piël imperatief 2de pers mann enk כַּבּד = kabbed (eer) Ex
20,12.
- מְכַבְּדֶיהָ = mëkhabbëdèjhä (zij die haar verheerlijken)
- כָבַשׁ = kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) Taalgebruik in Tenakh: kâbasj (bedwingen, onderdrukken, met voeten treden) Hifil: onderwerpen
- וְכִבְשֻׁהָ = wëkibësjuhâ (en onderwerpt haar) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal imperat 2de pers mann mv
- כַבוֹד = kabhôd
(heerlijkheid) Taalgebruik in Tenakh: kabhôd
(heerlijkheid) Lc 2,9
- כַּבֹד יהוה = këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH) Lc 2,9.
- וּכַבֹד = ûkhëbhôd (en de heerlijkheid) Lc 2,9
- וּכַבֹד יהוה = ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) Lc 2,9.
- כַד = kad (kruik) Taalgebruik in Tenakh: kad (kruik)
- כַף = khaph (handpalm) Taalgebruik in Tenakh: khaph (handpalm).
- καφαρναυμ = kafarnaoum (Kafarnaüm) Taalgebruik in het NT: kafarnaoum
(Kafarnaüm).
- και (= kai: en; nevensch vw; gevormd uit: vertikale streep I + <: stop en ga voort???). D: und. E: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al. Taalgebruik: kai
(en) in NT. Mc 1,4 Mc 4,35 Mc
4,39 Mc 10,52 Mc 15,42 Mc
15,46 Lc
1,68 Lc
4,36 Lc
5,30 Lc
15,1
- και ὁ = kai de (en de) Mc 10,52 Lc
18,40.
- και οἱ = kai hoi (en de) Lc
15,1.
- και ιδου = kai idou (en zie) Lc 1,31.
- και ουκ = kai ouk Lc 1,7
- και ουκ ην = kai ouk èn (en er was niet) Lc 1,7.
- καινος = kainos (nieuw) Taalgebruik in het NT: kainos (nieuw) Lc 22,20
- nom vr enk καινη = kainè Lc 22,20.
- καινὸν (= kainon: nieuw; bv nw acc onz enk van het bv nw καινος = kainos: nieuw)
- kairos
(hét moment ) bij Marcus, zie Mc 1,15: Mc
1,14-15 -
- καιρὸς (= kairos: het gunstige moment; zn nom mann enk)
- Kaisar
(keizer), zie Lc
3,1
- καιρῷ (= kairô: gunstige tijd; zn dat mann enk van het zn καιρὸς = kairos: tijd, gunstig moment)
- καισαρος (= kaisaros: van de keizer; zn gen mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer)
- καισαρι (= kaisari: aan de keizer; zn dat mann enk van het zn καισαρ = kaisar: keizer)
- Καισαρείας (= kaisareias: van Cesarea; zn eigennaam gen vr enk van het zn eigennaam Καισαρεία = kaisarea: Cesarea)
- Kaisareia
(Cesarea), zie Hnd
10,1.
- Κἀκεῖθεν (= kakeithen: en vandaar; < kai + ekei-then; vw en bw van plaats))
- κακίᾳ (= kakia: slechtheid, kwaadheid; zn dat vr enk van het zn κακια = kakia: slechtheid, kwaadheid).
- κακολογήσεις (= kakologèseis: jij zult kwaadspreken; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw κακολογεω = kakalogeô: kwaad spreken)
- κακολογῆσαί (= kakologèsai: om kwaad te spreken over; wkw act inf aor van het wkw κακολογεω = kakalogeô: kwaad spreken)
- κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw)
- κακοω = kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen) Taalgebruik in het NT: kakoô (kwaad doen, verzwakken, beschadigen)
- act ind aor 3de pers enk εκακωσεν = ekakôsen (hij behandelde slecht) Dt
8,3.
- κακοηθείας (= kakoètheias: van kwaadaardigheid; zn gen vr enk van het zn κακοηθεία (= kakoètheia: kwaadaardigheid, boosaardigheid)
- κακόν (= kakon: slecht, kwaad; bv nw onz enk van het bv nw κακος = kakos: slecht, kwaad).
- כָּלָה = kâlâh (voltooien, eindigen) Taalgebruik in Tenakh: kâlâh
(voltooien, eindigen)
- act qal perf 3de pers mann mv kâlû (zij eindigen)
- act qal imperat 2de pers vr enk כְּלִי = këlî
- וַיְכַלּוּ = wajëkullû (en zij werden voltooid) < prefix voegwoord waw consecutivum + pass pual 3de pers mv Gn
2,1.
- khâlâh
(ophouden, vergaan), zie 1
K 17,14
- khâlam
( zich schamen, versmaden, beschaamd maken), zie Ps
35,4.
- καλάμῳ (= kalamo: rietstengel; zn dat mann enk van het zn καλάμος = kalamos: rietstengel).
- כלב = k-l-b (1) persoonsnaam
kâlebh (Kaleb) (2) zelfst naamw kèlebh (hond) (3) këlebh
(als een hart) < kë + lebh (hart) Taalgebruik in Tenakh: kâlebh
(Kaleb) 1
- וַכָלֵב = wakhâlebh (en Kaleb) 1
Kr 2,18.
- καλεω = kaleô: roepen,
noemen) Taalgebruik in het NT: kaleô
(roepen)
- εκαλεσεν (= ekalesen: hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen) Gn
25,26
- και εκαλεσεν ὁ θεος = kai ekalesen ho theos (en God riep) Gn
1,5.
- καλεσαι (= kalesai: om te roepen; wkw act inf aor van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen) Js
61,2
- καλεσας (= kalesas: roepende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen). Gal 1,15.
- κληθήσεται (= klèthèsetai: hij zal genoemd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen)
- κληθήσονται (= klèthèsontai: zij zullen genoemd worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen).
- ἐκλήθητε (= eklèthète: jullie werden geroepen; wkw pass ind aor 2de pers mv van het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen). Gal
5,13.
- kaleô
(roepen), zie (Gal
5,13.
- καλος = kalos: goed,
mooi, schoon) Taalgebruik in het NT: kalos
(goed, mooi, schoon) Gn
1,4
- καλον (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed,
mooi, schoon) Gn
1,4.
- τί καλὸν (= ti kalon: wat verwarmend). Ps 133,1.
- καλως (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed,
mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalôs (goed) Mc 12,28.
- καλάμῳ (= kalaô: rietstok; zn dat mann enk van het zn καλάμος = kalamos).
- ?a�???? (= kam�lou: van een kameel; zn gen mann en vr enk van het zn ?a�???ς = kam�los: kameel)
- κεκαλυμμενον (= kekalummenon: verborgen; wkw pass part perf nom onze enk van het wkw καλύπτω = kaluptô: verbergen). NT (3). Mt (1): Mt
10,26. Vijf verschillende vormen van καλύπτω = kaluptô: verbergen in het NT (8). Mt (2).
- Kana (Kana) Plaatsnaam, zie Joh
2,11.
- Arabisch: كانَ = kâna (zijn) Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn) Mc 1,23
- Khënâ`an
(Kanaän), zie Gn
10,6.
- כָנַס = kânas (verzamelen) Taalgebruik in Tenakh: kânas (verzamelen).
- kaô
(in brand steken, verbranden), Mt
13,40.
- כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) Taalgebruik in Tenakh: kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) Mc 2,1.
- כָּפָר / כֹּפֶר = kâphâr / kophèr (dorp) Taalgebruik in Tenakh: kâphâr / kophèr (dorp) Mc 2,1.
- כָרַת = kârath (snijden,
uitroeien) Taalgebruik in Tenakh: kârath
(snijden)
- כָרַת יהוה = kârath JHWH (JHWH sloot / sneed) Ex
24,8.
- kârath
(snijden), zie Gn
15,18.
- καρδια (= kardia: hart). Taalgebruik in het NT: kardia (hart). Dt
6,5.
- ἡ καρδία μου (= hè kardia mou: mijn hart). 1 S 2,1.
- καρδιας (= kardias: uit het hart; zn gen vr enk van het zn καρδια = kardia: hart).
- εξ ὁλης της καρδιας σου = ex holès tès kardias sou (uit heel je hart) Dt
6,5
- εξ ὁλης της καρδιας σου και εξ ὁλης της ψυχης σου = ex holès tès kardias sou kai ex holès tès psuchès sou (uit heel je hart en uit heel je ziel) Dt
6,5.
- καρδίᾳ (= kardia: in zijn hart; zn dat vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis)
- καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis)
- καρδίαις (= kardiais: in de harten; zn dat vr mv van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis)
- karpos
(vrucht), zie Joh
15,2
- καρπὸν (= karpon: vrucht; zn acc mann enk van het zn καρπος = karpos: vrucht)
- καρπῶν (= karpôn: vruchten; zn acc mann mv van het zn καρπος = karpos: vrucht)
- καρποφορεω = karpoforeô (vrucht dragen) Zie het werkw καρπος = karpos: vrucht)
Taalgebruik in het NT: karpos
(vrucht)
- pass part nom mann enk καρποφορουμενον = karpoforoumenon (vrucht dragend) Kol
1,6.
- כָּסָה (= kâsâh: bedekken). Taalgebruik in Tenakh: kâsâh
(bedekken) kâsâh
(bedekken), zie Nu
9,15
- prefix verbindingswoord wë en werkwoordvorm actief piel imperfectum derde
persoon mannelijk enkelvoud וַיְכַס = wajëkhas (en hij bedekte) Nu
22,11.
- prefix verbindingswoord wë + act piel wajjiqtol (imperfectum) 3de pers mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers enk וַיְכַסֻּהוּ = wajëkassuhû (en zij bedekten hem) 1
K 1,1.
- כָשַׁל = kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) Taalgebruik in Tenakh: kâsjal (wankelen, struikelen, vermoeid zijn) Lc
17,1
- מִכְשֹׁל = mikhësjol (struikelblok, valstrik, aanleiding, ergernis) Lc
17,1.
- κατὰ (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat'). Taalgebruik in het
NT: kata
(tegen, volgens). Mc 4,10.
- κατα μονας = kata monas (afzonderlijk) Mc 4,10
- καθ' (= kath: tegen; vz afkorting van κατὰ = kata: van... naar beneden, volgens)
- καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen) Taalgebruik in het NT: katabainô
(neerdalen, afdalen) Lc
8,23
- act ind imperf 3de pers enk κατεβαινεν = katebainen (hij daalde af) Lc
10,31.
- καταβάτω (= katabatô: dat hij afdale); wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw καταβαινω = katabainô: (naar beneden dalen, afdalen)
- act ind aor 1ste pers enk κατεβην = katebèn (ik daalde af) Lc
8,23.
- act ind aor 3de pers enk κατεβη = katebè (hij daalde neer) Lc
8,23.
- καταβαῖνον (= katabainon: neerdalend; wkw act part praes acc vr enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen).
- καταβαινόντων (= katabainôntôn: terwijl zij afdaalden; wkw act part praes gen mann mv van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen)
- καταβὰς (= katabas: afdalende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen, afdalen)
- καταβαρυνόμενοι (= katabarumenoi: bezwaard; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw καταβαρυνω = katabarunô: bezwaren)
- κατεφίλησεν (= katefilèsen: hij kuste; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καταφιλεω = katafileô: zoenen, kussen).
- ?at??ee? (= katecheen: zij goot neer; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ?ata?e? = katache�: neergieten, gieten over)
- καθαιρεω (= kathaireô: naar beneden nemen, afnemen, neerhalen).
- καθειλεν (= katheilen: hij haalde neer; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καθαιρεω = kathaireô: naar beneden nemen, afnemen, neerhalen). Lc
1,52. .
- κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) Taalgebruik
in het NT: katakeimai
(neerliggen)
- κατεκειτο ( = katekeito: hij / zij lag neer; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) Mc 1,30.
- κατακεισθαι (= katakeisthai: neerliggen; wkw med inf praes van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) Mc 2,15.
- κατακειμενου (= katakeimenou: terwijl hij neerligt; wkw med part praes gen mann enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) Mc 14,3.
- κατακρινοῦσιν (= katakrinousin: zij veroordelen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατακρινω = katakrinô: oordelen tegen, veroordelen)
- κατέκριναν (= katekrinan: zij veroordeelden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κατακρινω = katakrinô: oordelen tegen, veroordelen)
- κατακυριεύουσιν (= katakurieuousin: zij verheersen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατακυριευω: heersen, overheersen)
- καταλάλους (= katalalous: tegensprekers, lasteraars; bv nw / zn acc mann ùv van het bv nw / zn καταλάλος = katalalos: tegenspreker, kwaadspreker, lasteraar)
- καταλειπω = kataleipô (verlaten, achterlaten) Taalgebruik in het NT: kataleipô
(verlaten, achterlaten)
- καταλείψει (kataleipsei: hij zal achterlaten; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten)
- καταλίπῃ (= katalipè: hij zou achterlaten; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten)
- καταλιπὼν (= katalipôn: achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καταλειπω = kataleipô: achterlaten)
- καταλάβῃ (= katalabè: hij zou zich meester maken; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλαμβανω = kata-la-m-ba-n-ô: naar beneden nemen, zich meester maken van)
- κατακοπτω = katakoptô (neerslaan, doden) Taalgebruik in het NT: katakoptô (neerslaan, doden)
- act part praes nom mann enk κατακοπτων = katakoptôn (neerslaand, dodend) Mc
5,5.
- κατάλυμά (= kataluma: herberg, vertrek)
- καταλυθῇ.(= kataluthè: hij zou vernietigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen)
- καταλύσω (= katalusô: ik zal vernietingen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen).
- καταλῦσαι (= katalusai: te vernietigen; wkw act inf aor van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen, afbreken)
- καταλύων (= kataluôn: vernietigende, afbrekende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen, afbreken)
- καταμαρτυροῦσιν (= katamarturousin: zij getuigen tegen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw καταμαρτυρεω = katamartureô: getuigen tegen).
- καταπαυω = katapauô (ophouden)
- act ind aor 3de pers enk κατεπαυσεν = katepausen (hij hield op) Gn
49,33.
- καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel, het neergevallene) Taalgebruik
in het NT: katapetasma
(voorhangsel)
- καταπετασμα (= katapetasma: voorhangsel, het neergevallene; zn nom onz enk). Mc 15,38.
- κατεπόντισεν (= katepontisen: hij wierp in zee; hij dompelde onder; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καταποντίζω = katapontidzô: in de zee werpen, onderdompelen, doen zinken, verdrinken). Ex 15,4.
- κατάρας (= kataras: van de vloek; zn gen vr enk van het zn κατάρα = kat-ara: vloek, vervloeking)
- καταρωμένους (= katarômenous: vervloekers; wkw med of pass part praes acc mann mv van het wkw κατ-αραομαι = kat-araomai: vervloeken)
- κατηράσω (= katèrasô: jij vervloekte; wkw med /pass aor 2de pers enk van het wkw κατ-αραομαι = kat-araomai: vervloeken).
- κεκατηραμένος (= kekatèramenous: vervloekte; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw κατ-αραομαι = kat-araomai: vervloeken)
- καταρτιζω = katartizô: inrichten, in orde brengen, herstellen) Taalgebruik in het NT: katartizô (inrichten, in orde brengen, herstellen)
- καταρτίζοντας (= kataridzontas: herstellende; wkw acc part praes acc mann mv van het wkw καταρτιζω = katartizô: inrichten, in orde brengen, herstellen)
- κατασκεδαννυμι = kataskedannumi (uitstroeien, uitgieten, verbreiden)
- act ind aor 3de pers enk κατεσκεδασεν = kateskedasen (hij goot uit) Ex
24,8.
- κατεσκήνωσας (= kateskènôsas: jij verblijft, laat wonen; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw κατασκηνοω = kataskènoô: verblijven, wonen)
- ?atas?e?a?? = kataskeuazô: uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
- ?atas?e??se? (= kataskeuasei: hij zal maken; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ?atas?e?a?? = kataskeuazô: uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
- κατέστρεψεν (= katestrepsen: hij draaide om; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καταστρεφω = omdraaien, omkeren)
- κατέναντι (= katenanti: tegenover: vz met gen)
- κατεσθιω = katesthiô (eten, verscheuren, verslinden) Taalgebruik in het NT: katesthiô (eten, verscheuren, verslinden)
- act ind aor 3de pers enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) Mc 4,4.
- κατεξουσιάζουσιν (= kateksousiadzousin: zij oefenen macht uit over; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατεξουσιάζω = kateksousiadzô: macht uitoefenen over)
- katha
(zoals), zie Mt
21,6.
- כָּתַב= kâthabh
(schrijven) Taalgebruik in Tenakh: kâthabh
(schrijven) Mc 1,2
- וְכָתַבְתָּ = wëkhâthabhëthâ (en jij zult schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act qal perf 2de pers mann enk Dt
27,8.
- וּכְתַבְתָּם = ukhëthabh¨thâm (en jij zult ze schrijven) < prefix voegwoord wë -> û + werkwoordvorm act qal perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Dt
6,9.
- וַיִּכְתֹּב = wajjikhëthobh (en hij schreef) < prefix verbindingswoord wë + act
qal imperf 3de pers mann enk Dt
31,9
- וַיִּכְתֹּב מֹשֶׁה = wajjikhëthobh mosjèh (en Mozes schreef) Dt
31,9.
- כַּכָּתוּב = kakâthûbh (zoals het geschrevene) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + passief qal partic mann enk Mc 1,2.
- καθαιρεω = kathaireô (naar beneden nemen, afnemen) Taalgebruik in het NT: kathaireô
(afnemen, naar beneden nemen) Mc
15,46
- καθελεῖν (= kathelein: afnemend; wkw act inf aor van het wkw καθαιρεω = kathaireô: naar beneden nemen, afnemen)
- καθελων (= kathelôn: afnemend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθαιρεω = kathaireô: naar beneden nemen, afnemen) Mc
15,46.
- καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) Taalgebruik in het NT: katharizô (schoon maken, reinigen)
- act inf aor καθαρισαι = katharisai (om te reinigen) Mc 1,40.
- καθαριζετε (= katharidzete= reinigt, zuivert; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw καθαριζω = katharizô: schoon maken, reinigen). Taalgebruik in het NT: katharizô (schoon maken, reinigen).
- pass ind aor 3de pers enk
εκαθαρισθη = ekatharisthè (hij werd gereinigd) Mc 1,42.
- pass ind aor 3de pers mv εκαθαρισθησαν = ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) Mc 1,42.
- κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken)
- act ind fut 3de pers enk κατασκευασει = kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) Mc 1,2.
- act part aor nom mann enk κατασκευασας = kataskeuasas (uitrustende)
- κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets
beschuldigen) Taalgebruik in het NT: katègoreô
(iemand van iets beschuldigen)
- κατηγοροῦσιν (= katègorousin: zij beschuldigen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κατηγορεω = katègoreô: tegenspreken, iemand van iets
beschuldigen).
- κατηγορουν (= katègoroun: zij bleven beschuldigen/ aanklagen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κατηγορεω = katègoreô: tegenspreken, iemand van iets
beschuldigen). Mc
15,3.
- act conjunct aor 3de pers mv κατηγορησωσιν = katègorèsôsin (zij zouden beschuldigen) Mc 3,2.
- pass inf praes κατηγορεισθαι = katègoreisthai (tijdens het beschuldigen) Mt
27,12
- act part praes nom mann mv κατηγορουντες = katègorountes (beschudigend) Lc
23,10.
- καθέδρας (= kathedras: stoelen, zetels; zn acc vr mv van het zn καθέδρα = kathedra: stoel, zetel)
- κατεσθιω = katesthiô: eten, verscheuren, verslinden) Taalgebruik in het NT: katesthiô (eten, verscheuren, verslinden)
- act ind aor 3de pers enk κατεφαγεν = katefagen (hij at op) Mc 4,4.
- κατεσθίοντες (= katesthiontes: etende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κατεσθιω = katesthiô: eten, verscheuren, verslinden)
- καθήκουσαν (= kathèkousan: passende; wkw med / pass part praes acc vr enk van het wkw καθήκω = kath- èkô: naar beneden gaan, afdalen, toekomen, passen)
- καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten.
Taalgebruik in het NT: kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) Mc
16,5
- Κάθου (= kathou: zet je neer; wkw med imperat praes 2de pers enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten)
- ἐκάθητο (= ekathèto: hij zat; wkw med ind imperfect 3de pers enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) Mc 10,46.
- καθημενος (= kathèmenos: zittend, zich zettend; wkw med part praes nom mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten). Kol 3,1.
- καθημενον (= kathèmenon: zittend, zich zettend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) Mc
16,5.
- καθημένου (= kathèmenou: zittende); wkw med part praes gen mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten)
- καθήμενοι (= kathèmenoi: zittende); wkw med part praes nom mann mv van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten)
- kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten), zie Mt
28,2.
- καθευδω = katheudô
(slapen) Taalgebruik in het NT: katheudô
(slapen)
- act ind imperf 3de pers enk εκαθευδεν = ekatheuden (hij sliep) Jon
1,5.
- καθεύδεις (= katheudeis: jij slaapt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw καθευδω = katheudô: slapen)
- Καθεύδετε (= katheudete: slaapt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen)
- act ind praes nom mann enk καθευδων = katheudôn (slapende) Mc 4,38.
- καθευδοντας (= katheudontas: slapend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen) Mc 14,37.
- κατευλόγει (= kateulogei: hij spreekt een zegen uit; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw κατευλογεω = kat-eu-logeô: een zegen uitspreken over, zegenen)
- καθιζω = kathizô
(zitten) Taalgebruik in het NT: kathizô
(zitten)
- ἐκάθισεν (= ekathisen: hij zat; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καθιζω = kathidzô: zitten)
- Καθίσατε (= kathisate: zit neer; wkw act imperat ao 2de pers mv van het wkw καθιζω = kathizô: zitten).
- καθισας (= kathisas: gezeten; wkw act part aor nom mann enk van het wkw καθιζω = kathizô: zitten) Lc 5,3.
- kαθίσαντος (= kathisantos: zittende; wkw act part aor gen mann enk van het wkw καθιζω = kathidzô: zitten).
- καθίσωμεν (= kathisômen: wij zouden zitten; wkw act conj aor 1ste pers mv van het wkw καθιζω = kathizô: zitten)
- καθίσαι (= kathisai: te zitten; wkw act inf aor van het
wkw καθιζω = kathizô: zitten)
- καθως (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) Mc 1,2 Lc 1,2 Lc
1,55 Lc
17,26 Lc
22,13
- καθως ειπεν = kathôs eipen (zoals hij zei) Mc 1,2.
- καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) Mc 1,2.
- καθως ελαλησεν = kathôs elalèsen (zoals hij sprak) Lc 1,70.
- katoikeô (nederzetten, wonen), zie Mt
4,13.
- κάτω (= katô: beneden, onder; bw).
- καυχαομαι (= kauchaomai: zich beroemen).
- καυχάσθω (= kauchasthô: dat hij zich beroeme; wkw med imperat 3de pers enk van het wkw καυχαομαι = kauchaomai: zich beroemen). 1 S 2,10.
- כֶּ֫בֶשׂ (= kèbhès: jong ram). Tenakh (99).
- - keimai
(liggen, rusten), zie Lc
5,1.
- κεφαλη = kefalè: hoofd) Taalgebruik in het NT: kefalè (hoofd)
- κεφαλη (= kefalè: hoofd; zn nom vr enk)
- κεφαλης (= kefalès: van het hoofd; zn gen vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd)
- κεφαλὴν (= kefalèn: hoofd; zn acc vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd)
- κεφαλὰς (= kefalas: hoofden; zn acc vr mv van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd)
- ἐκεφαλίωσαν (= ekefaliôsan: zij sloegen op zijn hoofd; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw kefalioô: op het hoofd slaan)
- κελεύεις (= keleueis: jij beveeltt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw κελεύω = keleuô: bevelen)
- ἐκέλευσεν (= ekeleusen: hij beval: wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κελεύω = keleuô: bevelen)
- κελευσας (= keleusas: bevelend; wkw part aor nom mann enk van het wkw κελεύω = keleuô: bevelen).
- כּמוֹ = këmô (zoals) Taalgebruik in Tenakh: këmô (zoals) Lc 1,55
- כָמֹנכָה = kâmokhâh (als jou) < voorzetsel + bezittel voornaamw 2de pers mann enk Ex 15,11.
- כֶן = ken (zo) Hnd
12,8.
- כְּנָעַן = kënâ`an (Kanaän) Taalgebruik in Tenakh: kënâ`an (Kanaän).
- kënâ`an (Kanaän), zie Gn
12,5
- Qênân
= Qenan (Kenan), zie Gn
5,9.
- κενόδοξος·(= kenodoksos: roemzuchtig; bv nw nom mann enk)
- κενόν (= kenon: leeg; bv nw acc mann enk van het bv nw κενος = kenos: leeg, met lege handen, tevergeefs).
- κῆνσον (= kènson; zn acc mann enk van het zn κῆνσος = kènsos: census, belasting)
- κεντυρίων (= kenturiôn: honderdman; zn acc onz enk; Latijns woord centurion).
- κεντυρίωνος (= kenturionos: van de centurio / honderdman; zn gen mann enk van het zn κεντυρίων = kenturiôn: honderdman; Latijns woord centurion)
- κεντυρίωνα (= kenturiôna: de centurio / honderdman; zn acc mann enk van het zn κεντυρίων = kenturiôn: honderdman; Latijns woord centurion)
- κερδῆσαι (= kerdèsai: te winnen; wkw act inf aor van het wkw κερδαινω = kerdainô: winnen, treffen, verwerven)
- κεράμιον (= keramion: kruik, vat; zn acc onz enk)
- κερας (= keras: hoorn). Taalgebruik in het NT: keras
(hoorn). Lat: cornu. N: hoorn. Fr: corne. E: horn. D: Horn.
- κερας σωτηριας (= keras sôtèrias: hoorn / kracht van redding). Lc
1,69.
- κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) Taalgebruik in het NT: kèrussô
(verkondigen) Lc
8,39
- ?????sse? (= ek�russen: hij verkonigde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
- ἐκήρυσσον (= ekèrusson: zij bleven verkondigen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
- ἐκήρυξεν (= ekèruksen: hij verkondigde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
- κηρυσσειν (= kèrussein: verkondigen; wkw act inf praes van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) Mc 1,45.
- κηρυσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) Mc 1,14 Lc
8,39
- κηρυσσων βαπτισμα = kèrussôn baptisma (verkondigend) Mc 1,4
- κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας = kèrussôn baptisma (verkondigend een doopsel van bekering) Mc 1,4
- κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = kèrussôn baptisma metanoias eis afesin (tôn) hamartiôn (verkondigend een doopsel van bekering tot vergeving van (de) zonden) Mc 1,4.
- και κηρυσσων = kai kèrussôn (en verkondigend) Mc 1,4.
- και ην κηρυσσων = kai èn kèrussôn (en hij was verkondigend) Mc 1,4.
- act inf aor κηρυξαι = kèruxai Lv
25,10 Lc 4,18.
- κηρυσσετε (= kèrussete: verkondigt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen).
- κηρυξατε (kèruksate: verkondigt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen).
- κηρυχθῇ (= kèruchthè: het zou verkondigd worden; wkw pass conjunct aor 3de pers onz enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
- κηρυχθηναι = kèruchthènai: verkondigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen)
- כְּחֹנֶח = këthonèth (kleed) Taalgebruik in Tenakh: këthonèth (kleed)
- mv כחֳנֹח = khuthänoth (klederen) Mc
14,63.
- כָּתְנוֹת = kâthënôth (kleren) Mc
14,63.
- Ned: kiezen, keuze. Fr: choisir, choix.
- Ned: kever. D: Käfer. E: chafer. Ook scarab (met metathesis). In het Hiëroglyfisch geeft de scarabee de klankwaarde ch-p-r weer.
- כִּי (= kî: want; vw van reden of voorwerpszin). Dt
4,24. Js
66,15.
- כִּי בוֹ = kî bô (want erop) Gn
2,3.
- כִּי הוּא = kî hû´ (want hij) Mc
6,17.
- כִּי יְהוָה = kî JHWH (want JHWH).
- כִּי קָדוֹשׁ אֱנִי יהוה = kî qâdôsj ´anî JHWH (want heilig ben ik, JHWH) Lv
19,2.
- כִּי אֱנִי יהוה = kî ´anî JHWH (want ik ben JHWH) Lv
19,2.
- כֵן = khen (zo) Taalgebruik in Tenakh: khen
(zo) Gn
25,26
- khoh (zo), zie Jr 31,7
- kî (want, omdat) Taalgebruik in Tenach: kî
(want, omdat) kî
(want), zie Jr
31,7.
- Ned: kind D: Kind E: child Fr: enfant < Lat: in-fans = niet sprekend) Gr: γενος Lat gens, -ntis (geslacht, volksstam, afstammeling) Hiërogl: hrd Arabisch: طفل (tifl) Hebreeuws: יֶלֶד = jèlèd = het voortgebrachte, kind Taalgebruik in
Tenakh: jèlèd
= het voortgebrachte, kind.
- κινοῦντες (= kinountes: bewegende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κινεω = kineô: bewegen).
- כִּנָּה = kînnâh (aanduiden, een bijnaam geven)
- כִּנּוּי = kinnûj (benaming, bijnaam)
- mann mv כִּנּוּיִים = kinnûjîm (suffixen van het persoonlijk voornaamwoord)
- הַשֵּׁם כִּנּוּי = kinnûj hasjsjem (voornaamwoord)
- כִּסֵּא (= kisse´: troon, zetel). Js
9,6.
- כל = kl (al) Taalgebruik in Tenakh: kl
(al) Ex
20,9 Ex
40,38 Lc
15,1
- בְכֹל = bëkol (met al, met geheel) Dt
6,5
- וּבְכָל = ûbhëkhâl (en met al / geheel) < prefix voegw wë + prefix voorzetsel bë + zelfst naamw Dt
6,5.
- כְּכֹל / כְּכָל = këkol / këkhâl < kë + kl (al) Dt
4,8.
- ἔκλαιεν (= eklaien: hij weende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κλαιω: wenen, weeklagen)
- κλαω = klaô: breken) Taalgebruik in het NT: klaô (breken) Lc 22,19
- εκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken). Lc 22,19.
- εκλασεν και εδωκεν = eklasen kai edôken (brak hij en gaf hij) Lc 22,19.
- ἔκλασα (= eklasa: ik brak; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken)
- κλάδος (= tak, twijg; zn nom mann enk).
- κλασματων (= klasmat?n: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα= klasma: het gebrokene, brok)
- κλάσματος (= klasmatos: van de breking, zn gen onz enk van het zn κλασμα = klasma: breking; zie het wkw κλαω = klaô: breken)
- κλάσμα (= klasma: het gebrokene; zn nom onz enk van het zn κλασμα = klasma: het gebrokenen; zie het wkw κλαω = klaô: breken)
- κλέψεις (= klepsès: jij zult stelen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw κλεπτω = kleptô: stelen).
- κλεψη (= klepsè: opdat hij zou stelen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw κλεπτω = kleptô: stelen). Joh
10,10 .
- κλεπτης (= kleptès: dief, bedrieger; zn nom mann enk). (1) Joh
10,1. (2) Joh
10,10.)
- κλεπται (= kleptai: dieven; zn nom mann mv van het zn κλεπτης = kleptès: dief, bedrieger). Joh
10,8.
- κλῆρον (= klèron: lot; zn acc mann enk van het zn κλῆρος = klèros: lot).
- κληρονομήσουσιν (= klèronomèsousin: zij zullen erven / bezitten; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw κληρονομεω = klèronomeô: erven, bezitten).
- κληρονομία (= klèronomia: erfenis; zn nom vr enk)
- κληρονόμος (= klèronomos: erfgenaam; zn nom mann enk)
- κλητοῖς (= klètois: aan de geroepenen; bv nw dat mann mv van het bv nw κλητος: geroepen; zie het wkw καλεω = kaleô: roepen,
noemen)
- κλινω = klinô (doen leunen, neerleggen, neigen) Taalgebruik in het NT: klinô (doen leunen, neerleggen, neigen)
- act inf praes κλινειν = klinein Lc
9,12.
- act ind perf 3de pers enk κεκλικεν = kekliken (hij is geneigd)
- κλίνην (= klinèn: ligbed; zn acc vr enk van het zn κλίνη = klinè: ligbed; zie wkw κλινω = klinô: doen leunen, neerleggen, neigen)
- κλινῶν (= klinôn: van de aanligbedden, van het tafelgerief; zn gen vr mv van het zn κλινη = klinè: bed,draagstoel; wat bij het aanliggen aan tafel gebruikt wordt: tafelgerief)
- κλοπήν (= klopèn: diefstal; zn acc vr enk van het zn κλοπή = klopè: diefstal)
- κλοπαὶ (= klopai: diefstallen; zn nom mann mv van het zn κλοπή = klopè: diefstal)
- κλυδων (= kludôn: golfslag, vloedgolf, branding; zn nom mann enk). Taalgebruik in het NT: kludôn
(golfslag, vloedgolf, branding). Taalgebruik in de LXX: kludôn
(golfslag, vloedgolf, branding). Bijbel (2): (1) Jon
1,4. (2) Jon
1,12.
- Ned: knie Gr: γονυ = gonu (knie); gen γυνατος = gunatos Taalgebruik in het NT: gonu (knie) Lat: genu k/g D: Knie E: knee Fr: genou
- Arabisch: ركبة (rakba) Hebreeuws: בֶרֶךְ= bèrèkh) In het Arabisch staat de b achteraan, in het Hebreeuws vooraan
- - knielen zie prosekunei
- בְּכֹ֤חַ (= bâkoach: met kracht; < prefix vz ב = bë + bep. lidw ha (geassimileerd) + zn stat constr mann enk בְּכֹ֤ = koach: kracht, macht). Js
10,13.
- κοδράντης (= kodrantès: quadrans, een kwartje; zn nom mann enk)
- κοφίνους (= kofinous: manden; zn acc mann mv van het zn κοφινος: draag-mand, korf)
-
- κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof)
- κωφους (= kôfous: doven; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw κωφος = kôfos: doof)
- כֹהֵן = kohen (priester) Taalgebruik in Tenakh: kohen (priester) Lc 1,5
- mann mv כֹּהֲנִים = kohänîm (priesters) 1 K 12,31
- mann mv הַכֹּהֲנִים = hakkohänîm (de priesters) 2
K 19,2.
- κοιλια (= koilia: buikholte, moederschoot).
Taalgebruik in het NT: koilia
(buikholte, moederschoot). Gal
1,15.
- κοιλιας (= koilias: vanaf de moederschoot; zn gen vr enk van het zn κοιλια = koilia: buikholte, moederschoot). Gal 1,15.
- εκ κοιλιας μητρος μου (= ek koilias mètros mou: vanaf mijn moederschoot).
- κοινωνια = koinônia (gemeenschap) Taalgebruik in het NT: koinônia
(gemeenschap).
- κοιναῖς (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein)
- כוֹכָב = kôkhâbh (ster) Taalgebruik in Tenakh: kôkhâbh (ster)
- הַכּוֹכָבִם = hakkôkhâbhîm (de sterren) < prefix bepaald lidwoord ha + zelfst naamw mann mv
- כְּכוֹכְבֵי = këkhôkhëbhê (als sterren) < prefix voorzetsel kë + zelfst naamw mann mv stat constr Dt
10,22
- כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמַיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim
(als sterren van de hemelen) Dt
10,22.
- כְּכוֹכְבֵי הַשָּׁמָיִם = këkhôkhëbhê hasjsjâmajim
(als sterren van de hemelen) Dt
10,22.
- kôkhâbh
(ster), zie Gn
15,5.
- nom mann enk κοκκος = kokkos (kern, pit, zaad, graan) Taalgebruik in het NT: kokkos (kerk, pit, zaad, graan) Mc
4,31
- dat mann enk κοκκῳ = kokkô(j) Mc
4,31
- κοκκῳ σιναπεως = kokkô(j) sinapeôs (zaad van de mosterd) Mc
4,31.
- acc mann enk κοκκον = kokkon Mc
4,31
- κοκκον σιναπεως = kokkon sinapeôs (zaad van de mosterd) Mc
4,31.
- κολαφίζειν (= kolafidzein: oorvijgen geven, mishandelen; wkw act inf praes van het wkw κολαφίζω : kolafidzô: oorvijgen geven, mishandelen).
- kolafizô
(oorvijgen geven, mishandelen), zie Mt
26,67.
- κολλώμενοι (= kollômenoi: zich hechtende aan; wkw med part praes nom mann mv van het wkw κολλαομαι = kollaomai: zich verbinden, zich aansluiten bij; zie Ned.: kol, lijm)
- κολλυβιστῶν (= kollubistôn: van de geldwisselaars; zn gen mann mv van het zn κολλυβιστης: geldwisselaar)
- ἐκολόβωσεν (= ekolobôsen: hij verkortte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κολοβοω = verkorten)
- ἐκωλύομεν (= ekôlumen: wij verboden; wkw act ind imperf 1ste pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verbieden, beletten)
- κωλύετε (= kôluete: jullie verbieden; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verbieden, beletten)
- κωλύετε (= kôluete: verhindert; act imperat praes 2de pers mv van het wkw κωλυω = kôluô: verhinderen, tegenhouden, belemmeren, verbieden)
- κωμης (= kômès: van het dorp; zn gen vr enk van het zn κωμη = kômè: dorp)
- κωμην (= kômèn: dorp; zn acc vr enk van het zn κωμη = kômè: dorp)
- κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp)
- κῶμοι (= kômoi: uitspattingen; zn nom mann mv van het zn κῶμος = kômos: feestelijke optocht, wild uitgelaten feest, drinkgelag; zie Ned.: komiek, komedie).
- Ned: koning. E: king. (Is in E -on- weggevallen?).
- ??p??? (= kopous: slagen; zn acc mann mv van het zn ??p??: het slaan, slag)
- κοπαζω = kopazô (moe worden, gaan liggen) Taalgebruik in het NT: kopazô (moe worden, gaan liggen)
- act ind aor 3de pers enk εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) Mc
4,39.
- ἔκοπτον (= ekopton: zij sloegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κοπτω = koptô: slaan, houwen, zich op de borst slaan, zich beklagen).
- κόψαντες (= kopsantes: gehouwen; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κοπτω = koptô: slaan, houwen, zich op de borst slaan, zich beklagen).
- כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker) Lc
22,2.
- κόσμος = kosmos: wereld; zn nom mann enk)
- κόσμον (= kosmon: wereld; zn acc enk van het zn κόσμος = kosmos: wereld)
- κράβαττον (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) .
- Κρανίου (= kraniou: schedel; zn gen onz enk van het zn κρανιον = kranion: schedel).
- κρατεω (= krateô (vastnemen, bemachtigen) Taalgebruik in het NT: krateô
(vastnemen, bemachtigen)
- κρατοῦσιν (= kratousin: zij overmeesteren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over)
- act ind aor 3de pers enk εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast) Mc 1,31
- ἐκρατήσατέ (= ekratèsate: jullie maakten meester van; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van)
- ἐκράτησαν (= ekratèsan: zij bemachtigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van)
- κρατεῖν (= kratein: om te be-vest-igen; om vast te houden; wkw act inf praes van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over)
- κρατήσατε (= kratèsate: overmeestert; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van).
- κρατῆσαι (= kratèsai: om te overmeesteren; wkw act inf aor van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van)
- κρατοῦντες (= kratountes: bevestigende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over)
- κρατησας (= kratèsas: vastgenomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) Mc
1,31
- κρατησας της χειρος = kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) Mc
1,31.
- κρατησαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van)
- zelfst naamw nom + acc onz enk κρατος = kratos (kracht) Zie het werkw κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) Lc 1,51.
- κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) Taalgebruik in het NT: krazô
(schreeuwen, roepen)
- ἔκραζεν (= ekradzen: hij riep; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen)
- ἔκραζον (= ekradzon: zij riepen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen)
- act part praes nom mann enk κραζων = krazôn (krijsend) Mc
5,5.
- act ind aor 3de pers enk εκραξεν = ekraksen (hij schreeuwde)
- εκραξαν (= ekraksan: zij krijsten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) Mt
8,29 Mt
14,26.
- κράζειν (= kradzein: te krijsen, schreeuwen, roepen; wkw inf praes van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen)
- κραξας (= kraksas: schreeuwende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) Mc
5,7
- κραξας φωνῃ μεγαλῃ = kraksas fônè(i) megalè(i) (schreeuwende met luide stem) Mc
5,7.
- Gr: κρεμα = krema. D: Creme. E: cream. Fr: crème. Arabisch : كريم = karim. Ned: room. Waarom is in het Nederlands de k bij het begin van het woord weggevallen?
- Ned: kribbe Arabisch: مَعْلَف = ma`laf (kribbe) Taalgebruik in de Qoran: ma`laf (kribbe) Zie het werkw عَلَفَ = `alafa (voederen, als voer geven) D: Krippe E: a manger Fr: crèche φατνη = fatnè (krib, ruif)
Taalgebruik in het NT: fatnè
(krib, ruif) Hebreeuws: אֵבוּס = ´ebhûs
(kribbe) Taalgebruik in Tenakh: ´ebhûs
(kribbe) Lat: praesepium
- κρίμα (= krima: oordeel, beslissing, vonnis; zn acc onz enk).
- κρινω (= krinô: 'onder'scheiden, 'ver'oordelen; zie Lat.: cernere, Ned.: rein)
- κρίσει (= krisei: aan een oordeel; zn dat vr enk van het zn κρίσις = krisis: oordeel; zie het wkw κρινω = krinô: 'onder'scheiden, 'ver'oordelen; zie Lat.: cernere, Ned.: rein)
- ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) Taalgebruik in het NT: xèrainô
(verschrompelen, dor worden)
- ξηραίνεται (= ksèrainetai: hij verschrompelt; wkw med / pass ind praes 3de pers enk van het wkw ξηραινω = ksèrainô: verschrompelen, verdorren, vermageren)
- ἐξήρανται (eksèrantai: hij is verdord; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw ξηραινω = ksèrainô: verschrompelen, verdorren, vermageren)
- pass ind aor 3de pers enk εξηρανθη = exèranthè (het werd verdord)
- εξηραμμενην (= exèrammenèn verschrompeld; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw ξηραινω = xèrainô: verschrompelen, dor worden) Mc 3,3.
- ξηρος = xèros
(droog, dor) Taalgebruik in het NT: xèros
(droog, dor)
- acc vr enk ξηραν = xèran (verschrompeld) Mc 3,3.
- ξύλων (= ksulôn: stokken; zn gen onz mv van het zn ξύλον = ksulon: hout, stok).
- ξύλου (= ksulou: op het hout; zn gen onz enk van het zn ξύλον = ksulon: hout, stok).
- κτήματα (= ktèmata: bezittingen; zn acc onz mv van het zn κτήμα = ktèma: bezit, verwerving; zie wkw ktaomai: verwerven)
- κτιζω = ktizô (funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen) Taalgebruik in het NT: ktizô (scheppen)
- ἔκτισας (= ektisas: jij schiep; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw κτιζω = ktizô: funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen)
- εκτισεν (= ektisen: hij schiep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κτιζω = ktizô: funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen). Spr 8,22.
- κτίσεως (= kriseôs: van de schepping; zn gen mann enk van het zn κτισις = ktisis: schepping)
- ἐκυλίετο (= ekulieto: hij rolde; wkw med imperf 3de pers enk van het wkw κυλίω = kuliô: rollen; zie kuklos: cirkel)
- - kuliô
(rollen), zie Mt
28,2 Vormen van apokuliô (wegrollen) in: Gn 29,10 Mc
16,3 Mc
16,4 Mt
28,2.
- κυλλὸν (= kullon: gebrekkig; bv nw acc onz enk van het bv nw κυλλος. gebrekkig)
- κυματα (= kumata: golven; zn nom onz mv van het zn κυμα: golf, vloed, stroming)
- κυνάρια (= kunaria: hondjes; zn nom en acc onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je)
- κυναρίοις (= kunariois: aan de hondjes; zn dat onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je)
- Κυρηναῖον (= kurènaion: Cyrener; zn acc mann enk van het zn Κυρηναῖος = kurènaios: Cyrener).
- κυσί (= kusi: aan de honden; zn dat mann mv van het zn κυων = kuôn: hond)
- κυπτω = kuptô: zich bukken, gebukt gaan onder een last) Taalgebruik in het NT: kuptô (zich bukken, gebukt gaan onder een last)
- ???a? (= kupsas: zich bukkend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κυπτω = kuptô: zich bukken, gebukt gaan onder een last)
- kurios
(heer) kurie
(heer) In 31 verzen bij Matteüs, zie Mt 7,21: Mt
7,21-23 -
- κυριευση (= kurieusè: opdat hij heer zou zijn over; wkw act conjuct aor 3de pers enk van het wkw κυριευω = kurieuô: macht uitoefenen over, heer zijn over).
- κυριος (= kurios: heer). Taalgebruik in
het NT: kurios
(heer) Lc
1,68 Ex 20,2
- κυριος (= kurios: heer; zn nom mann enk; stam: k/h - r). Lat.: dominus . Fr.: seigneur . Ned.: heer . D.: Herr . E.: lord . Aramees: יוי = JWJ . Arabisch: رَب = rabb: God, Heer) Lc
1,68
- κυριος ὁ θεος = kurios ho theos (JHWH God = Heer God) Lc
1,68.
- ιδού κυριος ἔρχεται (= idou kurios erchetai: zie de heer komt). Js
40,10.
- Κύριε (= kurie: Heer; zn voc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer)
- κυριου (= kuriou: van de heer; zn gen mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) Lc 2,9 Lc 4,18.
- κυρίῳ (= kuriô: aan de heer; zn dat mann enk van het zn κυριος = kurios: heer)
- κύριον (= kurion: heer; zn acc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer)
- κυριον τον θεον σου = kurion ton theon sou (de Heer jouw God) Mc 12,30.
- - κυμα = kuma (golf) Taalgebruik in het NT: kuma (golf) Mc
4,37
- onz mv κυματα= kumata (golven) Mc
4,37.
- כּוֹס = kôs (beker) Taalgebruik in Tenakh: kôs (beker) Lc
22,20.
- kôfos (doof) Taalgebruik in het NT: kôfos (doof) Taalgebruik in Mc: kôfos (doof) k?fos
(doof), zie Mt
11,4.
- ξεστῶν (= ksestôn: van de kannen; zn gen mann mv van het zn ξεστης = xestès: kan, kruik)
- Ned: kwaken (klanknabootsend geluid van eenden en kikkers) Oudndl: qua(c)ken) D: quaken E: croak
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
L
- l wordt niet uitgesproken in E: could.
- l en u: Ned: oud, D: Alt. E: old. Ned: koud, D: kalt, E: cold. Lat: salva-tor, Fr: sauve-teur of sau-veur.
D: behalten. E: behold. Ned: behouden. L: Psalmus. Ned: Psalm. F: Psaume.
- De medeklinkers l en r liggen dicht bij elkaar; het zijn liquidae: vloeibare letters.
- prefix voorzetsel לְ = lë (voor, aan) + suffix persoonl voornaamw Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl voornaamw
- לוֹ = lô (voor hem) < prefix voorzetsel lë + suffix pers voornaamw
3de pers mann enk Gn
4,19.
- לִי = lî (voor mij), prefix
voorzetsel lë + suffix pers voornaamw 1ste pers enk 1
K 17,18.
- l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk OF act qal imperat 2de pers mann enk לֵךְ = lekh (ga) Mc 1,24.
- לָנו = lânû (voor ons) < prefix
voorzetsel lë + suffix pers voornaamw 1ste pers mv Mc 1,24.
- - lâ`ag
(bespotten, beschimpen), zie Ps
2,4
- לָעָז = lâ`âz (een vreemde taal spreken) Ps
114,1
- act qal part mann enk לֹעֵז = lo`ez (een vreemde taal sprekend) Ps
114,1.
- lâbhasj
(kleden, zich kleden), zie Bar
5,1
- לָחַם (= lâcham: strijden). Taalgebruik in Tenakh: lâcham
(strijden).
- יִלָּחֵ֣ם (jillâchem: hij strijdt; wkw nifal pass 3de pers mann enk van het wkw לָחַם = lâcham: strijden).
- יְהוָ֖ה יִלָּחֵ֣ם (= JHWH jillâchem: JHWH strijdt). Ex
14,14.
- λαχανον = lachanon (gekweekte groente) Mc 4,32
- gen onz mv λαχανων = lachanôn Mc 4,32.
- laetare (= wees blij; wkw pass imperat 2de pers enk van het wkw laetari: blij zijn, zich verheugen).
Jl
2,21.
- לָיְלָה = lajëlâh (nacht)
Taalgebruik in Tenakh: lajëlâh
(nacht) Gn
- הַלָּיְלָה = hallâjëlâh (de nacht) < prefix bepaald lidw ha + לָיְלָה = lajëlâh (nacht)
- λαιλαψ
(= lailaps: storm met regenbuien; zn nom vr enk) Taalgebruik: lailaps
(storm met regenbuien) Lc 8,23
- λαιλαψ
μεγαλη = lailaps megalè (een grote storm met regenbuien) Mc
4,37.
- וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Mc
14,22.
- λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô
(lallen, spreken, praten) Nu 6,22 Lc 1,55
- λαλεῖ (= lalei: hij spreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- ελαλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) Mc
7,35
- ελαλει αυτοις = elalei autois (en hij sprak tot hen) Mc
4,13.
- λαλεῖτε (= laleite: spreekt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- ελαλησεν (= elalèsen: hij sprak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten). Gn 12,4 Ex
20,1. Ex
33,20. Lc 1,55.
- ελαλησεν προς = elalèsen pros (hij sprak tot) Lc 1,55.
- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter) Ex
20,1 Nu 6,22.
- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak) Ex
20,1 Nu 6,22.
- καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak) Gn 12,4.
- καθαπερ ελαλησεν = kathaper elalèsen (zoals hij sprak) καθα ελαλησεν = katha elalèsen (zoals hij sprak)
- καθως ελαλησεν (= kathôs elalèsen: zoals hij sprak). Gn 12,4.
- ελαλησεν δια = elalèsen dia (hij sprak door) Lc 1,70.
- λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf aor van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken,
praten) Lc
7,15.
- λαλοῦντος (= lalountos: de sprekende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- λαλοῦντες (= lalountes: de sprekenden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- act part praes gen mv λαλουντων = lalountôn (terwijl zij aan het praten waren - naar
hen die aan het praten waren) Lc 24,36
- laleô
(lallen, spreken, praten), zie Mt
4,6 - elalèsen (hij sprak) In 7 verzen bij Matteüs (1) Mt
9,33 (de stomme) (2) Mt
13,3 (3) Mt
13,33 (4) Mt
13,34 (5) Mt
14,27 (6) Mt
23,1 (7) Mt
28,18.
- λαλήσητε (= lalèsète: jullie zouden zeggen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- λαληθήσεται (= lalèthèsetai: het zal gezegd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten)
- λαμβανω = lambanô
(nemen) Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Lc 22,19
- ἔλαβεν (= elaben: hij nam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- ἐλάβετε (jullie nemen / ontvangen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- ἔλαβον (= elabon: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- λήμψονται (= lèmpsontai: zij zullen voor zich nemen; wkw med fut 3de pers mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- Λάβετε (= labete: neemt; wkw act imperat aor 2de pers mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- λάβῃ (= labè: hij zou nemen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) Mc 7,27.
- λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41.
- λαβων δε = labôn de (genomen hebbende echter) Ex
24,8.
- και λαβων = kai labôn (en genomen hebbende) Ex
24,8.
- λαβων τους = labôn tôn (genomen hebbende de) Mc 6,41.
- λαβων (τον) αρτον = labôn (ton) arton (- het - brood genomen) Lc 22,19
- λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) Lc 22,19.
- λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) Lc 22,19.
- λαβων το αἱμα = labôn to haima (het bloed genomen hebbende) Ex
24,8.
- λαβόντες (= labontes: nemende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- לָמַד (= lâmad: leren, onderrichten). Taalgebruik in Tenakh: lâmad (leren, onderrichten). Arabisch: عَلَّمَ (= `allama: leren, onderwijzen, onderrichten). Gemeenschappelijke medeklinkers: l-m.
- לְלַמֵּד = lëlammed (om te onderrichten) < prefix voorzetsel lë + piël infin absol
- וּלְלַמֵּד = ûlëlammed (en om te onderrichten) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + piël infin absol
- לָמָּה = lâmmâh (waarom) Taalgebruik in Tenach: lâmmâh
(waarom) Gn
4,6
- λαμπας = lampas (toorts, fakkel) Js
62,1
- λαμπω = lampô (stralen, schijnen). Taalgebruik in het NT: lampô
(stralen, schijnen). Lc 2,9.
- ελαμψεν (= elampsen: hij straalde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λαμπω = lampô: stralen, schijnen). Lc 2,9.
- Fr.: langueur: wegkwijning, zwakte, ziekte. Lat: languor.
- λαος = laos: volk) Taalgebruik in het NT: laos
(volk)
- nom mann enk λαος = laos (volk) Lc 18,43
- πας ὁ λαος = pas ho laos (al het volk) Lc 18,43.
- ?a?? (= laou: van het volk; zn gen mann enk van het zn λαος = laos: volk) Lc 1,10.
- dat mann enk λαῳ = laô(i) Lc
1,68.
- acc mann enk λαον = laon (volk) Mt
1,21
- τον λαον αυτου = ton laon autou (zijn volk) Mt
1,21.
- λελατομημένον (= lelatomèmenon: uit steen gehouwen; wkw pass part perf nom onz enk van het wkw
λατρομεω = latomeô: uit steen houwen)
- latomeô
(uit steen houwen), zie Mc
15,46
- לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen) Lc 22,19
- וַיּקַּח (= wajjiqqach (en hij nam): wkw prefix nevensch vw waw + act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Lv 8,10 Ex
24,8 Lc 22,19
- וַיּקַּח אֶת = wajjiqqach ´èth (en hij nam de) Gn
12,5.
- וַיּקַּח לוֹ = wajjiqqach (en hij nam voor zich / hem) Gn
4,19.
- וַיּקַּח מֹשֶׁה = wajjiqqach mosjèh (en Mozes nam) Lv 8,10 Ex
24,8
- וַיּקַּח מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = wajjiqqach mosjèh ´èth haddâm (en Mozes nam het bloed) Ex
24,8.
- act qal imperat 2de pers mann enk קַח = qach (neem) Gn
22,2
- קַח נָא = qach nâ´ (neem dan) Gn
22,2.
- λατρευω = latreuô
(door (loon) dienen) Taalgebruik in het NT: latreuô
(door (loon) dienen)
- act ind fut 2de pers enk λατρευσεις = latreuseis (jij zult dienen) Lc 4,8.
- act ind aor 2de pers enk λατρευσῃς = latreusè(i)s (jij zoudt dienen) Ex
20,5.
- act inf praes λατρευειν = latreuein (om te dienen) Lc
1,74
- leâh
(Lea), zie Gn
29,31.
- Lat: laus (= lavs: lof; u wordt f). Fr: louange.
laudare (loven; l-u/v, de d valt weg).
- יִלָּוֶ֤ה = jilâwwèh: hij zal zich hechten aan; wkw pass nifal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָוָה = lâwâh: qal: begeleiden; nifal: zich hechten aan, zich aansluiten bij).
Gn
29,34.
- לֵאָ֔ה (= le´âh: Lea: de oudste dochter van Laban - de broer van Rebekka, de moeder van Jakob - de vrouw van Jakob).
Gn
29,16.
- לֶחֶמ = lèchèm
(brood) Taalgebruik in Tenakh: lèchèm
(brood) Lc 22,19
- חֻקִי לֶהֶם= lèchem huqqî (brood van bestemming voor mij, het voor mij bestemde brood) Mt
6,11.
- - le`èzrathi
chûsjâh (tot hulp aan mij haast je), zie Ps
40,14: (1) Ps
22,20 (2) Ps
40,14 (3) Ps
70,2 chûsjâh le`èzrathi (haast je tot hulp aan mij): Ps 38,23
- לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart).
- לְבָבְךָ = lëbhâbhëkhâ (je hart) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,5
- עַל לְבָבְךָ = `al lëbhâbhëkhâ (op je hart) Dt
6,6.
- בְכֹל לְבָבְךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ (met heel je hart) Dt
6,5
- בְכֹל לְבָבְךָ וּבְכָל נַפְשְׁךָ = bëkhôl lëbhâbhëkhâ ûbhëkhâl naphësjëkhâ (met heel je hart en met heel je ziel) Dt
6,5.
- אֶל לְבָבְךָ = ´èl lëbhâbhëkhâ (tot je hart) Dt
30,1.
- לְבַבְכֶם = lëbhabhëkhèm (jullie hart) < zelfst naamw stat construct mann enk + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv Dt
11,18
- עַל לְבַבְכֶם = `al lëbhabhëkhèm (op jullie hart) Dt
11,18.
- בְכֹל לְבַבְכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm (met heel jullie hart) Dt
11,13
- בְכֹל לְבַבְכֶם וּבְכָל נַפְשְׁכֶם = bëkol lëbhabhëkhèm ûbhëkhâl naphësjëkhèm (met heel je hart en met heel jullie ziel) Dt
11,13.
- בְּכָל-לֵב (= bëkâl lebh: met een heel hart). Sef 3,14.
- בְּכָל לְבָבוֹ = bëkhâl lëbhâbhô (met heel zijn hart) Dt
6,5.
- בַּלֶּ֙חֶם֙ (= ballèchèm: voor brood; prefix vooretsel b + bep. lidw ha + zn enk stat absol לֶ֫חֶם = lèchèm: brood).
- nom mann enk λεγιων = legiôn (legioen) Mc
5,9.
- λεγω = legô (zeggen)
Taalgebruik in het NT: legô
(zeggen) Gn
16,11 Lc
8,25 Lc
19,7
- λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep). Lc
15,7
- λεγω ὑμιν = legô humin (ik zeg jullie) Lc
15,7
- λεγω ὑμιν ὁτι = legô humin hoti (ik zeg jullie dat) Lc
15,7.
- λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon). Gn
15,2. Mc
14,32. Mc 2,5.
- λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) Mc
2,5
- λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) Mc
2,5.
- λεγει τῳ αρχισυναργωγῳ = archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste Mc
2,5.
- λεγει τῳ παραλυτικῳ = paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) Mc
2,5.
- σοι λεγει = soi legô (aan jou zeg ik) Mc 2,11.
- λεγει αυτῳ = legei autô(i) (hij / zij zei hem) Mc 5,19
- και λεγει = kai legei (en hij zegt) Mc
14,32 Mc 2,14
- και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) Mc
5,9.
- και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen) Mc 1,38 Mc
4,13.
- λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Mc 1,30.
- ἐρῶ (= erô: ik zal zeggen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- ἐρεῖ (= erei: hij zal zeggen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Mc 4,11 Lc
16,1 Lc
18,1
- και ελεγεν = kai elegen (en hij zei) Mc
2,25
- και ελεγεν αυτοις = kai elegen autois (en hij zei hen) Mc
4,13.
- ελεγεν δε = elegen de (hij zei echter) Mc
2,25
- ελεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Mc
3,21
- ελεγον αυτῳ = elegon autô(i) (zij zeiden hem) Mc
2,24.
- ελεγον προς αλληλους = elegon pros allèlous (zij zeiden tot elkaar) Mc 4,41.
- ὁτι ελεγον = hoti elegon (want zij zeiden) Mc
3,30
- λέγωσιν (= legôsin: zij zouden zeggen; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- λεγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Mc 1,40.
- λέγουσα (= legousa: zeggende; wkw act part nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep).
- λέγοντος (= legontos: zeggende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Mc 6,2 Lc
8,25
- λεγοντες ὁτι = legontes hoti (zeggende dat) Lc
19,7.
- λεγοντες προς αλληλους = legontes pros allèlous (zeggende tot elkaar) Lc
8,25.
- λέγοντας (= legontas: zeggende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- εἶπα (= eipa: ik zei; wkw act ind 1ste aor 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkwstammen (?): leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep, zie Van der Vorst, blz 199; Ned: lezen / zn lec-tuur; les.
Fr: zn leçon).
- εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon). Ex
20,1 Mc 10,52 Lc
8,22 Lc 9,13 Lc
15,3 Lc 15,11 Lc
17,1 Lc
18,22
- ειπεν () αυτῳ = eipen () autô(i) (hij zei hem) Mc 10,52 Lc
15,27
- ειπεν αυτῳ ὁτι = eipen autô(i) hoti (hij zei aan hem dat) Lc
15,27.
- ειπεν αυτῃ = eipen autè(i) (hij zei haar) Mc 5,43.
- ειπεν αυτοις = eipen autois (hij zei hen) Mc 6,37.
- ειπεν αυτοις ο Ιησους : zei Jezus aan hen. Joh
10,6.
- Ειπεν ουν παλιν αυτοις ο Ιησους: daarenboven zei Jezus opnieuw aan hen. Joh
10,7.
- ειπεν προς τον σιμωνα = eipen pros ton simôna (hij zei tot Simon) Lc 5,4.
- και ειπεν = kai eipen (en hij zei) Mc
3,9 Lc
15,3
- και ειπεν ὁ = kai eipen ho (en hij zei) Lc
15,12
- και ειπεν ὁ αγγελος = kai eipen ho aggelos (en de engel zei) Lc 1,30
- και ειπεν ὁ αγγελος αυτῃ = kai eipen ho aggelos autè(i) (en de engel zei tot haar) Lc 1,30.
- και ειπεν ὁ θεος = kai eipen ho theos (en God zei) Gn
1,5
- και ειπεν ὁ θεος γενηθητω = kai eipen ho theos genèthètô (en God zei: het gebeure) Gn
1,3.
- και ειπεν αυτῃ = kai eipen autè(i) (en hij zei tot haar) Lc 1,30.
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) Lc
8,22.
- και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) Lc
8,22 Lc
15,3
- και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) Lc
8,22 Lc 9,13 Lc
15,3.
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) Mc
3,9 Lc
15,3 Lc 18,19
- ειπεν δε ὁ = eipen de ho (hij zei echter) Lc
15,12.
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) Lc
8,22.
- ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) Lc
8,22
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) Lc
8,22 Lc 9,13.
- ειπεν δε προς τους = eipen de pros tous (hij zei echter tot de) Lc
14,25
- ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) Lc
8,22
- ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) Lc
17,1.
- ειπεν δε και προς = eipen de kai pros (hij zei echter ook tot) Lc
18,9.
- ὁ δε ειπεν = ho de eipen (hij echter zei) Mc 5,34
- ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen)
- ὁ δε ειπεν αυτῳ = ho de eipen autô(i) (hij echter zei hen) Lc
15,27
- εἶπες (= eipes: jij zei; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- εἴπωμεν (= eipômen: wij zouden zeggen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep)
- εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Lc
9,12.
- Εἰπὸν (= eipon: zeg; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep) Lc
9,12.
- Εἰπὸν (= eipon: zeg; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- εἴπατε (= eipate: zegt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon).
- εἴπῃ (= eipè: hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- εἴρηκεν (= eirèken: hij heeft gezegd; wkw act ind perf 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- εἰπεῖν (= eipein: te zeggen; wkw act inf aor bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- εἰπών (= eipôn: zeggende; wkw act part aor nom mann enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- ῥηθεῖσα (= rètheisa: wat gezegd werd, gezegde; wkw pass part aor nom vr enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- ῥηθὲν (= rèthen: wat gezegd werd, gezegde; wkw pass part aor nom onz enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen).
- λεγόμενος (= legomenos: genoemde; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon).
- - legô (zeggen) Verwijzing in NT: legô
(zeggen), in Mc: legô
(zeggen) zie Joh
1,21 - legô
(zeggen), zie Lc
15,11 - legô
(zeggen), zie Mc
1,38 - leg? (zeggen) bij Matteüs, zie Mt
4,6 Eipen
(hij zei), zie Mt
4,6.
- λειπω (= leipô: verlaten, achterlaten, in de steek laten)
- λειτουργοῦσι (= leitourgousi: zij verrichten dienst; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw leitourgeô: dienen, liturgie vieren?)
- lëma`an
(omwille van, opdat), zie Js
62,1.
- לֶמֶך = lèmèkh (Lemech, Lamech) Taalgebruik in Tenakh: lèmèkh (Lemech, Lamech) Gn
4,19
- וְלֶמֶך = wëlèmèkh (en Lamech) Gn
4,19.
- Ned: leren D: lernen E: learn
- λεπρα = lepra (melaatsheid)
Taalgebruik in het NT: lepra
(melaatsheid)
- ἡ λεπρα = hè lepra (de melaatsheid) Mc 1,42.
- λεπρος = lepros: melaatse) Taalgebruik
in het NT: lepros
(melaatse)
- nom mann enk λεπρος = lepros (melaatse) Mc 1,40.
- ?ep??? (= leprou: van de melaatse; zn gen mann enk van het zn λεπρος = lepros: melaatse)
- nom mann mv λεπροι = leproi (melaatsen) Lc 4,27.
- λεπτὰ (= lepta: muntjes; zn acc onz mv van het zn λεπτον = lepton: een stuk kleingeld)
- λῃστης = lèstès: rover. - Joh
10,1 (parabel) - Joh
18,40 (Barabbas) - Taalgebruik in het NT: lèstès
(rover).
- λῃστὴν (= lèstèn: rover; zn acc mann enk van het zn λῃστης = lèstès: rover).
- λησται (= lèstai: rovers; zn nom mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover).
- λῃστῶν (= lèstôn: van rovers; zn gen mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover). Jr 7,11: μὴ σπήλαιον λῃστῶν ὁ οἶκός μου: Is mijn huis... soms een rovershol? Mc
11,17 // Mt
21,13 // Lc
19,46 (tempelreiniging).
- λῃστάς (= lèstas: rovers; zn acc mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover). NT (2). (1) Mc 15,27 (// Mt
27,38; rovers, bandieten, moordenaars naast Jezus aan het kruis). (2) Lc
10,36 (barmhartige Samaritaan).
- לֵוִי (= lewî: Levi; de 3de zoon van Jakob en Lea: Gn
29,34).
- Λευὶς = levis: Levi).
- Λευὶν (= levin: Levi; zn eigennaam acc mann enk van het zn Λευὶς = levis: Levi).
- λευκος = leukos: wit) Taalgebruik in het
NT: leukos
(wit)
- λευκήν (= leukèn: wit; bv nw acc vr enk van het bv nw λευκος = leukos: wit)
- λευκὰ (= leuka: wit; bv nw nom onz mv van het bv nw λευκος = leukos: wit)
- λευκᾶναι (= leukanai: om wit te maken; wkw act inf aor van het wkw λευκαινω = leukainô: wit maken, wit verven, blank wassen)
- לֵוִי = lewî (Levi) Taalgebruik in Tenakh: lewî (Levi) Gn 46,1. 1
- λίαν (= lian: zeer; bw)
- lian
(zeer), zie Mc
1,35.
- Lat: liber, Fr: livre < li-bh=v-r.
- Lat: liberare (= be-vrij-den). Fr: délivrer (b wordt v).
- Ned: licht Arabisch: نور = nûr (licht) Taalgebruik in de Qoran: nûr (licht) Aramees: נוּר = nûr (licht) D: Licht E: light Fr: lumière Grieks: φως = fôs (licht) Taalgebruik
in het NT: fôs
(licht) Hebreeuws: אוֹר = ´ôr
(licht) Taalgebruik in Tenakh: ´ôr
(licht) Zie ook: נִר = ner (licht, lamp) Taalgebruik in Tenakh: ner (licht, lamp) Zie ook: werkw אוֹר = ´ôr (doorboren, doorbreken van licht, schijnen) Zie het zelfst naamw אוֹר = ´ôr
(licht) Lat: lux / lumen
- Lat: liga-re -liga-tio. Fr: lier - liaison: verbinden - verbinding.
- λιμνη = limnè (meer)
Taalgebruik in het NT: limnè
(meer) Lc 5,1
- gen vr enk λιμνης = limnès Lc
8,22.
- acc vr enk λιμνην = limnèn Lc 5,1.
- λιμοί (= limoi: hongersnoden; zn nom mann mv van het zn λιμος = limos: honger, hongersnood, gebrek, gemis).
- Fr: limpidité (= klaarheid, helderheid).
- לון/ לין = lwn / ljn (morren
tegen) Taalgebruik in Tenakh: lwn
/ ljn (morren tegen) Ex
17,3
- וַיָּלֶן = wajjâlèn (en het morde) < prefix wë (en) + werkwoordvorm
act hifil imperfect 3de pers mann enk Ex
17,3.
- וַיִּלֹּנוּ = wajjillonû (zij morden tegen) < prefix
wë (en) + werkwoordvorm nifal imperfect 3de pers mann mv Lc
15,2.
- Ned: lip D: Lippe E: lip Fr: lèv-re Lat: labium l; b/p/v Gr: χειλος = cheilos Arabisch: شفة (sjifa) Hebreeuws: שָׂפָה = shâphâh (lip, spraak, tongval) Taalgebruik in Tenakh: shâphâh
(lip, spraak, tongval) In het hiëroglyfisch duiden de twee lippen de klankwaarde r aan
- λιπαρὰ (= lipara: opgewekt; bv nw nom vr enk van het bv nw λιπαρος vet, glanzend, blinkend, behaaglijk, opgewekt, zie het wkw λιπαω = lipaô: glanzen)
- λιθος = lithos (steen) Taalgebruik in
het NT: lithos
(steen)
- λιθος (= lithos: steen; zn nom mann enk) Lc
17,2.
- λιθον (= lithon: steen; zn acc mann enk van het zn λιθος = lithos: steen) Gn
29,3
- τον λιθον = ton lithon (de steen) Lc 24,2.
- λίθοι (= lithoi: stenen; zn nom mann mv van het zn λιθος = lithos: steen).
- dat mann mv λιθοις = lithois (stenen) Mc
5,5.
- Fr: livrer: leveren, afleveren, bezorgen, overleveren, uitleveren (stam: l-v-r).
- ελογισθη (= elogisthè: hij werd gerekend; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw λογιζομαι = logizomai: rekenen, berekenen). Js
53,12.
- και εν τοις ανομοις ελογισθη (= kai en tois anomois elogisthè: en onder de wettelozen werd hij gerekend). Js
53,12.
- και μετα ανομων ελογισθη (= kai meta anomôn elogisthè: en bij wettelozen werd hij gerekend). NT (2): (1) Mc
15,28. (2) Lc 22,37.
- לֹא = lo´(niet) Taalgebruik
in Tenakh: lo´(niet) Lc 1,7
- וְלֹא = wëlo´ (en niet) Lc 1,7.
- lo´(niet), zie Ps 1,1
- λογος (= logos: woord) Taalgebruik in het
NT: logos
(woord) Lc 5,1
- λόγῳ (= logô: woord, uitspraak; zn dat mann enk van het zn λογος = logos: woord)
- λογον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) Mc 1,45 Lc 5,1
- τον λογον του θεου = ton logon tou theou (het woord van God) Lc 5,1.
- λόγοι (= logoi: woorden; zn nw nom mann mv van het zn λογος = logos: woord). Mc 13,31.
- λογων (= logôn: van woorden; zn gen mann mv van het zn λογος = logos: woord)
- λόγοις (= logois: woorden; zn dat mann mv van het λογος = zn logos: woord)
- λογους (= logous: woorden; zn acc mann mv van het zn λογος = logos: woord)
- παντας τους λογους = pantas tous logous (alle woorden) Ex
24,3
- παντας τους λογους τουτους = pantas tous logous toutous (al deze woorden) Mt
26,1.
- logos
(woord), zie Mt
7,24.
- λοιπὸν (= loipon: het overige; bv nw acc onz enk van het bv nw λοιπὸς = loipos: overig).
- Lat: loqui (spreken) Nu 6,22
- pass perf deelw nom mann enk locutus (gesproken) Nu 6,22.
- locutusque (en
- gesproken) Nu 6,22.
- λύσατε (= lusate: maakt los; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij)
- λύουσιν (= luousin: zij maken los; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- λύοντες (= luontes: losmakende); wkw act part praes nom mann mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- λύσαντες (= lusantes: losmakende); wkw act part aor nom mann mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- ύοντες (= luontes: losmakende); wkw act part praes nom mann mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- λυπούμενος (= lupoumenos; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw λυπεω. lupeô: bedroeven, kwetsen, pijn doen)
- λυπεῖσθαι (= lupeisthai: bedroefd te worden; wkw pass inf praes van het wkw λυπεω. lupeô: bedroeven, kwetsen, pijn doen)
- losse genitief: Mc
9,28, Mc
11,27, Mc
13,1 - losse
genitief (bij Matteüs)
- lqsj
(piel: napluk houden), zie Zach
10,1
- Lustra
(Lystra), zie Hnd
14,6.
- ??sa? (= lusai: los te maken; wkw act inf aor van het wkw λυω = lu�: losmaken, bevrijden, ontbinden)
- λύσατε (= lusate: maakt los; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- ἐλύθη (= eluthè: hij werd losgemaakt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- λύτρον (= lutron: losprijs; zn acc onz enk; zie het wkw λυω = luô: los-sen, los maken)
- λυτρωσις = lutrôsis (loskoping, verlossing) Taalgebruik in het NT: lutrôsis
(loskopen, verlossing)
- acc vr enk λυτρωσιν = lutrôsin (loskoping, verlossing) Lc
1,68.
- λυτροω = lutroô (loskopen, verlossen)
- act ind aor 3de pers enk ελυτρωσατο = elutrôsato (hij kocht los, hij verloste) Lc
1,68.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
M .
Hebreeuwse werkwoorden die eindigen om (eind-mem): -- qûm
(opstaan) --
- werkw מָעַל = mâ`al (trouweloos handelen, trouweloos zijn, zich vergrijpen) Zie het zelfst naamw מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) Taalgebruik in Tenakh: ma`al (ontrouw, bedrog) מַעַל = ma`al (ontrouw, bedrog) Taalgebruik in Tenakh: ma`al (ontrouw, bedrog).
- מַעַן = ma`an (beweegreden, beweeggrond)
- μαχαιρῶν (= machairôn: van zwaarden; zn gen mann mv van het zn μαχαιρος = machairos: zwaard, mes, machette).
- μάχαιραν (= machairan: zwaard; zn acc vr enk van het zn μαχαιρος = machairos: zwaard, mes, machette).
- Μαγδαληνὴ (= magdalènè: Magdalena, de Magdaleense; bv nw nom vr enk)
- μαγεῖαι (= mageiai: toverkunsten; zn nom vr mv van het zn μαγεῖα = mageia: leer van de Perzische magiërs, toverkunst, bedrog)
- Lat: magis -> Ned: mee-r (de g/k valt weg). magis- ter (meer-dere): meester. Lat: magnus < makJ-us. Gr: μεγας (= megas: groot); metathesis?
- μαγεύσεις (= mageuseis: jij zult magie beoefenen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw μαγεύω = mageuô: magie bedrijven)
- מַיִם= majim (water) Taalgebruik in Tenakh: majim (water).
- מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) Taalgebruik in Tenakh: mah / mâh (wat?) Dt
10,12 Ps 133,1
- בַּמָּה = bammâh (waardoor) < prefix bë + vragend naamw Gn
15,8.
- וּמַה = ûmah (en wat ?) < prefix voegwoord wë + vragend voornaamw
- כַּמָּה = kammâh (hoe veel? hoe dikwijls? hoe lang? hoe groot?)
- מַה לִי = mah lî (wat voor mij) Mc 1,24
- מַה לִי וָלָךְ = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) Mc 1,24.
- מַה לִי וְלָכֶם = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) Mc 1,24.
- מַה לָּכֶם = mah lâkhèm (wat voor jullie?) Mc 1,24.
- מַה לָּנוּ = mah lânû (wat aan ons) Mc
1,24.
- מַה טּוֹב = mahttôbh (wat goed)
- מַיִם = majim (water) Taalgebruik in Tenakh: majim (water) Gn 1,2 Ex 15,8
- הַמָּיִם = hammajim (de wateren) < bepaald lidw ha + mann mv van het zelfstandig naamw Gn
1,6.
- לָמָיִם = lammajim (naar de wateren) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + mann mv Gn
1,6.
- מַהֲרוּ (= mahärû: haasten jullie zich; wkw piël imperat 2de pers mann mv van het wkw מהר = mâhar: haasten, zich haasten).
- מָכַר = mâkhar (verkopen) Taalgebruik in Tenakh: mâkhar (verkopen)
- act ind perf 3de pers mann mv מָכְרוּ = mâkhërû (zij verkochten) Gn
37,28
- מָכְרוּ אֹתוֹ = mâkhërû ´othô (zij verkochten hem) Gn
37,28.
- וַיִּמְכְּרְוּ = wajjimëkërû (en zij verkochten) < prefix voegwoord wë + werkwoordsvorm act ind imperf 3de pers mann mv Gn
37,28
- וַיִּמְכְּרְוּ אֶת יוֹסֵף = wajjimëkërû ´èth jôseph (en zij verkochten Jozef) Gn
37,28.
- qal inf stat constr + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv מִכְרָם = mikhërâm (omwille van het verkopen van hen) Am 2,6.
- μακαριος = makarios (zalig, gelukkig) Taalgebruik in het NT: makarios
(zalig, gelukkig).
- Μακάριοι (= makarioi: zalig, gelukkig; zn nom mann mv van het zn μακαριος = makarios (zalig, gelukkig).
- ἐμακάρισεν (= emakarisen: hij prees gelukkig / zalig; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw μακαριζω = makaridzô: gelukkig / zalig prijzen)
- μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel)
- μακρὰν (= makran: ver; bw)
- μακρὰ (= makra: lange; bv nw acc onz mv van het bv nw μακρος = lang, groot, hoog, diep, ver).
- μακροθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) Taalgebruik in het NT: makrothen (van verre, in de verte) Mc
5,6,
- mâlâ´ (vullen, vervullen) Taalgebruik in Tenach: mâlâ´
(vullen, vervullen).
- מָלָא = mâlâ´ (vullen, vervullen) Taalgebruik in
Tenakh: mâlâ´
(vullen, vervullen)
- prefix voegw wë + act piël imperf 3de pers vr enk וַתְּמַלֵּא = waththëmalle´ (en zij vulde)
- מָלֵא = mâle´
(vol)
- stat constr מְלֵא = mële´ (vol, rijk)
- מַלְאַך = malë´akh (engel) Taalgebruik in Tenakh: malë´akh (engel) Gn
16,11 Lc 1,11
- מַלְאַך יהוה = malë´akh JHWH (engel van JHWH) Gn
16,11.
- מַלְאַך הָאֱלֹהִים = malë´akh hâ´èlohîm (de engel van God) Gn
16,11.
- מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Taalgebruik in Tenakh: mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad)
- מְלָאכָה כָּל (al het werk) Ex
20,9.
- מְלָאכְתֶּךָ כָּל (jouw werk) Ex
20,9.
- מַלְכוּת = malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk) Taalgebruik in Tenakh: malëkût (koningschap, koninklijke waardigheid, koninkrijk)
- zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk מַלְכוּתֶךָ = malëkhûthèkhâ (jouw koningschap, jouw koninkrijk) Mt
6,10.
- מַלְכוּתְךָ = malëkhûthëkhâ
- מַלְכוּתָךְ = malëkhûthâkh
- μᾶλλον (= mallon: meer)
- Lat: malum -> Fr: mal; eindlettergreep valt weg. Ned: kwaad; zie Ned ver-mal-e dijt <-> ge-bene-dijt.
- מַמְרֵא = mamëre' (Mamre) Taalgebruik in Tenakh: mamëre´
(Mamre) Gn
13,18
- בְאֵלֹנֵי מַמְרֵא = bë´elonè(j) mamëre´
(bij de eik van Mamre) Gn
13,18.
- מָן = mân (1 manna 2 wat ?) Taalgebruik in Tenakh: mân (1 manna 2 wat ?)
- וּמָן = ûmân (en wat?) < prefix voorzetsel wë + naamwoord
- נִמְנָ֑ה (= nimënâh: hij werd gerekend; wkw nifal / pass perf / qatal 3de pers mann enk van het wkw מְנָ֑ה = mânâh: rekenen). Js
53,12.
- μάθετε (= mathete: leert; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr.: lâ-m-ad. Stam: (l)-m-th/d.)
- μαθητεύσατε (= mathètheusate: maakt leerling; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr.: lâ-m-ad. Stam: (l)-m-th/d.)
- מְנַשֶּׁה = mënasjsjèh (Manasse) Taalgebruik in Tenakh: mënasjsjèh (Manasse) Gn
48,20.
- in manu ejus (= in zijn hand). Vulg (32). OT (30). NT (2).
- מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) Taalgebruik in Tenakh: maqôm (plaats, verblijfplaats).
- הַמַּקוֹם = hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw ha + מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats) Gn
22,14.
- מִן־הַמָּקוֹם (= min hammaqôm: uit de plaats). Tenakh (13).
- mârâh
(weerspannig zijn), zie Js
50,5.
- Μαρία (= maria: Maria; zn eigennaam, nom vr enk).
- Μαρια η Μαγδαληνη = Maria hè Magadalènè: Maria, de Magdaleense, Maria van Magdalena);
- μαρκος = markos (Marcus) Taalgebruik in het NT: markos (Marcus)
- nom mann enk μαρκος = markos (Marcus) Hnd
12,12.
- gen mann enk μαρκου = markou (van Marcus) Hnd
12,12.
- acc mann enk μαρκον = markon (Marcus) Hnd
12,12.
- μαρτύρων (= marturôn: getuigen; zn gen mann mv van het zn μαρτυρ = martur: getuige)
- μαρτυρεω = martureô (getuigen) Taalgebruik in het NT: martureô
(getuigen)
- act ind praes 3de pers enk μαρτυρει = marturei (hij getuigt) Joh
3,32.
- μαρτυρια (= marturia: getuigenis; zn nom vr enk; zie mart-elaar als geloofsgetuige)
- μαρτυρίαν (= marturian: getuigenis; zn acc vr enk van het zn μαρτυρια = marturia: getuigenis; zie mart-elaar als geloofsgetuige).
- μαρτυρίαι (= marturiai: getuigenissen; zn nom vr mv van het zn μαρτυρια = marturia: getuigenis; zie mart-elaar als geloofsgetuige).
- μαρτύριον (= marturion: getuigenis; zn acc vr enk; zie mart-elaar als geloofsgetuige)
- מָשָׁה = mâsjâh (uittrekken) Taalgebruik in Tenakh: mâsjâh (uittrekken).
- מָשַׁח (= mâsjach: zalven).
Taalgebruik in Tenakh: mâsjach
(zalven)
- act qal perf 3de pers mann enk מָשַׁח = mâsjach (zalven) Lv 8,11.
- וַיִּמְשַׁח = wajjimësjach (en hij zalfde) < prefix wë consecutivum + act qal imperf 3de pers enk Lv 8,10 Lc 4,18
- וַיִּמְשַׁח אֹתוֹ = wajjimësjach ´othô (en hij zalfde hem / het) Lv 8,12.
- מָשַׁל = mâsjal (heersen, macht hebben) Taalgebruik in Tenakh: mâsjal (heersen, macht hebben)
- וְלִמְשֹׁל = wëlimësjol (en om te heersen) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act qal inf construct Gn
1,18.
- מָשִׁיחַ (= mâsjîach: messias, gezalfde). Ef
1,1.
- תוֹרַת
מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias, gezalfde)
- μαστιγώσουσιν ( = mastigôsousin: zij zullen geselen; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw μαστιγοω = mastigoô: geselen)
- μαστιξ = mastiks (-igos) (gesel, plaag) Mc
3,10
- acc vr mv μαστιγας = mastigas (gesels, plagen) Mc
3,10.
- מָטָר = mâ târ (regen) Taalgebruik in Tenach: mâtâr
(regen) Dt 11,14
- stat construct מְטַר = mëtar Dt 11,14.
- μαθηματικὸς (= mathèmatikos: wiskundige, sterrenkundige, sterrenwichelaar; zn nom mann enk)
- μαθητης = mathètès (leerling) Taalgebruik in het NT: mathètès
(leerling)
- nom mann enk μαθητης = mathètès (leerling) Taalgebruik in het NT: mathètès
(leerling) Lc
14,26.
- μαθηταί (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van μαθη-της = mathè-tès: leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr.: lâ-m-ad. Stam: (l)-m-th/d.) Mc
5,31 Lc
8,22
- μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen) Lc
17,1.
- οἱ μαθηται = hoi mathètai (de leerlingen) Mc 6,35
- οἱ μαθηται αυτου = hoi mathètai autou (zijn leerlingen) Mc
5,31 Lc
8,22
- και οἱ μαθηται αυτου = kai hoi mathètai autou (en zijn leerlingen) Lc
8,22.
- αυτῳ οἱ μαθηται = autô(i) hoi mathètai (aan hem de leerlingen) Mc 6,35.
- μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès: leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren; Hebr.: lâ-m-ad. Stam: (l)-m-th/d.) Mc 3,7 Lc
22,11
- των μαθητων == tôn mathètôn (van de leerlingen) Mc 3,7 Lc
22,11
- μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) Mc 3,7 Lc
22,11.
- μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen) Mc 3,7 Lc
17,1.
- μετα των μαθητων αυτου = meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) Mc 3,7.
- μαθητων μου = mathètôn mou (van mijn leerlingen) Lc
22,11
- μετα των μαθητων μου = meta tôn mathètôn mou (met mijn leerlingen) Lc
22,11.
- μαθηταις (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Mc
3,9
- τοις μαθηταις αυτου = tois mathètais autou (aan zijn leerlingen) Mc
3,9
- ειπεν τοις μαθηταις αυτου = eipen tois mathètais autou (hij zei aan zijn leerlingen) Mc
3,9
- και ειπεν τοις μαθηταις αυτου = kai eipen tois mathètais autou (en hij zei aan zijn leerlingen) Mc
3,9.
- μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam)
- μαθητας (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Mc
6,45 Lc
17,1
- τους μαθητας = tous mathètas (de leerlingen) Mc
6,45.
- μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen) Lc
17,1.
- τους μαθητας αυτου = tous mathètas autou (zijn leerlingen) Mc
6,45
- τους μαθητας αυτου εμβηναι = tous mathètas autou embènai (zijn leerlingen om in te stappen) Mc
6,45.
- προς τους μαθητας = pros tous mathètas (tot de leerlingen) Lc
17,1
- ειπεν δε προς τους μαθητας = eipen de pros tous mathètas (hij zei echter tot de leerlingen) Lc
17,1.
- προς τους μαθητας αυτου = pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen) Lc
17,1
- ειπεν δε προς τους μαθητας αυτου = eipen de pros tous mathètas autou (hij zei echter tot zijn leerlingen) Lc
17,1.
- מָצָא = mâtsâ´ (vinden) Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´
(vinden) Lc 1,30
- act qal perf 2de pers mann enk מָצָאתָ = mâtsâthâ (jij vondt) Lc 1,30
- מָצָאתָ הֵן = mâtsâthâ hen (jij vondt genade) Lc 1,30.
-
- מָצָא הֵן = mâtsâ hen (hij vond genade) Lc 1,30.
- -
- act qal perf 3de pers mann mv מָצָאוּ / מָצְאוּ = mâtsâ´û / mâtsë´û (zij vonden) Lc 24,2.
- יִמְצָאֵ֙הוּ֙ (=
- wa-consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּמְצָא = wajjimëtsâ´ (en hij vond) Lc
15,5.
- וַיִּמְצְאוּ = wajjimëtsë´û (en zij vonden) < prefix verbindingswoord wa (consecuitivum) + act qal imperef 3de pers mann mv Lc 24,2.
- מָרַד = mârad (rebelleren, revolteren, in opstand komen) Aram - Syr: מְרַד = rëmad Arabisch: = marada Gn
14,4.
- matstsôth
(ongedesemde broden), zie Lc
22,1.
- Lat: maximus -> Ned: mees-ter (de k uit meeks- valt weg).
- μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) Taalgebruik in het NT: mè
(niet) Mc
3,9 Mc
5,7
- μη απελθητε = mè apelthète (gaat niet weg) L c
17,23.
- μη αυτον = mè auton (niet hem) Mc
3,12.
- μη
επιστρεψατο = mè epistrepsato (keer niet naar) Lc
17,31.
- μη εὑροντες = mè heurontes (niet gevonden) Lc 24,3.
- μη εὑρουσαι = mè heurousai (niet gevonden) Lc 24,3.
- μη καταβατω = mè katabatô (daal niet af) Lc
17,31.
- מֵאָה = me´âh (honderd) Taalgebruik in Tenakh: me´âh (honderd) Gn
25,7 Lc
15,4
- מֵאָה שָׁנָה = me´âh sjânâh (honderd jaar) Gn
23,1 .
- מֵאָה וְעֶשְׂרִים = me´âh wë`èshërîm (honderd en twintig = en honderdtwintig = en 120) Dt
34,7.
- vr mv מֵאוֹת = me´ôth (honderden) Gn
5,5
- מֵאוֹת שָׁנָה = me´ôd sjânâh (honderd jaar, 100 jaar)
- מְעַטִּֽים (= miàtîm: weinige dingen; zn mann mv van het zn מְעַט = më`at: het weinige, iets gerings).
- μέχρις (= mechris: tot dat; vz met gen).
- μηδὲ (= mède: niet echter < mè: niet, ontkenning bij conjunct + de = de: echter, lichte tegenstelling; partikel)
- μηδεὶς (= mèdeis: niemand, nom mann enk, onbep vnw bij imperat of conjunct; < μη- δ-εὶς: mè-d-eis: niet iemand) Taalgebruik
in het NT: mèdeis
(niemand)
- nom mann enk μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis: niet één, niet iemand Mc 5,43
- ἱνα μηδεις = hina mèdeis (opdat niemand) Mc 5,43.
- μηδενι (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) Mc 1,44
- ἱνα μηδενι = hina mèdeni (opdat aan niemand) Mc 7,36.
- Ned: meester. Meest is een superlatief (maximus van het Latijnse magnus, major, maximus = groot, groter, grootst). Meester = magis-ter (meer-der). Fr: maî-tre.
- μεγαλεια (= megaleia: grote dingen, wondere werken; zn acc onz mv van het zn nw μεγαλειον = megaleion: iets groots / wonderbaars; van zn nw naar bv nw: heeft een ruime semntische reikwijdt).
- μεγαλοπρεπὲς (= megaloprepes: vrijgevig; bv nw acc onz enk van het bv nw μεγαλοπρεπης: groots, edel, vrijgevig)
- μεγαλυνω (= megalunô: ik maak groot; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw μεγαλυνω = megalunô: groot maken, verheffen). Gn
12,2. s -unô ontstaan uit -einô? Een afleiding die aangeeft dat het grondwoord aanwezig is. m vooraan, n achteraan het wkw.
- μεγαλυνει (= megalunei: hij maakt groot; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μεγαλυνω = megalunô: groot maken, verheffen). Lc
1,46. wkw gevormd vanuit de stam μεγαλ- = megal- .
- εμεγαλυνεν (= emegalunen: hij maakte groot; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw μεγαλυνω = megalunô: groot maken, verheffen).
- μεγας (= megas: groot). Taalgebruik in het
NT: megas
(groot). Lat: bv nw magnus < makJ-us. wkw magni-ficare: grootmaken, grootbrengen?
- μέγα (= mega: groot; bv nw acc onz enk van het bv nw = megas: groot)
- μεγαλη (= megalè: groot; bv nw nom vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot) Mc
4,37.
- μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot)
- acc mann enk μεγαν = megan Mc 4,41.
- μεγάλην (megalèn: groot; bv nw acc vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot). Mc 15,37.
- μεγάλοι (= megaloi: groten; bv nw nom mann mv van het bv nw μεγας = megas: groot)
- μεγάλας (= megalas: grote; bv nw acc vr mv van het bv nw μεγας = megas: groot).
- μείζων (= meidzôn: groter, 'beter'; bv nw nom mann enk comparatief bij het bv nw μεγας = megas: groot)
- μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel)
- מֶלֶך = mèlèkh
(koning) Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh
(koning) Lc 1,5
- הַמֶּלֶךְ = hammèlèkh (de koning) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw מֶלֶך = mèlèkh
(koning)
- וְהַמֶּלֶךְ = wëhammèlèkh (en de koning) < prefix verbindingswoord wë + prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw מֶלֶך = mèlèkh
(koning) 1
K 1,1
- וְהַמֶּלֶךְ דָּוִד = wëhammèlèkh dâwid (en koning David) 1
K 1,1.
- מְלָאכָה = mëlâ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Taalgebruik in Tenakh: mëlâ ´kâh (werk, arbeid, vermogen, have, voorraad) Lv
23,3
- מְלָאכָה כָּל (al het werk) Lv
23,3.
- מְלָאכָה כָּל (al het werk) Lv
23,3.
- מְלַאכְתּוֹ = mëla'khëthô (zijn werk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn
2,3
- מְלַאכְתּוֹ אֲשֶׁר עָשָׂה = mëla'khëthô äsjèr `âshâh (zijn werk dat hij deed) Gn
2,2.
- מֶלֶך = mèlèkh: koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh
(koning). Getalswaarde: mem = 13 of 40, lamed = 12 of 30, kaph = 11 of
20; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4
- 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816).
- μελεταω = meletaô: zorg dragen voor, aandacht wijden aan), zie Ps
2,1.
- μελι (= meli: honing; zn acc onz enk)
- μελω = melô (ter harte gaan, zich bekommeren om) Taalgebruik in het NT: melô (ter harte gaan, zich bekommeren om)
- μέλει (= melei: het gaat je ter harte; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μελω = melô: ter harte gaan, zich bekommeren om) Mc 4,38
- ου μελει = ou melei (het gaat niet ter harte) Mc 4,38
- ου μελει σοι = ou melei soi (het gaat jou niet ter harte) Mc 4,38
- ου μελει σοι ὁτι = ou melei soi hoti (het gaat jou niet ter harte dat) Mc 4,38.
- μελει σοι = melei soi (het gaat jou ter harte) Mc 4,38.
- μέλλῃ (= mellè: het staat op het punt; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te)
- μέλλοντα (= mellonta; de 'toekomende dingen', wkw act part praes acc onz mv van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te)
- μὲν (= men: wel, enerzijds, partikel om een zwakke tegenstelling uit te drukken)
- - mèn
(maan, maand, of: werkelijk, waarachtig), zie Lc
1,26.
- Ned: menigte, veelheid D: die Menge E: multitude Fr multitude Grieks: πληθος = plèthos (menigte, veelheid) Taalgebruik in het NT: plèthos
(menigte, veelheid) Lat: multitudo
- μείνατε (= meinate: blijft; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μενω = menô: blijven).
- מְאֹד 1. (= më´od: hevigheid, kracht, vermogen; zn ). מְאֹד 2. (= më´od: buitengewoon, uitermate, zeer; bw). Taalgebruik in Tenakh: më´od (hevigheid, kracht, vermogen)
- מְאֹדֶךָ = më´odèkhâ (jouw kracht) < zelfst naamw + suffix bezitt voornaamw 2de pers enk Dt
6,5.
- μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat)
- מְרָרִֽי (= merari; de derde en jongste zoon van Levi; de kleinzoon van grootvader Jakob en grootmoeder Lea). Gn 46,11.
- Fr: merci < Lat: merces, -edem: loon, prijs, vergoeding.
- μεριμνα = merimna (kommer,
angst) Taalgebruik in het NT: merimna
(kommer, angst)
- nom vr mv μεριμναι = merimnai (zorgen, bekommernissen)
- μερη (= merè: delen; zn acc onz mv van het zn μερος = meros: deel)
- Ned: m-r-k, bemerking, opmerking. Fr: remarque (m-r-q, Ned: iets markeren, accentueren, ).
- μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) Taalgebruik in het NT: mesos
(zich in het midden bevindend)
- μέσον (= meson: zich in het midden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend)
- εις το μεσον = eis to meson (naar het midden) Ex
24,18.
- μεσῳ (= mesô: in het midden van; bv nw dat onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) Mc
6,47
- εν μεσῳ = en mesôi (in het midden van) Mc
6,47
- (εν) μεσῳ της = en mesôi tès (in het midden van de) Mc
6,47
- μεσονύκτιον (= mesovuktiou: om middernacht; zn gen onz enk van het zn μεσονύκτιον = mesonuktion: middernacht).
- Ned: met Arabisch: D: besessen von E:with Fr: en Grieks: εν = en (in, tijdens)
Hebreeuws: בְּ = bë
- μεστοὺς (= mestous: vol van; bv nw acc mann mv van het bv nw μεστος = mestos: vol van)
- μεστή (= mestè: vol van; bv nw nom vr enk van het bv nw μεστος = mestos: vol van)
- μετα (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') Taalgebruik in het NT: meta
(na, met) Gn
22,1 Mc 1,14 Mc 14,28 Joh
5,1
μεθ' (= meth': met, na, afkorting van μετα = meta; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met'). Mt
17,1.
- μετα δε = meta de (na echter) Mc 1,14
- μετα δε το = meta de to Mc 1,14.
- μετα ἰσχύος (= meta ischuos: met kracht). Js
40,10. LXX (7). Js (6).
- δε μετα = de meta (echter na) Mc 1,14.
- και μετα = kai meta (en na / met) Mc 1,14.
- και μετ' = kai met' (en na / met) Mc 1,14.
- και μεθ' = kai meth' (en na). Mc 1,14.
- μετα το = meta to Mc 1,14 Mc 14,28
- και μετα το = kai meta to (en na) Mc 1,14.
- μετα ταυτα = meta tauta (na deze dingen, daarna) Joh
21,1.
- μετα τουτο (= meta touto: na dit; daarna). Joh
19,28.
- μετ' = met'
- μετ' ου = met' ou (na niet) Lc
15,13.
- και μετ' = kai met' (en na) Lc
15,13.
- μεθ' (= meth', afkorting van μετα = meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' )
- metamorfoomai (omvormen) In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt
17,2 (2) Mc
9,2 (3) (4)
- μετεμορφώθη (= metemorfôthè: hij werd van gedaante veranderd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw μεταμορφοω = metamorfoô: omvormen, van gedaante veranderen)
- μετανοεω = metanoeô: zich bekeren) Taalgebruik in het NT: metanoeô
(bekeren)
- act part praes dat mann enk μετανοουντι = metavoounti (aan de bekerende) Lc
15,10.
- act imperat aor 2de pers mv μετανοησατε = metanoèsate (bekeert jullie) Hnd
2,38.
- act conjunct aor 3de pers enk μετανοησῃ = metanoèsè(i) (hij zou zich bekeren)
- μετανοείτω (= metanoeitô: dat hij zich bekere; wkw act imperat praes 3de pers enk van het wkw μετανοεω = metanoeô: zich bekeren)
- μετανοια = metanoia: bekering) Taalgebruik in het NT: metanoia
(bekering)
- μετανοιας (= metanoias: van bekering; zn gen vr enk van het zn μετανοια = metanoia: bekering) Mc 1,4
- μετανοιας εις = metanoias eis (van bekering tot) Mc 1,4.
- μητηρ = mètèr: moeder) Taalgebruik in het NT: mètèr
(moeder)
- μητηρ (= mètèr: moeder; zn nom vr enk) Mc 3,35
- μητρος (= mètros: van moeder; zn gen vr enk van het zn μητηρ = mè-tèr: moe-der). Gal
1,15.
- μητέρας (= mèteras: moeders; zn acc vr mv van het zn μητηρ = mè-tèr: moe-der)
- Methüsjâlach
(Metuselach), zie Gn
5,21
- mè
(niet).
- μεταξὺ (= metaksu: tussen, te midden van, vz)
- μέθαι (= methai: dronkenschappen; zn nom vr mv van het zn μέθη = methè: dronkenschap, drinkgelag, braspartij; zie Ned.: mede)
- μεθερμηνευόμενον (= methermèneuomenon: vertaald; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw μεθερμηνευω = methermèneuô: vertalen)
- Μήτι (= mèti: toch niet, misschien? vraagpartikel)
- vr mv lectio plena מְזוּזוֹת = mëzûzôth (Dt 11,20) OF lectio defectiva מְזוּזֹת = mëzûzoth (Dt 6,9) van het zelfst naamw מְזוּזָה = mëzûzâh (mezoeza, teken aan joodse deurpost)
- מִי = mî (wie) Taalgebruik in
Tenakh: mî
(wie) Dt
4,7.
- nom + dat vr μια / μιᾳ = mia(i) = op de één (bv op dag één)
van het telwoord εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen (één) Taalgebruik in het NT: telwoorden Lc
8,22
- μιᾳ των = mia(i) tôn (op één van de) Lc
8,22
- μιᾳ των ἡμερων = mia(i) tôn hèmerôn (tijdens één van de dagen) Lc
8,22.
- μιαρᾶς (= miaras: verfoeilijk; bv nw gen vr enk van het bv nw μιαρος: bevlekt, bezoedeld, verfoeilijk)
- מִדְבָּר = midëbâr (woestijn, woestenij) Taalgebruik in Tenakh: midëbâr (woestijn, woestenij) Js
64,9.
- Ned: midden D: mitten E: midst Fr: milieu Grieks: μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) Taalgebruik in het NT: mesos
(zich in het midden bevindend) Hebreeuws: תָוֶך = thâwèkh
(stat constr תּוֹך = thôkh): het midden, het inwendige Taalgebruik in Tenakh: thâwèkh
(stat constr thôkh): het midden, het inwendige Lat: medius
- מִדְיָן = midjân (Midjan) Taalgebruik in Tenakh: midjân (Midjan) Gn
37,28
- מִדְיָנִים = midjânîm (Midjanieten) Gn
37,28.
- מִכְתַּב / מִבְתָּב = mikhëthabh
of mikhëthâbh (geschrift, gedicht, lied, brief) Taalgebruik in Tenakh: mikhëthabh
(geschrift).
- μικρῶν (= mikrôn: van de kleinen; bv nw gen mann mv van het bv nw μικρος = mikros: klein)
- μικροῦ (= mikrou: van de kleine; bv nw gen mann enk van het bv nw μικρος = mikros: klein)
- μικρὸν (= mikron: een weinig; bv nw acc onz enk van het bv nw μικρος = mikros: klein).
- מִלָּה = millâh (woord) Taalgebruik in Tenakh: millâh (woord).
- μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai; gedenken, zich herinneren) Taalgebruik in het NT: mimnèskomai
(zich herinneren, gedenken) Lc 1,5
- μνήσθητι (mnèsthèti: geden:k; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai; gedenken, zich herinneren)
- imperat aor 2de pers mv μνησθητε = mnèsthète (herinner je / gedenk) Ex
20,8,
- μνησθηναι (= mnèsthènai; med inf aor van het wkw μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai: zich herinneren, gedenken).
- מִין= mîn (soort, aard) Taalgebruik in Tenakh: mîn (soort, aard)
- לְמִינוֹ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn
1,11.
- לְמִינֵהוּ = lëmînô (naar zijn soort) < prefix lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Gn
1,21.
- לְמִינָהּ = lëmînâh (naar zijn soort) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers vr enk
- min-der. Lat minus - parum (gelijk), minus (min-der), minime (min-st). Fr moins.
- מִקְוֵה = miqweh (1 hoop, vertrouwen 2 verzameling) Zie het werkw קָוָה = qâwâh (nifal: verzamelen) Taalgebruik in Tenakh: qâw&aci rc;h (nifal: verzamelen)
- וּלְמִקְוֵה = ûlëmiqweh (en tot de verzameling) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Gn
1,10.
- מִרַיָם = mirajâm (Miriam) Taalgebruik in Tenakh: mirajâm (Miriam) Nu
20,1.
- μισεω = miseô: haten) Taalgebruik in het NT: miseô (haten)
- act ind praes 3de pers enk μισει = misei (hij haat) Lc 14,26 .
- μισήσεις (= misèseis: jij zult haten; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw μισεω = miseô: haten)
- μισούμενοι (= misoumenoi: wordende gehaat; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten)
- μισοῦντες (= misountes: hatende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten)
- μισοῦντας (= misountas: hatende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten)
- μισθος = misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning) Taalgebruik in het NT: misthos (loon, vergoeding, salaris, beloning)
- μισθὸν (= misthon: loon; zn acc mann enk van het zn μισθος = misthos: loon, vergoeding, salaris, beloning)
- μισθωτος = misthôtos: gehuurd, huurling, werknemer)
- μισθωτῶν (= misthôtôn: dagloners; zn gen mann mv van het zn μισθωτος = misthôtos: gehuurd, huurling, werknemer)
- מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam) Taalgebruik in Tenakh: misjëpâchâh (geslacht, stam)
- מִשְׁפַּחְתּוֹ = misjëpachëthô (zijn stam): zelfst naamw stat constr vr enk + suffix bezitt voornaamw 3de pers mann enk Lv
25,10
- אֶל מִשְׁפַּחְתּוֹ = `el misjëpachëthô (naar zijn stam) Lv
25,10.
- כֹל מִשׁפְּחֹת = kol misjëpëchoth (alle
gslachten) Gn
12,3.
- מִצְוָה = mitsëwâh (bevel, gebod) Taalgebruik in Tenakh: mitsëwâh (bevel, gebod)
- מִצְוֹתַי = mitsëwothaj (mijn geboden / bevelen) < zelfst naamw stat construct vr mv + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk
- אֶת כָּל הַמִּצְוָה = ´èth kâl hammitsëwah (elke opdracht, elk gebod) Dt
27,1.
- מִזְבֵחַ = mizëbeach
(altaar) Taalgebruik in Tenakh: mizëbeach
(altaar) Gn 12,7
- שָׁם מִזְבֵחַ = sjâm mizëbeach
(daar een altaar) Gn 12,7.
- מִזְבֵחַ לָיהוה = mizëbeach
lâJHWH (een altaar voor JHWH) Gn 12,7
- שָׁם מִזְבֵחַ לָיהוה = sjâm mizëbeach
lâJHWH (daar een altaar voor JHWH) Gn 12,7.
- μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) Taalgebruik in
het NT: mnèma
(aandenken,gedenkteken) Lc
23,53 Het hiëroglyfisch dambord met pionnen heeft de klankwaarde van mn Het staat voor blijven, vastgelegd zijn Dit is het geval met de gebouwen, door de Farao opgericht Het is de stam van het Griekse μνημα = mnèma en het Latijnse monumentuml, waaruit het Nederlandse monument, gedenkteken is afgeleid
- gen onz enk μνηματος = mnèmatos,
- dat onz enk μνηματι = mnèmati Lc
23,53
- εν μνηματι = en mnèmati (in een graf) Lc
23,53 Lc 2,12.
- εν τῳ μνηματι = en tô(i) mnèmati (in het graf) Lc
23,53 Lc 2,12.
- dat onz mv μνημασιν = mnèmasin (in de gedenktekens) Mc
5,3
- εν τοις μνημασιν = en tois mnèmasin (in de gedenktekens) Mc
5,3.
- μνημόσυνον ( = mnèmosunon: aandenken, herinnering, gedachtenis; zn acc onz enk)
- μνησικακήσεις (= mnèsikakèseis: jij zult haatdragend zijn; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw μνησικακεω = het geleden onrecht blijven gedenken, haatdragend zijn)
- מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim
/ mitsërâjim (Egypte) Taalgebruik in Tenakh: mitsërajim
(Egypte) Ex
12,35
- אֶל מִצְרָיִם = ´èl mitsërâjim (naar Egypte) Gn
37,28.
- יִשְׂרָאֵל מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = jishërâ´el mimmitsërajim
/ mitsërâjim (Israël uit Egypte) Ps
114,1.
- מִמִּצְרָיִם / מִמִּצְרַיִם = mimmitsërajim
/ mimmitsërâjim (uit Egypte) < prefix voorzetsel min (met assimilatie van de nun) + מִצְרָיִם / מִצְרַיִם = mitsërajim
/ mitsërâjim (Egypte) Ex
12,35.
- מִצְרַיְמָה = mitsërajëmâh (Egyptewaarts) Gn 12,10.
- μνημειον (= mnèmeion: monument, gedenkteken, graf; zn acc onz enk) Taalgebruik
in het NT: mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) Lc 24,12
- μνημειου (= mnèmeiou: van het grafgedenkteken; zn gen onz enk van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf; stam: m-n-m) Lc 24,2
- του μνημειου = tou mnèmeiou Lc 24,2
- απο του μνημειου = apo tou mnèmeiou (weg van het aandenken) Lc 24,2.
- εκ του μνημειου = ek tou mnèmeiou (uit het aandenken) Joh
20,2.
- dat onz enk μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) Mc
15,46.
- μνημείων (= mnèmeiôn: van de grafgedenktekens; zn gen onz mv van het zn μνημειον = mnèmeion: monument, gedenkteken, graf) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) Mc 5,2
- εκ των μνημειων = ek tôn mnèmeiôn (uit de grafgedenktekens) Mc 5,2.
- dat onz mv μνημειοις = mnèmeiois (in de grafgedenktekens) Mc
5,3
- εν τοις μνημειοις = en tois mnèmeiois (in de grafgedenktekens) Mc
5,3.
- μνημονεύετε (= mnèmoneuete: jullie herinneren zich; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw μνημονευω = mnèmoneuô: zich herinneren, in herinnering brengen)
- וּמִמּוֹלַדְתְּךָ = ûmimmôladëthëkhâ (en uit jouw stam) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel min + zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Zie מוֹלֶדֶת = môlèdèth (kring van verwanten) Gn
12,1.
- מוֹאָב = mô´abh
(Moab) Taalgebruik in Tenakh: mô´abh
(Moab) Rt 1,1.
- μογιλάλον (= mogilalon: slechtsprekende; bv nw zelfstandig gebruikt van het bv nw μογιλαλος = mogilalos: slechtsprekend; μογις = mogis, met moeite, ternauwernood; bw)
- μοιχαλίδι (= moichalidi: overspelige; bv nw dat vr enk van het bv nw μοιχαλις = moichalis: overspelig, afvallig)
- μοιχεῖαι (= moicheiai: echtbreuken; zn acc vr mv vanhet zn μοιχεῖα = moicheia: echtbreuk)
- μοιχᾶται (= moichatai: hij pleegt echtbreuk; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw μοιχαω = moichaô: echtbreuk plegen)
- μοιχευω: moicheuô: echtbreuk plegen; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: μοιχος -> μοιχευω = moichos -> moicheuô: overspelige -> overspel plegen, echtbreuk plegen)
- μοιχεύσεις (= moicheuseis: jij zult echtbreuk plegen, act ind fut 2de pers enk van het wkw μοιχευω: moicheuô: echtbreuk plegen; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: μοιχος -> μοιχευω = moichos -> moicheuô: overspelige -> overspel plegen, echtbreuk plegen).
- monas (alleen), zie Mc
4,10.
- Ned: mond E: mouth Fr: bouche Gr: στομα = sto-ma Lat: os, oris Arabisch: فم = fam Hebreeuws: פֵה = pèh (mond, opening, ingang) Taalgebruik in Tenakh: pèh (mond, opening, ingang).
- μονογενης = monogenès (eniggeboren) Taalgebruik in het NT: monogenès (eniggeboren)
- acc mann enk = monogenè (eniggeboren) Gn
22,2.
- bijvoegl naamw nom mann enk μονος = monos (alleen) Ex
24,2
- μόνους (= monous: alleen; bv nw acc mann mv van het bv nw μονος = monos: alleen)
- μόνον (= monon: alleen; bw)
- μονόφθαλμον (= monofthalmon: éénoog; bv nw acc mann enk van het bv nw μονόφθαλμος = monofthalmos: éénogig)
- Ned: morgen D: Morgen E: morning Fr: matin Grieks: πρωι = prôi (morgen) Taalgebruik in
het NT: prôï
(vroeg) Hebreeuws: בֹקֶר = boqèr (morgen) Lat: mane
- μωρίαν (= môrian: dwaasheid; zn acc vr enk van het zn μωρία = môria: dwaasheid, zotheid).
- מֹשֶׁה (= mosjèh: Mozes; eigennaam; zn mann enk).
Taalgebruik in Tenakh: Mosjèh
(Mozes). Ex
17,3. Ex
24,8.
- מֹשֶׁה עֶבֶד יהוה = mosjèh `èbhèd JHWH (Mozes, dienaar van JHWH, knecht
van JHWH) Dt 34,5.
- מֹשֶׁה וַאַהֲרֹן = mosjèh wë´ahäron (Mozes en Aäron). Lv 9,23.
- וּמֹשֶׁה (= ûmosjèh: en Mozes). Ex
3,1. Ex
19,3.
- וַיַּעַל מֹשֶׁה (= wajja`al mosjèh: en Mozes klom op). Ex 24,9.
- και ανεβη μωυσης (= kai anebè môusès: en Mozes beklom).
- וּמֹשֶׁה עָלָה = (ûmosjèh `âlâh: en Mozes beklom).
- και μωυσης ανεβη (= kai môusès anebè: en Mozes beklom).
- אֶל מֹשֶׁה = ´èl mosjèh (tot Mozes) Ex 12,1.
- מֹשֶׁה אֶת הַדָּם = mosjèh ´èth haddâm (Mozes het bloed) Ex
24,8.
- תוֹרַת מֹשֶׁה = thorath mosjèh (de wet van Mozes)
- Ned: mosterd D: Senf (zie sinapi) E: moustard Fr: sénevé Grieks: σιναπι = sinapi (mosterd) Taalgebruik in het NT: sinapi (mosterd) Latijn: sinapi Waarschijnlijk van Egyptische oorsprong
- Μωϋσεῖ (= moüsei= met Mozes; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes)
- Μωϋσέως (= moüseôs= van Mozes; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes)
- Μωϋσῆς (= moüsès: Mozes; zn eigennaam dat mann enk)
- μύλος (= mulos: molen; zn nom mann enk)
- מוּם = mûm (gebrek défault; ziekte, infirmité
- μυρίσαι (= murisai; te balsemen; wkw act inf aor van het wkw
μυριζω = muridzô: zalven, balsemen)
- �???? (= muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum; zn nom onz enk)
- �???? (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn �???? = muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum)
- Lat: murus; stam: mur-us. Fr: mur. Ned: muur. Lat -> Fr: eindlettergreep valt weg, of de stam blijft over.
- מות = mwth (sterven,
ondergaan) Taalgebruik in Tenakh: mwth
(sterven, ondergaan)
- וַיָּמֹת / וַיָּמָת = wajjâmoth / wajjâmâth (en hij stierf) < verbindingswoord
wë + act qal imperf 3de pers mann enk Gn 5,5.
- וַתָּמָת / וַתָּמוֹת = waththâmâth / waththâmoth (en zij stierf) < wë + act qal imperfectum derde persoon vrouwelijk enkelvoud Nu
20,1 1
Kr 2,19.
- qal inf absol מוֹת = môth (te sterven) Ex
31,15.
- act qal inf construct
מוֹת = môth (sterven) Ex
31,15
- אַחַרֵי מוֹת = ´achäre(j) môth (na de dood van) Gn
26,18
- וַיְהי אַחַרֵי מוֹת = wajëhî ´achäre(j) môth (na de dood van) Dt 34,5.
- act qal
part nom mann mv מֵתִים = methîm (stervenden) 1 S 2,6.
- act hifil part nom mann enk מֵמִית = memîth (doen stervende) 1 S 2,6.
- pass hofal imperf 3de pers mann enk יוּמָת = jûmâth (hij zal gedood worden) Ex
31,15
- מוֹת יוּמָת = môth jûmâth (hij zal gedood worden te sterven) Ex
31,15.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
N.
Hebreeuwse werkwoorden die beginnen met de letter נ (noen): -- nûs (vluchten, wegsnellen) --
- נָא = nâ´ (toch) Taalgebruik in Tenakh: nâ´ (toch).
- Ned: naam stam: N M Arabisch: اسم = ism (naam) Taalgebruik in de Qoran: ism (naam) D: Name Eng: name Fr: nom Grieks: ονομα = onoma (naam) Taalgebruik in het NT: onoma
(naam) Hebr שֵׁם = sjem (naam) Taalgebruik in Tenakh: sjem
(naam) Lat nomen
- Ned: naar D: nach
E: for Fr: vers (versus: gedraaid, gekeerd; vertere: tourner, draaien) / à Gr: εις = eis (naar) Taalgebruik in het NT: eis
(naar) Lat in / ad
- נַעֲרָה = na`ärâh (meisje)
- נָבַט = nâbhat (openspringen, schijnen; hifil: verlichten) Gn
25,13.
- נָבִיא = nâbhî´(profeet) Taalgebruik in Tenakh: nâbhî´(profeet)
- הַנָּבִיא = hannâbhî´( de profeet) 2
K 19,2
- יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja,
de profeet) 2
K 19,2.
- נָחָה = nâchâh (voeren, leiden) Taalgebruik in Tenakh: nâchâh (voeren, leiden)
- act ind perf 2de pers mann enk נָחִיתָ = nâchîthâ (jij leidde) Ex 15,13.
- יִנָּחֵם (= jinnâhem = hij zal zich berouwen; wkw nifal imperf 3de pers mann enk van het wkw נָחַם = nâcham: berouw,
verdriet, medelijden hebben, zich troosten).
- נַחֲמ֥וּ (= nahamû: troost; wkw act ind piël 2de pers mv van het wkw נחם = nâcham: berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten). Js 40,1.
- וַיִּנָּחֶם (= wajjinnâhem = en hij zal zich berouwen; waw consecutivum + wkw nifal imperf 3de pers mann enk van het wkw נָחַם = nâcham: berouw,
verdriet, medelijden hebben, zich troosten).
- נָחוֹר = nâchôr (Nachor) Taalgebruik in Tenakh: nâchôr (Nachor) Gn
11,29
- וְנָחוֹר = wënâchôr (en Nachor) Gn
11,29.
- Ned: nacht D: Nacht E: night Fr: nuit Gr: νυξ, νυκτος = nux (nacht) Taalgebruik
in het NT: nux
(nacht) לָיְלָה = lajëlâh (nacht)
Taalgebruik in Tenakh: lajëlâh
(nacht) Lat: nox, noctis Het Griekse nuks < ne ok(w)t Got: nahts Sanskr: nak Oudeng: neaht, niht (u - o - i - a) Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin, de moeder van de zonnegod Re, die zij dagelijks ter wereld brengt
- Arabisch: ليلة = nacht (laila) Taalgebruik in de Qoran: nacht (laila) לָיְלָה = lajëlâh (nacht)
Taalgebruik in Tenakh: lajëlâh
(nacht).
- - Nâdâbh (Nadab), zie Ex
24,9.
- Ned: na-dat D: nachdem E: after Fr: après (< ad
pressum = tot ge-perst, opeengeperst; primere, pressum: persen ) Grieks: μετα = meta (met, na) Afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth' Taalgebruik in het NT: meta
(na, met) Hebreeuws: ´-ch-r (1) voorzetsel אֶחָר = ´èchär (na, achter) stat constr אַחַר = ´achar (2) אַחֵר = ´acher
(ander, andere) Taalgebruik in Tenakh: ´acher
(ander, andere) Lat: post-quam
- - naderen zie eggus
- nâ´âq
(weeklagen, kermen), Ex
2,24
- nâb`a
(ontspringen, opwellen, spreken, verkondigen), zie Ps
145,7.
- נָחָשׁ = nâchâsj
(slang) Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj
(slang)
- וְהַנָּחָשׁ = wëhannâchâsj (en de slang) Gn
3,1.
- Nâdâbh
(Nadab), zie Ex
24,9
- nâdâh (dwalen, zich laten verleiden) Taalgebruik in Tenach: nâdâh
(dwalen, zich laten verleiden).
- Ned: naderen Arabisch: نهج (nahaz) D: nähen E to come near Fr approcher Gr: εγγιζω = eggizô (naderen) Hebreeuws: נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden) Taalgebruik in Tenakh: nâgasj
(naderen, nader treden) Taalgebruik
in het NT: eggizô
(naderen) Lat: adpropinquare
- נָגַע = nâga` (aanraken, stoten, slaan) Taalgebruik in Tenakh: nâga` (aanraken, stoten, slaan)
- act ind imperf 3de pers vr enk תִגַּעַ = thigga` ((zij zal aanraken)
- prefix verbindingsgwoord wë consecutivum + act ind jiqtol (imperf) 3de pers mann enk וַיִּגַּע = wajjigga` (en hij stootte) Gn
32,26.
- נָגַד = nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken) Taalgebruik in Tenakh: nâgad (vertellen, verkondigen, bekend maken)
- וַיַּגִּידוּ = wajjaggîdû (en zij vertelden) < waw consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Mc 6,30
- וַיַּגִּידוּ לוֹ = wajjaggîdû lô (en zij vertelden hem) Mc 6,30.
- וַיַּגִּידוּ לוֹ אֶת כל = wajjaggîdû lô ´th kol (en zij vertelden hem alles) Mc 6,30.
- וַיַּגִדוּ = wajjaggidû (en zij vertelden) < waw consecutivum + act hifil imperf 3de pers mann enk Mc 6,30.
- nâgâh
(stralen, schijnen), zie Mt
5,14.
- נָגַהּ = nâgah (stralen, verlichten) Taalgebruik in Tenakh: nâgah (stralen, verlichten).
- נֹגַהּ = nogah (glans, schijnsel)
- כַנֹּגַהּ = kannogah (als glans, als straling) < prefix voorzetsel kë + bepaald lidwoord ha + zelfst naamw Js
62,1.
- נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden) Taalgebruik in Tenakh: nâgasj
(naderen, nader treden).
- וְנִגַּשׁ = wëniggasj (en hij trad nader, hij kwam naderbij) < prefix voegwoord wë + pass ind perf 3de pers enk Ex
24,2.
- וַיִּגְּשׁוּ = wajjiggasjû (en zij naderden) < wa-consecutivum + act qal imperf 3de pers mann mv Lc
15,1.
- נָעִים (= nâ`îm; lieflijk, bekoorlijk, aangenaam; bv nw enk). Ps 133,1
- וּמַה נָעִים = ûmahnnä`îm (en hoe bekoorlijk) Ps 133,1.
- נָכַה = nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) Taalgebruik in Tenakh: nâkhâh (slaan, treffen, verslaan, doden) Ex
17,6
- וְהִכִּיתָ = wëhikkîthâ (en jij zult slaan) < wë + act hifil perf 2de pers mann enk Ex 17,6.
- act hifil jiqtol 1ste persenk אַכֶּה = ´akkèh (dat ik dode, ik zal doden)
- act hifil jiqtol (imperf) 3de pers mann enk jussief יַךְ = jakh (dat hij treffe)
- act hifil imperat 2de pers mann enk הַךְ = hâkh (dood)
- act hifil part mann enk מַכֶּה = makkèh (slaande)
- pass hofal part mann enk מֻכֶּה = mukkèh (gedode, vermoorde)
- ναὸν (= naon: tempel; zn acc mann enk van het zn ναος = naos: tempel).
- ναοῦ (= naou: van de tempel; zn gen mann enk van het zn ναος = naos: tempel).
- נָפַל = nâphal (vallen)
Taalgebruik in Tenakh: nâphal
(vallen)
- prefix waw consecutivum wë + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּפֹל = wajjippol (en hij viel)
- וַתִּפֹּ֖ל (= waththippol: en zij viel; waw consecutivum en wkw act ind imperf - wajjiqtol - 3de pers vr enk van het wkw נָפַל = nâphal: vallen). Est 8,3.
- prefix waw consecutivum wë + act qal imperf 3de pers vr enk וַתִּפֹל = wajjippol (en hij viel) Mc 7,25
- וַתִּפֹל עַל רַגְלָיו = wajjippol `al ragëlâ(j)w (en hij viel bij zijn voeten) Mc 7,25.
- וַיִּפְּלוּ = wajjiphphëlû (en zij vielen) < prefix voegwoord waw consecutivum + act qal imperf 3de pers mann mv Gn
4,5.
- act qal part mann mv נֹפְלִים = nophelîm (de vallenden) Dt 22,4.
- ναρδου (= nardou: van nardusolie; zn gen vr enk van het zn ναρδος = nardos: nardusolie)
- nâs`â
(opbreken, reizen), zie Ex
16,1.
- נָסָע = nâsâ` (opbreken, reizen) Taalgebruik in Tenakh: nâsâ`
(opbreken, reizen)
- וַיִּסַּע = wajjishshâ` (en hij brak op) < prefix verbindingspartikel waw (en) en qal actief
imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud Gn
12,9.
- nevensch voegw wë (en) + act qal imperf 3de pers mann mv וַיִּסְעוּ = wajjisë`û
(en zij braken op) Ex
14,15.
- נָסָה (= nâsâh: beproeven, op de proef stellen) Taalgebruik in Tenakh: nâsâh (beproeven, op de proef stellen)
- zelfstnaamw vr enk מַסָּה = massâh (beproeving, verzoeking) Mt
6,13.
- נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) Taalgebruik
in Tenakh: nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) Lc 24,51
- verbindingsprefix waw (en) + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּשָּׂא = wajjishshâ´
(en hij hief op) Gn
13,10 Lc 9,16 Lc 18,43
- וַיִּשָּׂא אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ () `e(j)nâ(j)w = en hij verhief zijn ogen Gn
22,4.
- וַיִּשָּׂא אֶת עֵינָיו = wajjishshâ´ () ´èth `e(j)nâ(j)w = en hij verhief () zijn ogen Gn
22,4
- וַיִּשָּׂא () אֶת עֵינָיו וַיַּרְא = wajjishshâ´ () `e(j)nâ(j)w = wajjishshâ´ = en hij verhief zijn ogen en hij zag Gn
22,4.
- אֶשָּׂא (= ´èshshâ´: ik zal dragen; wkw act qal imperf 1ste pers enk van het wkw נָשָׂא = nâshâ´: dragen, opnemen,
verheffen). Ps
25,1.
- וְנִשָּׂא = wënishshâ´ (en hij werd gedragen) < wë + pass nifal perf 3de pers mann enk Lc 24,51
- - verbindingsprefix waw (en) en qal actief imperfectum derde persoon mannelijk
enkelvoud wajjishshâ´ (en hij verhief): Gn
29,11
- נָשַׂג = nâshag (bereiken, achterhalen, inhalen, treffen)
- וַיַּשִׂגֵם = wajjashshigem (en wij haalde hen in) < wa-consecutivum + werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Gn 44,6.
- נָשַׁך = nâsjakh (bijten, kwellen, rente geven) Taalgebruik in Tenakh: nâsjakh (bijten, kwellen, rente geven).
- נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden)
Taalgebruik in Tenakh: nâtâh
(uitstrekken, neigen, zich wenden) Mc 3,5
- וַיֵּט = wajjet (en hij spande) < prefix waw consecutivum + act qal imperf 3de pers mann enk
- וַיֵּט אַהֱרֹן = wajjet ´aharon (en Aäron strekte uit)
- וַיֵּט מֹשֶׁה = wajjet mosjèh (en Mozes strekte uit)
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit) Mc 3,5.
- act hifil imperat 2de pers mann enk הַטֵּה = hatteh (neig) Ps
86,1.
- נָתַן = nâthan (geven) Taalgebruik
in Tenakh: nâthan
(geven) Lc
15,22
- וְנָתַתָּה = wënathaththâh (en jij zult geven): verbindingsprefix wë
+ werkwoordvorm actief qal perf 2de pers mann enk Dt
11,29.
- act qal perf 1ste pers enkelv נָתַתִּי = nâthaththî (ik zal
geven): 1 K 3,13
- נָתַתִּי אֶת הָאָרֶץ = nâthaththî ´èth hâ´ârèts
(ik zal geven het land) Re
1,2.
- נָתַתִּי לָכֶם = nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie) Gn
9,3 Dt
3,19
- אֲשֶׁר נָתַתִּי לָכֶם = ´äsjèr nâthaththî lâkhèm (die ik zal geven aan jullie) Dt
3,19.
- וְנָתַתִּי = wënâthaththî (en ik zal geven) < prefix voegwoord wë + act qal perf 1ste persenkelv Gn 12,7 Dt 11,14.
- וַיִּתֵּן (= wajjiththen: en hij zal geven / en hij gaf; < verbindingsletter wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw נָתַן = nâthan: geven). Ex
31,18.
- act qal imperf 1ste pers enk אֶתֵּן = ´èththen (ik geef) Gn 12,7
- אֶתֵּן אֶת הָאָרֶץ = ´èththen ´èth hâ´ârèts
(ik geef het land) Gn 12,7
- אֶתֵּן אֶת הָאָרֶץ הַזֹּאת = ´èththen ´èth hâ´ârèts
hazzo´th (ik geef dit land) Gn 12,7.
- אֶתְּנֶנָּה = ´èththënènnâh (ik zal haar geven) < act ind perf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers vrouw enk Gn 12,7.
- וְאֶתְּנֶנָּה = wë´èththënènnâh (en ik zal haar geven) < prefix voegwoord wë + act qal imperf 1ste pers enk Gn 12,7.
- act qal imperat 2de pers mann enk תֵן / תֶן = then / thèn (geef) 2
K 4,42 Mc 6,37.
- act qal imperf 2de pers vr enk תְנִי = thënî (geef)
- act imperat perf 2de pers mann mv תְנוּ = thënû (geeft) Lc
15,22 Mc 6,37.
- בְּתֵת = bëtheth (in het geven) < prefix voorzetsel bê + werkwoordvorm act qal inf stat constr Ex
16,8
- לָתֵת (= lâtheth: om te geven; de letter lamed als prefix en de werkwoordvorm
theth: qal inf constructus van het wkw נָתַן = nâthan: geven). Ps
111,6.
- לָתֵת לָהֶם, נַחֲלַת גּוֹיִם (= lâtheth lâhèm nachälath gôîm: om te geven aan hen
een erfdeel van volkeren). Ps
111,6.
- אֲשֶׁר אָנֹכִי נֹתֵן = ´äsjèr ´ânokhî nothen (dat ik gevende) Dt
4,8
- אֲשֶׁר אֲנִי נֹתֵן לָכֶם = ´äsjèr ´änî nothen lâhèm
(dat ik gevende aan hen) Lv
25,2.
- אֲשֶׁר אָנֹכִי נֹתֵן לָכֶם = ´äsjèr ´ânokhî nothen lâhèm (dat ik hen gevende) Lv
25,2.
- וְנִתַּתֶּם = wëniththathèm (en jullie zullen overgeleverd worden) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm pass nifal perf 2de pers mann mv Lv
26,25.
- נָתַק = nâthaq (afsnijden, losrukken, wegrukken, weglokken) Taalgebruik in Tenakh: nâthaq (afsnijden, losrukken, wegrukken, weglokken).
- נָצַל = nâtsal (redden, bevrijden) Taalgebruik in Tenakh: nâtsal (redden, bevrijden)
- act hifil imperf 3de pers enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers mv יַצִּילֵנוּ = jatstsilenû (hij bevrijdt ons) Lc
1,74.
- הַצִּילֵנוּ = hatstsîlenû (bevrijd ons) < act hifil imperat 2de pers mann enk + suffix bezitt voornaamw 1ste pers mv Mt
6,13
- הַצִּילֵנוּ מִיַּד אֹיְבִינוּ = hatstsîlenû mijjad ´ojëbhe(j)nû (bevrijd ons uit de hand van onze vijanden) + een vorm van het werkw dienen Mt
6,13
- וְהַצִּילֵנוּ = wëhatstsîlenû (en bevrijd ons) < prefix voegwoord wë + act hifil imperat 2de pers mann enk + suffix bezitt voornaamw 1ste pers mv Mt
6,13.
- נָצַר = nâtsar (bewaren, bewaken, belegeren,
bespieden) Taalgebruik in Tenakh: nâtsar
(bewaren, bewaken, belegeren, bespieden) Ex
34,7
- - nâ´wah
(schoon, lieflijk, passend zijn), zie Ps
68,35.
- Ναζαρηνός (= nadzarènos: Nazarener; uit Nazara; zn nom mann enk)
- Ναζαρηνοῦ (= nadzarènou: Nazarener; uit Nazara; zn gen mann enk van het zn Ναζαρηνός = nadzarènos: Nazarener)
- Ναζαρηνὸν (= nadzarènon: Nazarener; uit Nazara; zn acc mann enk van het zn Ναζαρηνός = nadzarènos: Nazarener)
- Ναζαρὲτ (= nazaret: Nazaret; zn eigennaam) Nazaret
(Nazaret), zie Mt
4,13.
- נָזַר = nâzar (zich afzonderen,
onthouden, wijden) Taalgebruik in Tenakh: nâzar
(zich afzonderen, onthouden, wijden)
- נִזַרוֹ / נִזְרוֹ = nizarô / nizërô (zijn nazireaat) < zelfst naamw stat constr + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Nu 6,8
- νεανισκος (= neaniskos: jongeman, kleine man; zn nom mann enk). Taalgebruik in de Bijbel: neaniskos (jongeman, kleine man) Mc
14,51.
- νεανίσκον (= neaniskon: jongeling; zn acc mann enk van het zn νεανισκος = neaniskos: jongeman, kleine man; uit: neos: nieuw/jong + anèr: man ???).
- נְבָיֹת = nëbhâjoth (Nebajot) Taalgebruik in Tenakh: nëbhâjoth (Nebajot) Gn
25,13.
- נֵדֶר / נֶדֶר = nedèr / nèdèr (gelofte, gelofteoffer) Taalgebruik van Tenakh: nèdèr (gelofte, gelofteoffer).
- נֶפֶשׁ (= nèphèsj: ziel, adem, leven, levensgeest, gevoel, begeerte).
- נַפְשִׁי (= naphësjî: mijn geest; < zn enk נֶפֶשׁ = nèphèsj: ziel, adem, leven, levensgeest, gevoel, begeerte + suffix bezitt vnw 1ste pers enk). Ps
25,1.
- וְנַפְשִׁי (= naphsji: mijn levensgeest, mijn levensdrift; < prefix koppelwoord waw + zn vr enk van het zn נֶפֶשׁ = nèphèsj: ziel, adem, leven, levensgeest, gevoel, begeerte + suffix pers vnw 1ste pers enk). Ps
25,1.
- νεφέλη (= nefelè: nevel, wolk; zn nom vr enk).
- νεφέλης (= nefelès: van de nevel/wolk; zn gen vr enk van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk)
- νεφελῶν (= nefelôn: wolken; zn gen vr mv van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk)
- νεφέλαις (= nefelais: wolken; zn dat vr mv van het zn νεφέλη = nefelè: nevel, wolk)
- νεκρων (= nekrôn: van de doden; bv nw gen mann mv van het bv nw νεκρος = nekros: dode).
- νεότητός (= neotètos: van mijn jeugd; zn gen vr enk van het zn νεοτης = neotès: nieuwheid, jeugd)
- νηστεῖαι (= nèsteuai: vasten; zn nom vr mv van het zn νηστεῖα = nèsteua: vasten)
- νηστείᾳ (= nèsteia: in vasten; zn dat vr enk van het zn νηστεῖα = nèsteua: vasten)
- νηστεῦσαι (= nèsteusai: te vasten; wkw act inf aor van het wkw νηστεῦω: vasten)
- νηστεύουσι (= nèsteuousi: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστεῦω: vasten)
- νήστις (= nèsteis: hongerig; bv nw acc mann mv van het bv nw νήστεις = nèstis: nuchter, hongerig, vastend)
- Ned: nevel, wolk D: die Wolke E: cloud Fr: la nuée Grieks: νεφελη = nefelè
(nevel, wolk) Hebreeuws: עָנָן = `ânân
(wolk) Taalgebruik in Tenakh: `ânân
(wolk) Latijn: nebula
- נֶכֶד = nèkhèd (kleinzoon, afstammeling) Taalgebruik in Tenakh: nèkhèd (kleinzoon, afstammeling)
- vr enk נֶכְדָּה = nèkhëdâh (kleindochter, afstammelinge)
- νεκρος = nekros: dode) Taalgebruik
in het NT: nekros
(dode) Lc
15,32
- νεκρος (= nekros: dood, dode; bv nw nom mann enk) Lc
15,32.
- νεκρων (= vekrôn: uit de doden; bv nw / zn gen mann mv van het bv nw / zn νεκρος = nekros: dode) Mc 6,14.
- Ned: nemen Arabisch: أخذ = akhadha Zie: http://wwwarabischlexiconcom/157-akhadha-nemen-157115821584html D: nehmen E: take Fr: prendre
Grieks: λαμβανω = lambanô (nemen) Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen) Hebreeuws: לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen) Lat: accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen)
- neos
(nieuw, jong), zie Lc
15,12.
- νεότητος (= neotètos: vanaf je jeugd; zn gen vr enk van het zn νεότης = neotès: 'nieuwheid', jeugd; uitgang op -tès: van bv nw naar zn: zuiver substantiverend)
- נֶפֶשׁ = nèphèsj
(geest) Taalgebruik in Tenakh: nèphèsj
(geest)
- nom vr enk נֶפֶשׁ = nèphèsj
(geest) Gn
1,24
- נֶפֶשׁ חַיָה = nèphèsj chajâh (levend wezen) Gn
1,24.
- נַפְשִׁי = naphësjî (mijn geest) < zelfst naamw + suffix bezitt voornaamw 1ste pers enk Js
1,14
- נַפְשְׁךָ = naphësjëkhâ (je ziel) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,5
- וּבְכָל נַפְשְׁךָ = ûbhëkhâl naphësjëkhâ (en met heel je ziel) Dt
6,5.
- וּבְכָל נַפְשֹוֹ = ûbhëkhâl naphësjô (en met heel zijn ziel) Dt
6,5.
- נַפְשְׁכֶם = naphësjëkhèm (jullie ziel) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv Dt
11,13
- וּבְכָל נַפְשְׁכֶם = ûbhëkhâl naphësjëkhèm (en met heel jullie ziel) Dt
11,13.
- nemen naast zich, vergezellen zie paralambanô -
- נִר = ner (licht, lamp) Taalgebruik in Tenakh: ner (licht, lamp)
- אֲבִינֵ֔ר בֶּן־נֵ֖ר = ´äbhîner, bèn ner (Abiner, zoon van Ner)
- נֵשֶׁק / נֶשֶׁק = nesjèq / nèsjèq (wapenrusting, arsenaal) Taalgebruik in Tenakh: nesjèq / nèsjèq (wapenrusting, arsenaal)
- נֶשֶׁר = nèsjèr (arend, adelaar, gier) Taalgebruik in Tenakh: nèsjèr (arend, adelaar, gier)
- νησος = nèsos (eiland) Taalgebruik in het NT: nèsos (eiland)
- niemand zie mèdeni
- νηστευω = nèsteuô: vasten) Taalgebruik in het NT: nèsteuô
(vasten)
- ??ste???s?? (= n�steuousin: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- ??ste?s??s?? (= n�steusousin: zij zullen vasten; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- νηστεύετε (= nèsteuete: vast; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- νηστεύσατε (= nèsteusate: vast; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- ??ste???te? (= n�steuontes: vastende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- ??ste?e?? (= n�steuein: om te vasten; wkw inf praes van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten)
- Ned: neus, snuit (snuiven), snavel D: Nase E: nose Fr: nez Lat: nasus Arabisch: أنف (anf) Hebreeuws: ´aph / ´âph (toorn, woede) Taalgebruik in Tenakh: ´aph
/ ´âph (toorn, woede)
- Ned: niet D: nicht E: not Fr: ne pas Grieks: ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) Taalgebruik in het NT: ou
- ouk - ouch (niet) Hebreeuws לֹא = lo´(niet) Taalgebruik
in Tenakh: lo´(niet) Latijn: non
- Lat: niger (= zwart; neger; Fr: noir). De g tussen 2 klinkers verdwijnt behalve de klinker voor de g een a of een e is -> ni-er. Dan verandering van timbre: ni-er wordt noir.
- Lat: nolle (= niet willen; < non velle; v/w - l: vel-le - wil-len).
- imperatief 2de pers mv nolite Mt
6,19.
- νοείτω (= noeitô: dat hij wete; wkw act imperat 3de pers enk van het wkw νοεω = noeô: weten)
- νοεῖτε (= noeite: jullie weten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw νοεω = noeô: weten)
- νομίζομεν (= nomidzomen: wij zijn van mening; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw νομίζω = nomidzô: als gewoonte aannemen, gewoon zijn, menen, overtuigd zijn)
- νοσον (= noson: ziekte; zn acc mann enk van het zn = nosos: ziekte). NT (3): (1) Mt
4,23. (2)
Mt
9,35. (3) Mt 10,1.
- νουνεχῶς (= nounechôs: verstandig, met overleg; bw)
- noxios (= schuldigen; bv nw acc mann mv van het bv nw noxius: schuldige; zie wkw nocere = schuldig zijn; Ned: schuld-ig; E: guilt-y; sch = sk / g + l / d / t). Vulg (1): Da 14,53.
- νυμφιος (= numfios: bruidegom; zn nom mann enk)
- ωυμφιον (= numfion: bruidegom; zn acc mann enk van het zn νυμφιος = numfios: bruidegom)
- (= vumf�nos: van de bruilofszaal; zn gen mann enk van het zn = numf�n: bruiloftszaal, bruidsvertrek)
- Lat: -ntia (met uitspraak -nsia -> Fr: nce. Lat zn gevormd uit part praes gen enk in-flu-e-ns, ntis -> zn influ-e-entia -> Fr: influence. Ned: in-vloe-d. Lat. flu-ere: Ned: v-l-oe-i-en. Vloeien, in-vloeien, in-vloed.
- νυν (= nun: nu; bw van tijd). Taalgebruik in het NT: nun (nu). Taalgebruik in de LXX: nun (nu). Lc 5,10. Lc
2,29.
- נוּן= nûn (Nun) T(= theos: God; zn nom mann enk)aalgebruik
in Tenakh: nûn
(Nun) Dt
34,9
- בִן נוּן = bin nûn (zoon van Nun) Dt
34,9.
- וְאַנְוֵ֔הוּ (= wë'anwehû: en ik zal hem verheerlijken, prijzen; prefix verbindingswoord wë + wkw act hifil imperf 1ste pers enk + suffix pers vnw 3de pers enk van het wkw נוה = nûh: wonen, rusten, hifil: verheerlijken, prijzen). Ex 15,2.
- נוח (= nwh: achter-, verlaten).
- act hifil perf 1ste pers mv הִנַּחְנוּ = hinnachnû (wij lieten achter) Mc 10,28.
- וַיַּנִּיחוּ = wajjanni(j)chû (en zij lieten achter) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act hifil imperf 3de pers mann
- Lat: nuncupare: openlijk uitspreken,, afkondigen, wijden, uitdrukkelijk noemen.
- נוּס = nûs (vluchten, wegsnellen) Taalgebruik in Tenakh: nûs (vluchten, wegsnellen)
- act qal imperat 2de pers mann enk en act qal inf stat construct נוּס = nûs (vluchten, wegsnellen) Taalgebruik in Tenakh: nûs (vluchten, wegsnellen).
- νυξ = nux (nacht) Taalgebruik
in het NT: nux
(nacht)
- gen vr enk νυκτος = nuktos Mc
5,5.
- acc vr enk νυκτα = nukta Gn
1,5.
- νυκτὶ (= nukti: nacht; zn dat vr enk van het zn νυξ = nux: nacht)
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
O
- De beginklinker o valt weg. Gr:
ονομα (= onoma: naam). Lat: nomen. Fr: nom. Ned: naam.
- - `obadëjâh (Obadja) Taalgebruik in Tenach: `obadëjâh
(Obadja) Getalwaarde: ajin = 16 of 70, beth = 2, daleth = 4, jod =
10, he = 5; totaal: 37 OF 91 (7 X 13) Gr abdios (Obadja) Taalgebruik
in de Septuaginta: abdios
(Obadja)
- Lat: obstare: beletten, belemmeren). Fr: ôter: wegnemen, ontnemen.
- οχλος (= ochlos: menigte). Taalgebruik
in het NT: ochlos
(menigte) Lc 5,1
- οχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) Mc 2,13
- ὁ δε () οχλος = ho de ochlos (de menigte echter) Mc 2,13.
- πας ὁ οχλος = pas ho ochlos (de hele menigte) Mc 2,13
- και () πας ὁ οχλος = kai pas ho ochlos (en de hele menigte) Mc 2,13.
- πολυς οχλος = polus ochlos (een talrijke menigte) Mc 2,13
- ὁ πολυς οχλος = ho polus ochlos (de talrijke menigte) Mc 2,13
- και ὁ πολυς οχλος = kai ho polus ochlos (en de talrijke menigte) Mc 2,13.
- οχλος πολυς = ochlos polus (een grote menigte) Mc 5,21.
- ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) Lc
18,36.
- ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte)
- οχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) Mc
3,9 Lc 5,1
- τον οχλον = ton ochlon (de menigte) Mc
3,9 Mc 4,36
- δια τον οχλον = dia ton ochlon (omwille van de menigte) Mc
3,9.
- οχλοι (= ochloi: menigten; zn nom mann mv van het zn οχλος = ochlos: menigte) Lc
14,25
- οχλοι πολλοι = ochloi polloi (vele menigten) Lc
14,25.
- οχλους = (ochlous: menigten; zn acc mann mv van het zn οχλος = ochlos: menigte). Lc 5,3.
- `ôd
(nog, opnieuw), zie Gn
29,34
- ὠδίνων (= ôdinôn: barensweeën; zn gen vr mv van het zn ωδις = ôdis: barenweeën, barensnood).
- Ned: oever D: Üfer Hebr: עֵבֶר = `ebhèr: oever, overzijde, overkant Zie het wkw עָבַר = `âbhar: 'oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken Gr: περαν = peran: oever, overzijde, overkant; stam: `- b/p/v - r; is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen? Lat: ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans: rive
- ὀδόντας (= odontas: de tanden; zn acc mann mv van het zn οδων = o-dôn: tan-d)
- ὠφελεῖ (= ôfelei: het helpt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὠφελεω = ôfeleô: helpen, baten)
- offeren (tegemoet voeren, aanbieden) < Lat: offerre < ob (voor, naar, toe) + ferre (dragen) Grieks: αναφερω = anaferô (naar boven dragen, omhoog voeren) Taalgebruik in het NT: anaf. erô (naar boven dragen, omhoog voeren) In het Hiëroglyfisch heeft de afbeelding van een rieten mat waarop brood kan worden gelegd de klankwaarde van htp (offer, altaar) Het werkwoor htp betekent tevreden stellen, tevreden zijn, dat nauw verbonden is met de daad van het offeren, die de god tevreden stelt Hoogteplaats (om te offeren)
- עוֹף = `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren) Taalgebruik in Tenakh: `ôph (gevogelte, gevleugelde dieren)
- act pilel imperf 3de pers mann enk jussief יְעוֹפֵף = jë`ôfef (dat het vliege) Gn
1,20.
- οφειλην (= ofeilèn: schuld, verplichting, zn acc vr enk van het zn οφειλη = ofeilè: schuld, verplichting)
- οφειλημα (= ofeilèma: schuld, verplichting) Taalgebruik in het NT: ofeilèma (schuld, verplichting)
- nom en acc onz mv οφειληματα = ofeilèmata (schulden, verplichtingen) Mt
6,12.
- ὀφειλέταις (= ofeileitais: aan schuldenaars; zn dat mann mv van het zn ὀφειλέτης: schuldenaar)
- ofeilô
(schuldig / verschuldigd zijn), zie Mt
18,24
- οφθαλμος = ofthalmos: oog) Taalgebruik
in het NT: ofthalmos
(oog)
- οφθαλμος (= ofthalmos: oog; zn nom mann enk)
- οφθαλμοι (= ophthalmoi: ogen; zn nom mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) Js
35,5.
- οφθαλμοις (= ofthalmois: ogen; zn dat mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) Gn
22,4.
- οφθαλμους (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) Gn
13,10 Lc
18,13.
- - offer - sacrifice -
- אֹהֶל = ´ohèl (tent, woning) Taalgebruik in Tenakh: ´ohèl
(tent, woning)
- אֶל אֹהֶל מוֹעֵד = ´èl ´ohèl mô`ed (naar de tent van de samenkomst)
- אָהָלֹה = ´âhâloh (zijn tent), uitspraak oholoh < zelfst naamw + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
12,8.
- οιδα = oida (ik weet) Taalgebruik
in het NT: oida
(ik weet)
- οἴδεν (= oiden: hij weet; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet)
- οἶδας (= oidas: jij kent; wkw act ind aor 2de pers enk zie het wkw οιδα = oida: ik weet)
- οιδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) Mc
4,13
- οιδατε την = oidate tèn (jullie kennen de) Mc
4,13.
- ουκ οιδατε = ouk oidate (jullie weten niet) Mc
4,13
- ουκ οιδατε την = ouk oidate tèn (jullie kennen niet de) Mc
4,13.
- ᾔδεισαν (= èdeisan: zij wisten; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet)
- ᾔδει (= èdei: hij wist; wkw act ind plusquamperf 3de pers enk, zie het wkw οιδα = oida: ik weet)
- ειδως (= eidôs: wetende; wkw act part perf nom mann enk, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) Joh
19,28
- ειδως δε = eidôs de (wetende echter) Joh
19,28
- ειδως δε ὁ Ιησους (= eidôs de ho Ièsous: Jezus echter wetende). Joh
19,28.
- ειδως ὁ Ιησους (= eidôs ho Ièsous: Jezus wetende). Joh
19,28.
- ειδοτες (= eidotes: wetende; wkw act part perf nom mann mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet). Joh
19,28.
- εἰδῆτε (= eidète: jullie zouden weten; wkw act conjunct aor 2de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet)
- οικια = oikia (huis) Taalgebruik in het NT: oikia
(huis)
- οικιᾳ (= oikia(i): huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Mc 2,15
- εν τῃ οικιᾳ = en tè(i) oikia(i) = in het huis Mc 2,15.
- οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Mc
3,20 Lc
18,29
- εις την οικιαν = eis tèn oikian (naar het huis) Mc
3,20
- ηλθον εις την οικιαν = èlthon eis tèn oikian (naar het huis) Mc
3,20.
- εισελθων εις την οικιαν = eiselthôn eis tèn oikian (naar het huis) Mc
3,20.
- οἰκίας (= oikias: huizen; zn acc vr mv van het zn οικια = oikia: huis)
- οικια = oikia (huis) Taalgebruik in het NT: oikia
(huis)
- acc vr enk οικιαν = oikian (huis) Mc 1,29
- εις την οικιαν = eis tèn oikian (naar het huis) Mc 1,29
- εις οικιαν = eis oikian (naar een huis) Mc 1,29.
- οἰκίας (= oikias: huizen; zn acc vr mv van het zn οικια = oikia: huis)
- οἰκοδεσπότῃ (= oikodespotè: huismeester: zn dat mann enk van het zn οἰκοδεσπότης = oikodespotès: huismeester)
- οἰκοδομαί (= oikodomai: gebouwen; zn nom vr mv van het zn οἰκοδομη = oikodomè: gebouw).
- οἰκοδομάς (= oikodomas: gebouwen; zn acc vr mv van het zn οἰκοδομη = oikodomè: gebouw).
- οἰκοδομήσω (= oikodomèsô: ik zal opbouwen; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw οἰκοδομεω = oikodomeô: bouwen, opbouwen).
- οἰκοδομῶν (= oikodomôn: opbouwende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw οἰκοδομεω = oikodomeô: bouwen, opbouwen).
- oikonomos (= oikonomos
- οικος = oikos: huis) Taalgebruik in het
NT: oikos
(huis)
- οικος (= oikos: huis; zn nom mann enk)
- οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) Ex
23,19 Lc
15,6
- εις οικον = eis oikon (naar huis) Mc
3,20
- εις τον οικον = eis ton oikon (naar het huis) Ex
23,19 Lc 8,41.
- ερχονται εις οικον = erchontai eis oikon (zij gaan naar huis) Mc
3,20.
- εις τον οικον = eis ton oikon (naar het huis) Lc
15,6.
- οἴκῳ (= oikô: 'in' huis; zn dat mann enk van het zn οικος = oikos: huis)
- οἶνον (= oinon: wijacc mann mv n; zn acc mann enk van het zn οἶνος = wijn; Lat: vinum; Fr: vin).
- οἰωνοσκόπος (= oiônoskopos: vogelwichelaar; zn nom mann enk)
- ὄξους (= oksous: azijn; zn gen onz enk van het zn ὄξος = oksos: azijn, zure drzank, zure wijn)
- עֹל / עוֹל = `ol / `ôl (juk) Taalgebruik in Tenakh: `ol / `ôl (juk)
- עֻלִּי = `ullî (mijn juk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk
- עֻלּוֹ = `ullô (zijn juk) < juk) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk
- עֻלָּהּ = `ullâh (haar juk) < k) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers vr enk
- עֻלָּמ = `ullâm (hun juk) < k) < zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv
- עוֹלָם = `ôlâm (eeuwigheid) Taalgebruik in Tenakh: `ôlâm
(eeuwigheid)
- הָעוֹלָם = hâ`ôlâm (de eeuwigheid) Ps 133,3
- עַד הָעוֹלָם = `ad hâ`ôlâm (tot de eeuwigheid) Ps 133,3
- וְעַד הָעוֹלָם = wë`ad hâ`ôlâm (en tot het eeuwige) Ps 133,3
- מֵעַתָּה וְעַד עוֹלָם = me`aththâh wë`ad `ôlâm (vanaf nu tot eeuwig) Ps 113,2.
- tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats: rechtstreeks, direct, zonder omwegen D: alsbald Fr aussitôt ευθυς = euthus Taalgebruik in het NT: euthus
(onmiddellijk, rechtstreeks).
- ὀλίγα (= oliga: weinig; bv nw nom en acc onz mv van het bv nw ὀλίγος = oligos: weinig)
- ὀλίγον (= oligon: weinig; bw)
- ???ata (= ommata: ogen; zn acc onz mv van het zn ???a = omma: oog, blik, gezicht).
- ὀμνύναι (= omnunai: zweren; wkw act inf praes van het wkw ὀμνύμι = omnumi: zweren)
- ονομα = onoma: naam) Taalgebruik in het NT: onoma
(naam) Ps 133,3 Mc
3,16
- ονομα (= onoma: naam; nom + acc onz enk) Mc
5,9
- το ονομα αυτου (= to onoma autou: zijn naam). Mc 6,14.
- ὀνόματός (= onomatos: van de naam; zn gen onz enk van het zn ονομα = onoma: naam)
- ονοματι (= onomati: naam; zn dat onz enk van het zn ονομα = onoma: naam) Mc 5,22 Lc
21,8.
- ονειδος = oneidos (nijd, smaad, verwijt, schande) Taalgebruik in het NT: oneidos (smaad, verwijt, schande).
- ὠνείδιζον (= ôneididzon: zij versmaden / bespotten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ονείδιζὠ = oneididzô: versmaden, bespotten).
- ὀνειδίσωσιν (= oneidisôsin: zij zouden versmaden; wkw act conjunct aor 3de pers mv ονείδιζὠ = oneididzô: versmaden, bespotten).
- - ontvangen zie dechomai
- ὀνικὸς (= onikos: < onos: ezel-in, windas, bovenste molensteen; bv nw nom mann enk)
- ὄντως (= ontôs: inderdaad; bw)
- Ned: onvruchtbaar Arabisch: عَقَارِىّ = `aqârii (onvruchtbaar) Taalgebruik in de Qoran: `aqârii (onvruchtbaar) Qoran: soera
3,40 Aramees: עֲקַר = `äqar (onvruchtbaar) D: unfruchtbar E: barren Fr: stérile Grieks: στειρος = steiros (onvruchtbaar) Taalgebruik
in het NT: steiros
(onvruchtbaar) Hebreeuws: עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) Taalgebruik
in Tenakh: `äqârâh
(onvruchtbaar) Modern Hebreeuws: עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) Lat: sterilis
- Ned: oog (misschien uit Lat ok, de k wordt g). Arabisch: `ain (oog). Taalgebruik in de Qoran: `ain (oog) `ain (oog). D: Aug E: eye (het klinkt als het Hebreeuwse ´ajin). Fr oeil (yeux) Grieks: οφθαλμος (= ofthalmos: oog) Taalgebruik in het NT: ofthalmos
( oog) Hebreeuws: עַיִן = `ajin (oog, bron) Stat constr עֵין = ´e(j)n Taalgebruik
in Tenakh: `ajin
(oog, bron) Lat: oculus Heeft het met het hiëroglyfische ànkh ('leven') te maken?
- Ned: openen D: öffnen (ph = f) E: to open Fr: ouvrir (ph = f -> v) Grieks: ανοιγω = anoigô (openen) Taalgebruik in het NT: anoigô
(openen) Arabisch: فتح (fath) Hebreeuws: פָקַח = pâqach (openen, opmerkzaam zijn) Taalgebruik
in Tenach: pâqach
(openen, opmerkzaam zijn) Latijn: aperire (operire) It: aprire Sp: abrir (p/b)
- ὀπίσω (= opisô: achter; bw)
- Ned: opnieuw D: abermals E: again Fr: de nouveau Grieks: παλιν = palin (opnieuw) Taalgebruik
in het NT: palin
(opnieuw) Lat: iterum
- opse
(laat), zie Mt
28,1.
- ὀψὲ (= opse: laat; bw)
- οψια = opsia: avond) Taalgebruik in het NT: opsia
(avond) Mc 15,42
- οψιας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) Mc 15,42
- οψιας γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden) Mc 4,35.
- οψιας δε = opsias de ('s avonds echter) Mc 1,32
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden) Mc 4,35.
- και οψιας = kai opsias (en 's avonds) Mc 1,32
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden) Mc 4,35.
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden) Mc 4,35.
- opsia (avond) Taalgebruik in het NT: opsia
(avond) Taalgebruik in Mc: opsia
(avond) opsias - In 7 verzen bij Matteüs, zie Mt
8,16.
- אוֹר (= ´ôr: licht; zn mann enk). Taalgebruik in Tenakh: ´ôr
(licht) Gn
1,3 Js 9,1
- הָאוֹר = hâ´ôr
(het licht) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,3
- בֵּין הָאוֹר וּבֵּין הַחֹשֶׁך = be(j)n hâ´ôr ûbe(j)n hachosjèkh (tussen het licht en tussen de duisternis) Gn
1,4.
- לָאוֹר = lâ´ôr
(tot het licht) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + zelfst naamw אוֹר = ´ôr
(licht) Gn
1,4.
- אוֹר = ´ôr (verlichten, helder zijn)
- act hifil jussief 3de pers mann enk יָאֵר = jâ´er (moge hij verlichten)
- ´ôr
(verlicht, verhelderd zijn), zie Ps
31,17.
- ὀργὴ (= orgè: woede, toorn; zn nw nom vr enk). Gods toorn vanuit de hemel kan zich uiten in donder en bliksem, regen, hagel en sneeuw, mist en orkanen. Gods toorn ontbrandt omdat mensen kwaad hebben gedaan. Ze hebben een schuld op zich gelaten. God wordt voorgesteld als een stormgod. Is orkaan en het Griekse orgè met elkaar verwant? Lat.: ira)
- ὀργίλος (= orgilos: driftig, toornig; bv nw nom mann enk)
- oriri = opkomen, opgaan.
- oriens (= de opgaande zon, het oosten; zn nom mann enk < wkw act part praes nom mann enk van het wkw = opkomen, opgaan). Zach
6,12. p 21 december wordt bij het Magnificat van de vespers de O-antifoon O Oriens gezongen. https://youtu.be/1BsZH7e27Dg?t=54.
- ab oriente (= vanaf het oosten). Vulg (22).
- ορος = oros: berg) Taalgebruik in het NT: oros
(berg) Taalgebruik in de LXX: oros
(berg) Ex
24,18 Dt
1,19 Mt
5,1
- ορος (= oros: berg; zn nom en acc onz enk)
- ὄρους (= orous: van de berg; zn gen onz enk van het zn ορος = oros: berg)
- επ' ακρου του ορους = ep' akrou tou orous (op de top van de berg) Ex
34,2.
- εις το ορος = eis to oros (naar de berg / gebergte) Mc 3,13.
- dat onz enk ορει (= horei: aan de berg; zn dat onz enk van het zn ορος = oros: berg) Mc
5,11
- εν τῳ ὁρει = en tô(i) orei (in het gebergte) Mc
5,11 .
- ὄρη (= orè: bergen; zn nom en acc onz mv van het zn ορος = oros: berg)
- ὀρέων (= oreôn: van de bergen; zn gen onz mv van het zn ορος = oros: berg)
- dat onz mv ορεσιν = oresin (in de bergen) Mc
5,5
- εν τοις ορεσιν = en tois oresin (in de bergen) Mc
5,5.
- ὀρθῶς (= orthôs: recht, juist, normaal; bw van het bv nw ορθος = orthos: recht, juist, normaal)
- ορθρος = orthros
(ochtendschemering, morgen) Taalgebruik in het NT: orthros
(ochtendschemering, morgen)
- gen mann enk ορθρου = orthrou (des morgens = 's morgens) Lc 24,1.
- ὤρυξεν (ôruksen = hij groef; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw ορυσσω / ορυττω= orussô: graven, uitdelven; Fr: creuser: k-r-u/v/f-s; stam: ?/g/c - r -t/s/ks/f). Mc 12,1.
- Lat: os, oris (mond).
- ex ore Altissimi (= uit de mond van de Allerhoogste). Sir 24,5.
- ?sf?? (= osfun: lende; zn acc vr enk van het zn ?sfυς = osfus: lende, heup)
- ὠτάριον (= ôtarion: oor; zn acc onz enk).
- אוֹת = ´ôth (teken, bewijs, wonder) Taalgebruik in Tenakh: ´ôth (teken, bewijs, wonder)
- לְאוֹת = lë´ôth (tot teken, tot getuige) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Dt
6,8.
- (= ου - ουκ: vóór een klinker - ουχ: vóór een aanblazing = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) OF betrekk voornaamw gen mann en onz enk (οὑ = hou) Taalgebruik in het NT: ou
- ouk - ouch (niet) Mc 4,38 Lc 1,7 Lc
15,4 Lc
17,8 Lc 24,3.
- ουχ εὑρον = ouch heuron (zij vonden niet) Lc 24,3.
- ουχ ὡς = ouch hôs (niet zoals)
- και ουχ ὡς = kai ouch hôs (en niet zoals)
- ουκ ην αυτοις τεκνον = ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden
geen kind) Lc 1,7.
- οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)
- Οὐὰ (= oua: wee, ach; uitroeppartikel)
- ουαι (= ouai: wee; uitroeppartikel)
- ουαι δε = ouai de (wee echter) Lc
17,1.
- ουδε (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') Zie: ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) Taalgebruik in het NT: ou
- ouk - ouch (niet) Mc
5,3.
- ουδεις (= oudeis: niemand; onbep vnw nom mann enk) Taalgebruik
in het NT: oudeis
(niemand) Mc
5,3 Mc
11,2 Lc
18,29
- οὐδὲν (= ouden: niets; onbep vnw acc onz enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets)
- οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets)
- οὐδενός (= oudenos: van niemand; onbep vnw gen mann enk van het onbep vnw ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand)
- οὐδενὶ (= oudeni: met niets; onbep vnw dat onz enk van het onbep vnw ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets)
- οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)
- ουκετι = ouketi
(niet nog, niet meer) Taalgebruik in het NT: ouketi
(niet nog, niet meer) Mc
5,3.
- ουν (= oun: dus,
bijgevolg; partikel). Taalgebruik in het NT: oun
(dus, bijgevolg) Mc 3,31. Joh
20,19.
- οὔπω (= oupô: nog niet; bw)
- ouranios
(hemels), zie Mt
5,48 Zie ook: ouranos
(hemel), zie Mt
28,18.
- ουρανος (= ouranos: hemel; zn mann enk). Taalgebruik
in het NT: ouranos
(hemel) Lc 24,51
- ???a??? (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel)
- ουρανῳ (= ouranô: hemel; zn dat mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) Lc
15,7
- εν ουρανῳ = en ouranô(i) (in hemel) Mt
6,9.
- εν τῳ ουρανῳ = en tô(i) ouranô(i) (in de hemel) Lc
15,7.
- ουρανον (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) Gn
1,1 Lc 9,16 Lc
15,18 Lc
15,21 Lc
18,13 Lc 24,51
- εις τον ουρανον = eis ton ouranon (naar de hemel) Lc 9,16 Lc
15,18 Lc
15,21 Lc 24,51.
- τον ουρανον και την γην = ton ouranon kai tèn gèn (de hemel en de aarde) Gn
1,1.
- οὐρανῶν (= ouranôn: van de hemelen; zn gen mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel)
- οὐρανοί (= ouranoi: hemelen; zn nom mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel).
- ουρανοις (= ouranois; zn dat mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel) Mt
6,9 Mc 13,25
- εν ουρανοις = en ouranois (in hemelen) Mt
6,9.
- εν τοις ουρανοις (= en tois ouranois: in de hemelen). Mt
6,9 Mc 13,25
- ὁ εν τοις ουρανοις = ho en tois ouranois (hij in de hemelen) Mt
6,9.
- οὐρανοὺς (= ouranous: hemelen; zn acc mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel)
- οὔτε (= oute: noch; ou: partikel van ontkenning + versterking -τε = te)
- ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor)
- עָזִּי (= `ozî: mijn sterkte, mijn kracht; zn m nn enk + suffix pers vnw 1ste pers enk van het zn עֹז = oz: kracht, sterkte, macht, roem, heerlijkheid).
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
P
- פָעָה = pâ`âh (schreeuwen) Taalgebruik in Tenakh: pâ`âh (schreeuwen)
- act ind qal imperf 1ste pers enk אֶפְעֶה = ´èphë`èh (ik schreeuw)
- פָעַם= pâ`am (slaan, onder de indruk geraken) Taalgebruik in Tenakh: pâ`am (slaan, onder de indruk geraken)
- וַתִּפָּעֶם = waththppâ`èm (en zij werd geslagen, zij was onder de indruk, verontrust) < prefix wa^consecutivum + passief imperf 3de pers vr enk Gn
41,8.
- פָדָה = pâdâh (verlossen, redden, vrijkopen)
Taalgebruik in Tenakh: pâdâh
(verlossen, redden, vrijkopen).
- פַחַד = pachad (vrees, schrik, gesidder) Zie het werkw פָחַד = pâchad (vrezen, schrikken, sidderen) Taalgebruik in Tenakh: pâchad (vrezen, schrikken, sidderen) Lc
5,9.
- - pâdâh
(verlossen, redden, vrijkopen), zie Ps
111,9
- Pafos
(Pafos), zie Hnd
13,13.
- παιδιον (= paidion: kind) Taalgebruik
in het NT: paidion
(kind) 1
S 1,5
- παιδίον (= paidion: kindje, zn acc onz enk; verkleinwoord van het zn παις = pais: kind)
- παιδίου (= paidiou: van het kind; zn gen onz enk van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind)
- παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind) Lc
2,40.
- gen onz enk παιδιου = paidiou (kind) Mc 5,41.
- παιδία (paidia: kleine kinderen, peuters; zn acc onz mv van het zn παιδιον = paidion: kind, peuter; stam: p + d/t)
- παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind)
- παιδίσκῃ (= paidiskè: aan je dienares, slavin, meid; zn dat vr enk van het zn παιδίσκη = paidiskè: dienares, slavin, meid)
- παιδισκῶν (= paidiskôn: van de dienaressen, slavinnen, meiden; zn gen vr mv van het zn παιδίσκη = paidiskè: dienares, slavin, meid)
- παιδοφθορήσεις (= paidofthorèseis: jij zult kinderen misbruiken, act ind fut 2de pers enk van het samengesteld wkw παιδοφθορεω = paidofthoreô: kinderen misbruiken; samengesteld wkw παιδο-φθορεω = paido-fthoreô: kinderen + verderven, misbruiken, vernietigen; wkw eindigend op -eô: van zn en bijv nw naar wkw: φθορος -> φθορεω= fthoros -> fthoreô: verderf, misbruik, vernietiging -> verderven, misbruiken)
- paiô
(slaan, treffen), zie Lc
22,64 . ἔπαισεν (= epaisen: hij sloeg; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw παιω: slaan, treffen).
- phâl`a
(buitengewoon, wonderbaar zijn), zie Ps
86,10.
- παιδός (= paidos: van het kind, zn gen mann enk van het zn παις = pais: kind, dienaar. Hebr.: עֶבֶד = `èbhèd (dienaar, knecht).
- πάλαι (= palai: vroeger, lang geleden, eerder; bw).
- παλιν (= palin: opnieuw; partikel). Taalgebruik
in het NT: palin
(opnieuw) Mt
13,47 Mc 2,13 Joh
1,35 Joh
4,3
- παλιν εις = palin eis (opnieuw naar) Mc 3,1.
- εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) Mc 2,13.
- -
- και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) Mc 2,13.
- και παλιν = kai palin (en opnieuw) Mc 4,1
- και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) Mc 2,13.
- Pamfulia
(Pamfylië), zie Hnd
2,10
- פָּנִים = panîm (gezicht, aangezicht) Taalgebruik in Tenakh: panîm
(gezicht, aangezicht) Ps
4,7
- פָּנִים אֶל פָּנִים = pânîm èl pânîm (van aangezicht tot
aangezicht) Gn
32,31 Dt
34,10.
- stat constr mann mv פְנֵי = pëne(j) (aanschijn van) Gn
1,2.
- פָּנָיו = pänä(j)w (zijn aangezicht) < mann mv stat construct + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann enk Nu
6,25
- עַל פָּנָיו = `al pänä(j)w (op zijn aangezicht) Gn
17,17.
- פָּנֶיךָ = pânèjkhâ (uw aangezicht) < stat constr mann mv + suffix pers voornaamw 2de pers mann enk Ps
4,7
- לְפנֶיךָ = lëphânè()khâ (naar jouw aangezicht) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw stat construct mann mv + bezittel voornaamw 2de pers mann enk Ex
32,34 .
- לִפְנֵ֣י הַמֶּ֔לֶךְ (liphnei haèkhmmèl: voor het aangezicht van de koning). Est 8,3.
- מִפְּנֵי = mippëne(j) (van het aanschijn van) < prefix voorzetsel min + stat constr mann mv Gn
3,8
- מִפְּנֵי יהוה = mippëne(j) JHWH (van het aangezicht van JHWH) Gn
3,8.
- πανταχου = pantachou (overal) Mc 1,28.
- παντοκράτορ (= pantokrator: almachtige; bv nw voc mann enk van het zn παντοκράτωρ = pantokratôr: almachtig)
- παντοτε (= pantote: al-tijd; bw). Taalgebruik in het NT: pantote
(al-tijd). 1
Tes 5,16.
- πάντοθεν (= pantothen: van overal; bw van plaats)
- פָקַח = pâqach (openen, opmerkzaam zijn) Taalgebruik
in Tenach: pâqach
(openen, opmerkzaam zijn)
- pass nifal 3de pers vr mv תִּפָּקַחְנָה = thippâqachënâh (zij worden
geopend) Js
35,5.
- וַתִּפָּקַחְנָה = waththippâqachënâh (en zij werden geopend) < prefix voegwoord wë consecutivum + pass nifal imperf 3de pers vr mv Js
35,5.
- לִפְקֹחַ (= liphëqoach: om te openen; voorzetsel lë + wkw act
qal infin stat constr van het wkw פקח = pâqach: openen, opmerkzaam zijn).
- פָקַד = pâqad (omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring
geven) Taalgebruik in Tenakh: pâqad
(omzien) Gn 50,24 Lc
1,68
- פָקַד (= pâqad: hij ziet om; wkw act qal perf 3de pers mann enk).
- כִּי פָקַד (= kî pâqad (want hij zag om) Lc
1,68.
- act qal imperf 3de pers enk יִפְקֹד = jiphëqod (hij zal omzien) Gn 50,24.
- פָּקַדְתִּי (= pâqadëthî: ik zag om; wkw act qal perf 1ste pers enk van het wkw פָקַד = pâqad: omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring
geven).
- וַיִּפְקֹד (= wajjiphëqod: en hij zag om; < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw פָקַד = pâqad: omzien, aanstellen, voorschrijven, in bewaring
geven). Lc
1,68.
- pâqad
(omzien), zie Ex
3,7.
- παρα (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par'; vz met gen, dat en acc) Taalgebruik in het NT: para
(langs) Mc
3,21 Lc 1,30 Lc 2,52 Lc 5,1 Lc 13,2
- παρα τῳ θεῳ = para tô(i) theô(i) (vanwege God) Lc 1,30.
- παρα την = para tèn (langs de) Mc 2,13.
- παρα την λιμνην = para tèn limnèn (langs het meer) Lc 5,1
- παραβαλλω (= paraballô: naast elkaar werpen, vergelijken). Mc 12,1.
- παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) Taalgebruik in het NT: parabolè
(parabel, gelijkenis)
- παραβολην (= parabolèn: parabel, gelijkenis; acc vr enk van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis) Mc
4,13 Lc
15,3
- παραβολην ταυτην = parabolèn tautèn (deze parabel) Mc
4,13.
- παραβολαῖς (= parabolais: parabolais, gelijkenissen; zn dat vr mv van het zn παραβολη = parabolè: parabel, gelijkenis)
- ἐν παραβολαῖς (= en parabolais: in parabels, gelijkenissen). Mc 12,1.
- parabiazomai (dwingen, dringen), zie Hnd
16,15
- para-tèreô: bijhouden, opvolgen, schaduwen, zie Mc
3,2.
- παραδιδωμι (= paradidômi: overleveren) Taalgebruik in het NT: paradidômi
(overleveren). Bij Matteüs, zie Mt
4,12 -
- παραδίδοται (= paradidotai: hij wordt overgeleverd; wkw pass ind praes 3de pers enk van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren, door-geven)
- παρέδωκεν (= paredôken: hij leverde over; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παρεδωκεν εαυτον (= paredôken heauton: hij leverde zichzelf over). NT (1): Ef 5,2.
- παρέδωκεν ὑπὲρ (= paredôken: hij leverde over omwille van). NT (1): Ef 5,25.
- ἑαυτον παρέδωκεν (= heauton paredôken: zichzelf leverde hij over). NT (1): Ef 5,25.
- παρέδωκα (= paredôka: ik leverde over; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren). 1
Kor 15,3.
- παρέδωκαν (= paredôkan: zij leverden over; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδιδούς (= paradidous: de overleveraar; wkw act part praes nom mann enk van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδιδόντες (= paradidontes: de overleveraars; wkw act part praes nom mann mv van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- act ind fut 1ste pers enk παραδωσω = paradôsô (ik zal overleveren) Mt
26,15.
- παραδώσει (= paradôsei: hij zal overleveren; wkw act ind fut 3de pers enk van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδώσουσιν (= paradôsousin: zij zullen overleveren; act ind fut 3de pers mv van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδοῖ (= paradoi: hij zou overleveren; wkw act conjunct aor 3de pers enk van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδεδώκεισαν (= paradedôkeisan: zij hadden overgeleverd; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδούς (= paradous: de overleveraar; wkw act part aor nom mann enk van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδοντος (= paradontos: van de overleverende; wkw act part aor gen mann enk van
het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παραδοντος ἑαυτον (= paradontos heauton: van de zichzelf overleverende). Gal
2,20.
- παραδοθησεται (= paradothèsetai: hij zal overgeleverd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)
- παρεδοθη (= paredothè: hij werd overgeleverd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren). Js
53,12.
- παρεδοθη εις (= paredothè eis: hij werd overgeleverd in / tot). Js
53,12.
- = paradothèsesthe (jullie zullen overgeleverd worden) Lv
26,25.
- παραδοθηναι (= paradothènai: overgeleverd zijn; pass inf aor van het wkw
παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) Mc 1,14.
- - paraggellô
(afkondigen, bevelen), zie Hnd
5,28.
- παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re)
- παρένεγκε (= parenegke: neem weg, draag voorbij; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw παραφερω = paraferô: wegnemen, voorbijdragen). Mc
14,36.
- παραγγέλλει (= paraggellei: afkondigen, bevelen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραγγέλλω: afkondigen, bevelen; zie zn αγγελος = aggelos: engel)
- παραγγειλας (= paraggeilas: afkondigend, bevelend; wkw act part aor nom mann het wkw παραγγέλλω: afkondigen, bevelen; zie zn αγγελος = aggelos: engel). LXX (2). NT (3): (1) Mt 10,5.
- παραγγειλας αυτοις (= paraggeilas autois: hen bevelend LXX (0). NT (1): Mt 10,5.
- paraginetai (2X bij Matteüs)
- παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan) Taalgebruik
in het NT: paragô
(langsdrijven, langsgaan)
- παραγων (= paragôn: langsdrijvend,
langsvoerend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan)Mc 2,14.
- παράγοντά (= paragonta: langskomend; wkw act part praes acc mann enk van het wkw παραγω = paragô: langskomen, langsdrijven, langsgaan)
- act part praes dat mann enk παραγοντι = paragonti (langsgaande) Mt
9,27.
- פרה = pârâh: 1 vruchtbaar zijn, voortbrengen 2 bloeien, opschieten Taalgebruik in Tenakh: pârâh (1 vruchtbaar zijn, voortbrengen 2 bloeien, opschieten)
- act qal imperat 2de pers mann mv פְּרוּ = përû (weest vruchtbaar) Gn
9,1.
- act qal perf 3de pers mann mv פָרוּ = pârû (zij zijn vruchtbaar) Gn
1,28.
- παρῃτοῦντο (= parètounto: zij smeekten om gratie; wkw med of pass imperf 3de pers mv van het wkw παραιτεομαι = paraiteomai: om gratie smeken/ vragen, afsmeken).
- παρακαλεω = parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) Taalgebruik in het NT: parakaleô
- ad-vocare (bij-roepen)
- παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen)
- act part praes nom mann enk παρακαλων = parakalôn (ter hulp roepend) Mc 1,40
- παρακαλων αυτον = parakalôn auton (hem ter hulp roepend) Mc 1,40
- παρακαλων αυτον και = parakalôn auton kai (hem ter hulp roepend en)
- παρακαλων αυτον και () λεγων = parakalôn auton kai () legôn (hem ter hulp roepend en zeggend)
- act ind imperf 3de pers enk παρεκαλει = parekalei Mc
5,18
- παρεκαλει αυτον = parekalei auton (hij riep hem ter hulp) Mc
5,18
- και παρεκαλει αυτον = kai parekalei auton (en hij riep hem ter hulp) Mc 5,10.
- act ind aor 3de p mv παρεκαλεσαν = parekalesan (zij riepen ter hulp) Mc
5,12
- και παρεκαλεσαν = parekalesan (zij riepen ter hulp) Mc
5,12.
- παρεκαλεσαν αυτον = parekalesan auton (zij riepen hem ter hulp) Mc
5,12.
- παρακληθήσονται (= paraklèthèsontai: zij zullen getroost worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen).
- παρακλησις = paraklèsis (bijstand, hulp, troost) Taalgebruik in het NT: paraklèsis (bijstand, hulp, troost) Lc 2,25
- acc vr enk παρακλησιν = paraklèsin Lc 2,25.
- παρακλητος (= paraklètos: bijgeroepene, helper, trooster; zn nom mann enk).
Joh
14,26.
- παρακλητον (= paraklèton: bijgeroepene, helper, trooster; zn nw acc mann enk van het zn nw παρακλητος = paraklètos).
- παραλαμβανω (= paralambanô: overnemen, naast zich nemen, vergezellen). Taalgebruik in het NT: paralambanô
(overnemen).
- παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich / hij neemt met zich mee; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen, met zich meenmen). Mt
17,1.
- act ind praes 3de pers mv παραλαμβανουσιν = paralambanousin (zij nemen naast zich) Mc 4,36.
- παραλαβὼν (= paralabôn: bij zich nemende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw παραλαμβανω = para-la-m-ba-n-ô: naast zich nemen)
- act part aor nom mann mv παραλαβοντες = paralabontes (overgenomen) Mt
27,27.
- παραλυτικος = paralutikos (lamme)
Taalgebruik in het NT: paralutikos
(lamme)
- παραλυτικος (= paralutikos: lamme; zn nom mann enk) Mc 2,4
- ὁ παραλυτικος = ho paralutikos (de lamme) Mc
2,4.
- παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme)
- παραλυτικον (= paralutikon: lamme; zn acc mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme) Mc 2,3.
- παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Taalgebruik in het NT: paraporeuomai
(zich begeven langs)
- ind praes 2de pers mv παραπορευεσθε = paraporeuesthe (jij begeeft zich langs) Dt
2,4.
- ind praes 3de pers mv παραπορευονται = paraporeuontai (zij begeven zich langs) Ex
30,13.
- παρεπορευοντο (= pareporeuonto: zij begaven zich langs; wkw ind imperf 3de pers mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Gn
37,28.
- παραπορευεσθαι (= paraporeuesthai: zich op weg te begeven langs; wkw med inf praes van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Mc 2,23.
- part praes nom mann enk παραπορευμενος = paraporeuomenos (die zich op weg begeeft langs) Ex
30,14.
- παραπορευόμενοι (= paraporeuomenoi: langs op weg zich begevend; wkw med part praes nom mann mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: langs zich op weg begeven < voorvoegsel παρα = para: langs, naast + wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven naar) Ps
80,13.
- παραπτώματα (= paraptômata: overtredingen; zn acc onz mv van het zn παραπτώμα = paraptôma: overtreding, misstap, fout)
- Lat: parare - dlw para-tus: Ned: b-r-d: bereid. Fr: prët.
- Lat: parcere. (zie Greg: Parce Domine, parce populo tuo, ne in aeternum irascaris nobis: Spaar, Heer; spaar uw volk. Dat U niet eeuwig op ons toornig zijt).
- παρασκευή
(= paraskeuè: de voorbereidingsdag, de vrijdag; zn nom vr enk).
- παρασκευήν (= paraskeuèn: de voorbereidingsdag, de vrijdag; zn acc vr enk van het zn παρασκευη = paraskeuè: voorbereidingsdag, vrijdag)
- paratithèmi
(neerzetten voor, bij), zie Ps
31,6παρασκευή
- παρατιθῶσιν (= paratithôsin: zij zouden voorzetten; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten)
- παρέθηκαν (= parethèkan: zij zetten voor; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten)
- παρατιθέναι (= paratithenai: om voor te zetten; wkw act inf praes van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten)
- -
- אֶל פַּרְעֹה = ´èl parë`oh (tot Farao) Ex 7,. 10.
- pa???ete (= parechete: jullie verschaffen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw pa????: verschaffen, aanbieden, veroorzaken, maken tot)
- παρεπιδημήσας (= parepidèmèsas: als vreemdeling verbijvend bij; wkw act part aor nom mann enk van het wkw παρεπιδημεω = parepidèmeô: als vreemdeling verblijven bij)
- παρελεύσονται (= pareleusontai: zij zullen langskomen, voorbijgaan; wkw act ind fut 3de pers mv van
het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan)
- παρέλθῃ (= parelthè: het zou voorbijgaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van
het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan). Mc
14,35.
- παρελθέτω (= parelthetô: ga voorbij; wkw med imperat aor 3de pers enk van
het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan)
- παρεστηκὼς (= parestèkôs: staande; wkw act part perf nom mann enk van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij).
- παρεστηκότων (= parestèkotôn: van de omstaanders; wkw act part perf gen mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij).
- παρεστῶτες (= parestôtes: staande; wkw act part perf nom mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij)
- παρεστῶσιν (= parestôsin: omstaanders; wkw act part perf dat mann mv van het wkw παριστημι = paristèmi: staan bij)
- παροικοῦσα (= paroikousa: de wonde bij / naast; wkw act part praes nom vr enk van het wkw παροικεω = paroieô: wonen naast, als vreemdeling verblijven; zie Ned parochie, Fr paroisse).
- παρρησίᾳ (= parrèsia: vrijmoedigheid; zn dat vr enk van het zn παρρησια = parrèsia: vrijmoedigheid)
- parrèsia
(vrijmoedigheid), zie Hnd
28,31.
- παρθενος = parthenos (maagd) Taalgebruik in het NT: parthenos (maagd) Lc 1,27
- gen vr enk παρθενου = parthenou Lc 1,27.
- acc vr enk παρθενον = parthenon Lc 1,27.
- πας = pas (ieder, elk, alles) Taalgebruik in het NT: pas
(ieder, elk, alles)
- πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) Mc 2,13
- πας ὁ = pas ho (ieder, elk, alles) Mc 2,13.
- και πας = kai pas (en ieder / elk) Mc 2,13.
- πᾶσα (= pasa: totaal; bv nw nom vr enk van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
- παντος (= pantos: van elk; bv nw gen mann en onz enk van het bv nw πᾶς = pas: ieder, elk) Mc
5,5.
- πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) Mc
6,42 Lc
15,1 Lc
19,7
- παντες οἱ = pantes hoi (al de) Lc
15,1
- παντες οἱ ακουσαντες = pantes hoi akousantes (alle toehoorders) Lc 2,18.
- παντες οἱ αρχιερεις = pantes archiereis (alle hogepriesters) Mc 14,53.
- πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
- πάντων (= pantôn: van allen; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
- πασῶν (= pasôn: van alle; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
- πᾶσιν (= pasin: aan allen; bv dat mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder)
- acc mann enk + nom en acc onz mv παντα = panta (ieder, alles) Mc 6,30 Lc
15,31.
- παντας (= pantas: allen; bv nw acc mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) Lc 4,36 Lc 13,2
- επι παντας = epi pantas (over allen) Lc 4,36.
- pas (ieder, elk, alles) Taalgebruik in het NT: pas
(ieder, elk, alles) Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles) pas
(elk, ieder), zie Joh
3,16 - pas
(elk, ieder, al), zie Mt
5,22.
- πασχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk) Taalgebruik in het NT: pascha
(pascha) Mc .
- פָסַח עַל = pâsach `al (voorbijgaan) Taalgebruik in Tenakh: pâsach `al (voorbijgaan).
- Πατάξω (= pataxô: ik zal slaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πάτασσω = patassô: slaan). Mc
14,27.
- παθεῖν (= pathein: te lijden; wkw act inf aor van het wkw πασχω: lijden)
- πάθῃ (= pathè: hij zou lijden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πασχω: lijden)
- pasch?
(lijden), zie Mt
16,21.
- פֹשְׁעִים (= posjë`îm: misdadigers, zondaars; wkw act qal part mann mv van het wkw פָשַׁע = pâsja`: een misdrijf plegen, zondigen).
- Lat: patria. Ned: vaderland. p/v-t/d-r.
- pâtsar (bij iemand aandringen)
- פָשַׁע = pâsja` (een misdrijf plegen, zondigen) Taalgebruik in Tenakh: pâsja` (een misdrijf plegen, zondigen)
- act qal perf 3de pers mann mv פָּשְׁעוּ = pâsj`û (zij misdragen zich) Ez
2,3.
- Παταξω (= pataksô: ik zal slaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πατάσσω = patassô: slaan). Mc
14,27.
- פָתַח = pâthach (openen)
Taalgebruik in Tenach: pâthach
(openen) 1
S 1,5
- וַיּפְתַּח (= wajjiphëthach: en hij opende) < prefix consecutivum wë + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw פָתַח = pâthach: openen). Gn
29,31.
- πατηρ = patèr (vader) Taalgebruik
in het NT: patèr
(vader)
- πατηρ (= patèr: vader; zn nom mann enk) Lc
15,20
- ὁ πατηρ μου ὁ εν τοις ουρανοις = ho patèr mou ho en tois ouranois (mijn vader die in de hemelen) Mt
6,9.
- πατηρ ἡμων = patèr hèmôn (vader van ons = onze vader) Mt
6,9.
- ὁ πατηρ ὑμων ὁ εν τοις ουρανοις = ho patèr humôn ho en tois ouranois (jullie vader die in de hemelen) Mt
6,9.
- ὁ πατηρ ὑμων ὁ ουρανιoς = ho patèr humôn ho ouranios (jullie vader de hemelse) Mt
6,9.
- πάτερ (= pater: vader, zn voc mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader). Mt
6,9
- πατερ ἡμων = pater hèmôn (vader van ons = onze vader) Mt
6,9
- πατερ ἡμων ὁ εν τοις ουρανοις = pater hèmôn ho en tois ouranois (vader van ons = onze vader die in de hemelen) Mt
6,9.
- πατρος (= patros: van vader, zn gen mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader) . Kol
1,2
- του πατρος μου του εν ουρανοις = tou patros mou tou en ouranois (van mijn vader die in hemelen) Mt
6,9.
- του πατρος ὑμων του εν ουρανοις = tou patros humôn tou en ouranois (van jullie vader die in hemelen) Mt
6,9.
- πατρι (= patri: aan vader; zn dat mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader). Lc
15,12
- τῳ πατρι ὑμων τῳ εν τοις ουρανοις = tô(i) patri humôn tô(i) en tois ouranois (aan jullie vader die in de hemelen) Mt
6,9.
- gen mann mv πατερων = paterôn (van de vaders) W
9,1.
- acc mann mv πατερας = pateras Lc 1,55
- τους πατερας = tous pateras (de vaders) Lc 1,55.
- πατερας ἡμων = pateras hèmôn (onze vaders) Lc 1,55.
- πατρις, -δος = patris (vaderstad)
Taalgebruik in het NT: patris
(vaderstad)
- acc vr enk πατριδα = patrida (vaderstad) Mc 6,1
- εις την πατριδα αυτου = eis tèn patrida autou (naar zijn vaderstad) Mc 6,1.
- παυλος = paulos (Paulus) Taalgebruik in het NT: paulos
(Paulus) Kol
1,1
- παυλος αποστολος = paulos apostolos (Paulus, apostel of gezondene) Kol
1,1
- παυλος αποστολος ιησου = paulos apostolos ièsou (Paulus, apostel of gezondene van Jezus) Kol
1,1.
- παυομαι = pauomai (ophouden)
Taalgebruik in het NT: pauomai
(ophouden) Lc 5,4
- med ind aor 3de pers enk επαυσατο = epausato (hij hield op)
- Fr: paupière < palpere. Lat: palpetra. palpebra. Ned: ooglid.
- Fr: peau. Ned: vel. p-u/l.
- πεδη = pedè (voetboei, kluister) Taalgebruik in het NT: pedè (voetboei, kluister)
- acc vr mv πεδας = pedas (voetboeien) Mc 5,4.
- dat vr mv πεδαις = pedais (met voetboeien) Mc
5,4.
- פְדוּת = pëdûth (verlossing, bevrijding) Zie het werkw פָדָה = pâdâh (verlossen, redden, vrijkopen)
Taalgebruik in Tenakh: pâdâh
(verlossen, redden, vrijkopen) Lc
1,68.
- ἐπείνασεν (= epeinasen: hij leed honger; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw πειναω = peinaô: honger lijden)
- πεινῶντες (= peinôntes: hongerigen; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πειναω = peinaô: honger lijden).
- πηγνυμι = pègnumi (bevestigen, vastmaken, opslaan)
- act ind aor 3de pers enk ἔπηξε = epèksen (hij sloeg op) PJ 1,4
- ἔπηξε τὴν σκηνὴν αὐτοῦ = epèkse tèn skènèn autou (hij sloeg zijn tent op) PJ 1,4
- ἔπηξεν τὴν σκηνὴν αὐτοῦ = epèksen tèn skènèn autou (hij sloeg zijn tent op) PJ 1,4
- פֵה = pèh (mond, opening, ingang) Taalgebruik in Tenakh: pèh (mond, opening, ingang) Gn
29,3
- peinaô
(hongeren, honger hebben), zie Lc
4,2.
- πειρασμος = peirasmos: beproeving) Taalgebruik in het NT: peirasmos
(beproeving)
- πειρασμόν (= peirasmon: beproeving; zn acc mann enk van het zn πειρασμος = peirasmos: beproeving)
- peirazô
(beproeven, op de proef stellen), zie Lc
4,2
- - πειράζετε (= peirazete: jullie beproeven; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw πειραζω = peirazô: beproeven)
- pe??????te? (= peiradzontes: op de proef stellende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen)
- πειραζόμενος (= peiradzomenos: wordende beproefd; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen)
- pèl´è
(wonderbaar, wonderlijk), zie Ps
111,1.
- επεισαν (= epeisan: zij overtuigden; wkw act ind aor van het wkw πειθω = peithô: overtuigen).
- πεμπω = pempô (laten gaan, zenden) Taalgebruik in het NT: pempô (laten gaan, zenden)
- act imperat aor 2de pers enk πεμψον = pempson (zend), Mc
5,12.
- pempsas (gezonden) In 4 verzen bij Matteüs, zie Mt 2,8: Mt
2,1-12 9
- πέμπτῃ (= pemptè: op de vijfde; rangtelw dat vr enk van het rangtelw πέμπτος = pemptos: vijfde)
- πενης (= penès: arm, behoeftig; bv nw).
- πένητα (= penèta: arm, behoeftig; bv nw acc mann enk van het bv nw πενης = penès: arm, behoeftig).
- πεντε (= pente: vijf, 5; hoofdtelw) Taalgebruik in het NT: pente (vijf, 5) Lc 9,16
- τους πεντε = tous pente (de vijf, 5) Mc 6,41.
- πεντηκοστα = pentèkosta (vijftig) Zie telwoorden Taalgebruik in het NT: telwoorden Lc
9,14.
- πεντακισχιλίους (= pentakischilious: vijfduizend; bv nw hoofdtelw acc mann mv van het bv nw hoofdtelw πεντακισχιλίοι = pentakischilioi: vijfduizend)
- πενθερα = penthera (schoonmoeder)
Taalgebruik in het NT: penthera (schoonmoeder)
- πενθερα (= penthera: schoonmoeder;
zn nom vr enk)
- πενθεω = pentheô (beklagen, betreuren, treuren) Taalgebruik in het NT: pentheô (beklagen, betreuren, treuren)
- πενθουντες (= penthountes: treurenden; act part praes nom mann mv van het wkw. πενθεω = pentheô: beklagen, betreuren, treuren). Taalgebruik in het NT: pentheô (beklagen, betreuren, treuren). Taalgebruik in de LXX: pentheô (beklagen, betreuren, treuren). Bijbel (3): (1) Mt
5,4. (2) Apk 18,15. (3) Apk 18,19.
- perfectum. Verdubbeling van de beginmedeklinker: geven -> ge-geven. Perfectum en tegnwoordige tijd (praesens) liggen dicht bij elkaar. Soms vinden we de verdubbeling in de tegenwoordige tijd: Gr: di-dô-mi: gegev, perf: de-dô-ka.
- Pergè
(Perge), zie Hnd
14,2.
- - persoonlijke voornaamwoorden.
- περαν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk) Taalgebruik in het NT: peran
(overzijde, overkant) Mc 5,1 Lc
8,22
- Ned: oever D: Üfer Hebr: עֵבֶר = `ebhèr: oever, overzijde, overkant Zie het wkw עָבַר = `âbhar: 'oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken Gr: περαν = peran: oever, overzijde, overkant; stam: `- b/p/v - r; is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen? Lat: ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans: rive
- περαν της θαλασσης = peran tès thalassès (overzijde van de zee / meer of over
de zee / meer) Mc 5,1.
- εις το περαν = eis to peran (naar de overzijde) Mc 4,35
- εις το περαν της θαλασσης = eis to peran tès thalassès (naar de overzijde van het meer) Mc 5,1.
- αντιπερα = antipera (overkant, overzijde) Lc
8,26.
- περάτων (= peratôn: grenzen; zn gen onz mv van het zn περας = peras: einde, limiet, grens)
- περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r). Taalgebruik in NT: peri
(over, rondom, omwille van) Mc 3,8
- περι αυτου = peri autou (over hem) Mc 7,25.
- περι αυτον = peri auton (rond hem) Mc 3,34.
- περι τυρον = peri turon (rondom Tyrus) Mc 3,8.
- περι του ιησου = peri tou Ièsou (Jezus)
- περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken) Taalgebruik in het NT: periballô (werpen rondom, bedekken)
- act ind imperf 3de pers mv = perieballon (zij bedekten) 1
K 1,1.
- περιβεβλημένος (= peribeblèmenos: gekleed; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken)
- περιβεβλημένον (= peribeblèmenon: gekleed; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw περιβαλλω = periballô: werpen rondom, bedekken)
- περιβλεπω = periblepô: rondkijken) Taalgebruik in het NT: periblepô
(rondkijken)
- act ind imperf 3de pers enk περιεβλεπετο = perieblepeto (hij keek rond) Mc 5,32.
- περιβλεψαμενος (= periblepsamenos: rond zich gekeken / nadat hij
had rondgekeken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken) Mc 3,34
- και περιβλεψαμενος = kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken) Mc 3,34
- περιβλεψάμενοι (= periblepsamenoi: rondgekeken; wkw act part aor nom mann mv van het wkw περιβλεπω = periblepô: rondkijken)
- περιβόητον (= periboèton: beroemd; bv nw acc onz enk van het bv nw περιβόητος = periboètos: rondom schreeuwend, algemeen gekend, beroemd)
- περικαθαίρων (= perikathairôn: reiniger, ontsmetter? wkw act part praes nom mann enk van het wkw περικαθαίρω = perikathairô: rondom reinigen)
- περίκειται (= perikeitai: hij ligt rondom; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw περίκειμαι perikeimai: liggen rondom)
- περικαλύπτειν (= perikaluptien: rondom omhullen, bedekken; wkw act inf praes van het wkw περικαλύπτω = perikaluptô: rondom omhullen, bedekken).
- περιλαμπω = perilampô (omstralen) Lc 2,9
- act ind aor 3de pers enk περιελαμψεν = perielampsen Lc 2,9.
- Περίλυπός (= perilupos: overbedroefd, zeer treurig; bv nw nom mann enk).
- περιπατεω = peripateô: rondwandelen) Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen)
- περιπάτει (= peripatei: wandel rond; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen)
- act part praes nom mann enk περιπατων = peripatôn (wandelende) Mc
6,48.
- act part praes acc mann enk περιπατουντα = peripatônta (wandelende) Mc
6,48.
- περιπατοῦσιν (= peripatousin: zij wandelen rond; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen)
- περιπατεῖν (= peripatein: rond te wandelen; wkw act inf praes van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen).
- περιπατοῦντος (= peripatountos: rondwandelende; wkw act part praes gen mann enk van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen)
- περιπατοῦντας (= peripatountas: rondwandelende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen)
- περιπτώσεις (= periptôseis: rampen; zn acc vr mc van het zn περιπτώσις = periptôsis: wat 'over'valt, toeval, ramp; zie het wkw πιπτω = piptô: vallen)
- περισσεύματα (= perisseumata: overschotten; zn nom en acc onz mv van het zn περισσεύμα: overschot, overvloed).
- περισσεύοντος (= perisseuontos: van het overbodige; wkw act part praes gen onz enk van het wkw περισσεύω = perisseuô: in overvloed aanwezig zijn, overbodig zijn).
- περισσῶς (= perissôs: overmatig, bovenmatig groot; bw)
- περιστερὰν (= peristeran: duif; zn acc vr enk van het zn περιστερα = peristera: duif)
- περιστερὰς (= peristeras: duiven; zn acc vr mv van het zn περιστερα = peristera: duif)
- nom vr enk περιτομη = peritomè (besnijdenis) Kol
2,11.
- פֶסַח = pèsach (paasoffer, Pasen) Taalgebruik in Tenakh: pèsach (paasoffer, Pasen) Ex 12,11.
- περισσότερον (= perissoteron: bovenmatiger; bv comparatief acc onz van het bv nw enk van het bv nw περισσος = perissos: over-matig, bovenmatig)
- ὑπερπερισσῶς (= huperperrisôs: overmatig; bw van het bv nw ὑπερπερισσος = huperperissos: over-matig, bovenmatig)
- περιτιθέασιν (= perititheasin: zij leggen rondom aan, zij zetten op; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: rondom aanleggen, opzetten).
- περιέθηκεν (= periethèken; hij stelde rondom; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: plaatsen, rondom leggen, rondom aanbrengen). Mc 12,1.
- περιθεὶς (= peritheis: opgestoken op; wkw act part aor nom mann enk van het wkw περιτιθημι = peritithèmi: rondom aanleggen, opzetten).
- περιτομη (= peritomè: besnijdenis; zn nom vr enk) Kol
2,11.
- πετεινον = peteinon (vogel, gevogelte) Taalgebruik in het NT: peteinon (vogel, gevogelte) Mc 4,4
- nom + acc onz mv πετεινα = peteina (vogels, gevogelte) Mc 4,4.
- πέτρας (= petras: uit de rots; zn gen vr enk van het zn πέτρα = petra: rots).
- petra
(rots), zie Mc
15,46
- Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) Petros
(Petrus), zie Mc
8,29 Zie ook Mt 10,2 Zie Hnd
1,13
- Πέτρου (= petrou: Petrus; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus)
- Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus)
- Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus)
- - Pharisaioi (Farizeeën), zie Mt
9,11
- phûts
(vrspeiden, verstrooien), zie Jr
23,1.
- πικρίᾳ (= pikria: met hardheid; zn dat vr enk van het zn πικρία = pikria: bitterheid, verbittering, haat, hardheid)
- Πιλάτῳ (= pilatô: aan Pilatus; zn eigennaam dat mann enk van het zn Πιλατος = pilatos: Pilatus)
- Πιλατος (= Pilatus; zn eigennaam nom mann enk).
- Πιλᾶτον (= Pilaton: Pilatus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Πιλατος = pilatos: Pilatus)
- πιμπλημι (= pimplèmi: vullen; causatief; stam: plè; zie ook πολυς = polus: veel; πληθος = plèthos: menigte, veelheid; wkw πληθυνω = plèthunô: vermeerderen, vergroten). Taalgebruik in het NT: pimplèmi
(vullen). zie Lc
4,1. Lc 5,7
- act ind aor 3de pers mv επλησαν = eplèsan Lc 5,7.
- πιέτω (= pietô: drinke; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw πινω = drinken)
- πίνω (= pinô: ik drink; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken)
- πίω (= piô: ik zal drinken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw πινω = drinken)
- ἔπιον (= epion: zij dronken; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw πινω = drinken)
- πίεσθε (= piesthe: jullie zullen drinken; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw πινω = drinken)
- πιεῖν (= piein: te drinken; wkw inf aor van het wkw πινω = drinken)
- pipraskô
(verkopen), zie Hnd
2,45.
- p?a???a? (= prath�nai: verkocht te worden; wkw pass ind aor van het wkw p?p?as?? = piprask�: verkopen)
- πιπτω = piptô: vallen) Taalgebruik
in het NT: piptô
(vallen)
- act ind praes 3de pers enk πιπτει = piptei (hij valt) Mc 5,22.
- ἔπιπτεν (= epipten: hij viel; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw πιπτω = piptô; stam pe-: vallen). Mc
14,35.
- πεσειται (= peseitai: het zal vallen; wkw med fut 3de pers enk van het wkw πιπτω = piptô; stam pe-: vallen). NT (2): (1) Mt
10,29. (2) Lc 12,6.
- ἔπεσαν (= epesan: zij vielen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw πιπτω = piptô; stam pe-: vallen).
- επεσεν επι προσωπον = epesen epi prosôpon (hij viel op het aangezicht) Gn
17,17.
- πίπτοντες (= piptontes: vallende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πιπτω = piptô: vallen)
- πεσὼν (= pesôn: vallend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πιπτω = piptô; stam pe-: vallen)
- Pisidia
(Pisidië), Hnd .
- πιστευω (= pisteuô: ik vertrouw; wkw act ind praes 1ste pers enk; (geloven, vertrouwen) Taalgebruik in het NT: pisteuô
(geloven, vertrouwen)
- πιστευετε (= pisteuete: jullie geloven / gelooft; wkw act ind praes 2de pers mv + act imperat praes 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) Mc 1,15
- Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) met het voorzetsel εν = en (in, tijdens) Mc 1,15
- επιστευσεν (= episteusen: hij geloofde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen). Taalgebruik in het NT: pisteuô
(geloven, vertrouwen). Gn
15,6.
- ἐπιστεύσατε (= episteusate: jullie geloven; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen)
- πιστεύῃ (= pisteuè: hij zou vertrouwen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen)
- πιστεύσωμεν (= pisteusômen: wij zouden vertrouwen; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen)
- πιστεύοντι (= pisteuonti: aan hem die vertrouwen heeft; wkw act part praes dat mann enk van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen)
- πιστευόντων (= pisteuontôn: van de gelovenden; wkw act part praes gen mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen)
- pisteuô
(geloven, vertrouwen) bij Johannes, zie Joh
3,16; pisteuôn
(wie gelooft) In 14 verzen bij Johannes, zie Joh
3,16: (1) Joh
3,15 (2) Joh
3,16 (3a) Joh
3,18a (3b) Joh 3,18b (4) Joh
3,36 (5) Joh
5,24 (6) Joh
6,35 (7) Joh
6,40 (8) Joh
6,47 (9) Joh
7,38 (10) Joh
11,25 (11) Joh
11,26 (12) Joh
12,44 (13) Joh
12,46 (14) Joh
14,12.
- πιστις = pistis: vertrouwen, geloof) Taalgebruik in
het NT: pistis
(geloof) Mc 10,52 Lc
8,25 Lc
18,42
- ἡ πιστις = hè pistis (het geloof / vertrouwen) Lc
18,42
- ἡ πιστις σου = hè pistis σου (jouw geloof / vertrouwen) Mc 10,52 Lc
18,42
- ἡ πιστις σου σεσωκεν σε = hè pistis sou sesôken se (je geloof heeft je gered) Mc 10,52.
- πίστεως (= pisteôs: vertrouwen; zn gen vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof)
- πίστιν (= pistin: vertrouwen; zn acc vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof)
- p?st???? (= pistik�s: van betrouwbare); bv nw gen vr enk van het bv nw p?st??ο? = pistikos: betrouwbaar, echt)
- Fr: pivot. Ned: spil.
- Ned: plaats D: Platz E: place (plees). Fr: place (plas). p-l-ts Hiërogl: bw. Arabisch: مكان = maqän. Hebr: קוּם = qûm (opstaan).
Taalgebruik in Tenakh: qûm
(opstaan). Zowel in het Arabisch als in het Hebreeuws duidt het prefix -m een plaats aan; hier plaats zelf, nl een plaats om te staan. KLassiek Lat: platea: lange straat. Gr: πλατεια (= plateia).
- van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken)
- πλανήσῃ (= planèsè: hij zou in de war raken
/ misleiden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken)
- πλεω = pleô (varen) Taalgebruik in het NT: pleô (varen) Lc
8,23
- act part praes gen mann mv πλεοντων = pleontôn Lc
8,23.
- πλανήσουσιν (= planèsousin: zij zullen misleiden; wkw act ind fut 3de pers mv van het
wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken)
- πλανήσῃ (= planèsè: hij zou in de war raken
/ misleiden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken)
- πλανᾶσθε (= planasthe: jullie worden misleid, jullie dwalen; wkw pass ind praes 2de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, bedriegen, misleid worden)
- πλέξαντες (plaksantes: vlechtende, knopende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw πλεκω = plekô: vlechten, knopen).
- πλεονεξία (= pleoneksia: hebzucht, meer willen hebben; zn nom vr enk)
- πλεονεξίᾳ (= pleoneksia: hebzucht; zn dat vr enk van het zn πλεονεξία = pleoneksia: hebzucht, meer willen hebben)
- πλεονεξίαί (= pleoneksiai: hebzuchten; zn nom vr mv van het zn πλεονεξία = pleoneksia: hebzucht, meer willen hebben)
- plèroô (vervullen), zie Mt
2,15.
- πλην (= plèn: behalve, uitgezonderd, maar, doch) Taalgebruik in het NT: plèn (behalve, uitgezonderd, maar, doch) Lc
17,1
- πλην ουαι = plèn ouai (maar wee) Lc
17,1.
- πλην ουαι () δι' οὑ = plèn ouai di'hou (maar wee door wie) Lc
17,1.
- πλήρεις (= plèreis: vol; bv nw acc mann mv van het bv nw πληρης = plèrès: vol; stam: p/v -l)
- πληρωματος (= plèrômatos: van de volheid; zn gen onz enk van het zn πληρώμα = plèrôma: volheid, lading, volledig aantal). Ef
1,10.
- πληρώματα (= plèrômata: volheden; zn acc onz mv van het zn πληρώμα = plèrôma: volheid, lading, volledig aantal).
- επληρωθη (= eplèrôthè: het werd vervuld; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw πληροω = plèroô: vervullen). Mc
15,28.
- επληρωθη η γραφη η λεγουσα (= eplèrôthè hè grafè hè legousa: de schrift de zeggende... werd vervuld). Mc
15,28.
- πληρωθῶσιν (= eplèrôthèsôsin: zij zouden vervuld worden; wkw pass conjunct aor 3de pers mv van het wkw πληροω = plèroô: vervullen).
- πληρωθῇ (= plèrôthè: het zou vervuld worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw πληροω = plèroô: vervullen).
- πλησίον (= plèsion: nabij, naaste; bijv nw acc mann enk van het bijv nw πλησιον = plèsion: nabij, naaste)
- πληθος (= plèthos: menigte, veelheid) Taalgebruik in het NT: plèthos
(menigte, veelheid) Mc 3,7 Lc
8,37.
- πληθυνθείη (= plèthunèthè: moge het vermeerderd worden; wkw pass conjunc aor 3de pers enk van het wkw πληθυνω = plèthunô: vermeerderen, vergroten)
- nom en acc onz enk πλοιαριον = ploiarion (bootje) Zie: πλοιον = ploion (boot) Taalgebruik in
het NT: ploion
(boot) Mc
3,9.
- πλοιον = ploion: boot) Taalgebruik in
het NT: ploion
(boot) (zn acc onz enk: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot)
- πλοιον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) Taalgebruik in
het NT: ploion
(boot) Mt
8,23 Mc 5,2 Lc
8,37.
- πλοιου = ploiou. boot, zn gen onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) Mc 5,2
- εκ του πλοιου = ek tou ploiou (uit de boot) Mc 5,2.
- πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw p?e? = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot)
- εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) Mc 4,36.
- πλοια (= ploia: boten; zn nom onz mv van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw p?e? = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) Lc 5,2.
- πλουσιος = plousios (rijk) Taalgebruik in het NT: plousios (rijk)
- bijvoegl naamw nom mann enk πλουσιος = plousios (rijk) PJ 1,1
- πλουσιος σφοδρα = plousios sfodra (zeer rijk) PJ 1,1
- πλούσιον (= plousion: rijke; bn zelfst gebruikt acc mann enk van het bn πλουσιος = plousios: rijk-e)
- πλούσιοι (= plousioi: rijken; bv nom mann mv van het bn πλουσιος = plousios: rijk-e)
- acc mann mv πλουσιους = plousious (rijken) Lc
21,1.
- πλυνω = plunô (wassen)
Taalgebruik in het NT: plunô
(wassen) Lc 5,2
- act ind imperf 3de pers mv επλυνον = eplunon (zij wasten) Lc 5,2.
- pneô (blazen, waaien -> wind, ademen) PIE: pneF
- πνευμα (= pneuma: geest, adem, wind, geestdrift). Taalgebruik
in het NT: pneuma
(geest).
- πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) Mc 1,26 Lc 1,35 Lc 2,25 Lc 4,18
- πνευμα κυριου = pneuma kuriou (de geest van de Heer) Lc 4,18.
- το πνευμα μου (= to pneuma mou: mijn geest, mijn geestdrift). Lc 1,47.
- Lc 1,473 - 5 το πνευμα μου το πνευμα = to pneuma (de geest) Mc 1,26
- το πνευμα το ακαθαρτον = to pneuma to akatharton (de onzuivere geest) Mc 1,26.
- πνεύματος (= pneumatos: van geest; zn gen onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind)
- πνευματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind)
- πνευματι ακαθαρῳ = pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere
geest) Mc 1,26
- τῳ πνευματι τῳ ακαθαρῳ = tô(i) pneumati tô(i) akatharô(i) (aan de onreine geest) Mc 1,26.
- εν πνευάτι = en pneumati (met een geest) Mc 1,26
- εν πνευματι ακαθαρῳ = en pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere
geest) Mc 1,26.
- nom + acc onz mv πνευματα = pneumata (geesten) Mc
3,11.
- πνεύματων (= pneumatôn: van geesten; zn gen onz mv van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind).
- πνευματικὴν (= neumatikèn: geestelijk; bv nw acc vr enk van het bv nw πνευματικος = pneumatikos)
- ποιεω = poieô: doen, maken) Taalgebruik in het NT: poieô
(doen, maken)
- ποιῶ (= poiô: ik doe; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- ποιεῖς (= poieis: jij doet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- ποιοῦσιν (= poiousin: zij doen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- ὁσα ποιουσιν = hosa poiousin (zovele dingen zij doen) Ex
18,14.
- εποιει (= epoiei: hij deed; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) Mc 3,8
- ὁσα εποιει = hosa epoiei (hoevele dingen hij deed) Ex
18,14.
- ποιήσω (= poèsô: ik zal maken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- act ind futurum 2de pers enk ποιησεις = poièseis (jij zult maken) Ex
20,4
- ποιήσει (= poièsei: hij zal doen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- εποιησεν (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken). Gn
1,1 Mc 3,14 Lc
1,68 Joh
21,25
- εποιησεν κρατος (= epoièsen kratos: hij oefende kracht uit) Lc 1,51.
- και εποιησεν = kai epoisen (en hij deed) Mc 3,14 Lc
1,68.
- ἐποιήσαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n)
- ὁσα εποιησαν = hosa epoièsan (zovele dingen zij deden) Ex
18,14.
- ποίει (= poiei: doe; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen)
- ποιήσει (= poièsei: hij zal doen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen)
- act ind praes + imperat 2de pers mv ποιειτε = poieite (jullie doen of doet) Lc
6,27.
- ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen)
- ποιῇς (= poiès: jij zou doen; wkw act conjunct praes 2de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen)
- ὁσα αν ποιῃ = hosa an poiè(i) (zovele dingen die zou doen) Ex
18,14.
- act conj aor 3de pers enk ποιησῃ = poièsè: hij zou doen) Mc 3,35.
- act conjunct aor 3de pers mv ποιησωσιν = poièsôsin (zij zouden maken / doen) Mc
3,12.
- ποιήσωμεν (= poièsômen: wij zouden maken; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n)
- ποιήσατε (= poèsate: doet; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen)
- πεποιήκατε (= pepoièken: hij heeft gedaan; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen)
- πεποιήκεισαν (= pepoièkeisan; zij hadden gepleegd; wkw act ind plusquamperf 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen)
- p??e?? (= poiein: te maken; act inf praes van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- ποιησαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken).
- -- act part aor nom mann enk poièsas (makende, scheppende): W
9,1
--- ho poièsas (de makende = de maker): W
9,17 - 8
- poiein
(doen, handelen), zie Hnd
1,1
-- act part aor nom mann enk poièsas (makende, scheppende): W
9,18
- ποιήσαντά (= poièsanta: hebbende gemaakt, wkw act part aor acc mann enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken)
- ποιήσαντες
(= poèsantes: doende; wkw act part aor
nom mann mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen)
- poimèn
(herder). ποιμην = poimèn: herder.
- ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder; zie wkw ποιμαινω = poimainô: herderen, hoeden, beschermen).
- ποιμενες (= poimenes: herders; zn nom mann mv van het zn ποιμην = poimèn: herder).
- poimnè
(kudde).
- ποία (= poia: welke; onbep vnw vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort)
- ποίᾳ (= poia: welke; onbep vnw dat vr enk van het onbep vnw ποιος = poios: welke, wat voor soort)
- πολέμους (= polemous: oorlogen; zn acc mann mv van het zn πολέμος = polemos: oorlog).
- πολέμων (polemôn: oorlogen; zn gen mann mv van het zn πολέμος = polemos: oorlog).
- πωλεω = pôleô
(verkopen) Taalgebruik in het NT: pôleô
(verkopen)
- πωλειται (= pôleitai: het wordt gekocht; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen). NT (2): (1) Mt
10,29. (2) Lc 12,6.
- πωλησον (= pôlèson: verkoop; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen) Lc
18,22.
- act imperat aor 2de pers mv πωλησατε
= pôlèsate (verkoopt) Lc
12,3.
- πωλοῦντας (= pôlountas: verkopers; wkw act part praes acc mann mv van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen)
- πωλούντων (= pôlountôn: van de verkopers; wkw act part praes gen mann mv van het wkw πωλεω = pôleô: verkopen)
- - pôleô
(verkopen), zie Lc
12,33.
- πόλις (= polis: stad; zn nom vr enk)
- polis (stad) Verwijzing in NT: polis
(stad) Verwijzing in Mc: polis
(stad) Verwijzing in Hnd: polis
(stad)
- πόλεως (= poleôs: van de stad; zn gen vr enk van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool)
- πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad)
- πόλεων (= poleôn: van steden; zn gen vr mv van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool)
- πολλακις (= pollakis: vele malen, dikwijls; bw) Taalgebruik: pollakis (vele malen, dikwijls) Mc
5,4,
- πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: v/f/p - - l)
- πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) Taalgebruik in het NT: polus
(veel)
- πολυς (= polus: veel; bv nw nom mann enk; stam: p/v - l)
- nom mann enk πολυς = polus (veel) Mc 5,21.
- πολυ (= polu: veel, talrijk; bv nw nom onz enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) Mc 3,7.
- πλεῖον (= pleion: meer; bv nw comparatief acc onz enk bij het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l)
- πολλοῦ (= pollou: van veel; bv nw gen mann en onz enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l)
- πολλῆς (= pollès: van veel; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l)
- πολλῷ (= pollô: veel; bv nw dat onz enk van het bn πολυς = polus: veel; stam p/v - l)
- πολλὴ (= pollè: veel, groot, bijv nw nom vr enk van het bijv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè - polu)
- πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l)
- πολλοι (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) Mc
5,9 Lc
14,25.
- πολλαὶ (= pollai: velen; bv nw nom vr mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l)
- πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) Mc 1,45
- και πολλα = kai polla (en vele) Mc
3,12.
- πολλα δε = polla de (vele echter) Mc
3,12
- πολλῶν (= pollôn: van velen; bv nw gen mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l)
- πολλους (= pollous: velen; bv nw acc mann mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) Mc
3,10.
- acc vr mv πολλας = pollas (vele) Lc
15,13
- ου πολλας = ou pollas (niet vele) Lc
15,13.
- p???te???? (= polutelous: van kostbare; bv nw gen vr enk van het bv nw p???te??? = polutel�s: kostbaar, waardevol)
- act ind futurum 1ste pers enk EN act conj praes 1ste pers enk ponam van het werkw ponere Gn
3,15.
- πονηρίαι (= ponèriai: slechtheiden; zn nom vr enk van het zn πονηρία = ponèria = slechtheid, boosheid, lafheid)
- πονηρίᾳ (= ponèria: slechtheid; zn dat vr enk van het zn πονηρία = ponèria = slechtheid, boosheid, lafheid)
- πονηρος (= ponèros: slecht; vaak zelfstandig gebruikt: het slechte, het kwade; bv nw nom mann enk)
- πονηρῦ (= ponèrou: van het slechte; bv nw gen onz enk van het bv nw πονηρος = ponèros: slecht; vaak zelfstandig gebruikt: het slechte, het kwade), zie Mt
13,19
- πονηρον (= ponèron: het kwade, het slechte; bv nw acc mann en onz enk van het bv nw πονηρος = ponèros: slecht; vaak zelfstandig gebruikt: het slechte, het kwade)
- πονηρά (= ponèra: ponèra: de slechte dingen; bv nw/zn nom en acc onz mv van het bv nw πονηρος = ponèros: slecht; vaak zelfstandig gebruikt: het slechte, het kwade)
- πονηρόφρων (= ponèrofrôn: slecht-/kwaaddenkend; bv nw nom mann enk).
- πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven, op weg gaan). Taalgebruik in het NT: poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan)
- ind praes 3de pers enk πορευεται = poreuetai (hij begeeft zich op weg) Lc
15,4.
- πορευομενοι (= poreuomenoi: zich op weg begevend; wkw med part praes nom mann mv van het wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven, op weg gaan). Taalgebruik in het NT: poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan).
- ἐπορεύθη (= eporeuthè: zij begaf zich op weg; wkw med ind aor 3de pers vr enk van het wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven, op weg gaan).
- Πορεύεσθε (= poreuesthe: gaat op weg; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven, op weg gaan).
- inf praes πορευεσθαι = poreuesthai (om op weg te gaan) Lc
17,11
- τῳ πορευεσθαι = tô(i) poreuesthai (in het op weg te gaan) Lc
17,11.
- part aor nom mann enk πορευθεις = poreutheis (zich op weg hebbende begeven) Lc
15,15.
- πορευθεντες (= poreuthentes: zich op weg begeven; wkw med part aor nom mann en vr mv van het wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven, op weg gaan) Lc 9,12.
- πορνεία (= porneia: ontucht; zn nom vr enk). Lat.: forn-i-c-atio. Fr.: fornucation. E.: fornication. D.: Unzucht. Fr.: luxure: wellust, ontucht - wellicht uit weelderigheid op sexueel vlak).
- πορνεῖαι (= porneiai: ontuchten; zn nom vr mv van het zn πορνεία = porneia: ontucht). Lat.: forn-i-c-atio. Fr.: fornucation. E.: fornication. D.: Unzucht. Fr.: luxure: wellust, ontucht - wellicht uit weelderigheid op sexueel vlak).
- πορνείαν (= porneian: ontucht; zn acc vr enk van het zn πορνεία = porneia: ontucht). Lat.: forn-i-c-atio. Fr.: fornucation. E.: fornication. D.: Unzucht. Fr.: luxure: wellust, ontucht - wellicht uit weelderigheid op sexueel vlak).
- πορφύραν (= porfuran: purperen gewaad / kleed; zn acc vr enk van het zn πορφύρα).
- πορνεύσεις (= porneuseis= jij zult ontucht bedrijven, act ind fut 2de pers enk van het wkw πορνευω: ontucht bedrijven; wkw eindigend op -euô: van zn en bijv nw naar wkw: πορνος -> πορνευω: pornos -> porneuô: ontuchtige -> ontucht bedrijven)
- πωροω = pôroô (verharden, verstokt worden) Zie πωρωσις = pôrôsis (verharding) Taalgebruik in het NT: pôrôsis (verharding)
- πεπωρωμένη (= pepôrômenè: verhard geworden; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned: poreus) Mc
6,52.
- πεπωρωμένην (= pepôrômenèn: verhard; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned: poreus)
- πωρωσις = pôrôsis (verharding) Taalgebruik in het NT: pôrôsis (verharding)
- dat vr enk πωρωσει = pôrôsei Mc 3,5.
- Lat: porta. Fr: porte. De eind -a heeft zich langer gehandhaafd en is een stomme E geworden. Maar de uitspraak van de voorafgaande klinkers bleef behouden. Ned: poort, deur.
- πως (= pôs: hoe; onbep vrag vnw). Taalgebruik
in het NT: pôs
(hoe) Mc
4,40.
- Πόσος (= posos hoeveel, hoelang; vrag vnw nom mann enk)
- πόσα (= posa; hoevele dingen; bv nw vrag vnw acc onz mv van het vrag vnw πόσος = posos: hoeveel, hoelang).
- πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onbep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel)
- πόσων (= posôn: hoeveel; onbep vrag vnw gen mann mv van het onbep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel)
- ποταμῷ (= potamô: stroom, rivier; zn dat mann enk van het zn ποταμος = potamos: stroom, rivier)
- ποταποὶ (= potapoi: waarvandaan, wat voor een; bv nw nom mann mv van het bv nw ποταπος = potamos).
- πότε (= pote: wanneer? vrag vnw)
- pote
(wanneer, soms).
- ποτηριον (= potèrion: beker; zn nom onz enk; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken) Taalgebruik in het NT: potèrion
(beker) Lc 22,42
- ποτηρίου (= potèriou, zn ·gen onz enk van het zn ποτηρίον: drinkbeker; zn eindigend op -tèrion geeft een instrument aan, hier: een middel om te drinken: drinkbeker; zie wkw ποτιζω = potizô: drinken)
- το ποτηριον = to potèrion
(de beker) Lc 22,42
- τουτο το ποτηριον = touto to potèrion
(deze beker) Lc 22,42.
- το ποτηριον τουτο = to potèrion touto (deze beker) Lc 22,42
- ποτηρίων (= potèriôn: van de bekers; zn gen onz mv van het zn ποτηρίον = potèrion: 'beker'; uitgang -tèrion: van wkw naar zn om instrument aan te duiden: iets om uit te drinken, 'beker'; zie ποτιζω = potizô: drenken, laten drinken; Lat.: potare: drinken, potio: het drinken)
- ποτίσῃ (= potisè: hij zou drinken; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw ποτιζω = potizô: drinken)
- ἐπότιζεν (= epotizen: hij gaf te drinken; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ποτιζω = potizô: drenken, laten drinken; Lat.: potare: drinken, potio: het drinken)
- ποτὸν (= poton: drank; zn acc mann enk van het zn ποτος = potos: drank)
- ποθεν (= pothen: vanwaar; onbep vrag vnw) Taalgebruik
in het NT: pothen
(vanwaar) Mc 6,2.
- πόθος (= pothos: begeerte, liefde, verlangen; zn nom mann enk)
- Ποῦ (= pou: waar; vrag bw van plaats)
- pou
(waar?) Vragend voegwoord In 18 vrezen bij Johannes, zie Joh 1,38: Joh
1,35-42 -- pou
(waar), zie Mt
2,2.
- πους (= pous, ποδος = podos: voet; zn nom mann enk) Taalgebruik in het NT: pous, podos (voet)
- πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) Mc 5,22
- παρα τους ποδας = para tous podas (bij de voeten) Mc 5,22.
- ποδῶν (= podôn: voeten; zn gen vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t)
- τους ποδας αυτου = tous podas autou (zijn voeten) Mc 5,22
- εις τους ποδας αυτου = eis tous podas autou (naar zijn voeten) Mc 5,22.
- επι τους ποδας αυτου = epi tous podas autou (op zijn voeten) Mc 5,22.
- ὑπο τους ποδας αυτου = hupo tous podas autou (naar zijn voeten) Mc 5,22.
- παρα τους ποδας αυτου = para tous podas autou (bij zijn voeten) Mc 5,22.
- προς τους ποδας αυτου = pros tous podas autou (bij zijn voeten) Mc 5,22.
- πεζῇ (= pedzè: te voet; bw; zie πους = pous, ποδος = podos: voet; stam: p/v - d/t)
- Lat: prae-formare: tevoren vormen, tevoren ontwerpen, voortekenen. Fr: préfigurer: aankondigen, voorbeduiden, voorafbeelden?
- praesens bij Marcus
- - pragmatôn
(van de handelingen / gebeurtenissen), zie Lc
1,1.
- πραεις (= praeis: zachtmoedigen; bv nw nom mann mv van het bv nw πραυς = praus: zacht, vriendelijk). Mt
5,5.
- πραιτώριον (= praitôrion: pretorium, paleis van de Romeinse procurator; zn nom onz enk).
- πραΰτης (= prautès: zachtheid, zachtmoedigheid, vriendelijkheid; zn nom vr enk; uitgang op -tès: zuiver substantiverend)
- preces (gebeden; zn vr mv van het zn prex, precis: gebed). Fr: pri-ères: gebeden; de c (ts) is weggevallen.
- Ned: prediken, verkondigen D: predigen E: to preach E: to preach Gr: κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) Taalgebruik in het NT: kèrussô
(verkondigen) Hebreeuws: קָרָא = qârâ´ (roepen,
heten) Taalgebruik
in Tenakh: qârâ´
(roepen, heten) Lat: praedicare
- πρεσβυτερος (= presbuteros: oudere; nom mann enk)
Taalgebruik in het NT: presbuteros
(oudere) 1
K 1,1 Lc
15,25
- πρεσβύτεροι (= presbuteroi: priesters/ouderen; bv nom mann mv bv nw zelfstandig gebruikt presbu-teros: oud-er; Ned.: priester), zie Hnd
14,23
- πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt, comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester)
- πρεσβυτης = presbutès (oud) Taalgebruik in het NT: presbutès (oud)
- nom mann enk πρεσβυτης = presbutès (oud)
- πρεσβύτεροι (= presbuteroi: priesters/ ouderen - oudsten; bv nw zelfstandig gebruikt, van het bv nw πρεσβυτης = presbutès: oud).
- Πρὶν (= prin: alvorens, vooraleer; vz)
- προ (= pro: voor; vz) Taalgebruik in het NT: pro
(voor) Mc 1,2.
- προαγω = proagô: voorgaan) Taalgebruik in het NT: proagô (voorleiden, voorgaan)
- προαγει (= proagei: hij drijft voor zich; hij gaat voor; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw προαγω = proagô: voorgaan). Mc 16,7
- ὁτι προαγει = hoti proagei (dat hij drijft voor zich) Mc 16,7.
- προαγει υμας = proagei humas (hij drijft jullie voor zich) προαξω υμας = proaksô humas (ik zal jullie voorgaan) Mc 16,7
- προαγει
υμας εις την γαλιλαιαν = proagei humas eis tèn galilaian (hij gaat jullie voor naar Galilea) Mc 16,.
- wkw act inf praes
- προαξω (= proaksô: ik zal voorgaan; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw προαγω = proagô: voorgaan). Mc 14,28
- προαξω υμας = proaksô humas (ik zal jullie voorgaan) Mc 16,7
- προαξω υμας εις την γαλιλαιαν = proaksô humas eis tèn galilaian (ik zal jullie voorgaan naar Galilea) Mc 16,7.
- act inf praes προαγειν = proagein (om voor te gaan) Mc
6,45.
- προάγοντες (= proagontes: de voogangers; wkw act part praes nom mann mv van het wkw προαγω = proagô: voorgaan)
- προαύλιον (= proaulion: voorhof, voorportaal); zn acc onz enk).
- προβαινω = probainô: vooruitbanen, vooruitgaan) Taalgebruik
in het NT: probainô
(vooruitbanen, vooruitgaan) Lc 1,7
- προβὰς (= probas: voortgaand; wkw act part praes nom mann enk van het wkw προβαινω = probainô: vooruitbanen, vooruitgaan)
- act part perf nom mann enk προβεβηκως = probebèkôs (vooruit-ge-gaande) 1
K 1,1
- προβεβηκως ἡμερων 1
K 1,1.
- προβεβηκως των ἡμερων 1
K 1,1.
- προβεβηκως ἡμεραις 1
K 1,1.
- προβεβηκως ταις ἡμεραις 1
K 1,1.
- pass part perf nom mann mv προβεβηκοτες = probebèkotes (voortgegaan)
- προβεβηκοτες εν ταις ἡμεραις = probebèkotes en tais hèmerais (voortgegaan in de dagen)
- προβεβηκοτες ἡμερων = probebèkotes hèmerôn (voortgegaan van de dagen)
- προβατον = probaton: schaap) Taalgebruik in het NT: probaton (schaap) Lc
15,4
- προβατα (= probata: schapen; zn nom + acc onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap) Lc
15,4
- ἑκατον προβατα = hekaton probata (honderd schapen) Lc
15,4.
- προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). Joh
10,1.
- προεπηγγείλατο (= proepèggeilato: hij verkondigde vooraf; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προεπαγγελλω = proepaggellô: vooraf verkondigen). Rom
1,2.
- προῆλθον (= proèlthon: zij kwamen vóór; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er)
- προελθὼν (= proelthôn: komende vóór; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er). Mc
14,35.
- proetoimazô
(voorafbereiden).
- προφάσει (= profasei: schijn; zn dat vr enk van het zn προφάσις = profasis: voorwendsel, schijn, verontschuldiging)
- προφητης = profètès: profeet) Taalgebruik in het NT: profètès
(profeet)
- προφήτης (= profètès: profeet, voor-spreker, woordvoerder, predikant, zn nom mann enkr; zie Lat.: praedicare: prediken)
- προφητῶν (= profètôn: van de profeten, voor-sprekers, woordvoerders, predikanten, zn gen mann mv van het zn προπητης: profeet, voor-spreker, woordvoerder; zie Lat.: praedicare: prediken).
- διὰ τῶν προφητῶν (= dia tôn profètôn: door de profeten). Rom
1,2.
- dat mann enk προφητῃ (= profèt�: profeet; zn dat mann enk van het zn προφητης = profètès: profeet) Mc 1,2
- τῳ προφητῃ = tô(j) profètè(i) (de profeet) Mc 1,2.
- προφήταις (= profètais: aan de profeten; zn dat mann mv van het zn προπητης: profeet, voor-spreker, woordvoerder; zie Lat.: praedicare: prediken)
- ἐπροφήτευσε (= eprofèteusen: hij profeteerde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προ-φη-τευω = profèteuô: profeteren, voor zich uit spreken)
- Προφήτευσον (= profèteuson: profeteer; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw προ-φη-τευω = profèteuô: profeteren, voor zich uit spreken, profeteren)
- πρωι (= prôi: 's morgens; bw van tijd) Taalgebruik in
het NT: prôï
(vroeg) Gn
1,8
- και εγενετο πρωι = kai egeneto prôi (en het werd morgen) Gn
1,8.
- - prôi ('s morgens), zie Mc
1,32.
- (= proelaben: hij nam vooraf, hij anticipeerde; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw προλαμβανω = vooraf nemen, anticiperen; zie het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab)
- προείρηκα (= proeirèka: ik heb voorzegd; wkw act ind perf 1ste pers enk van het wkw προ-λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- προειπόντες (= proeipontes: vooraf gezegd zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw προ-λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- προειρημένα (= proeirèmena: het bovengenoemde; wkw pass part aor acc onz mv van het wkw προ-λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg, - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les.
Fr: leçon)
- προμεριμνᾶτε (= promerimnate: maakt je van tevoren zorgen; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw προμεριμναω = promerimnaô: zich van tevoren zorgen maken)
- προνηστευσάτω (= pronèsteusatô: dat hij vooraf vaste; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw προνηστευω = pronèsteuô: vooraf vasten)
- προοριζω = proorizô (vooraf bepalen, bestemmen) Taalgebruik in het NT: pro-orizô
(vooraf bepalen, bestemmen).
- προπετῆ (= propetè: vooovervallend, onbezonnen; bv nw nom onz mv van het bv nw προπετης = propetès)
- προς (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting) Mc 1,40 Mc 5,15 Lc 1,55 Lc 9,13 Lc
17,22 Lc 18,9 Lc
22,45
- πρὸς (= pros: naar, bij, vz)
- προς τον = pros ton (naar ) Mc 5,15
- προς τον ιησουν = pros ton Ièsoun (naar Jezus) Mc 5,15.
- προς τους = pros tous (naar de) Lc
17,1
- προς τους πατερας = pros tous pateras (tot de vaders) Lc 1,55
- προς τους πατερας ἡμων = pros tous pateras hèmôn (tot onze vaders) Lc 1,55.
- προσάββατον (= prosabbaton: daags voor de sjabbat; zn nom onz enk).
- προσαίτης (= prosaitès: bedelaar; zn nom mann enk; zie wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen + voorzetsel προς = pros: naar)
- προσδεχόμενος (= prosdechomenos: aannemende, verwachtende; wkw med of pass part praes nom mann enk van het wkw προσδεχομαι = prosdechomai: aannemen, wachten, verwachten).
- προσδοκαω (prosdokaô: verwachten, vermoeden, vrezen, hopen).
- prosechô (bijhebben,
bijhouden), zie Lc
12,1.
- προσερχομαι = proserchomai: naderbijkomen) Taalgebruik in het NT: proserchomai
(naderbijkomen) Mt
8,25
- προσῆλθεν (= prosèthen: hij kwam bij; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komen bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; twee wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
- προσῆλθαν (= prosèthan: zij kwamen bij; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komen bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; twee wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
- προσελθὼν (= proselthôn: tot hem komende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komende bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Mc 1,3: .
- προσελθοντες (= proselthontes: naderbij gekomen; wkw act part aor nom mann mv van het wkw προσερχομαι = proserchomai: naderbijkomen) Mt
8,25 Lc
9,12
- και προσελθοντες = kai proselthontes (en naderbijgekomen / en gegaan naar) Mt
8,25.
- προσελθοντες δε = proselthontes de (gegaan echter naar) Mt
8,25 Lc
9,12.
- προσελθοντες αυτῳ = proselthontes autô(i) (gekomen bij) Mc 6,35.
- proserchomai (naderbijkomen) Taalgebruik in het NT: proserchomai
(naderbijkomen) Taalgebruik in Mc: proserchomai
(naderbijkomen) proserchomai (naderbijkomen) Taalgebruik in het NT: proserchomai
(naderbijkomen) Taalgebruik in Mc: proserchomai
(naderbijkomen) prosèlthen (hij kwam naderbij), zie Mt
4,3.
- proseuchè (aanroeping, gebed) Taalgebruik in het NT: proseuchè
(aanroeping, gebed)
- προσευχῆς (= proseuchès: van gebed; zn gen vr enk van het zn προσευχη = proseuchè: gebed)
- προσευχῇ (= proseuchè: in gebed; zn dat vr enk van het zn προσευχη = proseuchè: gebed)
- προσεύχεσθε (= proseuchesthe: bidt; wkw med / pass imperat praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden)
- προσεύχεσθε (= proseuchesthe: jullie bidden; wkw med / pass ind praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden)
- προσηύχετο (= prosèucheto: hij bad; wkw med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw προσεύχομαι: bidden). Mc
14,35.
- προσηύξατο (= prosèuksato: hij bad; wkw med of pass ind aor 3de pers enk van het wkw προσεύχομαι: bidden)
- proseuchomai
(bidden), zie Hnd
6,6
- προσεύξωμαι (= proseuksomai: ik bid; wkw med conjunct aor 1ste pers enk van het wkw προσεύχομαι = proseuchomai: bidden).
- προσευχόμενοι (= proseuchomenoi: biddende; wkw med/pass part praes nom mann mv van het wkw προσεύχομαι: bidden)
- προσευχεσθαι (proseuchesthai: te bidden; wkw med inf van het wkw van het wkw προσεύχομαι: bidden). Lc
18,1.
- παντοτε προσευχεσθαι; altijd bidden. NT (1): Lc
18,1.
- προσέφερον (proseferon: zij brachten naar; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij; pros-: voorvoegsel, -e- augment, -fer-: stam, -on: uitgang 3de pers mv. van het wkw prosferô < pros: bij, naar, en ferô: varen, voeren, dragen, brengen; stam: f/v + r) / Ned: vr, br)
- προσενέγκαι (= prosenegkai: te brengen/ dragen bij; wkw act inf aor van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij)
- prosferô
(brengen of dragen bij), zie Mt
9,2.
- προσκαλεομαι = proskaleomai (bij zich roepen) Mc 3,13
- indicat praes 3de pers enk προσκαλειται = proskaleitai (hij roept tot zich) Mc 3,13.
- partic aor nom mann enk προσκαλεσαμενος = proskalesamenos (bij zich geroepen) Mc 3,13.
- proskaleomai (bij zich roepen) Verwijzing in NT: proskaleomai
(bij zich roepen) Verwijzing in Mc: proskaleomai
(bij zich roepen) zie Mc
3,23 .
- προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen)
- - proskartereô
(volharden, aan iets volhouden), zie Hnd
1,14
- προσκυλιω = proskuliô (ernaartoe rollen) Taalgebruik in de Bijbel: proskuliô
(ernaartoerollen) Mc
15,46
- προσεκυλισεν (= prosekulisen: hij rolde naartoe; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw προσκυλιω = proskuliô: ernaartoe rollen). Mc
15,46.
- προσκολληθήσεται (= proskollèthèsetai: hij zal stevig verbonden worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw προσκολλαω = proskollaô: vastlijmen, stevig verbinden; cfr col = lijm)
- proskuliô (ernaartoerollen), zie Mc
15,46.
- προσκυνεω = proskuneô
(op de knieën vallen bij, aanbidden) Taalgebruik in het NT: proskuneô
(op de knieën vallen bij, aanbidden)
- προσεκύνουν (= prosekunoun: zij knielden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw προσκυνεω = proskuneô: op de knieën vallen bij, aanbidden).
- act ind fut 2de pers enk προσκυνησεις = proskunèseis (jij zult op de knieën vallen, jij zult aanbidden / vereren)
- act ind aor 3de pers εnk προσεκυνησεν = prosekunèsen (hij knielde) Mc
5,6
- προσεκυνησεν αυτῳ = prosekunèsen autô(i) (hij knielde voor hem) Mc
5,6.
- act part aor nom mann mv προσκυνησαvτες = proskunèsantes (op de knieën vallend, aanbiddend) Lc
24,52.
- προσλαβόμενος (= apolabomenos: apart genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω: apolambanô: tot zich nemen, apart nemen)
- προσμένουσίν (= prosmenousin: zij blijven bij; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw προσμένω = prosmenô: blijven bij, verblijven)
- προσωπον = prosôpon: aangezicht) Taalgebruik in het NT: prosôpon
(aangezicht)
- επι προσωπον = epi prosôpon (op het aangezicht) Gn
17,17.
- προσωπου (= prosôpou: van aangezicht; zn gen onz enk van het zn προσωπον = prosôpon: aangezicht) Mc 1,2.
- πρόσωπον (prosôpon: (= prosôpon: aangezicht; zn acc onz enk van het zn προσωπον = prosôpon: aangezicht)
- προσπιπτω = prospiptô (vallen bij) Taalgebruik in het NT: προσπιπτω = prospiptô (vallen bij)
- act indic imperf 3de pers mv προσεπιπτον = prosepipton (zij vielen bij) Mc 3,11.
- προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam: pi) Mc
5,33.
- prosporeuomai (zich op weg begeven naar) Taalgebruik in het NT: prosporeuomai
(zich op weg begeven naar) Taalgebruik in Mc: prosporeuomai
(zich op weg begeven naar)
- prothesis
(tentoonstelling, voorstel, voorafbepaling, plan)
- προστρέχοντες (= prostrechontes: lopende naar; wkw act part praes nom mann mv van het wkw προστρεχω = prostrechô: snellopen naar, hollen naar)
- prostrechô (snellopen naar, hollen naar) Taalgebruik in het NT: prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) Taalgebruik in Mc: prostrechô
(snellopen naar, hollen naar)
- προσδραμὼν (= prosdramôn: lopende naar; wkw part aor / 2de aor nom mann enk bij het wkw προστρεχω = prostrechô: snellopen naar, hollen naar)
- προσθεῖναι (= prostheinai: toe te voegen; wkw act inf aor van het wkw προστιθημι = prostithèmi: bijbrengen, toevoegen)
- πρόθυμον (= prothumon: gewillig; bv nw nom onz enk).
- πρωτοκαθεδρίας (= prôtokathedrias: ereplaatsen; zn acc vr mv van het zn πρωτοκαθεδρία = prôtokathedria: eerste plaats, ereplaats).
- πρωτοκλισίας (= prôtoklisias: voornaamste aanligbedden; zn acc vr mv van het zn πρωτοκλισία: voornaamste aanligbed).
- πρωτος = prôtos: eerste)
Taalgebruik in het NT: prôtos
(eerste)
- πρωτος ( = prôtos: eerste; rangtelwoord bv nw nom mann enk)
- μια (= mia: eerste; rangtelwoord bv nw nom vr enk van het rangtelw πρωτος = prôtos: eerste) Gn
1,5.
- πρώτῃ (= prôtè: eerste; rangtelw dat vr enk van het rangtelw πρωτος = prôtos: eerste)
- πρῶτοι (= prôtoi: eersten; rangtelwoord nom mann mv van πρωτος = prôtos: eerste)
- πρῶτον (= prôton: eerst; bw)
- ψευδω (= pseudô: bedriegen; med liegen; zie pseudo-: vals, bedriegelijk).
- ψευδόχριστοι (= pseudochristoi: pseudochristussen, schijn- ; zn nom mann mv van het zn ψευδόχριστος = pseudochristos: schijn- , pseudochristus).
- ψευδομαρτυρήσεις (= pseudomarturèseis: jij zult leugenachtig getuigen; wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw ψευδομαρτυρεω = pseudomartureô: leugenachtig / vals getuigen)
- ἐψευδομαρτύρουν (= epseudomarturoun: zij getuigden vals; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ψευδομαρτυρεω = pseudomartureô: leugenachtig / vals getuigen).
- ψευδομαρτυρίαι (= pseudomarturiai: valse / bedriegelijke getuigenissen; zn nom vr mv van het zn ψευδομαρτυρία = pseudomarturia: vals / bedriegelijk getuigenis)
- ψευδοπροφῆται (= pseudoprofètai: schijnprofeten; zn nom mann mv van het zn ψευδοπροφήτης = pseudoprofètès: schijn- , pseudoprofeet)
- ψευδοπροφήτης (= pseudoprofètès: schijnprofeet; zn nom mann enk)
- ψευδος (= pseudos: leugen; zn nom onz enk; zie pseudo-: vals, bedriegelijk; pseudoniem < pseudo en onoma: 'schuil'naam).
- ψεῦσμα (= pseusma: leugen; zn nom mann enk)
- ψεύστης (= pseustès: leugenaar, leugenachtig; zn nom mann enk)
- ψιθυριστάς (= psithurista: van laster; zn gen vr enk van het zn ψιθυριστα = psithurista: laster)
- ψυχη (= psuchè: adem, geest, leven). Taalgebruik in het NT: psuchè
(adem, geest, leven).
- nom vr enk ψυχη = psuchè (adem, geest, leven) Lc
1,46.
- ἡ ψυχή μου (= hè psuchè mou: mijn levensgeest, mijn levensdrift). Ps
35,9.
- ἡ δὲ ψυχή μου (= hè de psuchè mou: mijn levensgeest, mijn levensdrift echter). Bijbel (1): Ps
35,9.
- ψυχῆς (= psuchès: ziel; zn gen vr enk van het zn ψυχη = psuchè: ziel, adem, geest, leven)
- ψυχην (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: ziel, adem, geest, leven) Gn
1,24 Lc
14,26
- ψυχην ζωσαν = psuchèn sôzan (levend wezen) Gn
1,24.
- ψυχρῷ (= psycgrô: koud; bv nw dat mann of onz enk van het bv nw ψυχρος = psuchros: koud, kil, fris)
- πτωχος = ptôchos: arme) Taalgebruik in het NT: ptôchos
(arme). Mt
5,3.
- πτωχη (= ptôchè: arm; bv nw nom vr enk van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme)
- πτωχὸν (= prôchon: arme; bv nw acc mann enk van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme). Ps 113,7.
- πτωχοὶ (= ptôchoi: armen; bv nw nom mann mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme).
- πτωχοις (= ptôchois: aan de armen; bv nw dat onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme) Lc 4,18 Lc
18,22.
- πτωχους (= ptôchous: armen; bv nw acc onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme)
- πτῶμα (= ptôma: dode lichaam, lijk; zn acc onz enk).
- πτυσας (= ptusas: nadat hij spuwde; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτυω = ptuô: spuwen, uitspuwen, verachten).
- Ned: put Fr: puit Lat: puteus
- וּפוָּה = ûphuwwâh (en Pua) Ex
1,15.
- פוּאָה = pû´âh (Pua) Ex
1,15
- ּפואָה = ûpû´âh (en Pua) Ex
1,15.
- פועָה = pû`âh (Pua) Taalgebruik in Tenakh: pû`âh (Pua) Ex
1,15.
- πυρ (= pur: vuur; acc onz enk) Taalgebruik in het NT: pur
(vuur).
- πυρὶ (= puri: met vuur; zn dat onz enk van het zn πυρ = pur: vuur)
- πυρεσσω = puressô; koorts hebben; πυρ = pur: vuur) Taalgebruik in het NT: puressô
(koorts hebben)
- πυρεσσουσα (= puressousa: koortsig; wkw act part praes nom vr enk van het wkw πυρεσσω = puressô; koorts hebben; πυρ = pur: vuur)
- puretos
(koorts), zie Mc
1,31
- πυρετός (= puretos: koorts; zn nom mann enk)
- πύργον (= purgon: toren; zn acc mann enk van het zn πυργος = purgos: toren)
- פוץ = pûts (verstrooien, verspreiden). Taalgebruik in Tenakh: pûts (zich verstrooien, zich verspreiden). Dt
30,3.
- וּתְפוּצֶ֣יןָ (ûthephûtsèna: en dat zij verstrooid worden; waw consec + wkw imperf (jiqtol) 3de pers vr mv jussief van het wkw. פוץ (= pûts: verstrooien, verspreiden). Zach
13,7.
- הֱפִיצְךָ (= hèphîtsëkhâ: hij verstrooide je; < wkw act hifil perf 3de pers mann enk + suffix pers. vnw 2de pers mann enk van het wkw. פוץ (= pûts: verstrooien, verspreiden).
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Q.
- Werkwoorden die begionnen met ק = q (qoph): -- qârâ´
(roepen, heten) -- qûm
(opstaan) --
- קָבַר (= qâbhar: begraven). Taalgebruik in Tenakh: qâbhar (begraven). Gn
25,9. Lc 24,12. Arab: قبر (= qabara: be-graven). Getalswaarde: 100+2+200=302.
- וַיִּקְבֹּר = wajjiqëbor (en hij begroef) < wë + act qal imperf 3de pers mann enk Dt
34,6
- וַיִּקְבֹּר אֹתוֹ = wajjiqëbor (en hij begroef hem) Dt
34,6.
- וַיִּקְבְּרוּ = wajjiqëbërû (en zij begroeven) < wë + act qal imperf 3de pers mann mv Gn
25,9
- וַיִּקְבְּרוּ אֹתוֹ = wajjiqëbërû ´othô (en zij begroeven hem) Gn
25,9.
- Hebreeuws NBG Hnd
5,10 וַיִּקְבְּרֻהָ = wajjiqëbëruhâ (en zij begroeven haar) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann mv + suffix persoonl voornaamw 3de pers vr enk
- wë + pass nifal imperf 3de pers mann enk וַיִּקָּבֵר (en hij werd begraven) Dt
34,6.
- קֶבֶר (= qèbhèr: graf, begraafplaats) Lc 24,12. Arab:قبر (= qabr: graf, het graven)
- הַקֶּבֶר= haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw + קֶבֶר = qèbhèr (graf, begraafplaats) Lc 24,12.
- קָבַץ = qâbhats
(verzamelen) Taalgebruik in Tenakh: qâbhats
(verzamelen) Mc 5,21.
- קָדַשׁ = qâdasj (heiligen)
Taalgebruik in Tenakh: qâdasj
(heiligen) Ex
20,8
- jqdsj act qal imperf 3de pers enk יִקְדֹּשׁ = jiqëdosj (hij heiligt) Mt
6,9.
- וַיְקַדֵּשׁ = wajëqaddesj (en hij heiligde) < prefix voegwoord wë + act piël 3de pers mann enk Gn
2,3.
- לְקַדְּשׁוֹ = leqaddësjô (om hem te heiligen) < prefix voorzetsel lë + werkw piël inf constr + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Ex
20,8.
- - qâdasj
(gewijd, heilig zijn), zie Jr
1,5.
- קָדוֹשׁ = qâdôsj
(heilig) Taalgebruik in Tenakh: qâdôsj
(heilig) Lc 1,35
- קָדוֹשׁ יהוה = qâdôsj JHWH (heilig is JHWH) Mc 1,24
- כִּי קָדוֹשׁ אֱנִי יהוה = kî qâdôsj ´anî JHWH (want heilig ben ik, JHWH) Lv
19,2.
- קְדוֹשׁ יהוה = qëdôsj JHWH (de heilige van God) Mc 1,24.
- קֹדֶשׁ / קוֹדֶשׁ = qodèsj / qôdèsj (heiligheid, heiligdom), zie קָדוֹשׁ = qâdôsj
(heilig) Ex
31,15
- בַּקֹּדשׁ = baqqodèsj ( in het heiligdom, in de heiligheid) < prefix voorzetsel bë (in, met) + bepaald lidw ha + zelfst naamw
- קֹדֶשׁ לַיהוה = qodèsj lJHWH (heilig voor JHWH) Ex
31,15.
- q-h-l Taalgebruik in Tenakh: q-h-l (1) act ind perf 3de pers mann enk קָהַל = qâhal (verzamelen, zich verzamelen) (2) zelfst naamw קָהָל = qâhâl (verzameling, vergadering, gemeente, menigte) Mc 1,39 Mc 5,21.
- קַיִן = qajin (Kaïn) Taalgebruik in Tenakh: qajin (Kaïn) Gn
4,9
- אֶל קַיִן = ´èl qajin (tot Kaïn) Gn
4,9.
- וְקַיִן = wëqajin (en Kaïn) Gn
4,9
- וְאֶל קַיִן = qajin (Kaïn)
- קַל = qal (vlug, snel, licht) Taalgebruik in Tenakh: qal (vlug, snel, licht).
- קָלַל = qälal (vlug, gering, onbeduidend, veracht zijn) Taalgebruik in Tenakh: qälal (vlug, gering, onbeduidend, veracht zijn)
- וּמְקַלֶּלְךָ = ûmëqallèlekhâ (en degene die jou veracht) < prefix voegwoord wë -> û + act piel part stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,3.
- קָנַה = qânah (verwerven, bezitten, kopen) Taalgebruik
in Tenakh: qânâh
(verwerven, bezitten, kopen) Mc
15,46
- קָנִיתִי (= qânîthî (ik heb verworven; wkw qal perf 1ste pers enk van het wkw קָנַה = qânah (verwerven, bezitten, kopen). Taalgebruik
in Tenakh: qânâh
(verwerven, bezitten, kopen).
- וַיִּקֵן = wajjiqèn (en hij kocht) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Mc
15,46.
- קוֹל (= qôl: stem, roep). Taalgebruik
in Tenakh: qôl
(stem). קָרָא (= qârâ´: roepen, heten). L en r liggen dicht bij elkaar; het zijn liquida, vloeibare medeklinkers.
- קוֹל אֵת = ´èth qôl (de stem) Gn
3,8.
- קוֹל יהוה = qôl JHWH (stem van JHWH) Gn
3,8.
- בְּקֹל יהוה = bëqôl JHWH (naar de stem van JHWH) Dt 27,10.
- vr mv stat absol en stat construct קוֹלוֹת = qôlôth (stemmen)
- zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk קוֹלוֹתַי = qôlôthaj (mijn stemmen)
- zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk קוֹלוֹתֶיךָ = qôlôthè(j)khâ (jouw stemmen)
- zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv קוֹלוֹתֵיכֶם= qôlôthe(j)khèm (jullie stemmen)
- prefix voorzetsel lë en zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 2de pers mann mv לְקוֹלוֹתֶיכֶם= lëqôlôthe(j)khèm (voor jullie stemmen)
- קָרָא (= qârâ´: roepen, heten). Taalgebruik in Tenakh: qârâ´
(roepen, heten) Gn
1,5. q / k + r: kr-eet, kr-ijsen. Zie קוֹל (= qôl: stem, roep). L en r liggen dicht bij elkaar; het zijn liquida, vloeibare medeklinkers.
- וְקָרָאת = wëqârâ´th (en zij noemde) < prefix voegwoord wë + act ind perf 3de pers vr enk Js
7,14.
- קָרָאתִי (= qârâ´thî: : ik riep; wkw act qal perf 1ste pers enk van het wkw קָרָא = qârâ´: roepen, heten) Js 43,1. Jon
2,3.
- וּקְרָאתֶם = ûqërâ´thèm (en jij zult uitroepen) < prefix verbindingswoord wë + act qal perf 2de pers mann mv Lv
25,10.
- וַיִּקְרָא (= wajjiqërâ´: en hij riep, hij noemde); waw consecutivum: en, + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw קָרָא = qârâ´: roepen, heten) Gn
25,26
- וַיִּקְרָא הָאָדָם = wajjiqërâ´ hâ´âdâm (en Adam riep) Gn
3,20.
- וַיִּקְרָא אֵלָיו = wajjiqërâ´ ´elâ(j)w (en hij riep tot hem) Ex
19,3.
- וַיִּקְרָא אֱלֹהִים = wajjiqërâ´ ´èlohîm
(en God riep) Gn
1,5.
- וַיִּקְרָא אֶת שֵׁם = wajjiqërâ´ (èth) sjem (en hij noemde de naam) Gn
28,19
- וַיִּקְרָא אֶת שֵׁם הַמַּקוֹם = wajjiqërâ´ èth sjem hammaqôm (en hij
noemde de naam van de plaats) Gn
28,19.
- וַיִּקְרָא שֵׁם = wajjiqërâ´ sjem (en hij noemde de naam) Gn
28,19
- וַיִּקְרָא שֵׁם הַמַּקוֹם = wajjiqërâ´ sjem hammaqôm (en hij noemde de naam van de plaats)
- act qal imperat 2de pers mann enk קְרָא = qërâ´ (roep)
- prefix voorzetsel lë + act qal inf constr (om te roepen) לִקְרֹא Js 61,1
- prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act inf construct וְלִקְרֹא (en om te verkondigen) Niet in Tenakh Mc 1,4.
- קָרָה = qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen) Taalgebruik in Tenakh: qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen).
- קָרַע = qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden) Taalgebruik in Tenakh: qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden)
- וַיִּקְרַע = wajjiqëra` (en hij scheurde) < wa: verbindingswoord consecutivum + qal ind imperf 3de pers mann enk Mc
14,63.
- קָרַב = qârabh (naderen, nabij zijn) Taalgebruik in Tenakh: qârabh
(naderen, nabij zijn)
- וַיִּקְרְבוּ = wajjiqërëbhû (en zij naderden) < wa-consecutivum + act qal imperf 3de pers mann mv Lc
15,1.
- קָרוֹב (= qärobh: nabij; bv nw mann enk). Dt 32,35. Ps
85,10. Js
13,6.
- -
- כִּי קָרוֹב = kî qärobh (want nabij). Dt 32,35.
- קָרוֹב יוֹם = qärobh jôm (nabij een dag) Dt 32,35.
- קָשָׁה = qâsjâh (heftig, zwaar, moeilijk zijn) Taalgebruik in Tenakh: qâsjâh (heftig, zwaar, moeilijk zijn)
- קָשֶׁה = qësèh (zwaar, hevig, hard, wreed, weerspannig)
- stat construct קְשֵׁה = qëseh
- qâsjabh
(zijn oren neigen tot, aandacht geven), zie Ps
40,14.
- קָשַׁר = qâsjar (binden, verbonden zijn aan, samenzweren) Taalgebruik in Tenakh: qâsjar (binden)
- וּקְשַׁרְתָּם = ûqësjarëthâm (en jij zult hen binden) < prefix û uit voegwoord wë + werkwoordvorm qal perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv Dt
6,8.
- וּקְשַׁרְתֶּם= ûqësjarëthèm (en jullie zullen binden) < prefix û uit voegwoord wë + werkwoordvorm qal perf 2de pers mann mv Dt
6,8.
- קָטַל = qâtal (doden) Taalgebruik in Tenakh: qâtal (doden).
- qëhâth
(Qehat), zie Gn 46,11
- Qênân
= Qenan (Kenan), zie Gn
5,9.
- -
- מִקִּרְבֶּךָ = miqqirëbèkhâ / miqqirëbëkhâ (uit je midden) < min + qèrèbh + pers voornaamw 2de pers mann enk van het zelfst naamw קֶרֶב = qèrèbh (lichaam, binnenste, ingewanden) Dt 4,3.
- קֶרֶן (= qèrèn: hoorn). Taalgebruik in Tenakh: qèrèn
(hoorn). Lc 1,69.
- רָמָה קַרְנִי (= râmâh qarënî: mijn hoorn verheft zich).
- וְיָרֵם קֶרֶן מְשִׁיחו (= wëjârem qèrèn mësjîchô
(en hij zal de hoorn van zijn gezalfde verheffen).
- קַרְנִי (= qarni: mijn hoorn; < zn קֶרֶן = qèrèn: hoorn + ִי = i van het pers vnw 1ste pers vr enk).
- קָוָה = qâw (1 hopen,vertrouwen 2 nifal: verzamelen) Taalgebruik in Tenakh: qâwâh (nifal: verzamelen)
- passief nifal imperf 3de pers mann mv יִקָּווּ = jiqqâwû (zij worden verzameld) Gn
1,9.
- כַּקַּש (= kaqqesj: als het stro; prefix partikel van vergelijking + zn קַּש = qesj: stro). Ex 15,7.
- קוּם = qûm (opstaan).
Taalgebruik in Tenakh: qûm
(opstaan) Lc
22,46
- w-j-q-m (1) וַיָּקָם = wajjâqâm (en hij stond op) < prefix verbindingswoord wë + act
qal imperf 3de pers mann enk (2) וַיַּקֶם = wajjaqèm (en hij deed opstaan) < prefix verbindingswoord
wë + act hifil 3de pers mann enk Lc
1,68.
- וַיָּקֻמוּ = wajjâqumû (en zij stonden op) < wë + act qal imperf 3de pers mann mv Lc
22,46.
- וּבְקוּמֶךָ = ûbëqûmèkhâ (en in jouw opstaan) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf stat construct + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,7.
- מְקִימִי (= meqîmî: die doet opstaan; wkw act hifil part nom mann enk van het wkw קוּם = qûm: opstaan). Tenakh (1) Ps
113,7. Volgens Jouön heeft de eind jod slechts een ritmische waarde. Ps 113,7.
- מֵקִים (= meqîm: die doet opstaan; wkw act hifil part nom mann enk van het wkw קוּם = qûm: opstaan, opkomen / groeien / te voorschijn komen). Ps 113,7.
- כִּ֣י הִנֵּֽה־אָנֹכִי֩ מֵקִ֨ים (kî hinneh ´ânokhî meqîm: want zie ik
die doet opstaan). Tenach (1): Zach
11,16.
- קָמֶיךָ (= qâmèkhâ: die tegen u opstaan; wkw act qal part stat constr mann mv + suffix pers vnw 2de pers enk van het wkw קוּם = qûm: opstaan). Ex 15,7.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
R.
- Hebreeuwse werkwoorden die beginnen met ר = r:
- Hiëroglyfen: ra wordt weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin; Gr: χειρ = cheir: hand; grijpen) en het determinatief: een cirkel met een punt erin (de zon). Zie : https://nlwikipediaorg/wiki/Ra_(god). Ned: st-ra-len. Lat: radiare: stralen, deelwoord radians: de stralende, de zon. Waarschoots: strauwn.
- רַע = ra` (slecht, kwaad, boos, misdadig) Taalgebruik in Tenakh: ra`
(slecht, kwaad, boos, misdadig) Re 3,12
- הָרַע = hâra` (het slechte) < bepaald lidw + zelfst naamw Re 3,12.
- רָעַב = râ`abh (hongeren, honger voelen) Taalgebruik in Tenakh: râ`âb (hongeren, honger voelen).
- zelfst naamw mann enk רָעָב = râ`âbh (honger, hongersnood) Taalgebruik in Tenakh: râ`âbh (honger, hongersnood) Gn
12,10
- וַיְהִי רָעָב = wajëhî râ`âbh (en er was honger, hongersnood) Gn
12,10.
- הָרָעָב = harâ`âbh (de honger, de hongersnood) < bepaald lidw + zelfst naamw mann enk רָעָב = râ`âbh (honger, hongersnood) Gn
12,10.
- רָאָה = (râ´âh: zien, verschijnen; wkw). Lc
19,7
- (wkw act qal perf 1ste pers enk רָאִיתִי = râ´îthî: ik zag, ik heb gezien van het wkw רָאָה = râ´âh: zien, verschijnen). Ex
3,7
- רָאִיתִי אֶת עֳנִי עַמִּי =
râ´îthî ´èth `änî
`ammî (ik zag de ellende van mijn volk) Ex
3,7.
- act ind perf 3de pers mann mv רָאוּ = râ´û (zij zien) Js 9,1
- רָאוּ אוֹר = râ´û ´ôr (zij zien licht) Js 9,1.
- act qal jiqtol (imperfectum) 3de pers mann enk יִרְאֶה = jire´èh (hij zal zien) Gn
22,14
- יהוה יִרְאֶה = jire´èh JHWH (JHWH zal zien / ziet) Gn
22,14.
- w-j-r` (1) act qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיַּרְא = wajjarë´
(en hij zag) Gn
1,4
- וַיַּרְא אֱלֹהִים = wajjarë´ ´èlohîm (en God zag) Gn
1,4.
- וַיַּרְא יהוה = wajjarë´ JHWH (en JHWH zag) Gn
29,31.
- וַיִּרְאוּ = wajjirë`û (en zij zagen) < prefix nevenschikkend voegw wë en werkwvorm
act ind imperf (jiqtol) 3de pers mann mv Lc
19,7.
- אַרְאֶךָּ= ´arë´èkhâ (ik zal jou tonen) < wertkwoordvorm act hifil imperf 1ste pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
12,1.
- werkw nifal jiqtol 3de pers mann enk = jerâ´èh (hij liet zich zien, hij werd gezien, hij verscheen) Gn
22,14
- prefix verbindingswoord wë + pass nifal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud ןַיֵּרָא = wajjerâ´
(en hij liet zich zien - hij verscheen) Gn 12,7
- ןַיֵּרָא אֱלֹהִים = wajjerâ´ ´èlohîm (en God verscheen) Gn 12,7.
- ןַיֵּרָא יהוה = wajjerâ´
JHWH (en JHWH zich zien - JHWH verscheen) Gn 12,7
- ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm
(en JHWH verscheen aan Abram) Gn 12,7
- ןַיֵּרָא יהוה אֶל אַבְרָם וַיּאֹמֶר = wajjerâ´ JHWH ´èl ´abhërâm
wajjo´mèr (en JHWH verscheen aan Abram en zei) Gn 12,7.
- ןַיֵּרָא אֵלָיו יהוה = wajjerâ´ ´elâ(j)w JHWH (en JHWH verscheen aan
hem) Gn 12,7.
- וְתִרָאֶה = wëtherâ´èh (en dat gezien worde) < prefix voegwoord wë + passief nifal imperf jussief 3de pers vr enk Gn
1,9.
- רָעָה = râ`âh (herderen, weiden OF het kwade,
slechtheid) Taalgebruik in Tenakh: râ`âh
- רֹעֶה (= ro`èh: weidend, herder; wkw act qal part nom mann enk van het wkw רָעָה = râ`âh: herderen, weiden). Ex
3,1.
- הָיָה רֹעֶה = hâjâh ro`èh (hij was weidend) Gn
37,2.
- רֹעֶה אֶת צֹאן = ro`èh ´èth tso´n (weidend de kudde) Ex
3,1
- רֹעֶה צֹאן = ro`èh tso´n (weidend een kudde) Ex
3,1.
- act part praes mann mv רֹעִים = ro`îm (herders)
- הַרְעִיפוּ (= harë`îphû: druppelt; wkw act hifil imperat 2de pers mann mv
van het wkw רָעָף = râ`âph: druppelen). Js
45:8.1.
- râ`asj
(heen en weer geschud worden), zie Mt
8,24.
- r-b bijvoegl naamw רַב = rabh (veel,
talrijk, groot) zelfst naamw robh Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh
(veel, talrijk, groot)
- וְרַב = wërab (en veel) < prefix voegwoord wë + bijvoegl naamw רַב = rabh (veel,
talrijk, groot Js
54,13.
- mann en onzijd mv רַבִּים = rabbîm (vele) Js
54,1.
- וְרַבִּים = wërabbîm (en velen) < prefix voegwoord wë + mann mv van het bijvoe
- gl naamw רַב = rabh (veel,
talrijk, groot) Ezr 3,12.
- רָבָה = râbâh: veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien. Taalgebruik in Tenakh: râbâh (veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien)
- act ind qap jiqtol (imperf) 3de pers mann enk יִרְבֶּה = jirëbèh (hij zal talrijk worden) en act hifil jiqtol (imperf) 3de pers mann enk יַרְבֶּה = jarëbèh (hij zal doen talrijk worden)
- וּרְבוּ = ûrëbhû (en weest talrijk) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act qal imperat 2de pers mv
- וְיַרְבֶּךָ = hifil imperf jussivus
derde persoon mannelijk enkelvoud met suffix (kha) (hij make je talrijk) van het persoonlijk voornaamwoord
tweede persoon mannelijk enkelvoud Gn
28,3.
- וְהִרְבֵּיתִי (= wëhirëbê(j)thi(j): ik zal talrijk maken; prefix voegwoord wë + wkw hifil perf 1ste pers enk van het wkw רָבָה = râbâh: veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien).
- act ind qal yiqtol (imperfect) 3de pers mann mv יִרְבּוּ = jirëbû (zij worden talrijk)
- act hifil jiqtol (imperf) 3de pers mann mv = jarëbû (zij zullen hen talrijk doen worden)
- לְמַרְבֵּה (= lëmarbèh: aan de doen toenemende / groeiende) < prefix voorzetsel lë + wkw act hifil part mann enk van het wkw = râbâh: veel, talrijk worden of zijn, ver, groot, lang, machtig zijn, opgroeien).
- Ῥαββί (= rabbi: mijn meester; Hebr)
- râcham
(beminnen, zich ontfermen), zie Ps
111,5.
- רָחֵל = râchel (Rachel) Taalgebruik in Tenakh: râchel
(Rachel) Gn
29,10
- וְרָחֵל = wërächel (en Rachel) Gn
29,10 .
- רָחַף = râchaph
(trillen, piël: zweven) Taalgebruik in Tenakh: râchaph
(trillen, pi zweven)
- act piël part vr enk מְרַחֵפֶת = mërachèphèth (zwevende) Gn 1,2.
- רָחַק = râchaq (ver zijn, zich verwijderen) Taalgebruik in Tenakh: râchaq
(ver zijn, zich verwijderen)
- hithpaël perf 3de pers mann enk הִתְרַחֵק = hithëracheq (hij week uit, hij trok zich terug)
- râchaq
(ver zijn, zich verwijderen), zie Ps
22,2.
- רָדָה = râdâh (vertreden, innemen, heersen) Taalgebruik in Tenakh: râdâh (vertreden, innemen, heersen)
- act qal jiqtol (imperfectum) 2de pers mann mv יִרְדּוּ = jirëdû (zij heersen)
- וְיִרְדוּ = wëjirdû (en dat zij heersen) < prefix voegwoord wë + qal act imperf 3de pers mv jussief Gn
1,26.
- Lat: ra-diare (st-ra-len, schijnen). Hiëroglyfen: ra wordt weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin; Gr: χειρ = cheir: hand; grijpen) en het determinatief: een cirkel met een punt erin (de zon). Zie : https://nlwikipediaorg/wiki/Ra_(god). Ned: st-ra-len. Lat: radiare: stralen, deelwoord radians: de stralende, de zon. Waarschoots: strauwn.
- רָפָה = râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn) Taalgebruik in Tenakh: râphâh (zich neigen, slap zijn, moedeloos zijn)
- act qal perf 3de pers mann enk רָפָה = râphâh Lc
9,12.
- ῥαφίδος (= rafidos: van een naald; zn gen vr enk van het zn ῥαφίς = rafis: naald)
- râgasj
(onrustig zijn, tobben), zie Ps
2,1
- רָחֵ֥ל (= râchel: Rachel; dochter van Laban (de broer van Rebekka, de moeder van Jakob), de vrouw van Jakob). Gn
29,28.
- וְרֹכְבֹו (wërokhbhô: en zijn ruiter; vw wë + wkw part qal mann enk van het wkw רכב = râkâbh: rijden). Ex 15,1.
- râph´â (genezen), zie 281
- râphad (uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken) Taalgebruik
in Tenach: râphad
(uitspreiden, een bed uitspreiden, verkwikken).
- רָמָה (= râmâh: hij wierp; wkw act qal perf 3de pers mann enk van het wkw רָמָה
- רָמַשׂ = râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen) Taalgebruik in Tenakh: râmash (kruipen, sluipen, zich bewegen) Gn
1,21
- הָרֹמֶשֶׂת = hâromèsjèth (de zich bewegende) < prefix bepaald lidw + werkwoordvorm qal part stat absol vr enk
- וָרֶמֶשׂ = wârèmès (en het kruipend gedierte) < prefix wë + prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,24.
- רָנַן = rânan (roepen, jubelen, jammeren) Taalgebruik in Tenakh: rânan
(roepen, jubelen, jammeren)
- רָנִּי (= rânnî: jubel; wkw act qal imperatief 2de pers vr enk van het wkw רָנַן = rânan: roepen, jubelen, jammeren). Js
54,1.
- רָנּו (= rânnû: jubelt; wkw act qal imperat 2de pers mann mv van het wkw רָנַן = rânan: roepen, jubelen, jammeren). Js 44,23.
- rapizô
(afranselen, in het gezicht slaan), zie Mt
26,67.
- ῥάπισμα (= rapisma: oorvijg; zn acc onz enk)
- רַק = raq (dun, mager; bijw: slechts, alleen, maar) Taalgebruik in Tenakh: raq (dun, mager; bijw: slechts, alleen, maar).
- רָקִיעַ = râqîa` (uitspansel) Taalgebruik in Tenakh: râqîa` (uitspansel) Gn
1,6
- בִּרְקִיעַ = birëqîa` (in uitspansel, in gespante) Gn
1,14.
- הָרָקִיעַ = hârâqîa` (het uitspansel) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,7.
- לָרָקִיעַ = lârâqîa` (tot het uitspansel) < prefix voorzetsel lë + bepaald lidw ha + zelfst naamw Gn
1,7.
- רָשָׁע = râsjâh (goddeloos, schuldig zijn) Taalgebruik in Tenakh: râsjâh (goddeloos, schuldig zijn).
- ῥαπίσμασιν (= rapismasin: oorvijgen; zn dat mv van het zn ῥαπίσμα = rapisma: oorvijg).
- רָ֠שׁ (= râsj: arme, behoeftige; wkw part qal mann enk van het wkw רוש = rwsj: arm behoeftig zijn).
- rasséréner = weer ophelderen, weer tot rust brengen, weer opvrolijken; zie sereen).
- תִּֿרְצָֽח (thiztsach: jij zult doden; wkw act jiqtal 2de pers enk van het wkw רצח = râtsach: doden, vermoorden). Dt
5,17.
- רָצָה = râtsâh (welgevallen) Taalgebruik in Tenakh: râtsâh
(welgevallen)
- act qal perf 3de pers vr enk רָצְתָה= râtsëthâh (zij welgevalt) Js 42,1.
- act imperat 2de pers mann enk רְצֵה = rëtseh (wees genadig, wees welgevallig) Ps
40,14.
- יִצְּרֶ֖נְהוּ (= jitsârènëhû: hij beschermde haar; wkw act imperf 3de pers enk van het wkw נצר : nâtsar: beschermen).
- רָצַץ = râtsats (knakken, verbreken, verdrukken) Taalgebruik
in Tenakh: râtsats
(knakken, verbreken, verdrukken)
- וַיִּתְרֹצֲצוּ = wajjithërotsätsû (en zij bewogen zich heftig, zij botsten
tegen elkaar) < prefix voegwoord wë + werkw vorm hithpoël imperfectum
derde persoon mannelijk meervoud Gn
25,22.
- E: reassessment: herbeoordeling, herwaardering, hertoetsing, heroverweging, herevaluatie.
- Ned: rebelleren D: E: to rebel, to revolt Fr: rebeller, revolter Lat: re-bellare - re-bellum: re- opnieuw + bellum: oorlog: de oorlog weer beginnen In Gn
14,4: Gr: act ind aor 3de pers mv = apestèsan (zij stelden af - afstaan - zij namen afstand) van het werkw = apistèmi (af-staan, afstand nemen van) Geeft de mem < min de aanleiding tot een vertaling met apo- ? Speelt het zwakke werkw jârad (j-r-d): afdalen, neerdalen mee ? Lat: act ind perf 3de pers mv recesserunt ab eo (zij vielen van hem terug) van het werkw recidere (hervallen, terugvallen, beter: afvallen) E: they rebelled Fr: ils se revoltèrent
- rechtstreeks / direct zie euthus
- רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) Taalgebruik in Tenakh: règèl (voet, voetstap)
- רַגְלָיו = ragëlâ(j)w (zijn voeten) < stat constr mann mv + suffix persoonl voornaamw 3e pers mann enk Mc 5,22
- עַל רַגְלָיו = `al ragëlâ(j)w (bij zijn voeten) Mc 5,22.
- regen Verwijzing: gèsjèm
(regen), zie Zach
10,1 + mâtâr
(regen), zie Zach
10,1
- rèma
(woord), zie Lc
9,45
- ῥήσσει (= rèssei: hij breekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ρησσω = rèssô - ρηγνυμι = règ-nu-mi: breken, verbrijzelen)
- רֵאשִׁית (= re´sjîth: begin). Ps 111,10.
- רֵאשִׁית חָכְמָה (= re´sjîth châkhëmâh (chokma): begin van wijsheid). Ps 111,10.
- וַיִּתְרֹצֲצוּ (= wajjithërotsätsû: en zij bewogen zich heftig, zij botsten
tegen elkaar; < prefix vw wë + wkw hithpoël imperf
3de pers mann mv van het wkw רָצַץ = râtsats: knakken, verbreken, verdrukken). Taalgebruik
in Tenakh: râtsats
(knakken, verbreken, verdrukken). zie Gn
25,22. Lc
1,41.
- ρημα = rèma: woord, uitspraak) Taalgebruik in het NT: rèma
(woord, uitspraak)
- ρημα (= rèma: woord, uitspraak; zn acc onz enk) Lc 1,37
- παν ρημα = elk woord Lc 1,37.
- επι τῳ ρηματι = epi tô(i) rèmati (op het woord) Dt
8,3.
- τα ρηματα του θεου = ta rèmata tou theou (de woorden van God) Ex
24,3.
- τα ρηματα του κυριου = ta rèmata kuriou (de woorden van de Heer) Ex
24,3.
- κατα το ρημα (= kata to rèma: volgens het woord). Lc
2,29.
- Fr: re-marqu-er: be-merk-en, op-merk-en.
- Fr: re-mettre: weer op zijn plaats brengen, zetten, leggen, herstellen, afgeven, afleveren, overgeven. Lat: re-mittere; zn re-missio < re-missus: wkw pass part perf).
- reputatus (= gerekend onder; wkw pass part perf nom mann enk van het wkw reputare: rekenen, overwegen, rekenen onder).
- Lat: re-sur-rect-io: her-op-richt-ing < lat wkw rig-ere, regi, rectum: pass dlw perf: ge-richt, ge-recht. Ned: ver-rijz-e-nis, D: Er-reig-nis, Gr: ε-γειρ-ω= e-geir-ô - metathesis g-r/ r-g? Lat: e-rigere, erectum: pass part perf: uit-gericht, opgericht, zn e-rect-io: erectie.
- רִבְקָה (= ribhëqâh (Rebekka) Taalgebruik in Tenakh: ribhëqâh (Rebekka) Gn
24,45.
- ἔρριψεν (erripsen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ῥίπτω = riptô: werpen).
- ερριμμενοι (= errimmenoi: verworpen, hulpeloos; wkw pass part perf nom mann mv van het wkw ῥίπτω = riptô: werpen, verwerpen).
- ρίζα (= ritsa: wortel). Lat: rad-ix (radiks). Ned: wo-r-t-l.
- ῥιζῶν (= ridzôn: van de wortels; zn gen vr mv van het zn ῥιζα = ritsa: wortel).
- rîq
(ijdeloos, tevergeefs), zie Ps
2,1.
- רֵאשִׁית = re´sjîth (begin) Taalgebruik in Tenakh: re´sjîth
(begin) Gn
1,1
- בְרֵאשִׁית = bëre´sjîth (bij aanvang, aanvankelijk)
< voorzetsel bë + zelfstandig naamwoord Gn
1,1.
- Ned: riet Fr: roseau r; t/s In het hiëroglyfisch: een gebonden rietbundel, klankwaarde is
- Ned: roepen Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen) Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen) Aramees: קְרָא =qërâ´ (roepen) D: rufen E: to call Fr: appeler (Lat appellare
- pellere: pousser, dringen; aandringen, oproepen) Grieks: καλεω = kaleô (roepen,
noemen) Taalgebruik in het NT: kaleô
(roepen) κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) Taalgebruik in het NT: kèrussô
(verkondigen) Hebreeuws: קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) Taalgebruik in Tenakh: qârâ´
(roepen, heten) Lat: vocare (vox = stem) l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar; het zijn lingualen. Orgaan van roepen is de stem; zie Hebreeuws: קוֹל = qôl (stem, roep) Taalgebruik
in Tenakh: qôl
(stem).
- rogare (= vragen; v-r-g).
- rômaios
(Romein), zie Hnd
28,17.
- רֹאשׁ = ro´sj: hoofd, top, begin). Taalgebruik in Tenakh: ro´sj
(hoofd, top, begin) Gn
- עַל רֹאשׁ = `al ro´sj (op het hoofd van) Ps 133,2
- עַל רֹאשׁ אַהֱרֹן = `al ro´sj ahäron (op het hoofd van Aäron) Ps 133,2.
- הָרֹאשׁ = hâro´sj (het hoofd) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw mann enk רֹאשׁ = ro´sj
(hoofd, top, begin) Ps 133,2
- עַל הָרֹאשׁ = `al hâro´sj (op het hoofd) Ps 133,2.
- Ῥούφου (= roufou: van Rufus; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ῥούφος = roufos: Rufus).
- Ned: roven. D: be-rauben. E: rob. Gr:
ἁρπαζω = harpazô (roven). Lat: rapere (roven). Stam: r-v/b/p.
- Ned: rover D: Räuber E: robber Lat: rapax / raptor
- רוּע (= rw`: luid schreeuwen, juichen). Taalgebruik in Tenakh: rw`
(luid schreeuwen, juichen).
- הָרִיעִי (= hârî`î: verheug je; wkw act hifil imperat 2de pers vr enk van het wkw רִוע = rw`: luid schreeuwen, juichen). Tenach (1): Zach
9,9 .
- תּרִימוּ (= thârîmû (jullie zullen juichen; wkw act hifil jiqtol - imperf - 2de pers mann mv van het wkw רִוע = rw`: luid schreeuwen, juichen). Sef 3,14.
- הָרִיעִי (= hârî`î: verheug je; wkw act hifil imperat 2de pers vr enk van het wkw רִוע = rw`: luid schreeuwen, juichen). Tenach (1): Zach
9,9 .
- zelfst naamw vr enk תְרוּעָה = thërû`âh (gejuich, krijgsgeschreeuw)
- רוַּח (= rûach: geest). Taalgebruik in Tenakh: rûach
(geest). Js
59,21. Mc 1,26 Lc 1,35 Lc 2,25 Lc 4,18
- רוחִי (= rûchî: mijn geest; < zn רוַּח = rûach: geest, geestdrift, wind, adem + suffix pers vnw 1ste pers enk). Lc 1,47.
- רוַח אֲדֹנָי = rûach ´ädonâj (de geest van mijn Heer) Lc 4,18.
- רוַח יהוה = rûach JHWH (de geest van JHWH) Lc 4,18.
- וְרוַח יהוה = wërûach JHWH (en de geest van JHWH) Lc 4,18.
- רוַח אֱלֹהִים = rûach ´èlohîm (de geest van God) Gn 1,2 Lc 4,18.
- וְרוַח אֱלֹהִים = wërûach ´èlohîm (en de geest van
God) Gn 1,2 Lc 4,18.
- וּבְר֤וּחַ (= ûvrûzach: en door de adem, geblaas, wind, geest; < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel bë + zn vr enk rûach: adem, geblaas, wind, geest). Tenakh (11). Ex 15,8.
- בָרוּחַ / בְרוּחַ (= bërûach / bârûach (in een geest van / in de geest van; met de adem, geblaas van) < prefix voorzetsel bë + eventeel het bepaald lidw ha + zn nw רוַח = rûach: geest). Mc 1,23.
- הָרוּחַ = hârûach (de wind, de geest) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Mc 1,26.
- רוּם (= rûm: zich verheffen, opstaan). Taalgebruik in Tenakh: rûm
(zich verheffen, opstaan).
- רָמָה (= râmâh: hij is verheven; wkw act qal perf 3de pers vr enk van het wkw רוּם = rûm: verheffen, opstaan).
- רָמָה (= râmâh: verheven; wkw qal part perf vr enk van het wkw רוּם = rûm: verheffen, opstaan).
- רָמָה (= râmâh: hij wierp; wkw act qal perf 3de pers mann enk van het wkw רָמָה = râmâh: werpen, schieten, slingeren).
- יָרִים (= jârîm: hij verheft; wkw act hifil imperf 3de pers mann enk van het wkw רוּם: = rûm: zich verheffen, opstaan). 1 S 2,8.
- act hifil iqtol (imperf) 2de pers mann enk en 3de pers vr enk תָּרִים = thârîm (jij /zij zal heffen)
- תָּרִים קַרְנֵֽנוּ (jij zult mijn hoorn verheffen)
- act hifil imperf 2de pers mann mv תָּרִימוּ = thârîmû (jullie zullen heffen)
- תָּרִימוּ תְרוּמָה = thârîmû thërûmâh (jullie zullen heffen een heffing)
- מְרוֹמֵם (= mërômem: doen opstaande; wkw polel part mann enk van het wkw רוּם = rûm: verheffen, opstaan).
- וַאֲרֹמְמֶֽנְהוּ (= wë'ärommenhû: en ik zal hem verheffen / verheerlijken; prefix verbindingswoord wë + wkw polel imperf 1ste pers enk + suffix pers vnw 3de pers enk van het wkw רומ = rûm: verheffen, verheerlijken). Ex 15,2.
- תְרוּמָה = thërûmâh (heffing, afzondering, gave) Taalgebruik in Tenakh: thërûmâh (heffing, afzondering, gave) Zie ook het werkw רוּם = rûm (zich verheffen, opstaan) Taalgebruik in Tenakh: rûm
(zich verheffen, opstaan).
- רוּן= rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen) Taalgebruik in Tenakh: rûn (bewusteloos zijn door wijn, juichen)
- act qal ind perf 3de pers mann enk רָן = rân (hij juichte)
- ρυομαι = ruomai: behoeden, beschermen, redden, bevrijden) Taalgebruik in het NT: ruomai (behoeden, beschermen, redden, bevrijden)
- ῥῦσαι (= rusai: verlos; wkw med imperat aor 2de pers enk van het wkw ρυομαι = ruomai: behoeden, beschermen, redden, bevrijden, verlossen)
- ῥύσασθαι (= rusasthai: te verlossen; wkw inf aor van het wkw ρυομαι = ruomai: behoeden, beschermen, redden, bevrijden, verlossen)
- pass part aor acc mann mv ρυσθεντας = rusthentas (verlost, bevrijd) Lc
1,74.
- נָּרוּצָה (= narûtsâh: laten wij rennen; wkw act 1ste pers mv cohort van het wkw רוץ = rûts: snel gaan, lopen, rennen). Tenach (1): Hl 1,4.
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
S.
1. סַעַר = sa`ar (storm) Taalgebruik in Tenakh: sa`ar (storm) Jon
1,4 Lc 8,23.
2. וְסַעַר = wësa`ar (en een stormwind) < prefix verbindingswoord wë + het zelfst naamw סַעַר = sa`ar (storm) Jon
1,4 Lc 8,23.
וְסַעַר גָדוֹל = wësa`ar gâdôl (en een grote stormwind) Mc
4,37
- סְעָרָה = sa`arah (storm) Jon
1,4 Lc 8,23.
- הַסַּעַר = hassa`ar (de storm) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw Jon
1,4.
יְסֹֽבְבֶ֙נְהוּ֙ (= jësobhbnëhû = hij omheinde hem); wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw סבב = sâbab: beschermend omringen, omheinen).
σαββατον = sabbaton: sabbat) Taalgebruik
in het NT: sabbaton
(sabbat) Ex
16,23
- σαββατου (= sabbatou: sabbat; zn gen onz enk van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) Mc
16,1.
- dat onz enk σαββατῳ = sabbatô(i) Lc
6,9
- εν σαββατῳ = en sabbatô(i) (op sabbat) Mc 2,23.
- εν τῳ σαββατῳ = en tô(i) sabbatô(i) (op de sabbat) Mc 2,23.
- nom onz mv σαββατα = sabbata (sabbat) Ex
16,23.
- σαββάτων (sabbatôn: van de week; zn gen onz mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat; mv week)
- σαββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) Mc 1,21 Lc
13,10
- εν τοις σαββασιν = en tois sabbasin (op de sabbatdagen) Mc 2,23.
Σαδδουκαῖοι (= saddoukaioi: Saduceeën; nom mann mv)
act ind perf 3de pers mann enk סָגַר = sâgar (sluiten)
Taalgebruik in Tenakh: sâgar
(sluiten) 1 S 1,5
סַל = sal (mand, korf) Taalgebruik in Tenakh: sal (mand, korf).
Σαλώμη (= Salômè: Salome; zn eigennaam nom vr enk).
וּשְׂמָחִי (= ûshëmâchî / wëshimëchî: en
verheug je; prefix vw waw + wkw act qal imperat 2de pers vr enk van het wkw שְמָח = shamach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn).
Lat: salus, gen: salutis (bv nw nom mann enk). Fr: salut- wordt salut.
Lat: salva-tor (red-der, be-vrij-der, heiland). Fr: sauveur (sa: l wordt u; vator: t valt weg, a-o wordt eu).
Gr: σω-τηρ (sôtèr). סָמַך = sâmakh (leunn, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) Taalgebruik in Tenakh: sâmakh (leunen, steunen, verzorgen, de hand opleggen, rusten) Dt
34,9
שְמָח (= shâmach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn).
-
σαμαρεια = samareia (Samaria)
- gen vr enk σαμαρειας = samareias (van Samaria) Lc 17,11.
סָפַר = sâphar (schrijven, griften, cijferen) Taalgebruik in Tenakh: sâphar (schrijven, griften, cijferen) Mc 1,2
- pass nifal perf 3de pers mann enk נִכְתַּב = nikhëthabh (er werd geschreven) Mc 1,2.
σαρα = Sara Gn
16,1
- gen vr enk σαρας = Saras (van Sara) Gn
16,1.
- acc vr enk σαραν = Saran (Sara) Gn
16,1.
Sârâh
(Sara), zie Gn
17,15
σάρξ (= sarks: vlees; zn nom vr enk)
- σάρκα (= sarka: vlees; zn acc vr enk van het zn σάρξ = sarks: vlees)
nom mann enk σατανας (= satanas: satan)
Taalgebruik in het NT: satanas
(satan) Mc
4,15
- Σατανᾶ (= satana: van Satan; zn gen mann enk van het zn σατανας: = satanas: satan)
- Σατανᾶ (= satana: Satan; zn voc mann enk van het zn σατανας: = satanas: satan)
Lat: satiare (= ver-zad-igen; satis: genoeg).
Ned: scheiden Arabisch: faSala (scheiden) Taalgebruik in de Qoran: faSala (scheiden) D: scheiden E: separate Fr séparer Grieks: διαχωριζω = diachôrizô (uiteenplaatsen, zich verwijderen) Taalgebruik in de Septuaginta: diachôrizô
(uiteenplaatsen, zich verwijderen) Hebreeuws: בָדַל = bâdal (afscheiden, verdelen)
Taalgebruik in Tenakh: bâdal
(afscheiden, verdelen) Italiaans: separare Latijn: separare Spaans: separar
σχιζω = schizô: scheuren) Taalgebruik in het NT: schizô (scheuren)
- εσχισθη (= eschisthè: het werd gescheurd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σχιζω = schizô: scheuren) Mc 15,38.
- σχιζομένους (= schizomenous: scheurende; wkw act part aor acc mann mv van het wkw σχιζω = schizô: scheuren)
Ned: schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v Arabisch: كَتَبَ = kataba (schrijven) Taalgebruik in de Qoran: kataba (schrijven) Aramees: סְפַר = sephar (tellen, schrijven) D: schreiben E: write Fr: écrire Grieks: γραφω = grafô
(schrijven,griften) Taalgebruik in het NT: grafô
(schrijven) Hebreeuws: סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) Taalgebruik in Tenakh: sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN כָּתַב= kâthabh
(schrijven) Taalgebruik in Tenakh: kâthabh
(schrijven) Latijn: scribere
Lat: securum. Fr: eindlettergreep vervalt -> secur, zie Ned: zeker. Fr: secur: de c vervalt voor o of u -> seur;
σήμερον (= sèmeron: vandaag; bw van tijd)
Lat: sepem (omheining; zn acc vr enk van het zn sepes = saepes:omheining, heg, haag, versperring). Mc 12,1.
σφοδρα (= sfodra: geweldig, buitengewoon, zeer; bw). Taalgebruik in het NT: sfodra (geweldig, buitengewoon, zeer) PJ 1,1
שָׂמַח = shâmach
(zich verheugen) Taalgebruik in Tenakh: shâmach
(zich verheugen)
- sjâ´al
(verlangen, eisen, vragen), zie Zach
10,1
ַמה־שְּׁאֵלָתֵ֖ךְ : vragend vnw מה = wat; שְּׁאֵלָתֵ֖ךְ (= sjë'elâthekh: jouw vraag; zn nw vr enk stat constr van het zn שְׁאֵלָה = sjë'elâh: vraag; pers vnw 2de pers vr enk: van u).
- sjä´ar
(overblijven, achterblijven), zie Jr
31,7
sâbhabh
(draaien, omsingelen), zie Ps
18,6
שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) Taalgebruik in Tenakh: sjâ´al (verlangen, eisen, vragen)
- וַתִּשְׁאַל = waththisjë`al (en zij vroeg) < prefix voegwoord wë + act ind imperf 3de pers vr enk Mc 7,26.
שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjâwach
en שָׁחַח = sjâchach) Taalgebruik in Tenakh: sjâchâh
(neerbuigen)
- הִשְׁתַּחֲווּ = hisjëthachäwû (zij bogen zich neer, zij aanbaden): (1) hitpaël perfec 3de pers mann mv: Tenakh (1): Jr 8,2 (2) hitpaël imperatief 2de pers Lc 24,52.
שָׂדֶה = shâdèh (veld) Taalgebruik in Tenakh: shâdèh
(veld)
- שָׂדְךָ / שָׂדֶךָ = shâdëkhâ / shâdèkhâ (je veld) < zelfst naamw vr enk stat constr + suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk Lv
25,4
- שָׂדְךָ לֹא = shâdëkhâ lo´ (je akker niet) Lv
25,4.
סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd) Taalgebruik in Tenakh: sâdîn (onderkleed, linnen hemd) Lc
23,53
-
- sâjach
(nadenken, overdenken, bemediteren), zie Ps
145,5
σκανδαλίζῃ (= skandalidzè: het schandaliseert, het ergert; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren)
סָלח = sâlach (vergeven) Taalgebruik in Tenakh: sâlach (vergeven)
- act qal imperat 2de pers mann enk סְלַח = sëlach (vergeef) Mt
6,12.
σαλευθήσονται (= saleuthèsontai: zij zullen heen en weer
geschud worden; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw σαλευω = saleuô: heen en weer bewegen, schudden)
saleuô
(heen en weer schudden, heftig bewegen), zie Hnd
4,31
σαρκικῶν (= sarkikôn: van vleselijke; bv nw gen mv van het bv nw σαρκικος = sarkikos: vleselijk)
שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) Taalgebruik
in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen)
- וַשָׂמוּ = washâmû (en zij stellen) < prefix wa + qal perf 3de pers mann mv Nu 6,27.
- וְשַׂמְתֶּם = wësamëthèm (en jullie zullen stellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm qal perf 2de pers mann mv Dt
11,18.
- prefix waw consecutivum + act qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm
(en hij plaatste) Gn
22,6 Gn
48,20.
שָׂטַם = shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen) Taalgebruik in Tenakh: shâtam (vijandig zijn, haten, vervolgen)
- act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּשְׂטֹם = wajjishtom (en hij haatte) Gn
27,41.
sâthar
(afwenden), zie Js
50,6
σβέννυται (= sbennutai: hij wordt gedoofd; wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw σβέννυμι = sbennumi: doven, dempen)
Ned: schip Grieks: nom en acc onz enk σκαφος = skafos: het uitgeholde (ruium, romp of buik van het ), schip, schuit Hebreeuws: סְפִטנָה = sëphînâh (schip) Taalgebruik in Tenakh: sëphînâh (schip)
σεαυτὸν (= seauton: jezelf; wederkerig vnw 2de pers acc mann enk van het wederkerig vnw σεαυτος = seautos: jezelf).
sephèr
(boek), zie Gn
5,1
סְפִי= sëphînâh (schip) Taalgebruik in Tenakh: sëphînâh (schip)
- בַסְּפִינָה = bassëphînâh (in het schip) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw
σεισμοὶ (= seismoi: bevingen; zn nom mann mv van het zn σεισμος = seismos: beving, trilling).
- seismos
(beving, trilling), zie Mt
8,24
ἐσείσθη (= eseisthè: werd bewogen; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σειω = seiô: beven, trillen, bewegen).
σελήνη (= selènè: maan; zn nom vr enk).
σήμερον (= sèmeron: vandaag; bw).
Lat: sepivit
(= hij omheinde; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw sepite = saepire: omheinen, omgeven, omringen, versperren, beschermen). Js 5,2. Latijn sex (zes) Lv
23,3
σημειον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk)
Taalgebruik in het NT: sèmeion
(teken)
- σημεια (= sèmeia = sèmeia: tekens; zn acc onz mv van het zn σημειον = sèmeion. teken) Lc 21,25.
σεμνὸν (= semnon: heilig; bv nw acc onz enk van het bv nw σεμνος = semnos: eerbiedwaardig, heilig, verheven)
sënè
(doornstruik, braambos), zie Ex
3,2
Fr: sens. Ned: Z-i-N.
sfadzô: slachten.
- shâdèh
(veld), zie Zach
10,1
- shâm
(plaatsen, stellen) zie Ex
2,14
שָׂמַח = shâmach
(zich verheugen). Taalgebruik in Tenakh: shâmach
(zich verheugen). Jr
31,7.
- וַיִּשְׂמַח (= wajjishëmach: en hij verheugde zich; < prefix waw consecutivum + act qal juqtol - imperfectum - 3de pers mann enk van het wkw שְמָח = shamach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn). Joh
8,56.
- שִׂמְחִי = (shimëchî: verheug je; wkw qal imperat 2de pers mann enk van het wkw שְמָח = shamach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn). Tenakh
(1): Sef
3,14.
- וּשְׂמָחִי (= ûshëmâchî / wëshimëchî: en
verheug je; prefix vw waw + wkw act qal imperat 2de pers vr enk van het wkw שְמָח = shamach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn).
shâmach
(zich verheugen), zie Jr
31,7.
שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) Taalgebruik: shânâ´(haten,
met tegenzin hebben, niet beminnen) act part
- מִשֹּׂנְאַי = mishshonë´aj (uit hen die mij haten) < prefix voorzetsel min (assimilatie van de nun in de sh) + werkwoordvorm act part stat constr mann enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk 2 S 22,41
- שֹׂנְאֵינוּ = shonë´e(j)nû (hen die ons haten) < act part praes mann mv stat constr + suffix persoonl voornaamw 1ste pers m
- shânâ´(haten,
met tegenzin hebben, niet beminnen), zie Gn
29,31.
שַׂר = shar (vorst, prins) Taalgebruik in Tenakh: shar (vorst)
- שָׂרַי = shâraj (mijn vorsten) < stat construct mann mv + suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk Js
10,8.
שָׂרָה = shârâh (vortsin, prinses)
- vr mvשָׂרוֹת = shârôth (prinsessen, vorstinnen)
- zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 1ste pers enk שָׂרוֹתַי = shârôthaj (mijn vorstinnen)
- zelfst naamw vr mv en suffix bezittel voornaamw 2de pers mann enk שָׂרוֹתֶיךָ = hârôthè(j)khâ (jouw vorstinnen), shârôthâ(j)w (jouw vorstinnen)
werkw שָׂרָה = shârâh (strijden) Zie שָׂרָה = shârâh (Sara) Taalgebruik
in Tenakh: shârâh
(Sara)
- יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) < act ind imperf 3de pers mann enk יִשְׂרָה = jishrâ´ (hij strijdt) van het werkw שָׂרָה = shârâh (strijden) + אֵל = ´el (God): God strijdt Dt 6,4.
שָׂרַי (= Shâraj: Sarai; eigennaam). Zie: שָׂרָה (= shârâh: Sara). Taalgebruik in Tenakh: shârâh (Sara). Gn
11,30. Gn
16,1
- וְשָׂרַי (= wëshâraj: en Sarai); Gn
16,1
- שָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = shâraj ´esjèth ´abhërâm (Sara, de vrouw van Abram) Gn
16,1.
- וְשָׂרַי אֵשֶׁת אַבְרָם = wëshâraj ´esjèth ´abhërâm (en Sara, de vrouw van Abram) Gn
16,1.
σεβομαι (= sebomai: vereren, zich schuwen; wkw)
L: sem-per (een-s voor alle keren, altijd). 1
Tes 5,16.
שֵׂעִיר = she`îr (Seïr) Taalgebruik in Tenakh: she`îr
(Seïr) Dt
1,2.
Lat: servus (= dienaar, slaaf; s-r/l-v/f).
אָשִׂ֣ישׂ (= 'âshîshi: ik verheug mij; wkw act ind imperf 1ste pers enk van het wkw שִ֣יש of שׂוש = shûsh of shîsh: zich verheugen, verblijden). Js
61,10.
σιαγόνα (= siagona: wang; zn acc vr enk van het zn σιαγων = siagôn: wang, kaak)
σιωπαω = siôpaô: zwijgen) Taalgebruik in het NT: siôpaô
(zwijgen)
- εσιωπων (= esiôpôn: zij zwegen;wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw σιωπαω = siôpaô: zwijgen) Mc
3,4
- ἐσιώπα (= esiôpa: hij zweeg;wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw σιωπαω = siôpaô: zwijgen).
- σιωπήσῃ (= sôpèsè: hij zou zwijgen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw σιωπαω = siôpaô: zwijgen)
Σιδῶνος (= sidônos: door Sidon; zn eigennaam gen vr enk van het zn Σιδων = sidôn: Sidon)
σιμων = Simôn: Simon) Taalgebruik
in het NT: Simôn
(Simon) Lc 5,4
- σιμωνα (= simôna: Simon; zn eigennaam acc mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) Lc 5,4.
- Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon)
- Sînâj
(Sinaï), zie Ex
16,1.
σιναπι = sinapi (mosterd) Taalgebruik in het NT: sinapi (mosterd)
- gen onz enk σιναπεως = sinapeôs (van de mosterd)
σινδων = sindôn: linnen weefsel) Taalgebruik in de Bijbel: sindôn
(linnen weefsel) Lc
23,53
- σινδονι (= sindoni: in een linnen gewaad; zn dat mann enk van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) Lc
23,53.
- σινδονα (= sindona: onderkleed; zn acc mann mv van het zn σινδων = sindôn: linnen weefsel) Lc
23,53
- sindôn
(linnen weefsel) sindôn
(linnen doek), zie Mc
15,46.
-
הִשְׁבַּ֨עְתִּי
(= hisjba`thî: ik bezweer; wkw act hifil perf 1ste enk van het wkw שׁבע = sjâbha`: bezweren). Hl 2,7.
- נִשְׁבַּע (= nisjëba`: hij zwoer; wkw nifal perf 3de pers mann enk van het wkw שבּע = sjb`: zeven, zweren, vervolledigen / vervullen). Dt 1,8
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע = ´äsjèr nisjëba` (dat hij zwoer) Dt 1,8
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
לאֲבוֹתֵיכֶם = ´äsjèr nisjëba` la´äbhothe(j)khèm
(dat Hij zwoer aan jullie vaders) Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע לאֲבוֹתֵיךָ = ´äsjèr nisjëba` la´äbhothè(j)khâ
(dat Hij zwoer aan je vaders) Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
יהוה לַאֲבֹתֵינוּ = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothè(j)nû
(dat JHWH zwoer aan onze vaders): Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
יהוה = ´äsjèr nisjëba` JHWH (dat JHWH zwoer) Dt 1,8
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע יהוה לאֲבוֹתֵיךָ = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothè(j)khâ
(dat JHWH zwoer aan je vaders) Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
יהוה לַאֲבוֹתָם = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothâm (die
JHWH heeft gezworen aan hun vaders) Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
יהוה לאֲבוֹתֵיכֶם = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothe(j)khèm
(dat JHWH zwoer aan jullie vaders) Dt 1,8.
- אֲשֶׁר נִשְׁבַּע
יהוה לַאֲבֹתֵינוּ = ´äsjèr nisjëba` JHWH la´äbhothè(j)nû
(dat JHWH zwoer aan onze vaders) Dt 1,8.
- כַּאֲשֶׁר נִשְׁבַּע יהוה לָהֶם = ka´äsjèr nisjëba` JHWH lâhèm (zoals JHWH
heeft gezworen aan hen) Dt 1,8.
- nifal perf 1ste pers enk נִשְׁבַּעְתִּי = nisjëba`ëthî (ik zweer) Gn
22,16.
- pass nifal imperf 2de pers mann enk תִּשָּׁבֵעַ = thisjsjäbhe`a (jij zult zweren) Dt
6,13.
שָׁבָה = sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven) Taalgebruik in Tenakh: sjâbâh (gevangen nemen, gevangen wegvoeren, verdrijven)
- act hifil imperat 2de pers vr enk שְׁבִי = sjëbhi (neem gevangen)
- act hifil imperat 2de pers mann mv שְׁבוּ = sjëbhû (neemt gevangen)
- לִשְׁבוּיִם = lisjëbhûjim (tot de krijgsgevangenen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm pass qal part mann mv Js 61,1.
sjâbhach
(loven, prijzen), zie Ps
145,4.
וַיְשַׁבֵּ֥ר (= wajjëbasjsjer: en bij brak; wkw waw consec + act piel imperf 3de pers mann enk van het wkw שבר = sjâbar: breken). Ex 32,19.
שָׁבַת = sjâbath (ophouden, rusten, vieren) Gn
2,3
- וַיִּשְׁבֹּת = wajjisjëboth (en hij hield op) < prefix voegwoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Gn
2,2.
- act qal imperf 2de pers mann enk תִשְׁבֹּת = thisjëboth (jij zult ophouden) Ex
23,12.
zelfst naamw שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) Zie: sj-b-th Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th Lv
23,3 Mc 1,21
- הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw + zelfst naamw Dt
5,12
- אֶת יוֹם הַשַּׁבָּת = ´èth jôm hasjabbâth (de sabbatdagdag) Dt
5,12.
- אֶת יוֹם הַשְּׁבִיעִי = ´èth jôm hasjsjëbhî`î (de zevende dag) Gn
2,3.
- בְּיוֹם הַשַּׁבָּת = bëjôm sjâbbath (op sabbatdag) Ex
31,15.
- -
- אֶת שַׁבְּתֹתַי תִשְׁמֹרוּ = ´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (mijn sabbatten zullen zij onderhouden) Lv
19,3.
- וְאֶת שַׁבְּתֹתַי תִשְׁמֹרוּ = wë´èth sjabbëthothaj thisjëmoru (en mijn sabbatten zullen zij onderhouden) Lv
19,3.
- שַׁבַּת שַּבָּתוֹן = sjabbath sjabbâtôn (sjabbat van de sjabbatten) Lv
25,4.
- שַׁבָּת לַיהוה = sjabbâth lJHWH (voor JHWH) Lv
25,4.
- שַׁבַּת קֹדֶשׁ = sjabbath qodesj (een sjabbat heilig) Ex
16,23
. שְׁחוֹרָ֤ה (= sjâchôrâh: zwart; bv nw vr enk). Tenach = Hl (1) : Hl 1,5..
שָׁחָה = sjâchâh (neerbuigen) (שָׁוַח = sjâwach
en שָׁחַח = sjâchach) Taalgebruik in Tenakh: sjâchâh
(neerbuigen) Lc
24,52
- הִשְׁתַּחֲווּ = hisjëthachäwû (zij bogen zich neer, zij aanbaden): (1) hitpaël perfec 3de pers mann mv (2) hitpaël imperatief 2de pers mann mv Lc 24,52.
- לְהִשְׁתַּחֲוֹת = lëhisjëthachäwoth (om zich neer te buigen) > voorzetsel lë + hitpaël inf stat construct Gn
37,10.
שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) Taalgebruik in Tenakh: sjachar (morgenrood, dageraad)
- הַשָּׁחַר = hasjsjachar (het morgenrood, de dageraad) < prefix bepaald lidw ha + שָׁחַר = sjachar (morgenrood, dageraad) Gn
32,25.
שָׁכַב = sjâkhabh (liggen, zich neerleggen) Taalgebruik in Tenakh: sjâkhab
(liggen, zich neerleggen)
- וּבְשָׁכְבְּךָ = ûbhësjâkhëbëkhâ (en in jouw zitten) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel bë + werkwoordvorm act inf stat construct + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Dt
6,7.
- וּבְשָׁכְבְּךָ וּבְקוּמֶךָ = ûbhësjâkhëbëkhâ ûbëqûmèkhâ (en in jouw zitten en in jouw opstaan) Dt
6,7.
שָׁכַח = sjâkhach
(vergeten) Taalgebruik in Tenakh: sjâkhach
(vergeten).
שָׁכַל = sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden) Taalgebruik in Tenakh: sjâkhal (kinderloos worden, van kinderen beroofd worden).
שָׁכַן = sjâkhan (wonen)
Taalgebruik in Tenakh: sjâkhan
(wonen).
שָׁלַח = sjâlach (zenden)
Taalgebruik in Tenakh: sjâlach
(zenden)
- שְׁלָחַנִי = sjëlâchanî (hij zendt mij) < werkwoordvorm act qal perf 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 1ste pers enk Js 61,1.
- תְּשַׁלַּח (= thisjloch: u hebt gezonden; wkw act qal imperf / jiqtol 2de pers enk van het wkw שָׁלַח = sjâlach: zenden). Ex 15,7.
- וַיִּשְׁלַח = wajjisjëlach < wë + act qal imperf 3de pers mann enk Mc 6,17
- וַיִּשְׁלַח יַעֳקֹב = wajjisjëlach ja`äqobh (en Jakob zond) Gn
32,4.
sjâlach Verwijzing: apostellô
(wegsturen, zenden), zie Joh
1,6.
שָׁלוֹם = sjâlôm
(vrede) Taalgebruik in Tenakh: sjâlôm
(vrede)
- שָׁלוֹם לָכֶם = sjâlôm lâkhèm (vrede zij jullie) Lc 24,36.
- לָךָ שָׁלוֹם = lëkhâ sjâlôm (aan jou vrede) Lc 24,36.
- שָׁלוֹם לָךָ = sjâlôm lëkhâ (vrede aan jou) Lc 24,36.
שׁלשׁ = sjâlosj
/ sjâlôsj / sjëlosj (drie) Taalgebruik in Tenakh: sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie)
- הַשְּׁלִישִׁי = hasjsjëlîsjî (de derde) < bepaald lidw ha + telwoord vr enk Gn
22,4.
sjâphal
(nederig, laag zijn, zich vernederen), zie Ps
113,6.
שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) Taalgebruik
in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen)
- prefix waw consecutivum + act qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud וַיָּשֶׂם = wajjâshèm
(en hij plaatste) Ex
14,21 Lv 8,9.
-
- מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) Mc 6,1.
שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren) Taalgebruik in Tenakh: sjâma`
(horen, luisteren)
- וְשָׁמַעְתָּ = wësjâma`thâ < prefix voegwoord wë (en) + werkwoordvorm act qal perf
2de pers mann enk Dt
30,2
- וְשָׁמַעְתָּ בְקֹלוֹ = wësjama`thâ bëqolô (en je zult luisteren naar
zijn stem) Dt
30,2.
- וְשָׁמַעְתָּ בְּקֹל יהוה אֱלֹהֶיךָ = wësjâma`thâ bëqôl JHWH ´èlohèkhâ
(en je zult luisteren naar de stem van JHWH, je God) Dt 27,10.
- שִׁמְעוּ = sjimë`û (hoort, luistert): act qal imperatief 2de pers mann
mv OF (2) שָׁמְעוּ = sjâmë`û (zij horen): act qal perf 3de pers mann
mv
- וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk Mc 6,14 Ex
2,15 Lc
15,25.
- וְתִשְׁמַ֥ע = waththisjëma` (en zij hoorde) < prefix waw consec + act ind imperf (jiqtol) 3de pers vr enk Mc 7,25.
- תִשְׁמַֹע בְּקֹל יְהוָה אֱלֹהֶיךָ = thisjëma` bëqôl JHWH ´èlohèkhâ
(luister naar de stem van JHWH, je God) Dt
30,10.
- act qal imperf 2de pers mann mv תִשְׁמְעוּ = thisjëmë`û (jullie luisteren) Dt
11,13.
- act qal imperat 2de pers mann enk שְׁמַע = sjëma` (hoor, luister) Dt
6,4
- שְׁמַע יִשְׂרָאֵל = sjëma` (luister, hoor) jishërâ´el (Israël) Dt
6,4
- וְעַתָּה יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = wë`aththâh jishërâ´el sjëma` (en
welnu Israël, luister) Dt
6,4.
- יִשְׂרָאֵל שְׁמַע = ishërâ´el sjëma` (Israël, luister) Dt
6,4.
- act qal inf absolut שָׁמֹעַ = sjâmo`a (te luisteren) Dt
11,13.
- שָׂמַחְתִּי (= sjâmachthî: ik verheug mij; wkw act qal 1ste pers enk van het wkw = sjâmach: zich verheugen op).
- וְנִשְׂמְחָה֙ (= wënishmëchâh : en laten wij ons verheugen; < prefix waw consecutivum + wkw act qal juqtol / imperfectum 1ste pers mv cohortatief van het wkw שְמָח = shamach: zich verheugen, opgewekt, vrolijk zijn).
- sjâmad
(verwoesten, vernietigen,uitroeien), zie Ps
145,20.
- שָׁמַיִם / שָׁמָיִם (= sjâmajim
/ sjâmâjim: hemelen; zn dualis mann mv). Taalgebruik in Tenakh: sjâmajim
(hemelen) Lc 24,51. Js
45:8.
- שָׁמַיִם וְאָרֶץ = sjâmajim wë´èrèts / wä´ârèts
(hemel en aarde) Ex
20,11.
- הַּשָׁמַיִם / הַּשָׁמָיִם = hasjsjâmajim / hasjsjâmâjim (de hemelen) < bepaald lidw
ha + שָׁמַיִם / שָׁמָיִם = sjâmajim
/ sjâmâjim (hemelen) Ex
20,11
- אֶת הַּשָׁמַיִם = ´èth hasjsjâmajim (de hemelen) Ex
20,11
- אֶת הַּשָׁמַיִם וְאֶת הָאָרֶץ = ´èth hasjsjâmajim wë´èth hâ´ârèts (de hemelen en de aarde) Ex
20,11.
- אִת הַּשָׁמַיִם וְאִת הָאָרֶץ = wë´eth hasjsjâmajim wë´eth hâ´ârèts (de hemel en de aarde) Ex
20,11.
- הַשָּׁמַיִמָה (= hasjsjâmajëmâh: naar de hemel; < bepaald lidw
ha + zelfst naamw stat constr mann mv + hâ van richting). Lc 9,16.
- בַּשָּׁמַיִם =
basjsjâmajim (in de hemelen) < voorzetsel bë + bepaald
lidw ha + zelfst naamw mann mv Ex
20,4 Lc
- אֲשֶׁר בַּשָּׁמַיִם = ´äsjèr basjsjämajim (die in de hemelen) Ex
20,4 Mt
6,9.
- שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) Taalgebruik in Tenakh: sjâmar
(behouden, bewaren)
- שָׁמַר = sjâmar (behouden, bewaren) Taalgebruik in Tenakh: sjâmar
(behouden, bewaren) Dt
27,1.
- act qal imperf 3de pers mv תִשְׁמֹרוּ = thisjëmorû (jullie zullen onderhouden) Lv
19,3.
- qal inf absol שׁמוֹר = sjamôr (te onderhouden) Dt
5,12.
- שׁמוֹר אֵת = sjamôr (te onderhouden) Dt
5,12.
- sjâmar
(behouden, bewaren), zie Ps
145,20.
- שָׁנָה = sjânâh
(jaar) Taalgebruik in Tenakh: sjânâh
(jaar) Gn
5,5 Gn
25,7
- וּבַשָּׁנָה = ûbhasjsjânâh (en in het jaar) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + zelfst naamw Lv
25,4.
- מְאַת שָׁנָה = mëath sjânâh (100 jaar) Gn
25,7.
- vr mv (met mannelijke uitgang) שָׁנֶים = sjânîm (jaren) Lv
25,3.
- שָׁנַן = sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen) Taalgebruik in Tenakh: sjânan (een tweede maal zeggen, herhalen)
- וְשִׁנַּנְתָּם = wësjinnanëthâm (en jij zult hen vertellen) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act piël perf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann mv
- סָפַר = sâphar (cijferen, tellen, schrijven, griften) Taalgebruik in Tenakh: sjâphar
(tellen, schrijven )
- act qal part praes mann enk סֹפֵר = sopher (schrijvend -> schrijver)
- sjâqâh
(laten drinken, drenken), zie Gn
29,10.
- sjâqat
(rusten, zich rustig houden), zie Js
62,1.
- שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) Taalgebruik in Tenakh: sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten)
- act qal imperf jussief 3de pers mv יִשְׁרְצוּ = jisjërëtsû (dat zij wemelen) Gn
1,20.
- שָׁתָה = sjâthâh
(drinken) Taalgebruik in Tenakh: sjâthâh
(drinken)
- act ind qal jiqtol (imperfect) 2de pers mann mv תִּשְׁתוּ = thisjëthû (jullie zullen drinken)
- act ind jqtol (imperfectum) 3de pers mann mv יִשְׁתּוּ = jisjëthû (zij zullen drinken)
- sjawë`âh
(geschrei, hulpgeschrei), zie Ex
2,23 שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven) Lv
23,3.
- הַשְּׁבִיעִי = hasjsjëbhî`î (de zevende) Lv
23,3.
- הַשְּׁבִיעִת = hasjsjëbhî`ith (de zevende) < prefix bepaald lidw + rangtelwoord vr enk Lv
25,4
- וּבַשָּׁנָה הַשְּׁבִיעִת = ûbhasjsjânâh hasjsjëbhî`ith (en in het zevende jaar) Lv
25,4.
- שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha`sjânîm (zeven jaren) Gn
29,18.
- שֶׁבַע שָׁנִים = sjèbha` sjânîm (zeven jaren) Dt 15,1
- מֶקֵּץ שֶׁבַע שָׁנִים = miqqets sjèbha`sjânîm (vanaf het einde van zeven jaren) Dt 15,1.
- שֵׁבֶט = sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter) Taalgebruik in Tenakh: sjebhèt (staf, stok, roede, herdersstaf, scepter)
- mann mv שְׁבָטִים= sjebhâtîm (stokken)
- stat constr mann mv שִׁבְטֵי = sjjibh¨te(j) (uitspraak sjivte) (stokken van)
- zelfst naamw mann mv en suffix bezittelijk voornaamw 3de pers mann enk שְׁבָטָיו = sjëbhâtâ(j)w (uitspraak: sjëvâtâw) (zijn stokken)
- שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) Zie: sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven)
- וְשִׁבְעִים = wësjibhë`îm (en zeventig, 70) < prefix wë + sjibhë`îm Gn 12,4
- וְשִׁבְעִים שָׁנָה = wësjibhë`îm sjânâh (en zeventig, 70 jaar) Gn 12,4.
- שֶׁל = sjèl (van), het bezit aanduidend
- שֶׁלִּי = sjèllî (van mij)
- sjelat
(heersen, macht hebben over), zie Da
7,14.
- mann mv שְׁלֹשִׁים = sjëlosjîm (dertig) Zie: שׁלשׁ = sjâlosj
/ sjâlôsj / sjëlosj (drie) Taalgebruik in Tenakh: sjâlosj / sjâlôsj / sjëlosj (drie).
- sj-m שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם (= sjem: naam) Taalgebruik in Tenakh: sjem
(naam). Ps
113,2. Eind m gemeenschappelijk: Gr:
ονομα (= onoma: naam). Lat: nomen. Fr: nom. Ned: naam.
- שֶׁם בּנוֹ = sjèm bënô (naam van zijn zoon) Gn
16,15.
- שֵׁם הַמַּקוֹם = sjem hammâqôm (naam van de plaats) Gn
22,14.
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < zelfst naamw + suffix pers voornaamw 3de pers mann enk Gn
25,26
- וּשְׁמוֹ = ûsjëmô (en zijn naam) < prefix voegwoord wë + zelfst naamw sjem + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
25,26.
- שְׁמֶךָ OF שִׁמְךָ= sjëmèkhâ OF sjimëkhâ (jouw naam) < stat constr zelfst naamw + suffix bezittel voornaamw 2de pers enk Gn
12,2.
- שְׁמִי = sjëmî (mijn naam) < zelfst naamw sjem + suffix pers voornaamw
1ste pers enk Nu 6,27.
- שֵׁ֥ם יְהוָ֖ה (= sjem JHWH: de naam van JHWH). Dt 32,3.
- שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) Taalgebruik in Tenakh: sjèmèn (vet, olie, zalf)
- כַּשֶּׁמֶן = kasjsjèmèn (als de olie) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + bepaald lidw ha + zelfst naamw שֶּמֶן = sjèmèn Ps 133,2
- כַּשֶּׁמֶן הַטּוֹב = kasjsjèmèn hattôbh (als de goede / kostbare olie) Ps 133,2.
- מִשִֶּמֶן = misjsjèmèn (van de olie van) < prefix voorzetsel min + zelfst naamw Ps 133,2.
- שֶׁמֶשׁ (= sjèmèsj: zon). Taalgebruik in Tenakh: sjèmèsj
(zon)
- הַשֶּׁמֶשׁ= hasjsjèmèsj (de zon) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj
(de zon) Mc
1,32.
- שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) Taalgebruik in Tenakh: sjëmonèh (acht)
- שְׁמֹנֶה מֵאוֹד = sjëmonèh me´ôd (achthonderd, 800) Gn
5,4
- וּשְׁמֹנֶה מֵאוֹד = ûsjëmonèh me´ôd (en achthonderd, en 800) Gn
5,4.
- שְׁמֹנֶה מֵאֹת = sjëmonèh me´od (achthonderd, 800) Gn
5,4.
- שְׁמֹנִים = sjëmonîm (tachtig) Zie: שְׁמֹנֶה = sjëmonèh (acht) Taalgebruik in Tenakh: sjëmonèh (acht) Gn
16,16
- שְׁמֹנִים שָׁנָה = sjëmonîm sjânâh (achthonderd jaar) Gn
16,16.
- שֵׁן= sjen (tand, spits) Taalgebruik in Tenakh: sjen (tand, spits). sjänan: scherpen.
- שְׂנַיִם = sjënajim (twee) Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee) Lc 5,2
- שְׂנֵי בָנִים = sjëni bânîm (twee zonen) Lc 15,11.
- שְׁנֵיהֶם = sjëne(j)hèm (hun twee) < stat constr + suffix bezittel voornaamw 3de pers mann mv Gn
22,6
- שְׁנֵיהֶם יַחְדָּו = sjëne(j)hèm jachëdâw (hun twee samen) Gn
22,6.
- וּשְׁתֵּי (=ûsjthe: twee). Telwoord, voegwoord en telwoord dualis constr. vr. mv.). Rt 1,7.
- שֵׁשׁ = sjesj (zes) Taalgebruik in Tenakh: sjesj
(zes) Gn
16,16 Ex 21,2
- שֵׁשׁ שָׁנֶים = sjesj sjânîm (zes jaar) Gn
16,16
- וְשֵׁשׁ שָׁנֶים = wësjesj sjânîm (en zes jaren) Gn
16,16.
- vr enk שֵׁשֶׁת = sjesjèth (zes) Ex
20,9 Ex
20,11 Ex
24,16
- שֵׁשֶׁת יָמִים = sjesjèth jâmîm (zes dagen) . Ex
20,9 Lv
23,3
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים = kî sjesjèth jâmîm (want gedurende zes dagen) Ex
20,11
- כִּי שֵׁשֶׁת יָמִים עָשָֹה יהוה = kî sjesjèth jâmîm `âshâh JHWH (want gedurende zes dagen maakte JHWH) Ex
20,11.
- שֵׁשֶׁת יָמִים תֵּעָשֶׂה = sjesjèth jâmîm the`âshèh (gedurende zes dagen zal het gemaakt/gedaan worden) Lv
23,3.
- שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) Zie: sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven) Gn
4,24
- שִׁיר (= sjîr: zingen). Taalgebruik in Tenakh: sjîr (zingen).
- אָשִׁירָה = (´âsjîrâh (moge ik zingen; act ind imperf / jiqtol 1ste pers enk cohortatief van het wkw שִׁיר = sjîr: zingen). Ex 15,1.
- וַתָּשַׁר (= wathâsjar: en zij zong; prefix voegw - waw consecutivum + wkw act imperf / wajjiqtol 3de pers vr enk van het wkw שִׁיר = sjîr: zingen). Re
5,1.
- הַשִּׁירָה (hasjsjîrâh: de zang, het gezang, het lied; bep lidw
ה = ha: de, het + zn vr enk
שִּׁירָה = sjîrâh: zang, gezang, lied).
- שִׁית = sjîth (zetten, stellen, plaatsen) Taalgebruik in Tenakh: sjîth (zetten, stellen, plaatsen)
- act ind imperf 1ste pers enk אָשִׁית = ´âsjîth (ik zal stellen) Gn
3,15. (Het lied van Mozes). (2) Ex 15,21 (Het lied van Debora). (3) 2 S 17,16 (Asjera). (4)
- שׁוּב = sjûbh
(terugkeren) Taalgebruik in Tenakh: sjûbh
(terugkeren)
- שֹּׁבְנָה (= sjobhnâh: keren jullie terug; wkw qal imper. 2de pers vr. mv. van het wkw שׁוּב = sjûbh
(terugkeren). Taalgebruik in Tenakh: sjûbh
(terugkeren).
- וַיָּשֻׁבוּ = wajjâsjubhû (en zij keerden terug) < prefix waw consecutivum + act ind imperf 3de pers mann mv
- act ind perf 3de pers enk שָׁב = sjabh (hij keerde terug)
- act imperat hifil 2de pers mv הַשִׁיבוּ = hasjîbhû (bekeert jullie) Hnd
2,38.
- שׁוּף = sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken, verbergen) Taalgebruik in Tenakh: sjûph (verpletteren, vernielen, bedekken, verbergen)
- יְשׁוּפְךָ = jësjûphëkhâ (hij zal jou verpletteren) < werkwoordvorm act ind imperf 3de pers enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Gn
3,15.
- תְשׁוּפֶנּוּ = thësûphènnû (jij zult hem verpletteren) < werkwoordvorm act ind imperf 2de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 3de pers mann enk Gn
3,15.
- skeptomai
(kijken, letten op), zie Ex
3,7
- skirtaô
(huppelen, springen, dansen), zie Lc
1,41
- zelfstandig naamwoord nominatief vrouwelijk enkelvoud (sofia) of
datief vrouwelijk enkelvoud sofia(i):
- σκανδαλιζω = skandalizô: ten val brengen; doen struikelen, aanstoot geven, ergeren.
Taalgebruik in het NT: skandalizô
(ten val brengen)
- σκανδαλισῃ (= skandalisè: hij zou schandaliseren; wkw act conj aor 3de pers enk van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen). Lc 17,2.
- σκανδαλισθήσεσθε (= skandalisthèsesthe: jullie zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen). Mc
14,27.
- σκανδαλισθήσονται (= skandalisthèsontai: zij zullen geschandaliseerd worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw σκανδαλιζω = skandalizô: schandaliseren, ergeren, ten val brengen). Mc
14,29.
- σκανδαλον (= skandalon: hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot). Taalgebruik in het NT: skandalon (hindernis, struikelblok, valstrik, verlokking, ergernis, aanstoot)
- nom + acc onz mv σκανδαλα = skandala Lc
17,1
- τα σκανδαλα = ta skandala (de struikelblokken) Lc
17,1.
- σκεπαστὴς (= skepastès: beschermer, schild).
- σκεῦος (= skeuos: gereedschap, wapenuitrusting; zn acc onz enk)
- σκώληξ
(= sklèks: worm; zn nom mann enk)
- σκηνάς (= skènas: tenten;
- Gr: σκια (= skia: Ned: scha / schaduw). Lat: umbra. Fr: l'ombre. Ned: lommer, schaduw.
- σκιρταω (= skirtaô: huppelen, springen, dansen). Taalgebruik in het
NT: skirtaô
(huppelen, springen, dansen).
- σκληροκαρδίαν (= sklèrokardian: hardhartigheid; zn acc vr enk van het zn σκληροκαρδια = sklèrokardian: hardhartigheid)
- σκοτισθήσεται (= skotisthèsetai: hij zal verduisterd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk
van het wkw σκοτιζω = skotizô: verduisteren)
-
- σκοτος (= skotos: duisternis; zn nom onz enk)
Taalgebruik in het NT: skotos
(duisternis) Gn
1,4
- dat onz enk σκοτει = skotei Js 9,1 Lc
1,79.
- σκοτει και skiᾳ = skotei kai skia(i) (duisternis en schaduw) Lc
1,79
- εν σκοτει = en skotei (in duisternis) Js 9,1 Lc 1,79
- εν τῳ σκοτει = en tô(i) skotei (in de duisternis) Js 9,1 Lc 1,79.
- Ned: slang Verwant met slingeren (heen en weer bewegen) Middelned: zich kronkelen, zich in kronkels voortbewegen, kruipen D: Slange E: snake Fr: serpent < Latijn: serpens, -ntis (kruipende, kruiper): tegenw deelwoord van het werkwoord serpere (kruipen)
Hebreeuws: נָחָשׁ = nâchâsj
(slang) Taalgebruik in Tenakh: nâchâsj
(slang) Physiologus (11)
- ἐσμυρνισμένον (= esmurnismenon: met myrre vermengd; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw σμυρνιζω = smurnidzô: met myrre vermengen).
- σοφια (= sofia: wijsheid; zn nom vr enk). Taalgebruik in het NT: sofia
(wijsheid). W
9,2. . Ps
111,10.
- Lat: solere, solitum: gewoon zijn, plegen.
- Fr: sol-u-tion. Ned: op-los-sing. Stam: sol- / los- : een meathesis? u en v: solution, solutionner: oplossen; solvant: oplosmiddel.
- σωμα (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) Taalgebruik in het NT: sôma
(lichaam) Lc 24,3
- το σωμα = to sôma (het lichaam) Lc 24,3.
- σωματικῶν (= sômatikôn: van lichamelijke; bv nw gen mv van het bv nw σωματικος = sômatikos: lichamelijk)
- - sou (van u bij Matteüs 71 X)
- σούς (= sous: de uwen; bezitt vnw 2de pers mv van het bezitt vnw σος = sos: uwe, jouwe)
- σὴν (= sèn: jouw; bezitt vnw 2de pers acc vr enk van het bezitt vnw σος = sos: uwe, jouwe)
- σῳζω = sôzô: redden, verlossen) Taalgebruik in het NT: sôzô
(redden) Lc 1,71
- σωσει (= sôsei: hij zal redden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) Mt
1,21
- σωσει τον = sôsei ton (hij zal redden de/het) Mt
1,21.
- ἔσωσεν (= esôsen: hij redde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)
- act ind perf 3de p enk σεσωκεν = sesôken (hij redde) Mc 10,52
- σεσωκεν σε = sesôken se (heeft je gered) Mc 10,52.
- σῶσον (= sôson: red; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)
- σωθήσεται (= sôthèsetai: hij zal gered worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)
- ἐσώθη (= esôthè: hij werd gered; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)
- σῶσαι (= sôsai: om te redden; wkw act inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen).
- εις το σῶσαι (= eis to sôsai: om te redden / bevrijden / verlossen). LXX (2). Ps
80,3.
- σωθῆναι (= sôthènai: om gered te worden; wkw pass inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)
- σωτηρ = sôtèr: redder. Taalgebruik in het NT: sôtèr (redder) Ef
5,23
- σωτηρ (= sôtèr: redder; zn nom mann enk). Lat: salva-tor < salus, -utis. Fr: l->u: sauv-eur (of sauve-teur) - uitspraak: sô-veur.
- επι τῳ θεῳ τῳ σωτηρι μου (= epi tô theô tô sôtèri mou: op God,mijn redder).
- σωτηρια (= sôtèria: redding; zn nom vr enk).
Taalgebruik in het NT: sôtèria (redding)
- ἐν σωτηρίᾳ σου (= en sôtètia sou: in jouw redding; zn dat vr enk van het zn σωτηρια = sôtèria: redding; zn nom vr enk). 1 S 2,1.
- acc vr enk σωτηριαν = sôtèrian van het zelfst naamw σωτηρια = sôtèria (redding) Lc
1,71.
- σωτηριον (= sôtèrion: redding; zn nom onz enk). Js
60,6.
- σωτηρίῳ (= sôtèriô: op zijn redding; zn dat onz enk van het zn σωτηριον = sôtèrion: redding); zn nom onz enk).
- επι τῳ σωτηρίῳ σου (= epi tô sôtètio sou: op jouw redding). Ps
9,15.
- Ps 9,15: ἀγαλλιάσομαι ἐπὶ τῷ σωτηρίῳ σου (= agalliasomai epi tô sôtètio sou: ik zal jubelen op jouw redding).
- Ps 21,2. (LXX: Ps 20,2). ἐπὶ τῷ σωτηρίῳ σου ἀγαλλιάσεται (= epi tô sôtètio sou agalliasetai: op jouw redding zal ik jubelen).
- Ps
13,6: ἀγαλλιάσεται ἡ καρδία μου ἐπὶ τῷ σωτηρίῳ σου (= agalliasetai hè kardia mou epi tô sôtètio sou: mijn hart zal juichen op jouw redding).
- σπασάμενος (= spasamenos: getrokken; wkw med part aor nom mann enk van het wkw σπαω = spaô: trekken, afrukken, meesleuren).
- σπαρασσω = sparassô: door elkaar schudden, stuiptrekken) Taalgebruik in het NT: sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken)
- act part aor nom + acc onz enk σπαραξαν = sparaxan (stuiptrekkend) Mc 1,26
- σπαράξας (= sparaksas: stuiptrekkend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw σπαρασσω = sparassô: door elkaar schudden, stuiptrekken)
- sparganoô
(inwikkelen, bakeren), zie Lc
2,7.
- σπεῖραν (= speiran: spiraal, kronkeling, cohors; zn acc vr enk van het zn σπεῖρα = speiran).
- σπειρω = speirô (spreiden, zaaien) Taalgebruik in het NT: speirô
(spreiden, zaaien)
- pass ind praes 3de pers enk σπειρεται = speiretai (het wordt gezaaid) 1
Kor 15,43.
- act infin praes σπειρειν = speirein (om te zaaien) Mc 4,4
- εν τῳ σπειρειν = en tô(j) speirein (tijdens het zaaien) Mc 4,4.
- act part praes nom mann enk σπειρων = speirôn (zaaiende, zaaier) Mc 4,3.
- pass subjunctief aor 3de pers enk σπαρῃ = sparè(j) (hij zou zaaien) Mc
4,31.
- act inf aor σπειραι = speirai (om te zaaien) Mc 4,3.
- σπήλαιον (= spèlaion: spelonk, grot)
- σπερμα = sperma: zaad, nakomeling; zn acc onz enk) Taalgebruik in het NT: sperma
(zaad, nakomeling)
- σπέρμα (= sperma: zaad, nakomeling; zn nom onz enk)
- σπέρματῷ (= spermatô: nakomeling; zn dat onz enk van het zn σπερμα = sperma: zaad, nakomeling)
- sperma
(zaad, nakomeling), zie Gn
1,29.
- σπιλοn (= spilon: schandvlek; acc mann enk van het zn σπιλος = spilos: schandvlek)
- σπλαγχνιζομαι (= splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden
hebben; wkw med ind praes 1ste pers enk: ik onferm mij over). Taalgebruik in het NT: splagchnizomai
(zich ontfermen, medelijden hebben)
- σπλαγχνισθεις (= splagchnistheis: door medelijden bewogen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden
hebben) Mc 1,40.
- ἐσπλαγχνίσθη (= esplachnisthè: hij had medelijden; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden
hebben, innerlijk bewogen zijn; zie zn σπλαγχνον = splagchnon: binnenste delen, ingewanden; stam spl-ch)
- σπόγγον (= spoggon: spons; zn acc mann enk van het zn σπόγγος = spoggos: spons).
- sp???�?? (= sporim�n: van de graanvelden; zn gen onz mv van het zn sp???�ο? = sporimon: graanveld)
- Ned: spreken. Arabisch: تَكَلَمَ = takallama (spreken). Taalgebruik in de Qoran: takallama (spreken). D: sprechen. E: to speak ( r valt weg). Fr: parler; s valt weg, p-r. Grieks: λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô
(lallen, spreken, praten). Hebreeuws: דָבַר = dâbhar (spreken).
Taalgebruik in Tenakh: dâbhar
(spreken). Lat: loqui. De r of l komen in alle woorden voor (behalve in het Engels).
- sprink-haan < spring-en. Fr: sauterelle; u/l. < sauter: springen < salire: springen, frequentatief is saltare: herhaaldelijk springen, dansen (hieruit: salto). Website: http://educatie-en-schoolinfonunl/buitenlands/9427-vertaling-dierensoorten-frans-nederlandshtml Gr hè akris, akridos, +akrida Fr acridien Website: http://pot-pourrifltruclacbe/itinera/ebook/etymonspdf
- steden in het Marcusevangelie: * Bètsaïda In 2 verzen (Mc
6,45, Mc
8,22) bij Marcus, zie Mc
1,21 * Kafarnaüm: eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) In 3 verzen
(Mc 1,21, Mc 2,1, Mc 9,33)
bij Marcus, zie Mc
1,21.
- sp???da? (= spuridas: korven; zn acc vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf)
- σπυρίδων (= spuridôn: van de korven; zn nw gen vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf)
- Ned: spuwen Grieks: πτυω = ptuô Latijn: spuere Zie ook speek-sel
- σταχυς = stachus: aar, halm) Taalgebruik in het NT: stachus (aar, halm)
- σταχυας (= stachuas: aren; zn acc vr mv van het zn σταχυς = stachus: aar, halm) Mc 2,23.
- στάσεως (= staseôs: oproer; zn gen vr enk van het zn στάσις = stasis: het staan, opstelling, opstand, oproer)
- στάσει (= stasei: oproer; zn dat vr enk van het zn στάσις = stasis: het staan, opstelling, opstand, oproer)
- στασιαστῶν (= stasiastôn: opstandelingen; zn gen mann mv van het zn στασιασος = stasiastos: opstandeling, oproerling).
- Σταύρωσον (= staurôson: kruisig; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- σταυροῦσιν (= staurousin: zij kruisigen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- ἐσταύρωσαν (= staurôsan: zij kruisigden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- σταυρώσωσιν (= staurôsôsin: zij zouden kruisigen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- σταυρωθῇ (= staurôthè: hij zou kruisigen; wkw med of pass 3de pers enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- ἐσταυρωμένον (= estauromenon: gekruisigde; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw σταυροω = stauroô: kruisigen).
- σταυρὸν (= stauron: kruis; zn acc mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis)
- σταυροῦ (= staurou: van het kruis; zn gen mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis)
- στέφανον (= stefanon: staf, stok; zn acc mann enk van het zn στέφανος = stefanos).
- στεγαζω = stegazô (bedekken, bedakken) < s-teg-azô Taalgebruik in het NT: stegadzô (bedekken, bedakken) Mc 2,4.
- στεγη = stegè (dak, deksel) < s-teg-è. Taalgebruik in het NT: stegè (dak, deksel) Mc 2,4
- στεγην (= stegèn: dak; zn acc vr enk van het zn στεγη = stegè: dak. Lat. tegere, tectum: dekken, bedekken. Tectum: bedekking, dak. Fr. toit) . Mc 2,4.
- στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken) < s-teg-ô Taalgebruik in het NT: stegô (dekken, bedekken, bedakken) Mc 2,4 Lat: tegere, tectum Ned: dak D: Dach E: deck Fr: toit
- στειρος = steiros (onvruchtbaar) Taalgebruik
in het NT: steiros
(onvruchtbaar) Js
54,1 Lc 1,7
- nom vr enk στειρα = steira Gn
11,30 Js
54,1 Lc 1,7
- και ην σαρα στειρα = kai èn sara steira (en Sara was onvruchtbaar) Gn
11,30.
- Lc
1,7: ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar)
- εστερεωθη (= estereôthè: - mijn hart - werd gesterkt/ versterkt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw στερεοω = stereoô: hard/ stevig maken, sterken, versterken).
- στερεωμα = stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) Taalgebruik in het NT: stereôma (sterkte, kracht, uitspansel) Gn
1,7.
- στεργούσας (= stergousas: beminnende; wkw act part praes acc vr mv van het wkw στεργω = stergô: beminnen, liefhebben)
- Ned: sterven. Arabisch: مَاتَ = mâta (sterven). Taalgebruik in de Qoran: mâta (sterven). Aramees: מִית = mîth (sterven). D: sterben. E: die. Fr: mourir (sterven). Grieks: αποθνῃσκω = apothnèskô: sterven). Taalgebruik in het NT: apothnè(i)skô (sterven). Italiaans: morire. Hebreeuws: מות = mwth (sterven,
ondergaan). Taalgebruik in Tenakh: mwth
(sterven, ondergaan). Latijn: mori. Spaans: morir.
- στιβάδας (= stibadas: bebladerde takken; zn acc vr mv van het zn στιβας = stibas: bebladerde tak, loof)
- στίλβοντα (= stilbonta: schitterend; wkw act part praes nom onz mv van het wkw στιλβοω = stilboo: glanzen, schitteren, blinken)
- στολαις (= stolais: kleren; zn dat vr mv van het zn στολη = stolè: kleed)
- στολὴν (= stolèn: kleed; zn acc vr enk van het zn στολη = stolè: kleed)
- στομα = stoma (mond) Taalgebruik in het
NT: stoma
(mond) Gn
29,3
- gen onz enk στοματος = stomatos (van de mond) Gn
29,3.
- -στος (= stos; )
- Ned: st-ra-len. Hiëroglyfen: ra wordt weergegeven door een mond (r) en een onderarm met hand en vingers (ajin; Gr: χειρ = cheir: hand; grijpen) en het determinatief: een cirkel met een punt erin (de zon). Zie : https://nlwikipediaorg/wiki/Ra_(god). Ned: st-ra-len. Lat: radiare: stralen, deelwoord radians: de stralende, de zon. Waarschoots: strauwn.
- στρατιωτης = stratiôtès (strijder, soldaat) Taalgebruik in het NT: stratiôtès (strijder, soldaat)
- στρατιωται (= stratiôtai: strijders, soldaten; zn nom mann mv van het zn στρατιωτης = stratiôtès: strijder, soldaat). Mc
15,16.
- στρεφω = strefô: draaien, wenden, omkeren) Taalgebruik in het NT: strefô (draaien, wenden, (om)keren)
- στρέψον (= strepson: keer; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw στρεφω = strefô: draaien, wenden, omkeren)
- στραφεις (= strafeis: omgekeerd; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw στρεφω = strefô: draaien, wenden, omkeren) Lc
14,25.
- Ned: stromen - stroming - stroom.
- ἐστρώννυον (= estrônnuon: zij spreiden uit; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw στρωννυμι = strônnumi: uitspreiden)
- ἔστρωσαν (= estrôsan: zij spreiden uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw στρωννυμι = strônnumi: uitspreiden)
- ἐστρωμένον (= estrômenon: uitgespreid, bedekt; wkw pass part perf acc onz enk van het wkw στρωννυμι = strônnumi: uitspreiden)
- στρουθια (strouthia: mussen; zn acc onz mv van het zn στρουθίον = strouthion: mus). NT (4): (1) Mt
10,29. (2) Mt
10,31. (3) Lc 12,6. (4) Lc 12,7.
- στυγνάσας (= stugnasas: somber, stug; wkw act part aor nom mann enk van het wkw στυγναζω = stugnazô: somber, treurig zijn)
- συ (= su: jij; pers vnw 2de pers nom enk) Taalgebruik in het NT: persoonlijk
voornaamwoord
- persoonl voornaamw 2de pers nom enk συ = su (jij) Lc 4,7 Lc
15,31
- συ ει = su ei (jij bent, gij zijt) Mc 1,11.
- σου (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnw συ = su: jij) Mc 1,2 Lc
15,32.
- σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) Mc 1,24.
- se (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij)
- s???te?? (= sudz�tein: te twisten; wkw act inf praes van het wkw s???teω = sudz�te�: samen onderzoeken, disputeren, twisten)
- συγκαλεω = sugkaleô (samenroepen) Taalgebruik in het NT: sugkaleô (samenroepen)
- act ind praes 3de pers enk συγκαλει = sugkalei (hij / zij roept samen) Lc
15,6.
- συγκαλοῦσιν (= sugkalousin: zij roepen samen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw συγκαλεω = sugkaleô: samenroepen).
- συγκαθήμενος (= sugkathèmenos; wkw med of âss part praes nom mann enk van het wkw συγκαθημαι = sugkathèmai: samenzitten).
- συκῆ (= sukè: vijgeboom; zn nom vr enk)
- συκῆς (= sukès; zn gen vr enk van het zn συκῆ = sukè: vijgeboom)
- συκῆν (= sukèn; zn acc vr enk van het zn συκῆ = sukè: vijgeboom)
- συκων (sukôn: van vijgen; zn gen onz mv van het zn συκον = sukon: vijg)
- συλλαλοῦντες (= sullalountes: samen sprekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συλλαλεω = sullaleô: samen spreken)
- סֻלָּם = sullâm (ladder, toonladder, schaal)
- συλλαμβανω = sullambanô
(samen nemen, meenemen, zwanger worden) Taalgebruik in het NT: sullambanô
(samen nemen, meenemen, zwanger worden) Lc 1,31
- act ind fut 2de pers enk
συλλημψῃ = sullèmpsè(i) (jij zult zwanger worden) van het wkw συλλαμβανω = sullambanô: samen nemen, meenemen). Lc 1,31.
- act ind aor 3de pers enk συνελαβεν = sunelaben (zij werd zwanger) Lc 1,31
- συλλαβεῖν (= sullabein: om mee te nemen; wkw act inf aor van het wkw συλλαμβανω = sullambanô: samen nemen, meenemen).
- sullegô
(samen-lezen; verzamelen), zie Mt
13,40
- sumboulion
(besluit), zie Mc
7,1 - sumboulion (besluit) In 5 verzen bij Matteüs, zie Mt
12,14.
- συλλυπεομαι = sullupeomai (med refl: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) Taalgebruik in het NT: sullupeomai (med refl: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) Mc 3,5
- med part praes nom mann enk συλλυπουμενος = sullupoumenos (diep bedroevend) Mc 3,5.
- συμβαίνειν (= sumbainein: samen te gaan; wkw act inf praes van het wkw συμβαίνω = sumbainô: samengaan; bainô: Ned.: banen (?)
- συμβουλιον (= sumboulion: raadsbesluit; zn acc onz enk) Taalgebruik
in het NT: sumboulion
(raadsbesluit) Mc 3,6.
- συμφορὰς (= sumforas: gebeurtenissen; zn acc vr mv van het zn nw συμφορα = sumfora: het samen gevoerde / gebrachte, gebeurtenis, toeval; zie het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen)
- συμμορφον (= summorfon: gelijkvormig, van gelijke gedaante; bv nw acc onz enk van het bv nw συμμορφος = summorfos: gelijkvormig; Lat: conformis).
- συμπορευομαι = sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) Taalgebruik in het NT: sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen)
- συμπορεύονται (= sumporeuontai: zij begeven zich samen op weg; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συμπορευομαι = sumporeuomai: samen zich op weg begeven, samengaan, meetrekken, samenkomen)
- ind imperf 3de pers mv συνεπορευοντο = suneporeuonto (zij gingen mee op weg) Lc
14,25
- και συνεπορευοντο αυτῳ (en zij trokken met hem mee) Lc 14,25.
- συνεπορευοντο δε αυτῳ (zij echter trokken met hem mee) Lc 14,25.
- συν (= sun: met; vz met dat) Taalgebruik in het NT: sun
(met) Mc 8,34
- συν τοις = sun tois (met de) Mc 8,34.
- συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) Taalgebruik in
het NT: sunagô
(samendrijven, verzamelen)
- act ind aor 3de pers mv συνηγαγον = sunègagon (zij verzamelen) Mc 7,1.
- med ind praes 3de pers enk συναγεται = sunagetai (het 'volk' verzamelt zich) Mc 4,1.
- συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv). Mc 6,30
- και συναγονται = kai sunagontai (en zij verzamelen zich) Mc 6,30.
- mediaal aor 3de pers mv συνηχθησαν (= sunèchtèsan: zij verzamelden
zich; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) Mc 2,2
- συνηχθησαν πολλοι = sunèchtèsan polloi (velen verzamelden
zich) Mc 5,21.
- mediaal aor 3de pers enk συνηχθη = sunèchtè (het verzamelde
zich) Mc 5,21
- συνηχθη οχλος πολυς = sunèchtè ochlos polus (een grote menigte verzamelde
zich) Mc 5,21.
- σύναξον (= sunakson: verzamel; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen + stam ag)
- συναχθήτω (= sunanchthètô: worde verzameld; wkw pass imperat aor 3de pers enk van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen + stam ag)
- συναχθὲν (= sunachthen: verzameld; wkw pass part aor nom onz enk van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen + stam ag)
- sunagô
(bijeendrijven, verzamelen), zie Mc
2,2.
- συναγωγη = sunagôgè: synagoge) Taalgebruik in het NT: sunagôgè
(synagoge)
- συναγωγης (= sunagôgès: uit de synagoge; zn gen vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-)
- dat vr enk συναγωγῃ = sunagôgè(i) (in de synagoge) Mc 1,23
- εν τῃ συναγωγῃ = en tè(i) sunagôgè(i) (in de synagoge) Mc 1,23
- εν τῃ συναγωγῃ αυτων = en tè(i) sunagôgè(i) autôn (in hun synagoge) Mc 1,23.
- συναγωγην (= sunagôgèn: synagoge; zn acc vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-) εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) Mc 1,39
- gen vr mv συναγωγων = sunagôgôn (van de synagogen) Lc
13,10.
- συναγωγαις (= sunagôgais: synagogen; zn dat vr mv van het zn συναγωγα = synagoge: synagoge, bijeenkomst). Lc 4,15
- συναγωγας (= sunagôgas: synagogen; zn acc vr mv van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-) Mc 1,39
- εις τας συναγωγας = eis tas sunagôgas (naar de
synagogen) Mc 1,39.
- συνηκολούθει (= sunèkolouthei: hij volgde mee met; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw συνακολουθεω = sunakoloutheô: mede volgen met)
- συνανακειμαι = sunanakeimai: samen aanliggen) Taalgebruik in het NT: sunanakeimai (samen aanliggen)
- συνανεκειντο (= sunanekeinto: zij lagen samen aan; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw συνανακειμαι = sunanakeimai: samen aanliggen) Mc 2,15.
- συναποθανεῖν (= sunapothanein: samen te sterven met; wkw act inf aor van het wkw συναποθνησκω = sunapothèskô: samen sterven met).
- συναναβᾶσαι (= sunanabasai: mee opgegaan; wkw act part aor nom vr mv van het wkw συναναβαινω = sunanabainô: mee opgaan).
- συνεχω (= sunechô: samen-houden, bijeen-houden, op elkaar houden
- συνέξουσι (= suneksousi: zij zullen - hun mond - dichthouden / zij zullen - hun lippen - op elkaar houden; wkw act ind fut 3e pers mv van het wkw συνεχω = sunechô: samen-houden, bijeen-houden, op elkaar houden). Lat: con-tinere < con-tenere. D: zuhalten (h in plaats van u). Js
52,15.
- συνέχοντες (= sunechontes: samen-houdende, bijeen-houdende, vasthoudende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συνεχω = sunechô: samen-houden, bijeen-houden, op elkaar houden). Lat: con-tinere < con-tenere. D: zuhalten (h in plaats van u). Lc
22,63.
- συνέδριον (= sunedrion: Sanhedrin; zn nom onz enk). Mc
14,55.
- συνέδρια (= sunedria: gerechtshoven; zn acc onz mv van het zn συνέδριον = sunedrion: Sanhedrin).
- συνερχομαι = sunerchomai
(samenkomen) Taalgebruik in het NT: sunerchomai
(samenkomen) Mc
3,20
- ind praes 3de pers enk συνερχεται = sunerchetai (hij / zij komt samen) Mc
3,20.
- συνερχονται (= sunerchontai: zij komen samen; wkw ind praes 3de pers mv van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam elth, zie het Franse al-l-er). Mc
3,20.
- συνῆλθον (= sunèlthon: zij kwamen samen; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam elth, zie het Franse al-l-er)
- συνέσεως (= suneseôs: verstand, inzicht; zn gen vr enk van het zn συνέσις = sunesis: vereniging, verstand, inzicht, begrip)
- sunteleia
(voltooiîng, voleinding), zie Mt
13,39.
- συνῆκαν (= sunèkan: zij begrepen; wkw act ind 2de aor 3de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen)
- συνίετε (= suniete: jullie begrijpen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen)
- συνεσπάραξεν (= sunesparaksen: hij schudde door elkaar; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw συνσπαρασσω = sunsparassô < sun-sparak-sô:: door elkaar schudden, stuiptrekken) p
- συνέταξεν (= sunetaksen: hij droeg op / hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw συντασσω = suntassô: opdragen, bevelen).
- συντελεω = sunteleô: voltooien) Taalgebruik in het NT: sunteleô
(voltooien)
- συντελεῖσθαι (= sunteleisthai: om te vervullen; wkw pass inf praes van het wkw συντελεω = sunteleô: voltooien)
- pass ind aor 3de pers mv συνετελεσθησαν = sunetelesthèsan (zij werden voltooid) Gn
2,1.
- συντιθημι (= suntithèmi: samenstellen, bij elkaar zetten, samenvoegen, verenigen; wkw)
- συνέδραμον (= sunedramon: zij liepen bijeen; wkw voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô = lopen; zn dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den)
- συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven) Taalgebruik in het NT: suntribô (stuk slaan, tegen elkaar wrijven)
- συντρίβων (= suntribôn= plat trappend, verpletterend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven, plattrappen, vertrappelen, verpletteren).
- συντριψασα (= suntripsasa: stuk geslagen; wkw act part aor nom vr enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven, plattrappen, verpletteren)
- swg
(wijken), zie Js
50,5
- Fr: sûr. Ned: ze(k)er.
- סוּס (= sûs: paard; zn nom mann enk). Taalgebruik in Tenakh: sûs (paard).
- suspectionem (= verdenking; zn acc vr enk van het zn suspectio; Fr: soupçon).
- Latijn: suspendere (ophangen) < sub-pendere: hangen onder
- act imperat praes 2de pers mv suspendite (hangt op) Dt
11,18.
- σύσσημον (= sussèmon: afgesproken teken; zn acc onz enk).
- συζητοῦντες (= sudzètountes: onderzoekend; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met)
- συζητούντων (= sudzètountôn: twistende; wkw act part gen mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met)
- συζητοῦντας (= sudzètontas: twistende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten met)
- συζητεῖτε (= sudzèteite: twisten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συζητεω = su-zèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten)
- συνέζευξεν (= sunedzeuksen: hij verbond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw συζευγνυμι = sudzeugnumi: verbinden, verenigen)
- συνεσταυρωμένοι (= sunestaurômenoi: medegekruisigden; wkw pass part perf nom mann mv van het wkw συσταυροω = sustauroô: medekruisigen).
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
T.
- תָעָה = thâ`âh (dolen, ronddwalen, duizelen,waggelen) Taalgebruik in Tenakh: thâ`âh (dolen, ronddwalen, duizelen, waggelen).
- טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) Taalgebruik in Tenakh: tâbhal
(dopen, zich dompelen Hnd
1,5
- וַיִּטְבֹּל = wajjîtëbol (en hij doopte, hij dompelde zich onder) < waw consecutivum + act qal imperf
3de pers mann enk Hnd
1,5.
- - tabernakel, zie Nu
11,16.
- תַּחַת = thachath (onder, beneden) Gn
1,7
- מִתִַּחַת = miththachath (van onder, beneden) < prefix voorzetsel min + voorzetsel Gn
1,7.
- ταχὺ (= tachu: snel, dadelijk; bw)
- ταφη (= tafè: begrafenis, begraafplaats, graf; nom vr enk)
- ταφος (= tafos: het begraven, begrafenis, graf; nom mann enk) Lc 24,12.
- טָהַר = tâhâr (rein zijn, rein worden) Taalgebruik in Tenakh: tâhâr
(rein zijn, rein worden)
- prefix voegwoord wë + act qal imperf 3de pers mann enk וַיִּטְהָר = wajjitëhâr (en hij werd rein) Mc 1,42.
- טַל = tal (dauw) Taalgebruik in Tenakh: tal (dauw)
- כְּטַל = këtal (als dauw) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + טַל = tal (dauw) Ps 133,3.
- θαλασσα = thalassa (zee, meer) Taalgebruik
in het NT: thalassa
(zee meer)
- acc vr enk θαλασσαν = thalassan
- την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) Mc 2,13
- παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) Mc 2,13.
- Ned: talrijk D: zahlreich E: numerous Fr: nombreux Lat: numerosus
- טָמֵא = tâma´
(onrein zijn) Taalgebruik in Tenakh: tâma´
(onrein zijn)
- טֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) Mc 1,26
- הַטֻּמְאָה = hattumë´âh (de onreinheid, de verontreiniging) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naam Mc 1,26.
- vr enk טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) Mc 1,26
- הַטְּמֵאָה = hattëme´âh (de onreine) < prefix bepaald lidw ha + vr enk Mc 1,26.
- ταπεινοω = tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken, vernederen) Taalgebruik in het NT: tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken).
- ταπεινωσιν (= tapeinôsin: nederigheid, vernedering; zn acc vr enk van het zn ταπεινωσις = tapeinôsis: vernedering, nederigheid). Lc 1,48.5.
- טָרַף= taraph (verscheuren, vernietigen) Taalgebruik in Tenakh: taraph (verscheuren, vernietigen)
- vr enk טְרֵפָה = tërephâh (het verscheurde) van het bijvoegl naamw טָרָף= târâph (verscheurd) Ex
22,30.
- ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren)
Taalgebruik in het NT: tarassô
(in verwarring brengen, verwarren)
- pass ind aor 3de pers enk εταραχθη = etarachthè (hij werd in verwarring gebracht) Gn
41,8 Lc 1,12.
- pass parf part nom mann mv τεταραγμενοι = tetaragmenoi (in verwarring gebracht) Lc 24,38.
- ταξις (= taksis: ordening, opstelling, gelid, verordening). Fr: tâche. Ned: taak.
- tassö
(bevelen, opdragen) zie bij Mt
21,6 (sunetaxen)
- tauta (die 'dingen'), zie Mt
1,20.
- צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) Taalgebruik in Tenakh: tsâwâh
(opdragen)
- act piël imperf 3de pers enk יְצַוֶּה = jëtsawwèh (hij beveelt) Lc
8,25.
- act piël part mann enk מְצַוֶּה = mëtsawwèh (bevelende) Dt
11,13 Mc 1,27
- אָנֹכִי מְצַוֶּה = ´ânokhî mëtsawwèh (ik bevelende) Dt
11,13
- אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה = ´äsjèr ´ânokhî mëtsawwèh (ik bevelende) Dt
11,13
- אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם = ´äsjèr ´ânokhî mëtsawwèh ´èthëkhèm (ik bevelende jullie) Dt
11,13
- אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוֶּה אֶתְכֶם הַיּוֹם = ´äsjèr ´ânokhî mëtsawwèh ´èthëkhèm hajjôm (ik bevelende jullie vandaag) Dt
11,13.
- act piël part vr enk מְצַוָּה = mëtsawwâh (bevelende) Gn
27,6.
- τε (= te: en; partikel)
- thëhillâh
(lofzang), zie Ps
145,1.
- τεκνον (= teknon: kind; nom + voc + acc onz enk; zie wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen). Taalgebruik in
het NT: teknon
(kind). Taalgebruik in Mc: teknon
(kind).
- τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) Lc
15,31.
- nom + acc onz mv τεκνα = tekna (kinderen) Lc
14,26 Lc
18,29
- ουκ ην αυτοις τεκνον = ouk èn autois teknon: er was niet aan hen een kind OF zij hadden
geen kind.
- τέκνων (= teknôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen)
- τέλειος (= teleios: volmaakt; bv nw nom mann enk)
- τελεω (= teleô: voleindigen, voltooien, vervullen; zie Ned: doel).Mt
7,28
- τελειῶσαι (= teleiôsai: te voltooien; wkw act inf aor van het wkw τελειοω = volkomen maken, voltooien, volbrengen)
- τελειωθῇ (= teleiôthèi: het zou voleind worden; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw τελειοω = volkomen maken, voltooien, volbrengen). Joh
19,28.
- τετέλεσται (= tetelestai: het werd volbracht; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw τελειοω = volkomen maken, voltooien, volbrengen) ). Joh
19,28.
- τελεσθηναι (= telesthènai: voltrokken worden; wkw pass inf aor van het wkw τελεω = teleô: voleindigen, voltooien, vervullen; zie Ned: doel)
- τελευτᾷ (= teleuta: hij sterft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw τελευταω = teleutaô: sterven, eindigen)
- τελωνης = telônès: tollenaar) Taalgebruik in het NT: telônès
(tollenaar)
- τελωναι (= telônai: tollenaars; zn mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) Lc
15,1
- οἱ τελωναι = hoi telônai (de tollenaars) Lc
15,1.
- τελωναι και = telônai kai (tollenaars en) Lc
15,1.
- οἱ τελωναι και = hoi telônai kai (de tollenaars en) Lc
15,1.
- οἱ τελωναι και οἱ ἁμαρτωλοι = hoi telônai kai hoi hamartôloi (de tollenaars en de zondaars) Lc
15,1.
- τελωναι και ἁμαρτωλοι = telônai kai hamartôloi (tollenaars en zondaars) Lc
15,1.
- te????? (= tel?n?n: van tollenaars; zn gen mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar)
- τελωνιον = telônion
(tolhuis) Taalgebruik in het NT: telônion
(tolhuis)
- nom + acc onz enk τελωνιον = telônion
(tolhuis) Mc 2,14
- επι το τελωνιον = epi to telônion
(tolhuis) Mc 2,14.
- τέλος (= telos: doel, einde; zn nom onz enk).
- telwoord, zie Mc
16,2.
- Lat: tener (= teer, teder, zacht, mild, teergevoelig). Fr: ten-d-r-esse (teder-heid; de n valt weg; zachtheid, teerheid, gevoeligheid).
- τερπνὸν (= terpnon: verzadigend, verkwikkend; bv nw nom onz enk van het bv nw τερπνὸς = terpnos: verzadigend, verkwikkend).
- τέρατα (= terata: tekenen, voortekenen; zn acc onz mv van het zn τέρας = teras: wonderteken).
- τεσσαρακοντα (= tessarakonta::b 40; hoofdtelwoord) Zie: telwoorden Taalgebruik in het NT: telwoorden Gn
50,3.
- τεσσάρων (= tessarôn: vier; hoofdtelw gen mann mv van het hoofdtelw τεσσαρα: vier)
- τετράδα (= tetrada: de vierde dag; zn acc vr enk van het zn τετράς = tertras: de vierde)
- τετρακισχιλίοι (= tetrakischilioi: vierduizend; rangtelw bv nw nom mann mv).
- τετρακισχιλίους (= tetrakischilious: vierduizend; bv nw hoofdtelw mann mv van het bv nw hoofdtelw τετρακισχιλίοι = tetrakischilioi: vierduizend)
- Arabisch: طَيَّبٌ = thajjab (goed) Taalgebruik in de Qoran: thajjab (goed).
- טֻבְּע֥וּ (= thub`û: zij zonken; wkw pass pu`al perf 3de pers mann mv van het wkw טבע = thâb`â: neerzinken).
- θαλασσα = thalassa: zee, meer) Taalgebruik
in het NT: thalassa
(zee meer)
- nom vr enk θαλασσα = thalassa (zee, meer) Mc 4,41.
- θαλασσης (= thalassès: van het meer; zn gen vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) Mc
6,47
- επι της θαλασσης = epi tès thalassès (op de zee) Mc
6,48.
- θαλασσῃ (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) Mc 4,1
- εν τῃ θαλασσῃ = en tè(i) thalassè(i) (in de zee) Mc 4,1.
- θαλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) Mc 1,16
- την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) Mc 1,16
- επι την θαλασσαν = epi tèn thalassan (op de zee) Mc
6,48.
- παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) Mc 1,16.
- προς την θαλασσαν = pros tèn thalassan (naar de zee, het meer) Mc
3,7.
- תַלְמִיד = talëmîd (leerling) Zie het werkw לָמַד = lâmad (leren, onderrichten) Taalgebruik in Tenakh: lâmad (leren, onderrichten)
- Arabisch: ثَمانِية = thamânijah (acht) Taalgebruik in de Qoran: thamânijah (acht).
- θαμβεομαι = thambeomai
(verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) Taalgebruik in
het NT: thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn)
- ἐθαμβοῦντο (= ethambounto: zij waren verbijsterd; wkw pass ind imperf 3de pers enk van het wkw θαμβεομαι = thambeomai: verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden; klank tata... boum)
- pass ind aor 3de pers mv εθαμβηθησαν = ethambèthèsan (zij waren verbijsterd) Mc
1,27.
- θαμβος = thambos (ontzetting, verbazing) Taalgebruik in het NT: thambos
(ontzetting, verbazing) Lc 4,36 Lc 5,9
- nom mann enk θαμβος = thambos (ontzetting, verbazing) Lc 4,36 Lc 5,9.
- θανατώσουσιν (= thanatôsousin: zij zullen gedood worden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw θανατοω = thanatoô: doden)
- θανατῶσαι (= thanatôsai: om te doden; wkw act inf aor van het wkw θανατοω = thanatoô: doden).
- Gr: θανατος = thanatos: dood. Ned: dood. Gr: θ ν τ ς (= th-n-t-s: th/d-'n'-t/d- eind-s: θανατος = thanatos: d-oo-d).
- θανάτου (= thanatou: van de dood, zn gen mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood).
- θάνατον (= thanaton: dood; zn acc mann enk van het zn θανατος = thanatos: dood).
- θαπτω = thaptô (begraven) Taalgebruik in het NT: thaptô (begraven) Lc 24,12
- act ind aor 3de pers mv εθαψαν = ethapsan (zij begroeven) Dt
34,6.
- θαρσεω = tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben)
Taalgebruik in het NT: tharseô
(vol goede moed zijn, moed hebben)
- act imperat praes 2de pers mv θαρσειτε = tharseite Mc
6,50.
- θαυμαστὴ (= thaumastè: verwonderlijk); zn nom vr enk van het zn θαυμαστος = verwonderlijk)
- θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) Lc
8,25
- act ind imperf 3de pers mv εθαυμαζον = ethaumazon (zij verbaasden zich) Lc 1,21.
- act ind aor 3de pers mv εθαυμασαν = ethaumasan (zij waren verbaasd) Lc
2,18 Lc
8,25
- ἐθαύμασεν (= ethaumasen: hij bewonderde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw θαυμαζω = thaumazô: bewonderen, verwonderen, verbazen)
- θαυμάζειν (= thaumadzein: verwonderen; wkw act inf praes van het wkw θαυμαζω = thaumazô: bewonderen, verwonderen, verbazen).
- תָוֶךְ= thâwèkh
(stat constr תּוֹךְ= thôkh): het midden, het inwendige Taalgebruik in Tenakh: thâwèkh
(stat constr thôkh): het midden, het inwendige Gn
1,6
- בְּתוֹךְ= bëthôkh (in het midden van) < prefix voorzetsel bë + zelfst naamw stat construct Gn
1,6
- בְתוֹךְ הַיָּמ = bëthôkh hajjâm (in het midden van de zee) Mc
6,47.
- תְּחִלָּה = thëchillâh (begin) Taalgebruik in Tenakh: thëchillâh (begin)
- בַּתְּחִלָּה = baththëchillâh (in het begin) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw ha + zelfst naamw
- Zie ook de hifil הִתְחִיל = hitchîl (beginnen, aanvangen) van het werkw תָחַל = thâchal
- וּתְהִלֹּת (= ûthëhilloth= en de lofprijzingen; < prefix vw ו =wë: en + zn stat constr vr mv van het zn תְּהִלָּה = thëhillâh: lofzang).
- Ned: teef (wijfjeshond) Fr: chienne
- Ned: tegen-woordig. D: gegen-wart.
- te?????? (= tel?nion: tolhuis; zn acc onz enk)
- תְּהִלָּה = thëhillâh (lofzang) Taalgebruik in Tenach: halal
(loven, prijzen) Ps
145,1
- -
- תְּהִלּת יהוה = thëhillath JHWH (de lofzang tot Jahweh) Ps
145,21.
- וּתְהִלֹּת (= ûthëhilloth= en de lofprijzingen; < prefix vw ו =wë: en + zn stat constr vr mv van het zn תְּהִלָּה = thëhillâh: lofzang < zn vorming door ת = th + vorm vanuit het wkw הָלַל = hâlal: loven, prijzen). Js
60,6
- וּתְהִלֹּת יהוה = ûthëhilloth (en de lofprijzingen tot JHWH) Js
60,6.
- תְהוֹם = thëhôm (afgrond, oerwater) Taalgebruik in Tenakh: thëhôm (afgrond, oerwater) Gn
1,2.
- θηλαζούσαις (= thèlazousais: wkw act part praes dat vr mv van het wkw θηλαζω = zogen, een kind voeden)
- t??a???? (= t?laug?s: van verre te zien, duidelijk)
- θελημα (= thelèma: wil; zn nom en acc onz enk) Taalgebruik
in het NT: thelèma
(wil) Mc 3,35
- θελημα του θεου = thelèma tou theou (wil van God) Mc 3,35.
- θεληματος (= thelèmatos: van de wil; zn gen onz enk van het zn θελημα = thelèma: wil). Ef
1,1
- θεληματος θεου = thelèmatos theou (van de wil van God) Kol
1,1.
- thelèma
(wil) thelèma
(wil) zie Mt
6,10 Mc 3,35.
- θελω = thelô: willen)
Taalgebruik in het NT: thelô
(willen) Mc 3,13
- θέλω (= thelô: ik wil; wkw act ind praes 1ste pers enk). Mc
14,36.
- θέλει (= thelei: hij wil; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen)
- θέλεις (= theleis: jij wilt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen).
- θέλουσιν (= thelousin: zij willen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen)
- θέλετέ (= thelete: jullie willen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t; stam: th/w - l)
- θέλομεν (= thelomen: wij willen; wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw θελω = thelô:willen)
- act conj praes 2de pers enk θελῃς = thelè(i)s (jij wil) Mc 1,40.
- θέλῃ (= thelè: hij zou willen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen)
- ????te (= thel�te: jullie zouden willen; wkw act conjunc praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen)
- ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) Mc 3,13
- ἤθελον (= èthelon: zij wilden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf)
- θελήσῃς (= thelèsès: jij zoudt willen; wkw conjunct aor 2de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen)
- θέλε (thele: wil; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen)
- θελόντων (= thelontôn: willende; wkw act part gen mann mv van het wkw θελω = thelô: willen)
- tempe (slaap aan het hoofd).
- תָרַח / תָרַח = tèrach (Terach). Taalgebruik in Tenakh: tèrach (Terach).
- θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen) Taalgebruik in het NT: therapeuô
(genezen, verzorgen) Mc
3,10
- act ind imperf 3de pers enk εθεραπευεν = etherapeuen (hij genas) Lc 4,40.
- εθεραπευσεν (= etherapeusen: hij genas; wkw act indic aor 3de pers enk van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen) Mc
3,10
- και εθεραπευσεν = kai etherapeusen (en hij genas) Mt
4,24.
- εθεραπευσεν αυτους = etherapeusen autous (hij genas hen) Mt
4,24.
- και εθεραπευσεν αυτους = kai etherapeusen autous (en hij genas hen) Mt
4,24.
- θεραπευων (= therapeuôn: genezende, verzorgende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen). NT = Mt (2): (1) Mt
4,23. (2) Mt
9,35.
- θεραπευετε (= therapeuete: verzorgt, geneest; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen). Taalgebruik in het NT: therapeuô
(genezen, verzorgen). NT (2): (1) Mt
10,8. (2) Lc 10,9.
- θεραπευειν (= therapeuein: te genezen, te verzorgen; wkw act inf praes van het wkw θεραπευω = therapeuô: genezen, verzorgen). NT (5): (1) Mt 10,1. (2) Mt
12,10. (3) Mc
3,15. (4) Lc 9,1. (5) Lc 14,3.
- θεραπευειν πασαν νοσον (= therapeuein pasan noson: elke ziekte te genezen). NT = Mt (1): Mt 10,1.
- θερμαινόμενος (= thermainomenos: zich verwarmende; wkw med part praes nom mann enk van het wkw θερμαινομαι = thermainomai: zich verwarmen).
- θερμαινόμενον (= thermainomenon: zich verwarmende; wkw med part praes acc mann enk van het wkw θερμαινομαι = thermainomai: zich verwarmen).
- θερμῷ (= thermô: warm; bv nw dat mann en onz enk van het bv nw θερμος = thermos: warm)
- τηρεω = tèreô (behouden, bewaren) Taalgebruik in hοςet NT: tèreô (behouden, bewaren).
- - therismos
(oogst), zie Mt
13,30.
- θησαυρος = thèsauros
(schat) Taalgebruik in het NT: thèsauros
(schat)
- θησαυρὸν (= thèsauron: schat; zn acc onz enk) Lc
18,22.
- תְשׁוּבָה = thesjûbhâh (terugkeer, antwoord, weerlegging) Taalgebruik in Tenakh: thesjûbhâh (terugkeer, antwoord, weerlegging).
- θεωρεω = theôreô (kijken) Taalgebruik in het NT: theôreô (kijken) Mc 5,15
- θεωρει (= theôrei: zij zien; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien, aanschouwen). NT (9). Joh (7). Joh 20 (3).
- θεωρουσιν (= theôrousin: zij zien; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien). Mc 5,15
- θεωρουσιν τον = theôrousin ton (zij zien de) Mc 5,15.
- εθεωρουν (= etheôroun: zij zagen; wkw act indic imperfect 3de pers mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien) Mc 3,11.
- ἐθεώρει (= etheôrei: hij zag; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien)
- θεωροῦσαι (= theôrousai: kijkende; wkw act part praes nom vr mv van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien)
- θεωρησαι (= theôrèsai: om te kijken - naar het graf - ; wkw act inf aor van het wkw θεωρεω = theôreô: kijken, zien). Mt
28,1.
- θεος = theos: God) Taalgebruik in het NT: theos
(God) Ex 20,2
- θεος (= theos: God; zn nom mann enk) Gal
1,15
- ὁ θεος του ισραηλ = ho theos tou israèl (de God van Israël) Lc
1,68.
- voc mann enk θεε = thee: W
9,11
- θεου (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) Mc 1,1.
- θεῳ (= theô: aan God; zn dat mann enk van het zn θεος = theos: God) Lc 1,47 1
Tes 1,1
- εν θεῳ = en theô(i) ( in God) 1
Tes 1,1
- εν θεῳ πατρι = en theôi patri (in God Vader) 1
Tes 1,1.
- επι τῳ θεῳ (= epi tô theô: op God). Lc 1,47.
- επι τῳ θεῳ τῳ σωτηρι μου (= epi tô theô tô sôtèri mou: op God, mijn redder). Lc 1,47.
- θεῳ πατρι = theôi patri (God Vader) 1
Tes 1,1.
- θεοn (= theon: God; zn acc mann enk van het zn θεος = theos: God) Lc 18,43
- τον θεον = ton theon (God) Lc 18,43.
- theos
(God) theos
(God), zie Lc
24,53.
- θεοστυγεῖς (= theostugeis: Godhaters; bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn θεοστυγης = theostugès: God God gehaat, God hatend, Godhater)
- tèreô
(behouden, bewaren), zie Mt
28,20.
- θηρίων (= thèriôn: van wilde dieren; zn gen onz mv van het zn θηρίον = thèrion: dier, wild dier)
- θέρος (= oogst; zn nom onz enk).
- τριχες (triches: haren; zn mann mv van het zn θρίξ = thriks: haar). NT (3): (1) Mt
10,30. (2) Lc 12,7. (3) Joh
1,14.
- θυρωρῷ (= thurôrô: aan de deurwachter, portier; zn dat mann enk van het zn θυρωρος = thurôros: deurwachter, portier).
- τικτω = tiktô (baren, bevallen) Taalgebruik in het NT: tiktô
(baren).
- τιλλω = tillô (uittrekken, plukken)
- act part praes τιλλοντες = tillontes (plukkende) Mc 2,23.
- θλιβω = thlibô (drukken, dringen) Mc
3,9
- act conjunct praes 3de pers mv θλιβωσιν = thlibôsin (zij zouden drukken, dringen) Mc
3,9.
- θλιψις (= thlipsis: verdrukking; zn nom vr enk)
Taalgebruik in het NT: thlipsis
(verdrukking) Rom
8,35
- gen vr enk θλιψεως = thlipseôs (van de verdrukking) Rom
8,35.
- θλῖψιν (= thlipsin: verdrukking; zn acc vr enk van het zn θλιψις = thlipsis: verdrukking).
- Een vorm van θλιψις = thlipsis (verdrukking) en διωγμος = diôgmos (vervolging) komt samen
voor Mc
4,17.
- תֹהוּ = thohû (woestenij, leegheid) Taalgebruik in Tenakh: thohû
(woestenij, leegheid) Gn
1,2
- תֹהוּ וָבֹהוּ = thohû wâbhohû (woestenij en ledigheid) Gn
1,2.
- תְרוּמָה = thërûmâh (heffing, afzondering, gave) Taalgebruik in Tenakh: thërûmâh (heffing, afzondering, gave).
- τέθνηκεν (= tethnèken: hij stierf; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw θνησκω = thnèskô: sterven).
- th-l-d-th: ontstaansgeschiedenissen. Gn 36,1.2.
- θρασύτης (= thrasutès: vermetelheid, overmoed; zn nom vr enk)
- θρηνεω (= thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren; zie Ned zn traan). Taalgebruik in het NT: thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) PJ 2,1
- ἐθρήνησε (= ethrènèse: hij weende, weeklaagde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw θρηνεω = thrèneô: weeklagen, jammeren, lamenteren; zie Ned zn traan).
- תוֹרַת
מָשִׁיחַ = thôrath mâsjîach (de wet van de messias, gezalfde)
- θρηνεω = thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren) Taalgebruik in het NT: thrèneô (weeklagen, jammeren, lamenteren).
- θροεῖσθε (= throeisthe: schrikt); wkw pass imperat 2de pers mv van het wkw = throeô: laten kinken, schreeuwen, roepen; pass schrikken)
- θυγατηρ = thugatèr: dochter) Taalgebruik in het NT: thugatèr
(dochter)
- θυγατηρ (= thugatèr: dochter; zn nom vr enk; stam: th/d - g/ch) Mc
5,23.
- voc vr enk θυγατερ = thugater (dochter) Mi
4,10
- θυγατερ σιων = thugater siôn (dochter van Sion) Mi
4,10.
- θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) Mc 6,22
- της θυγατρος αυτου = tès thugatros autou (van zijn dochter) Mc 6,22.
- θυγατέρες (= thugateres: dochters: zn nom vr mv van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter)
- θυγάτριον (= thugatrion: dochtertje; zn nom onz enk; het is onzijdig en een verkleinwoord van θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) Mc
5,23.
- ἔθυον (= ethuon: zij offeren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw θυω = thuô: offeren)
- θυση (= thusè: op hij zou offeren / doden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw θυω = thuô: offeren). Joh
10,10.
- תּוּר = thûr (rondreizen, opsporen,doorvorsen, verspieden) Taalgebruik in Tenakh: thûr (rondreizen, opsporen,doorvorsen, verspieden).
- θῆλυ (= thèlu: vrouwelijk; bv nw acc onz enk van het bv nw θηλυς = vrouwelijk)
- θυμικός (= thumikos: hartstochtelijk, humeurig; zn nom mann enk)
- θυμοι (= thumoi: hartstochten; zn nom mann mv).
- θυρα = thura. Ned: deur. D: Tür. E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet.
- θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet).
- θύρας (= thuras: deur; zn gen vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet).
- θύραις (= thurais: deuren; zn dat vr mv van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet)
- θυσία (= thusia: offer; zn nom vr enk)
- Ned: tien Arabisch: عَشَرَة = `asara (tien) Taalgebruik in de Qoran: `asara (. tien) Aramees: עֲשַׂר = `äshar (tien, 10) D: zehn E: ten Fr: dix Grieks: δεκα = deka (tien) Taalgebruik in het NT: deka (tien) Taalgebruik in de LXX: deka (tien) Hebreeuws עָשַׂר = `âshâr (tien) Taalgebruik in Tenakh: `âshâr (tien) Latijn: decem
- tithèmi
(zetten, plaatsen, maken), zie Hnd
7,60.
- τικτω = tiktô (baren, bevallen) Taalgebruik in het NT: tiktô
(baren) Gn
16,11 Lc 1,31
- act ind fut 2de pers enk τεξῃ = texè(i) (jij zult baren) τικτω = tiktô (baren, bevallen) Gn
16,11 Lc 1,31.
- act ind fut 3de pers enk τεξεται = texetai (zij zal baren) Js
7,14.
- tiktô
(bevallen), zie Lc
2,6.
- t?????te? (= tillontes: plukkende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw t???ω = till�: plukken, haren uittrekken, kaalplukken)
- Τιμαίου (= timaiou: van Timeüs; zn eigennaam gen mann enk; - aios: zn -> bijv nw: eervol)
- τιμαω = timaô (schatten, taxeren, hoogschatten, eren) Taalgebruik in het NT: timaô (schatten, taxeren, hoogschatten, eren).
- τιμη = timè (prijs, waarde) Taalgebruik in de Bijbel: timè (prijs, waarde).
- τιμοθεος (= Timotheos: Timoteüs). Taalgebruik in het NT: Timotheos (Timoteüs) Kol
1,1.
- - tina
(wie), zie Mt
16,13.
- voornaamwoord τις = tis
Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
tis Mc 4,41 Lc
15,4 Lc
- τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk)
- nom mann + vr enk τις = tis: (wie, die)
- τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk)
- ανηρ τις = anèr tis (man) Lc 15,11.
- ανθρωπος τις = anthrôpos
tis (een mens) Lc 15,11.
- τις ανθρωπος = tis anthrôpos Lc 15,11
- ανηρ δε τις = anèr de tis (een man echter) Lc 15,11.
- τις () αυτον = tis () auton (iemand hem) Lc
18,18.
- τις δε = tis de (wie echter) Lc
15,4.
- και τις = kai tis (en wie) Lc
15,4
- και τις ανηρ = kai tis anèr (en een man) Lc 15,11.
- δε τις ανηρ = de tis anèr (echter een man) Lc 15,11.
- Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) Mc 1,27
- τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk)
- τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?)
- κατα τι = kata ti (waardoor) Lc 1,18.
- τι εστιν = ti estin (wat is?) Mc 1,27
- τι εστιν τουτο = ti estin touto (wat is dit?) Mc 1,27.
- τι σοι = tí soi (wat aan jou) Mc
5,9 Lc
18,41.
- τινος (= tinos: van iemand; onbep vnw gen mann enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets)
- Τίνος (= tinos: van wie; onbep vrag nw gen mann enk van het onbep vrag vnw τις = tis: wie, τι = ti: wat)
- τίνι (= tini: met wat; vrag vnw dat onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t)
- Τίνα (= tina: wie; vrag vnw acc mann enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t)
- τι (= ti: iets; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets)
- τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets)
- τινας (= tinas: sommigen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets)
- τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) Taalgebruik in het
NT: tithèmi
(zetten, plaatsen, maken) Lc
23,53
- act ind futurum 1ste pers enk θησω = thèsô (ik zal stellen) Gn
3,15.
- εθηκεν (= ethèken: hij legde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken). Lc
23,53
- εθηκεν αυτο = ethèken auton (hij legde het) Mc
6,29.
- εθηκεν αυτον (= ethèken auton (hij legde hem) Mc
6,29.
- εθηκαν (= ethèkan: zij legden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken). Mc
6,29
- εθηκαν αυτο = ethèkan auton (zij legden het) Mc
6,29.
- εθηκαν αυτον = ethèkan auton (zij legden hem) Mc
6,29.
- θω (= thô: ik zou stellen; wkw act conj aor 1ste pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) Gn
3,15
- τιθεὶς (= titheis: leggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken)
- τιθέντες (= tithentes: buigend; wkw act part praes nom mann mv van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken, buigen).
- τέθεικά (= tetheika: ik heb geplaatst; wkw act ind perf 1ste pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) . Gn 17,5 .
- τέθειται (= tetheitai: hij werd neergelegd; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken)
- Ned: tong Fr: langue Grieks: γλωσσα = glôssa (tong, taal) Taalgebruik in het NT: glôssa (tong, taal) Latijn: lingua
- טוֹב = tôbh (goed) Taalgebruik
in Tenakh: tôbh
(goed) Ps 133,1
- הַטּוֹב = hattôbh (het goede) < prefix bepaald lidw + bijvoegl naamw טוֹב = tôbh (goed) Ps 133,2.
- כִּי טוֹב = kî tôbh (want mooi, zo mooi) Gn
1,4.
- תֹהוּ = thohû (woestenij, leegheid) Taalgebruik in Tenakh: thohû
(woestenij, leegheid) Gn
1,2.
- τοιαύτη (= toiautè: dergelijk, zodanig, zulk; aanwijz vnw nom vr enk van het aanwijz vnw τοιουτος = toioutos: zulk, dergelijk).
- τοιούτων (= toioutôn: van zulke, van dergelijke; onbep vns gen onz mv van het onbep vnw τοιουτος = toioutos: zulk, dergelijk)
- th-l-d-th (ontstaansgeschiedenissen) Taalgebruik in Tenakh: thôlëdôth (ontstaansgeschiedenissen) Gn
5,1.
- - thôlëdoth
(ontstaansgeschiedenissen), zie Gn
2,4.
- ἐτόλμα (= etolma: hij dierf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw τολμαω: verdragen, dulden, durven)
- τολμήσας (= tolmèsas: durvende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw τολμαω: verdragen, dulden, durven)
- τοπος = topos: plaats) Taalgebruik
in het NT: topos
(plaats) Gn
22,14
- τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned topografie) Mc 6,31.
- τόπους (= topous: plaatsen; zn acc mann mv van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned topografie).
- τόποις (= topois: op plaatsen; zn dat mann mv van het zn τοπος = topos: plaats)
- Ned: toren D: Turm Fr: tour Zie het werkw draaien Fr: tourner
- ????�?? (= thorubos: oprier; nom mann enk: lawaai, rumoer, onrust, oproer)
- לְטֹטָפֹת = lëtotâphot (herkennings- of herinneringsteken aan het voorhoofd, voorhoofdsbanden) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Dt
6,8.
- τοτε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop). Taalgebruik in het NT: tote (dan). Js
35,5. De letter t/d wordt vaak gebruikt om aan te duiden. Lat: digitus: wijsvinger, aanduidingsvinger. Fr: tu: gij.
- τράχηλον (= trachèlon: hals; zn acc mann enk van het zn τράχηλος = trachèlos: hals, nek)
- Lat: trahere (= trekken; t+r+h/k). Fr: trait (= trek, kentrek < tractus: wkw act part perf nom mann enk van het wkw trahere = trekken; t+r+h/k).
- τραπέζας (= trapedzas: tafels; zn acc vr mv van het zn τραπέζα = trapedza: tafel)
- Ned: oversteken, overgaan D: übergehen E: traverse, go over Fr: traverser Grieks: διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) Taalgebruik in het NT: diaperaô (doortrekken, oversteken) Italiaans: traversare Hebreeuws: עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken)
Taalgebruik in Tenakh: `âbhar
(overgaan, voorbijgaan, doortrekken) Latijn: traversare Spaans: atraversar
- τρεχω = trechô (snellopen, hollen) Taalgebruik in het NT: trechô
(snellopen, hollen)
- act ind aor 3de pers enk εδραμεν = edramen (hij liep snel) Mc
5,6.
- δ
- τρίτη (= tritè: derde; rangtelw nom vr enk van het rangtelw τριτος, τριτη, τριτον = tritos, tritè, triton: derde)
- τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw)
- τριῶν (= triôn: drie; telw van het telw τρεῖς = treis: drie).
- τρισὶν (= trisin: drie; telw dat vr mv van het telw τρεῖς = treis: drie).
- Fr: tressailler < trans: over + salire: springen, frequentatief is saltare: herhaaldelijk springen, dansen (hieruit: salto), rillen. Ned: opspringen.
- τρὶς (= tris: driemaal; bw)
- t??a??s??? (= triakosi�n: van driehonderd; hoofdtelw gen onz mv van het hoofdtelw t??a??s???. driehonderd)
- t??�??? (= tribous: wegen; zn acc vr mv van het zn t??�?? = tribos: weg, pad)
- τριχας (= trichas: haren; zn acc vr mv van het zn θριξ = thrix, gen τριχος = trichos: haar)
- τρίς (= tris: driemaal; telw)
- τρίτον (= triton: derde; rangtelw acc onz enk van het rangtelw τρίτος = tritos: derde)
- τρίτος (= tritos: derde; rangtelw nom mann enk van het rangtelw τρίτος = tritos: derde)
- τρίζει (= tridzei: hij knarst; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw τριζω = trizô: piepen, knarsen)
- τροφήν (= trofèn: voedsel; zn acc vr enk van het zn τροφη = trofè: voeding)
- τρόμος (=
- τροπαριον (= tropee). Lat: tropaeum. Fr: tropaire. Ned: trofee, overwinningsgedenkteken.
- τρύβλιον (= trublion:schotel, schaal, kom; zn acc onz enk).
- τρυμαλιᾶς (= trumalias: door het oog; zn gen vr enk van het zn τρυμαλια = trumalia: gat, oog)
- tsâ`âq
(roepen, schreeuwen, klagen), zie Ex
3,7.
- צִבְא֥וֹת (= tsâbâ'ôth: de legers). Tenakh (1): Ex 12,41.
- כָּל־צִבְא֥וֹת יְהוָ֖ה (= kol tsâbâ'ôth JHWH: het totale leger van JHWH). Tenakh (1): Ex 12,41.
- צִבְא֥וֹת יְהוָ֖ה (= tsâbâ'ôth JHWH: de legers van JHWH). Tenakh (286): Ex 12,41.
- צִבְאֹתָֽם (= tsabâ'othâm: hun legers; zn vr mv + suffix pers vnw 3de pers mv van het zn צָבָא = tsâbâ' : leger). Ex
12,51.
- צָחַק = tsâchaq (lachen)
Taalgebruik in Tenakh: tsâchaq
(lachen)
- וַיִּצְחָק = wajjitsëchâq (en hij lachte) Gn
17,17.
- tsâhâl
(juichen, hinniken), zie Jr
31,7.
- צַר = tsar (vijand, verdrukker)
- stat constr mann mv צָרֵי = tsâre(j) (verdrukkers van)
- tsâ´îr
(klein, jongste), zie Mi
5,1
- tsâm´â
(dorst hebben, dorsten), zie Ps
42,3
- - tsâmach: ontspruiten, groeien). Taalgebruik in Tenach: tsâmach
(ontspruiten, groeien) tsamach
(oprijzen, opgaan), zie Mt
5,14.
- צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) Taalgebruik in Tenakh: tsâwâh
(opdragen)
- act piël perf 3de pers mann enk צִוָּה = tsiwwâh (hij beval) Lv 8,4.
- צִוְּךָ= tsiwwëkhâ (hij beval jou) < act piël 3de pers mann enk + suffix persoonl voornaamw 2de pers mann enk Dt
5,12.
- מְצַוְּךָ = mëtsawwëkhâ (jou opdragende) < act piël part mann enk + suffix persoonl voornaamw mann enk Dt
6,6
- אָנֹכִי מְצַוְּךָ = ´ânokhî mëtsawwëkhâ (ik opdragende) Dt
6,6
- אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ = ´asjèr ´ânokhî mëtsawwëkhâ (die ik opdragende) Dt
6,6
- אֲשֶׁר אָנֹכִי מְצַוְּךָ הַיּוֹם = ´asjèr ´ânokhî mëtsawwëkhâ
hajjôm (wat ik opdragende ben vandaag) Dt
6,6.
- tsâwâh
(opdragen), zie Mt
28,20.
- צֶדֶק (= tsèdèq: rechtvaardig)
Taalgebruik in Tenakh: tsèdèq
(rechtvaardig) Lc 2,25
- צַדִּיק = tsaddîq (rechtvaardige) Lc 2,25
- אִישׁ צַדִּיק = ´isj tsaddîq (rechtvaardig mens) Lc 2,25.
- mann mv צַדִּיקִם = tsaddîqim / צַדִּיקִים = tsaddîqîm / צַדִּקִים = tsaddîqîm (rechtvaardigen) Dt
4,8 Lc
18,9.
- וצַדִּיק (= wëtsaddîq: en een rechtvaardige; < prefix vw waw + צַדִּיק: = tsaddîq: rechtvaardige; bv nw mann enk). Sef
3,5.
- צְדָקָה (= tsëdâqâh: rechtvaardigheid; zn vr enk; zie צֶדֶק = tsèdèq: rechtvaardig: bv nw mann enk). Taalgebruik: tsèdèq
(rechtvaardig) Gn
15,6 Js
62,1
- ֵ: twee punten onder de regel duidt de צֵרֵי = tsere(j) (tsere) = e aan Het is een tussenklinker, een klinker tussen de lange i (chireq) en de korte i (chireq) evenals de korte è (sëgôl) Bij deze klinker e kan de medeklinker jod een leesmoeder zijn
- צִיּוֹן (= tsijjôn: Sion).
Taalgebruik in Tenakh: tsijjôn
(Sion). Js
16,1. Ps 133,3.
- בַת צִיּוֹן (= bath tsijjôn: dochter Sion). Sef 3,14. Js
16,1.
- וּבְנֵי צִיּוֹן (= ûbhëne tsijjôn: en de zonen van Sion). Tenakh (1): Jl
2,23.
- צֶלֶם = tsèlèm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld) Taalgebruik in Tenakh: tsèlèm (beeld, afgodsbeeld, schaduwbeeld).
- צִיצ = tsîts (bloesem, bloem) Taalgebruik in Tenakh: tsîts (bloesem, bloem)
- mann mv צִיצִים = tsîtsîm (bloemen)
- mann mv stat construct צִיצֵי = tsîtse(j) (bloemen van)
- zelfst naamw mann mv en suffix bezittelijk voornaamw 3de pers mann enk צִיצָיו = tsîtsâ(j)w (zijn bloemen)
- act qal perf 3de pers mann enk צוֹם = tsôm (hij vast) en zelfst naamw
nom mann enk צוֹם = tsôm (vasten) Taalgebruik in Tenach: tsôm
(vasten) Js
58,6.
- צֹאן = tso´n (kudde)
Taalgebruik in Tenakh: tso´n (kudde) Ex
3,1
- אֶת צֹאן = ´èth tso´n (de kudde) Gn
37,12.
- ??: Tyrus.
- tsûph
(tsuph), zie 1 S 1,1
- τυφλος (= tuflos: blinde; zn nom mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) Taalgebruik
in het NT: tuflos
(blind)
- nom mann enk τυφλος = tuflos (blinde) Mc 10,46.
- t?f??? (= tuflou: van de blinde; bv nw zelfstandig gebruikt gen mann enk van het bv nw τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen)
- t?f??? (= tuflon: blinde; zn acc mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen)
- nom mann mv τυφλοι = tufloi (blinden) Lc
7,22.
- dat mann mv τυφλοις = tuflois (aan blinden) Lc 4,18.
- tunc (dan) Zie: Taalgebruik in Tenach: ´âz
(dan).
- ἔτυπτον (= etupton: zij sloegen / mishandelden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw τυπτω: slaan, treffen, mishandelen).
- θυρα = thura (deur) Taalgebruik in het NT: thura
(deur)
- acc vr enk θυραν = thuran Mc 1,33
- προς την θυραν = pros tèn thuran (bij de deur) Mc 1,33.
- τυρος = turos: Tyrus) Taalgebruik in het NT: turos (Tyrus) Mc 3,8
- Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen mann enk van het zn τυρος = turos: Tyrus)
- περι τυρον = peri turon (rondom Tyrus) Mc 3,8.
- twaalf zie dôdeka
- twl
(werpen, slingeren), zie Jon
1,4.
- Ned: twee Arabisch: اِثنَان = ´ithnân (twee) Taalgebruik in de Qoran: ´ithnân (twee) D: zwei E: two Fr: deux Grieks: δυο = duo (twee) Taalgebruik in het NT: telwoorden Hebreeuws: שְׂנַיִם = sjënajim (twee) Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee) Lat: duo (d - t - z/ts; u -w)
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
U.
- Lat: ubi; u=w; Ned: waar? Fr: où.
- אוּלָם = ´îlâm (zaal)
- Ned: uil D: Eule E: owl In het Hiëroglyfisch wordt de klankwaarde m voorgesteld door een uil
- Ned: uit D: aus E: out Fr: de Grieks: εκ = ek of εξ = ex (uit) Taalgebruik
in het NT: ek
(uit) Latijn: ex
- Ned: uitstrekken
Fr: étendre L'action d'étendre
se dit extension: lat extendere, part passé extensus Lat: extendere
- Lat: umbra. Fr: l'ombre. Ned: lommer, schaduw.
- Lat: unus: één. Fr: un. E: wn = one (woun).
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
V.
- Ned: va-der
Arabisch: اَب = ´ab (vader) Taalgebruik in de Qoran: ´ab (vader) D: Va-ter E: fa-ther Fr: pè-re Grieks: πατηρ = pa-tèr (va-der) Taalgebruik
in het NT: patèr
(vader) Hebreeuws: אַב = ´abh (vader) Taalgebruik
in Tenakh: ´abh
(vader) Lat: pa-ter
(Labialen: stemloos: p; stemloos aangeblazen: ph = f; stemhebbend: b; stemhebbend aangeblazen: bh = v)
- - van, vanaf, zie apo
- - Ned: vallen D: fallen E: to fall Fr: tomber Grieks: πιπτω = piptô (vallen) Taalgebruik
in het NT: piptô
(vallen) Hebreeuws: נָפַל = nâphal (vallen)
Taalgebruik in Tenakh: nâphal
(vallen) Latijn: cadere
- Ned: p of ph = f -> v + r Het
woord behoort tot de groep van varen Mnd voort Ofries: forda Oeng: ford D: fahren Grieks: πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare
plaats Lat: por-tus: haven
- N: veel Indo-Europees: epe-, ple (p / f / v + l) A: Arabisch: كثير = kathir (zie http://wwwarabischlexiconcom/183-kathyr-veel-1603157916101585html) D: viel E: much Fr: beaucoup Gr: πολυς = polus (veel) Hebr + Aramees: רַב = rab Lat: multus
- Ned: veertig Arabisch: اَرْبَعُونَ = ´arba`ûna (veertig) Aramees: אַרְבָּעִין = ´arëbâ`în (veertig) D: vierzig E: forty Fr: quarante Grieks: τεσσαρακοντα = tessarakonta (40) Zie: telwoorden Taalgebruik in het NT: telwoorden Hebreeuws: אַרְבָּעִימ = ´arëbâ`îm (veertig, 40) Taalgebruik
in Tenakh: ´arëbâ`îm
(veertig 40) Latijn: quadraginta
- veni (kom; wkw act praes imperat 2de pers enk van het wkw venire: komen). Vulg (143).
Ps
80,3.
- venit (= hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw venire: gaan, komen). Js
40,10.
- veniet (= hij zal komen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw venire: gaan, komen). Js
40,10.
- Ned: testamment, verbond D: Bund E: covenant Fr: alliance Grieks: διαθηκη = diathèkè (verbond) Taalgebruik in het NT: diathèkè
(verbond) Hebreeuws: בְרִית = bërîth
(verbond) Taalgebruik in Tenakh: bërîth
(verbond) Lat: foedus (zie bv federaal), testamentum
- Ned: verbieden E: forbidden Fr: interdire Lat: prohibere
- Ned: verderven, verdoemen Arabisch: أَباَدَ = ´abâda (vernietigen) Taalgebruik in de Qoran: ´abâda (vernietigen) D: vernichten E: destroy Fr: perdre Grieks: απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) < ap- + ollumi < ol-numi
Taalgebruik in het NT: apollumi
( ten gronde richten, doden, verliezen ) Hebreeuws: אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) Taalgebruik
in Tenakh: ´âbhad
(verdwijnen, verloren gaan) Lat: perdere
- Ned: vergeten D: Vergessen E: for-get Lat: volkslatijn: oblitare < pass part perf oblitus van het klassieklatijn oblivisci It: obbliare Sp: olvidar (metathesis, b > v), Fr: oublier Grieks: επιλανθανω = epilanthanô Arabisch: نسي (nasya = vergeten)
Hebreeuws: שָׁכַח = sjâkhach
(vergeten) Taalgebruik in Tenakh: sjâkhach
(vergeten)
- vergeven zie afièmi
- vergezellen, naast zich nemen zie paralambanô -
- Ned: verheffen D: aufheben E: to lift up Fr lever Grieks: επαιρω = epairô
(opheffen, verheffen) Taalgebruik in het NT: epairô
(opheffen, verheffen) Hebreeuws: נָשָׂא = nâshâ´(dragen, opnemen,
verheffen) Taalgebruik in Tenakh: nâshâ´
(dragen, opnemen, verheffen) Lat: elevare (uitheffen, opslaan)
- Ned: verschijnen D: erscheinen
E: appear Fr: apparaître Lat: apparere
- verscheuren Zie Grieks: διαρρηγνυμι OF διαρρησσω = diarrègnumi OF diarrèssô (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren, uiteenrijgen) Taalgebruik in het NT: diarrègnumi (doorbreken, doorklieven, doen barsten, verscheuren) Zie Hebreeuws: werkw קָרַע = qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden) Taalgebruik in Tenakh: qâra` (scheuren, afscheuren, in stukken snijden)
- Ned: verschijnen D: erscheinen
E: appear Fr: apparaître Lat: apparere
- Ned: verkondigen (< verconden), vertellen D: erzählen E: to recount, to tell Fr: compter en conter, (ra)conter Italiaans: racontare Lat: computare Spaans: contar
- Lat: via. Hoe is dit in het Fr tot voie ontwikkeld? En vanwaar komt de g in het Ned weg? E: way.
- vidit (hij zag) Taalgebruik in Tenach: châzâh
(zien, aanzien, uitkiezen).
- Ned: vijf Arabisch: ذَمس = chams (vijf) Taalgebruik in de Qoran: chams (vijf) D: fünf E: five Fr: cinq Grieks: πεντε = pente (vijf, 5) Taalgebruik in het NT: pente (vijf, 5) Hebreeuws: חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) Taalgebruik in Tenakh: châmesj (vijf) Lat: quinque
- Ned: vinden D: finden E: to find Fr: trouver Du latin populaire *tropare («
composer, inventer un air » d’où « composer un poème
», puis « inventer, découvrir »), dérivé
de tropus (« figure de rhétorique » ? voir trope) Website: http://frwiktionaryorg/wiki/trouver Grieks: εὑρισκω = heuriskô (vinden) Taalgebruik in het NT: heuriskô
(vinden) Hebreeuws: מָצָא = mâtsâ´ (vinden) Taalgebruik in Tenakh: mâtsâ´
(vinden) Lat: invenire
- Ned: vinger D: Finger E: finger Verwant met (?) Grieks: πηγνυμι = pègnumi Latijn: pangere (v / p; g / k; n) Fr: doigt Grieks: δακτυλος = daktulos Latijn: digitus; (d - k / g - t) Latijn: tangere - tactum Fr: toucher (d / t; k / g / ch)
- L: vinea. Fr: vigne. Ned: wijn-gaard. E: vineyard. v/w. Taalgebruik in het NT: ampelôn
(wijngaard).
- Lat: virtus (deugd, kracht, macht, moed). Fr: vertu; w-r-t -> Ned: waard-ig?
- Ned: vloek-en.
- Ned: vlot; pl- -> vl- ; Grieks: πλοιον = ploion: boot. Taalgebruik in
het NT: ploion
(boot). Zie het werkw πλεω = pleô: varen; p/v-l/r) Taalgebruik in het NT: pleô (varen). De r en l zijn lingualen: tongletters; pl -> vr: pleô: varen; afgeleid ervan is πλοιον = ploion: vaar-tuig.
- L: vinea. Fr: vigne. Ned: wijn-gaard. E: vineyard. G: ἀμπελῶν (= amplôn: wijngaard, wijnberg; zn nom mann enk).
- Lat: vinus (wijn). Fr: vin.
- Ned: voet, poot Arabisch: رجل (râjul) Aramees: רִגְלָא of רַגְלָא (rigëlâ' of ragëlâ') D: Fuss E: foot Fr: pied Grieks: πους = pous, ποδος = podos (voet) Taalgebruik in het NT: pous, podos (voet) Hebreeuws: רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) Taalgebruik in Tenakh: règèl (voet, voetstap) Latijn: pes, -dis (p - f - v; d - t) Het Latijnse regula betekent: lat, liniaal, maatstaf, richtsnoer, regel Een lengtemaat was bv zoveel voet Zie website: https://nlwikipediaorg/wiki/Voet_(lengtemaat).
- N: vol Indo-Europees: epe-, ple (p / f / v + l) Arabisch: كامل = kamil D: voll E: Full Fr: plein Gr: πολυς = polus Hebr: מָלֵא = mâle Lat: plenus (vol) It: pieno Sp: pleno
- L: vox (stem). Vox = voc + s, vocis, voce enz. Een c, voorafgegaan van een klinker, en gevolgd door e / i . De yod verbindt zich met de klinker, dia aan de c vorafgaat; vandaar: vo+i ks.
- N: vol-heid Indo-Europees: epe-, ple (p / f / v + l) D: Fülle E: Fulness / plenitude Fr: plénitude Gr: πληρωμα = plèrôma L: pleni-tudo It: plenitudine Sp: plenitud
- Ned: volgen Arabisch: تَبِعَ = tabi`a (volgen) Taalgebruik in de Qoran: tabi`a (volgen) D: folgen E: to follow Fr suivre Grieks: ακολουθεω = akoloutheô
(volgen) Taalgebruik in het NT: akoloutheô
(volgen) Hebr: הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) Taalgebruik in Tenakh: hâlakh
(gaan) en Taalgebruik in Tenakh: ´achäre(j)
(achter) Lat: sequi - secutus
- Ned: volk D: Volk E: people Fr: peuple Grieks: λαος = laos (volk) Taalgebruik in het NT: laos (volk) Hebreeuws: עָם / עַם = `am (volk) OF עִם = `im (met) Taalgebruik in Tenakh: `am (volk) Lat: populus
- p - r -> Ned: v - r (pro -> voor) D: vor
Eng: before Fr: avant (uit ab: vanaf en ante: voor, van te voren = voor-af)
Grieks: προ = pro (voor) pro (voor) Taalgebruik in het NT: pro
(voor) pro (voor) Lat: ante
- Ned: vroeg (v / p, zie het Griekse πρωι = prôi) Arabisch: باقر = baqir (vroeg) D: früh E: early Fr: tôt Grieks: πρωι = prôi (vroeg) Taalgebruik in
het NT: prôï
(vroeg) Lat: mane In Gn 1,5 is het Griekse πρωι = prôi (vroeg) de vertaling van het Hebreeuwse בֹקֶר = boqèr (morgen) Ze hebben de b / p en de r gemeenschappelijk Arabisch en Hebreeuws hebben dezelfde stammedeklinkers
- Ned: vrouw D: Frau E: wife Fr: femme Latijn: femina
- Grieks: γυνη = gunè (vrouw)
Taalgebruik in het NT: gunè
(vrouw) Lat: mulier Arabisch: امرأة = aimra'a Hebreeuws: אִשָּׁה = ´isjsjâh (vrouw) Taalgebruik in Tenakh: ´isjsjâh (vrouw).
- Ned: vrucht Arabisch: فَاكِة = fâkihah (fruit) Taalgebruik in de Qoran: fâkihah (fruit) D: Frucht E: fruit Fr: fruit Grieks: καρπος = karpos (vrucht) Taalgebruik
in het NT: karpos
(vrucht) Hebreeuws: פְּרִי = përî (vrucht, fruit) Taalgebruik in Tenakh: përî (vrucht) Latijn: frui
- fructus
- Ned: vuur (Grieks: πυρ = pur; p - ph = f; b - bh = v; f - v) Arabisch: zie licht D: Feuer E: fire Fr: feu Grieks: πυρ = pur (vuur) Taalgebruik in het NT: pur
(vuur) Hebreeuws: אֵש = ´esj (vuur) Taalgebruik
in Tenakh: ´esj
(vuur) Lat: ignis
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
- Hebreeuwse werwkoorden waarvan de middelste medeklinker een ו (waw) is: -- nûs (vluchten, wegsnellen) -- qûm
(opstaan) --
- Arabisch: وَ = wa (en) Taalgebruik in de Qoran: wa (en)
- `Arab wa`id: bedreigingen, woorden van bedreiginge; zn; zie Glotton 1673 (blz 764) w `d: een belofte doen, iemand met iets bedreigen (menacer... de), beloven. Soera 50,14. l
- Ned: waarheid D: Wahrheit Fr: vérité Lat: veritas
- Ned: waar ? Arabisch: أين؟ = ´aina (waar?) Taalgebruik: ´aina (waar?) D: E: where Fr: où Grieks: που = pou (waar?) Taalgebruik in het NT: pou (waar?) Hebreeuws: אַיִן = ´ajin (waar) = אִי = אֵי = אַיֵּה = ´ajjeh Zie: אִי = ´î (ie) 1
vragend woord: waar ? Taalgebruik in Tenakh: ´î =´ie (waar?) Lat: ubi
- Ned: waken Arabisch: راقب = râqaba (waken) D: wachen E: to watch Fr: veiller Italiaans: vegliare / vigilare Lat: vigilare Spaans: velar
- Ned: want D: denn Fr: car Grieks: γαρ = gar (want) Taalgebruik
in het NT: gar
(want) Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat) Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat: enim
- Ned: wat D: was E: what Fr: que Latijn: quod Hebreeuws: מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) Taalgebruik in Tenakh: mah / mâh (wat?).
- Ned: water D: Wasser E: water Grieks: ὑδωρ = hudôr (water) Grieks: Taalgebruik in het NT: hudôr
(water) Oudkerkslavisch: voda en genalaseerd Latijn unda Oudindisch: udan In het hiëroglyfisch stelt een papyrus de klankwaarde w'd (wad) voor; het betekent groen, vers zijn; w'd wr (wad oer): zee (de groene - grote = de grote groene)
- Fr: eau Lat: aqua
- Arabisch: مَأء = mâh (water) Taalgebruik in de Qoran: mâh (water) Hebreeuws: מַיִם= majim (water) Taalgebruik in Tenakh: majim (water) In het hiëroglyfisch stelt 3X n de klankwaarde mw (moe) voor; het betekent water Ned: meer Lat: mare
- Hebr: וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de) Taalgebruik in de Qoran: ´al (de)
- Ned: weg D: Weg E: way Latijn: via
- Fr: chemin Volkslatijn camminus Van Keltische oorsprong
- Grieks: ὁδος = hodos (weg) Taalgebruik in het ΝΤ: hodos
(weg) Indo-Europ: sed Gr: ἑζομαι = hezomai sedere (zitten), sedes: (zetel) Ned: zetten, zitten
- Hebreeuws: דֶרֶך = dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) Taalgebruik
in Tenakh: dèrèkh
(weg, wijze, levenswijze) Latijn: via
- Ned: welp Gr: skulax, skulakis = kalè
- Ned: wemelen D: wimmeln Fr: foisonner = verspreiden (lat: fusio: verspreiding < fundere; foison est une action de répandre) E: to bring forth Hebr: שָׁרַץ = sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) Taalgebruik in Tenakh: sjârats (kruipen, wemelen, zich vermenigvuldigen, zich voortplanten) Lat: producere (voortbrengen)
- Ned: weten D: wissen Gr: οιδα = oida (ik weet) Taalgebruik
in het NT: oida
(ik weet) Grieks: ειδεν = eiden
(hij zag) Latijn: videre (zien) Taalgebruik in het NT: eiden
(hij zag) Hebreeuws: יָדַע = jâda`
(kennen, weten) Taalgebruik in Tenakh: jâda`
(kennen, weten) In het Hebreeuws worden abstracte zelfstandige naamwoordemet het prefix m; zo staat het Hebreeuwse maddâ` als da`ath voor kennis, inzicht In het Hiëroglyfisch is m´`(waar, echt zijn) w / v / j t / d
- Ned: wijsheid D: Weisheit E: wisdom
- Ned: willen D: willen E: will Fr: vouloir Grieks: θελω = thelô (willen) Taalgebruik in het NT: thelô (willen) Lat: velle
- Ned: wind < Lat: ventus, v/w, d/t Fr: vent D: Wind E: wind
- Gr: ανεμος = anemos (wind) Taalgebruik in het NT: anemos (wind) Lat: animus (wind, lucht)
- Arabisch: رياح (riah) Hebreeuws: רוַּח = rûach (geest) Taalgebruik in Tenakh: rûach
(geest).
- Ned: woestijn D: Wüste Lat: vastus Grieks: ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) Taalgebruik
in het NT: erèmos
(woestijn) eremiet < erèmitos: kluizenaar Fr: désert
< Latijnse de-sertus: verlaten; serere, sertum: aaneenrijgen, aaneenschakelen
- Ned: woord D Wort E: word Fr: mot Grieks:
λογος = logos (woord) Taalgebruik in het
NT: logos
(woord) Hebreeuws: דָבַר = dâbhar (spreken)
Taalgebruik in Tenakh: dâbhar
(spreken) Latijn: verbum
- Ned: worstelen Oost-Vlaams dialect: wëstln D: ringen (wringen, worstelen) E: wrestle Fr: lutter Gr: παλαιω = palaiô (worstelen, strijden) Taalgebruik in de LXX: palaiô
(worstelen, strijden) Lat luctari
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -
Z.
- - zâbhach (slachten, offeren) Taalgebruik in Tenach: zâbhach
(slachten, offeren).
- -- liz?boach (om te offeren) < voorzetsel l? + act qal inf OF: lëzèbach (tot offer) voorzetsel lë + zelfst naamw zèbhach (offer, slachtoffer, offermaaltijd): 1 K 3,44
- nom mann enk ζαχαριας = zacharias (Zacharja) Taalgebruik in het NT: zacharias
(Zacharja) Lc 1,5.
- זַיִת = zajith (olijfboom) Taalgebruik in Tenakh: zajith (olijfboom)
- stat construct mann enk זֵית = ze(j)th (olijfboom van)
- mann mv זֵיתִים= ze(j)thîm (olijfbomen)
- stat construct mann mv זֵיתֵי = ze(j)the(j) (olijfbomen van)
- zelfst naamw mann mv en suffix bezitt voornaamw 3de pers mann enk זֵיתָיו = ze(j)thâ(j)w (zijn olijfbomen)
- זָכַר = zâkhar (gedenken,
zich herinneren) Taalgebruik in Tenakh: zâkhar
(gedenken) Lc 24,12
- וַיִּזְכֹּר = wajjizëkhor (en hij gedacht) < prefix voegwoord wë + werkwoordvorm act qal
imperf 3de pers enk Ex
2,24
- וַיִּזְכֹּר אֱלֹהִים = wajjizëkhor ´èlohîm (en God gedacht) Ex
2,24
- וַיִּזְכֹּר אֱלֹהִים אֶת בְרִיתוֹ = wajjizëkhor ´èlohîm ´èth bërîthô (en God gedacht zijn verbond) Ex
2,24.
- act qal infin absol זָכוֹר = zâkhôr (gedenken) Ex
20,8.
- לְהַזְכִּיר = lëhazëkîr (om te gedenken) < prefix voorzetsel lë + hifil inf stat construct 1 K 17,18.
- זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) Lc 24,12
- לְזִכְרוֹן = lëzikhërôn (tot gedachtenis) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Lc 22,19.
- zâkhar
(gedenken), Ex
2,24.
- Ned: zalf Gr: ἑλπος
- Ned: zalfolie Arabisch: مَرهَم = marham (zalf) Taalgebruik in de Qoran: marham (zalf) D: Salböl E: oil Fr: huile Grieks: ελαιον = elaion (olie) Taalgebruik in het NT: elaion (olie) Hebreeuws: שֶּמֶן = sjèmèn (vet, olie, zalf) OF bijvoegl naamw (= sjamen, vr = sjëmenâh = vet, dik, sterk) Taalgebruik in Tenakh: sjèmèn (vet, olie, zalf) Lat: oleum (olie) van olea (olijfboom)
- Ned: zalig, gelukkig D: wohl
E: blessed Fr: (bien)heureux Hebreeuws: אַשְׁרֵי = ´asjëre(j) (gelukkig, zalig) Taalgebruik in Tenach: ´äsjëre(j)
(gelukkig, zalig) Lat: beatus
- ζαω (= dzaô: leven).
- ζῶν (= dzôn: levende; wkw act part praes nom onz enk van het wkw ζαω = dzaô: leven).
- ζῶντι (= dzônti: levende; wkw act part praes dat enk van het wkw ζαω = dzaô: leven).
- ζώντων (= dzôntôn: van levenden; wkw act part praes gen mann mv van het wkw ζαω = dzaô: leven).
- zâr`â
(zaaien, planten, voortbrengen), zie Gn
15,18.
- זָקָן = zâqân (baard) Taalgebruik in Tenakh: zâqân (baard)
- הַזָּקָן = hazzâqân (de baard) < prefix bepaald lidw ha + zelfst naamw זָקָן = zâqân (baard) Ps 133,2
- זָקֵן (= zâqen: oud, voornaam; zn nom mann enk). Taalgebruik in Tenakh: zâqen
(oud, voornaam).
- זָקֵן (= zâqen: oud, voornaam; zn nom mann enk) Gn
24,1 1
K 1,1
- mann mv זְקֵנִים = zëqenîm (ouderen)
- mann mv stat constr זִקְנֵי = ziqëne(j) (ouderen) 1 S 4,3
- זִקְנֵי יִשְׂרָאֵל = ziqëne(j) jishërâ´el (oudsten van Israël)
- זֶרַע = zèra` (zaad, nageslacht, nakomeling) Taalgebruik
in Tenakh: zèra`
(zaad, nageslacht, nakomeling)
- זַרְעָהּ = zarë`âh (haar zaad) < zelfst naamw mann enk + persoonl voornaamw 3de pers vr enk Gn
3,15.
- זַרְעֲך (= zarë`âkhâ: jouw zaad; < zelfst naamw mann enk + zn vr enk זֶרַע = zèra: geslacht + suffix pers. vnw 2de pers mann enk. Zie het wkw זָרַע = zâra`: zaaien, planten, voortbrengen). Gn
3,15
- לֱזַרְעֲךָ (= lëzar`äkhâ: aan jouw geslacht; voorzetsel lë + zn vr enk זֶרַע = zèra: geslacht + suffix pers. vnw 2de pers mann enk. Zie het wkw זָרַע = zâra`: zaaien, planten, voortbrengen). Gn 12,7.
- וּלְזַרְעֲךָ = ûlëzarë`äkhâ (en aan jouw nageslacht) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë
+ zelfstandig naamwoord zr`+ suffix persoonlijk voornaamwoord tweede persoon
mannelijk enkelvoud Gn 12,7.
- לְזַרְעֲךָ אֶתֵּן = lëzarë`äkhâ ´èththen (aan uw nageslacht zal ik geven) Gn 12,7.
- וּבֵּין זַרְעֲךָ = ûbhe(j)n zarë`âkhâ (en tussen jouw zaad) Gn
3,15.
- לֱזַרְעֲךָ (= lëzar`äkhâ: aan jouw geslacht; voorzetsel lë + zn vr enk זֶרַע = zèra: geslacht + suffix pers. vnw 2de pers mann enk. Zie het wkw זָרַע = zâra`: zaaien, planten, voortbrengen).
- zârach (rijzen, opgaan) Taalgebruik in Tenach: zârach
(rijzen, opgaan) zârach
(rijzen, opgaan), zie Mt
5,14.
- ζαω = zaô (leven, bestaan) Taalgebruik in het NT: zaô
(leven, bestaan) Lc 4,4 Lc
15,32
- act ind fut 3de pers enk ζησεται = zèsetai (hij zal leven) Lc
15,32.
- act part praes nom mann enk ζων = zôn (levende) Lc
15,13
- act part aor acc vr enk ζωσαν = zôsan (levend) Gn
1,24.
- Ζεβεδαῖον (= zebedaion: Zebedeüs; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs)
- Ζεβεδαίου (= zebedaiou: van Zebedeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs)
- zèteô
(zoeken), zie Mc
7,1 en Mt
2,12
- ??t???te? (= dz�tountes: zoekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ??teω = dz�te�: zoeken)
- Ned: zee Arabisch: بحر = bahr (zee) Taalgebruik in de Qoran: bahr (zee) D: See E: sea Fr: mer Gr: θαλασσα = thalassa (zee, meer) Taalgebruik
in het NT: thalassa
(zee meer) Hebr: יָם = jâm (zee, meer, stroom) Taalgebruik in Tenakh: jâm (zee, meer, stroom) Lat: mare
- Ned: zegenen < signare (tekenen), het signum (teken)
van het kruis slaan Arabisch: بَارَكَ = bâraka (zegenen) Taalgebruik in de Qoran: bâraka (zegenen) D: segnen E: to bless Fr: bénir Gr: ευλογεω = eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) Taalgebruik
in het NT: eulogeô
(goed spreken, loven, prijzen) Hebreeuws: בָרַך = bârakh (zegenen, loven, prijzen) Taalgebruik
in Tenakh: bârakh
(zegenen, loven, prijzen) Lat: benedicere
- Ned: zeggen D: sagen
E: to say z/s Latijn: inquam (ik zeg), waarin tussen de n en de q de su wegviel; inquit (hij zegt of hij heeft gezegd, hij zei Grieks: εννεπε = ennepe (zeg), waarin nn uit ns ontstond ενεπω = enepô (zeggen, vertellen) Komt van επω = epô de aorist ειπον = eipon (ik zeg)
- Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen) Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen) Hebreeuws: קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) Taalgebruik in Tenakh: qârâ´
(roepen, heten) קוֹל = qôl (stem, roep) Taalgebruik
in Tenakh: qôl
(stem) Ned: kallen (praten) Grieks: καλεω = kaleô (roepen,
noemen) Taalgebruik in het NT: kaleô
(roepen) Kan λεγ = leg- een metathesis van καλ = kal- zijn ?
- Fr: dire Lat: dicere
Verwant met het Griekse δεικνυμι = deiknumi: tonen, laten zien, wijzen; stam: δεικ = deik- D: zeihen (beschuldigen) Ned: aan-tijgen
- zèh
(deze), zie Gn
5,1.
- ζηλος (= dzèlos: ijverzucht, afgunst; zn nom mann enk), zie Hnd
5,17.
- ζηλωτὴς (= zèlôtès: naijverig; bv nw nom mann enk)
- ζηλοτυπία (= dzèlotupia: jaloersheid, afgunst; zn nom vr enk)
- ζημιωθῆναι (= dzèmiôthènai: om geschaad te worden; wkw med / pass inf aor van het wkw ζημιοω = zèmioô: schaden, straffen)
- zenden zie pempsas
- Ned: zes Arabisch: سِتة = sittah (zes) Taalgebruik in de Qoran: sittah (zes) D: sechs E: six Fr: six Grieks: ἑξ = hex Zie: Taalgebruik
in het NT: ek
(uit) Hebreeuws: שֵׁשׁ = sjesj (zes) Taalgebruik in Tenakh: sjesj
(zes) Lat: sex
- ζητεω (= dzèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: zèteô
(zoeken)
- ζητει (= dzètei: hij zoekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken)
- act ind praes 3de pers mv ζητουσιν = zètousin (zij zoeken) Mc
1,37.
- ἐζήτει (= edzètei: hij zocht; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken)
- ζητεῖτε (= dzèteite: jullie zoeken; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken)
- ἐζήτουν (= edzètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken)
- ἐζήτησαν (= edzètèsan: zij zochten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken)
- ζητουντες (= dzètountes: zoekende; wkw part praes nom mann mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken)
- Ned: zeven. Arabisch: sab`ah (zeven): سَبْعة Taalgebruik in de Qoran: sab`ah (zeven) D: Sieben. E: seven. Fr: sept. Grieks: ἑπτα = hepta.
Hebreeuws: שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven) Italiaans: sette. Lat: septem -> Fr: sept; uitgang -em is in de Germaanse talen -en. Spaans: siete Syrisch: sjabto.
- Ned: zeventig Arabisch:سَبْعُونَ = sab`ûna (zeventig, 70) Taalgebruik in de Qoran: sab`ûna (zeventig, 70) Aramees: שִׁבְעִין= sjibhë`în (zeventig, 70) D: siebzig E: seventy Fr: soixante-dix Grieks: ἑβδομηκοντα = hebdomèkonta (zeventig, 70) Hebreeuws: שִׁבְעִים = sjibhë`îm (zeventig, 70) Zie: sjèbha` / sjëbha` (zeven) (zie 7) Taalgebruik in Tenakh: sjèbha` / sjëbha` (zeven) Latijn septuaginta (zeventig, 70)
- Ned: zie D: Siehe E: behold Fr: voici < vois ici Grieks: ιδου = idou (zie) Taalgebruik in het NT: idou
(zie) Hebreeuws: הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) Ta (= ez�tounalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie) Lat: ecce
- Ned: zien Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien) Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien) D: sehen, schauen E: to
see Fr: voir Gr: ειδεν = eiden
(hij zag) Taalgebruik in het NT: eiden
(hij zag) Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) Hebreeuws: רָאָה = râ´âh
(zien, verschijnen) Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien) Lat: videre
- wkw Ned: zijn. Arabisch: كانَ = kâna: zijn. Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D: sein. E: to be. Fr:: être. Gr:: ειμι = eimi: zijn. Taalgebruik in het NT: eimi
(zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh: zijn. Taalgebruik in Tenakh: hâjâh
(zijn). Italiaans: essere. Lat: esse. Spaans: ser. Surisch: hwojo.
- זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) Zie het werkw זָכַר = zâkhar (gedenken,
zich herinneren) Taalgebruik in Tenakh: zâkhar
(gedenken) Lc 22,19
- לְזִכְרוֹן = lëzikhërôn (tot gedachtenis) < prefix voorzetsel lë + zelfst naamw Lc 22,19.
- zizania
(onkruid. Mt
13,40.
- Ned: zo D: so E: thus Fr ainsi < ains - si
ains (ante) -> antius sic Grieks: οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) Taalgebruik
in het NT: houtos
(zo) Hebreeuws: כֵן = khen (zo) Taalgebruik in Tenakh: khen
(zo) Lat: sic
- Ned: zoals Arabisch: كَما = kamâ (zoals) Taalgebruik in de Qoran: kamâ (zoals) D: wie E: as Fr: selon Gr καθως = kathôs (zoals) Taalgebruik in het NT: kathôs
(zoals) Hebreeuws: כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) <
prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr
(die) Taalgebruik in Tenakh: ´äsjèr
(die).
- zoals zo, zie hôsper
- ζωῆς (= zôès: van het leven, zn gen vr enk van het zn ζωη = zôè: leven)
- ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = zôè: leven)
- zoeken zie zèteô
- zôèn
(leven) in 20 verzen bij Johannes, zie Joh
3,15: (1) Joh
3,15 (2) Joh
3,16 (3) Joh
3,36 (4) Joh
4,14 (5) Joh
4,36 (6) Joh
5,24 (7) Joh
5,26 (8) Joh
5,39 (9) Joh
5,40 (10) Joh
6,27 (11) Joh
6,33 (12) Joh
6,40 (13) Joh
6,47 (14) Joh
6,53 (15) Joh
6,54 (16) Joh
10,10 (17) Joh
10,28 (18) Joh
12,25 (19) Joh
17,2 (20) Joh
20,31.
- ζωγρεω = zôgreô (levend gevangen nemen, het leven schenken) < ζωη = zôè (leven) en αγρεω = agreô (vangen) Taalgebruik in het NT: zôgreô (levend gevangen nemen, het leven schenken) Lc 5,10
- act part praes nom mann enk ζωγρων = zôgrôn (levend vangende) Lc 5,10.
- Ned: zon D: Sonne E: sun Fr: soleil Grieks: ἡλιος = hèlios (zon) Taalgebruik in het NT: hèlios
(zon) Lat: sol, solis Hiërogl: r' Arabisch: شمس (sjamsj) Hebreeuws: שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj
(zon) < sjamsj Taalgebruik in Tenakh: sjèmèsj
(zon) Met n, l, r (oudindisch: sûrya) s / z Zou zien en zon iets met elkaar te maken hebben ? In het hiëroglyfisch is een cirkel met een punt erin het beeld van de zon, en geeft de medeklinkers r` (ra` ) weer In het Hebreeuws hebben we het werkwoord רָאָה = râ´âh
(zien, verschijnen) Taalgebruik in Tenakh: râ´âh
(zien) (ofschoon met een aleph) In het hiëroglyfisch wordt de letter r door het teken van de mond weergegeven In het Grieks kennen we het zelfstandig naamwoord rè-ma (woord), zie werkwoord re-omai (stromen, vloeien) Mond heeft met woord, en bijgevolg met spreken en horen te maken; Latijn voor oor is os, oris Zon en zien heeft met licht te maken In het Hebreeuws is licht: אוֹר = ´ôr
(licht) Taalgebruik in Tenakh: ´ôr
(licht).
- ????? (= z�n�n: gordel; zn acc vr enk van het zn ???? = z�n�: gordel)
- Ned: zoon Arabisch: اِبن = ´ibn (zoon) Taalgebruik in de Qoran: ´ibn (zoon) D: Sohn E: son Fr: fils Gr: υἰος = huios (zoon) Taalgebruik in het
NT: huios
(zoon) Hebreeuws: בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) Taalgebruik
in Tenakh: ben
(zoon, kind) Lat: filius In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer
- הַזֹּאת (= hazoth: de deze; bep. lidw. ה = ha + aanwijz. vnw vr enk זֹּאת = zoth: deze).
- ζύμης (= dzumès: van de zuurdesem; zn gen vr enk van het zn ζύμη: zuurdesem, gist)