GRIEKS : PROGRAMMA - ANALYSE : Marcus 5 - Marcus 5,1-20 - Marcus 5,21-43 - Mc 6,1-6 - Mc 6,7-13 - Mc 6,14-29 - Mc 6,30-34 - Mc 6,35-44 - Mc 6,45-56 - Mc 7,24-30 - Mc 9,2-9 - Mc 9,14-29 - Mc 9,30-50 - Marcus 10,13-16 - Marcus 10,17-22 - Marcus 10,23-31 - Mc 10,46-52 -
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm

- PROGRAMMA 2016-2017

Hartelijk welkom ben je bij de lezersgroep Grieks . Op elk moment mag je aansluiten bij het groepje van 6 . De meeste deelnemers worstelen nog met werkwoordvormen . Vanaf september 2016 lezen we Marcus 5 en volgende .

Data van het werkjaar 2016-2017 : de eerste woensdag van de maand (niet tijdens de vakanties) : 7 september , 5 oktober , 16 november , 7 december 2016 , 11 januari , 1 februari , 8 maart , 19 april , 3 mei , 7 juni 2017 , telkens om 14.00 - 16.00 u. .

Ziehier de data voor Grieks voor het werkjaar 2017-2018 bij Theo om 14:00 - 16:00 u. , in principe op de EERSTE woensdag van de maand (mits enkele uitzonderingen):

  1. woensdag 6 september 2017 
  2. woensdag 4 oktober 2017
  3. woensdag 15 november 2017 (opgelet : 3de woensdag)
  4. woensdag 6 december 2017
  5. woensdag 17 januari 2018 (opgelet : 3de woensdag)
  6. woensdag 7 februari 2018
  7. woensdag 7 maart 2018
  8. woensdag 25 april 2018 (opgelet : 4de woensdag)
  9. woensdag 2 mei 2018
  10. woensdag 6 juni 2018

Begeleiding : Arseen De Kesel . E-mail : arseen.de.kesel@telenet.be . Tel : 0485/729030 .

De bijeenkomsten gaan door bij Theo Mathijs , Sint Kwintens-heideweg 54, 3520 Zonhoven . E-mail : mathijstheo@hotmail.com . Tel : 0476/979926 .

Neem contact op met Arseen De Kesel of Theo Mathijs .

- ANALYSE

AFKORTINGEN
acc = accusatief . act = actief . aor =aorist . bep = bepaald . bep lidw = bepaald lidwoord . betr = betrekkelijk . bv = bijvoeglijk . dat = datief .enk = enkelvoud   gen = genitief . imperf = imperfectum . ind  = indicatief . inf = infintief . lidw = lidwoord . med = mediaal . mann =  mannelijk .mv = meervoud) . nom = nominatief . nv = nevenschikkend voegwoord . nw = naamwoord . onbep = onbepaald . onz = onzijdig . ov = onderschikkend voegwoord . part = participium (deelwoord) . pass = passief . pers = persoon / persoonlijk .  vnw = voornaamwoord .voc = vocatief  . vr =vrouwelijk . vrag = vragend .vz = voorzetsel . wkw = werkwoord . zn = zelfstandig naamwoord .

Marcus 5,

Marcus 5,1-20

Mc 5,1. Καὶ ἦλθον εἰς τὸ πέραν τῆς θαλάσσης εἰς τὴν χώραν τῶν Γερασηνῶν.
Καὶ (nv) ἦλθον (wkw med aor 3de pers enk van het wkw erchomai=gaan, zij gingen ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰς (vz van richting, naar) τὸ (bep. lidw acc onz enk, de) πέραν (zn acc. onz enk, overzijde) τῆς (bep lidw gen vr enk) θαλάσσης (zn gen vr enk, van ‘het’ meer) εἰς (vz van richting, naar) τὴν (bep lidw acc vr. enk) χώραν (zn acc vr enk, streek) τῶν (bep lidw gen mann mv) Γερασηνῶν (zn eigennaam gen mann mv, van de Gerasenen).
- geras : g is een gutturaal evenals de k , r-s : met metathesis s-r . Zo krijgen we de naam ksr = kaisar = keizer .
- de woorden chôra (streek) en choiros (varken) lijken sterk op elkaar . In Mc 5,11 zijn er varkens in die streek , in de bergen . Zouden we mogen vertalen : en zij gingen naar de overkant van de zee , naar de varkens van de (Romeinse) keizer . Hebben de Romeinse soldaten zich er als varkens gedragen ? Behoorde het Overjordaanse niet tot de stammen Ruben , Gad en de halve stam van Manasse ? Ging Jezus niet naar het Overjordaanse om ook de stammen van Israël te 'verzamelen'?

Mc 5,2 καὶ ἐξελθόντος αὐτοῦ ἐκ τοῦ πλοίου εὐθὺς ὑπήντησεν αὐτῷ ἐκ τῶν μνημείων ἄνθρωπος ἐν πνεύματι ἀκαθάρτῳ,
καὶ (nv) ἐξελθόντος (wkw med part aor gen mann enk van het wkw erchomai = gaan, nadat hij ging uit) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) ἐκ (vz) τοῦ (bep lidw gen onz enk) πλοίου (zn gen onz enk, ek tou ploiou = uit de boot : Mc 5,2 en Mc 6,54, vergelijk voor de hele lose genitief) εὐθὺς (bijv nw als bijwoord, onmiddellijk) ὑπήντησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw hupantaô , hij trad tegemoet) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) ἐκ (vz, uit) τῶν (bep lidw gen onz mv) μνημείων (zn gen onz mv, uit de gedenktekens=graven) ἄνθρωπος (zn nom mann enk, een mens) ἐν (vz, met) πνεύματι (zn dat onz enk, met een geest) ἀκαθάρτῳ (bijv nw dat onz enk, een onreine) (een man met een onreine geest : Mc 1,23 en Mc 5,2) .
- Vergelijk : losse genitief en een bepaling met de boot . Een samengesteld werkw. met voorzetsel dat in de plaatsbepaling wordt herhaald (niet in Mc 5,21) . Aanduiding van een inclusio (Mc 5,1-20) . Het zou op redactiewerk kunnen wijzen .
-- Mc 5,2 : και εξελθοντος αυτου εκ του πλοιου = kai exelthontos autou ek tou ploiou (en nadat hij uit de boot was uitgegaan) .
-- Mc 5,18 : και εμβαινοντοs αυτου εις το πλοιον = kai embainontos autou eis to ploion (en terwijl hij in de boot inklom) .
-- Mc 5,21 : και διαπερασαντος του ιησου εν τῳ πλοιῳ = Kai diaperasantos tou Ièsou en tôi ploiôi (en nadat Jezus in de boot overstak) .

Mc 5,3 ὃς τὴν κατοίκησιν εἶχεν ἐν τοῖς μνήμασιν: καὶ οὐδὲ ἁλύσει οὐκέτι οὐδεὶς ἐδύνατο αὐτὸν δῆσαι,
ὃς (betr vnw nom mann enk, die) τὴν (bep lidw acc vr enk) κατοίκησιν (zn acc vr enk, behuizing) εἶχεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw echô = hebben, hij had) ἐν (vz van plaats, in) τοῖς (bep lidw dat onz mv) μνήμασιν (zn dat onz mv, in de herinneringsplaatsen: Mc 5,3 en 5): καὶ (nv) οὐδὲ (partikel van ontkenning) ἁλύσει (zn dat vr enk halusis: ketting) οὐκέτι (partikel, nog niet) οὐδεὶς (onbep. vnw nom mann enk, niemand) ἐδύνατο (wkw med imperf 3de pers enk van het wkw dunamai=kunnen, hij kon) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) δῆσαι (wkw act inf aor van het wkw deô=binden, om hem te binden),

Mc 5,4 διὰ τὸ αὐτὸν πολλάκις πέδαις καὶ ἁλύσεσιν δεδέσθαι καὶ διεσπάσθαι ὑπ' αὐτοῦ τὰς ἁλύσεις καὶ τὰς πέδας συντετρῖφθαι, καὶ οὐδεὶς ἴσχυεν αὐτὸν δαμάσαι:
4διὰ (vz) τὸ (bep lidw acc onz enk) αὐτὸν (pers vnw acc mann enk) πολλάκις (bijw, veelvuldig) πέδαις (zn dat vr mv van zn pedè=voetboei, met voetboeien) καὶ (nv) ἁλύσεσιν (zn dat vr mv van zn halusis=boei, met boeien) δεδέσθαι (wkw pass inf perf van het wkw deô=binden, omdat hij werd gebonden) καὶ (nv) διεσπάσθαι (wkw pass inf perf van het wkw diaspaô=uit elkaar rukken, omdat uit elkaar werden gerukt) ὑπ'(vz)  αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk, door hem) τὰς (bep lidw acc vr mv) ἁλύσεις (zn acc vr mv van het zn halusis=boei) καὶ (nv) τὰς (bep lidw acc vr mv) πέδας (zn acc onz mv van het zn pedè=voetboei) συντετρῖφθαι (wkw pass inf perf van het wkw suntribô=stukwrijven, verbrijzelen, omdat werden verbrijzeld), καὶ (nv) οὐδεὶς (onbep vnw nom mann enk, niemand) ἴσχυεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ischuô=in staat zijn) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) δαμάσαι (wkw act inf aor van het wkw damazô=temmen, bedwingen):
- di-e-spasthai . Bij wkw die beginnen met twee of meer medeklinkers dient een augment als verdubbeling , vandaar esp- .
- suntetrifthai : vóór een dentaal staat een gelijkaardige guttural b-th -> f-th .

Mc 5,5 καὶ διὰ παντὸς νυκτὸς καὶ ἡμέρας ἐν τοῖς μνήμασιν καὶ ἐν τοῖς ὄρεσιν ἦν κράζων καὶ κατακόπτων ἑαυτὸν λίθοις.
καὶ (nv) διὰ (vz) παντὸς (bv gen mann enk van het bn pas, pasè, pan; dia pantos: bw, gedurende elke ‘tijd’, voortdurend) νυκτὸς (zn gen vr enk van het zn nux, ‘s nachts) καὶ (vw) ἡμέρας (zn gen vr enk, overdag) ἐν (vz van plaats) τοῖς (bep lidw dat onz mv) μνήμασιν (zn dat onz mv van het zn mnèma= herinneringsplaats, graf) καὶ (nv) ἐν (vz) τοῖς (bep lidw dat onz mv) ὄρεσιν (zn dat onz mv van het zn oros= berg) ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi = zijn) κράζων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw krazô= krijsen) καὶ (nv) κατακόπτων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw katakoptô= neerslaan) ἑαυτὸν (wederkerig vnw acc mann enk, zichzelf) λίθοις (zn dat mann mv van het zn lithos= steen; met stenen).

Mc 5,6 καὶ ἰδὼν τὸν Ἰησοῦν ἀπὸ μακρόθεν ἔδραμεν καὶ προσεκύνησεν αὐτῷ,
καὶ (nv) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw horaô= zien, zie het Latijnse vid-ere) τὸν (bep. lidw acc mann enk) Ἰησοῦν (zn eigennaam acc mann enk uit het Hebreeuwse Jëhosjua)  ἀπὸ (vz) μακρόθεν (bep. van plaats, vanuit lang; apo makrothen= van-uit de verte) ἔδραμεν (wkw  act ind aor 3de pers enk bij het wkw trechô= lopen, zie het Ned. tre-den) καὶ (nv) προσεκύνησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw proskuneô= knielen, zie kunè= knie) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk),
- Marcus geeft een uitvoerige beschrijving van het lot van de mens met een onreine geest . Dit vers grijpt als het ware terug op vers 2 . Toen ging die persoon al naar Jezus . Hier loopt hij naar Jezus nadat hij hem heeft gezien .
- edramen - wkw met een verschillende stam (Baeyens nr 136 blz 103) : trechô , aor. edramon .

Mc 5,7 καὶ κράξας φωνῇ μεγάλῃ λέγει, Τί ἐμοὶ καὶ σοί, Ἰησοῦ υἱὲ τοῦ θεοῦ τοῦ ὑψίστου; ὁρκίζω σε τὸν θεόν, μή με βασανίσῃς.
καὶ (nv) κράξας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw krazô= krijsen) φωνῇ (zn dat vr enk, stem) μεγάλῃ (bn dat vr enk van het bn megas, megalè, mega, groot) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk), Τί (vr vnw nom onz enk, wat) ἐμοὶ (pers vnw 1ste pers dat enk, aan mij) καὶ (nv) σοί (pers vnw 2de pers enk, aan jou), Ἰησοῦ (zn eigennaam voc mann enk) υἱὲ (zn voc mann enk, zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) θεοῦ (zn gen mann enk) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ὑψίστου (bn superlatief gen mann enk van het bv hupsos= hoog); ὁρκίζω(wkw act ind praes 1ste pers enk, zweren) σε (pers vnw 2de pers acc enk) τὸν (bep lidw acc mann enk) θεόν (zn acc mann enk) , μή (partikel van ontkenning, niet) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk)  βασανίσῃς (wkw conjunct aor 2de pers enk van het wkw basanizô= keuren, kwellen, dat jij me niet zou kwellen). Zie Mc 1,24 .
- In Mc 1,23-26 lezen we een gelijkaardig verhaal over een mens met een onreine geest . In Mc 1,24 lezen we : tí hèmin kai soi (wat is er aan ons en aan u : wat is er tussen ons en u). De man met de onreine geest duidt zich in het meervoud aan. In ons vers 7 duidt hij zich in het enk. aan, maar later blijkt hij in mv te bestaan ; in vers 9 blijkt dat hij legioen heet en ze met velen zijn . Het is dan ook begrijpelijk dat hij met zo'n luide stem kan krijsen en dat hij de tegenmacht : zoon van de allerhoogste God noemt .
- Een dubbelverhaal . Het 2de verhaal is geen copy van het eerste . Doordat er tussen het eerste en het tweede verhaal heel wat is gebeurd , wordt de betekenis van het 2de verhaal hierdoor mee bepaald en wordt de betekenis iets anders dan in het eerste verhaal.
- De naam God wordt bij Marcus weinig gebruikt . Hier 2X op heel korte afstand van elkaar .
- De persoon vraagt aan Jezus dat hij hem niet zou kwellen . Maar hij is een gekwelde geest en verwondt voortdurend zichzelf .

Mc 5,8 ἔλεγεν γὰρ αὐτῷ, Ἔξελθε τὸ πνεῦμα τὸ ἀκάθαρτον ἐκ τοῦ ἀνθρώπου.
ἔλεγεν (wkw act ind imperf 3de pers enk) γὰρ (partikel van reden) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk), Ἔξελθε (wkw act. imperat. aor 2de pers enk bij het wkw exerchomai= uitgaan) τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (zn nom onz enk) τὸ (bep lidw nom onz enk) ἀκάθαρτον (bn nom onz enk akathartos= onrein, zie katharen= de reinen) ἐκ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (zn gen mann enk).
- In Mc 1,25 lezen we : exelthe ex autou (ga uit hem weg) . Hier lezen we ek tou anthrôpou (uit de mens) . In vers 2 wordt al anthrôpos (mens) gebruikt in combinatie met onreine geest . Wat het wkw betreft : Zie Baeyens , nr.136, blz.102. De uitdrukking vinden we in het NT in Mc 5,8 en 7,20 (wat uit de mens komt bezoedelt de mens) .
- de bepaling to pneuma to akatharton (de onreine geest) heeft lidw. ; het kan geen vocatief zijn . Het kan geen onderwerp zijn, want dan zou de wkwvorm elthetô (dat hij wegga) moeten zijn . Die bepaling wordt in het volgende vers nader bepaald : ik heb legioen als naam, want we zijn met velen . Deze uitdrukking komt in het NT slechts voor in Mc 1,26 en Mc 5,8 . Vooraleer de mens op het gebod van Jezus kan ingaan , stelt Jezus nog een vraag . Tweemaal een inleiding op wat Jezus zegt , is toch eigenaardig. Dat vers 9 is nodig voor het vervolg van het verhaal . Het zou ook kunnen dat Mc 5,9-14a een uitgebreide bewerking is van het eenvoudige : dat de onzuivere geesten uit de persoon weggingen.

Mc 5,9 καὶ ἐπηρώτα αὐτόν, Τί ὄνομά σοι; καὶ λέγει αὐτῷ, Λεγιὼν ὄνομά μοι, ὅτι πολλοί ἐσμεν.
καὶ (nv) ἐπηρώτα (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eperôtaô , hij vroeg) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , Τί (vrag vnw nom onz enk , ) ὄνομά (zn nom onz enk) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk , welke naam is aan jou ; hoe heet je) ; καὶ (nv) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk , hij zegt) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Λεγιὼν (zn nom mann enk , legioen) ὄνομά (zn nom onz enk) μοι (pers vnw 1ste pers enk , legioen is de naam aan mij ; ik heet legioen) , ὅτι (ov van reden) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam : p/v - l) ἐσμεν (wkw 1ste pers mv van het wkw eimi = zijn) . Zie Mc 1,24 .
- ἐπηρώτα = epèrôta . Van welk werkw. ? Theoretisch gezien zou het kunnen komen van pèrôtaô . De e is hier geen augment , maar maakt deel uit van ep' , afkorting van epi bij de samengestelde wkw eperôtaô : bijvragen, opvragen . Het wkw begint met een klinker : erôtaô . We hebben een temporaal augment , dwz de beginklinker wordt verlengd tot è zie Baeyens nr.70,2 ; blz.53 . De eind a is een contractie van a+e , zie Baeyens nr 80, blz.64.
- επηρωτα αυτον = epèrôta auton (hij vroeg hem uit) . Bijbel = Mc (4) : (3) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus) . (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde) . (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus) . (8) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus) .
- In Mc 5,2 en 5,8 is het een persoon met een onreine geest . In het Grieks is onreine geest onzijdig . In Mc 5,9 heet hij legioen (mann. enk , een collectief) en zij zijn met velen (mann mv) . Het lijkt wel een macho die aan het woord is . Maar wie is aan het woord ? de man met de onreine geest of de onreine geest zelf ?
- Let op soi en moi (aan jou , aan mij) er staat niet sou en mou als bepaling bij onoma (naam) . Meestal vertalen we : wat is jij naam ; legioen is mijn naam . Er staat echter : wat een naam is aan jou ; legioen is een naam aan mij . De persoon valt niet samen met de naam . Het komt me over dat de persoon zo genoemd wordt (door anderen) . Ik word legioen genoemd omdat wij met velen zijn .
- και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 5,10 καὶ παρεκάλει αὐτὸν πολλὰ ἵνα μὴ αὐτὰ ἀποστείλῃ ἔξω τῆς χώρας.
καὶ (nv) παρεκάλει (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken, Ned. : kallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πολλὰ (bv nw acc onz mv , p-l/v-l: veel) ἵνα (ov van doel , opdat) μὴ (partikel van ontkenning) αὐτὰ (pers. vnw acc onz mv) ἀποστείλῃ (wkw conjunct aor 3de pers enk van het wkw apostellô = afsturen, wegzenden; stellô : st-r = sturen) ἔξω (vz , buiten) τῆς (bep lidw gen vr enk) χώρας (zn gen vr enk , streek) .
- παρεκάλει = parekalei . Vooreerst merken we een voorzetsel op , waarvan de a is weggevallen (para) . We hebben te maken met een samengesteld werkwoord . De a is weggevallen omdat er een augment (e) komt , zie Baeyens regel 70, 3, blz.54 bovenaan. Een augment treffen we aan in de indicatief imperf. , aor. en plusquamperf. . We staan dus in ieder geval voor een indicatief . We sluiten een aor (parekalèsen) en plusquamperf. (ekekalèkei) uit. Waarom niet ekale maar wel ekalei ? Omwille van het feit dat we voor een contract werkwoord staan (de e van de stam en de e van het imperf. trekken samen tot ei: zie Baeyens blz.65 poieô , rechterkant contracties .
- Dubbele accusatief : één van persoon en één van zaak , zie Baeyens nr 164 , blz 119 .
- herhaaldelijk verzoek / aanbeveling :
-- Mc 5,10 : kai parekalei auton polla hina (en hij drong herhaaldelijk bij hem aan opdat) .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton polla ... hina (en hij roept hem herhaaldelijk ter hulp opdat) .
- ἀποστείλῃ = aposteilè . We staan voor een wkw met een stam die eindigt op l (wkw liquida : Beayens, nr.99-104, blz.76-78) . Het is een aor.vorm . de ei komt voort uit stel-sè(i) . De s wordt uitgestoten en er komt compensatie : verlenging van de e in ei . Zie Baeyens , nr.102, blz. 77. De stam is stel; in het praes. wordt die versterkt met j -> steljô -> stellô : zie Baeyens nr. 100, blz. 76.
- hina mè + conjunctief : bijwoordelijke bijzin van tijd . Zie Baeyens , nr.247, blz.164.
- Merk de acc onz mv auta op . In de voorgaande zin staat mann enk legiôn , het mann mv polloi (velen) . Die auta doet ons het eigenaardige van vers 8 en vers 9 opmerken . Tegenover het macho van de onreine geest , wordt hij tot onzijdig mv herleid . Dat mv is wel belangrijk omwille van het verdere gebeuren .

Mc 5,11ην δὲ ἐκεῖ πρὸς τῷ ὄρει ἀγέλη χοίρων μεγάλη βοσκομένη:
ην (act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi , hij was) δὲ (nv , echter) ἐκεῖ (bijw van plaats , hier; Fr. ici) πρὸς (vz; Fr. proche) τῷ (bep lidw dat onz enk) ὄρει (zn dat onz enk van het zn oros) ἀγέλη (zn nom vr enk , kudde) χοίρων (zn gen mann mv , woordspeling chôra en choiros) μεγάλη (bn nom vr enk van het bn megas = groot) βοσκομένη (wkw pass part praes nom vr enk van het wkw boskô : hoeden, weiden ; die wordt gehoed; Ned fokken?)) .

Mc 5,12 καὶ παρεκάλεσαν αὐτὸν λέγοντες, Πέμψον ἡμᾶς εἰς τοὺς χοίρους, ἵνα εἰς αὐτοὺς εἰσέλθωμεν.
καὶ (nv) παρεκάλεσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv) , Πέμψον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw pempô = zenden , zend) ἡμᾶς (pers vnw 1ste pers acc mann mv) εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) χοίρους (zn acc mann mv) , ἵνα (ov van doel) εἰς (vz van richting) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) εἰσέλθωμεν (wkw med conjunct aor 1ste pers mv , dat wij zouden ingaan) .
- Zie Mc 5,10: παρεκάλει = parekalei . par' < para + augment contract wkw e + stam kale + aor. s + an : 3de pers. mv. . We zouden verwachten : parekalèsan , zie Baeyens, nr.86, blz 69 : bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd . Dit is echter hier niet het geval ; we lezen parekale-san , zie Baeyens , nr. 91,5, blz 71 : van enkele wkw op -eô blijft de e behouden in bepaalde (soms alle) tijden. Het is opvallend hoe dikwijls parakaleô in deze pericope wordt gebruikt . Dit vers gelijkt heel sterk op vers 10 .
- een vorm van parakaleô , gevolgd door een vorm van legô (zeggen) + hoti (dat) + directe rede .
-- Mc 1,40 : parakalôn auton (hem ter hulp roepend) ... kai legôn autô(i) (en hem zeggend dat) + directe rede .
-- Mc 5,12 : kai parekalesan auton legontes (en zij drongen bij hem erop aan zeggende) + directe rede .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton (en hij roept hem ter hulp) ... legôn hoti (zeggende dat) + directe rede .
In Mc 1,40 en Mc 5,23 gaat het om een verzoek aan Jezus om genezing . In Mc 5,12 gaat het om een verzoek van de onzuivere geest legioen om in de varkens te mogen gaan .
- pempson . Geen augment . Dus geen indicatief . ps < p + s -> aorist . Imperatief aor van het wkw pempô . Labiaalstam p+s = ps Zie Baeyens nr. 96,1 blz.74 .
- de onreine geesten worden in het mv door hèmas (ons) weergegeven . Hun eerste aanbeveling was : stuur (van het wkw apostellô: wegsturen) 'het' niet buiten de streek (chôra: streek) . In dit vers de tweede aanbeveling : zend (pempô) ons naar de varkens (choiros: varken) .
- eiselthômen (opdat wij zouden ingaan in hen) . voorvoegsel eis (naar, in) + stam elth (aor) + ô van de conjunctief + uitgang 1ste pers mv men .
- P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek : bis2 [tweemaal] {1824} < latijn bis < oudlatijn dvis, verwant met grieks dis, oudindisch dviḥ, middelhoogduits zwis, gotisch tvis-; verwant ook met twee.
- Waarnaartoe ? eis ... eis ... eis...
- Is de aanbeveling om in de varkens te komen , een vraag om de tegenstander te treffen , om de oorzaak van zijn bezetenheid weg te nemen .
- Het is opvallend dat er een relatie wordt gelegd tussen de berg en varkens en houden / fokken . Berg wordt het vaakst gecombineerd met profeten (bv Mozes, Elia) , priesters (berg Sion) , koningen . Gedragen leiders zich soms als varkens ?

Mc 5,13 καὶ ἐπέτρεψεν αὐτοῖς. καὶ ἐξελθόντα τὰ πνεύματα τὰ ἀκάθαρτα εἰσῆλθον εἰς τοὺς χοίρους, καὶ ὥρμησεν ἡ ἀγέλη κατὰ τοῦ κρημνοῦ εἰς τὴν θάλασσαν, ὡς δισχίλιοι, καὶ ἐπνίγοντο ἐν τῇ θαλάσσῃ.
καὶ (nv) ἐπέτρεψεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitrefô : opdragen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) . καὶ (nv) ἐξελθόντα (wkw med part aor acc onz mv van het wkw exerchomai = uitgaan) τὰ (bep lidw nom onz mv) πνεύματα (zn nom onz mv) τὰ (bep lidw nom onz mv) ἀκάθαρτα (bn nom onz mv) εἰσῆλθον (wkw med aor 3de pers mv van het wkw eiserchomai =  binnengaan)  εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) χοίρους (zn acc mann mv) , καὶ (nv) ὥρμησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw hormaô = in beweging brengen, vooruitstormen Ned hormoon) ἡ (bep lidw nom vr enk) ἀγέλη (zn nom vr enk , kudde) κατὰ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) κρημνοῦ (zn gen mann enk , krèmnos = hoge oeverrand) εἰς (vz van richting) τὴν (bep lidw acc vr enk) θάλασσαν (zn acc vr enk) , ὡς (bw) δισχίλιοι (getal nom mann mv , tweeduizend , Gr. : duo . Lat. : duo . Ned. : twee ; Gr. : dis = tweemaal , Lat. : bis, Oudlat.: dvis) καὶ (nv) ἐπνίγοντο (wkw  pass imperf  3de pers mv van het wkw pnigô = verstikken ; pass. stikken, verdrinken) ἐν (vz) τῇ (bep lidw dat vr enk) θαλάσσῃ (zn dat vr enk) .  
- epetrepsen : ep' afkorting van voorvoegsel epi + augment (met weglating van de voorgaande klinker (zie Baeyens , contracte wkw , augment , nr.70, 3 blz 54 + labiaalstam op P + s van de aor. = ps + uitgang 3de pers enk. en , zie Baeyens nr. 96, blz 74 . trepô : doen draaien, wentelen (Ned. trap ?) ; epitrepô : toegeven, toelaten, bijdraaien(?).
- de onzuivere geesten gaan uit , in het mv , beantwoordend aan het gebod van Jezus (vers 8) , in het enk. evenwel ; ekselthonta : voorvoegsel eks + stam elth + verbuiging van het part. : acc. onz. mv. . Einde van de gramm. van de wkw : wkw met verschillende stammen (zie Baeyens nr 136, blz 102) .
- eisèlthon (zij gingen in) . voorvoegsel eis + temporaal augment : stam begint met de klinker e ; deze wordt verlengd (Bayens nr 70,2 , blz 53) . 2de aor. : zuivere stam elth + uitgangen van het imperfectum: 3de pers. mv. (zie Baeyens nr 107 , blz 79) . De onreine geesten zijn blijkbaar zelfstandige wezens die leven als parasieten ; ze gaan uit en dan gaan ze onmiddellijk in . De tweede aanbeveling van de man met de onreine geest (vers 12 gaat hiermee in vervulling) . Zo horen verzen 8-13 als een eenheid bij elkaar .
- hôrmèsen (zette zich in beweging) : temporaal augment : wkw begint met de klinker o ; deze wordt verlengd tot ô (zie Baeyens nr 70,2 , blz 53 . Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd : a -> è (zie Baeyens nr 86,3 , blz 69) .
- Wat een speling met het geslacht van de nw : de onreine geesten zijn in het Grieks onz (mv) , de kudde is vr. enk. , tweeduizend is mann mv . Het legioen moet blijkbaar uit 2000 'man' bestaan hebben .

Mc 5,14 καὶ οἱ βόσκοντες αὐτοὺς ἔφυγον καὶ ἀπήγγειλαν εἰς τὴν πόλιν καὶ εἰς τοὺς ἀγρούς: καὶ ἦλθον ἰδεῖν τί ἐστιν τὸ γεγονός.
καὶ (nv) οἱ (bep lidw nom mann mv) βόσκοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw boskô = hoeden) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ἔφυγον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw feugô = vluchten) καὶ (nv) ἀπήγγειλαν (wkw act ind aor 3de pers mv apaggellô = afkondigen) εἰς (vz van richting) τὴν (bep lidw acc vr enk) πόλιν (zn acc onz enk) καὶ (nv) εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) ἀγρούς (zn acc mann mv van het zn agros = akker , Lat. : ager) : καὶ (nv) ἦλθον (wkw med ind aor 3de pers mv) ἰδεῖν (wkw act inf aor bij het wkw horaô = zien) τί (vrag vnw nom onz enk) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk) τὸ (bep lidw nom onz enk) γεγονός (wkw act part perf nom onz enk van het wkw ginomai = worden) (bep lidw nom mann enk).
- Onder de onregelmatige wkw staan de wkw met klankwisseling (Baeyens nr 132,1) ; de stam is fug ; het wkw is versterkt met een e -> feug . 2de aor. is efugon (uitgangen van het imperf. (Baeyens nr 107 , blz 79-80).
- apèggeilan : afkorting ap' van het voorzetsel apo + temporaal augment (zie Baeyens nr 70,2 , blz 53 : wkw die met een klinker beginnen, met augment wordt de klinker verlengd) + stam aggel (in het praesens wordt aggel vertsterkt met j : aggeljô -> aggellô ; Bayens nr 100 , blz 76) ; de kenletter s van de aorist wordt uitgestoten en de stamklinker wordt verlengd : èggel-s-a -> èggeila : Baeyens nr 102, blz 77) .
- idein , zie wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) aor bij het wkw horaô : zien ; stam id , inf. (2de aor) idein .

Mc 5,15 καὶ ἔρχονται πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ θεωροῦσιν τὸν δαιμονιζόμενον καθήμενον ἱματισμένον καὶ σωφρονοῦντα, τὸν ἐσχηκότα τὸν λεγιῶνα, καὶ ἐφοβήθησαν.
- καὶ (nv) ἔρχονται πρὸς (vz van richting) τὸν (bep lidw acc mann enk)  Ἰησοῦν (eigennaam zn acc mann enk) , καὶ  (nv) θεωροῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv) τὸν (bep lidw acc mann enk) δαιμονιζόμενον (wkw pass part praes acc mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) καθήμενον (wkw med part acc mann enk van het wkw kathèmai = zitten)  ἱματισμένον (wkw pass part aor acc mann enk van het wkw himatizô = kleden) καὶ (nv) σωφρονοῦντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw sumfroneô = bij zijn verstand zijn)   τὸν (bep lidw acc mann enk) ἐσχηκότα (act part perf acc mann enk van het wkw echô: hebben, bezitten) τὸν λεγιῶνα, καὶ (nv) ἐφοβήθησαν (dep ind aor 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen).
- Het is opvallend dat Mc overgaat naar de tegenw. tijd . Er is ook een opeenstapeling van deelwoorden . Voor het eerst in dit verhaal is er sprake van een daimon (demon) . daimonizomenon is een part. praes. . Beschouwen de varkenshoeders hem nog altijd als een bezetene ? De hoeders zijn wel hun varkens kwijt . Niet voor niets vrezen ze , als zo'n kracht uit die persoon was uitgegaan . Had de persoon over een legioen beschikt ? Was hij de leider van dat legioen geweest ?
- ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) . Slechts in Mc 5,15 in het NT . Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen Mc 5,15 en Mc 16,2 . In Mc 5 is het duivellegioen uitgedreven en heeft het zich in het meer gestort . In Mc 15 werd Jezus gedood . In Mc 5 gaan de mensen , die van dit gebeuren gehoord hebben , naar Jezus . In Mc 16 gaan de vrouwen na de sabbat na de begrafenis van Jezus naar het graf .
- Mc 5,15 : ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) .
- Mc 16,2 : ερχονται επι το μνημειον = = erchontai epi to mnèmeion (zij gaan op het graf) .
- Bij Mc wordt de naam Jezus niet vaak vernoemd . In deze pericope 2X .
- Tussen Mc 5,15-20 en Mc 16,1-8 zijn er heel wat overeenkomsten. Na ερχονται = erchontai (zij gaan) in Mc 16,2 is θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) in Mc 16,4 het 2de hoofdwerkwoord in de tegenwoordige tijd. In Mc 5,15 volgen ερχονται = erchontai (zij gaan) en θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) elkaar op in 2 nevenschikkende zinnen .
-

Mc 5,15 Mc 16,1-8
kai erchontai pros... (en zij gaan naar...)

Mc 16,2 : erchontai epi (en zij gaan op...

kai theôrousin (en zij zien) Mc 16,4 : theôrousin (zij zien)...
ton daimonizomenon (de bezetene) Mc 16,5 : eidon neaniskon (zij zagen) een jongeling
kathèmenon (gezeten) kathèmenon en tois dexiois (gezeten aan de rechterkant)
imatismenon (gekleed) ... peribeblèmenos  stolèn leukèn (een wit gewaad om zich heen geslagen)
kai efobèthèsan (en zij werden bevreesd) kai exethambèthèsan (en zij
143. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12

- eschèkota : onregelmatig wkw (stam sch) met klankwisseling (Baeyens 130b , blz 97) ; e-schè + perf kenletter k + uitgang -ôs , -otos . Een gemengde vervoeging zoals pas , pantos (Baeyens nr 35 blz 22-23) . We hebben de vorm esch... sch (de stam begint met 2 medekl. , ch is 1 medekl.) , het augment e dient als verdubbeling (Baeyens, nr 72B1 , blz 55) .
- kathèmenon (zittend) : een deponent wkw met een naakte stam kathè + part. praes. acc. mann enk. menon (zie Bayens , nr 128 , blz. 95) .

Mc 5,16 καὶ διηγήσαντο αὐτοῖς οἱ ἰδόντες πῶς ἐγένετο τῷ δαιμονιζομένῳ καὶ περὶ τῶν χοίρων.
καὶ (nv) διηγήσαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw diègeomai = uiteenzetten, vertellen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) οἱ (bep lidw nom mann mv)  ἰδόντες (wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien ; stam aor id) πῶς (ov van wijze , hoe)  ἐγένετο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai = gebeuren) τῷ (bep lidw dat mann enk) δαιμονιζομένῳ (wkw pass part dat mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) καὶ (nv) περὶ (vz) τῶν (bep lidw gen mann mv) χοίρων (zn gen mann mv) .
- και διηγησονται αυτοις = kai diègèsanto autois (en zij zetten hen uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) . Bijbel (2) : (1) 1 Mak 5,25 . (2) Mc 5,16 . In 1 Mak 5,25 wordt gezegd dat HJudas en Jonathan de Jordaan overstaken om te strijden in het Overjordaanse .

Mc 5,17 καὶ ἤρξαντο παρακαλεῖν αὐτὸν ἀπελθεῖν ἀπὸ τῶν ὁρίων αὐτῶν.
καὶ (nv) ἤρξαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw archomai = beginnen) παρακαλεῖν (wkw act inf praes, 3de maal het wkw parakaleô in deze pericope ; aanbevelen, aanmanen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) ἀπελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw aperchomai = weggaan) ἀπὸ (vz) τῶν (bep lidw gen onz mv) ὁρίων (zn gen mann mv van het zn horion = gebied) αὐτῶν (pers vnw 3de pers mann mv) .
- ἤρξαντο = èrksanto (zij begonnen) . Bij wkw die met een klinker beginnen , wordt het temporaal augment verlengd : a -> è , e -> è (Baeyens nr 70,2 blz 53) ; èrch+ s + anto . Gutturaalstam . Elke gutturaal met s wordt ks (Baeyens 95,1 blz 73) . De aor. van archomai (beginnen) en erchomai (gaan, komen) zou dezelfde aor.vorm hebben : èrksanto . Voor erchomai wordt echter een wkw met een andere stam gebruikt : èlthon (een 2de aor.; uitgang van het imperf 3de pers mv , zie Baeyens 109 blz 79) .
- De (varkens)hoeders raden Jezus aan uit hun bergen (hun machtsgebied) weg te blijven . Wie zijn zij ?
- Mc 5,17 : apelthein apo tôn horiôn autôn = wegaan van hun gebied . Een vorm van het werkw. ap-erchomai (weggaan) + voorzetsel apo (van) .
-- Mc 7,31 : exelthôn ek tôn horiôn Turou = weggegaan uit het gebied van Tyrus . Een vorm van het werkw. ex-erchomai (uitgaan) + voorzetsel ek (uit) . (Na de ontmoeting met de Syro-Fenicische vrouw) .

Mc 5,18 καὶ ἐμβαίνοντος αὐτοῦ εἰς τὸ πλοῖον παρεκάλει αὐτὸν ὁ δαιμονισθεὶς ἵνα μετ' αὐτοῦ ᾖ.
καὶ (nv) ἐμβαίνοντος (wkw act part praes gen mann enk van het wkw embainô = inklimmen) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) εἰς (vz van richting) τὸ (bep lidw acc onz enk) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) παρεκάλει (wkw act ind imperf 3de pers enk) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ὁ (bep lidw nom mann enk) δαιμονισθεὶς (wkw pass part nom mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) ἵνα (ov van doel) μετ' (afgekort vz , meta = met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) ᾖ (act conjunct. 3de pers enk van het wkw eimi = zijn) .  
- em- . Vóór een labiaal (o.a. b) wordt n tot m , vandaar embain... - Mc 5,17 : apelthein apo tôn horiôn autôn = wegaan van hun gebied . Een vorm van het werkw. ap-erchomai (weggaan) + voorzetsel apo (van) .
- εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot) : LXX (1) . NT (19) . Mt (6) . Mc (6) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) Mc 6,51 . (5) Mc 8,10 . (6) Mc 8,13 . In vier verzen in combinatie met een vorm van εμβαινω = embainô (inklimmen) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) (5) Mc 8,10 . In Mc 6,51 in combinatie met een vorm van αναβαινω = anabainô (omhoogklimmen) . Als er in de boot gestapt wordt , zal er ook wel uit de boot gestapt worden . Het moge duidelijk zijn dat het meer van Galilea een belangrijke rol speelt in dit Marcusgedeelte
- Mc 7,31 : exelthôn ek tôn horiôn Turou = weggegaan uit het gebied van Tyrus . Een vorm van het werkw. ex-erchomai (uitgaan) + voorzetsel ek (uit) .
- παρεκαλει αυτον = parekalei auton (hij riep hem ter hulp) . Bijbel = NT (7) : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,10 . (3) Mc 5,18 . (4) Mc 5,23 . (5) Lc 8,31 . (6) Lc 8,41 . (7) Lc 15,28 . + ... hina in (1) Mc 5,10 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 5,23 .

Mc 5,19 καὶ οὐκ ἀφῆκεν αὐτόν, ἀλλὰ λέγει αὐτῷ, Υπαγε εἰς τὸν οἶκόν σου πρὸς τοὺς σούς, καὶ ἀπάγγειλον αὐτοῖς ὅσα ὁ κύριός σοι πεποίηκεν καὶ ἠλέησέν σε.
καὶ (nv) οὐκ (partikel van ontkenning) ἀφῆκεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw afièmi = aflaten, toelaten) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , ἀλλὰ (nv van tegenstelling) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Υπαγε (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw huagô = heengaan) εἰς (vz van richting) τὸν (bep lidw acc mann enk) οἶκόν (zn acc mann enk) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) πρὸς (vz) τοὺς (bep lidw acc mann mv) σούς (bezitt vnw 2de pers acc mann mv) , καὶ (nv) ἀπάγγειλον (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw apaggellô = afkondigen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) ὅσα (betrekk vnw acc onz mv) ὁ (bep lidw nom mann enk) κύριός (zn nom mann enk) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) πεποίηκεν (wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw poieô = doen) καὶ (nv) ἠλέησέν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eleô = zich erbarmen) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) .
- hièmai : zenden . Een bijzondere tweede aorist : een k worteluitbreiding in de ind. enk. en de persoonsuitgang a -> hèka (Baeyens 111A blz 83) . afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi (zie Baeyens 15,1 blz 8 .
- act. imperat.  praes. 2de pers. enk. ὑπαγε = hupage (ga weg, vertrek) van het werkw. ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het ΝΤ : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in de LXX : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Mc (8) : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,52 . Een vorm van ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) in de LXX (6) , in het NT (79) , in Mc (15) . In deze 8 verzen is het telkens een woord van Jezus . In 6 verzen is dit woord gericht tot de genezene : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 10,52 . In Mc 8,33 is het gericht tot Petrus , in Mc 10,21 tot de rijke man .

Mc 5,20 καὶ ἀπῆλθεν καὶ ἤρξατο κηρύσσειν ἐν τῇ Δεκαπόλει ὅσα ἐποίησεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, καὶ πάντες ἐθαύμαζον.
καὶ (nv) ἀπῆλθεν (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw aperchomai = weggaan) καὶ (nv) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) κηρύσσειν (wkw act inf praes) ἐν (vz) τῇ (bep lidw dat vr enk) Δεκαπόλει (eigennaam Tienstad dat vr enk , Gr. : deka . Lat.  : decem . Fr. : dix . Ned. : tien , zie dec-anus) ὅσα (betr. vnw acc onz mv) ἐποίησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw poièô = doen) αὐτῷ (pers. vnw 3de pers dat mann enk) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (eigennaam zn nom mann enk) , καὶ (nv) πάντες (bn nom mann mv) ἐθαύμαζον (wkw act ind imperf 3de pers mv) .
- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .

- Mc 5,19 : kai apaggeilon autois hosa o kurios soi pepoièken = en verkondig hun hoeveel de Heer voor jou heeft gedaan .
- Mc 5,20 : kai èrxato kèrussein ... hosa epoièsen autôi ho ièsous = en hij begon te verkondigen hoeveel Jezus voor hem deed .

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Het lezen van het Marcusevangelie in het Grieks nodigt uit om aandacht te besteden aan het taaleigen van Marcus .

1. Er zijn pericopen in Mc waar vooral het voegwoord και = kai (en) wordt gebruikt ; er zijn pericopen met het gebruik van het licht tegenstellend artikel δε = de (echter) . και = kai (en) is een kenmerk van een verhaal ; δε = de (echter) zou kunnen wijzen op het schriftelijk karakter van de tekst . Beide zijn de vertaling van het Hebreeuwse וְ = wë (en) .

2. Bijzonder veelvuldig komt bij Mc een tweevoud voor .

-- In Mc 5,1 zelf : naar de ... naar de ...
-- και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen) : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 14,16 . In Mc 5,1 kwamen Jezus en zijn leerlingen , in Mc 14,16 zijn het enkel de leerlingen (om het avondmaal voor te bereiden) .
--- και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar) : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 14,16 .

- ανθρωπος εν πνευματι ακαθαρῳ = anthrôpos en pneumati akatharthô(i) ( een mens met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .

3. Overgangen van de ene naar de andere plaats linken de verhalen aan elkaar en wijzen vaak op redactiewerk .

- Mc 4,35 . (2) Lc 8,22 : : διελθωμεν εις το περαν = dielthômen eis to peran (laten we doorgaan naar de overzijde) .
- Mc 5,1 : καὶ ἦλθον εἰς τὸ πέραν = kai èlthon eis to peran tès thalassès eis tèn chôran tôn gerasènôn ( en zij gingen naar de overzijde van het meer naar de streek van de Gerasenen) .
- Mc 5,21 : και διαπερασαντος του ιησου εν τῳ πλοιῳ παλιν εις το περαν = kai diaperasantos tou ièsou en tô(i) ploiô(i) palin eis to peran (en nadat Jezus in (met) de boot opnieuw naar de overzijde was doorgestoken) .
- In Mc 4,35 en Mc 5,1 wordt een nogal omslachtige omschrijving gebruikt voor wat eenvoudig met het werkw. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) kon gezegd worden .

Vergelijk : losse genitief en een bepaling met de boot . Een samengesteld werkw. met voorzetsel dat in de plaatsbepaling wordt herhaald (niet in Mc 5,21) . Aanduiding van een inclusio (Mc 5,1-20) . Het zou op redactiewerk kunnen wijzen .
- Mc 5,2 : και εξελθοντος αυτου εκ του πλοιου = kai exelthontos autou ek tou ploiou (en nadat hij uit de boot was uitgegaan) .
- Mc 5,18 : και εμβαινοντοs αυτου εις το πλοιον = kai embainontos autou eis to ploion (en terwijl hij in de boot inklom) .
- Mc 5,21 : και διαπερασαντος του ιησου εν τῳ πλοιῳ = Kai diaperasantos tou Ièsou en tôi ploiôi (en nadat Jezus in de boot overstak) .

4. bijzonderheden

- med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij kwamen) van het ww. ερχομαι = erchomai (komen, gaan) . We zouden ειρξονται verwachten . Deze vorm zou dan erg sterk gelijken op ηρξονται = èrksontai (zij begonnen) van het ww. αρχομαι = archomai (beginnen, heersen) gelijken en bijgevolg verwarring scheppen .
- tafos = graf , mnèmeion (< mnè = gedenken + sèmeion = signe, teken) : gedenkteken , grafgedenkteken . Bij het lege grafverhaal in Mc 16,1-8 gaat het telkens om mnèmeion . De jongeling in het lege grafgedenkteken zegt : hij is niet hier (Mc 16,6) . In Lc 22,19 zegt Jezus : doen jullie dit tot mijn herdenking (anamnèsis) .

5. Betekenis

Mensen worden bezeten door een onreine geest / demon / duivel of worden bezield door de heilige geest . In beide gevallen wordt de verantwoordelijkheid van de mens afgezwakt . Een onreine geest wordt uitgedreven en kan een mens zijn verantwoordelijkheid nemen . Een mens met een onreine geest is een mens die negatief is ingesteld , anderen bedreigt of psychische problemen heeft . Genezing lijkt op een uitdrijven van een vreemd iemand die belet dat een mens zijn verantwoordelijkheid kan opnemen . Het zal wel gaan om een psychisch proces van een negatieve naar een positieve ingesteldheid .
- Hoe het gebied ook heet , Jezus gaat naar het Overjordaanse , waar de stammen Gad en Ruben en een halve stam van Manasse zich vestigden bij de verovering van Kanaän door Jozua . Door de Assyrische deportaties , de vlucht van Israëlieten , was het gebied hoofdzakelijk heidens . Met het oog op het verzamelen van de twaalf stammen gaat Jezus naar dat gebied . Jezus' aandacht voor de heidenen wordt pas gewekt door de Syro-Fenicische (Mt 7,24-30) .
- In Mc 1,23 bevindt zich in de synagoge een man met een onreine geest . Deze voelt zich bedreigd door Jezus . Hij vreest dat Jezus komt om hem te verdelgen . Jezus en de ùan met de onreine geest staan tegenover elkaar . Wanneer Jezus in Mc 5,2 komt , wordt hij geconfronteerd eveneens met een man met een onreine geest . In beide teksten gaat het om Isrëlitische mannen . Hij woont tussen de graven . Wellicht woont hij tussen zijn wapenbroeders die in de strijd zijn gevallen en gestorven . Hij kan de gewapende strijd niet loslaten . Hij blijft vasthouden aan de strijd van zijn wapenbroeders .
- Uit Mc 5,4 blijkt duidelijk dat het over een geweldenaar gaat die niet te bedwingen is . Het wonen in de graven en het geweld staan met elkaar in verband . Het gaat om een Israëliet die in zijn 'verzet' niet te stoppen is . Jezus wordt geconfronteerd met de graven . In Mc 1 vlg gaan de vrouwen naar het grafgedenkteken van Jezus , gedenkteken van het geweld dat op Jezus gepleegd werd . Maar in het graf zal de jongeling zeggen : hij is niet hier . Rond de dood in het graf moet geen verzet georganiseerd worden . De gedachtenis zal plaats hebben bij het breken van het brood en het delen van de beker . De solidariteit van het delen is het antwoord .

Marcus 5,21-43

Mc 5,21 Καὶ διαπεράσαντος τοῦ Ἰησοῦ [ἐν τῷ πλοίῳ] πάλιν εἰς τὸ πέραν συνήχθη ὄχλος πολὺς ἐπ' αὐτόν, καὶ ἦν παρὰ τὴν θάλασσαν.
- Καὶ (nv) διαπεράσαντος (ww part aor gen mann enk van het ww diaperaô : oversteken; peran: oever) τοῦ (lw gen mann enk) Ἰησοῦ (eigennaam, gen mann enk) ἐν (vz in) τῷ (lw dat onz enk) πλοίῳ (dat onz enk van het zn ploion (boot) ] πάλιν (partikel, opnieuw) εἰς (vz naar, in) τὸ (lw acc onz enk) πέραν (acc onz enk van het zn peran = overzijde) συνήχθη (med ind aor 3de pers enk van het ww sunagô = samendrijven) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) πολὺς (nom mann enk van het bn polus = veel) ἐπ' (vz epi = op, tegen) αὐτόν (pers vnw 3de pers mann enk), καὶ (vw) ἦν (ind imperf 3de pers enk van het ww eimi = zijn) παρὰ (vz langs) τὴν (lw acc vr enk) θάλασσαν (acc vr enk van het zn thalassa = zee) .
- De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen :
-- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc 4,35-41) : (6 , 7X) : (1) Mc 4,1 (εις πλοιον = eis ploion = in een boot) . (2) Mc 4,36 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (αλλα πλοια = alla ploia = de andere boten) . (3) Mc 4,37 (εις το πλοιον = eis to ploion (tegen de boot) . (4)  Mc 5,2 (εκ του πλοιου = ek tou ploiou = uit de boot) . (5)  Mc 5,18 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot) . (6) Mc 5,21 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot) .
-- Ned. : boot . D. : Boot . E. : boat . Fr. : navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau) . Gr. : ναυς , gen. νεως = naus (schip) . L. : navis (= schip ; navicula = boot) .
-- Ned. : vlot (pl- -> vl-) . Grieks : πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Zie het werkw. πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . De r en l zijn lingualen (tongletters) . pl -> vr : pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) .
- Ned. : oever . D. : Üfer . Hebr. : עֵבֶר = `ebhèr (oever, overzijde, overkant) . Zie het werkw. עָבַר = `âbhar ('oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Grieks : περαν = peran (oever, overzijde, overkant) . Taalgebruik in het NT : peran (overzijde, overkant) . (b/p/v , is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen ?) . Lat. : ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans : rive .
- Een grote massa verzamelde zich bij Jezus . Daarmee is nog niet gezegd dat ze de synagoge vaarwel hebben gezegd . Wel verzamelde een grote massa zich rond Jezus omdat de synagogebijeenkomsten niet meer voldeden . Eén van de leiders van de synagoge roept de hulp van Jezus in . Hij ziet ook wel dat de massa zich tot Jezus wendt . Zijn dochtertje is doodziek . Wellicht staat het symbolisch voor de doodzieke synagoge . Er is wel de thorah , maar de wijze waarop ze geïnterpreteerd en beleefd wordt , loopt op zijn laatste benen ; teveel mensen werden uitgesloten .
- sunèchthè van het wkw sunagô (gutturaal wkw) < sun + agô ; temporaal augment , de a wordt è (Baeyens ,nr 70,2 blz 53) . Vóór een dentaal staat alleen een gelijkaardige gutturaal of labiaal : g-th wordt ch-th (Baeyens nr 15,2 blz 8) .
- Mc 5,21 : συνηχθη οχλος πολυς =  sunèchtè ochlos polus (een grote menigte verzamelde zich) .
-- Mc 2,2 : συνηχθησαν πολλοι = sunèchtèsan polloi (velen verzamelden zich) .
-- Mc 4,1 : και συναγεται προς αυτον οχλος πλειστος = kai sunagetai pros auton ochlos pleistos = en een zeer grote menigte verzamelde zich bij hem .
In Mc 4,1 verzamelde zich een zeer grote menigte bij Jezus langs de rechteroever van het meer van Galilea . In Mc 5,21 verzamelde zich een grote menigte (opnieuw) aan de rechteroever van het meer nadat Jezus (en zijn leerlingen) was teruggekomen van een oversteken naar de andere oever .
- παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) . NT (7) . Mt (3) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .

Mc 5,22 καὶ ἔρχεται εἷς τῶν ἀρχισυναγώγων, ὀνόματι Ἰάϊρος, καὶ ἰδὼν αὐτὸν πίπτει πρὸς τοὺς πόδας αὐτοῦ
22. καὶ (nv) ἔρχεται (med ind praes 3de pers enk van het ww erchomai: gaan) εἷς (hoofdtelw. één) τῶν (bep lidw gen vr mv; lidw de t/d) ἀρχισυναγώγων (gen vr mv van het zn archsunagôgè: hoofdsynagoge), ὀνόματι (dat enk van het zn onoma: naam; n-m) Ἰάϊρος (eigennaam Jaïros; verlatijnst : Jaïrus) , καὶ (nv) ἰδὼν (act part aor nom mann enk van de aoristvorm eiden; zie Lat. vide-re , visum -> visie) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) πίπτει (act ind praes 3de pers enk van het ww piptô; stam pe- : vallen) πρὸς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc vr mv) πόδας (acc vr mv van het zn pous, podos: voet; p/v , d/t) αὐτοῦ (pers vn gen mann enk)
- Ned. : voet . D. : Fuss . E. : foot . Fr. : pied . Grieks : πους = pous , ποδος = podos (voet) . Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Latijn : pes , -dis .

Mc 5,23 καὶ παρακαλεῖ αὐτὸν πολλὰ λέγων ὅτι Τὸ θυγάτριόν μου ἐσχάτως ἔχει, ἵνα ἐλθὼν ἐπιθῇ τὰς χεῖρας αὐτῇ ἵνα σωθῇ καὶ ζήσῃ.
23 καὶ (nv) παρακαλεῖ (act ind praes 3de pers enk van het ww parakaleô: Lat: ad-vocare: bijroepen, ter hulp roepen, aanmanen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) λέγων (act part praes nom mann enk) ὅτι (ov) Τὸ (bep lidw nom onz enk) θυγάτριόν (nom onz enk; thugatèr: dochter; th/d , g/ch + ter; let op het onzijdige thugatr-ion: vrouwelijkheid ontkennend) μου (pers vnw gen mann enk) ἐσχάτως (bijw : eschatos: laatst) ἔχει (act ind praes 3de pers enk. van het ww echô: hebben; ch/h; stam he-) , ἵνα (ov van doel + conjunctief: opdat) ἐλθὼν (wkw act part aor nom mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) ἐπιθῇς (act conj aor 2de pers enk van het ww epitithèmi: opleggen; stam: thè) τὰς (bep lidw acc vr mv) χεῖρας (acc vr mv van het zn cheir: hand/grijp) αὐτῇ (pers vnw dat vr enk) ἵνα (ov van doel + conjunctief: opdat) σωθῇ (pass conj aor 3de pers vr enk van het ww sôdzô : redden; stam: sô -> sô-tèr: re-dder) καὶ (nv) ζήσῃ (act conj aor 3de pers vr. enk).
- herhaaldelijk verzoek / aanbeveling :
-- Mc 5,10 : kai parekalei auton polla hina (en hij drong herhaaldelijk bij hem aan opdat) .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton polla ... hina (en hij roept hem herhaaldelijk ter hulp opdat) .
- Zie de tegenstelling archi- (begin, hoofd) en eschatôs: laatst). Beeld van Israël als dochter van Sion.
- epithè(i) : behoort tot de wkw op -mi . Vocaalstam met praesens-verdubbeling : ti-thè , met de letter i (Baeyens nr 111 A + B , blz 83) .
- sôthè(i) : conjunct. bij voegwoord van doel . 1ste aor. passief : zuivere stam + kenletters the + uitgangen van de actieve secundaire tijden (Baeyens nr 89 , blz 70) .
- zèsè(i) . conjunct. bij het voegw. hina . Bij zaô wordt de stamklinker verlengd tot è (Baeyens , nr 91,2 blz 71) .

Mc 5,24 καὶ ἀπῆλθεν μετ' αὐτοῦ (pers vn gen mann enk) . Καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ὄχλος πολύς, καὶ συνέθλιβον αὐτόν.
24 καὶ (nv) ἀπῆλθεν (act ind aor 3de pers enk van het ww aperchomai: af- /weg-gaan) μετ' (afgekort vz meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . Καὶ (nv) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) αὐτῷ (pers vnw 3de pers mann enk) ὄχλος (nom mann enk : massa) πολύς (bn nom mann enk: veel) , καὶ (nv) συνέθλιβον (act ind imperf 3de pers mv van het ww sunthibô: samendrukken, samenknellen) αὐτόν (pers vnw 3de pers mann enk).
- apèlthen (afkorting van apo) + stam el (met verlenging van het augment -> èl : Baeyens , nr 70,2 blz 53) + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf. , Baeyens nr 107 blz 79) . Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) .

Mc 5,25 καὶ γυνὴ οὖσα ἐν ῥύσει αἵματος δώδεκα ἔτη
25 καὶ (nv) γυνὴ (zn nom vr enk: vrouw ; gonu : knie ; gonè : geboorte , geslacht ; kunè : hond) οὖσα (act part praes nom vr enk van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ἐν (vz) ῥύσει (dat vr enk van het zn rèsis: stroming, vloeiing; zie het ww reô: stromen, vloeien) αἵματος (gen onz enk van het zn haima: bloed ; Hebr. dam) δώδεκα (telw : twaalf; 2 + 10 ; twaalf : symbool van volheid : 12 maanden vormen een jaar ; na 12 een nieuw begin) ἔτη (acc onz mv van het zn etos:jaar ; et-os Hebr. ‘eth : tijd , E. ti-me , Lat. te-m-p-us , Fr. te-m-p-s)
Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus en dat van de bloedvloeiende vrouw geven het beeld van het einde van het Israël in die tijd ; het leven vloeit eruit weg; twaalf jaar lang; een totaliteit: reeds zeer lang. Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw komen tot Jezus opdat hij Israël nieuw leven zou inblazen. Jaïrus, hoofd van een synagoge, erkent het leiderschap van Jezus. Nochtans is Johannes de Doper die in de gevangenis zit, theoretisch de leider. Na de dood van Johannes de Doper (Mc 6,14-29) zal Jezus het leiderschap op zich nemen (Mc 6,34-44) .
- ousa zie Baeyens nr 73 blz 56 : vervoeging van het wkw eimi (zijn) .

Mc 5,26 καὶ πολλὰ παθοῦσα ὑπὸ πολλῶν ἰατρῶν καὶ δαπανήσασα τὰ παρ' αὐτῆς πάντα καὶ μηδὲν ὠφεληθεῖσα ἀλλὰ μᾶλλον εἰς τὸ χεῖρον ἐλθοῦσα,
26 καὶ (nv) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) παθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww paschô: lijden ; Gr. pascha komt van het Hebr. pësach : doortocht , Pasen; in de drie lijdensvoorspellingen van de synoptici wordt een verband gelegd tussen lijden (paschô) en Pasen (pascha)) ὑπὸ (vz) πολλῶν (gen mann mv van het bv nw polus: veel ; p/v + l) ἰατρῶν (gen mann mv van het zn iatros: arts (metahesis?), geneesheer) καὶ (nv) δαπανήσασα (act part aor nom vr enk van het wkw dapanaô: uitgeven, besteden, ruïneren) τὰ (bep lidw acc onz mv) παρ' (afkorting van het vz para) αὐτῆς (pers vnw 3de pers gen vr enk) πάντα (acc onz mv van het bv nw pas: al, heel) καὶ (nv) μηδὲν (acc onz enk van he onbep vnw mè-d-eis = niet iets= niets) ὠφεληθεῖσα (pass part aor nom vr enk van het ww ôfeleô: helpen ; ôfeleô < h-b-l-ô : h-l-p : metathesis?) ἀλλὰ (vw van tegenstelling: maar) μᾶλλον (bw meer, eerder; malista : meest) εἰς (vz van richting) τὸ (bep lidw acc onz enk) χεῖρον (acc onz enk van het bv nw cheirôn: comp. geringer, slechter) ἐλθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww erchomai: gaan, komen),
- pathousa ; stam penth of path , in het praes. versterkt met -sk . (Baeyens nr 134 blz 100).

Mc 5,27 ἀκούσασα περὶ τοῦ Ἰησοῦ, ἐλθοῦσα ἐν τῷ ὄχλῳ ὄπισθεν ἥψατο τοῦ ἱματίου αὐτοῦ:
27 ἀκούσασα (act part aor nom vr enk van het ww akouô: horen; k/h) περὶ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) Ἰησοῦ (gen mann enk eigennaam ièsous), ἐλθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww erchomai; zie Fr al-ler) ἐν (vz) τῷ (bep lidw dat mann enk) ὄχλῳ (dat mann enk van het zn ochlos: massa) ὄπισθεν (vz van achter , Hebr. achar) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) τοῦ (bep lidw gen onz enk) ἱματίου (gen onz enk van het zn himation ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk):
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .
- Mac 5,25-27 : 7X een part. nom. vr. enk. bij gunè (vrouw) . Dan pas is er sprake dat zij zijn kleed(je) aanraakte .

Mc 5,28 ἔλεγεν γὰρ ὅτι Ἐὰν ἅψωμαι κἂν τῶν ἱματίων αὐτοῦ σωθήσομαι.
28 ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers vr enk van het ww legô: zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) γὰρ (ov van reden) ὅτι (ov) Ἐὰν (on van voorwaarde) ἅψωμαι (med conjunct aor 1ste pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) κἂν (samentrekking van kai en an : ook maar) τῶν (bep lidw gen onz mv) ἱματίων (gen onz mv van het zn himation: kleed ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vn 3de pers mann enk) σωθήσομαι (pass ind fut 1ste pers vr enk van het wkw sôdzô; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het ww jâsj`a in vers 27 en sôdzô: redden; stam sj).

Mc 5,29 καὶ εὐθὺς ἐξηράνθη ἡ πηγὴ τοῦ αἵματος αὐτῆς, καὶ ἔγνω τῷ σώματι ὅτι ἴαται ἀπὸ τῆς μάστιγος.
29 καὶ (nv) εὐθὺς (bv nw maar bijwoordelijk gebruikt) ἐξηράνθη (pass ind aor 3de pers enk van het ww ksèrainô : opdrogen, verschrompelen) ἡ (bep lidw nom vr enk) πηγὴ (zn nom vr enk: bron) τοῦ (bep lidw gen onz enk) αἵματος (gen onz enk van het zn haima: bloed) αὐτῆς (pers vnw 3de pers gen vr enk) , καὶ (nv) ἔγνω (act 2de aor 3de pers vr enk van het ww gignôskô: weten; stam gn-) τῷ (bep lidw dat onz enk) σώματι (dat onz enk van het zn sôma: lichaam) ὅτι (ov) ἴαται (pass ind perf 3de pers vr enk van het ww iaomai: genezen, zie iatros: geneesheer, arts) ἀπὸ (vz : af , weg) τῆς (bep lidw gen vr enk) μάστιγος (gen vr enk van het zn mastiks : gesel, plaag) . .
- eksèranthè < augment + werkwoordstam ksèran + kenmerk verleden tijd th + è . Wkw eindigend op een nasaal (n) : bijna alle praesensstammen zijn versterkt met J : ksèranJô -> ksèrainô .
- egnô : stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô : act. ind. aor 3de pers enk. egnô ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97) .

Mc 5,30 καὶ εὐθὺς ὁ Ἰησοῦς ἐπιγνοὺς ἐν ἑαυτῷ τὴν ἐξ αὐτοῦ δύναμιν ἐξελθοῦσαν ἐπιστpαφεὶς ἐν τῷ ὄχλῳ ἔλεγεν, Τίς μου ἥψατο τῶν ἱματίων;
30 καὶ (nv) εὐθὺς (bw) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) ἐπιγνοὺς (act part aor nom mann enk van het wkw epigignôskô : herkennen) ἐν (vz) ἑαυτῷ (reflexief vnw dat mann enk) τὴν (bep lidw acc vr enk) ἐξ (vz) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) δύναμιν (acc vr enk van het zn dunamis : kracht, macht , dynamiet) ἐξελθοῦσαν (med part aor acc vr enk van het wkw ekserchomai: uitgaan ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er) ἐπιστραφεὶς (act part aor nom mann enk van het wkw epistrefô : keren naar ; zie strofe , catastrofe) ἐν (vz) τῷ (bep lidw dat mann enk) ὄχλῳ (dat mann enk van het zn ochlos : massa) ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep), Τίς (betrekk vnw nom mann enk) μου (pers vnw gen mann enk) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) τῶν (bep lidw gen onz mv) ἱματίων (gen onz mv van het zn himation: kleed) ;
- ekselthousa : voorvoegsel eks + stam elth + verbuiging van het part. : acc vr enk . Einde van de gramm. van de wkw : wkw met verschillende stammen (zie Baeyens nr 136, blz 102) .
- epignous : voorvoegsel + stam gno- of gnô Ned. ken-n-en ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> act part nom mann enk epi-gnous ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97) , zie gno-sis : ken-n-is)
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .

Mc 5,31 καὶ ἔλεγον αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Βλέπεις τὸν ὄχλον συνθλίβοντά σε, καὶ λέγεις, Τίς μου ἥψατο;
31 καὶ (nv) ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) οἱ (bep lidw nom mann mv) μαθηταὶ (nom mann mv van het zn nw mathè-tès : leer-ling, wkw ma-n-th-an-ô: leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . Βλέπεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw blepô: zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) τὸν (bep lidw ) ὄχλον (acc mann enk van het zn ochlos: massa) συνθλίβοντά (act part praes acc mann enk van het wkw sunthlibô: samendrukken, samenknellen, zie Mc 5,24) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) , καὶ (nv) λέγεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Τίς (betrekk vnw nom mann enk) μου (pers vnw 1ste gen mann enk) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) .
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast, hap-klaar?) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .

Mc 5,32 καὶ περιεβλέπετο ἰδεῖν τὴν τοῦτο ποιήσασαν.
- καὶ (nv) περιεβλέπετο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw periblepô: rondkijken ; Bayens nr 71,3 , blz 53-54 ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) ἰδεῖν (act inf aor van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102) τὴν (bep lidw acc vr enk) τοῦτο (aanwijz vnw acc onz enk - houtos touto < to + houtos : d -it) ποιήσασαν (act part aor acc vr enk van het wkw poiêô: doen ; Lat fa-c-ere) .
- En hij blikte rond om te zien 'degene (vr) die dit deed' .

Mc 5,33 ἡ δὲ γυνὴ φοβηθεῖσα καὶ τρέμουσα, εἰδυῖα ὃ γέγονεν αὐτῇ, ἦλθεν καὶ προσέπεσεν αὐτῷ καὶ εἶπεν αὐτῷ πᾶσαν τὴν ἀλήθειαν.
33 ἡ (bep lidw nom vr enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) γυνὴ (nom vr enk van het zn gunè: vrouw ; < gen- : verwekster? Ned. vrouw - Freja , Lat. fe-mina , Fr. femme) φοβηθεῖσα (med part aor nom vr enk van het wkw fobeomai: vrezen, bev-en?) καὶ (nv) τρέμουσα (act part praes nom vr enk van het wkw tre-mô: trillen, beven) εἰδυῖα (act part perf nom vr enk van het wkw oida : ik weet, zie Baeyens nr 129,1 , blz 95-96 ; Ned. wet-en) ὃ (betrekk vnw nom onz enk) γέγονεν (med ind perf 3de pers enk. van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge-) αὐτῇ (pers vnw 3de pers dat vr enk) , ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er) καὶ (nv) προσέπεσεν (acc ind aor 3de pers enk van het wkw prospiptô: vallen bij , stam pe- , Hebr. nâphal , Ned. : va-l-l-en; niet het wkw proskuneô : knielen ; gonu : knie ; gonè : geboorte , geslacht ; gunè : vrouw , kunè : hond) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) καὶ (nv) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) πᾶσαν (acc vr enk van het bv nw pas : al) τὴν (bep lidw acc vr enk) ἀλήθειαν (acc vr enk van het zn alètheia: waarheid - datgene wat ze gedaan heeft - , Lat. ver-i-tas) .
- gegonen van het wkw gignomai (onregelmatig wkw met werkwoordstamverdubbeling g-i-gn-o-mai, Baeyens nr 130 blz 97) .
- prosepesen van het wkw prospiptô , labiaal wkw, de praesensstam wordt versterkt met t -> pi-p-t-ô .
- In Mc 5,33 komen 7 wkwvormen voor .

Mc 5,34 ὁ δὲ εἶπεν αὐτῇ, Θυγάτηρ, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε: ὕπαγε εἰς εἰρήνην, καὶ ἴσθι ὑγιὴς ἀπὸ τῆς μάστιγός σου.
34 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô: zeggen, wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῇ (pers vnw 3de pers dat vr enk) , Θυγάτηρ (zn nom vr. enk , voc vr enk thugater ; thug-a-tèr : doch-ter) ἡ (bep lidw nom vr enk) πίστις (zn nom vr enk , pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) σου (pers vnw 2de pers gen vr enk) σέσωκέν ( wkw se-sô-k-en : act ind perf 3de pers enk van het wkw sôzô : redden ; stam sô , zie sô - tèr : re-d-der) σε (pers vnw 2de pers acc vr enk) : ὕπαγε (act imperat praes 2de pers enk van het wkw hupagô < hupo-agô : leiden onder, gaan , NG. pègainô) εἰς (vz van richting : naar) εἰρήνην, καὶ (nv) ἴσθι (act imperat 2de pers enk van het wkw eimi : zijn , Baeyens nr 73 , blz 56 ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ὑγιὴς (bv nw nom vr enk , zie hygiëne , ge-zon- d , Lat. san-us) ἀπὸ (vz : af , weg) τῆς (bep lidw gen vr enk) μάστιγος (gen vr enk van het zn mastiks : gesel, plaag) sou (pers vnw 2de pers vr enk)
- ἡ πιστις σου σεσωκεν σε = hè pistis sou sesôken se (je geloof heeft je gered) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 . (2) Mc 10,52 . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Vier lettergrepen beginnen met s- . Het geloof van een bloedvloeiende vrouw en van een blinde man was hun redding .
- De vrouw zegt iets tot Jezus na veel omhaal : ἡ δὲ γυνὴ ... εἶπεν αὐτῷ (Mc 5,33) .
- Jezus zegt zonder veel omhaal tot de vrouw : ὁ δὲ εἶπεν αὐτῇ (Mc 5,34) .

Mc 5,35 Ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος ἔρχονται ἀπὸ τοῦ ἀρχισυναγώγου λέγοντες ὅτι Ἡ θυγάτηρ σου ἀπέθανεν: τί ἔτι σκύλλεις τὸν διδάσκαλον;
35 Ἔτι (bw : nog) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) λαλοῦντος (losse gen , act ind praes gen mann enk. van het wkw laleô : spreken , lallen; terwijl hij nog spreekt) ἔρχονται (med ind praes 3de pers mv van het wkw erchomai : komen , gaan) ἀπὸ (vz : af , weg) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀρχισυναγώγου (zn gen mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge ; archi : aarts- , hoofd , sun- : samen , agôgos < agô : leiden) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) ὅτι (ov) Ἡ (bep lidw nom vr enk) θυγάτηρ (zn nom vr. enk , voc vr enk thugater ; thug-a-tèr : doch-ter) σου (pers vnw 2de pers vr enk) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) τί (vrag vnw acc onz enk) ἔτι (bw : nog) σκύλλεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw skullô: kwellen, lastig vallen) τὸν (bep lidw acc mann enk) διδάσκαλον (zn nom mann enk van het zn didaskalos : leermeester ; di-da-s-k-a-los < di-da-skô : leren , Lat docere : leren , onderrichten) ;
- apethanen < ap-e-than-en ; wkw met stamversterking in de praesensvorm -> apo-thnè(i) -sk-ô: Baeyens nr 134 blz 100) .

Mc 5,36 ὁ δὲ Ἰησοῦς παρακούσας τὸν λόγον λαλούμενον λέγει τῷ ἀρχισυναγώγῳ, Μὴ φοβοῦ, μόνον πίστευε.
36 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) παρακούσας (act part aor nom mann enk van het wkw par-akouô : toevallig, terloops horen) τὸν (bep lidw acc mann enk) λόγον (zn acc mann enk van het zn logos : ge-zeg-de , woord , Lat. ver-bum , Fr. verbe) λαλούμενον (pass part praes acc mann enk van het wkw laleô : spreken , lallen) λέγει (act ind praes 3de pers mann enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τῷ (bep lidw dat mann enk) ἀρχισυναγώγῳ (zn dat mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge) , Μὴ (negatie : niet) φοβοῦ (act imperat 2de pers mann enk van het wkw fobeomai: vrezen, bev-en?) , μόνον (bijw : alleen) πίστευε (act imperat. 2de pers mann enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie Mc 5,34 : pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi)

Mc 5,37 καὶ οὐκ ἀφῆκεν οὐδένα μετ' αὐτοῦ συνακολουθῆσαι εἰ μὴ τὸν Πέτρον καὶ Ἰάκωβον καὶ Ἰωάννην τὸν ἀδελφὸν Ἰακώβου.
37 καὶ (nv) οὐκ (ontkenning ou + k : volgend woord begint met een klinker) ἀφῆκεν (act ind aor 3de pers enk. van het wkw af -hièmi : in beweging zetten , zenden . Een bijzondere tweede aorist : een k worteluitbreiding in de ind. enk. en de persoonsuitgang a -> hèka (Baeyens 111A blz 83) . afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi : laten gaan , wegzenden ; zie Baeyens 15,1 blz 8 ) οὐδένα (onbep vnw acc mann enk van het onbep vnw oud-eis : nie-mand) μετ' (afgekort voorzetsel meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) συνακολουθῆσαι (wkw act inf aor van het wkw sun-akolouth-e-ô : samen volgen) εἰ μὴ (ei : vw. : indien ; mè : ontkenning : niet ; samen : tenzij) τὸν (bep lidw acc mann enk) Πέτρον (zn eigennaam acc mann enk ; petros : Griekse naam , rots) καὶ (nv) Ἰάκωβον (zn eigennaam acc mann enk ; vergriekste vorm iakôbos van de Hebreeuwse naam יַעֳקֹב =ja`äqobh - hij bedroog - , Jakob) καὶ (nv) Ἰωάννην (zn eigennaam acc mann enk , vergriekste vorm Iôannès van het Hebreeuwse woord jôhanan : JWWH is genadig) τὸν (bep lidw acc mann enk) ἀδελφὸν (zn acc mann enk van het zn adelfos : broer) Ἰακώβου (zn eigennaam gen mann enk , vergriekste vorm iakôbos van de Hebreeuwse naam יַעֳקֹב =ja`äqobh - hij bedroog - , Jakob) .

Mc 5,38 καὶ ἔρχονται εἰς τὸν οἶκον τοῦ ἀρχισυναγώγου, καὶ θεωρεῖ θόρυβον καὶ κλαίοντας καὶ ἀλαλάζοντας πολλά,
38 καὶ (nv) ἔρχονται (med ind praes 3de pers mv van het wkw erchomai : komen , gaan) εἰς (vz van richting , naar) τὸν (bep lidw acc mann enk) οἶκον (zn acc mann enk van het zn oikos : huis) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀρχισυναγώγου (zn gen mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge ; archi : aarts- , hoofd , sun- : samen , agôgos < agô : leiden) , καὶ (nv) θεωρεῖ (act. ind praes 3de pers enk van het wkw theôreô : kijken , zie theater) θόρυβον (acc mann enk van het zn thorubos: lawaai, rumoer) καὶ (nv) κλαίοντας (wkw act part praes acc vr mv van het wkw kla-i-ô : kla-g-en , wenen) καὶ (nv) ἀλαλάζοντας (act part praes acc vr mv van het wkw alalazô : krijgsgeschreeuw aanheffen , la-waai maken) πολλά (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) ,

Mc 5,39 καὶ εἰσελθὼν λέγει αὐτοῖς, Τί θορυβεῖσθε καὶ κλαίετε; τὸ παιδίον οὐκ ἀπέθανεν ἀλλὰ καθεύδει.
39 καὶ (nv) εἰσελθὼν (act part aor nom mann enk ; bijzondere vorm bij eiserchomai: komen naar , binnengaan; el- zie Fr aller) λέγει (act ind praes 3de pers mann enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers mann mv) , Τί (vrag vnw acc onz enk) θορυβεῖσθε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw thorubeô : lawaai , rumoer maken , zie zn thorubos: lawaai, rumoer) καὶ (nv) κλαίετε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw kla-i-ô : kla-g-en , wenen) ; τὸ (bep lidw nom onz enk) παιδίον (zn nom onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) οὐκ (ontkenning ou + k : volgend woord begint met een klinker) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) ἀλλὰ (nv van tegenstelling : maar) καθεύδει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw katheudô : slapen) .
- apethanen < ap-e-than-en ; wkw met stamversterking in de praesensvorm -> apo-thnè(i) -sk-ô: Baeyens nr 134 blz 100) .

Mc 5,40 καὶ κατεγέλων αὐτοῦ. αὐτὸς δὲ ἐκβαλὼν πάντας παραλαμβάνει τὸν πατέρα τοῦ παιδίου καὶ τὴν μητέρα καὶ τοὺς μετ' αὐτοῦ, καὶ εἰσπορεύεται ὅπου ἦν τὸ παιδίον:
40 καὶ (nv) κατεγέλων (wkw act ind imperf. 3de pers mv kat-e-gel-ôn van het wkw katagelaô : neerbuigend lachen , uitlachen , zie Baeyens blz 80) αὐτοῦ (pers vn 3de pers mann enk) . αὐτὸς (pers. vnw 1ste pers nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) ἐκβαλὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ekballô : uitwerpen) πάντας (acc mann mv van het bv nw pas : al, ieder) παραλαμβάνει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw para-la-m-b-an-ô : naast zich nemen) τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) τοῦ (bep lidw gen onz enk) παιδίου (zn gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) καὶ (nv) τὴν (bep lidw acc vr enk) μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) καὶ (nv) τοὺς (bep lidw acc mann mv) μετ' (afgekort voorzetsel meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) , καὶ (nv) εἰσπορεύεται (wkw med ind praes 3de pers enk van hget wkw eis-por-eu-o-mai : zich op weg begeven naar ; zn πορος = poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen) ὅπου (betrekk vnw van plaats : waar) ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ei-mi : zijn) τὸ (bep lidw nom onz enk) παιδίον (zn nom onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) :

Mc 5,41 καὶ κρατήσας τῆς χειρὸς τοῦ παιδίου λέγει αὐτῇ, Ταλιθα κουμ, ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον (pass. part praes nom onz enk methermèneuô : vertalen, omzetten) Τὸ κοράσιον, σοὶ λέγω, ἔγειρε.
41 καὶ (nv) κρατήσας (act part aor nom mann enk van het wkw krateô : met kracht grijpen) τῆς (bep lidw gen vr enk) χειρὸς (gen vr enk van het zn cheir : hand / handgreep , gr-) τοῦ (bep lidw gen onz enk) παιδίου (gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῇ (pers vnw dat vr enk), Ταλιθα (Aramees : jong, meisje) κουμ (Hebr. act imperat. praes 2de pers enk van qûm: opstaan), ὅ (betrekk vnw nom onz enk : dat) ἐστιν (act part praes nom onz enk) μεθερμηνευόμενον (act part praes nom onz enk) van het wkw meth-ermèneuô : vertalen, omzetten) Τὸ (bep lidw nom onz enk) κοράσιον (onz enk van het zn verkleinwoordje kora-sion : meisje van het zn korè : jong meisje) , σοὶ (pers vnw 2de pers enk : aan jou) λέγω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep), ἔγειρε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw egeirô = opwekken , 'opstaan')
- taljethâ´ : Aramees : jong , meisje .
- qûm : Hebr. / Aramees imperat 2de pers mann enk , sta op .
- meth-ermèneuo-menon meth afkorting van meta , met th omwille van de spiritus asper her...
- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
-- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Enkel in deze twee verzen in Mc komt de formule soi legô = ik zeg je , voor .

Mc 5,42 καὶ εὐθὺς ἀνέστη τὸ κοράσιον καὶ περιεπάτει, ἦν γὰρ ἐτῶν δώδεκα. καὶ ἐξέστησαν [εὐθὺς] ἐκστάσει μεγάλῃ.
42 καὶ (nv) εὐθὺς (bw : dadelijk , onmiddellijk) ἀνέστη (act ind aor 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) τὸ (bep lidw nom onz enk) κοράσιον (onz enk van het zn verkleinwoordje kora-sion : meisje van het zn korè : jong meisje) καὶ (nv) περιεπάτει (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw peripateô : rondwandelen , zie Ned. pad), ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ei-mi : zijn) γὰρ (partikel van reden) ἐτῶν (zn gen onz mv van het zn etos : jaar ; et-os Hebr. ‘eth : tijd , E. ti-me , Lat. te-m-p-us , Fr. te-m-p-s) δώδεκα (telw : twaalf; 2 + 10 ; twaalf : symbool van volheid : 12 maanden vormen een jaar ; na 12 een nieuw begin) . καὶ (nv) ἐξέστησαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ex-i-stè-mi : uit-staa-n , buiten zichzelf zijn ) [εὐθὺς](bw : dadelijk , onmiddellijk) ἐκστάσει (zn dat vr enk van het zn ex-sta-sis : uit-sta-nd , ex-sta-se , verrukking) μεγάλῃ (bv nw dat vr enk van het bv nw megas : groot , zie megalomaan) .
- anestè < voorvoegsel ana + augment van de aor. (voorvoegsel eindigt op een klinker , valt weg bij een augment: Baeyens nr 70,3 blz 54) + stam + uitgang . Wkw op - mi , met vocaalstam sta- of stè , praesensverdubbeling sist -> histè (Baeyens nr 111 , blz 83) .
- eksestèsan , zie o.a. hierboven anestè . Zie Baeyens nr 113 , blz 85.
- koros (jongen) , korè (meisje) , korasion (meisje , let op het onzijdige, we spreken ook over HET meisje) .

Mc 5,43 καὶ διεστείλατο αὐτοῖς πολλὰ ἵνα μηδεὶς γνοῖ τοῦτο, καὶ (nv) εἶπεν δοθῆναι αὐτῇ φαγεῖν.
43 καὶ (nv) διεστείλατο (mediaal aor. 3de pers. enk. διεστειλατο = diesteilato (hij beval) van het wkw διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) ἵνα (bw van doel: opdat) μηδεὶς (onbep vnw nom mann enk: nie-mand = niet iemand) γνοῖ (act conjunct aor 3de pers enk) τοῦτο (aanw vnw acc onz enk) , καὶ (nv) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô = zeggen) δοθῆναι (pass inf aor van het wkw didômi : geven) αὐτῇ (pers. vnw dat vr enk) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) .
- διεστειλατο = diesteilato . voorvoegsel apo afgekort tot ap' (omwille van het augment ; bij samengestelde wkw laat men de klinker weg bij voorvoegsels die op een klinker eindigen (Baeyens , nr.70, blz 54 ; stam stel , in praes versterkt met j -> stejô -> stellô Baeyens nr 100 blz 76) ; de stamklinker s (aor) wordt uitgestoten en als compensatie wordt de stamklinker verlengd : e wordt ei (Baeyens nr 102 blz 77) .
- gnoi : stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô (Baeyens 130a blz 97) .
ειπεν , wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) .
- dothènai - stam do - aor thè uitgang inf nai . Wkw eindigend op -mi , klinkerstam met verdubbeling in praes. di-dô-mi (geven) (Baeyens nr 111 blz 83) , Lat. : dare , donum (gift) .
- act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) .
- Mc 5,43 : και διεστειλατο αυτοις πολλα ἱνα μηδεις γνοι τουτο = kai diesteilato autois polla ina mèdeis gnoi touto (en hij beval hen meermaals dat niemand dit zou weten) . Het zwijggebod betreft het ten leven wekken van het kind .
-- Mc 9,30 : και ουκ ηθελεν ἱνα τις γνοι = kai ouk èthelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen , gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea , maar hij wil niet dat iemand het weet .

Jezus komt terug van de overkant van het meer van Galilea . Daar was agressie , geweld en dood in het land , zowel van de kant van de plaatselijke bevolking als van de bezetters , de Romeinen . Jezus gaat terug naar de nood-westzijde van het meer . Het 'joodse' volk is er erg aan toe : een synagogeleider roept de hulp van Jezus in want zijn 12-jariug dochtertje is doodziek en er is een vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiïng lijdt . Twee vrouwen verschijnen op het toneel . De ene vrouw is in feite een kind , dat sterft voordat het volwassen wordt en geen kinderen krijgt en een vrouw die wegens bloedingen geen kinderen zal krijgen . Er is geen toekomst in het verschiet . Er is sprake van ziekte en dood . In beide gevallen wordt er een beroep op Jezus gedaan . Blijkbaar kan Jezus voor een toekomst zorgen . En waarom zien de vrouwen geen toekomst ? Als kinderen uiteindelijk maar dienen om in de onderlinge strijd en oorlog te sneuvelen , waarom zou je dan kinderen baren ? Een mens is toch meer dan alleen maar "kannonenvoer" .

Het is een synagogeleider die op Jezus beroep doet . Volstaat de thorah niet om toekomst te wekken ? Of is de interpretatie van de thorah in een doodlopend straatje terecht gekomen ? Is de interpretatie van Jezus van die aard dat er leven en toekomst is ? In Mc 1,40-45 kwam een melaatse naar Jezus toe . Dat had die melaatse niet mogen doen . Hij had moeten verwittigen dat hij melaats was zodat passanten zich verre van hem konden houden , want aanraken kon besmetting betekenen . Die melaatse doorbreekt dus het taboe . Van een synagogeleider zou je niet verwachten dat hij naar Jezus zou komen ; integendeel , je zou eerder verwachten dat Jezus naar een synagogeleider zou gaan . Je zou toch meer gezag toekennen aan een synagogeleider dan aan Jezus .

Mc 6,1-6 : Jezus in zijn vaderstad

Mc 6,1 Καὶ ἐξῆλθε ἐκεῖθεν καὶ ἦλθεν εἰς τὴν πατρίδα ἑαυτοῦ· καὶ ἀκολουθοῦσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.
1. Καὶ ἐξῆλθε (med ind aor 3de pers enk van het wkw exerchomai : uitgaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) ἐκεῖθεν καὶ ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk van het wkw erchomai : gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) εἰς τὴν πατρίδα (zn acc vr enk van het zn patris , -idos : vaderland, vaderstad) ἑαυτοῦ· καὶ ἀκολουθοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw akoloutheô : volgen) αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.

Mc 6,2. καὶ γενομένου σαββάτου ἤρξατο ἐν τῇ συναγωγῇ διδάσκειν· καὶ πολλοὶ ἀκούοντες ἐξεπλήσσοντο λέγοντες· Πόθεν τούτῳ ταῦτα; καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα αὐτῷ, καὶ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γίνονται;
2. καὶ γενομένου (med part aor gen onz enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam : gen) σαββάτου ἤρξατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : beginnen) ἐν τῇ συναγωγῇ διδάσκειν (didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) · καὶ πολλοὶ ἀκούοντες (act part praes nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) ἐξεπλήσσοντο (pass ind imperf 3de pers mv van het wkw ekplèssô : overvol zijn van ; pl -> Ned. vol) λέγοντες· Πόθεν τούτῳ ταῦτα (vanwaar aan deze deze dingen ? vanwaar heeft hij dat ?) ; καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα (pass part aor nom vr enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτῷ, καὶ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γίνονται (med ind praes 3de pers mv van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ;

Mc 6,3 οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ τέκτων, ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας, ἀδελφὸς δὲ Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆ καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο ἐν αὐτῷ.
3 οὐχ οὗτός ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) τὸ (bep lidw nom onz enk) ὁ τέκτων (zn nom mann enk : de timmerman , zie Ned. techniek) , ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας, ἀδελφὸς δὲ Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆ καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο (pass ind imperf 3de pers mv van het wkw skandalizô : geschandaliseerd worden) ἐν αὐτῷ.

Mc 6,4 ἔλεγεδὲ αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Οὐκ ἔστι προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενέσι καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ.
4 ἔλεγε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) δὲ αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Οὐκ ἔστι προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενέσι καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ.

Mc 6,5. καὶ οὐκ ἠδύνατο ἐκεῖ οὐδεμίαν δύναμιν ποιῆσαι, εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις ἐπιθεὶς τὰς χεῖρας ἐθεράπευσε·
5. καὶ οὐκ ἠδύνατο (med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen , in staat zijn) ἐκεῖ οὐδεμίαν δύναμιν ποιῆσαι (act inf aor van het wkw poieô : doen , maken) , εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις (zn / bv nw dat mann mv van het zn / bv nw arrôstos : ziek) ἐπιθεὶς (act part aor nom mann enk van het wkw tithèmi : leggen , stellen ; stam thè) τὰς χεῖρας ἐθεράπευσε (act ind aor 3de pers enk van het wkw therapeuô : genezen) ·

Mc 6,6. καὶ ἐθαύμαζε διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. Καὶ περιῆγε τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων.
6. καὶ ἐθαύμαζε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thaumazô : verwonderen) διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. Καὶ περιῆγε (act ind aor 3de pers enk van het wkw periagô < per-agô : rondleiden , rondvoeren , rondgaan) τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων (act part praes nom mann enk van het wkw didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) .

Mc 6,7-13 : de zending van de twaalf

Mc 6,7 Καὶ προσκαλεῖται τοὺς δώδεκα, καὶ ἤρξατο αὐτοὺς ἀποστέλλειν δύο δύο, καὶ ἐδίδου αὐτοῖς ἐξουσίαν τῶν πνευμάτων τῶν ἀκαθάρτων,
7. Καὶ προσκαλεῖται (med ind praes 3de pers enk van het wkw proskaleomai : tot zich roepen) τοὺς δώδεκα, καὶ ἤρξατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : beginnen) αὐτοὺς ἀποστέλλειν (act inf praes van het wkw apostellô : afsturen , wegzenden ; stam stelJ) δύο δύο, καὶ ἐδίδου (act ind imperf 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς ἐξουσίαν (zn acc vr enk van het zn exousia : macht , kracht ; ex-ousia : het uit zichzelf bestaande , ousia < eimi) τῶν πνευμάτων τῶν ἀκαθάρτων,

Mc 6,8 καὶ παρήγγειλεν αὐτοῖς ἵνα μηδὲν αἴρωσιν εἰς ὁδὸν εἰ μὴ ῥάβδον μόνον, μὴ πήραν, μὴ ἄρτον, μὴ εἰς τὴν ζώνην χαλκόν,
8. καὶ παρήγγειλεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw paraggellô : verkondigen , bevelen : stam agelJ) αὐτοῖς ἵνα μηδὲν αἴρωσιν (act conjunct praes 3de pers mv van het wkw airô / aireô : nemen , meenemen) εἰς ὁδὸν εἰ μὴ ῥάβδον μόνον, μὴ πήραν (zn acc vr enk van het zn pèra : reistas , ransel) , μὴ ἄρτον, μὴ εἰς τὴν ζώνην (zn acc vr enk van het zn zônè : gordel ; wkw zônnumi : omgorden) χαλκόν (bv nw / zn chalkos : brons , bronzen geldstuk) ,

Mc 6,9 ἀλλ' ὑποδεδεμένους σανδάλια, καὶ μὴ ἐνδεδύσθαι δύο χιτῶνας.
9. ἀλλ' ὑποδεδεμένους (pass part perf acc mann mv van het wkw hupodeô : binden onder) σανδάλια, καὶ μὴ ἐνδεδύσθαι (med inf perf van het wkw< enduô : zich hullen in , zich kleden met) δύο χιτῶνας (zn acc vr mv van het zn chitôn : onderhemd , kleed ; chitôn - geit ?).

Mc 6,10 καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς· Ὅπου ἐὰν εἰσέλθητε εἰς οἰκίαν, ἐκεῖ μένετε ἕως ἂν ἐξέλθητε ἐκεῖθεν·
10. καὶ ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen) αὐτοῖς· Ὅπου ἐὰν εἰσέλθητε (med conjunct aor 2de pers mv van het wkw eiserchomai : gaan naar , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) εἰς οἰκίαν, ἐκεῖ μένετε (act imperat. praes 2de pers mv van het wkw menô : blijven, nog bestaan , standhouden ; zie Lat. manere) ἕως ἂν ἐξέλθητε (med conjunct aor 2de pers mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) ἐκεῖθεν·

Mc 6,11 καὶ ὅσοι ἐὰν μὴ δέξωνται ὑμᾶς μηδὲ ἀκούσωσιν ὑμῶν, ἐκπορευόμενοι ἐκεῖθεν ἐκτινάξατε τὸν χοῦν τὸν ὑποκάτω τῶν ποδῶν ὑμῶν εἰς μαρτύριον αὐτοῖς· ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ἀνεκτότερον ἔσται Σοδόμοις ἢ Γομόρροις ἐν ἡμέρᾳ κρίσεως ἢ τῇ πόλει ἐκείνῃ.
11. καὶ ὅσοι ἐὰν μὴ δέξωνται (med conjunct aor 3de pers mv van het wkw dechomai : ontvangen) ὑμᾶς μηδὲ ἀκούσωσιν (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw akouô : horen , luisteren) ὑμῶν, ἐκπορευόμενοι (med part praes nom mann mv van het wkw ekporeuomai : zich op weg begeven uit) ἐκεῖθεν ἐκτινάξατε (act imperat aor 2de pers mv van het wkw ektinassô : uitstoten , afschudden) τὸν χοῦν (zn acc mann enk van het zn chous : stof) τὸν ὑποκάτω τῶν ποδῶν (zn gen mann mv van het zn pous -podos : voet) ὑμῶν εἰς μαρτύριον αὐτοῖς· ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ἀνεκτότερον (bv nw comparatief nom onz enk van het bv nw anektos : draaglijk) ἔσται Σοδόμοις ἢ Γομόρροις ἐν ἡμέρᾳ κρίσεως ἢ τῇ πόλει ἐκείνῃ.

Mc 6,12 Καὶ ἐξελθόντες ἐκήρυσσον ἵνα μετανοήσωσι,
12. Καὶ ἐξελθόντες (med part aor nom mann mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) ἐκήρυσσον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw kèrussô : verkondigen ; stam kèrukJ) ἵνα μετανοήσωσι (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw metanoeô : bekeren)

Mc 6,13 καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλλον, καὶ ἤλειφον ἐλαίῳ πολλοὺς ἀρρώστους καὶ ἐθεράπευον.
12. καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλλον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen) , καὶ ἤλειφον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw aleifô : zalven ; zie Ned. olijf) ἐλαίῳ (zn dat onz enk van het zn elaion : olie) πολλοὺς ἀρρώστους (bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn arrôstos : ziek) καὶ ἐθεράπευον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw therapeuô : genezen) .

Mc 6,14-29 : Johannes de Doper

Mc 6,14 Καὶ ἤκουσεν ὁ βασιλεὺς Ἡρῴδης· φανερὸν γὰρ ἐγένετο τὸ ὄνομα αὐτοῦ· καὶ ἔλεγεν ὅτι Ἰωάννης ὁ βαπτίζων ἐκ νεκρῶν ἠγέρθη, καὶ διὰ τοῦτο ἐνεργοῦσιν αἱ δυνάμεις ἐν αὐτῷ.
14 Καὶ ἤκουσεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw akouô : horen , luisteren) ὁ βασιλεὺς Ἡρῴδης (Herodes) · φανερὸν γὰρ ἐγένετο (med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) τὸ ὄνομα αὐτοῦ· καὶ ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) ὅτι Ἰωάννης (Johannes) ὁ βαπτίζων (act part praes nom mann enk van het wkw baptizô : dopen) ἐκ νεκρῶν ἠγέρθη (pass ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) , καὶ διὰ τοῦτο ἐνεργοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw en-ergeô : inwerken , veroorzaken) αἱ δυνάμεις ἐν αὐτῷ.

Mc 6,15 ἄλλοι ἔλεγον ὅτι Ἠλίας ἐστίν· ἄλλοι δὲ ἔλεγον ὅτι προφήτης ὡς εἷς τῶν προφητῶν.
15 ἄλλοι ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô : zeggen) ὅτι Ἠλίας (Elia) ἐστίν· ἄλλοι δὲ ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô : zeggen) ὅτι προφήτης ὡς εἷς (één) τῶν προφητῶν.

Mc 6,16 ἀκούσας δὲ ὁ Ἡρῴδης εἶπεν ὅτι Ὃν ἐγὼ ἀπεκεφάλισα Ἰωάννην, οὗτός ἐστιν· αὐτὸς ἠγέρθη ἐκ νεκρῶν.
16 ἀκούσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) δὲ ὁ Ἡρῴδης εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) ὅτι Ὃν ἐγὼ ἀπεκεφάλισα (act ind aor 1ste pers enk van het wkw apokefalizô : onthoofden) Ἰωάννην (Johannes) , οὗτός ἐστιν· αὐτὸς ἠγέρθη (pass ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) ἐκ νεκρῶν.

Mc 6,17 αὐτὸς γὰρ ὁ Ἡρῴδης ἀποστείλας ἐκράτησε τὸν Ἰωάννην καὶ ἔδησεν αὐτὸν ἐν φυλακῇ διὰ Ἡρῳδιάδα τὴν γυναῖκα Φιλίππου τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ὅτι αὐτὴν ἐγάμησεν
17. αὐτὸς γὰρ ὁ Ἡρῴδης ἀποστείλας (act part aor nom mann enk van het wkw apostellô : afsturen , zenden ; stam apo-stelJ) ἐκράτησε (act ind aor 3de pers enk van het wkw krateô : bemachtigen, overmeesteren) τὸν Ἰωάννην καὶ ἔδησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw deô : binden) αὐτὸν ἐν φυλακῇ (bewaking , gevangenis) διὰ Ἡρῳδιάδα (Herodias) τὴν γυναῖκα Φιλίππου (Filippus) τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ὅτι αὐτὴν ἐγάμησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw gameô : trouwen) .

Mc 6,18 ἔλεγε γὰρ ὁ Ἰωάννης τῷ Ἡρῴδῃ ὅτι Οὐκ ἔξεστί σοι ἔχειν τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ σου.
18 ἔλεγε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) γὰρ ὁ Ἰωάννης τῷ Ἡρῴδῃ ὅτι Οὐκ ἔξεστί (act ind praes 3de pers enk van het wkw exeimi : uit zichzelf zijn , niet toestaan , niet toegaleten zijn) σοι ἔχειν (act inf praes van het wkw echô : hebben) τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ σου.

Mc 6,19 ἡ δὲ Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν αὐτῷ καὶ ἤθελεν αὐτὸν ἀποκτεῖναι, καὶ οὐκ ἠδύνατο·
19. ἡ δὲ Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw enechô : hebben in , vasthouden , gemunt hebben op) αὐτῷ καὶ ἤθελεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thelô : willen) αὐτὸν ἀποκτεῖναι (act inf praes van het wkw apokteinô : afsnijden , doden) , καὶ οὐκ ἠδύνατο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) ·

Mc 6,20 ὁ γὰρ Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο τὸν Ἰωάννην, εἰδὼς αὐτὸν ἄνδρα δίκαιον καὶ ἅγιον, καὶ συνετήρει αὐτόν καὶ ἀκούσας αὐτοῦ πολλὰ ἐποίει καὶ ἡδέως αὐτοῦ ἤκουε.
20 ὁ γὰρ Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw fobeomai : vrezen) τὸν Ἰωάννην, εἰδὼς (act part perf nom mann enk van het wkw oida : ik weet) αὐτὸν ἄνδρα δίκαιον καὶ ἅγιον, καὶ συνετήρει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw suntèreô : goed bewaren) αὐτόν καὶ ἀκούσας (act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) αὐτοῦ πολλὰ ἐποίει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw poieô : doen) καὶ ἡδέως (bw graag) αὐτοῦ ἤκουε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw akouô : horen , luisteren) .

Mc 6,21 καὶ γενομένης ἡμέρας εὐκαίρου, ὅτε Ἡρῴδης τοῖς γενεσίοις αὐτοῦ δεῖπνον ἐποίει τοῖς μεγιστᾶσιν αὐτοῦ καὶ τοῖς χιλιάρχοις καὶ τοῖς πρώτοις τῆς Γαλιλαίας,
21 καὶ γενομένης (med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ἡμέρας εὐκαίρου (bv nw gen vr enk van het bv nw eu-kairos : juist op tijd , gunstig) , ὅτε Ἡρῴδης τοῖς γενεσίοις (zn dat onz mv van het zn genesion ? geboortedag?) αὐτοῦ δεῖπνον (zn acc onz enk van het zn deipnon : maaltijd) ἐποίει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw poieô : doen) τοῖς μεγιστᾶσιν (zn dat mann mv van het mv megistanes : grootsten ; zie superlatief megistos : grootste < megas : groot) αὐτοῦ καὶ τοῖς χιλιάρχοις (zn dat mann mv van het zn chili-archos : aanvoerder van duizend , krijgstribuun) καὶ τοῖς πρώτοις τῆς Γαλιλαίας,

Mc 6,22 καὶ εἰσελθούσης τῆς θυγατρὸς αὐτῆς τῆς Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης καὶ ἀρεσάσης τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις, εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ· Αἴτησόν με ὃ ἐὰν θέλῃς, καὶ δώσω σοι.
22 καὶ εἰσελθούσης (med part aor gen vr enk van het wkw eiserchomai : binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el , zie het Fr. al-l-er) τῆς θυγατρὸς (dochter) αὐτῆς τῆς Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης (med part aor gen vr enk van het wkw orcheomai : dansen , springen) καὶ ἀρεσάσης (act part aor gen vrenk van het wkw areskô : behagen) τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις (med part praes dat mann mv van het wkw sun-ana-keimai : mede-aan-liggen) , εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ (meisje) · Αἴτησόν (act imperat aor 2de pers enk van het wkw aiteô : vragen) με ὃ ἐὰν θέλῃς (act conjunct praes 2de pers enk van het wkw thelô : willen) , καὶ δώσω (act ind fut 1ste pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do ; zie Lat. da-re) σοι.

Mc 6,23 καὶ ὤμοσεν αὐτῇ ὅτι Ὅ ἐάν με αἰτήσῃς δώσω σοι ἕως ἡμίσους τῆς βασιλείας μου.
23 καὶ ὤμοσεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw omnumi : zweren) αὐτῇ ὅτι Ὅ ἐάν με αἰτήσῃς (act conjunct aor 2de pers enk van het wkw aiteô : vragen) δώσω (act ind fut 1ste pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do ; zie Lat. da-re) σοι ἕως ἡμίσους (half , helft) τῆς βασιλείας μου.

Mc 6,24 ἡ δὲ ἐξελθοῦσα εἶπε τῇ μητρὶ αὐτῆς· Τί αἰτήσομαι; ἡ δὲ εἶπε· Τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.
24 ἡ δὲ ἐξελθοῦσα (med part aor nom vr enk van het wkw eiserchomai : ingaan , naar binnen gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el ; zie het Fr. al-l-er) εἶπε (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) τῇ μητρὶ αὐτῆς· Τί αἰτήσομαι (med ind fut 1ste pers enk van het wkw aiteô : vragen) ; ἡ δὲ εἶπε (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) · Τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.

Mc 6,25 καὶ εἰσελθοῦσα εὐθέως μετὰ σπουδῆς πρὸς τὸν βασιλέα ᾐτήσατο λέγουσα· Θέλω ἵνα μοι δῷς ἐξαυτῆς ἐπὶ πίνακι τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.
25 καὶ εἰσελθοῦσα (med part aor nom vr enk van het wkw exerchomai : uitgaan , naar buiten gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el ; zie het Fr. al-l-er) εὐθέως μετὰ σπουδῆς πρὸς τὸν βασιλέα ᾐτήσατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw aiteô : vragen) λέγουσα (act part praes nom vr enk van het wkw legô : zeggen) · Θέλω (act ind praes 1ste pers enk van het wkw thelô : willen) ἵνα μοι δῷς (act conjunct aor 2de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) ἐξαυτῆς (bw terstond) ἐπὶ πίνακι (zn dat mann enk van het zn pinax : schotel , bord) τὴν κεφαλὴν (Lat. caput , Ned. hoofd) Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.

Mc 6,26 καὶ περίλυπος γενόμενος ὁ βασιλεὺς, διὰ τοὺς ὅρκους καὶ τοὺς συνανακειμένους οὐκ ἠθέλησεν αὐτὴν ἀθετῆσαι.
26 καὶ περίλυπος (bedroefd) γενόμενος (med part aor nom mann enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ὁ βασιλεὺς, διὰ τοὺς ὅρκους (zn acc mann mv van het zn orkos : eed) καὶ τοὺς συνανακειμένους (med part praes dat mann mv van het wkw sun-ana-keimai : mede-aan-liggen) οὐκ ἠθέλησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw thelô : willen) αὐτὴν ἀθετῆσαι (act inf aor van het wkw atheteô : zijn woord breken jegens).

Mc 6,27 καὶ εὐθέως ἀποστείλας ὁ βασιλεὺς σπεκουλάτωρα ἐπέταξεν ἐνεχθῆναι τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ.
27 καὶ εὐθέως ἀποστείλας (act part aor nom mann enk van het wkw apostellô : afsturen , wegzenden ; stam apo-stelJ) ὁ βασιλεὺς σπεκουλάτωρα (zn acc man enk van het zn spekoulatôr : lid van de lijfwacht) ἐπέταξεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitassô : opdragen , bevelen ; stam epi-tasJ) ἐνεχθῆναι (pass inf aor van het wkw ferô : voeren , brengen ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam eneg) τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ.

Mc 6,28 ὁ δὲ ἀπελθὼν ἀπεκεφάλισεν αὐτὸν ἐν τῇ φυλακῇ, καὶ ἤνεγκε τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἐπὶ πίνακι καὶ ἔδωκεν αὐτὴν τῷ κορασίῳ, καὶ τὸ κοράσιον ἔδωκεν αὐτὴν τῇ μητρὶ αὐτῆς.
28 ὁ δὲ ἀπελθὼν (med part aor nom mann enk van het wkw aperchomai : weggaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el , zie Fr. al-l-er) ἀπεκεφάλισεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apokefalizô : onthoofden) αὐτὸν ἐν τῇ φυλακῇ, καὶ ἤνεγκε (act ind aor 3de pers enk van het wkw ferô : voeren , brengen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam eneg) τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἐπὶ πίνακι (zn dat mann enk van het zn pinax : schotel , bord) καὶ ἔδωκεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτὴν τῷ κορασίῳ, καὶ τὸ κοράσιον ἔδωκεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτὴν τῇ μητρὶ αὐτῆς.

Mc 6,29 καὶ ἀκούσαντες οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἦλθον καὶ ἦραν τὸ πτῶμα αὐτοῦ, καὶ ἔθηκαν αὐτὸ ἐν μνημείῳ.
29 καὶ ἀκούσαντες (act part aor nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἦλθον (med aor 3de pers enk van het wkw erchomai=gaan, zij gingen ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen.) καὶ ἦραν (act ind aor 3de pers mv van het wkw airô : dragen ; stam ar) τὸ πτῶμα αὐτοῦ, καὶ ἔθηκαν (act ind aor 3de pers mv van het wkw tithèmi ; stam thè) αὐτὸ ἐν μνημείῳ (zn dat onz enk van het zn mnèmeion : gedenkplaats) .

Mc 6,30-34 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop

Mc 6,30 Καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ πάντα, καὶ ὅσα ἐποιήσαν καὶ ὅσα ἐδίδαξαν. (En de apostelen ver"zamel"en zich / worden samengebracht bij Jezus en zij vertelden hem alles en zoveel als zij deden en zoveel als zij onderrichtten . Vlotter : En de apostelen verzamelen zich bij Jezus om hem alles te vertellen wat zij hadden gedaan en onderwezen .
- Καὶ (nevensch voegw : en) συνάγονται (wkw med / pass ind praes 3de pers mv ; voorvoegsel sun- : samen , stam s-m/n + stam ag- + themavocaak o (zie Baeyens 75,2 : "De themavocaal is o vóór m en n) + ntai : uitgang 3de pers mv : zij drijven samen , zij 'stromen' samen ; hetzelfde aantal lettergrepen als het woord sunagôgè : bijeenkomst) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ἀπόστολοι (zn nom mann mv nom mann mv : apostelen , weggezondenen ; functie : onderwerp ; voorvoegsel : apo = af, weg + stam stol < stel + uitgang oi : nom mann mv ; zie het wkw apo-stel-l-ô : weg-sturen ; af /weg-zenden) πρὸς (voorzetsel van richting : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk ; stam d of h) Ἰησοῦν (zn eigennaam acc mann enk : ièsous = Jezus < Hebr. Jëhosjua: hij redt) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀπήγγειλαν (wkw act ind aor 3de pers mv ('vertellen') ; voorvoegsel ap < apo : van , weg + è : verlenging van de a omwille van het augment van de indic. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv van het wkw ap-aggellô : verslag uitbrengen van , vertellen , zie Ned.: engel ; Baeyens nr 102 , blz 77 : "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd (compensatorische rekking) - e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk ; meewerk voorw) πάντα (bv zelfst gebruikt , acc onz mv van bn pas , pantos ; lijd vw) , καὶ (nevensch voegw : en) ὅσα (onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw hosos , hosoi : zoveel als ; lijdend vw) ἐποιήσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw poieô : maken , doen ; augment van de ind verleden tijd e + stam poie (met verlenging tot è , zie Baeyens 86,3 : "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd") + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) καὶ (nevensch voegw : en) ὅσα (onbep vnw acc onz mv van het onb vnw hosos , hosoi : zoveel als ; lijd vw) ἐδίδαξαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw didaskô : leren , onderrichten ; augment ind verleden tijd e + stam didak (de eigenlijke stam is d-k) + eerste kenletter van de 1ste aorist s (de k + s wordt samengetrokken tot ks , zie Baeyens 15,7) + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) .

Mc 6,31 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον, καὶ ἀναπαύεσθε ὀλίγον· ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν. (En hij zei hen : hierheen jullie zelf alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig uit ; want er waren velen die kwamen en weggingen en zij vonden zelfs geen gelegenheid om te eten.)
- καὶ (nevensch voegw : en) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv ; meewerk voorw) · Δεῦτε (bijw : hierheen, welaan ; act imperat. praes 2de pers mv) ὑμεῖς (pers vnw nom mann mv) αὐτοὶ (pers vnw nom mann mv) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat' : afkorting van het voorzetsel kata ; idian : bv nw acc vr enk van het bv nw idios : eigenlijk) εἰς (vz van richting : naar) ἔρημον (bijv nw acc mann enk van het bijv nw erèmos : verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) τόπον (zn acc mann enk van het zn topos : plaats , streek ; zie Ned. topografie) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀναπαύεσθε (med imperat praes 2de pers mv van het wkw anapauô ; med : halt houden , rust nemen ; zie Ned. pauze) ὀλίγον (bijw : weinig ; zie Ned olig-archie : macht met weinigen) · ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) γὰρ (nevensch voegw van reden) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ἐρχόμενοι (med part praes nom mann mv van het wkw erchomai : gaan, komen ; wkw met 2 verschillende stammen : erch en elth : Baeyens 102,136) καὶ (nevensch voegw : en) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ὑπάγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw hupagô : weggaan) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam : p/v - l) , καὶ (nevensch voegw : en) οὐδὲ (part van ontkenning ; < ou + de : niet echter , en niet , zelfs niet , en ook niet) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eukaireô : vrije tijd hebben , gelegenheid vinden ; < eu : goed + kair- : gepaste tijd , geschikt moment : augment : "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu" : Baeyens , nr 70,2 , blz 53) .
- Voorstel en uitvoering .
-- voorstel : Mc 6,31 : kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame plaats) .
-- uitvoering : Mc 6,32 : eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun eigen) .
STAP VOOR STAP !

Mc 6,32 καὶ ἀπῆλθον εἰς ἔρημον τόπον ἐν πλοίῳ κατ' ἰδίαν. (En zij gingen weg naar een eenzame plaats in een boot alleen) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀπῆλθον (wkw act ind aor 3de pers mv. ; afkorting van apo + stam el (met verlenging van het augment -> èl : Baeyens , nr 70,2 blz 53) + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf. , Baeyens nr 107 blz 79) . Stammen : erch en elth . Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) εἰς (vz van richting : naar) ἔρημον (bijv nw acc mann enk van het bijv nw erèmos : verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) τόπον (afzonderlijk , alleen ; kat' : afkorting van het voorzetsel kata ; idian : bv nw acc vr enk van het bv nw idios : eigenlijk ;) ἐν (voorzetsel van plaats : in) πλοίῳ (dat onz enk van het zn ploion (boot) ; Ned. : vlot (pl- -> vl-) . Grieks : πλοιον = ploion (boot) . Zie het werkw. πλεω = pleô (varen) . De r en l zijn lingualen (tongletters) . pl -> vr : pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat' : afkorting van het voorzetsel kata ; idian : bv nw acc vr enk van het bv nw idios : eigenlijk) .
- ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai (weggaan) .
Mc (5) : (1) Mc 1,20 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 11,4 . (5) Mc 12,12 .
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai (weggaan) .
Mc (9) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 1,42 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 5,24 . (5) Mc 6,46 . (6) Mc 7,24 . (7) Mc 8,13 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 14,10 .
De apostelen verzamelen zich bij Jezus nadat Johannes de Doper door Herodes werd onthoofd (Mc 6,32) . Marcus vermeldt niet dat de apostelen hiervan melding maakten aan Jezus . Wel stelt Jezus voor dat zij naar een eenzame plaats zouden gaan om wat uit te rusten . Hij gaat echter mee . Maar zij kunnen zelfs niet meer op een eenzame plaats komen omdat de menigte er toestroomt en zelfs voor hen er is .
Het weggaan heeft te maken met de dreiging van Herodes . Jezus zoekt veiligheid op . Dat is het meer , de boot , een eenzame plaats . Maar dat alles biedt geen veiligheid meer want de menigten zien hen varen en zien waarheen zij gaan en zijn hen zelfs voor . Daaruit blijkt dat hun veiligheid niet gegarandeerd is .
Bij de tweede keer dwingt Jezus zijn apostelen om per boot weg te gaan . Hij zelf gaat weg naar het gebergte om te bidden . Hij gaat slechts omtrent de vierde nachtwake naar hen toe .
Na de discussie met de Farizeeën en de schriftgeleerden gaat Jezus weg naar het gebied van Tyrus en wil hij in een huis anoniem verblijven . Maar dat lukt niet , want een vrouw komt naar hem om hem te vragen haar dochtertje te genezen .
Jezus kan nergens meer komen zonder dat mensen het weten .
Tussen Mc 6,32 (apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg : Mc 6,46) en Mc 7,24 is er een verband van weggaan om zich in veiligheid te brengen .
- Mc 6,32 (apèlthon en tô(i) ploiô(i) eis erèmon topon kat'idian = zij gingen weg per boot naar een eenzame plaats op zich ; apèlthen eis to oros = hij ging weg naar het gebergte : Mc 6,46) .
- Mc 7,24 : apèlthen eis ta horia Turou = hij ging weg naar het gebied van Tyrus .
Het weggaan gebeurt in de boot (Mc 6,32) of naar een huis (Mc 7,24) . Marcus gebruikt voor het uitstappen uit de boot (Mc 6,34) of het huis uitgaan (Mc 7,31) het part. aor. exelthôn (uitgegaan) . In Mc 7,31 wordt dat nog versterkt door palin (opnieuw) .
Zo ontdekken we een relatie tussen :
- Mc 6,32 : apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg : Mc 6,46) / exelthôn (uitgegaan) : het uitstappen uit de boot (Mc 6,34) .
- Mc 7,24 : apèlthen =hij ging weg / exelthôn (uitgegaan) : het huis uitgaan (Mc 7,31) .
STAP VOOR STAP !

Mc 6,33 καὶ εἶδον αὐτοὺς ὑπάγοντας, καὶ ἐπέγνωσαν αὐτοὺς πολλοί, καὶ πεζῇ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων συνέδραμον ἐκεῖ καὶ προῆλθον αὐτοὺς καὶ συνῆλθον πρὸς αὐτόν. (En zij zagen hen weggaan en velen herkenden hen en te voet van alle steden liepen ze daar samen en zij gingen hen vóór en zij kwamen samen bij hem.)
- καὶ (nevensch voegw : en) εἶδον (act ind aor 3de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὑπάγοντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw hupagô : weggaan) , καὶ (nevensch voegw : en) ἐπέγνωσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw epigignôskô : herkennen ; voorvoegsel epi + tam gno- of gnô (Ned. : k-n) ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô : act. ind. aor 3de pers mv. egnôsan ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97) .αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam : p/v - l) , καὶ (nevensch voegw : en) πεζῇ (bijw : te voet ; zn pous , podos : voet ; stam : p/v - d/t) ἀπὸ (vz van plaats - verwijdering) πασῶν (bijv nw gen vr mv van het bijv nw pas , pasa , pan : ieder , elk , al) τῶν (bep lidw gen vr mv ; Ned.: de / het) πόλεων (zn gen vr mv van het zn polis : stad ; zie Ned. metropool) συνέδραμον (wkw  voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw trechô = lopen ; zn dromos : wedren , loop ; zie het Ned. tre-den) ἐκεῖ (bep van plaats : daar ; zie Fr. : ici : hier) καὶ (nevensch voegw : en) προῆλθον (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw proerchomai : vóórgaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) καὶ (nevensch voegw : en) συνῆλθον (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw sunerchomai : samengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) πρὸς (voorzetsel van richting : naar) αὐτόν (pers vnw acc mann enk) .

Mc 6,34 Καὶ ἐξελθὼν ὁ Ἰησοῦς εἶδεν πολὺν ὄχλον καὶ ἐσπλαγχνίσθη ἐπ' αὐτοῖς, ὅτι ἦσαν ὡς πρόβατα μὴ ἔχοντα ποιμένα καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς πολλά. (En Jezus buitengegaan zag veel massa en hij werd innerlijk bewogen over hen omdat zij waren als schapên niet hebbende een herder en hij begon hen veel te onderrichten.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) ἐξελθὼν (wkw act. part aor (2de) nom mann enk bij het wkw ex-erchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶδεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) πολὺν (bn acc mann enk , polus = veel ; stam : p/v - l) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) καὶ (nevensch voegw : en) ἐσπλαγχνίσθη (wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw splaghnizô : zich ontfermen , innerlijk bewogen zijn ; zie zn splagchnon : binnenste delen , ingewanden ; stam spl-ch) ἐπ' (voorzetsel epi : op , over) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) , ὅτι (ondergesch voegwoord van reden) ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) ὡς (voorzetsel van vergelijking : zoals) πρόβατα (zn nom onz mv van het zn probaton : schaap) μὴ (partikel van ontkenning) ἔχοντα (act part nom onz mv : hebbende , van het wkw echô : hebben) ποιμένα (zn acc mann enk van het zn poimèn : herder , beschermer ; zie wkw poimainô : herderen , hoeden , beschermen) καὶ (nevensch voegw : en) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) διδάσκειν (wkw act inf praes < di-da-s-kô : leren , Lat docere : leren , onderrichten ; zie Ned.: didactiek) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) πολλά (bn acc onz mv, polus = veel ; stam : p/v - l) .

In Mc 6,14-29 wordt het verhaal van de dood van Johannes de Doper verteld . Daarna zien we twee verschillende bewegingen . Enerzijds de beweging van Jezus met zijn apostelen . Jezus zoekt voor zichzelf en voor hen een veilige plek , want met de dood van Johannes voelt Jezus zich nog meer bedreigd . Anderzijds is er onrust onder het volk . Ze komen en gaan . En ze zoeken Jezus op en zijn vroeger op de plek waar Jezus naartoe gaat . Jezus is innerlijk bewogen omdat ze zijn als een kudde zonder herder . Immers hun herder Johannes werd gedood . Het volk is op zoek naar een herder en ze verwachten dat van Jezus . Hij gaat hierop in door hen te onderrichten . Jezus zal Johannes opvolgen en het geesterlijk leiderschap van het volk opnemen . Een nieuwe fase in het leven van Jezus .

Mc 6,35-44 : Jezus geeft vijfduizend mensen te eten

Mc 6,35 Καὶ ἤδη ὥρας πολλῆς γενομένης προσελθόντες αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ λέγουσιν ὅτι Ἔρημός ἐστιν ὁ τόπος καὶ ἤδη ὥρα πολλή· (En toen reeds het uur gevorderd was , kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden dat woest de plaats is en het uur reeds gevorderd.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) ἤδη (bijw : reeds , al) ὥρας (zn gen vr enk van het zn hôra : uur ; zie Lat.: hora ; Ned.: uur) πολλῆς (bn gen vr enk , polus = veel ; stam : p/v - l) γενομένης (med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge- ; losse genitief) προσελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw pros-erchomai = gaan naar ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk ; meewerk vnw) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) μαθηταὶ (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) λέγουσιν (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) ὅτι (nevensch voegw om de accusatiefzin in te leiden) Ἔρημός (bijv nw nom mann enk van het bijv nw erèmos : verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) τόπος (zn nom mann enk van het zn topos : plaats , streek ; zie Ned. topografie) καὶ (nevensch voegw : en) ἤδη (bijw : reeds , al) ὥρα (zn nom vr enk van het zn hôra : uur ; zie Lat.: hora ; Ned.: uur) πολλή (bn nom vr enk , polus = veel ; stam : p/v - l) ·

Mc 6,36 ἀπόλυσον αὐτούς, ἵνα ἀπελθόντες εἰς τοὺς κύκλῳ ἀγροὺς καὶ κώμας ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς ἄρτους· τί γὰρ φάγωσιν οὐκ ἔχουσιν. (Laat hen vrij opdat zij zouden weggaan naar de akkers / boerderijen en dorpen in het rond en voor zichzelf broden zouden kopen ; want wat zouden zij eten ? zij hebben niet(s) .
- ἀπόλυσον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apoluô : loslaten , vrijlaten ; zie Lat.: luere : goedmaken , betalen ; Ned.: verliezen) αὐτούς (pers vnw 3de pers mann mv) , ἵνα (ondergesch voegw van doel : opdat) ἀπελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw ap-erchomai = weggaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) εἰς (vz van richting : naar) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) κύκλῳ (zn dat mann enk van het zn kuklos : kring , kringloop ; zie Ned.: cyclus ; stam : k/c - k/c - l) ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker ; stam : g/k - r) καὶ (nevensch voegw : en) κώμας (zn acc vr mv van het zn kômè : dorp) ἀγοράσωσιν (wkw conjunct aor 3de pers mv van het wkw agorazô : kopen ; zie agora : marktplaats , markt) ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) · τί (vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw tis , ti : wie / wat) γὰρ (nevensch voegw van reden) φάγωσιν (act. conjunct aor 3de pers mv bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) οὐκ (partikel van ontkenning) ἔχουσιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw echô : hebben) .

Mc 6,37 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς· Δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. καὶ λέγουσιν αὐτῷ· Ἀπελθόντες ἀγοράσωμεν δηναρίων διακοσίων ἄρτους καὶ δῶμεν αὐτοῖς φαγεῖν; (Hij echter antwoordend zei hen : geven jullie hen te eten . En ze zeggen hem : moeten we weggaan en voor 200 denariën brood kopen en hen te eten geven ?)
- ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-krin-o-mai : antwoorden) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Δότε (act imperat aor 2de pers mv van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ὑμεῖς (pers vnw nom mann mv) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) . καὶ (nevensch voegw : en) λέγουσιν (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk ; meewerk vnw) · Ἀπελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw ap-erchomai = weggaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) ἀγοράσωμεν (wkw conjunct aor 1ste pers mv van het wkw agorazô : kopen ; zie agora : marktplaats , markt) δηναρίων (zn gen onz mv van het zn dènarion : denarie : Romeinse munt) διακοσίων (hoofdtelwoord : tweehonderd) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) δῶμεν (act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) ;

Mc 6,38 ὁ δὲ λέγει αὐτοῖς· Πόσους ἄρτους ἔχετε; ὑπάγετε καὶ ἴδετε. καὶ γνόντες λέγουσι· Πέντε, καὶ δύο ἰχθύας. (Maar hij zegt hen : hoeveel broden hebben jullie ? gaat en ziet . En toen zij het wisten zeggen zij : vijf en twee vissen)
- ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) λέγει (act ind praes 3de pers enk : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg , - aor ep) ) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Πόσους (onbep vrag vnw acc mann mv van prosoi : hoeveel) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) ἔχετε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw echô : hebben) ; ὑπάγετε (wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw hupagô : weggaan) καὶ (nevensch voegw : en) ἴδετε (wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; stam van de aor id) . καὶ (nevensch voegw : en) γνόντες (wkw act part aor (2de) nom mann mv van het wkw gignôskô: weten; stam gn-) λέγουσι (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) · Πέντε (hoofdtelw : vijf) , καὶ (nevensch voegw : en) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen)

Mc 6,39 καὶ ἐπέταξεν αὐτοῖς ἀνακλῖναι πάντας συμπόσια συμπόσια ἐπὶ τῷ χλωρῷ χόρτῳ. (En hij beval hen allen 'in groepen' aan te liggen op het groene gras) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ἐπέταξεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitassô : opdragen , bevelen ; stam epi-tasJ) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ἀνακλῖναι (wkw act inf aor van het wkw anaklinô : buigen , leunen , aanliggen) πάντας (acc mann mv van het bv nw pas : al, ieder) συμπόσια (zn acc onz mv van het zn sumposion : feestmaaltijd - 'tafel') συμπόσια (zn acc onz mv van het zn sumposion : feestmaaltijd - 'tafel') ἐπὶ (voorzetsel : op) τῷ (bep lidw dat mann enk ; Ned.: de / het) χλωρῷ (bijv nw dat mann enk van het bijv nw chlôros : gleel-groen) χόρτῳ (zn dat mann enk van het zn chôrtos : omheinde plaats , hof , weide , gras , gewas ; zie Lat.: hortus) .

Mc 6,40 καὶ ἀνέπεσον πρασιαὶ πρασιαὶ ἀνὰ ἑκατὸν καὶ ἀνὰ πεντήκοντα. (En in groepen 'van' honderd en vijftig lagen zij aan.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέπεσον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw anaklinô : buigen , leunen , aanliggen) πρασιαὶ (zn nom vr mv van het zn prasia : tuinbed , groep) πρασιαὶ (zn nom vr mv van het zn prasia : tuinbed , groep) ἀνὰ (voorzetsel : volgens , overeenkomstig) ἑκατὸν (hoofdtelw : honderd , zie Lat. centum) καὶ (nevensch voegw : en) ἀνὰ (voorzetsel : volgens , overeenkomstig) πεντήκοντα (hoofdtelw : vijftig) .

Mc 6,41 καὶ λαβὼν τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησε, καὶ κατέκλασε τοὺς ἄρτους καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς ἵνα παραθῶσιν αὐτοῖς, καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἐμέρισε πᾶσι. (en genomen de vijf broden en de twee vissen , omhooggekeken naar de hemel zegende hij , en hij brak de broden en hij gaf ze aan de leerlingen opdat ze aan hen zouden voorzetten en hij verdeelde de twee vissen aan allen.)
- καὶ (nevensch voegw : en) λαβὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw la-m-ba-n-ô : nemen) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πέντε (hoofdtelw : vijf) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen) ἀναβλέψας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ana-blepô : naar boven kijken ; Ned.: blik ?) εἰς (vz van richting : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk ; stam d of h) οὐρανὸν (zn acc mann enk van het zn ouranos : hemel) εὐλόγησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eu-log-eô : goede woorden zeggen , zegenen ; zie Lat.: bene-dicere), καὶ (nevensch voegw : en) κατέκλασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw para-kla-ô : breken ; zie E.: clash : breuk) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) ἐδίδου (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw di-dô-mi : geven ; zie Lat.: dare , donum : gave , gift) τοῖς (bep lidw dat mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) μαθηταῖς (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) ἵνα (voegwoord van doel : opdat) παραθῶσιν (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw para-ti-thè-mi : voorzetten ; stam thè) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) , καὶ (nevensch voegw : en) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen) ἐμέρισε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw merizô : delen , verdelen) πᾶσι (bijv nw zelfstandig gebruikt dat mann mv van het bijv nw pas : ieder , al)

Mc 6,42 καὶ ἔφαγον πάντες καὶ ἐχορτάσθησαν, (En allen aten en zij werden verzadigd.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἔφαγον (act. ind aor 3de pers mv (2de) van het wkw φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) πάντες (bijv nw zelfstandig gebruikt nom mann mv van het bijv nw pas : ieder , al) καὶ (nevensch voegw : en) ἐχορτάσθησαν (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw chortazô : voederen , verzadigen ; zie Gr.: chortos : gras , weide) .

Mc 6,43 καὶ ἦραν κλασμάτων δώδεκα κοφίνους πλήρεις, καὶ ἀπὸ τῶν ἰχθύων. (En zij namen twaalf korven vol met brokken en van de vissen.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἦραν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw airô , èra : wegnemen ; stam : ar) κλασμάτων (zn gen onz mv van het zn kla-s-ma : brok , zie het wkw kla-ô : breken) δώδεκα (hoofdtelw : twaalf : twee en tien) κοφίνους (zn acc mann mv van het zn kofinos : korf , mand) πλήρεις (bijv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bijv nw plèrès : vol , zie Van der Vorst , nr 67 : alèthès) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀπὸ (voorzetsel : afkomstig van) τῶν (bep lidw gen mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) ἰχθύων (zn gen mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen).

Mc 6,44 καὶ ἦσαν οἱ φαγόντες τοὺς ἄρτους πεντακισχίλιοι ἄνδρες. (En de broden etende waren vijfduizend) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) φαγόντες (act. part aor (2de) nom mann mv : etende , bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) πεντακισχίλιοι (hoofdtelw vijfduizend) ἄνδρες (zn nom mann mv van het zn anèr : man) .

Zie de gradatie 5 - 50 - 5000 .

Jezus neemt het leiderschap op zich . Hij voedt het volk zoals Mozes in de woestijn , zoals de profeet Elisja .

-----------------------------------------------------

Mc 6, 45-56 : tegenwind op het meer

- Er zijn 2 verhalen die vertellen over het gevaarlijk oversteken van het meer : de stormstilling (Mc 4,35-41) en het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) . In het verhaal van de stormstilling steken Jezus en de leerlingen het meer over om naar een voor hen 'onbekend' , maar gevaarlijk gebied te gaan . In het verhaal over het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen voordat hij de menigte heeft ontbonden . Voordien had Jezus met zijn leerlingen de boot genomen om een eenzame plek op te zoeken , maar de menigte was hen te slim af . Nu wil Jezus de menigte te slim af zijn . Hij stuurt zijn leerlingen al op het meer . Nadien ontbindt hij het volk . De menigte weet niet waarheen de leerlingen en waarheen Jezus gaat . Het was de bedoeling om op een eenzame plaats wat tot rust en bezinning te komen . Nu zal Jezus de bergen intrekken . De situatie toen zij instapten en nadat de menigte bij hun aankomst met de boot op Jezus beroep deed , is gewijzigd . Omdat de menigte als schapen zonder herder is (wegens de dood van Johannes de Doper) nam Jezus met het broodverhaal het leiderschap (herderschap) op zich . Hij is nu de nieuwe leider . Daarover wil Jezus zich bezinnen . Hij weet wat er met Johannes de Doper is gebeurd . Door het leiderschap op zich te nemen beseft hij wat hem kan overkomen . Tijdens de boottocht op zee ervaren zijn leerlingen wat het betekent geen leiderschap te hebben . Jezus zal naar hen toegaan , hen willen voorbijgaan om het leiderschap over hen op te nemen . Wanneer hij in de boot stapt , wordt het rustig , zoals een kudde schapen rustig wordt wanneer de herder bij hen is .
- Jezus moet zijn leerlingen dwingen om in te stappen in de boot . Immers ze zijn weggegaan om uit de gevarenzone van Herodes te gaan . Het teruggaan betekent een terugkeren naar de gevarenzone . De leerlingen beseffen wellicht wat hen kan overkomen . Jona kreeg het gebod om naar Nineve te gaan en de Ninevieten tot bekering op te roepen . Jona weigert dat , neemt de boot en gaat de andere richting uit . Een storm zal zijn plan onthullen . Het instappen in de boot loopt het risico om in een storm terecht te komen . Dat hebben de leerlingen al eens ervaren (Mc 4,45-52) .
- Gn 32 vertelt het verhaal van Jakob die worstelt om zijn broer Esau te ontmoeten . Ze zijn van elkaar verwijderd door de Jabbokrivier . Eerst brengt hij vrouwen en kinderen over . Tijdens de nacht blijft hij nog aan de ene oever van de rivier en worstelt er met een onbekende tot het aanbreken van de dageraad .

Mc 6,45 Καὶ εὐθέως ἠνάγκασε τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ἐμβῆναι εἰς τὸ πλοῖον καὶ προάγειν εἰς τὸ πέραν πρὸς Βηθσαϊδάν, ἕως αὐτὸς ἀπολύσῃ τὸν ὄχλον· (en onmiddellijk dwong hij zijn leerlingen om in de boot te stappen en voor te gaan naar de overkant naar Betsaïda totdat hij zelf de menigte zou ontbinden.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) εὐθέως (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ἠνάγκασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anagkazô : verplichten , dwingen; zie anagkè : noodzaak , dwang ; wkw eindigend op -azô : tot noodzaak maken (causatief) ; stam ank , zie Ned.: eng , Lat.: angere : toeknijpen , wurgen) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) μαθητὰς (zn acc. mann. mv. van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; zie Baeyens nr 133 : praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) ἐμβῆναι ( wkw act inf aor : om in te stappen , van het wkw εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) , Baeyens nr 133 b) : wkw stam ba- met nasaalversterking in praesensstam nJ ; Baeyens nr.11, 10 : "Vóór een labiaal wordt n tot m : en-bainô -> em-bainô) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) καὶ (nevensch voegw : en) προάγειν (wkw act inf praes : om voor te gaan , van het wkw pro-agô : voor-gaan . Het is de enigste maal dat de leerlingen voorafgaan (met het wkw προαγω = proagô (voorgaan) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πέραν (zn acc onz enk . Het zn עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) is afgeleid van het wkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Het zn עֶרֶב = `èrèbh (avond) heeft dezelfde letters als עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) maar de 2 laatste letters staan in een andere volgorde . De avond bevat de idee van overgang tussen de dag en de nacht) πρὸς (voorzetsel van richting : naar) Βηθσαϊδάν (acc. vr. enk. βηθσαιδαν = bèthsaïdan (Betsaïda) van het zn. βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 6,45 . (2) Mc 8,22) Hebr.: beth tsaïdah : huis van de visvangst), ἕως (voegw van tijd) αὐτὸς (pers vnw 3de pers nom mann enk : hij met klemtoon) ἀπολύσῃ (wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apo-luô : losmaken, ont-binden; Lat.: luere : goedmaken, betalen ; Ned.: ver-lie-zen') τὸν (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) ·

Mc 6,46 καὶ ἀποταξάμενος αὐτοῖς ἀπῆλθεν εἰς τὸ ὄρος προσεύξασθαι. (En hen afgelast ging hij weg naar de berg om te bidden)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀποταξάμενος (wkw pass. part aor nom mann enk : afgelast geworden , van het wkw. αποτασσω = apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen ; stam tagJ -> tassô of tattô , zie Baeyens nr. 95) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ἀπῆλθεν (wkw act ind aor 3de pers enk : hij ging weg , van het wkw erchomai = langsgaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen ; zie Bayens nr. 136 : wkw met verschillende stammen) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ὄρος (zn acc onz enk van het zn oros : berg) προσεύξασθαι (wkw med inf aor van het wkw pros-euchomai : plechtig verkondigen , beloven , zie Lat.: vovere : be-lov-en ; euchè : gebed , wens , gelofte) .
- Jezus bidt op beslissende momenten van zijn leven . Wanneer hij zijn horizon buiten Kafarnaüm verruimt . In de hof van Olijven . Beslissende momenten gebeuren in gebergte , in de woestijn , op een eenzame plaats . Daar wordt geworsteld met kwade geesten en zijn goede geesten bron van inspiratie . Het is een innerlijke strijd tussen goed en kwaad in de mens . De woestijn en de zee zijn verblijfplaatsen van kwade geesten , satans , duivels . Lopen over het water betekent de kwade machten beteugelen , ze de baas zijn . Op zee is er storm , golven water , wind . Beuken tegen de boot , overspoeld worden , tegen wind in varen . Soms is er geen sprake van bidden maar is er de ruimte van worsteling .

Mc 6,47 καὶ ὀψίας γενομένης ἦν τὸ πλοῖον ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης, καὶ αὐτὸς μόνος ἐπὶ τῆς γῆς. (en toen het avond was geworden , was de boot in het midden van de zee en hij zelf was alleen 'aan land'.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ὀψίας (zn gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zn οψια = opsia : avond . Bij Marcus komt het in 6 verhalen voor : (1) de avond na de sabbat in Kafarnaüm (Mc 1,32) . (2) bij de storm (Mc 4,35) . (3) bij het wandelen op het meer (Mc 6,47) . (4) de avond na de intrede in Jerusalem (Mc 11,11) . (5) het laatste avondmaal (Mc 14,17) . (6) de begrafenis van Jezus (Mc 15,42) γενομένης (wkw med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge- ; losse genitief ; Baeyens , 130 , p.97 . Onregelmatige werkw. . Het praes. kreeg reduplicatie gn-/ gen -> gi-gnomai . Aor. egenomèn) ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij was , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) τὸ (bep lidw nom mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn nom onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) ἐν (vz van plaats : in) μέσῳ (bijvoegl nw dat. mann. enk. μεσῳ = mesôi (in het midden van) van het bijvoegl nw μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (zn gn vr enk van het zn thalassa = zee) καὶ (nevensch voegw : en) αὐτὸς (pers vnw 3de pers nom mann enk : hij met klemtoon) μόνος (bijv nw nom mann enk : alleen; zie b.v. mono-loog) ἐπὶ (vz van plaats ; op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) γῆς (zn gen vr enk van het zn gè : aarde) .

Mc 6,48 καὶ ἰδὼν αὐτοὺς βασανιζομένους ἐν τῷ ἐλαύνειν· ἦν γὰρ ὁ ἄνεμος ἐναντίος αὐτοῖς· καὶ περὶ τετάρτην φυλακὴν τῆς νυκτὸς ἔρχεται πρὸς αὐτοὺς περιπατῶν ἐπὶ τῆς θαλάσσης, καὶ ἤθελε παρελθεῖν αὐτούς. (en hen ziende 'worstelende' tijdens het varen - want 'zij hadden tegenwind - en rond de vierde nachtwake komt hij naar hen rond'peddelend' / wandelend op het water en hij wilde hen voorbijgaan.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) βασανιζομένους (wkw pass part praes acc mann mv van het wkw basanizô : folteren ; wkw op -izô : causatief : doen...) ἐν (voorzetsel : in , tijdens) τῷ (bep lidw dat mann enk ; Ned.: de / het) ἐλαύνειν (wkw act inf praes van het wkw elaunô : in beweging brengen , voortdrijven , varen , roeien) · ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij was , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) γὰρ (nevensch voegw van reden) (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἄνεμος (nom mann enk ανεμος = anemos (wind) ἐναντίος (nom mann enk εναντιος = enantios (tegengesteld) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · καὶ (nevensch voegw : en) περὶ (vz : àver) τετάρτην (rangtelw acc vr enk van tetartos : vierde , Fr.: quatre . In Ex 14,24 kijkt JHWH bij het ochtendgloren (bij de wacht van de morgen) naar de legermacht van de Egyptenaren en brengt het in verwarring . Er komen alsmaar meer gelijkenissen tussen Ex 14 - 15 en Mc 6,45-52 dat we in het 2de verhaal van het dubbelverhaal niet alleen een midrasj van het verhaal van Jona , maar ook van het verhaal van de uittocht uit Egypte hebben) φυλακὴν (zn acc vr enk van het zn fulakè : wacht) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) νυκτὸς (zn gen vr enk van het zn nuks : nacht . Ned. : nacht . D. : Nacht . E. : night . Fr. : nuit . Gr. : νυξ , νυκτος = nux (nacht) . Lat. : nox , noctis . Het Griekse nuks < ne ok(w)t . Got. : nahts . Sanskr. : nak . Oudeng. : neaht , niht . (u - o - i - a) . Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin , de moeder van de zonnegod Re , die zij dagelijks ter wereld brengt) ἔρχεται (wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw erchomai: gaan ; zie de sterke gelijkenis met archetai : hij begon , van het wkw archomai : beginnen) πρὸς (voorzetsel van plaats) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) περιπατῶν (wkw act part praes nom mann enk van het wkw peri-pateô : rondwandelen ; zie Ned.: pad, weg) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (gn vr enk van het zn thalassa = zee) , καὶ (nevensch voegw : en) ἤθελε (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij wilde , van het wkw thelô : willen ; een verlengd augment in het imperf ; Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will) παρελθεῖν (wkw act. inf aor (2de) van het wkw par-erchomai = langsgaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen : Baeyens nr. 136) αὐτούς. (pers vnw 3de pers mann mv)

Mc 6,49 οἱ δὲ ἰδόντες αὐτὸν περιπατοῦντα ἐπὶ τῆς θαλάσσης ἔδοξαν φάντασμα εἶναι, καὶ ἀνέκραξαν· (Zij echter ziende ham wandelend op de zee , meenden dat het een spook was en zij krijsten het uit)
- οἱ (bep lidw nom mann mv ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) ἰδόντες   (wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien ; stam aor id ; zie Baeyens nr.136 ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (pers vnw acc mann enk) περιπατοῦντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw peri-pateô : rondwandelen , peddelen ; zie Ned.: pad, weg) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (gn vr enk van het zn thalassa = zee) ἔδοξαν (wkw act. ind. aor. 3de pers. mv. εδοξαν = edoksan (zij meenden) van het werkw. δοκεω = dokeô (menen, schijnen) φάντασμα (nom onz enk : fantasma , verschijning ; wkw eindigend op -ma : resultaat van een handeling ; stam : fan- , zie wkw fainô : schijnen) εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn ; stam : es-) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέκραξαν (wkw act. ind. aor. 3de pers. mv. ανεκραξαν = anekraxan (zij schreeuwden het uit) van het wkw. ανακραζω = anakrazô : uitschreeuwen, oproepen ; Enkele werkw. op -ζω = -dzô hebben een werkwoordstam op een gutturaal o.a. ανακραζω = anakradzô (uitschreeuwen) , stam : κραγ- = krag- . Ned.: kraai , krijsen?) ·

Mc 6,50 πάντες γὰρ αὐτὸν εἶδον καὶ ἐταράχθησαν· καὶ εὐθέως ἐλάλησε μετ' αὐτῶν καὶ λέγει αὐτοῖς· Θαρσεῖτε, ἐγώ εἰμι, μὴ φοβεῖσθε. Want allen zagen hem en werden verward en onmiddellijk sprak hij met hen en hij zegt hen : Houdt moed , ik ben het , vreest niet .)
- πάντες (bijv nw nom. mann. + vr. mv. παντες = pantes (allen) van het bijv nw πας = pas : ieder, elk, alles) γὰρ (nevensch voegw van reden : want) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) εἶδον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô : zien ; stam id ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) καὶ (nevensch voegw : en) ἐταράχθησαν (wkw pass. ind. aor. 3de pers. mv. εταραχθησαν = etarachthèsan (zij werden in verwarring gebracht) van het wkw. ταρασσω = tarassô : in verwarring brengen, verwarren)· καὶ (nevensch voegw : en) εὐθέως (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ἐλάλησε (wkw act ind aor 3de pers enk ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het wkw λαλεω = laleô : lallen, spreken, praten) μετ' (voorzetsel μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (pers vnw 3de pers gen mann mv) καὶ (nevensch voegw : en) λέγει (act ind praes 3de pers enk : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Θαρσεῖτε (wkw act imperat praes 2de pers mv. θαρσειτε = tharseite van het wkw θαρσεω = tharseô : vol goede moed zijn, moed hebben) , ἐγώ (pers vnw 1ste pers mann enk : ik) εἰμι (wkw act ind praes 1ste pers enk : ik ben ; stam : es-) , μὴ (partikel van ontkenning) φοβεῖσθε ((med imperat praes 2de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) .

Mc 6,51 καὶ ἀνέβη εἰς τὸ πλοῖον πρὸς αὐτοὺς, καὶ ἐκόπασεν ὁ ἄνεμος· καὶ λίαν ἐκ περισσοῦ ἐν ἑαυτοῖς ἐξίσταντο καὶ ἐθαύμαζον. (en hij klom in de boot bij hen en de wind ging liggen en zij waren zeer bovenmatig buiten zichzelf en zij verwonderden zich .)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέβη (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) πρὸς (voorzetsel van richting) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) , καὶ (nevensch voegw : en) ἐκόπασεν (wkw act ind aor 3de pers enk εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) van het werkw. κοπαζω = kopazô : moe worden, gaan liggen) (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἄνεμος (zn nom. mann. enk. ανεμος = anemos : wind , zie Lat.: anima)· καὶ (nevensch voegw : en) λίαν (bijw : zeer) ἐκ (voorzetsel van plaats : εκ = ek of εξ = ex : uit) περισσοῦ (bijvoegl nw gen onz enk van het bijvoegl nw περισσος = perissos : overmatig, bovenmatig groot) ἐν (voorzetsel van plaats : in) ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἐξίσταντο (wkw med ind. imperf. 3de pers. meerv. εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) van het wkw. εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken) καὶ (nevensch voegw : en) ἐθαύμαζον (wkw (act ind imperf 3de pers mv van het wkw thaumazô : zich verwonderen) .

Mc 6,52 οὐ γὰρ συνῆκαν ἐπὶ τοῖς ἄρτοις, ἀλλ' ἦν αὐτῶν ἡ καρδία πεπωρωμένη. (want zij vatten niet over de broden, 'want' hun hart was verhard .)
- οὐ (partikel van ontkenning : niet) γὰρ (nevensch voegw van reden) συνῆκαν (act ind 2de aor 3de pers mv van het wkw sun-ièmi : verstaan, begrijpen) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τοῖς (bep lidw dat mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἄρτοις (zn dat mann mv van het zn artos : brood) , ἀλλ' (afkorting van alla : maar) ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij was , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) αὐτῶν (pers vnw 3de pers gen mann mv) ἡ (bep lidw nom vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) καρδία (zn nom vr enk. ; Ned.: hart ; Lat.: cor , cordis ; πεπωρωμένη (pass part perf nom vr enk van het wkw pôroô (verharden , zie Ned.: poreus) .

Mc 6,53 Καὶ διαπεράσαντες ἀπῆλθον ἐπὶ τὴν γῆν Γεννησαρὲτ καὶ προσωρμίσθησαν. (En overgestoken gingen zij naar het land Gennesaret en zij gingen aan wal.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) διαπεράσαντες (wkw part aor nom mann mv van het wkw diaperaô : oversteken; peran: oever) ἀπῆλθον (wkw act ind aor 3de pers mv. ; afkorting van apo + stam el (met verlenging van het augment -> èl : Baeyens , nr 70,2 blz 53) + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf. , Baeyens nr 107 blz 79) . Stammen : erch en elth . Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τὴν (bep lidw acc vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) γῆν (zn acc vr enk van het zn gè : aarde ; zie bv geologie) Γεννησαρὲτ (zn eigennaam Genesaret ; in het woord G n n s r t zit het woord Nazareth) καὶ (nevensch voegw : en) προσωρμίσθησαν (wkw pass ind aor 3de pers mv prosôrmisthèsan (zij kwamen aan wal) van het wkw. prosormizô (aan wal komen) .

Mc 6,54 καὶ ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ τοῦ πλοίου εὐθέως ἐπιγνόντες αὐτὸν (en nadat zij uit de boot waren gekomen , herkende hem dadelijk)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἐξελθόντων (wkw act. part aor (2de) gen mann mv bij het wkw ex-erchomai = uitgaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) αὐτῶν (pers vnw 3de pers gen mann mv) ἐκ τοῦ (bep lidw gen mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) πλοίου (zn gn onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) εὐθέως (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ἐπιγνόντες (wkw act part aor (2de) nom mann mv van het wkw epi-gignôskô : her-kennen , weten; stam gn-) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk)

Mc 6,55 περιέδραμον ὅλην τὴν περίχωρον ἐκείνην καὶ ἤρξαντο ἐπὶ τοῖς κραβάττοις τοὺς κακῶς ἔχοντας περιφέρειν ὅπου ἤκουον ὅτι ἐκεῖ ἐστι· (en zij liepen rond rond heel die omstreek en zij begonnen op de bedden rond te dragen hen die er slecht aan toe waren waar zij hoorden dat hij is.)
- περιέδραμον (wkw  act ind aor 3de pers mv bij het wkw trechô = lopen ; zn dromos : wedren , loop ; zie het Ned. tre-den) ὅλην (bijvoegl nw acc vr enk van het bijvoegl nw holos : heel) τὴν (bep lidw acc vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) περίχωρον (zn acc vr enk : om-streek) ἐκείνην (aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw ekeinos : die) καὶ (nevensch voegw : en) ἤρξαντο (wkw med ind aor 3de pers mv : èrksanto (zij begonnen) . Bij wkw die met een klinker beginnen , wordt het temporaal augment verlengd : a -> è , e -> è (Baeyens nr 70,2 blz 53) ; èrch+ s + anto . Gutturaalstam . Elke gutturaal met s wordt ks (Baeyens 95,1 blz 73) . De aor. van archomai (beginnen) en erchomai (gaan, komen) zou dezelfde aor.vorm hebben : èrksanto . Voor erchomai wordt echter een wkw met een andere stam gebruikt : èlthon (een 2de aor.; uitgang van het imperf 3de pers mv , zie Baeyens 109 blz 79) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τοῖς (bep lidw dat onz mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) κραβάττοις (zn dat onz mv van het zn krabbaton : bed) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) κακῶς (bijw , afgeleid van het bijvoegl nw kakos : slecht) ἔχοντας (wkw act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) περιφέρειν (wkw act inf praes van het wkw peri-ferô : rond-dragen) ὅπου (bijw van plaats : waar) ἤκουον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw akouô : horen , luisteren) ὅτι (ondergeschikt voegw om een accusatiefzin in te leiden) ἐκεῖ (bijw van plaats : daar ; Fr.: ici ; Ned.: hie-r) ἐστι (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ·

Mc 6,56 καὶ ὅπου ἂν εἰσεπορεύετο εἰς κώμας ἢ πόλεις ἢ ἀγροὺς, ἐν ταῖς ἀγοραῖς ἐτίθεσαν τοὺς ἀσθενοῦντας καὶ παρεκάλουν αὐτὸν ἵνα κἂν τοῦ κρασπέδου τοῦ ἱματίου αὐτοῦ ἅψωνται· καὶ ὅσοι ἂν ἥπτοντο αὐτοῦ, ἐσῴζοντο (en waar hij ook zich op weg begeeft naar dorpen of steden of akkers , op de bedden legden zij de verzwakten en zij smeekten hem opdat zij de zoom van zijn kleed zouden aanraken en zovelen hem anraakten , werden genezen) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ὅπου (bijw van plaats : waar) ἂν (partikel van eventualiteit) εἰσεπορεύετο (wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw eisporeuomai (zich op weg begeven naar) ; voorzetsel eis = naar + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zn poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen) εἰς (vz van richting : naar) κώμας (zn acc vr mv van het zn kômè : dorp) (partikel van vergelijking : of) πόλεις (zn acc vr mv van het zn polis : stad) (partikel van vergelijking : of) ἀγροὺς, (zn acc mann mv van het zn agros : akker ; stam : g/k - r) ἐν (voorzetsel van plaats : in) ταῖς (bep lidw dat vr mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἀγοραῖς (zn dat vr mv van het zn agora : vergadering , bijeenkomst) ἐτίθεσαν (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw epitithèmi : opleggen , zie Baeyens nr 112 ; stam: thè) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἀσθενοῦντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw asthenoô : verzwakken) καὶ (nevensch voegw : en) παρεκάλουν (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken, Ned. : kallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) κἂν (samentrekking van kai en an : ook maar) τοῦ (bep lidw gen onz enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) κρασπέδου (zn gen onz enk van het zn kraspedon : rand , zoom , franje) τοῦ (bep lidw gen mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἱματίου (zn gen onz enk van het zn himation ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) ἅψωνται (wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw haptomai : raken , aanraken)· καὶ (nevensch voegw : en) ὅσοι (bepaald betrekkelijk vnw van het vnw hosos : zo veel als) ἂν (partikel om de mogelijkheid uit te drukken) ἥπτοντο (wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw haptomai : raken , aanraken) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) , ἐσῴζοντο (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw sôdzô : redden ; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het wkw jâsj`a en sôdzô: redden; stam sj) .

Marcus 7

Mc 7,1 Καὶ συνάγονται πρὸς αὐτὸν οἱ Φαρισαῖοι καί τινες τῶν γραμματέων ἐλθόντες ἀπὸ Ἱεροσολύμων
1 Καὶ συνάγονται (wkw med / pass ind praes 3de pers mv ; voorvoegsel sun- : samen , stam s-m/n + stam ag- + themavocaak o (zie Baeyens 75,2 : "De themavocaal is o vóór m en n) + ntai : uitgang 3de pers mv : zij drijven samen , zij 'stromen' samen ; hetzelfde aantal lettergrepen als het woord sunagôgè : bijeenkomst) πρὸς αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οἱ Φαρισαῖοι καί τινες τῶν γραμματέων ἐλθόντες (med part aor nom mann mv van het wkw erchomai : gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) ἀπὸ Ἱεροσολύμων

Mc 7,2 καὶ ἰδόντες τινὰς τῶν μαθητῶν αὐτοῦ ὅτι κοιναῖς χερσίν, τοῦτ' ἔστιν ἀνίπτοις, ἐσθίουσιν τοὺς ἄρτους
2καὶ ἰδόντες (wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien ; stam aor id) τινὰς τῶν μαθητῶν αὐτοῦ ὅτι κοιναῖς χερσίν, τοῦτ' ἔστιν ἀνίπτοις, ἐσθίουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) τοὺς ἄρτους

Mc 7,3 οἱ γὰρ Φαρισαῖοι καὶ πάντες οἱ Ἰουδαῖοι ἐὰν μὴ πυγμῇ νίψωνται τὰς χεῖρας οὐκ ἐσθίουσιν, κρατοῦντες τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων,
3 οἱ γὰρ Φαρισαῖοι καὶ πάντες οἱ Ἰουδαῖοι ἐὰν μὴ πυγμῇ νίψωνται (wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw viptô : wassen) τὰς χεῖρας οὐκ ἐσθίουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) , κρατοῦντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw krateô : krachtig zijn , zich meester maken over) τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων

Mc 7,4 καὶ ἀπ' ἀγορᾶς ἐὰν μὴ βαπτίσωνται οὐκ ἐσθίουσιν, καὶ ἄλλα πολλά ἐστιν ἃ παρέλαβον κρατεῖν, βαπτισμοὺς ποτηρίων καὶ ξεστῶν καὶ χαλκίων [καὶ κλινῶν]
4 καὶ ἀπ' ἀγορᾶς ἐὰν μὴ βαπτίσωνται (wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw baptizô : dopen (zie het Hebreeuws tâbal) , doop-s-el , do-m-pe-l- en . D. : taufen . E. : baptize . Fr. : bapt- ê - me . Grieks : βαπτιζω = baptizô (dopen) (metathesis van t-b?) οὐκ ἐσθίουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102), καὶ ἄλλα πολλά ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ἃ παρέλαβον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw paralambanô : overnemen, overleveren ; Lat.: tradere , traditio) κρατεῖν (wkw act inf praes van het wkw krateô : krachtig zijn , zich meester maken over), βαπτισμοὺς ποτηρίων καὶ ξεστῶν καὶ χαλκίων [καὶ κλινῶν]

Mc 7,5 καὶ ἐπερωτῶσιν αὐτὸν οἱ Φαρισαῖοι καὶ οἱ γραμματεῖς, Διὰ τί οὐ περιπατοῦσιν οἱ μαθηταί σου κατὰ τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων, ἀλλὰ κοιναῖς χερσὶν ἐσθίουσιν τὸν ἄρτον;
5 καὶ ἐπερωτῶσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw eperôtaô : vragen ; ondervragen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οἱ Φαρισαῖοι καὶ οἱ γραμματεῖς, Διὰ τί οὐ περιπατοῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw peri-pateô : rond-wandelen , bewandelen) οἱ μαθηταί σου κατὰ τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων, ἀλλὰ κοιναῖς χερσὶν ἐσθίουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) τὸν ἄρτον;

Mc 7,6 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Καλῶς ἐπροφήτευσεν Ἠσαΐας περὶ ὑμῶν τῶν ὑποκριτῶν, ὡς γέγραπται [ὅτι] Οὗτος ὁ λαὸς τοῖς χείλεσίν με τιμᾷ, ἡ δὲ καρδία αὐτῶν πόρρω ἀπέχει ἀπ' ἐμοῦ:
6 ὁ δὲ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς, Καλῶς ἐπροφήτευσεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw profèteuô : profeteren , voor zich uit spreken) Ἠσαΐας περὶ ὑμῶν τῶν ὑποκριτῶν, ὡς γέγραπται (wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw grafô : graveren , griffen , schrijven) [ὅτι] Οὗτος ὁ λαὸς τοῖς χείλεσίν με τιμᾷ (wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw timaô : eren ; zie Lat.: timidus : vreesachtig , verlegen ) ἡ δὲ καρδία αὐτῶν πόρρω ἀπέχει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ap-echô : afhouden , verwijderd houden) ἀπ' ἐμοῦ:

Mc 7,7 μάτην δὲ σέβονταί με, διδάσκοντες διδασκαλίας ἐντάλματα ἀνθρώπων.
7 μάτην δὲ σέβονταί (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw sebomai : vereren) με, διδάσκοντες (act part praes nom mann mv van het wkw didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) διδασκαλίας ἐντάλματα ἀνθρώπων.

Mc 7,8 ἀφέντες τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ κρατεῖτε τὴν παράδοσιν τῶν ἀνθρώπων.
8 ἀφέντες (wkw act part aor nom mann mv van het wkw af -hièmi : in beweging zetten , zenden , af-laten , ver-laten . afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi , zie Baeyens 15,1 blz 8 ) τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ κρατεῖτε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw krateô : krachtig zijn , zich meester maken over) τὴν παράδοσιν τῶν ἀνθρώπων.

Mc 7,9 Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Καλῶς ἀθετεῖτε τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ, ἵνα τὴν παράδοσιν ὑμῶν στήσητε .
9 Καὶ ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers enk van het ww legô: zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς, Καλῶς ἀθετεῖτε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw atheteô : afschaffen , verwerpen) τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ, ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) τὴν παράδοσιν ὑμῶν στήσητε (act conjunct aor 2de pers mv van het wkw histèmi : stellen) .

Mc 7,10 Μωϋσῆς γὰρ εἶπεν, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα σου, καί, Ὁ κακολογῶν πατέρα ἢ μητέρα θανάτῳ τελευτάτω:
10 Μωϋσῆς γὰρ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Τίμα (wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw timaô : eren ; zie Lat.: timidus : vreesachtig , verlegen ) τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα σου, καί, Ὁ κακολογῶν (wkw act part praes nom mann enk van het wkw kakologeô : kwaadzeggen , kwaad spreken) πατέρα ἢ μητέρα θανάτῳ τελευτάτω (wkw act imperat praes 3de pers enk van het wkw teleutaô : eindigen , beëindigen ; telos : einde , doel) :

Mc 7,11ὑμεῖς δὲ λέγετε, Ἐὰν εἴπῃ ἄνθρωπος τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί, Κορβᾶν, ὅ ἐστιν, Δῶρον, ὃ ἐὰν ἐξ ἐμοῦ ὠφεληθῇς,
11ὑμεῖς δὲ λέγετε, Ἐὰν εἴπῃ ἄνθρωπος τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί, Κορβᾶν, ὅ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) , Δῶρον, ὃ ἐὰν ἐξ ἐμοῦ ὠφεληθῇς,

Mc 7,12οὐκέτι ἀφίετε αὐτὸν οὐδὲν ποιῆσαι τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί,
12οὐκέτι ἀφίετε αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οὐδὲν ποιῆσαι τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί,

Mc 7,13ἀκυροῦντες τὸν λόγον τοῦ θεοῦ τῇ παραδόσει ὑμῶν ἧ παρεδώκατε: καὶ παρόμοια τοιαῦτα πολλὰ ποιεῖτε.
13ἀκυροῦντες τὸν λόγον τοῦ θεοῦ τῇ παραδόσει ὑμῶν ἧ παρεδώκατε: καὶ παρόμοια τοιαῦτα πολλὰ ποιεῖτε.

Mc 7,14Καὶ προσκαλεσάμενος πάλιν τὸν ὄχλον ἔλεγεν αὐτοῖς, Ἀκούσατέ μου πάντες καὶ σύνετε.
14Καὶ προσκαλεσάμενος πάλιν τὸν ὄχλον ἔλεγεν αὐτοῖς, Ἀκούσατέ μου πάντες καὶ σύνετε.

Mc 7,15οὐδέν ἐστιν ἔξωθεν τοῦ ἀνθρώπου εἰσπορευόμενον εἰς αὐτὸν ὃ δύναται κοινῶσαι αὐτόν: ἀλλὰ τὰ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενά ἐστιν τὰ κοινοῦντα τὸν ἄνθρωπον.
15οὐδέν ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ἔξωθεν τοῦ ἀνθρώπου εἰσπορευόμενον εἰς αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ὃ δύναται κοινῶσαι αὐτόν: ἀλλὰ τὰ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενά ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) τὰ κοινοῦντα τὸν ἄνθρωπον.

Mc 7,16Καὶ
16Καὶ

Mc 7,17ὅτε εἰσῆλθεν εἰς οἶκον ἀπὸ τοῦ ὄχλου, ἐπηρώτων αὐτὸν οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ τὴν παραβολήν.
17ὅτε εἰσῆλθεν εἰς οἶκον ἀπὸ τοῦ ὄχλου, ἐπηρώτων αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ τὴν παραβολήν.

Mc 7,18καὶ λέγει αὐτοῖς, Οὕτως καὶ ὑμεῖς ἀσύνετοί ἐστε; οὐ νοεῖτε ὅτι πᾶν τὸ ἔξωθεν εἰσπορευόμενον εἰς τὸν ἄνθρωπον οὐ δύναται αὐτὸν κοινῶσαι,
18καὶ λέγει αὐτοῖς, Οὕτως καὶ ὑμεῖς ἀσύνετοί ἐστε; οὐ νοεῖτε ὅτι πᾶν τὸ ἔξωθεν εἰσπορευόμενον εἰς τὸν ἄνθρωπον οὐ δύναται αὐτὸν κοινῶσαι,

Mc 7,19ὅτι οὐκ εἰσπορεύεται αὐτοῦ εἰς τὴν καρδίαν ἀλλ' εἰς τὴν κοιλίαν, καὶ εἰς τὸν ἀφεδρῶνα ἐκπορεύεται; καθαρίζων πάντα τὰ βρώματα.
19ὅτι οὐκ εἰσπορεύεται αὐτοῦ εἰς τὴν καρδίαν ἀλλ' εἰς τὴν κοιλίαν, καὶ εἰς τὸν ἀφεδρῶνα ἐκπορεύεται; καθαρίζων πάντα τὰ βρώματα.

Mc 7,20ἔλεγεν δὲ ὅτι Τὸ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενον ἐκεῖνο κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον:
20ἔλεγεν δὲ ὅτι Τὸ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενον ἐκεῖνο κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον:

Mc 7,21ἔσωθεν γὰρ ἐκ τῆς καρδίας τῶν ἀνθρώπων οἱ διαλογισμοὶ οἱ κακοὶ ἐκπορεύονται, πορνεῖαι, κλοπαί, φόνοι,
21ἔσωθεν γὰρ ἐκ τῆς καρδίας τῶν ἀνθρώπων οἱ διαλογισμοὶ οἱ κακοὶ ἐκπορεύονται, πορνεῖαι, κλοπαί, φόνοι,

Mc 7,22μοιχεῖαι, πλεονεξίαι, πονηρίαι, δόλος, ἀσέλγεια, ὀφθαλμὸς πονηρός, βλασφημία, ὑπερηφανία, ἀφροσύνη:
22μοιχεῖαι, πλεονεξίαι, πονηρίαι, δόλος, ἀσέλγεια, ὀφθαλμὸς πονηρός, βλασφημία, ὑπερηφανία, ἀφροσύνη:

Mc 7,23πάντα ταῦτα τὰ πονηρὰ ἔσωθεν ἐκπορεύεται καὶ κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον.
23πάντα ταῦτα τὰ πονηρὰ ἔσωθεν ἐκπορεύεται καὶ κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον.

Mc 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

Mc 7,24 Ἐκεῖθεν δὲ ἀναστὰς ἀπῆλθεν εἰς τὰ ὅρια Τύρου. καὶ εἰσελθὼν εἰς οἰκίαν οὐδένα ἤθελεν γνῶναι, καὶ οὐκ ἠδυνήθη λαθεῖν: (Vandaar echter stond hij op , ging weg naar het gebied van Tyrus . En hij ging een huis binnen en hij wilde niemand kennen , maar hij kon zich niet verbergen)
24 Ἐκεῖθεν (bep van plaats : van-daar ; -then / van ; ekei : daar , eigenlijk : hier , Fr.: i-c-i , D.: da) δὲ ἀναστὰς (stam : sta ; act part aor nom mann enk : op-ge-staan , van het wkw an-i-stè-mi : op-staan) ἀπῆλθεν (stam : elth ; voorzetsel apo + act ind aor 3de pers enk : hij ging weg , van het wkw ap-erch-omai : weggaan) εἰς τὰ ὅρια (zn acc onz mv van horion : gebied) Τύρου. καὶ εἰσελθὼν (stam : elth ; act part aor nom mann enk : in-ge-gaan , van het wkw eis-erch-omai : binnen-gaan) εἰς οἰκίαν (zn acc vr enk , oikia : huis) οὐδένα (onbep vnw acc mann enk , oud-eis : nie-mand < niet iemand , als lijdend voorwerp bij gnômai) ἤθελεν (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij wilde , van het wkw thelô : willen ; een verlengd augment in het imperf) γνῶναι (stam : gno ; act inf aor van het wkw gi-gnô-sk-ô : kennen) , καὶ οὐκ ἠδυνήθη (pass ind aor 3de pers enk : hij kon , van het wkw dunamai : kunnen) λαθεῖν (stam : lath ; act inf aor van het wkw la-n-th-an-ô : verbergen , zich verbergen) :
- De Farizeeën Komen voor de dag . Samen met de Heridianen hadden zij in Mc 3,6 een complot gesloten om Jezus uit de weg te ruimen . In het voorgaande hoofdstuk Mc 6 was Johannes de Doper door Herodes onthoofd . Het volk was als een kudde zonder herder en Jezus had het geestelijk leiderschap opgenomen . Juist nu pakken de zogenaamde geestelijke leiders van het volk , de Farizeeën , Jezus aan . Het conflict zit hem tussen de letter (wetjes, gebruiken) en de ziel / bezieling , tussen het al te menselijke en het goddelijke . Na dit conflict wijkt Jezus uit naar veiliger gebied in de hoop er anoniem te kunnen leven .

Mc 7,25 ἀλλ' εὐθὺς ἀκούσασα γυνὴ περὶ αὐτοῦ, ἧς εἶχεν τὸ θυγάτριον αὐτῆς πνεῦμα ἀκάθαρτον, ἐλθοῦσα προσέπεσεν πρὸς τοὺς πόδας αὐτοῦ: (maar/want onmiddellijk hoorde een vrouw over hem . Haar dochtertje had een onreine geest . Zij kwam en viel bij zijn voeten)
25 ἀλλ' (afkorting van alla : maar ; misschien in de betekenis van want , nl. er is een verband met het begin van deze zin en de voorgaande : het is de reden waarom Jezus zich niet verborgen kon houden) εὐθὺς (bw onmiddellijk) ἀκούσασα (act part aor nom vr enk : horende , van het wkw akouô , Fr.: é-c-ou-ter) γυνὴ (zn nom vr enk : vrouw ; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) περὶ αὐτοῦ, ἧς (betr vnw gen vr enk : van wie) εἶχεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw echô : hebben , bezitten) τὸ θυγάτριον (zn nom onz enk do-ch-t-er-tje ; het is onzijdig en een verkleinwoord van th-ug-a-tèr : d-o-ch-ter ; zo jong en al een onreine geest ; is er iets met die moeder / vrouw?) αὐτῆς πνεῦμα ἀκάθαρτον, ἐλθοῦσα (stam elth- , zie Fr.; al-ler ; wkw act part aor nom vr enk van het wkw erchomei : gaan , komen) προσέπεσεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw pros-pi-p-t-ô : vallen bij ; stam : pi) πρὸς τοὺς πόδας (zn acc vr mv van het zn pous , podos : voet ; stam : p/v - d/t) αὐτοῦ:
- Een vrouw rukt onmiddellijk Jezus uit zijn isolement . Hij had gehoord dat Jezus in dat huis was . Hoe had zij dat kunnen horen ? Waren er blijkbaar mensen die gemerkt hadden dat Jezus van Galilea zich ophield in dat huis ? Waren zij dat aan de vrouw gaan vertellen ? Die vrouw , maar ook haar omgeving , moet weet gehad hebben van de bezetenheid van haar dochtertje . Zij keken uit naar verlossing voor dat kind . Zo wordt Jezus , die bij het doopsel heilige geest ontving , geconfronteerd met een vrouw , wiens dochter door een onzuivere geest is bezeten . De vrouw komt naar Jezus toe en werpt zich voor zijn voeten . Voordat er een woord gezegd is , vermoeden we al waarvoor de vrouw komt . Ze is in een noodsituatie en ze komt hem om hulp vragen . Maar er is nog meer . Door haar contact met haar bezeten dochter beseft de vrouw wat het betekent bezeten te zijn . Ze kan zich inleven in de situatie van Jezus .

Mc 7,26 ἡ δὲ γυνὴ ἦν Ἑλληνίς, Συροφοινίκισσα τῷ γένει: καὶ ἠρώτα αὐτὸν ἵνα τὸ δαιμόνιον ἐκβάλῃ ἐκ τῆς θυγατρὸς αὐτῆς. (Maar de vrouw was een Griekse , van Syro-Fenicische afkomst . Ze bleef hem vragen dat hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen .)
26 ἡ δὲ γυνὴ ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) Ἑλληνίς, Συροφοινίκισσα (Syro-Fenicische) τῷ γένει (zn dat onz enk van genos , genous : geslacht , afkomst ; stam gen-) καὶ ἠρώτα (wkw act ind imperf 3de pers vr enk : zij vroeg , van het wkw erôtaô : vragen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) τὸ δαιμόνιον (demon) ἐκβάλῃ (wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen , buitenwerpen) ἐκ τῆς θυγατρὸς (zn gen vr. enk van het zn thugatèr : dochter) αὐτῆς.
- Het blijft toch het opvallend dat het verhaal nog steeds blijft spraken van gunè (vrouw) in plaats van moeder . Deze vrouw komt immers voor haar dochter . Of speelt de auteur met woorden : gunè (vrouw) en kunè (hond) , aanduiding voor niet-joden . Dat contact tussen een man en een onbepaalde vrouw en bovendien tussen een jood en een niet-joodse moet wel heel verontreinigend zijn in sommige Joodse ogen . In plaats van een onreine geest is er sprake van een demon . Wie is door een demon bezeten ? Jezus ? De vrouw ? De dochter van de vrouw ?

Mc 7,27 καὶ ἔλεγεν αὐτῇ, Ἄφες πρῶτον χορτασθῆναι τὰ τέκνα, οὐ γάρ ἐστιν καλὸν λαβεῖν τὸν ἄρτον τῶν τέκνων καὶ τοῖς κυναρίοις βαλεῖν. (En hij zei haar : sta me toe dat eerst de kinderen worden verzadigd ; het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het naar de hondjes te werpen) .
27 καὶ ἔλεγεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) αὐτῇ, Ἄφες (wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw afièmi : aflaten , toestaan) πρῶτον χορτασθῆναι (wkw pass inf aor van het wkw chortazô : verzadigen) τὰ τέκνα, οὐ γάρ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) καλὸν λαβεῖν (wkw act inf aor van het wkw l-am-b-an-ô : nemen ; stam : lab) τὸν ἄρτον τῶν τέκνων καὶ τοῖς κυναρίοις (zn dat onz mv van zn kuna-rion : hond-je) βαλεῖν (wkw act inf aor) .
- Jezus gaat niet op de vraag van de vrouw in , maar maakt in een mooie verpakking een hatelijke afwijzing : je weet toch dat eerst de kinderen moeten verzadigd worden , vooraleer het brood aan de hondjes te gooien . De vrouw weet heel goed dat de hondjes een scheldnaam van Joden voor niet-Joden zijn . Zij hoort Jezus zeggen : het eigen volk (de kinderen) moeten eerst verzadigd worden of m.a.w. eigen volk eerst .

Mc 7,28 ἡ δὲ ἀπεκρίθη καὶ λέγει αὐτῷ, Κύριε, καὶ τὰ κυνάρια ὑποκάτω τῆς τραπέζης ἐσθίουσιν ἀπὸ τῶν ψιχίων τῶν παιδίων. (Maar zij antwoordde en zegt hem : Heer , ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.)
28 ἡ δὲ ἀπεκρίθη (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw apokrinomai : antwoorden ; stam : kri) καὶ λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) αὐτῷ, Κύριε (zn voc mann enk van het zn kurios : heer) , καὶ τὰ κυνάρια ὑποκάτω τῆς τραπέζης (zn gen vr enk van het zn trapezè : tafel) ἐσθίουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102), καὶ ἄλλα πολλά ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ἀπὸ τῶν ψιχίων (zn gen onz mv van het zn psichion : kruimel) τῶν παιδίων (zn gen onz mv van het zn paidion : kind) .
- De vrouw geeft Jezus een onverwacht antwoord . Wat jij zegt kan wel waar zijn in jouw ogen , maar vanuit mijn standpunt niet : immers , de hondjes eten van de kruimels die de kinderen van de tafel laten vallen , m.a.w. niet-Joden , zoals de Joden zelf , maken deel uit van een universele mensengemeenschap . De vrouw wil zeggen : het inclusief denken over het volk van Israël moet jij , Jezus, doortrekken tot de hele mensengemeenschap .

Mc 7,29 καὶ εἶπεν αὐτῇ, Διὰ τοῦτον τὸν λόγον ὕπαγε, ἐξελήλυθεν ἐκ τῆς θυγατρός σου τὸ δαιμόνιον. (en hij zei haar : omwille van dat woord ga , uit jouw dochter is de demon uitgegaan.)
29 καὶ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; stam ep-) αὐτῇ, Διὰ τοῦτον τὸν λόγον ὕπαγε (wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw hupagô : weggaan) , ἐξελήλυθεν (wkw med ind perf 3de pers enk eks-e-lè-lu-th-en van het wkw eks-erchomai : uit-gaan ; stam elth) ἐκ τῆς θυγατρός σου τὸ δαιμόνιον.
- Jezus snapt de vrouw . Ze bevrijdt hem van zijn demon tegenover niet-Joden. Een nieuwe horizont gaat voor Jezus open . Jezus ontdekt dat zijn boodschap universeel is . Het woord van de vrouw bevrijdt haar dochter van de demon . In plaats van agressie , tegenstelling en strijd komt mededogen , verbondenheid en vrede .

Mc 7,30 καὶ ἀπελθοῦσα εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς εὗρεν τὸ παιδίον βεβλημένον ἐπὶ τὴν κλίνην καὶ τὸ δαιμόνιον ἐξεληλυθός. (en zij ging weg naar haar huis . Zij vond het kind , gevallen op het bed en de demon die was uitgegaan) .
30 καὶ ἀπελθοῦσα (wkw act part aor nom vr enk van het wkw ap-erch-omai : weg-gaan) εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς εὗρεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw heuri-sk-ô : vinden) τὸ παιδίον βεβλημένον (wkw med part perf acc onz enk van het wkw ballô : vallen) ἐπὶ τὴν κλίνην καὶ τὸ δαιμόνιον ἐξεληλυθός (wkw act part perf acc onz enk van het wkw eks-erchomai : uit-gaan ; stam : elth) .
- De vrouw gaat naar huis en thuis is de rust teruggekeerd . De demon is weg . Het kind ligt op het bed . En wat doet Jezus? Hij gaat terug naar Galilea en naar Dekapolis met een nieuw inzicht : verzamelen, bijeenbrengen, verbondenheid scheppen .

MARCUS 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

24 Vandaar stond Jezus op
en  ging weg naar het gebied van Tyrus .
Hij ging een huis binnen
en hij wilde niemand kennen ,
maar hij kon zich niet verbergen. 
25 Want onmiddellijk hoorde een vrouw over hem .
Haar dochtertje had een onreine geest .
De vrouw van dat dochtertje kwam
en viel bij de voeten van Jezus.
26 Maar de vrouw was een Griekse , van Syro-Fenicische afkomst .
Ze bleef hem vragen dat hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen .
27 En Jezus zei haar :
sta me toe dat eerst de kinderen worden verzadigd ;
het is niet goed
het brood van de kinderen te nemen en het naar de hondjes te werpen .
28 Maar de vrouw antwoordde
en zegt hem :
Heer , ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.
29  En Jezus zei haar :
omwille van dat woord
ga ,
uit jouw dochter is de demon uitgegaan.
30 En de vrouw ging weg naar haar huis .
Ze vond het kind .
Ze trof het aan op bed. 
De demon was weg .

COMMENTAAR OP HET VERHAAL VAN MARCUS 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

Bij het begin van Marcus 7 komen de Farizeeën voor de dag . Samen met de Herodianen hadden zij in Mc 3,6 een complot gesloten om Jezus uit de weg te ruimen . In het voorgaande hoofdstuk Mc 6 was Johannes de Doper door Herodes onthoofd . Het volk was als een kudde zonder herder en Jezus had het geestelijk leiderschap opgenomen . Juist nu pakken de zogenaamde geestelijke leiders van het volk , de Farizeeën , Jezus aan . Het conflict zit hem tussen de letter (wetjes, gebruiken) en de ziel / bezieling , tussen het al te menselijke en het goddelijke) . Na dit conflict wijkt Jezus uit naar veiliger gebied in de hoop er anoniem te kunnen leven .

Een vrouw rukt onmiddellijk Jezus uit zijn isolement . Zij had gehoord dat Jezus in dat huis was . Hoe had zij dat kunnen horen ? Waren er blijkbaar mensen die gemerkt hadden dat Jezus van Galilea zich ophield in dat huis ? Waren zij dat aan de vrouw gaan vertellen ? Die vrouw , maar ook haar omgeving , moet weet gehad hebben van de bezetenheid van haar dochtertje . Zij keken uit naar verlossing voor dat kind . Zo wordt Jezus , die bij het doopsel heilige geest ontving , geconfronteerd met een vrouw , wiens dochter door een onzuivere geest is bezeten . De vrouw komt naar Jezus toe en werpt zich voor zijn voeten . Voordat er een woord gezegd is , vermoeden we al waarvoor de vrouw komt . Ze is in een noodsituatie en ze komt hem om hulp vragen . Maar er is nog meer . Door haar contact met haar bezeten dochter beseft de vrouw wat het betekent bezeten te zijn . Ze kan zich inleven in de situatie van Jezus .

Het blijft toch opvallend dat het verhaal nog steeds blijft spreken van gunè (vrouw) in plaats van moeder . Deze vrouw komt immers voor haar dochter . Of speelt de auteur met woorden : gunè (vrouw) en kunè (hond) , aanduiding voor niet-joden . Dat contact tussen een man en een onbekende vrouw en bovendien tussen een jood en een niet-joodse moet wel heel verontreinigend zijn in sommige Joodse ogen . In plaats van een onreine geest is er sprake van een demon . Wie is door een demon bezeten ? Jezus ? De vrouw ? De dochter van de vrouw ?

Jezus gaat niet op de vraag van de vrouw in , maar maakt in een mooie verpakking een hatelijke afwijzing : je weet toch dat eerst de kinderen moeten verzadigd worden , vooraleer het brood naar de hondjes te gooien . De vrouw weet heel goed dat de hondjes een scheldnaam van Joden voor niet-Joden zijn . Zij hoort Jezus zeggen : het eigen volk (de kinderen) moeten eerst verzadigd worden of m.a.w. eigen volk eerst .

De vrouw geeft Jezus een onverwacht antwoord . Wat jij zegt kan wel waar zijn in jouw ogen , maar vanuit mijn standpunt niet : immers , de hondjes eten van de kruimels die de kinderen van de tafel laten vallen , m.a.w. niet-Joden , zoals de Joden zelf , maken deel uit van een universele mensengemeenschap . De vrouw wil zeggen : het inclusief denken over het volk van Israël moet jij , Jezus, doortrekken tot de hele mensengemeenschap .

Jezus vat wat de vrouw zegt . Ze bevrijdt hem van zijn demon tegenover niet-Joden. Een nieuwe horizont gaat voor Jezus open . Jezus ontdekt dat zijn boodschap universeel is . Het woord van de vrouw bevrijdt Jezus van zijn demon en daardoor wordt ook de dochter bevrijd van de demon . In plaats van agressie , tegenstelling en strijd komt mededogen , verbondenheid en vrede .

De vrouw gaat naar huis en thuis is de rust teruggekeerd . De demon is weg . Het kind ligt op bed . En wat doet Jezus? Hij gaat terug naar Galilea en naar Dekapolis met een nieuw inzicht : verzamelen, bijeenbrengen, verbondenheid scheppen .

Mc 7,31Καὶ πάλιν ἐξελθὼν ἐκ τῶν ὁρίων Τύρου ἦλθεν διὰ Σιδῶνος εἰς τὴν θάλασσαν τῆς Γαλιλαίας ἀνὰ μέσον τῶν ὁρίων Δεκαπόλεως.
31Καὶ πάλιν ἐξελθὼν ἐκ τῶν ὁρίων Τύρου ἦλθεν διὰ Σιδῶνος εἰς τὴν θάλασσαν τῆς Γαλιλαίας ἀνὰ μέσον τῶν ὁρίων Δεκαπόλεως.

Mc 7,32καὶ φέρουσιν αὐτῷ κωφὸν καὶ μογιλάλον, καὶ παρακαλοῦσιν αὐτὸν ἵνα ἐπιθῇ αὐτῷ τὴν χεῖρα.
32καὶ φέρουσιν αὐτῷ κωφὸν καὶ μογιλάλον, καὶ παρακαλοῦσιν αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἐπιθῇ αὐτῷ τὴν χεῖρα.

Mc 7,33καὶ ἀπολαβόμενος αὐτὸν ἀπὸ τοῦ ὄχλου κατ' ἰδίαν ἔβαλεν τοὺς δακτύλους αὐτοῦ εἰς τὰ ὦτα αὐτοῦ καὶ πτύσας ἥψατο τῆς γλώσσης αὐτοῦ,
33καὶ ἀπολαβόμενος αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἀπὸ τοῦ ὄχλου κατ' ἰδίαν ἔβαλεν τοὺς δακτύλους αὐτοῦ εἰς τὰ ὦτα αὐτοῦ καὶ πτύσας ἥψατο τῆς γλώσσης αὐτοῦ,

Mc 7,34καὶ ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν ἐστέναξεν, καὶ λέγει αὐτῷ, Εφφαθα, ὅ ἐστιν, Διανοίχθητι.
34καὶ ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν ἐστέναξεν, καὶ λέγει αὐτῷ, Εφφαθα, ὅ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) , Διανοίχθητι.

Mc 7,35 καὶ [εὐθέως] ἠνοίγησαν αὐτοῦ αἱ ἀκοαί, καὶ ἐλύθη ὁ δεσμὸς τῆς γλώσσης αὐτοῦ, καὶ ἐλάλει ὀρθῶς.
- καὶ [εὐθέως] (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ; zie euthunô : recht maken , richten) ἠνοίγησαν αὐτοῦ αἱ ἀκοαί, καὶ ἐλύθη ὁ δεσμὸς τῆς γλώσσης αὐτοῦ, καὶ ἐλάλει ὀρθῶς.

Mc 7,36καὶ διεστείλατο αὐτοῖς ἵνα μηδενὶ λέγωσιν: ὅσον δὲ αὐτοῖς διεστέλλετο, αὐτοὶ μᾶλλον περισσότερον ἐκήρυσσον.
36καὶ διεστείλατο αὐτοῖς ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) μηδενὶ λέγωσιν: ὅσον δὲ αὐτοῖς διεστέλλετο, αὐτοὶ μᾶλλον περισσότερον ἐκήρυσσον.

Mc 7,37καὶ ὑπερπερισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες, Καλῶς πάντα πεποίηκεν: καὶ τοὺς κωφοὺς ποιεῖ ἀκούειν καὶ [τοὺς] ἀλάλους λαλεῖν.
37καὶ ὑπερπερισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες, Καλῶς πάντα πεποίηκεν: καὶ τοὺς κωφοὺς ποιεῖ ἀκούειν καὶ [τοὺς] ἀλάλους λαλεῖν.

Mc 9,14-29

Mc 9,14 Καὶ ἐλθὼν πρὸς τοὺς μαθητὰς εἶδεν ὄχλον πολὺν περὶ αὐτοὺς, καὶ γραμματεῖς συζητοῦντας αὐτοῖς.
14 Καὶ (nv) ἐλθὼν (wkw act part aor nom mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) πρὸς (vz van plaats - richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) μαθητὰς (zn acc mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) εἶδεν (wkw act ind aor 3de pers enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) πολὺν (bv nw acc mann enk van het bv nw pol-us : veel) περὶ (vz van plaats : rondom) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) , καὶ (nv) γραμματεῖς (zn acc mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; gra-m-ma , grafô : graveren , griffen , schrijven) συζητοῦντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw su-zèteô : samen onderzoeken, disputeren, twisten) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) .
- nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) : Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 9,15 καὶ εὐθέως πᾶς ὁ ὄχλος ἰδόντες αὐτὸν ἐξεθαμβήθησαν, καὶ προστρέχοντες ἠσπάζοντο αὐτόν.
15 καὶ (nv) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) πᾶς (bn nom mann enk : al , heel) ὁ (bep lidw nom mann enk) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) ἰδόντες αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐξεθαμβήθησαν (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw ekthambeomai : verbijsterd , ontsteld zijn , met ontzetting geslagen worden) , καὶ (nv) προστρέχοντες ( wkw act part praes nom mann mv postrechontes (rennende naar) van het wkw prostrechô (snellopen naar, hollen naar ; L. adcurrere . F. accourir . N. koersen , rennen . E. to run) ἠσπάζοντο (med ind imperf 3de pers mv èspazonto (zij begroetten) van het wkw aspazomai : verwelkomen, begroeten ; Fr. baiser ; Vl. dialect : beeze = kus) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .
- Bij het collectief ochlos horen en volgen 4 wkw (2X deelw. + hoofdwkw) .

Mc 9,16 καὶ ἐπηρώτησε τοὺς γραμματεῖς· Τί συζητεῖτε πρὸς ἑαυτούς;
16 καὶ (nv) ἐπηρώτησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) τοὺς (bep lidw acc mann mv) γραμματεῖς (zn acc mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; gra-m-ma , grafô : graveren , griffen , schrijven) · Τί (vrag vnw acc onz enk) συζητεῖτε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw su-zèteô : samen onderzoeken, disputeren, twisten , zie Mc 5,14) ) πρὸς (vz van plaats - richting) ἑαυτούς (wederkerig vnw 3de pers acc mann mv van heautos : zelf) ;

Mc 9,17 καὶ ἀποκριθεὶς εἷς ἐκ τοῦ ὄχλου εἶπε· Διδάσκαλε, ἤνεγκα τὸν υἱόν μου πρὸς σέ, ἔχοντα πνεῦμα ἄλαλον.
17 καὶ (nv) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-krin-o-mai : antwoorden) εἷς (onbep vnw nom mann enk : iemand) ἐκ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ὄχλου (gen mann enk van het zn ochlos = menigte) εἶπε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leraar , leermeester ; wkw di-da-s-k-ô : onderwijzen , L. docere) ἤνεγκα (wkw act ind aor 1ste pers enk ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô , eneg-k-a) τὸν (bep lidw acc mann enk) υἱόν (zn acc mann enk van het zn huios : zoon) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) πρὸς (vz van plaats - richting) σέ (pers vnw 2de pers acc mann enk) , ἔχοντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) πνεῦμα (zn acc onz enk ; Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH , Hebr. rûach) ἄλαλον (bv nw acc onz enk van het bv nw a-lal-os : niet sprekend , stom) .

Mc 9,18 καὶ ὅπου ἂν αὐτὸν καταλάβῃ, ῥήσσει αὐτόν, καὶ ἀφρίζει καὶ τρίζει τοὺς ὀδόντας αὐτοῦ, καὶ ξηραίνεται· καὶ εἶπον τοῖς μαθηταῖς σου ἵνα αὐτὸ ἐκβάλωσι, καὶ οὐκ ἴσχυσαν.
18 καὶ (nv) ὅπου (betrekk vnw van plaats : waar) ἂν (partikel) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καταλάβῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw kata-la-m-ba-n-ô : naar beneden nemen, , zich meester maken van) , ῥήσσει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw rèssô - règ-nu-mi : breken , verbrijzelen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ (nv) ἀφρίζει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw afrizô : schuimen) καὶ (nv) τρίζει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw trizô : piepen , knarsen) τοὺς (bep lidw acc mann mv) ὀδόντας (zn acc mann mv van het zn o-dôn : tan-d) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) , καὶ (nv) ξηραίνεται (wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw ksèrainô : verdorren , vermageren) · καὶ (nv) εἶπον (wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τοῖς (bep lidw dat mann mv) μαθηταῖς (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) αὐτὸ (pers vnw acc onz enk) ἐκβάλωσι (wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ek-bal-l-ô : uit-val-len , uitwerpen) καὶ (nv) οὐκ (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἴσχυσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ischuô : krachtig zijn , vermogen , kunnen) .

Mc 9,19 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει· Ὦ γενεὰ ἄπιστος, ἕως πότε πρὸς ὑμᾶς ἔσομαι; ἕως πότε ἀνέξομαι ὑμῶν; φέρετε αὐτὸν πρός με. καὶ ἤνεγκαν αὐτὸν πρὸς αὐτόν.
19 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-krin-o-mai : antwoorden) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Ὦ (tussenwerpsel : o) γενεὰ (zn voc vr enk : geslacht ; stam : gen-) ἄπιστος (bv nw voc vr enk : onbetrouwbaar , ongelovig ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi), ἕως (voegw : tot) πότε (partikel van tijd : wanneer ; heôs pote : hoelang) πρὸς (vz van plaats - richting) ὑμᾶς (pers vnw 2de pers acc mann mv) ἔσομαι (wkw act ind fut 1ste pers enk van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ; ἕως (voegw : tot) πότε (partikel van tijd : wanneer ; heôs pote : hoelang) ἀνεξομαι (med ind fut 1ste pers enk van het wkw anechomai : stand houden , dulden) ὑμῶν (pers vnw gen mann mv) ; φέρετε (wkw act imperat praes 2de pers mv : brengt ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô : voeren , brengen , eneg-k-a) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πρός (vz van plaats - richting) με (pers vnw acc mann enk) . καὶ (nv) ἤνεγκαν (wkw act ind aor 3de pers mv : zij brachten ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô : voeren , brengen , eneg-k-a) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πρὸς (vz van plaats - richting) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .

Mc 9,20 καὶ ἰδὼν αὐτὸν εὐθέως τὸ πνεῦμα ἐσπάραξεν αὐτόν, καὶ πεσὼν ἐπὶ τῆς γῆς ἐκυλίετο ἀφρίζων.
20 καὶ (nv) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (zn nom onz enk ; Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH , Hebr. rûach) ἐσπάραξεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw sparassô < sparak-sô : door elkaar schudden, stuiptrekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , καὶ (nv) πεσὼν (act part aor nom mann enk van het ww piptô; stam pe- : vallen) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς (bep lidw gen vr enk) γῆς (zn gen vr enk van het zn gè : aarde ; zie bv geologie) ἐκυλίετο (wkw med imperf 3de pers enk van het wkw kuliô : rollen ; zie kuklos : cirkel) ἀφρίζων (wkw part praes nom mann enk van het wkw afrizô : schuimen , zie Mc 9,18) .

Mc 9,21 καὶ ἐπηρώτησε τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα αὐτοῦ· Πόσος χρόνος ἐστὶν ὡς τοῦτο γέγονεν αὐτῷ; ὁ δὲ εἶπε· Παιδιόθεν.
21 καὶ (nv) ἐπηρώτησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα (zn acc mann enk van het zn patèr . Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . (Labialen : stemloos : p ; stemloos aangeblazen : ph = f ; stemhebbend : b ; stemhebbend aangeblazen : bh = v) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) · Πόσος (vrag vnw nom mann enk : hoe veel , hoe lang) χρόνος (zn nom mann enk : tijd) ἐστὶν (act ind praes 3de pers enk : hij is , van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre) ὡς (voegw. van vergelijking ; zo : een metathesis van hôs?) τοῦτο (aanwijz vnw nom onz enk - houtos touto < to + houtos : d -it) γέγονεν (med ind perf 3de pers enk. van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge-) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) ; ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) εἶπε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Παιδιόθεν ((paidio-then , verkleinwoord pai-dion : kind-je van pais : kind + then : vanaf) .

Mc 9,22 καὶ πολλάκις αὐτὸν καὶ εἰς πῦρ ἔβαλε καὶ εἰς ὕδατα, ἵνα ἀπολέσῃ αὐτόν· ἀλλ' εἴ τι δύνασαι, βοήθησον ἡμῖν σπλαγχνισθεὶς ἐφ' ἡμᾶς.
22 καὶ (nv) πολλάκις (bijw : vele keren , dikwijls) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ (nv) εἰς (vz van richting, naar) πῦρ (zn acc onz enk : Ned. : vuur (Grieks : πυρ = pur ; p - ph = f ; b - bh = v ; f - v) . D. : Feuer . E. : fire . Fr. : feu . Lat. : ignis) ἔβαλε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ballô : vallen , werpen) καὶ (nv) εἰς (vz van richting, naar) ὕδατα (zn acc onz mv , Ned. : water . D. : Wasser . E. : water . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Oudkerkslavisch : voda en genalaseerd Latijn unda . Oudindisch : udan . In het hiëroglyfisch stelt een papyrus de klankwaarde w'd (wad) voor ; het betekent groen, vers zijn ; w'd wr (wad oer) : zee (de groene - grote = de grote groene ; Fr. : eau . Lat. : aqua) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἀπολέσῃ (wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apollumi : verderven, verdoemen , doden) αὐτόν (pers vnw acc mann enk) · ἀλλ' (nv van tegenstelling) εἴ (voegw van voorwaarde : indien) τι (onbep vnw acc onz enk : iets) δύνασαι (wkw med ind praes 2de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) , βοήθησον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw boètheô : helpen) ἡμῖν (pers vnw dat mann mv) σπλαγχνισθεὶς (wkw pass part aor nom mann enk van het wkw splagchnizomai : zich ontfermen, medelijden hebben) ἐφ' (verkort voorzetsel van epi : op , over) ἡμᾶς (pers vnw acc mann mv) .

Mc 9,23 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ· Τὸ εἰ δύνασαι πιστεῦσαι, πάντα δυνατὰ τῷ πιστεύοντι.
23 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) · Τὸ (bep lidw nom onz enk) εἰ (voegw van voorwaarde : indien) δύνασαι (wkw med ind praes 2de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) πιστεῦσαι (act inf aor van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) , πάντα (bv nw nom onz mv van het bv nw pas : al , elk) δυνατὰ (bv nw nom onz mv van het bv nw dunatos : mogelijk) τῷ (bep lidw dat mann enk) πιστεύοντι (act part praes dat mann enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) .

Mc 9,24 καὶ εὐθέως κράξας ὁ πατὴρ τοῦ παιδίου μετὰ δακρύων ἔλεγε· Πιστεύω, Κύριε· βοήθει μου τῇ ἀπιστίᾳ.
24 καὶ (nv) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) κράξας (act part aor nom mann enk : krijsend , van het wkw krazô : krijsen, schreeuwen, roepen) ὁ (bep lidw nom mann enk) πατὴρ (zn nom mann enk van het zn patèr . Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . (Labialen : stemloos : p ; stemloos aangeblazen : ph = f ; stemhebbend : b ; stemhebbend aangeblazen : bh = v) τοῦ (bep lidw gen mann enk) παιδίου (zn gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) μετὰ (vz : met) δακρύων (zn gen onzn mv van het zn dakruon : traan , druppel) ἔλεγε (wkw act ind imperf praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Πιστεύω (act ind praes 1ste pers enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) , Κύριε (zn voc mann enk van het zn kurios : heer) · βοήθει (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw boètheô : helpen) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) τῇ (bep lidw dat vr enk) ἀπιστίᾳ (zn dat vr enk van het zn apistia : ongeloof ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) .

Mc 9,25 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἐπισυντρέχει ὄχλος ἐπετίμησε τῷ πνεύματι τῷ ἀκαθάρτῳ λέγων αὐτῷ· Τὸ πνεῦμα τὸ ἄλαλον καὶ κωφὸν, ἐγὼ σοι ἐπιτάσσω, ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ καὶ μηκέτι εἰσέλθῃς εἰς αὐτόν.
25 ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) ὅτι (ov , objectzin) ἐπισυντρέχει (wkw act ind praes 3de pers enk episuntrechô : samenstromen naar , te hoop lopen) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) ἐπετίμησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) τῷ (bep lidw dat onz enk) πνεύματι (zn dat onz enk van het zn pneuma : geest , stam pn-) τῷ (bep lidw dat onz enk) ἀκαθάρτῳ (bv nw dat onz enk van het bv nw akathartos : onzuiver , onrein) λέγων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) · Τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (zn nom onz enk ; Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH , Hebr. rûach) τὸ (bep lidw nom onz enk) ἄλαλον (bv nw nom onz enk van het bv nw a-lal-os : niet sprekend , stom) καὶ (nv) κωφὸν (zn nom onz enk van het bn kôfos : doof) , ἐγὼ (pers vnw 1ste pers nom enk) σοι (pers vnw dat onz enk) ἐπιτάσσω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw epitassô : opdragen, bevelen) , ἔξελθε (wkw act. imperat. aor 2de pers enk bij het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) ἐξ (vz , x omdat het volgende woord met een klinker begint) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) καὶ (nv) μηκέτι (bw : niet meer) εἰσέλθῃς (med conjunct aor 2de pers enk van het wkw eiserchomai : binnengaan in ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰς (vz van richting, naar) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .

Mc 9,26 καὶ κράξαν καὶ πολλὰ σπαράξαν αὐτόν ἐξῆλθε, καὶ ἐγένετο ὡσεὶ νεκρός, ὥστε πολλοὺς λέγειν ὅτι ἀπέθανεν.
26 καὶ (nv) κράξαν (act part aor acc onz enk : krijsend , van het wkw krazô (krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ (nv) πολλὰ (bv nw acc onz mv , p-l/v-l: veel) σπαράξαν (act part aor acc onz enk : stuiptrekkend , van het wkw sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐξῆλθε (wkw med ind aor 3de pers enk bij het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) , καὶ (nv) ἐγένετο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai = gebeuren ; stam gen-) ὡσεὶ (partikel van vergelijking : zoals) νεκρός (bv nw nom mann enk : dood) , ὥστε (ov van gevolg : zodat) πολλοὺς (bv nw acc mann mv , p-l/v-l: veel) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) ὅτι (ov van reden) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) .

Mc 9,27 ὁ δὲ Ἰησοῦς κρατήσας αὐτὸν τῆς χειρὸς ἤγειρεν αὐτόν, καὶ ἀνέστη.
27 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) κρατήσας (act part aor nom mann enk van het wkw krateô : vastnemen, bemachtigen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) τῆς (bep lidw gen vr enk) χειρὸς (zn gen vr enk van het zn cheir : hand ; Arabisch : يد = jad (hand) . D. : Hand . E. : hand . Fr. : main . Hebreeuws : יָד = jâd (hand) . Lat. : manus . Oudengels : hentan (trachten te pakken) . Oudnoors : henda (grijpen) . Hand betekent dus 'grijper' , evenals het Griekse χειρ = cheir (hand) ; (g - ch ; r) . In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) . Uit het Hebreeuws : jatten (stelen) ἤγειρεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , καὶ (nv) ἀνέστη (act ind aor 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) .
- Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten , leiden , sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
- Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken . D. auferwecken .

Mc 9,28 Καὶ εἰσελθόντα αὐτὸν εἰς οἶκον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἐπηρώτων αὐτόν κατ' ἰδίαν, ὅτι ἡμεῖς οὐκ ἠδυνήθημεν ἐκβαλεῖν αὐτό.
28 Καὶ (nv) εἰσελθόντα (wkw med part aor acc mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) εἰς (vz van richting, naar) οἶκον (zn acc mann enk van het zn oikos : huis) οἱ (bep lidw nom mann mv) μαθηταὶ (zn nom mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) ἐπηρώτων (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτόν (pers vnw acc mann enk) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat' : afkorting van het voorzetsel kata ; idian : bv nw acc vr enk van het bv nw idios : eigenlijk ;) , ὅτι (ov van reden) ἡμεῖς (pers vnw 1ste pers nom mann mv) οὐκ (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠδυνήθημεν (wkw pass ind aor 1ste pers mv van het wkw dunamai : kunnen) ἐκβαλεῖν (wkw act inf aor van het wkw van het wkw ek-bal-l-ô : uit-val-len , uitwerpen) αὐτό (pers vnw acc onz enk) .

Mc 9,29 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Τοῦτο τὸ γένος ἐν οὐδενὶ δύναται ἐξελθεῖν εἰ μὴ ἐν προσευχῇ καὶ νηστείᾳ.
29 καὶ (nv) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) · Τοῦτο (aanwijz vnw nom onz enk - houtos ; touto < to + houtos : d -it) τὸ (bep lidw nom onz enk) γένος (zn nom onz enk : geslacht ; stam gen-) ἐν (vz : in , met) οὐδενὶ (onbep vnw dat onz enk van het onbep vnw oudeis : nie-mand , nie-ts) δύναται (wkw med of pass ind praes 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) ἐξελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰ μὴ ( ei: voegwoord : indien ; mè : ontkenning : niet ; ei mè : indien niet , tenzij) ἐν (vz : in , met) προσευχῇ (zn dat vr enk van het zn proseuchè : gebed) καὶ (nv) νηστείᾳ (zn dat vr enk van het zn nèst-eia : vast-en) .

Mc 9,30-50 : Jezus onderricht de leerlingen

Mc 9,30. Κἀκεῖθεν ἐξελθόντες παρεπορεύοντο διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ ἤθελεν ἵνα τις γνοῖ:
30. Κἀκεῖθεν (< kai + ekei-then : en van-daar) ἐξελθόντες (med part aor nom mann mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) παρεπορεύοντο (med ind imperf 3de pers mv van het wkw paraporeuomai : zich op weg begeven langs) διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ ἤθελεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thelô : willen) ἵνα τις γνοῖ (stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô (Baeyens 130a blz 97) :

Mc 9,31. ἐδίδασκεν γὰρ τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὅτι Ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται εἰς χεῖρας ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται.
31. ἐδίδασκεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) γὰρ τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν (act ind imperf 3de pers vr enk van het ww legô: zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς ὅτι ὁ (bep lidw nom mann enk) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) παραδίδοται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) εἰς χεῖρας (zn acc vr mv van het zn cheir : hand - grijper) ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw apokteinô : afsnijden , doden) αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apokateinô : afsnijden , doden) μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται (med ind fut 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) .

Mc 9,32. οἱ δὲ ἠγνόουν τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο αὐτὸν ἐπερωτῆσαι .
32. οἱ δὲ ἠγνόουν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw agnoô : niet weten) τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο (dep ind imperf 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐπερωτῆσαι (wkw act inf aor van het wkw eperôtaô : vragen bij , ondervragen) .

Mc 9,33. Καὶ ἦλθον εἰς Καφαρναούμ. καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος ἐπηρώτα αὐτούς, Τί ἐν τῇ ὁδῷ διελογίζεσθε;
33. Καὶ ἦλθον (wkw med aor 3de pers enk van het wkw erchomai=gaan, zij gingen ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰς Καφαρναούμ. καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος (med part aor nom mann enk van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge-) ἐπηρώτα (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eperôtaô : vragen ; hij vroeg) αὐτούς (pers vnw 3de pers mann mv) , Τί ἐν τῇ ὁδῷ διελογίζεσθε; (med ind imperf 2de pers mv van het wkw dialogizomai : uiteenzetten , discussiëren)

Mc 9,34. οἱ δὲ ἐσιώπων, πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν ἐν τῇ ὁδῷ τίς μείζων.
34. οἱ δὲ ἐσιώπων (act ind imperf 3de pers mv van het wkw siôpaô : zwijgen) , πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν (med /pass ind aor 3de pers mv van het wkw dialegô : overleggen) ἐν τῇ ὁδῷ τίς μείζων (bv nw vergelijkende trap van het bn megas : groot) .

Mc 9,35. καὶ καθίσας ἐφώνησεν τοὺς δώδεκα καὶ λέγει αὐτοῖς, Εἴ τις θέλει πρῶτος εἶναι ἔσται πάντων ἔσχατος καὶ πάντων διάκονος.
35. καὶ καθίσας (act part aor nom mann enk van het wkw kathizô : neerzitten) ἐφώνησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw fôneô : roepen; zie fônè : stem ; Ned. fonetiek) τοὺς δώδεκα καὶ λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς, Εἴ τις θέλει (act ind praes 3de pers enk van het wkw thelô : willen) πρῶτος εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn) ἔσται (act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) πάντων ἔσχατος (bv nw nom mann enk : laatste) καὶ πάντων διάκονος (zn nom mann enk : dienaar) .

Mc 9,36. καὶ λαβὼν παιδίον ἔστησεν αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὸ εἶπεν αὐτοῖς,
36. καὶ λαβὼν (act part praes nom mann enk van het wkw la-m-b-an-ô : nemen ; stam lab) παιδίον ἔστησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw histèmi : stellen) αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν καὶ ἐναγκαλισάμενος (med part aor nom mann enk van het wkw enagkalizomai : omarmen) αὐτὸ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς,

Mc 9,37. Ὃς ἂν ἓν τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται: καὶ ὃς ἂν ἐμὲ δέχηται, οὐκ ἐμὲ δέχεται ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά με.
37. Ὃς ἂν ἓν (één) τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται (med ind praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) : καὶ ὃς ἂν ἐμὲ δέχηται (med conjunct praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) , οὐκ ἐμὲ δέχεται (med ind praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά (act part aor acc mann enk van het wkw apostellô : afsturen , zenden ; apo-stelJ) με .

Mc 9,38. Ἔφη αὐτῷ ὁ Ἰωάννης, Διδάσκαλε, εἴδομέν τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα δαιμόνια, καὶ ἐκωλύομεν αὐτόν, ὅτι οὐκ ἠκολούθει ἡμῖν.
38. Ἔφη (act ind imperf 3de pers enk van het wkw fèmi : zeggen) αὐτῷ ὁ Ἰωάννης, Διδάσκαλε, εἴδομέν (act ind aor 3de pers enk van de aoristvorm eiden : hij zag ; wkw met 2 verschillende stammen , horaô : zien ; zie Lat. vide-re , visum -> visie) τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen) δαιμόνια, καὶ ἐκωλύομεν (act ind imperf 1ste pers mv van het wkw kôluô : verbieden , beletten) αὐτόν, ὅτι οὐκ ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) ἡμῖν.

Mc 9,39. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Μὴ κωλύετε αὐτόν, οὐδεὶς γάρ ἐστιν ὃς ποιήσει δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται ταχὺ κακολογῆσαί με:
39. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Μὴ κωλύετε (act imperat 2de pers mv van het wkw kôluô : verbieden , beletten) αὐτόν, οὐδεὶς γάρ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ὃς ποιήσει (wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw poieô = doen) δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται (wkw med fut 3de pers enk van het wkw dunamai=kunnen) ταχὺ κακολογῆσαί (act inf aor van het wkw kakalogeô : slecht spreken , kwaadspreken) με :

Mc 9,40. ὃς γὰρ οὐκ ἔστιν καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν.
40. ὃς γὰρ οὐκ ἔστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi ποτήριον ὕδατος ἐν ὀνόματι ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐ μὴ ἀπολέσῃ τὸν μισθὸν αὐτοῦ.
41. Ὃς γὰρ ἂν ποτίσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw potizô : drinken) ὑμᾶς ποτήριον (beker) ὕδατος (water) ἐν ὀνόματι ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐ μὴ ἀπολέσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apollumi : derven , ontgaan) τὸν μισθὸν αὐτοῦ .

Mc 9,42. Καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων [εἰς ἐμέ], καλόν ἐστιν αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται μύλος ὀνικὸς περὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ καὶ βέβληται εἰς τὴν θάλασσαν.
42. Καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων (act part praes gen mv van het wkw pisteuô : geloven) [εἰς ἐμέ], καλόν ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw perikeimai : liggen rondom) μύλος (molen) ὀνικὸς (< onos : ezel-in , windas , bovenste molensteen) περὶ τὸν τράχηλον (trachèlos : hals , nek) αὐτοῦ καὶ βέβληται (pass ind perf 3de pers enk van het wkw ballô : vallen , werpen) εἰς τὴν θάλασσαν.

Mc 9,43. Καὶ ἐὰν σκανδαλίζῃ σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον αὐτήν: καλόν ἐστίν σε κυλλὸν εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα ἀπελθεῖν εἰς τὴν γέενναν, εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον.
43. Καὶ ἐὰν σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apokoptô : afkappen, afsnijden) αὐτήν: καλόν ἐστίν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) σε κυλλὸν (gebrekkig) εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν ζωὴν ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) ἀπελθεῖν (med inf aor van het wkw aperchomai : afgaan , weggaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) , εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον (a-sbestos : onblusbaar , zie het wkw sbennumi : blussen) .

Mc 9,44. καὶ

Mc 9,45. ἐὰν ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ σε, ἀπόκοψον αὐτόν: καλόν ἐστίν σε εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν ἢ τοὺς δύο πόδας ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν.
45. ἐὰν ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε, ἀπόκοψον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apokoptô : afkappen, afsnijden) αὐτόν: καλόν ἐστίν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) σε εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν (lam) ἢ τοὺς δύο πόδας ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) βληθῆναι (pass inf aor van het wkw ballô : vallen , werpen ; stam bal-) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) .

Mc 9,46. καὶ

Mc 9,47. ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ σε, ἔκβαλε αὐτόν: καλόν σέ ἐστιν μονόφθαλμον εἰσελθεῖν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν,
47. ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε, ἔκβαλε (act imperat aor 2de pers enk van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen ; stam bal-) αὐτόν: καλόν σέ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) μονόφθαλμον (éénoog) εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) βληθῆναι (pass inf aor van het wkw ballô : vallen , werpen ; stam bal-) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) ,

Mc 9,48. ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται :
48. ὅπου ὁ σκώληξ (worm) αὐτῶν οὐ τελευτᾷ (act ind imperf 3de pers enk van het wkw teleutaô : sterven , eindigen) καὶ τὸ πῦρ (vuur) οὐ σβέννυται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw sbennumi : blussen) :

Mc 9,49. πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται .
49. πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται (pass ind fut 3de pers enk van het wkw sbennumi : blussen) .

Mc 9,50. Καλὸν τὸ ἅλας: ἐὰν δὲ τὸ ἅλας ἄναλον γένηται, ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε; ἔχετε ἐν ἑαυτοῖς ἅλα, καὶ εἰρηνεύετε ἐν ἀλλήλοις.
50. Καλὸν τὸ ἅλας (zout) : ἐὰν δὲ τὸ ἅλας ἄναλον (a-n-halos : zonder zout , zoutloos) γένηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden) , ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε (act ind fut 2de pers mv van het wkw artuô : kruiden , klaar maken) ; ἔχετε (act ind praes 2de pers mv van het wkw echô : hebben) ἐν ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἅλα , καὶ εἰρηνεύετε (act imperat praes 2de pers mv van het wkw eirèneuô : in vrede leven) ἐν ἀλλήλοις (elk-aar) .

Marcus 10,13-16

13 Καὶ προσέφερον αὐτῷ παιδία ἵνα αὐτῶν ἅψηται: οἱ δὲ μαθηταὶ ἐπετίμησαν αὐτοῖς. (En zij bleven kinderen naar hem brengen opdat hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen joegen hen vrees aan.)
13 Καὶ προσέφερον (wkw act ind imperf 3de pers mv ; pros- : voorvoegsel , -e- augment , -fer-: stam , -on : uitgang 3de pers mv. van het wkw prosferô < pros : bij , naar , en ferô : varen , voeren , dragen ; stam : f/v + r) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) παιδία (zn acc onz mv van het zn paidion : kind , peuter ; stam : p + d/t) ἵνα (voegw van doel : opdat) αὐτῶν (pers vnw 3de pers gen onz mv) ἅψηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw haptomai : raken , aanraken) : οἱ δὲ μαθηταὶ (zn nom mann mv van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; stam m-th) ἐπετίμησαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw epi-timaô : nadrukkelijk vermanen, opdragen , opleggen , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen , vrees aanjagen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) .
- Waar massa's bijeenkomen rond Jezus , zijn er kinderen bij . Meer nog , de massa's brengen de kinderen naar Jezus . Daarvoor zijn ze gekomen . Ze willen dat Jezus hen aanraakt , hen zegent , hen de handen oplegt . Die stroom naar Jezus blijft maar duren . De leerlingen vinden dat het nu meer dan goed is geweest . Volgens hen gaat teveel aandacht naar de kinderen . En ze vinden ook dat Jezus te veel met de kinderen bezig is . Hij heeft toch nog wel wat anders te doen dan dat . Zijn de leerlingen vergeten wat Jezus hen in Mc 9,36-37 onderrichtte : wie één van zulke kinderen opneemt in mijn naam , neemt niet mij op , maar hem die mij gezonden heeft .

14 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ἠγανάκτησεν καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Ἄφετε τὰ παιδία ἔρχεσθαι πρός με, μὴ κωλύετε αὐτά, τῶν γὰρ τοιούτων ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ. (Maar Jezus zag het en hij was verontwaardigd en hij zei hen : sta toe dat de kinderen naar mij komen , belet het hen niet , want aan dergelijken behoort het koninkrijk van God toe.)
14 ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw horaô : zien ; stam aor. F-d , zie Lat. videre) δὲ ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) ἠγανάκτησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw aganakteô : ontevreden zijn , toornig zijn , zich ergeren) καὶ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen; stam aor ep-) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Ἄφετε (wkw act imperat. aor 2de pers mv van het wkw af-ièmi : af-laten , vergeven) τὰ παιδία (zn acc onz mv van het zn paidion : kind , peuter ; stam : p + d/t) ἔρχεσθαι (wkw med inf praes van het wkw erchomai : komen , gaan) πρός με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) , μὴ (part van ontkenning) κωλύετε (act imperat praes 2de pers enk van het wkw kôluô : verhinderen , tegenhouden , belemmeren , verbieden) αὐτά (pers vnw acc onz mv) , τῶν γὰρ τοιούτων (onbep vnw gen onz mv van toioutos : dergelijke) ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ.
- Jezus ziet dat gebeuren . Hij ergert zich en berispt zijn leerlingen . Hoe het Griekse werkwoord afièmi vertalen : aflaten , weglaten , wegzenden , ophouden ? Wil Jezus zeggen : houdt op met te verhinderen dat de kinderen naar mij komen . Hij zegt hen uitdrukkelijk : belet het hen niet . En de reden is : aan hen behoort het koninkrijk van God . Volgens de leerlingen horen ze er niet thuis , volgens Jezus wel . De kinderen zijn de volgende generatie ; zij zullen vorm geven aan het koninkrijk van God . Kinderen hebben nood aan mensen die ontvankelijk voor hen zijn , hen in de armen sluiten , liefdevol met hen omgaan , hen het beste toewensen voor de toekomst . Kinderen vertrouwen , scheppen geloof , hebben verwachtingen . De leerlingen wilden de kinderen bang maken , ze op afstand houden , ze aan de marge van de samenkomst houden .

15 ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὃς ἂν μὴ δέξηται τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς παιδίον, οὐ μὴ εἰσέλθῃ εἰς αὐτήν. (Voorwaar ik zeg jullie : wie het koninkrijk van God niet zou aannemen als een kind , moge het koninkrijk van God zeker niet binnengaan.)
15 ἀμὴν λέγω ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv) , ὃς (betrekk vnw nom mann enk) ἂν (partikel om de mogelijkheid uit te drukken) μὴ (partikel van ontkenning) δέξηται (wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen , aannemen) τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς (partikel van vergelijking) παιδίον, οὐ μὴ (ou mè : zeker niet , om een sterke ontkenning uit te drukken ; Baeyens 283,3) εἰσέλθῃ (wkw med conjunct 3de pers enk van het wkw eis-erchomai : binnengaan ; stam aor elth) εἰς αὐτήν (pers vnw acc vr enk verwijzend naar het koninkrijk van God) .
- De leerlingen krijgen nog een sterkere waarschuwing : je gaat zeker niet binnen in het koninkrijk van God , als je het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind . M.a.w. jullie volwassenen moeten zijn als kinderen om het koninkrijk van God binnen te gaan . De rollen worden omgekeerd . De kinderen behoren al tot het koninkrijk . De volwassenen behoren ertoe op voorwaarde dat ze worden als kinderen . Volwassenen moeten dus nog een stap zetten , ze moeten nog binnengaan .

16 καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὰ κατευλόγει τιθεὶς τὰς χεῖρας ἐπ' αὐτά. (en hij nam hen in de armen en hij sprak de zegen over hen uit terwijl hij de handen op hen legt.)
16 καὶ ἐναγκαλισάμενος (wkw med part aor nom mann enk van het wkw enagkalizomai : in de armen nemen) αὐτὰ (pers vnw acc onz mv) κατευλόγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw kat-eu-logeô : een zegen uitspreken over , zegenen) τιθεὶς (wkw act part praes nom mann enk van het wkw tithèmi : leggen) τὰς χεῖρας (zn acc vr mv van het zn cheir : hand) ἐπ' αὐτά (pers vnw acc onz mv) .
- Jezus neemt de kinderen in de armen , spreekt goeds over hen , over hun toekomst , en legt hen de armen op . Een zegen uitspreken en de handen uitstrekken : Jezus deed het bij het laatste avondmaal bij het breken van het brood en het delen van de beker . Verbondenheid en solidariteit kenmerken de nieuwe gemeenschap , het koninkrijk van God .

We zetten de tekst in een structuur :

17. een aangelopen iemand... vroeg hem (imperfectum) :
"goede leermeester , wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?"
18. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
---------------------- " wat... gij kent de geboden... "
20. hij echter zei (imperfectumvorm) hem :
---------------------- " leermeester, dat alles heb ik onderhouden vanaf mijn jeugd."
21. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
--------------------- " ... ga, verkoop wat je bezit... en jij zult hebben een schat in de hemel,..."
22. hij echter ... ging weg bedroefd...

Vertaling

13 En zij bleven kinderen naar hem brengen opdat hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen joegen hen vrees aan.
14 Maar Jezus zag het en hij was verontwaardigd en hij zei hen : sta toe dat de kinderen naar mij komen , belet het hen niet , want aan dergelijken behoort het koninkrijk van God toe.
15 Voorwaar ik zeg jullie : wie het koninkrijk van God niet zou aannemen als een kind , moge het koninkrijk van God zeker niet binnengaan.
16 en hij nam hen in de armen en hij sprak de zegen over hen uit terwijl hij de handen op hen legt.

Commentaar

13 Waar massa's bijeenkomen rond Jezus , zijn er kinderen bij . Meer nog , de massa's brengen de kinderen naar Jezus . Daarvoor zijn ze gekomen . Ze willen dat Jezus hen aanraakt , hen zegent , hen de handen oplegt . Die stroom naar Jezus blijft maar duren . De leerlingen vinden dat het nu meer dan goed is geweest . Volgens hen gaat teveel aandacht naar de kinderen . En ze vinden ook dat Jezus te veel met de kinderen bezig is . Hij heeft toch nog wel wat anders te doen dan dat . Zijn de leerlingen vergeten wat Jezus hen in Mc 9,36-37 onderrichtte : wie één van zulke kinderen opneemt in mijn naam , neemt niet mij op , maar hem die mij gezonden heeft .

14 Jezus ziet dat gebeuren . Hij ergert zich en berispt zijn leerlingen . Hoe het Griekse werkwoord afièmi vertalen : aflaten , weglaten , wegzenden , ophouden ? Wil Jezus zeggen : houdt op met te verhinderen dat de kinderen naar mij komen . Hij zegt hen uitdrukkelijk : belet het hen niet . En de reden is : aan hen behoort het koninkrijk van God . Volgens de leerlingen horen ze er niet thuis , volgens Jezus wel . De kinderen zijn de volgende generatie ; zij zullen vorm geven aan het koninkrijk van God . Kinderen hebben nood aan mensen die ontvankelijk voor hen zijn , hen in de armen sluiten , liefdevol met hen omgaan , hen het beste toewensen voor de toekomst . Kinderen vertrouwen , scheppen geloof , hebben verwachtingen . De leerlingen wilden de kinderen bang maken , ze op afstand houden , ze aan de marge van de samenkomst houden .

15 De leerlingen krijgen nog een sterkere waarschuwing : je gaat zeker niet binnen in het koninkrijk van God , als je het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind . M.a.w. jullie volwassenen moeten zijn als kinderen om het koninkrijk van God binnen te gaan . De rollen worden omgekeerd . De kinderen behoren al tot het koninkrijk . De volwassenen behoren ertoe op voorwaarde dat ze worden als kinderen . Volwassenen moeten dus nog een stap zetten , ze moeten nog binnengaan .

16 Jezus neemt de kinderen in de armen , spreekt goeds over hen , over hun toekomst , en legt hen de armen op . Een zegen uitspreken en de handen uitstrekken : Jezus deed het bij het laatste avondmaal bij het breken van het brood en het delen van de beker . Verbondenheid en solidariteit kenmerken de nieuwe gemeenschap , het koninkrijk van God .

marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

17 Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ εἰς ὁδὸν προσδραμὼν εἷς καὶ γονυπετήσας αὐτὸν ἐπηρώτα αὐτόν, Διδάσκαλε ἀγαθέ, τί ποιήσω ἵνα ζωὴν αἰώνιον κληρονομήσω; (Terwijl hij zich naar buiten op weg begeeft kwam iemand naar hem toegelopen en viel op de knieën bij hem : goede leermeester , wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou 'verw'erven?)
17 Καὶ ἐκπορευομένου (wkw med part praes gen mann enk van het wkw ek-poreuomai : zich naar buiten op weg begeven) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk ; losse gen) εἰς ὁδὸν (zn acc mann enk van het zn hodos : weg) προσδραμὼν (wkw act part aor nom mann enk bij het wkw prostrechô : toelopen , aanstormen) εἷς (hoofdtelw : één , iemand) καὶ γονυπετήσας (wkw act part aor nom mann enk bij het wkw gonupeteô : op de knieën vallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐπηρώτα (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eperotaô : op-vragen , vragen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leermeester ; stam dak , zie Lat docere) ἀγαθέ (bn voc mann enk van het bn agathos : goed ; voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) , τί (vrag vn acc onz enk : wat) ποιήσω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw poieô : doen) ἵνα (voegw van doel : opdat) ζωὴν (zn acc vr enk van het zn zôè : leven) αἰώνιον (bn acc vr enk van het bn aiônios : eeuwig) κληρονομήσω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw klèronomeô : erven) .
- Bij de aanvang van het vers krijg je de indruk dat iemand naar Jezus toekomt opdat hij hem of een zoon of dochter zou genezen . Het is echter geen vraag naar genezing . Die persoon spreekt Jezus aan met goede leermeester . De persoon stelt de vraag : wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou erven ? De persoon komt dus bij Jezus om raad over de wijze waarop je het eeuwig leven kunt erven . Het lijkt erop dat iemand het eeuwig leven kan erven en dat je het via een bepaalde methode kunt verwerven en dat Jezus over die kennis beschikt en dat Jezus garant staat voor het verwerven ervan als je die methode volgt .
- Wat wordt er bedoeld met eeuwig leven ? Een leven na de dood ? Een leven zonder ooit dood te gaan ? Een goed leven in het land , door God gegeven , als de geboden onderhouden worden , voor nu en later ?

18 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Τί με λέγεις ἀγαθόν; οὐδεὶς ἀγαθὸς εἰ μὴ εἷς ὁ θεός . (Maar Jezus zei hem : wat / waarom zeg je dat ik goed ben ; niemand is goed tenzij de ene God.)
18 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw legô : zeggen ; stam aor : ep-) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Τί (vrag vn acc onz enk : wat) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) λέγεις (wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw legô : zeggen) ἀγαθόν (bn acc mann enk van het bn agathos : goed . voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) ; οὐδεὶς (onep vnw nom mann enk : niemand / niet iemand) ἀγαθὸς (bn nom mann enk van het bn agathos : goed . voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) εἰ μὴ (ei mè : - letterlijk - indien niet , tenzij) εἷς (hoofdtelw : één , iemand) ὁ θεός
- Jezus geeft geen antwoord op de vraag van de persoon die tot hem kwam . Hij stelt hem twee tegenvragen . De eerste vraag zou betrekking kunnen hebben op het eeuwig leven , de tweede op de methode om dat te verwerven (Mc 10,19a) . Goed heeft te maken met het verlangen iets te ontvangen , te verwerven . Jezus wijst erop dat hij dat aan God moet vragen . Het eeuwige leven schenken behoort aan God toe . De ene God drukt het universele transcendente uit : alle mensen overstijgend .

19 τὰς ἐντολὰς οἶδας: Μὴ φονεύσῃς, Μὴ μοιχεύσῃς, Μὴ κλέψῃς, Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς, Μὴ ἀποστερήσῃς, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα. (de geboden ken je : dat jij niet dode , dat jij geen overspel bedrijft , dat jij niet vals getuigt , dat jij niet berooft , eer je vader en je moeder.)
19 τὰς ἐντολὰς (zn acc vr mv van het zn entolè : opdracht , gebod , bevel, bepaling) οἶδας (wkw act ind aor 3de pers enk : oida : w-e-t-en , kennen) : Μὴ (partikel van ontkenning) φονεύσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw foneuô : vermoorden , doden) , Μὴ μοιχεύσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw moicheuô : overspel bedrijven , echtbreuk plegen) , Μὴ κλέψῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw kleptô : stelen ; stam praes klep-y-ô), Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw pseudomartureô : vals getuigen) , Μὴ ἀποστερήσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw apostereô : beroven , benadelen) , Τίμα (wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw timaô : eren ; zie Lat.: timidus : vreesachtig , verlegen ) τὸν πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) σου καὶ τὴν μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) .
- Jezus zegt : je kent de bepalingen . Jezus verwijst naar de tien geboden van Mozes . In het woord bepaling zit het woord paal ; het is een grenspaal . De bepalingen geven de grenzen aan . Binnen die grenzen is veel mogelijk . De bepaling of grenspaal oversteken is fout . Eerst worden 5 verboden gegeven en dan 1 gebod . Het is toch wel opvallend dat de eerste vier geboden niet worden geciteerd . Misschien is het vanuit de gevoeligheid van de evangelist Marcus die zo voorzichtig omgaat met de naam God . Ook de sabbat wordt niet vernoemd . De tien geboden vind je in Ex 20,2-17 en Dt 5,6-21 . Als laatste komt het gebod over het eren van vader en moeder . Misschien wel terecht in een context van erven .

20 ὁ δὲ ἔφη αὐτῷ, Διδάσκαλε, ταῦτα πάντα ἐφυλαξάμην ἐκ νεότητός μου. (Maar hij zei hem : Leermeester , dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd.)
20 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) ἔφη (wkw act imperf 3de pers enk van het wkw fè-mi : zeggen) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leermeester ; stam dak , zie Lat docere) , ταῦτα (aanw vnw acc onz mv : dit) πάντα (bn acc onz mv van het bn pas : al , elk) ἐφυλαξάμην (wkw med ind aor 1ste pers enk van het wkw fulattô : bewaken , bewaren , onderhouden) ἐκ νεότητός (zn gen vr enk van het zn neotès : nieuwheid , jeugd) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) .
- De persoon laat het woordje goed bij leermeester weg . Hij heeft de les van Jezus begrepen . Hij antwoordt op de tweede vraag van Jezus : over het onderhouden van de bepalingen . Misschien gaat de persoon ervan uit dat zijn vraag wat hij moet doen nu wel gerealiseerd is . Misschien veronderstelt hij nu wel dat hij eeuwig leven zal erven . Reeds bij het begin kregen we de indruk dat het erven van het eeuwig leven afhankelijk was van de gedragswijze en dat je zo het eeuwig leven kon "afkopen" . De persoon heeft de bepalingen onderhouden , bewaard , bewaakt . Hij lijkt wel een conservator .

21 ὁ δὲ Ἰησοῦς ἐμβλέψας αὐτῷ ἠγάπησεν αὐτὸν καὶ εἶπεν αὐτῷ, Εν σε ὑστερεῖ: ὕπαγε ὅσα ἔχεις πώλησον καὶ δὸς [τοῖς] πτωχοῖς, καὶ ἕξεις θησαυρὸν ἐν οὐρανῷ, καὶ δεῦρο ἀκολούθει μοι. (Maar Jezus keek hem aan , hield van hem en zei : één iets ontbreekt je ; ga , zoveel je hebt , verkoopt het en geef het aan de armen en jij zult een schat in de hemel hebben en welaan dan volg mij)
21 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) ἐμβλέψας (wkw part aor nom mann enk van het wkw emblepô : aankijken) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) ἠγάπησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw agapaô : houden van , beminnen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw legô : zeggen ; stam aor : ep-) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Εν (hoofdtelw nom onz enk) σε (pers vnw acc mann enk) ὑστερεῖ (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw hustereô : ontbreken): ὕπαγε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw hupagô : gaan , leiden onder) ὅσα (onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw hosos : zoveel als) ἔχεις wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw echô : hebben) πώλησον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw pôleô : verkopen) καὶ δὸς (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw didômo : geven ; stam do) [τοῖς] πτωχοῖς (bn en zn dat mann mv van ptôchos : arm-e) , καὶ ἕξεις (wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw echô : hebben) θησαυρὸν (zn acc onz enk van het zn thèsauron : schat) ἐν οὐρανῷ (zn dat mann enk van het zn ouranos : hemel) , καὶ δεῦρο (partikel : welaan , vervolgens) ἀκολούθει (wkw act imperat praes 2de pers enk. van het wkw akoloutheô : volgen) μοι (pers vnw 1ste pers enk dat mann enk) .
- Heeft Jezus zich vergist ? Dacht hij een vrome jood voor zich te hebben ? Dacht hij dat deze persoon naar de geboden van God luisterde , ze in zich opnam en ernaar leefde ? Dacht Jezus dat de persoon de gaven van God in dankbaarheid ontving ? Dacht Jezus dat deze persoon op zijn vraag positief zou antwoorden ? Had Jezus niet door dat hij misschien te maken kon hebben met iemand die ook het eeuwig leven wou erven , bezitten , met iemand die verzamelt en bewaart ? De wijze waarop de persoon zijn dienst aan God beleeft staat toch in schril contrast met de wijze van de beleving van Jezus . Maar dat komt pas tot uiting op het einde van het verhaal . Jezus is uiterst positief gericht en vol verwachting . Hij kijkt de persoon liefdevol aan en zegt : verkoop al wat je bezit , geef het aan de armen , je zult een schat in de hemel hebben en volg mij . Niets bezitten en Jezus volgen betekent zijn lot in Gods handen leggen , alle veiligheden opgeven , niet wetend wat de toekomst zal brengen . In het vroege christendom was er in Jeruzalem een gemeenschap waarin alles gemeenschappelijk was . Hierdoor kwam zij tegemoet aan de noden van de armen . Er was solidariteit .

22 ὁ δὲ στυγνάσας ἐπὶ τῷ λόγῳ ἀπῆλθεν λυπούμενος, ἦν γὰρ ἔχων κτήματα πολλά. Maar hij werd somber bij dat woord . Hij ging gekwetst weg . Want hij was bezitter van veel wat hij verworven had) .
22 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) στυγνάσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw stugnazô : somber , treurig zijn) ἐπὶ τῷ λόγῳ (zn dat mann enk van het zn logos : woord) ἀπῆλθεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw aperchomai : weggaan) λυπούμενος (wkw pass part praes nom mann enk van het wkw lupeô : kwetsen , pijn doen) , ἦν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) γὰρ (partikel van reden : want) ἔχων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw echô : hebben) κτήματα (zn acc onz mv van het zn ktèma : bezit , verwerving ; zie wkw ktaomai : verwerven) πολλά (bn acc onz mv van het bn polus : veel ; stam : p/v - l) .
- Jezus en zijn leerlingen en later de gemeenschap in Jeruzalem kon wellicht leven dank zij de gaven van anderen . Ik heb de indruk dat Jezus wil zeggen dat de grootste schat bestaat in het geven en niet in het verwerven . De persoon kwam naar Jezus met de vraag hoe hij het eeuwig leven kon verwerven . Jezus verwees de persoon naar God . Hij kan eeuwig leven geven .
- De ontmoeting loopt op een sisser uit . De persoon is in Jezus teleurgesteld en gekwetst .
- In dit verhaal wordt duidelijk hoe je met bezittingen , medemensen en God kan omgaan . Ofwel zijn God en medemensen slechts middelen om het 'eigen bezit' te vergroten en is men op zoek om dat te vergroten . Ofwel sta je met een ontvankelijke en gevende houding in het leven , in dankbvaarheid jegens God en medemensen , open voor wat het leven aan verrassingen kan brengen .
- In het onderricht dat op dit verhaal volgt , gaat Jezus in op de reactie van de persoon .

Vertaling : Marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

17 Terwijl hij zich naar buiten op weg begeeft kwam iemand naar hem toegelopen en viel op de knieën bij hem : goede leermeester , wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou 'verw'erven?

18 Maar Jezus zei hem : wat / waarom zeg je dat ik goed ben ; niemand is goed tenzij de ene God.

19 de geboden ken je : dat jij niet dode , dat jij geen overspel bedrijft , dat jij niet vals getuigt , dat jij niet berooft , eer je vader en je moeder.

20 Maar hij zei hem : Leermeester , dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd.

21 Maar Jezus keek hem aan , hield van hem en zei : één iets ontbreekt je ; ga , zoveel je hebt , verkoopt het en geef het aan de armen en jij zult een schat in de hemel hebben en welaan dan volg mij .

22 Maar hij werd somber bij dat woord . Hij ging gekwetst weg . Want hij was bezitter van veel wat hij verworven had .

Commentaar : Marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

- Bij de aanvang van het vers krijg je de indruk dat iemand naar Jezus toekomt opdat hij hem of een zoon of dochter zou genezen . Het is echter geen vraag naar genezing . Die persoon spreekt Jezus aan met goede leermeester . De persoon stelt de vraag : wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou erven ? De persoon komt dus bij Jezus om raad over de wijze waarop je het eeuwig leven kunt erven . Het lijkt erop dat iemand het eeuwig leven kan erven en dat je het via een bepaalde methode kunt verwerven en dat Jezus over die kennis beschikt en dat Jezus garant staat voor het verwerven ervan als je die methode volgt .
- Wat wordt er bedoeld met eeuwig leven ? Een leven na de dood ? Een leven zonder ooit dood te gaan ? Een goed leven in het land , door God gegeven , als de geboden onderhouden worden , voor nu en later ?

- Jezus geeft geen antwoord op de vraag van de persoon die tot hem kwam . Hij stelt hem twee tegenvragen . De eerste vraag zou betrekking kunnen hebben op het eeuwig leven , de tweede op de methode om dat te verwerven (Mc 10,19a) . Goed heeft te maken met het verlangen iets te ontvangen , te verwerven . Jezus wijst erop dat hij dat aan God moet vragen . Het eeuwige leven schenken behoort aan God toe . De ene God drukt het universele transcendente uit : alle mensen overstijgend .

- Jezus zegt : je kent de bepalingen . Jezus verwijst naar de tien geboden van Mozes . In het woord bepaling zit het woord paal ; het is een grenspaal . De bepalingen geven de grenzen aan . Binnen die grenzen is veel mogelijk . De bepaling of grenspaal oversteken is fout . Eerst worden 5 verboden gegeven en dan 1 gebod . Het is toch wel opvallend dat de eerste vier geboden niet worden geciteerd . Misschien is het vanuit de gevoeligheid van de evangelist Marcus die zo voorzichtig omgaat met de naam God . Ook de sabbat wordt niet vernoemd . De tien geboden vind je in Ex 20,2-17 en Dt 5,6-21 . Als laatste komt het gebod over het eren van vader en moeder . Misschien wel terecht in een context van erven .

- De persoon laat het woordje goed bij leermeester weg . Hij heeft de les van Jezus begrepen . Hij antwoordt op de tweede vraag van Jezus : over het onderhouden van de bepalingen . Misschien gaat de persoon ervan uit dat zijn vraag wat hij moet doen nu wel gerealiseerd is . Misschien veronderstelt hij nu wel dat hij eeuwig leven zal erven . Reeds bij het begin kregen we de indruk dat het erven van het eeuwig leven afhankelijk was van de gedragswijze en dat je zo het eeuwig leven kon "afkopen" . De persoon heeft de bepalingen onderhouden , bewaard , bewaakt . Hij lijkt wel een conservator .

- Heeft Jezus zich vergist ? Dacht hij een vrome jood voor zich te hebben ? Dacht hij dat deze persoon naar de geboden van God luisterde , ze in zich opnam en ernaar leefde ? Dacht Jezus dat de persoon de gaven van God in dankbaarheid ontving ? Dacht Jezus dat deze persoon op zijn vraag positief zou antwoorden ? Had Jezus niet door dat hij misschien te maken kon hebben met iemand die ook het eeuwig leven wou erven , bezitten , met iemand die verzamelt en bewaart ? De wijze waarop de persoon zijn dienst aan God beleeft staat toch in schril contrast met de wijze van de beleving van Jezus . Maar dat komt pas tot uiting op het einde van het verhaal . Jezus is uiterst positief gericht en vol verwachting . Hij kijkt de persoon liefdevol aan en zegt : verkoop al wat je bezit , geef het aan de armen , je zult een schat in de hemel hebben en volg mij . Niets bezitten en Jezus volgen betekent zijn lot in Gods handen leggen , alle veiligheden opgeven , niet wetend wat de toekomst zal brengen . In het vroege christendom was er in Jeruzalem een gemeenschap waarin alles gemeenschappelijk was . Hierdoor kwam zij tegemoet aan de noden van de armen . Er was solidariteit .

- Jezus en zijn leerlingen en later de gemeenschap in Jeruzalem kon wellicht leven dank zij de gaven van anderen . Ik heb de indruk dat Jezus wil zeggen dat de grootste schat bestaat in het geven en niet in het verwerven . De persoon kwam naar Jezus met de vraag hoe hij het eeuwig leven kon verwerven . Jezus verwees de persoon naar God . Hij kan eeuwig leven geven .
- De ontmoeting loopt op een sisser uit . De persoon is in Jezus teleurgesteld en gekwetst .
- In dit verhaal wordt duidelijk hoe je met bezittingen , medemensen en God kan omgaan . Ofwel zijn God en medemensen slechts middelen om het 'eigen bezit' te vergroten en is men op zoek om dat te vergroten . Ofwel sta je met een ontvankelijke en gevende houding in het leven , in dankbvaarheid jegens God en medemensen , open voor wat het leven aan verrassingen kan brengen .

Marcus 10,23-31

23 Καὶ περιβλεψάμενος ὁ Ἰησοῦς λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Πῶς δυσκόλως οἱ τὰ χρήματα ἔχοντες εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελεύσονται. (En rondgekeken zegt Jezus aan zijn leerlingen : hoe moeilijk zullen zij die bezittingen hebben binnengaan in het koninkrijk van God.)
23 Καὶ περιβλεψάμενος (wkw med part aor nom mann enk van het wkw periblepô : rondkijken) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) τοῖς (bep lidw dat mann mv) μαθηταῖς (zn dat mann mv van het zn math-ètès leer-ling ; stam m-th) αὐτοῦ (pers vnw: 3de pers gen mann enk) , Πῶς (vrag of onbep vnw van wijze : hoe) δυσκόλως (bw : ontevreden, moeilijk) οἱ τὰ χρήματα (zn acc onz mv van het zn chrèma : gebruiksvoorwerp , ding , benodigheid , bezit) ἔχοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw echô : hebben) εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελεύσονται (wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw eiserchomai : binnengaan) .
- Enerzijds sluit het onderricht aan bij het vorige verhaal over de rijke , maar anderzijds richt Jezus zich opnieuw tot zijn leerlingen zoals in het verhaal over de komst van kinderen tot Jezus en over het binnengaan in het koningschap / koninkrijk van God . Wat Jezus aan de rijke vroeg , was solidariteit met elkaar en het opgeven van het vergaren van rijkdom voor zichzelf . Het gaat om een levenshouding .

24 οἱ δὲ μαθηταὶ ἐθαμβοῦντο ἐπὶ τοῖς λόγοις αὐτοῦ. ὁ δὲ Ἰησοῦς πάλιν ἀποκριθεὶς λέγει αὐτοῖς, Τέκνα, πῶς δύσκολόν ἐστιν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν: (Maar de leerlingen zijn verbijsterd bij zijn woorden . Maar Jezus reageert opnieuw en zegt hen : kinderen , hoe moeilijk is het binnengaan in het koningschap van God.)
24 οἱ δὲ μαθηταὶ (zn nom mann mv van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; stam m-th) ἐθαμβοῦντο (wkw pass ind imperf 3de pers enk van het wkw thambeomai : verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) ἐπὶ τοῖς λόγοις (zn dat mann mv van het zn logos : woord) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . ὁ δὲ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) πάλιν (partikel , opnieuw ; 40X in Mc) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-kri-n-o-mai : antwoorden) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) αὐτοῖς, (pers vnw 3de pers dat mann mv) Τέκνα (zn voc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen) , πῶς (vrag of onbep vnw van wijze : hoe) δύσκολόν (bn nom onz enk van het bn duskolos : ontevreden, moeilijk) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw eiserchomai : binnengaan ; stam aor elth) :
- De leerlingen van Jezus reageren op wat Jezus zegt op dezelfde wijze als de rijke . Maar ze gaan echter niet weg . Maar Jezus herhaalt opnieuw zijn woorden . Die woorden herinneren aan het verhaal over de komst van de kinderen . Daarenboven , hier worden de leerlingen kinderen genoemd ; ze zijn bezig geboren te worden . Blijkbaar hebben de leerlingen nog veel van Jezus te leren

25 εὐκοπώτερόν ἐστιν κάμηλον διὰ [τῆς] τρυμαλιᾶς [τῆς] ῥαφίδος διελθεῖν ἢ πλούσιον εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν. (Het is gemakkelijker dat een kameel door een oog van een naald door te gaan dan dat een rijke binnengaat in het koninkrijk van God .)
25 εὐκοπώτερόν (bn comparatief nom onz enk van het bn eu-kopos : gemakkelijk , zonder moeite) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) κάμηλον (zn acc mann enk van het zn kamèlos : kameel) διὰ (voorzetsel : doorheen) [τῆς] τρυμαλιᾶς (zn gen vr enk van het zn trumalia : gat, oog) [τῆς] ῥαφίδος (zn gen vr enk van het zn rafis : naald) διελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw dierchomai : doorgaan ; stam aor elth) ἢ (partikel ; het 2de deel van de vergelijking inleidend) πλούσιον (bn zelfst gebruikt acc mann enk van het bn plousios : rijk-e) εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw eiserchomai : binnengaan ; stam aor elth) .

26 οἱ δὲ περισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες πρὸς ἑαυτούς, Καὶ τίς δύναται σωθῆναι; (Maar zij raakten overmatig buiten zichzelf en zij zeiden tot elkaar : en wie kan verlost worden ?
26 οἱ δὲ περισσῶς (bw : overmatig, bovenmatig groot) ἐξεπλήσσοντο (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw ekplèssomai : buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen) πρὸς (vz : naar , bij) ἑαυτούς (wederkerig vnw acc mann mv van het vnw heautos : elkaar) . Καὶ τίς (vrag vns nom mann enk : wie) δύναται (wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) σωθῆναι (wkw pass inf aor van het wkw sôzô : redden , verlossen) ;
- Ook nu gaan de leerlingen niet weg . Zij zijn wel overmatig buiten, zichzelf . Ze stellen aan elkaar de vraag : en wie kan verlost worden ? Zij zien niet in dat het mogelijk is geen bezit na te streven maar totaal in solidariteit te leven , gericht op God en mensen . De naam God wordt gebruikt wanneer het individuele overstegen wordt en het universele wordt bedoeld . Het is het vogelperspectief .

27 ἐμβλέψας αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς λέγει, Παρὰ ἀνθρώποις ἀδύνατον ἀλλ' οὐ παρὰ θεῷ, πάντα γὰρ δυνατὰ παρὰ τῷ θεῷ . (Jezus keek hen aan en zegt : bij mensen is het onmogelijk , maar niet bij God , want alles is mogelijk bij God) .
27 ἐμβλέψας ((wkw act part aor nom mann enk van het wkw emblepô : aankijken ; Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,27 ) . αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) , Παρὰ (vz + dat : vanwege) ἀνθρώποις (zn dat mann mv van het zn anthôpos : mens) ἀδύνατον (bn nom onz enk van het bn adunatos : onmogelijk) ἀλλ' (voegw van tegenstelling alla : maar) οὐ (partikel van ontkenning) παρὰ (vz + dat : vanwege) θεῷ (zn dat mann enk van het zn theos : God ; 2X in Mc ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) , πάντα (bn nom onz mv van het bn pas : al , elk) γὰρ (partikel van reden) δυνατὰ (bn nom onz mv van het bn dunatos : mogelijk) παρὰ (vz + dat : vanwege) τῷ θεῷ (zn dat mann enk van het zn theos : God ; 2X in Mc ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) .
- Zinnen als "alles is mogelijk bij God" buiten hun context riepen vele reacties op . Het gaat hier over het loskomen van de gerichtheid om bezit te verwerven . Onder mensen gaat het vaak om concurrentie in plaats van solidariteit . Bij God gaat het om het laatste : solidariteit onder mensen . Het gaat niet om bezit maar om het gebruik van het noodzakelijke .

28 Ἤρξατο λέγειν ὁ Πέτρος αὐτῷ, Ἰδοὺ ἡμεῖς ἀφήκαμεν πάντα καὶ ἠκολουθήκαμέν σοι. (Petrus begon hem te zeggen . Zie , wij verlieten alles en zijn jou gevolgd.)
28 Ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : aanvangen , beginnen) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô : zeggen) (èrxato legein : hij begon te zeggen . Mc (5) : (1) Mc 10,28 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 10,47 . (4) Mc 13,5 . (5) Mc 14,69 ) . ὁ Πέτρος (zn nom mann enk : Petrus) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Ἰδοὺ (tussenwerpsel : zie) ἡμεῖς (pers vn 1ste pers mann mv) ἀφήκαμεν (wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw af-ièmi : af-laten , verlaten) πάντα (bn acc onz mv van het bn pas : al , elk) καὶ ἠκολουθήκαμέν (wkw act ind perf 1ste pers mv van het wkw akoloutheô : volgen) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) .
- Jezus stelde de rijke voor om alles te verkopen , het aan de armen te geven en Jezus te volgen . Petrus sluit bij dat woord aan . Wij hebben alles verlaten en wij zijn jou gevolgd . Wat nu ? Jezus had wel gesproken over een schat in de hemel , maar dat is voor Petrus wellicht niet voldoende . Het is zo vaag en zo verweg .

29 ἔφη ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν, οὐδείς ἐστιν ὃς ἀφῆκεν οἰκίαν ἢ ἀδελφοὺς ἢ ἀδελφὰς ἢ μητέρα ἢ πατέρα ἢ τέκνα ἢ ἀγροὺς ἕνεκεν ἐμοῦ καὶ ἕνεκεν τοῦ εὐαγγελίου, (Jezus zei : voorwaar ik zeg jullie , er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of kinderen omwille van mij en omwille van het evangelie verliet)
29 ἔφη (wkw act imperf 3de pers enk van het wkw fè-mi : zeggen) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) , Ἀμὴν (voorwaar) λέγω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv) , οὐδείς (onbep nw nom mann enk : niemand) ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) ὃς (betrekk vnw nom mann enk) ἀφῆκεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw af-ièmi : af-laten , verlaten) οἰκίαν (zn acc vr enk van het zn oikia : huis) ἢ (partikel : of) ἀδελφοὺς (zn acc mann mv van het zn adelfos : broer) ἢ (partikel : of) ἀδελφὰς (zn acc vr mv van het wkw adelfè : zuster) ἢ (partikel : of) μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) ἢ (partikel : of) πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) ἢ (partikel : of) τέκνα (zn acc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen) ἢ (partikel : of) ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker ; stam : g/k - r) ἕνεκεν (omwille van) ἐμοῦ (pers vnw gen mann enk) καὶ ἕνεκεν (omwille van) τοῦ εὐαγγελίου (zn gen onz enk van het zn euaggelion : goede booschap , evangelie) ,

30 ἐὰν μὴ λάβῃ ἑκατονταπλασίονα νῦν ἐν τῷ καιρῷ τούτῳ οἰκίας καὶ ἀδελφοὺς καὶ ἀδελφὰς καὶ μητέρας καὶ τέκνα καὶ ἀγροὺς μετὰ διωγμῶν, καὶ ἐν τῷ αἰῶνι τῷ ἐρχομένῳ ζωὴν αἰώνιον. (of hij niet honderdvoudig moge ontvangen nu in deze tijd huizen en broers en zussen en kinderen en akkers met vervolgingen en in de komende tijd het eeuwig leven .)
30 ἐὰν (voegw : als , indien) μὴ (partikel van ontkenning : niet) λάβῃ (wkw act conjunct 3de pers enk van het wkw la-m-b-an-ô : nemen , ontvangen) ἑκατονταπλασίονα (bn acc onz mv van het bn hekatontaplasiôn : honderdvoudig) νῦν (bijw van tijd : nu) ἐν τῷ καιρῷ (zn dat mann enk van het zn kairos : tijd , gunstig moment) τούτῳ (aanw vnw dat mann enk van houtos : deze) οἰκίας (zn acc vr mv van het zn oikia : huis) καὶ ἀδελφοὺς (zn acc mann mv van het zn adelfos : broer) καὶ ἀδελφὰς (zn acc vr mv van het wkw adelfè : zuster) καὶ μητέρας (zn acc vr mv van het zn mè-tèr : moe-der) καὶ τέκνα (zn acc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen καὶ ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker) μετὰ (vz : met) διωγμῶν (zn gen mann mv van het zn diôgmos : vervolging) , καὶ ἐν τῷ αἰῶνι (zn dat mann enk van het zn aiôn : tijd , wereld) τῷ ἐρχομένῳ (wkw med part praes dat mann enk van het wkw erchomai : komen) ζωὴν (zn acc vr enk van het zn zôè : leven) αἰώνιον (bn acc vr enk van het bn aiônios : eeuwig) .
- Het gaat om de levenshouding van ontvangen . Het gaat niet om individueel bezit maar om gemeenschappelijk bezit en misschien zelfs dat niet ; misschien gaat het om een solidaire samenleving , waarin het delen en het gebruik belangrijker is dan het bezit .

31 πολλοὶ δὲ ἔσονται πρῶτοι ἔσχατοι καὶ [οἱ] ἔσχατοι πρῶτοι. (Vele eersten zullen laatsten zijn en de laatsten zullen eersten zijn.)
31 πολλοὶ (bn nom mann mv van het bn polus : veel ; stam p/v - l) δὲ ἔσονται (wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) πρῶτοι (rangtelwoord nom mann mv van prôtos : eerste) ἔσχατοι (bn nom mann mv van het bn eschatos : laatste) καὶ [οἱ] ἔσχατοι (bn nom mann mv van het bn eschatos : laatste) πρῶτοι (rangtelwoord nom mann mv van prôtos : eerste) .
- Er zijn twee levenshoudingen : die van het nooit vervulde verlangen naar bezit en die van solidariteit . Wie maar alles wil bezitten , zal verliezen ; wie durft geven en solidair zijn , zal ontvangen .

Vertaling Marcus 10,23-31 : onderricht

23 En rondgekeken zegt Jezus aan zijn leerlingen : hoe moeilijk zullen zij die bezittingen hebben binnengaan in het koninkrijk van God.

24 Maar de leerlingen zijn verbijsterd bij zijn woorden . Maar Jezus reageert opnieuw en zegt hen : kinderen , hoe moeilijk is het binnengaan in het koningschap van God.

25 Het is gemakkelijker dat een kameel door een oog van een naald door te gaan dan dat een rijke binnengaat in het koninkrijk van God .

26 Maar zij raakten overmatig buiten zichzelf en zij zeiden tot elkaar : en wie kan verlost worden ?

27 Jezus keek hen aan en zegt : bij mensen is het onmogelijk , maar niet bij God , want alles is mogelijk bij God .

28 Petrus begon hem te zeggen . Zie , wij verlieten alles en zijn jou gevolgd.

29 Jezus zei : voorwaar ik zeg jullie , er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of kinderen omwille van mij en omwille van het evangelie verliet .

30 of hij niet honderdvoudig moge ontvangen nu in deze tijd huizen en broers en zussen en kinderen en akkers met vervolgingen en in de komende tijd het eeuwig leven .

31 Vele eersten zullen laatsten zijn en de laatsten zullen eersten zijn.

Structuur

  Mc 10,2-12  Mc 10,17-22  Mc 10,35-45   Mc 10,13-16 Mc 10,23-31
inleiding      35.      
      36.  ho de (hij echter)      
A : vraag Mc 10,2  ... epèrôtôn auton (vroegen hem) ... 17.  epijroota auton (vroeg hem) 37. hoi de (zij echter) A 13a 23.
B : wedervraag 3. ho de  (hij echter) 18.  ho de (hij echter) 38. ho de (hij echter)  B 13b. 24a
        C   24b-25
B' : antwoord op wedervraag 4a. hoi de  (zij echter) 20. ho de (hij echter)   39a. hoi de (zij echter) B' 14-15 26
A' : antwoord op de beginvraag  4b. ho de (hij echter)  11- 12 21. ho de (hij echter)  39b-40. ho de (hij echter)  A' 16 27
   265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 // Mt 19,3-9  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 // Mt 20,20-23   267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27

Commentaar Marcus 10,23-31 : onderricht

- Enerzijds sluit het onderricht aan bij het vorige verhaal over de rijke , maar anderzijds richt Jezus zich opnieuw tot zijn leerlingen zoals in het verhaal over de komst van kinderen tot Jezus en over het binnengaan in het koningschap / koninkrijk van God . Wat Jezus aan de rijke vroeg , was solidariteit met elkaar en het opgeven van het vergaren van rijkdom voor zichzelf . Het gaat om een levenshouding .

- De leerlingen van Jezus reageren op wat Jezus zegt op dezelfde wijze als de rijke . Maar ze gaan echter niet weg . Maar Jezus herhaalt opnieuw zijn woorden . Die woorden herinneren aan het verhaal over de komst van de kinderen . Daarenboven , hier worden de leerlingen kinderen genoemd ; ze zijn bezig geboren te worden . Blijkbaar hebben de leerlingen nog veel van Jezus te leren . Om zijn woorden kracht bij te zetten gebruikt Jezus het beeld van de kameel die door het nauwe poortje van een poort van Jeruzalem de stad kan binnegaan .

- Ook nu gaan de leerlingen niet weg . Zij zijn wel overmatig buiten, zichzelf . Ze stellen aan elkaar de vraag : en wie kan verlost worden ? Zij zien niet in dat het mogelijk is geen bezit na te streven maar totaal in solidariteit te leven , gericht op God en mensen . De naam God wordt gebruikt wanneer het individuele overstegen wordt en het universele wordt bedoeld . Het is het vogelperspectief .

- Zinnen als "alles is mogelijk bij God" buiten hun context riepen vele reacties op . Het gaat hier over het loskomen van de gerichtheid om bezit te verwerven . Onder mensen gaat het vaak om concurrentie in plaats van solidariteit . Bij God gaat het om het laatste : solidariteit onder mensen . Het gaat niet om bezit maar om het gebruik van het noodzakelijke .

- Jezus stelde de rijke voor om alles te verkopen , het aan de armen te geven en Jezus te volgen . Petrus sluit bij dat woord aan . Wij hebben alles verlaten en wij zijn jou gevolgd . Wat nu ? Jezus had wel gesproken over een schat in de hemel , maar dat is voor Petrus wellicht niet voldoende . Het is zo vaag en zo verweg .

- Het gaat om de levenshouding van ontvangen . Het gaat niet om individueel bezit maar om gemeenschappelijk bezit en misschien zelfs dat niet ; misschien gaat het om een solidaire samenleving , waarin het delen en het gebruik belangrijker is dan het bezit .

- Er zijn twee levenshoudingen : die van het nooit vervulde verlangen naar bezit en die van solidariteit . Wie maar alles wil bezitten , zal verliezen ; wie durft geven en solidair zijn , zal ontvangen .

Mc 10,32. ησαν δὲ ἐν τῇ ὁδῷ ἀναβαίνοντες εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ἦν προάγων αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐθαμβοῦντο, οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες ἐφοβοῦντο. καὶ παραλαβὼν πάλιν τοὺς δώδεκα ἤρξατο αὐτοῖς λέγειν τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν, 
- ησαν δὲ ἐν τῇ ὁδῷ ἀναβαίνοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ἦν προάγων (wkw act part praes van het wkw proagôi : voorleiden) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὁ Ἰησοῦς, (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) καὶ ἐθαμβοῦντο (wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw thambeomai : verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) , οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες  (act ind part praes nom mann mv van het wkw akoloutheô : volgen) ἐφοβοῦντο (dep ind imperf 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) . καὶ παραλαβὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw para-la-m-ba-n-ô : naast zich nemen) πάλιν τοὺς δώδεκα ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) αὐτοῖς λέγειν (act inf praes van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν (wkw act inf praes van het wkw sumbainô : samengaan ; bainô : Ned.: banen (?), 

Mc 10,33 ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν (wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδοθήσεται τοῖς ἀρχιερεῦσιν καὶ τοῖς γραμματεῦσιν, καὶ κατακρινοῦσιν αὐτὸν θανάτῳ καὶ παραδώσουσιν αὐτὸν τοῖς ἔθνεσιν 
- ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ  ὁ (bep lidw nom mann enk) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) παραδοθήσεται (pass ind fut 3de pers enk van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) τοῖς ἀρχιερεῦσιν (zn dat mann mv van het zn arch-iereus : hoge-priester) καὶ τοῖς γραμματεῦσιν (zn dat mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; zie gra-mma : geschrift ; stam : gra-): , καὶ κατακρινοῦσιν (act ind fut 3de pers mv van het wkw katakrinô : oordelen tegen , veroordelen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk)  θανάτῳ (dat.  mann. enk. thanatôi (ter dood) van het zelfst. naamw. thanatos : dood ; stam : tha , zie het wkw apo-th-n-è-sk-ô : sterven) )καὶ παραδώσουσιν (act  ind fut 3de pers mv van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) τοῖς ἔθνεσιν (zn dat mann mv van het zn ethnos : heidenvolk)  

Mc 10,34 καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν καὶ ἀποκτενοῦσιν, καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται. 
- καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw  emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Hebr. raq (speeksel) ; râqaq (spuwen) . Gr. emptuô < en-ptuô . Lat. conspuere < con -spuere . Ned. spuwen . Eerste lijdensaankondiging : Mc 10,34 : emptusousin (zij zullen bespuwen) // Lc 18,32 : emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . Uitvoering : Mc 14,65 : emptuein (bespuwen) . // Mt 26,67 : Tote eneptusan eis to prosôpon autou = Toen spuwden ze naar /in zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de prosôpon mou ouk apestrepsa apo aischunès emptusmatôn : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen . Ook Mt 27,30 : emptusantes eis auton (naar / op hem gespuwd) . In al deze verzen komt de vorm slechts 1X voor in de bijbel) .αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ ἀποκτενοῦσιν (wkw act. ind. fut. 3de pers. mv. apoktenousin (zij zullen doden) van het werkw. apokteinô (doden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits : töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors , mortis) .
Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 . καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται (med ind fut 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) . 

Mc 10,35 Καὶ προσπορεύονται αὐτῷ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης οἱ υἱοὶ Ζεβεδαίου λέγοντες αὐτῷ, Διδάσκαλε, θέλομεν ἵνα ὃ ἐὰν αἰτήσωμέν σε ποιήσῃς ἡμῖν. (En Jakobus en Johannes , de zonen van Zebedeüs , begeven zich op weg naar hem en zeggen hem : "Leermeester , wij willen dat jij voor ons zoudt doen wat wij in geval je zouden vragen)
- Καὶ (nevensch vw : en) προσπορεύονται (wkw med ind. praes. 3de pers. mv. prosporeuontai : zij begeven zich op weg naar , van het werkw. prosporeuomai : zich op weg begeven naar ; dit is de enigste vorm in Mc.) αὐτῷ  (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) : hem , van het pers. vnw autos) Ἰάκωβος  (zn nom. mann. enk. iakôbos : Jakobus . Mc (2) : (1) Mc 10,35 . (2) Mc 13,3 . Er zijn twee Jakobussen : - Jakobus , zoon van Zebedeüs , broer van Johannes . Jakobus , zoon van Alfeüs) καὶ (nevensch vw : en) Ἰωάννης (zn nom. mann. enk. Iôannès :Johannes) οἱ  (bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) υἱοὶ (zn nom. mann. mv. huioi (zonen) van het zn. huios : zoon) Ζεβεδαίου (zn gen. mann. enk. zebedaiou : Zebedeüs , van het zn. zebedaios : Zebedeüs) λέγοντες (wkw act. part. praes. nom. mann. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô : zeggen ; stam : leg en ep) ) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos), Διδάσκαλε (zn voc. mann. enk. didaskale : leermeester) van het zn. didaskalos : leraar , leermeester) , θέλομεν (wkw act. ind. praes. 1ste pers. mv.  : (wij willen , van het wkw. thelô :willen) ἵνα (voegw van doel)  ὃ (betrekk. vmw. acc. onz. enk) ἐὰν (voegw van voorwaarde) αἰτήσωμέν (wkw act. conj. aor. 1ste pers. mv. aitèsômen : wij vragen , van het werkw. aiteô : vragen, bedelen) σε (pers. vmw. acc. mann enk. se :jou) ποιήσῃς (wkw act. conj. aor. 2de pers. enk. poièsè(i)s  (jij doet) van het werkw. poieô :doen, maken) ἡμῖν ( pers. vmw. dat. mann mv. hèmin : ons van het pers. vmw hèmeis) .
-- Samengestelde wkw. van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) .
--- eisporeuomai (zich op weg begeven) . Verschillende vormen in 8 verzen in Mc .
--- ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Verschillende vormen in 11 verzen in Mc .
--- paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Verschillende vormen in 4 verzen .
--- prosporeuomai (zich op weg begeven naar) . In 1 vorm in Mc .
-- wat je zou ... vragen , willen , doen , geven .
- Mc 6,22 : aitèson me ho ean thelè(i)s (vraag mij wat je zou willen) kai dôsô soi (en ik zal het je geven) . De vraag van Herodes aan de dochter van Herodias .
- Mc 6,23 : ho ti ean me aitè(i)sès dôsô soi (wat je me zoudt vragen , ik zal het jou geven) .
- Mc 10,35 : thelomen hina ho ean aitèsômen se poièsè(i)s .hèmin (wij willen opdat je zoudt willen doen wat wij je zouden vragen) . De vraag van Jakobus en Johannes aan Jezus . In Mc 10,37 staat de vraag met iets geven te maken : dos hèmin (geef ons) .
-- Relatie van vragen en doen in Mc 15,8 : èrxato aiteisthai kathôs epoiei autois (het begon te vragen zoals hij voor hen deed) . Op dit verzoek van het volk stelt Pilatus hij het voor de keuze voor tussen Barabbas of Jezus
-- nom. mann. enk. iakôbos (Jakobus) . Mc (2) : (1) Mc 10,35 . (2) Mc 13,3 . In Mc 10,35 worden de twee broers zonen van Zebedeüs genoemd . Zo verwijst dit naar Mc 1,19 - Mc 1,20 .

Mc 10,36 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Τί θέλετέ [με] ποιήσω ὑμῖν; (Hij echter zei hen : wat willen jullie ? Wat zal ik voor jullie doen?)
- ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Τί (vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw tis , ti : wie wat ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) θέλετέ (wkw act. ind. praes. 2de pers. mv (jullie willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) [με (pers vnw acc mann enk)] ποιήσω (wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw poieô : doen , handelen) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) ; 

Mc 10,37 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δὸς ἡμῖν ἵνα εἷς σου ἐκ δεξιῶν καὶ εἷς ἐξ ἀριστερῶν καθίσωμεν ἐν τῇ δόξῃ σου. (zij echter zeiden hem : geef ons opdat wij zouden zitten één aan jouw rechterkant , de ander aan jouw linkerkant ) .
-  οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπαν (act ind 2de aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos) , Δὸς (wkw act imperat aor : geef , van het werkw. didômi : geven; stam : do- , zie Lat.: dare , donum) ἡμῖν (pers vnw 1ste pers dat mv : aan ons) ἵνα (onderschikk voegw van doel : opdat) εἷς (hoofdtelw : één)  σου (pers vnw gen mann enk : van u) ἐκ (vz van plaats : uit , vanuit) δεξιῶν (gen. mv. : rechts , van het bv nw dexios : rechts) καὶ (nevensch vw : en) εἷς (hoofdtelw : één) ἐξ (vz van plaats vóór een klinker : uit , vanuit) ἀριστερῶν (zn gen. mv. aristerôn : links , van het bv nw aristeros : links, linker . Mc (1) : Mc 10,37) καθίσωμεν  (act. conj. aor. 1ste pers. mv. :wij zouden zitten , van het werkw. kathizô : zitten) ἐν (vz van plaats : in) τῇ (bep lidw dat vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de /het) δόξῃ (zn dat vr enk van het zn doxè : heerlijkheid) σου (pers vnw gen mann enk)
-- en tè(i) doxè(i) (in de heerlijkheid van ... Mc (2) : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 10,37 .
-- - act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos : geef , van het werkw. didômi : geven . Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,37 .

Mc 10,38 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Οὐκ οἴδατε τί αἰτεῖσθε. δύνασθε πιεῖν τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω, ἢ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθῆναι; (Jezus echter zei hen : Jullie weten niet wat jullie vragen : kunnen juliie de beker drinken die ik drink of het doopsel dat ik zal dopen om gedoopt te worden ) ;
- ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen acc onz enk leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Οὐκ (partikel van ontkenning vóór een klinker) οἴδατε (act. ind. aor 2de pers. mv. oidate : jullie weten , van het werkw. oida : ik weet ; stam : w - d/t) τί  (vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw tis , ti : wie wat ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) αἰτεῖσθε (med ind praes 2de pers mv , van het werkw. aiteô : vragen, bedelen) δύνασθε (wkw med of pass ind praes 2de pers mv : jullie kunnen , van het wkw dunami : kunnen) πιεῖν (wkw act inf aor van het wkw pinô : drinken) : τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) ποτήριον (zn acc. onz. enk. potèrion : beker) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) πίνω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw pinô : drinken) , ἢ (partikel van vergelijking) τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) βάπτισμα  (zn acc. onz. enk. baptisma : doopsel) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) βαπτίζομαι (pass. ind. praes. 1ste pers. enk. : ik word gedoopt , van het werkw. baptizô : dopen)  βαπτισθῆναι (pass. inf. aor. : om gedoopt te worden , van het wkw baptizô : dopen)

Mc 10,39 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δυνάμεθα. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω πίεσθε καὶ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθήσεσθε, (Zij echter zeiden hem . Wij kunnen dat . Jezus echter zei hen : de beker die ik drink zullen jullie drinken en het doopsel dat ik gedoopt word zullen jullie gedoopt worden.)
- οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπαν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos) , Δυνάμεθα. ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) ,  τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) ποτήριον (zn acc. onz. enk. potèrion : beker) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) πίνω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw pinô : drinken) πίεσθε (wkw act ind fut 2de pers mv : jullie zullen drinken , van het wkw pinô : drinken) καὶ  (nevensch vw : en) τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) βάπτισμα  (zn acc. onz. enk. baptisma : doopsel) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) βαπτίζομαι (pass. ind. praes. 1ste pers. enk. : ik word gedoopt , van het werkw. baptizô : dopen) βαπτισθήσεσθε ( (wkw pass ind fut 2de pers mv : jullie zullen gedoopt worden , van het wkw baptizô : dopen) .
-- ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 12,17 . In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in . In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden : is het toegelaten...) . In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in .

Mc 10,40 τὸ δὲ καθίσαι ἐκ δεξιῶν μου ἢ ἐξ εὐωνύμων οὐκ ἔστιν ἐμὸν δοῦναι, ἀλλ' οἷς ἡτοίμασται. (<wat echter het zitten aan mijn rechter- of aan mijn linkerkant , het is niet het mijne om te geven , maar voor wie het werd bereid.)
- τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) καθίσαι (wkw act inf aor : zitten , van het werkw. kathizô : zitten) ἐκ (vz van plaats : uit , vanuit) δεξιῶν (gen. mv. : rechts , van het bv nw dexios : rechts)  μου (pers vns gen mann enk : van mij) ἢ (partikel van vergelijking)  ἐξ (vz van plaats vóór een klinker : uit , vanuit) εὐωνύμων (zn gen. mv. : links geplaatst , van het bv nw euônumos : links geplaatst , linker . Mc (1) : Mc 10,37) οὐκ (partikel van ontkenning vóór een klinker)  ἔστιν (wkw act ind praes 3de pers enk : het is , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἐμὸν (bezitt vnw 1ste pers onz enk : het mijne) δοῦναι (wkw act. inf. aor. dounai : om te geven , van het werkw. didômi : geven; stam : do-) , ἀλλ' (nevensch voegw van tegenstelling , alla : maar)  οἷς (betrekk vnw dat mann mv : voor wie) ἡτοίμασται (wkw pass ind perf 3de pers enk : het is bereid geworden van het wkw hetoimazô : bereiden) .

Mc 10,41 Καὶ ἀκούσαντες οἱ δέκα ἤρξαντο ἀγανακτεῖν περὶ Ἰακώβου καὶ Ἰωάννου. 
- Καὶ (nevensch voegw : en)  ἀκούσαντες (act part aor nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δέκα (hoofdtelw : tien)  ἤρξαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw archomai = beginnen) ἀγανακτεῖν (wkw act ind praes van het wkw aganaktô : verontwaardigd zijn , zich ergeren) περὶ (voorzetsel : over ; stam : p/v - r) Ἰακώβου (zn gen mann enk van de eigennaam iakôbos : Jakobus) .καὶ (nevensch. vw : en) Ἰωάννου (zn gen mann enk van de eigennaam Iôannès : Johannes) .

Mc 10,42 καὶ προσκαλεσάμενος αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οἴδατε ὅτι οἱ δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν καὶ οἱ μεγάλοι αὐτῶν κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν. 
- καὶ (nevensch voegw : en) προσκαλεσάμενος (wkw med part aor nom. mann. enk. proskalesamenos : samengeroepen , van het werkw. proskaleomai : bij zich roepen) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het)  Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Οἴδατε (act. ind. aor 2de pers. mv. oidate : jullie weten , van het werkw. oida : ik weet ; stam : w - d/t) ὅτι (ondergeschikt voegw om acc-zin in te leiden) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν (pers. vnw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos) καὶ (nevensch voegw : en) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) μεγάλοι αὐτῶν (pers. vnw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos) κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν (pers. vnw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos) . 
--

Mc 10,43 οὐχ οὕτως δέ ἐστιν ἐν ὑμῖν: ἀλλ' ὃς ἂν θέλῃ μέγας γενέσθαι ἐν ὑμῖν, ἔσται ὑμῶν διάκονος, (niet op deze wijze echter is hij echter onder jullie , maar wie groot zou willen worden onder jullie , hij zal dienaar van jullie zijn)
- οὐχ (partikel van ontkenning vóór een spiritus asper) οὕτως (bijw. van vergelijking : op deze wijze) δέ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἐν (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) : ἀλλ' (voegw van tegenstelling : maar) ὃς (betrekk vnw nom mann enk : wie) ἂν (partikel van mogelijkheid) θέλῃ (wkw act. conj. praes. 3de pers. enk. thelè(i) (hij zou willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) μέγας (bijv nw nom mann enk : groot) γενέσθαι (med inf aor van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam : gen) ἐν  (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) , ἔσται (wkw act ind fut 3de pers enk : hij zal zijn , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ὑμῶν (pers vnw 2de pers gen mann mv : van u ; Ned. : u) διάκονος (zn nom mann enk : dienaar) , 

Mc 10,44 καὶ ὃς ἂν θέλῃ ἐν ὑμῖν εἶναι πρῶτος, ἔσται πάντων δοῦλος: (en wie zou willen zijn onder jullie eerste , hij zal van allen dienaar zijn)
- καὶ (nevensch voegw : en) ὃς (betrekk vnw nom mann enk : wie) ἂν (partikel van mogelijkheid) θέλῃ (wkw act. conj. praes. 3de pers. enk. thelè(i) (hij zou willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) ἐν (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn ; stam : es-) πρῶτος (rangtelw nom mann enk : eerste ; Lat.: primus) , ἔσται (wkw act ind fut 3de pers enk : hij zal zijn , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) πάντων (bijv nw zelfstandig gebruikt gen mann mv : van allen , van het bijv nw pas , pasa , pan : ieder , elk , al) δοῦλος (zn nom mann enk : slaaf, dienaar) :

Mc 10,45 καὶ γὰρ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου οὐκ ἦλθεν διακονηθῆναι ἀλλὰ διακονῆσαι καὶ δοῦναι τὴν ψυχὴν αὐτοῦ 

λύτρον ἀντὶ πολλῶν. (want ook de mensenzoon kwam niet om te worden gediend , maar om te dienen en zijn leven te geven ter wille van velen)
- καὶ (nevensch voegw : en) γὰρ (nevensch voegw van reden)  ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) οὐκ (partikel van ontkenning vóór een klinker) ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er)  διακονηθῆναι (wkw pass inf aor : om gediend te worden , van het wkw diakoneô : dienen) ἀλλὰ (nevensch voegw van tegenstelling : maar) διακονῆσαι (wkw act inf aor : om te dienen , van het wkw diakoneô : dienen) καὶ (nevensch voegw : en) δοῦναι (wkw act. inf. aor. dounai : om te geven , van het werkw. didômi : geven; stam : do-) τὴν (bep lidw acc vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ψυχὴν (zn acc. vr. enk. van het zn. psuchè : adem, geest, leven) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk : van hem , van het pers vnw autos) λύτρον (zn acc. onz. enk. lutron : losprijs)  ἀντὶ (voorzetsel : ter wille van , tegenover) πολλῶν (bijv nw zelfstandig gebruikt gen. mv. pollôn : van velen , van het bijv nw polus : veel ; stam : p/v - l) ) .

Mc 10,46-52 : de blinde Bartimeüs

46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ. καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν. 47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με. 48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με. 49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε. 50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν. 51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω. 52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ.

Mc 10,46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν. (en zij gaan naar Jericho en terwijl hij en zijn leerlingen en een talrijke menigte zich op weg begeeft uit Jericho zat de zoon van Timaios , Bartimeüs , een blinde bedelaar , langs de weg .)
- Καὶ  (nevensch voegw : en) ἔρχονται (wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw erchomai : gaan ; wkw-tijden met 2 verschillende styammen : erch- en el- ; zie Bayerens nr. 133) εἰς (voorzetsel van plaats : naar) Ἰεριχώ (plaatsnaam : Jericho : de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua , zie Joz 6) . καὶ  (nevensch voegw : en) ἐκπορευομένου (wkw med part praes gen mann enk ekporeuomenou van het wkw ekporeuomai (zich op weg begeven uit) ; voorzetsel ek = uit + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zn poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) ἀπὸ (voorzetsel van plaats - verwijdering : vanaf ; apo en Ned. af) Ἰεριχὼ (plaatsnaam : Jericho) καὶ  (nevensch voegw : en) τῶν (bep lidw gen mann tôn (de) . Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) μαθητῶν (zn gen mann mv van het zn nw mathè-tès : leer-ling, wkw ma-n-th-an-ô: leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) καὶ (nevensch voegw : en) ὄχλου (zn gen mann enk van het zn ochlos : massa , menigte) ἱκανοῦ (bijv nw gen mann enk hikanou van het bijv nw hikanos : voldoende, talrijk) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) υἱὸς (zn nom mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Τιμαίου (eigennaam gen mann enk ; - aios : zn -> bijv nw : eervol) Βαρτιμαῖος (eigennaam Bartimeüs . Letterlijk : een eervolle zoon ; een Aramees woord nL bar + een Grieks bijvoegl nw timaios) τυφλὸς (zn nom mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) προσαίτης (zn nom mann enk : bedelaar ; zie wkw aiteô : vragen , bedelen + voorzetsel pros : naar) ἐκάθητο (wkw med ind imperfect 3de pers enk εκαθητο = ekathèto  (hij zat) van het wkw. καθημαι = kathèmai : zich zetten, gaan zitten, zitten) παρὰ (voorzetsel van plaats : langs , naast) τὴν (bep lidw acc vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) ὁδόν (zn acc vr enk van het zn hodos : weg) .
-- erchontai + eis (naar) + plaatsbepaling :
(1) Mc 5,38 (erchontai eis ton oikon...= zij gaan naar het huis van de overste van de synagoge) .
(2) Mc 8,22 (erchontai eis tèn Betsaïdan = zij gaan naar Betsaïda) .
(3) Mc 10,46 (erchontai eis Ierichô = zij gaan naar Jericho) .
(4) Mc 11,15 (erchontai eis Hierosoluma = zij gaan naar Jeruzalem) .
(5) Mc 11,27 (erchontai palin eis Hierosoluma = zij gaan opnieuw naar Jeruzalem) .
(6) Mc 14,32 (erchontai eis chôrion hou to onoma Gethsèmani = zij gaan naar de plaats waarvan de naam Getsemani) .
In Mc 8,22 en Mc 10,46 staat de zin aan het begin van de pericope . Hierop volgt telkens een verhaal van de genezing van een blinde . Na de pericope Mc 8,22-26 volgt de pericope van de belijdenis van Petrus . In de pericope Mc 10,46-52 staan we voor de poorten van Jeruzalem . Op deze pericope volgt de intrede van Jezus in Jeruzalem
-- ekporeuomenou autou = terwijl hij (Jezus) zich naar buiten op weg begeeft . Losse genitief in Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . In Mc 10,17 vertrekt Jezus uit een huis in de streek van Juda , in Mc 10,46 uit de stad Jericho en in Mc 13,1 uit de tempel van Jeruzalem . Mc 10,17 leidt het verhaal van de rijke man in , die Jezus uiteindelijk niet zal volgen . Mc 10,46 leidt het verhaal van de blinde Bartimeüs in , die Jezus zal volgen . Mc 13,1 leidt het verhaal van de voorzegging van het einde van de tempel in .
-- Jezus , het volk en de leerlingen bijeen :
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen het volk met zijn leerlingen) in Mc (1) : Mc 8,34 .
- in de losse genitief : autou ... kai tôn mathètôn autou kai ochlou hinaou (hij zelf en zijn leerlingen en een talrijke menigte) in Mc (1) : Mc 10,46 .
-- In Mc 8,22-26 wordt de blinde bij Jezus gebracht en wordt hij door Jezus genezen zonder enige inbreng van de blinde zelf . In Mc 10,46-52 komt de blinde na herhaaldelijk aandringen bij Jezus en spreekt de blinde zijn verlangen uit om te zien .
- In het verhaal van Bartimeüs gaat het om zien . In het verhaal van het 'lege' graf is meerdere malen sprake van zien (Mc 16,1-8) .
- Bartimeïs zit in de marge . De anderen bevinden zich op de weg . Wat is het marginale (vertolkt door Bartimeus) dat door Jezus de hoofdstroom zal worden , want Jezus brengt Bartimeüs op de weg . Veronderstel dat de blinde bedelaar Bartimeüs met Jezus is meegegaan en Jezus is gevolgd tot aan het graf en dat hij het is die zegt : "Hij is niet hier . Hij gaat u voor naar Galilea . Daar zult gij hem zien." dan zou hij wel eens de eerste "gelovige" zijn die getuigt dat Jezus verder leeft over de dood heen . De hoofdstroom wordt het geloof in de verder levende Jezus nl in zijn vroegere leefmilieu . Bartimeüs zou dus kunnen staan voor de metamorfose van de groep leerlingen rond Jezus : van hun mening dat het met Jezus gedaan is met zijn kruisdood naar het geloof dat hij in hun gemeenschap verder leeft . Dat komt tot uiting bij het breken van het brood en het delen van de beker.
- De rijke jongeling werd uitgenodigd om alles te verkopen en Jezus te volgen . Hij deed het niet . Doordat Jezus alles losliet , konden gemeenschappen van delen ontstaan . Dat zag de rijke jongeling niet .
- In Mc 16,5 zien de vrouwen een jongeling zitten aan de rechterkant van de plaats waar ze Jezus hebben neergelegd , omwikkeld met een wit kleed . In Mc 10,46 lezen we : de zoon van Timeûs , Bartimeüs , zat langs de weg (waarlangs Jezus zou komen) (met een mantel om zich heen) .

Mc 10,47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με. (en gehoord hebbende dat het Jezus de Nazarener is , begon hij te roepen en te zeggen : "Zoon van David, ontferm u over mij".)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀκούσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) ὅτι (voegwoord dat een objectszin inleidt) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ναζαρηνός (zn nom mann enk : Nazarener ; uit Nazara - ènos) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : aanvangen , beginnen) κράζειν (wkw inf praes van het wkw krazô = krijsen) καὶ (nevensch voegw : en) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Υἱὲ (zn voc mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Δαυὶδ (zn eigennaam David ; getalswaarde 14) Ἰησοῦ (voc mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) , ἐλέησόν (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw eleô : zich ontfermen over) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) .
- Nog een verband tussen dit verhaal van de blinde Bartimeüs met het lege grafverhaal : In Mc 16,6 zegt de jongeling : "Jij zoekt Jezus de Nazarener". Blijkbaar kent de jongeling Jezus zoals in Mc 10,47.

Mc 10,48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με. (en velen berispen hem opdat hij zou zwijgen ; hij echter riep des te meer : "zoon van David , ontferm u over mij".)
- καὶ  (nevensch voegw : en) ἐπετίμων (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw epitimaô : eren , berispen , vermanen) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) πολλοὶ (bn nom mann mv van het bn polus : veel ; stam p/v - l) ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) σιωπήσῃ (wkw act iconjunct aor 3de pers enk van het wkw siiôpaô : zwijgen) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) πολλῷ (bn dat onz enk van het bn polus : veel ; stam p/v - l) μᾶλλον (bijw : meer) ἔκραζεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw krazô = krijsen) , Υἱὲ (zn voc mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Δαυίδ (zn eigennaam David ; getalswaarde 14) , ἐλέησόν (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw eleô : zich ontfermen over) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) .

Mc 10,49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε. (en Jezus staande zei : roept hem , en zij roepen de blinde zeggende hem : heb goede moed , sta op , hij roept je .)
- καὶ  (nevensch voegw : en) στὰς (wkw act part aor nom mann enk : staande , van het wkw istèmi : staan ; stam : sta-) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Φωνήσατε (wkw act imperat aor 2de pers mv  fônèsate (roept) van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw autos) . καὶ  (nevensch voegw : en) φωνοῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv : zij roepen , van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) τυφλὸν (zn acc mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Θάρσει (wkw act imperat praes. 2de pers. enk. tharsei : heb moed , van het wkw tharseô : vol goede moed zijn , moed hebben), ἔγειρε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw egeirô = opwekken , 'opstaan') , φωνεῖ (wkw act ind praes 3de pers enk : hij roept , van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) .

Mc 10,50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν. (Hij echter afgeworpen zijn mantel , op zijn voeten gestaan kwam naar Jezus .)
- (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) ἀποβαλὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ballô : werpen) τὸ (bep lidw onz mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) ἱμάτιον (zn acc onz enk van het zn kledingstuk , mantel) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) ἀναπηδήσας (wkw act part aor nom mann enk anapèdèsas : opgesprongen , van het werkw. anapèdaô : opspringen , op zijn poten komen) ἦλθεν (wkw med ind aor 3de pers enk ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er) πρὸς (voorzetsel van plaats : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦν (acc mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) .

Mc 10,51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω. (en geantwoord zei Jezus hem : Wat wil jij dat ik voor jou doe ? De blinde echter zei hem : Mijn Heer , opdat ik opkijk .)
- καὶ  (nevensch voegw : en) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-krin-o-mai : antwoorden) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Τί (vrag vnw acc onz enk : wat) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) θέλεις (wkw act ind praes 2de pers enk : jij wilt , van het wkw thelô : willen ; Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will) ποιήσω (wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw poieô : doen , handelen) ; (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) τυφλὸς (zn nom mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Ραββουνι (Aramees : mijn Heer) , ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) ἀναβλέψω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk : ik zou opkijken , van het wkw ana-blepô : op-zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en)

Mc 10,52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ. (en Jezus zei hem : Ga , jouw geloof heeft jou blijvend gered en hij keek onmiddellijk op en hij volgde Jezus op de weg .)
- καὶ (nevensch voegw : en) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Υπαγε (wkw act imperat  praes 2de pers enk hupage : ga weg, vertrek , van het wkw. hupagô : onder iets brengen, weggaan) , ἡ (bep lidw nom vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) πίστις (zn nom vr enk , pi-s-t-is : geloof , vertrouwen ; Lat. fid-es , Fr. foi) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) . σέσωκέν (wkw act ind perf 3de pers enk , van het wkw sôdzô : redden ; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het wkw jâsj`a en sôdzô: redden; stam sj) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) καὶ (nevensch voegw : en) εὐθὺς (bijv nw als bijwoord, onmiddellijk) ἀνέβλεψεν (wkw act ind aor 3de pers enk : hij keek op , van het wkw ana-blepô : op-zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) , καὶ (nevensch voegw : en) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) ἐν (voorzetsel van plaats : in , op) τῇ (bep lidw dat vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) ὁδῷ (zn dat vr enk van het zn hodos : weg) .

 

Bibliografie )

1. Bienvenue sur le site de L'antiquité grecque et latine . Du moyen âge . de Philippe Remacle... http://remacle.org/ .

M

- -ma : suffix -μα , gen. : -ματος = -ma , gen. : -matos . Zie TvH , 62-64 , 185-186 .

T

- -tès : suffix - , gen. : - = tès, gen. : tètos. Zie TvH , 56-58 , 189 .
-- math- è -tès . In het Ned. niet matheet (zoals poëet , profeet) . leer-ling .