GRIEKS : PROGRAMMA - ANALYSE :
Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm

- PROGRAMMA

Hartelijk welkom ben je bij de lezersgroep Grieks . Op elk moment mag je aansluiten bij het groepje van 8 . De meeste deelnemers worstelen nog met werkwoordvormen .

Ziehier de data voor Grieks voor het werkjaar 2017-2018 bij Theo om 14:00 - 16:00 u. , in principe op de EERSTE woensdag van de maand (mits enkele uitzonderingen):

  1. woensdag 6 juni 2018

Begeleiding : Arseen De Kesel . E-mail : arseen.de.kesel@telenet.be . Tel : 0485/729030 .

De bijeenkomsten gaan door bij Theo Mathijs , Sint Kwintens-heideweg 54, 3520 Zonhoven . E-mail : mathijstheo@hotmail.com . Tel : 0476/979926 .

Neem contact op met Arseen De Kesel of Theo Mathijs .

- ANALYSE

AFKORTINGEN
acc = accusatief . act = actief . aor =aorist . bep = bepaald . bep lidw = bepaald lidwoord . betr = betrekkelijk . bv = bijvoeglijk . dat = datief .enk = enkelvoud   gen = genitief . imperf = imperfectum . ind  = indicatief . inf = infintief . lidw = lidwoord . med = mediaal . mann =  mannelijk .mv = meervoud) . nom = nominatief . nv = nevenschikkend voegwoord . nw = naamwoord . onbep = onbepaald . onz = onzijdig . ov = onderschikkend voegwoord . part = participium (deelwoord) . pass = passief . pers = persoon / persoonlijk .  vnw = voornaamwoord .voc = vocatief  . vr =vrouwelijk . vrag = vragend .vz = voorzetsel . wkw = werkwoord . zn = zelfstandig naamwoord .

Marcus 1

Mc 1,1 Ἀρχὴ τοῦ εὐαγγελίου Ἰησοῦ Χριστοῦ [υἱοῦ θεοῦ].
Vertaling: Begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God.
Mc 1,1 Ἀρχὴ (= archè: begin, heerschappij; zn nom vr enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; gen mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) Χριστοῦ (= christou: van Christus; zn gen mann enk van het zn χριστος = christos: gezalfde, Christus) [υἱοῦ (= huiou; zoon; zn gen mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God)].

Mc 1,2 Καθὼς γέγραπται ἐν τῷ Ἠσαΐᾳ τῷ προφήτῃ, Ἰδοὺ ἀποστέλλω τὸν ἄγγελόν μου πρὸ προσώπου σου, ὃς κατασκευάσει τὴν ὁδόν σου:
Vertaling: Zoals er werd geschreven in de profeet Jesaja: zie ik zend mijn bode voor jouw aangezicht, die jouw weg zal bereiden.
Mc 1,2 Καθὼς (= kathôs: zoals, vw van vergelijking) γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἠσαΐᾳᾳ (= hesaja: Jesaja; zn eigennaam dat mann enk van het zn Ἠσαιας = hesajas = Jesaja) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) προφήτῃ (= profètè: profeet; zn dat mann enk van het zn προφητης = profètès: profeet), Ἰδοὺ (= ide/idou: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἀποστέλλω (= apostellô: ik zend; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἄγγελόν (= aggelon: bode; zn acc mann enk van het zn αγγελος = aggelos: engel, bode) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) πρὸ (= pro: voor; vz) προσώπου (= prosôpou: van aangezicht; zn gen onz enk van het zn προσωπον = prosôpon: aangezicht) σου (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnw συ = su: jij), ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) κατασκευάσει (= kataskeuasei: hij zal maken; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw κατασκευαζω = kataskeuazô: uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg) σου (= sou: van jou; pers vnw 2de pers gen mann enk van het pers vnw συ = su: jij):

Mc 1,3 φωνὴ βοῶντος ἐν τῇ ἐρήμῳ, Ἑτοιμάσατε τὴν ὁδὸν κυρίου, εὐθείας ποιεῖτε τὰς τρίβους αὐτοῦ
Vertaling: Een stem van een roepende in de woestijn: Bereid de weg van de heer; maakt zijn paden recht.
Mc 1,3 φωνὴ (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk) βοῶντος ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats), Ἑτοιμάσατε (= hetoimasate: maakt gered; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw ἑτοιμαζω = hetoimazô: gereed maken, voorbereiden) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) κυρίου (= kuriou: van de heer; zn gen mann enk van het zn κυριος = kurios: heer), εὐθείας (= eutheias: recht; bv nw acc vr mv van het bv nw εὐθείος = eutheios: recht) ποιεῖτε (= poieite: doet; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τρίβους (= tribous: wegen; zn acc vr mv van het zn τρίβος = tribos: weg, pad) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)

Mc 1,4 ἐγένετο Ἰωάννης [ὁ] βαπτίζων ἐν τῇ ἐρήμῳ καὶ κηρύσσων βάπτισμα μετανοίας εἰς ἄφεσιν ἁμαρτιῶν.
Vertaling: Johannes trad op in de woestijn en hij verkondigde een doopsel van bekering tot vergeving van zonden.
Mc 1,4 ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) [ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)] βαπτίζων (= baptidzôn: dopende, de Doper; - eventueel bijnaam - wkw act part praes nom mann enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) κηρύσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes  nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) βάπτισμα (= baptisma: doopsel; zn nom + acc onz enk) μετανοίας (= metanoias: van bekering; zn gen vr enk van het zn μετανοια = metanoia: bekering) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἄφεσιν (= afesin: aflating, vergeving; zn acc vr enk van het zn αφεσις = afesis: vergeving, af-lat-ing) ἁμαρτιῶν (= hamartiôn: van de zonden; zn gen vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde).

Mc 1,5 καὶ ἐξεπορεύετο πρὸς αὐτὸν πᾶσα ἡ Ἰουδαία χώρα καὶ οἱ Ἱεροσολυμῖται πάντες, καὶ ἐβαπτίζοντο ὑπ' αὐτοῦ ἐν τῷ Ἰορδάνῃ ποταμῷ ἐξομολογούμενοι τὰς ἁμαρτίας αὐτῶν.
Vertaling: en heel de streek van Judea en alle inwoners van Jeruzalem begaven zich op weg en zij werden door hem gedoopt in de rivier, de Jordaan, terwijl zij hun zonden, bekenden.
Mc 1,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξεπορεύετο ( = exeporeueto: hij begaf zich op weg naar buiten; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πᾶσα (= pasa: totaal; bv nw nom vr enk van het bv nw πᾶς = pas: ieder) (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰουδαία (= ioudaia: Judea, Judees, Joods; bv nw nom vr enk, ook wel zelfstandig gebruikt) χώρα (= chôra: streek, land; zn nom vr enk) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἱεροσολυμῖται (= hierosolumitai: Jeruzalemmers, inwoners van Jeruzalem; zn nom vr mv van het zn Ἱεροσολυμῖτης: Jeruzalemmer, inwoner van Jeruzalem) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐβαπτίζοντο (= ebaptizonto: zij werden gedoopt; wkw pass imperf 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑπ' (= hup': door; afkorting van ὑπο = hupo; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰορδάνῃ (= jordanè: Jordaan; zn eigennaam dat vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) ποταμῷ (= potamô: stroom, rivier; zn dat mann enk van het zn ποταμος = potamos: stroom, rivier) ἐξομολογούμενοι (= eksomologoumenoi: bekennende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐξομολογεω = eksomologeô: het eens worden; med: beknnen, prijzen, danken) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 1,6 καὶ ἦν ὁ Ἰωάννης ἐνδεδυμένος τρίχας καμήλου καὶ ζώνην δερματίνην περὶ τὴν ὀσφὺν αὐτοῦ, καὶ ἐσθίων ἀκρίδας καὶ μέλι ἄγριον.
Vertaling: En Johannes was gekleed in kameelharen en een leren gordel om zijn lenden en hij at sprinkhanen en wilde honing.
Mc 1,6 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk; < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰωάννης (= Jôannès: Johannes; zn eigennaam nom mann enk) ἐνδεδυμένος (= endedumenos: gekleed; wkw med part perf nom mann enk van het wkw ἐνδυω = enduô: kleden, bekleden; med: zich kleden met) τρίχας (= trichas: haren; zn acc vr mv van het zn θριξ = thrix, gen τριχος = trichos: haar) καμήλου (= kamèlou: van een kameel; zn gen mann en vr enk van het zn καμήλος = kamèlos: kameel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ζώνην (= zônèn: gordel; zn acc vr enk van het zn ζώνη = zônè: gordel) δερματίνην (= dermatinèn: leren; bv nw acc vr enk van het bv nw δερματίνoς = dermatinos: van leren, leren) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀσφὺν (= osfun: lende; zn acc vr enk van het zn ὀσφυς = osfus: lende, heup) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐσθίων (= esthiôn: etende; wkw act part praes mann enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) ἀκρίδας (= akridas: sprinkhanen; zn acc vr mv van het zn ἀκρίς = akris: sprinkhaan) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μέλι (= meli: honing; zn acc onz enk) ἄγριον (= agrion: wilde; bv nw acc onz enk van het bv nw ἄγριος = agrios: wild, woest, onbeschaafd).

Mc 1,7 καὶ ἐκήρυσσεν λέγων, Ἔρχεται ὁ ἰσχυρότερός μου ὀπίσω μου, οὗ οὐκ εἰμὶ ἱκανὸς κύψας λῦσαι τὸν ἱμάντα τῶν ὑποδημάτων αὐτοῦ:
Vertaling: En hij verkondigde zeggende: De sterkere dan mij komt na mij, van wie niet ik in staat ben om mij buigende de riem van zijn schoensel los te maken.
Mc 1,7 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐκήρυσσεν (= ekèrussen: hij verkonigde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) λέγων (= legôn: zeggend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Ἔρχεται (= erchetai: hij gaat, hij komt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχυρότερός (= ischuroteros: sterker; bv nw nom mann enk van het bv nw ἰσχυρος = ischuros: sterk, machtig, krachtig) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), οὗ (= hou: van wie; betrekk vnw gen mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰμὶ (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse) ἱκανὸς (= hikanos: voldoende, talrijk, in staat; bv nw nom mann enk) κύψας (= kupsas: zich bukkend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κυπτω = kuptô: zich bukken, gebukt gaan onder een last) λῦσαι (= lusai: los te maken; wkw act inf aor van het wkw λυω = luô: losmaken, bevrijden, ontbinden) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἱμάντα (= himanta: riem; zn acc mann enk van het zn ἱμας = himas: riem) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὑποδημάτων (= hupodèmatôn: van schoensel; zn gen onz mv van het zn ὑποδημά = hupodèma: sandalen, schoen, het ondergebondene) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):

Mc 1,8 ἐγὼ ἐβάπτισα ὑμᾶς ὕδατι, αὐτὸς δὲ βαπτίσει ὑμᾶς ἐν πνεύματι ἁγίῳ.
Vertaling: Ik doopte jullie met water, maar hij zal jullie dopen met heilige geest.
Mc 1,8 ἐγὼ (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk) ἐβάπτισα (= ebaptisa: ik doopte; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ὕδατι (= hudati: met water; zn dat vr enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r), αὐτὸς (= autos: hij; persoonl vnw 3de pers nom mann enk) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) βαπτίσει (= baptisei: hij zal dopen; wkw act fut 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) ἁγίῳ (= hagiô: heilig; bv nw dat mann en onz enk van het bv nw ἁγιος = hagios: heilig; stam: h, l).

Mc 1,9 Καὶ ἐγένετο ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις ἦλθεν Ἰησοῦς ἀπὸ Ναζαρὲτ τῆς Γαλιλαίας καὶ ἐβαπτίσθη εἰς τὸν Ἰορδάνην ὑπὸ Ἰωάννου.
Vertaling: In die dagen gebeurde het. Jezus kwam van Nazaret van Galilea en hij werd in de Jordaan gedoopt door Johannes.
Mc 1, 9 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap': vóór een niet-aangeblazen klinker, en αφ' = af' :vóór een aangeblazen klinker) Ναζαρὲτ (= nazaret: Nazaret; zn eigennaam) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: van Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐβαπτίσθη (= ebapthisthè (hij werd gedoopt); wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰορδάνην (= iordanèn: Jordaan; zn eigennaam acc vr enk van het zn ιορδανης = iordanès Jordaan) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes).

Mc 1,10 καὶ εὐθὺς ἀναβαίνων ἐκ τοῦ ὕδατος εἶδεν σχιζομένους τοὺς οὐρανοὺς καὶ τὸ πνεῦμα ὡς περιστερὰν καταβαῖνον εἰς αὐτόν:
Vertaling: En onmiddellijk uitstijgend uit het water zag hij de hemelen openscheuren en de geest als een duif neerdalen op hem.
Mc 1,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀναβαίνων (= anabainôn: opklimmend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen:; vz) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὕδατος (= hudatos: van water; zn gen onz enk van het zn ὑδωρ = hudôr: water; stam: h/w, d/t, r ) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) σχιζομένους (= schizomenous: scheurende; wkw act part aor acc mann mv van het wkw σχιζω = schizô: scheuren) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοὺς (= ouranous: hemelen; zn acc mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) περιστερὰν (= peristeran: duif; zn acc vr enk van het zn περιστερα = peristera: duif) καταβαῖνον (= katabainon: neerdalend; wkw act part praes acc vr enk van het wkw καταβαινω = katabainô: naar beneden dalen , afdalen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het):

Mc 1,11 καὶ φωνὴ ἐγένετο ἐκ τῶν οὐρανῶν, Σὺ εἶ ὁ υἱός μου ὁ ἀγαπητός, ἐν σοὶ εὐδόκησα.
Vertaling: En een stem klonk uit de hemel: jij bent mijn beminde zoon, in wie ik welbehagen heb.
Mc 1,11 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) φωνὴ (= fônè: stem, roep; zn nom vr enk) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανῶν (= ouranôn: van de hemelen; zn gen mann mv van het zn ουρανος = ouranos: hemel), Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱός (= huios: zoon; zn nom mann enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγαπητός (= agapètos: beminde, geliefde; bn nom mann enk), ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) εὐδόκησα (= eudokèsen: hij vond welbehagen in; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ευδοκεω = eudokeô: instemmen, een welbehagen vinden in).

Mc 1,12 Καὶ εὐθὺς τὸ πνεῦμα αὐτὸν ἐκβάλλει εἰς τὴν ἔρημον.
Vertaling: En onmiddellijk de geest werpt hem naar de woestijn.
Mc 1,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).πνεῦμα (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐκβάλλει (= ekballei: hij werpt buiten; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitwerpen, uitvallen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats).

13 καὶ ἦν ἐν τῇ ἐρήμῳ τεσσεράκοντα ἡμέρας πειραζόμενος ὑπὸ τοῦ Σατανᾶ, καὶ ἦν μετὰ τῶν θηρίων, καὶ οἱ ἄγγελοι διηκόνουν αὐτῷ.
Vertaling: En hij werd in de woestijn veertig dagen beproefd door de satan, en hij was met de wilde dieren en de angelen dienden hem.
Mc 1,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἐρήμῳ (= erèmô: in de woestijn; zn dat vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τεσσεράκοντα (= tessarakonta:: 40; hoofdtelwoord) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) πειραζόμενος (= peiradzomenos: wordende beproefd; wkw pass part praes nom mann enk van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Σατανᾶ (= satana: van Satan; zn gen mann enk van het zn σατανας (= satanas: satan), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θηρίων (= thèriôn: van wilde dieren; zn gen onz mv van het zn θηρίον = thèrion: dier, wild dier), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄγγελοι (= aggeloi: engelen; zn nom mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) διηκόνουν (= dèkonoun: zij dienden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 1,14 Μετὰ δὲ τὸ παραδοθῆναι τὸν Ἰωάννην ἦλθεν ὁ Ἰησοῦς εἰς τὴν Γαλιλαίαν κηρύσσων τὸ εὐαγγέλιον τοῦ θεοῦ
Vertaling: Maar nadat Johannes werd overgeleverd ging Jezus naar Galilea verkondigend de goedee boodschap van God.
Mc 1,14 Μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).παραδοθῆναι (= paradothènai: overgeleverd zijn; pass inf aor van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Γαλιλαίαν (= Galilaian: Galilea; zn eigennaam van plaats; acc vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) κηρύσσων (= kèrussôn: verkondigend; wkw act part praes  nom mann + vr enk van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).εὐαγγέλιον (= euaggelion: evangelie, goede boodschap; zn acc onz enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God)

15 καὶ λέγων ὅτι Πεπλήρωται ὁ καιρὸς καὶ ἤγγικεν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ: μετανοεῖτε καὶ πιστεύετε ἐν τῷ εὐαγγελίῳ.

Mc 1,16 Καὶ παράγων παρὰ τὴν θάλασσαν τῆς Γαλιλαίας εἶδεν Σίμωνα καὶ Ἀνδρέαν τὸν ἀδελφὸν Σίμωνος ἀμφιβάλλοντας ἐν τῇ θαλάσσῃ: ἦσαν γὰρ ἁλιεῖς.
Vertaling: En terwijl hij langs het meer van Galilea kwam, zag hij Simon en Andreas, de broer van Simon, terwijl zij hun netten uitwierpen; want het zijn vissers.
Mc 1,16 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παράγων (= paragôn: langsdrijvend, langsvoerend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Σίμωνα (= simôna: Simon; zn eigennaam acc mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon)  καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Ἀνδρέαν (= andrean: Andreas; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἀνδρέας: Andreas) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) Σίμωνος (= simônos: van Simon); zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) ἀμφιβάλλοντας (= amfiballontas: de netten uitwerpend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw αμφιβαλλω = amfiballô: langs beide zijden werpen) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) θαλάσσῃ: (= thalassè: meer, zee; zn dat vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἁλιεῖς (= halieis: vissers; zn nom mann mv van het zn ἁλιευς = halieus: visser).

Mc 1,17 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς, Δεῦτε ὀπίσω μου, καὶ ποιήσω ὑμᾶς γενέσθαι ἁλιεῖς ἀνθρώπων.
Vertaling: En Jezus zei hen: welaan, achter mij, en ik zal maken dat jullie vissers van mensen worden.
- Mc 1,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), Δεῦτε (= deute: welaan; bw) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ποιήσω (= poèsô: ik zal maken; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) ὑμᾶς (= humas: jullie, pers vnw 2de pers acc mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie) γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) ἁλιεῖς (= halieis: vissers; zn nom mann mv van het zn ἁλιευς = halieus: visser) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).

Mc 1,18 καὶ εὐθὺς ἀφέντες τὰ δίκτυα ἠκολούθησαν αὐτῷ.
Vertaling: En onmiddellijk lieten ze de vissersnetten achter en volgden hem.
Mc 1,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δίκτυα (= diktua: vissersnetten; zn nom en acc onz mv van het zn δικτυον = diktuon: vissersnet) ἠκολούθησαν (= èkolouthèsan: zij volgden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 1,19 Καὶ προβὰς ὀλίγον εἶδεν Ἰάκωβον τὸν τοῦ Ζεβεδαίου καὶ Ἰωάννην τὸν ἀδελφὸν αὐτοῦ, καὶ αὐτοὺς ἐν τῷ πλοίῳ καταρτίζοντας τὰ δίκτυα,
Vertaling: En hij ging een weinig voort en zag de Jakobus van Zebedeüs en Johannes, zijn broer, en zij herstelden in de boot de netten.
Mc 1,19 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προβὰς (= probas: voortgaand; wkw act part praes nom mann enk van het wkw προβαινω = probainô: vooruitbanen, vooruitgaan) ὀλίγον (= oligon: weinig; bw) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ζεβεδαίου (= zebedaiou: van Zebedeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἀδελφὸν (= adelfon: broer; zn acc mann enk van het zn αδελφος = adelfos: broer) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) καταρτίζοντας (= kataridzontas: herstellende; wkw acc part praes acc mann mv van het wkw καταρτιζω = katartizô: inrichten, in orde brengen, herstellen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δίκτυα (= diktua: vissersnetten; zn nom en acc onz mv van het zn δικτυον = diktuon: vissersnet),

Mc 1,20 καὶ εὐθὺς ἐκάλεσεν αὐτούς. καὶ ἀφέντες τὸν πατέρα αὐτῶν Ζεβεδαῖον ἐν τῷ πλοίῳ μετὰ τῶν μισθωτῶν ἀπῆλθον ὀπίσω αὐτοῦ.
Vertaling: En onmiddellijk riep hij hen en zij lieten hun vader Zebedeüs in de boot met de dagloners achter en zij gingen weg achter hem.
Mc 1,20 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκάλεσεν (= ekalesen: hij riep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw καλεω = kaleô: roepen, noemen) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) Ζεβεδαῖον (= zebedaion: Zebedeüs; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ζεβεδαιος = zebedaios: Zebedeüs) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) μετὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μισθωτῶν (= misthôtôn: dagloners; zn gen mann mv van het zn μισθωτος = misthôtos: gehuurd, huurling, werknemer) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 1,21 Καὶ εἰσπορεύονται εἰς Καφαρναούμ. καὶ εὐθὺς τοῖς σάββασιν εἰσελθὼν εἰς τὴν συναγωγὴν ἐδίδασκεν.
Vertaling: En zij gaan op weg naar Kafarnaüm en onmiddellijk op sabbat ging hij naar de synagoge en hij onderrichtte er.
Mc 1,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἰσπορεύονται (= eisporeuontai: zij gaan op weg naar; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναούμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγὴν (= sunagôgèn: synagoge; zn acc vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag-) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c).

22καὶ ἐξεπλήσσοντο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ, ἦν γὰρ διδάσκων αὐτοὺς ὡς ἐξουσίαν ἔχων καὶ οὐχ ὡς οἱ γραμματεῖς.
Vertaling:
22καὶ ἐξεπλήσσοντο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ, ἦν γὰρ διδάσκων αὐτοὺς ὡς ἐξουσίαν ἔχων καὶ οὐχ ὡς οἱ γραμματεῖς.

23καὶ εὐθὺς ἦν ἐν τῇ συναγωγῇ αὐτῶν ἄνθρωπος ἐν πνεύματι ἀκαθάρτῳ, καὶ ἀνέκραξεν
Vertaling:
23καὶ εὐθὺς ἦν ἐν τῇ συναγωγῇ αὐτῶν ἄνθρωπος ἐν πνεύματι ἀκαθάρτῳ, καὶ ἀνέκραξεν

24λέγων, Τί ἡμῖν καὶ σοί, Ἰησοῦ Ναζαρηνέ; ἦλθες ἀπολέσαι ἡμᾶς; οἶδά σε τίς εἶ, ὁ ἅγιος τοῦ θεοῦ.
Vertaling:
24λέγων, Τί ἡμῖν καὶ σοί, Ἰησοῦ Ναζαρηνέ; ἦλθες ἀπολέσαι ἡμᾶς; οἶδά σε τίς εἶ, ὁ ἅγιος τοῦ θεοῦ.

25καὶ ἐπετίμησεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς λέγων, Φιμώθητι καὶ ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ.
Vertaling:
25καὶ ἐπετίμησεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς λέγων, Φιμώθητι καὶ ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ.

26καὶ σπαράξαν αὐτὸν τὸ πνεῦμα τὸ ἀκάθαρτον καὶ φωνῆσαν φωνῇ μεγάλῃ ἐξῆλθεν ἐξ αὐτοῦ.
Vertaling:
26καὶ σπαράξαν αὐτὸν τὸ πνεῦμα τὸ ἀκάθαρτον καὶ φωνῆσαν φωνῇ μεγάλῃ ἐξῆλθεν ἐξ αὐτοῦ.

27καὶ ἐθαμβήθησαν ἅπαντες, ὥστε συζητεῖν πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντας, Τί ἐστιν τοῦτο; διδαχὴ καινὴ κατ' ἐξουσίαν: καὶ τοῖς πνεύμασι τοῖς ἀκαθάρτοις ἐπιτάσσει, καὶ ὑπακούουσιν αὐτῷ.
Vertaling:
27καὶ ἐθαμβήθησαν ἅπαντες, ὥστε συζητεῖν πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντας, Τί ἐστιν τοῦτο; διδαχὴ καινὴ κατ' ἐξουσίαν: καὶ τοῖς πνεύμασι τοῖς ἀκαθάρτοις ἐπιτάσσει, καὶ ὑπακούουσιν αὐτῷ.

28καὶ ἐξῆλθεν ἡ ἀκοὴ αὐτοῦ εὐθὺς πανταχοῦ εἰς ὅλην τὴν περίχωρον τῆς Γαλιλαίας.
Vertaling:
28καὶ ἐξῆλθεν ἡ ἀκοὴ αὐτοῦ εὐθὺς πανταχοῦ εἰς ὅλην τὴν περίχωρον τῆς Γαλιλαίας.

Mc 1,29 Καὶ εὐθὺς ἐκ τῆς συναγωγῆς ἐξελθόντες ἦλθον εἰς τὴν οἰκίαν Σίμωνος καὶ Ἀνδρέου μετὰ Ἰακώβου καὶ Ἰωάννου.
Vertaling: En zij gingen onmiddellijk uit de synagoge en gingen naar het huis van Simon en Andres samen met Iakobus en Johannes.
Mc 1,29 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit; + gen; vz) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) συναγωγῆς (= sunagôgès: uit de synagoge; zn gen vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag-) ἐξελθόντες (= ekselthontes; uitgegaan zijnde; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Ἀνδρέου (= andreou: van Andreas; zn eigennaam gen mann enk van het zn Ἀνδρέας: Andreas) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc) Ἰακώβου (= iakôbou: met Jakobus; zn eigennaam gen mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes).

Mc 1,30 ἡ δὲ πενθερὰ Σίμωνος κατέκειτο πυρέσσουσα, καὶ εὐθὺς λέγουσιν αὐτῷ περὶ αὐτῆς.
Vertaling: Maar de schoonmoeder van Simon lag koortsig neer te bed en onmiddellijk spreken zij hem over haar.
Mc 1,30 (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) πενθερὰ (= penthera: schoonmoeder; zn nom vr enk) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) κατέκειτο ( = katekeito: hij / zij lag neer; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) πυρέσσουσα (= puressousa: koortsig; wkw act part praes nom vr enk van het wkw πυρεσσω = puressô; koorts hebben; πυρ = pur: vuur), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 1,31 καὶ προσελθὼν ἤγειρεν αὐτὴν κρατήσας τῆς χειρός: καὶ ἀφῆκεν αὐτὴν ὁ πυρετός, καὶ διηκόνει αὐτοῖς.
Vertaling: En hij ging naar haar toe, wekte haar op, greep haar hand, en de koorts verliet haar en zij bediende hen.
Mc 1,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προσελθὼν (= proselthôn: tot hem komende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσερχομαι = proserchomai: gaan naar, komende bij; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἤγειρεν (= ègeiren; hij wekte op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κρατήσας (= kratèsas: vastgenomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) χειρός (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πυρετός (= puretos: koorts; zn nom mann enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διηκόνει (= dièkonei: hij/zij bediende; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διακονεω = diakoneô: dienen, dienaar zijn) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) .

Mc 1,32 Ὀψίας δὲ γενομένης, ὅτε ἔδυ ὁ ἥλιος, ἔφερον πρὸς αὐτὸν πάντας τοὺς κακῶς ἔχοντας καὶ τοὺς δαιμονιζομένους:
Vertaling: Maar 's avonds, toen de zon onderging, brachten ze naar hem allen, die er slecht aan toe waren en allen die door een demon waren bezeten.
Mc 1,32 Ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-), ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἔδυ (= edu: hij ging onder; wkw act ind aor 3de pers mann enk van het wkw δυνω / δυω = dunô / duô: onderdompelen, ondergaan) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἥλιος (= hèlios: zon; zn nom mann enk), ἔφερον (= eferon: zij droegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάντας (= pantas: allen; bv nw acc mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δαιμονιζομένους (= daimonidzomenous: gedemoniseerden; wkw pass part praes acc mann mv van het wkw δαιμονιζομαι = daimonizomai: bezeten zijn):

33 καὶ ἦν ὅλη ἡ πόλις ἐπισυνηγμένη πρὸς τὴν θύρα
Vertaling: En de hele stad was verzameld bij de deur.
33. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ὅλη (= holè: heel; bv nw nom vr enk van het bv nw ὁλος = holos: heel) (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πόλις (= polis: stad; zn nom vr enk) ἐπισυνηγμένη (= episunègmenè: verzamelde; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw ἐπισυναγω = episunagô: bijeenbrengen, verzamelen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet).

34καὶ ἐθεράπευσεν πολλοὺς κακῶς ἔχοντας ποικίλαις νόσοις, καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλεν, καὶ οὐκ ἤφιεν λαλεῖν τὰ δαιμόνια, ὅτι ᾔδεισαν αὐτόν.
Vertaling:
34

35Καὶ πρωῒ ἔννυχα λίαν ἀναστὰς ἐξῆλθεν καὶ ἀπῆλθεν εἰς ἔρημον τόπον κἀκεῖ προσηύχετο.
Vertaling:

36καὶ κατεδίωξεν αὐτὸν Σίμων καὶ οἱ μετ' αὐτοῦ,
Vertaling:

37καὶ εὗρον αὐτὸν καὶ λέγουσιν αὐτῷ ὅτι Πάντες ζητοῦσίν σε.

38καὶ λέγει αὐτοῖς, Ἄγωμεν ἀλλαχοῦ εἰς τὰς ἐχομένας κωμοπόλεις, ἵνα καὶ ἐκεῖ κηρύξω: εἰς τοῦτο γὰρ ἐξῆλθον.

39καὶ ἦλθεν κηρύσσων εἰς τὰς συναγωγὰς αὐτῶν εἰς ὅλην τὴν Γαλιλαίαν καὶ τὰ δαιμόνια ἐκβάλλων.

40Καὶ ἔρχεται πρὸς αὐτὸν λεπρὸς παρακαλῶν αὐτὸν [καὶ γονυπετῶν] καὶ λέγων αὐτῷ ὅτι Ἐὰν θέλῃς δύνασαί με καθαρίσαι.

41καὶ σπλαγχνισθεὶς ἐκτείνας τὴν χεῖρα αὐτοῦ ἥψατο καὶ λέγει αὐτῷ, Θέλω, καθαρίσθητι:

42καὶ εὐθὺς ἀπῆλθεν ἀπ' αὐτοῦ ἡ λέπρα, καὶ ἐκαθαρίσθη.

43καὶ ἐμβριμησάμενος αὐτῷ εὐθὺς ἐξέβαλεν αὐτόν,

44καὶ λέγει αὐτῷ, Ορα μηδενὶ μηδὲν εἴπῃς, ἀλλὰ ὕπαγε σεαυτὸν δεῖξον τῷ ἱερεῖ καὶ προσένεγκε περὶ τοῦ καθαρισμοῦ σου ἃ προσέταξεν Μωϋσῆς, εἰς μαρτύριον αὐτοῖς.

Mc 1,45 ὁ δὲ ἐξελθὼν ἤρξατο κηρύσσειν πολλὰ καὶ διαφημίζειν τὸν λόγον, ὥστε μηκέτι αὐτὸν δύνασθαι φανερῶς εἰς πόλιν εἰσελθεῖν, ἀλλ' ἔξω ἐπ' ἐρήμοις τόποις ἦν: καὶ ἤρχοντο πρὸς αὐτὸν πάντοθεν.
Vertaling: Maar hij ging weg en hij begon veel te getuigen en het gebeuren bekend te maken zodat hij niet meer openlijk een stad kon binnengaan, maar buiten op eenzame plekken was en zij kwamen naar hem van overal.
- Mc 1,45 (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κηρύσσειν (= kèrussein (verkondigen; wkw act inf praes van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) πολλὰ (= polla: vele dingen);  bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διαφημίζειν (= diafèmidzein: bekend te maken; wkw act inf praes van het wkw διαφημίζω: bekendmaken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) δύνασθαι (= dunasthai: te kunnen; wkw med inf praes van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) φανερῶς (= fanerôs: openlijk; zie het bv nw φανερος = faneros; zichtbaar, bekend) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πόλιν (= polin: stad; zn acc vr enk van het zn πόλις = polis: stad) εἰσελθεῖν (= eiselthein: om binnen te gaan; wkw act inf aor van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg), ἀλλ' (= all': maar; afkorting van αλλα = alla; partikel van tegenstelling) ἔξω (= exô: buiten; bw) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) ἐρήμοις (= erèmois: woeste, eenzame; bv nw dat mann mv van het bv nw / zn ερημος = erèmos: woest / eenzaam, woestijn / eenzame plaats) τόποις (= topois: op plaatsen; zn dat mann mv van het zn τοπος = topos: plaats) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἤρχοντο (= èrchonto: zij gingen; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάντοθεν (= pantothen: van overal; bw van plaats).

Marcus 2

Mc 2,1 Καὶ εἰσελθὼν πάλιν εἰς Καφαρναοὺμ δι' ἡμερῶν ἠκούσθη ὅτι ἐν οἴκῳ ἐστίν.
Vertaling: En binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm, na dagen werd er vernomen dat hij thuis is.
1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναοὺμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost) δι' (= dia: door, omwille van, na; vz; afkorting: δι' = di': vóór een klinker; dia + gen:: na: Zerwick, 115) ἡμερῶν (= hèmerôn: van de dagen; zn gen vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἠκούσθη (= èkousthè: er werd gehoord; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) οἴκῳ (= oikô: 'in' huis; zn dat mann enk van het zn οικος = oikos: huis) ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse).

Mc 2,2 καὶ συνήχθησαν πολλοὶ ὥστε μηκέτι χωρεῖν μηδὲ τὰ πρὸς τὴν θύραν, καὶ ἐλάλει αὐτοῖς τὸν λόγον.
Vertaling: En velen stroomden samen zodat men geen plaats meer kon maken zelfs niet bij de deur en hij nam het woord en sprak (hen toe).
2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συνήχθησαν (= sunèchtèsan: zij verzamelden zich; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) μηκέτι (= mèketi: niet meer; partikel) χωρεῖν (= chôrein: plaats te maken; act inf praes van het wkw χωρεω = plaats maken, wijken voor) μηδὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord).

Mc 2,3 καὶ ἔρχονται φέροντες πρὸς αὐτὸν παραλυτικὸν αἰρόμενον ὑπὸ τεσσάρων.
Vertaling: En er komen dragers naar Jezus met een lamme, vastgenomen door vier (mannen)
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) φέροντες (= ferontes: dragende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw φερω = ferô: voeren, dragen, brengen) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) παραλυτικὸν (= paralutikon: lamme; zn acc mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme) αἰρόμενον (= airomenon: genomen; wkw pass part acc mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen) ὑπὸ (= hupo: door; vz, afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τεσσάρων (= tessarôn: vier; hoofdtelw gen mann mv van het hopofdtelw τεσσαρα: vier).

Mc 2,4 καὶ μὴ δυνάμενοι προσενέγκαι αὐτῷ διὰ τὸν ὄχλον ἀπεστέγασαν τὴν στέγην ὅπου ἦν, καὶ ἐξορύξαντες χαλῶσι τὸν κράβαττον ὅπου ὁ παραλυτικὸς κατέκειτο.
Vertaling : En omdat zij niet in staat waren hem bij Jezus te brengen omwille van de massa, legden zij het dak open waar hij was, maakten een opening en lieten het bed zakken, waarop de lamme lag.
4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δυνάμενοι (= dunamenoi: kunnende, in staat zijnde; wkw med part praes nom mann mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) προσενέγκαι (= prosenegkai: te brengen/ dragen bij; wkw act inf aor van het wkw προσφερω = prosferô: dragen of brengen bij) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἀπεστέγασαν (= apestegasan: zij ont-dek (dak) ten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστεγαζω = postegadzô: het dak eraf nemen, ontdakken) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) στέγην (= stegèn: dak; zn acc vr enk van het zn στεγη = stegè: dak. Lat. tegere, tectum: dekken, bedekken. Tectum: bedekking, dak. Fr. toit) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξορύξαντες (= exoruxantes; uitgegraven; wkw act part aor nom mann mv van het wkw εξ-οτυσσω / ορυττω < ex (uit) + orussô of oruttô: graven, uitgraven, een opening maken; Fr. creuser; Bayens, 95: orukj; gutturaal) χαλῶσι (= chalôsi: zij maakten los, zij lieten dalen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw χαλαω = chalaô: ontspannen, los maken) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κράβαττον (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc mann enk) ὅπου (= hopou: waar; onbep betr bw) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικὸς (= paralutikos: lamme; zn nom mann enk) κατέκειτο ( = katekeito: hij / zij lag neer; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen).

Mc 2,5 καὶ ἰδὼν ὁ Ἰησοῦς τὴν πίστιν αὐτῶν λέγει τῷ παραλυτικῷ, Τέκνον, ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι.
Vertaling: En Jezus ziet hun geloof en zegt tot de lamme; mensenkind, jouw zonden zijn vergeven.
5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πίστιν (= pistin: vertrouwen; zn acc vr enk van het zn πιστις = pistis: vertrouwen, geloof) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme), Τέκνον (= teknon: kind, geborene, mensenkind; zn nom, voc + acc onz enk), ἀφίενταί (= afientai: zij worden vergeven; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίαι (= hamartiai: zonden; zn nom vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: onde).

Mc 2,6 ἦσαν δέ τινες τῶν γραμματέων ἐκεῖ καθήμενοι καὶ διαλογιζόμενοι ἐν ταῖς καρδίαις αὐτῶν,
Vertaling: Er waren daar enkele Schriftgeleerden gezeten en zij overlegden in hun hart
6 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) καθήμενοι (= kathèmenoi: zittende); wkw med part praes nom mann mv van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διαλογιζόμενοι (= dialogidzomenoi: discussiërende, afwegende; wkw med part praes nom mann mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαις (= kardiais: harten; zn dat vr mv van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),

Mc 2,7 Τί οὗτος οὕτως λαλεῖ; βλασφημεῖ: τίς δύναται ἀφιέναι ἁμαρτίας εἰ μὴ εἷς ὁ θεός;
Vertaling: Wat praat die zo? Hij spreekt godslasterlijk. Wie kan zonden vergeven tenzij de ene God?
7 Τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) οὗτος :(= houtos: deze; aanwijz voornaamw nom mann enk) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) λαλεῖ (= lalei: hij spreekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten); βλασφημεῖ: τίς (= tis: wie? vrag vnw nom mann enk) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) ἀφιέναι (= afienai: te vergeven; wkw act inf praes van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8; 115) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk);

Mc 2,8 καὶ εὐθὺς ἐπιγνοὺς ὁ Ἰησοῦς τῷ πνεύματι αὐτοῦ ὅτι οὕτως διαλογίζονται ἐν ἑαυτοῖς λέγει αὐτοῖς, Τί ταῦτα διαλογίζεσθε ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν;
Vertaling: En onmiddellijk begreep Jezus vanuit zijn geest dat zij zo in zichzelf redeneerden; daarop zegt hij hen: Waarom redeneren jullie dergelijke dingen in jullie harten?
Mc 2,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐπιγνοὺς (= epignous: begrepen hebbende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) διαλογίζονται (= dialogidzontai: zij overleggen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἑαυτοῖς (= heautois: in zichzelf); wederkerig vnw dat mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) διαλογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαις (= kardiais: harten; zn dat vr mv van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie);

Mc 2,9 τί ἐστιν εὐκοπώτερον, εἰπεῖν τῷ παραλυτικῷ, Ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι, ἢ εἰπεῖν, Ἔγειρε καὶ ἆρον τὸν κράβαττόν σου καὶ περιπάτει;
Vertaling: Wat is gemakkelijker: zeggen aan de lamme: je zonden zijn vergeven, of zeggen: sta op en neem je bed en wandel rond?
Mc 2,9 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) εὐκοπώτερον (= eukopôteron: gemakkelijker; bv nw vergelijkende trap acc onz enk van het bv nw ευκοπος = eukopos: gemakkelijk, zonder moeite), εἰπεῖν (= eipein: te zeggen; wkw act inf aor bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme), Ἀφίενταί (= afientai: zij worden vergeven; wkw pass ind praes 3de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἁμαρτίαι (= hamartiai: zonden; zn nom vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: onde), (= è: of; partikel) εἰπεῖν (= eipein: te zeggen; wkw act inf aor bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon), Ἔγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἆρον (= aron: neem; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen; 1ste aor. èra; afwijkende uitgang imperat aor 2de pers enk, zie luson: Bayens, 157; Elsen, 119,2) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κράβαττόν (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) περιπάτει (= peripatei: wandel rond; wkw act imprat praes 2de pers enk van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen);

Mc 2,10 ἵνα δὲ εἰδῆτε ὅτι ἐξουσίαν ἔχει ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἀφιέναι ἁμαρτίας ἐπὶ τῆς γῆς λέγει τῷ παραλυτικῷ,
Vertaling: Maar opdat jullie zouden weten dat de de zoon van de mens macht heeft om op de aarde zonden te vergeven, zegt hij tot de lamme:
Mc 2,10 ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἰδῆτε (= eidète: jullie zouden weten; wkw act conjunct aor 2de pers mv, zie het wkw οιδα = oida: ik weet) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐξουσίαν (= exousian: macht, gezag; zn acc vr enk van het zn εξουσια = exousia: gezag, macht) ἔχει (= echei: hij heeft; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἀφιέναι (= afienai: te vergeven; wkw act inf praes van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ἁμαρτίας (= hamartias: zonden; zn acc vr mv van het zn ἁμαρτια = hamartia: zonde) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παραλυτικῷ (= paralutikô: aan de lamme; zn dat mann enk van het zn παραλυτικος = paralutikos: lamme),

Mc 2,11 Σοὶ λέγω, ἔγειρε ἆρον τὸν κράβαττόν σου καὶ ὕπαγε εἰς τὸν οἶκόν σου.
Vertaling: Aan jou zeg ik: sta op, neem jouw draagbaar en ga weg naar jouw huis.
Mc 2,11 Σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), ἔγειρε (= egeire: sta op; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) ἆρον (= aron: neem; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κράβαττόν (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἶκόν (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu).

Mc 2,12 καὶ ἠγέρθη καὶ εὐθὺς ἄρας τὸν κράβαττον ἐξῆλθεν ἔμπροσθεν πάντων, ὥστε ἐξίστασθαι πάντας καὶ δοξάζειν τὸν θεὸν λέγοντας ὅτι Οὕτως οὐδέποτε εἴδομεν.
Vertaling: En hij werd gewekt en dadelijk nam hij het bed en ging naar buiten onder de ogen van allen. Hierdoor waren allen buiten zichzelf en zij loofden God. En zij zeiden: "zoiets hebben we nog noiit gezien".
Mc 2,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἠγέρθη (= ègerthè: hij werd opgewekt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἄρας (= aras: nemende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κράβαττον (= krabatton: bed, draagbaar; zn acc onz enk) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἔμπροσθεν (= emprosthen: van voren, in aanwezigheid van, voor) πάντων (= pantôn: van allen, val alles; bv nw gen mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder), ὥστε (= hôste: zodat; ondergeschikt voegwoord van gevolg) ἐξίστασθαι (= eksistasthai: buiten zichzelf zijn; wkw med inf praes van het wkw εξισταμαι = existamai: uit / buiten zichzelf staan, boven zichzelf uitstijgen, zichzelf overstijgen, uit zijn evenwicht geraken) πάντας (= pantas: allen; bv nw acc mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) δοξάζειν (= doksadzein: te verheerlijken; wkw act inf praes van het wkw δοξαζω = doxazô: verheerlijken, loven) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) θεὸν (= theon: God; zn acc  mann enk van het zn θεος = theos: God) λέγοντας (= legontas: zeggende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) οὐδέποτε (= oudepote: nooit; < niet ooit; partikel) εἴδομεν (= eidomen: wij zagen; wkw act ind aor 1ste pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh).

Mc 2,13 Καὶ ἐξῆλθεν πάλιν παρὰ τὴν θάλασσαν: καὶ πᾶς ὁ ὄχλος ἤρχετο πρὸς αὐτόν, καὶ ἐδίδασκεν αὐτούς.
Vertaling: En hij ging naar buiten, opnieuw langs de zee, en de hele massa kwam naar hem en hij onderrichtte hen.
Mc 2,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zee, meer) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πᾶς (= pas: ieder, al, heel; onbep vnw nom mann enk) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλος (= ochlos: massa, menigte; zn nom mann enk) ἤρχετο (= èrcheto: hij ging; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderrichtte; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 2,14 καὶ παράγων εἶδεν Λευὶν τὸν τοῦ Ἁλφαίου καθήμενον ἐπὶ τὸ τελώνιον, καὶ λέγει αὐτῷ, Ἀκολούθει μοι. καὶ ἀναστὰς ἠκολούθησεν αὐτῷ.
Vertaling: En hij kwam langs en zag Levi van Alfeüs bij het tolhuis zitten en hij zegt hem: volg mij en hij stond op en hij volgde hem.
- Mc 2,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παράγων (= paragôn: langsdrijvend, langsvoerend; wkw act part praes nom mann enk van het wkw παραγω = paragô: langsdrijven, langsgaan) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) Λευὶν (= levin: Levi; zn eigennaam acc mann enk van het zn Λευὶς = levis: Levi) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἁλφαίου (= alfaiou: van Alfeüs; zn eigennaam gen mann enk van het zn αλφαιος = alfaios: Alfeüs) καθήμενον (= kathèmenon: zittend; wkw med part praes acc mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats of tijd) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τελώνιον (= telônion: tolhuis; zn acc onz enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἀκολούθει (= akolouthei: volg; wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἠκολούθησεν (= èkolouthèsen: hij volgde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 2,15 Καὶ γίνεται κατακεῖσθαι αὐτὸν ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ, καὶ πολλοὶ τελῶναι καὶ ἁμαρτωλοὶ συνανέκειντο τῷ Ἰησοῦ καὶ τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ: ἦσαν γὰρ πολλοὶ καὶ ἠκολούθουν αὐτῷ.
Vertaling: En het gebeurt dat Levi in zijn huis een maaltijd houdt. En vele tollenaars en zondaars liggen mee aan tafel aan met Jezus en zijn leerlingen. Want er velen velen en zij volgen hem.
Mc 2,15 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) γίνεται (= ginetai: het gebeurt; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) κατακεῖσθαι (= katakeisthai: neerliggen; wkw med inf praes van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) τελῶναι (= telônai: tollenaars; zn mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἁμαρτωλοὶ (= hamartôloi: zondaars; zn nom mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) συνανέκειντο (= sunanekeinto: zij lagen samen aan; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw συνανακειμαι = sunanakeimai: samen aanliggen) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) : ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) πολλοὶ (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἠκολούθουν (= èkolouthoun: zij volgden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 2,16 καὶ οἱ γραμματεῖς τῶν Φαρισαίων ἰδόντες ὅτι ἐσθίει μετὰ τῶν ἁμαρτωλῶν καὶ τελωνῶν ἔλεγον τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Οτι μετὰ τῶν τελωνῶν καὶ ἁμαρτωλῶν ἐσθίει;
Vertaling: En de schriftgeleerden van de Farizeeën zagen dat hij eet met de zondaars en de tollenaars en ze zeiden tot zijn leerlingen: waarom eet hij met zondaars en tollenaars?
Mc 2,16 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἐσθίει (= esthiei: hij eet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁμαρτωλῶν (= hamartôlôn: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τελωνῶν (= telônôn: van tollenaars; zn gen mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) , Οτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') τελωνῶν (= telônôn: van tollenaars; zn gen mann mv van het zn τελωνης = telônès: tollenaar) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἁμαρτωλῶν (= hamartôlôn: van zondaars; zn gen mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar) ἐσθίει (= esthiei: hij eet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw εσθιω = esthiô: eten);

Mc 2,17 καὶ ἀκούσας ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς [ὅτι] Οὐ χρείαν ἔχουσιν οἱ ἰσχύοντες ἰατροῦ ἀλλ' οἱ κακῶς ἔχοντες: οὐκ ἦλθον καλέσαι δικαίους ἀλλὰ ἁμαρτωλούς.
Vertaling: En Jezus hoort het en hij zegt hen: de gezonden hebben geen behoefte aan een dokter maar degenen die er slecht aan toe zijn; ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars.
Mc 2,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt)] οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) χρείαν (= chreian: behoefte; zn acc vr enk van het zn χρεία = cgreia: behoefte, nood) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἰσχύοντες (= ischuontes: degenen die gezond zijn; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ισχυω = ischuô: sterk zijn, gezond zijn, machtig zijn , kunnen) ἰατροῦ (= iatrou: van een genezer; zn gen mann enk van het zn ἰατρος = iatros: genezer) ἀλλ' (= alla: maar; nevenschikkend vw; , afkorting αλλ' = all') οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs: slecht, kwaad; bw) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten): οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦλθον (= èlthon: ik kwam; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καλέσαι (= kalesai: om te roepen; wkw act inf aor van het wkw καλεω = kaleô: roepen, noemen) δικαίους (= dikaious: rechtvaardigen; bv nw acc mann mv van het bv nw δικαιος = dikaios: rechtvaardig) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; , afkorting αλλ' = all') ἁμαρτωλούς (= hamartôlous: zondaars; zn acc mann mv van het zn ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar).

Mc 2,18 Καὶ ἦσαν οἱ μαθηταὶ Ἰωάννου καὶ οἱ Φαρισαῖοι νηστεύοντες. καὶ ἔρχονται καὶ λέγουσιν αὐτῷ, Διὰ τί οἱ μαθηταὶ Ἰωάννου καὶ οἱ μαθηταὶ τῶν Φαρισαίων νηστεύουσιν, οἱ δὲ σοὶ μαθηταὶ οὐ νηστεύουσιν;
Vertaling: En de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren aan het vasten. En zij komen en zeggen tot Jezus: Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar waarom vasten uw leerlingen niet?
Mc 2,18 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) νηστεύοντες. (= nèsteuontes: vastende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) Ἰωάννου (= Jôannou: van Johannes; zn eigennaam gen mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lade leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren t.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) νηστεύουσιν (= nèsteuousin: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten), οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) νηστεύουσιν (= nèsteuousin: zij vasten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten);

Mc 2,19 καὶ εἶπεν αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς, Μὴ δύνανται οἱ υἱοὶ τοῦ νυμφῶνος ἐν ᾧ ὁ νυμφίος μετ' αὐτῶν ἐστιν νηστεύειν; ὅσον χρόνον ἔχουσιν τὸν νυμφίον μετ' αὐτῶν οὐ δύνανται νηστεύειν:
Vertaling: En Jezus zei hen: De vrienden van de bruidegom kunnen niet vasten terwijl de bruidegom bij hen is. Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
Mc 2,19 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) δύνανται (= dunantai: zij kunnen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱοὶ (= huioi: zonen; zn nom mann mv van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) νυμφῶνος (= vumfônos: van de bruilofszaal; zn gen mann enk van het zn νυμφῶν = numfôn: bruiloftszaal, bruidsvertrek) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) (= hô: die; betrekk vnw dat mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) νυμφίος (= numfios: bruidegom; zn nom mann enk) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) νηστεύειν; ὅσον (= hoson: zo groot als; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) χρόνον (= chronon: tijd; zn acc mann enk van het zn χρόνος = chronos: tijd) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) νυμφίον (= numfion: bruidegom; zn acc mann enk van het zn νυμφίος = numfios: bruidegom) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύνανται (= dunantai: zij kunnen; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) νηστεύειν (= nèsteuein: om te vasten; wkw inf praes van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten):

20 ἐλεύσονται δὲ ἡμέραι ὅταν ἀπαρθῇ ἀπ' αὐτῶν ὁ νυμφίος, καὶ τότε νηστεύσουσιν ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ.
Vertaling: Maar er zullen dagen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn en dan op die dag zullen zij vasten.
Mc 2,20 ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἀπαρθῇ (= aparthè: hij zou weggenomen worden; pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw απαιρω : apairô: wegnemen) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) νυμφίος (= numfios: bruidegom; zn nom mann enk), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τότε (= tote: dan; bw van tijd; < to - de: dat echter; dan, daarop) νηστεύσουσιν (= nèsteusousin: zij zullen vasten; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw νηστευω = nèsteuô: vasten) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείνῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἡμέρᾳ (= hèmera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?).

21οὐδεὶς ἐπίβλημα ῥάκους ἀγνάφου ἐπιράπτει ἐπὶ ἱμάτιον παλαιόν: εἰ δὲ μή, αἴρει τὸ πλήρωμα ἀπ' αὐτοῦ τὸ καινὸν τοῦ παλαιοῦ, καὶ χεῖρον σχίσμα γίνεται.

22 καὶ οὐδεὶς βάλλει οἶνον νέον εἰς ἀσκοὺς παλαιούς εἰ δὲ μή, ῥήξει ὁ οἶνος τοὺς ἀσκούς, καὶ ὁ οἶνος ἀπόλλυται καὶ οἱ ἀσκοί ἀλλὰ οἶνον νέον εἰς ἀσκοὺς καινούς.

23 Καὶ ἐγένετο αὐτὸν ἐν τοῖς σάββασιν παραπορεύεσθαι διὰ τῶν σπορίμων, καὶ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἤρξαντο ὁδὸν ποιεῖν τίλλοντες τοὺς στάχυας.
Vertaling: En het gebeurde dat hij op sabbat zich op weg begaf langs doorheen de korenvelden en zij leerlingen begonnen onderweg aren te plukken.
Mc 2,23 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σάββασιν (= sabbasin: op;sabbat; zn dat vr mv van het zn σαββατον = sabbaton: sabbat) παραπορεύεσθαι (= paraporeuesthai: zich op weg te begeven langs; wkw med inf praes van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: zich op weg begeven langs) Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σπορίμων (= sporimôn: van de graanvelden; zn gen onz mv van het zn σπορίμον = sporimon: graanveld), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) ὁδὸν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ποιεῖν (= poiein: te maken; act inf praes van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τίλλοντες (= tillontes: plukkende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw τίλλω = tillô: plukken, haren uittrekken, kaalplukken) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) στάχυας (= stachuas: aren; zn acc vr mv van het zn σταχυς = stachus: aar, halm).

24 καὶ οἱ Φαρισαῖοι ἔλεγον αὐτῷ, Ἴδε τί ποιοῦσιν τοῖς σάββασιν ὃ οὐκ ἔξεστιν;

25 καὶ λέγει αὐτοῖς, Οὐδέποτε ἀνέγνωτε τί ἐποίησεν Δαυίδ, ὅτε χρείαν ἔσχεν καὶ ἐπείνασεν αὐτὸς καὶ οἱ μετ' αὐτοῦ;

26 πῶς εἰσῆλθεν εἰς τὸν οἶκον τοῦ θεοῦ ἐπὶ Ἀβιαθὰρ ἀρχιερέως καὶ τοὺς ἄρτους τῆς προθέσεως ἔφαγεν, οὓς οὐκ ἔξεστιν φαγεῖν εἰ μὴ τοὺς ἱερεῖς, καὶ ἔδωκεν καὶ τοῖς σὺν αὐτῷ οὖσιν;

27 καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Τὸ σάββατον διὰ τὸν ἄνθρωπον ἐγένετο καὶ οὐχ ὁ ἄνθρωπος διὰ τὸ σάββατον:

28 ὥστε κύριός ἐστιν ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου καὶ τοῦ σαββάτου.

Marcus 3

Mc 3,1 Καὶ εἰσῆλθεν πάλιν εἰς τὴν συναγωγήν. καὶ ἦν ἐκεῖ ἄνθρωπος ἐξηραμμένην ἔχων τὴν χεῖρα:
Vertaling: En hij ging opnieuw naar de synagoge en er was daar een man metn een verschrompelde hand.
Mc 3,1 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging binnen; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) συναγωγήν (= sunagôgèn: synagoge; zn acc vr enk van het zn συναγωγη = sunagôgè: synagoge; zie het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag-). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἐξηραμμένην (= exèrammenèn verschrompeld; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw ξηραινω = xèrainô: verschrompelen, dor worden) ἔχων (= echôn: hebbende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen):

2καὶ παρετήρουν αὐτὸν εἰ τοῖς σάββασιν θεραπεύσει αὐτόν, ἵνα κατηγορήσωσιν αὐτοῦ. 3καὶ λέγει τῷ ἀνθρώπῳ τῷ τὴν ξηρὰν χεῖρα ἔχοντι, Ἔγειρε εἰς τὸ μέσον. 4καὶ λέγει αὐτοῖς, Ἔξεστιν τοῖς σάββασιν ἀγαθὸν ποιῆσαι ἢ κακοποιῆσαι, ψυχὴν σῶσαι ἢ ἀποκτεῖναι; οἱ δὲ ἐσιώπων. 5καὶ περιβλεψάμενος αὐτοὺς μετ' ὀργῆς, συλλυπούμενος ἐπὶ τῇ πωρώσει τῆς καρδίας αὐτῶν, λέγει τῷ ἀνθρώπῳ, Ἔκτεινον τὴν χεῖρα. καὶ ἐξέτεινεν, καὶ ἀπεκατεστάθη ἡ χεὶρ αὐτοῦ. 6καὶ ἐξελθόντες οἱ Φαρισαῖοι εὐθὺς μετὰ τῶν Ἡρῳδιανῶν συμβούλιον ἐδίδουν κατ' αὐτοῦ ὅπως αὐτὸν ἀπολέσωσιν. 7Καὶ ὁ Ἰησοῦς μετὰ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ ἀνεχώρησεν πρὸς τὴν θάλασσαν: καὶ πολὺ πλῆθος ἀπὸ τῆς Γαλιλαίας [ἠκολούθησεν]: καὶ ἀπὸ τῆς Ἰουδαίας 8καὶ ἀπὸ Ἱεροσολύμων καὶ ἀπὸ τῆς Ἰδουμαίας καὶ πέραν τοῦ Ἰορδάνου καὶ περὶ Τύρον καὶ Σιδῶνα, πλῆθος πολύ, ἀκούοντες ὅσα ἐποίει ἦλθον πρὸς αὐτόν. 9καὶ εἶπεν τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ ἵνα πλοιάριον προσκαρτερῇ αὐτῷ διὰ τὸν ὄχλον ἵνα μὴ θλίβωσιν αὐτόν: 10πολλοὺς γὰρ ἐθεράπευσεν, ὥστε ἐπιπίπτειν αὐτῷ ἵνα αὐτοῦ ἅψωνται ὅσοι εἶχον μάστιγας. 11καὶ τὰ πνεύματα τὰ ἀκάθαρτα, ὅταν αὐτὸν ἐθεώρουν, προσέπιπτον αὐτῷ καὶ ἔκραζον λέγοντες ὅτι Σὺ εἶ ὁ υἱὸς τοῦ θεοῦ. 12καὶ πολλὰ ἐπετίμα αὐτοῖς ἵνα μὴ αὐτὸν φανερὸν ποιήσωσιν. 13Καὶ ἀναβαίνει εἰς τὸ ὄρος καὶ προσκαλεῖται οὓς ἤθελεν αὐτός, καὶ ἀπῆλθον πρὸς αὐτόν. 14καὶ ἐποίησεν δώδεκα, [οὓς καὶ ἀποστόλους ὠνόμασεν,] ἵνα ὦσιν μετ' αὐτοῦ καὶ ἵνα ἀποστέλλῃ αὐτοὺς κηρύσσειν 15καὶ ἔχειν ἐξουσίαν ἐκβάλλειν τὰ δαιμόνια: 16[καὶ ἐποίησεν τοὺς δώδεκα,] καὶ ἐπέθηκεν ὄνομα τῷ Σίμωνι Πέτρον, 17καὶ Ἰάκωβον τὸν τοῦ Ζεβεδαίου καὶ Ἰωάννην τὸν ἀδελφὸν τοῦ Ἰακώβου, καὶ ἐπέθηκεν αὐτοῖς ὀνόμα[τα] Βοανηργές, ὅ ἐστιν Υἱοὶ Βροντῆς: 18καὶ Ἀνδρέαν καὶ Φίλιππον καὶ Βαρθολομαῖον καὶ Μαθθαῖον καὶ Θωμᾶν καὶ Ἰάκωβον τὸν τοῦ Ἁλφαίου καὶ Θαδδαῖον καὶ Σίμωνα τὸν Καναναῖον 19καὶ Ἰούδαν Ἰσκαριώθ, ὃς καὶ παρέδωκεν αὐτόν. 20Καὶ ἔρχεται εἰς οἶκον: καὶ συνέρχεται πάλιν [ὁ] ὄχλος, ὥστε μὴ δύνασθαι αὐτοὺς μηδὲ ἄρτον φαγεῖν. 21καὶ ἀκούσαντες οἱ παρ' αὐτοῦ ἐξῆλθον κρατῆσαι αὐτόν, ἔλεγον γὰρ ὅτι ἐξέστη. 22καὶ οἱ γραμματεῖς οἱ ἀπὸ Ἱεροσολύμων καταβάντες ἔλεγον ὅτι Βεελζεβοὺλ ἔχει, καὶ ὅτι ἐν τῷ ἄρχοντι τῶν δαιμονίων ἐκβάλλει τὰ δαιμόνια. 23καὶ προσκαλεσάμενος αὐτοὺς ἐν παραβολαῖς ἔλεγεν αὐτοῖς, Πῶς δύναται Σατανᾶς Σατανᾶν ἐκβάλλειν; 24καὶ ἐὰν βασιλεία ἐφ' ἑαυτὴν μερισθῇ, οὐ δύναται σταθῆναι ἡ βασιλεία ἐκείνη: 25καὶ ἐὰν οἰκία ἐφ' ἑαυτὴν μερισθῇ, οὐ δυνήσεται ἡ οἰκία ἐκείνη σταθῆναι. 26καὶ εἰ ὁ Σατανᾶς ἀνέστη ἐφ' ἑαυτὸν καὶ ἐμερίσθη, οὐ δύναται στῆναι ἀλλὰ τέλος ἔχει. 27ἀλλ' οὐ δύναται οὐδεὶς εἰς τὴν οἰκίαν τοῦ ἰσχυροῦ εἰσελθὼν τὰ σκεύη αὐτοῦ διαρπάσαι ἐὰν μὴ πρῶτον τὸν ἰσχυρὸν δήσῃ, καὶ τότε τὴν οἰκίαν αὐτοῦ διαρπάσει. 28Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι πάντα ἀφεθήσεται τοῖς υἱοῖς τῶν ἀνθρώπων, τὰ ἁμαρτήματα καὶ αἱ βλασφημίαι ὅσα ἐὰν βλασφημήσωσιν: 29ὃς δ' ἂν βλασφημήσῃ εἰς τὸ πνεῦμα τὸ ἅγιον οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχει ἄφεσιν εἰς τὸν αἰῶνα, ἀλλὰ ἔνοχός ἐστιν αἰωνίου ἁμαρτήματος 30ὅτι ἔλεγον, Πνεῦμα ἀκάθαρτον ἔχει. 31Καὶ ἔρχεται ἡ μήτηρ αὐτοῦ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ καὶ ἔξω στήκοντες ἀπέστειλαν πρὸς αὐτὸν καλοῦντες αὐτόν. 32καὶ ἐκάθητο περὶ αὐτὸν ὄχλος, καὶ λέγουσιν αὐτῷ, Ἰδοὺ ἡ μήτηρ σου καὶ οἱ ἀδελφοί σου [καὶ αἱ ἀδελφαι σου] ἔξω ζητοῦσίν σε. 33καὶ ἀποκριθεὶς αὐτοῖς λέγει, Τίς ἐστιν ἡ μήτηρ μου καὶ οἱ ἀδελφοί [μου]; 34καὶ περιβλεψάμενος τοὺς περὶ αὐτὸν κύκλῳ καθημένους λέγει, Ἴδε ἡ μήτηρ μου καὶ οἱ ἀδελφοί μου. 35ὃς [γὰρ] ἂν ποιήσῃ τὸ θέλημα τοῦ θεοῦ, οὗτος ἀδελφός μου καὶ ἀδελφὴ καὶ μήτηρ ἐστίν.

Marcus 4

1Καὶ πάλιν ἤρξατο διδάσκειν παρὰ τὴν θάλασσαν. καὶ συνάγεται πρὸς αὐτὸν ὄχλος πλεῖστος, ὥστε αὐτὸν εἰς πλοῖον ἐμβάντα καθῆσθαι ἐν τῇ θαλάσσῃ, καὶ πᾶς ὁ ὄχλος πρὸς τὴν θάλασσαν ἐπὶ τῆς γῆς ἦσαν. 2καὶ ἐδίδασκεν αὐτοὺς ἐν παραβολαῖς πολλά, καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ, 3Ἀκούετε. ἰδοὺ ἐξῆλθεν ὁ σπείρων σπεῖραι. 4καὶ ἐγένετο ἐν τῷ σπείρειν ὃ μὲν ἔπεσεν παρὰ τὴν ὁδόν, καὶ ἦλθεν τὰ πετεινὰ καὶ κατέφαγεν αὐτό. 5καὶ ἄλλο ἔπεσεν ἐπὶ τὸ πετρῶδες ὅπου οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἶχεν γῆν πολλήν, καὶ εὐθὺς ἐξανέτειλεν διὰ τὸ μὴ ἔχειν βάθος γῆς: 6καὶ ὅτε ἀνέτειλεν ὁ ἥλιος ἐκαυματίσθη, καὶ διὰ τὸ μὴ ἔχειν ῥίζαν ἐξηράνθη. 7καὶ ἄλλο ἔπεσεν εἰς τὰς ἀκάνθας, καὶ ἀνέβησαν αἱ ἄκανθαι καὶ συνέπνιξαν αὐτό, καὶ καρπὸν οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔδωκεν. 8καὶ ἄλλα ἔπεσεν εἰς τὴν γῆν τὴν καλήν, καὶ ἐδίδου καρπὸν ἀναβαίνοντα καὶ αὐξανόμενα, καὶ ἔφερεν ἓν τριάκοντα καὶ ἓν ἑξήκοντα καὶ ἓν ἑκατόν. 9καὶ ἔλεγεν, Ὃς ἔχει ὦτα ἀκούειν ἀκουέτω. 10Καὶ ὅτε ἐγένετο κατὰ μόνας, ἠρώτων αὐτὸν οἱ περὶ αὐτὸν σὺν τοῖς δώδεκα τὰς παραβολάς. 11καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Ὑμῖν τὸ μυστήριον δέδοται τῆς βασιλείας τοῦ θεοῦ: ἐκείνοις δὲ τοῖς ἔξω ἐν παραβολαῖς τὰ πάντα γίνεται, 12ἵνα βλέποντες βλέπωσιν καὶ μὴ ἴδωσιν, καὶ ἀκούοντες ἀκούωσιν καὶ μὴ συνιῶσιν, μήποτε ἐπιστρέψωσιν καὶ ἀφεθῇ αὐτοῖς. 13Καὶ λέγει αὐτοῖς, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε τὴν παραβολὴν ταύτην, καὶ πῶς πάσας τὰς παραβολὰς γνώσεσθε; 14ὁ σπείρων τὸν λόγον σπείρει. 15οὗτοι δέ εἰσιν οἱ παρὰ τὴν ὁδὸν ὅπου σπείρεται ὁ λόγος, καὶ ὅταν ἀκούσωσιν εὐθὺς ἔρχεται ὁ Σατανᾶς καὶ αἴρει τὸν λόγον τὸν ἐσπαρμένον εἰς αὐτούς. 16καὶ οὗτοί εἰσιν οἱ ἐπὶ τὰ πετρώδη σπειρόμενοι, οἳ ὅταν ἀκούσωσιν τὸν λόγον εὐθὺς μετὰ χαρᾶς λαμβάνουσιν αὐτόν, 17καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν ῥίζαν ἐν ἑαυτοῖς ἀλλὰ πρόσκαιροί εἰσιν: εἶτα γενομένης θλίψεως ἢ διωγμοῦ διὰ τὸν λόγον εὐθὺς σκανδαλίζονται. 18καὶ ἄλλοι εἰσὶν οἱ εἰς τὰς ἀκάνθας σπειρόμενοι: οὗτοί εἰσιν οἱ τὸν λόγον ἀκούσαντες, 19καὶ αἱ μέριμναι τοῦ αἰῶνος καὶ ἡ ἀπάτη τοῦ πλούτου καὶ αἱ περὶ τὰ λοιπὰ ἐπιθυμίαι εἰσπορευόμεναι συμπνίγουσιν τὸν λόγον, καὶ ἄκαρπος γίνεται. 20καὶ ἐκεῖνοί εἰσιν οἱ ἐπὶ τὴν γῆν τὴν καλὴν σπαρέντες, οἵτινες ἀκούουσιν τὸν λόγον καὶ παραδέχονται καὶ καρποφοροῦσιν ἓν τριάκοντα καὶ ἓν ἑξήκοντα καὶ ἓν ἑκατόν.

21Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Μήτι ἔρχεται ὁ λύχνος ἵνα ὑπὸ τὸν μόδιον τεθῇ ἢ ὑπὸ τὴν κλίνην; οὐχ ἵνα ἐπὶ τὴν λυχνίαν τεθῇ;

22οὐ γάρ ἐστιν κρυπτὸν ἐὰν μὴ ἵνα φανερωθῇ, οὐδὲ ἐγένετο ἀπόκρυφον ἀλλ' ἵνα ἔλθῃ εἰς φανερόν.

23εἴ τις ἔχει ὦτα ἀκούειν ἀκουέτω.

24Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Βλέπετε τί ἀκούετε. ἐν ᾧ μέτρῳ μετρεῖτε μετρηθήσεται ὑμῖν καὶ προστεθήσεται ὑμῖν.

25ὃς γὰρ ἔχει, δοθήσεται αὐτῷ: καὶ ὃς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχει, καὶ ὃ ἔχει ἀρθήσεται ἀπ' αὐτοῦ.

Mc 4,26Καὶ ἔλεγεν, Οὕτως ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ ὡς ἄνθρωπος βάλῃ τὸν σπόρον ἐπὶ τῆς γῆς

27καὶ καθεύδῃ καὶ ἐγείρηται νύκτα καὶ ἡμέραν, καὶ ὁ σπόρος βλαστᾷ καὶ μηκύνηται ὡς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἶδεν αὐτός.

28αὐτομάτη ἡ γῆ καρποφορεῖ, πρῶτον χόρτον, εἶτα στάχυν, εἶτα πλήρη[ς] σῖτον ἐν τῷ στάχυϊ.

29ὅταν δὲ παραδοῖ ὁ καρπός, εὐθὺς ἀποστέλλει τὸ δρέπανον, ὅτι παρέστηκεν ὁ θερισμός.

30Καὶ ἔλεγεν, Πῶς ὁμοιώσωμεν τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ, ἢ ἐν τίνι αὐτὴν παραβολῇ θῶμεν; 31ὡς κόκκῳ σινάπεως, ὃς ὅταν σπαρῇ ἐπὶ τῆς γῆς, μικρότερον ὂν πάντων τῶν σπερμάτων τῶν ἐπὶ τῆς γῆς,

32καὶ ὅταν σπαρῇ, ἀναβαίνει καὶ γίνεται μεῖζον πάντων τῶν λαχάνων καὶ ποιεῖ κλάδους μεγάλους, ὥστε δύνασθαι ὑπὸ τὴν σκιὰν αὐτοῦ τὰ πετεινὰ τοῦ οὐρανοῦ κατασκηνοῦν.

33Καὶ τοιαύταις παραβολαῖς πολλαῖς ἐλάλει αὐτοῖς τὸν λόγον, καθὼς ἠδύναντο ἀκούειν:

34χωρὶς δὲ παραβολῆς οὐκ ἐλάλει αὐτοῖς, κατ' ἰδίαν δὲ τοῖς ἰδίοις μαθηταῖς ἐπέλυεν πάντα.

Mc 4,35 Καὶ λέγει αὐτοῖς ἐν ἐκείνῃ τῇ ἡμέρᾳ ὀψίας γενομένης, Διέλθωμεν εἰς τὸ πέραν.
Vertaling: En hij zegt hen op die dag 's avonds: laten we naar de overkant gaan.
Mc 4,35 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείνῃ (= ekeinè: tijdens die; aanwijz vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἡμέρᾳ (= hèmera: tijdens de dag; zn dat vr enk van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ὀψίας (= opsias: 's avonds; zn gen vr enk van het zn οψια = opsia: avond) γενομένης (= genomenès: geworden; wkw med part aor gen vr enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-), Διέλθωμεν (= dielthômen: laten we doorheengaan; wkw aansporend, conjunct aor 1ste pers mv van het wkw διερχομαι = dierchomai: doorheen gaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk).

Mc 4,36 καὶ ἀφέντες τὸν ὄχλον παραλαμβάνουσιν αὐτὸν ὡς ἦν ἐν τῷ πλοίῳ, καὶ ἄλλα πλοῖα ἦν μετ' αὐτοῦ.
Vertaling: En zij verlieten de massa en zij namen hem mee zoals hij was in de boot, en andere boten waren bij hem.
Mc 4,36 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) παραλαμβάνουσιν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἄλλα (= alla: andere; bv nw nom onz mv van het bv nw αλλος = allos: ander) πλοῖα (= ploia: boten; zn nom onz mv van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) μετ' (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 4,37 καὶ γίνεται λαῖλαψ μεγάλη ἀνέμου, καὶ τὰ κύματα ἐπέβαλλεν εἰς τὸ πλοῖον, ὥστε ἤδη γεμίζεσθαι τὸ πλοῖον.

38καὶ αὐτὸς ἦν ἐν τῇ πρύμνῃ ἐπὶ τὸ προσκεφάλαιον καθεύδων: καὶ ἐγείρουσιν αὐτὸν καὶ λέγουσιν αὐτῷ, Διδάσκαλε, οὐ μέλει σοι ὅτι ἀπολλύμεθα;

39καὶ διεγερθεὶς ἐπετίμησεν τῷ ἀνέμῳ καὶ εἶπεν τῇ θαλάσσῃ, Σιώπα, πεφίμωσο. καὶ ἐκόπασεν ὁ ἄνεμος, καὶ ἐγένετο γαλήνη μεγάλη.

40καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τί δειλοί ἐστε; οὔπω ἔχετε πίστιν;

41καὶ ἐφοβήθησαν φόβον μέγαν, καὶ ἔλεγον πρὸς ἀλλήλους, Τίς ἄρα οὗτός ἐστιν ὅτι καὶ ὁ ἄνεμος καὶ ἡ θάλασσα ὑπακούει αὐτῷ;

Marcus 5,

 

Marcus 5,1-20

Mc 5,1. Καὶ ἦλθον εἰς τὸ πέραν τῆς θαλάσσης εἰς τὴν χώραν τῶν Γερασηνῶν.
Καὶ (nv) ἦλθον (wkw med aor 3de pers enk van het wkw erchomai=gaan, zij gingen ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰς (vz van richting, naar) τὸ (bep. lidw acc onz enk, de) πέραν (zn acc. onz enk, overzijde) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) θαλάσσης (zn gen vr enk, van ‘het’ meer) εἰς (vz van richting, naar) τὴν (bep lidw acc vr. enk) χώραν (zn acc vr enk, streek) τῶν (bep lidw gen mann mv) Γερασηνῶν (zn eigennaam gen mann mv, van de Gerasenen).
- geras : g is een gutturaal evenals de k , r-s : met metathesis s-r . Zo krijgen we de naam ksr = kaisar = keizer .
- de woorden chôra (streek) en choiros (varken) lijken sterk op elkaar . In Mc 5,11 zijn er varkens in die streek , in de bergen . Zouden we mogen vertalen : en zij gingen naar de overkant van de zee , naar de varkens van de (Romeinse) keizer . Hebben de Romeinse soldaten zich er als varkens gedragen ? Behoorde het Overjordaanse niet tot de stammen Ruben , Gad en de halve stam van Manasse ? Ging Jezus niet naar het Overjordaanse om ook de stammen van Israël te 'verzamelen'?

Mc 5,2 καὶ ἐξελθόντος αὐτοῦ ἐκ τοῦ πλοίου εὐθὺς ὑπήντησεν αὐτῷ ἐκ τῶν μνημείων ἄνθρωπος ἐν πνεύματι ἀκαθάρτῳ,

Mc 5,3 ὃς τὴν κατοίκησιν εἶχεν ἐν τοῖς μνήμασιν: καὶ οὐδὲ ἁλύσει οὐκ έτι οὐδεὶς ἐδύνατο αὐτὸν δῆσαι,
ὃς (betr vnw nom mann enk, die) τὴν (bep lidw acc vr enk) κατοίκησιν (zn acc vr enk, behuizing) εἶχεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw echô = hebben, hij had) ἐν (vz van plaats, in) τοῖς (bep lidw dat onz mv) μνήμασιν (zn dat onz mv, in de herinneringsplaatsen: Mc 5,3 en 5): καὶ (nv) οὐδὲ (partikel van ontkenning) ἁλύσει (zn dat vr enk halusis: ketting) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι (partikel, nog niet) οὐδεὶς (onbep. vnw nom mann enk, niemand) ἐδύνατο (wkw med imperf 3de pers enk van het wkw dunamai=kunnen, hij kon) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) δῆσαι (wkw act inf aor van het wkw deô=binden, om hem te binden),

Mc 5,4 διὰ τὸ αὐτὸν πολλάκις πέδαις καὶ ἁλύσεσιν δεδέσθαι καὶ διεσπάσθαι ὑπ' αὐτοῦ τὰς ἁλύσεις καὶ τὰς πέδας συντετρῖφθαι, καὶ οὐδεὶς ἴσχυεν αὐτὸν δαμάσαι:
4διὰ (vz) τὸ (bep lidw acc onz enk) αὐτὸν (pers vnw acc mann enk) πολλάκις (bijw, veelvuldig) πέδαις (zn dat vr mv van zn pedè=voetboei, met voetboeien) καὶ (nv) ἁλύσεσιν (zn dat vr mv van zn halusis=boei, met boeien) δεδέσθαι (wkw pass inf perf van het wkw deô=binden, omdat hij werd gebonden) καὶ (nv) διεσπάσθαι (wkw pass inf perf van het wkw diaspaô=uit elkaar rukken, omdat uit elkaar werden gerukt) ὑπ'(vz)  αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk, door hem) τὰς (bep lidw acc vr mv) ἁλύσεις (zn acc vr mv van het zn halusis=boei) καὶ (nv) τὰς (bep lidw acc vr mv) πέδας (zn acc onz mv van het zn pedè=voetboei) συντετρῖφθαι (wkw pass inf perf van het wkw suntribô=stukwrijven, verbrijzelen, omdat werden verbrijzeld), καὶ (nv) οὐδεὶς (onbep vnw nom mann enk, niemand) ἴσχυεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw ischuô=in staat zijn) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) δαμάσαι (wkw act inf aor van het wkw damazô=temmen, bedwingen):
- di-e-spasthai . Bij wkw die beginnen met twee of meer medeklinkers dient een augment als verdubbeling , vandaar esp- .
- suntetrifthai : vóór een dentaal staat een gelijkaardige guttural b-th -> f-th .

Mc 5,5 καὶ διὰ παντὸς νυκτὸς καὶ ἡμέρας ἐν τοῖς μνήμασιν καὶ ἐν τοῖς ὄρεσιν ἦν κράζων καὶ κατακόπτων ἑαυτὸν λίθοις.
καὶ (nv) διὰ (vz) παντὸς (bv gen mann enk van het bn pas, pasè, pan; dia pantos: bw, gedurende elke ‘tijd’, voortdurend) νυκτὸς (zn gen vr enk van het zn nux, ‘s nachts) καὶ (vw) ἡμέρας (zn gen vr enk, overdag) ἐν (vz van plaats) τοῖς (bep lidw dat onz mv) μνήμασιν (zn dat onz mv van het zn mnèma= herinneringsplaats, graf) καὶ (nv) ἐν (vz) τοῖς (bep lidw dat onz mv) ὄρεσιν (zn dat onz mv van het zn oros= berg) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) κράζων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw krazô= krijsen) καὶ (nv) κατακόπτων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw katakoptô= neerslaan) ἑαυτὸν (wederkerig vnw acc mann enk, zichzelf) λίθοις (zn dat mann mv van het zn lithos= steen; met stenen).

Mc 5,6 καὶ ἰδὼν τὸν Ἰησοῦν ἀπὸ μακρόθεν ἔδραμεν καὶ προσεκύνησεν αὐτῷ,
καὶ (nv) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw horaô= zien, zie het Latijnse vid-ere) τὸν (bep. lidw acc mann enk) Ἰησοῦν (zn eigennaam acc mann enk uit het Hebreeuwse Jëhosjua)  ἀπὸ (vz) μακρόθεν (bep. van plaats, vanuit lang; apo makrothen= van-uit de verte) ἔδραμεν (wkw  act ind aor 3de pers enk bij het wkw trechô= lopen, zie het Ned. tre-den) καὶ (nv) προσεκύνησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw proskuneô= knielen, zie kunè= knie) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk),
- Marcus geeft een uitvoerige beschrijving van het lot van de mens met een onreine geest . Dit vers grijpt als het ware terug op vers 2 . Toen ging die persoon al naar Jezus . Hier loopt hij naar Jezus nadat hij hem heeft gezien .
- edramen - wkw met een verschillende stam (Baeyens nr 136 blz 103) : trechô , aor. edramon .

Mc 5,7 καὶ κράξας φωνῇ μεγάλῃ λέγει, Τί ἐμοὶ καὶ σοί, Ἰησοῦ υἱὲ τοῦ θεοῦ τοῦ ὑψίστου; ὁρκίζω σε τὸν θεόν, μή με βασανίσῃς.
καὶ (nv) κράξας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw krazô= krijsen) φωνῇ (zn dat vr enk, stem) μεγάλῃ (bn dat vr enk van het bn megas, megalè, mega, groot) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk), Τί (= wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐμοὶ (pers vnw 1ste pers dat enk, aan mij) καὶ (nv) σοί (pers vnw 2de pers enk, aan jou), Ἰησοῦ (zn eigennaam voc mann enk) υἱὲ (zn voc mann enk, zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) θεοῦ (zn gen mann enk) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ὑψίστου (bn superlatief gen mann enk van het bv hupsos= hoog); ὁρκίζω(wkw act ind praes 1ste pers enk, zweren) σε (pers vnw 2de pers acc enk) τὸν (bep lidw acc mann enk) θεόν (zn acc mann enk) , μή (partikel van ontkenning, niet) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk)  βασανίσῃς (wkw conjunct aor 2de pers enk van het wkw basanizô= keuren, kwellen, dat jij me niet zou kwellen). Zie Mc 1,24 .
- In Mc 1,23-26 lezen we een gelijkaardig verhaal over een mens met een onreine geest . In Mc 1,24 lezen we : tí hèmin kai soi (wat is er aan ons en aan u : wat is er tussen ons en u). De man met de onreine geest duidt zich in het meervoud aan. In ons vers 7 duidt hij zich in het enk. aan, maar later blijkt hij in mv te bestaan ; in vers 9 blijkt dat hij legioen heet en ze met velen zijn . Het is dan ook begrijpelijk dat hij met zo'n luide stem kan krijsen en dat hij de tegenmacht : zoon van de allerhoogste God noemt .
- Een dubbelverhaal . Het 2de verhaal is geen copy van het eerste . Doordat er tussen het eerste en het tweede verhaal heel wat is gebeurd , wordt de betekenis van het 2de verhaal hierdoor mee bepaald en wordt de betekenis iets anders dan in het eerste verhaal.
- De naam God wordt bij Marcus weinig gebruikt . Hier 2X op heel korte afstand van elkaar .
- De persoon vraagt aan Jezus dat hij hem niet zou kwellen . Maar hij is een gekwelde geest en verwondt voortdurend zichzelf .

Mc 5,8 ἔλεγεν γὰρ αὐτῷ, Ἔξελθε τὸ πνεῦμα τὸ ἀκάθαρτον ἐκ τοῦ ἀνθρώπου.
ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) γὰρ (partikel van reden) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk), Ἔξελθε (wkw act. imperat. aor 2de pers enk bij het wkw exerchomai= uitgaan) τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (zn nom onz enk) τὸ (bep lidw nom onz enk) ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) ἐκ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (zn gen mann enk).
- In Mc 1,25 lezen we : exelthe ex autou (ga uit hem weg) . Hier lezen we ek tou anthrôpou (uit de mens) . In vers 2 wordt al anthrôpos (mens) gebruikt in combinatie met onreine geest . Wat het wkw betreft : Zie Baeyens , nr.136, blz.102. De uitdrukking vinden we in het NT in Mc 5,8 en 7,20 (wat uit de mens komt bezoedelt de mens) .
- de bepaling to pneuma to akatharton (de onreine geest) heeft lidw. ; het kan geen vocatief zijn . Het kan geen onderwerp zijn, want dan zou de wkwvorm elthetô (dat hij wegga) moeten zijn . Die bepaling wordt in het volgende vers nader bepaald : ik heb legioen als naam, want we zijn met velen . Deze uitdrukking komt in het NT slechts voor in Mc 1,26 en Mc 5,8 . Vooraleer de mens op het gebod van Jezus kan ingaan , stelt Jezus nog een vraag . Tweemaal een inleiding op wat Jezus zegt , is toch eigenaardig. Dat vers 9 is nodig voor het vervolg van het verhaal . Het zou ook kunnen dat Mc 5,9-14a een uitgebreide bewerking is van het eenvoudige : dat de onzuivere geesten uit de persoon weggingen.

Mc 5,9 καὶ ἐπηρώτα αὐτόν, Τί ὄνομά σοι; καὶ λέγει αὐτῷ, Λεγιὼν ὄνομά μοι, ὅτι πολλοί ἐσμεν.
καὶ (nv) ἐπηρώτα (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eperôtaô , hij vroeg) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , Τί (= ti: wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ὄνομά (zn nom onz enk) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk , welke naam is aan jou ; hoe heet je) ; καὶ (nv) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk , hij zegt) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Λεγιὼν (zn nom mann enk , legioen) ὄνομά (zn nom onz enk) μοι (pers vnw 1ste pers enk , legioen is de naam aan mij ; ik heet legioen) , ὅτι (ov van reden) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam : p/v - l) ἐσμεν (wkw 1ste pers mv van het wkw eimi = zijn) . Zie Mc 1,24 .
- ἐπηρώτα = epèrôta . Van welk werkw. ? Theoretisch gezien zou het kunnen komen van pèrôtaô . De e is hier geen augment , maar maakt deel uit van ep' , afkorting van epi bij de samengestelde wkw eperôtaô : bijvragen, opvragen . Het wkw begint met een klinker : erôtaô . We hebben een temporaal augment , dwz de beginklinker wordt verlengd tot è zie Baeyens nr.70,2 ; blz.53 . De eind a is een contractie van a+e , zie Baeyens nr 80, blz.64.
- επηρωτα αυτον = epèrôta auton (hij vroeg hem uit) . Bijbel = Mc (4) : (3) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus) . (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde) . (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus) . (8) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus) .
- In Mc 5,2 en 5,8 is het een persoon met een onreine geest . In het Grieks is onreine geest onzijdig . In Mc 5,9 heet hij legioen (mann. enk , een collectief) en zij zijn met velen (mann mv) . Het lijkt wel een macho die aan het woord is . Maar wie is aan het woord ? de man met de onreine geest of de onreine geest zelf ?
- Let op soi en moi (aan jou , aan mij) er staat niet sou en mou als bepaling bij onoma (naam) . Meestal vertalen we : wat is jij naam ; legioen is mijn naam . Er staat echter : wat een naam is aan jou ; legioen is een naam aan mij . De persoon valt niet samen met de naam . Het komt me over dat de persoon zo genoemd wordt (door anderen) . Ik word legioen genoemd omdat wij met velen zijn .
- και λεγει αυτῳ = kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 5,10 καὶ παρεκάλει αὐτὸν πολλὰ ἵνα μὴ αὐτὰ ἀποστείλῃ ἔξω τῆς χώρας.
καὶ (nv) παρεκάλει (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken, Ned. : kallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πολλὰ (bv nw acc onz mv , p-l/v-l: veel) ἵνα (ov van doel , opdat) μὴ (partikel van ontkenning) αὐτὰ (pers. vnw acc onz mv) ἀποστείλῃ (wkw conjunct aor 3de pers enk van het wkw apostellô = afsturen, wegzenden; stellô : st-r = sturen) ἔξω (vz , buiten) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) χώρας (zn gen vr enk , streek) .
- παρεκάλει = parekalei . Vooreerst merken we een voorzetsel op , waarvan de a is weggevallen (para) . We hebben te maken met een samengesteld werkwoord . De a is weggevallen omdat er een augment (e) komt , zie Baeyens regel 70, 3, blz.54 bovenaan. Een augment treffen we aan in de indicatief imperf. , aor. en plusquamperf. . We staan dus in ieder geval voor een indicatief . We sluiten een aor (parekalèsen) en plusquamperf. (ekekalèkei) uit. Waarom niet ekale maar wel ekalei ? Omwille van het feit dat we voor een contract werkwoord staan (de e van de stam en de e van het imperf. trekken samen tot ei: zie Baeyens blz.65 poieô , rechterkant contracties .
- Dubbele accusatief : één van persoon en één van zaak , zie Baeyens nr 164 , blz 119 .
- herhaaldelijk verzoek / aanbeveling :
-- Mc 5,10 : kai parekalei auton polla hina (en hij drong herhaaldelijk bij hem aan opdat) .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton polla ... hina (en hij roept hem herhaaldelijk ter hulp opdat) .
- ἀποστείλῃ = aposteilè . We staan voor een wkw met een stam die eindigt op l (wkw liquida : Beayens, nr.99-104, blz.76-78) . Het is een aor.vorm . de ei komt voort uit stel-sè(i) . De s wordt uitgestoten en er komt compensatie : verlenging van de e in ei . Zie Baeyens , nr.102, blz. 77. De stam is stel; in het praes. wordt die versterkt met j -> steljô -> stellô : zie Baeyens nr. 100, blz. 76.
- hina mè + conjunctief : bijwoordelijke bijzin van tijd . Zie Baeyens , nr.247, blz.164.
- Merk de acc onz mv auta op . In de voorgaande zin staat mann enk legiôn , het mann mv polloi (velen) . Die auta doet ons het eigenaardige van vers 8 en vers 9 opmerken . Tegenover het macho van de onreine geest , wordt hij tot onzijdig mv herleid . Dat mv is wel belangrijk omwille van het verdere gebeuren .

Mc 5,11ην δὲ ἐκεῖ πρὸς τῷ ὄρει ἀγέλη χοίρων μεγάλη βοσκομένη:
ην (act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi , hij was) δὲ (nv , echter) ἐκεῖ (bijw van plaats , hier; Fr. ici) πρὸς (vz; Fr. proche) τῷ (bep lidw dat onz enk) ὄρει (zn dat onz enk van het zn oros) ἀγέλη (zn nom vr enk , kudde) χοίρων (zn gen mann mv , woordspeling chôra en choiros) μεγάλη (bn nom vr enk van het bn megas = groot) βοσκομένη (wkw pass part praes nom vr enk van het wkw boskô : hoeden, weiden ; die wordt gehoed; Ned fokken?)) .

Mc 5,12 καὶ παρεκάλεσαν αὐτὸν λέγοντες, Πέμψον ἡμᾶς εἰς τοὺς χοίρους, ἵνα εἰς αὐτοὺς εἰσέλθωμεν.
καὶ (nv) παρεκάλεσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv) , Πέμψον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw pempô = zenden , zend) ἡμᾶς (pers vnw 1ste pers acc mann mv) εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) χοίρους (zn acc mann mv) , ἵνα (ov van doel) εἰς (vz van richting) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) εἰσέλθωμεν (wkw med conjunct aor 1ste pers mv , dat wij zouden ingaan) .
- Zie Mc 5,10: παρεκάλει = parekalei . par' < para + augment contract wkw e + stam kale + aor. s + an : 3de pers. mv. . We zouden verwachten : parekalèsan , zie Baeyens, nr.86, blz 69 : bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd . Dit is echter hier niet het geval ; we lezen parekale-san , zie Baeyens , nr. 91,5, blz 71 : van enkele wkw op -eô blijft de e behouden in bepaalde (soms alle) tijden. Het is opvallend hoe dikwijls parakaleô in deze pericope wordt gebruikt . Dit vers gelijkt heel sterk op vers 10 .
- een vorm van parakaleô , gevolgd door een vorm van legô (zeggen) + hoti (dat) + directe rede .
-- Mc 1,40 : parakalôn auton (hem ter hulp roepend) ... kai legôn autô(i) (en hem zeggend dat) + directe rede .
-- Mc 5,12 : kai parekalesan auton legontes (en zij drongen bij hem erop aan zeggende) + directe rede .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton (en hij roept hem ter hulp) ... legôn hoti (zeggende dat) + directe rede .
In Mc 1,40 en Mc 5,23 gaat het om een verzoek aan Jezus om genezing . In Mc 5,12 gaat het om een verzoek van de onzuivere geest legioen om in de varkens te mogen gaan .
- pempson . Geen augment . Dus geen indicatief . ps < p + s -> aorist . Imperatief aor van het wkw pempô . Labiaalstam p+s = ps Zie Baeyens nr. 96,1 blz.74 .
- de onreine geesten worden in het mv door hèmas (ons) weergegeven . Hun eerste aanbeveling was : stuur (van het wkw apostellô: wegsturen) 'het' niet buiten de streek (chôra: streek) . In dit vers de tweede aanbeveling : zend (pempô) ons naar de varkens (choiros: varken) .
- eiselthômen (opdat wij zouden ingaan in hen) . voorvoegsel eis (naar, in) + stam elth (aor) + ô van de conjunctief + uitgang 1ste pers mv men .
- P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Van Dale Etymologisch woordenboek : bis2 [tweemaal] {1824} < latijn bis < oudlatijn dvis, verwant met grieks dis, oudindisch dviḥ, middelhoogduits zwis, gotisch tvis-; verwant ook met twee.
- Waarnaartoe ? eis ... eis ... eis...
- Is de aanbeveling om in de varkens te komen , een vraag om de tegenstander te treffen , om de oorzaak van zijn bezetenheid weg te nemen .
- Het is opvallend dat er een relatie wordt gelegd tussen de berg en varkens en houden / fokken . Berg wordt het vaakst gecombineerd met profeten (bv Mozes, Elia) , priesters (berg Sion) , koningen . Gedragen leiders zich soms als varkens ?

Mc 5,13 καὶ ἐπέτρεψεν αὐτοῖς. καὶ ἐξελθόντα τὰ πνεύματα τὰ ἀκάθαρτα εἰσῆλθον εἰς τοὺς χοίρους, καὶ ὥρμησεν ἡ ἀγέλη κατὰ τοῦ κρημνοῦ εἰς τὴν θάλασσαν, ὡς δισχίλιοι, καὶ ἐπνίγοντο ἐν τῇ θαλάσσῃ.
καὶ (nv) ἐπέτρεψεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitrefô : opdragen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) . καὶ (nv) ἐξελθόντα (wkw med part aor acc onz mv van het wkw exerchomai = uitgaan) τὰ (bep lidw nom onz mv) πνεύματα (zn nom onz mv) τὰ (bep lidw nom onz mv) ἀκάθαρτα (bn nom onz mv) εἰσῆλθον (wkw med aor 3de pers mv van het wkw eiserchomai =  binnengaan)  εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) χοίρους (zn acc mann mv) , καὶ (nv) ὥρμησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw hormaô = in beweging brengen, vooruitstormen Ned hormoon) ἡ (bep lidw nom vr enk) ἀγέλη (zn nom vr enk , kudde) κατὰ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) κρημνοῦ (zn gen mann enk , krèmnos = hoge oeverrand) εἰς (vz van richting) τὴν (bep lidw acc vr enk) θάλασσαν (zn acc vr enk) , ὡς (bw) δισχίλιοι (getal nom mann mv , tweeduizend , Gr. : duo . Lat. : duo . Ned. : twee ; Gr. : dis = tweemaal , Lat. : bis, Oudlat.: dvis) καὶ (nv) ἐπνίγοντο (wkw  pass imperf  3de pers mv van het wkw pnigô = verstikken ; pass. stikken, verdrinken) ἐν (vz) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) θαλάσσῃ (zn dat vr enk) .  
- epetrepsen : ep' afkorting van voorvoegsel epi + augment (met weglating van de voorgaande klinker (zie Baeyens , contracte wkw , augment , nr.70, 3 blz 54 + labiaalstam op P + s van de aor. = ps + uitgang 3de pers enk. en , zie Baeyens nr. 96, blz 74 . trepô : doen draaien, wentelen (Ned. trap ?) ; epitrepô : toegeven, toelaten, bijdraaien(?).
- de onzuivere geesten gaan uit , in het mv , beantwoordend aan het gebod van Jezus (vers 8) , in het enk. evenwel ; ekselthonta : voorvoegsel eks + stam elth + verbuiging van het part. : acc. onz. mv. . Einde van de gramm. van de wkw : wkw met verschillende stammen (zie Baeyens nr 136, blz 102) .
- eisèlthon (zij gingen in) . voorvoegsel eis + temporaal augment : stam begint met de klinker e ; deze wordt verlengd (Bayens nr 70,2 , blz 53) . 2de aor. : zuivere stam elth + uitgangen van het imperfectum: 3de pers. mv. (zie Baeyens nr 107 , blz 79) . De onreine geesten zijn blijkbaar zelfstandige wezens die leven als parasieten ; ze gaan uit en dan gaan ze onmiddellijk in . De tweede aanbeveling van de man met de onreine geest (vers 12 gaat hiermee in vervulling) . Zo horen verzen 8-13 als een eenheid bij elkaar .
- hôrmèsen (zette zich in beweging) : temporaal augment : wkw begint met de klinker o ; deze wordt verlengd tot ô (zie Baeyens nr 70,2 , blz 53 . Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd : a -> è (zie Baeyens nr 86,3 , blz 69) .
- Wat een speling met het geslacht van de nw : de onreine geesten zijn in het Grieks onz (mv) , de kudde is vr. enk. , tweeduizend is mann mv . Het legioen moet blijkbaar uit 2000 'man' bestaan hebben .

Mc 5,14 καὶ οἱ βόσκοντες αὐτοὺς ἔφυγον καὶ ἀπήγγειλαν εἰς τὴν πόλιν καὶ εἰς τοὺς ἀγρούς: καὶ ἦλθον ἰδεῖν τί ἐστιν τὸ γεγονός.
καὶ (nv) οἱ (bep lidw nom mann mv) βόσκοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw boskô = hoeden) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ἔφυγον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw feugô = vluchten) καὶ (nv) ἀπήγγειλαν (wkw act ind aor 3de pers mv apaggellô = afkondigen) εἰς (vz van richting) τὴν (bep lidw acc vr enk) πόλιν (zn acc onz enk) καὶ (nv) εἰς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) ἀγρούς (zn acc mann mv van het zn agros = akker , Lat. : ager) : καὶ (nv) ἦλθον (wkw med ind aor 3de pers mv) ἰδεῖν (wkw act inf aor bij het wkw horaô = zien) τί (= wat? vrag vnw nom onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk) τὸ (bep lidw nom onz enk) γεγονός (wkw act part perf nom onz enk van het wkw ginomai = worden) (bep lidw nom mann enk).
- Onder de onregelmatige wkw staan de wkw met klankwisseling (Baeyens nr 132,1) ; de stam is fug ; het wkw is versterkt met een e -> feug . 2de aor. is efugon (uitgangen van het imperf. (Baeyens nr 107 , blz 79-80).
- apèggeilan : afkorting ap' van het voorzetsel apo + temporaal augment (zie Baeyens nr 70,2 , blz 53 : wkw die met een klinker beginnen, met augment wordt de klinker verlengd) + stam aggel (in het praesens wordt aggel vertsterkt met j : aggeljô -> aggellô ; Bayens nr 100 , blz 76) ; de kenletter s van de aorist wordt uitgestoten en de stamklinker wordt verlengd : èggel-s-a -> èggeila : Baeyens nr 102, blz 77) .
- idein , zie wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) aor bij het wkw horaô : zien ; stam id , inf. (2de aor) idein .

Mc 5,15 καὶ ἔρχονται πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ θεωροῦσιν τὸν δαιμονιζόμενον καθήμενον ἱματισμένον καὶ σωφρονοῦντα, τὸν ἐσχηκότα τὸν λεγιῶνα, καὶ ἐφοβήθησαν.
- καὶ (nv) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πρὸς (vz van richting) τὸν (bep lidw acc mann enk)  Ἰησοῦν (eigennaam zn acc mann enk) , καὶ  (nv) θεωροῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv) τὸν (bep lidw acc mann enk) δαιμονιζόμενον (wkw pass part praes acc mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) καθήμενον (wkw med part acc mann enk van het wkw kathèmai = zitten)  ἱματισμένον (wkw pass part aor acc mann enk van het wkw himatizô = kleden) καὶ (nv) σωφρονοῦντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw sumfroneô = bij zijn verstand zijn)   τὸν (bep lidw acc mann enk) ἐσχηκότα (act part perf acc mann enk van het wkw echô: hebben, bezitten) τὸν λεγιῶνα, καὶ (nv) ἐφοβήθησαν (dep ind aor 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen).
- Het is opvallend dat Mc overgaat naar de tegenw. tijd . Er is ook een opeenstapeling van deelwoorden . Voor het eerst in dit verhaal is er sprake van een daimon (demon) . daimonizomenon is een part. praes. . Beschouwen de varkenshoeders hem nog altijd als een bezetene ? De hoeders zijn wel hun varkens kwijt . Niet voor niets vrezen ze , als zo'n kracht uit die persoon was uitgegaan . Had de persoon over een legioen beschikt ? Was hij de leider van dat legioen geweest ?
- ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) . Slechts in Mc 5,15 in het NT . Er is een opmerkelijke overeenkomst tussen Mc 5,15 en Mc 16,2 . In Mc 5 is het duivellegioen uitgedreven en heeft het zich in het meer gestort . In Mc 15 werd Jezus gedood . In Mc 5 gaan de mensen , die van dit gebeuren gehoord hebben , naar Jezus . In Mc 16 gaan de vrouwen na de sabbat na de begrafenis van Jezus naar het graf .
- Mc 5,15 : ερχονται προς τον ιησουν = erchontai pros ton Ièsoun (zij gaan naar Jezus) .
- Mc 16,2 : ερχονται επι το μνημειον = = erchontai epi to mnèmeion (zij gaan op het graf) .
- Bij Mc wordt de naam Jezus niet vaak vernoemd . In deze pericope 2X .
- Tussen Mc 5,15-20 en Mc 16,1-8 zijn er heel wat overeenkomsten. Na ερχονται = erchontai (zij gaan) in Mc 16,2 is θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) in Mc 16,4 het 2de hoofdwerkwoord in de tegenwoordige tijd. In Mc 5,15 volgen ερχονται = erchontai (zij gaan) en θεωρουσιν = theôrousin (zij zien) elkaar op in 2 nevenschikkende zinnen .
-

Mc 5,15 Mc 16,1-8
kai erchontai pros... (en zij gaan naar...)

Mc 16,2 : erchontai epi (en zij gaan op...

kai theôrousin (en zij zien) Mc 16,4 : theôrousin (zij zien)...
ton daimonizomenon (de bezetene) Mc 16,5 : eidon neaniskon (zij zagen) een jongeling
kathèmenon (gezeten) kathèmenon en tois dexiois (gezeten aan de rechterkant)
imatismenon (gekleed) ... peribeblèmenos  stolèn leukèn (een wit gewaad om zich heen geslagen)
kai efobèthèsan (en zij werden bevreesd) kai exethambèthèsan (en zij
143. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12

- eschèkota : onregelmatig wkw (stam sch) met klankwisseling (Baeyens 130b , blz 97) ; e-schè + perf kenletter k + uitgang -ôs , -otos . Een gemengde vervoeging zoals pas , pantos (Baeyens nr 35 blz 22-23) . We hebben de vorm esch... sch (de stam begint met 2 medekl. , ch is 1 medekl.) , het augment e dient als verdubbeling (Baeyens, nr 72B1 , blz 55) .
- kathèmenon (zittend) : een deponent wkw met een naakte stam kathè + part. praes. acc. mann enk. menon (zie Bayens , nr 128 , blz. 95) .

Mc 5,16 καὶ διηγήσαντο αὐτοῖς οἱ ἰδόντες πῶς ἐγένετο τῷ δαιμονιζομένῳ καὶ περὶ τῶν χοίρων.
καὶ (nv) διηγήσαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw diègeomai = uiteenzetten, vertellen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) οἱ (bep lidw nom mann mv)  ἰδόντες (wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien ; stam aor id) πῶς (ov van wijze , hoe)  ἐγένετο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai = gebeuren) τῷ (bep lidw dat mann enk) δαιμονιζομένῳ (wkw pass part dat mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) καὶ (nv) περὶ (vz) τῶν (bep lidw gen mann mv) χοίρων (zn gen mann mv) .
- και διηγησονται αυτοις = kai diègèsanto autois (en zij zetten hen uiteen, verhandelden, legden uit, verhaalden) . Bijbel (2) : (1) 1 Mak 5,25 . (2) Mc 5,16 . In 1 Mak 5,25 wordt gezegd dat HJudas en Jonathan de Jordaan overstaken om te strijden in het Overjordaanse .

Mc 5,17 καὶ ἤρξαντο παρακαλεῖν αὐτὸν ἀπελθεῖν ἀπὸ τῶν ὁρίων αὐτῶν.
καὶ (nv) ἤρξαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw archomai = beginnen) παρακαλεῖν (wkw act inf praes, 3de maal het wkw parakaleô in deze pericope ; aanbevelen, aanmanen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) ἀπελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw aperchomai = weggaan) ἀπὸ (vz) τῶν (bep lidw gen onz mv) ὁρίων (zn gen mann mv van het zn horion = gebied) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) .
- ἤρξαντο = èrksanto (zij begonnen) . Bij wkw die met een klinker beginnen , wordt het temporaal augment verlengd : a -> è , e -> è (Baeyens nr 70,2 blz 53) ; èrch+ s + anto . Gutturaalstam . Elke gutturaal met s wordt ks (Baeyens 95,1 blz 73) . De aor. van archomai (beginnen) en erchomai (gaan, komen) zou dezelfde aor.vorm hebben : èrksanto . Voor erchomai wordt echter een wkw met een andere stam gebruikt : èlthon (een 2de aor.; uitgang van het imperf 3de pers mv , zie Baeyens 109 blz 79) .
- De (varkens)hoeders raden Jezus aan uit hun bergen (hun machtsgebied) weg te blijven . Wie zijn zij ?
- Mc 5,17 : apelthein apo tôn horiôn autôn = wegaan van hun gebied . Een vorm van het werkw. ap-erchomai (weggaan) + voorzetsel apo (van) .
-- Mc 7,31 : exelthôn ek tôn horiôn Turou = weggegaan uit het gebied van Tyrus . Een vorm van het werkw. ex-erchomai (uitgaan) + voorzetsel ek (uit) . (Na de ontmoeting met de Syro-Fenicische vrouw) .

Mc 5,18 καὶ ἐμβαίνοντος αὐτοῦ εἰς τὸ πλοῖον παρεκάλει αὐτὸν ὁ δαιμονισθεὶς ἵνα μετ' αὐτοῦ ᾖ.
καὶ (nv) ἐμβαίνοντος (wkw act part praes gen mann enk van het wkw embainô = inklimmen) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) εἰς (vz van richting) τὸ (bep lidw acc onz enk) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) παρεκάλει (wkw act ind imperf 3de pers enk) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ὁ (bep lidw nom mann enk) δαιμονισθεὶς (wkw pass part nom mann enk van het wkw daimonizô = door een demon bezeten zijn) ἵνα (ov van doel) μετ' (afgekort vz , meta = met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) ᾖ (act conjunct. 3de pers enk van het wkw eimi = zijn) .  
- em- . Vóór een labiaal (o.a. b) wordt n tot m , vandaar embain... - Mc 5,17 : apelthein apo tôn horiôn autôn = wegaan van hun gebied . Een vorm van het werkw. ap-erchomai (weggaan) + voorzetsel apo (van) .
- εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot) : LXX (1) . NT (19) . Mt (6) . Mc (6) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) Mc 6,51 . (5) Mc 8,10 . (6) Mc 8,13 . In vier verzen in combinatie met een vorm van εμβαινω = embainô (inklimmen) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) (5) Mc 8,10 . In Mc 6,51 in combinatie met een vorm van αναβαινω = anabainô (omhoogklimmen) . Als er in de boot gestapt wordt , zal er ook wel uit de boot gestapt worden . Het moge duidelijk zijn dat het meer van Galilea een belangrijke rol speelt in dit Marcusgedeelte
- Mc 7,31 : exelthôn ek tôn horiôn Turou = weggegaan uit het gebied van Tyrus . Een vorm van het werkw. ex-erchomai (uitgaan) + voorzetsel ek (uit) .
- παρεκαλει αυτον = parekalei auton (hij riep hem ter hulp) . Bijbel = NT (7) : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,10 . (3) Mc 5,18 . (4) Mc 5,23 . (5) Lc 8,31 . (6) Lc 8,41 . (7) Lc 15,28 . + ... hina in (1) Mc 5,10 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 5,23 .

Mc 5,19 καὶ οὐκ ἀφῆκεν αὐτόν, ἀλλὰ λέγει αὐτῷ, Υπαγε εἰς τὸν οἶκόν σου πρὸς τοὺς σούς, καὶ ἀπάγγειλον αὐτοῖς ὅσα ὁ κύριός σοι πεποίηκεν καὶ ἠλέησέν σε.
Vertaling: En hij liet hem niet toe, maar zegt hem: ga naar je huis bij de jouwen en kondig hen af hoevele dingen de heer deed en hij zich over jou ontfermde.
Mc 5,19 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν (= afèken: hij liet achter; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; , afkorting αλλ' = all') λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Υπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἶκόν (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σούς (= sous: de uwen; bezitt vnw 2de pers mv van het bezitt vnw σος = sos: uwe, jouwe), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπάγγειλον (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom +  acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κύριός (= kurios: heer; zn nom mann enk) σοι (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) πεποίηκεν (= pepoièken: hij heeft gedaan; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἠλέησέν (= eleèsen: hij ontfermde zich; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, ,barmhartig zijn) σε (= se: u; pers vnw 2de pers acc mann enk van het pers vnw συ = su: jij).

Mc 5,20 καὶ ἀπῆλθεν καὶ ἤρξατο κηρύσσειν ἐν τῇ Δεκαπόλει ὅσα ἐποίησεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, καὶ πάντες ἐθαύμαζον.
καὶ (nv) ἀπῆλθεν (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw aperchomai = weggaan) καὶ (nv) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) κηρύσσειν (wkw act inf praes) ἐν (vz) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) Δεκαπόλει (eigennaam Tienstad dat vr enk , Gr. : deka . Lat.  : decem . Fr. : dix . Ned. : tien , zie dec-anus) ὅσα (betr. vnw acc onz mv) ἐποίησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw poièô = doen) αὐτῷ (pers. vnw 3de pers dat mann enk) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) , καὶ (nv) πάντες (bn nom mann mv) ἐθαύμαζον (wkw act ind imperf 3de pers mv) .
- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .

- Mc 5,19 : kai apaggeilon autois hosa o kurios soi pepoièken
Vertaling: en verkondig hun hoeveel de Heer voor jou heeft gedaan .
- Mc 5,20 : kai èrxato kèrussein ... hosa epoièsen autôi ho ièsous = en hij begon te verkondigen hoeveel Jezus voor hem deed .

---------------------------------------------------------------------------------------------------

Het lezen van het Marcusevangelie in het Grieks nodigt uit om aandacht te besteden aan het taaleigen van Marcus .

1. Er zijn pericopen in Mc waar vooral het voegwoord και = kai (en) wordt gebruikt ; er zijn pericopen met het gebruik van het licht tegenstellend artikel δε = de (echter) . και = kai (en) is een kenmerk van een verhaal ; δε = de (echter) zou kunnen wijzen op het schriftelijk karakter van de tekst . Beide zijn de vertaling van het Hebreeuwse וְ = wë (en) .

2. Bijzonder veelvuldig komt bij Mc een tweevoud voor .

-- In Mc 5,1 zelf : naar de ... naar de ...
-- και ηλθον = kai èlthon (en zij gingen) : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 14,16 . In Mc 5,1 kwamen Jezus en zijn leerlingen , in Mc 14,16 zijn het enkel de leerlingen (om het avondmaal voor te bereiden) .
--- και ηλθον εις = kai èlthon eis (en zij gingen naar) : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 14,16 .

- ανθρωπος εν πνευματι ακαθαρῳ = anthrôpos en pneumati akatharthô(i) ( een mens met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .

3. Overgangen van de ene naar de andere plaats linken de verhalen aan elkaar en wijzen vaak op redactiewerk .

- Mc 4,35 . (2) Lc 8,22 : : διελθωμεν εις το περαν = dielthômen eis to peran (laten we doorgaan naar de overzijde) .
- Mc 5,1 : καὶ ἦλθον εἰς τὸ πέραν = kai èlthon eis to peran tès thalassès eis tèn chôran tôn gerasènôn ( en zij gingen naar de overzijde van het meer naar de streek van de Gerasenen) .
- Mc 5,21 : και διαπερασαντος του ιησου εν τῳ πλοιῳ παλιν εις το περαν = kai diaperasantos tou ièsou en tô(i) ploiô(i) palin eis to peran (en nadat Jezus in (met) de boot opnieuw naar de overzijde was doorgestoken) .
- In Mc 4,35 en Mc 5,1 wordt een nogal omslachtige omschrijving gebruikt voor wat eenvoudig met het werkw. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) kon gezegd worden .

Vergelijk : losse genitief en een bepaling met de boot . Een samengesteld werkw. met voorzetsel dat in de plaatsbepaling wordt herhaald (niet in Mc 5,21) . Aanduiding van een inclusio (Mc 5,1-20) . Het zou op redactiewerk kunnen wijzen .
- Mc 5,2 : και εξελθοντος αυτου εκ του πλοιου = kai exelthontos autou ek tou ploiou (en nadat hij uit de boot was uitgegaan) .
- Mc 5,18 : και εμβαινοντοs αυτου εις το πλοιον = kai embainontos autou eis to ploion (en terwijl hij in de boot inklom) .
- Mc 5,21 : και διαπερασαντος του ιησου εν τῳ πλοιῳ = Kai diaperasantos tou Ièsou en tôi ploiôi (en nadat Jezus in de boot overstak) .

4. bijzonderheden

- med. ind. 2de aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij kwamen) van het ww. ερχομαι = erchomai (komen, gaan) . We zouden ειρξονται verwachten . Deze vorm zou dan erg sterk gelijken op ηρξονται = èrksontai (zij begonnen) van het ww. αρχομαι = archomai (beginnen, heersen) gelijken en bijgevolg verwarring scheppen .
- tafos = graf , mnèmeion (< mnè = gedenken + sèmeion = signe, teken) : gedenkteken , grafgedenkteken . Bij het lege grafverhaal in Mc 16,1-8 gaat het telkens om mnèmeion . De jongeling in het lege grafgedenkteken zegt : hij is niet hier (Mc 16,6) . In Lc 22,19 zegt Jezus : doen jullie dit tot mijn herdenking (anamnèsis) .

5. Betekenis

Mensen worden bezeten door een onreine geest / demon / duivel of worden bezield door de heilige geest . In beide gevallen wordt de verantwoordelijkheid van de mens afgezwakt . Een onreine geest wordt uitgedreven en kan een mens zijn verantwoordelijkheid nemen . Een mens met een onreine geest is een mens die negatief is ingesteld , anderen bedreigt of psychische problemen heeft . Genezing lijkt op een uitdrijven van een vreemd iemand die belet dat een mens zijn verantwoordelijkheid kan opnemen . Het zal wel gaan om een psychisch proces van een negatieve naar een positieve ingesteldheid .
- Hoe het gebied ook heet , Jezus gaat naar het Overjordaanse , waar de stammen Gad en Ruben en een halve stam van Manasse zich vestigden bij de verovering van Kanaän door Jozua . Door de Assyrische deportaties , de vlucht van Israëlieten , was het gebied hoofdzakelijk heidens . Met het oog op het verzamelen van de twaalf stammen gaat Jezus naar dat gebied . Jezus' aandacht voor de heidenen wordt pas gewekt door de Syro-Fenicische (Mt 7,24-30) .
- In Mc 1,23 bevindt zich in de synagoge een man met een onreine geest . Deze voelt zich bedreigd door Jezus . Hij vreest dat Jezus komt om hem te verdelgen . Jezus en de ùan met de onreine geest staan tegenover elkaar . Wanneer Jezus in Mc 5,2 komt , wordt hij geconfronteerd eveneens met een man met een onreine geest . In beide teksten gaat het om Israëlitische mannen . Hij woont tussen de graven . Wellicht woont hij tussen zijn wapenbroeders die in de strijd zijn gevallen en gestorven . Hij kan de gewapende strijd niet loslaten . Hij blijft vasthouden aan de strijd van zijn wapenbroeders .
- Uit Mc 5,4 blijkt duidelijk dat het over een geweldenaar gaat die niet te bedwingen is . Het wonen in de graven en het geweld staan met elkaar in verband . Het gaat om een Israëliet die in zijn 'verzet' niet te stoppen is . Jezus wordt geconfronteerd met de graven . In Mc 1 vlg gaan de vrouwen naar het grafgedenkteken van Jezus , gedenkteken van het geweld dat op Jezus gepleegd werd . Maar in het graf zal de jongeling zeggen : hij is niet hier . Rond de dood in het graf moet geen verzet georganiseerd worden . De gedachtenis zal plaats hebben bij het breken van het brood en het delen van de beker . De solidariteit van het delen is het antwoord .

Marcus 5,21-43

Mc 5,21 Καὶ διαπεράσαντος τοῦ Ἰησοῦ [ἐν τῷ πλοίῳ] πάλιν εἰς τὸ πέραν συνήχθη ὄχλος πολὺς ἐπ' αὐτόν, καὶ ἦν παρὰ τὴν θάλασσαν.
- Καὶ (nv) διαπεράσαντος (ww part aor gen mann enk van het ww diaperaô : oversteken; peran: oever) τοῦ (lw gen mann enk) Ἰησοῦ (eigennaam, gen mann enk) ἐν (vz in) τῷ (lw dat onz enk) πλοίῳ (dat onz enk van het zn ploion (boot) ] πάλιν (partikel, opnieuw) εἰς (vz naar, in) τὸ (lw acc onz enk) πέραν (acc onz enk van het zn peran = overzijde) συνήχθη (med ind aor 3de pers enk van het ww sunagô = samendrijven) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) πολὺς (nom mann enk van het bn polus = veel) ἐπ' (vz epi = op, tegen) αὐτόν (pers vnw 3de pers mann enk), καὶ (vw) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) παρὰ (vz langs) τὴν (lw acc vr enk) θάλασσαν (acc vr enk van het zn thalassa = zee) .
Woorduitleg.
- Ned.: oever. D.: Üfer. Hebr.: עֵבֶר = `ebhèr: oever, overzijde, overkant. Zie het wkw. עָבַר = `âbhar: 'oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken. Gr.: περαν = peran: oever, overzijde, overkant; stam: `- b/p/v - r; is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen? Lat.: ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans: rive.
- De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen :
-- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc 4,35-41) : (6 , 7X) : (1) Mc 4,1 (εις πλοιον = eis ploion = in een boot) . (2) Mc 4,36 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (αλλα πλοια = alla ploia = de andere boten) . (3) Mc 4,37 (εις το πλοιον = eis to ploion (tegen de boot) . (4)  Mc 5,2 (εκ του πλοιου = ek tou ploiou = uit de boot) . (5)  Mc 5,18 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot) . (6) Mc 5,21 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot) .
-- Ned. : boot . D. : Boot . E. : boat . Fr. : navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau) . Gr. : ναυς , gen. νεως = naus (schip) . L. : navis (= schip ; navicula = boot) .
-- Ned. : vlot (pl- -> vl-) . Grieks : πλοιον = ploion (boot) . Taalgebruik in het NT : ploion (boot) . Zie het werkw. πλεω = pleô (varen) . Taalgebruik in het NT : pleô (varen) . De r en l zijn lingualen (tongletters) . pl -> vr : pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) .
Commentaar
- Een grote massa verzamelde zich bij Jezus. Daarmee is nog niet gezegd dat ze de synagoge vaarwel hebben gezegd. Wel verzamelde een grote massa zich rond Jezus omdat de synagogebijeenkomsten niet meer voldeden. Eén van de leiders van de synagoge roept de hulp van Jezus in. Hij ziet ook wel dat de massa zich tot Jezus wendt. Zijn dochtertje is doodziek. Wellicht staat het symbolisch voor de doodzieke synagoge. Er is wel de thorah, maar de wijze waarop ze geïnterpreteerd en beleefd wordt, loopt op zijn laatste benen; teveel mensen werden uitgesloten.
- sunèchthè van het wkw sunagô (gutturaal wkw) < sun + agô ; temporaal augment , de a wordt è (Baeyens ,nr 70,2 blz 53) . Vóór een dentaal staat alleen een gelijkaardige gutturaal of labiaal : g-th wordt ch-th (Baeyens nr 15,2 blz 8) .
- Mc 5,21 : συνηχθη οχλος πολυς =  sunèchtè ochlos polus (een grote menigte verzamelde zich) .
-- Mc 2,2 : συνηχθησαν πολλοι = sunèchtèsan polloi (velen verzamelden zich) .
-- Mc 4,1 : και συναγεται προς αυτον οχλος πλειστος = kai sunagetai pros auton ochlos pleistos = en een zeer grote menigte verzamelde zich bij hem .
In Mc 4,1 verzamelde zich een zeer grote menigte bij Jezus langs de rechteroever van het meer van Galilea . In Mc 5,21 verzamelde zich een grote menigte (opnieuw) aan de rechteroever van het meer nadat Jezus (en zijn leerlingen) was teruggekomen van een oversteken naar de andere oever .
- παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) . NT (7) . Mt (3) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .

Mc 5,22 καὶ ἔρχεται εἷς τῶν ἀρχισυναγώγων, ὀνόματι Ἰάϊρος, καὶ ἰδὼν αὐτὸν πίπτει πρὸς τοὺς πόδας αὐτοῦ
22. καὶ (nv) ἔρχεται (med ind praes 3de pers enk van het ww erchomai: gaan) εἷς (hoofdtelw. één) τῶν (bep lidw gen vr mv; lidw de t/d) ἀρχισυναγώγων (gen vr mv van het zn archsunagôgè: hoofdsynagoge), ὀνόματι (dat enk van het zn onoma: naam; n-m) Ἰάϊρος (eigennaam Jaïros; verlatijnst : Jaïrus) , καὶ (nv) ἰδὼν (act part aor nom mann enk van de aoristvorm eiden; zie Lat. vide-re , visum -> visie) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) πίπτει (act ind praes 3de pers enk van het ww piptô; stam pe- : vallen) πρὸς (vz van richting) τοὺς (bep lidw acc vr mv) πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) αὐτοῦ (pers vn gen mann enk)
- Ned. : voet . D. : Fuss . E. : foot . Fr. : pied . Grieks : πους = pous , ποδος = podos (voet) . Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Latijn : pes , -dis .

Mc 5,23 καὶ παρακαλεῖ αὐτὸν πολλὰ λέγων ὅτι Τὸ θυγάτριόν μου ἐσχάτως ἔχει, ἵνα ἐλθὼν ἐπιθῇ τὰς χεῖρας αὐτῇ ἵνα σωθῇ καὶ ζήσῃ.
23 καὶ (nv) παρακαλεῖ (act ind praes 3de pers enk van het ww parakaleô: Lat: ad-vocare: bijroepen, ter hulp roepen, aanmanen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) λέγων (act part praes nom mann enk) ὅτι (ov) Τὸ (bep lidw nom onz enk) θυγάτριόν (nom onz enk; thugatèr: dochter; th/d , g/ch + ter; let op het onzijdige thugatr-ion: vrouwelijkheid ontkennend) μου (pers vnw gen mann enk) ἐσχάτως (bijw : eschatos: laatst) ἔχει (act ind praes 3de pers enk. van het ww echô: hebben; ch/h; stam he-) , ἵνα (ov van doel + conjunctief: opdat) ἐλθὼν (wkw act part aor nom mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) ἐπιθῇς (act conj aor 2de pers enk van het ww epitithèmi: opleggen; stam: thè) τὰς (bep lidw acc vr mv) χεῖρας (acc vr mv van het zn cheir: hand/grijp) αὐτῇ (pers vnw dat vr enk) ἵνα (ov van doel + conjunctief: opdat) σωθῇ (pass conj aor 3de pers vr enk van het ww sôdzô : redden; stam: sô -> sô-tèr: re-dder) καὶ (nv) ζήσῃ (act conj aor 3de pers vr. enk).
- herhaaldelijk verzoek / aanbeveling :
-- Mc 5,10 : kai parekalei auton polla hina (en hij drong herhaaldelijk bij hem aan opdat) .
-- Mc 5,23 : kai parakalei auton polla ... hina (en hij roept hem herhaaldelijk ter hulp opdat) .
- Zie de tegenstelling archi- (begin, hoofd) en eschatôs: laatst). Beeld van Israël als dochter van Sion.
- epithè(i) : behoort tot de wkw op -mi . Vocaalstam met praesens-verdubbeling : ti-thè , met de letter i (Baeyens nr 111 A + B , blz 83) .
- sôthè(i) : conjunct. bij voegwoord van doel . 1ste aor. passief : zuivere stam + kenletters the + uitgangen van de actieve secundaire tijden (Baeyens nr 89 , blz 70) .
- zèsè(i) . conjunct. bij het voegw. hina . Bij zaô wordt de stamklinker verlengd tot è (Baeyens , nr 91,2 blz 71) .

Mc 5,24 καὶ ἀπῆλθεν μετ' αὐτοῦ (pers vn gen mann enk) . Καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ὄχλος πολύς, καὶ συνέθλιβον αὐτόν.
24 καὶ (nv) ἀπῆλθεν (act ind aor 3de pers enk van het ww aperchomai: af- /weg-gaan) μετ' (afgekort vz meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . Καὶ (nv) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) αὐτῷ (pers vnw 3de pers mann enk) ὄχλος (nom mann enk : massa) πολύς (bn nom mann enk: veel) , καὶ (nv) συνέθλιβον (act ind imperf 3de pers mv van het ww sunthibô: samendrukken, samenknellen) αὐτόν (pers vnw 3de pers mann enk).
- apèlthen (afkorting van apo) + stam el (met verlenging van het augment -> èl : Baeyens , nr 70,2 blz 53) + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf. , Baeyens nr 107 blz 79) . Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) .

Mc 5,25 καὶ γυνὴ οὖσα ἐν ῥύσει αἵματος δώδεκα ἔτη
25 καὶ (nv) γυνὴ (zn nom vr enk: vrouw ; gonu : knie ; gonè : geboorte , geslacht ; kunè : hond) οὖσα (act part praes nom vr enk van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ἐν (vz) ῥύσει (dat vr enk van het zn rèsis: stroming, vloeiing; zie het ww reô: stromen, vloeien) αἵματος (gen onz enk van het zn haima: bloed ; Hebr. dam) δώδεκα (telw : twaalf; 2 + 10 ; twaalf : symbool van volheid : 12 maanden vormen een jaar ; na 12 een nieuw begin) ἔτη (acc onz mv van het zn etos:jaar ; et-os Hebr. ‘eth : tijd , E. ti-me , Lat. te-m-p-us , Fr. te-m-p-s)
Het verhaal van het dochtertje van Jaïrus en dat van de bloedvloeiende vrouw geven het beeld van het einde van het Israël in die tijd ; het leven vloeit eruit weg; twaalf jaar lang; een totaliteit: reeds zeer lang. Jaïrus en de bloedvloeiende vrouw komen tot Jezus opdat hij Israël nieuw leven zou inblazen. Jaïrus, hoofd van een synagoge, erkent het leiderschap van Jezus. Nochtans is Johannes de Doper die in de gevangenis zit, theoretisch de leider. Na de dood van Johannes de Doper (Mc 6,14-29) zal Jezus het leiderschap op zich nemen (Mc 6,34-44) .
- ousa zie Baeyens nr 73 blz 56 : vervoeging van het wkw eimi (zijn) .

Mc 5,26 καὶ πολλὰ παθοῦσα ὑπὸ πολλῶν ἰατρῶν καὶ δαπανήσασα τὰ παρ' αὐτῆς πάντα καὶ μηδὲν ὠφεληθεῖσα ἀλλὰ μᾶλλον εἰς τὸ χεῖρον ἐλθοῦσα,
26 καὶ (nv) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) παθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww paschô: lijden ; Gr. pascha komt van het Hebr. pësach : doortocht , Pasen; in de drie lijdensvoorspellingen van de synoptici wordt een verband gelegd tussen lijden (paschô) en Pasen (pascha)) ὑπὸ (vz) πολλῶν (gen mann mv van het bv nw polus: veel ; p/v + l) ἰατρῶν (gen mann mv van het zn iatros: arts (metahesis?), geneesheer) καὶ (nv) δαπανήσασα (act part aor nom vr enk van het wkw dapanaô: uitgeven, besteden, ruïneren) τὰ (bep lidw acc onz mv) παρ' (afkorting van het vz para) αὐτῆς (pers vnw 3de pers gen vr enk) πάντα (acc onz mv van het bv nw pas: al, heel) καὶ (nv) μηδὲν (acc onz enk van he onbep vnw mè-d-eis = niet iets= niets) ὠφεληθεῖσα (pass part aor nom vr enk van het ww ôfeleô: helpen ; ôfeleô < h-b-l-ô : h-l-p : metathesis?) ἀλλὰ (vw van tegenstelling: maar) μᾶλλον (bw meer, eerder; malista : meest) εἰς (vz van richting) τὸ (bep lidw acc onz enk) χεῖρον (acc onz enk van het bv nw cheirôn: comp. geringer, slechter) ἐλθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww erchomai: gaan, komen),
- pathousa ; stam penth of path , in het praes. versterkt met -sk . (Baeyens nr 134 blz 100).

Mc 5,27 ἀκούσασα περὶ τοῦ Ἰησοῦ, ἐλθοῦσα ἐν τῷ ὄχλῳ ὄπισθεν ἥψατο τοῦ ἱματίου αὐτοῦ:
27 ἀκούσασα (act part aor nom vr enk van het ww akouô: horen; k/h) περὶ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) Ἰησοῦ (gen mann enk eigennaam ièsous), ἐλθοῦσα (act part aor nom vr enk van het ww erchomai; zie Fr al-ler) ἐν (vz) τῷ (bep lidw dat mann enk) ὄχλῳ (dat mann enk van het zn ochlos: massa) ὄπισθεν (vz van achter , Hebr. achar) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) τοῦ (bep lidw gen onz enk) ἱματίου (gen onz enk van het zn himation ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk):
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .
- Mac 5,25-27 : 7X een part. nom. vr. enk. bij gunè (vrouw) . Dan pas is er sprake dat zij zijn kleed(je) aanraakte .

Mc 5,28 ἔλεγεν γὰρ ὅτι Ἐὰν ἅψωμαι κἂν τῶν ἱματίων αὐτοῦ σωθήσομαι.
28 ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) γὰρ (ov van reden) ὅτι (ov) Ἐὰν (ondergeschikt voegw + conjunct : in-dien , als) ἅψωμαι (med conjunct aor 1ste pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) κἂν (samentrekking van kai en an : ook maar) τῶν (bep lidw gen onz mv) ἱματίων (gen onz mv van het zn himation: kleed ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vn 3de pers mann enk) σωθήσομαι (pass ind fut 1ste pers vr enk van het wkw sôdzô; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het ww jâsj`a in vers 27 en sôdzô: redden; stam sj).

Mc 5,29 καὶ εὐθὺς ἐξηράνθη ἡ πηγὴ τοῦ αἵματος αὐτῆς, καὶ ἔγνω τῷ σώματι ὅτι ἴαται ἀπὸ τῆς μάστιγος.
29 καὶ (nv) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐξηράνθη (pass ind aor 3de pers enk van het ww ksèrainô : opdrogen, verschrompelen) ἡ (bep lidw nom vr enk) πηγὴ (zn nom vr enk: bron) τοῦ (bep lidw gen onz enk) αἵματος (gen onz enk van het zn haima: bloed) αὐτῆς (pers vnw 3de pers gen vr enk) , καὶ (nv) ἔγνω (act 2de aor 3de pers vr enk van het ww gignôskô: weten; stam gn-) τῷ (bep lidw dat onz enk) σώματι (dat onz enk van het zn sôma: lichaam) ὅτι (ov) ἴαται (pass ind perf 3de pers vr enk van het ww iaomai: genezen, zie iatros: geneesheer, arts) ἀπὸ (vz : af , weg) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μάστιγος (gen vr enk van het zn mastiks : gesel, plaag) . .
- eksèranthè < augment + werkwoordstam ksèran + kenmerk verleden tijd th + è . Wkw eindigend op een nasaal (n) : bijna alle praesensstammen zijn versterkt met J : ksèranJô -> ksèrainô .
- egnô : stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô : act. ind. aor 3de pers enk. egnô ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97) .

Mc 5,30 καὶ εὐθὺς ὁ Ἰησοῦς ἐπιγνοὺς ἐν ἑαυτῷ τὴν ἐξ αὐτοῦ δύναμιν ἐξελθοῦσαν ἐπιστpαφεὶς ἐν τῷ ὄχλῳ ἔλεγεν, Τίς μου ἥψατο τῶν ἱματίων;
30 καὶ (nv) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) ἐπιγνοὺς (act part aor nom mann enk van het wkw epigignôskô : herkennen) ἐν (vz) ἑαυτῷ (reflexief vnw dat mann enk) τὴν (bep lidw acc vr enk) ἐξ (vz) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) δύναμιν (acc vr enk van het zn dunamis : kracht, macht , dynamiet) ἐξελθοῦσαν (med part aor acc vr enk van het wkw ekserchomai: uitgaan ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er) ἐπιστραφεὶς (act part aor nom mann enk van het wkw epistrefô : keren naar ; zie strofe , catastrofe) ἐν (vz) τῷ (bep lidw dat mann enk) ὄχλῳ (dat mann enk van het zn ochlos : massa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) Τίς (betrekk vnw nom mann enk) μου (pers vnw gen mann enk) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) τῶν (bep lidw gen onz mv) ἱματίων (gen onz mv van het zn himation: kleed) ;
- ekselthousa : voorvoegsel eks + stam elth + verbuiging van het part. : acc vr enk . Einde van de gramm. van de wkw : wkw met verschillende stammen (zie Baeyens nr 136, blz 102) .
- epignous : voorvoegsel + stam gno- of gnô Ned. ken-n-en ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> act part nom mann enk epi-gnous ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97) , zie gno-sis : ken-n-is)
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .

Mc 5,31 καὶ ἔλεγον αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Βλέπεις τὸν ὄχλον συνθλίβοντά σε, καὶ λέγεις, Τίς μου ἥψατο;
31 καὶ (nv) ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) οἱ (bep lidw nom mann mv) μαθηταὶ (nom mann mv van het zn nw mathè-tès : leer-ling, wkw ma-n-th-an-ô: leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . Βλέπεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw blepô: zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) τὸν (bep lidw ) ὄχλον (acc mann enk van het zn ochlos: massa) συνθλίβοντά (act part praes acc mann enk van het wkw sunthlibô: samendrukken, samenknellen, zie Mc 5,24) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) , καὶ (nv) λέγεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Τίς (betrekk vnw nom mann enk) μου (pers vnw 1ste gen mann enk) ἥψατο (med. ind aor 3de pers vr enk van het ww haptô: happen, raken, aanraken) .
- èpsato ; stam hap (ap) : passen, samenvoegen ; Lat.: aptus (gepast, hap-klaar?) . wkw + gen van indirect voorwerp (Baeyens nr 170 blz 122) .

Mc 5,32 καὶ περιεβλέπετο ἰδεῖν τὴν τοῦτο ποιήσασαν.
- καὶ (nv) περιεβλέπετο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw periblepô: rondkijken ; Bayens nr 71,3 , blz 53-54 ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) ἰδεῖν (act inf aor van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102) τὴν (bep lidw acc vr enk) τοῦτο (aanwijz vnw acc onz enk - houtos ; touto < to + houtos = de die / de dat ;: d -it) ποιήσασαν (act part aor acc vr enk van het wkw poiêô: doen ; Lat fa-c-ere) .
- En hij blikte rond om te zien 'degene (vr) die dit deed' .

Mc 5,33 ἡ δὲ γυνὴ φοβηθεῖσα καὶ τρέμουσα, εἰδυῖα ὃ γέγονεν αὐτῇ, ἦλθεν καὶ προσέπεσεν αὐτῷ καὶ εἶπεν αὐτῷ πᾶσαν τὴν ἀλήθειαν.
33 ἡ (bep lidw nom vr enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) γυνὴ (nom vr enk van het zn gunè: vrouw ; < gen- : verwekster? Ned. vrouw - Freja , Lat. fe-mina , Fr. femme) φοβηθεῖσα (med part aor nom vr enk van het wkw fobeomai: vrezen, bev-en?) καὶ (nv) τρέμουσα (act part praes nom vr enk van het wkw tre-mô: trillen, beven) εἰδυῖα (act part perf nom vr enk van het wkw oida : ik weet, zie Baeyens nr 129,1 , blz 95-96 ; Ned. wet-en) ὃ (betrekk vnw nom onz enk) γέγονεν (med ind perf 3de pers enk. van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge-) αὐτῇ (pers vnw 3de pers dat vr enk) , ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er) καὶ (nv) προσέπεσεν (acc ind aor 3de pers enk van het wkw prospiptô: vallen bij , stam pe- , Hebr. nâphal , Ned. : va-l-l-en; niet het wkw proskuneô : knielen ; gonu : knie ; gonè : geboorte , geslacht ; gunè : vrouw , kunè : hond) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) καὶ (nv) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) πᾶσαν (acc vr enk van het bv nw pas : al) τὴν (bep lidw acc vr enk) ἀλήθειαν (acc vr enk van het zn alètheia: waarheid - datgene wat ze gedaan heeft - , Lat. ver-i-tas) .
- gegonen van het wkw gignomai (onregelmatig wkw met werkwoordstamverdubbeling g-i-gn-o-mai, Baeyens nr 130 blz 97) .
- prosepesen van het wkw prospiptô , labiaal wkw, de praesensstam wordt versterkt met t -> pi-p-t-ô .
- In Mc 5,33 komen 7 wkwvormen voor .

Mc 5,34 ὁ δὲ εἶπεν αὐτῇ, Θυγάτηρ, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε: ὕπαγε εἰς εἰρήνην, καὶ ἴσθι ὑγιὴς ἀπὸ τῆς μάστιγός σου.
34 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô: zeggen, wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῇ (pers vnw 3de pers dat vr enk) , Θυγάτηρ (zn nom vr. enk , voc vr enk thugater ; thug-a-tèr : doch-ter) ἡ (bep lidw nom vr enk) πίστις (zn nom vr enk , pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) σου (pers vnw 2de pers gen vr enk) σέσωκέν ( wkw se-sô-k-en : act ind perf 3de pers enk van het wkw sôzô : redden ; stam sô , zie sô - tèr : re-d-der) σε (pers vnw 2de pers acc vr enk) : ὕπαγε (act imperat praes 2de pers enk van het wkw hupagô < hupo-agô : leiden onder, gaan , NG. pègainô) εἰς (vz van richting : naar) εἰρήνην, καὶ (nv) ἴσθι (act imperat 2de pers enk van het wkw eimi : zijn , Baeyens nr 73 , blz 56 ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ὑγιὴς (bv nw nom vr enk , zie hygiëne , ge-zon- d , Lat. san-us) ἀπὸ (vz : af , weg) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μάστιγος (gen vr enk van het zn mastiks : gesel, plaag) sou (pers vnw 2de pers vr enk)
- ἡ πιστις σου σεσωκεν σε = hè pistis sou sesôken se (je geloof heeft je gered) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 . (2) Mc 10,52 . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Vier lettergrepen beginnen met s- . Het geloof van een bloedvloeiende vrouw en van een blinde man was hun redding .
- De vrouw zegt iets tot Jezus na veel omhaal : ἡ δὲ γυνὴ ... εἶπεν αὐτῷ (Mc 5,33) .
- Jezus zegt zonder veel omhaal tot de vrouw : ὁ δὲ εἶπεν αὐτῇ (Mc 5,34) .

Mc 5,35 Ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος ἔρχονται ἀπὸ τοῦ ἀρχισυναγώγου λέγοντες ὅτι Ἡ θυγάτηρ σου ἀπέθανεν: τί ἔτι σκύλλεις τὸν διδάσκαλον;
35 Ἔτι (bw : nog) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) λαλοῦντος (losse gen , act ind praes gen mann enk. van het wkw laleô : spreken , lallen; terwijl hij nog spreekt) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἀπὸ (vz : af , weg) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀρχισυναγώγου (zn gen mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge ; archi : aarts- , hoofd , sun- : samen , agôgos < agô : leiden) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) ὅτι (ov) Ἡ (bep lidw nom vr enk) θυγάτηρ (zn nom vr. enk , voc vr enk thugater ; thug-a-tèr : doch-ter) σου (pers vnw 2de pers vr enk) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἔτι (bw : nog) σκύλλεις (act ind praes 2de pers enk van het wkw skullô: kwellen, lastig vallen) τὸν (bep lidw acc mann enk) διδάσκαλον (zn nom mann enk van het zn didaskalos : leermeester ; di-da-s-k-a-los < di-da-skô : leren , Lat docere : leren , onderrichten) ;
- apethanen < ap-e-than-en ; wkw met stamversterking in de praesensvorm -> apo-thnè(i) -sk-ô: Baeyens nr 134 blz 100) .

Mc 5,36 ὁ δὲ Ἰησοῦς παρακούσας τὸν λόγον λαλούμενον λέγει τῷ ἀρχισυναγώγῳ, Μὴ φοβοῦ, μόνον πίστευε.
36 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) παρακούσας (act part aor nom mann enk van het wkw par-akouô : toevallig, terloops horen) τὸν (bep lidw acc mann enk) λόγον (zn acc mann enk van het zn logos : ge-zeg-de , woord , Lat. ver-bum , Fr. verbe) λαλούμενον (pass part praes acc mann enk van het wkw laleô : spreken , lallen) λέγει (act ind praes 3de pers mann enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τῷ (bep lidw dat mann enk) ἀρχισυναγώγῳ (zn dat mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge) , Μὴ (negatie : niet) φοβοῦ (act imperat 2de pers mann enk van het wkw fobeomai: vrezen, bev-en?) , μόνον (bijw : alleen) πίστευε (act imperat. 2de pers mann enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie Mc 5,34 : pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi)

Mc 5,37 καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν οὐδένα μετ' αὐτοῦ συνακολουθῆσαι εἰ μὴ τὸν Πέτρον καὶ Ἰάκωβον καὶ Ἰωάννην τὸν ἀδελφὸν Ἰακώβου.
37 καὶ (nv) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (ontkenning ou + k : volgend woord begint met een klinker) ἀφῆκεν (act ind aor 3de pers enk. van het wkw af -hièmi : in beweging zetten , zenden . Een bijzondere tweede aorist : een k worteluitbreiding in de ind. enk. en de persoonsuitgang a -> hèka (Baeyens 111A blz 83) . afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi : laten gaan , wegzenden ; zie Baeyens 15,1 blz 8 ) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) μετ' (afgekort voorzetsel meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) συνακολουθῆσαι (wkw act inf aor van het wkw sun-akolouth-e-ô : samen volgen) εἰ μὴ (ei : vw. : indien ; mè : ontkenning : niet ; samen : tenzij) τὸν (bep lidw acc mann enk) Πέτρον (zn eigennaam acc mann enk ; petros : Griekse naam , rots) καὶ (nv) Ἰάκωβον (zn eigennaam acc mann enk ; vergriekste vorm iakôbos van de Hebreeuwse naam יַעֳקֹב =ja`äqobh - hij bedroog - , Jakob) καὶ (nv) Ἰωάννην (zn eigennaam acc mann enk , vergriekste vorm Iôannès van het Hebreeuwse woord jôhanan : JWWH is genadig) τὸν (bep lidw acc mann enk) ἀδελφὸν (zn acc mann enk van het zn adelfos : broer) Ἰακώβου (zn eigennaam gen mann enk , vergriekste vorm iakôbos van de Hebreeuwse naam יַעֳקֹב =ja`äqobh - hij bedroog - , Jakob) .

Mc 5,38 καὶ ἔρχονται εἰς τὸν οἶκον τοῦ ἀρχισυναγώγου, καὶ θεωρεῖ θόρυβον καὶ κλαίοντας καὶ ἀλαλάζοντας πολλά,
38 καὶ (nv) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (vz van richting , naar) τὸν (bep lidw acc mann enk) οἶκον (zn acc mann enk van het zn oikos : huis) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀρχισυναγώγου (zn gen mann enk van het zn archisunagôgos : aartssynagogeleider , hoofd van de synagoge ; archi : aarts- , hoofd , sun- : samen , agôgos < agô : leiden) , καὶ (nv) θεωρεῖ (act. ind praes 3de pers enk van het wkw theôreô : kijken , zie theater) θόρυβον (acc mann enk van het zn thorubos: lawaai, rumoer) καὶ (nv) κλαίοντας (wkw act part praes acc vr mv van het wkw kla-i-ô : kla-g-en , wenen) καὶ (nv) ἀλαλάζοντας (act part praes acc vr mv van het wkw alalazô : krijgsgeschreeuw aanheffen , la-waai maken) πολλά (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) ,

Mc 5,39 καὶ εἰσελθὼν λέγει αὐτοῖς, Τί θορυβεῖσθε καὶ κλαίετε; τὸ παιδίον οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀπέθανεν ἀλλὰ καθεύδει.
39 καὶ (nv) εἰσελθὼν (act part aor nom mann enk ; bijzondere vorm bij eiserchomai: komen naar , binnengaan; el- zie Fr aller) λέγει (act ind praes 3de pers mann enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers mann mv) , Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) θορυβεῖσθε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw thorubeô : lawaai , rumoer maken , zie zn thorubos: lawaai, rumoer) καὶ (nv) κλαίετε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw kla-i-ô : kla-g-en , wenen) ; τὸ (bep lidw nom onz enk) παιδίον (zn nom onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (ontkenning ou + k : volgend woord begint met een klinker) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) ἀλλὰ (nv van tegenstelling : maar) καθεύδει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw katheudô : slapen) .
- apethanen < ap-e-than-en ; wkw met stamversterking in de praesensvorm -> apo-thnè(i) -sk-ô: Baeyens nr 134 blz 100) .

Mc 5,40 καὶ κατεγέλων αὐτοῦ. αὐτὸς δὲ ἐκβαλὼν πάντας παραλαμβάνει τὸν πατέρα τοῦ παιδίου καὶ τὴν μητέρα καὶ τοὺς μετ' αὐτοῦ, καὶ εἰσπορεύεται ὅπου ἦν τὸ παιδίον:
40 καὶ (nv) κατεγέλων (wkw act ind imperf. 3de pers mv kat-e-gel-ôn van het wkw katagelaô : neerbuigend lachen , uitlachen , zie Baeyens blz 80) αὐτοῦ (pers vn 3de pers mann enk) . αὐτὸς (pers. vnw 1ste pers nom mann enk) δὲ (nv lichte vorm van tegenstelling) ἐκβαλὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ekballô : uitwerpen) πάντας (acc mann mv van het bv nw pas : al, ieder) παραλαμβάνει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw para-la-m-b-an-ô : naast zich nemen) τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) τοῦ (bep lidw gen onz enk) παιδίου (zn gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) καὶ (nv) τὴν (bep lidw acc vr enk) μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) καὶ (nv) τοὺς (bep lidw acc mann mv) μετ' (afgekort voorzetsel meta: met) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) , καὶ (nv) εἰσπορεύεται (wkw med ind praes 3de pers enk van hget wkw eis-por-eu-o-mai : zich op weg begeven naar ; zn πορος = poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen) ὅπου (betrekk vnw van plaats : waar) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) τὸ (bep lidw nom onz enk) παιδίον (zn nom onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) :

Mc 5,41 καὶ κρατήσας τῆς χειρὸς τοῦ παιδίου λέγει αὐτῇ, Ταλιθα κουμ, ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον (pass. part praes nom onz enk methermèneuô : vertalen, omzetten) Τὸ κοράσιον, σοὶ λέγω, ἔγειρε.
41 καὶ (nv) κρατήσας (act part aor nom mann enk van het wkw krateô : met kracht grijpen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) χειρὸς (gen vr enk van het zn cheir : hand / handgreep , gr-) τοῦ (bep lidw gen onz enk) παιδίου (gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῇ (pers vnw dat vr enk), Ταλιθα (Aramees : jong, meisje) κουμ (Hebr. act imperat. praes 2de pers enk van qûm: opstaan), ὅ (betrekk vnw nom onz enk : dat) ἐστιν (act part praes nom onz enk) μεθερμηνευόμενον (act part praes nom onz enk) van het wkw meth-ermèneuô : vertalen, omzetten) Τὸ (bep lidw nom onz enk) κοράσιον (onz enk van het zn verkleinwoordje kora-sion : meisje van het zn korè : jong meisje) , σοὶ (pers vnw 2de pers enk : aan jou) λέγω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep), ἔγειρε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw egeirô = opwekken , 'opstaan')
- taljethâ´ : Aramees : jong , meisje .
- qûm : Hebr. / Aramees imperat 2de pers mann enk , sta op .
- meth-ermèneuo-menon meth afkorting van meta , met th omwille van de spiritus asper her...
- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
-- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Enkel in deze twee verzen in Mc komt de formule soi legô = ik zeg je , voor .

Mc 5,42 καὶ εὐθὺς ἀνέστη τὸ κοράσιον καὶ περιεπάτει, ἦν γὰρ ἐτῶν δώδεκα. καὶ ἐξέστησαν [εὐθὺς] ἐκστάσει μεγάλῃ.
42 καὶ (nv) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀνέστη (act ind aor 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) τὸ (bep lidw nom onz enk) κοράσιον (onz enk van het zn verkleinwoordje kora-sion : meisje van het zn korè : jong meisje) καὶ (nv) περιεπάτει (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw peripateô : rondwandelen , zie Ned. pad), ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (partikel van reden) ἐτῶν (zn gen onz mv van het zn etos : jaar ; et-os Hebr. ‘eth : tijd , E. ti-me , Lat. te-m-p-us , Fr. te-m-p-s) δώδεκα (telw : twaalf; 2 + 10 ; twaalf : symbool van volheid : 12 maanden vormen een jaar ; na 12 een nieuw begin) . καὶ (nv) ἐξέστησαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ex-i-stè-mi : uit-staa-n , buiten zichzelf zijn ) [εὐθὺς] (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἐκστάσει (zn dat vr enk van het zn ex-sta-sis : uit-sta-nd , ex-sta-se , verrukking) μεγάλῃ (bv nw dat vr enk van het bv nw megas : groot , zie megalomaan) .
- anestè < voorvoegsel ana + augment van de aor. (voorvoegsel eindigt op een klinker , valt weg bij een augment: Baeyens nr 70,3 blz 54) + stam + uitgang . Wkw op - mi , met vocaalstam sta- of stè , praesensverdubbeling sist -> histè (Baeyens nr 111 , blz 83) .
- eksestèsan , zie o.a. hierboven anestè . Zie Baeyens nr 113 , blz 85.
- koros (jongen) , korè (meisje) , korasion (meisje , let op het onzijdige, we spreken ook over HET meisje) .

Mc 5,43 καὶ διεστείλατο αὐτοῖς πολλὰ ἵνα μηδεὶς γνοῖ τοῦτο, καὶ (nv) εἶπεν δοθῆναι αὐτῇ φαγεῖν.
43 καὶ (nv) διεστείλατο (mediaal aor. 3de pers. enk. διεστειλατο = diesteilato (hij beval) van het wkw διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) πολλὰ (acc onz mv van het bv nw polus: veel; p/v + l) ἵνα (bw van doel: opdat) μηδεὶς (onbep vnw nom mann enk: nie-mand = niet iemand) γνοῖ (act conjunct aor 3de pers enk) τοῦτο (aanw vnw acc onz enk) , καὶ (nv) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô = zeggen) δοθῆναι (pass inf aor van het wkw didômi : geven) αὐτῇ (pers. vnw dat vr enk) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) .
- διεστειλατο = diesteilato . voorvoegsel apo afgekort tot ap' (omwille van het augment ; bij samengestelde wkw laat men de klinker weg bij voorvoegsels die op een klinker eindigen (Baeyens , nr.70, blz 54 ; stam stel , in praes versterkt met j -> stejô -> stellô Baeyens nr 100 blz 76) ; de stamklinker s (aor) wordt uitgestoten en als compensatie wordt de stamklinker verlengd : e wordt ei (Baeyens nr 102 blz 77) .
- gnoi : stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô (Baeyens 130a blz 97) .
ειπεν , wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) .
- dothènai - stam do - aor thè uitgang inf nai . Wkw eindigend op -mi , klinkerstam met verdubbeling in praes. di-dô-mi (geven) (Baeyens nr 111 blz 83) , Lat. : dare , donum (gift) .
- act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) .
- Mc 5,43 : και διεστειλατο αυτοις πολλα ἱνα μηδεις γνοι τουτο = kai diesteilato autois polla ina mèdeis gnoi touto (en hij beval hen meermaals dat niemand dit zou weten) . Het zwijggebod betreft het ten leven wekken van het kind .
-- Mc 9,30 : και ουκ ηθελεν ἱνα τις γνοι = kai ouk èthelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen , gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea , maar hij wil niet dat iemand het weet .

Jezus komt terug van de overkant van het meer van Galilea . Daar was agressie , geweld en dood in het land , zowel van de kant van de plaatselijke bevolking als van de bezetters , de Romeinen . Jezus gaat terug naar de nood-westzijde van het meer . Het 'joodse' volk is er erg aan toe : een synagogeleider roept de hulp van Jezus in want zijn 12-jariug dochtertje is doodziek en er is een vrouw die al 12 jaar aan bloedvloeiïng lijdt . Twee vrouwen verschijnen op het toneel . De ene vrouw is in feite een kind , dat sterft voordat het volwassen wordt en geen kinderen krijgt en een vrouw die wegens bloedingen geen kinderen zal krijgen . Er is geen toekomst in het verschiet . Er is sprake van ziekte en dood . In beide gevallen wordt er een beroep op Jezus gedaan . Blijkbaar kan Jezus voor een toekomst zorgen . En waarom zien de vrouwen geen toekomst ? Als kinderen uiteindelijk maar dienen om in de onderlinge strijd en oorlog te sneuvelen , waarom zou je dan kinderen baren ? Een mens is toch meer dan alleen maar "kannonenvoer" .

Het is een synagogeleider die op Jezus beroep doet . Volstaat de thorah niet om toekomst te wekken ? Of is de interpretatie van de thorah in een doodlopend straatje terecht gekomen ? Is de interpretatie van Jezus van die aard dat er leven en toekomst is ? In Mc 1,40-45 kwam een melaatse naar Jezus toe . Dat had die melaatse niet mogen doen . Hij had moeten verwittigen dat hij melaats was zodat passanten zich verre van hem konden houden , want aanraken kon besmetting betekenen . Die melaatse doorbreekt dus het taboe . Van een synagogeleider zou je niet verwachten dat hij naar Jezus zou komen ; integendeel , je zou eerder verwachten dat Jezus naar een synagogeleider zou gaan . Je zou toch meer gezag toekennen aan een synagogeleider dan aan Jezus .

Marcus 6

1Καὶ ἐξῆλθεν ἐκεῖθεν, καὶ ἔρχεται εἰς τὴν πατρίδα αὐτοῦ, καὶ ἀκολουθοῦσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ. 2καὶ γενομένου σαββάτου ἤρξατο διδάσκειν ἐν τῇ συναγωγῇ: καὶ πολλοὶ ἀκούοντες ἐξεπλήσσοντο λέγοντες, Πόθεν τούτῳ ταῦτα, καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα τούτῳ καὶ αἱ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γινόμεναι; 3οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ τέκτων, ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας καὶ ἀδελφὸς Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆτος καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο ἐν αὐτῷ. 4καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενεῦσιν αὐτοῦ καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ. 5καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐδύνατο ἐκεῖ ποιῆσαι οὐδεμίαν δύναμιν, εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις ἐπιθεὶς τὰς χεῖρας ἐθεράπευσεν: 6καὶ ἐθαύμαζεν διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. Καὶ περιῆγεν τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων. 7καὶ προσκαλεῖται τοὺς δώδεκα, καὶ ἤρξατο αὐτοὺς ἀποστέλλειν δύο δύο, καὶ ἐδίδου αὐτοῖς ἐξουσίαν τῶν πνευμάτων τῶν ἀκαθάρτων: 8καὶ παρήγγειλεν αὐτοῖς ἵνα μηδὲν αἴρωσιν εἰς ὁδὸν εἰ μὴ ῥάβδον μόνον, μὴ ἄρτον, μὴ πήραν, μὴ εἰς τὴν ζώνην χαλκόν, 9ἀλλὰ ὑποδεδεμένους σανδάλια καὶ μὴ ἐνδύσησθε δύο χιτῶνας. 10καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Οπου ἐὰν εἰσέλθητε εἰς οἰκίαν, ἐκεῖ μένετε ἕως ἂν ἐξέλθητε ἐκεῖθεν. 11καὶ ὃς ἂν τόπος μὴ δέξηται ὑμᾶς μηδὲ ἀκούσωσιν ὑμῶν, ἐκπορευόμενοι ἐκεῖθεν ἐκτινάξατε τὸν χοῦν τὸν ὑποκάτω τῶν ποδῶν ὑμῶν εἰς μαρτύριον αὐτοῖς. 12Καὶ ἐξελθόντες ἐκήρυξαν ἵνα μετανοῶσιν, 13καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλλον, καὶ ἤλειφον ἐλαίῳ πολλοὺς ἀρρώστους καὶ ἐθεράπευον. 14Καὶ ἤκουσεν ὁ βασιλεὺς Ἡρῴδης, φανερὸν γὰρ ἐγένετο τὸ ὄνομα αὐτοῦ, καὶ ἔλεγον ὅτι Ἰωάννης ὁ βαπτίζων ἐγήγερται ἐκ νεκρῶν, καὶ διὰ τοῦτο ἐνεργοῦσιν αἱ δυνάμεις ἐν αὐτῷ. 15ἄλλοι δὲ ἔλεγον ὅτι Ἠλίας ἐστίν: ἄλλοι δὲ ἔλεγον ὅτι προφήτης ὡς εἷς τῶν προφητῶν. 16ἀκούσας δὲ ὁ Ἡρῴδης ἔλεγεν, Ὃν ἐγὼ ἀπεκεφάλισα Ἰωάννην, οὗτος ἠγέρθη. 17Αὐτὸς γὰρ ὁ Ἡρῴδης ἀποστείλας ἐκράτησεν τὸν Ἰωάννην καὶ ἔδησεν αὐτὸν ἐν φυλακῇ διὰ Ἡρῳδιάδα τὴν γυναῖκα Φιλίππου τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ, ὅτι αὐτὴν ἐγάμησεν: 18ἔλεγεν γὰρ ὁ Ἰωάννης τῷ Ἡρῴδῃ ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστίν σοι ἔχειν τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ σου. 19ἡ δὲ Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν αὐτῷ καὶ ἤθελεν αὐτὸν ἀποκτεῖναι, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο: 20ὁ γὰρ Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο τὸν Ἰωάννην, εἰδὼς αὐτὸν ἄνδρα δίκαιον καὶ ἅγιον, καὶ συνετήρει αὐτόν, καὶ ἀκούσας αὐτοῦ πολλὰ ἠπόρει, καὶ ἡδέως αὐτοῦ ἤκουεν. 21Καὶ γενομένης ἡμέρας εὐκαίρου ὅτε Ἡρῴδης τοῖς γενεσίοις αὐτοῦ δεῖπνον ἐποίησεν τοῖς μεγιστᾶσιν αὐτοῦ καὶ τοῖς χιλιάρχοις καὶ τοῖς πρώτοις τῆς Γαλιλαίας, 22καὶ εἰσελθούσης τῆς θυγατρὸς αὐτοῦ Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης, ἤρεσεν τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις. εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ, Αἴτησόν με ὃ ἐὰν θέλῃς, καὶ δώσω σοι: 23καὶ ὤμοσεν αὐτῇ [πολλά], Ο τι ἐάν με αἰτήσῃς δώσω σοι ἕως ἡμίσους τῆς βασιλείας μου. 24καὶ ἐξελθοῦσα εἶπεν τῇ μητρὶ αὐτῆς, Τί αἰτήσωμαι; ἡ δὲ εἶπεν, Τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτίζοντος. 25καὶ εἰσελθοῦσα εὐθὺς μετὰ σπουδῆς πρὸς τὸν βασιλέα ᾐτήσατο λέγουσα, Θέλω ἵνα ἐξαυτῆς δῷς μοι ἐπὶ πίνακι τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ. 26καὶ περίλυπος γενόμενος ὁ βασιλεὺς διὰ τοὺς ὅρκους καὶ τοὺς ἀνακειμένους οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠθέλησεν ἀθετῆσαι αὐτήν: 27καὶ εὐθὺς ἀποστείλας ὁ βασιλεὺς σπεκουλάτορα ἐπέταξεν ἐνέγκαι τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ. καὶ ἀπελθὼν ἀπεκεφάλισεν αὐτὸν ἐν τῇ φυλακῇ 28καὶ ἤνεγκεν τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἐπὶ πίνακι καὶ ἔδωκεν αὐτὴν τῷ κορασίῳ, καὶ τὸ κοράσιον ἔδωκεν αὐτὴν τῇ μητρὶ αὐτῆς. 29καὶ ἀκούσαντες οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἦλθον καὶ ἦραν τὸ πτῶμα αὐτοῦ καὶ ἔθηκαν αὐτὸ ἐν μνημείῳ. 30Καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ πάντα ὅσα ἐποίησαν καὶ ὅσα ἐδίδαξαν. 31καὶ λέγει αὐτοῖς, Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον καὶ ἀναπαύσασθε ὀλίγον. ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν. 32καὶ ἀπῆλθον ἐν τῷ πλοίῳ εἰς ἔρημον τόπον κατ' ἰδίαν. 33καὶ εἶδον αὐτοὺς ὑπάγοντας καὶ ἐπέγνωσαν πολλοί, καὶ πεζῇ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων συνέδραμον ἐκεῖ καὶ προῆλθον αὐτούς. 34καὶ ἐξελθὼν εἶδεν πολὺν ὄχλον, καὶ ἐσπλαγχνίσθη ἐπ' αὐτοὺς ὅτι ἦσαν ὡς πρόβατα μὴ ἔχοντα ποιμένα, καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς πολλά. 35Καὶ ἤδη ὥρας πολλῆς γενομένης προσελθόντες αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἔλεγον ὅτι Ἔρημός ἐστιν ὁ τόπος, καὶ ἤδη ὥρα πολλή: 36ἀπόλυσον αὐτούς, ἵνα ἀπελθόντες εἰς τοὺς κύκλῳ ἀγροὺς καὶ κώμας ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς τί φάγωσιν. 37ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς, Δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. καὶ λέγουσιν αὐτῷ, Ἀπελθόντες ἀγοράσωμεν δηναρίων διακοσίων ἄρτους καὶ δώσομεν αὐτοῖς φαγεῖν; 38ὁ δὲ λέγει αὐτοῖς, Πόσους ἄρτους ἔχετε; ὑπάγετε ἴδετε. καὶ γνόντες λέγουσιν, Πέντε, καὶ δύο ἰχθύας. 39καὶ ἐπέταξεν αὐτοῖς ἀνακλῖναι πάντας συμπόσια συμπόσια ἐπὶ τῷ χλωρῷ χόρτῳ. 40καὶ ἀνέπεσαν πρασιαὶ πρασιαὶ κατὰ ἑκατὸν καὶ κατὰ πεντήκοντα. 41καὶ λαβὼν τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησεν καὶ κατέκλασεν τοὺς ἄρτους καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς [αὐτοῦ] ἵνα παρατιθῶσιν αὐτοῖς, καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἐμέρισεν πᾶσιν. 42καὶ ἔφαγον πάντες καὶ ἐχορτάσθησαν: 43καὶ ἦραν κλάσματα δώδεκα κοφίνων πληρώματα καὶ ἀπὸ τῶν ἰχθύων. 44καὶ ἦσαν οἱ φαγόντες [τοὺς ἄρτους] πεντακισχίλιοι ἄνδρες. 45Καὶ εὐθὺς ἠνάγκασεν τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ἐμβῆναι εἰς τὸ πλοῖον καὶ προάγειν εἰς τὸ πέραν πρὸς Βηθσαϊδάν, ἕως αὐτὸς ἀπολύει τὸν ὄχλον. 46καὶ ἀποταξάμενος αὐτοῖς ἀπῆλθεν εἰς τὸ ὄρος προσεύξασθαι. 47καὶ ὀψίας γενομένης ἦν τὸ πλοῖον ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης, καὶ αὐτὸς μόνος ἐπὶ τῆς γῆς. 48καὶ ἰδὼν αὐτοὺς βασανιζομένους ἐν τῷ ἐλαύνειν, ἦν γὰρ ὁ ἄνεμος ἐναντίος αὐτοῖς, περὶ τετάρτην φυλακὴν τῆς νυκτὸς ἔρχεται πρὸς αὐτοὺς περιπατῶν ἐπὶ τῆς θαλάσσης: καὶ ἤθελεν παρελθεῖν αὐτούς. 49οἱ δὲ ἰδόντες αὐτὸν ἐπὶ τῆς θαλάσσης περιπατοῦντα ἔδοξαν ὅτι φάντασμά ἐστιν, καὶ ἀνέκραξαν: 50πάντες γὰρ αὐτὸν εἶδον καὶ ἐταράχθησαν. ὁ δὲ εὐθὺς ἐλάλησεν μετ' αὐτῶν, καὶ λέγει αὐτοῖς, Θαρσεῖτε, ἐγώ εἰμι: μὴ φοβεῖσθε. 51καὶ ἀνέβη πρὸς αὐτοὺς εἰς τὸ πλοῖον, καὶ ἐκόπασεν ὁ ἄνεμος. καὶ λίαν [ἐκ περισσοῦ] ἐν ἑαυτοῖς ἐξίσταντο, 52οὐ γὰρ συνῆκαν ἐπὶ τοῖς ἄρτοις, ἀλλ' ἦν αὐτῶν ἡ καρδία πεπωρωμένη. 53Καὶ διαπεράσαντες ἐπὶ τὴν γῆν ἦλθον εἰς Γεννησαρὲτ καὶ προσωρμίσθησαν. 54καὶ ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ τοῦ πλοίου εὐθὺς ἐπιγνόντες αὐτὸν 55περιέδραμον ὅλην τὴν χώραν ἐκείνην καὶ ἤρξαντο ἐπὶ τοῖς κραβάττοις τοὺς κακῶς ἔχοντας περιφέρειν ὅπου ἤκουον ὅτι ἐστίν. 56καὶ ὅπου ἂν εἰσεπορεύετο εἰς κώμας ἢ εἰς πόλεις ἢ εἰς ἀγροὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς ἐτίθεσαν τοὺς ἀσθενοῦντας, καὶ παρεκάλουν αὐτὸν ἵνα κἂν τοῦ κρασπέδου τοῦ ἱματίου αὐτοῦ ἅψωνται: καὶ ὅσοι ἂν ἥψαντο αὐτοῦ ἐσῴζοντο.

Mc 6,1-6 : Jezus in zijn vaderstad

Mc 6,1 Καὶ ἐξῆλθε ἐκεῖθεν καὶ ἦλθεν εἰς τὴν πατρίδα ἑαυτοῦ· καὶ ἀκολουθοῦσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.
1. Καὶ ἐξῆλθε (med ind aor 3de pers enk van het wkw exerchomai : uitgaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) ἐκεῖθεν καὶ ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk van het wkw erchomai : gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) εἰς τὴν πατρίδα (zn acc vr enk van het zn patris , -idos : vaderland, vaderstad) ἑαυτοῦ· καὶ ἀκολουθοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw akoloutheô : volgen) αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.

Mc 6,2. καὶ γενομένου σαββάτου ἤρξατο ἐν τῇ συναγωγῇ διδάσκειν· καὶ πολλοὶ ἀκούοντες ἐξεπλήσσοντο λέγοντες· Πόθεν τούτῳ ταῦτα; καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα αὐτῷ, καὶ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γίνονται;
2. καὶ γενομένου (med part aor gen onz enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam : gen) σαββάτου ἤρξατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : beginnen) ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) συναγωγῇ διδάσκειν (didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) · καὶ πολλοὶ ἀκούοντες (act part praes nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) ἐξεπλήσσοντο (pass ind imperf 3de pers mv van het wkw ekplèssô : overvol zijn van ; pl -> Ned. vol) λέγοντες· Πόθεν τούτῳ ταῦτα (vanwaar aan deze deze dingen ? vanwaar heeft hij dat ?) ; καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα (pass part aor nom vr enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτῷ, καὶ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γίνονται (med ind praes 3de pers mv van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ;

Mc 6,3 οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ τέκτων, ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας, ἀδελφὸς δὲ Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆ καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο ἐν αὐτῷ.
3 οὐχ οὗτός ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) τὸ (bep lidw nom onz enk) ὁ τέκτων (zn nom mann enk : de timmerman , zie Ned. techniek) , ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας, ἀδελφὸς δὲ Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆ καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο (pass ind imperf 3de pers mv van het wkw skandalizô : geschandaliseerd worden) ἐν αὐτῷ.

Mc 6,4 ἔλεγεδὲ αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστι προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενέσι καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ.
4 ἔλεγε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) δὲ αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστι προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενέσι καὶ ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) οἰκίᾳ αὐτοῦ.

Mc 6,5. καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο ἐκεῖ οὐδεμίαν δύναμιν ποιῆσαι, εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις ἐπιθεὶς τὰς χεῖρας ἐθεράπευσε·
5. καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο (med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen , in staat zijn) ἐκεῖ οὐδεμίαν δύναμιν ποιῆσαι (act inf aor van het wkw poieô : doen , maken) , εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις (zn / bv nw dat mann mv van het zn / bv nw arrôstos : ziek) ἐπιθεὶς (act part aor nom mann enk van het wkw tithèmi : leggen , stellen ; stam thè) τὰς χεῖρας ἐθεράπευσε (act ind aor 3de pers enk van het wkw therapeuô : genezen) ·

Mc 6,6. καὶ ἐθαύμαζε διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. Καὶ περιῆγε τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων.
6. καὶ ἐθαύμαζε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thaumazô : verwonderen) διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Καὶ περιῆγε (act ind aor 3de pers enk van het wkw periagô < per-agô : rondleiden , rondvoeren , rondgaan) τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων (act part praes nom mann enk van het wkw didaskô : leren , onderrichten ; stam dak) .

Mc 6,7-13 : de zending van de twaalf

Mc 6,7 Καὶ προσκαλεῖται τοὺς δώδεκα, καὶ ἤρξατο αὐτοὺς ἀποστέλλειν δύο δύο, καὶ ἐδίδου αὐτοῖς ἐξουσίαν τῶν πνευμάτων τῶν ἀκαθάρτων,
7. Καὶ προσκαλεῖται (med ind praes 3de pers enk van het wkw proskaleomai : tot zich roepen) τοὺς δώδεκα, καὶ ἤρξατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : beginnen) αὐτοὺς ἀποστέλλειν (act inf praes van het wkw apostellô : afsturen , wegzenden ; stam stelJ) δύο δύο, καὶ ἐδίδου (act ind imperf 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς ἐξουσίαν (zn acc vr enk van het zn exousia : macht , kracht ; ex-ousia : het uit zichzelf bestaande , ousia < eimi) τῶν πνευμάτων τῶν ἀκαθάρτων,

Mc 6,8 καὶ παρήγγειλεν αὐτοῖς ἵνα μηδὲν αἴρωσιν εἰς ὁδὸν εἰ μὴ ῥάβδον μόνον, μὴ πήραν, μὴ ἄρτον, μὴ εἰς τὴν ζώνην χαλκόν,
8. καὶ παρήγγειλεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw paraggellô : verkondigen , bevelen : stam agelJ) αὐτοῖς ἵνα μηδὲν αἴρωσιν (act conjunct praes 3de pers mv van het wkw airô / aireô : nemen , meenemen) εἰς ὁδὸν εἰ μὴ ῥάβδον μόνον, μὴ πήραν (zn acc vr enk van het zn pèra : reistas , ransel) , μὴ ἄρτον, μὴ εἰς τὴν ζώνην (zn acc vr enk van het zn zônè : gordel ; wkw zônnumi : omgorden) χαλκόν (bv nw / zn chalkos : brons , bronzen geldstuk) ,

Mc 6,9 ἀλλ' ὑποδεδεμένους σανδάλια, καὶ μὴ ἐνδεδύσθαι δύο χιτῶνας.
9. ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) ὑποδεδεμένους (pass part perf acc mann mv van het wkw hupodeô : binden onder) σανδάλια, καὶ μὴ ἐνδεδύσθαι (med inf perf van het wkw< enduô : zich hullen in , zich kleden met) δύο χιτῶνας (zn acc vr mv van het zn chitôn : onderhemd , kleed ; chitôn - geit ?).

Mc 6,10 καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς· Ὅπου ἐὰν εἰσέλθητε εἰς οἰκίαν, ἐκεῖ μένετε ἕως ἂν ἐξέλθητε ἐκεῖθεν·
10. καὶ ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς· Ὅπου ἐὰν εἰσέλθητε (med conjunct aor 2de pers mv van het wkw eiserchomai : gaan naar , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) εἰς οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis), ἐκεῖ μένετε (act imperat. praes 2de pers mv van het wkw menô : blijven, nog bestaan , standhouden ; zie Lat. manere) ἕως ἂν ἐξέλθητε (med conjunct aor 2de pers mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) ἐκεῖθεν·

Mc 6,11 καὶ ὅσοι ἐὰν μὴ δέξωνται ὑμᾶς μηδὲ ἀκούσωσιν ὑμῶν, ἐκπορευόμενοι ἐκεῖθεν ἐκτινάξατε τὸν χοῦν τὸν ὑποκάτω τῶν ποδῶν ὑμῶν εἰς μαρτύριον αὐτοῖς· ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ἀνεκτότερον ἔσται Σοδόμοις ἢ Γομόρροις ἐν ἡμέρᾳ κρίσεως ἢ τῇ πόλει ἐκείνῃ.
11. καὶ ὅσοι ἐὰν μὴ δέξωνται (med conjunct aor 3de pers mv van het wkw dechomai : ontvangen) ὑμᾶς μηδὲ ἀκούσωσιν (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw akouô : horen , luisteren) ὑμῶν, ἐκπορευόμενοι (med part praes nom mann mv van het wkw ekporeuomai : zich op weg begeven uit) ἐκεῖθεν ἐκτινάξατε (act imperat aor 2de pers mv van het wkw ektinassô : uitstoten , afschudden) τὸν χοῦν (zn acc mann enk van het zn chous : stof) τὸν ὑποκάτω τῶν ποδῶν (zn gen mann mv van het zn pous -podos : voet) ὑμῶν εἰς μαρτύριον αὐτοῖς· ἀμὴν λέγω ὑμῖν, (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἀνεκτότερον (bv nw comparatief nom onz enk van het bv nw anektos : draaglijk) ἔσται Σοδόμοις ἢ Γομόρροις ἐν ἡμέρᾳ κρίσεως ἢ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) πόλει ἐκείνῃ.

Mc 6,12 Καὶ ἐξελθόντες ἐκήρυσσον ἵνα μετανοήσωσι,
12. Καὶ ἐξελθόντες (med part aor nom mann mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) ἐκήρυσσον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw kèrussô : verkondigen ; stam kèrukJ) ἵνα μετανοήσωσι (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw metanoeô : bekeren)

Mc 6,13 καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλλον, καὶ ἤλειφον ἐλαίῳ πολλοὺς ἀρρώστους καὶ ἐθεράπευον.
12. καὶ δαιμόνια πολλὰ ἐξέβαλλον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen) , καὶ ἤλειφον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw aleifô : zalven ; zie Ned. olijf) ἐλαίῳ (zn dat onz enk van het zn elaion : olie) πολλοὺς ἀρρώστους (bv nw / zn acc mann mv van het bv nw / zn arrôstos : ziek) καὶ ἐθεράπευον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw therapeuô : genezen) .

Mc 6,14-29 : Johannes de Doper

Mc 6,14 Καὶ ἤκουσεν ὁ βασιλεὺς Ἡρῴδης· φανερὸν γὰρ ἐγένετο τὸ ὄνομα αὐτοῦ· καὶ ἔλεγεν ὅτι Ἰωάννης ὁ βαπτίζων ἐκ νεκρῶν ἠγέρθη, καὶ διὰ τοῦτο ἐνεργοῦσιν αἱ δυνάμεις ἐν αὐτῷ.
14 Καὶ ἤκουσεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw akouô : horen , luisteren) ὁ βασιλεὺς Ἡρῴδης (Herodes) · φανερὸν γὰρ ἐγένετο (med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) τὸ ὄνομα αὐτοῦ· καὶ ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ὅτι Ἰωάννης (Johannes) ὁ βαπτίζων (act part praes nom mann enk van het wkw baptizô : dopen) ἐκ νεκρῶν ἠγέρθη (pass ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) , καὶ διὰ τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom en acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, ;υτη = hautè, τοθτο = touto: deze, dit) ἐνεργοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw en-ergeô : inwerken , veroorzaken) αἱ δυνάμεις ἐν αὐτῷ.

Mc 6,15 ἄλλοι ἔλεγον ὅτι Ἠλίας ἐστίν· ἄλλοι δὲ ἔλεγον ὅτι προφήτης ὡς εἷς τῶν προφητῶν.
15 ἄλλοι ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô : zeggen) ὅτι Ἠλίας (Elia) ἐστίν· ἄλλοι δὲ ἔλεγον (act ind imperf 3de pers mv van het wkw legô : zeggen) ὅτι προφήτης ὡς εἷς (één) τῶν προφητῶν.

Mc 6,16 ἀκούσας δὲ ὁ Ἡρῴδης εἶπεν ὅτι Ὃν ἐγὼ ἀπεκεφάλισα Ἰωάννην, οὗτός ἐστιν· αὐτὸς ἠγέρθη ἐκ νεκρῶν.
16 ἀκούσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) δὲ ὁ Ἡρῴδης εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) ὅτι Ὃν (= hon; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἐγὼ ἀπεκεφάλισα (act ind aor 1ste pers enk van het wkw apokefalizô : onthoofden) Ἰωάννην (Johannes) , οὗτός ἐστιν· αὐτὸς ἠγέρθη (pass ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) ἐκ νεκρῶν.

Mc 6,17 αὐτὸς γὰρ ὁ Ἡρῴδης ἀποστείλας ἐκράτησε τὸν Ἰωάννην καὶ ἔδησεν αὐτὸν ἐν φυλακῇ διὰ Ἡρῳδιάδα τὴν γυναῖκα Φιλίππου τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ὅτι αὐτὴν ἐγάμησεν
17. αὐτὸς γὰρ ὁ Ἡρῴδης ἀποστείλας (act part aor nom mann enk van het wkw apostellô : afsturen , zenden ; stam apo-stelJ) ἐκράτησε (act ind aor 3de pers enk van het wkw krateô : bemachtigen, overmeesteren) τὸν Ἰωάννην καὶ ἔδησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw deô : binden) αὐτὸν ἐν φυλακῇ (bewaking , gevangenis) διὰ Ἡρῳδιάδα (Herodias) τὴν γυναῖκα Φιλίππου (Filippus) τοῦ ἀδελφοῦ αὐτοῦ ὅτι αὐτὴν ἐγάμησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw gameô : trouwen) .

Mc 6,18 ἔλεγε γὰρ ὁ Ἰωάννης τῷ Ἡρῴδῃ ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστί σοι ἔχειν τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ σου.
18 ἔλεγε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) γὰρ ὁ Ἰωάννης τῷ Ἡρῴδῃ ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔξεστί (act ind praes 3de pers enk van het wkw exeimi : uit zichzelf zijn , niet toestaan , niet toegaleten zijn) σοι ἔχειν (act inf praes van het wkw echô : hebben) τὴν γυναῖκα τοῦ ἀδελφοῦ σου.

Mc 6,19 ἡ δὲ Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν αὐτῷ καὶ ἤθελεν αὐτὸν ἀποκτεῖναι, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο·
19. ἡ δὲ Ἡρῳδιὰς ἐνεῖχεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw enechô : hebben in , vasthouden , gemunt hebben op) αὐτῷ καὶ ἤθελεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thelô : willen) αὐτὸν ἀποκτεῖναι (act inf praes van het wkw apokteinô : afsnijden , doden) , καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδύνατο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) ·

Mc 6,20 ὁ γὰρ Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο τὸν Ἰωάννην, εἰδὼς αὐτὸν ἄνδρα δίκαιον καὶ ἅγιον, καὶ συνετήρει αὐτόν καὶ ἀκούσας αὐτοῦ πολλὰ ἐποίει καὶ ἡδέως αὐτοῦ ἤκουε.
20 ὁ γὰρ Ἡρῴδης ἐφοβεῖτο (med ind imperf 3de pers enk van het wkw fobeomai : vrezen) τὸν Ἰωάννην, εἰδὼς (act part perf nom mann enk van het wkw oida : ik weet) αὐτὸν ἄνδρα δίκαιον καὶ ἅγιον, καὶ συνετήρει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw suntèreô : goed bewaren) αὐτόν καὶ ἀκούσας (act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) αὐτοῦ πολλὰ ἐποίει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw poieô : doen) καὶ ἡδέως (bw graag) αὐτοῦ ἤκουε (act ind imperf 3de pers enk van het wkw akouô : horen , luisteren) .

Mc 6,21 καὶ γενομένης ἡμέρας εὐκαίρου, ὅτε Ἡρῴδης τοῖς γενεσίοις αὐτοῦ δεῖπνον ἐποίει τοῖς μεγιστᾶσιν αὐτοῦ καὶ τοῖς χιλιάρχοις καὶ τοῖς πρώτοις τῆς Γαλιλαίας,
21 καὶ γενομένης (med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ἡμέρας εὐκαίρου (bv nw gen vr enk van het bv nw eu-kairos : juist op tijd , gunstig) , ὅτε (= hote: toen; ongeschikt vw van tijd) Ἡρῴδης τοῖς γενεσίοις (zn dat onz mv van het zn genesion ? geboortedag?) αὐτοῦ δεῖπνον (zn acc onz enk van het zn deipnon : maaltijd) ἐποίει (act ind imperf 3de pers enk van het wkw poieô : doen) τοῖς μεγιστᾶσιν (zn dat mann mv van het mv megistanes : grootsten ; zie superlatief megistos : grootste < megas : groot) αὐτοῦ καὶ τοῖς χιλιάρχοις (zn dat mann mv van het zn chili-archos : aanvoerder van duizend , krijgstribuun) καὶ τοῖς πρώτοις τῆς Γαλιλαίας,

Mc 6,22 καὶ εἰσελθούσης τῆς θυγατρὸς αὐτῆς τῆς Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης καὶ ἀρεσάσης τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις, εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ· Αἴτησόν με ὃ ἐὰν θέλῃς, καὶ δώσω σοι.
22 καὶ εἰσελθούσης (med part aor gen vr enk van het wkw eiserchomai : binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el , zie het Fr. al-l-er) τῆς θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς τῆς Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης (med part aor gen vr enk van het wkw orcheomai : dansen , springen) καὶ ἀρεσάσης (act part aor gen vrenk van het wkw areskô : behagen) τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις (med part praes dat mann mv van het wkw sun-ana-keimai : mede-aan-liggen) , εἶπεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ (meisje) · Αἴτησόν (act imperat aor 2de pers enk van het wkw aiteô : vragen) με ὃ ἐὰν θέλῃς (act conjunct praes 2de pers enk van het wkw thelô : willen) , καὶ δώσω (act ind fut 1ste pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do ; zie Lat. da-re) σοι.

Mc 6,23 καὶ ὤμοσεν αὐτῇ ὅτι Ὅ ἐάν με αἰτήσῃς δώσω σοι ἕως ἡμίσους τῆς βασιλείας μου.
23 καὶ ὤμοσεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw omnumi : zweren) αὐτῇ ὅτι Ὅ ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) με αἰτήσῃς (act conjunct aor 2de pers enk van het wkw aiteô : vragen) δώσω (act ind fut 1ste pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do ; zie Lat. da-re) σοι ἕως ἡμίσους (half , helft) τῆς βασιλείας μου.

Mc 6,24 ἡ δὲ ἐξελθοῦσα εἶπε τῇ μητρὶ αὐτῆς· Τί αἰτήσομαι; ἡ δὲ εἶπε· Τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.
24 ἡ δὲ ἐξελθοῦσα (med part aor nom vr enk van het wkw eiserchomai : ingaan , naar binnen gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el ; zie het Fr. al-l-er) εἶπε (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μητρὶ αὐτῆς· Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) αἰτήσομαι (med ind fut 1ste pers enk van het wkw aiteô : vragen) ; ἡ δὲ εἶπε (act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam ep) · Τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.

Mc 6,25 καὶ εἰσελθοῦσα εὐθέως μετὰ σπουδῆς πρὸς τὸν βασιλέα ᾐτήσατο λέγουσα· Θέλω ἵνα μοι δῷς ἐξαυτῆς ἐπὶ πίνακι τὴν κεφαλὴν Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.
25 καὶ εἰσελθοῦσα (med part aor nom vr enk van het wkw exerchomai : uitgaan , naar buiten gaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el ; zie het Fr. al-l-er) εὐθέως μετὰ σπουδῆς πρὸς τὸν βασιλέα ᾐτήσατο (med ind aor 3de pers enk van het wkw aiteô : vragen) λέγουσα (act part praes nom vr enk van het wkw legô : zeggen) · Θέλω (act ind praes 1ste pers enk van het wkw thelô : willen) ἵνα μοι δῷς (act conjunct aor 2de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) ἐξαυτῆς (bw terstond) ἐπὶ πίνακι (zn dat mann enk van het zn pinax : schotel , bord) τὴν κεφαλὴν (Lat. caput , Ned. hoofd) Ἰωάννου τοῦ βαπτιστοῦ.

Mc 6,26 καὶ περίλυπος γενόμενος ὁ βασιλεὺς, διὰ τοὺς ὅρκους καὶ τοὺς συνανακειμένους οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠθέλησεν αὐτὴν ἀθετῆσαι.
26 καὶ περίλυπος (bedroefd) γενόμενος (med part aor nom mann enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam gen) ὁ βασιλεὺς, διὰ τοὺς ὅρκους (zn acc mann mv van het zn orkos : eed) καὶ τοὺς συνανακειμένους (med part praes dat mann mv van het wkw sun-ana-keimai : mede-aan-liggen) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠθέλησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw thelô : willen) αὐτὴν ἀθετῆσαι (act inf aor van het wkw atheteô : zijn woord breken jegens).

Mc 6,27 καὶ εὐθέως ἀποστείλας ὁ βασιλεὺς σπεκουλάτωρα ἐπέταξεν ἐνεχθῆναι τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ.
27 καὶ εὐθέως ἀποστείλας (act part aor nom mann enk van het wkw apostellô : afsturen , wegzenden ; stam apo-stelJ) ὁ βασιλεὺς σπεκουλάτωρα (zn acc man enk van het zn spekoulatôr : lid van de lijfwacht) ἐπέταξεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitassô : opdragen , bevelen ; stam epi-tasJ) ἐνεχθῆναι (pass inf aor van het wkw ferô : voeren , brengen ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam eneg) τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ.

Mc 6,28 ὁ δὲ ἀπελθὼν ἀπεκεφάλισεν αὐτὸν ἐν τῇ φυλακῇ, καὶ ἤνεγκε τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἐπὶ πίνακι καὶ ἔδωκεν αὐτὴν τῷ κορασίῳ, καὶ τὸ κοράσιον ἔδωκεν αὐτὴν τῇ μητρὶ αὐτῆς.
28 ὁ δὲ ἀπελθὼν (med part aor nom mann enk van het wkw aperchomai : weggaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam el , zie Fr. al-l-er) ἀπεκεφάλισεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apokefalizô : onthoofden) αὐτὸν ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) φυλακῇ, καὶ ἤνεγκε (act ind aor 3de pers enk van het wkw ferô : voeren , brengen ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam eneg) τὴν κεφαλὴν αὐτοῦ ἐπὶ πίνακι (zn dat mann enk van het zn pinax : schotel , bord) καὶ ἔδωκεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτὴν τῷ κορασίῳ, καὶ τὸ κοράσιον ἔδωκεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτὴν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μητρὶ αὐτῆς.

Mc 6,29 καὶ ἀκούσαντες οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἦλθον καὶ ἦραν τὸ πτῶμα αὐτοῦ, καὶ ἔθηκαν αὐτὸ ἐν μνημείῳ.
29 καὶ ἀκούσαντες (act part aor nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἦλθον (med aor 3de pers enk van het wkw erchomai=gaan, zij gingen ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen.) καὶ ἦραν (act ind aor 3de pers mv van het wkw airô : dragen ; stam ar) τὸ πτῶμα αὐτοῦ, καὶ ἔθηκαν (act ind aor 3de pers mv van het wkw tithèmi ; stam thè) αὐτὸ ἐν μνημείῳ (zn dat onz enk van het zn mnèmeion : gedenkplaats) .

Mc 6,30-34 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop

Mc 6,30 Καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ πάντα, καὶ ὅσα ἐποιήσαν καὶ ὅσα ἐδίδαξαν.
Vertaling: En de apostelen ver"zamel"en zich / worden samengebracht bij Jezus en zij vertelden hem alles en zoveel als zij deden en zoveel als zij onderrichtten. Vlotter : En de apostelen verzamelen zich bij Jezus om hem alles te vertellen wat zij hadden gedaan en onderwezen.
Mc 6,30 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπόστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel : απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è : verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd : compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom +  acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom +  acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren, onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks , zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n).

Mc 6,31 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον, καὶ ἀναπαύεσθε ὀλίγον· ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν.
Vertaling: En hij zei hen : hierheen jullie zelf alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig uit ; want er waren velen die kwamen en weggingen en zij vonden zelfs geen gelegenheid om te eten.
Mc 6,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Δεῦτε (= deute: welaan; bw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναπαύσασθε (= anapauesthe: rust uit; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀναπαυω = anapauô; med: halt houden, rust nemen; zie Ned. pauze) ὀλίγον (= oligon: weinig; bw; zie Ned olig-archie: macht met weinigen). ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐρχόμενοι (= erchomenoi: komenden; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπάγοντες (= hupagontes: weggaanden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (= eukairoun: zijn vonden gelegenheid; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ευκαιρεω = eukaireô : vrije tijd hebben, gelegenheid vinden; < eu : goed + kair-: gepaste tijd, geschikt moment; augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens, nr 70,2, blz 53).

Mc 6,32 καὶ ἀπῆλθον εἰς ἔρημον τόπον ἐν πλοίῳ κατ' ἰδίαν.
Vertaling: En zij gingen weg naar een eenzame plaats in een boot alleen .
Mc 6,32 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf).

Mc 6,33 καὶ εἶδον αὐτοὺς ὑπάγοντας, καὶ ἐπέγνωσαν αὐτοὺς πολλοί, καὶ πεζῇ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων συνέδραμον ἐκεῖ καὶ προῆλθον αὐτοὺς καὶ συνῆλθον πρὸς αὐτόν.
Vertaling: En zij zagen hen weggaan en velen herkenden hen en te voet van alle steden liepen ze daar samen en zij gingen hen vóór en zij kwamen samen bij hem.
Mc 6,33 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὑπάγοντας (= hupagontas: weggaanden; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπέγνωσαν (= epegnôsan: zij herkenden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen; voorvoegsel epi + stam gno- of gnô - Ned. : k-n -; athematische aor, de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô; act ind aor 3de pers mv egnôsan; wkw met praesensversterking sk :Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô : Baeyens 130a blz 97) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πεζῇ (= pedzè: te voet; bw; zie πους = pous, ποδος = podos: voet; stam : p/v - d/t) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) πασῶν (= pasôn: van alle; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόλεων (= poleôn: van steden; zn gen vr mv van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool) συνέδραμον (= sunedramon: zij liepen bijeen; wkw  voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô = lopen ; zn dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προῆλθον (= proèlthon: zij kwamen vóór; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συνῆλθον (= sunèlthon: zij kwamen samen; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 6,34 Καὶ ἐξελθὼν ὁ Ἰησοῦς εἶδεν πολὺν ὄχλον καὶ ἐσπλαγχνίσθη ἐπ' αὐτοῖς, ὅτι ἦσαν ὡς πρόβατα μὴ ἔχοντα ποιμένα καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς πολλά.
Vertaling: En Jezus buitengegaan zag veel massa en hij werd innerlijk bewogen over hen omdat zij waren als schapên niet hebbende een herder en hij begon hen veel te onderrichten.
Mc 6,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐσπλαγχνίσθη (= esplachnisthè: hij had medelijden; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben, innerlijk bewogen zijn; zie zn σπλαγχνον = splagchnon: binnenste delen, ingewanden; stam spl-ch) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen : επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redengevende zin inleidt) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) πρόβατα (= probata: schapen; zn nom + acc onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder; zie wkw ποιμαινω = poimainô: herderen, hoeden, beschermen), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλά (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).

In Mc 6,14-29 wordt het verhaal van de dood van Johannes de Doper verteld . Daarna zien we twee verschillende bewegingen . Enerzijds de beweging van Jezus met zijn apostelen . Jezus zoekt voor zichzelf en voor hen een veilige plek , want met de dood van Johannes voelt Jezus zich nog meer bedreigd . Anderzijds is er onrust onder het volk . Ze komen en gaan . En ze zoeken Jezus op en zijn vroeger op de plek waar Jezus naartoe gaat . Jezus is innerlijk bewogen omdat ze zijn als een kudde zonder herder . Immers hun herder Johannes werd gedood . Het volk is op zoek naar een herder en ze verwachten dat van Jezus . Hij gaat hierop in door hen te onderrichten . Jezus zal Johannes opvolgen en het geesterlijk leiderschap van het volk opnemen . Een nieuwe fase in het leven van Jezus .

Mc 6,35-44 : Jezus geeft vijfduizend mensen te eten

Mc 6,35 Καὶ ἤδη ὥρας πολλῆς γενομένης προσελθόντες αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ λέγουσιν ὅτι Ἔρημός ἐστιν ὁ τόπος καὶ ἤδη ὥρα πολλή· (En toen reeds het uur gevorderd was , kwamen zijn leerlingen bij hem en zeiden dat woest de plaats is en het uur reeds gevorderd.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) ἤδη (bijw : reeds , al) ὥρας (zn gen vr enk van het zn hôra : uur ; zie Lat.: hora ; Ned.: uur) πολλῆς (bn gen vr enk , polus = veel ; stam : p/v - l) γενομένης (med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge- ; losse genitief) προσελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw pros-erchomai = gaan naar ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk ; meewerk vnw) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) μαθηταὶ (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) λέγουσιν (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) ὅτι (nevensch voegw om de accusatiefzin in te leiden) Ἔρημός (bijv nw nom mann enk van het bijv nw erèmos : verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) τόπος (zn nom mann enk van het zn topos : plaats , streek ; zie Ned. topografie) καὶ (nevensch voegw : en) ἤδη (bijw : reeds , al) ὥρα (zn nom vr enk van het zn hôra : uur ; zie Lat.: hora ; Ned.: uur) πολλή (bn nom vr enk , polus = veel ; stam : p/v - l) ·

Mc 6,36 ἀπόλυσον αὐτούς, ἵνα ἀπελθόντες εἰς τοὺς κύκλῳ ἀγροὺς καὶ κώμας ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς ἄρτους· τί γὰρ φάγωσιν οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν. (Laat hen vrij opdat zij zouden weggaan naar de akkers / boerderijen en dorpen in het rond en voor zichzelf broden zouden kopen ; want wat zouden zij eten ? zij hebben niet(s) .
- ἀπόλυσον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apoluô : loslaten , vrijlaten ; zie Lat.: luere : goedmaken , betalen ; Ned.: verliezen) αὐτούς (pers vnw 3de pers mann mv) , ἵνα (ondergesch voegw van doel : opdat) ἀπελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw ap-erchomai = weggaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) εἰς (vz van richting : naar) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) κύκλῳ (zn dat mann enk van het zn kuklos : kring , kringloop ; zie Ned.: cyclus ; stam : k/c - k/c - l) ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker ; stam : g/k - r) καὶ (nevensch voegw : en) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) ἀγοράσωσιν (wkw conjunct aor 3de pers mv van het wkw agorazô : kopen ; zie agora : marktplaats , markt) ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood ; gemeensch. : r - t/d) · τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) γὰρ (nevensch voegw van reden) φάγωσιν (act. conjunct aor 3de pers mv bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning) ἔχουσιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw echô : hebben) .

Mc 6,37 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς· Δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. καὶ λέγουσιν αὐτῷ· Ἀπελθόντες ἀγοράσωμεν δηναρίων διακοσίων ἄρτους καὶ δῶμεν αὐτοῖς φαγεῖν; (Hij echter antwoordend zei hen : geven jullie hen te eten . En ze zeggen hem : moeten we weggaan en voor 200 denariën brood kopen en hen te eten geven ?)
- ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Δότε (act imperat aor 2de pers mv van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) . καὶ (nevensch voegw : en) λέγουσιν (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers vnw dat mann enk ; meewerk vnw) · Ἀπελθόντες (wkw act. part aor (2de) nom mann mv bij het wkw ap-erchomai = weggaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) ἀγοράσωμεν (wkw conjunct aor 1ste pers mv van het wkw agorazô : kopen ; zie agora : marktplaats , markt) δηναρίων (zn gen onz mv van het zn dènarion : denarie : Romeinse munt) διακοσίων (hoofdtelwoord : tweehonderd) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) δῶμεν (act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw didômi : geven ; stam do) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) ;

Mc 6,38 ὁ δὲ λέγει αὐτοῖς· Πόσους ἄρτους ἔχετε; ὑπάγετε καὶ ἴδετε. καὶ γνόντες λέγουσι· Πέντε, καὶ δύο ἰχθύας. (Maar hij zegt hen : hoeveel broden hebben jullie ? gaat en ziet . En toen zij het wisten zeggen zij : vijf en twee vissen)
- ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) λέγει (act ind praes 3de pers enk : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg , - aor ep) ) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Πόσους (onbep vrag vnw acc mann mv van prosoi : hoeveel) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) ἔχετε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw echô : hebben) ; ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg, vertrekt; wkw act imperat pras 2de pers mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: onder iets brengen, weggaan) καὶ (nevensch voegw : en) ἴδετε (wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; stam van de aor id) . καὶ (nevensch voegw : en) γνόντες (wkw act part aor (2de) nom mann mv van het wkw gignôskô: weten; stam gn-) λέγουσι (act ind praes 3de pers mv : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) · Πέντε (hoofdtelw : vijf) , καὶ (nevensch voegw : en) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen)

Mc 6,39 καὶ ἐπέταξεν αὐτοῖς ἀνακλῖναι πάντας συμπόσια συμπόσια ἐπὶ τῷ χλωρῷ χόρτῳ. (En hij beval hen allen 'in groepen' aan te liggen op het groene gras) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ἐπέταξεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw epitassô : opdragen , bevelen ; stam epi-tasJ) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ἀνακλῖναι (wkw act inf aor van het wkw anaklinô : buigen , leunen , aanliggen) πάντας (acc mann mv van het bv nw pas : al, ieder) συμπόσια (zn acc onz mv van het zn sumposion : feestmaaltijd - 'tafel') συμπόσια (zn acc onz mv van het zn sumposion : feestmaaltijd - 'tafel') ἐπὶ (voorzetsel : op) τῷ (bep lidw dat mann enk ; Ned.: de / het) χλωρῷ (bijv nw dat mann enk van het bijv nw chlôros : gleel-groen) χόρτῳ (zn dat mann enk van het zn chôrtos : omheinde plaats , hof , weide , gras , gewas ; zie Lat.: hortus) .

Mc 6,40 καὶ ἀνέπεσον πρασιαὶ πρασιαὶ ἀνὰ ἑκατὸν καὶ ἀνὰ πεντήκοντα. (En in groepen 'van' honderd en vijftig lagen zij aan.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέπεσον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw anaklinô : buigen , leunen , aanliggen) πρασιαὶ (zn nom vr mv van het zn prasia : tuinbed , groep) πρασιαὶ (zn nom vr mv van het zn prasia : tuinbed , groep) ἀνὰ (voorzetsel : volgens , overeenkomstig) ἑκατὸν (hoofdtelw : honderd , zie Lat. centum) καὶ (nevensch voegw : en) ἀνὰ (voorzetsel : volgens , overeenkomstig) πεντήκοντα (hoofdtelw : vijftig) .

Mc 6,41 καὶ λαβὼν τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησε, καὶ κατέκλασε τοὺς ἄρτους καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς ἵνα παραθῶσιν αὐτοῖς, καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἐμέρισε πᾶσι. (en genomen de vijf broden en de twee vissen , omhooggekeken naar de hemel zegende hij , en hij brak de broden en hij gaf ze aan de leerlingen opdat ze aan hen zouden voorzetten en hij verdeelde de twee vissen aan allen.)
- καὶ (nevensch voegw : en) λαβὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw la-m-ba-n-ô : nemen) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πέντε (hoofdtelw : vijf) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen) ἀναβλέψας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ana-blepô : naar boven kijken ; Ned.: blik ?) εἰς (vz van richting : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk ; stam d of h) οὐρανὸν (zn acc mann enk van het zn ouranos : hemel) εὐλόγησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eu-log-eô : goede woorden zeggen , zegenen ; zie Lat.: bene-dicere), καὶ (nevensch voegw : en) κατέκλασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw para-kla-ô : breken ; zie E.: clash : breuk) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) καὶ (nevensch voegw : en) ἐδίδου (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw di-dô-mi : geven ; zie Lat.: dare , donum : gave , gift) τοῖς (bep lidw dat mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) μαθηταῖς (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) ἵνα (voegwoord van doel : opdat) παραθῶσιν (act conjunct aor 3de pers mv van het wkw para-ti-thè-mi : voorzetten ; stam thè) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) , καὶ (nevensch voegw : en) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) δύο (hoofdtelw : twee ; stam : d/t - u/w) ἰχθύας (zn acc mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen) ἐμέρισε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw merizô : delen , verdelen) πᾶσι (bijv nw zelfstandig gebruikt dat mann mv van het bijv nw pas : ieder , al)

Mc 6,42 καὶ ἔφαγον πάντες καὶ ἐχορτάσθησαν, (En allen aten en zij werden verzadigd.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἔφαγον (act. ind aor 3de pers mv (2de) van het wkw φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) πάντες (bijv nw zelfstandig gebruikt nom mann mv van het bijv nw pas : ieder , al) καὶ (nevensch voegw : en) ἐχορτάσθησαν (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw chortazô : voederen , verzadigen ; zie Gr.: chortos : gras , weide) .

Mc 6,43 καὶ ἦραν κλασμάτων δώδεκα κοφίνους πλήρεις, καὶ ἀπὸ τῶν ἰχθύων. (En zij namen twaalf korven vol met brokken en van de vissen.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἦραν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw airô , èra : wegnemen ; stam : ar) κλασμάτων (zn gen onz mv van het zn kla-s-ma : brok , zie het wkw kla-ô : breken) δώδεκα (hoofdtelw : twaalf : twee en tien) κοφίνους (zn acc mann mv van het zn kofinos : korf , mand) πλήρεις (bijv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bijv nw plèrès : vol , zie Van der Vorst , nr 67 : alèthès) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀπὸ (voorzetsel : afkomstig van) τῶν (bep lidw gen mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , ) ἰχθύων (zn gen mann mv van het zn ichthus : vis ; het is een letterwoord voor Jèsous Christos Theos huiou sôtèr : Jezus Christus zoon van God redder ; onder de vroege christenen symbool voor de christen).

Mc 6,44 καὶ ἦσαν οἱ φαγόντες τοὺς ἄρτους πεντακισχίλιοι ἄνδρες. (En de broden etende waren vijfduizend) .
- καὶ (nevensch voegw : en) ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) φαγόντες (act. part aor (2de) nom mann mv : etende , bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἄρτους (zn acc mann mv van het zn artos : brood) πεντακισχίλιοι (hoofdtelw vijfduizend) ἄνδρες (zn nom mann mv van het zn anèr : man) .

Zie de gradatie 5 - 50 - 5000 .

Jezus neemt het leiderschap op zich . Hij voedt het volk zoals Mozes in de woestijn , zoals de profeet Elisja .

-----------------------------------------------------

Mc 6, 45-56 : tegenwind op het meer

- Er zijn 2 verhalen die vertellen over het gevaarlijk oversteken van het meer : de stormstilling (Mc 4,35-41) en het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) . In het verhaal van de stormstilling steken Jezus en de leerlingen het meer over om naar een voor hen 'onbekend' , maar gevaarlijk gebied te gaan . In het verhaal over het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen voordat hij de menigte heeft ontbonden . Voordien had Jezus met zijn leerlingen de boot genomen om een eenzame plek op te zoeken , maar de menigte was hen te slim af . Nu wil Jezus de menigte te slim af zijn . Hij stuurt zijn leerlingen al op het meer . Nadien ontbindt hij het volk . De menigte weet niet waarheen de leerlingen en waarheen Jezus gaat . Het was de bedoeling om op een eenzame plaats wat tot rust en bezinning te komen . Nu zal Jezus de bergen intrekken . De situatie toen zij instapten en nadat de menigte bij hun aankomst met de boot op Jezus beroep deed , is gewijzigd . Omdat de menigte als schapen zonder herder is (wegens de dood van Johannes de Doper) nam Jezus met het broodverhaal het leiderschap (herderschap) op zich . Hij is nu de nieuwe leider . Daarover wil Jezus zich bezinnen . Hij weet wat er met Johannes de Doper is gebeurd . Door het leiderschap op zich te nemen beseft hij wat hem kan overkomen . Tijdens de boottocht op zee ervaren zijn leerlingen wat het betekent geen leiderschap te hebben . Jezus zal naar hen toegaan , hen willen voorbijgaan om het leiderschap over hen op te nemen . Wanneer hij in de boot stapt , wordt het rustig , zoals een kudde schapen rustig wordt wanneer de herder bij hen is .
- Jezus moet zijn leerlingen dwingen om in te stappen in de boot . Immers ze zijn weggegaan om uit de gevarenzone van Herodes te gaan . Het teruggaan betekent een terugkeren naar de gevarenzone . De leerlingen beseffen wellicht wat hen kan overkomen . Jona kreeg het gebod om naar Nineve te gaan en de Ninevieten tot bekering op te roepen . Jona weigert dat , neemt de boot en gaat de andere richting uit . Een storm zal zijn plan onthullen . Het instappen in de boot loopt het risico om in een storm terecht te komen . Dat hebben de leerlingen al eens ervaren (Mc 4,45-52) .
- Gn 32 vertelt het verhaal van Jakob die worstelt om zijn broer Esau te ontmoeten . Ze zijn van elkaar verwijderd door de Jabbokrivier . Eerst brengt hij vrouwen en kinderen over . Tijdens de nacht blijft hij nog aan de ene oever van de rivier en worstelt er met een onbekende tot het aanbreken van de dageraad .

Mc 6,45 Καὶ εὐθέως ἠνάγκασε τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ἐμβῆναι εἰς τὸ πλοῖον καὶ προάγειν εἰς τὸ πέραν πρὸς Βηθσαϊδάν, ἕως αὐτὸς ἀπολύσῃ τὸν ὄχλον· (en onmiddellijk dwong hij zijn leerlingen om in de boot te stappen en voor te gaan naar de overkant naar Betsaïda totdat hij zelf de menigte zou ontbinden.)
- Καὶ (nevensch voegw : en) εὐθέως (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ἠνάγκασε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anagkazô : verplichten , dwingen; zie anagkè : noodzaak , dwang ; wkw eindigend op -azô : tot noodzaak maken (causatief) ; stam ank , zie Ned.: eng , Lat.: angere : toeknijpen , wurgen) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) μαθητὰς (zn acc. mann. mv. van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; zie Baeyens nr 133 : praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) ἐμβῆναι ( wkw act inf aor : om in te stappen , van het wkw εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) , Baeyens nr 133 b) : wkw stam ba- met nasaalversterking in praesensstam nJ ; Baeyens nr.11, 10 : "Vóór een labiaal wordt n tot m : en-bainô -> em-bainô) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) καὶ (nevensch voegw : en) προάγειν (wkw act inf praes : om voor te gaan , van het wkw pro-agô : voor-gaan . Het is de enigste maal dat de leerlingen voorafgaan (met het wkw προαγω = proagô (voorgaan) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πέραν (zn acc onz enk . Het zn עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) is afgeleid van het wkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) . Het zn עֶרֶב = `èrèbh (avond) heeft dezelfde letters als עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) maar de 2 laatste letters staan in een andere volgorde . De avond bevat de idee van overgang tussen de dag en de nacht) πρὸς (voorzetsel van richting : naar) Βηθσαϊδάν (acc. vr. enk. βηθσαιδαν = bèthsaïdan (Betsaïda) van het zn. βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 6,45 . (2) Mc 8,22) Hebr.: beth tsaïdah : huis van de visvangst), ἕως (voegw van tijd) αὐτὸς (pers vnw 3de pers nom mann enk : hij met klemtoon) ἀπολύσῃ (wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apo-luô : losmaken, ont-binden; Lat.: luere : goedmaken, betalen ; Ned.: ver-lie-zen') τὸν (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) ·

Mc 6,46 καὶ ἀποταξάμενος αὐτοῖς ἀπῆλθεν εἰς τὸ ὄρος προσεύξασθαι. (En hen afgelast ging hij weg naar de berg om te bidden)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀποταξάμενος (wkw pass. part aor nom mann enk : afgelast geworden , van het wkw. αποτασσω = apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen ; stam tagJ -> tassô of tattô , zie Baeyens nr. 95) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) ἀπῆλθεν (wkw act ind aor 3de pers enk : hij ging weg , van het wkw erchomai = langsgaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen ; zie Bayens nr. 136 : wkw met verschillende stammen) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ὄρος (zn acc onz enk van het zn oros : berg) προσεύξασθαι (wkw med inf aor van het wkw pros-euchomai : plechtig verkondigen , beloven , zie Lat.: vovere : be-lov-en ; euchè : gebed , wens , gelofte) .
- Jezus bidt op beslissende momenten van zijn leven . Wanneer hij zijn horizon buiten Kafarnaüm verruimt . In de hof van Olijven . Beslissende momenten gebeuren in gebergte , in de woestijn , op een eenzame plaats . Daar wordt geworsteld met kwade geesten en zijn goede geesten bron van inspiratie . Het is een innerlijke strijd tussen goed en kwaad in de mens . De woestijn en de zee zijn verblijfplaatsen van kwade geesten , satans , duivels . Lopen over het water betekent de kwade machten beteugelen , ze de baas zijn . Op zee is er storm , golven water , wind . Beuken tegen de boot , overspoeld worden , tegen wind in varen . Soms is er geen sprake van bidden maar is er de ruimte van worsteling .

Mc 6,47 καὶ ὀψίας γενομένης ἦν τὸ πλοῖον ἐν μέσῳ τῆς θαλάσσης, καὶ αὐτὸς μόνος ἐπὶ τῆς γῆς. (en toen het avond was geworden , was de boot in het midden van de zee en hij zelf was alleen 'aan land'.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ὀψίας (zn gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zn οψια = opsia : avond . Bij Marcus komt het in 6 verhalen voor : (1) de avond na de sabbat in Kafarnaüm (Mc 1,32) . (2) bij de storm (Mc 4,35) . (3) bij het wandelen op het meer (Mc 6,47) . (4) de avond na de intrede in Jerusalem (Mc 11,11) . (5) het laatste avondmaal (Mc 14,17) . (6) de begrafenis van Jezus (Mc 15,42) γενομένης (wkw med part aor gen vr enk van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge- ; losse genitief ; Baeyens , 130 , p.97 . Onregelmatige werkw. . Het praes. kreeg reduplicatie gn-/ gen -> gi-gnomai . Aor. egenomèn) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) τὸ (bep lidw nom mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn nom onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) ἐν (vz van plaats : in) μέσῳ (bijvoegl nw dat. mann. enk. μεσῳ = mesôi (in het midden van) van het bijvoegl nw μεσος = mesos (zich in het midden bevindend) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (zn gn vr enk van het zn thalassa = zee) καὶ (nevensch voegw : en) αὐτὸς (pers vnw 3de pers nom mann enk : hij met klemtoon) μόνος (bijv nw nom mann enk : alleen; zie b.v. mono-loog) ἐπὶ (vz van plaats ; op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) γῆς (zn gen vr enk van het zn gè : aarde) .

Mc 6,48 καὶ ἰδὼν αὐτοὺς βασανιζομένους ἐν τῷ ἐλαύνειν· ἦν γὰρ ὁ ἄνεμος ἐναντίος αὐτοῖς· καὶ περὶ τετάρτην φυλακὴν τῆς νυκτὸς ἔρχεται πρὸς αὐτοὺς περιπατῶν ἐπὶ τῆς θαλάσσης, καὶ ἤθελε παρελθεῖν αὐτούς. (en hen ziende 'worstelende' tijdens het varen - want 'zij hadden tegenwind - en rond de vierde nachtwake komt hij naar hen rond'peddelend' / wandelend op het water en hij wilde hen voorbijgaan.)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) βασανιζομένους (wkw pass part praes acc mann mv van het wkw basanizô : folteren ; wkw op -izô : causatief : doen...) ἐν (voorzetsel : in , tijdens) τῷ (bep lidw dat mann enk ; Ned.: de / het) ἐλαύνειν (wkw act inf praes van het wkw elaunô : in beweging brengen , voortdrijven , varen , roeien) · ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (nevensch voegw van reden) (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἄνεμος (nom mann enk ανεμος = anemos (wind) ἐναντίος (nom mann enk εναντιος = enantios (tegengesteld) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · καὶ (nevensch voegw : en) περὶ (vz : àver) τετάρτην (rangtelw acc vr enk van tetartos : vierde , Fr.: quatre . In Ex 14,24 kijkt JHWH bij het ochtendgloren (bij de wacht van de morgen) naar de legermacht van de Egyptenaren en brengt het in verwarring . Er komen alsmaar meer gelijkenissen tussen Ex 14 - 15 en Mc 6,45-52 dat we in het 2de verhaal van het dubbelverhaal niet alleen een midrasj van het verhaal van Jona , maar ook van het verhaal van de uittocht uit Egypte hebben) φυλακὴν (zn acc vr enk van het zn fulakè : wacht) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) νυκτὸς (zn gen vr enk van het zn nuks : nacht . Ned. : nacht . D. : Nacht . E. : night . Fr. : nuit . Gr. : νυξ , νυκτος = nux (nacht) . Lat. : nox , noctis . Het Griekse nuks < ne ok(w)t . Got. : nahts . Sanskr. : nak . Oudeng. : neaht , niht . (u - o - i - a) . Het hiëroglyfisch nwt (Noet) is de hemelgodin , de moeder van de zonnegod Re , die zij dagelijks ter wereld brengt) ἔρχεται (wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw erchomai: gaan ; zie de sterke gelijkenis met archetai : hij begon , van het wkw archomai : beginnen) πρὸς (voorzetsel van plaats) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) περιπατῶν (wkw act part praes nom mann enk van het wkw peri-pateô : rondwandelen ; zie Ned.: pad, weg) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (gn vr enk van het zn thalassa = zee) , καὶ (nevensch voegw : en) ἤθελε (wkw act ind imperf 3de pers enk : hij wilde , van het wkw thelô : willen ; een verlengd augment in het imperf ; Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will) παρελθεῖν (wkw act. inf aor (2de) van het wkw par-erchomai = langsgaan ; de aor stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare : betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen : Baeyens nr. 136) αὐτούς. (pers vnw 3de pers mann mv)

Mc 6,49 οἱ δὲ ἰδόντες αὐτὸν περιπατοῦντα ἐπὶ τῆς θαλάσσης ἔδοξαν φάντασμα εἶναι, καὶ ἀνέκραξαν· (Zij echter ziende ham wandelend op de zee , meenden dat het een spook was en zij krijsten het uit)
- οἱ (bep lidw nom mann mv ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) δὲ (partikel, lichte tegenstelling) ἰδόντες   (wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien ; stam aor id ; zie Baeyens nr.136 ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτὸν (pers vnw acc mann enk) περιπατοῦντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw peri-pateô : rondwandelen , peddelen ; zie Ned.: pad, weg) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς (bep lidw gen vr enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) θαλάσσης (gn vr enk van het zn thalassa = zee) ἔδοξαν (wkw act. ind. aor. 3de pers. mv. εδοξαν = edoksan (zij meenden) van het werkw. δοκεω = dokeô (menen, schijnen) φάντασμα (nom onz enk : fantasma , verschijning ; wkw eindigend op -ma : resultaat van een handeling ; stam : fan- , zie wkw fainô : schijnen) εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn ; stam : es-) , καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέκραξαν (wkw act. ind. aor. 3de pers. mv. ανεκραξαν = anekraxan (zij schreeuwden het uit) van het wkw. ανακραζω = anakrazô : uitschreeuwen, oproepen ; Enkele werkw. op -ζω = -dzô hebben een werkwoordstam op een gutturaal o.a. ανακραζω = anakradzô (uitschreeuwen) , stam : κραγ- = krag- . Ned.: kraai , krijsen?) ·

Mc 6,50 πάντες γὰρ αὐτὸν εἶδον καὶ ἐταράχθησαν· καὶ εὐθέως ἐλάλησε μετ' αὐτῶν καὶ λέγει αὐτοῖς· Θαρσεῖτε, ἐγώ εἰμι, μὴ φοβεῖσθε. Want allen zagen hem en werden verward en onmiddellijk sprak hij met hen en hij zegt hen : Houdt moed , ik ben het , vreest niet .)
- πάντες (bijv nw nom. mann. + vr. mv. παντες = pantes (allen) van het bijv nw πας = pas : ieder, elk, alles) γὰρ (nevensch voegw van reden : want) αὐτὸν (pers vnw 3de pers mann enk) εἶδον (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô : zien ; stam id ; in horaô zit 'ra' ; Egyptische god van de zon is Ra ; In het Hebreeuws is zien: râ'âh) καὶ (nevensch voegw : en) ἐταράχθησαν (wkw pass. ind. aor. 3de pers. mv. εταραχθησαν = etarachthèsan (zij werden in verwarring gebracht) van het wkw. ταρασσω = tarassô : in verwarring brengen, verwarren)· καὶ (nevensch voegw : en) εὐθέως (bijwoord van het bijvoegl nw euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) ἐλάλησε (wkw act ind aor 3de pers enk ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het wkw λαλεω = laleô : lallen, spreken, praten) μετ' (voorzetsel μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth') αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (nevensch voegw : en) λέγει (act ind praes 3de pers enk : zij zeggen ; wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat 3de pers mann mv) · Θαρσεῖτε (wkw act imperat praes 2de pers mv. θαρσειτε = tharseite van het wkw θαρσεω = tharseô : vol goede moed zijn, moed hebben) , ἐγώ (pers vnw 1ste pers mann enk : ik) εἰμι (wkw act ind praes 1ste pers enk : ik ben ; stam : es-) , μὴ (partikel van ontkenning) φοβεῖσθε ((med imperat praes 2de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) .

Mc 6,51 καὶ ἀνέβη εἰς τὸ πλοῖον πρὸς αὐτοὺς, καὶ ἐκόπασεν ὁ ἄνεμος· καὶ λίαν ἐκ περισσοῦ ἐν ἑαυτοῖς ἐξίσταντο καὶ ἐθαύμαζον. (en hij klom in de boot bij hen en de wind ging liggen en zij waren zeer bovenmatig buiten zichzelf en zij verwonderden zich .)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀνέβη (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς (vz van richting : naar) τὸ (bep lidw acc mann enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) πλοῖον (zn acc onz enk : boot ; zie het wkw pleô : varen ; ploion is een vaar-tuig ; Ned.: vlot , vloot , vlieten , vliet ; -ion : verkleinwoord of collectief : bootje of vloot) πρὸς (voorzetsel van richting) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) , καὶ (nevensch voegw : en) ἐκόπασεν (wkw act ind aor 3de pers enk εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) van het werkw. κοπαζω = kopazô : moe worden, gaan liggen) (bep lidw nom mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἄνεμος (zn nom. mann. enk. ανεμος = anemos : wind , zie Lat.: anima)· καὶ (nevensch voegw : en) λίαν (bijw : zeer) ἐκ (voorzetsel van plaats : εκ = ek of εξ = ex : uit) περισσοῦ (bijvoegl nw gen onz enk van het bijvoegl nw περισσος = perissos : overmatig, bovenmatig groot) ἐν (voorzetsel van plaats : in) ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἐξίσταντο (wkw med ind. imperf. 3de pers. meerv. εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) van het wkw. εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken) καὶ (nevensch voegw : en) ἐθαύμαζον (wkw (act ind imperf 3de pers mv van het wkw thaumazô : zich verwonderen) .

Mc 6,52 οὐ γὰρ συνῆκαν ἐπὶ τοῖς ἄρτοις, ἀλλ' ἦν αὐτῶν ἡ καρδία πεπωρωμένη.
Vertaling: want zij begrepen niet over de broden, 'want' hun hart was verhard.
Woordontleding:
οὐ (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) γὰρ (= gar: want, immers; (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) nevenschikkend voegw van reden) συνῆκαν (= sunèkan: zij begrepen; wkw act ind 2de aor 3de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen) ἐπὶ (= epi: op; voorzetsel van plaats) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτοις (= artois: broden; zn dat mann mv van het zn αρτος = artos : brood), ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) αὐτῶν (= autôn: van hen; aanwijz vnw 3de pers gen mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἡ (= hè; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδία (= kardia: hart; zn nom vr enk; Ned.: hart ; Lat.: cor, cordis) πεπωρωμένη (= pepôrômenè: verhard; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned.: poreus).

Mc 6,53 Καὶ διαπεράσαντες ἀπῆλθον ἐπὶ τὴν γῆν Γεννησαρὲτ καὶ προσωρμίσθησαν.
Vertaling: (En overgestoken gingen zij naar het land Gennesaret en zij gingen aan wal.
- Καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διαπεράσαντες (= diaperasantes: overgestoken; wkw part aor nom mann mv van het wkw δια-περα-ω = dia-pera-ô: 'over-en doorheen', oversteken; zie hieronder: oever) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv. bij het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan; afkorting van απο = apo + stam ελθ = elth (met verlenging van het augment -> ηλθ = èlth: Baeyens 1963, nr 70,2 blz 53 + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf, Baeyens nr 107 blz 79; gebruik van 2 verschillende wkw voor de tijden met de stammen: ερχ = erch en ελθ = elth. Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) ἐπὶ (= epi: op; voorzetsel van plaats) τὴν (= tèn: de; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆν (= gèn: land; zn acc vr enk van het zn γη = gè: aarde; zie bv geologie) Γεννησαρὲτ (Gennèsaret; zn eigennaam Genesaret; in het woord G n n s r t zit het woord Nazareth) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) προσωρμίσθησαν (= prosôrmisthèsan: zij kwamen aan wal; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw προσορμιζω = prosormizô: aan wal komen).
Woorduitleg.
- Ned.: oever. D.: Üfer. Hebr.: עֵבֶר = `ebhèr: oever, overzijde, overkant. Zie het wkw. עָבַר = `âbhar: 'oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken. Gr.: περαν = peran: oever, overzijde, overkant; stam: `- b/p/v - r; is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen? Lat.: ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griekse περαν = peran: overzijde, overkant? Fr.: rive.

Mc 6,54 καὶ ἐξελθόντων αὐτῶν ἐκ τοῦ πλοίου εὐθέως ἐπιγνόντες αὐτὸν
Vertaling: en nadat zij uit de boot waren gegaan, herkenden zij hem dadelijk
- καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξελθόντων (= ekselthontôn: uitgegaan; :wkw act. part 2de aor gen mann mv bij het wkw εξ-ερχομαι = ex-erchomai: uitgaan; de aor stam el, zoals het Franse aller < het Latijnse amb- ulare: betekent zich bewegen; wkw met 2 verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136) αὐτῶν (= autôn: van hen; aanwijz vnw 3de pers gen mann mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἐκ (= ek: uit; vz van plaats) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann of onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίου (= ploiou: uit de boot; zn gn onz enk; zie het wkw pleô : varen; ploion is een vaar-tuig; Ned.: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εὐθέως (= eutheôs: onmiddellijk; bijwoord van het bv nw euthus; tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats: rechtstreeks, direct, zonder omwegen) ἐπιγνόντες (= epignontes: herkennende; wkw act part 2de aor nom mann mv van het wkw επι-γιγνωσκω = epi-gignôskô: her-kennen, weten; stam gn-) αὐτὸν (= auton: hem; aanwijz vnw 3de pers acc mann enk van het aanwijz vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)

Mc 6,55 περιέδραμον ὅλην τὴν περίχωρον ἐκείνην καὶ ἤρξαντο ἐπὶ τοῖς κραβάττοις τοὺς κακῶς ἔχοντας περιφέρειν ὅπου ἤκουον ὅτι ἐκεῖ ἐστι·
Vertaling: en zij renden heel die omstreek rond en zij begonnen op de bedden rond te dragen hen die er slecht aan toe waren waar zij hoorden dat hij er is.
- περιέδραμον (= periedramon: zij renden rond; wkw act ind aor 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô: lopen; zn δρομος = dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den; 2 wkw met verschillende stammen: τρεχ = trech en δρεμ = drem: rennen, zie Baeyens 102,136) ὅλην (= holèn: heel; bv nw acc vr enk van het bv nw ὅλος = holos: heel) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) περίχωρον (= perichôron: om-streek; zn acc vr enk van het zn περιχωρος = peri-chôros: omgeving) ἐκείνην (= ekeinèn: deze, die; aanwijz vnw acc vr enk van het aanwijz vnw εκεινος = ekeinos: deze, die) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw) ἤρξαντο (= èrksanto: zij begonnen; wkw med ind aor 3de pers mv. Bij wkw die met een klinker beginnen, wordt het temporaal augment verlengd: a -> è , e -> è, zie Baeyens nr 70,2 blz 53; èrch+ s + anto; gutturaalstam. Elke gutturaal met s wordt ks, zie Baeyens 95,1 blz 73. De aor van αρχομαι = archomai: beginnen en ερχομαι = erchomai: gaan, komen zouden dezelfde aoristvorm hebben: èrksanto. Voor ερχομαι = erchomai wordt echter een wkw met een andere stam gebruikt: èlthon: een 2de aor; uitgang van het imperf 3de pers mv, zie Baeyens 109 blz 79) ἐπὶ (= epi: op; voorzetsel van plaats) τοῖς (= tois: de; bep lidw dat onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κραβάττοις (= krabbatois: op de bedden; zn dat onz mv van het zn κραββατον = krabbaton : bed) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κακῶς (= kakôs; op een slechte wijze; bijw afgeleid van het bv nw κακος = kakos : slecht) ἔχοντας (= echontas: hebbende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw εχω = echô: hebben) περιφέρειν (= periferein: om rond te dragen; wkw act inf praes van het wkw περι-φερειν = peri-ferô: rond-dragen) ὅπου (= hopou: waar; bijw van plaats) ἤκουον (= èkouon: zij hoorden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὅτι (hoti: dat; ondergeschikt vw om een accusatiefzin in te leiden) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) ἐστι (= esti: hij is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-) ·

Mc 6,56 καὶ ὅπου ἂν εἰσεπορεύετο εἰς κώμας ἢ πόλεις ἢ ἀγροὺς, ἐν ταῖς ἀγοραῖς ἐτίθεσαν τοὺς ἀσθενοῦντας καὶ παρεκάλουν αὐτὸν ἵνα κἂν τοῦ κρασπέδου τοῦ ἱματίου αὐτοῦ ἅψωνται· καὶ ὅσοι ἂν ἥπτοντο αὐτοῦ, ἐσῴζοντο
Vertaling: en waar hij ook zich op weg begeeft naar dorpen of steden of akkers, op de bedden legden zij de verzwakten en zij smeekten hem opdat zij de zoom van zijn kleed zouden aanraken en zovelen hem anraakten, werden genezen.
- καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅπου (= hopou: waar; bijw van plaats) ἂν (= an; partikel van eventualiteit) εἰσεπορεύετο (= eiseporeueto: hij begaf zich op weg naar; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar; voorzetsel εισ = eis = naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats, richting) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) (= è: of; partikel van vergelijking) πόλεις (= poleis: steden; zn acc vr mv van het zn πολις = polis: stad) (= è: of; partikel van vergelijking) ἀγροὺς (= agrous: akkers; zn acc mann mv van het zn αγρος = agros: akker; stam: g/k - r) ἐν (= en: in; vz van plaats) ταῖς (= tais: de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀγοραῖς (= agorais: markten; zn dat vr mv van het zn = agora: marktplaats, vergadering, bijeenkomst) ἐτίθεσαν (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw epitithèmi : opleggen , zie Baeyens nr 112 ; stam: thè) τοὺς (bep lidw acc mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ἀσθενοῦντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw asthenoô : verzwakken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παρεκάλουν (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw parakaleô = advocare : bijroepen, smeken, Ned. : kallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) κἂν (samentrekking van kai en an : ook maar) τοῦ (bep lidw gen onz enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) κρασπέδου (zn gen onz enk van het zn kraspedon : rand , zoom , franje) τοῦ (bep lidw gen mann enk ; lidw : ho , hè , to ., zie Ned. : de , het) ἱματίου (zn gen onz enk van het zn himation ; -tion : verkleinwoord , kleed-je) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) ἅψωνται (wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw haptomai : raken , aanraken)· καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσοι (bepaald betrekkelijk vnw van het vnw hosos : zo veel als) ἂν (partikel om de mogelijkheid uit te drukken) ἥπτοντο (wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw haptomai : raken , aanraken) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk) , ἐσῴζοντο (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw sôdzô : redden ; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het wkw jâsj`a en sôdzô: redden; stam sj) .

Marcus 7

Mc 7,1-23 : Wat uit de mens komt , maakt onrein

Mc 7,1 Καὶ συνάγονται πρὸς αὐτὸν οἱ Φαρισαῖοι καί τινες τῶν γραμματέων ἐλθόντες ἀπὸ Ἱεροσολύμων
Vertaling: De Farizeeën en sommige schriftgeleerden, gekomen uit Jeruzalem, stromen naar hem samen .
Tekstontleding: 1 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. L at: et. Hebr: wë. Arab: wa) συνάγονται (= sunagontai: zij drijven samen; ww med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun- : samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o (zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n') + ntai: uitgang 3de pers mv; hetzelfde aantal lettergrepen als het woord συν-αγ-ωγ-η = sunagôgè: bijeenkomst) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) ἐλθόντες (= elthontes: komende; ww med part aor nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 ww met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) Ἱεροσολύμων (= hierosolumôn: van Jeruzalem; zn eigennaam gen onz mv van het zn Ἱεροσόλυμα = Hierosuluma: Jeruzalem)

Mc 7,2 καὶ ἰδόντες τινὰς τῶν μαθητῶν αὐτοῦ ὅτι κοιναῖς χερσίν, τοῦτ' ἔστιν ἀνίπτοις, ἐσθίουσιν τοὺς ἄρτους
Vertaling: en zij sommigen van zijn leerlingen gezien hebbende dat zij met onreine handen, dit is ongewassen de broden eten
Tekstontleding: 2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἰδόντες (= idontes: ziende; wkw act part aor nom mann mv bij het werkw horaô = zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τινὰς (= tinas: sommigen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) κοιναῖς (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος =  koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep , gr-: grijpen), τοῦτ' (afkorting vóór een klinker van τοῦτο = touto: dit; aanwijz vnw nom of acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es-, zie Lat.: esse) ἀνίπτοις (= aniptois: met ongewassen; bijv nw dat mann mv van het bijv nw a-niptos: on-ge-wassen , zie het wkw niptô: wassen) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d)

Mc 7,3 οἱ γὰρ Φαρισαῖοι καὶ πάντες οἱ Ἰουδαῖοι ἐὰν μὴ πυγμῇ νίψωνται τὰς χεῖρας οὐκ ἐσθίουσιν, κρατοῦντες τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων,
Vertaling : want de Farizeeën en alle Judeeërs indien zij niet met de vuist de handen zouden wassen, eten zij niet, bevestigende de traditie van de ouderen / priesters,
Tekstontleding: 3 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰουδαῖοι (= ioudaioi: joden, Judeeërs; zn nom mann mv van het zn ιουδαιος = ioudaios: jood, Judeeër; in feite een bv nw eindigend op -aios , gevormd op basis van het zn Judea, het gebied van Juda , die één van de 12 zonen van Jakob is) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien , als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) πυγμῇ (= pugmè: met een vuist; zn dat vr enk van het zn πυγμη = pug-mè: vuist) νίψωνται (= nipsôntai: zij zouden wassen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw νιπτω = viptô: wassen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102), κρατοῦντες (= kratountes: bevestigende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn , zich meester maken over) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt , comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester),

Mc 7,4 καὶ ἀπ' ἀγορᾶς ἐὰν μὴ βαπτίσωνται οὐκ ἐσθίουσιν, καὶ ἄλλα πολλά ἐστιν ἃ παρέλαβον κρατεῖν, βαπτισμοὺς ποτηρίων καὶ ξεστῶν καὶ χαλκίων [καὶ κλινῶν]
Vertaling: en (komende) van de markt , indien zij zich niet zouden wassen, eten niet; en er zijn vele andere dingen die overgeleverd zijn, waaraan zij vasthouden, de onderdompelingen van pannen, bekers en 'tafelgerief
Tekstontleding: 4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἀγορᾶς (= agoras: van de markt; zn gen vr enk van het zn αγορα = agora: koopplaats, markt; zie het wkw αγοραζω = agorazô: kopen) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien , als) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) βαπτίσωνται (= baptisôntai: zij zouden zich wassen; wkw med conjunct aor 3de pers mv van het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal ; metathesis van t-b?) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) , καὶ(= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἄλλα  (= alla: andere –dingen - ; onbep vnw nom onz mv van het onbep vnw  αλλος = allos : ander) πολλά (= polla: vele dingen); bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) (= ha: die; betrekk vnw nom of acc onz mv van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = hè, ὁ = ho: die/dat) παρέλαβον (= parelabon: zij namen over; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παρα-λα-μ-β-αν-ω: overnemen, overleveren; Lat.: tradere , traditio; stam: lab) κρατεῖν (= kratein: om te be-vest-igen; om vast te houden; wkw act inf praes van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over), βαπτισμοὺς (= baptismous: onderdompelingen; zn acc mann mv van het zn βαπτισμος = baptismos: onderdompeling; zn einidgend op -smos: van wkw naar zn: de handeling aanduidend; zie het wkw βαπτιζω = baptizô: dopen; zie het Hebreeuwse wkw tâbal; metathesis van t-b?) ποτηρίων (= potèriôn: van de bekers; zn gen onz mv van het zn ποτηρίον = potèrion: 'beker'; uitgang -tèrion: van wkw naar zn om instrument aan te duiden: iets om uit te drinken, 'beker'; zie ποτιζω = potizô: drenken, laten drinken; Lat.: potare: drinken, potio: het drinken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ξεστῶν (= ksestôn: van de kannen; zn gen mann mv van het zn ξεστης = xestès: kan, kruik) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) χαλκίων (= chalkiôn: van de ketels / van het vaatwerk; zn gen onz mv van het zn χαλκιον = chalkion: koperen vaatwerk, ketel) [ καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) κλινῶν (= klinôn: van de aanligbedden, van het tafelgerief; zn gen vr mv van het zn κλινη = klinè: bed, draagstoel; wat bij het aanliggen aan tafel gebruikt wordt: tafelgerief)]

Mc 7,5 καὶ ἐπερωτῶσιν αὐτὸν οἱ Φαρισαῖοι καὶ οἱ γραμματεῖς, Διὰ τί οὐ περιπατοῦσιν οἱ μαθηταί σου κατὰ τὴν παράδοσιν τῶν πρεσβυτέρων, ἀλλὰ κοιναῖς χερσὶν ἐσθίουσιν τὸν ἄρτον;
Vertaling: en de Farizeeën en de schriftgeleerden ondervragen hem: Waarom hebben jouw leerlingen niet de levenswandel volgens de overlevering van de 'priesters', maar eten zij het brood met onreine handen?
5 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐπερωτῶσιν (= eperôtôsin: zij vragen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô : vragen ; ondervragen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (zn nom mann mv φαρισαιοι = farisaioi : Farizeeën , van het zn farisaios : Farizeeër ; Griekse uitgang -aios ; Hebr. mv përusjim van het wkw pârasj : onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde (uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) περιπατοῦσιν (= peripatousin: zij wandelen rond; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταί (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van μαθη-της = mathè-tès: leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) κατὰ τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt , comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester) , ἀλλὰ κοιναῖς (= koinais: met onreine…; bijv nw dat vr mv van het bijv nw κοινος = koinos: gemeenschappelijk, profaan, onheilig, onrein) χερσίν (= chersin: met handen; zn dat vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep , gr-: grijpen), ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἄρτον;

Mc 7,6 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Καλῶς ἐπροφήτευσεν Ἠσαΐας περὶ ὑμῶν τῶν ὑποκριτῶν, ὡς γέγραπται [ὅτι] Οὗτος ὁ λαὸς τοῖς χείλεσίν με τιμᾷ, ἡ δὲ καρδία αὐτῶν πόρρω ἀπέχει ἀπ' ἐμοῦ:
Vertaling: Maar hij zei hen: Jesaja heeft heel goed geprofeteerd over jullie de onderscheiders, zoals er geschreven staat: dit volk eert mij met de lippen, hun hart echter houdt het verreweg van mij.
6 (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) , Καλῶς (= kalôs: goed; bw afgeleid van het bv nw καλος = kalos: goed, schoon) ἐπροφήτευσεν (= eprofèteusen: hij profeteerde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προ-φη-τευω = profèteuô: profeteren, voor zich uit spreken) Ἠσαΐας περὶ ὑμῶν τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὑποκριτῶν, ὡς γέγραπται (= gegraptai: er werd geschreven; wkw pass ind perf 3de pers enk van het wkw γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ] Οὗτος (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) λαὸς τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χείλεσίν με τιμᾷ (= tima: hij eert; wkw act ind praes 3de pers mann enk van het wkw τιμαω = timaô: eren; zie Lat.: timidus: vreesachtig, verlegen) , (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πόρρω ἀπέχει (= apechei: hij houdt verwijderd; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw απεχω = ap-echô : afhouden , verwijderd houden) ἀπ' (= ap, afkorting van απο = apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing vóór een niet-geaspireerde klinker: απ' = ap' en vóór een geaspireerde klinker: αφ' = af') ἐμοῦ:

Mc 7,7 μάτην δὲ σέβονταί με, διδάσκοντες διδασκαλίας ἐντάλματα ἀνθρώπων.
Vertaling: Maar vergeefs vereren ze mij, onderrichtende onderrichtingen, opdrachten van mensen.
7 μάτην (= matèn: vergeefs, zonder grond, vruchteloos; bw) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) σέβονταί (= sebontai: zij vereren; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw σεβομαι = sebomai: vereren) με, διδάσκοντες (= didaskontes; onderrichtende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw διδασκω = didaskô : leren, onderrichten; stam dak) διδασκαλίας ἐντάλματα ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn anthrôpos: mens).

Mc 7,8 ἀφέντες τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ κρατεῖτε τὴν παράδοσιν τῶν ἀνθρώπων.
Vertaling: weglatende de opdracht van God bekrachtigen jullie de overlevering van de mensen.
8 ἀφέντες (= afentes: achterlatende, aflatende; wkw act part aor nom mann mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὴν (= entolèn: opdracht, bevel; zn acc vr enk van het zn ἐντολη = entolè; zie het wkw εντελλω = entellô: opdragen, bevelen, vragen; < en-telj-ô) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God; 31 X in Mc) κρατεῖτε (= krateite: jullie bekrachtigen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw κρατεω = krateô: krachtig zijn, zich meester maken over) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (= paradosin: doorgeving, overlevering; zn acc vr enk van het zn παραδοσις = para-dosis: over-lever-ing; stam do-, zie Lat.: da-re) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn anthrôpos: mens).

Mc 7,9 Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Καλῶς ἀθετεῖτε τὴν ἐντολὴν τοῦ θεοῦ, ἵνα τὴν παράδοσιν ὑμῶν στήσητε .
Vertaling: En hij zei hen: Jullie schaffen de opdracht van God mooi af, opdat jullie jullie overlevering zouden handhaven.
9 Καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw autos), Καλῶς (= kalôs: goed; bw afgeleid van het bv nw καλος = kalos: goed, schoon) ἀθετεῖτε (= atheteite: jullie schaffen af; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw αθετεω = atheteô: afschaffen, verwerpen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐντολὴν (= entolèn: opdracht, bevel; zn acc vr enk van het zn ἐντολη = entolè; zie het wkw εντελλω = entellô: opdragen, bevelen, vragen; < en-telj-ô) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God; 31 X in Mc) , ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) παράδοσιν (zn acc vr enk van het zn para-dosis : over-lever-ing , stam do- , zie Lat.: da-re) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) στήσητε (= stèsète: jullie stellen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw ιστημι = histèmi: stellen) .

Mc 7,10 Μωϋσῆς γὰρ εἶπεν, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα σου, καί, Ὁ κακολογῶν πατέρα ἢ μητέρα θανάτῳ τελευτάτω:
Vertaling: Want Mozes zei: Eer jouw vader en jouw moeder en: wie over vader of moeder kwaadspreekt, hij kome aan zijn einde met de dood.
10 Μωϋσῆς (= môüsès: Mozes; zn nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Τίμα (= tima: eer; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw τιμαω = timaô: eren; zie Lat.: timidus: vreesachtig, verlegen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὴν (bep lidw acc vr enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) , καί (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) , (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) κακολογῶν (= katalogôn: tegensprekkende, kwaad sprekende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw κακολογεω = kakologeô: kwaadzeggen, kwaad spreken) πατέρα (= patera: vader; zn acc mann enk van het zn πα-τηρ = pa-tèr: va-der) (è: of; partikel van vergelijking) μητέρα (= mètera: moeder; zn acc vr enk van het zn μη-τηρ = mè-tèr : moe-der) θανάτῳ (= thanatô(i): met de dood;  zn dat.  mann. enk. van het zn θανατος = thanatos: dood ; stam: tha , zie het wkw απο-θ-ν-η-σκ-ω = apo-th-n-è-sk-ô: sterven, afgesneden worden) τελευτάτω (= teleutatô: dat hij eindige, dat hij sterve; wkw act imperat praes 3de pers enk van het wkw τελευταω = teleutaô : eindigen, beëindigen; τελος = telos: einde, doel):

Mc 7,11 ὑμεῖς δὲ λέγετε, Ἐὰν εἴπῃ ἄνθρωπος τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί, Κορβᾶν, ὅ ἐστιν, Δῶρον, ὃ ἐὰν ἐξ ἐμοῦ ὠφεληθῇς,
Vertaling: Maar jullie zeggen: Als iemand tot zijn vader of moeder zegt: klorban, dat is: offergave, dat waarmee jij vanuit mij zoudt geholpen worden
11 ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) εἴπῃ (= eipè(i): hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ἄνθρωπος τῷ πατρὶ ἢ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μητρί, Κορβᾶν, ὅ ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse), Δῶρον, ὃ ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) ἐξ ἐμοῦ ὠφεληθῇς (= ôfelèthès: jε zoudτ geholpen worden; wkw pass conjunct aor 2de pers enk van het wkw ωφελεω = ôfeleô: helpen),

Mc 7,12 οὐκ έτι ἀφίετε αὐτὸν οὐδὲν ποιῆσαι τῷ πατρὶ ἢ τῇ μητρί,
Vertaling: jullie laten niet meer af dat hij niets doet voor de vader of de moeder.
12 οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) έτι ἀφίετε (= afiete: jullie laten na; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οὐδὲν ποιῆσαι (= poièsai: om te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) τῷ πατρὶ ἢ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μητρί,

Mc 7,13 ἀκυροῦντες τὸν λόγον τοῦ θεοῦ τῇ παραδόσει ὑμῶν ἧ παρεδώκατε: καὶ παρόμοια τοιαῦτα πολλὰ ποιεῖτε.
Vertaling: afschaffende het woord van God voor jullie overlevering die jullie overleverden, en vele dergelijke gelijkaardige dingen doen jullie
13 ἀκυροῦντες (= akurountes; ongeldig makende, afschaffende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ακυροω = akuroô: ongeldig maken, afschaffen) τὸν λόγον τοῦ θεοῦ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) παραδόσει ὑμῶν ἧ παρεδώκατε (paredôkate: jullie leverden over; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: doorgeven, overleveren; stam: do-, zie Lat.: do-num: ga-ve)): καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) παρόμοια (= paromoia: gelijkaardige dingen; acc onz mv van het bv nw παρ-ομοιος = par-omoios: bijna gelijk, gelijkaardig) τοιαῦτα πολλὰ ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen).

Mc 7,14 Καὶ προσκαλεσάμενος πάλιν τὸν ὄχλον ἔλεγεν αὐτοῖς, Ἀκούσατέ μου πάντες καὶ σύνετε.
Vertaling: en opnieuw de menigte samengeroepen zei hij hen: luistert allen naar mij en weet:
14 Καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) προσκαλεσάμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) πάλιν τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὄχλον ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw autos), Ἀκούσατέ (= akousate: luistert; wkw act imperat 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren; Fr.: é-cou-ter; Ned.: horen; k/h) μου πάντες (= pantes: allen; bv nw nom mann mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) σύνετε.(= sunete: begrijpt; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw συνιημι = sunièmi: begrijpen)

Mc 7,15 οὐδέν ἐστιν ἔξωθεν τοῦ ἀνθρώπου εἰσπορευόμενον εἰς αὐτὸν ὃ δύναται κοινῶσαι αὐτόν: ἀλλὰ τὰ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενά ἐστιν τὰ κοινοῦντα τὸν ἄνθρωπον.
Vertaling: niets is vanbuiten de mens dat bij hem binnenkomende is, wat hem kan verontreinigen, maar dat uit de mensen komende is het verontreinigende de mens.
15 οὐδέν ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἔξωθεν τοῦ ἀνθρώπου εἰσπορευόμενον (= eisporeuomenon: zich op weg begevende naar binnen; wkw med part praes nom onz enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ὃ δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) κοινῶσαι (= koinôsai: om te verontreinigen; wkw act inf aor van het wkw κοινοω = koinoô: gemeenschappelijk maken, ontheiligen,, verontreinigen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw autos): ἀλλὰ τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενά (= ekporeuomena: zich op weg begevende naar buiten; bv nw van het wkw med part praes nom onz mv van het wkw ἐκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven naar buiten; voorzetsel ἐκ= ek: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κοινοῦντα (= koinounta: het verontreinigende; bv nw van het wkw part praes nom onz mv van het wkw κοινοω = koinoô: gemeenschappelijk maken, ontheiligen,, verontreinigen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἄνθρωπον.

Mc 7,16 Καὶ
16 Καὶ (nevenschikkend voegwoord: en)

Mc 7,17 ὅτε εἰσῆλθεν εἰς οἶκον ἀπὸ τοῦ ὄχλου, ἐπηρώτων αὐτὸν οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ τὴν παραβολήν.
Vertaling: Toen hij naar huis ging weg van de menigte, ondervroegen zijn leerlingen hem over de gelijkenis.
17 ὅτε (= hote: toen; ongeschikt vw van tijd) εἰσῆλθεν (= eisèlthen: hij ging naar; wkw ind aor 3de pers enk bij het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar; bijzondere vorm bij εισερχομαι = eiserchomai: komen naar, binnengaan; el- zie Fr.: aller) εἰς οἶκον ἀπὸ (voorzetsel van plaats , verwijdering : απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af') τοῦ ὄχλου, ἐπηρώτων (= epèrôtôn: zij ondervroegen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) οἱ (bep lidw nom mann mv , ho , hè , to ; Ned.: de /het) μαθηταὶ (zn acc mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) τὴν (bep lidw acc vr enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) παραβολήν.

Mc 7,18 καὶ λέγει αὐτοῖς, Οὕτως καὶ ὑμεῖς ἀσύνετοί ἐστε; οὐ νοεῖτε ὅτι πᾶν τὸ ἔξωθεν εἰσπορευόμενον εἰς τὸν ἄνθρωπον οὐ δύναται αὐτὸν κοινῶσαι,
Vertaling: en hij zegt hen: Zo ook jullie zijt onbegrijpend weten jullie niet dat al wat van buitenaf binnenkomende is in de mens, hem niet kan verontreinigen.
18 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw autos) , Οὕτως καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἀσύνετοί (= asunetoi: zonder begrip, onbegrijpelijk; bv nw nom mann mv van het bv nw a-sun-e-toi: zonder inzicht, onbegrijpelijk; zie het wkw ιημι = ièmi: laten, loslaten, laten klinken) ἐστε (este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse); οὐ (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) νοεῖτε (= noeite: jullie bemerken; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw noeô: waarnemen, bemerken, bespeuren) ὅτι πᾶν τὸ ἔξωθεν εἰσπορευόμενον (= eisporeuomenon: zich op weg begevende naar binnen; wkw med part praes nom onz enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) εἰς αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) εἰς τὸν ἄνθρωπον οὐ (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw autos) κοινῶσαι (= koinôsai: om te verontreinigen; wkw act inf aor van het wkw κοινοω = koinoô: gemeenschappelijk maken, ontheiligen,, verontreinigen),

Mc 7,19 ὅτι οὐκ εἰσπορεύεται αὐτοῦ εἰς τὴν καρδίαν ἀλλ' εἰς τὴν κοιλίαν, καὶ εἰς τὸν ἀφεδρῶνα ἐκπορεύεται; καθαρίζων πάντα τὰ βρώματα.
Vertaling: want het komt niet binnen in zijn hart maar in zijn buik en het gaat uit naar de w.c., zuiverend alle voedsel.
19 ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) εἰσπορεύεται (= eisporeuetai: hij begeeft zich op weg naar binnen; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) εἰς τὴν (bep lidw acc vr enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) καρδίαν ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) εἰς τὴν (bep lidw acc vr enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) κοιλίαν, καὶ(= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰς τὸν ἀφεδρῶνα (= afedrôna: w.c.; zn acc mann enk van het zn αφεδρων = afedrôn: w.c.) ἐκπορεύεται (= ekporeuetai: hij begeeft zich op weg naar buiten; wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw ἐκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven naar buiten; voorzetsel ἐκ= ek: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen), καθαρίζων (= katharizôn: zuiverende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw καθαρίζω = katharizô: zuiveren) πάντα τὰ βρώματα (= brômata: spijzen; zn acc onz mv van het zn βρωμα = brôma: spijs).

Mc 7,20 ἔλεγεν δὲ ὅτι Τὸ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενον ἐκεῖνο κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον:
Vertaling: Maar hij zei dat wat uit de mens uitkomt, dat verontreinigt de mens.
20 ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) δὲ ὅτι Τὸ ἐκ τοῦ ἀνθρώπου ἐκπορευόμενον (= eisporeuomenon: zich op weg begevende naar binnen; wkw med part praes nom onz enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) ἐκεῖνο κοινοῖ (= koinoi; het verontreinigt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw κοινοω = koinoô: gemeenschappelijk maken, ontheiligen,, verontreinigen), τὸν ἄνθρωπον:

Mc 7,21 ἔσωθεν γὰρ ἐκ τῆς καρδίας τῶν ἀνθρώπων οἱ διαλογισμοὶ οἱ κακοὶ ἐκπορεύονται, πορνεῖαι, κλοπαί, φόνοι,
-Vertaling: Want vanbinnenuit, vanuit het hart van de mensen komen uit de slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord,
21 ἔσωθεν γὰρ ἐκ τῆς καρδίας τῶν (bep lidw gen mann mv van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de) ἀνθρώπων οἱ (bep lidw nom mann mv , ho , hè , to ; Ned.: de /het) διαλογισμοὶ οἱ (bep lidw nom mann mv , ho , hè , to ; Ned.: de /het) κακοὶ ἐκπορεύονται (ekporeuontai: zij begeven zich op weg naar buiten); wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen), πορνεῖαι, κλοπαί, φόνοι,

Mc 7,22 μοιχεῖαι, πλεονεξίαι, πονηρίαι, δόλος, ἀσέλγεια, ὀφθαλμὸς πονηρός, βλασφημία, ὑπερηφανία, ἀφροσύνη:
Vertaling: echtbreuk, hebzucht, slechtheid, bedrog, losbandigheid, een kwaad oog, godslastering, hoovaardigheid, dwaasheid.
22 μοιχεῖαι = moichetai: echtbreuken;), πλεονεξίαι (= pleoneksia: hebzucht;), πονηρίαι (= ponèrai: kwaadaarigheid;), δόλος (dwaling, bedrog) , ἀσέλγεια (losbandigheid), ὀφθαλμὸς πονηρός (het kwaad oog), βλασφημία (godslastering), ὑπερηφανία (hoovaardigheid), ἀφροσύνη (dwaasheid)

Mc 7,23 πάντα ταῦτα τὰ πονηρὰ ἔσωθεν ἐκπορεύεται καὶ κοινοῖ τὸν ἄνθρωπον.
Vertaling: al dat slechte komt vanuit vanbinnen naar buiten en het verontreidingt de mens.
23 πάντα ταῦτα τὰ πονηρὰ ἔσωθεν ἐκπορεύεται (ekporeuetai: het begeeft zich op weg naar buiten); wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw εισπορευομαι = eisporeuomai: zich op weg begeven naar binnen; voorzetsel εισ = eis: naar + πορ-ευομαι = por-euomai. p of ph = f -> v + r . Zn πορος = poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus : haven. Mnd. voort , ofries forda, oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) κοινοῖ (= koinoi; het verontreinigt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw κοινοω = koinoô: gemeenschappelijk maken, ontheiligen,, verontreinigen) τὸν ἄνθρωπον.


Mc 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

Mc 7,24 Ἐκεῖθεν δὲ ἀναστὰς ἀπῆλθεν εἰς τὰ ὅρια Τύρου. καὶ εἰσελθὼν εἰς οἰκίαν οὐδένα ἤθελεν γνῶναι, καὶ οὐκ ἠδυνήθη λαθεῖν
Vertaling: Vandaar echter opgestaan ging weg naar het gebied van Tyrus. En binnengegaan in een huis wilde hij niemand kennen, maar hij kon zich niet verbergen
Mc 7,24 Ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion: gebied) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turus: Tyrus) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) γνῶναι (gnômai: om te kennen; wkw act inf aor van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠδυνήθη (= èdunathè: hij kon; med/pass ind aor 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) λαθεῖν (= lathein: om zich te verbergen; wkw act inf aor van het wkw λα-ν-θ-αν-ω = la-n-th-an-ô: verbergen, zich verbergen; stam: lath-)

Mc 7,25 ἀλλ' εὐθὺς ἀκούσασα γυνὴ περὶ αὐτοῦ, ἧς εἶχεν τὸ θυγάτριον αὐτῆς πνεῦμα ἀκάθαρτον, ἐλθοῦσα προσέπεσεν πρὸς τοὺς πόδας αὐτοῦ:
Vertaling: maar/want onmiddellijk 'hoorde' een vrouw over hem. Haar dochtertje had een onreine geest. Zij kwam en viel bij zijn voeten.
Mc 7,25 ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos), ἧς (= hès: wat; betrekk vnw gen vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θυγάτριον (= thugatrion: dochtertje; zn nom onz enk; het is onzijdig en een verkleinwoord van θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen), ἐλθοῦσα (= elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van richting; bij personen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos):

Mc 7,26 ἡ δὲ γυνὴ ἦν Ἑλληνίς, Συροφοινίκισσα τῷ γένει: καὶ ἠρώτα αὐτὸν ἵνα τὸ δαιμόνιον ἐκβάλῃ ἐκ τῆς θυγατρὸς αὐτῆς.
Vertaling: Maar de vrouw was een Griekse , van Syro-Fenicische afkomst . Ze bleef hem vragen dat hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen.
Mc 7,26 (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) Ἑλληνίς (= Hellènis: Helleense, nom vr enk; het was een Griekse) Συροφοινίκισσα (= surofoinikissa: Syro-Fenicische; nom vr enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γένει (= genei: afkomst; zn dat onz enk van het zn γενος = genos, genous: geslacht, afkomst; stam: gen-) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἠρώτα (= èrôta: zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend vw van doel: opdat) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐκβάλῃ (= ekbalè(i): hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô : uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)

Mc 7,27 καὶ ἔλεγεν αὐτῇ, Ἄφες πρῶτον χορτασθῆναι τὰ τέκνα, οὐ γάρ ἐστιν καλὸν λαβεῖν τὸν ἄρτον τῶν τέκνων καὶ τοῖς κυναρίοις βαλεῖν.
Vertaling: En hij zei haar : sta me toe dat eerst de kinderen worden verzadigd ; het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het naar de hondjes te werpen.
Mc 7,27 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἄφες (= afes: sta toe; wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) πρῶτον (= prôton: ten eerste; bw) χορτασθῆναι (= chortasthènai: om verzadigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: verzadigen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr.: car) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse) καλὸν (= kalon: goed; bv nw nom en acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνων (= teknôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κυναρίοις (= kunariois: aan de hondjes; zn dat onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) βαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).

Mc 7,28 ἡ δὲ ἀπεκρίθη καὶ λέγει αὐτῷ, Κύριε, καὶ τὰ κυνάρια ὑποκάτω τῆς τραπέζης ἐσθίουσιν ἀπὸ τῶν ψιχίων τῶν παιδίων.
Vertaling: Maar zij antwoordde en zegt hem : Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.
Mc 7,28 (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Κύριε (= kurie: Heer; zn voc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κυνάρια (= kunaria: hondjes; zn nom en acc onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) ὑποκάτω (= hupokatô: onder; vz + gen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) τραπέζης (= trapezès: van de tafel; zn gen vr enk van het zn τραπέζη = trapezè: tafel) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ψιχίων (= psichiôn: van de kruimels; zn gen onz mv van het zn ψιχίον = psichion: kruimel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind).

Mc 7,29 καὶ εἶπεν αὐτῇ, Διὰ τοῦτον τὸν λόγον ὕπαγε, ἐξελήλυθεν ἐκ τῆς θυγατρός σου τὸ δαιμόνιον.
Vertaling: en hij zei haar : omwille van dat woord ga , uit jouw dochter is de demon uitgegaan.
Mc 7,29 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc) τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen), ἐξελήλυθεν (= ekselèluthen: hij is uitgegaan; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) θυγατρός (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).

Mc 7,30 καὶ ἀπελθοῦσα εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς εὗρεν τὸ παιδίον βεβλημένον ἐπὶ τὴν κλίνην καὶ τὸ δαιμόνιον ἐξεληλυθός.
Vertaling: en zij ging weg naar haar huis. Zij vond het kind, gevallen op het bed en de demon die was uitgegaan.
Mc 7,30 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπελθοῦσα (= apelthousa: weggegaan; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ap-erch-omai : weg-gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὗρεν (= heuren: zij vond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίον (= paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind; zn acc onz enk) βεβλημένον (= beblèmenon: gevallen, geworpen; wkw med part perf acc onz enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) ἐπὶ = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en εφ' = ef' (vóór een aangeblazen klinker); vr van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κλίνην (= klinèn: ligbed; zn acc vr enk van het zn κλίνη = klinè: ligbed; zie wkw κλινω = klinô: doen leunen, neerleggen, neigen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐξεληλυθός (= ekselèluthos: uitgegaan; wkw act part perf acc onz enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai : uit-gaan ; stam : elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).


Mc 7,31-37: genezing van een doofstomme

Mc 7,31 Καὶ πάλιν ἐξελθὼν ἐκ τῶν ὁρίων Τύρου ἦλθεν διὰ Σιδῶνος εἰς τὴν θάλασσαν τῆς Γαλιλαίας ἀνὰ μέσον τῶν ὁρίων Δεκαπόλεως.
Vertaling: En opnieuw uitgegaan uit het gebied van Tyrus en Sidon naar de zee van Galilea te midden van het gebied van Dekapolis.
Mc 7,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turos: Tyrus) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) Σιδῶνος (= sidônos: door Sidon; zn eigennaam gen vr enk van het zn Σιδων = sidôn: Sidon) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zmeer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) ἀνὰ (= ana: langs; vz met acc: langs, omhoog op, volgens, overeenkomstig) μέσον (= meson: zich in het miodden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Δεκαπόλεως (= dekapoleôs: van Dekapolis; zn eigennaam gen vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad).

Mc 7,32 καὶ φέρουσιν αὐτῷ κωφὸν καὶ μογιλάλον, καὶ παρακαλοῦσιν αὐτὸν ἵνα ἐπιθῇ αὐτῷ τὴν χεῖρα.
Vertaling: en zij dragen naar hem een dove en slechtsprekende en zij roepen hem ter hulp opdat hij hem de hand zou opleggen.
Mc 7,32 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) μογιλάλον (= mogilalon: slechtsprekende; bv nw zelfstandig gebruikt van het bv nw μογιλαλος = mogilalos: slechtsprekend; μογις = mogis, met moeite, ternauwernood; bw), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἐπιθῇ (= epithè: hij zou opleggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen; stam θη = thè) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen).

Mc 7,33 καὶ ἀπολαβόμενος αὐτὸν ἀπὸ τοῦ ὄχλου κατ' ἰδίαν ἔβαλεν τοὺς δακτύλους αὐτοῦ εἰς τὰ ὦτα αὐτοῦ καὶ πτύσας ἥψατο τῆς γλώσσης αὐτοῦ,
Vertaling: en hem weggenomen weg van de massa afzonderlijk stak hij zijn vingers in zijn oren en gespuwd raakte hij zijn tong aan.
Mc 7,33 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπολαβόμενος (= apolabomenos: weggenomen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω = apolambanô: afnemen, wegnemen, afzonderen; stam: λαβ = lab) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de, bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δακτύλους (= daktulous: vingers; zn acc mann mv van het zn δακτυλος = daktulos: vinger; Lat: ta-n-gere, tetigi ,tactum: aanraken; Fr: doigt; stam: t/d - g/c -> dig-itus) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) πτύσας (= ptusas: gespuwd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτυω = ptuô: spuwen) ἥψατο (hij raakte aan; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: happen, raken, aanraken) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),

Mc 7,34 καὶ ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν ἐστέναξεν, καὶ λέγει αὐτῷ, Εφφαθα, ὅ ἐστιν, Διανοίχθητι.
Vertaling: En omhoog geblikt naar de hemel zuchtte hij, en hij zegt hem: effatha, dit is, ga open.
Mc 7,34 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) ἐστέναξεν (= estenaksen: hij zuchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw στεναζω = stenazô: zuchten, bejammeren), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Εφφαθα (= effatha: word open; Heb.: patach: openen), (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse), Διανοίχθητι (= diavoichthèti: word geopend; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw διανοιγω = dianoigô: openen; zie het wkw οιγω = oigô en οιγνυμι = oig-nu-mi: openen).

Mc 7,35 καὶ [εὐθέως] ἠνοίγησαν αὐτοῦ αἱ ἀκοαί, καὶ ἐλύθη ὁ δεσμὸς τῆς γλώσσης αὐτοῦ, καὶ ἐλάλει ὀρθῶς.
Vertaling: En onmiddellijk ging zijn gehoor open en de band van zijn tong werd losgemaakt en hij sprak normaal.
Mc 7,35 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) [εὐθέως] (= eutheôs: onmiddellijk; bijwoord van het bv nw ευθυς = euthus. Tijd: onmiddellijk, dadelijk , terstond; plaats: rechtstreeks direct, zonder omwegen; zie ευθυνω = euthunô: recht maken, richten) ἠνοίγησαν (= ènoigèsan: zij openden; wkw act ind aor 3de pers mv van het ανοιγνυμι = = anoignumi: openen, een grendel wegschuiven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) αἱ (= hai: de; bep lidw nom vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀκοαί (= akoai: gehoren, gehoor; zn nom vr mv van het zn ακοη = akoè: gerucht, gehoor, overlevering; zie het wkw ακουω = akouô: horen), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐλύθη (= eluthè: hij werd losgemaakt; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δεσμὸς (= desmos: band; zn nom mann enk; zie het wkw δεω = deô: binden, boeien, ketenen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten) ὀρθῶς (= orthôs: recht, juist, normaal; bw van het bv nw ορθος = orthos: recht, juist, normaal).

Mc 7,36 καὶ διεστείλατο αὐτοῖς ἵνα μηδενὶ λέγωσιν: ὅσον δὲ αὐτοῖς διεστέλλετο, αὐτοὶ μᾶλλον περισσότερον ἐκήρυσσον.
Vertaling: En hij beval hen opdat zij het aan niemand zouden zeggen; maar hoe zoeer als hij hen bleef gebieden, des te meer bovenmatiger verkondigen zij.
Mc 7,36 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) διεστείλατο (= diesteilato: hij beval; wkw med aor 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat; onderschikkend voegwoord van doel) μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) λέγωσιν (= legôsin: zij zouden zeggen; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep): ὅσον (= hoson: zo groot als; onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) διεστέλλετο (= diestellato: hij bleef bevelen; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen), αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) μᾶλλον (= mallon: meer) περισσότερον (= perissoteron: bovenmatiger; bv comparatief acc onz enk van het bv nw περισσος = perissos: over-matig, bovenmatig) ἐκήρυσσον (= ekèrusson: zij bleven verkondigen; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw κηρυσσω = kèrussô: verkondigen).

Mc 7,37 καὶ ὑπερπερισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες, Καλῶς πάντα πεποίηκεν: καὶ τοὺς κωφοὺς ποιεῖ ἀκούειν καὶ [τοὺς] ἀλάλους λαλεῖν.
Vertaling: En zij liepen overmatig over met de woorden: Hij heeft alles goed gedaan en de doven deed hij horen en de stommen spreken.
Mc 7,37 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὑπερπερισσῶς (= huperperrisôs: overmatig; bw van het bv nw ὑπερπερισσος = huperperissos: over-matig, bovenmatig) ἐξεπλήσσοντο (= ekseplèssonto: zij bleven vervuld; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw εκπλησσομαιι = ekplèssomai: vervuld zijn van, buiten zichzelf raken van angst, verbazing, vreugde, bewondering) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Καλῶς (= kalôs: goed; bw van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) πεποίηκεν (= pepoièken: hij heeft gemaakt; wkw act ind perf 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen): καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κωφοὺς (= kôfous: doven; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw κωφος = kôfos: doof) ποιεῖ (= poiei: hij doet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen) ἀκούειν (= akouein: te luisteren; wkw act inf praes van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) [τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)] ἀλάλους (= alalous: niet sprekenden, stommen; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann mv van het bv nw ἀλάλος: niet sprekend, stom) λαλεῖν (= lalein: om te spreken; wkw act inf aor van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten).

Marcus 8

Mc 8,1 Ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις πάλιν πολλοῦ ὄχλου ὄντος καὶ μὴ ἐχόντων τί φάγωσιν, προσκαλεσάμενος τοὺς μαθητὰς λέγει αὐτοῖς,
Vertaling: In die dagen was er opnieuw een grote menigte en zij hadden niets te eten. Hij riep de leerlingen bij zich en zgt hen:
Mc 8,1. Ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐκείναις (= ekeinais: 'in' die; anwijz vnw dat vr mv van het aanwijz vnw ἐκείνος = ekeinos: die) ταῖς (= tais: aan de; bep lidw dat vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἡμέραις (= hèmerais: dagen; zn dat vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) πολλοῦ (= pollou: van veel; bv nw gen mann en onz enk van het bv nw = polus: veel; stam: p/v - l) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ὄντος (= ontos: terwijl er is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐχόντων (= echontôn: van zij die hebben; wkw act part praes gen mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102), προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij),

Mc 8,2 Σπλαγχνίζομαι ἐπὶ τὸν ὄχλον ὅτι ἤδη ἡμέραι τρεῖς προσμένουσίν μοι καὶ οὐκ ἔχουσιν τί φάγωσιν:
Vertaling: Ik heb medelijden met de menigte omdat zij reeds drie dagen bij mij verblijven en niets hebben wat zij zouden eten.
Mc 8,2. Σπλαγχνίζομαι (= splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben; wkw med ind praes 1ste pers enk: ik onferm mij over) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἤδη (= èdè: reeds, al; bw) ἡμέραι (= hèmerai: dagen; zn nom vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) προσμένουσίν (= prosmenousin: zij blijven bij; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw προσμένω = prosmenô: blijven bij, verblijven) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) φάγωσιν (= fagôsin: zij zouden eten; wkw act conjunct aor 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102):

Mc 8,3 καὶ ἐὰν ἀπολύσω αὐτοὺς νήστεις εἰς οἶκον αὐτῶν, ἐκλυθήσονται ἐν τῇ ὁδῷ: καί τινες αὐτῶν ἀπὸ μακρόθεν ἥκασιν.
Vertaling: En indien ik hen hongerig naar hun huis laat gaan, zullen zij onderweg vermoeid worden; en sommigen van hen zijn van ver gekomen.
Mc 8,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien, als) ἀπολύσω (= apolusô: ik zal ontbinden; wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw ἀπολύω: vrijlaten, loslaten, ontbinden) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) νήστεις (= nèsteis: hongerig; bv nw acc mann mv van het bv nw νήστεις = nèstis: nuchter, hongerig, vastend) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikon: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), ἐκλυθήσονται (= ekluthèsontai: zij zullen vermoeid worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εκλυω = ekluô: losmaken, verlossen, vermoeien, verzwakken) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) καί (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann of onz mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) μακρόθεν (= makrothen: van verre, in de verte; bw) ἥκασιν (= èkasin: zij zijn gekomen; wkw act ind perf 3de pers mv van het wkw èkô: gekomen zijn).

Mc 8,4 καὶ ἀπεκρίθησαν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ὅτι Πόθεν τούτους δυνήσεταί τις ὧδε χορτάσαι ἄρτων ἐπ' ἐρημίας;
Vertaling: En zijn leerlingen antwoordden hem dat: vanwaar zal iemand dezen kunnen voeden met brood hier in de woestijnij.
Mc 8,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπεκρίθησαν (= apekrithèsan: zij antwoordden; wkw med aor 3de pers mv van het wkw αποκρινομαι = apokrinomai: antwoorden) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Πόθεν (= pothen: vanwaar; onbep vrag vnw) τούτους (= toutous: deze); aanwijz vnw acc mann mv van het aanwijz vnw = houtos: deze) δυνήσεταί (= dunèsetai: hij zal kunnen; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) χορτάσαι (= chortasai: te verzadigen); wkw act inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen) ἄρτων (= artôn: van broden; zn gen mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) ἐπ' (= ep': op, bij; vz; afkorting vóór een niet-aangeblazen klinker van het vz επι = epi: op, bij) ἐρημίας (= erèmias: van de woestenij, van de eenzame streek; zn gen vr enk van het zn ἐρημία = erèmia: woestenij, eenzame streek);

Mc 8,5 καὶ ἠρώτα αὐτούς, Πόσους ἔχετε ἄρτους; οἱ δὲ εἶπαν, Ἑπτά.
Vertaling: En hij vroeg hen: Hoeveel broden hebben jullie. Maar ze zeiden: zeven.
Mc 8,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἠρώτα (= èrôta: hij/zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d); οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Ἑπτά (= hepta: zeven; hoofdtelw)

Mc 8,6 καὶ παραγγέλλει τῷ ὄχλῳ ἀναπεσεῖν ἐπὶ τῆς γῆς: καὶ λαβὼν τοὺς ἑπτὰ ἄρτους εὐχαριστήσας ἔκλασεν καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ ἵνα παρατιθῶσιν καὶ παρέθηκαν τῷ ὄχλῳ.
Vertaling: En hij beval de menigte op de grond te gaan zitten en hij nam de zeven broden, dankte en brak ze en gaf ze aan zijn leerlingen om ze voor te zetten en ze zetten ze aan de menigte voor.
Mc 8,6 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παραγγέλλει (= paraggellei: afkondigen, bevelen; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραγγέλλω: afkondigen, bevelen; zie zn αγγελος = aggelos: engel) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἀναπεσεῖν (= anapesein: aan te liggen; wkw inf aor van het wkw αναπιπτω = anapiptô: aanliggen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γῆς: (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λαβὼν (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) εὐχαριστήσας (= eucharistèsas: gedankt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευχαριστεω = eucharisteô: danken) ἔκλασεν (= eklasen: hij brak; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐδίδου (= edidou: hij gaf; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) παρατιθῶσιν (= paratithôsin: zij zouden voorzetten; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παρέθηκαν (= parethèkan: zij zetten voor; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὄχλῳ (= ochlô: menigte, massa; zn dat mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte).

Mc 8,7 καὶ εἶχον ἰχθύδια ὀλίγα: καὶ εὐλογήσας αὐτὰ εἶπεν καὶ ταῦτα παρατιθέναι.
Vertaling: En zij hadden een weinig visjes en hij zegende ze en zei om deze ook voor te zetten.
Mc 8,7 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἰχθύδια (= ichthudia: visjes; zn verkleinwoord nom en acc onz mv van het zn ιχθυδιον = ichthudion: visje) ὀλίγα (= oliga: weinig; bv nw nom en acc onz mv van het bv nw ὀλίγος = oligos: weinig): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐλογήσας (= eulogèsas: gezegend; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ευλογεω = eulogeô: zegenen, goed spreken, loven, prijzen) αὐτὰ (= auta: hen; pers vnw nom en acc onz mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ταῦτα (= tauta: deze dingen; aanwijz vnw nom of acc onz mv van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) παρατιθέναι (= paratithenai: om voor te zetten; wkw act inf praes van het wkw παρατιθημι = voorzetten, bijzetten)

Mc 8,8 καὶ ἔφαγον καὶ ἐχορτάσθησαν, καὶ ἦραν περισσεύματα κλασμάτων ἑπτὰ σπυρίδας.
Vertaling: En zij aten en zij werden verzadigd en zij namen de overschotten van brokken, zeven manden.
Mc 8,8 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔφαγον (= efagon: zij aten; wkw act ind aor 1ste pers enk en 3de pers mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐχορτάσθησαν (= echorasthèsan: zij werden verzadigd; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw χορταζω = chortazô: vet mesten, voeden, verzadigen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦραν (= èran: zij namen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen) περισσεύματα (= perisseumata: overschotten; zn nom en acc onz mv van het zn περισσεύμα: overschot, overvloed) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) ἑπτὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σπυρίδας (= spuridas: korven; zn acc vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf).

Mc 8,9 ἦσαν δὲ ὡς τετρακισχίλιοι. καὶ ἀπέλυσεν αὐτούς.
Vertaling: Maar zij waren met ongeveer vierduizend en hij ontbond hen.
Mc 8,9 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) τετρακισχίλιοι (= tetrakischilioi: vierduizend; rangtelw bv nw nom mann mv). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπέλυσεν (= apelusen: hij ontbond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw απολυω = apoluô: losmaken, ontbinden) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 8,10 Καὶ εὐθὺς ἐμβὰς εἰς τὸ πλοῖον μετὰ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ ἦλθεν εἰς τὰ μέρη Δαλμανουθά.
Vertaling: En onmiddellijk stapte hij in de boot met zijn leerlingen en hij ging naar de delen van Dalmanoutha.
Mc 8,10 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bw) ἐμβὰς (= embas: ingestapt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πλοῖον (= ploion: boot; zn acc onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw πλεω = pleô: varen; πλοιον = ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μέρη (= merè: delen; zn acc onz mv van het zn μερος = meros: deel) Δαλμανουθά (= dalmanoutha: Dalmanoutha; zn eigennaam) .

Mc 8,11 Καὶ ἐξῆλθον οἱ Φαρισαῖοι καὶ ἤρξαντο συζητεῖν αὐτῷ, ζητοῦντες παρ' αὐτοῦ σημεῖον ἀπὸ τοῦ οὐρανοῦ, πειράζοντες αὐτόν.
Vertaling: En de Farizeeën trokken erop uit en zij begonnen met hem te redetwisten en zij zochten van hem een teken uit de hemel en zij stelden hem op de proef.
Mc 8,11 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξῆλθον (= exèlthon: zij gingen uit; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Φαρισαῖοι (= Farisaioi: Farizeeën; zn nom mann mv van het zn φαρισαιος = farisaios: Farizeeër; Griekse uitgang -aios: zn naar bv nw zelfstandig gebruikt: afgescheidene; Hebr: mv përusjim van het ww pârasj: onderscheiden, 'apart' zetten) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἤρξαντο (= èrxanto: zij begonnen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen, aanvangen, heersen) συζητεῖν (= sudzètein: te twisten; wkw act inf praes van het wkw συζητεω = sudzèteô: samen onderzoeken, disputeren, twisten) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ζητοῦντες (= dzètountes: zoekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken) παρ' (= par' afkorting van παρα = para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' . vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af' vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) οὐρανοῦ (= ouranou: van hemel; zn gen mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel), πειράζοντες (= peiradzontes: op de proef stellende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πειραζω: proeven, beproeven, op de proef stellen) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 8,12 καὶ ἀναστενάξας τῷ πνεύματι αὐτοῦ λέγει, Τί ἡ γενεὰ αὕτη ζητεῖ σημεῖον; ἀμὴν λέγω ὑμῖν, εἰ δοθήσεται τῇ γενεᾷ ταύτῃ σημεῖον.
Vertaling: Met een diepe zucht zegt hij: ‘Waarom eist deze generatie een teken? Voorwaar ik zeg jullie: Of er aan deze generatie een teken zal gegeven worden?
Mc 8,12 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναστενάξας (= anastenaksas: hij jammerde; wkw act part praes nom mann enk van het wkw ἀναστεναζω = stenadzô: jammeren, bejammeren) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πνεύματι (= pneumati; zn dat onz enk van het zn πνευμα = pneuma: geest, adem, wind) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γενεὰ (= genea: afstamming, geslacht, stam; zn nom vr enk) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) ζητεῖ (= dzètei: hij zoekt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk); ἀμὴν (= amèn: amen, voorwaar, het zij zo) λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis: jullie), εἰ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) δοθήσεται (= dothèsetai: er zal gegeven worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) γενεᾷ (= genea: generatie; zn dat vr enk van het zn γενεὰ = genea: afstamming, geslacht, stam, generatie) ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) σημεῖον (= sèmeion. teken, zn acc onz enk).

Mc 8,13 καὶ ἀφεὶς αὐτοὺς πάλιν ἐμβὰς ἀπῆλθεν εἰς τὸ πέραν.
Vertaling: En hij liet hen achter en klom opnieuw in de boot en hij ging naar de overkant.
Mc 8,13 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐμβὰς (= embas: ingestapt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εμβαινω = embainô: inklimmen, beklimmen, klimmen in) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πέραν (= peran: overzijde, overkant; zn acc onz enk).

Mc 8,14 Καὶ ἐπελάθοντο λαβεῖν ἄρτους, καὶ εἰ μὴ ἕνα ἄρτον οὐκ εἶχον μεθ' ἑαυτῶν ἐν τῷ πλοίῳ.
Vertaling: Zij vergaten broden mee te nemen en zij hadden slechts één brood bij zich in de boot.
Mc 8,14 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπελάθοντο (= epelathonto: zij vergaten; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw επιλανθανω = epilanthanô: vergeten, nalaten, zich niet bekommeren om) λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἰ (= ei: indien; ondergeschikt vgw van voorwaarde: indien, als, in geval) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἕνα (= hena: één; hoofdtelw bv nw acc mann enk van het hoofdtelw bv nw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) εἶχον (= eichon: zij hadden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μεθ' (= meth', afkorting van μετα = meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' ) ἑαυτῶν (= heautôn: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot).

Mc 8,15 καὶ διεστέλλετο αὐτοῖς λέγων, Ὁρᾶτε, βλέπετε ἀπὸ τῆς ζύμης τῶν Φαρισαίων καὶ τῆς ζύμης Ἡρῴδου.
Vertaling: Hij waarschuwde hen: ‘Kijkt goed uit voor het zuurdeeg van de Farizeeën en voor dat van Herodes.’
Mc 8,15 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διεστέλλετο (= diestelleto: hij zette uiteen; wkw med ind imperf 3de pers enk van het wkw διαστελλω = diastellô: uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Ὁρᾶτε (= horate: ziet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: zien), βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ζύμης (= dzumès: van de zuurdesem; zn gen vr enk van het zn ζύμη: zuurdesem, gist) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Φαρισαίων (= farisaiôn: van de Farizeeën; zn gen mann mv van het zn φαρισαιοι = farisaioi: Farizeeën) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ζύμης (= dzumès: van de zuurdesem; zn gen vr enk van het zn ζύμη: zuurdesem, gist) Ἡρῴδου (= hèrô(i)dou: van Herodes; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam ἡρῳδης = hèrô(i)dès: Herodes).

Mc 8,16 καὶ διελογίζοντο πρὸς ἀλλήλους ὅτι Ἄρτους οὐκ ἔχουσιν.
Vertaling: En zij discussieerden met elkaar omdat zij geen broden hadden.
Mc 8,16 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διελογίζοντο (= dielogidzonto: zij discussieerden; wkw med ind imperf 3de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἀλλήλους (= allèlous: anderen; onbep vnw acc mann mv van het onbep vnw αλληλοι = allèloi: elkander, elkaar) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχουσιν (= echousin: zij hebben; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten).

Mc 8,17 καὶ γνοὺς λέγει αὐτοῖς, Τί διαλογίζεσθε ὅτι ἄρτους οὐκ ἔχετε; οὔπω νοεῖτε οὐδὲ συνίετε; πεπωρωμένην ἔχετε τὴν καρδίαν ὑμῶν;
Vertaling: Jezus heeft er weet van en zegt: ‘ begrijpen jullie het nog niet en vatten jullie het niet? Hebben jullie een hart van steen?
Mc 8,17 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) γνοὺς (= gnous: wetende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) διαλογίζεσθε (= dialogidzesthe: jullie discussiëren; wkw med ind praes 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten); οὔπω (= oupô: nog niet; bw) νοεῖτε (= noeite: jullie weten; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw νοεω = noeô: weten) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') συνίετε (= suniete: jullie begrijpen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen); πεπωρωμένην (= pepôrômenèn: verhard; wkw pass part perf acc vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned: poreus) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho:, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδίαν (= kardian: hart; zn acc vr enk van het zn καρδια = hart; Lat.: cor, cordis) ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie);

Mc 8,18 ὀφθαλμοὺς ἔχοντες οὐ βλέπετε καὶ ὦτα ἔχοντες οὐκ ἀκούετε; καὶ οὐ μνημονεύετε,
Vertaling: Jullie hebben ogen en jullie zien niet; jullie hebben oren en jullie horen niet. Herinneren jullie je het niet:
Mc 8,18 ὀφθαλμοὺς (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) ἔχοντες (= echontes: hebbende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀκούετε (= akouete: jullie horen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μνημονεύετε (= mnèmoneuete: jullie herinneren zich; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw μνημονευω = mnèmoneuô: zich herinneren, in herinnering brengen),

Mc 8,19 ὅτε τοὺς πέντε ἄρτους ἔκλασα εἰς τοὺς πεντακισχιλίους, πόσους κοφίνους κλασμάτων πλήρεις ἤρατε; λέγουσιν αὐτῷ, Δώδεκα.
Vertaling: Ik brak vijf broden voor vijfduizend mensen. Hoeveel korven vol met gebroken brood hebben jullie geraapt?’ Ze antwoorden hem: ‘twaalf.’
Mc 8,19 ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πέντε (= pente: vijf, 5; hoofdtelw) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) ἔκλασα (= eklasa: ik brak; wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw κλαω = klaô: breken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πεντακισχιλίους (= pentakischilious: vijfduizend; bv nw hoofdtelw acc mann mv van het bv nw hoofdtelw πεντακισχιλίοι = pentakischilioi: vijfduizend), πόσους (= posous: hoeveel; onbep vrag vnw acc mann mv van het onep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) κοφίνους (= kofinous: manden; zn acc mann mv van het zn κοφινος: draag-mand, korf) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) πλήρεις (= plèreis: vol; bv nw acc mann mv van het bv nw πληρης = plèrès: vol; stam: p/v -l) ἤρατε (= èrate: jullie namen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen); λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Δώδεκα (= dôdeka: twaalf; hoofdtelw).

Mc 8,20 Οτε τοὺς ἑπτὰ εἰς τοὺς τετρακισχιλίους, πόσων σπυρίδων πληρώματα κλασμάτων ἤρατε; καὶ λέγουσιν [αὐτῷ], Ἑπτά.
Vertaling: Ik brak zeven broden voor vierduizend mensen. Hoeveel manden vol brokken hebben jullie geraapt?’ Ze antwoorden hem: ‘zeven.’
Mc 8,20 Οτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἑπτὰ (= hepta: zeven; hoofdtelw) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) τετρακισχιλίους (= tetrakischilious: vierduizend; bv nw hoofdetelw acc mann mv van het bv nw hoofdtelw τετρακισχιλίοι = tetrakischilioi: vierduizend), πόσων (= posôn: hoeveel; onbep vrag vnw gen mann mv van het onbep vrag vnw ποσοι = posoi: hoeveel) σπυρίδων (= spuridôn: van de korven; zn nw gen vr mv van het zn σπυρις - σπυριδος = spuris - spuridos: gevlochten mand, korf) πληρώματα (= plèrômata: volheden; zn acc onz mv van het zn πληρώμα = plèrôma: volheid, lading, volledig aantal) κλασμάτων (= klasmatôn: van brokken; zn nom en acc onz mv van get zn κλασμα: het gebrokene, brok) ἤρατε (= èrate: jullie namen; wkw act ind aor 2de pers mv van het wkw αιρω = airô: nemen); καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) [αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)], Ἑπτά (= hepta: zeven; hoofdtelw).

Mc 8,21 καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Οὔπω συνίετε;
Vertaling: Nu zegt hij hen: ‘begrijpen jullie het nog niet?’
Mc 8,21 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) , Οὔπω (= oupô: nog niet; bw) συνίετε (= suniete: jullie begrijpen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen);

Mc 8,22 Καὶ ἔρχονται εἰς Βηθσαϊδάν. καὶ φέρουσιν αὐτῷ τυφλὸν καὶ παρακαλοῦσιν αὐτὸν ἵνα αὐτοῦ ἅψηται.
Vertaling: En zij gaan naar Betsaïda. En zij brengen hem een blinde en zij roepen hem om hulp opdat hij hem zou aanraken.
Mc 8,22 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθσαϊδάν (= bèthsaïdan: Betsaïda; zn eigennaam acc vr enk van het zn βηθσαιδα = bèthsaïda: Betsaïda). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τυφλὸν (= tuflon: blinde; zn acc mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἅψηται (= hapsètai: hij zou aanraken; act conjunc aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: vastgrijpen, aanraken).

Mc 8,23 καὶ ἐπιλαβόμενος τῆς χειρὸς τοῦ τυφλοῦ ἐξήνεγκεν αὐτὸν ἔξω τῆς κώμης, καὶ πτύσας εἰς τὰ ὄμματα αὐτοῦ, ἐπιθεὶς τὰς χεῖρας αὐτῷ, ἐπηρώτα αὐτόν, Εἴ τι βλέπεις;
Vertaling: En hij nam de hand van de blindeen hij leidde hem buiten het dorp en hij spuwde op zijn ogen en hij legde hem de handen op en hij vroeg hem of jij iets ziet?
Mc 8,23 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπιλαβόμενος (= epilabomenos: bij zich genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw ἐπιλαμβανω = epilambanô: bij zich nemen, grijpen, aanvallen) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) χειρὸς (= cheiros: van de hand; zn gen mann enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τυφλοῦ (= tuflou: van de blinde; bv nw zelfstandig gebruikt gen mann enk van het bv nw τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) ἐξήνεγκεν (= eksènegken: hij bracht buiten; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εκφερω = ekferô: buitenbrengen) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἔξω (= exô: buiten; bw) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κώμης (= kômès: van het dorp; zn gen vr enk van het zn κώμη = kômè: dorp), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πτύσας (= ptusas: nadat hij spuwde); wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτύω = ptuô: spuwen, uitspuwen, verachten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄμματα (= ommata: ogen; zn acc onz mv van het zn ὄμμα = omma: oog, blik, gezicht) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἐπιθεὶς (= epitheis: nadat hij oplegde; wkw act part aor van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Εἴ (= ei: indien, of; voegwoord van voorwaarde) τι (= iets onbep vnw acc onz enk van het onbep vnw τις = tis: iemand, τι = ti: iets) βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien);

Mc 8,24 καὶ ἀναβλέψας ἔλεγεν, Βλέπω τοὺς ἀνθρώπους, ὅτι ὡς δένδρα ὁρῶ περιπατοῦντας.
Vertaling: En nadat hij omhoog had gekeken, zei hij: "ik zie de mensen, omdat ik ze zie rondwandelen als bomen".
Mc 8,24 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Βλέπω (= blepô: ik zie; wkw act ind praes 1ste pers enk; kijken, zien) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀνθρώπους (= anthrôpous: mensen; zn acc mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) δένδρα (= dendra: bomen; zn acc onz mv van het zn δένδρον = dendron: boom) ὁρῶ (= horô: ik zie; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ὁραω = horaô: zien) περιπατοῦντας (= peripatountas: rondwandelende; wkw act part praes acc mann mv van het wkw περιπατεω = peripateô: rondwandelen).

Mc 8,25 εἶτα πάλιν ἐπέθηκεν τὰς χεῖρας ἐπὶ τοὺς ὀφθαλμοὺς αὐτοῦ, καὶ διέβλεψεν, καὶ ἀπεκατέστη, καὶ ἐνέβλεπεν τηλαυγῶς ἅπαντα.
Vertaling: Vervolgens legde hij opnieuw de handen op zijn ogen, en hij keek en hij herstelde en hij zag alles duidelijk.
Mc 8,25 εἶτα (= eita: daarop, vervolgens; bw) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐπέθηκεν (= epethèken: hij legde op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρας (= cheiras: handen; zn acc vr mv van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀφθαλμοὺς (= ofthalmous: ogen; zn acc mann mv van het zn οφθαλμος = ofthalmos: oog) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) διέβλεψεν (= dieblepsen: hij zag duidelijk; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw διαβλεπω = diablepô: scherp toezien, strak voor zich uitkijken, duidelijk zien), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπεκατέστη (= apekatestè: hij genas; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw αποκαθιστημι = apokathistèmi: herstellen, in een vroegere toestand brengen, genezen), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐνέβλεπεν (= eneblepen: en hij lette op; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εμβλεπω = embleô: kijken, letten op) τηλαυγῶς (= tèlaugôs: van verre te zien, duidelijk) ἅπαντα (= hapanta: alles); onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw ἁπας = hapas: ieder, allen, alles).

Mc 8,26 καὶ ἀπέστειλεν αὐτὸν εἰς οἶκον αὐτοῦ λέγων, Μηδὲ εἰς τὴν κώμην εἰσέλθῃς.
Vertaling: En hij zond hem naar zijn huis en zei: ga niet naar het dorp.
Mc 8,26 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπέστειλεν (= apesteilan: zij zonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Μηδὲ (= mède: en niet, ook niet, zelfs niet; partikel) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κώμην (= kômèn: dorp; zn acc vr enk van het zn κώμη = kômè: dorp) εἰσέλθῃς (= eiselthès: jij zoudt binnengaan; wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg).

Mc 8,27 Καὶ ἐξῆλθεν ὁ Ἰησοῦς καὶ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ εἰς τὰς κώμας Καισαρείας τῆς Φιλίππου: καὶ ἐν τῇ ὁδῷ ἐπηρώτα τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ λέγων αὐτοῖς, Τίνα με λέγουσιν οἱ ἄνθρωποι εἶναι;
Vertaling: En Jezus en zijn leerlingen gingen uit naar de dorpen van Cesarea Filippi en onderweg ondervroeg hij zijn leerlingen hen zeggende: Zeggen de mensen: wie ik ben?
Mc 8,27 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξῆλθεν (= exèlthen: hij(ging uit; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = exerchomai: uitgaan, naar buiten gaan ; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταὶ (= mathètai: leerlingen; zn nom mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰς (= tas: de; bep lidw acc vr mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κώμας (= kômas: dorpen; zn acc vr mv van het zn κωμη = kômè: dorp) Καισαρείας (= kaisareias: van Cesarea; zn eigennaam gen vr enk van het zn eigennaam Καισαρεία = kaisarea: Cesarea) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Φιλίππου (= filippou: van Filippus; zn eigennaam gen mann enk van het zn eigennaam Φιλίππος = filippos: Filippus): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγων (= legôn: zeggende; wkw act part praes nom mann enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) , Τίνα (= tina: wie; vrag vnw acc mann enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγουσιν (= legousin: zij zeggen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἄνθρωποι (= anthrôpoi: mensen; zn nom mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse);

Mc 8,28 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ λέγοντες [ὅτι] Ἰωάννην τὸν βαπτιστήν, καὶ ἄλλοι, Ἠλίαν, ἄλλοι δὲ ὅτι εἷς τῶν προφητῶν.
Vertaling: Zij antwoordden hem: ‘De enen zeggen: Johannes de Doper. Anderen: Elia. Nog anderen zeggen: Eén van de profeten.’  
Mc 8,28 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) εἶπαν (= eipan: zij zeiden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) [ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ] Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) βαπτιστήν (= baptistèn: doper; zn acc mann enk van het zn βαπτιστης = baptistès: doper), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander), Ἠλίαν (= èlian: Elia; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Ἠλίας = èlias; Elia), ἄλλοι (= alloi: anderen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw αλλος = allos: ander) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) εἷς (= heis: één; hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) προφητῶν (= profètôn: van de profeten, voor-sprekers, woordvoerders, predikanten, zn gen mann mv van het zn προπητης: profeet, voor-spreker, woordvoerder; zie Lat.: praedicare: prediken).

Mc 8,29 καὶ αὐτὸς ἐπηρώτα αὐτούς, Ὑμεῖς δὲ τίνα με λέγετε εἶναι; ἀποκριθεὶς ὁ Πέτρος λέγει αὐτῷ, Σὺ εἶ ὁ Χριστός.
Vertaling: En zellf vroeg jij hen: Maar wat zeggen jullie wie ik ben. Petrus antwoordde hem en zei hem: 'Jij bent de Christus / Messias'.
Mc 8,29 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) αὐτὸς (= autos: hij; persoonl vnw 3de pers nom mann enk) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Ὑμεῖς (= humeis: jullie; persoonl voornaamw 2de pers nom mann mv) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τίνα (= tina: wie; vrag vnw acc mann enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse); ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Σὺ (= su: jij; pers vnw 1ste pers nom enk) εἶ (= ei: jij bent; wkw act ind pr 2de pers enk van het wkw ειμι = eimi : zijn) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Χριστός (= christos: gezalfde, Christus; zn eigennaam nom mann enk).

Mc 8,30 καὶ ἐπετίμησεν αὐτοῖς ἵνα μηδενὶ λέγωσιν περὶ αὐτοῦ.
Vertaling: En hij gebood hen opdat zij aan niemand over hem zouden spreken.
Mc 8,30 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (= hina: opdat, zodat; ondergeschikt vw van doel) μηδενὶ (= mèdeni: aan niemand; onbep vnw dat mann enk van het onbep vnw μηδεὶς = mèdeis: niemand; < μη- δ-εὶς= mè-d-eis: niet iemand) λέγωσιν (= legôsin: zij zouden zeggen; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 8,31Καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς ὅτι δεῖ τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου πολλὰ παθεῖν καὶ ἀποδοκιμασθῆναι ὑπὸ τῶν πρεσβυτέρων καὶ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ ἀποκτανθῆναι καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστῆναι:
Vertaling: Jezus begon hen te onderrichten dat de mensenzoon veel moet lijden, verworpen worden door de oudsten / priesters, hogepriesters en Schriftgeleerden, gedood worden en na drie dagen opstaan.
Mc 8,31 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) δεῖ (= dei: het moet; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) υἱὸν (= huion: zoon; zn acc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) πολλὰ (= polla: vele dingen;  bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l) παθεῖν (= pathein: te lijden; wkw act inf aor van het wkw πασχω: lijden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀποδοκιμασθῆναι (= apodokimasthènai: om verworpen te worden; wkw pass inf aor van het wkw αποδοκιμαζω = apodokimazô: verwerpen) ὑπὸ (= hupo: door; vz met 3 naamvallen: gen, dat en acc: door, onder; afkorting: ὑπ' = hup' of ὑφ' = huf') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πρεσβυτέρων (= presbuterôn: van de ouderen / priesters; bv nw zelfstandig gebruikt , comparatief gen mann mv van het bv nw presbu-teros: oud-er; Ned.: priester) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀρχιερέων (= archiereôn: van de hogepriesters; zn gen mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματέων (= grammateôn: van de schriftgeleerden; zn gen mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα. assimilatie van de f aan de m, γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀποκτανθῆναι (= apoktanthènai: om gedood te worden; wkw pass inf aor van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἀναστῆναι (= anastènai: om op te staan; wkw act inf aor van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-):

Mc 8,32 καὶ παρρησίᾳ τὸν λόγον ἐλάλει. καὶ προσλαβόμενος ὁ Πέτρος αὐτὸν ἤρξατο ἐπιτιμᾶν αὐτῷ.
Vertaling: En met vrijmoedigheid sprak hij het woord, en Petrus nam hem apart en hij begon hem onmiddellijk te vermanen.
Mc 8,32 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) παρρησίᾳ (= parrèsia: vrijmoedigheid; zn dat vr enk van het zn παρρησια = parrèsia: vrijmoedigheid) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ἐλάλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προσλαβόμενος (= apolabomenos: apart genomen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω: apolambanô: tot zich nemen, apart nemen) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) ἐπιτιμᾶν (= epitiman: nadrukkelijk vermanen; wkw act inf praes van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 8,33 ὁ δὲ ἐπιστραφεὶς καὶ ἰδὼν τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ ἐπετίμησεν Πέτρῳ καὶ λέγει, Υπαγε ὀπίσω μου, Σατανᾶ, ὅτι οὐ φρονεῖς τὰ τοῦ θεοῦ ἀλλὰ τὰ τῶν ἀνθρώπων.
Vertaling: Maar hij keerde zich om en hij zag zijn leerlingen en gebood Petrus en zei: Ga achter mij Satan, want gij denkt niet aan de dingen van God, maar aan de dingen van de mensen.
Mc 8,33 (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) ἐπιστραφεὶς (= epistrafeis: omgekeerd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἰδὼν (= idôn: gezien; wkw act part aor nom mann enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθητὰς (= mathètas: leerlingen; zn acc mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐπετίμησεν (= epetimèsen: hij beval; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw επιτιμαω = epitimaô: nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) Πέτρῳ (= petrô: aan Petrus; zn dat mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Υπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) ὀπίσω (= opisô: achter; vz met gen) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), Σατανᾶ (= satana: Satan; zn voc mann enk van het zn σατανας: = satanas: satan), ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) φρονεῖς (= froneis: jij bedenkt; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw φρονεω: verstandig zijn, inzien, weten, bedenken) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θεοῦ (= theou: van God; zn gen mann enk van het zn θεος = theos: God) ἀλλὰ (= alla: maar; nevenschikkend vw; afkorting αλλ' = all') τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπων (= anthrôpôn: van mensen; zn gen mann mv van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens).

Mc 8,34 Καὶ προσκαλεσάμενος τὸν ὄχλον σὺν τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ εἶπεν αὐτοῖς, Εἴ τις θέλει ὀπίσω μου ἀκολουθεῖν, ἀπαρνησάσθω ἑαυτὸν καὶ ἀράτω τὸν σταυρὸν αὐτοῦ καὶ ἀκολουθείτω μοι.
Vertaling: En hij riep de menigte met zijn leerlingen tot zich en hij zei hen: 'Indien iemand wil volgen achter mij, hij verloochene zichzelf en hij neme zijn kruis en hij volge mij.'
Mc 8,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προσκαλεσαμενος (= proskalesamenos: bij zich geroepen; wkw med part aor nom mann enk van het wkw προσκαλεομαι = proskaleomai: bij zich roepen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) σὺν (= sun: met; vz met dat) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) μαθηταῖς (= mathètais: leerlingen; zn dat mann mv van het zn μαθητης = mathètès: leerling; zie het wkw ma-n-th-an-ô: leren; zie Baeyens nr 133: praesensstam op -an met nasale in de stam) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) , Εἴ (= ei: indien, of; vw van voorwaarde) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) θέλει (= thelei: hij wil; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) ὀπίσω (= opisô: achter; bw) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) ἀκολουθεῖν (= akolouthein: om te volgen; wkw act inf praes van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen), ἀπαρνησάσθω (= aparnèsasthô: verloochen; wkw med imperat aor 3de pers enk van het wkw ἀπαρνεομαι = aparneomai: ten stelligste ontkennen, verloochenen) ἑαυτὸν (= heauton: zichzelf; wederkerig vnw acc mann enk van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀράτω (= aratô: dat hij neme; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) σταυρὸν (= stauron: kruis; zn acc mann enk van het zn σταυρος = stauros: kruis) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀκολουθείτω (= akoloutheitô: dat hij volge; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen) μοι (= moi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

Mc 8,35 ὃς γὰρ ἐὰν θέλῃ τὴν ψυχὴν αὐτοῦ σῶσαι ἀπολέσει αὐτήν: ὃς δ' ἂν ἀπολέσει τὴν ψυχὴν αὐτοῦ ἕνεκεν ἐμοῦ καὶ τοῦ εὐαγγελίου σώσει αὐτήν.
Vertaling: Want hij die zijn leven zou willen redden, zal het verliezen; hij die zijn leven zou verliezen omwille van mij en mijn goede boodschap, zal het redden.
Mc 8,35 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien , als) θέλῃ (= thelè: hij zou willen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) σῶσαι (= sôsai: om te redden; wkw act inf aor van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) δ' (= d': tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting van δὲ = de) ἂν (= an; partikel bij de conjunct) ἀπολέσει (= apolesei: hij zal doden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: ten gronde richten, doden, verliezen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἕνεκεν (= heneken: omwille van; vz met gen) ἐμοῦ (= emou: van mij; pers vnw gen mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγελίου (= euaggeliou: van de goede boodschap; zn gen onz enk van het zn ευαγγελιον = euaggelion: goede boodschap. Lat. evangelium. Fr. évangile. D. Evangelium. E. gospel) σώσει (= sôsei: hij zal redden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 8,36 τί γὰρ ὠφελεῖ ἄνθρωπον κερδῆσαι τὸν κόσμον ὅλον καὶ ζημιωθῆναι τὴν ψυχὴν αὐτοῦ;
Vertaling: Want wat baat het dat een mens een hele wereld wint en zichzelf schaadt?
Mc 8,36 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ὠφελεῖ (= ôfelei: het helpt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ὠφελεω = ôfeleô: helpen, baten) ἄνθρωπον (= anthrôpon: mens; zn acc mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) κερδῆσαι (= kerdèsai: te winnen; wkw act inf aor van het wkw κερδαινω = kerdainô: winnen, treffen, verwerven) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κόσμον (= kosmon: wereld; zn acc enk van het zn κόσμος = kosmos: wereld) ὅλον (= holon: heel; bv nw acc mann enk van het bv ὁλος = holos: heel) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ζημιωθῆναι (= dzèmiôthènai: om geschaad te worden; wkw med / pass inf aor van het wkw ζημιοω = zèmioô: schaden, straffen) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ψυχὴν (= psuchèn: ziel, leven; zn acc vr enk van het zn ψυχη = psuchè: adem, geest, leven) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);

Mc 8,37 τί γὰρ δοῖ ἄνθρωπος ἀντάλλαγμα τῆς ψυχῆς αὐτοῦ;
Vertaling: Want welk losgeld voor zijn leven zou een mens geven?
Mc 8,37 τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) δοῖ (= doi: hij zou geven; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave , gift . Fr: donner - don: geven - gave) ἄνθρωπος (= anthrôpos: mens; zn nom mann enk) ἀντάλλαγμα (= antallagma: geruilde, losgeld; zn nom en acc onz enk) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ψυχῆς αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het);

Mc 8,38 ὃς γὰρ ἐὰν ἐπαισχυνθῇ με καὶ τοὺς ἐμοὺς λόγους ἐν τῇ γενεᾷ ταύτῃ τῇ μοιχαλίδι καὶ ἁμαρτωλῷ, καὶ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐπαισχυνθήσεται αὐτὸν ὅταν ἔλθῃ ἐν τῇ δόξῃ τοῦ πατρὸς αὐτοῦ μετὰ τῶν ἀγγέλων τῶν ἁγίων.
Vertaling: Want wanneer iemand zich zou schamen over mij en over mijn wereld bij deze overspelige en zondige generatie, ook de mensenzoon zal zich schamen over hem wanneer hij komt in de heerlijkheid van God, de Vader met de heilige engelen.
Mc 8,38 ὃς (= hos: die; betrekk vnw nom mann enk) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) ἐὰν (ondergeschikt vw van voorwaarde + conjunct: in-dien , als) ἐπαισχυνθῇ (= epaischunthè: hij zou zich schamen over; wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐμοὺς (= emous: mijn; bezitt vnw acc mann mv van het bezitt vnw εμος = emos: mijn) λόγους (= logous: woorden; zn acc mann mv van het zn λογος = logos: woord) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γενεᾷ (= genea: generatie; zn dat vr enk van het zn γενεα = genea: afstamming, geslacht, stam, generatie) ταύτῃ (= tautè: aan deze; aanw vnw dat vr enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) μοιχαλίδι (= moichalidi: overspelige; bv nw dat vr enk van het bv nw μοιχαλις = moichalis: overspelig, afvallig) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἁμαρτωλῷ (= hamartôlô: zondig; bv nw dat vr enk van het bv nw ἁμαρτωλος = hamartôlos: zondaar), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀνθρώπου (= anthrôpou: van een mens; zn gen mann enk van het zn ανθρωπος = anthrôpos: mens) ἐπαισχυνθήσεται (= epaischunthèsetai: hij zal zich schamen; wkw med / pass ind fut 3de pers enk van het wkw ἐπαισχυνομαι = epaischunomai: zich schamen over) αὐτὸν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) ἔλθῃ (= elthè: hij zou komen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) δόξῃ (doksè: heerlijkheid; zn dat vr enk van het zn δοξη = doksè: heerlijkheid) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πατρὸς (= patros: van vader, zn gen mann enk van het zn πατηρ: = patèr: vader) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγγέλων (= aggelôn: van engelen; zn gen mann mv van het zn αγγελος = aggelos: engel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἁγίων (= hagiôn: van heilige; bv nw gen mann mv van het bn ἁγιος = hagios: heilig. Hebr.: קָדוֹשׁ = qâdôsj: heilig. Lat.: sanctus. Fr.: saint. D.: heilig. E.: holy).

Marcus 9

1Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἰσίν τινες ὧδε τῶν ἑστηκότων οἵτινες οὐ μὴ γεύσωνται θανάτου ἕως ἂν ἴδωσιν τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἐληλυθυῖαν ἐν δυνάμει.

2 Καὶ μετὰ ἡμέρας ἓξ παραλαμβάνει ὁ Ἰησοῦς τὸν Πέτρον καὶ τὸν Ἰάκωβον καὶ τὸν Ἰωάννην, καὶ ἀναφέρει αὐτοὺς εἰς ὄρος ὑψηλὸν κατ' ἰδίαν μόνους. καὶ μετεμορφώθη ἔμπροσθεν αὐτῶν,
Vertaling: En na zes dagen neemt Jezus Petrus en Jakobus en Johannes mee en hij voert hen naar boven naar een hoge berg afgezonderd, alleen, en hij werd in hun aanwezigheid van gedaante veranderd.
Mc 9,2 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') ἡμέρας (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) ἓξ (= heks: zes; hoofdtelw) παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Πέτρον (= petron: Petrus; zn eigennaam acc mann enk van het zn eigennaam Πέτρος = petros: Petrus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰάκωβον (= jakôbon: Jakobus; zn eigennaam acc mann enk van het zn nw ιακωβος = jakôbos: Jakobus) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰωάννην (= Iôannèn: Johannes; zn eigennaam acc mann enk van het zn ιωαννης = Jôannès: Johannes), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναφέρει (= anaferei; hij voert omhoog; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αναφερω = anaferô: naar boven dragen, omhoog voeren) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ὄρος (= oros: berg; zn nom en acc onz enk) ὑψηλὸν (= hupsèlon: hoog; bv nw acc onz enk van het bv nw ὑψηλος = hupsèlos: hoog) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) μόνους (= monous: alleen; bv nw acc mann mv van het bv nw μονος = monos: alleen). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) μετεμορφώθη (= metemorfôthè: hij werd van gedaante veranderd; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw μεταμορφοω = metamorfoô: omvormen, van gedaante veranderen) ἔμπροσθεν (= emprosthen: van voren, in aanwezigheid van, voor; vz + gen) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),

Mc 9,3 καὶ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ ἐγένετο στίλβοντα λευκὰ λίαν οἷα γναφεὺς ἐπὶ τῆς γῆς οὐ δύναται οὕτως λευκᾶναι.
Vertaling: En zijn kleren werden schitterend zeer wit als een volder ze op de aarde zo niet kan wit maken.
Mc 9,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτια (= himatia: kleren; zn nom onz mv van het zn ἱματιον = himation: kleed) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐγένετο (= egeneto: het gebeurde; med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai: gebeuren, worden; stam: gen) στίλβοντα (= stilbonta: schitterend; wkw act part praes nom onz mv van het wkw στιλβοω = stilboo: glanzen, schitteren, blinken) λευκὰ (= leuka: wit; bv nw nom onz mv van het bv nw λευκος = leukos: wit) λίαν (= lian: zeer; bw) οἷα (= hoia: als; onbep vnw bv nw nom onz mv van het onbep vnw bv nw οἷος: zo een... als) γναφεὺς (= gnafeus: volder, wolkammer, bleker; zn nom mann enk) ἐπὶ (= epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; vz van plaats) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γῆς (= gès: aarde, land; zn gen vr enk van het zn γη = gè: aarde, land) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δύναται (= dunatai: hij kan; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen, in staat zijn) οὕτως (= houtôs: op die wijze, zo; bw van wijze) λευκᾶναι (= leukanai: om wit te maken; wkw act inf aor van het wkw λευκαινω = leukainô: wit maken, wit verven, blank wassen).

Mc 9,4 καὶ ὤφθη αὐτοῖς Ἠλίας σὺν Μωϋσεῖ, καὶ ἦσαν συλλαλοῦντες τῷ Ἰησοῦ.
Vertaling: En Elia met Mozes verscheen aan hen en zij waren met Jezus aan het spreken.
Mc 9,4 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὤφθη (= ôfthè: hij verscheen, hij werd gezien; wkw pass ind aor 3de pers enk bij het wkw ὁραω = horaô: zien) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) Ἠλίας (= èlias; Elia; zn eigennaam nom mann enk) σὺν (= sun: met; vz met dat) Μωϋσεῖ (= moüsei= met Mozes; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) συλλαλοῦντες (= sullalountes: samen sprekende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw συλλαλεω = sullaleô: samen spreken) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô).

Mc 9,5 καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Πέτρος λέγει τῷ Ἰησοῦ, Ῥαββί, καλόν ἐστιν ἡμᾶς ὧδε εἶναι, καὶ ποιήσωμεν τρεῖς σκηνάς, σοὶ μίαν καὶ Μωϋσεῖ μίαν καὶ Ἠλίᾳ μίαν.
Vertaling: En Petrus antwoordde en zei tot Jezus: 'Rabbi, het is goed dat wij hier zijn en laten wij drie tenten maken, voor jou één en voor Mozes één en voor Elia één.
Mc 9,5 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Πέτρος (= petros: Petrus; zn eigennaam nom mann enk) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; dat mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), Ῥαββί (= rabbi: mijn meester; Hebr), καλόν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἡμᾶς (= hèmas: wij; pers vnw 1ste pers acc mann mv van het pers vnw ἡμεις = hèmeis: ons) ὧδε (= hôde: hier; bw van plaats) εἶναι (= einai: om te zijn; wkw act inf praes van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ποιήσωμεν (= poièsômen: wij zouden maken; wkw act conjunct aor 1ste pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) τρεῖς (= treis: drie; hoofdtelw) σκηνάς (= skènas: tenten; zn acc vr mv van het zn σκηνη = skènè: tent), σοὶ (= soi: aan u; pers vnw 2de pers dat enk van het persoonl vnw συ = su: jij) μίαν (= mian= één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Μωϋσεῖ (= moüsei= met Mozes; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam μωυσης = moüsès: Mozes) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Ἠλίᾳ (= èlia: aan Elia; zn eigennaam dat mann enk van het zn eigennaam ἡλιας = èlias: Elia) μίαν (= mian: één; hoofdtelw acc vr enk van het hoofdtelw εἱς, μια, ἑν = heis, mia, hen: één).

6οὐ γὰρ ᾔδει τί ἀποκριθῇ, ἔκφοβοι γὰρ ἐγένοντο.

7καὶ ἐγένετο νεφέλη ἐπισκιάζουσα αὐτοῖς, καὶ ἐγένετο φωνὴ ἐκ τῆς νεφέλης, Οὗτός ἐστιν ὁ υἱός μου ὁ ἀγαπητός, ἀκούετε αὐτοῦ. 8καὶ ἐξάπινα περιβλεψάμενοι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι οὐδένα εἶδον ἀλλὰ τὸν Ἰησοῦν μόνον μεθ' ἑαυτῶν. 9Καὶ καταβαινόντων αὐτῶν ἐκ τοῦ ὄρους διεστείλατο αὐτοῖς ἵνα μηδενὶ ἃ εἶδον διηγήσωνται, εἰ μὴ ὅταν ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐκ νεκρῶν ἀναστῇ. 10καὶ τὸν λόγον ἐκράτησαν πρὸς ἑαυτοὺς συζητοῦντες τί ἐστιν τὸ ἐκ νεκρῶν ἀναστῆναι. 11καὶ ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες, Οτι λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι Ἠλίαν δεῖ ἐλθεῖν πρῶτον; 12ὁ δὲ ἔφη αὐτοῖς, Ἠλίας μὲν ἐλθὼν πρῶτον ἀποκαθιστάνει πάντα, καὶ πῶς γέγραπται ἐπὶ τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἵνα πολλὰ πάθῃ καὶ ἐξουδενηθῇ; 13ἀλλὰ λέγω ὑμῖν ὅτι καὶ Ἠλίας ἐλήλυθεν, καὶ ἐποίησαν αὐτῷ ὅσα ἤθελον, καθὼς γέγραπται ἐπ' αὐτόν. 14Καὶ ἐλθόντες πρὸς τοὺς μαθητὰς εἶδον ὄχλον πολὺν περὶ αὐτοὺς καὶ γραμματεῖς συζητοῦντας πρὸς αὐτούς. 15καὶ εὐθὺς πᾶς ὁ ὄχλος ἰδόντες αὐτὸν ἐξεθαμβήθησαν, καὶ προστρέχοντες ἠσπάζοντο αὐτόν. 16καὶ ἐπηρώτησεν αὐτούς, Τί συζητεῖτε πρὸς αὐτούς; 17καὶ ἀπεκρίθη αὐτῷ εἷς ἐκ τοῦ ὄχλου, Διδάσκαλε, ἤνεγκα τὸν υἱόν μου πρὸς σέ, ἔχοντα πνεῦμα ἄλαλον: 18καὶ ὅπου ἐὰν αὐτὸν καταλάβῃ ῥήσσει αὐτόν, καὶ ἀφρίζει καὶ τρίζει τοὺς ὀδόντας καὶ ξηραίνεται: καὶ εἶπα τοῖς μαθηταῖς σου ἵνα αὐτὸ ἐκβάλωσιν, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἴσχυσαν. 19ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτοῖς λέγει, *)=ω γενεὰ ἄπιστος, ἕως πότε πρὸς ὑμᾶς ἔσομαι; ἕως πότε ἀνέξομαι ὑμῶν; φέρετε αὐτὸν πρός με. 20καὶ ἤνεγκαν αὐτὸν πρὸς αὐτόν. καὶ ἰδὼν αὐτὸν τὸ πνεῦμα εὐθὺς συνεσπάραξεν αὐτόν, καὶ πεσὼν ἐπὶ τῆς γῆς ἐκυλίετο ἀφρίζων. 21καὶ ἐπηρώτησεν τὸν πατέρα αὐτοῦ, Πόσος χρόνος ἐστὶν ὡς τοῦτο γέγονεν αὐτῷ; ὁ δὲ εἶπεν, Ἐκ παιδιόθεν:

22καὶ πολλάκις καὶ εἰς πῦρ αὐτὸν ἔβαλεν καὶ εἰς ὕδατα ἵνα ἀπολέσῃ αὐτόν: ἀλλ' εἴ τι δύνῃ, βοήθησον ἡμῖν σπλαγχνισθεὶς ἐφ' ἡμᾶς.

23ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Τὸ Εἰ δύνῃ πάντα δυνατὰ τῷ πιστεύοντι.

24εὐθὺς κράξας ὁ πατὴρ τοῦ παιδίου ἔλεγεν, Πιστεύω: βοήθει μου τῇ ἀπιστίᾳ.

25ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἐπισυντρέχει ὄχλος ἐπετίμησεν τῷ πνεύματι τῷ ἀκαθάρτῳ λέγων αὐτῷ, Τὸ ἄλαλον καὶ κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof) πνεῦμα, ἐγὼ ἐπιτάσσω σοι, ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ καὶ μηκέτι εἰσέλθῃς εἰς αὐτόν.

26καὶ κράξας καὶ πολλὰ σπαράξας ἐξῆλθεν: καὶ ἐγένετο ὡσεὶ νεκρός, ὥστε τοὺς πολλοὺς λέγειν ὅτι ἀπέθανεν.

27ὁ δὲ Ἰησοῦς κρατήσας τῆς χειρὸς αὐτοῦ ἤγειρεν αὐτόν, καὶ ἀνέστη.

28καὶ εἰσελθόντος αὐτοῦ εἰς οἶκον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ κατ' ἰδίαν ἐπηρώτων αὐτόν, Οτι ἡμεῖς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδυνήθημεν ἐκβαλεῖν αὐτό;

29καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τοῦτο τὸ γένος ἐν οὐδενὶ δύναται ἐξελθεῖν εἰ μὴ ἐν προσευχῇ.

30Κἀκεῖθεν ἐξελθόντες παρεπορεύοντο διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤθελεν ἵνα τις γνοῖ:

31ἐδίδασκεν γὰρ τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὅτι Ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται εἰς χεῖρας ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται.

32οἱ δὲ ἠγνόουν τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο αὐτὸν ἐπερωτῆσαι.

33Καὶ ἦλθον εἰς Καφαρναούμ. καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος ἐπηρώτα αὐτούς, Τί ἐν τῇ ὁδῷ διελογίζεσθε;

34οἱ δὲ ἐσιώπων, πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν ἐν τῇ ὁδῷ τίς μείζων.

35καὶ καθίσας ἐφώνησεν τοὺς δώδεκα καὶ λέγει αὐτοῖς, Εἴ τις θέλει πρῶτος εἶναι ἔσται πάντων ἔσχατος καὶ πάντων διάκονος. 36καὶ λαβὼν παιδίον ἔστησεν αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὸ εἶπεν αὐτοῖς, 37Ὃς ἂν ἓν τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται: καὶ ὃς ἂν ἐμὲ δέχηται, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐμὲ δέχεται ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά με. 38Ἔφη αὐτῷ ὁ Ἰωάννης, Διδάσκαλε, εἴδομέν τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα δαιμόνια, καὶ ἐκωλύομεν αὐτόν, ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠκολούθει ἡμῖν. 39ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Μὴ κωλύετε αὐτόν, οὐδεὶς γάρ ἐστιν ὃς ποιήσει δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται ταχὺ κακολογῆσαί με: 40ὃς γὰρ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν. 41Ὃς γὰρ ἂν ποτίσῃ ὑμᾶς ποτήριον ὕδατος ἐν ὀνόματι ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐ μὴ ἀπολέσῃ τὸν μισθὸν αὐτοῦ. 42Καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων [εἰς ἐμέ], καλόν ἐστιν αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται μύλος ὀνικὸς περὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ καὶ βέβληται εἰς τὴν θάλασσαν. 43Καὶ ἐὰν σκανδαλίζῃ σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον αὐτήν: καλόν ἐστίν σε κυλλὸν εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα ἀπελθεῖν εἰς τὴν γέενναν, εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον. 44καὶ 45ἐὰν ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ σε, ἀπόκοψον αὐτόν: καλόν ἐστίν σε εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν ἢ τοὺς δύο πόδας ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν. 46καὶ 47ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ σε, ἔκβαλε αὐτόν: καλόν σέ ἐστιν μονόφθαλμον εἰσελθεῖν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν, 48ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται: 49πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται. 50Καλὸν τὸ ἅλας: ἐὰν δὲ τὸ ἅλας ἄναλον γένηται, ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε; ἔχετε ἐν ἑαυτοῖς ἅλα, καὶ εἰρηνεύετε ἐν ἀλλήλοις.

Mc 9,14-29

Mc 9,14 Καὶ ἐλθὼν πρὸς τοὺς μαθητὰς εἶδεν ὄχλον πολὺν περὶ αὐτοὺς, καὶ γραμματεῖς συζητοῦντας αὐτοῖς.
14 Καὶ (nv) ἐλθὼν (wkw act part aor nom mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) πρὸς (vz van plaats - richting) τοὺς (bep lidw acc mann mv) μαθητὰς (zn acc mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) εἶδεν (wkw act ind aor 3de pers enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) πολὺν (bv nw acc mann enk van het bv nw pol-us : veel) περὶ (vz van plaats : rondom) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) , καὶ (nv) γραμματεῖς (zn acc mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; gra-m-ma , grafô : graveren , griffen , schrijven) συζητοῦντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw su-zèteô : samen onderzoeken, disputeren, twisten) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) .
- nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) : Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 9,15 καὶ εὐθέως πᾶς ὁ ὄχλος ἰδόντες αὐτὸν ἐξεθαμβήθησαν, καὶ προστρέχοντες ἠσπάζοντο αὐτόν.
15 καὶ (nv) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) πᾶς (bn nom mann enk : al , heel) ὁ (bep lidw nom mann enk) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) ἰδόντες αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐξεθαμβήθησαν (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw ekthambeomai : verbijsterd , ontsteld zijn , met ontzetting geslagen worden) , καὶ (nv) προστρέχοντες ( wkw act part praes nom mann mv postrechontes (rennende naar) van het wkw prostrechô (snellopen naar, hollen naar ; L. adcurrere . F. accourir . N. koersen , rennen . E. to run) ἠσπάζοντο (med ind imperf 3de pers mv èspazonto (zij begroetten) van het wkw aspazomai : verwelkomen, begroeten ; Fr. baiser ; Vl. dialect : beeze = kus) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .
- Bij het collectief ochlos horen en volgen 4 wkw (2X deelw. + hoofdwkw) .

Mc 9,16 καὶ ἐπηρώτησε τοὺς γραμματεῖς· Τί συζητεῖτε πρὸς ἑαυτούς;
16 καὶ (nv) ἐπηρώτησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) γραμματεῖς (zn acc mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; gra-m-ma , grafô : graveren , griffen , schrijven) · Τί (vrag vnw acc onz enk) συζητεῖτε (wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw su-zèteô : samen onderzoeken, disputeren, twisten , zie Mc 5,14) ) πρὸς (vz van plaats - richting) ἑαυτούς (wederkerig vnw 3de pers acc mann mv van heautos : zelf) ;

Mc 9,17 καὶ ἀποκριθεὶς εἷς ἐκ τοῦ ὄχλου εἶπε· Διδάσκαλε, ἤνεγκα τὸν υἱόν μου πρὸς σέ, ἔχοντα πνεῦμα ἄλαλον.
17 καὶ (nv) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) εἷς (onbep vnw nom mann enk : iemand) ἐκ (vz) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ὄχλου (gen mann enk van het zn ochlos = menigte) εἶπε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leraar , leermeester ; wkw di-da-s-k-ô : onderwijzen , L. docere) ἤνεγκα (wkw act ind aor 1ste pers enk ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô , eneg-k-a) τὸν (bep lidw acc mann enk) υἱόν (zn acc mann enk van het zn huios : zoon) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) πρὸς (vz van plaats - richting) σέ (pers vnw 2de pers acc mann enk) , ἔχοντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἄλαλον (bv nw acc onz enk van het bv nw a-lal-os : niet sprekend , stom) .

Mc 9,18 καὶ ὅπου ἂν αὐτὸν καταλάβῃ, ῥήσσει αὐτόν, καὶ ἀφρίζει καὶ τρίζει τοὺς ὀδόντας αὐτοῦ, καὶ ξηραίνεται· καὶ εἶπον τοῖς μαθηταῖς σου ἵνα αὐτὸ ἐκβάλωσι, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἴσχυσαν.
18 καὶ (nv) ὅπου (betrekk vnw van plaats : waar) ἂν (partikel) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καταλάβῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw kata-la-m-ba-n-ô : naar beneden nemen, , zich meester maken van) , ῥήσσει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw rèssô - règ-nu-mi : breken , verbrijzelen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ (nv) ἀφρίζει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw afrizô : schuimen) καὶ (nv) τρίζει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw trizô : piepen , knarsen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὀδόντας (zn acc mann mv van het zn o-dôn : tan-d) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) , καὶ (nv) ξηραίνεται (wkw pass ind praes 3de pers enk van het wkw ksèrainô : verdorren , vermageren) · καὶ (nv) εἶπον (wkw act ind aor 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τοῖς (bep lidw dat mann mv) μαθηταῖς (zn dat mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren ; Hebr. lâ-mad) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) αὐτὸ (pers vnw acc onz enk) ἐκβάλωσι (wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ek-bal-l-ô : uit-val-len , uitwerpen) καὶ (nv) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἴσχυσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ischuô : krachtig zijn , vermogen , kunnen) .

Mc 9,19 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει· Ὦ γενεὰ ἄπιστος, ἕως πότε πρὸς ὑμᾶς ἔσομαι; ἕως πότε ἀνέξομαι ὑμῶν; φέρετε αὐτὸν πρός με. καὶ ἤνεγκαν αὐτὸν πρὸς αὐτόν.
19 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Ὦ (tussenwerpsel : o) γενεὰ (zn voc vr enk : geslacht ; stam : gen-) ἄπιστος (bv nw voc vr enk : onbetrouwbaar , ongelovig ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi), ἕως (voegw : tot) πότε (partikel van tijd : wanneer ; heôs pote : hoelang) πρὸς (vz van plaats - richting) ὑμᾶς (pers vnw 2de pers acc mann mv) ἔσομαι (wkw act ind fut 1ste pers enk van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre , Ned. 3de pers enk. hij is (Gr. estin) ; ἕως (voegw : tot) πότε (partikel van tijd : wanneer ; heôs pote : hoelang) ἀνεξομαι (med ind fut 1ste pers enk van het wkw anechomai : stand houden , dulden) ὑμῶν (pers vnw gen mann mv) ; φέρετε (wkw act imperat praes 2de pers mv : brengt ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô : voeren , brengen , eneg-k-a) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πρός (vz van plaats - richting) με (pers vnw acc mann enk) . καὶ (nv) ἤνεγκαν (wkw act ind aor 3de pers mv : zij brachten ; wkw met verschillende stammen , Baeyens nr 136 , blz 103 , ferô : voeren , brengen , eneg-k-a) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) πρὸς (vz van plaats - richting) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .

Mc 9,20 καὶ ἰδὼν αὐτὸν εὐθέως τὸ πνεῦμα ἐσπάραξεν αὐτόν, καὶ πεσὼν ἐπὶ τῆς γῆς ἐκυλίετο ἀφρίζων.
20 καὶ (nv) ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἐσπάραξεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw sparassô < sparak-sô : door elkaar schudden, stuiptrekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , καὶ (nv) πεσὼν (act part aor nom mann enk van het ww piptô; stam pe- : vallen) ἐπὶ (voorzetsel van plaats : op) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) γῆς (zn gen vr enk van het zn gè : aarde ; zie bv geologie) ἐκυλίετο (wkw med imperf 3de pers enk van het wkw kuliô : rollen ; zie kuklos : cirkel) ἀφρίζων (wkw part praes nom mann enk van het wkw afrizô : schuimen , zie Mc 9,18) .

Mc 9,21 καὶ ἐπηρώτησε τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα αὐτοῦ· Πόσος χρόνος ἐστὶν ὡς τοῦτο γέγονεν αὐτῷ; ὁ δὲ εἶπε· Παιδιόθεν.
21 καὶ (nv) ἐπηρώτησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) τὸν (bep lidw acc mann enk) πατέρα (zn acc mann enk van het zn patèr . Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . (Labialen : stemloos : p ; stemloos aangeblazen : ph = f ; stemhebbend : b ; stemhebbend aangeblazen : bh = v) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) · Πόσος (vrag vnw nom mann enk : hoe veel , hoe lang) χρόνος (zn nom mann enk : tijd) ἐστὶν (act ind praes 3de pers enk : hij is , van het ww eimi: zijn ; ei-mi < es-mi ; zie Lat. es-se , Fr. être < es-tre) ὡς (voegw. van vergelijking ; zo : een metathesis van hôs?) τοῦτο (aanwijz vnw nom onz enk - houtos touto < to + houtos : d -it) γέγονεν (med ind perf 3de pers enk. van het wkw ginomai : gebeuren - stam ge-) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) ; ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) εἶπε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Παιδιόθεν ((paidio-then , verkleinwoord pai-dion : kind-je van pais : kind + then : vanaf) .

Mc 9,22 καὶ πολλάκις αὐτὸν καὶ εἰς πῦρ ἔβαλε καὶ εἰς ὕδατα, ἵνα ἀπολέσῃ αὐτόν· ἀλλ' εἴ τι δύνασαι, βοήθησον ἡμῖν σπλαγχνισθεὶς ἐφ' ἡμᾶς.
22 καὶ (nv) πολλάκις (bijw : vele keren , dikwijls) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ (nv) εἰς (vz van richting, naar) πῦρ (zn acc onz enk : Ned. : vuur (Grieks : πυρ = pur ; p - ph = f ; b - bh = v ; f - v) . D. : Feuer . E. : fire . Fr. : feu . Lat. : ignis) ἔβαλε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ballô : vallen , werpen) καὶ (nv) εἰς (vz van richting, naar) ὕδατα (zn acc onz mv , Ned. : water . D. : Wasser . E. : water . Grieks : ὑδωρ = hudôr (water) . Oudkerkslavisch : voda en genalaseerd Latijn unda . Oudindisch : udan . In het hiëroglyfisch stelt een papyrus de klankwaarde w'd (wad) voor ; het betekent groen, vers zijn ; w'd wr (wad oer) : zee (de groene - grote = de grote groene ; Fr. : eau . Lat. : aqua) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἀπολέσῃ (wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apollumi : verderven, verdoemen , doden) αὐτόν (pers vnw acc mann enk) · ἀλλ' (nv van tegenstelling) εἴ (voegw van voorwaarde : indien) τι (onbep vnw acc onz enk : iets) δύνασαι (wkw med ind praes 2de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) , βοήθησον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw boètheô : helpen) ἡμῖν (pers vnw dat mann mv) σπλαγχνισθεὶς (wkw pass part aor nom mann enk van het wkw splagchnizomai : zich ontfermen, medelijden hebben) ἐφ' (verkort voorzetsel van epi : op , over) ἡμᾶς (pers vnw acc mann mv) .

Mc 9,23 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ· Τὸ εἰ δύνασαι πιστεῦσαι, πάντα δυνατὰ τῷ πιστεύοντι.
23 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) · Τὸ (bep lidw nom onz enk) εἰ (voegw van voorwaarde : indien) δύνασαι (wkw med ind praes 2de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) πιστεῦσαι (act inf aor van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) , πάντα (bv nw nom onz mv van het bv nw pas : al , elk) δυνατὰ (bv nw nom onz mv van het bv nw dunatos : mogelijk) τῷ (bep lidw dat mann enk) πιστεύοντι (act part praes dat mann enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) .

Mc 9,24 καὶ εὐθέως κράξας ὁ πατὴρ τοῦ παιδίου μετὰ δακρύων ἔλεγε· Πιστεύω, Κύριε· βοήθει μου τῇ ἀπιστίᾳ.
24 καὶ (nv) εὐθέως (bw : dadelijk, onmiddellijk) κράξας (act part aor nom mann enk : krijsend , van het wkw krazô : krijsen, schreeuwen, roepen) ὁ (bep lidw nom mann enk) πατὴρ (zn nom mann enk van het zn patèr . Ned. : va-der . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . D. : Va-ter . E. : fa-ther . Fr. : pè-re . Hebreeuws : אַב = ´abh (vader) . Lat. : pa-ter . (Labialen : stemloos : p ; stemloos aangeblazen : ph = f ; stemhebbend : b ; stemhebbend aangeblazen : bh = v) τοῦ (bep lidw gen mann enk) παιδίου (zn gen onz enk , verkleinwoord -dion : kind-je van pais : kind) μετὰ (vz : met) δακρύων (zn gen onzn mv van het zn dakruon : traan , druppel) ἔλεγε (wkw act ind imperf praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) · Πιστεύω (act ind praes 1ste pers enk van het wkw pisteuô : vertrouwen ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) , Κύριε (zn voc mann enk van het zn kurios : heer) · βοήθει (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw boètheô : helpen) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἀπιστίᾳ (zn dat vr enk van het zn apistia : ongeloof ; zie zn pi-s-t-is : Lat. fid-es , Fr. foi) .

Mc 9,25 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἐπισυντρέχει ὄχλος ἐπετίμησε τῷ πνεύματι τῷ ἀκαθάρτῳ λέγων αὐτῷ· Τὸ πνεῦμα τὸ ἄλαλον καὶ κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof), ἐγὼ σοι ἐπιτάσσω, ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ καὶ μηκέτι εἰσέλθῃς εἰς αὐτόν.
25 ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van een wkw met verschillende stammen (Bayens nr 136 , blz 102-103) , aor bij het wkw horaô : zien ; stam id) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) ὁ (bep lidw nom mann enk) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) ὅτι (ov , objectzin) ἐπισυντρέχει (wkw act ind praes 3de pers enk episuntrechô : samenstromen naar , te hoop lopen) ὄχλος (nom mann enk van het zn ochlos = menigte) ἐπετίμησε (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) τῷ (bep lidw dat onz enk) πνεύματι (zn dat onz enk van het zn pneuma : geest , stam pn-) τῷ (bep lidw dat onz enk) ἀκαθάρτῳ (bv nw dat onz enk van het bv nw akathartos : onzuiver , onrein) λέγων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw dat 3de pers. mann enk) · Τὸ (bep lidw nom onz enk) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) τὸ (bep lidw nom onz enk) ἄλαλον (bv nw nom onz enk van het bv nw a-lal-os : niet sprekend , stom) καὶ (nv) κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof), ἐγὼ (pers vnw 1ste pers nom enk) σοι (pers vnw dat onz enk) ἐπιτάσσω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw epitassô : opdragen, bevelen) , ἔξελθε (wkw act. imperat. aor 2de pers enk bij het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) ἐξ (vz , x omdat het volgende woord met een klinker begint) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) καὶ (nv) μηκέτι (bw : niet meer) εἰσέλθῃς (med conjunct aor 2de pers enk van het wkw eiserchomai : binnengaan in ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰς (vz van richting, naar) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) .

Mc 9,26 καὶ κράξαν καὶ πολλὰ σπαράξαν αὐτόν ἐξῆλθε, καὶ ἐγένετο ὡσεὶ νεκρός, ὥστε πολλοὺς λέγειν ὅτι ἀπέθανεν.
26 καὶ (nv) κράξαν (act part aor acc onz enk : krijsend , van het wkw krazô (krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ (nv) πολλὰ (bv nw acc onz mv , p-l/v-l: veel) σπαράξαν (act part aor acc onz enk : stuiptrekkend , van het wkw sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐξῆλθε (wkw med ind aor 3de pers enk bij het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) , καὶ (nv) ἐγένετο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ginomai = gebeuren ; stam gen-) ὡσεὶ (partikel van vergelijking : zoals) νεκρός (bv nw nom mann enk : dood) , ὥστε (ov van gevolg : zodat) πολλοὺς (bv nw acc mann mv , p-l/v-l: veel) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô : zeggen , wkw met verschillende stammen, Baeyens nr 136, blz 102 ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) ὅτι (ov van reden) ἀπέθανεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw apothnè(i)skô: sterven) .

Mc 9,27 ὁ δὲ Ἰησοῦς κρατήσας αὐτὸν τῆς χειρὸς ἤγειρεν αὐτόν, καὶ ἀνέστη.
27 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv , echter , lichte tegenstelling) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) κρατήσας (act part aor nom mann enk van het wkw krateô : vastnemen, bemachtigen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) χειρὸς (zn gen vr enk van het zn cheir : hand ; Arabisch : يد = jad (hand) . D. : Hand . E. : hand . Fr. : main . Hebreeuws : יָד = jâd (hand) . Lat. : manus . Oudengels : hentan (trachten te pakken) . Oudnoors : henda (grijpen) . Hand betekent dus 'grijper' , evenals het Griekse χειρ = cheir (hand) ; (g - ch ; r) . In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) . Uit het Hebreeuws : jatten (stelen) ἤγειρεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô : opwekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , καὶ (nv) ἀνέστη (act ind aor 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) .
- Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten , leiden , sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
- Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken . D. auferwecken .

Mc 9,28 Καὶ εἰσελθόντα αὐτὸν εἰς οἶκον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἐπηρώτων αὐτόν κατ' ἰδίαν, ὅτι ἡμεῖς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠδυνήθημεν ἐκβαλεῖν αὐτό.
28 Καὶ (nv) εἰσελθόντα (wkw med part aor acc mann enk; bijzondere vorm bij erchomai: komen , gaan ; aor el- zie Fr aller) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) εἰς (vz van richting, naar) οἶκον (zn acc mann enk van het zn oikos : huis) οἱ (bep lidw nom mann mv) μαθηταὶ (zn nom mann mv van mathè-tès : leer-ling ; wkw ma-n-th-an-ô : leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) ἐπηρώτων (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw eperôtaô : 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) αὐτόν (pers vnw acc mann enk) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat' : afkorting van het voorzetsel kata ; idian : bv nw acc vr enk van het bv nw idios : eigenlijk ;) , ὅτι (ov van reden) ἡμεῖς (pers vnw 1ste pers nom mann mv) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠδυνήθημεν (wkw pass ind aor 1ste pers mv van het wkw dunamai : kunnen) ἐκβαλεῖν (wkw act inf aor van het wkw van het wkw ek-bal-l-ô : uit-val-len , uitwerpen) αὐτό (pers vnw acc onz enk) .

Mc 9,29 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Τοῦτο τὸ γένος ἐν οὐδενὶ δύναται ἐξελθεῖν εἰ μὴ ἐν προσευχῇ καὶ νηστείᾳ.
29 καὶ (nv) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) · Τοῦτο (aanwijz vnw nom onz enk - houtos ; touto < to + houtos : d -it) τὸ (bep lidw nom onz enk) γένος (zn nom onz enk : geslacht ; stam gen-) ἐν (vz : in , met) οὐδενὶ (onbep vnw dat onz enk van het onbep vnw oudeis : nie-mand , nie-ts) δύναται (wkw med of pass ind praes 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) ἐξελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw exerchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare betekent zich bewegen) εἰ μὴ ( ei: voegwoord : indien ; mè : ontkenning : niet ; ei mè : indien niet , tenzij) ἐν (vz : in , met) προσευχῇ (zn dat vr enk van het zn proseuchè : gebed) καὶ (nv) νηστείᾳ (zn dat vr enk van het zn nèst-eia : vast-en) .

Mc 9,30-50 : Jezus onderricht de leerlingen

Mc 9,30. Κἀκεῖθεν ἐξελθόντες παρεπορεύοντο διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤθελεν ἵνα τις γνοῖ:
30. Κἀκεῖθεν (< kai + ekei-then : en van-daar) ἐξελθόντες (med part aor nom mann mv van het wkw ex-erchomai : buitengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; stam aor el , zie Fr. al-l-er) παρεπορεύοντο (med ind imperf 3de pers mv van het wkw paraporeuomai : zich op weg begeven langs) διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἤθελεν (act ind imperf 3de pers enk van het wkw thelô : willen) ἵνα τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) γνοῖ (stam gno- of gnô ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> conjunct aor 3de pers enk. gnoi ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-skô (Baeyens 130a blz 97) :

Mc 9,31. ἐδίδασκεν γὰρ τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὅτι Ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται εἰς χεῖρας ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται.
31. ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderwees; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) γὰρ τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς ὅτι ὁ (bep lidw nom mann enk) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) παραδίδοται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) εἰς χεῖρας (zn acc vr mv van het zn cheir : hand - grijper) ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν (act ind praes 3de pers mv van het wkw apokteinô : afsnijden , doden) αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apokateinô : afsnijden , doden) μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται (med ind fut 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) .
-- Ned.: leren . D.: lernen . E.: learn.
-- Hebr.: לָמַד = lâmad. Stam : l - m - d. Gr.: μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô (leren, onderwijzen). μαθητης = mathètès: leerling. Stam : math. Zie Hebr.: m-d . ל = l wordt gebruikt voor de datief: aan, voor. מה = mâh of mah of mèh: vragend vnw wat of welk. למה = lâmmâh of lâmèh: waarom? De ד is de letter daleth: d. Het zou naar iets kunnen verwijzen, een aanwijzend voornaamwoord: dat. We zouden het Hebreeuwse למד = lâmad kunnen vertalen met : voor wat is dat? Waarvoor of waarom is dat? Het is de vraag naar de functionaliteit van het aangeduide. Leren is onderwijzen.
- In het Ned.: dit, dat; ook het bep lidw de. In het Gr.: het bep lidw το = to: de. In het Gr.: δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c. Beide woorden beginnen met een d, dat. In het Grieks kennen we het wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Gr.: δακτυλος = daktulos: vinger Lat.: digitus: vinger - vangen, begrepen vanuit δεικ-νυ-μι = deiknumi: wijzen, tonen zou wijzer (dat! b.v. een vingerwijzing: vermaning) kunnen betekenen. Is in het Nederlands een d een v geworden en werd er vervolgens de nasalisatie met n ingevoerd waardoor we 'v-i-n-g-er' krijgen? In het Hiëroglyfisch wordt de d voorgesteld door een hand met duim. Te onthouden met digitus/doigt.
- Gr.: δεχομαι = dechomai (stam: d - k/ch) wordt in het Latijn vertaald door ac-cipere < ad + capere: tot zich nemen. In het Frans wordt 'ontvangen' door recevoir < het Latijn recipere < re + capere: terug nemen, vertaald. Het Nederlandse kapen: overmeesteren, roven komt van het Latijnse capere.
- Het Nederlandse werkwoord leren en het Hebreuwse werkwoord lamed beginnen met de letter l.

Mc 9,32. οἱ δὲ ἠγνόουν τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο αὐτὸν ἐπερωτῆσαι .
32. οἱ δὲ ἠγνόουν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw agnoô : niet weten) τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο (dep ind imperf 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐπερωτῆσαι (wkw act inf aor van het wkw eperôtaô : vragen bij , ondervragen) .

Mc 9,33. Καὶ ἦλθον εἰς Καφαρναούμ. καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος ἐπηρώτα αὐτούς, Τί ἐν τῇ ὁδῷ διελογίζεσθε;lk
Vertaling: En zij gingen naar Kafarnaüm. En in het huis gekomen ondervraagt hij hen: Waarover discussieerden jullie onderweg?
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναούμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia(i): huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) διελογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren);

Mc 9,34. οἱ δὲ ἐσιώπων, πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν ἐν τῇ ὁδῷ τίς μείζων.
34. οἱ δὲ ἐσιώπων , πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν (med /pass ind aor 3de pers mv van het wkw dialegô : overleggen) ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ὁδῷ τίς μείζων (bv nw vergelijkende trap van het bn megas : groot) .

Mc 9,35. καὶ καθίσας ἐφώνησεν τοὺς δώδεκα καὶ λέγει αὐτοῖς, Εἴ τις θέλει πρῶτος εἶναι ἔσται πάντων ἔσχατος καὶ πάντων διάκονος.
35. καὶ καθίσας (act part aor nom mann enk van het wkw kathizô : neerzitten) ἐφώνησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw fôneô : roepen; zie fônè : stem ; Ned. fonetiek) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δώδεκα καὶ λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς, Εἴ τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) θέλει (act ind praes 3de pers enk van het wkw thelô : willen) πρῶτος εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn) ἔσται (act ind imperf 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) πάντων ἔσχατος (bv nw nom mann enk : laatste) καὶ πάντων διάκονος (zn nom mann enk : dienaar) .

Mc 9,36. καὶ λαβὼν παιδίον ἔστησεν αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὸ εἶπεν αὐτοῖς,
36. καὶ λαβὼν (act part praes nom mann enk van het wkw la-m-b-an-ô : nemen ; stam lab) παιδίον ἔστησεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw histèmi : stellen) αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ ἐναγκαλισάμενος (med part aor nom mann enk van het wkw enagkalizomai : omarmen) αὐτὸ εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς,

Mc 9,37. Ὃς ἂν ἓν τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται: καὶ ὃς ἂν ἐμὲ δέχηται, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐμὲ δέχεται ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά με.
37. Ὃς ἂν ἓν (één) τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται (med ind praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) : καὶ ὃς ἂν ἐμὲ δέχηται (med conjunct praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) , οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἐμὲ δέχεται (med ind praes 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen) ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά (act part aor acc mann enk van het wkw apostellô : afsturen , zenden ; apo-stelJ) με .

Mc 9,38. Ἔφη αὐτῷ ὁ Ἰωάννης, Διδάσκαλε, εἴδομέν τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα δαιμόνια, καὶ ἐκωλύομεν αὐτόν, ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἠκολούθει ἡμῖν.
38. Ἔφη (act ind imperf 3de pers enk van het wkw fèmi : zeggen) αὐτῷ ὁ Ἰωάννης, Διδάσκαλε, εἴδομέν (act ind aor 3de pers enk van de aoristvorm eiden : hij zag ; wkw met 2 verschillende stammen , horaô : zien ; zie Lat. vide-re , visum -> visie) τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα (wkw act part praes acc mann enk van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen) δαιμόνια, καὶ ἐκωλύομεν (act ind imperf 1ste pers mv van het wkw kôluô : verbieden , beletten) αὐτόν, ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) ἡμῖν.

Mc 9,39. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Μὴ κωλύετε αὐτόν, οὐδεὶς γάρ ἐστιν ὃς ποιήσει δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται ταχὺ κακολογῆσαί με:
39. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Μὴ (partikel van ontkenning : niet) κωλύετε (act imperat 2de pers mv van het wkw kôluô : verbieden , beletten) αὐτόν, οὐδεὶς γάρ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) ὃς ποιήσει (wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw poieô = doen) δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται (wkw med fut 3de pers enk van het wkw dunamai=kunnen) ταχὺ κακολογῆσαί (act inf aor van het wkw kakalogeô : slecht spreken , kwaadspreken) με :

Mc 9,40. ὃς γὰρ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν.
40. ὃς γὰρ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἔστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es- , zie Lat.: esse) καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi ποτήριον ὕδατος ἐν ὀνόματι ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὅτι οὐ μὴ ἀπολέσῃ τὸν μισθὸν αὐτοῦ.
41. Ὃς γὰρ ἂν ποτίσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw potizô : drinken) ὑμᾶς ποτήριον (beker) ὕδατος (water) ἐν ὀνόματι ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὅτι οὐ μὴ (partikel van ontkenning : niet) ἀπολέσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw apollumi : derven , ontgaan) τὸν μισθὸν αὐτοῦ .

Mc 9,42. Καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων [εἰς ἐμέ], καλόν ἐστιν αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται μύλος ὀνικὸς περὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ καὶ βέβληται εἰς τὴν θάλασσαν.
42. Καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ (act conjunct aor 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων (act part praes gen mv van het wkw pisteuô : geloven) [εἰς ἐμέ], καλόν ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw perikeimai : liggen rondom) μύλος (molen) ὀνικὸς (< onos : ezel-in , windas , bovenste molensteen) περὶ τὸν τράχηλον (trachèlos : hals , nek) αὐτοῦ καὶ βέβληται (pass ind perf 3de pers enk van het wkw ballô : vallen , werpen) εἰς τὴν θάλασσαν.

Mc 9,43. Καὶ ἐὰν σκανδαλίζῃ σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον αὐτήν: καλόν ἐστίν σε κυλλὸν εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα ἀπελθεῖν εἰς τὴν γέενναν, εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον.
43. Καὶ ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apokoptô : afkappen, afsnijden) αὐτήν: καλόν ἐστίν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) σε κυλλὸν (gebrekkig) εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν ζωὴν ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) ἀπελθεῖν (med inf aor van het wkw aperchomai : afgaan , weggaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) , εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον (a-sbestos : onblusbaar , zie het wkw sbennumi : blussen) .

Mc 9,44. καὶ

Mc 9,45. ἐὰν ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ σε, ἀπόκοψον αὐτόν: καλόν ἐστίν σε εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν ἢ τοὺς δύο πόδας ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν.
45. ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε, ἀπόκοψον (act imperat aor 2de pers enk van het wkw apokoptô : afkappen, afsnijden) αὐτόν: καλόν ἐστίν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) σε εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν (lam) ἢ τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δύο πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) βληθῆναι (pass inf aor van het wkw ballô : vallen , werpen ; stam bal-) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) .

Mc 9,46. καὶ

Mc 9,47. ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ σε, ἔκβαλε αὐτόν: καλόν σέ ἐστιν μονόφθαλμον εἰσελθεῖν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν,
47. ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ (act conjunct praes 3de pers enk van het wkw skandalizô : schandaliseren) σε, ἔκβαλε (act imperat aor 2de pers enk van het wkw ekballô : uitvallen , uitwerpen ; stam bal-) αὐτόν: καλόν σέ ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam es-) μονόφθαλμον (éénoog) εἰσελθεῖν (med inf aor van het wkw eiserchomai : ingaan , binnengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; aoriststam : el- , zie het Fr. al-l-er) εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ἢ δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα (act part praes acc mann enk van het wkw echô : hebben) βληθῆναι (pass inf aor van het wkw ballô : vallen , werpen ; stam bal-) εἰς τὴν γέενναν (gehenna , hel) ,

Mc 9,48. ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται :
48. ὅπου ὁ σκώληξ (worm) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) οὐ τελευτᾷ (act ind imperf 3de pers enk van het wkw teleutaô : sterven , eindigen) καὶ τὸ πῦρ (vuur) οὐ σβέννυται (pass ind praes 3de pers enk van het wkw sbennumi : blussen) :

Mc 9,49. πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται .
49. πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται (pass ind fut 3de pers enk van het wkw sbennumi : blussen) .

Mc 9,50. Καλὸν τὸ ἅλας: ἐὰν δὲ τὸ ἅλας ἄναλον γένηται, ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε; ἔχετε ἐν ἑαυτοῖς ἅλα, καὶ εἰρηνεύετε ἐν ἀλλήλοις.
50. Καλὸν τὸ ἅλας (zout) : ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) δὲ τὸ ἅλας ἄναλον (a-n-halos : zonder zout , zoutloos) γένηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw ginomai : gebeuren , worden) , ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε (act ind fut 2de pers mv van het wkw artuô : kruiden , klaar maken) ; ἔχετε (act ind praes 2de pers mv van het wkw echô : hebben) ἐν ἑαυτοῖς (wederkerig vnw dat mann mv van het vnw heautos : zichzelf) ἅλα , καὶ εἰρηνεύετε (act imperat praes 2de pers mv van het wkw eirèneuô : in vrede leven) ἐν ἀλλήλοις (elk-aar) .

Marcus 10

1Καὶ ἐκεῖθεν ἀναστὰς ἔρχεται εἰς τὰ ὅρια τῆς Ἰουδαίας [καὶ] πέραν τοῦ Ἰορδάνου, καὶ συμπορεύονται πάλιν ὄχλοι πρὸς αὐτόν, καὶ ὡς εἰώθει πάλιν ἐδίδασκεν αὐτούς.

2καὶ προσελθόντες Φαρισαῖοι ἐπηρώτων αὐτὸν εἰ ἔξεστιν ἀνδρὶ γυναῖκα ἀπολῦσαι, πειράζοντες αὐτόν.

3ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς, Τί ὑμῖν ἐνετείλατο Μωϋσῆς; 4οἱ δὲ εἶπαν, Ἐπέτρεψεν Μωϋσῆς βιβλίον ἀποστασίου γράψαι καὶ ἀπολῦσαι. 5ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Πρὸς τὴν σκληροκαρδίαν ὑμῶν ἔγραψεν ὑμῖν τὴν ἐντολὴν ταύτην. 6ἀπὸ δὲ ἀρχῆς κτίσεως ἄρσεν καὶ θῆλυ ἐποίησεν αὐτούς: 7ἕνεκεν τούτου καταλείψει ἄνθρωπος τὸν πατέρα αὐτοῦ καὶ τὴν μητέρα [καὶ προσκολληθήσεται πρὸς τὴν γυναῖκα αὐτοῦ], 8καὶ ἔσονται οἱ δύο εἰς σάρκα μίαν: ὥστε οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι εἰσὶν δύο ἀλλὰ μία σάρξ. 9ὃ οὖν ὁ θεὸς συνέζευξεν ἄνθρωπος μὴ χωριζέτω. 10Καὶ εἰς τὴν οἰκίαν πάλιν οἱ μαθηταὶ περὶ τούτου ἐπηρώτων αὐτόν. 11καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὃς ἂν ἀπολύσῃ τὴν γυναῖκα αὐτοῦ καὶ γαμήσῃ ἄλλην μοιχᾶται ἐπ' αὐτήν, 12καὶ ἐὰν αὐτὴ ἀπολύσασα τὸν ἄνδρα αὐτῆς γαμήσῃ ἄλλον μοιχᾶται. 13Καὶ προσέφερον αὐτῷ παιδία ἵνα αὐτῶν ἅψηται: οἱ δὲ μαθηταὶ ἐπετίμησαν αὐτοῖς. 14ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ἠγανάκτησεν καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Ἄφετε τὰ παιδία ἔρχεσθαι πρός με, μὴ κωλύετε αὐτά, τῶν γὰρ τοιούτων ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ. 15ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὃς ἂν μὴ δέξηται τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς παιδίον, οὐ μὴ εἰσέλθῃ εἰς αὐτήν. 16καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὰ κατευλόγει τιθεὶς τὰς χεῖρας ἐπ' αὐτά. 17Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ εἰς ὁδὸν προσδραμὼν εἷς καὶ γονυπετήσας αὐτὸν ἐπηρώτα αὐτόν, Διδάσκαλε ἀγαθέ, τί ποιήσω ἵνα ζωὴν αἰώνιον κληρονομήσω; 18ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Τί με λέγεις ἀγαθόν; οὐδεὶς ἀγαθὸς εἰ μὴ εἷς ὁ θεός. 19τὰς ἐντολὰς οἶδας: Μὴ φονεύσῃς, Μὴ μοιχεύσῃς, Μὴ κλέψῃς, Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς, Μὴ ἀποστερήσῃς, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα. 20ὁ δὲ ἔφη αὐτῷ, Διδάσκαλε, ταῦτα πάντα ἐφυλαξάμην ἐκ νεότητός μου. 21ὁ δὲ Ἰησοῦς ἐμβλέψας αὐτῷ ἠγάπησεν αὐτὸν καὶ εἶπεν αὐτῷ, Εν σε ὑστερεῖ: ὕπαγε ὅσα ἔχεις πώλησον καὶ δὸς [τοῖς] πτωχοῖς, καὶ ἕξεις θησαυρὸν ἐν οὐρανῷ, καὶ δεῦρο ἀκολούθει μοι. 22ὁ δὲ στυγνάσας ἐπὶ τῷ λόγῳ ἀπῆλθεν λυπούμενος, ἦν γὰρ ἔχων κτήματα πολλά. 23Καὶ περιβλεψάμενος ὁ Ἰησοῦς λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Πῶς δυσκόλως οἱ τὰ χρήματα ἔχοντες εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελεύσονται. 24οἱ δὲ μαθηταὶ ἐθαμβοῦντο ἐπὶ τοῖς λόγοις αὐτοῦ. ὁ δὲ Ἰησοῦς πάλιν ἀποκριθεὶς λέγει αὐτοῖς, Τέκνα, πῶς δύσκολόν ἐστιν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν: 25εὐκοπώτερόν ἐστιν κάμηλον διὰ [τῆς] τρυμαλιᾶς [τῆς] ῥαφίδος διελθεῖν ἢ πλούσιον εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν. 26οἱ δὲ περισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες πρὸς ἑαυτούς, Καὶ τίς δύναται σωθῆναι; 27ἐμβλέψας αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς λέγει, Παρὰ ἀνθρώποις ἀδύνατον ἀλλ' οὐ παρὰ θεῷ, πάντα γὰρ δυνατὰ παρὰ τῷ θεῷ. 28Ἤρξατο λέγειν ὁ Πέτρος αὐτῷ, Ἰδοὺ ἡμεῖς ἀφήκαμεν πάντα καὶ ἠκολουθήκαμέν σοι. 29ἔφη ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν, οὐδείς ἐστιν ὃς ἀφῆκεν οἰκίαν ἢ ἀδελφοὺς ἢ ἀδελφὰς ἢ μητέρα ἢ πατέρα ἢ τέκνα ἢ ἀγροὺς ἕνεκεν ἐμοῦ καὶ ἕνεκεν τοῦ εὐαγγελίου, 30ἐὰν μὴ λάβῃ ἑκατονταπλασίονα νῦν ἐν τῷ καιρῷ τούτῳ οἰκίας καὶ ἀδελφοὺς καὶ ἀδελφὰς καὶ μητέρας καὶ τέκνα καὶ ἀγροὺς μετὰ διωγμῶν, καὶ ἐν τῷ αἰῶνι τῷ ἐρχομένῳ ζωὴν αἰώνιον. 31πολλοὶ δὲ ἔσονται πρῶτοι ἔσχατοι καὶ [οἱ] ἔσχατοι πρῶτοι. 32*)=ησαν δὲ ἐν τῇ ὁδῷ ἀναβαίνοντες εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ἦν προάγων αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐθαμβοῦντο, οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες ἐφοβοῦντο. καὶ παραλαβὼν πάλιν τοὺς δώδεκα ἤρξατο αὐτοῖς λέγειν τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν, 33ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδοθήσεται τοῖς ἀρχιερεῦσιν καὶ τοῖς γραμματεῦσιν, καὶ κατακρινοῦσιν αὐτὸν θανάτῳ καὶ παραδώσουσιν αὐτὸν τοῖς ἔθνεσιν 34καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν καὶ ἀποκτενοῦσιν, καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται. 35Καὶ προσπορεύονται αὐτῷ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης οἱ υἱοὶ Ζεβεδαίου λέγοντες αὐτῷ, Διδάσκαλε, θέλομεν ἵνα ὃ ἐὰν αἰτήσωμέν σε ποιήσῃς ἡμῖν. 36ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Τί θέλετέ [με] ποιήσω ὑμῖν; 37οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δὸς ἡμῖν ἵνα εἷς σου ἐκ δεξιῶν καὶ εἷς ἐξ ἀριστερῶν καθίσωμεν ἐν τῇ δόξῃ σου. 38ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε τί αἰτεῖσθε. δύνασθε πιεῖν τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω, ἢ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθῆναι; 39οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δυνάμεθα. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω πίεσθε καὶ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθήσεσθε, 40τὸ δὲ καθίσαι ἐκ δεξιῶν μου ἢ ἐξ εὐωνύμων οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν ἐμὸν δοῦναι, ἀλλ' οἷς ἡτοίμασται. 41Καὶ ἀκούσαντες οἱ δέκα ἤρξαντο ἀγανακτεῖν περὶ Ἰακώβου καὶ Ἰωάννου. 42καὶ προσκαλεσάμενος αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οἴδατε ὅτι οἱ δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν καὶ οἱ μεγάλοι αὐτῶν κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν. 43οὐχ οὕτως δέ ἐστιν ἐν ὑμῖν: ἀλλ' ὃς ἂν θέλῃ μέγας γενέσθαι ἐν ὑμῖν, ἔσται ὑμῶν διάκονος, 44καὶ ὃς ἂν θέλῃ ἐν ὑμῖν εἶναι πρῶτος, ἔσται πάντων δοῦλος: 45καὶ γὰρ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦλθεν διακονηθῆναι ἀλλὰ διακονῆσαι καὶ δοῦναι τὴν ψυχὴν αὐτοῦ λύτρον ἀντὶ πολλῶν.

Mc 10,46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ. καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν.
Vertaling: En zij gaan naar Jericho en terwijl hij Jericho uitgaat evenals zijn leerlingen en een talrijke menigte zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs, een blinde bedelaar langs de weg.
Mc 10,46 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἰεριχώ (= ierichô: Jericho; zn eigennaam; de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua, zie Joz 6)). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' :vóór een aangeblazen klinker) Ἰεριχὼ (= ierichô: Jericho; zn eigennaam; de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua, zie Joz 6)) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van μαθητης = mathè-tès : leer-ling; wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) ἱκανοῦ (= hikanou: talrijk; bijv nw gen mann enk van het bijv nw ἱκανος = hikanos: voldoende, talrijk) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) υἱὸς (= huios: zoon; zn nom mann enk. Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' :zoon, weer. Aramees: bar) Τιμαίου (= timaiou: van Timeüs; zn eigennaam gen mann enk; - aios: zn -> bv nw: eervol) Βαρτιμαῖος (= bartimaios: Bartimeüs; zn eigennaam nom mann enk. Letterlijk: een eervolle zoon; een Aramees woord nL bar + een Grieks bv nw timaios) τυφλὸς (= tuflos: blinde; zn nom mann enk van het zn τυφλος = tuflos: blinde; Fr: aveugle < ab oculis = beroofd van ogen) προσαίτης (= prosaitès: bedelaar; zn nom mann enk; zie wkw αιτεω = aiteô: vragen, bedelen + voorzetsel προς = pros: naar) ἐκάθητο (= ekathèto: hij zat; wkw med ind imperfect 3de pers enkvan het wkw καθημαι = kathèmai : zich zetten, gaan zitten, zitten) παρὰ (= para: van bij, vanwege, bij, naast; afkorting παρ' = par' ; vz met gen, dat en acc) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδόν (= hodon: weg; zn acc vr enk van het zn ὁδος = hodos: weg).

Mc 10,47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με.
Vertaling: En nadat hij hoorde dat het Jezus de Nazarener is, begon hij te schreeuwen en te zeggen: zoon van David, heb medelijden met mij.
Mc 10,47 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ναζαρηνός (= nadzarènos: Nazarener; uit Nazara; zn nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κράζειν (= kradzein: te krijsen, schreeuwen, roepen; wkw inf praes van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγειν (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Υἱὲ (= huie: zoon; voc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) Δαυὶδ (= dauid: David; zn eigennaam David ; getalswaarde 14) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; voc mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), ἐλέησόν (= eleèson: ontferm u; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

Mc 10,48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με.
Vertaling: en velen bevalen hem opdat hij zou zwijgen, maar hij riep des te meer: zoon van David, heb medelijden met mij.
Mc 10,48 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀκούσας (= akousas: horende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ναζαρηνός (= nadzarènos: Nazarener; uit Nazara; zn nom mann enk) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) κράζειν (= kradzein: te krijsen, schreeuwen, roepen; wkw inf praes van het wkw κραζω = krazô: krijsen, schreeuwen, roepen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγειν (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Υἱὲ (= huie: zoon; voc mann enk van het zn υἱος = huios: zoon; Ned.: zoon. D : Sohn. E : son. In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' : zoon, weer. Aramees: bar) Δαυὶδ (= dauid: David; zn eigennaam David ; getalswaarde 14) Ἰησοῦ (= ièsou: Jezus; voc mann enk eigennaam van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), ἐλέησόν (= eleèson: ontferm u; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw ελεεω = eleeô: medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

Mc 10,49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε.
Vertaling: en nadat Jezus stilstond zei hij: roept hem en zij roepen de blinde zeggende tot hem: heb goede moed, sta recht, hij roept je:
-

Mc 10,50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν.
Vertaling:
-

Mc 10,51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω.
Vertaling:
-

Mc 10,52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ.
Vertaling:
-

Marcus 10,13-16

13 Καὶ προσέφερον αὐτῷ παιδία ἵνα αὐτῶν ἅψηται: οἱ δὲ μαθηταὶ ἐπετίμησαν αὐτοῖς. (En zij bleven kinderen naar hem brengen opdat hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen joegen hen vrees aan.)
13 Καὶ προσέφερον (wkw act ind imperf 3de pers mv ; pros- : voorvoegsel , -e- augment , -fer-: stam , -on : uitgang 3de pers mv. van het wkw prosferô < pros : bij , naar , en ferô : varen , voeren , dragen ; stam : f/v + r) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) παιδία (zn acc onz mv van het zn paidion : kind , peuter ; stam : p + d/t) ἵνα (voegw van doel : opdat) αὐτῶν ἅψηται (med conjunct aor 3de pers enk van het wkw haptomai : raken , aanraken) : οἱ δὲ μαθηταὶ (zn nom mann mv van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; stam m-th) ἐπετίμησαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw epi-timaô : nadrukkelijk vermanen, opdragen , opleggen , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen , vrees aanjagen) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) .
- Waar massa's bijeenkomen rond Jezus , zijn er kinderen bij . Meer nog , de massa's brengen de kinderen naar Jezus . Daarvoor zijn ze gekomen . Ze willen dat Jezus hen aanraakt , hen zegent , hen de handen oplegt . Die stroom naar Jezus blijft maar duren . De leerlingen vinden dat het nu meer dan goed is geweest . Volgens hen gaat teveel aandacht naar de kinderen . En ze vinden ook dat Jezus te veel met de kinderen bezig is . Hij heeft toch nog wel wat anders te doen dan dat . Zijn de leerlingen vergeten wat Jezus hen in Mc 9,36-37 onderrichtte : wie één van zulke kinderen opneemt in mijn naam , neemt niet mij op , maar hem die mij gezonden heeft .

14 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ἠγανάκτησεν καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Ἄφετε τὰ παιδία ἔρχεσθαι πρός με, μὴ κωλύετε αὐτά, τῶν γὰρ τοιούτων ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ. (Maar Jezus zag het en hij was verontwaardigd en hij zei hen : sta toe dat de kinderen naar mij komen , belet het hen niet , want aan dergelijken behoort het koninkrijk van God toe.)
14 ἰδὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw horaô : zien ; stam aor. F-d , zie Lat. videre) δὲ ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) ἠγανάκτησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw aganakteô : ontevreden zijn , toornig zijn , zich ergeren) καὶ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw legô : zeggen; stam aor ep-) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Ἄφετε (wkw act imperat. aor 2de pers mv van het wkw af-ièmi : af-laten , vergeven) τὰ παιδία (zn acc onz mv van het zn paidion : kind , peuter ; stam : p + d/t) ἔρχεσθαι (wkw med inf praes van het wkw erchomai : komen , gaan) πρός με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) , μὴ (part van ontkenning) κωλύετε (act imperat praes 2de pers enk van het wkw kôluô : verhinderen , tegenhouden , belemmeren , verbieden) αὐτά (pers vnw acc onz mv) , τῶν γὰρ τοιούτων (onbep vnw gen onz mv van toioutos : dergelijke) ἐστὶν ἡ βασιλεία τοῦ θεοῦ.
- Jezus ziet dat gebeuren . Hij ergert zich en berispt zijn leerlingen . Hoe het Griekse werkwoord afièmi vertalen : aflaten , weglaten , wegzenden , ophouden ? Wil Jezus zeggen : houdt op met te verhinderen dat de kinderen naar mij komen . Hij zegt hen uitdrukkelijk : belet het hen niet . En de reden is : aan hen behoort het koninkrijk van God . Volgens de leerlingen horen ze er niet thuis , volgens Jezus wel . De kinderen zijn de volgende generatie ; zij zullen vorm geven aan het koninkrijk van God . Kinderen hebben nood aan mensen die ontvankelijk voor hen zijn , hen in de armen sluiten , liefdevol met hen omgaan , hen het beste toewensen voor de toekomst . Kinderen vertrouwen , scheppen geloof , hebben verwachtingen . De leerlingen wilden de kinderen bang maken , ze op afstand houden , ze aan de marge van de samenkomst houden .

15 ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὃς ἂν μὴ δέξηται τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς παιδίον, οὐ μὴ εἰσέλθῃ εἰς αὐτήν. (Voorwaar ik zeg jullie : wie het koninkrijk van God niet zou aannemen als een kind , moge het koninkrijk van God zeker niet binnengaan.)
15 ἀμὴν λέγω ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) , ὃς (betrekk vnw nom mann enk) ἂν (partikel om de mogelijkheid uit te drukken) μὴ (partikel van ontkenning) δέξηται (wkw med conjunct aor 3de pers enk van het wkw dechomai : ontvangen , aannemen) τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ ὡς (partikel van vergelijking) παιδίον, οὐ μὴ (ou mè : zeker niet , om een sterke ontkenning uit te drukken ; Baeyens 283,3) εἰσέλθῃ (wkw med conjunct 3de pers enk van het wkw eis-erchomai : binnengaan ; stam aor elth) εἰς αὐτήν (pers vnw acc vr enk verwijzend naar het koninkrijk van God) .
- De leerlingen krijgen nog een sterkere waarschuwing : je gaat zeker niet binnen in het koninkrijk van God , als je het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind . M.a.w. jullie volwassenen moeten zijn als kinderen om het koninkrijk van God binnen te gaan . De rollen worden omgekeerd . De kinderen behoren al tot het koninkrijk . De volwassenen behoren ertoe op voorwaarde dat ze worden als kinderen . Volwassenen moeten dus nog een stap zetten , ze moeten nog binnengaan .

16 καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὰ κατευλόγει τιθεὶς τὰς χεῖρας ἐπ' αὐτά. (en hij nam hen in de armen en hij sprak de zegen over hen uit terwijl hij de handen op hen legt.)
16 καὶ ἐναγκαλισάμενος (wkw med part aor nom mann enk van het wkw enagkalizomai : in de armen nemen) αὐτὰ (pers vnw acc onz mv) κατευλόγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw kat-eu-logeô : een zegen uitspreken over , zegenen) τιθεὶς (wkw act part praes nom mann enk van het wkw tithèmi : leggen) τὰς χεῖρας (zn acc vr mv van het zn cheir : hand) ἐπ' αὐτά (pers vnw acc onz mv) .
- Jezus neemt de kinderen in de armen , spreekt goeds over hen , over hun toekomst , en legt hen de armen op . Een zegen uitspreken en de handen uitstrekken : Jezus deed het bij het laatste avondmaal bij het breken van het brood en het delen van de beker . Verbondenheid en solidariteit kenmerken de nieuwe gemeenschap , het koninkrijk van God .

We zetten de tekst in een structuur :

17. een aangelopen iemand... vroeg hem (imperfectum) :
"goede leermeester , wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?"
18. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
---------------------- " wat... gij kent de geboden... "
20. hij echter zei (imperfectumvorm) hem :
---------------------- " leermeester, dat alles heb ik onderhouden vanaf mijn jeugd."
21. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
--------------------- " ... ga, verkoop wat je bezit... en jij zult hebben een schat in de hemel,..."
22. hij echter ... ging weg bedroefd...

Vertaling

13 En zij bleven kinderen naar hem brengen opdat hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen joegen hen vrees aan.
14 Maar Jezus zag het en hij was verontwaardigd en hij zei hen : sta toe dat de kinderen naar mij komen , belet het hen niet , want aan dergelijken behoort het koninkrijk van God toe.
15 Voorwaar ik zeg jullie : wie het koninkrijk van God niet zou aannemen als een kind , moge het koninkrijk van God zeker niet binnengaan.
16 en hij nam hen in de armen en hij sprak de zegen over hen uit terwijl hij de handen op hen legt.

Commentaar

13 Waar massa's bijeenkomen rond Jezus , zijn er kinderen bij . Meer nog , de massa's brengen de kinderen naar Jezus . Daarvoor zijn ze gekomen . Ze willen dat Jezus hen aanraakt , hen zegent , hen de handen oplegt . Die stroom naar Jezus blijft maar duren . De leerlingen vinden dat het nu meer dan goed is geweest . Volgens hen gaat teveel aandacht naar de kinderen . En ze vinden ook dat Jezus te veel met de kinderen bezig is . Hij heeft toch nog wel wat anders te doen dan dat . Zijn de leerlingen vergeten wat Jezus hen in Mc 9,36-37 onderrichtte : wie één van zulke kinderen opneemt in mijn naam , neemt niet mij op , maar hem die mij gezonden heeft .

14 Jezus ziet dat gebeuren . Hij ergert zich en berispt zijn leerlingen . Hoe het Griekse werkwoord afièmi vertalen : aflaten , weglaten , wegzenden , ophouden ? Wil Jezus zeggen : houdt op met te verhinderen dat de kinderen naar mij komen . Hij zegt hen uitdrukkelijk : belet het hen niet . En de reden is : aan hen behoort het koninkrijk van God . Volgens de leerlingen horen ze er niet thuis , volgens Jezus wel . De kinderen zijn de volgende generatie ; zij zullen vorm geven aan het koninkrijk van God . Kinderen hebben nood aan mensen die ontvankelijk voor hen zijn , hen in de armen sluiten , liefdevol met hen omgaan , hen het beste toewensen voor de toekomst . Kinderen vertrouwen , scheppen geloof , hebben verwachtingen . De leerlingen wilden de kinderen bang maken , ze op afstand houden , ze aan de marge van de samenkomst houden .

15 De leerlingen krijgen nog een sterkere waarschuwing : je gaat zeker niet binnen in het koninkrijk van God , als je het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind . M.a.w. jullie volwassenen moeten zijn als kinderen om het koninkrijk van God binnen te gaan . De rollen worden omgekeerd . De kinderen behoren al tot het koninkrijk . De volwassenen behoren ertoe op voorwaarde dat ze worden als kinderen . Volwassenen moeten dus nog een stap zetten , ze moeten nog binnengaan .

16 Jezus neemt de kinderen in de armen , spreekt goeds over hen , over hun toekomst , en legt hen de armen op . Een zegen uitspreken en de handen uitstrekken : Jezus deed het bij het laatste avondmaal bij het breken van het brood en het delen van de beker . Verbondenheid en solidariteit kenmerken de nieuwe gemeenschap , het koninkrijk van God .

marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

17 Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ εἰς ὁδὸν προσδραμὼν εἷς καὶ γονυπετήσας αὐτὸν ἐπηρώτα αὐτόν, Διδάσκαλε ἀγαθέ, τί ποιήσω ἵνα ζωὴν αἰώνιον κληρονομήσω;
Vertaling: Terwijl hij zich naar buiten op weg begeeft, kwam iemand naar hem toegelopen en viel op de knieën bij hem : goede leermeester, wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou verwerven?)
17 Καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen.) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk ; losse gen) εἰς ὁδὸν (zn acc mann enk van het zn hodos : weg) προσδραμὼν (wkw act part aor nom mann enk bij het wkw prostrechô : toelopen , aanstormen) εἷς (hoofdtelw : één , iemand) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa)γονυπετήσας (wkw act part aor nom mann enk bij het wkw gonupeteô : op de knieën vallen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) ἐπηρώτα (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw eperotaô : op-vragen , vragen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk) , Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leermeester ; stam dak , zie Lat docere) ἀγαθέ (bn voc mann enk van het bn agathos : goed ; voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) , τί (vrag vn acc onz enk : wat) ποιήσω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw poieô : doen) ἵνα (voegw van doel : opdat) ζωὴν (zn acc vr enk van het zn zôè : leven) αἰώνιον (bn acc vr enk van het bn aiônios : eeuwig) κληρονομήσω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk van het wkw klèronomeô : erven) .
- Bij de aanvang van het vers krijg je de indruk dat iemand naar Jezus toekomt opdat hij hem of een zoon of dochter zou genezen . Het is echter geen vraag naar genezing . Die persoon spreekt Jezus aan met goede leermeester . De persoon stelt de vraag : wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou erven ? De persoon komt dus bij Jezus om raad over de wijze waarop je het eeuwig leven kunt erven . Het lijkt erop dat iemand het eeuwig leven kan erven en dat je het via een bepaalde methode kunt verwerven en dat Jezus over die kennis beschikt en dat Jezus garant staat voor het verwerven ervan als je die methode volgt .
- Wat wordt er bedoeld met eeuwig leven ? Een leven na de dood ? Een leven zonder ooit dood te gaan ? Een goed leven in het land , door God gegeven , als de geboden onderhouden worden , voor nu en later ?

18 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Τί με λέγεις ἀγαθόν; οὐδεὶς ἀγαθὸς εἰ μὴ εἷς ὁ θεός . (Maar Jezus zei hem : wat / waarom zeg je dat ik goed ben ; niemand is goed tenzij de ene God.)
18 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw legô : zeggen ; stam aor : ep-) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Τί (vrag vn acc onz enk : wat) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) λέγεις (wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw legô : zeggen) ἀγαθόν (bn acc mann enk van het bn agathos : goed . voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) ; οὐδεὶς (onep vnw nom mann enk : niemand / niet iemand) ἀγαθὸς (bn nom mann enk van het bn agathos : goed . voorvoegsel a - gath -os ; stam : g - d/t/th) εἰ μὴ (ei mè : - letterlijk - indien niet , tenzij) εἷς (hoofdtelw : één , iemand) ὁ θεός
- Jezus geeft geen antwoord op de vraag van de persoon die tot hem kwam . Hij stelt hem twee tegenvragen . De eerste vraag zou betrekking kunnen hebben op het eeuwig leven , de tweede op de methode om dat te verwerven (Mc 10,19a) . Goed heeft te maken met het verlangen iets te ontvangen , te verwerven . Jezus wijst erop dat hij dat aan God moet vragen . Het eeuwige leven schenken behoort aan God toe . De ene God drukt het universele transcendente uit : alle mensen overstijgend .

19 τὰς ἐντολὰς οἶδας: Μὴ φονεύσῃς, Μὴ μοιχεύσῃς, Μὴ κλέψῃς, Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς, Μὴ ἀποστερήσῃς, Τίμα τὸν πατέρα σου καὶ τὴν μητέρα. (de geboden ken je : dat jij niet dode , dat jij geen overspel bedrijft , dat jij niet vals getuigt , dat jij niet berooft , eer je vader en je moeder.)
19 τὰς ἐντολὰς (zn acc vr mv van het zn entolè : opdracht , gebod , bevel, bepaling) οἶδας (wkw act ind aor 3de pers enk : oida : w-e-t-en , kennen) : Μὴ (partikel van ontkenning) φονεύσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw foneuô : vermoorden , doden) , Μὴ μοιχεύσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw moicheuô : overspel bedrijven , echtbreuk plegen) , Μὴ κλέψῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw kleptô : stelen ; stam praes klep-y-ô), Μὴ ψευδομαρτυρήσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw pseudomartureô : vals getuigen) , Μὴ ἀποστερήσῃς (wkw act conjunct aor 2de pers enk van het wkw apostereô : beroven , benadelen) , Τίμα (wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw timaô : eren ; zie Lat.: timidus : vreesachtig , verlegen ) τὸν πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) σου καὶ τὴν μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) .
- Jezus zegt : je kent de bepalingen . Jezus verwijst naar de tien geboden van Mozes . In het woord bepaling zit het woord paal ; het is een grenspaal . De bepalingen geven de grenzen aan . Binnen die grenzen is veel mogelijk . De bepaling of grenspaal oversteken is fout . Eerst worden 5 verboden gegeven en dan 1 gebod . Het is toch wel opvallend dat de eerste vier geboden niet worden geciteerd . Misschien is het vanuit de gevoeligheid van de evangelist Marcus die zo voorzichtig omgaat met de naam God . Ook de sabbat wordt niet vernoemd . De tien geboden vind je in Ex 20,2-17 en Dt 5,6-21 . Als laatste komt het gebod over het eren van vader en moeder . Misschien wel terecht in een context van erven .

20 ὁ δὲ ἔφη αὐτῷ, Διδάσκαλε, ταῦτα πάντα ἐφυλαξάμην ἐκ νεότητός μου. (Maar hij zei hem : Leermeester , dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd.)
20 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) ἔφη (wkw act imperf 3de pers enk van het wkw fè-mi : zeggen) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Διδάσκαλε (zn voc mann enk van het zn di-da-s-k-alos : leermeester ; stam dak , zie Lat docere) , ταῦτα (aanw vnw acc onz mv : dit) πάντα (bn acc onz mv van het bn pas : al , elk) ἐφυλαξάμην (wkw med ind aor 1ste pers enk van het wkw fulattô : bewaken , bewaren , onderhouden) ἐκ νεότητός (zn gen vr enk van het zn neotès : nieuwheid , jeugd) μου (pers vnw 1ste pers gen mann enk) .
- De persoon laat het woordje goed bij leermeester weg . Hij heeft de les van Jezus begrepen . Hij antwoordt op de tweede vraag van Jezus : over het onderhouden van de bepalingen . Misschien gaat de persoon ervan uit dat zijn vraag wat hij moet doen nu wel gerealiseerd is . Misschien veronderstelt hij nu wel dat hij eeuwig leven zal erven . Reeds bij het begin kregen we de indruk dat het erven van het eeuwig leven afhankelijk was van de gedragswijze en dat je zo het eeuwig leven kon "afkopen" . De persoon heeft de bepalingen onderhouden , bewaard , bewaakt . Hij lijkt wel een conservator .

21 ὁ δὲ Ἰησοῦς ἐμβλέψας αὐτῷ ἠγάπησεν αὐτὸν καὶ εἶπεν αὐτῷ, Εν σε ὑστερεῖ: ὕπαγε ὅσα ἔχεις πώλησον καὶ δὸς [τοῖς] πτωχοῖς, καὶ ἕξεις θησαυρὸν ἐν οὐρανῷ, καὶ δεῦρο ἀκολούθει μοι. (Maar Jezus keek hem aan , hield van hem en zei : één iets ontbreekt je ; ga , zoveel je hebt , verkoopt het en geef het aan de armen en jij zult een schat in de hemel hebben en welaan dan volg mij)
21 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) ἐμβλέψας (wkw part aor nom mann enk van het wkw emblepô : aankijken) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) ἠγάπησεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw agapaô : houden van , beminnen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ εἶπεν (wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw legô : zeggen ; stam aor : ep-) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Εν (hoofdtelw nom onz enk) σε (pers vnw acc mann enk) ὑστερεῖ (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw hustereô : ontbreken): ὕπαγε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw hupagô : gaan , leiden onder) ὅσα (onbep vnw acc onz mv van het onbep vnw hosos : zoveel als) ἔχεις wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw echô : hebben) πώλησον (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw pôleô : verkopen) καὶ δὸς (wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw didômo : geven ; stam do) [τοῖς] πτωχοῖς (bn en zn dat mann mv van ptôchos : arm-e) , καὶ ἕξεις (wkw act ind fut 2de pers enk van het wkw echô : hebben) θησαυρὸν (zn acc onz enk van het zn thèsauron : schat) ἐν οὐρανῷ (zn dat mann enk van het zn ouranos : hemel) , καὶ δεῦρο (partikel : welaan , vervolgens) ἀκολούθει (wkw act imperat praes 2de pers enk. van het wkw akoloutheô : volgen) μοι (pers vnw 1ste pers enk dat mann enk) .
- Heeft Jezus zich vergist ? Dacht hij een vrome jood voor zich te hebben ? Dacht hij dat deze persoon naar de geboden van God luisterde , ze in zich opnam en ernaar leefde ? Dacht Jezus dat de persoon de gaven van God in dankbaarheid ontving ? Dacht Jezus dat deze persoon op zijn vraag positief zou antwoorden ? Had Jezus niet door dat hij misschien te maken kon hebben met iemand die ook het eeuwig leven wou erven , bezitten , met iemand die verzamelt en bewaart ? De wijze waarop de persoon zijn dienst aan God beleeft staat toch in schril contrast met de wijze van de beleving van Jezus . Maar dat komt pas tot uiting op het einde van het verhaal . Jezus is uiterst positief gericht en vol verwachting . Hij kijkt de persoon liefdevol aan en zegt : verkoop al wat je bezit , geef het aan de armen , je zult een schat in de hemel hebben en volg mij . Niets bezitten en Jezus volgen betekent zijn lot in Gods handen leggen , alle veiligheden opgeven , niet wetend wat de toekomst zal brengen . In het vroege christendom was er in Jeruzalem een gemeenschap waarin alles gemeenschappelijk was . Hierdoor kwam zij tegemoet aan de noden van de armen . Er was solidariteit .

22 ὁ δὲ στυγνάσας ἐπὶ τῷ λόγῳ ἀπῆλθεν λυπούμενος, ἦν γὰρ ἔχων κτήματα πολλά. Maar hij werd somber bij dat woord . Hij ging gekwetst weg . Want hij was bezitter van veel wat hij verworven had) .
22 ὁ δὲ (ho de komt 4X voor in Mc 10,17-22) στυγνάσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw stugnazô : somber , treurig zijn) ἐπὶ τῷ λόγῳ (zn dat mann enk van het zn logos : woord) ἀπῆλθεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw aperchomai : weggaan) λυπούμενος (wkw pass part praes nom mann enk van het wkw lupeô : kwetsen , pijn doen) , ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) γὰρ (partikel van reden : want) ἔχων (wkw act part praes nom mann enk van het wkw echô : hebben) κτήματα (zn acc onz mv van het zn ktèma : bezit , verwerving ; zie wkw ktaomai : verwerven) πολλά (bn acc onz mv van het bn polus : veel ; stam : p/v - l) .
- Jezus en zijn leerlingen en later de gemeenschap in Jeruzalem kon wellicht leven dank zij de gaven van anderen . Ik heb de indruk dat Jezus wil zeggen dat de grootste schat bestaat in het geven en niet in het verwerven . De persoon kwam naar Jezus met de vraag hoe hij het eeuwig leven kon verwerven . Jezus verwees de persoon naar God . Hij kan eeuwig leven geven .
- De ontmoeting loopt op een sisser uit . De persoon is in Jezus teleurgesteld en gekwetst .
- In dit verhaal wordt duidelijk hoe je met bezittingen , medemensen en God kan omgaan . Ofwel zijn God en medemensen slechts middelen om het 'eigen bezit' te vergroten en is men op zoek om dat te vergroten . Ofwel sta je met een ontvankelijke en gevende houding in het leven , in dankbvaarheid jegens God en medemensen , open voor wat het leven aan verrassingen kan brengen .
- In het onderricht dat op dit verhaal volgt , gaat Jezus in op de reactie van de persoon .

Vertaling : Marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

17 Terwijl hij zich naar buiten op weg begeeft kwam iemand naar hem toegelopen en viel op de knieën bij hem : goede leermeester , wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou 'verw'erven?

18 Maar Jezus zei hem : wat / waarom zeg je dat ik goed ben ; niemand is goed tenzij de ene God.

19 de geboden ken je : dat jij niet dode , dat jij geen overspel bedrijft , dat jij niet vals getuigt , dat jij niet berooft , eer je vader en je moeder.

20 Maar hij zei hem : Leermeester , dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd.

21 Maar Jezus keek hem aan , hield van hem en zei : één iets ontbreekt je ; ga , zoveel je hebt , verkoopt het en geef het aan de armen en jij zult een schat in de hemel hebben en welaan dan volg mij .

22 Maar hij werd somber bij dat woord . Hij ging gekwetst weg . Want hij was bezitter van veel wat hij verworven had .

Commentaar : Marcus 10,17-22 : de rijke 'jongeling'

- Bij de aanvang van het vers krijg je de indruk dat iemand naar Jezus toekomt opdat hij hem of een zoon of dochter zou genezen . Het is echter geen vraag naar genezing . Die persoon spreekt Jezus aan met goede leermeester . De persoon stelt de vraag : wat zou ik doen opdat ik het eeuwig leven zou erven ? De persoon komt dus bij Jezus om raad over de wijze waarop je het eeuwig leven kunt erven . Het lijkt erop dat iemand het eeuwig leven kan erven en dat je het via een bepaalde methode kunt verwerven en dat Jezus over die kennis beschikt en dat Jezus garant staat voor het verwerven ervan als je die methode volgt .
- Wat wordt er bedoeld met eeuwig leven ? Een leven na de dood ? Een leven zonder ooit dood te gaan ? Een goed leven in het land , door God gegeven , als de geboden onderhouden worden , voor nu en later ?

- Jezus geeft geen antwoord op de vraag van de persoon die tot hem kwam . Hij stelt hem twee tegenvragen . De eerste vraag zou betrekking kunnen hebben op het eeuwig leven , de tweede op de methode om dat te verwerven (Mc 10,19a) . Goed heeft te maken met het verlangen iets te ontvangen , te verwerven . Jezus wijst erop dat hij dat aan God moet vragen . Het eeuwige leven schenken behoort aan God toe . De ene God drukt het universele transcendente uit : alle mensen overstijgend .

- Jezus zegt : je kent de bepalingen . Jezus verwijst naar de tien geboden van Mozes . In het woord bepaling zit het woord paal ; het is een grenspaal . De bepalingen geven de grenzen aan . Binnen die grenzen is veel mogelijk . De bepaling of grenspaal oversteken is fout . Eerst worden 5 verboden gegeven en dan 1 gebod . Het is toch wel opvallend dat de eerste vier geboden niet worden geciteerd . Misschien is het vanuit de gevoeligheid van de evangelist Marcus die zo voorzichtig omgaat met de naam God . Ook de sabbat wordt niet vernoemd . De tien geboden vind je in Ex 20,2-17 en Dt 5,6-21 . Als laatste komt het gebod over het eren van vader en moeder . Misschien wel terecht in een context van erven .

- De persoon laat het woordje goed bij leermeester weg . Hij heeft de les van Jezus begrepen . Hij antwoordt op de tweede vraag van Jezus : over het onderhouden van de bepalingen . Misschien gaat de persoon ervan uit dat zijn vraag wat hij moet doen nu wel gerealiseerd is . Misschien veronderstelt hij nu wel dat hij eeuwig leven zal erven . Reeds bij het begin kregen we de indruk dat het erven van het eeuwig leven afhankelijk was van de gedragswijze en dat je zo het eeuwig leven kon "afkopen" . De persoon heeft de bepalingen onderhouden , bewaard , bewaakt . Hij lijkt wel een conservator .

- Heeft Jezus zich vergist ? Dacht hij een vrome jood voor zich te hebben ? Dacht hij dat deze persoon naar de geboden van God luisterde , ze in zich opnam en ernaar leefde ? Dacht Jezus dat de persoon de gaven van God in dankbaarheid ontving ? Dacht Jezus dat deze persoon op zijn vraag positief zou antwoorden ? Had Jezus niet door dat hij misschien te maken kon hebben met iemand die ook het eeuwig leven wou erven , bezitten , met iemand die verzamelt en bewaart ? De wijze waarop de persoon zijn dienst aan God beleeft staat toch in schril contrast met de wijze van de beleving van Jezus . Maar dat komt pas tot uiting op het einde van het verhaal . Jezus is uiterst positief gericht en vol verwachting . Hij kijkt de persoon liefdevol aan en zegt : verkoop al wat je bezit , geef het aan de armen , je zult een schat in de hemel hebben en volg mij . Niets bezitten en Jezus volgen betekent zijn lot in Gods handen leggen , alle veiligheden opgeven , niet wetend wat de toekomst zal brengen . In het vroege christendom was er in Jeruzalem een gemeenschap waarin alles gemeenschappelijk was . Hierdoor kwam zij tegemoet aan de noden van de armen . Er was solidariteit .

- Jezus en zijn leerlingen en later de gemeenschap in Jeruzalem kon wellicht leven dank zij de gaven van anderen . Ik heb de indruk dat Jezus wil zeggen dat de grootste schat bestaat in het geven en niet in het verwerven . De persoon kwam naar Jezus met de vraag hoe hij het eeuwig leven kon verwerven . Jezus verwees de persoon naar God . Hij kan eeuwig leven geven .
- De ontmoeting loopt op een sisser uit . De persoon is in Jezus teleurgesteld en gekwetst .
- In dit verhaal wordt duidelijk hoe je met bezittingen , medemensen en God kan omgaan . Ofwel zijn God en medemensen slechts middelen om het 'eigen bezit' te vergroten en is men op zoek om dat te vergroten . Ofwel sta je met een ontvankelijke en gevende houding in het leven , in dankbvaarheid jegens God en medemensen , open voor wat het leven aan verrassingen kan brengen .

Marcus 10,23-31

23 Καὶ περιβλεψάμενος ὁ Ἰησοῦς λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Πῶς δυσκόλως οἱ τὰ χρήματα ἔχοντες εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελεύσονται. (En rondgekeken zegt Jezus aan zijn leerlingen : hoe moeilijk zullen zij die bezittingen hebben binnengaan in het koninkrijk van God.)
23 Καὶ περιβλεψάμενος (wkw med part aor nom mann enk van het wkw periblepô : rondkijken) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) τοῖς (bep lidw dat mann mv) μαθηταῖς (zn dat mann mv van het zn math-ètès leer-ling ; stam m-th) αὐτοῦ (pers vnw: 3de pers gen mann enk) , Πῶς (vrag of onbep vnw van wijze : hoe) δυσκόλως (bw : ontevreden, moeilijk) οἱ τὰ χρήματα (zn acc onz mv van het zn chrèma : gebruiksvoorwerp , ding , benodigheid , bezit) ἔχοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw echô : hebben) εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελεύσονται (wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw eiserchomai : binnengaan) .
- Enerzijds sluit het onderricht aan bij het vorige verhaal over de rijke , maar anderzijds richt Jezus zich opnieuw tot zijn leerlingen zoals in het verhaal over de komst van kinderen tot Jezus en over het binnengaan in het koningschap / koninkrijk van God . Wat Jezus aan de rijke vroeg , was solidariteit met elkaar en het opgeven van het vergaren van rijkdom voor zichzelf . Het gaat om een levenshouding .

24 οἱ δὲ μαθηταὶ ἐθαμβοῦντο ἐπὶ τοῖς λόγοις αὐτοῦ. ὁ δὲ Ἰησοῦς πάλιν ἀποκριθεὶς λέγει αὐτοῖς, Τέκνα, πῶς δύσκολόν ἐστιν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν: (Maar de leerlingen zijn verbijsterd bij zijn woorden . Maar Jezus reageert opnieuw en zegt hen : kinderen , hoe moeilijk is het binnengaan in het koningschap van God.)
24 οἱ δὲ μαθηταὶ (zn nom mann mv van het zn mathètès : leerling ; zie het wkw ma-n-th-an-ô : leren ; stam m-th) ἐθαμβοῦντο (wkw pass ind imperf 3de pers enk van het wkw thambeomai : verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) ἐπὶ τοῖς λόγοις (zn dat mann mv van het zn logos : woord) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk) . ὁ δὲ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) πάλιν (partikel , opnieuw ; 40X in Mc) ἀποκριθεὶς (pass part aor nom mann enk van het wkw apo-kri-n-o-mai : antwoorden) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) αὐτοῖς, (pers vnw 3de pers dat mann mv) Τέκνα (zn voc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen) , πῶς (vrag of onbep vnw van wijze : hoe) δύσκολόν (bn nom onz enk van het bn duskolos : ontevreden, moeilijk)ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse)εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw eiserchomai : binnengaan ; stam aor elth) :
- De leerlingen van Jezus reageren op wat Jezus zegt op dezelfde wijze als de rijke . Maar ze gaan echter niet weg . Maar Jezus herhaalt opnieuw zijn woorden . Die woorden herinneren aan het verhaal over de komst van de kinderen . Daarenboven , hier worden de leerlingen kinderen genoemd ; ze zijn bezig geboren te worden . Blijkbaar hebben de leerlingen nog veel van Jezus te leren

25 εὐκοπώτερόν ἐστιν κάμηλον διὰ [τῆς] τρυμαλιᾶς [τῆς] ῥαφίδος διελθεῖν ἢ πλούσιον εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ εἰσελθεῖν. (Het is gemakkelijker dat een kameel door een oog van een naald door te gaan dan dat een rijke binnengaat in het koninkrijk van God .)
25 εὐκοπώτερόν (bn comparatief nom onz enk van het bn eu-kopos : gemakkelijk , zonder moeite)ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse)κάμηλον (zn acc mann enk van het zn kamèlos : kameel) διὰ (voorzetsel : doorheen) [τῆς] τρυμαλιᾶς (zn gen vr enk van het zn trumalia : gat, oog) [τῆς] ῥαφίδος (zn gen vr enk van het zn rafis : naald) διελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw dierchomai : doorgaan ; stam aor elth) ἢ (partikel ; het 2de deel van de vergelijking inleidend) πλούσιον (bn zelfst gebruikt acc mann enk van het bn plousios : rijk-e) εἰς τὴν βασιλείαν (zn acc vr enk van het zn basileia : koningschap , koninkrijk) τοῦ θεοῦ (zn gen mann enk van het zn theos : God ; 31 X in Mc , in Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25) ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) εἰσελθεῖν (wkw med inf aor van het wkw eiserchomai : binnengaan ; stam aor elth) .

26 οἱ δὲ περισσῶς ἐξεπλήσσοντο λέγοντες πρὸς ἑαυτούς, Καὶ τίς δύναται σωθῆναι; (Maar zij raakten overmatig buiten zichzelf en zij zeiden tot elkaar : en wie kan verlost worden ?
26 οἱ δὲ περισσῶς (bw : overmatig, bovenmatig groot) ἐξεπλήσσοντο (wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw ekplèssomai : buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen) πρὸς (vz : naar , bij) ἑαυτούς (wederkerig vnw acc mann mv van het vnw heautos : elkaar) . Καὶ τίς (vrag vns nom mann enk : wie) δύναται (wkw med ind praes 3de pers enk van het wkw dunamai : kunnen) σωθῆναι (wkw pass inf aor van het wkw sôzô : redden , verlossen) ;
- Ook nu gaan de leerlingen niet weg . Zij zijn wel overmatig buiten, zichzelf . Ze stellen aan elkaar de vraag : en wie kan verlost worden ? Zij zien niet in dat het mogelijk is geen bezit na te streven maar totaal in solidariteit te leven , gericht op God en mensen . De naam God wordt gebruikt wanneer het individuele overstegen wordt en het universele wordt bedoeld . Het is het vogelperspectief .

27 ἐμβλέψας αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς λέγει, Παρὰ ἀνθρώποις ἀδύνατον ἀλλ' οὐ παρὰ θεῷ, πάντα γὰρ δυνατὰ παρὰ τῷ θεῷ . (Jezus keek hen aan en zegt : bij mensen is het onmogelijk , maar niet bij God , want alles is mogelijk bij God) .
27 ἐμβλέψας ((wkw act part aor nom mann enk van het wkw emblepô : aankijken ; Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,27 ) . αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) λέγει (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw legô : zeggen) , Παρὰ (vz + dat : vanwege) ἀνθρώποις (zn dat mann mv van het zn anthôpos : mens) ἀδύνατον (bn nom onz enk van het bn adunatos : onmogelijk) ἀλλ' (voegw van tegenstelling alla : maar) οὐ (partikel van ontkenning) παρὰ (vz + dat : vanwege) θεῷ (zn dat mann enk van het zn theos : God ; 2X in Mc ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) , πάντα (bn nom onz mv van het bn pas : al , elk) γὰρ (partikel van reden) δυνατὰ (bn nom onz mv van het bn dunatos : mogelijk) παρὰ (vz + dat : vanwege) τῷ θεῷ (zn dat mann enk van het zn theos : God ; 2X in Mc ; gebruik van het woord theos : God in Mc : 44X) .
- Zinnen als "alles is mogelijk bij God" buiten hun context riepen vele reacties op . Het gaat hier over het loskomen van de gerichtheid om bezit te verwerven . Onder mensen gaat het vaak om concurrentie in plaats van solidariteit . Bij God gaat het om het laatste : solidariteit onder mensen . Het gaat niet om bezit maar om het gebruik van het noodzakelijke .

28 Ἤρξατο λέγειν ὁ Πέτρος αὐτῷ, Ἰδοὺ ἡμεῖς ἀφήκαμεν πάντα καὶ ἠκολουθήκαμέν σοι. (Petrus begon hem te zeggen . Zie , wij verlieten alles en zijn jou gevolgd.)
28 Ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : aanvangen , beginnen) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô : zeggen) (èrxato legein : hij begon te zeggen . Mc (5) : (1) Mc 10,28 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 10,47 . (4) Mc 13,5 . (5) Mc 14,69 ) . ὁ Πέτρος (zn nom mann enk : Petrus) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk) , Ἰδοὺ (tussenwerpsel : zie) ἡμεῖς (pers vn 1ste pers mann mv) ἀφήκαμεν (wkw act ind aor 1ste pers mv van het wkw af-ièmi : af-laten , verlaten) πάντα (bn acc onz mv van het bn pas : al , elk) καὶ ἠκολουθήκαμέν (wkw act ind perf 1ste pers mv van het wkw akoloutheô : volgen) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) .
- Jezus stelde de rijke voor om alles te verkopen , het aan de armen te geven en Jezus te volgen . Petrus sluit bij dat woord aan . Wij hebben alles verlaten en wij zijn jou gevolgd . Wat nu ? Jezus had wel gesproken over een schat in de hemel , maar dat is voor Petrus wellicht niet voldoende . Het is zo vaag en zo verweg .

29 ἔφη ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν, οὐδείς ἐστιν ὃς ἀφῆκεν οἰκίαν ἢ ἀδελφοὺς ἢ ἀδελφὰς ἢ μητέρα ἢ πατέρα ἢ τέκνα ἢ ἀγροὺς ἕνεκεν ἐμοῦ καὶ ἕνεκεν τοῦ εὐαγγελίου, (Jezus zei : voorwaar ik zeg jullie , er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of kinderen omwille van mij en omwille van het evangelie verliet)
29 ἔφη (wkw act imperf 3de pers enk van het wkw fè-mi : zeggen) ὁ Ἰησοῦς (zn eigennaam nom mann enk : 57X in Mc , 16X in Mc 10) , Ἀμὴν (voorwaar) λέγω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw legô : zeggen) ὑμῖν (= humin: aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), οὐδείς (onbep nw nom mann enk : niemand) ἐστιν (act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn) ὃς (betrekk vnw nom mann enk) ἀφῆκεν (wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw af-ièmi : af-laten , verlaten) οἰκίαν (zn acc vr enk van het zn oikia : huis) ἢ (partikel : of) ἀδελφοὺς (zn acc mann mv van het zn adelfos : broer) ἢ (partikel : of) ἀδελφὰς (zn acc vr mv van het wkw adelfè : zuster) ἢ (partikel : of) μητέρα (zn acc vr enk van het zn mè-tèr : moe-der) ἢ (partikel : of) πατέρα (zn acc mann enk van het zn pa-tèr : va-der) ἢ (partikel : of) τέκνα (zn acc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen) ἢ (partikel : of) ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker ; stam : g/k - r) ἕνεκεν (omwille van) ἐμοῦ (pers vnw gen mann enk) καὶ ἕνεκεν (omwille van) τοῦ εὐαγγελίου (zn gen onz enk van het zn euaggelion : goede booschap , evangelie) ,

30 ἐὰν μὴ λάβῃ ἑκατονταπλασίονα νῦν ἐν τῷ καιρῷ τούτῳ οἰκίας καὶ ἀδελφοὺς καὶ ἀδελφὰς καὶ μητέρας καὶ τέκνα καὶ ἀγροὺς μετὰ διωγμῶν, καὶ ἐν τῷ αἰῶνι τῷ ἐρχομένῳ ζωὴν αἰώνιον. (of hij niet honderdvoudig moge ontvangen nu in deze tijd huizen en broers en zussen en kinderen en akkers met vervolgingen en in de komende tijd het eeuwig leven .)
30 ἐὰν (ondergeschikt voegw van voorwaarde + conjunct : in-dien , als) μὴ (partikel van ontkenning : niet) λάβῃ (wkw act conjunct 3de pers enk van het wkw la-m-b-an-ô : nemen , ontvangen) ἑκατονταπλασίονα (bn acc onz mv van het bn hekatontaplasiôn : honderdvoudig) νῦν (bijw van tijd : nu) ἐν τῷ καιρῷ (zn dat mann enk van het zn kairos : tijd , gunstig moment) τούτῳ (aanw vnw dat mann enk van houtos : deze) οἰκίας (zn acc vr mv van het zn oikia : huis) καὶ ἀδελφοὺς (zn acc mann mv van het zn adelfos : broer) καὶ ἀδελφὰς (zn acc vr mv van het wkw adelfè : zuster) καὶ μητέρας (zn acc vr mv van het zn mè-tèr : moe-der) καὶ τέκνα (zn acc onz mv van het zn teknon : kind ; zie het wkw tik-tô : ter wereld brengen , baren , voortbrengen καὶ ἀγροὺς (zn acc mann mv van het zn agros : akker) μετὰ (vz : met) διωγμῶν (zn gen mann mv van het zn diôgmos : vervolging) , καὶ ἐν τῷ αἰῶνι (zn dat mann enk van het zn aiôn : tijd , wereld) τῷ ἐρχομένῳ (wkw med part praes dat mann enk van het wkw erchomai : komen) ζωὴν (zn acc vr enk van het zn zôè : leven) αἰώνιον (bn acc vr enk van het bn aiônios : eeuwig) .
- Het gaat om de levenshouding van ontvangen . Het gaat niet om individueel bezit maar om gemeenschappelijk bezit en misschien zelfs dat niet ; misschien gaat het om een solidaire samenleving , waarin het delen en het gebruik belangrijker is dan het bezit .

31 πολλοὶ δὲ ἔσονται πρῶτοι ἔσχατοι καὶ [οἱ] ἔσχατοι πρῶτοι. (Vele eersten zullen laatsten zijn en de laatsten zullen eersten zijn.)
31 πολλοὶ (bn nom mann mv van het bn polus : veel ; stam p/v - l) δὲ ἔσονται (wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw eimi : zijn) πρῶτοι (rangtelwoord nom mann mv van prôtos : eerste) ἔσχατοι (bn nom mann mv van het bn eschatos : laatste) καὶ [οἱ] ἔσχατοι (bn nom mann mv van het bn eschatos : laatste) πρῶτοι (rangtelwoord nom mann mv van prôtos : eerste) .
- Er zijn twee levenshoudingen : die van het nooit vervulde verlangen naar bezit en die van solidariteit . Wie maar alles wil bezitten , zal verliezen ; wie durft geven en solidair zijn , zal ontvangen .

Vertaling Marcus 10,23-31 : onderricht

23 En rondgekeken zegt Jezus aan zijn leerlingen : hoe moeilijk zullen zij die bezittingen hebben binnengaan in het koninkrijk van God.

24 Maar de leerlingen zijn verbijsterd bij zijn woorden . Maar Jezus reageert opnieuw en zegt hen : kinderen , hoe moeilijk is het binnengaan in het koningschap van God.

25 Het is gemakkelijker dat een kameel door een oog van een naald door te gaan dan dat een rijke binnengaat in het koninkrijk van God .

26 Maar zij raakten overmatig buiten zichzelf en zij zeiden tot elkaar : en wie kan verlost worden ?

27 Jezus keek hen aan en zegt : bij mensen is het onmogelijk , maar niet bij God , want alles is mogelijk bij God .

28 Petrus begon hem te zeggen . Zie , wij verlieten alles en zijn jou gevolgd.

29 Jezus zei : voorwaar ik zeg jullie , er is niemand die huis of broers of zussen of moeder of vader of kinderen of kinderen omwille van mij en omwille van het evangelie verliet .

30 of hij niet honderdvoudig moge ontvangen nu in deze tijd huizen en broers en zussen en kinderen en akkers met vervolgingen en in de komende tijd het eeuwig leven .

31 Vele eersten zullen laatsten zijn en de laatsten zullen eersten zijn.

Structuur

  Mc 10,2-12  Mc 10,17-22  Mc 10,35-45   Mc 10,13-16 Mc 10,23-31
inleiding      35.      
      36.  ho de (hij echter)      
A : vraag Mc 10,2  ... epèrôtôn auton (vroegen hem) ... 17.  epijroota auton (vroeg hem) 37. hoi de (zij echter) A 13a 23.
B : wedervraag 3. ho de  (hij echter) 18.  ho de (hij echter) 38. ho de (hij echter)  B 13b. 24a
        C   24b-25
B' : antwoord op wedervraag 4a. hoi de  (zij echter) 20. ho de (hij echter)   39a. hoi de (zij echter) B' 14-15 26
A' : antwoord op de beginvraag  4b. ho de (hij echter)  11- 12 21. ho de (hij echter)  39b-40. ho de (hij echter)  A' 16 27
   265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 // Mt 19,3-9  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 // Mt 20,20-23   267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27

Commentaar Marcus 10,23-31 : onderricht

- Enerzijds sluit het onderricht aan bij het vorige verhaal over de rijke , maar anderzijds richt Jezus zich opnieuw tot zijn leerlingen zoals in het verhaal over de komst van kinderen tot Jezus en over het binnengaan in het koningschap / koninkrijk van God . Wat Jezus aan de rijke vroeg , was solidariteit met elkaar en het opgeven van het vergaren van rijkdom voor zichzelf . Het gaat om een levenshouding .

- De leerlingen van Jezus reageren op wat Jezus zegt op dezelfde wijze als de rijke . Maar ze gaan echter niet weg . Maar Jezus herhaalt opnieuw zijn woorden . Die woorden herinneren aan het verhaal over de komst van de kinderen . Daarenboven , hier worden de leerlingen kinderen genoemd ; ze zijn bezig geboren te worden . Blijkbaar hebben de leerlingen nog veel van Jezus te leren . Om zijn woorden kracht bij te zetten gebruikt Jezus het beeld van de kameel die door het nauwe poortje van een poort van Jeruzalem de stad kan binnegaan .

- Ook nu gaan de leerlingen niet weg . Zij zijn wel overmatig buiten, zichzelf . Ze stellen aan elkaar de vraag : en wie kan verlost worden ? Zij zien niet in dat het mogelijk is geen bezit na te streven maar totaal in solidariteit te leven , gericht op God en mensen . De naam God wordt gebruikt wanneer het individuele overstegen wordt en het universele wordt bedoeld . Het is het vogelperspectief .

- Zinnen als "alles is mogelijk bij God" buiten hun context riepen vele reacties op . Het gaat hier over het loskomen van de gerichtheid om bezit te verwerven . Onder mensen gaat het vaak om concurrentie in plaats van solidariteit . Bij God gaat het om het laatste : solidariteit onder mensen . Het gaat niet om bezit maar om het gebruik van het noodzakelijke .

- Jezus stelde de rijke voor om alles te verkopen , het aan de armen te geven en Jezus te volgen . Petrus sluit bij dat woord aan . Wij hebben alles verlaten en wij zijn jou gevolgd . Wat nu ? Jezus had wel gesproken over een schat in de hemel , maar dat is voor Petrus wellicht niet voldoende . Het is zo vaag en zo verweg .

- Het gaat om de levenshouding van ontvangen . Het gaat niet om individueel bezit maar om gemeenschappelijk bezit en misschien zelfs dat niet ; misschien gaat het om een solidaire samenleving , waarin het delen en het gebruik belangrijker is dan het bezit .

- Er zijn twee levenshoudingen : die van het nooit vervulde verlangen naar bezit en die van solidariteit . Wie maar alles wil bezitten , zal verliezen ; wie durft geven en solidair zijn , zal ontvangen .

Mc 10,32. ησαν δὲ ἐν τῇ ὁδῷ ἀναβαίνοντες εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ἦν προάγων αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐθαμβοῦντο, οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες ἐφοβοῦντο. καὶ παραλαβὼν πάλιν τοὺς δώδεκα ἤρξατο αὐτοῖς λέγειν τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν, 
- ησαν δὲ ἐν τῇ  (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ὁδῷ ἀναβαίνοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen (Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn), in 7 door εις = eis: naar + acc (Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) , καὶ ἦν  (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk (< ησ-εν = èsen?) van het wkw ειμι = eimi: zijn ; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) προάγων (wkw act part praes van het wkw proagôi : voorleiden) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὁ Ἰησοῦς, (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) καὶ ἐθαμβοῦντο (wkw pass ind imperf 3de pers mv van het wkw thambeomai : verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) , οἱ δὲ ἀκολουθοῦντες  (act ind part praes nom mann mv van het wkw akoloutheô : volgen) ἐφοβοῦντο (dep ind imperf 3de pers mv van het wkw fobeomai : vrezen) . καὶ παραλαβὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw para-la-m-ba-n-ô : naast zich nemen) πάλιν τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)  δώδεκα ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) αὐτοῖς λέγειν (act inf praes van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) τὰ μέλλοντα αὐτῷ συμβαίνειν (wkw act inf praes van het wkw sumbainô : samengaan ; bainô : Ned.: banen (?), 

Mc 10,33 ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν (wkw act ind praes 1ste pers mv van het wkw anabainô : opgaan ; bainô : Ned.: banen (?) εἰς Ἱεροσόλυμα, καὶ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδοθήσεται τοῖς ἀρχιερεῦσιν καὶ τοῖς γραμματεῦσιν, καὶ κατακρινοῦσιν αὐτὸν θανάτῳ καὶ παραδώσουσιν αὐτὸν τοῖς ἔθνεσιν 
- ὅτι Ἰδοὺ ἀναβαίνομεν εἰς Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen (Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn), in 7 door εις = eis: naar + acc (Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) , καὶ  ὁ (bep lidw nom mann enk) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) παραδοθήσεται (pass ind fut 3de pers enk van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) τοῖς ἀρχιερεῦσιν (zn dat mann mv van het zn arch-iereus : hoge-priester) καὶ τοῖς γραμματεῦσιν (zn dat mann mv van het zn grammateus : schrift-geleerde ; zie gra-mma : geschrift ; stam : gra-): , καὶ κατακρινοῦσιν (act ind fut 3de pers mv van het wkw katakrinô : oordelen tegen , veroordelen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk)  θανάτῳ (dat.  mann. enk. thanatôi (ter dood) van het zelfst. naamw. thanatos : dood ; stam : tha , zie het wkw apo-th-n-è-sk-ô : sterven) )καὶ παραδώσουσιν (act  ind fut 3de pers mv van het wkw paradidômi : overleveren , door-geven) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) τοῖς ἔθνεσιν (zn dat mann mv van het zn ethnos : heidenvolk)  

Mc 10,34 καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν καὶ ἀποκτενοῦσιν, καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται. 
- καὶ ἐμπαίξουσιν αὐτῷ καὶ ἐμπτύσουσιν (wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw  emptuô (spuwen op of in : in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) . Hebr. raq (speeksel) ; râqaq (spuwen) . Gr. emptuô < en-ptuô . Lat. conspuere < con -spuere . Ned. spuwen . Eerste lijdensaankondiging : Mc 10,34 : emptusousin (zij zullen bespuwen) // Lc 18,32 : emptusthèsetai (hij zal bespuwd worden) . Uitvoering : Mc 14,65 : emptuein (bespuwen) . // Mt 26,67 : Tote eneptusan eis to prosôpon autou = Toen spuwden ze naar /in zijn aangezicht . Deze zin grijpt terug naar Js 50,6 : to de prosôpon mou ouk apestrepsa apo aischunès emptusmatôn : mijn aangezicht echter heb ik niet afgewend van de schande van bespuwingen . Ook Mt 27,30 : emptusantes eis auton (naar / op hem gespuwd) . In al deze verzen komt de vorm slechts 1X voor in de bijbel) .αὐτῷ καὶ μαστιγώσουσιν αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) καὶ ἀποκτενοῦσιν (wkw act. ind. fut. 3de pers. mv. apoktenousin (zij zullen doden) van het werkw. apokteinô (doden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits : töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors , mortis) .
Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 . καὶ μετὰ τρεῖς ἡμέρας ἀναστήσεται (med ind fut 3de pers enk van het wkw anistèmi : opstaan) . 

Mc 10,35 Καὶ προσπορεύονται αὐτῷ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης οἱ υἱοὶ Ζεβεδαίου λέγοντες αὐτῷ, Διδάσκαλε, θέλομεν ἵνα ὃ ἐὰν αἰτήσωμέν σε ποιήσῃς ἡμῖν. (En Jakobus en Johannes , de zonen van Zebedeüs , begeven zich op weg naar hem en zeggen hem : "Leermeester , wij willen dat jij voor ons zoudt doen wat wij in geval je zouden vragen)
- Καὶ (nevensch vw : en) προσπορεύονται (wkw med ind. praes. 3de pers. mv. prosporeuontai : zij begeven zich op weg naar , van het werkw. prosporeuomai : zich op weg begeven naar ; dit is de enigste vorm in Mc.) αὐτῷ  (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) : hem , van het pers. vnw autos) Ἰάκωβος  (zn nom. mann. enk. iakôbos : Jakobus . Mc (2) : (1) Mc 10,35 . (2) Mc 13,3 . Er zijn twee Jakobussen : - Jakobus , zoon van Zebedeüs , broer van Johannes . Jakobus , zoon van Alfeüs) καὶ (nevensch vw : en) Ἰωάννης (zn nom. mann. enk. Iôannès :Johannes) οἱ  (bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) υἱοὶ (zn nom. mann. mv. huioi (zonen) van het zn. huios : zoon) Ζεβεδαίου (zn gen. mann. enk. zebedaiou : Zebedeüs , van het zn. zebedaios : Zebedeüs) λέγοντες (wkw act. part. praes. nom. mann. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô : zeggen ; stam : leg en ep) ) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos), Διδάσκαλε (zn voc. mann. enk. didaskale : leermeester) van het zn. didaskalos : leraar , leermeester) , θέλομεν (wkw act. ind. praes. 1ste pers. mv.  : (wij willen , van het wkw. thelô :willen) ἵνα (voegw van doel)  ὃ (betrekk. vmw. acc. onz. enk) ἐὰν (voegw van voorwaarde) αἰτήσωμέν (wkw act. conj. aor. 1ste pers. mv. aitèsômen : wij vragen , van het werkw. aiteô : vragen, bedelen) σε (pers. vmw. acc. mann enk. se :jou) ποιήσῃς (wkw act. conj. aor. 2de pers. enk. poièsè(i)s  (jij doet) van het werkw. poieô :doen, maken) ἡμῖν ( pers. vmw. dat. mann mv. hèmin : ons van het pers. vmw hèmeis) .
-- Samengestelde wkw. van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) .
--- eisporeuomai (zich op weg begeven) . Verschillende vormen in 8 verzen in Mc .
--- ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Verschillende vormen in 11 verzen in Mc .
--- paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Verschillende vormen in 4 verzen .
--- prosporeuomai (zich op weg begeven naar) . In 1 vorm in Mc .
-- wat je zou ... vragen , willen , doen , geven .
- Mc 6,22 : aitèson me ho ean thelè(i)s (vraag mij wat je zou willen) kai dôsô soi (en ik zal het je geven) . De vraag van Herodes aan de dochter van Herodias .
- Mc 6,23 : ho ti ean me aitè(i)sès dôsô soi (wat je me zoudt vragen , ik zal het jou geven) .
- Mc 10,35 : thelomen hina ho ean aitèsômen se poièsè(i)s .hèmin (wij willen opdat je zoudt willen doen wat wij je zouden vragen) . De vraag van Jakobus en Johannes aan Jezus . In Mc 10,37 staat de vraag met iets geven te maken : dos hèmin (geef ons) .
-- Relatie van vragen en doen in Mc 15,8 : èrxato aiteisthai kathôs epoiei autois (het begon te vragen zoals hij voor hen deed) . Op dit verzoek van het volk stelt Pilatus hij het voor de keuze voor tussen Barabbas of Jezus
-- nom. mann. enk. iakôbos (Jakobus) . Mc (2) : (1) Mc 10,35 . (2) Mc 13,3 . In Mc 10,35 worden de twee broers zonen van Zebedeüs genoemd . Zo verwijst dit naar Mc 1,19 - Mc 1,20 .

Mc 10,36 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Τί θέλετέ [με] ποιήσω ὑμῖν; (Hij echter zei hen : wat willen jullie ? Wat zal ik voor jullie doen?)
- ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) θέλετέ (wkw act. ind. praes. 2de pers. mv (jullie willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) [με (pers vnw acc mann enk)] ποιήσω (wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw poieô : doen , handelen) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) ; 

Mc 10,37 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δὸς ἡμῖν ἵνα εἷς σου ἐκ δεξιῶν καὶ εἷς ἐξ ἀριστερῶν καθίσωμεν ἐν τῇ δόξῃ σου. (zij echter zeiden hem : geef ons opdat wij zouden zitten één aan jouw rechterkant , de ander aan jouw linkerkant ) .
-  οἱ (bep lidw nom mann mv , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπαν (act ind 2de aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos) , Δὸς (wkw act imperat aor : geef , van het werkw. didômi : geven; stam : do- , zie Lat.: dare , donum) ἡμῖν (pers vnw 1ste pers dat mv : aan ons) ἵνα (onderschikk voegw van doel : opdat) εἷς (hoofdtelw : één)  σου (pers vnw gen mann enk : van u) ἐκ (vz van plaats : uit , vanuit) δεξιῶν (gen. mv. : rechts , van het bv nw dexios : rechts) καὶ (nevensch vw : en) εἷς (hoofdtelw : één) ἐξ (vz van plaats vóór een klinker : uit , vanuit) ἀριστερῶν (zn gen. mv. aristerôn : links , van het bv nw aristeros : links, linker . Mc (1) : Mc 10,37) καθίσωμεν  (act. conj. aor. 1ste pers. mv. :wij zouden zitten , van het werkw. kathizô : zitten) ἐν (vz van plaats : in) τῇ  (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) (bep lidw dat vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de /het) δόξῃ (zn dat vr enk van het zn doxè : heerlijkheid) σου (pers vnw gen mann enk)
-- en tè(i) doxè(i) (in de heerlijkheid van ... Mc (2) : (1) Mc 8,38 . (2) Mc 10,37 .
-- - act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos : geef , van het werkw. didômi : geven . Mc (2) : (1) Mc 10,21 . (2) Mc 10,37 .

Mc 10,38 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδατε τί αἰτεῖσθε. δύνασθε πιεῖν τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω, ἢ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθῆναι; (Jezus echter zei hen : Jullie weten niet wat jullie vragen : kunnen juliie de beker drinken die ik drink of het doopsel dat ik zal dopen om gedoopt te worden ) ;
- ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen acc onz enk leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning vóór een klinker) οἴδατε (act. ind. aor 2de pers. mv. oidate : jullie weten , van het werkw. oida : ik weet ; stam : w - d/t) τί  (vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw tis , ti : wie wat ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) αἰτεῖσθε (med ind praes 2de pers mv , van het werkw. aiteô : vragen, bedelen) δύνασθε (wkw med of pass ind praes 2de pers mv : jullie kunnen , van het wkw dunami : kunnen) πιεῖν (wkw act inf aor van het wkw pinô : drinken) : τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) ποτήριον (zn acc. onz. enk. potèrion : beker) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) πίνω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw pinô : drinken) , ἢ (partikel van vergelijking) τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) βάπτισμα  (zn acc. onz. enk. baptisma : doopsel) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) βαπτίζομαι (pass. ind. praes. 1ste pers. enk. : ik word gedoopt , van het werkw. baptizô : dopen)  βαπτισθῆναι (pass. inf. aor. : om gedoopt te worden , van het wkw baptizô : dopen)

Mc 10,39 οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Δυνάμεθα. ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὸ ποτήριον ὃ ἐγὼ πίνω πίεσθε καὶ τὸ βάπτισμα ὃ ἐγὼ βαπτίζομαι βαπτισθήσεσθε, (Zij echter zeiden hem . Wij kunnen dat . Jezus echter zei hen : de beker die ik drink zullen jullie drinken en het doopsel dat ik gedoopt word zullen jullie gedoopt worden.)
- οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) εἶπαν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτῷ (pers. vnw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. vnw autos) , Δυνάμεθα. ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107 : "In de indicatief : zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) ,  τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) ποτήριον (zn acc. onz. enk. potèrion : beker) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) πίνω (wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw pinô : drinken) πίεσθε (wkw act ind fut 2de pers mv : jullie zullen drinken , van het wkw pinô : drinken) καὶ  (nevensch vw : en) τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) βάπτισμα  (zn acc. onz. enk. baptisma : doopsel) ὃ (betrekk vnw ; de Griekse h wordt w) ἐγὼ (pers vnw nom mann enk : ik) βαπτίζομαι (pass. ind. praes. 1ste pers. enk. : ik word gedoopt , van het werkw. baptizô : dopen) βαπτισθήσεσθε ( (wkw pass ind fut 2de pers mv : jullie zullen gedoopt worden , van het wkw baptizô : dopen) .
-- ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 12,17 . In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in . In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden : is het toegelaten...) . In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in .

Mc 10,40 τὸ δὲ καθίσαι ἐκ δεξιῶν μου ἢ ἐξ εὐωνύμων οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν ἐμὸν δοῦναι, ἀλλ' οἷς ἡτοίμασται. (<wat echter het zitten aan mijn rechter- of aan mijn linkerkant , het is niet het mijne om te geven , maar voor wie het werd bereid.)
- τὸ (bep lidw acc onz enk , , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δὲ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) καθίσαι (wkw act inf aor : zitten , van het werkw. kathizô : zitten) ἐκ (vz van plaats : uit , vanuit) δεξιῶν (gen. mv. : rechts , van het bv nw dexios : rechts)  μου (pers vns gen mann enk : van mij) ἢ (partikel van vergelijking)  ἐξ (vz van plaats vóór een klinker : uit , vanuit) εὐωνύμων (zn gen. mv. : links geplaatst , van het bv nw euônumos : links geplaatst , linker . Mc (1) : Mc 10,37) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning vóór een klinker)  ἔστιν (wkw act ind praes 3de pers enk : het is , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἐμὸν (bezitt vnw 1ste pers onz enk : het mijne) δοῦναι (wkw act. inf. aor. dounai : om te geven , van het werkw. didômi : geven; stam : do-) , ἀλλ' (nevensch voegw van tegenstelling , alla : maar)  οἷς (betrekk vnw dat mann mv : voor wie) ἡτοίμασται (wkw pass ind perf 3de pers enk : het is bereid geworden van het wkw hetoimazô : bereiden) .

Mc 10,41 Καὶ ἀκούσαντες οἱ δέκα ἤρξαντο ἀγανακτεῖν περὶ Ἰακώβου καὶ Ἰωάννου. 
- Καὶ (nevensch voegw : en)  ἀκούσαντες (act part aor nom mann mv van het wkw akouô : horen , luisteren) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δέκα (hoofdtelw : tien)  ἤρξαντο (wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw archomai = beginnen) ἀγανακτεῖν (wkw act ind praes van het wkw aganaktô : verontwaardigd zijn , zich ergeren) περὶ (voorzetsel : over ; stam : p/v - r) Ἰακώβου (zn gen mann enk van de eigennaam iakôbos : Jakobus) .καὶ (nevensch. vw : en) Ἰωάννου (zn gen mann enk van de eigennaam Iôannès : Johannes) .

Mc 10,42 καὶ προσκαλεσάμενος αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οἴδατε ὅτι οἱ δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν καὶ οἱ μεγάλοι αὐτῶν κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν. 
- καὶ (nevensch voegw : en) προσκαλεσάμενος (wkw med part aor nom. mann. enk. proskalesamenos : samengeroepen , van het werkw. proskaleomai : bij zich roepen) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het)  Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (act ind praes 3de pers enk van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτοῖς (pers vnw 3de pers dat mann mv) , Οἴδατε (act. ind. aor 2de pers. mv. oidate : jullie weten , van het werkw. oida : ik weet ; stam : w - d/t) ὅτι (ondergeschikt voegw om acc-zin in te leiden) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) δοκοῦντες ἄρχειν τῶν ἐθνῶν κατακυριεύουσιν αὐτῶν  (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καὶ (nevensch voegw : en) οἱ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) μεγάλοι αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατεξουσιάζουσιν αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
--

Mc 10,43 οὐχ οὕτως δέ ἐστιν ἐν ὑμῖν: ἀλλ' ὃς ἂν θέλῃ μέγας γενέσθαι ἐν ὑμῖν, ἔσται ὑμῶν διάκονος, (niet op deze wijze echter is hij echter onder jullie , maar wie groot zou willen worden onder jullie , hij zal dienaar van jullie zijn)
- οὐχ (partikel van ontkenning vóór een spiritus asper) οὕτως (bijw. van vergelijking : op deze wijze) δέ  (partikel van lichte tegenstelling : echter) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἐν (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) : ἀλλ' (voegw van tegenstelling : maar) ὃς (betrekk vnw nom mann enk : wie) ἂν (partikel van mogelijkheid) θέλῃ (wkw act. conj. praes. 3de pers. enk. thelè(i) (hij zou willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) μέγας (bijv nw nom mann enk : groot) γενέσθαι (med inf aor van het wkw ginomai : gebeuren , worden ; stam : gen) ἐν  (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) , ἔσται (wkw act ind fut 3de pers enk : hij zal zijn , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ὑμῶν (pers vnw 2de pers gen mann mv : van u ; Ned. : u) διάκονος (zn nom mann enk : dienaar) , 

Mc 10,44 καὶ ὃς ἂν θέλῃ ἐν ὑμῖν εἶναι πρῶτος, ἔσται πάντων δοῦλος: (en wie zou willen zijn onder jullie eerste , hij zal van allen dienaar zijn)
- καὶ (nevensch voegw : en) ὃς (betrekk vnw nom mann enk : wie) ἂν (partikel van mogelijkheid) θέλῃ (wkw act. conj. praes. 3de pers. enk. thelè(i) (hij zou willen) van het werkw. thelô : willen ; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t ; stam: th/w - l) ἐν (voorzetsel van plaats) ὑμῖν (pers vnw 2de pers dat mann mv : Ned.: u) εἶναι (act inf praes van het wkw eimi: zijn ; stam : es-) πρῶτος (rangtelw nom mann enk : eerste ; Lat.: primus) , ἔσται (wkw act ind fut 3de pers enk : hij zal zijn , van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) πάντων (bijv nw zelfstandig gebruikt gen mann mv : van allen , van het bijv nw pas , pasa , pan : ieder , elk , al) δοῦλος (zn nom mann enk : slaaf, dienaar) :

Mc 10,45 καὶ γὰρ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦλθεν διακονηθῆναι ἀλλὰ διακονῆσαι καὶ δοῦναι τὴν ψυχὴν αὐτοῦ 

λύτρον ἀντὶ πολλῶν. (want ook de mensenzoon kwam niet om te worden gediend , maar om te dienen en zijn leven te geven ter wille van velen)
- καὶ (nevensch voegw : en) γὰρ (nevensch voegw van reden)  ὁ (bep lidw nom mann enk , ho , hè , to ; Ned.: de /het) υἱὸς (nom mann enk zn : zoon) τοῦ (bep lidw gen mann enk) ἀνθρώπου (gen mann enk van het zn anthrôpos : mens) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning vóór een klinker) ἦλθεν (med ind aor 3de pers enk ; wkw met verschillende stammen: erchomai - el : gaan; Baeyens nr 136 blz 102 ; Fr. al-l-er)  διακονηθῆναι (wkw pass inf aor : om gediend te worden , van het wkw diakoneô : dienen) ἀλλὰ (nevensch voegw van tegenstelling : maar) διακονῆσαι (wkw act inf aor : om te dienen , van het wkw diakoneô : dienen) καὶ (nevensch voegw : en) δοῦναι (wkw act. inf. aor. dounai : om te geven , van het werkw. didômi : geven; stam : do-) τὴν (bep lidw acc vr enk van het bep lidw ho , hè , to ; Ned.: de , het) ψυχὴν (zn acc. vr. enk. van het zn. psuchè : adem, geest, leven) αὐτοῦ (pers vnw gen mann enk : van hem , van het pers vnw autos) λύτρον (zn acc. onz. enk. lutron : losprijs)  ἀντὶ (voorzetsel : ter wille van , tegenover) πολλῶν (bijv nw zelfstandig gebruikt gen. mv. pollôn : van velen , van het bijv nw polus : veel ; stam : p/v - l) ) .

Mc 10,46-52 : de blinde Bartimeüs

46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ. καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν. 47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με. 48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με. 49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε. 50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν. 51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω. 52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ.

Mc 10,46 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἰεριχώ καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἀπὸ Ἰεριχὼ καὶ τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ ὄχλου ἱκανοῦ ὁ υἱὸς Τιμαίου Βαρτιμαῖος τυφλὸς προσαίτης ἐκάθητο παρὰ τὴν ὁδόν. (en zij gaan naar Jericho en terwijl hij en zijn leerlingen en een talrijke menigte zich op weg begeeft uit Jericho zat de zoon van Timaios , Bartimeüs , een blinde bedelaar , langs de weg .)
- Καὶ  (nevensch voegw : en) ἔρχονται (wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw erchomai : gaan ; wkw-tijden met 2 verschillende styammen : erch- en el- ; zie Bayerens nr. 133) εἰς (voorzetsel van plaats : naar) Ἰεριχώ (plaatsnaam : Jericho : de eerste veroverde stad bij de verovering van Kanaän door Jozua , zie Joz 6) . καὶ  (nevensch voegw : en) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen.) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) ἀπὸ (voorzetsel van plaats - verwijdering : vanaf ; apo en Ned. af) Ἰεριχὼ (plaatsnaam : Jericho) καὶ  (nevensch voegw : en) τῶν (bep lidw gen mann mv tôn (de) . Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) μαθητῶν (zn gen mann mv van het zn nw mathè-tès : leer-ling, wkw ma-n-th-an-ô: leren) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) καὶ (nevensch voegw : en) ὄχλου (zn gen mann enk van het zn ochlos : massa , menigte) ἱκανοῦ (bijv nw gen mann enk hikanou van het bijv nw hikanos : voldoende, talrijk) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) υἱὸς (zn nom mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Τιμαίου (eigennaam gen mann enk ; - aios : zn -> bijv nw : eervol) Βαρτιμαῖος (eigennaam Bartimeüs . Letterlijk : een eervolle zoon ; een Aramees woord nL bar + een Grieks bijvoegl nw timaios) τυφλὸς (zn nom mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) προσαίτης (zn nom mann enk : bedelaar ; zie wkw aiteô : vragen , bedelen + voorzetsel pros : naar) ἐκάθητο (wkw med ind imperfect 3de pers enk εκαθητο = ekathèto  (hij zat) van het wkw. καθημαι = kathèmai : zich zetten, gaan zitten, zitten) παρὰ (voorzetsel van plaats : langs , naast) τὴν (bep lidw acc vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) ὁδόν (zn acc vr enk van het zn hodos : weg) .
-- erchontai + eis (naar) + plaatsbepaling :
(1) Mc 5,38 (erchontai eis ton oikon...= zij gaan naar het huis van de overste van de synagoge) .
(2) Mc 8,22 (erchontai eis tèn Betsaïdan = zij gaan naar Betsaïda) .
(3) Mc 10,46 (erchontai eis Ierichô = zij gaan naar Jericho) .
(4) Mc 11,15 (erchontai eis Hierosoluma = zij gaan naar Jeruzalem) .
(5) Mc 11,27 (erchontai palin eis Hierosoluma = zij gaan opnieuw naar Jeruzalem) .
(6) Mc 14,32 (erchontai eis chôrion hou to onoma Gethsèmani = zij gaan naar de plaats waarvan de naam Getsemani) .
In Mc 8,22 en Mc 10,46 staat de zin aan het begin van de pericope . Hierop volgt telkens een verhaal van de genezing van een blinde . Na de pericope Mc 8,22-26 volgt de pericope van de belijdenis van Petrus . In de pericope Mc 10,46-52 staan we voor de poorten van Jeruzalem . Op deze pericope volgt de intrede van Jezus in Jeruzalem
-- ekporeuomenou autou = terwijl hij (Jezus) zich naar buiten op weg begeeft . Losse genitief in Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . In Mc 10,17 vertrekt Jezus uit een huis in de streek van Juda , in Mc 10,46 uit de stad Jericho en in Mc 13,1 uit de tempel van Jeruzalem . Mc 10,17 leidt het verhaal van de rijke man in , die Jezus uiteindelijk niet zal volgen . Mc 10,46 leidt het verhaal van de blinde Bartimeüs in , die Jezus zal volgen . Mc 13,1 leidt het verhaal van de voorzegging van het einde van de tempel in .
-- Jezus , het volk en de leerlingen bijeen :
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen het volk met zijn leerlingen) in Mc (1) : Mc 8,34 .
- in de losse genitief : autou ... kai tôn mathètôn autou kai ochlou hinaou (hij zelf en zijn leerlingen en een talrijke menigte) in Mc (1) : Mc 10,46 .
-- In Mc 8,22-26 wordt de blinde bij Jezus gebracht en wordt hij door Jezus genezen zonder enige inbreng van de blinde zelf . In Mc 10,46-52 komt de blinde na herhaaldelijk aandringen bij Jezus en spreekt de blinde zijn verlangen uit om te zien .
- In het verhaal van Bartimeüs gaat het om zien . In het verhaal van het 'lege' graf is meerdere malen sprake van zien (Mc 16,1-8) .
- Bartimeïs zit in de marge . De anderen bevinden zich op de weg . Wat is het marginale (vertolkt door Bartimeus) dat door Jezus de hoofdstroom zal worden , want Jezus brengt Bartimeüs op de weg . Veronderstel dat de blinde bedelaar Bartimeüs met Jezus is meegegaan en Jezus is gevolgd tot aan het graf en dat hij het is die zegt : "Hij is niet hier . Hij gaat u voor naar Galilea . Daar zult gij hem zien." dan zou hij wel eens de eerste "gelovige" zijn die getuigt dat Jezus verder leeft over de dood heen . De hoofdstroom wordt het geloof in de verder levende Jezus nl in zijn vroegere leefmilieu . Bartimeüs zou dus kunnen staan voor de metamorfose van de groep leerlingen rond Jezus : van hun mening dat het met Jezus gedaan is met zijn kruisdood naar het geloof dat hij in hun gemeenschap verder leeft . Dat komt tot uiting bij het breken van het brood en het delen van de beker.
- De rijke jongeling werd uitgenodigd om alles te verkopen en Jezus te volgen . Hij deed het niet . Doordat Jezus alles losliet , konden gemeenschappen van delen ontstaan . Dat zag de rijke jongeling niet .
- In Mc 16,5 zien de vrouwen een jongeling zitten aan de rechterkant van de plaats waar ze Jezus hebben neergelegd , omwikkeld met een wit kleed . In Mc 10,46 lezen we : de zoon van Timeûs , Bartimeüs , zat langs de weg (waarlangs Jezus zou komen) (met een mantel om zich heen) .

Mc 10,47 καὶ ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ὁ Ναζαρηνός ἐστιν ἤρξατο κράζειν καὶ λέγειν, Υἱὲ Δαυὶδ Ἰησοῦ, ἐλέησόν με. (en gehoord hebbende dat het Jezus de Nazarener is , begon hij te roepen en te zeggen : "Zoon van David, ontferm u over mij".)
- καὶ (nevensch voegw : en) ἀκούσας (wkw act part aor nom mann enk van het wkw akouô : horen , luisteren) ὅτι (voegwoord dat een objectszin inleidt) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ναζαρηνός (zn nom mann enk : Nazarener ; uit Nazara - ènos) ἐστιν (wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw eimi : zijn ; stam : es-) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai : aanvangen , beginnen) κράζειν (wkw inf praes van het wkw krazô = krijsen) καὶ (nevensch voegw : en) λέγειν (wkw act inf praes van het wkw legô: zeggen , l-eg - Ned. z-eg - aor ep) , Υἱὲ (zn voc mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Δαυὶδ (zn eigennaam David ; getalswaarde 14) Ἰησοῦ (voc mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) , ἐλέησόν (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw eleô : zich ontfermen over) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) .
- Nog een verband tussen dit verhaal van de blinde Bartimeüs met het lege grafverhaal : In Mc 16,6 zegt de jongeling : "Jij zoekt Jezus de Nazarener". Blijkbaar kent de jongeling Jezus zoals in Mc 10,47.

Mc 10,48 καὶ ἐπετίμων αὐτῷ πολλοὶ ἵνα σιωπήσῃ: ὁ δὲ πολλῷ μᾶλλον ἔκραζεν, Υἱὲ Δαυίδ, ἐλέησόν με. (en velen berispen hem opdat hij zou zwijgen ; hij echter riep des te meer : "zoon van David , ontferm u over mij".)
- καὶ  (nevensch voegw : en) ἐπετίμων (wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw epitimaô : eren , berispen , vermanen) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) πολλοὶ (bn nom mann mv van het bn polus : veel ; stam p/v - l) ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) σιωπήσῃ (wkw act iconjunct aor 3de pers enk van het wkw siiôpaô : zwijgen) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) πολλῷ (bn dat onz enk van het bn polus : veel ; stam p/v - l) μᾶλλον (bijw : meer) ἔκραζεν (wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw krazô = krijsen) , Υἱὲ (zn voc mann enk . Ned.: zoon . D. : Sohn . E. : son . In het hiëroglyfisch geeft de eend de klankwaarde s' (zoon) weer . - Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Hebreeuws : בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . b/p/v/f - n . - Lat.: filius . Fr. : fils - Gr. : υἰος = huios ; Aramees : bar) Δαυίδ (zn eigennaam David ; getalswaarde 14) , ἐλέησόν (wkw act imperat 2de pers enk van het wkw eleô : zich ontfermen over) με (pers vnw 1ste pers acc mann enk) .

Mc 10,49 καὶ στὰς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Φωνήσατε αὐτόν. καὶ φωνοῦσιν τὸν τυφλὸν λέγοντες αὐτῷ, Θάρσει, ἔγειρε, φωνεῖ σε. (en Jezus staande zei : roept hem , en zij roepen de blinde zeggende hem : heb goede moed , sta op , hij roept je .)
- καὶ  (nevensch voegw : en) στὰς (wkw act part aor nom mann enk : staande , van het wkw istèmi : staan ; stam : sta-) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Φωνήσατε (wkw act imperat aor 2de pers mv  fônèsate (roept) van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw autos) . καὶ  (nevensch voegw : en) φωνοῦσιν (wkw act ind praes 3de pers mv : zij roepen , van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) τυφλὸν (zn acc mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) λέγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw legô : zeggen ; l-eg - Ned. z-eg - aor ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Θάρσει (wkw act imperat praes. 2de pers. enk. tharsei : heb moed , van het wkw tharseô : vol goede moed zijn , moed hebben), ἔγειρε (wkw act imperat praes 2de pers enk van het wkw egeirô = opwekken , 'opstaan') , φωνεῖ (wkw act ind praes 3de pers enk : hij roept , van het wkw. foneô : roepen, schreeuwen) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) .

Mc 10,50 ὁ δὲ ἀποβαλὼν τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ ἀναπηδήσας ἦλθεν πρὸς τὸν Ἰησοῦν. (Hij echter afgeworpen zijn mantel , op zijn voeten gestaan kwam naar Jezus .)
- (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) ἀποβαλὼν (wkw act part aor nom mann enk van het wkw ballô : werpen) τὸ (bep lidw onz mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) ἱμάτιον (zn acc onz enk van het zn kledingstuk , mantel) αὐτοῦ (pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw autos) ἀναπηδήσας (wkw act part aor nom mann enk anapèdèsas : opgesprongen , van het werkw. anapèdaô : opspringen , op zijn poten komen) ἦλθεν πρὸς (voorzetsel van plaats : naar) τὸν (bep lidw acc mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦν (acc mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a : hij brengt redding van het wkw jâsj‘a : redden ; Gr. sôzô) .

Mc 10,51 καὶ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Τί σοι θέλεις ποιήσω; ὁ δὲ τυφλὸς εἶπεν αὐτῷ, Ραββουνι, ἵνα ἀναβλέψω. (en geantwoord zei Jezus hem : Wat wil jij dat ik voor jou doe ? De blinde echter zei hem : Mijn Heer , opdat ik opkijk .)
- καὶ  (nevensch voegw : en) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) , Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) σοι (pers vnw 2de pers dat mann enk) θέλεις (wkw act ind praes 2de pers enk : jij wilt , van het wkw thelô : willen ; Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will) ποιήσω (wkw act ind fut 1ste pers enk van het wkw poieô : doen , handelen) ; (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) δὲ (nevenschikkend vw met lichte tegenstelling : echter) τυφλὸς (zn nom mann enk τυφλος = tuflos : blinde : Hebr.: `iwwer ; Lat. caecus . Fr. aveugle < ab oculis = beroofd van ogen . D. blind . E. blind) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Ραββουνι (Aramees : mijn Heer) , ἵνα (ondergeschikt vw van doel : opdat) ἀναβλέψω (wkw act conjunct aor 1ste pers enk : ik zou opkijken , van het wkw ana-blepô : op-zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en)

Mc 10,52 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Υπαγε, ἡ πίστις σου σέσωκέν σε. καὶ εὐθὺς ἀνέβλεψεν, καὶ ἠκολούθει αὐτῷ ἐν τῇ ὁδῷ. (en Jezus zei hem : Ga , jouw geloof heeft jou blijvend gered en hij keek onmiddellijk op en hij volgde Jezus op de weg .)
- καὶ (nevensch voegw : en) (bep lidw nom mann enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) , Υπαγε (wkw act imperat  praes 2de pers enk hupage : ga weg, vertrek , van het wkw. hupagô : onder iets brengen, weggaan) , ἡ (bep lidw nom vr enk . zie Gr. : to.. , tè... N. : de . E. : the . D. : der , die , das) πίστις (zn nom vr enk , pi-s-t-is : geloof , vertrouwen ; Lat. fid-es , Fr. foi) σου (pers vnw 2de pers gen mann enk) . σέσωκέν (wkw act ind perf 3de pers enk , van het wkw sôdzô : redden ; zie het verband met de vermelding van de naam Jèsous / Jehosjûa = redding van het wkw jâsj`a en sôdzô: redden; stam sj) σε (pers vnw 2de pers acc mann enk) καὶ (nevensch voegw : en) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀνέβλεψεν (wkw act ind aor 3de pers enk : hij keek op , van het wkw ana-blepô : op-zien ; ble-p-ô , Ned. bli-k-k-en) , καὶ (nevensch voegw : en) ἠκολούθει (act ind imperf 3de pers enk van het werkw akoloutheô: volgen; acolyten in de mis gaan meestal vóór de priester) αὐτῷ (pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw autos) ἐν (voorzetsel van plaats : in , op) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ὁδῷ (zn dat vr enk van het zn hodos : weg) .

Marcus 11

1Καὶ ὅτε ἐγγίζουσιν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς Βηθφαγὴ καὶ Βηθανίαν πρὸς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν, ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ 2καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν κώμην τὴν κατέναντι ὑμῶν, καὶ εὐθὺς εἰσπορευόμενοι εἰς αὐτὴν εὑρήσετε πῶλον δεδεμένον ἐφ' ὃν οὐδεὶς οὔπω ἀνθρώπων ἐκάθισεν: λύσατε αὐτὸν καὶ φέρετε. 3καὶ ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ, Τί ποιεῖτε τοῦτο; εἴπατε, Ὁ κύριος αὐτοῦ χρείαν ἔχει, καὶ εὐθὺς αὐτὸν ἀποστέλλει πάλιν ὧδε. 4καὶ ἀπῆλθον καὶ εὗρον πῶλον δεδεμένον πρὸς θύραν ἔξω ἐπὶ τοῦ ἀμφόδου, καὶ λύουσιν αὐτόν. 5καί τινες τῶν ἐκεῖ ἑστηκότων ἔλεγον αὐτοῖς, Τί ποιεῖτε λύοντες τὸν πῶλον; 6οἱ δὲ εἶπαν αὐτοῖς καθὼς εἶπεν ὁ Ἰησοῦς: καὶ ἀφῆκαν αὐτούς. 7καὶ φέρουσιν τὸν πῶλον πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἐπιβάλλουσιν αὐτῷ τὰ ἱμάτια αὐτῶν, καὶ ἐκάθισεν ἐπ' αὐτόν. 8καὶ πολλοὶ τὰ ἱμάτια αὐτῶν ἔστρωσαν εἰς τὴν ὁδόν, ἄλλοι δὲ στιβάδας κόψαντες ἐκ τῶν ἀγρῶν. 9καὶ οἱ προάγοντες καὶ οἱ ἀκολουθοῦντες ἔκραζον, Ὡσαννά: Εὐλογημένος ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου: 10Εὐλογημένη ἡ ἐρχομένη βασιλεία τοῦ πατρὸς ἡμῶν Δαυίδ: Ὡσαννὰ ἐν τοῖς ὑψίστοις. 11Καὶ εἰσῆλθεν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς τὸ ἱερόν: καὶ περιβλεψάμενος πάντα, ὀψίας ἤδη οὔσης τῆς ὥρας, ἐξῆλθεν εἰς Βηθανίαν μετὰ τῶν δώδεκα. 12Καὶ τῇ ἐπαύριον ἐξελθόντων αὐτῶν ἀπὸ Βηθανίας ἐπείνασεν. 13καὶ ἰδὼν συκῆν ἀπὸ μακρόθεν ἔχουσαν φύλλα ἦλθεν εἰ ἄρα τι εὑρήσει ἐν αὐτῇ, καὶ ἐλθὼν ἐπ' αὐτὴν οὐδὲν εὗρεν εἰ μὴ φύλλα: ὁ γὰρ καιρὸς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦν σύκων. 14καὶ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτῇ, Μηκέτι εἰς τὸν αἰῶνα ἐκ σοῦ μηδεὶς καρπὸν φάγοι. καὶ ἤκουον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ. 15Καὶ ἔρχονται εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ εἰσελθὼν εἰς τὸ ἱερὸν ἤρξατο ἐκβάλλειν τοὺς πωλοῦντας καὶ τοὺς ἀγοράζοντας ἐν τῷ ἱερῷ, καὶ τὰς τραπέζας τῶν κολλυβιστῶν καὶ τὰς καθέδρας τῶν πωλούντων τὰς περιστερὰς κατέστρεψεν, 16καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤφιεν ἵνα τις διενέγκῃ σκεῦος διὰ τοῦ ἱεροῦ. 17καὶ ἐδίδασκεν καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Οὐ γέγραπται ὅτι Ὁ οἶκός μου οἶκος προσευχῆς κληθήσεται πᾶσιν τοῖς ἔθνεσιν; ὑμεῖς δὲ πεποιήκατε αὐτὸν σπήλαιον λῃστῶν. 18καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς, καὶ ἐζήτουν πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν: ἐφοβοῦντο γὰρ αὐτόν, πᾶς γὰρ ὁ ὄχλος ἐξεπλήσσετο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ. 19Καὶ ὅταν ὀψὲ ἐγένετο, ἐξεπορεύοντο ἔξω τῆς πόλεως. 20Καὶ παραπορευόμενοι πρωῒ εἶδον τὴν συκῆν ἐξηραμμένην ἐκ ῥιζῶν. 21καὶ ἀναμνησθεὶς ὁ Πέτρος λέγει αὐτῷ, Ῥαββί, ἴδε ἡ συκῆ ἣν κατηράσω ἐξήρανται. 22καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Ἔχετε πίστιν θεοῦ, 23ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ὃς ἂν εἴπῃ τῷ ὄρει τούτῳ, Ἄρθητι καὶ βλήθητι εἰς τὴν θάλασσαν, καὶ μὴ διακριθῇ ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ ἀλλὰ πιστεύῃ ὅτι ὃ λαλεῖ γίνεται, ἔσται αὐτῷ. 24διὰ τοῦτο λέγω ὑμῖν, πάντα ὅσα προσεύχεσθε καὶ αἰτεῖσθε, πιστεύετε ὅτι ἐλάβετε, καὶ ἔσται ὑμῖν. 25καὶ ὅταν στήκετε προσευχόμενοι, ἀφίετε εἴ τι ἔχετε κατά τινος, ἵνα καὶ ὁ πατὴρ ὑμῶν ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς ἀφῇ ὑμῖν τὰ παραπτώματα ὑμῶν. 26Καὶ 27ἔρχονται πάλιν εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ ἐν τῷ ἱερῷ περιπατοῦντος αὐτοῦ ἔρχονται πρὸς αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι 28καὶ ἔλεγον αὐτῷ, Ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιεῖς; ἢ τίς σοι ἔδωκεν τὴν ἐξουσίαν ταύτην ἵνα ταῦτα ποιῇς; 29ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ἐπερωτήσω ὑμᾶς ἕνα λόγον, καὶ ἀποκρίθητέ μοι, καὶ ἐρῶ ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ: 30τὸ βάπτισμα τὸ Ἰωάννου ἐξ οὐρανοῦ ἦν ἢ ἐξ ἀνθρώπων; ἀποκρίθητέ μοι. 31καὶ διελογίζοντο πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντες, Ἐὰν εἴπωμεν, Ἐξ οὐρανοῦ, ἐρεῖ, Διὰ τί [οὖν] οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπιστεύσατε αὐτῷ; 32ἀλλὰ εἴπωμεν, Ἐξ ἀνθρώπων; ἐφοβοῦντο τὸν ὄχλον, ἅπαντες γὰρ εἶχον τὸν Ἰωάννην ὄντως ὅτι προφήτης ἦν. 33καὶ ἀποκριθέντες τῷ Ἰησοῦ λέγουσιν, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδαμεν. καὶ ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οὐδὲ ἐγὼ λέγω ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ.

Mc 11.1 Καὶ ὅτε ἐγγίζουσιν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς Βηθφαγὴ καὶ Βηθανίαν πρὸς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν, ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ
1 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ὅτε (= hote: toen; ondergeschikt vw van tijd) ἐγγίζουσιν (= eggidzousin: zij naderen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εγγιζω = eggizô: naderen) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn, in 7 door εις = eis: naar + acc Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθφαγὴ (= bèthfagè = Bethfage; zn eigennaam, plaatsnaam; בית פגי; "huis van onrijpe vijgen", Hebr.: fag = Ned.: vijg) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) Βηθανίαν (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, acc vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – beth staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor:armoede, lijden) πρὸς (= pros: naar, bij, vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ὄρος (= oros: berg; zn acc onz enk) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἐλαιῶν (= elaiôn: van de olijven; zn gen onz mv van het zn ελαιον = elaion: olie), ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen , afzenden) δύο (= duo: twee; hoofdtelw; Lat.: duo. Fr.: deux) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) μαθητῶν (= mathètôn: van de leerlingen; zn gen mann mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren, onderwijzen; zie na het vers Mc 11,1: leren) αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
-- Ned.: leren . D.: lernen . E.: learn.
-- Hebr.: לָמַד = lâmad. Stam : l - m - d. Gr.: μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô (leren, onderwijzen). μαθητης = mathètès: leerling. Stam : math. Zie Hebr.: m-d . ל = l wordt gebruikt voor de datief: aan, voor. מה = mâh of mah of mèh: vragend vnw wat of welk. למה = lâmmâh of lâmèh: waarom? De ד is de letter daleth: d. Het zou naar iets kunnen verwijzen, een aanwijzend voornaamwoord: dat. We zouden het Hebreeuwse למד = lâmad kunnen vertalen met : voor wat is dat? Waarvoor of waarom is dat? Het is de vraag naar de functionaliteit van het aangeduide. Leren is onderwijzen.
- In het Ned.: dit, dat; ook het bep lidw de. In het Gr.: het bep lidw το = to: de. In het Gr.: δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c. Beide woorden beginnen met een d, dat. In het Grieks kennen we het wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Gr.: δακτυλος = daktulos: vinger Lat.: digitus: vinger - vangen, begrepen vanuit δεικ-νυ-μι = deiknumi: wijzen, tonen zou wijzer (dat! b.v. een vingerwijzing: vermaning) kunnen betekenen. Is in het Nederlands een d een v geworden en werd er vervolgens de nasalisatie met n ingevoerd waardoor we 'v-i-n-g-er' krijgen? In het Hiëroglyfisch wordt de d voorgesteld door een hand met duim. Te onthouden met digitus/doigt.
- Gr.: δεχομαι = dechomai (stam: d - k/ch) wordt in het Latijn vertaald door ac-cipere < ad + capere: tot zich nemen. In het Frans wordt 'ontvangen' door recevoir < het Latijn recipere < re + capere: terug nemen, vertaald. Het Nederlandse kapen: overmeesteren, roven komt van het Latijnse capere.
- Het Nederlandse werkwoord leren en het Hebreuwse werkwoord lamed beginnen met de letter l.

Mc 11.2 καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν κώμην τὴν κατέναντι ὑμῶν, καὶ εὐθὺς εἰσπορευόμενοι εἰς αὐτὴν εὑρήσετε πῶλον δεδεμένον ἐφ' ὃν οὐδεὶς οὔπω ἀνθρώπων ἐκάθισεν: λύσατε αὐτὸν καὶ φέρετε.
2 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ὑπάγετε (= hupagete: gaat weg, vertrekt; wkw act imperat pras 2de pers mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: onder iets brengen, weggaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) κώμην (= kômèn: dorp; zn acc vr enk van het zn κωμη = kômè: dorp) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) κατέναντι ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) εἰσπορευόμενοι (= eisporeuomenoi: de zich op weg begevende naar; wkw med part praes nom mann mv van het wkw εισ-πορευομαι = eis-poreuomai: zich op weg begeven naar) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) αὐτὴν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὑρήσετε (= heurèstete: jullie zullen vinden; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: p:v - l) δεδεμένον (= dedemenon: gebonden; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien) ἐφ' (επι = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en εφ' = ef' (vóór een aangeblazen klinker); vr van plaats) ὃν (= hon; betrekk vnw acc mann enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) οὐδεὶς οὔπω ἀνθρώπων ἐκάθισεν: λύσατε (= lusate: maakt los; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw λυω = luô: los-sen, los maken) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) φέρετε.

Mc 11.3 καὶ ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ, Τί ποιεῖτε τοῦτο; εἴπατε, Ὁ κύριος αὐτοῦ χρείαν ἔχει, καὶ εὐθὺς αὐτὸν ἀποστέλλει πάλιν ὧδε.
3 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἐάν (= ean: indien, ondergeschikt vw + conjunct om een voorwaarde in de toekomst uit te drukken) τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) εἴπῃ (= eipè(i): hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom en acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit); εἴπατε, Ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) κύριος αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) χρείαν ἔχει, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) ἀποστέλλει (= apostellei: hij zendt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen , afzenden) πάλιν ὧδε.

Mc 11.4 καὶ ἀπῆλθον καὶ εὗρον πῶλον δεδεμένον πρὸς θύραν ἔξω ἐπὶ τοῦ ἀμφόδου, καὶ λύουσιν αὐτόν.
4 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) εὗρον (= heuron: zij vonden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r) πῶλον (= pôlon: veulen; zn acc mann enk van het zn πωλος: veulen; stam: v/f/p - - l) δεδεμένον (= dedemenon: gebonden; wkw pass part perf acc mann enk van het wkw δεω = deô (vast)binden, boeien) πρὸς (= pros: naar, bij, vz) θύραν ἔξω ἐπὶ τοῦ ἀμφόδου, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) λύουσιν αὐτόν.

Mc 11.5 καί τινες τῶν ἐκεῖ ἑστηκότων ἔλεγον αὐτοῖς, Τί ποιεῖτε λύοντες τὸν πῶλον;
5 καί (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

τινες τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἐκεῖ ἑστηκότων ἔλεγον αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ποιεῖτε (= poieite: jullie doen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: doen) λύοντες τὸν πῶλον;

Mc 11.6 οἱ δὲ εἶπαν αὐτοῖς καθὼς εἶπεν ὁ Ἰησοῦς: καὶ ἀφῆκαν αὐτούς.
6 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) εἶπαν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) καθὼς εἶπεν ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) Ἰησοῦς: (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἀφῆκαν αὐτούς.

Mc 11.7 καὶ φέρουσιν τὸν πῶλον πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἐπιβάλλουσιν αὐτῷ τὰ ἱμάτια αὐτῶν, καὶ ἐκάθισεν ἐπ' αὐτόν.
7 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

τὸν πῶλον πρὸς (= pros: naar, bij, vz) τὸν Ἰησοῦν, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἐπιβάλλουσιν αὐτῷ τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἱμάτια αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἐκάθισεν ἐπ' αὐτόν.

Mc 11.8 καὶ πολλοὶ τὰ ἱμάτια αὐτῶν ἔστρωσαν εἰς τὴν ὁδόν, ἄλλοι δὲ στιβάδας κόψαντες ἐκ τῶν ἀγρῶν.
8 καὶ (= kai: en; ns vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: וְ = wë. Arab:

πολλοὶ τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἱμάτια αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔστρωσαν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ὁδόν, ἄλλοι δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) στιβάδας κόψαντες ἐκ τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἀγρῶν.

Mc 11.9 καὶ οἱ προάγοντες καὶ οἱ ἀκολουθοῦντες ἔκραζον, Ὡσαννά: Εὐλογημένος ὁ ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου:
9 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

οἱ προάγοντες καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. )

οἱ ἀκολουθοῦντες ἔκραζον, Ὡσαννά: Εὐλογημένος ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἐρχόμενος ἐν ὀνόματι κυρίου:

Mc 11.10 Εὐλογημένη ἡ ἐρχομένη βασιλεία τοῦ πατρὸς ἡμῶν Δαυίδ: Ὡσαννὰ ἐν τοῖς ὑψίστοις.
10 Εὐλογημένη ἡ ἐρχομένη βασιλεία τοῦ πατρὸς ἡμῶν Δαυίδ: Ὡσαννὰ ἐν τοῖς ὑψίστοις.

11 Καὶ εἰσῆλθεν εἰς Ἱεροσόλυμα εἰς τὸ ἱερόν: καὶ περιβλεψάμενος πάντα, ὀψίας ἤδη οὔσης τῆς ὥρας, ἐξῆλθεν εἰς Βηθανίαν μετὰ τῶν δώδεκα.
11 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

εἰσῆλθεν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen (Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn), in 7 door εις = eis: naar + acc (Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἱερόν: καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

περιβλεψάμενος πάντα, ὀψίας ἤδη οὔσης τῆς ὥρας, ἐξῆλθεν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Βηθανίαν (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, acc vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) μετὰ τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) δώδεκα.

12 Καὶ τῇ ἐπαύριον ἐξελθόντων αὐτῶν ἀπὸ Βηθανίας ἐπείνασεν.
12 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἐπαύριον (= epaurion: de dag erop; bw; αυριον = aurion: morgen (vroeg), επ-αυριον = ep-aurion: de dag erop, de volgende dag. Fr.: lendemain < le - en - demain -> l'endemain -> lendemain; demain > Lat.: de mane (matin). Lat.: altera die -> Ned.: 's anderendaags) ἐξελθόντων (= exelthontôn: van de uitgegaan zijnden; wkw med part aor gen mann mv van het wkw ἐξἐρχόμαι = ex-erchomai = gaan uit; ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) αὐτῶν (= autôn: van hen; pers vnw 3de pers gen mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af') Βηθανίας (= bèthanian: naar Bethanië; zn eigennaam, plaatsnaam, gen vr enk van het zn Βηθανια = bèthania: Betanië < Βηθ = bèth: huis en ανια = ania: behoeftigen. De betekenis van deze naam is “Huis van lijden” of “Huis der behoeftigen / nooddruftigen”, – bet staat voor huis , – ani (Hebreeuws) of – ania (Aramees) staan voor: armoede, lijden) ἐπείνασεν (= epeinasen: hij leed honger; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw πειναω = peinaô: honger lijden).

13 καὶ ἰδὼν συκῆν ἀπὸ μακρόθεν ἔχουσαν φύλλα ἦλθεν εἰ ἄρα τι εὑρήσει ἐν αὐτῇ, καὶ ἐλθὼν ἐπ' αὐτὴν οὐδὲν εὗρεν εἰ μὴ φύλλα: ὁ γὰρ καιρὸς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦν σύκων.
13 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

ἰδὼν συκῆν ἀπὸ (= apo: af, van-weg); vz van plaats; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af') μακρόθεν ἔχουσαν φύλλα ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰ ἄρα τι εὑρήσει ἐν αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) , καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἐλθὼν ἐπ' αὐτὴν οὐδὲν εὗρεν εἰ μὴ φύλλα: ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) γὰρ καιρὸς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦν σύκων.

14 καὶ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτῇ, Μηκέτι εἰς τὸν αἰῶνα ἐκ σοῦ μηδεὶς καρπὸν φάγοι. καὶ ἤκουον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ.
14 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) εἶπεν αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Μηκέτι εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν αἰῶνα ἐκ σοῦ μηδεὶς καρπὸν φάγοι. καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἤκουον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)

15 Καὶ ἔρχονται εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ εἰσελθὼν εἰς τὸ ἱερὸν ἤρξατο ἐκβάλλειν τοὺς πωλοῦντας καὶ τοὺς ἀγοράζοντας ἐν τῷ ἱερῷ, καὶ τὰς τραπέζας τῶν κολλυβιστῶν καὶ τὰς καθέδρας τῶν πωλούντων τὰς περιστερὰς κατέστρεψεν,
15 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα. (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen (Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn), in 7 door εις = eis: naar + acc (Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

εἰσελθὼν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἱερὸν ἤρξατο ἐκβάλλειν τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πωλοῦντας καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγοράζοντας ἐν τῷ ἱερῷ, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) τὰς τραπέζας τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) κολλυβιστῶν καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

τὰς καθέδρας τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) πωλούντων τὰς περιστερὰς κατέστρεψεν,

16 καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤφιεν ἵνα τις διενέγκῃ σκεῦος διὰ τοῦ ἱεροῦ.
16 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἤφιεν ἵνα τις (= tis: iemand; onbep vnw nom mann enk) διενέγκῃ σκεῦος διὰ τοῦ ἱεροῦ.

17 καὶ ἐδίδασκεν καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς, Οὐ γέγραπται ὅτι Ὁ οἶκός μου οἶκος προσευχῆς κληθήσεται πᾶσιν τοῖς ἔθνεσιν; ὑμεῖς δὲ πεποιήκατε αὐτὸν σπήλαιον λῃστῶν.
17 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἐδίδασκεν (= edidasken: hij onderwees; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Οὐ γέγραπται ὅτι Ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) οἶκός μου οἶκος προσευχῆς κληθήσεται πᾶσιν τοῖς ἔθνεσιν; ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) πεποιήκατε αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) σπήλαιον λῃστῶν.
- Ned.: leren . D.: lernen . E.: learn.
-- Hebr.: לָמַד = lâmad. Stam : l - m - d. Gr.: μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô (leren, onderwijzen). μαθητης = mathètès: leerling. Stam : math. Zie Hebr.: m-d . ל = l wordt gebruikt voor de datief: aan, voor. מה = mâh of mah of mèh: vragend vnw wat of welk. למה = lâmmâh of lâmèh: waarom? De ד is de letter daleth: d. Het zou naar iets kunnen verwijzen, een aanwijzend voornaamwoord: dat. We zouden het Hebreeuwse למד = lâmad kunnen vertalen met : voor wat is dat? Waarvoor of waarom is dat? Het is de vraag naar de functionaliteit van het aangeduide. Leren is onderwijzen.
- In het Ned.: dit, dat; ook het bep lidw de. In het Gr.: het bep lidw το = to: de. In het Gr.: δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c. Beide woorden beginnen met een d, dat. In het Grieks kennen we het wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Gr.: δακτυλος = daktulos: vinger Lat.: digitus: vinger - vangen, begrepen vanuit δεικ-νυ-μι = deiknumi: wijzen, tonen zou wijzer (dat! b.v. een vingerwijzing: vermaning) kunnen betekenen. Is in het Nederlands een d een v geworden en werd er vervolgens de nasalisatie met n ingevoerd waardoor we 'v-i-n-g-er' krijgen? In het Hiëroglyfisch wordt de d voorgesteld door een hand met duim. Te onthouden met digitus/doigt.
- Gr.: δεχομαι = dechomai (stam: d - k/ch) wordt in het Latijn vertaald door ac-cipere < ad + capere: tot zich nemen. In het Frans wordt 'ontvangen' door recevoir < het Latijn recipere < re + capere: terug nemen, vertaald. Het Nederlandse kapen: overmeesteren, roven komt van het Latijnse capere.
- Het Nederlandse werkwoord leren en het Hebreuwse werkwoord lamed beginnen met de letter l.

18 καὶ ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς, καὶ ἐζήτουν πῶς αὐτὸν ἀπολέσωσιν: ἐφοβοῦντο γὰρ αὐτόν, πᾶς γὰρ ὁ ὄχλος ἐξεπλήσσετο ἐπὶ τῇ διδαχῇ αὐτοῦ.
18 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἤκουσαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

οἱ γραμματεῖς, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et) ἐζήτουν πῶς αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) ἀπολέσωσιν: ἐφοβοῦντο γὰρ αὐτόν, πᾶς γὰρ ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ὄχλος ἐξεπλήσσετο ἐπὶ τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) διδαχῇ αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)

19 Καὶ ὅταν ὀψὲ ἐγένετο, ἐξεπορεύοντο ἔξω τῆς πόλεως.
19 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ὅταν ὀψὲ ἐγένετο, ἐξεπορεύοντο ἔξω τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) πόλεως.

20 Καὶ παραπορευόμενοι πρωῒ εἶδον τὴν συκῆν ἐξηραμμένην ἐκ ῥιζῶν.
20 Καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et) παραπορευόμενοι (= paraporeuomenoi: langs op weg zich begevend; wkw med part praes nom mann mv van het wkw παραπορευομαι = paraporeuomai: langs zich op weg begeven < voorvoegsel παρα = para: langs, naast + wkw πορευομαι = poreuomai: zich op weg begeven naar) πρωῒ εἶδον τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) συκῆν ἐξηραμμένην ἐκ ῥιζῶν.

21 καὶ ἀναμνησθεὶς ὁ Πέτρος λέγει αὐτῷ, Ῥαββί, ἴδε ἡ συκῆ ἣν κατηράσω ἐξήρανται.
21 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et) ἀναμνησθεὶς ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) Πέτρος λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ, Ῥαββί, ἴδε ἡ συκῆ ἣν κατηράσω ἐξήρανται.

22 καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Ἔχετε πίστιν θεοῦ,
22 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἀποκριθεὶς (= apokritheis: geantwoord hebbende; wkw med part aor nom mann enk van het wkw απο-κριν-ομαι = apo-krin-o-mai: antwoorden) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἔχετε πίστιν θεοῦ (= theou: van God); zn gen mann enk van het zn θεος: God) ,

23 ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ὃς ἂν εἴπῃ τῷ ὄρει τούτῳ, Ἄρθητι καὶ βλήθητι εἰς τὴν θάλασσαν, καὶ μὴ διακριθῇ ἐν τῇ καρδίᾳ αὐτοῦ ἀλλὰ πιστεύῃ ὅτι ὃ λαλεῖ γίνεται, ἔσται αὐτῷ.
23 ἀμὴν λέγω ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὅτι ὃς ἂν εἴπῃ (= eipè(i): hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) τῷ ὄρει τούτῳ, Ἄρθητι καὶ βλήθητι εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) θάλασσαν, καὶ μὴ διακριθῇ ἐν τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) καρδίᾳ αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀλλὰ (= alla: maar; nevensch vw van tegenstelling) πιστεύῃ ὅτι ὃ λαλεῖ γίνεται, ἔσται αὐτῷ

24 διὰ τοῦτο λέγω ὑμῖν, πάντα ὅσα προσεύχεσθε καὶ αἰτεῖσθε, πιστεύετε ὅτι ἐλάβετε, καὶ ἔσται ὑμῖν.
24 διὰ τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom en acc onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit) λέγω ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), πάντα ὅσα προσεύχεσθε καὶ αἰτεῖσθε, πιστεύετε ὅτι ἐλάβετε, καὶ ἔσται ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie).

25 καὶ ὅταν στήκετε προσευχόμενοι, ἀφίετε εἴ τι ἔχετε κατά τινος, ἵνα καὶ ὁ πατὴρ ὑμῶν ὁ ἐν τοῖς οὐρανοῖς ἀφῇ ὑμῖν τὰ παραπτώματα ὑμῶν.
25 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

ὅταν στήκετε προσευχόμενοι, ἀφίετε εἴ τι ἔχετε κατά τινος, ἵνα καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) πατὴρ ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ἐν τοῖς οὐρανοῖς ἀφῇ ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) παραπτώματα ὑμῶν (= humôn: van jullie; pers vnw 2de pers gen mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie).

26 Καὶ
26 Καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

27 ἔρχονται πάλιν εἰς Ἱεροσόλυμα. καὶ ἐν τῷ ἱερῷ περιπατοῦντος αὐτοῦ ἔρχονται πρὸς αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι
27 ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πάλιν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Ἱεροσόλυμα. (= Hierosuluma: Jeruzalem; zn eigennaam acc onz enk. Het zn wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo: van-weg + gen (Ἱεροσόλυμων = Hierosolumôn), in 7 door εις = eis: naar + acc (Ἱεροσόλυμα = Hierosoluma; betekenis: het heilige Salem) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἐν τῷ ἱερῷ περιπατοῦντος αὐτοῦ (= autou: van hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἔρχονται (= erchontai: zij gaan; wkw med act ind praes 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) πρὸς (= pros: naar, bij, vz) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος: hij) οἱ ἀρχιερεῖς καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

οἱ γραμματεῖς καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ πρεσβύτεροι

28 καὶ ἔλεγον αὐτῷ, Ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιεῖς; ἢ τίς σοι ἔδωκεν τὴν ἐξουσίαν ταύτην ἵνα ταῦτα ποιῇς;
28 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

ἔλεγον αὐτῷ, Ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιεῖς; ἢ τίς σοι ἔδωκεν τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) ἐξουσίαν ταύτην ἵνα ταῦτα ποιῇς;

29 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ἐπερωτήσω ὑμᾶς ἕνα λόγον, καὶ ἀποκρίθητέ μοι, καὶ ἐρῶ ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ:
29 ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch voegw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) εἶπεν αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἐπερωτήσω ὑμᾶς ἕνα λόγον, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἀποκρίθητέ μοι, καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἐρῶ ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ:

30 τὸ βάπτισμα τὸ Ἰωάννου ἐξ οὐρανοῦ ἦν ἢ ἐξ ἀνθρώπων; ἀποκρίθητέ μοι.
30 τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) βάπτισμα τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) Ἰωάννου ἐξ οὐρανοῦ ἦν ἢ ἐξ ἀνθρώπων; ἀποκρίθητέ μοι.

31 καὶ διελογίζοντο πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντες, Ἐὰν εἴπωμεν, Ἐξ οὐρανοῦ, ἐρεῖ, Διὰ τί [οὖν] οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπιστεύσατε αὐτῷ;
31 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

διελογίζοντο πρὸς (= pros: naar, bij, vz) ἑαυτοὺς λέγοντες, Ἐὰν εἴπωμεν, Ἐξ οὐρανοῦ, ἐρεῖ, Διὰ τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) [οὖν] οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπιστεύσατε αὐτῷ;

32 ἀλλὰ εἴπωμεν, Ἐξ ἀνθρώπων; ἐφοβοῦντο τὸν ὄχλον, ἅπαντες γὰρ εἶχον τὸν Ἰωάννην ὄντως ὅτι προφήτης ἦν.
32 ἀλλὰ (= alla: maar; nevensch vw van tegenstelling) εἴπωμεν, Ἐξ ἀνθρώπων; ἐφοβοῦντο τὸν ὄχλον, ἅπαντες γὰρ εἶχον τὸν Ἰωάννην ὄντως ὅτι προφήτης ἦν.

33 καὶ ἀποκριθέντες τῷ Ἰησοῦ λέγουσιν, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδαμεν. καὶ ὁ Ἰησοῦς λέγει αὐτοῖς, Οὐδὲ ἐγὼ λέγω ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ.
33 καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë)

ἀποκριθέντες τῷ Ἰησοῦ λέγουσιν, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἴδαμεν. καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë. Arabisch: اَل = ´al)

ὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; pers vnw 3de pers dat mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Οὐδὲ ἐγὼ λέγω ὑμῖν (= humin): aan jullie; pers vnw 2de pers dat mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ.

Marcus 12

1Καὶ ἤρξατο αὐτοῖς ἐν παραβολαῖς λαλεῖν, Ἀμπελῶνα ἄνθρωπος ἐφύτευσεν, καὶ περιέθηκεν φραγμὸν καὶ ὤρυξεν ὑπολήνιον καὶ ᾠκοδόμησεν πύργον, καὶ ἐξέδετο αὐτὸν γεωργοῖς, καὶ ἀπεδήμησεν. 2καὶ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς τῷ καιρῷ δοῦλον, ἵνα παρὰ τῶν γεωργῶν λάβῃ ἀπὸ τῶν καρπῶν τοῦ ἀμπελῶνος: 3καὶ λαβόντες αὐτὸν ἔδειραν καὶ ἀπέστειλαν κενόν. 4καὶ πάλιν ἀπέστειλεν πρὸς αὐτοὺς ἄλλον δοῦλον: κἀκεῖνον ἐκεφαλίωσαν καὶ ἠτίμασαν. 5καὶ ἄλλον ἀπέστειλεν, κἀκεῖνον ἀπέκτειναν, καὶ πολλοὺς ἄλλους, οὓς μὲν δέροντες οὓς δὲ ἀποκτέννοντες. 6ἔτι ἕνα εἶχεν, υἱὸν ἀγαπητόν: ἀπέστειλεν αὐτὸν ἔσχατον πρὸς αὐτοὺς λέγων ὅτι Ἐντραπήσονται τὸν υἱόν μου. 7ἐκεῖνοι δὲ οἱ γεωργοὶ πρὸς ἑαυτοὺς εἶπαν ὅτι Οὗτός ἐστιν ὁ κληρονόμος: δεῦτε ἀποκτείνωμεν αὐτόν, καὶ ἡμῶν ἔσται ἡ κληρονομία. 8καὶ λαβόντες ἀπέκτειναν αὐτόν, καὶ ἐξέβαλον αὐτὸν ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος. 9τί [οὖν] ποιήσει ὁ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργούς, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις. 10οὐδὲ τὴν γραφὴν ταύτην ἀνέγνωτε, Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν οἱ οἰκοδομοῦντες, οὗτος ἐγενήθη εἰς κεφαλὴν γωνίας: 11παρὰ κυρίου ἐγένετο αὕτη, καὶ ἔστιν θαυμαστὴ ἐν ὀφθαλμοῖς ἡμῶν; 12Καὶ ἐζήτουν αὐτὸν κρατῆσαι, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν ὄχλον, ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς τὴν παραβολὴν εἶπεν. καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἀπῆλθον. 13Καὶ ἀποστέλλουσιν πρὸς αὐτόν τινας τῶν Φαρισαίων καὶ τῶν Ἡρῳδιανῶν ἵνα αὐτὸν ἀγρεύσωσιν λόγῳ. 14καὶ ἐλθόντες λέγουσιν αὐτῷ, Διδάσκαλε, οἴδαμεν ὅτι ἀληθὴς εἶ καὶ οὐ μέλει σοι περὶ οὐδενός, οὐ γὰρ βλέπεις εἰς πρόσωπον ἀνθρώπων, ἀλλ' ἐπ' ἀληθείας τὴν ὁδὸν τοῦ θεοῦ διδάσκεις: ἔξεστιν δοῦναι κῆνσον Καίσαρι ἢ οὔ; δῶμεν ἢ μὴ δῶμεν; 15ὁ δὲ εἰδὼς αὐτῶν τὴν ὑπόκρισιν εἶπεν αὐτοῖς, Τί με πειράζετε; φέρετέ μοι δηνάριον ἵνα ἴδω. 16οἱ δὲ ἤνεγκαν. καὶ λέγει αὐτοῖς, Τίνος ἡ εἰκὼν αὕτη καὶ ἡ ἐπιγραφή; οἱ δὲ εἶπαν αὐτῷ, Καίσαρος. 17ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Τὰ Καίσαρος ἀπόδοτε Καίσαρι καὶ τὰ τοῦ θεοῦ τῷ θεῷ. καὶ ἐξεθαύμαζον ἐπ' αὐτῷ. 18Καὶ ἔρχονται Σαδδουκαῖοι πρὸς αὐτόν, οἵτινες λέγουσιν ἀνάστασιν μὴ εἶναι, καὶ ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες, 19Διδάσκαλε, Μωϋσῆς ἔγραψεν ἡμῖν ὅτι ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ καὶ καταλίπῃ γυναῖκα καὶ μὴ ἀφῇ τέκνον, ἵνα λάβῃ ὁ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν γυναῖκα καὶ ἐξαναστήσῃ σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ. 20ἑπτὰ ἀδελφοὶ ἦσαν: καὶ ὁ πρῶτος ἔλαβεν γυναῖκα, καὶ ἀποθνῄσκων οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκεν σπέρμα: 21καὶ ὁ δεύτερος ἔλαβεν αὐτήν, καὶ ἀπέθανεν μὴ καταλιπὼν σπέρμα: καὶ ὁ τρίτος ὡσαύτως: 22καὶ οἱ ἑπτὰ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀφῆκαν σπέρμα. ἔσχατον πάντων καὶ ἡ γυνὴ ἀπέθανεν. 23ἐν τῇ ἀναστάσει [,ὅταν ἀναστῶσιν,] τίνος αὐτῶν ἔσται γυνή; οἱ γὰρ ἑπτὰ ἔσχον αὐτὴν γυναῖκα. 24ἔφη αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς, Οὐ διὰ τοῦτο πλανᾶσθε μὴ εἰδότες τὰς γραφὰς μηδὲ τὴν δύναμιν τοῦ θεοῦ; 25ὅταν γὰρ ἐκ νεκρῶν ἀναστῶσιν, οὔτε γαμοῦσιν οὔτε γαμίζονται, ἀλλ' εἰσὶν ὡς ἄγγελοι ἐν τοῖς οὐρανοῖς. 26περὶ δὲ τῶν νεκρῶν ὅτι ἐγείρονται οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀνέγνωτε ἐν τῇ βίβλῳ Μωϋσέως ἐπὶ τοῦ βάτου πῶς εἶπεν αὐτῷ ὁ θεὸς λέγων, Ἐγὼ ὁ θεὸς Ἀβραὰμ καὶ [ὁ] θεὸς Ἰσαὰκ καὶ [ὁ] θεὸς Ἰακώβ; 27οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν θεὸς νεκρῶν ἀλλὰ ζώντων: πολὺ πλανᾶσθε. 28Καὶ προσελθὼν εἷς τῶν γραμματέων ἀκούσας αὐτῶν συζητούντων, ἰδὼν ὅτι καλῶς ἀπεκρίθη αὐτοῖς, ἐπηρώτησεν αὐτόν, Ποία ἐστὶν ἐντολὴ πρώτη πάντων; 29ἀπεκρίθη ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρώτη ἐστίν, Ἄκουε, Ἰσραήλ, κύριος ὁ θεὸς ἡμῶν κύριος εἷς ἐστιν, 30καὶ ἀγαπήσεις κύριον τὸν θεόν σου ἐξ ὅλης τῆς καρδίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ψυχῆς σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς διανοίας σου καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος σου. 31δευτέρα αὕτη, Ἀγαπήσεις τὸν πλησίον σου ὡς σεαυτόν. μείζων τούτων ἄλλη ἐντολὴ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν. 32καὶ εἶπεν αὐτῷ ὁ γραμματεύς, Καλῶς, διδάσκαλε, ἐπ' ἀληθείας εἶπες ὅτι εἷς ἐστιν καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν ἄλλος πλὴν αὐτοῦ: 33καὶ τὸ ἀγαπᾶν αὐτὸν ἐξ ὅλης τῆς καρδίας καὶ ἐξ ὅλης τῆς συνέσεως καὶ ἐξ ὅλης τῆς ἰσχύος καὶ τὸ ἀγαπᾶν τὸν πλησίον ὡς ἑαυτὸν περισσότερόν ἐστιν πάντων τῶν ὁλοκαυτωμάτων καὶ θυσιῶν. 34καὶ ὁ Ἰησοῦς ἰδὼν [αὐτὸν] ὅτι νουνεχῶς ἀπεκρίθη εἶπεν αὐτῷ, Οὐ μακρὰν εἶ ἀπὸ τῆς βασιλείας τοῦ θεοῦ. καὶ οὐδεὶς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι ἐτόλμα αὐτὸν ἐπερωτῆσαι. 35Καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς ἔλεγεν διδάσκων ἐν τῷ ἱερῷ, Πῶς λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι ὁ Χριστὸς υἱὸς Δαυίδ ἐστιν; 36αὐτὸς Δαυὶδ εἶπεν ἐν τῷ πνεύματι τῷ ἁγίῳ, Εἶπεν κύριος τῷ κυρίῳ μου, Κάθου ἐκ δεξιῶν μου ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ὑποκάτω τῶν ποδῶν σου. 37αὐτὸς Δαυὶδ λέγει αὐτὸν κύριον, καὶ πόθεν αὐτοῦ ἐστιν υἱός; καὶ [ὁ] πολὺς ὄχλος ἤκουεν αὐτοῦ ἡδέως. 38Καὶ ἐν τῇ διδαχῇ αὐτοῦ ἔλεγεν, Βλέπετε ἀπὸ τῶν γραμματέων τῶν θελόντων ἐν στολαῖς περιπατεῖν καὶ ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς 39καὶ πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς καὶ πρωτοκλισίας ἐν τοῖς δείπνοις: 40οἱ κατεσθίοντες τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν καὶ προφάσει μακρὰ προσευχόμενοι, οὗτοι λήμψονται περισσότερον κρίμα. 41Καὶ καθίσας κατέναντι τοῦ γαζοφυλακίου ἐθεώρει πῶς ὁ ὄχλος βάλλει χαλκὸν εἰς τὸ γαζοφυλάκιον: καὶ πολλοὶ πλούσιοι ἔβαλλον πολλά: 42καὶ ἐλθοῦσα μία χήρα πτωχὴ ἔβαλεν λεπτὰ δύο, ὅ ἐστιν κοδράντης. 43καὶ προσκαλεσάμενος τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ εἶπεν αὐτοῖς, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ἡ χήρα αὕτη ἡ πτωχὴ πλεῖον πάντων ἔβαλεν τῶν βαλλόντων εἰς τὸ γαζοφυλάκιον: 44πάντες γὰρ ἐκ τοῦ περισσεύοντος αὐτοῖς ἔβαλον, αὕτη δὲ ἐκ τῆς ὑστερήσεως αὐτῆς πάντα ὅσα εἶχεν ἔβαλεν, ὅλον τὸν βίον αὐτῆς.

Marcus 13

Mc 13,1Καὶ ἐκπορευομένου αὐτοῦ ἐκ τοῦ ἱεροῦ λέγει αὐτῷ εἷς τῶν μαθητῶν αὐτοῦ, Διδάσκαλε, ἴδε ποταποὶ λίθοι καὶ ποταπαὶ οἰκοδομαί.
Vertaling:
Mc 13,1Καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐκπορευομένου (= ekporeuomenou: zich op weg begevende naar buiten; wkw med part praes gen mann enk van het wkw εκπορευομαι = ekporeuomai: zich op weg begeven uit. por-euomai p of ph = f -> v + r; poros: weg door een water heen, wad, voorde, veer, doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven. Mnd: voort, ofries: ford , oeng: ford. Het woord behoort tot de groep van varen.) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τοῦ ἱεροῦ λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εἷς τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μαθητῶν αὐτοῦ, Διδάσκαλε, ἴδε (= ide: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ποταποὶ λίθοι καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ποταπαὶ οἰκοδομαί.

Mc 13,2 καὶ ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ, Βλέπεις ταύτας τὰς μεγάλας οἰκοδομάς; οὐ μὴ ἀφεθῇ ὧδε λίθος ἐπὶ λίθον ὃς οὐ μὴ καταλυθῇ.
Vertaling: En Jezus zei hem: jij ziet die grote gebouwen; geen steen op steen moge hier worden gelaten die niet zou neergehaald worden.
Mc 13,2 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὁ Ἰησοῦς εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Βλέπεις (= blepeis: jij ziet; wkw act ind praes 2de pers enk van het wkw βλεπω = blepô: kijken, zien)ταύτας τὰς μεγάλας οἰκοδομάς; οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) ἀφεθῇ (= afethè: hij zou laten; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. laten, afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) ὧδε λίθος ἐπὶ λίθον ὃς οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) καταλυθῇ. (= kataluthè: hij zou vernietigd worden); wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw καταλυω = kataluô: ontbinden, vernietigen).

Mc 13,3 Καὶ καθημένου αὐτοῦ εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν κατέναντι τοῦ ἱεροῦ ἐπηρώτα αὐτὸν κατ' ἰδίαν Πέτρος καὶ Ἰάκωβος καὶ Ἰωάννης καὶ Ἀνδρέας,
Vertaling:
Mc 13,3Καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) καθημένου (= kathèmenou: zittende); wkw med part praes gen mann enk van het wkw καθημαι = kathèmai: zich zetten, gaan zitten, zitten) αὐτοῦ εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ὄρος τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) Ἐλαιῶν κατέναντι τοῦ ἱεροῦ ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατ' ἰδίαν Πέτρος καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) Ἰάκωβος καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) Ἰωάννης καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) Ἀνδρέας,

Mc 13,4 Εἰπὸν ἡμῖν πότε ταῦτα ἔσται, καὶ τί τὸ σημεῖον ὅταν μέλλῃ ταῦτα συντελεῖσθαι πάντα.
Vertaling:
Mc 13,4 Εἰπὸν (= eipon: zeg; wkw act imperat aor 2de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) ἡμῖν πότε ταῦτα ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τί τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σημεῖον ὅταν μέλλῃ (= mellè: het staat op het punt; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw μελλω = mellô: op het punt zijn te, van plan zijn te) ταῦτα συντελεῖσθαι (= sunteleisthai: om te vervullen; wkw pass inf praes van het wkw συντελεω = sunteleô: voltooien) πάντα.

Mc 13,5 ὁ δὲ Ἰησοῦς ἤρξατο λέγειν αὐτοῖς, Βλέπετε μή τις ὑμᾶς πλανήσῃ:
Vertaling:
Mc 13,5 ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) Ἰησοῦς ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) λέγειν (= legein: te zeggen; wkw act inf praes van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς, Βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) μή τις ὑμᾶς πλανήσῃ (= planèsè: hij zou in de war raken / misleiden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken):

Mc 13,6 πολλοὶ ἐλεύσονται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου λέγοντες ὅτι Ἐγώ εἰμι, καὶ πολλοὺς πλανήσουσιν .
Vertaling:
Mc 13,6 πολλοὶ ἐλεύσονται (= eleusontai: zij zullen komen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐπὶ τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὀνόματί μου λέγοντες (= legontes: zeggende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep)ὅτι Ἐγώ εἰμι (= eimi: ik ben; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) πολλοὺς πλανήσουσιν (= planèsousin: zij zullen misleiden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw πλαναω = planaô: dwalen, in de war raken).

Mc 13,7 ὅταν δὲ ἀκούσητε πολέμους καὶ ἀκοὰς πολέμων, μὴ θροεῖσθε: δεῖ γενέσθαι, ἀλλ' οὔπω τὸ τέλος.
Vertaling:
Mc 13,7 ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀκούσητε (= akousète: jullie zouden horen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren) πολέμους καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀκοὰς πολέμων, μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning) θροεῖσθε (= throeisthe: schrikt); wkw pass imperat 2de pers mv van het wkw = throeô: laten kinken, schreeuwen, roepen; pass schrikken): δεῖ (= dei: het moet); wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) γενέσθαι (= genesthai: te worden, te gebeuren; wkw med/pass inf aor van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), ἀλλ' οὔπω τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέλος.

Mc 13,8 ἐγερθήσεται γὰρ ἔθνος ἐπ' ἔθνος καὶ βασιλεία ἐπὶ βασιλείαν, ἔσονται σεισμοὶ κατὰ τόπους, ἔσονται λιμοί: ἀρχὴ ὠδίνων ταῦτα.
Vertaling:
Mc 13,8 ἐγερθήσεται (= egerthèsetai:: hij zal opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) γὰρ ἔθνος ἐπ' ἔθνος καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) βασιλεία ἐπὶ βασιλείαν, ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) σεισμοὶ κατὰ τόπους, ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) λιμοί: ἀρχὴ ὠδίνων ταῦτα.

Mc 13,9 βλέπετε δὲ ὑμεῖς ἑαυτούς: παραδώσουσιν ὑμᾶς εἰς συνέδρια καὶ εἰς συναγωγὰς δαρήσεσθε καὶ ἐπὶ ἡγεμόνων καὶ βασιλέων σταθήσεσθε ἕνεκεν ἐμοῦ εἰς μαρτύριον αὐτοῖς.
Vertaling:
Mc 13,9 βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑμεῖς ἑαυτούς: παραδώσουσιν (= paradôsousin: zij zullen overleveren; act ind fut 3de pers mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren)  ὑμᾶς εἰς (= eis: naar; vz van plaats) συνέδρια καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) συναγωγὰς δαρήσεσθε (= darèsesthe: jullie zullen mishandeld worden; wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw δερω = derô: villen, mishandelen) καὶ ἐπὶ ἡγεμόνων καὶ βασιλέων σταθήσεσθε (= stathèsesthe:: jullie zullen gesteld worden / terechtstaan); wkw pass ind fut 2de pers mv van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) ἕνεκεν ἐμοῦ εἰς (= eis: naar; vz van plaats) μαρτύριον αὐτοῖς.

Mc 13,10 καὶ εἰς πάντα τὰ ἔθνη πρῶτον δεῖ κηρυχθῆναι τὸ εὐαγγέλιον.
Vertaling:
Mc 13,10 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) πάντα τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἔθνη πρῶτον δεῖ (= dei: het moet); wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten) κηρυχθῆναι = kèruchthènai: verkondigd te worden;  wkw pass inf aor van het wkw. κηρυσσω = kèrussô: verkondigen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) εὐαγγέλιον.

Mc 13,11 καὶ ὅταν ἄγωσιν ὑμᾶς παραδιδόντες, μὴ προμεριμνᾶτε τί λαλήσητε, ἀλλ' ὃ ἐὰν δοθῇ ὑμῖν ἐν ἐκείνῃ τῇ ὥρᾳ τοῦτο λαλεῖτε, οὐ γάρ ἐστε ὑμεῖς οἱ λαλοῦντες ἀλλὰ τὸ πνεῦμα τὸ ἅγιον.
Vertaling:
Mc 13,11 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) ἄγωσιν (= agôsin: zij zouden brengen; wkw act conjunct 3de pers mv van het wkw αγω = agô: leiden, voeren) ὑμᾶς παραδιδόντες (= paradidontes: de overleveraars; wkw act part praes nom mann mv van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren), μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) προμεριμνᾶτε (= promerimnate: maakt je van tevoren zorgen; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw προμεριμναω = promerimnaô: zich van tevoren zorgen maken) τί λαλήσητε (= lalèsète: jullie zouden zeggen; wkw act conjunct aor 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), ἀλλ' ὃ ἐὰν δοθῇ (= dothè: hij zou geven; wkw pass conjunct aor 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) ὑμῖν ἐν ἐκείνῃ τῇ ὥρᾳ τοῦτο λαλεῖτε (= laleite: spreekt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr.: car) ἐστε (= este: jullie zijn; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat: esse) ὑμεῖς οἱ λαλοῦντες ἀλλὰ τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἅγιον.

Mc 13,12 καὶ παραδώσει ἀδελφὸς ἀδελφὸν εἰς θάνατον καὶ πατὴρ τέκνον, καὶ ἐπαναστήσονται τέκνα ἐπὶ γονεῖς καὶ θανατώσουσιν αὐτούς:
Vertaling:
Mc 13,12 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) παραδώσει (= paradôsei: hij zal overleveren; act ind fut 3de pers enk van het wkw παραδιδωμι = paradidômi: overleveren) ἀδελφὸς ἀδελφὸν εἰς (= eis: naar; vz van plaats) θάνατον καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) πατὴρ τέκνον, καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐπαναστήσονται (= epanastèsontai: zij zullen opstaan tegen; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw επανιστημι = epanistèmi: weer oprichten; med: opstaan, opstaan tegen) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) ἐπὶ γονεῖς καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) θανατώσουσιν (= thanatôsousin: zij zullen gedood worden; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw θανατοω = thanatoô: doden) αὐτούς:

Mc 13,13 καὶ ἔσεσθε μισούμενοι ὑπὸ πάντων διὰ τὸ ὄνομά μου. ὁ δὲ ὑπομείνας εἰς τέλος οὗτος σωθήσεται.
Vertaling:
Mc 13,13 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἔσεσθε (= esesthe: jullie zullen zijn; wkw act ind fut 2de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) μισούμενοι (= misoumenoi: wordende gehaat; wkw pass part praes nom mann mv van het wkw μισεω = miseô: haten) ὑπὸ πάντων διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc; + gen: tussen, te midden van, langs) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄνομά μου. ὁ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑπομείνας (= hupomeinas: ondergaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ὑπομενω = hupomenô: achterblijven, afwachten, geduldig doorstaan, ondergaan) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τέλος οὗτος σωθήσεται (= sôthèsetai: hij zal gered worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen)

Mc 13,14 Οταν δὲ ἴδητε τὸ βδέλυγμα τῆς ἐρημώσεως ἑστηκότα ὅπου οὐ δεῖ, ὁ ἀναγινώσκων νοείτω, τότε οἱ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φευγέτωσαν εἰς τὰ ὄρη,
Vertaling:
Mc 13,14 Οταν δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) βδέλυγμα τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἐρημώσεως ἑστηκότα (= hestèkota: staande; wkw act part perf acc onz enk van het wkw ἱστημι = histèmi: doen staan, staan) ὅπου οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δεῖ (= dei: het moet); wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw δεω = deô: moeten), ὁ ἀναγινώσκων (= anagignôskôn: lezende, lezer; wkw act part praes nom mùann enk van het wkw ἀναγινώσκω = anagignôskô: lezen) νοείτω (= noeitô: dat hij wete; wkw act imperat 3de pers enk van het wkw νοεω = noeô: weten), τότε οἱ ἐν τῇ Ἰουδαίᾳ φευγέτωσαν (= feugetôsan: dat zij vluchten; wkw act imperat praes 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὄρη,

Mc 13,15ὁ [δὲ] ἐπὶ τοῦ δώματος μὴ καταβάτω μηδὲ εἰσελθάτω ἆραί τι ἐκ τῆς οἰκίας αὐτοῦ,
Vertaling:
Mc 13,15ὁ [δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw)] ἐπὶ τοῦ δώματος μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) καταβάτω (= katabatô: dat hij afdale); wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw καταβαινω = katabainô: (naar beneden dalen , afdalen) μηδὲ εἰσελθάτω (= eiselthatô: dat hij binnenga; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἆραί (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen) τι ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίας αὐτοῦ,

Mc 13,16 καὶ ὁ εἰς τὸν ἀγρὸν μὴ ἐπιστρεψάτω εἰς τὰ ὀπίσω ἆραι τὸ ἱμάτιον αὐτοῦ.
Vertaling:
Mc 13,16καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὁ εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἀγρὸν μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) ἐπιστρεψάτω (= epistrepsatô: dat hij terugkere; wkw act imperat aor 3de pers enk van het wkw επιστρεφω = epistrefô: naar iets toekeren) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὀπίσω ἆραι (= airai: te nemen; wkw act inf aor van het wkw αιρω = airô: nemen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἱμάτιον αὐτοῦ.

Mc 13,17οὐαὶ δὲ ταῖς ἐν γαστρὶ ἐχούσαις καὶ ταῖς θηλαζούσαις ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις.
Vertaling:
Mc 13,17οὐαὶ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ταῖς ἐν γαστρὶ ἐχούσαις (= echousais: aan de hebbende; wkw act part praes dat vr mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ταῖς θηλαζούσαις (= thèlazousais: wkw act part praes dat vr mv van het wkw θηλαζω = zogen, een kind voeden) ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις.

Mc 13,18 προσεύχεσθε δὲ ἵνα μὴ γένηται χειμῶνος:
Vertaling:
Mc 13,18 προσεύχεσθε (= proseuchesthe: bidt; wkw med / pass imperat praes 2de pers mv van het wkw προσεύχομαι: bidden) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἵνα μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) γένηται (= genètai: het zou gebeuren); act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren) χειμῶνος:

Mc 13,19 ἔσονται γὰρ αἱ ἡμέραι ἐκεῖναι θλῖψις οἵα οὐ γέγονεν τοιαύτη ἀπ' ἀρχῆς κτίσεως ἣν ἔκτισεν ὁ θεὸς ἕως τοῦ νῦν καὶ οὐ μὴ γένηται.
Vertaling:
Mc 13,19 ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) γὰρ αἱ ἡμέραι ἐκεῖναι θλῖψις οἵα οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen) τοιαύτη ἀπ' ἀρχῆς κτίσεως ἣν ἔκτισεν (= ektisen: hij schiep; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κτιζω = ktizô: funderen, grondleggen, opbouwen, scheppen, wonen)ὁ θεὸς ἕως τοῦ νῦν καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) γένηται (= genètai: het zou gebeuren); act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren).

Mc 13,20 καὶ εἰ μὴ ἐκολόβωσεν κύριος τὰς ἡμέρας, ἂν ἐσώθη πᾶσα σάρξ. ἀλλὰ διὰ τοὺς ἐκλεκτοὺς οὓς ἐξελέξατο ἐκολόβωσεν τὰς ἡμέρας.
Vertaling:
Mc 13,20 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰ μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) ἐκολόβωσεν (= ekolobôsen: hij verkorrte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κολοβοω = verkorten) κύριος τὰς ἡμέρας, οὐκ ἂν ἐσώθη (= esôthè: hij werd gered; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen) πᾶσα σάρξ. ἀλλὰ διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc; + gen: tussen, te midden van, langs) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκλεκτοὺς οὓς ἐξελέξατο (= ekseleksato: hij verkoos uit; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εκλεγω = eklegô: uit-lezen, uitverkiezen) ἐκολόβωσεν (= ekolobôsen: hij verkorrte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw κολοβοω = verkorten) τὰς ἡμέρας.

Mc 13,21καὶ τότε ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ, Ἴδε ὧδε ὁ Χριστός, Ἴδε ἐκεῖ, μὴ πιστεύετε:
Vertaling:
Mc 13,21καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τότε ἐάν τις ὑμῖν εἴπῃ (= eipè: hij zou zeggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon), Ἴδε (= ide: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ὧδε ὁ Χριστός, Ἴδε (= ide: zie; wkw act imperat aor 2de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; stam: ιδ = id) ἐκεῖ, μὴ ( = mè: niet; partikel van ontkenning) πιστεύετε (= pisteuete: jullie geloven / gelooft); wkw act ind praes 2de pers mv + act imperat praes 2de pers mv van het wkw πιστευω = pisteuô: geloven, vertrouwen) :

Mc 13,22 ἐγερθήσονται γὰρ ψευδόχριστοι καὶ ψευδοπροφῆται καὶ δώσουσιν σημεῖα καὶ τέρατα πρὸς τὸ ἀποπλανᾶν, εἰ δυνατόν, τοὺς ἐκλεκτούς.
Vertaling:
Mc 13,22 ἐγερθήσονται (= egerthèsontai:: zij zullen opgewekt worden; wkw pass ind fut 3de pers mv van het wkw εγειρω = egeirô: opwekken) γὰρ ψευδόχριστοι καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ψευδοπροφῆται καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) δώσουσιν (= dôsouisin: zij zullen geven); wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) σημεῖα καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τέρατα πρὸς τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀποπλανᾶν (= apoplanan: af te dwalen; wkw act inf praes van het wkw ἀποπλαναω = apoplanaô: afdwalen) , εἰ δυνατόν, τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκλεκτούς.

Mc 13,23 ὑμεῖς δὲ βλέπετε: προείρηκα ὑμῖν πάντα.
Vertaling:
Mc 13,23 ὑμεῖς δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) βλέπετε:(= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien): προείρηκα (= proeirèka: ik heb voorzegd; wkw act ind perf 1ste pers enk van het wkw προ-λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep; Ned: lezen / lec-tuur; les. Fr: leçon) ὑμῖν πάντα.

Mc 13,24 Ἀλλὰ ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις μετὰ τὴν θλῖψιν ἐκείνην ὁ ἥλιος σκοτισθήσεται, καὶ ἡ σελήνη οὐ δώσει τὸ φέγγος αὐτῆς,
Vertaling:
Mc 13,24 Ἀλλὰ ἐν ἐκείναις ταῖς ἡμέραις μετὰ τὴν θλῖψιν ἐκείνην ὁ ἥλιος σκοτισθήσεται (= skotisthèsetai: hij zal verduisterd worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σκοτιζω = skotizô: verduisteren), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) σελήνη οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) δώσει (= dôsei (hij / zij zal geven; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) φέγγος αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij),

Mc 13,25 καὶ οἱ ἀστέρες ἔσονται ἐκ τοῦ οὐρανοῦ πίπτοντες, καὶ αἱ δυνάμεις αἱ ἐν τοῖς οὐρανοῖς σαλευθήσονται.
Vertaling:
Mc 13,25 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) οἱ ἀστέρες ἔσονται (= esontai: zij/er zullen zijn; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τοῦ οὐρανοῦ πίπτοντες (= piptontes: vallende; wkw act part praes nom mann mv van het wkw πιπτω = piptô: vallen), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) αἱ δυνάμεις αἱ ἐν τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οὐρανοῖς σαλευθήσονται (= saleuthèsontai: zij zullen heen en weer geschud worden; wkw pass ind aor 3de pers mv van het wkw σαλευω = saleuô: heen en weer bewegen, schudden).

Mc 13,26 καὶ τότε ὄψονται τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐρχόμενον ἐν νεφέλαις μετὰ δυνάμεως πολλῆς καὶ δόξης.
Vertaling:
Mc 13,26 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τότε ὄψονται (= opsontai: zij zullen zien; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw ὁραω = horaô: (zien) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐρχόμενον (= erchomenon: komende; wkw part praes acc mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐν νεφέλαις μετὰ δυνάμεως πολλῆς καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) δόξης.

Mc 13,27 καὶ τότε ἀποστελεῖ τοὺς ἀγγέλους καὶ ἐπισυνάξει τοὺς ἐκλεκτοὺς [αὐτοῦ] ἐκ τῶν τεσσάρων ἀνέμων ἀπ' ἄκρου γῆς ἕως ἄκρου οὐρανοῦ.
Vertaling:
Mc 13,27 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τότε ἀποστελεῖ (= apostelei: hij zal zenden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw αποστελλω = apostellô (af-sturen, af-zenden, zenden) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἀγγέλους καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐπισυνάξει (= episunaksei: hij zal verzamelen; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw επισυναγω = episunagô: bijeendrijven, verzamelen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἐκλεκτοὺς [αὐτοῦ] ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τεσσάρων ἀνέμων ἀπ' ἄκρου γῆς ἕως ἄκρου οὐρανοῦ.

Mc 13,28 Ἀπὸ δὲ τῆς συκῆς μάθετε τὴν παραβολήν: ὅταν ἤδη ὁ κλάδος αὐτῆς ἁπαλὸς γένηται καὶ ἐκφύῃ τὰ φύλλα, γινώσκετε ὅτι ἐγγὺς τὸ θέρος ἐστίν.
Vertaling:
Mc 13,28 Ἀπὸ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) συκῆς μάθετε (= mathete: leert); wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô: leren ; Hebr.: lâ-m-ad. Stam : (l)-m-th/d.) τὴν παραβολήν: ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) ἤδη ὁ κλάδος αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἁπαλὸς γένηται (= genètai: het zou gebeuren); act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἐκφύῃ (= ekfuè: hij zou voortbrengen; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw εκφυω = ekfuô: verwekken, voortbrengen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) φύλλα, γινώσκετε (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) ὅτι ἐγγὺς τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θέρος ἐστίν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse).

Mc 13,29 οὕτως καὶ ὑμεῖς, ὅταν ἴδητε ταῦτα γινόμενα, γινώσκετε ὅτι ἐγγύς ἐστιν ἐπὶ θύραις.
Vertaling:
Mc 13,29 οὕτως καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ὑμεῖς, ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; voegw van tijd en mogelijkheid) ἴδητε (= idète: jullie zouden zien; wkw act conjunct aor 2de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien ; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) ταῦτα γινόμενα (= ginomena: het gebeurende; wkw part praes acc onz mv van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen), γινώσκετε (= ginôskete: weet; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: weten; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn) ὅτι ἐγγύς ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse) ἐπὶ θύραις.

Mc 13,30 ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐ μὴ παρέλθῃ ἡ γενεὰ αὕτη μέχρις οὗ ταῦτα πάντα γένηται.
Vertaling:
Mc 13,30 ἀμὴν λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ὑμῖν ὅτι οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ παρέλθῃ (= parelthè: het zou voorbijgaan; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γενεὰ αὕτη μέχρις οὗ ταῦτα πάντα γένηται (= genètai: het zou gebeuren); act conjunct aor 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: worden, gebeuren)

Mc 13,31 ὁ οὐρανὸς καὶ ἡ γῆ παρελεύσονται, οἱ δὲ λόγοι μου οὐ μὴ παρελεύσονται.
Vertaling:
Mc 13,31 ὁ οὐρανὸς καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἡ (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γῆ παρελεύσονται (= pareleusontai: zij zullen langskomen, voorbijgaan; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan), οἱ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) λόγοι μου οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) μὴ παρελεύσονται (= pareleusontai: zij zullen langskomen, voorbijgaan; wkw act ind fut 3de pers mv van het wkw παρερχομαι = parerchomai: langskomen, voorbijgaan).

Mc 13,32 Περὶ δὲ τῆς ἡμέρας ἐκείνης ἢ τῆς ὥρας οὐδεὶς οἶδεν, οὐδὲ οἱ ἄγγελοι ἐν οὐρανῷ οὐδὲ ὁ υἱός, εἰ μὴ ὁ πατήρ.
Vertaling:
Mc 13,32 Περὶ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἡμέρας ἐκείνης ἢ τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ὥρας οὐδεὶς οἶδεν (= oiden: hij weet; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw οιδα = oida: ik weet), οὐδὲ οἱ ἄγγελοι ἐν οὐρανῷ οὐδὲ ὁ υἱός, εἰ μὴ ὁ πατήρ. .

Mc 13,33 βλέπετε ἀγρυπνεῖτε: οὐκ οἴδατε γὰρ πότε ὁ καιρός ἐστιν.
Vertaling:
Mc 13,33 βλέπετε (= blepete: jullie kijken, kijkt; wkw act ind praes + imperat praes 2de pers mv van het werkw βλεπω = blepô: kijken, zien) ἀγρυπνεῖτε (= agrupneite: waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀγρυπνεω = agrupneô: slaaploos of wakker zijn, waken): οὐκ οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) γὰρ πότε ὁ καιρός ἐστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι =  eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse) .

Mc 13,34 ὡς ἄνθρωπος ἀπόδημος ἀφεὶς τὴν οἰκίαν αὐτοῦ καὶ δοὺς τοῖς δούλοις αὐτοῦ τὴν ἐξουσίαν, ἑκάστῳ τὸ ἔργον αὐτοῦ, καὶ τῷ θυρωρῷ ἐνετείλατο ἵνα γρηγορῇ.
Vertaling:
Mc 13,34 ὡς ἄνθρωπος ἀπόδημος ἀφεὶς (= afeis: aflatende, achterlatende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αφιημι = af -hièmi: in beweging zetten, zenden, af-laten, ver-laten. afièmi < apo-ièmi < ap-hièmi, zie Baeyens 15,1 blz 8) τὴν οἰκίαν αὐτοῦ καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) δοὺς (= dous: gevende; wkw act part aor nom mann enk van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δούλοις αὐτοῦ τὴν ἐξουσίαν, ἑκάστῳ τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἔργον αὐτοῦ, καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θυρωρῷ ἐνετείλατο (= eneteilato: hij beval; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εντελλω = entellô: bevelen, opdragen, vragen) ἵνα γρηγορῇ (= grègorèi; hij zou waken; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).

Mc 13,35 γρηγορεῖτε οὖν, οὐκ οἴδατε γὰρ πότε ὁ κύριος τῆς οἰκίας ἔρχεται, ἢ ὀψὲ ἢ μεσονύκτιον ἢ ἀλεκτοροφωνίας ἢ πρωΐ,
Vertaling:
Mc 13,35 γρηγορεῖτε (= grègorèi; hij zou waken; wkw act conjunct praes 3de pers enk van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken) οὖν, οὐκ οἴδατε (= oidate: jullie weten; wkw act ind 2de pers mv; zie het wkw οιδα = oida: ik weet) γὰρ πότε ὁ κύριος τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίας ἔρχεται (= erchetai: hij gaat; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden), ἢ ὀψὲ ἢ μεσονύκτιον ἢ ἀλεκτοροφωνίας ἢ πρωΐ,

Mc 13,36 μὴ ἐλθὼν ἐξαίφνης εὕρῃ ὑμᾶς καθεύδοντας.
Vertaling:
Mc 13,36 μὴ ἐλθὼν (= elthôn: gekomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐξαίφνης εὕρῃ (= heurè: hij zou vinden); wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuriskô: vinden) ὑμᾶς καθεύδοντας (= katheudontas: slapend; wkw act part praes acc mann mv van het wkw καθευδω = katheudô: slapen).

Mc 13,37 ὃ δὲ ὑμῖν λέγω, πᾶσιν λέγω, γρηγορεῖτε.
Vertaling:
Mc 13,37 ὃ δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ὑμῖν λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), πᾶσιν λέγω (= λέγô: ik zeg; wkw act ind praes 1ste pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), γρηγορεῖτε (= grègorèite; waakt; wkw act imperat praes 2de pers mv van het wkw γρηγορεω = grègoreô: waken).

Marcus 14

Mc 14,1*)=ην δὲ τὸ πάσχα καὶ τὰ ἄζυμα μετὰ δύο ἡμέρας. καὶ ἐζήτουν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς πῶς αὐτὸν ἐν δόλῳ κρατήσαντες ἀποκτείνωσιν:
Vertaling: Maar het was na twee dagen Pasen en de ongedesemde broden en de hogepriesters en de Schriftgeleerden zochten hoe ze met een list zouden overmeesteren en doden.
Mc 14,1*)=ην (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-, zie Lat.: esse; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πάσχα (= pascha; pascha, Pesach, Pasen; zn nom onz enk) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄζυμα (= azuma: ongedesemde broden; bv nw nom onz mv van het bv nw ἄζυμος: ongegist, ongedesemd) μετὰ (= meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' of μεθ' = meth') δύο (= duo: twee; hoofdtelw) ἡμέρας. (= hèmeras: dagen, zn acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐζήτουν (= ezètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ζητεω = zèteô: zoeken) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀρχιερεῖς (= archiereis: hogepriesters; zn nom mann mv van het zn ἀρχιερευς = archiereus: hogepriester) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γραμματεῖς (= grammateis: Schriftgeleerden; zn nom mann mv van het zn γραμματευς = grammateus: schrift-geleerde; uitgang -eus duidt op de persoon die met 'letters' te maken heeft: letterkundige, schrift-geleerde; γραφευς = grafeus is een schrijver; γρα-μ-μα = gra-m-ma: letter, uitgang -ma wijst op het resultaat, dus: het geschrevene of letter; γραφ-μα -> γρα-μ-μα: assimilatie van de f aan de m; γραφω = grafô: graveren, griffen, schrijven) πῶς (= pôs: hoe; onbep vrag vnw) αὐτὸν (= auton: hem; aanw vnw 3de pers acc mann enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) δόλῳ (= dolô: met list; zn dat mann enk van het zn δόλος = dolos: list, bedrog) κρατήσαντες (= kratèsantes: overmachtigd, vastgenomen; wkw act part aor mann mv van het wkw κρατεω = krateô: vastnemen, bemachtigen, zich meester maken van) ἀποκτείνωσιν (= apokteinôsin: zij zouden doden; wkw act conjunct praes 3de pers mv van het wkw αποκτεινω = apokteinô: doden):

Mc 14,2 ἔλεγον γάρ, Μὴ ἐν τῇ ἑορτῇ, μήποτε ἔσται θόρυβος τοῦ λαοῦ.
Vertaling: Want ze zeiden: niet op het feest opdat er geen oproer van het volk zal zijn.
Mc 14,2 ἔλεγον (= elegon: zij zeiden; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) γάρ (= gar: want; nevenschikk vw van reden), μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἑορτῇ (= heortè: feest; zn dat vr enk van het zn ἑορτη = heortè: feest), μήποτε (= mèpote: opdat niet; bw: nooit, niets eens; vw: opdat) ἔσται (= estai: hij/zij/het zal zijn; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse) θόρυβος (= thorubos: oprier; nom mann enk: lawaai, rumoer, onrust, oproer) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λαοῦ (= laou: van het volk; zn gen mann enk van het zn λαος = laos: volk) .

Mc 14,3 Καὶ ὄντος αὐτοῦ ἐν Βηθανίᾳ ἐν τῇ οἰκίᾳ Σίμωνος τοῦ λεπροῦ κατακειμένου αὐτοῦ ἦλθεν γυνὴ ἔχουσα ἀλάβαστρον μύρου νάρδου πιστικῆς πολυτελοῦς: συντρίψασα τὴν ἀλάβαστρον κατέχεεν αὐτοῦ τῆς κεφαλῆς.
Vertaling: En terwijl hij in Bethanië in het huis van Simon, de melaatse, was en terwijl hij aanlag kwam een vrouw met een albasten flesje van kostbare betrouwbare balsem, sloeg het albasten flesje stuk en goot de olie over zijn hoofd.
Mc 14,3 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὄντος (= ontos: terwijl er is; wkw act part praes gen mann enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat: esse) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) Βηθανίᾳ ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia: huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) Σίμωνος (= simônos: van Simon; zn eigennaam gen mann enk van het zn σιμων = Simôn: Simon) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) λεπροῦ (= leprou: van de melaatse; zn gen mann enk van het zn λεπρος = lepros: melaatse) κατακειμένου (= katakeimenou: terwijl hij neerligt; wkw med part praes gen mann enk van het wkw κατακειμαι = katakeimai: neerliggen) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) ἔχουσα (= echousa: hebbende; wkw act part praes nom vr enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc anz enk) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρος = muros: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) νάρδου (= nardou: van nardusolie; zn gen vr enk van het zn ναρδος = nardos: nardusolie) πιστικῆς (= pistikès: van betrouwbare); bv nw gen vr enk van het bv nw πιστικος = pistikos: betrouwbaar, echt) πολυτελοῦς: (= polutelous: van kostbare; bv nw gen vr enk van het bv nw πολυτελης = polutelès: kostbaar, waardevol) συντρίψασα (= suntripsasa: stuk geslagen; wkw act part aor nom vr enk van het wkw συντριβω = suntribô: stuk slaan, tegen elkaar wrijven) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidwὁ (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀλάβαστρον (= alabastron: albast, zalfflesje; zn acc anz enk) κατέχεεν (= katecheen: zij goot neer; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw καταχεω = katacheô: neergieten, gieten over) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; pers vnw 3de pers gen mann of onz enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) κεφαλῆς (= kefalès: van het hoofd; zn gen vr enk van het zn κεφαλη = kefalè: hoofd).

Mc 14,4 ἦσαν δέ τινες ἀγανακτοῦντες πρὸς ἑαυτούς, Εἰς τί ἡ ἀπώλεια αὕτη τοῦ μύρου γέγονεν;
Vertaling: Maar sommigen waren zich aan het ergeren: waarom gebeurde deze verspilling van balsem?
Mc 14,4 ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) δέ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw; afkorting δ' = d') τινες (= tines: sommigen; onbep vnw nom mann mv van het onbep vnw τις - τι = tis, ti: iemand, iets; mv: sommigen) ἀγανακτοῦντες (= aganaktountes: zich ergeren; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ἀγανακτεω = aganakteô: zich ergeren) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) ἑαυτούς (= heautous: zichzelf); wederkerig vnw acc mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf), εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπώλεια (= apôleia: vernietiging, ondergang, verkwisting; zn nom vr enk; zie het wkw απολλυμι = apollumi: verderven, verdoemen) αὕτη (= hautè: deze; aanwijz vnw nom vr enk bij het aanwijz vnw οὑτος = houtos: deze) τοῦ (= tou: van de; bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μύρου (= murou: van balsem; zn gen onz enk van het zn μυρον = muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum) γέγονεν (= gegonen: het gebeurde; wkw med / pass ind perf 3de pers enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren, worden; stam gen);

Mc 14,5 ἠδύνατο γὰρ τοῦτο τὸ μύρον πραθῆναι ἐπάνω δηναρίων τριακοσίων καὶ δοθῆναι τοῖς πτωχοῖς: καὶ ἐνεβριμῶντο αὐτῇ.
Vertaling: Want deze balsem kon verkocht worden boven driehonderd denariën en aan de armen gegeven worden en zij waren vertoornd op haar.
Mc 14,5 ἠδύνατο (= èdunato: hij kon; wkw med of pass ind imperf 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) γὰρ (= gar; nevenschikkend vw van reden) τοῦτο (= touto: dit; aanwijz vnw nom onz enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) μύρον (= muron: welriekende olie, zalf, balsem, parfum; zn nom onz enk) πραθῆναι (= prathènai: verkocht te worden; wkw pass ind aor van het wkw πιπρασκω = pipraskô: verkopen) ἐπάνω (= epanô: bovenop; vz van plaats) δηναρίων (= dènariôn: van denariën; zn gen onz mv van het zn δηναριον = dènarion: denarie) τριακοσίων (= triakosiôn: van driehonderd; hoofdtelw gen onz mv van het hoofdtelw τριακοσιοι. driehonderd) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) δοθῆναι (= dothènai: te worden gegeven; wkw pass inf aor van het wkw διδωμι = didômi: geven. Lat: dare / donare - donum: geven - gave, gift. Fr: donner - don: geven - gave) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann of onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πτωχοῖς (= ptôchois: aan de armen; bv nw dat onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme): καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐνεβριμῶντο (= enebrimônto: zij waren vertoornd op; wkw med of pass ind imperf 3de pers mv van het wkw εμβριμαομαι = diep bewogen zijn, vertoornd zijn, uitdrukkelijk gelasten, verwijten) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 14,6 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἄφετε αὐτήν: τί αὐτῇ κόπους παρέχετε; καλὸν ἔργον ἠργάσατο ἐν ἐμοί.
Vertaling: Maar Jezus zei: Laten jullie har. Wat brengen jullie haar slagen toe. Zij bewerkte een goed werk aan mij.
Mc 14,6 (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Ἄφετε (= afete: laten jullie; wkw act imperat aor 2de pers mv van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) αὐτήν (= autèn: haar; pers vnw 3de pers acc vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij): τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) αὐτῇ (= autè: aan haar; pers vnw enk dat vr enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) κόπους (= kopous: slagen; zn acc mann mv van het zn κόπος: het slaan, slag) παρέχετε (= parechete: jullie verschaffen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw παρέχω: verschaffen, aanbieden, veroorzaken, maken tot); καλὸν (= kalon: goed; bv nw acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) ἔργον (= ergon: werk; zn acc onz enk) ἠργάσατο (= èrgasato: hij bewerkte; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw εργαζω = ergadzô: bewerken) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) ἐμοί (= emoi: aan mij; pers vnw 1ste pers dat mann enk van het pers vnw εγω = egô: ik - mij).

Mc 14,7 πάντοτε γὰρ τοὺς πτωχοὺς ἔχετε μεθ' ἑαυτῶν, καὶ ὅταν θέλητε δύνασθε αὐτοῖς εὖ ποιῆσαι, ἐμὲ δὲ οὐ πάντοτε ἔχετε.
Vertaling: Mc 14,7 πάντοτε (= pantote: al-tijd; bw) γὰρ (nevenschikkend vw van reden: want) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πτωχοὺς (= ptôchous: armen; bv nw acc onz mv van het bv nw πτωχος = ptôchos: arme) ἔχετε (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) μεθ' (= meth', afkorting van μετα = meta: met, na; vz met gen, acc; afkorting: μετ' = met' ) ἑαυτῶν (= heautôn: met zichzelf; wederkerig vnw gen mann mv van het wederkerig vnw ἑαυτος = heautos: zichzelf), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅταν (= hotan: telkens wanneer, wanneer, zodra; onderschikkend vw) θέλητε (= thelète: jullie zouden willen; wkw act conjunc praes 2de pers mv van het wkw θελω = thelô: willen) δύνασθε (= dunasthe: jullie kunnen; wkw med of pass ind praes 2de pers mv van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) εὖ (= eu: goed; bw) ποιῆσαι (= poièsai: te doen; wkw act inf aor van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken), ἐμὲ (= eme: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) δὲ (= de: tegenover, echter; nevenschikkend vw) οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) πάντοτε (= pantote: al-tijd; bw) ἔχετε. (= echete: jullie hebben; act ind praes 2de pers mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten)
-

Mc 14,8 ὃ ἔσχεν ἐποίησεν: προέλαβεν μυρίσαι τὸ σῶμά μου εἰς τὸν ἐνταφιασμόν.
Vertaling:
Mc 14,8 (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἔσχεν (= eschen: hij had; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ἐποίησεν: (= epoièsen: hij deed; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw ποιεω = poieô: doen, maken) προέλαβεν (= proelaben: hij nam vooraf, hij anticipeerde; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw προλαμβανω = vooraf nemen, anticiperen; zie het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) μυρίσαι (= murisai; te balsemen; wkw act inf aor van het wkw μυριζω = muridzô: zalven, balsemen) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) σῶμά (= sôma: lichaam: zn acc onz enk) μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἐνταφιασμόν (= entafiasmon: begrafenis; zn acc mann mv van het zn ἐνταφιασμος = entafiasmos: balseming, begrafenis).

9ἀμὴν δὲ λέγω ὑμῖν, ὅπου ἐὰν κηρυχθῇ τὸ εὐαγγέλιον εἰς ὅλον τὸν κόσμον, καὶ ὃ ἐποίησεν αὕτη λαληθήσεται εἰς μνημόσυνον αὐτῆς.

Mc 14,10 Καὶ Ἰούδας Ἰσκαριὼθ ὁ εἷς τῶν δώδεκα ἀπῆλθεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς ἵνα αὐτὸν παραδοῖ αὐτοῖς.

Mc 14,11 οἱ δὲ ἀκούσαντες ἐχάρησαν καὶ ἐπηγγείλαντο αὐτῷ ἀργύριον δοῦναι. καὶ ἐζήτει πῶς αὐτὸν εὐκαίρως παραδοῖ.

Mc 14,12 Καὶ τῇ πρώτῃ ἡμέρᾳ τῶν ἀζύμων, ὅτε τὸ πάσχα ἔθυον, λέγουσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, Ποῦ θέλεις ἀπελθόντες ἑτοιμάσωμεν ἵνα φάγῃς τὸ πάσχα;

13καὶ ἀποστέλλει δύο τῶν μαθητῶν αὐτοῦ καὶ λέγει αὐτοῖς, Ὑπάγετε εἰς τὴν πόλιν, καὶ ἀπαντήσει ὑμῖν ἄνθρωπος κεράμιον ὕδατος βαστάζων: ἀκολουθήσατε αὐτῷ,

14καὶ ὅπου ἐὰν εἰσέλθῃ εἴπατε τῷ οἰκοδεσπότῃ ὅτι Ὁ διδάσκαλος λέγει, Ποῦ ἐστιν τὸ κατάλυμά μου ὅπου τὸ πάσχα μετὰ τῶν μαθητῶν μου φάγω; 15καὶ αὐτὸς ὑμῖν δείξει ἀνάγαιον μέγα ἐστρωμένον ἕτοιμον: καὶ ἐκεῖ ἑτοιμάσατε ἡμῖν. 16καὶ ἐξῆλθον οἱ μαθηταὶ καὶ ἦλθον εἰς τὴν πόλιν καὶ εὗρον καθὼς εἶπεν αὐτοῖς, καὶ ἡτοίμασαν τὸ πάσχα.

17 Καὶ ὀψίας γενομένης ἔρχεται μετὰ τῶν δώδεκα.

18καὶ ἀνακειμένων αὐτῶν καὶ ἐσθιόντων ὁ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἷς ἐξ ὑμῶν παραδώσει με, ὁ ἐσθίων μετ' ἐμοῦ. 19ἤρξαντο λυπεῖσθαι καὶ λέγειν αὐτῷ εἷς κατὰ εἷς, Μήτι ἐγώ; 20ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς, Εἷς τῶν δώδεκα, ὁ ἐμβαπτόμενος μετ' ἐμοῦ εἰς τὸ τρύβλιον. 21ὅτι ὁ μὲν υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ὑπάγει καθὼς γέγραπται περὶ αὐτοῦ, οὐαὶ δὲ τῷ ἀνθρώπῳ ἐκείνῳ δι' οὗ ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται: καλὸν αὐτῷ εἰ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐγεννήθη ὁ ἄνθρωπος ἐκεῖνος. 22Καὶ ἐσθιόντων αὐτῶν λαβὼν ἄρτον εὐλογήσας ἔκλασεν καὶ ἔδωκεν αὐτοῖς καὶ εἶπεν, Λάβετε, τοῦτό ἐστιν τὸ σῶμά μου. 23καὶ λαβὼν ποτήριον εὐχαριστήσας ἔδωκεν αὐτοῖς, καὶ ἔπιον ἐξ αὐτοῦ πάντες. 24καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Τοῦτό ἐστιν τὸ αἷμά μου τῆς διαθήκης τὸ ἐκχυννόμενον ὑπὲρ πολλῶν: 25ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι οὐ μὴ πίω ἐκ τοῦ γενήματος τῆς ἀμπέλου ἕως τῆς ἡμέρας ἐκείνης ὅταν αὐτὸ πίνω καινὸν ἐν τῇ βασιλείᾳ τοῦ θεοῦ. 26Καὶ ὑμνήσαντες ἐξῆλθον εἰς τὸ Ὄρος τῶν Ἐλαιῶν. 27Καὶ λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πάντες σκανδαλισθήσεσθε, ὅτι γέγραπται, Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται: 28ἀλλὰ μετὰ τὸ ἐγερθῆναί με προάξω ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 29ὁ δὲ Πέτρος ἔφη αὐτῷ, Εἰ καὶ πάντες σκανδαλισθήσονται, ἀλλ' οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐγώ. 30καὶ λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν λέγω σοι ὅτι σὺ σήμερον ταύτῃ τῇ νυκτὶ πρὶν ἢ δὶς ἀλέκτορα φωνῆσαι τρίς με ἀπαρνήσῃ. 31ὁ δὲ ἐκπερισσῶς ἐλάλει, Ἐὰν δέῃ με συναποθανεῖν σοι, οὐ μή σε ἀπαρνήσομαι. ὡσαύτως δὲ καὶ πάντες ἔλεγον. 32Καὶ ἔρχονται εἰς χωρίον οὗ τὸ ὄνομα Γεθσημανί, καὶ λέγει τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ, Καθίσατε ὧδε ἕως προσεύξωμαι. 33καὶ παραλαμβάνει τὸν Πέτρον καὶ [τὸν] Ἰάκωβον καὶ [τὸν] Ἰωάννην μετ' αὐτοῦ, καὶ ἤρξατο ἐκθαμβεῖσθαι καὶ ἀδημονεῖν, 34καὶ λέγει αὐτοῖς, Περίλυπός ἐστιν ἡ ψυχή μου ἕως θανάτου: μείνατε ὧδε καὶ γρηγορεῖτε. 35καὶ προελθὼν μικρὸν ἔπιπτεν ἐπὶ τῆς γῆς, καὶ προσηύχετο ἵνα εἰ δυνατόν ἐστιν παρέλθῃ ἀπ' αὐτοῦ ἡ ὥρα, 36καὶ ἔλεγεν, Αββα ὁ πατήρ, πάντα δυνατά σοι: παρένεγκε τὸ ποτήριον τοῦτο ἀπ' ἐμοῦ: ἀλλ' οὐ τί ἐγὼ θέλω ἀλλὰ τί σύ. 37καὶ ἔρχεται καὶ εὑρίσκει αὐτοὺς καθεύδοντας, καὶ λέγει τῷ Πέτρῳ, Σίμων, καθεύδεις; οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἴσχυσας μίαν ὥραν γρηγορῆσαι;

38γρηγορεῖτε καὶ προσεύχεσθε, ἵνα μὴ ἔλθητε εἰς πειρασμόν: τὸ μὲν πνεῦμα πρόθυμον ἡ δὲ σὰρξ ἀσθενής.

39 καὶ πάλιν ἀπελθὼν προσηύξατο τὸν αὐτὸν λόγον εἰπών.

40καὶ πάλιν ἐλθὼν εὗρεν αὐτοὺς καθεύδοντας, ἦσαν γὰρ αὐτῶν οἱ ὀφθαλμοὶ καταβαρυνόμενοι, καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ᾔδεισαν τί ἀποκριθῶσιν αὐτῷ. 41καὶ ἔρχεται τὸ τρίτον καὶ λέγει αὐτοῖς, Καθεύδετε τὸ λοιπὸν καὶ ἀναπαύεσθε; ἀπέχει: ἦλθεν ἡ ὥρα, ἰδοὺ παραδίδοται ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου εἰς τὰς χεῖρας τῶν ἁμαρτωλῶν. 42ἐγείρεσθε ἄγωμεν: ἰδοὺ ὁ παραδιδούς με ἤγγικεν. 43Καὶ εὐθὺς ἔτι αὐτοῦ λαλοῦντος παραγίνεται Ἰούδας εἷς τῶν δώδεκα καὶ μετ' αὐτοῦ ὄχλος μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων παρὰ τῶν ἀρχιερέων καὶ τῶν γραμματέων καὶ τῶν πρεσβυτέρων. 44δεδώκει δὲ ὁ παραδιδοὺς αὐτὸν σύσσημον αὐτοῖς λέγων, Ὃν ἂν φιλήσω αὐτός ἐστιν: κρατήσατε αὐτὸν καὶ ἀπάγετε ἀσφαλῶς. 45καὶ ἐλθὼν εὐθὺς προσελθὼν αὐτῷ λέγει, Ῥαββί, καὶ κατεφίλησεν αὐτόν. 46οἱ δὲ ἐπέβαλον τὰς χεῖρας αὐτῷ καὶ ἐκράτησαν αὐτόν. 47εἷς δέ [τις] τῶν παρεστηκότων σπασάμενος τὴν μάχαιραν ἔπαισεν τὸν δοῦλον τοῦ ἀρχιερέως καὶ ἀφεῖλεν αὐτοῦ τὸ ὠτάριον. 48καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Ὡς ἐπὶ λῃστὴν ἐξήλθατε μετὰ μαχαιρῶν καὶ ξύλων συλλαβεῖν με; 49καθ' ἡμέραν ἤμην πρὸς ὑμᾶς ἐν τῷ ἱερῷ διδάσκων καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐκρατήσατέ με: ἀλλ' ἵνα πληρωθῶσιν αἱ γραφαί. 50καὶ ἀφέντες αὐτὸν ἔφυγον πάντες. 51Καὶ νεανίσκος τις συνηκολούθει αὐτῷ περιβεβλημένος σινδόνα ἐπὶ γυμνοῦ, καὶ κρατοῦσιν αὐτόν: 52ὁ δὲ καταλιπὼν τὴν σινδόνα γυμνὸς ἔφυγεν. 53Καὶ ἀπήγαγον τὸν Ἰησοῦν πρὸς τὸν ἀρχιερέα, καὶ συνέρχονται πάντες οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ πρεσβύτεροι καὶ οἱ γραμματεῖς. 54καὶ ὁ Πέτρος ἀπὸ μακρόθεν ἠκολούθησεν αὐτῷ ἕως ἔσω εἰς τὴν αὐλὴν τοῦ ἀρχιερέως, καὶ ἦν συγκαθήμενος μετὰ τῶν ὑπηρετῶν καὶ θερμαινόμενος πρὸς τὸ φῶς. 55οἱ δὲ ἀρχιερεῖς καὶ ὅλον τὸ συνέδριον ἐζήτουν κατὰ τοῦ Ἰησοῦ μαρτυρίαν εἰς τὸ θανατῶσαι αὐτόν, καὶ οὐχ ηὕρισκον: 56πολλοὶ γὰρ ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ, καὶ ἴσαι αἱ μαρτυρίαι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἦσαν. 57καί τινες ἀναστάντες ἐψευδομαρτύρουν κατ' αὐτοῦ λέγοντες

58ὅτι Ἡμεῖς ἠκούσαμεν αὐτοῦ λέγοντος ὅτι Ἐγὼ καταλύσω τὸν ναὸν τοῦτον τὸν χειροποίητον καὶ διὰ τριῶν ἡμερῶν ἄλλον ἀχειροποίητον οἰκοδομήσω:

59καὶ οὐδὲ οὕτως ἴση ἦν ἡ μαρτυρία αὐτῶν.

60καὶ ἀναστὰς ὁ ἀρχιερεὺς εἰς μέσον ἐπηρώτησεν τὸν Ἰησοῦν λέγων, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀποκρίνῃ οὐδέν; τί οὗτοί σου καταμαρτυροῦσιν;

61ὁ δὲ ἐσιώπα καὶ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀπεκρίνατο οὐδέν. πάλιν ὁ ἀρχιερεὺς ἐπηρώτα αὐτὸν καὶ λέγει αὐτῷ, Σὺ εἶ ὁ Χριστὸς ὁ υἱὸς τοῦ εὐλογητοῦ;

62ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν, Ἐγώ εἰμι, καὶ ὄψεσθε τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἐκ δεξιῶν καθήμενον τῆς δυνάμεως καὶ ἐρχόμενον μετὰ τῶν νεφελῶν τοῦ οὐρανοῦ.

63ὁ δὲ ἀρχιερεὺς διαρρήξας τοὺς χιτῶνας αὐτοῦ λέγει, Τί ἔτι χρείαν ἔχομεν μαρτύρων;

64ἠκούσατε τῆς βλασφημίας: τί ὑμῖν φαίνεται; οἱ δὲ πάντες κατέκριναν αὐτὸν ἔνοχον εἶναι θανάτου.

65Καὶ ἤρξαντό τινες ἐμπτύειν αὐτῷ καὶ περικαλύπτειν αὐτοῦ τὸ πρόσωπον καὶ κολαφίζειν αὐτὸν καὶ λέγειν αὐτῷ, Προφήτευσον, καὶ οἱ ὑπηρέται ῥαπίσμασιν αὐτὸν ἔλαβον.

66Καὶ ὄντος τοῦ Πέτρου κάτω ἐν τῇ αὐλῇ ἔρχεται μία τῶν παιδισκῶν τοῦ ἀρχιερέως,

67καὶ ἰδοῦσα τὸν Πέτρον θερμαινόμενον ἐμβλέψασα αὐτῷ λέγει, Καὶ σὺ μετὰ τοῦ Ναζαρηνοῦ ἦσθα τοῦ Ἰησοῦ.

68ὁ δὲ ἠρνήσατο λέγων, Οὔτε οἶδα οὔτε ἐπίσταμαι σὺ τί λέγεις. καὶ ἐξῆλθεν ἔξω εἰς τὸ προαύλιον [:καὶ ἀλέκτωρ ἐφώνησεν].

69καὶ ἡ παιδίσκη ἰδοῦσα αὐτὸν ἤρξατο πάλιν λέγειν τοῖς παρεστῶσιν ὅτι Οὗτος ἐξ αὐτῶν ἐστιν.

70ὁ δὲ πάλιν ἠρνεῖτο. καὶ μετὰ μικρὸν πάλιν οἱ παρεστῶτες ἔλεγον τῷ Πέτρῳ, Ἀληθῶς ἐξ αὐτῶν εἶ, καὶ γὰρ Γαλιλαῖος εἶ.

71ὁ δὲ ἤρξατο ἀναθεματίζειν καὶ ὀμνύναι ὅτι οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) οἶδα τὸν ἄνθρωπον τοῦτον ὃν λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) .

72καὶ εὐθὺς ἐκ δευτέρου ἀλέκτωρ ἐφώνησεν. καὶ ἀνεμνήσθη ὁ Πέτρος τὸ ῥῆμα ὡς εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι Πρὶν ἀλέκτορα φωνῆσαι δὶς τρίς με ἀπαρνήσῃ: καὶ ἐπιβαλὼν ἔκλαιεν.

Marcus 15

1Καὶ εὐθὺς πρωῒ συμβούλιον ποιήσαντες οἱ ἀρχιερεῖς μετὰ τῶν πρεσβυτέρων καὶ γραμματέων καὶ ὅλον τὸ συνέδριον δήσαντες τὸν Ἰησοῦν ἀπήνεγκαν καὶ παρέδωκαν Πιλάτῳ. 2καὶ ἐπηρώτησεν αὐτὸν ὁ Πιλᾶτος, Σὺ εἶ ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων; ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει, Σὺ λέγεις. 3καὶ κατηγόρουν αὐτοῦ οἱ ἀρχιερεῖς πολλά. 4ὁ δὲ Πιλᾶτος πάλιν ἐπηρώτα αὐτὸν λέγων, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἀποκρίνῃ οὐδέν; ἴδε πόσα σου κατηγοροῦσιν. 5ὁ δὲ Ἰησοῦς οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet)έτι οὐδὲν ἀπεκρίθη, ὥστε θαυμάζειν τὸν Πιλᾶτον. 6Κατὰ δὲ ἑορτὴν ἀπέλυεν αὐτοῖς ἕνα δέσμιον ὃν παρῃτοῦντο. 7ἦν δὲ ὁ λεγόμενος Βαραββᾶς μετὰ τῶν στασιαστῶν δεδεμένος οἵτινες ἐν τῇ στάσει φόνον πεποιήκεισαν. 8καὶ ἀναβὰς ὁ ὄχλος ἤρξατο αἰτεῖσθαι καθὼς ἐποίει αὐτοῖς. 9ὁ δὲ Πιλᾶτος ἀπεκρίθη αὐτοῖς λέγων, Θέλετε ἀπολύσω ὑμῖν τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων; 10ἐγίνωσκεν γὰρ ὅτι διὰ φθόνον παραδεδώκεισαν αὐτὸν οἱ ἀρχιερεῖς. 11οἱ δὲ ἀρχιερεῖς ἀνέσεισαν τὸν ὄχλον ἵνα μᾶλλον τὸν Βαραββᾶν ἀπολύσῃ αὐτοῖς. 12ὁ δὲ Πιλᾶτος πάλιν ἀποκριθεὶς ἔλεγεν αὐτοῖς, Τί οὖν [θέλετε] ποιήσω [ὃν λέγετε (= legete: jullie zeggen; wkw act ind praes 2de pers mv van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) ] τὸν βασιλέα τῶν Ἰουδαίων; 13οἱ δὲ πάλιν ἔκραξαν, Σταύρωσον αὐτόν. 14ὁ δὲ Πιλᾶτος ἔλεγεν αὐτοῖς, Τί γὰρ ἐποίησεν κακόν; οἱ δὲ περισσῶς ἔκραξαν, Σταύρωσον αὐτόν. 15ὁ δὲ Πιλᾶτος βουλόμενος τῷ ὄχλῳ τὸ ἱκανὸν ποιῆσαι ἀπέλυσεν αὐτοῖς τὸν Βαραββᾶν, καὶ παρέδωκεν τὸν Ἰησοῦν φραγελλώσας ἵνα σταυρωθῇ. 16Οἱ δὲ στρατιῶται ἀπήγαγον αὐτὸν ἔσω τῆς αὐλῆς, ὅ ἐστιν πραιτώριον, καὶ συγκαλοῦσιν ὅλην τὴν σπεῖραν. 17καὶ ἐνδιδύσκουσιν αὐτὸν πορφύραν καὶ περιτιθέασιν αὐτῷ πλέξαντες ἀκάνθινον στέφανον: 18καὶ ἤρξαντο ἀσπάζεσθαι αὐτόν, Χαῖρε, βασιλεῦ τῶν Ἰουδαίων: 19καὶ ἔτυπτον αὐτοῦ τὴν κεφαλὴν καλάμῳ καὶ ἐνέπτυον αὐτῷ, καὶ τιθέντες τὰ γόνατα προσεκύνουν αὐτῷ. 20καὶ ὅτε ἐνέπαιξαν αὐτῷ, ἐξέδυσαν αὐτὸν τὴν πορφύραν καὶ ἐνέδυσαν αὐτὸν τὰ ἱμάτια αὐτοῦ. καὶ ἐξάγουσιν αὐτὸν ἵνα σταυρώσωσιν αὐτόν. 21Καὶ ἀγγαρεύουσιν παράγοντά τινα Σίμωνα Κυρηναῖον ἐρχόμενον ἀπ' ἀγροῦ, τὸν πατέρα Ἀλεξάνδρου καὶ Ῥούφου, ἵνα ἄρῃ τὸν σταυρὸν αὐτοῦ. 22καὶ φέρουσιν αὐτὸν ἐπὶ τὸν Γολγοθᾶν τόπον, ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον Κρανίου Τόπος. 23καὶ ἐδίδουν αὐτῷ ἐσμυρνισμένον οἶνον, ὃς δὲ οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔλαβεν. 24καὶ σταυροῦσιν αὐτὸν καὶ διαμερίζονται τὰ ἱμάτια αὐτοῦ, βάλλοντες κλῆρον ἐπ' αὐτὰ τίς τί ἄρῃ. 25ἦν δὲ ὥρα τρίτη καὶ ἐσταύρωσαν αὐτόν. 26καὶ ἦν ἡ ἐπιγραφὴ τῆς αἰτίας αὐτοῦ ἐπιγεγραμμένη, Ὁ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων. 27Καὶ σὺν αὐτῷ σταυροῦσιν δύο λῃστάς, ἕνα ἐκ δεξιῶν καὶ ἕνα ἐξ εὐωνύμων αὐτοῦ. 28Καὶ 29οἱ παραπορευόμενοι ἐβλασφήμουν αὐτὸν κινοῦντες τὰς κεφαλὰς αὐτῶν καὶ λέγοντες, Οὐὰ ὁ καταλύων τὸν ναὸν καὶ οἰκοδομῶν ἐν τρισὶν ἡμέραις, 30σῶσον σεαυτὸν καταβὰς ἀπὸ τοῦ σταυροῦ. 31ὁμοίως καὶ οἱ ἀρχιερεῖς ἐμπαίζοντες πρὸς ἀλλήλους μετὰ τῶν γραμματέων ἔλεγον, Ἄλλους ἔσωσεν, ἑαυτὸν οὐ δύναται σῶσαι: 32ὁ Χριστὸς ὁ βασιλεὺς Ἰσραὴλ καταβάτω νῦν ἀπὸ τοῦ σταυροῦ, ἵνα ἴδωμεν καὶ πιστεύσωμεν. καὶ οἱ συνεσταυρωμένοι σὺν αὐτῷ ὠνείδιζον αὐτόν. 33Καὶ γενομένης ὥρας ἕκτης σκότος ἐγένετο ἐφ' ὅλην τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης.

Mc 15,34 καὶ τῇ ἐνάτῃ ὥρᾳ ἐβόησεν ὁ Ἰησοῦς φωνῇ μεγάλῃ, Ελωι ελωι λεμα σαβαχθανι; ὅ ἐστιν μεθερμηνευόμενον Ὁ θεός μου ὁ θεός μου, εἰς τί ἐγκατέλιπές με;
Vertaling: En op het negende uur schreeuwde Jezus met luide stem: Elôi, elôi, lema sabachtahani, vertaald is dit: Mijn God, mijn God, waarom verliet je me?
Mc 15,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) τῇ (= tè; bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἐνάτῃ (= enatè: negende); bv nw rangtelw dat vr enk van het bv nw rangtelw ενατος = enatos:: negende) ὥρᾳ (= hôra: op het uur; zn dat vr enk van het zn ὡρα = hôra: uur) ἐβόησεν (= eboèsen: hij schreeuwde luid; act ind aor 3de pers enk van het wkw βοαω = boaô: luid schreeuwen) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; eigennaam; zn nom mann enk) φωνῇ (= fônè: met stem, roep; zn dat vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep) μεγάλῃ (= megalè: groot; bv nw dat vr enk van het bv nw μεγας = megas: groot), Ελωι (= elôi: mijn God; Aramees) ελωι (= elôi: mijn God; Aramees) λεμα (= lema: waarom; Aramees) σαβαχθανι (sabachthani: jij verliet me; Aramees); (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἐστιν (= estin: hij/zij/het is, wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned.: is; Lat.: esse) μεθερμηνευόμενον (= methermèneuomenon: vertaald; wkw pass part praes nom onz enk van het wkw μεθερμηνευω = methermèneuô: vertalen) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk)  μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij) (= ho: de; bep lidw nom mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θεός (= theos: God; nom mann enk)  μου (= mou: van mij; pers vnw 1ste pers gen mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij), εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τί (= ti: wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie?) ἐγκατέλιπές (= egkatelipes: jij verliet in; wkw act ind aor 2de pers enk van het wkw εγκαταλειπω = egkataleipô: achterlaten in, verlaten in) με (= me: mij; pers vnw 1ste pers acc mann enk bij het pers vnw εγω = egô: ik - mij);

35 καί τινες τῶν παρεστηκότων ἀκούσαντες ἔλεγον, Ἴδε Ἠλίαν φωνεῖ.

36δραμὼν δέ τις [καὶ] γεμίσας σπόγγον ὄξους περιθεὶς καλάμῳ ἐπότιζεν αὐτόν, λέγων, Ἄφετε ἴδωμεν εἰ ἔρχεται Ἠλίας καθελεῖν αὐτόν.

37ὁ δὲ Ἰησοῦς ἀφεὶς φωνὴν μεγάλην ἐξέπνευσεν.

38Καὶ τὸ καταπέτασμα τοῦ ναοῦ ἐσχίσθη εἰς δύο ἀπ' ἄνωθεν ἕως κάτω.

39Ἰδὼν δὲ ὁ κεντυρίων ὁ παρεστηκὼς ἐξ ἐναντίας αὐτοῦ ὅτι οὕτως ἐξέπνευσεν εἶπεν, Ἀληθῶς οὗτος ὁ ἄνθρωπος υἱὸς θεοῦ ἦν.

40*)=ησαν δὲ καὶ γυναῖκες ἀπὸ μακρόθεν θεωροῦσαι, ἐν αἷς καὶ Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ Ἰακώβου τοῦ μικροῦ καὶ Ἰωσῆτος μήτηρ καὶ Σαλώμη, 41αἳ ὅτε ἦν ἐν τῇ Γαλιλαίᾳ ἠκολούθουν αὐτῷ καὶ διηκόνουν αὐτῷ, καὶ ἄλλαι πολλαὶ αἱ συναναβᾶσαι αὐτῷ εἰς Ἱεροσόλυμα. 42Καὶ ἤδη ὀψίας γενομένης, ἐπεὶ ἦν παρασκευή, ὅ ἐστιν προσάββατον, 43ἐλθὼν Ἰωσὴφ [ὁ] ἀπὸ Ἁριμαθαίας εὐσχήμων βουλευτής, ὃς καὶ αὐτὸς ἦν προσδεχόμενος τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ, τολμήσας εἰσῆλθεν πρὸς τὸν Πιλᾶτον καὶ ᾐτήσατο τὸ σῶμα τοῦ Ἰησοῦ. 44ὁ δὲ Πιλᾶτος ἐθαύμασεν εἰ ἤδη τέθνηκεν, καὶ προσκαλεσάμενος τὸν κεντυρίωνα ἐπηρώτησεν αὐτὸν εἰ πάλαι ἀπέθανεν: 45καὶ γνοὺς ἀπὸ τοῦ κεντυρίωνος ἐδωρήσατο τὸ πτῶμα τῷ Ἰωσήφ. 46καὶ ἀγοράσας σινδόνα καθελὼν αὐτὸν ἐνείλησεν τῇ σινδόνι καὶ ἔθηκεν αὐτὸν ἐν μνημείῳ ὃ ἦν λελατομημένον ἐκ πέτρας, καὶ προσεκύλισεν λίθον ἐπὶ τὴν θύραν τοῦ μνημείου. 47ἡ δὲ Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ Ἰωσῆτος ἐθεώρουν ποῦ τέθειται. Online Greek New Testament Text  Text Source Info  Resources  Support

Marcus 16

1Καὶ διαγενομένου τοῦ σαββάτου Μαρία ἡ Μαγδαληνὴ καὶ Μαρία ἡ [τοῦ] Ἰακώβου καὶ Σαλώμη ἠγόρασαν ἀρώματα ἵνα ἐλθοῦσαι ἀλείψωσιν αὐτόν. 2καὶ λίαν πρωῒ τῇ μιᾷ τῶν σαββάτων ἔρχονται ἐπὶ τὸ μνημεῖον ἀνατείλαντος τοῦ ἡλίου. 3καὶ ἔλεγον πρὸς ἑαυτάς, Τίς ἀποκυλίσει ἡμῖν τὸν λίθον ἐκ τῆς θύρας τοῦ μνημείου; 4καὶ ἀναβλέψασαι θεωροῦσιν ὅτι ἀποκεκύλισται ὁ λίθος, ἦν γὰρ μέγας σφόδρα. 5καὶ εἰσελθοῦσαι εἰς τὸ μνημεῖον εἶδον νεανίσκον καθήμενον ἐν τοῖς δεξιοῖς περιβεβλημένον στολὴν λευκήν, καὶ ἐξεθαμβήθησαν. 6ὁ δὲ λέγει αὐταῖς, Μὴ ἐκθαμβεῖσθε: Ἰησοῦν ζητεῖτε τὸν Ναζαρηνὸν τὸν ἐσταυρωμένον: ἠγέρθη, οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἔστιν ὧδε: ἴδε ὁ τόπος ὅπου ἔθηκαν αὐτόν. 7ἀλλὰ ὑπάγετε εἴπατε τοῖς μαθηταῖς αὐτοῦ καὶ τῷ Πέτρῳ ὅτι Προάγει ὑμᾶς εἰς τὴν Γαλιλαίαν: ἐκεῖ αὐτὸν ὄψεσθε, καθὼς εἶπεν ὑμῖν. 8καὶ ἐξελθοῦσαι ἔφυγον ἀπὸ τοῦ μνημείου, εἶχεν γὰρ αὐτὰς τρόμος καὶ ἔκστασις: καὶ οὐδενὶ οὐδὲν εἶπαν, ἐφοβοῦντο γάρ. 9[[Ἀναστὰς δὲ πρωῒ πρώτῃ σαββάτου ἐφάνη πρῶτον Μαρίᾳ τῇ Μαγδαληνῇ, παρ' ἧς ἐκβεβλήκει ἑπτὰ δαιμόνια. 10ἐκείνη πορευθεῖσα ἀπήγγειλεν τοῖς μετ' αὐτοῦ γενομένοις πενθοῦσι καὶ κλαίουσιν: 11κἀκεῖνοι ἀκούσαντες ὅτι ζῇ καὶ ἐθεάθη ὑπ' αὐτῆς ἠπίστησαν. 12Μετὰ δὲ ταῦτα δυσὶν ἐξ αὐτῶν περιπατοῦσιν ἐφανερώθη ἐν ἑτέρᾳ μορφῇ πορευομένοις εἰς ἀγρόν: 13κἀκεῖνοι ἀπελθόντες ἀπήγγειλαν τοῖς λοιποῖς: οὐδὲ ἐκείνοις ἐπίστευσαν. 14Υστερον [δὲ] ἀνακειμένοις αὐτοῖς τοῖς ἕνδεκα ἐφανερώθη, καὶ ὠνείδισεν τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν καὶ σκληροκαρδίαν ὅτι τοῖς θεασαμένοις αὐτὸν ἐγηγερμένον οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) ἐπίστευσαν. 15καὶ εἶπεν αὐτοῖς, Πορευθέντες εἰς τὸν κόσμον ἅπαντα κηρύξατε τὸ εὐαγγέλιον πάσῃ τῇ κτίσει. 16ὁ πιστεύσας καὶ βαπτισθεὶς σωθήσεται, ὁ δὲ ἀπιστήσας κατακριθήσεται. 17σημεῖα δὲ τοῖς πιστεύσασιν ταῦτα παρακολουθήσει: ἐν τῷ ὀνόματί μου δαιμόνια ἐκβαλοῦσιν, γλώσσαις λαλήσουσιν καιναῖς, 18[καὶ ἐν ταῖς χερσὶν] ὄφεις ἀροῦσιν, κἂν θανάσιμόν τι πίωσιν οὐ μὴ αὐτοὺς βλάψῃ, ἐπὶ ἀρρώστους χεῖρας ἐπιθήσουσιν καὶ καλῶς ἕξουσιν. 19Ὁ μὲν οὖν κύριος Ἰησοῦς μετὰ τὸ λαλῆσαι αὐτοῖς ἀνελήμφθη εἰς τὸν οὐρανὸν καὶ ἐκάθισεν ἐκ δεξιῶν τοῦ θεοῦ. 20ἐκεῖνοι δὲ ἐξελθόντες ἐκήρυξαν πανταχοῦ, τοῦ κυρίου συνεργοῦντος καὶ τὸν λόγον βεβαιοῦντος διὰ τῶν ἐπακολουθούντων σημείων.]] 21[[Πάντα 22δὲ 23τὰ 24παρηγγελμένα 25τοῖς 26περὶ 27τὸν 28Πέτρον 29συντόμως 30ἐξήγγειλαν. 31Μετὰ 32δὲ 33ταῦτα 34καὶ 35αὐτὸς 36ὁ 37Ἰησοῦς 38ἀπὸ 39ἀνατολῆς 40καὶ 41ἄχρι 42δύσεως 43ἐξαπέστειλεν 44δι' 45αὐτῶν 46τὸ 47ἱερὸν 48καὶ 49ἄφθαρτον 50κήρυγμα 51τῆς 52αἰωνίου 53σωτηρίας. 54ἀμήν.]


Religie.opzijnbest.nl
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 info-bible interBible http://www.diebibel.de/  
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

INTERLEVENSBESCHOUWELIJK


WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenaam: . BIJ DE HAND .
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z

HOOFDTHEMA'S : Levensbeschouwingen : bahá'í , boeddhisme , christendom - BIJBELGROEP(EN) -- FoReL : een Forum : Religieus en Levensbeschouwelijk - HUIT : HUIS ULBURGHS INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE THEMA'S - metamorfoses - RASJIKRING - BIJBELS LEERHUIS, hindoeïsme , islam - salafisme - , jodendom , sikhisme , Voor U gelezen , vrijzinnigheid .
- bijbel , bijbelgroepen , Marcusevangelie Griekse analyse, bijbel en koran , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , koran , liturgie : ABC-jaar . Proto-evangelie van Jakobus . Te Elfder Ure (TEU) .
- Maatschappij : allochtonen , armoede , vluchtelingen en asielzoekers ,
- Spiritualiteit :   bezinningsteksten , bijbelwoord voor iedere dag , spiritualiteit ,
- Talen : Arabisch , Aramees , bijbelverwijzingen , Duits , Frans , Grieks , Hebreeuws , Latijn , Nederlands ,
- Andere : getallen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen