HUIS ULBURGHS INTERLEVENSBESCHOUWELIJKE THEMA’S , afgekort : HUIT
http://www.interlevensbeschouwelijk.be/HUITHUISULBURGHSINTERLEVENSBESCHOUWELIJKETHEMAS.html . Deze websitepagina is een onderdeel van de website van Arseen De Kesel : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- BEGRAFENIS -- INITIATIERITEN EN LEVENSBESCHOUWING -- JIJ ZULT NIET DODEN -- RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP  IN HET OUDE TESTAMENT -- RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP IN HET NT --

Graag heet ik je welkom op volgende activiteiten .

Locatie: 'Huis van Jef en Jeanne Ulburghs' ,Sint-Annastraat 7 in Zolder (na het kruispunt Bolderberg - Zolder BOEKT) , dan richting Zolder , 1ste straat links) . Ook gemakkelijk met het Openbaar Vervoer te bereiken : bus 52: Hasselt - Beringen)
Kosten: vrije bijdrage (incl. koffie, thee )
Meebrengen: zo mogelijk een bijbel (Oude en Nieuwe Testament)
Begeleiding : Arseen De Kesel
Inschrijven is niet verplicht , maar het is wel efficiënt als je verwittigt : arseen.de.kesel@telenet.be OF 0485/729 030 .

Basiselementen in religies: wat en waarom? : Onder begeleiding van Arseen De Kesel
woensdagvoormiddagen van 9u30-11u45
22/11 : organisatievormen van religies: UITGESTELD TOT WOENSDAG 17 JANUARI 2018.
20/12 : geboorteverhalen
17/01/2018: organisatievormen van religies en godsdiensten, vooral de organisatievorm van de katholieke kerk.
28/02/2018: het Godsbeeld in de verschillende religies
28/03/2018: het gebed in de verschillende religies
25/04/2018: leven na de dood - verrijzenis - reïncarnatie - hemel / hel / vagevuur
30/05/2018: het feminine in de godsdiensten


BEGRAFENIS

Op 1 november en de hele maand november gaan mensen naar het kerkhof om gestorvenen te gedenken. Voor ons is dit een gelegenheid om bij “begraven” stil te staan.
Vooreerst staan we stil bij het Nieuwtestamentische verhaal van de “begrafenis” van Jezus, vervolgens bij het verhaal van “het lege graf”. We staan voor de uitdaging om over de verrijzenis van Jezus na te denken.
We bekijken enkele elementen van begrafenisgegevens in verschillende levensbeschouwingen, religies, godsdiensten. In het bijzonder staan we stil bij de mis  voor de overledenen in de katholieke traditie.
We willen oog hebben voor de zorg voor de overledene (lichaam en ziel), de “achtergeblevene(n), de relatie tussen beiden, de rituelen van de laatste zorg en het afscheid, van het toelaten van verdriet en hoop.

De oorspronkelijke Griekse tekst van het Nieuwe Testament (NT) kende geen leestekens, laat staan indeling in verzen en  titels boven een perikoop.  Dat zijn latere toevoegingen.
Een koninklijk gedachtenis- / grafmonument
Opgelet: Het lange lijdensverhaal lijkt geen historische weergave te zijn. Misschien weten we niet eens wat de laatste rustplaats van Jezus is. Misschien heeft Marcus willen weergeven wat Jezus eigenlijk toekwam.
In onze Nederlandse bijbels vinden we na de perikoop van de dood van Jezus meestal de titel: de begrafenis van Jezus. Is dit wel een juiste titel? Want begrafenis verwijst naar graven (entafiadzô; taf: omkering: put) en het resultaat ervan is een graf (tafos: put). Bij Jezus werd er niet gegraven, en hij werd  ook niet in een put gelegd. Jezus werd in een gedachtenismonument (mnèmeion – monumentum) gelegd. Daarvan wordt gezegd dat het in de rots werd uitgehouwen (Mc 15,46). Lucas (Lc 23,53) en Johannes (Joh 19,41) voegen er nog aan toe dat er niemand nog niet was neergelegd.  Deze uitvoerige beschrijving van het gedenkteken is geen historische weergave. Marcus citeert Js 22,16. We zijn dan in het begin van de 6e eeuw v. Chr. Koning Sedekia laat voor zich een monument in de rots houwen waarin hij  na zijn dood zou worden neergelegd. De profeet Jesaja wijst erop  dat iemand anders in dat gedenkteken zal neergelegd worden. En inderdaad. Koning Nebukadnezar neemt Jeruzalem in, steekt de koning de ogen uit en voert hem mee naar Babel. We zijn dan 587 v. Chr. Een 50-jarige ballingschap in Babel zal erop volgen. Waarom heeft Marcus dit Jesajavers geciteerd?  Misschien om aan te duiden dat Jezus een koninklijk gedenkteken kreeg?
Wat een eerbetoon aan deze mens Jezus, die als een misdadiger werd gekruisigd. Naast het getuigenis van de honderdman, onmiddellijk na het sterven van Jezus: “Waarlijk deze mens was een zoon van God” (Mc 15,39) komt dit gebaar van de jood Jozef van Arimatea. Woord en gebaar geven weer wie  die Jezus voor hen werkelijk is.
Zoals koning David stierf Jezus in Jeruzalem. David had de twaalf stammen van Israël verenigd en Jeruzalem tot hoofdstad gemaakt. Jezus bracht mensen bijeen, hij was een Verbinder. Jezus wordt gezien in de lijn van David. Omdat Jezus een (misschien wel dé) Verbinder is, verdient hij wel een koninklijk grafmonument.

Balsemenen en zalven – veertig dagen
Maar er is nog meer te zeggen. De werkwoordsvorm entafiasai : om gereed te maken voor de begrafenis, balsemen, komt in de Bijbel slechts tweemaal voor: Gn 50,2 en Mt 26,12. In Gn 50,2 geeft Jozef aan de Egyptische balsemers de opdracht om zijn gestorven vader Jakob / Israël te balsemen. In Mt 26,6-13 zalft een vrouw Jezus met het oog op zijn “begrafenis” (Mt 26,12).
Egyptenaren geloven in een eeuwig leven in het hiernamaals en ze besteden met  de balseming  veel zorg aan het lichaam van de gestorvene. Hoeveel liefde drukt de vrouw in het verhaal van de balseming van Jezus niet uit, een liefde die de dood overstijgt, een liefde van de vrouw tot Jezus en van Jezus tot de vrouw, een zeer persoonlijke relatie. Wat een aandacht besteedt deze vrouw aan Jezus, die binnen de 24 uur  zal gestorven zijn.
In Mt 27,59 zorgt een Jozef van Arimatea voor de “begrafenis” van Jezus.
In het verhaal van de balseming van Jakob en in dat van de “begrafenis” van Jezus zorgt telkens een Jozef voor de “begrafenis”. Waarom heeft Jozef van Arimatea wel een lijkwade gekocht en geen kruiden om Jezus te zalven? Heeft de evangelist de “balseming” van Jezus niet willen beginnen? Volgens de evangelisten gaan de vrouwen op de eerste dag van de week naar het graf om Jezus te “zalven”. Het is wel opmerkelijk dat vrouwen dit gaan doen.

 En Gn 50,3 vervolgt: “Dit nam veertig dagen in beslag, want zolang duurt de balseming”. In Hnd 1,3 zien we die 40 dagen opduiken: “Aan hen heeft Hij veertig dagen lang herhaaldelijk bewezen dat Hij na zijn lijden weer in leven was. Hij vertoonde zich aan hen en sprak over het koninkrijk van God.”  Het zijn de veertig dagen van af- en aanwezigheid van Jezus, zoals de balseming van de Egyptische gestorvene veertig dagen in beslag nam. Na veertig dagen werd de gebalsemde gestorvene “begraven”, na veertig dagen steeg Jezus ten hemel. Na die ten hemelopstijging krijgen de aanwezigen de boodschap Jezus niet te verwachten vóór de wederkomst. Jezus’ opstijging ten hemel is het definitieve einde van Jezus’ bestaan op aarde.
Dat de Geest op de vijftigste dag komt, ligt in de viering van het Joodse Pinksterfeest, 50 dagen na Pasen. Dan wordt de gave van de Tora aan Mozes gevierd. In Hnd 2 is het de gave van de Geest.  In de Nieuwtestamentische tijd oefenen God, heilige geest, duivels en engelen een invloed uit op het menselijk handelen. Het lijkt erop dat de persoon niet de volle verantwoordelijkheid van zijn daden draagt. Dat zet de persoon aan tot bescheidenheid of hij krijgt begrip van medemensen voor begane fouten.

Geboorte- en “begrafenis”verhaal
In het Lucasevangelie vertoont het “begrafenisverhaal” grote gelijkenis met het geboorteverhaal.  Lc 23,53: “En afgenomen hebbende (het lichaam) wikkelde hij (Jozef van Arimatea) het in een zijden ‘lijkwade’ en legde hem in een gedenkteken uitgehouwen, waar nog niemand liggende was”.
In Lc 2,7 lezen we: “En zij baarde haar eerstgeboren zoon en zij wikkelde hem in doeken en zij legde hem boven in een kribbe want er was geen plaats voor hen in de herberg.”
Tegenover de geboorte van de eerstgeboren zoon staat de afneming van het dode lichaam van Jezus. Tegenover het wikkelen in doeken staat het wikkelen in een zijden ‘lijkwade’. Tegenover het naar boven leggen in een kribbe staat het leggen in een gedenkteken. Tegenover de reden van de kribbe: “want er was voor hen geen plaats in de herberg”, staat de omschrijving bij het gedenkteken: uitgehouwen, “waarin nog niemand had gelegen”.
Geboorte- en “begrafenisverhaal” worden in het Lucasevangelie aan elkaar gelinkt. Geboorte en dood omvatten het hele leven. Zoals vanaf de geboorte voor het kind wordt zorg gedragen, zo wordt  voor de gestorvene gezorgd totdat hij begraven is.  Zoals de baby mag rekenen op de liefdevolle omgang van zijn moeder, zo mag de gestorvene rekenen op de liefdevolle omgang van zijn medemensen. De zorg en de liefdevolle omgang strekt zich uit niet alleen totdat iemand sterft, maar ook en vooral totdat de gestorvene begraven is. De begrafenis is een uiting van respect en liefde voor de mens die door zijn sterven totaal machteloos is geworden.
Op sommige schilderijen wordt de kribbe afgebeeld als een altaar waarop het kind Jezus wordt gelegd. Het verwijst naar het offer van zijn kruisdood. De berg Golgotha is dan de offertafel.  Het φατνη = fatnè (krib, ruif) van Lc 2,7 en ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) van Gn 50,2 hebben f-t gemeenschappelijk (φατ = fat- , en ταφ = taf- ) , meer nog : ze vormen een spiegelbeeld of elkaars tegenpolen, zoals geboorte en dood (φατν - νταφ) . Ook onze Nederlandse woorden krib en graf verwijzen naar geboorte en dood. Bij de geboorte is Maria het personage van de handelingen ; bij de graflegging is een zekere Jozef het personage van de handelingen . Bij de geboorte zijn Maria en Jozef aanwezig. Is dat ook zo bij de begrafenis?
En zo komen we bij de zinnen: “zij wikkelde hem in doeken” (Lc 2,7) en “hij wikkelde hem in een zijden lijkwade” (Lc 23,53). Waarom die nadruk op dat inwikkelen en op die stof. Volgens sommige exegeten zou het kunnen verwijzen naar de investituur (“inkleding”, ambtsbekleding) van de hogepriester  Aäron  door Mozes (Lv 8,7): “Hij bekleedde Aäron met de tuniek”. Dan zou Lc 23,53 kunnen wijzen op wie Jezus was: de hogepriester die het offer aan God heeft gebracht.  We zijn dan in de offertheologie van de eerste christenen terecht gekomen. Zie ook Lc 24,50-51.

Het rollen van de grote steen
Het rollen van een grote steen voor de opening van het gedenkteken (Mt 27,60) vormt het sluitstuk van de “begrafenis”. Waarom de vermelding van die grote steen?  Het bereidt ons voor op het volgende verhaal waarin die grote steen wordt weggerold (Mt 28,2).
Het wegrollen van een grote steen speelt een belangrijke rol  in het verhaal van de ontmoeting van Jakob en Rachel, zijn toekomstige vrouw. Even situeren. Jakob heeft met de hulp van zijn moeder Rebekka de zegen van zijn vader Isaak afhandig gemaakt in het nadeel van zijn oudere broer Esau. Daarom bedreigt Esau zijn broer Jakob met de dood. Jakob vlucht, naar de broer van zijn moeder, Laban. Op zijn vluchtweg komt hij in een veld waar herders hun kudden hoeden en wachten op de kudde van Rachel om de kudden te drinken te geven. Wanneer Rachel met haar kudde aankomt, gaat Jakob naar de put, rolt de steen ervan en geeft de schapen van zijn oom Laban te drinken (Gn 29,10). Dan schrijft de auteur: “Daarop kuste Jakob Rachel en weende luid” (Gn 29,11). Bij de  eerste wederzijdse aanblik van Jakob en Rachel  ontluikt hun liefde voor elkaar. Door de kracht van die liefde is hij in staat die grote steen weg te rollen om het levende water te putten en aan zijn lieve Rachel te geven. De ontmoeting van Jakob en Rachel aan de put is het begin van een mooi  liefdesverhaal.   Rachel zal Jakob bij haar vader Laban brengen. Jakob zal er verblijven, trouwen met Lea en Rachel en gemeenschap hebben met hen en hun bijvrouwen. Van hen zal Jakob twaalf zonen krijgen die later zullen uitgroeien tot de twaalf stammen van Israël.
Een grote steen wordt voor het graf van Jezus gerold, zoals een steen op de waterput werd gerold. In de put bevindt zich de bron. Om water te putten moet men een emmer neerlaten . We moeten denken aan het verhaal van de lamme (Mc 2,1-12) die door vier mannen naar Jezus wordt gedragen en vanop het dak voor de voeten van Jezus wordt neergelaten als bij de bron van levend water.
Ook het rollen houdt verband met Golgotha, want het woord is verwant met het Hebreeuwse werkwoord galal dat rollen betekent.
Zoals Jakob de stamvader van de twaalf stammen van Jakob / Israël, zo heeft Jezus de twaalf stammen (als symbool van de hele mensheid: 12 + 1) opnieuw bij elkaar gebracht. De grote steen bij het graf roept de herinnering op aan het moment waarop het begonnen is, bij Jakob, bij de ontmoeting aan de waterpunt.

Alleen Jozef van Arimatea?
Er zijn weinig aanwezigen bij de “begrafenis”. De werkwoordsvormen staan in de derde persoon enkelvoud. Blijkbaar stond Jozef van Arimatea er alleen voor om Jezus te begraven. Een aantal vrouwen zaten of stonden (van verre) toe te kijken. De leerlingen waren gevlucht en Jezus riep op het kruis: “Mijn God, mijn God, waarom heb je me verlaten”. Jozef heeft in zijn zorg voor Jezus al zijn liefde gelegd.  Wat voor Jezus kon gedaan worden, het laatste, heeft hij gedaan.
Waren alleen Romeinse soldaten bij de gestorven Jezus aanwezig, terwijl Jozef van Arimatea naar Pontius Pilatus was gegaan om de toelating te vragen om Jezus te begraven. Of was de gestorven Jezus toch nog met liefde omringd?  Want wat de Romeinse honderdman zei: “Waarlijk deze mens was zoon van God” roept toch het doopselverhaal op waarin gezegd wordt: “Jij bent mijn zoon, de geliefde”. Wil de honderdman zeggen: deze Jezus was een lieve man. Hij werd bemind door God.

Gedenkteken – gedachtenis
Dikwijls wordt ons gezegd dat we de verhalen niet letterlijk mogen lezen, maar bij het verrijzenisverhaal is men wel geneigd om het letterlijk te nemen. Het is een moeilijk verhaal waarbij de symbolische betekenis ons kan ontgaan. Maar we doen een poging.
Bij de “begrafenis” merkten we op dat er sprake is van een gedenkteken (in het Grieks mnèmeion, in het Latijn: momentum). Bij het Laatste Avondmaal  voegt de evangelist Lucas aan de instellingswoorden toe: “Doe dit tot mijn gedachtenis” (Lc22,19). Gedenken betekent niet denken aan, maar doen wat gedaan werd: het brood breken en de beker delen.
In het verhaal van het lege graf  vertelt  Marcus dat de vrouwen het gedenkteken binnengingen en er het antwoord kregen: “hij is niet hier. Hij is verrezen” (Mc 16,5). Waar is Jezus dan? De link van het woord gedachtenis en het woord gedenkteken zet ons op weg. Het verhaal van het lege graf wil ons zeggen: je moet Jezus niet zoeken in het graf, dat met een grote steen is afgesloten; m.a.w.  het verhaal van Jezus is nu afgesloten.  Het verhaal van het lege graf verwijst naar het verhaal van het Laatste Avondmaal. Daar werd brood gebroken en gedeeld, daar werd de beker gedeeld. Daar was de gemeenschap bijeen om het leven met elkaar te delen. Jezus gedenken moet je niet doen door bij de gestorven Jezus in het graf te blijven stilstaan, Jezus moet je daar zoeken.
Ik heb wat moeite met de gedachte dat Jezus aanwezig is bij de eucharistie. Zo komen we bij de interpretatie van de verrijzenis van Jezus terecht.  Dat zou kunnen betekenen dat hij als een onzichtbare levende onder mensen aanwezig kan zijn. Met deze interpretatie heb ik moeite. Een tekst naar aanleiding van de dood van Johannes de Doper kan ons verder helpen. Toen Johannes de Doper gedood was, en Jezus optrad, dacht Herodes dat Johannes verrezen was (Mc 6,14). Het profetisch optreden van Johannes de Doper openbaarde zich in het profetisch optreden van Jezus. Jezus lijkt op een gereïncarneerde Johannes de Doper. Zo  zou Jezus verder kunnen leven in de levende gemeenschap. .
De kracht van de boodschap en de handeling van Jezus’ Laatste Avondmaal, het breken en delen van het brood en het delen van de beker, gaat door wanneer een gemeenschap dit doet. Zo leeft Jezus verder in mensen, ofschoon hij zelf gestorven is en bij God is, hoe en waar, dat weet geen mens op aarde. 
Ik probeer de betekenis van het verhaal van het Laatste Avondmaal te herinterpreteren en te “actualiseren. In de gedachtenisviering zijn het brood en de beker symbolen van de gemeenschap. De handelingen symboliseren de (ideale, gehoopte) levenswijze van de gemeenschap: het wel en wee met elkaar delen, het delen van goederen en voeding en drank, leven met en voor elkaar.
Hoe kom ik tot deze interpretatie? Religies en godsdiensten hebben de neiging om meer naar het verleden dan naar de toekomst te kijken. Ze stellen zich regelmatig de vraag of ze trouw zijn aan hun stichter. Ik ga ervan uit dat ieder mens en iedere gemeenschap voor de onvervangbare en onherhaalbare uitdaging staat om het mens-zijn en de gemeenschap vorm te geven. In de realisatie ervan kunnen ze zich inspireren en voortbouwen op wat mensen en gemeenschappen vroeger hebben gerealiseerd.
Dat christenen het brood breken en de beker delen is niet omdat Jezus hen dat heeft bevolen; Mensen hebben eens ervoor gekozen christen te zijn. Ze zijn ervan overtuigd dat het breken en delen van het brood en het delen van de beker symbolen kunnen zijn van hun levenswijze. Zij zijn het brood en de beker. Ze sluiten aan en pikken in op wat Jezus deed.
Op deze wijze staan mensen in de stroom van de geschiedenis en overstijgt hun leven het hier en nu. Een mens wordt een onvervangbare schakel in de geschiedenis van het heelal.

Offer
De kring rond Jezus kon de kruisdood van Jezus maar niet begrijpen. De leerlingen zochten naar de betekenis ervan. Ze interpreteerden zijn dood als een offer en Jezus was slachtoffer. Ze sloten zich aan bij het verbondsritueel van Mozes op de Sinaï waarin o.a. gezegd wordt: “Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: ‘Dit is het bloed van het verbond dat de HEER, op grond van al deze woorden, met u sluit.”  (Ex 24,8) Zo werd de maaltijd ook een offer en vervolgens een offermaaltijd. Zo kwam men terecht in het tempelritueel van de offers door de priesterstam Levi. Na de verwoesting van de tempel in 70 na Chr. werd zogezegd  het Oude verbond opgeheven en werd het Nieuw Verbond  door Jezus reeds gesloten. Het Laatste Avondmaal als maaltijd van de universele mensheid werd een offer en een offermaaltijd, waarbij de Twaalf als priesters van het Nieuwe Verbond werden beschouwd. Zoals het priesterschap enkel de stam Levi toekwam, zo werd een nieuwe priesterorde opgericht, waarvan de Twaalf de grondleggers zijn  en de bisschoppen hun opvolgers.  Deze interpretatie ligt toch niet in de lijn van Jezus’ visie om een maatschappij op te bouwen waarin iedereen thuishoort. Het zou ook betekenen dat geen enkele gewone mens bij het Laatste Avondmaal aanwezig was. Waarom zou hij  dan aanwezig moeten zijn bij het onbloedig misoffer. Je zult wel begrijpen dat dit onzinnig is.
Ik wil vooral beklemtonen dat het Laatste Avondmaal van Jezus een beleving van verbondenheid en solidariteit was, waarbij niemand uitgesloten was. De woorden van de consecratie: Dit is mijn lichaam… dit is mijn bloed… is latere theologische interpretatie. Jezus beoogde  geenszins een transsubstantiatie en had geen priesters op het oog die dit zouden bewerkstelligen (concilie van Trente: 1545-1563).
We proberen nu Het Laatste Avondmaal  te herinterpreteren.
De beker als symbool van de gemeenschap was gevuld met wijn, symbool van het bloed van de gemeenschap, dat vervolgens  symbool wordt van de inzet en de solidariteit van de gemeenschap voor elkaar. Het offer als onderdeel van het verbond van het volk met God maakt geen slachtoffer. Het is mensendienst die tegelijkertijd godsdienst is.
Zo is ook het brood, symbool van een lichaam, dat op zijn beurt symbool van de gemeenschap is. Het brood wordt gebroken en gedeeld met elkaar. Het leven wordt gedeeld met elkaar.
Dit is mijn lichaam… dit is mijn bloed… wordt lichaam en bloed van de zich steeds vernieuwende gemeenschap. Het gaat niet meer om het lichaam en bloed van Christus, dat een transformatie van brood en wijn is. Het brood en de wijn zijn ook geen symbool meer van het lichaam en bloed van Christus. Brood en wijn zijn het lichaam en het bloed van de gemeenschap. Die gemeenschap doet wat Jezus in zijn tijd deed: brood breken en delen, de beker met wijn delen met elkaar. Op die wijze transformeert de gemeenschap zich voortdurend, transformeert zich meer en meer tot broers en zussen van elkaar. Dat is hem gedenken: doen wat hij deed.
Jezus komt niet opeens aanwezig in de eucharistie. Ook na de “consecratie” is hij niet aanwezig. Hij is gestorven en is “bij God”. Hij maakt geen uitzondering op de andere mensen.  De gemeenschap breekt en deelt het brood en deel de beker met wijn, omdat zij gelooft en ervan overtuigt is dat dit de weg is die mensen moeten gaan. Niet door een gebod van God of in opdracht van Jezus  doet een gemeenschap het. Het is door het geloof en het vertrouwen van de gelovige deelnemers zelf dat dit gebeurt.

verrijzenis
Jezus’ verrijzenis houdt niet in dat hij het leven opnieuw heeft opgepakt en in staat is met iedereen te communiceren en bij hen aanwezig te zijn. Jezus’ verrijzenis betekent dat er opvolging is, een gemeenschap die doet wat hij heeft gedaan.
Het verhaal van het lege graf is een verhaal met een symbolische betekenis. Letterlijk is het graf nooit leeg geweest, ook als de tekst zegt: hij is niet hier. Jezus heeft het lot van sterven en begraven worden blijvend ondergaan. Zoals alle mensen. is Hij niet hier. “Hij is verrezen” is een verwijzing naar een hem opvolgende levende gemeenschap. De boodschap luidt:” hij zal u voorgaan naar Galilea. Daar zult u hem zien” (Mc 16,6). Jezus leeft voort in de gemeenschap , toen in Galilea, nu op zovele plaatsen.  Niet Jezus leeft, maar de christelijke gemeenschappen leven.
De kracht van Jezus bestaat erin dat hij gezien heeft waar het voor mensen op aan komt: gemeenschap vormen. Dat mensen in allerlei tijden en op allerlei plaatsen die overtuiging oppikken en vorm geven houdt de gedachtenis aan Jezus levendig.

 Hoe gaan mensen om met de ruimte tussen dood en uitvaart?
Enkele jaren geleden was ik veel te vroeg op een studiedag van SPES in Heverlee. We zaten daar met twee, veel te vroeg. We kwamen met elkaar in gesprek. Mijn gesprekspartner was Tjeu Leenders. Hij gaf me het boekje, waarvan hij zelf de auteur is: Ruimte tussen dood en uitvaart. Over sneeuwballen gooien en ander doodgewoons, De Zeven Eiken vzw. Contact: Tjeu Leenders, tjeu@dezeveneikenvzw.be . De Zeven Eiken vzw, Hanendreef 154,  2930 Brasschaat. Telefoon: 03/384 26 28 (van 8 tot 21 uur). Website: http://www.dezeveneikenvzw.be/index.html
Ik citeer vanuit hun website: “Onmiddellijk na een overlijden gaat het, behalve over het drukwerk, een kist en de erfenis ook over zorgvuldig afscheid nemen, gehoord en begrepen worden, een aangepaste zorg voor wie achterblijft.

Vanuit ervaringen in rouwzorg weten we hoe belangrijk het is ruimte te krijgen om zich het verlies te realiseren, om afscheid te nemen en zo ooit het nieuwe te kunnen opbouwen.

De periode tussen dood en uitvaart biedt eenmalige en belangrijke mogelijkheden zoals: emotionele ontlading, laatste verzorging, een zinvolle afscheidsviering op maat van de naaste familie, … Dikwijls zijn het de kleine dingen die het verschil maken. Nog teveel hoor je: “met onze inbreng werd weinig rekening gehouden” of “het was zo formeel en stijf” of “we werden onvoldoende ingelicht over de mogelijkheden” of "het ging zo vlug".

Onlangs heb ik een aantal begrafenissen meegemaakt die een diepe indruk op mij hebben gemaakt. Omwille van de warmte en de persoonlijke betrokkenheid bij het gebeuren.

Mijn plan was om begrafenisrituelen van enkele levensbeschouwingen / godsdiensten na elkaar voor te stellen. Ik begon in het boek Overgangsrituelen (van Christian Van Kerkchove en Eva Vens (red.), Standaard Uitgeverij, 2010) de tekst over de katholieke uitvaart (blz 166-169) te lezen. In de tekst wordt een aantal keren uit de "Orde van dienst voor de Uitvaartliturgie (1993) geciteerd. De tekst leek me vaak een opsomming van rubrieken. Ik vroeg me af: “welk mens heeft hieraan iets” als het  niet gedragen wordt door persoonlijke betrokkenheid en beleving.
Ik laat dus de opsomming van de rituelen voor wat het is. Ik wil wel op zoek gaan naar de betekenis van sommige rituelen en sommige publicaties helpen daarbij.
Wegens tijdsgebrek kan ik dit slechts heel summier doen; Maar de lont is aan het vuur gestoken, mijn aandacht is gerichter. In de toekomst werk ik dit verder uit omdat ik zie hoe mooi, persoonlijk en gelovig sommige mensen dit beleven. Dit zal in alle levensbeschouwingen en godsdiensten voorkomen. Achter het ritueel kan een enorme diepgang schuilgaan.

Broekaert Bert, Vanden Hove Isabelle, Grote rituelen in de wereldgodsdiensten. Van hieraf moet je gaan, Leuven, Davidsfonds, 2005

Bij de monotheïstische godsdiensten (jodendom, christendom en islam) gaat het in de ruimte tussen dood en begrafenis om de overledene en de overlevende.
De overlevende draagt zorg voor de ziel en het lichaam van de overledene.
Vanuit zijn godsdienst is de gelovige ervan overtuigd dat de ziel het lichaam verlaat, zich op weg begeeft naar zijn schepper en voor zijn Schepper verschijnt om verantwoording van zijn leven af te leggen / of op weg is naar eenwording met het goddelijke. De overlevende gelooft  dat hij de overledene kan bijstaan in zijn overgang van het hier en nu naar het hierna bij JHWH / God / Allah. Geen mens weet hoe de overgang gebeurt, maar hij drukt in beelden zijn geloof uit. De taal lijkt op die van mystici die hun ervaringen op weg naar de vereniging met God beschrijven. Zij spreken o.a. over de zuivering en over het geluk van de vereniging met God. Tijdens het sterven en de begrafenis bidden de overledene vele gebeden om de overledene tijdens zijn reis te ondersteunen.
In het jodendom verzorgen vrijwilligers van een begrafenisvereniging de ruimte tussen sterven en begraven. Nooit wordt de dode alleen gelaten. Er wordt steeds bij de dode gewaakt. Hij wordt ook niet meer aangekeken in het aangezicht.
In de Latijnse liturgie horen we teksten over rust, licht, bevrijding, begeleiding op de weg naar de vereniging, het verschijnen voor God.
Bij religies als hindoeïsme, boeddhisme en sikhisme kan de ziel verschillende levens doorlopen vooraleer tot een “geestelijke vereniging” te komen. Dit gebeurt door reïncarnaties.
Bovendien draagt de overlevende de grootste zorg voor het lichaam van de overledene. De rituelen zijn erop gericht dat het lichaam tot het stoffelijke kan terugkeren en dat de ziel zich van het stoffelijke kan losmaken.
Anderzijds neemt de overlevende afscheid en rouwt om het verlies. Dat neemt een andere dimensie aan dan zij die niet geloven in het hierna. Hij rouwt en legt een weg af om het leven terug op te nemen.

Jodendom

“Het voor ons liggende boek is interessant omdat het een kijkje geeft in de liefdevolle wijsheid en inzichten van bijzondere leraren uit de chassidische traditie. Ideeën en opvattingen over de reis van de ziel in dit leven en na dit leven die onderdeel vormen van de joodse mystiek, kabbalah en contemplatieve traditie worden zelden toegankelijk gemaakt voor een groot publiek. Dit boek doet dat juist wel!
Het is het product van een Amerikaanse jood die zich niet in een dogmatisch, traditioneel jodendom herkent. Hij probeert de essentie, de spirit, het levende hart, de grondwaarden en ethiek van het monotheïstische systeem uit oude vormen en gebruiken vrij (uiteen) te zetten en beschikbaar te maken voor de westerse mens die nu leeft.” (blz 13).
Enkele Titels van hoofdstukken in de inhoudstafel:

7. De loutering van de ziel in het vagevuur
8. Het paradijs: hemelse visioenen van de ziel
9 . Spirituele eenwording: de terugkeer naar de bron van het leven en reïncarnatie
10. De boodschap van het leven in de zin van de dood: innerlijke vrede voor het dagelijkse leven
Het voorgaande overzicht roept vele gelijkenissen met de vroegere missa defunctorum (de katholieke begrafenisliturgie) op. Misschien kan aandacht aan beide ons meer inzicht verschaffen.  

            4. Enkele elementen uit de mis voor de overledenen en de Joodse chassidische traditie

Hoe indrukwekkend zijn sommige composities van het requiem door sommige  musici. En ofschoon er vanuit  ons verstand veel vragen over het leven na de dood bestaan, kan muziek ons verheffen tot een verbondenheid over de dood heen en tot beelden die onze ratio onmiddellijk zou deleten.

requiem
Het introïtus van de mis voor de overledenen  (requiem aeternam dona eis, Domine, et lux perpetua luceat eis) is genomen uit het apocrief geschrift 4 Ezra 2,34-35: " 34. Daarom zeg ik tot u, gij heidenen, die dat hoort en verstaat: Verwacht uw Herder, hij zal u een eeuwige rust geven, want hij is nabij, die aan het einde der wereld zal komen. 35. Zijt bereid voor de beloning des koninkrijks, want een altijddurend licht zal over u lichten in alle eeuwigheid."
4 Ezra is een apocalyptisch geschrift: Ezra verkondigt dat het einde van de wereld nabij is. De eerste twee hoofdstukken vertonen christelijke kenmerken en zijn waarschijnlijk later toegevoegd. Eerst somt de schrijver de weldaden van JHWH op, die door het volk van Israël niet worden gewaardeerd, want het zondigt voortdurend tegen JHWH. Dan zegt de schrijver dat JHWH zijn gaven aan de heidenen zal geven. 4 Ezra 2,34-35 maakt daar deel van uit. 4 Ezra 1-2 is een aaneenschakeling van Bijbelse citaten.
De "rust" verwijst naar het land Kanaän waarin Jozua, de opvolger van Mozes, na 40 jaar zwerven binnentrekt. In dat land vindt het volk rust, een thuiskomen, het bereiken van een einddoel.
De misviering voor de gestorvene begint met een bede dat hij mag aankomen in het land van belofte, dat hij mag thuiskomen. Rust is niet een eeuwig niets doen;  rust is verblijven waar men gelukkig is. Bijna-doodservaringen spreken vaak van de ontmoeting met een ongelooflijk gelukzalig licht. Het goddelijke wordt door licht voorgesteld. Na de antifoon volgt een Psalm. Wellicht is hij gekozen omdat in het eerste vers gezegd wordt dat alle leven naar God gaat (Ps 65,1).

In Paradisum

Tekst

Vertaling

Nederlandstalig libretto

In paradisum deducant te angeli;
in tuo adventu suscipiant te martyres
et perducant te in civitatem sanctam Jerusalem.
Chorus angelorum te suscipiat
et cum Lazaro, quondam paupere,aeternam habeas requiem.

Mogen de engelen u geleiden naar het paradijs;dat de martelaren bij uw komst u zullen ontvangenen u binnenleiden in de heilige stad Jeruzalem.Moge het koor van de engelen u ontvangen en moge u met Lazarus, eens een arme,de eeuwige rust ontvangen.

Ten paradijze geleiden u de engelen;
mogen de martelaren u bij uw komst begroeten
en u leiden tot in de hemelse stad Jeruzalem.
Moge het koor der engelen u ontvangen
en moge u met Lazarus, de arme van weleer,voor altijd rusten in vrede.

De teksten van het In Paradisum wijzen op een goede ontvangst in de hemel, maar ook op een goede begeleiding ernaartoe. Gelukzaligheid, een paradijs, een eeuwige stad wordt in het vooruitzicht gesteld.
Het zijn natuurlijk allemaal beelden want geen mens weet wat er na de dood komt. Bij ons sterven rest ons slechts het geloof en de hoop. Het geloof dat het zinvol is geweest, de hoop dat er een thuiskomen en geluk volgt.
Bij begrafenissen mis ik soms dat een leven een schakel in de geschiedenis van het heelal is. Aldus is de betekenis ervan ruimer dan het hier en nu.

Dies irae
Naast deze hoopvolle teksten zijn er dreigende teksten van straf en verdoemenis. Maar die zijn ook geput uit de bijbel. Een voorbeeld: Sefanja 1,15: Een dag des toorns is die dag,-
een dag van benauwing en verdrukking,
een dag van vernietiging en vernieling,
een dag van duisternis en donkerheid,
een dag van wolken en dichte mist.

Het offertorium: libera animas: bevrijd de zielen


Domine Jesu Christe

Heer Jezus Christus

Domine Jesu Christe, Rex gloriae,

libera animas omnium fidelium defunctorum de poenis inferni et de profundo lacu.
Libera eas de ore leonis,
ne absorbeat eas Tartarus,
ne cadant in obscurum.

Heer Jezus Christus, Koning der heerlijkheid,
bevrijd de zielen van alle gestorven gelovigen van de straffen der hel en de diepe [vuur]zee.
Bevrijd ze uit de mond van de leeuw,
dat de afgrond hen niet moge verslinden,
dat zij niet in de duisternis mogen vallen.

Onderweg van dood naar “hemel” kunnen allerlei gevaren opduiken. Het Domine, Jesu Christe, is een gebed om te ontkomen aan de gevaren.
Tartarus, zie: http://www.bijbelseplaatsen.nl/plaatsen/T/Tartarus/604/ . Immers God heeft zelfs engelen die gezondigd hadden, niet gespaard, maar hen in de Tartarus geworpen. Daar, in de diepste duisternis blijven ze opgesloten om hun vonnis af te wachten (2 Petrus 2:4)

Een gelijkaardige tekst: Absolve

Absolve

 

Absolve, Domine, animas
omnium fidelium defunctorum
ab omni vinculo delictorum.
Et gratia tua illis succurente

mereantur evadere judicium ultionis,

et lucis aeternae beatitudine perfrui.

Bevrijd, Heer, de zielen
van alle overleden gelovigen
van alle banden van zonden.
En mogen zij, met de hulp van uw genade,
verdienen aan het oordeel der wraak te ontkomen
en te genieten van de zaligheid van het eeuwige licht.

Overlevenden zijn overtuigd dat zij nog met de overledenen verbonden zijn en dat zij voor hen nog iets kunnen doen. Die verbondenheid komt tot uiting in de gebeden. De overlevenden doen beroep op Gods genade voor de overledenen.

In het chassidische jodendom doorloopt de ziel in het paradijs een aantal stadia, gaat dan naar de bron, de goddelijke vergaderplaats van alle zielen, om zich voor te bereiden op wedergeboorte in een nieuw stoffelijk lichaam. De reïncarnatie van de ziel op aarde is de voltooiing van de reis door het hiernamaals.

Volgens de islam komt de ziel na het doorlopen van zeven lagen van de hemelse sferen in de aanwezigheid van Allah. Daar heeft het kleine verhoor plaats. De ziel moet de juiste antwoorden kunnen geven op volgende vier vragen: wie is je God, wie is je profeet, welke religie hang je aan, welke is je qibla (gebedsrichting. Bij goede antwoorden gaat de ziel naar een verzekerde plaats in afwachting van de opstanding. Bij foutieve antwoorden gaat de ziel naar “het graf”, dit is een tussenfase tussen de dood en de wederopstanding.

Praktisch

Arseen De Kesel
Huize Jeanne en Jef Ulburgs, Zolder, 25 oktober 2017



 

INITIATIERITEN EN LEVENSBESCHOUWING

INLEIDING

Initiatie is gevormd uit het Latijnse initiatio (in-gang-???), afgeleid van het werkwoord in-ire: ingaan, binnengaan.
Initiatierituelen zijn dus rituelen om (in een vereniging, kloostergemeenschap, enz) binnen te gaan.
De etymologie van rite is niet duidelijk. Er wordt vertaald: religieus gebruik, gewoonte, ceremonie. Een ritueel zouden we kunnen omschrijven als een geheel van woorden en handelingen, meestal in een bepaalde volgorde uitgevoerd.

Enkele uitgangspunten vooraf.

Rooms-katholieke initiatie: de doop of het doopsel
We kennen de rite: de bedienaar giet driemaal wat water over het hoofd van de dopeling terwijl hij zegt: “Ik doop je in de naam van de Vader en de Zoon en de heilige Geest”.
De Tilburgse theoloog Huub van der Sandt verdiepte zich in de Didachè, een joods-christelijk geschrift uit de 1ste eeuw na Christus, waarvan sommige teksten getuigen van tradities die ouder zijn dan die in de evangelies. In Schrift 47 (2015) nr 1, blz 21-25 schreef hij het artikel: Doop in de Didachè. Enkele korte citaten hieruit: “De oorsprong van de christelijke doop is een omstreden kwestie.” (blz 21, bij het begin van het artikel). En: “De doopinstructies uit de Didachè laten duidelijk een vervlechting zien van een aantal ideeën en bepalingen, die gangbaar waren in het vroege jodendom, maar daarmee is de zaak nog niet rond, want de vraag rijst nu welke functie de doop precies had in deze gemeenschap. Is het allereerst een markering van een initiatie, een rite waardoor de bekeerling werd opgenomen in de groep? Of moeten we aannemen dat de doop primair voorzag in de reinheid die de bekeerling nodig had om aan de gemeenschappelijke maaltijd deel te nemen? Die vragen zijn niet eenvoudig te beantwoorden.” (blz 25, einde van het artikel).

“De opdracht om te dopen wordt in de christelijke kerken gezien als door Jezus gegeven, maar het ritueel van de doop was al vóór die tijd bekend.” (blz 21) Hierbij wordt er verwezen naar Mt 28,18-20: “18 Jezus komt naderbij en spreekt tot hen; hij zegt: mij is gegeven alle gezag in hemel en op aarde; 19 maakt dan voort, maakt alle volkeren tot leerlingen, hen dopend in de naam van de Vader en van de Zoon en van de heilige Geest, 20 hen onderrichtend in het bewaren van al wat ik u heb geboden; en zie, ík ben met u, al de dagen, tot aan de voleinding van de wereldtijd!” (Naardense vertaling). Van der Sandt merkt hierbij op: “Omdat dit vers tot het laatste ontwikkelingsstadium van het evangelie volgens Matteüs lijkt te behoren, is het maar de vraag of de opdracht in Mt 28,19 inderdaad van de historische Jezus afkomstig is. Vermoedelijk weerspiegelt de tekst een praktijk die reeds gegroeid was in de gemeente waarvoor Matteûs zijn evangelie schreef.”
Verder schrijft Van der Sandt: “Soms wordt ook de joodse proselietendoop aangemerkt als de oorsprong van het christelijke doopritueel. Bekeerlingen die in de joodse gemeenschap opgenomen wilden worden, moesten zich laten besnijden, zich onderdompelen in water en een offer brengen in de tempel. Het is niettemin moeilijk te bewijzen dat deze proselietendoop al vóór het einde van de eerste eeuw bestond.”
“Als derde mogelijke oorsprong van de christelijke doop geldt dikwijls het optreden van Johannes de Doper. Maar ook hier dienen zich problemen aan, omdat Johannes alleen joden tot zijn doop uitnodigde. Zijn doop was er een van berouw of bekering en die was niet bedoeld om buitenstaanders op te nemen in een gemeenschap.”
“Ideeën en bepalingen, zoals over de doop, blijven meestal niet beperkt tot één bepaalde groep of gemeenschap, maar beïnvloeden de omgeving en worden door andere groeperingen in al dan niet aangepaste vorm overgenomen. Een duidelijk voorbeeld van een dergelijke vervlechting vinden we in de Didachè, een document dat waarschijnlijk aan het einde van de eerste eeuw is ontstaan in Syrië. Didachè betekent ‘onderwijs’, en dit geschrift bevat onder meer de vroegste ons bewaard gebleven maatregelen rond de bediening van de doop (7,1-3; 9,5) en ook gebeden voor de viering van de eucharistie (hoofdstukken 9 en 10). Juist in de doopinstructies is een vervlechting waarneembaar met verwante ideeën en bepalingen uit het vroege jodendom.” (blz 21)

De tekst van  Didachè 7,1-3: “Wat betreft  de doop, doopt aldus: nadat u al het voorgaande hebt gezegd, doopt in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest in levend water. Maar als u geen stromend water hebt, doop dan in ander water; en als u niet in koud water kunt doper, doopt dan in warm water. Als u geen van beide ter beschikking hebt, giet dan driemaal water over het hoofd in de naam van de Vader, de Zoon en de heilige Geest.” (Van der Sandt, blz 21)
De tekst van Didachè 9,5: “Maar laat niemand eten of drinken van uw eucharistie behalve diegenen die gedoopt zijnin de naam van de Heer, want de Heer heeft hierover gezegd: Geeft het heilige niet aan de honden.”

Het water staat symbool voor reiniging. De vroegere ‘Mechelse’ catechismus, die zich baseert op het concilie van Trente (16de eeuw),  zegt in vraag en antwoord 368 over de uitwerking van het doopsel o;a. het volgende: “Ten 1e, het doopsel vergeeft de erfzonde en alle andere zonden en zondenstraffen; … ten 3e, het prent in onze ziel een onuitwisbaar merkteken, en maakt ons tot leden van de heilige Kerk.” De Catechismus van de Katholieke Kerk (1995, vertaling van het Vaticaans document van 1993) herhaalt in nr 1263 bovengenoemde tekst. Deze Catechismus  heeft evenwel een hele rijke theologische inhoud, althans voor degene die hem begrijpt. Via het doopsel wordt de gedoopte lid van de christelijke gemeenschap. De wijze waarop het doopsel wordt toegediend, wordt bepaald door het doopselritueel.

De zonde van Adam en Eva werd door Augustinus als erfzonde getypeerd en bepaalde de verdere traditie. Hebben we hier niet te maken met een letterlijk nemen van de bijbel? Is er wel ooit een aards paradijs geweest met alle voorstellingen erop en eraan? Schrijven we aan God geen gedachten, ideeën en voorstellingen toe die des mensens zijn? Zou God een mensenkind bij zijn geboorte als onrein beschouwen en een doopsel vereisen opdat het gereinigd zou worden en dan pas kind van God zou kunnen worden?

In de evangelies zien we Jezus groeien in inzicht en daadkracht om niemand uit te sluiten. Het Laatste Avondmaal was een gebeuren van universele verbondenheid en solidariteit. Hierbij waren niet alle apostelen gedoopt (sommigen wel, maar dan met het doopsel van Johannes de Doper) en Judas zat mee aan tafel (en Jezus wist dat hij hem zou overleveren). Jezus stelde geen voorwaarden om aan de maaltijd deel te nemen.
Tamelijk vlug vormde de Jezusbeweging zich om tot een instituut. Dan was een initiatie vereist om tot de gemeenschap te mogen behoren. Hoe het doopsel uiteindelijk de initiatierite werd is niet zo duidelijk.
Het doopsel is vereist, om zijn eerste, zijn plechtige communie te mogen doen, om godsdienstkracht te mogen zijn. Echtgescheidenen die hertrouwd zijn zouden de communie niet mogen ontvangen. Bij begrafenissen zouden enkel de ‘gelovigen’ de communie mogen ontvangen. Het symbool van universele verbondenheid en solidariteit werd verengd tot de leden van de gemeenschap, en het doopsel geeft hen toegang tot die gemeenschap terwijl de niet-gedoopten geen toegang hebben. Zo wordt het doopsel een drempel en hinderpaal. Sommigen voelen zich thuis in de Jezusbeweging, maar niet in het instituut.

De doopritus zelf doet wat vreemd aan. De gedachte van  reiniging is bijna verdwenen tenzij men gelooft dat de erfzonde en alle zonden worden vergeven. Ook de formulering met de drievuldigheid doet vreemd aan. En wat moeten we ervan denken dat het gebeurt IN DE NAAM VAN?

De dooprite zou mensen toegang geven tot de gemeenschap. We kunnen ons toch vragen stellen over de kinderdoop. Ook over de hernieuwing van de doopgeloften op 12-13 /18 jaar. Dat neemt niet weg dat geboorte- en overgangsrituelen niet zinvol zouden zijn. Dat ouders hun kind laten dopen omdat ze willen toebehoren tot de christelijke gemeenschap is begrijpelijk. Maar toetreden tot een gemeenschap is toch een persoonlijke keuze.

Misschien moeten we op zoek naar een nieuw ritueel of toch niet? Water als oerbron, nieuw leven vanuit het vruchtwater van de moederschoot, de oerwateren waaruit de schepping vorm krijgt, de Jordaan oversteken om nieuw geboren te worden. Of licht, bron van warmte en leven.

Jodendom : de besnijdenis
In het jodendom is de besnijdenis de belangrijkste geboorterite. Deze gaat terug op Gn 17,9-14: “Dan zegt God tot Abraham: jij, jij zult mijn verbond bewaren; jij en je zaad na jou in hun generaties; 10 dit is mijn verbond dat ge zult bewaren,- tussen mij en u en je zaad na jou: besnijd bij u al wat mannelijk is!- 11 besnijden zult ge het vlees van uw voorhuid; worden zal dat tot het teken van verbond tussen mij en u; 12 als zoon-van-acht-dagen worde bij u besneden alle mannelijks, in al uw generaties: een nieuwgeborene van eigen huis én een aankoop voor zilver uit alle zoon van elders, die niet uit jouw zaad is; 13 besnijden!- besneden zal worden een nieuwgeborene van je huis en de aankoop van zilver; worden zal mijn verbond in uw vlees tot een verbond voor eeuwig; 14 een voorhuid: een mannetje bij wie het vlees van zijn voorhuid niet besneden wordt, afgesneden zij die ziel van haar medemensen: het verbond met mij heeft hij verbroken!” (volgens de Naardense vertaling)

In principe zal het jongetje op de achtste dag besneden worden, d.w.z. de voorhuid van de penis weggenomen worden. Het is een religieuze plechtigheid. Tien joodse mannen zijn aanwezig. De besnijdenis gebeurt door de vader of een vervanger (mohel) thuis, in de synagoge of in een ziekenhuis. Het is een teken in het lichaam, een teken van het toebehoren tot het verbond van Abraham en tot het verbond met God.
Het joods zijn hangt niet af van de besnijdenis, want joods zijn gebeurt door het geboren worden uit een joodse moeder. De besnijdenis is van religieuze aard.

In een tijd dat vijanden naakt tegen elkaar ten strijde trokken, kan het teken in het lichaam wel belangrijk zijn geweest.
In de klimaatomgeving van woestijnen en zand  kan de besnijdenis een hygiënische voorzorgmaatregel zijn geweest.
Of het is een cultureel element, die een sterke religieuze betekenis heeft gekregen en door de traditie is meegedragen.

Islam
In de islam gebeurt de besnijdenis later. Bij Marokkanen rond 5 jaar, bij Turken tussen 3 en 7 jaar. De besnijdenis is dus niet onmiddellijk gelinkt aan de geboorte.

Na de geboorte fluistert een man een koranvers in het oor van de geborene is. Het zijn gebedsoproepen (die vanuit de minaret en die van die  in de moskee om aan te duiden dat het gebed zal beginnen). De eerste gebedsoproep verschilt van de tweede, daar in de tweede het aanbreken van het gebed wordt ingevoegd.
Eerste gebedsoproep:
Allah is de grootste (4X)
Ik belijd dat er geen godheid is behalve Allah (2X)
Ik belijd dat Mohammed de gezant is van Allah (2X)
Sta op voor het gebed (2X)
Sta op voor het welzijn (2X)
Allah is de grootste (2X)
Er is geen godheid behalve Allah (2X)

Naast de geloofsbelijdenis wordt door de vader de naam van het kind ingefluisterd.

In principe wordt op de zevende dag na de geboorte een schaap geofferd. Het verwijst naar het gebeuren waarin Ibrahim zijn zoon Ismaël wilde offeren, maar door ingrijpen van een engel uiteindelijk een ram offerde. Het offeren zien sommige moslims in navolging van Ibrahim, anderen in die van Mohammed.  Bij de moslims leeft blijkbaar de nood dat een mens vanaf zijn geboorte moslim zou zijn.

Besluit
Door rituelen trachten gelovigen van  verschillende godsdiensten het pas geboren kind binnen te leiden in de religieuze gemeenschap, die gelooft in God, JHWH, Allah. In veel gevallen verwijzen ze naar een gebod uit hun religieuze geschriften.

Mensen zullen wel altijd nood hebben om het mysterie van het leven en van geboren worden te vieren in rituelen. Het is voor iedere tijd een uitdaging dat rituelen aansluiten bij de ervaring en de beleving van de betrokkenen en de ruimere gemeenschap.

Literatuur

Arseen De Kesel -  25  september 2017 

Enkele bijgaande bemerkingen van Vic Vaes

Bedenking 1
De vermelding in de evangeliën van Jezus’ doopsel door Johannes is m.i. niet onbelangrijk in een bezinning over de christelijke doopselritus.
Het doopsel door Johannes bestond er waarschijnlijk in dat de bekeerlingen de Jordaan naakt moesten oversteken van de oostelijke - naar de westelijke over, in koud stromend water dus waarbij men regelmatig naar adem (ruah, geest) snakte. (als er geen (koud) stromend water is, gebruik dan een ander water … Didachè = wanneer de bekeerlingen in aantal toenemen, is het een sociologische wet dat  de aanvankelijk strenge voorschriften worden versoepeld en aangepast aan de omstandigheden.
Aangekomen op de westelijke oever mochten de dopelingen zich weer aankleden (bekleed u met de nieuwe mens schrijft Paulus ergens).
Deze overgangsritus (rite de passage) was een symbolische herinnering aan de doortocht door de Rietzee bij de uittocht uit Egypte op weg naar het beloofde land.
(Misschien had Johannes al ingezien dat dit beloofde land geen geografische plek was maar een aangelegenheid van het menselijk hart, een attitude dus, die een gans andere geest uitstraalt en heeft Jezus dit inzicht verruimd tot gezindheid die alle mensen aanbelangt)

Bedenking 2
Het Christelijk doopsel was in de eerste decennia een ritus die enkel gold voor volwassenen die zich bekeerden. De theorie/theologie  over het doopsel is opgebouwd op deze doop van volwassenen maar is bedolven geraakt in de verdere geschiedenis onder de nadruk die gelegd werd op de kinderdoop.

Bedenking 3
Het tweede Vaticaans concilie heeft deze misgroei ingezien. In de constitutie over de heilige liturgie staat uitdrukkelijk “67: De ritus van het Doopsel van kinderen moet worden herzien en aangepast aan de reële situatie van onmondige kinderen ….” Hoe? Is dan weer een andere vraag.


Een leergroep vertrekkende van TEKSTEN EN VERHALEN ROND RIVALITEIT EN GEWELD

Dond. 20 april 2017 , 10.00 - 12.00 u : Jij zult niet doden. Eén van de verboden in de 10 "geboden". Niet lichamelijk doden, niet doodpesten, niet doodzwijgen, niet de ogen sluiten.
In de context van geweld wordt soms verwezen naar oproepen tot geweld in religieuze teksten.
In de Bijbel vinden we in de Tien Geboden het verbod " Gij zult niet doden" maar anderzijds op andere plaatsen vinden we wel teksten waarin God beveelt dat iemand moet gedood worden!
Wat is de context van dit verbod enerzijds en wat met de verovering van Kanaän?

Dond. 18 mei 2017 , 10.00 - 12.00 u : Van rivaliteit naar broederschap/zusterschap in het OT. Kaïn en Abel , Sara en Hagar , Jakob en Esau , Lea en Rachel , Jozef en zijn broers .

Dond. 22 juni 2017, 10.00 -12.00 u . Van rivaliteit naar broederschap/zusterschap in het NT. Johannes de Doper en Jezus, Martha en Maria , de jongste en de oudste zoon .
De bijeenkomsten verlopen in dialoogvorm

 


 HUIS ULBURGS JEF EN JEANNE . 20 april 2017. THEMA: “JIJ ZULT NIET DODEN” (Ex  19,13; Dt 5,17).
Arseen De Kesel
  1. TEKST : “JIJ ZULT NIET DODEN” (Ex  19,13; Dt 5,17)

Het is het zesde gebod in de decaloog (de tien geboden).  In de Hebreeuwse tekst zijn slechts 2 woorden nodig: lo´ tirdzach. De werkwoordvorm tirdzach komt slechts 2X voor, nl. in de 10 geboden. In de Joodse traditie wordt het begrepen als: jij zult niet moorden. Deze werkwoordvorm wordt in het Grieks vertaald naar : foneuseis . Deze vorm komt 6X voor : 3X in het OT:2X in de decaloog en 1X in Nu 35,30; 3X in het NT met telkens verwijzing naar de decaloog: Mt 5,21; Mt 19,18; Rom 13,9.
De vertalingen geven nuances : doden, doodslaan , vermoorden, een moord plegen. E.: to kill (kelen?).

Excursus:
Op verschillende wijzen kan iemand de dood vinden: een zachte dood (in de slaap) sterven, verongelukken, verdrinken, dood gebliksemd, door een dier verscheurd, vergiftigd, de keel overgesneden, opgehangen, gekruisigd, gevierendeeld, verbrand, onthoofd, gevild, gestenigd.

De context
Exodus is het tweede boek van de Bijbel. De 12 zonen van Jakob zijn in Egypte tot het volk Israël gegroeid.  Ze werden in Egypte als slaven behandeld. Ze zijn weggetrokken uit Egypte. Na een zwerftocht komen ze in Ex 19,2 aan bij de berg Sinaï. Op die berg ontvangt Mozes de decaloog en wordt er een verbond tussen JHWH en het volk Israël gesloten. Dat wordt beschreven in het zgn “Verbondsboek” (Ex 19-24). Uit onderzoek blijkt dat het ritueel van de verbondssluiting sterk gelijkt op dat van de Hittitische vorsten met hun volk. In het verbond wordt de relatie van JHWH tot zijn volk Israël beschreven als een relatie van een vorst tot zijn volk.
De decaloog begint met de woorden: “Ik ben de Heer uw God die u heeft weggeleid uit Egypte, het slavenhuis.” (Ex 20,2). Wat dit betekent wordt duidelijker vanuit Ex 19,4-6: “… Als u naar mijn woord luistert en mijn verbond onderhoudt, dan zult u van alle volken mijn bijzondere eigendom zijn, want aan Mij behoort de aarde. U zult mijn priesterlijk koninkrijk en mijn heilig volk zijn. ..”  Het volk Israël is bezit van JHWH. Hij sluit met dit volk een verbond. Daarin worden wederzijdse afspraken gemaakt. Wederzijds is veel gezegd. Want JHWH bepaalt wat mag en niet mag. Van het volk wordt verwacht dat het de voorgeschreven geboden en bepalingen onderhoudt. Zo ja, dan zal JHWH goed voor het volk zorgen. Zo neen, dan zal het gestraft worden.
Het gebod “Jij zult niet doden” is een bepaling van JHWH met het volk Israël. Het houdt in dat een Israëliet geen andere Israëliet mag doden/vermoorden op eigen initiatief. Of hij een niet-Israëliet of een dier mag doden is buiten de kwestie. Ook wordt hier buiten beschouwing gelaten of het doden opzettelijk of onopzettelijk was.  We moeten een tekst ook niet meer laten zeggen dan hij zegt.
We zullen zien dat er in het OT vaak sprake is van doden. Maar dan is het steeds binnen het kader van een wetgeving, die door JHWH is gegeven.

Excursus
Een Bijbel is niet uit de hemel gevallen. Hij is geschreven door mensen. De relaties van mensen onder elkaar wordt geregeld door een wetgeving. Die is door mensen gemaakt. Nochtans wordt die niet gezien als een uitvinding van mensen, maar als gegeven door God. Een samenleving evolueert  en mensen groeien in inzicht; bijgevolg evolueert ook de wetgeving en het beeld van God die aan de basis van de wetgeving staat. Hieruit afleiden dat God een uitvinding van de mens is, lijkt me een brug te ver. Mensen ervaren dat zij in hun samenleven bepaalde grenzen niet mogen overschrijden. Dat is hen gegeven. Dat overstijgt hen. Hierin zien zij een Hogere, God.
Maar natuurlijk kan hiervan misbruik gemaakt worden en kan God als wetgever gebruikt worden om de eigen macht en instituut te bevestigen en te versterken.

De Bijbel is een literair geschrift. Het is niet noodzakelijk een precieze weergave van historische feiten. Er bestaan nu heel wat vragen over de historiciteit van de uittocht uit Egypte, de tocht door de woestijn en de intocht in Kanaän zoals de Bijbel die beschrijft. We houden ons bij een literaire benadering.  Archeologisch onderzoek  geeft b.v. geen aanwijzingen over een vernietiging van Jericho zoals de Bijbel die beschrijft . De soep wordt nooit zo heet gegeven als dat ze wordt opgediend.

  1. Enkele Bijbelse teksten met een vorm van het werkwoord râdzach (doden, moorden, doodslaan) : Nu 35,10-32

10 Zeg aan de Israëlieten:
Wanneer gij over de Jordaan naar Kanaän trekt, 11 moet gij enkele steden als vrijsteden aanwijzen. Daarheen kan iemand die een ander zonder opzet heeft gedood, de wijk nemen. 12 Die steden zullen dienen als wijkplaats tegen de bloedwreker, om te voorkomen dat iemand die doodslag heeft begaan, de dood vindt alvorens hij voor de gemeenschap terecht heeft gestaan.
13 Zes steden moet gij als vrijsteden aanwijzen: 14 drie aan de overzijde van de Jordaan en drie in Kanaän. Het zullen vrijsteden zijn. 15 Zowel voor de Israëlieten als voor de vreemdelingen en buitenlanders bij u zullen die zes steden tot wijkplaats dienen, waarheen ieder de wijk kan nemen, die iemand zonder opzet heeft gedood.
16 Heeft iemand een ander met een ijzeren voorwerp geslagen en is deze daaraan gestorven, dan is hij een moordenaar; de moordenaar moet ter dood gebracht worden. 17 Heeft hij met een steen in de hand iemand zo geslagen dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 18 Heeft hij met een houten voorwerp in de hand iemand zo geslagen, dat deze er aan sterven kon en er inderdaad aan gestorven is, dan is hij een moordenaar en moet hij ter dood gebracht worden. 19 De bloedwreker zelf moet de moordenaar doden. Zodra hij hem aantreft, kan hij hem doden.
20 Stoot iemand een ander uit haat of gooit hij naar hem met voorbedachten rade met het gevolg dat de ander sterft, 21 of slaat hij hem uit vijandschap zo met de vuist dat de ander sterft, dan moet degene die geslagen heeft, ter dood gebracht worden, want hij is een moordenaar. De bloedwreker kan de moordenaar doden, zodra hij hem aantreft.
22 Maar heeft iemand een ander onopzettelijk, zonder dat er van vijandschap sprake kon zijn, neergestoten of zonder voorbedachten rade een of ander voorwerp naar hem gegooid, 23 of heeft iemand zonder het te merken een steen die de dood kon veroorzaken op hem laten vallen, terwijl er van vijandschap geen sprake was en hij hem geen kwaad wilde, en sterft de ander daaraan, 24 dan moet de gemeenschap uitspraak doen tussen hem die de dood heeft veroorzaakt, en de bloedwreker.
Daarbij gelden de volgende regels.
25 De gemeenschap moet hem die de dood heeft veroorzaakt, uit de hand van de bloedwreker redden en hem weer naar de vrije stad brengen waarheen hij de wijk had genomen. Hij moet daar blijven tot de dood van de hogepriester die met heilige olie gezalfd is.
26 Indien hij die de dood veroorzaakt heeft, het grondgebied van de vrijstad waarheen hij gevlucht is, verlaat 27 en de bloedwreker hem vindt buiten het gebied van de vrijstad en hem neerslaat, dan rust er op de bloedwreker geen schuld. 28 De ander had tot de dood van de hogepriester in de vrijstad moeten blijven. Maar na de dood van de hogepriester kan hij terugkeren naar de grond die hij bezit.
29 Dat zijn de wettelijke voorschriften die gelden voor u en voor alle toekomstige geslachten, waar gij ook woont. 30 Heeft iemand een mens doodgeslagen, dan brengt men, op verklaring van getuigen, de moordenaar ter dood; een getuige volstaat echter niet om over iemand het doodvonnis uit te spreken.
31 Gij moogt geen losprijs aannemen voor het leven van een moordenaar die de dood verdiend heeft; hij moet ter dood gebracht worden. 32 Ook moogt gij geen losprijs aannemen voor iemand die naar een vrijstad moest uitwijken wanneer die voor de dood van de hogepriester weer op zijn grond wil gaan wonen. 

Bespreking
Nu 35,10-32 zijn “woorden van God”.  We hebben hier met een echte rechtspraak te maken: overtreden van een verbod, oordeel van al dan niet schuld door een oordelende instantie (‘rechtbank’),  vrijspraak of schuldigverklaring met het bepalen van de straf, het uitvoeren van de straf .
Het zgn absolute verbod om iemand te doden krijgt nuances. Is het opzettelijk of onopzettelijk.  Bij het bepalen van schuld of onschuld is de houding van de doder tegenover de gedode van kapitaal belang. Wie iemand onopzettelijk doodt, is onschuldig en verdient bescherming  ook als het oordeel nog niet is uitgesproken. De bescherming wordt geboden in veilige plaatsen, asielsteden. Wie iemand opzettelijk doodt, is schuldig en moet gedood worden.
De verzen Nu 36,16-18 wijzen toch op schuld: zo slaan met een ijzeren, een stenen of een houten voorwerp dat hij sterft. Dergelijk slaan verdient de doodstraf. De bloedwreker mag hem doden, zodra hij hem aantreft. (Het lijkt wel op een lynchen).
De asielzoeker kan terugkeren naar zijn bezit wanneer de hogepriester is gestorven. Komt die asielzoeker in gevaar voor een bloedwreker, dan moet de gemeenschap hem redden uit de hand van de bloedwreker.
We komen er nog eens op terug. We hebben hier met concrete rechtspraak van mensen te maken. Die rechtspraak krijgt een goddelijk handtekening omdat de wetgevers ervan overtuigd zijn dat hun God dat zo wel wil tot het geluk van de samenleving.  Evolutie van de samenleving en beter inzicht ervan zal een nieuwe wetgeving vergen. Dat zullen wetgeversspecialisten uitwerken. En dat zal dan een goddelijk handtekening krijgen.
Niets van wat we over God zeggen is onveranderlijk en absoluut, omdat onze inzichten steeds veranderlijk en beperkt zijn.

  1. (môth jämûth) Hij moet de dood sterven (voorbeeld: Lv 20,9-16)  

Opnieuw spreekt JHWH. De 8 verzen spreken over het doorbreken van 8  taboes van sexuele omgang, die met de dood worden bestraft. Onder de taboes horen  sexuele omgang met naaste familieleden, homosexualiteit en bestialiteit . Meestal wordt niet nader bepaald hoe de daders van het sexueel misdrijf worden gedood. 
De zware straf kan erop wijzen dat bepaalde sexuele gedragingen sterke emoties oproepen  en de relaties in de gemeenschap ontywrichten.

  1. Bezit van het  land 

Het verhaal van het bezit van het land begint reeds met Gn 12,1 : “… naar het land dat Ik u aan zal wijzen…” en krijgt zijn voltooiïng met de inwijding van de tempel door Salomo (1 K 8) . In 721 v. Chr. Werd het Noordrijk veroverd door Assyrië en werden er vreemde volkeren ingevoerd . Koning Josia (640-609) ondernam een poging om het Noordrijk te heroveren maar mislukte. In 586 werd Jeruzalem ingenomen en de tempel verwoest door Babylonië. Hierop volgde een deportatie en een ballingschap in Babylonië. In 538 v. Chr. Gaf de Perzische koning Cyrus de Joden de toelating om naar Jeruzalem terug te keren en de tempel te herbouwen. De teruggekeerden beriepen zich op het recht van eigendom dat intussen door anderen was ingenomen.
Wellicht is vanuit die situatie de verovering van Kanaän door Josuë beschreven.
We blijven het herhalen. Niets komt van boven, tenzij het van beneden komt. Wat God zegt, komt van mensen.
In Gn 1 wordt God voorgesteld als de schepper van hemel en aarde. Hij ordent de schepping. Vanaf Gn 12 kiest JHWH Abram om te gaan naar het land dat Hij hem belooft. Uit de aartsvaders groeit het volk Israël. Met dat volk sluit JHWH een verbond op de berg Sinaï.
Het lijkt erop dat JHWH recht heeft op het land Kanaän en dat de volkeren van Kanaän onrechtmatig dat land bezitten (bezetten). Dat is theologie. In de 13e eeuw hadden er rond Kanaän volksverhuizingen plaats. Wellicht hoort het in bezit nemen van Kanaän thuis in het kader van de volksverhuizingen. En dan is er vlucht, verzet, oorlog, genadeloos moorden, verkrachten, vernietigen. En als je gelooft, dat wat er ook gebeurt, de hand van JHWH / God er iets mee te maken heeft, dan wordt dat in een literaire en theologische taal gegoten.
Enkele teksten:
Dt 7,1-2: “1 Wanneer Jahwe uw God u in het land heeft gebracht dat gij in bezit gaat nemen, en hij vele volken voor u verdrijft, de Hethieten, Girgasieten, Amorieten, Kanaänieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten, zeven volken talrijker en sterker dan gijzelf,  2 en wanneer Jahwe uw God ze aan u overlevert, zodat gij ze verslaat, dan moet gij ze met de ban slaan. Gij moogt geen verbond met hen aangaan en geen medelijden met hen hebben. “
Joz 6,20b-21: “Bij het schallen van de hoorns begon het volk uit alle macht te schreeuwen. De muur stortte in, het volk klom naar boven, ieder recht voor zich uit, en zij veroverden de stad.  21Alles in de stad sloegen zij met de ban, mannen en vrouwen, kinderen en grijsaards, runderen, schapen en ezels, een prooi voor het zwaard. “
Enkele nabeschouwingen

  1. Er zijn tijden van overleg, compromis, zoeken naar vormen van samenleven. Er zijn tijden van tegenstelling, confrontatie, escalatie, geweld, oorlog, genadeloos doden. De hele geschiedenis getuigt ervan. Ook de geschiedenis van Israël getuigt ervan.
  2. In het oude Israël kreeg die geschiedenis een theologische interpretatie. En naargelang de samenleving evolueerde en het inzicht groter werd, veranderde het beeld op mens, maatschappij en God.  Zonder ophouden.
  3. De bijbel is een literair werk, meestal geschreven in verhalen. Dat literair werk en die verhalen zijn niet noodzakelijk weergave van historische feiten. Integendeel. Daarvoor zijn andere bewijsstukken nodig, zoals b.v. archeologie.
  4. We moeten God niet de schuld geven dat er gedood werd, en soms zo genadeloos gemoord. Daarvoor zijn mensen schuldig. Dat ze hun handelen zagen in opdracht van God, komt soms over dat ze hun eigen verantwoordelijkheid niet onder ogen durfden zien en  dat ze een legitimatie zochten voor hun expansiedrang en machtsstreven.
  5. Wellicht wordt deze benadering en interpretatie als waardeloos terzijde geschoven door hen die de Bijbel letterlijk nemen.
  6. Bij deze benadering  bevragen we niet alleen de geschiedenis, de theologie, maar ook de rituelen, de ethiek, de organisatie, de ervaringen. Wat heeft meegespeeld voor een dergelijke invulling en speelt nog steeds mee.
  7. De mens is een ethisch wezen, of hij dat nu wil of niet, of hij zich hierbij gelukkig voelt of niet. Aan een mens worden be’perk’ingen opgelegd. Hij kan met zijn medemens, maatschappij, natuur niet zomaar doen wat hij wil. Hij zal moeten luisteren en zich ‘onderwerpen’.  Dat is hem gegeven, dat overstijgt hem.
  8. In het oude Israël is JHWH / God schepper, verlosser. Hij sloot een verbond met Israël.  Geloven en leven bestaat in onderwerping: het volgen van geboden en verboden.
  9. In het NT krijgen de geboden een creatief karakter. Het gaat om het ‘gebod’ van de liefde. Het gebod om niet te doden wordt een gebod om een relatie volop tot leven te laten komen.

20 april 2017
Arseen De Kesel


RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP  IN HET OUDE TESTAMENT

Waarom wil ik het thema rivaliteit en broederschap / zusterschap vanuit de Bijbel bekijken?
Bij het begin van het evangelie van Marcus (Mc 1,14) lezen we: “Het koninkrijk van God is nabij”. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Een theocratie met God als een koning – monarch aan het hoofd? Zonder scheiding der machten? In het vervolg van het evangelie van Marcus lezen we het roepingenverhaal  van tweemaal twee broers (Mc 1,16-20). De roeping bestaat in het leren beoefenen van de broederschap / zusterschap (fraternité). Bij de roeping van de Twaalf worden de geroepenen twee aan twee vermeld (Mc 3,13-19) en bij de zending worden ze twee aan twee gezonden (Mc 6,7-13). Hun zending bestaat allereerst in de boodschap hoe ze de onderlinge broederschap beoefenen. Het Laatste Avondmaal met het breken van het brood en het delen van de beker staat symbool van de universele solidariteit.

Godsdiensten bekommeren zich vaak meer om God dan om de mens. Ik veronderstel dat God zich wel kan behelpen en dat Hij onze zorg wel kan missen. Wat mensen niet kunnen missen is de zorg om elkaar. Misschien is God wel bekommerd om de mensen, om de wijze waarop ze met elkaar omgaan. De klemtoon op de éénheid van God zou ons ertoe moeten aanzetten om geen enkel mens uit te sluiten maar aan elk mens recht te doen.

We bekijken slechts enkele verhalen uit het Oude Testament vanuit het oogpunt van rivaliteit en broederschap / zusterschap. Hoe moet ik rivaal omschrijven? Etymologisch komt het woord rivaal van het Latijnse rivalis : wat een rivier betreft. Een rivier heeft twee oevers. Vaak is de rivier een grens (b.v. tussen twee landen), maar hij kan ook het middelpunt van een stad vormen; langs beide oevers strekt de stad zich uit. Broederschap / zusterschap is één van het trio van de Franse revolutie: liberté, égalité, fraternité. Met broederschap/ zusterschap bedoelen we de positieve omgang met de naaste.
De verhalen van de schepping, de zondeval, Kaïn en Abel, de zondvloed, de toren van Babel zijn geen historische verhalen. Het zijn verhalen van mensen die nadachten over het concrete bestaan met iedere dag zonsopgang en –ondergang, met de maan en de sterren in de nacht, met planten en dieren, met medemensen. Mensen zochten antwoorden op hun vragen en oplossingen voor de problemen die zich stelden.
Ook de verhalen van de aartsvaders zijn niet bedoeld als historische verhalen.
Vaak ervaarden zij krachten en machten die hen te boven gingen. De uitwerkingen werden vaak toegeschreven aan goden of aan God. Het zijn dus woorden en opvattingen van mensen die in de mond van God werden gelegd.

1. Het verhaal van Kaïn en Abel  (Gn 4,1-16)

Inleiding
We zeggen wel eens dat we een tekst moeten ontcijferen. Dat is ook het geval met een Bijbeltekst. We zien bij de tekst van de aartsvaders soms niet de onderlinge verbanden, die wel door getallen worden weergegeven.
Het Hebreeuwse alfabet heeft 22 letters, medeklinkers, waaronder de half-medeklinkers / half-klinkers worden meegerekend. Elke letter krijgt een rangtelwoordwaarde volgens de rang in het alfabet. Daarnaast krijgt het ook een hopfdtelwoordwaarde. Zo bekomen we een getalswaarde van een woord of een zin. Ook de vermelde getallen moeten we niet al te letterlijk nemen.
De getalswaarde van Adam is 18 of 45 , die van Eva 19; samen 37: een met 18 in de punten en 19 als zeshoek. De getalswaarde van Kaïn is 43 (26 + 17) of 160 , die van 19 (zie Eva) of 37 (Adam en Eva samen). Volgens de getalswaarde lijkt Kaïn een zeer goddelijke naam, die van Abel een zeer menselijke. De paradox kan niet groter.
http://www.biblewheel.com/images/GenJohnElements.gif .
De zogenaamde eerste mensen, Adam en Eva,  hadden gemeenschap met elkaar. Eva baarde Kaïn. Eva noemde hem Kaïn naar de werkwoordvorm : Ik heb voortgebracht , in de zin: “Ik heb een man voortgebracht, met (de hulp van) JHWH.”  De tekst gaat verder: “Zij baarde nog eens : zijn broer, Abel”. Het Hebreeuwse woord hèvèl betekent ademtocht, vluchtigheid, ijdelheid, een niemendalletje. In tegenstelling tot de verklaring van de naam Kaïn krijgt de naam Abel geen verklaring. Opmerkelijk is wel dat er niet van zonen gesproken wordt. Toen Eva voor de tweede maal baarde, spreekt de tekst eerst over zijn broer en dan Abel. Het verhaal gaat dus over Kaïn en zijn broer Abel.
Abel werd schapenherder en Kaïn landbouwer.  Het is te mooi gezegd dat Kaïn een landbouwer werd. Er staat  ‘obed ädâmâh: slaaf van de aardegrond. Het eerste woord van Gn 4 begon met wëhââdâm (de aardemens) en het laatste woord van Gn 4,2 is ädâmâh (aardegrond). Uit Gn 3 weten we dat die aardegrond vervloekt is (Gn 3,17) en dat Adam in het zweet voor zijn brood zal moeten werken. De vloek gaat van Adam op Kaïn over. Bij schaapsherder wordt vooraf gegrepen op het verhaal van David die vanachter de schapen wordt geroepen om tot koning te worden gezalfd door Samuël. Het verhaal van KaÏn en Abel lijkt de tegenstelling aan te geven tussen de / het vervloekte en de / het idyllische.  Hoe zullen beide broers met elkaar omgaan?
Ieder brengt uit zijn bezit een offer aan JHWH. Kaïn offert eerst: van de vruchten van de aardegrond. Hier wordt die verdoemde ädâmâh gebruikt. In Gn 3,18 wordt gezegd dat ze distels, doorns en veldgewas zal voortbrengen. Als de aardegrond alleen maar dat geeft, kan je toch niet veel anders offeren. Abel offert aan JHWH eerstgeborenen van zijn beste schapen.
We kunnen al verwachten wat de reactie van JHWH zal zijn. JHWH zag genadig neer op Abel en op zijn offer. Op Kaïn en op zijn offer zag Hij niet om. Het is pijnlijk om te zien hoe de godsnaam JHWH vermeld wordt bij het brengen van het offer door Kaïn en niet bij dat van Abel, en in tegenstelling hiermee hoe de Godsnaam gebruikt wordt om aan te duiden dat JHWH genadig neerzag op Abel en zijn offer en niet op Kaïn en zijn offer. Het lijkt alsof de hardwerkende Kaïn, de oudste,  moeite doet om aan JHWH een offer te brengen terwijl dat anders ligt voor Abel, het niemendalletje, de jongste. JHWH lijkt het overtreden van zijn gebod aan Adam en Eva nog niet verteerd. 
Wat doe je als de één door het lot wordt benadeeld, en de ander bevoordeeld?  Wat doe je als de één wordt bemind en de ander niet? Wat doe je als je broers bent, als de één hard labeurt, en de ander vrij kan rondtrekken?
Kaïn wordt boos en hij valt met zijn gezicht op die verdoemde aarde. Op wie wordt hij boos? Op JHWH die hem en zijn offer geen blik gunt en wel op Abel en zijn offer? Is hij jaloers op Abel? JHWH reageert. Waarom ben je boos en waarom vereenzelvig je jezelf met die verdoemde aarde. Je kuit goed doen, en je aangezicht oprichten. Zo niet, loert de zonde aan je deur en zal je de verleiding te boven komen?
Kaïn is boos en terneergedrukt omdat het Abel beter afgaat dan hemzelf. Kaïn vereenzelvigt het lot en noodlot met de persoon. Met Abel gaat het goed en is dus geliefd. Met Kaïn gaat het minder goed en zou dus minder geliefd zijn.
Zal Kaïn een grens overschrijden en “eten van de boom van de kennis van goed en kwaad” (Gn 2,16)? In Gn 4,8 lezen we: “Daarop zei Kaïn tegen Abel , zijn broer: “Laten we gaan wandelen.  En het gebeurde terwijl zij op het veld waren . Kaïn stond op (opstand) tegen Abel , zijn broer , en vermoordde hem.”
Dan komt JHWH weer aan het woord en zegt tot KaÏn: “Waar is Abel , je broer?” En hij zei: “Ik weet het niet . Moet IK op mijn  broer  letten?” Met de moord op Abel , zijn broer , weet Kaïn niet meer waar zijn broer is , want hij is er niet meer . Voordien had hij wel gezien dat het goed ging met Abel, zijn broer . Daarop antwoordt JHWH : “Wat heb jij gedaan? Het bloed van jouw broer krijst vanuit de aardbodem.” En hierop volgt de vervloeking van Kaïn en van de aardbodem door JHWH . Het beeld van het aards paradijs is meer dan ooit ver weg. Tegenover elkaar moeten mensen grenzen respecteren. Zo niet loert de dood om de hoek. (niet eten van de boom van goed en kwaad).
In de Koran vinden we het verhaal in soera 5,27-32. Kaïn doodt zijn broer en krijgt wroeging. Niet zozeer omdat hij hem vermoordde maar omdat hij niet wist hoe hem te begraven en hem niet aan de roofvogels over te leveren (zie Sophocles, Antigone). In commentaren op de soera wordt o.a. verwezen naar het Joods apocrief geschrift Sefer Adam.
Het verhaal van de moord van KaÏn op Abel is uitvoerig beschreven in de Oudtestamentische apocrief : Vita Adam en in een variante versie in de Apocalyps van Mozes.
We vinden het verhaal ook in de eerste brief van Clemens van Rome aan de gemeente van Korinte. Deze brief is geschreven rond 100 na Chr. naar aanleiding van de afzetting van enkele presbyters door een jonge garde. De “paus” van Rome grijpt in. In 1 Clem 4 lezen we het verhaal van Kaïn en Abel en over de jaloezie. Jaloezie (zèlos, denk maar aan zeloot) en na-ijver spelen in dit geschrift een belangrijke rol.

Overgang: de aartsvaders (Abraham, Isaak, Jakob, Jozef)
Bij de aartsvaders אַבְרָהָם = Abraham , יִצְחָק = Isaak , יַעֳקֹב = Jakob en יוֹסֵף = Jozef hebben de getallen van hun leeftijden een symbolische betekenis (onderlinge verbondenheid en verbondenheid met het mysterie)
1. Abraham werd 175 jaar oud . 175 = 5² X 7 OF (10 X 17 = 170) + 5 . (Gn 25,7) . 5 is de getalswaarde van de letter he . Abram en Saraj ontvangen de letter he in hun naam en zij worden vruchtbaar (Gn 17,5 en Gn 17,15) . Merkwaardig is de plaats van dit vers in de bijbel : het 25ste hoofdstuk en het 7de vers . Som van de factoren : 5 + 5 + 7 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
2. Isaak werd 180 jaar oud . 180 = 6² X 5 OF (10 X 17 = 170) + 10 . (Gn 35,28) . Som van de factoren : 6 + 6 + 5 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .
3. Jakob werd 147 jaar oud . 147 = 7² X 3 OF (8 X 17 = 136) + 11 . (Gn 49,33) . Som van de factoren : 7 + 7 + 3 = 17 . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) . Ook hier is de plaats van dit vers in de bijbel merkwaardig : het 49ste hoofdstuk en het 33ste vers . Jakob diende 7 jaar voor Lea en Rachel (Gn 29,20 en Gn 29,30) . Jakob verbleef 130 (5 X 26) jaar in Kanaän en 17 jaar in Egypte (Gn 47,28) . Merkwaardig is de plaats in de bijbel (Gn 47,28) . De buitenste getallen van 147 is 17 . Het tweede en derde getal van 147 is 47 . 28 = 4 X 7 (hierin schuilt 47) .
1. - 3. Het product van drie opeenvolgende getallen ( 5 - 6 - 7) in het kwadraat , opklimmend , met drie opeenvolgende onpare getallen afdalend (7 - 5 - 3) .
- De plechtige zegen in Nu 6,24 - Nu 6,25 - Nu 6,26 telt 3 - 5 - 7 woorden .
4. Jozef leefde 110 jaar . 110 = 5² ( = 25) + 6² ( = 36) + 7² ( = 49) OF (6 X 17) + 8 . De som van drie opeenvolgende getallen in het kwadraat . (Gn 50,22) OF de som van de kwadraten van de aartsvaders . Deze plaats in de bijbel is wellicht ook merkwaardig . (50ste hoofdstuk) X 22 (22ste vers) (5 X 22) = 110 .
1. - 4. De vier leeftijden samen geeft de som van 612 (2² X 3² X 17) OF : (10 + 10 + 8 + 6 = 34) X 17 PLUS (5 + 10 + 11 + 8 = .34 = 2 X 17) OF 36 X 17 . Het gemiddelde van de leeftijden van de aartsvaders is 9 X 17 OF 153 . Het getal 153 is een driehoeksgetal . Het getal 153 is de som van alle getallen van 1 tot en met 17 . 612 is een vierkant (4 X 153) . Daarmee is het probleem opgelost waarom de som van de factoren bij Jozef geen 17 is . 17 is de getalswaarde van de Godsnaam JHWH volgens de kleine telling (1 + 5 + 6 + 5 = 17) .

 Ook de getalswaarde van de namen van Isaak , Jakob en Jozef heeft een symbolische waarde (verbondenheid met het mysterie: JHWH=26 en onderlinge verbondenheid) .
2. Isaak (Gn 21,3) . יִצְחָק = jitsëchâq (Isaak) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , chet = 8 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 49 (7 X 7) OF 208 (8 X 26) .
3. Jakob (Gn 25,26) . יַעֳקֹב = ja`äqobh (Jakob) . Getalswaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) .
4. Jozef (Gn 30,24) . יוֹסֵף = Jôseph (Jozef) . Getalswaarde : jod = 10 , waw = 6 , samek = 15 of 60 , qoph = 17 of 80 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 156 (6 X 26) .
De getalswaarde van de namen Isaak , Jakob en Jozef volgens de tweede telling wordt gevormd door het product van drie opeenvolgende getallen (8 - 7 - 6) , afdalend , met de getalswaarde van de godsnaam JHWH volgens de gewone telling (26) : 8 X 26 EN 7 X 26 EN 6 X 26 . In totaal geven de twee tellingen 49 + 47 + 48 = 144 (12 X 12) OF 208 + 182 + 156 = 546 (21 X 26) . Het gemiddelde is 48 (4 X 12) OF 182 (7 X 26) .
- Bij de leeftijden en de naamgeving spelen de 2 getalswaarden van de Godsnaam JHWH een beslissende rol . Het getal 17 bij de leeftijden , het getal 26 bij de naamgeving . De leeftijd van Jakob is 147 , de getalswaarde van de naam van Jakob is 47 of 182 (7 X 26) . Bij Jakob overheerst het getal 7 , zowel bij zijn leeftijd als bij de getalswaarde van zijn naam .

Toemaatje : de leeftijden van de geslachtslijst Adam – Noach (Gn 5) :
- In de geslachtslijst Adam - Noach worden 10 geslachten genoemd . De leeftijd van deze 10 geslachten wordt gevormd door de som van vier tot zeven kwadraten . In 9 van de 10 leeftijden komt het kwadraat van 17 voor (niet bij Henoch) . De leeftijd van Henoch is de som van de kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (10² + 11² + 12²) (Gn 5,21) .
- In 8 van de 9 geslachten met het kwadraat van 17 maakt het kwadraat van 17 deel uit van een som van 3 kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (5X : 16² + 17² + 18² ; 3X : 15² + 16² + 17² ) . De leeftijd van Jered bestaat uit 7 kwadraten , waarvan 2X drie kwadraten van 3 opeenvolgende getallen (2² + 3² + 4² EN 16² + 17² + 18²)

2. Het verhaal van Sara en Hagar  

De getalswaarde van Sarai is 51 (3 X 17) of 510 (30 X 17).
Abram (36 of 243) + Hagar (28 of 208) = 64 (2³ X 2³) OF 451 (11 X 41) . 451 is de getalswaarde van jisjëmâ`e´l (Ismaël) . De getalswaarde van jishërâ´el (Israël) is 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Via de getalswaarde is er een duidelijke link tussen de ouders Abram en Hagar en hun zoon Ismaël . Ook in de naamgeving is er een link tussen de vernedering die Hagar vanwege Saraj moest ondergaan . haggar of hagger (de vreemdeling, proseliet).
Het verhaal van Abram / Abraham wordt verteld in Gn 12,1-25,11. Sarai (Sara) was onvruchtbaar (Gn 11,30). Sarai heeft een Egyptische slavin  Hagar wordt leenmoeder. Maar het loopt mis tussen de twee vrouwen. Wanneer Hagar merkt dat zij zwanger is, behandelt zij Sarai, haar meesteres, vanuit de hoogte. Sarai beklaagt zich bij Abram en hij geeft haar carte blanche om met haar te doen wat zij wil. Sarai maakt Hagar het leven zuur, waardoor Hagar wegvlucht. Zij komt in de woestijn, bij een bron, terecht. Daar ontmoet zij een engel (van de Heer) die haar aanraadt terug naar haar meesteres te gaan. Daarenboven spreekt hij een zegenwens over haar uit. Hagar baart een zoon en noemt hem Ismaël , wat betekent: God heeft (naar mij) geluisterd (zoals de naam Samuël). Abram is dan 86 jaar (2 X (26 + 17). Na 13 jaar wordt Sara dan toch zwanger. Sara baart Isaak, een toespeling op “lachen”. Maar dan loopt het weer fout. Toen Isaak van de borst werd genomen, werd er gefeest. Op dat feest zag Sara Ismaël naar Isaak lachen. Maar dat verdroeg Sara niet. Ze eist van Abraham dat hij Ismaël zou onterven. Dat vind Abraham ongepast. God komt tussen om het verzoek van Abraham niet ongepast te vinden en spreekt een zegen over Ismaël uit. Gn 21,14-20 volgens de Naardense Bijbel: “In de ochtend recht Abraham zijn schouders, neemt een brood en een zak water, geeft dat aan Hagar, legt het op haar schouder, zo ook het kind, en zendt haar heen; ze gaat heen en verdwaalt in de woestijn van Beëer Sjeva. Met de laatste druppels water uit de zak op zijn rug zendt ze de jonggeborene heen onder een van de struiken. 16 Ze gaat heen en zet zich, zij alleen, daartegenover, op een boogschot afstand,- want, heeft ze gezegd, ik kan niet aanzien hoe de jonggeborene sterft; ze zit daar tegenover, verheft haar stem en weent. 17 Maar dan hoort God de stem van de jongen en roept de engel van God tot Hagar vanuit de hemelen en zegt tot haar: wat is er met jou, Hagar?- vrees niet, want gehoord heeft God naar de stem van de jongen daar waar hij is; 18 sta op, til de jongen op en maak je hand sterk om hem; want tot een groot volk zal ik hem maken. 19 Dan opent God haar ogen: ze ziet een waterbron; ze gaat daarheen, vult de zak met water en geeft de jongen te drinken. 20 God is met de jongen en hij wordt groot; hij zet zich neer in de woestijn en wordt boogschutter.”
De rivaliteit tussen de twee vrouwen was groot. Geen van de twee heeft veel moeite gedaan om het probleem op te lossen. Abraham koos partij voor zijn vrouw Sara en de slavin van Sara moest uiteindelijk vertrekken. Abraham had blijkbaar wel moeite om zijn oudste zoon Ismaël te zien vertrekken. Nu lag de erfenis voor Isaak open, wat de wens van Sara was.
In Gal 4,21-31 schrijft Paulus merkwaardige dingen over Sara en Hagar. Het gevaar bestaat wel dat men door dergelijke theologie het onrecht dat aan Hagar werd aangedaan wordt weggemoffeld.

3. Het verhaal van Esau en Jakob

De getalswaarde van Esau is 43 (26 = 17) of 376.
De naam Jakob komt voort uit de Griekse transcriptie Jakôb van het Hebreeuwse ja`aqob. In het Hebreeuws is het de verleden tijd (weergegeven door het prefix j) van het werkwoord `âqab (bedriegen, vasthouden): hij bedriegt / bedroog. Isaak noemde hem zo omdat Jakob als tweede werd geboren  terwijl hij de hiel van zijn broertje Esau vasthield (Genesis 25,26). Hiel heeft in het Hebreeuws dezelfde medeklinkers (`qb) als de stamletters van de naam Jakob (`qb uit ja`aqob).`âqeb betekent hiel, achterhoede. Jakob had bij zijn geboorte zijn oudste broer Esau een voetje willen lichten: hij hield de hiel van zijn broer vast . De strijd tussen die twee begon al in de moederschoot: zij botsten tegen elkaar op (Genesis 25,22). Jakob was listig en wist het eerstgeboorterecht van Esau afhandig te maken (Genesis 25,31). Daarna ontfutselde Jakob de vaderlijke zegen aan de eerstgeborene die Esau toekwam (Genesis 27). Esau was van plan om Jakob te doden en Jakob vlucht (Genesis 27,41-45). Door scha en schande zal Jakob leren wat het betekent eerlijk te zijn en zijn medemens (broer) recht in de ogen te kijken. Jakob zal door zijn oom tweemaal bedrogen worden; eerst wat zijn bruid betreft, daarna met de schapen die hem zullen toebehoren. Na vele jaren komt Jakob terug . Hij komt aan de Jabbok; zijn broer Esau is gelegerd aan de overkant van de rivier. Jakob worstelt die nacht. Het is een worsteling met zijn schaduwzijde. Er grijpt een innerlijke verandering bij Jakob plaats. Hij zal zijn broer 's anderendaags recht in de ogen kijken en zich kwetsbaar opstellen. De klank Jabbok komt sterk overeen met de klank Jakob. Er is in de naam Jabbok iets opmerkelijks : twee medeklinkers zijn van plaats veranderd, die de verandering van Jakob weergeeft. In Genesis 32,25 is er sprake dat Jakob worstelde met een man... In het Hebreeuws staat wajjebeq (van het werkwoord ´âbaq :worstelen): en hij worstelde. Zie hier eveneens de verandering van medeklinkers.
Wat geeft dit allemaal weer. De aartsvader Jakob (hij bedriegt/bedroog), de vader van de 12 zonen en van de 12 stammen van Israël,  zal groeien van listig man, bedrieger naar een rechtschapen man, die de ander in de ogen kijkt. Wat van Jakob gezegd wordt, geldt evenzeer van het volk van Israël : het zal moeten leren groeien naar rechtvaardigheid, rechtschapenheid.
Heel het boek Genesis verhaalt het moeilijke proces van menswording. Hoe kan de ene mens voor de ander een broer / zus worden.

4. Jozef en zijn broers

Eerst iets over de twee zussen: Lea en Rachel, echtgenotes van Jakob. Rachel is mooi maar Lea heeft fletse ogen. Rachel wordt meer bemind door Jakob dan haar zus Lea. Uit de namen van de kinderen blijkt dat Lea er alles wil voor doen om de liefde van Jakob te winnen (Gn29,31-35). Rachel is gefocust op kinderen. Daarom is ze jaloers op haar zus Lea, die kinderen krijgt. Ze moet kinderen krijgen, eist ze van Jakob, maar hij reageert verontwaardigd. Met de liefdesappels van Lea tracht ze vruchtbaar te worden. Ze heeft hiervoor over dat Lea nog meer kinderen krijgt. En wanneer ze Jozef krijgt, wil ze nog meer. Het is niet voldoende. Tenslotte wordt het kinderen krijgen haar fataal, want ze sterft in het kraambed van Benjamin . Ben-Oni: kind van mijn lijden. Rachel was gefocust op kinderen krijgen en ze is eraan ten onder gegaan.
Het verhaal van Jozef en zijn broers benaderen we vanuit de eindsituatie. Jakob is gestorven en de broers van Jozef vrezen dat hij wraak zal nemen voor wat hem werd aangedaan. Eerst sturen zijn broers boodschappers. Wanneer ze merken dat Jozef hen goed gezind is, komen ze zelf en willen zich als slaven aan hem onderwerpen. Maar Jozef reageert als volgt: ”vreest niet!- want zit ík op de plek van God?- 20 en jullie, je hebt tegen mij kwaad bedacht;- Gód heeft dat ten goede gedacht, met het doel om te doen als op deze dag: een grote gemeenschap in leven te houden,- 21 welnu, vreest niet, ík zal jullie en je kroost onderhouden! Zo troost hij hen en spreekt hij tot hun hart. (Gn 50,19b-21 volgens de Naardense Bijbel).
Voordat Jozef geboren wordt, zijn er al tien halfbroers geboren; 4 uit Lea, 2 uit Bilha, de slavin van Rachel, en 2 uit Zilpa, de slavin van Lea. (Sara, Rebekka, Lea en Rachel worden als de aartsmoeders van Israël beschouwd; wat dan met de 4 stammen, die zijn voortgekomen uit Bilha en Zilpa?). Jozef is de zoon van Jakob en Rachel, zijn grote liefde. Het is de laatste zoon van Jakob die in Aram wordt geboren. Later zullen Jakob en Benjamin nog Benjamin krijgen in het land Kanaän. Jozef is de lieveling van Jakob. Hij krijgt extyra kleding en wordt op inspectie naar zijn broers gestuurd. Bovendien laat Jozef door zijn dromen merken dat hij toch een trapje hoger staat dan de andere broers. Dat wekt jaloezie en naijver. Jozef wordt uiteindelijk verkocht als slaaf, komt in Egypte terecht en wordt er onderkoning. Bij een hongersnood komen zijn broers om voedsel. Uiteindelijk komen zijn broers en zijn vader naar Egypte.

 

Besluit

  1. Bijbelstudie is geen archeologische activiteit. Het gaat erom hoe oude teksten eventueel inspiratie voor het nu kunnen betekenen.

Hoe ga je om met de ander? Met naijver en jaloezie? De zwakte van de ander uitbuiten voor eigen belang? Zonder respect voor de ander?
We zagen de verhalen van Kaïn en Abel, Sara en Hagar en hierbij de houding van Abram / Abraham tegenover beide vrouwen, de verhalen van Esau en Jakob en lieten de houding van Isaak en Rebekka tegenover  beide kinderen buiten beschouwing, de verhalen van Jozef en zijn broers  en terloops de relatie tussen Lea en Rachel en de houding van Jakob tegenover beide vrouwen.
Er is veel onrecht in het boek Genesis. En we bezondigen ons eraan – vaak onbewust – dat onrecht te verdoezelen. We spreken over Isaak als de eerstgeborene terwijl Ismaël dat was. We spreken over de Abrahamitische volkeren en bedoelen daarmee de volkeren die voortkwamen uit Ismaël en Isaak, maar vermelden niet tot Abraham ook nog een derde vrouw had, die hem zeven kinderen schonk  (Gn 25,1-6).
We weten dat het boek  Genesis geen geschiedenisboek is. Het vertelt ons wel hoe mensen worstelen om elkaar niet met jaloezie en na-ijver te benaderen en hoe ze slechts heel langzaam groeien tot broers en zussen van elkaar.
Ons economisch systeem is gebouwd op vrije concurrentie, op het opsporen van de zwakke plekken van de ander om hem onderuit te halen, op het profijt voor de consument. In dit systeem wordt het belangrijk om er als beste tevoorschijn te komen; soms doet de kwaliteit van het product er niet mee toe, maar de perceptie.
Het is een uitdaging  om in ons economisch stelsel van vrije markteconomie een samenleving van solidariteit uit te bouwen.

  1. Het wordt meestal afgedaan als Spielerei wanneer aandacht wordt besteed aan getallen in de Bijbel.

Het lijkt me toch opvallend hoe door getallen verbanden worden ontdekt en hoe via de getallen de band met het “mysterie” wordt benadrukt. Hoeveel vernoemde namen hebben een getalswaarde van 17 / 26 of een meervoud ervan. 17 en 26 verwijzen naar JHWH.

  1. Wat van boven komt, komt van beneden. Alles wat we over God zeggen, komt van mensen: hun ervaring en beleving, hun fantasie en begeerte, hun zwakte en onmacht. We moeten God niet tot verantwoording roepen waarvoor hij niet verantwoordelijk is. We staan soms wel versteld van wat er in Gods mond wordt gelegd. B.v. God keurt goed dat Hagar wordt weggezonden, m.a.w. Abraham heeft voor Sara door de knieën moeten gaan en met een beroep op God kan Abraham zonder gezichtsverlies Hagar en Ismaël wegzenden.

Religieuze inspiratie kunnen teksten brengen wanneer ze door allerlei menselijke wederwaardigheden iets van het “mysterie” oplichten.

Zolder, 18 mei 2017
Arseen De Kesel


RIVALITEIT EN BROEDERSCHAP / ZUSTERSCHAP IN HET NT

Woord vooraf

  1. Dit thema, deze tekst wil uitnodigen tot nadenken en onderling gesprek. Het is niet mijn bedoeling heilige huisjes af te breken (of misschien toch). Huisjes die onbewoonbaar zijn geworden, moeten ofwel gerestaureerd ofwel afgebroken worden.
  2. Godsdiensten hebben vaak God voor vele dingen verantwoordelijk gesteld waarvoor de mensen zelf verantwoordelijk zijn. Daarenboven houden verantwoordelijken van de godsdiensten soms voor dat God dit of dat zegt of wil, terwijl het om menselijke denkbeelden en verlangens gaat. Wel kunnen mensen voor en met  elkaar kansen en mogelijkheden scheppen (of ontnemen) om het diepe mysterie van het bestaan – God – te ontdekken.
  3. Ik herhaal wat ik reeds heb gezegd bij dit thema in de bijdrage over het OT: “Bij het begin van het evangelie van Marcus (Mc 1,14) lezen we: “Het koninkrijk van God is nabij”. Hoe moeten we ons dat voorstellen? Een theocratie met God als een koning – monarch aan het hoofd? Zonder scheiding der machten? In het vervolg van het evangelie van Marcus lezen we het roepingenverhaal van tweemaal twee broers (Mc 1,16-20). De roeping bestaat in het leren beoefenen van de broederschap / zusterschap (fraternité). Bij de roeping van de Twaalf worden de geroepenen twee aan twee vermeld (Mc 3,13-19) en bij de zending worden ze twee aan twee gezonden (Mc 6,7-13). Hun zending bestaat allereerst in de boodschap hoe ze de onderlinge broederschap beoefenen. Het Laatste Avondmaal met het breken van het brood en het delen van de beker staat symbool van de universele solidariteit.

Indertijd mocht een medebroeder of medezuster het klooster niet verlaten tenzij begeleid door een andere medebroeder of medezuster. Was het om het beoefenen van broederschap/zusterschap of uit controle?

  1. Kloosters zouden laboratoria van samenleven kunnen zijn: plaatsen waar mensen proberen broeders / zusters van elkaar te zijn. In hun poging kunnen zij aan en bij elkaar misschien nu en dan de transcendente God en Vader ervaren. Zij kunnen een gist en een licht voor de wereld zijn. Het is een wonder als dat gebeurt. Het is niet vanzelfsprekend.

Dit kan evenzeer gezegd worden van parochiegemeenschappen en om het even welke christelijke gemeenschappen.

  1. De geschriften van het NT getuigen van voortdurende spanningen tussen mensen. Er worden hoge idealen geschetst zoals in het boek Handelingen waarin geschreven staat dat de eerste joods-christelijke gemeenschappen van Jeruzalem  alles gemeenschappelijk hadden en één van hart en één van ziel waren. Maar het verloopt ook anders. Spanningen tussen mensen bereiken de uiterste grens zodat onder een zogenaamde gerechtvaardigde wet een mens zoals Jezus wordt gedood.  Een samenleven kan voor sommigen een hemel op aarde of een hel betekenen, ook het samenleven in kloosters.
  1. Johannes de Doper en Jezus

Het evangelie van Lucas begint met het verhaal van Zacharia en Elisabeth. Volgens buitenstaanders zouden ze zich moeten schamen. Ze hadden immers geen kinderen. Dat moet wel een straf van God zijn. Ze moeten wel iets heel ergs hebben gedaan, dat nu voor iedereen zichtbaar wordt. Buitenstaanders minachten hen. Juist van een priesterkoppel had men dit niet verwacht. Schijnheiligen zijn het. De auteur Lukas neemt het voor hen op. Hij zegt dat ze rechtvaardig zijn in Gods ogen.  De zwangerschap van Elisabeth en de geboorte van Johannes moet de mens de ogen openen voor wat God hier aan het doen is.
Het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper, het verhaal over Zacharia en Elisabeth, is gemodelleerd op dat van Abraham en Sara. Hun toekomstig kind wordt voorgesteld in de lijn van de profeet Elia. In het verhaal van de aankondiging van Jezus, het verhaal over Maria, komt de aankondiging zelf literair het best overeen met de aankondiging van Ismaël voor Hagar, de slavin van Sara (Gn 16,9-11). Toch wel iets merkwaardigs. Als het al een wonder is dat Abraham en Sara op hun oude dag een kind kunnen krijgen (Gn 18,14), des te meer is het voor God niet onmogelijk dat Maria zwanger wordt zonder tussenkomst van een man (Lc 1,37). Gods werk in een overtreffende macht . (Weet wel dat mensen dit schrijven en  al dit wonderbaarlijke meer zegt over mensen dan over God.) Jezus wordt beschreven in termen van koningschap, in de lijn van koning David.
Bij de ontmoeting tussen Maria en Elisabeth gebeurt er iets merkwaardigs. Toen Elisabeth de groet van Maria hoorde, sprong het kind op in de schoot van Elisabeth. Datzelfde werkwoord en vorm ervan vinden we in Gn 25,22. In dit vers betreft het Esau en Jakob. Ze boksen al vanaf de moederschoot tegen elkaar op.  In Lc 1,44 wordt het lief gezegd: het kind sprong met blijdschap op in haar schoot. Verbloemend?  Zullen Johannes de Doper en Jezus tegen elkaar opboksen? Zij zelf en hun leerlingen?
Zacharia en Elisabeth, het priesterpaar, had naar een kind verlangd opdat het priesterschap zou blijven doorgaan. Maar Johannes doet geen dienst in de tempel, maar hij doopt in de Jordaan , tot vergeving van zonden. Dat was revolutionair. Want alleen God kan zonden vergeven, door het voorgeschreven offer door een priester in de tempel van Jeruzalem. De Farizeeën gaan nog een stapje verder. Ze zeggen: je weet nooit, wanneer God vergeeft. Neem het zekere voor het onzekere en sluit die persoon uit de gemeenschap (die er één van zuiveren moet zijn).
Johannes de Doperj staat tevens in de traditie. Hij staat in het spoor van Elia: streng en rechtvaardig.
Jezus liet zich dopen door Johannes. Werd hij een leerling van hem? Na de doop krijgt Jezus een visioen met de boodschap dat hij een geliefde zoon van God is.
Jezus verschilt grondig van Johannes doordat Jezus barmhartigheid als hoofdboodschap neemt.  Maar dat komt later tot uiting.
In Mc 1,12 lezen we: “En de geest werpt hem buiten”. Gooide Johannes hem buiten? Waarom? Jezus kwam in de woestijn terecht (letterlijk en figuurlijk): alleen, met nu en dan gezelschap van engelen en duivels.  Daar wordt hij geconfronteerd met zijn oude dromen en idealen, met zijn verleden en toekomst, van hemzelf en van zijn volk.
Er is een spanning tussen Johannes de Doper en Jezus en tussen beide groepen leerlingen. Er is  spanning tussen personen, maar ook tussen ideeën. Hoe zijn personen met zeer uiteenlopende ideeën met elkaar te verzoenen. Hoe broederschap / zusterschap in dat geval uitbouwen?
Heeft het vroege christendom de stroming van Johannes de Doper (en het jodendom in zijn geheel) proberen te accapareren door het doopsel als initiatie in te voeren?  Door een nood aan een initiatieritueel bij het wegvallen van de besnijdenis?  Heeft een beweging van universele solidariteit, waarvoor Jezus stond,  wel  een initiatieritus nodig? Het instituut kerk wellicht wel. Spanning tussen beweging en instituut?

  1. Een vader heeft twee zonen (Lc 15,11-32)

Omdat er van twee zonen sprake is, spreken we over de jongste en de oudste zoon. Vaak horen we in het OT dat de oudste het onderspit moet delven voor de jongere. Volgens de Griekse tekst kunnen we vertalen : de nieuwere (jongere) en de oudere (presbuteros). De jongere lijkt een bon vivant, de oudere een harde werker. Wat verschil bestaat er tussen beiden?  De jongere erkent zijn vader als vader en de vader erkent zijn zoon. De oudere spreekt nooit zijn vader als vader aan en ook niet zijn broer als broer. De jongere heeft berouw, bekeert zich en wendt zich tot zijn vader. De oudere blijft buiten. De vader gaat naar hem toe om hem uit te nodigen tot het feest van zijn broer. Maar de oudere gaat uit van de grondgedachte: voor wat, hoort wat. Barmhartigheid en liefde tegenover rechtvaardigheid (in een bepaalde zin begrepen. Vergoeding kan je opeisen, vriendschap en liefde niet.
Het doet me denken aan het 16de eeuiwse dispuut tussen “protestanten” en “katholieken”, tussen enerzijds sola gratia, sola fides (enkel genade, enkel geloof) tegenover loon naar werken.
Het is een parabel. Met dit verhaal wil Jezus naar een andere werkelijkheid verwijzen.  Dat maakt Lc 15,2 ons duidelijk: De Farizeeën en de Schriftgeleerden morren omdat Jezus zondaars ontvangt en met hen eet. Het gaat om de wijze waarop de Farizeeën en Schriftgeleerden enerzijds en Jezus anderzijds met zondaars omgaan.  Het gaat ook over de wijze waarop een jongere en een oudere generatie zich tot elkaar verhouden.  De oudere generatie wil door het onderhouden van de geboden en verboden van God haar identiteit bewaren, het uitverkoren volk van God zijn. De nieuwere generatie wil de scheidslijnen tussen zondaars en niet-zondaars doorbreken en pleit voor een inclusieve maatschappij en wil van die oude identiteit af. De nieuwere generatie heeft een nieuw godsbeeld: God is een barmhartige Vader.
Dit verhaal is een uitdaging voor onze tijd. De grijze koppen zien dat de jongere generatie (onder de 65 jaar) hen niet meer volgt; ze heeft geen nood aan de opvattingen en de rituelen zoals de oudere generatie ze invult. Denken we God op andere gedachten te kunnen brengen als we zo voort doen? Zijn wij op andere gedachten te brengen? Zijn we wel goed bezig?  

  1. Het Laatste Avondmaal  (Mc 14,22-23)

Was Jezus zich wel bewust dat het zijn laatste maaltijd was? Heeft de evangelist in dit verhaal willen condenseren waarvoor Jezus stond: een inclusieve maatschappij, een wereldwijde solidariteit, een barmhartige God-Vader.
De zinnen “dit is mijn lichaam” , “dit is mijn bloed”  wekken  vele betekenissen en zijn voorwerp van geloof en ongeloof. Literair verwijst “Hij nam … en zei… dit is… bloed van het verbond”  naar de verbondssluiting tussen God en het volk via Mozes op de berg Sinaï  in Ex24,8: “Vervolgens nam Mozes het bloed, sprenkelde dat over het volk en sprak: ‘Dit is het bloed van het verbond…” Hier bevinden we ons in de duiding van de dood van Jezus als een offer aan God  in het kader van een verbondssluiting. Heeft Jezus zijn dood ooit gezien als een offer? Heeft God een mensenoffer nodig om zich met de mensheid te verzoenen?
En parallel ermee hebben we dan: “dit is mijn lichaam…”.
Heeft het jonge christendom het offer in de tempel voor de vergeving van de zonden geaccapareerd en in haar duiding van Jezus’dood ingepast? Zoals in de tempel het offer werd opgedragen door een priester, zo werden de twaalf, en de bisschoppen als hun opvolgers, offeraars. En de maaltijd werd dan geïnterpreteerd als een offermaaltijd. En om aan het offer te mogen deelnemen, moest men rein zijn. Zondaars waren uitgesloten.
De grondgedachte van Jezus lijkt onder een dikke laag lava bedolven. Het gaat om samen het brood breken en de beker delen, om onderlinge broederschap / zusterschap. Ook Judas was er aanwezig en Jezus heeft hem er niet uitgegooid. Dankzij Judas mogen ook zondaars aan de broodbreking deelnemen. Zijn er dan geen voorwaarden om deel te nemen? In een beweging niet , in een organisatie / instituut wel. In een organisatie heb je een lidkaart nodig, in een beweging niet.

  1. Marta en Maria (Lc 10,38-42)

Wat moet ik denken  van dit verhaal? Marta ontvangt Jezus. Hoe ontvang je iemand? Marta was druk in de weer met bedienen. Gelukkig had Marta een zus Maria. Die bleef bij Jezus en luisterde naar hem. Jezus had blijkbaar een luisterend oor nodig. Was Maria er niet geweest, dan had Jezus daar een hele tijd alleen gezeten en had hij niet kunnen vertellen. En misschien  was Maria wel een hulpje van Marta en wist Maria aan haar zus te ontsnappen. Op welke wijze zijn ze zussen en hoe verschillen ze van elkaar?
In kloosters waren er Maria’s en Martas , de mères en de soeurs, de broeders en de priesters. Een afspiegeling van een maatschappij met heren en werkvolk?

Er is nog zoveel te zeggen over dit thema in het NT. Over de onderlinge relaties tussen de apostelen, over Paulus, over de eerste christelijke gemeenschappen. Blijkbaar is het moeilijk om gist te verwerven en licht te maken.

Zolder, 22 juni 2017
Arseen De Kesel