JOHANNESEVANGELIE , hoofdstuk 4 , Joh 4 -- Structuur -- Taalgebruik -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/nt2/john/4.asp . http://www-users.cs.york.ac.uk/~fisher/cgi-bin/gnt?id=0404 . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PV3.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/joha/4.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=66991%2C67044&wbv=on&nbv=on . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=66991%2C67044&wbv=on&nbv=on . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=4760421 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibel/text/lesen/stelle/53/40001/49999/ch/d67e105486b1678f290a1e26d5a534fc/ . Luther Bibel .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Joh : overzicht , Joh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Joh : commentaar ,

Overzicht van het Johannesevangelie : Joh 1 , Joh 2 , Joh 3 , Joh 4 , Joh 5 , Joh 6 , Joh 7 , Joh 8 , Joh 9 , Joh 10 , Joh 11 , Joh 12 , Joh 13 , Joh 14 , Joh 15 , Joh 16 , Joh 17 , Joh 18 , Joh 19 , Joh 20 , Joh 21 ,

  Joh 1 Joh 2 Joh 3 Joh 4 Joh 5 Joh 6 Joh 7 Joh 8 Joh 9 Joh 10 Joh 11 Joh 12 Joh 13 Joh 14 Joh 15 Joh 16 Joh 17 Joh 18 Joh 19 Joh 20 Joh 21
                                           

Tekstuitleg per perikope - Joh 4,1-45 - Joh 4,46-54 -
Tekstuitleg vers per vers - Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 - Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
- Joh 4,1 . Joh 4,2 . Joh 4,3 . Joh 4,4 . Joh 4,5 . Joh 4,6 . Joh 4,7 . Joh 4,8 . Joh 4,9 . Joh 4,10 . Joh 4,11 . Joh 4,12 . Joh 4,13 . Joh 4,14 . Joh 4,15 . Joh 4,16 . Joh 4,17 . Joh 4,18 . Joh 4,19 . Joh 4,20 . Joh 4,21 . Joh 4,22 . Joh 4,23 . Joh 4,24 . Joh 4,25 . Joh 4,26 . Joh 4,27 . Joh 4,28 . Joh 4,29 . Joh 4,30 . Joh 4,31 . Joh 4,32 . Joh 4,33 . Joh 4,34 . Joh 4,35 . Joh 4,36 . Joh 4,37 . Joh 4,38 . Joh 4,39 . Joh 4,40 . Joh 4,41 . Joh 4,42 . Joh 4,43 . Joh 4,44 . Joh 4,45 . Joh 4,46 . Joh 4,47 . Joh 4,48 . Joh 4,49 . Joh 4,50 . Joh 4,51 . Joh 4,52 . Joh 4,53 . Joh 4,54 .


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
 
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA)
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm . WEBLOG : BIJBELLEERHUIS
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
JAARTAL - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , migratie , mystiek , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen -

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


- Joh 4,1-45 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -

Joh 4,1 - Joh 4,1 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
1 Ὡς οὖν ἔγνω ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἤκουσαν οἱ Φαρισαῖοι ὅτι Ἰησοῦς πλείονας μαθητὰς ποιεῖ καὶ βαπτίζει ἢ Ἰωάννης - 4. 1 ut ergo cognovit Iesus quia audierunt Pharisaei quia Iesus plures discipulos facit et baptizat quam Iohannes     1 Als dan de Heere verstond, dat de Farizeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; [1] Jezus was te weten gekomen dat de farizeeën gehoord hadden dat Hij meer leerlingen trok en doopte dan Johannes. [1] Toen Jezus hoorde dat aan de Farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes 4:1 Zodra dan de Heer ter kennis komt 'de farizeeërs hebben gehoord dat Jezus meer leerlingen maakt en doopt dan Johannes!'- Johannes 1. Quand Jésus apprit que les Pharisiens avaient entendu dire qu'il faisait plus de disciples et en baptisait plus que Jean -

King James Bible . John.4 [1] When therefore the Lord knew how the Pharisees had heard that Jesus made and baptized more disciples than John,
Luther-Bibel . 41Als nun Jesus erfuhr, dass den Pharisäern zu Ohren gekommen war, dass er mehr zu Jüngern machte und taufte als Johannes

Tekstuitleg van Joh 4,1 .

9.

farisaios Farizeeër) bijbel  N.T.  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
nom. + voc. mv. farizaioi 49 49 21 8 10 9 1   39  48 
Totaal   95  95  28  12  27  19  67  86 

farisaios (Farizeeër) Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven 
nom. + voc. mv. farisaioi 21 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (7) Mt 15,1 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (10) Mt 19,3 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (15) Mt 23,13 . (16) Mt 23,15 . (17) Mt 23,23 . (18) Mt 23,25 . (19) Mt 23,27 . (20) Mt 23,29 . (21) Mt 27,62 . 8 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 . 10 : (1) Lc 5,17 . (2) Lc 5,21 . (3) Lc 5,30 . (4) Lc 6,7 . (5) Lc 7,30 . (6) Lc 11,39 . (7) Lc 11,53 . (8) Lc 13,31 . (9) Lc 15,2 . (10) Lc 16,14 . 9 : (1) Joh 4,1 . (2) Joh 7,32 . (3) Joh 7,47 . (4) Joh 8,3 . (5) Joh 8,13 . (6) Joh 9,15 . (7) Joh 11,47 . (8) Joh 11,57 . (9) Joh 12,19 . 1 : Hnd 23,8 .  

8. - 9.

Totaal   95  95  28  12  27  19  67  86 

farisaios (Farizeeër) Mt  Mc Lc  Joh 
hoi (...) farisaioi 13 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (5) Mt 12,14 . (6) Mt 12,24 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (13) Mt 22,34 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 . 1 : (5) Mc 7,3 . 1 : (9) Lc 15,2 . 1 : (9) Joh 12,19 .   16
hoi farisaioi 9 : : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 9,14 . (5) Mt 12,14 . (8) Mt 15,12 . (9) Mt 16,1 . (11) Mt 21,45 . (12) Mt 22,15 . (14) Mt 23,2 . (21) Mt 27,62 . 2 : (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . 4 : (2) Lc 5,21 . (3) Lc 5,30 . (6) Lc 11,39 . (10) Lc 16,14 . 7 : (1) Joh 4,1 . (2) Joh 7,32 . (3) Joh 7,47 . (5) Joh 8,13 . (6) Joh 9,15 . (7) Joh 11,47 . (8) Joh 11,57 .   22
kai hoi farisaioi 5 : : (3) Mt 9,34 . (4) Mt 12,2 . (6) Mt 12,24 . (13) Mt 22,34 . (21) Mt 27,62 . 3 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (4) Mc 7,1 . 3 : (2) Lc 5,21 .  (4) Lc 6,7 . (7) Lc 11,53 . 2 : (4) Joh 8,3 .  (6) Joh 9,15 .   13 

16. βαπτιζω = baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in de LXX : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .

18.

Iôannès (Johannes)   ev.  Mt Mt (de doper) Mt (apostel) Mc Mc (de doper) Mc (apostel) Lc Lc (de doper) Lc (apostel) Joh Joh (de doper) Joh (apostel)
nom. mann. enk. Iôannès  39  10  9 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,4 . (3) Mt 3,14 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 11,2 . (6) Mt 11,18 . (7) Mt 14,2 . (8) Mt 14,4 . (9) Mt 21,32 . (1) Mt 10,2 . 4 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,18 . 3 : (1) Mc 9,38 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 13,3 . 10  8 : (1) Lc 1,60 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 7,20 . (6) Lc 7,33 . (7) Lc 9,7 . (8) Lc 11,1 . 2 : (1) Lc 9,49 . (2) Lc 9,54 . 12  12 : (1) Joh 1,6 . (2) Joh 1,15 . (3) Joh 1,26 . (4) Joh 1,28 . (5) Joh 1,32 . (6) Joh 1,35 . (7) Joh 3,23 . (8) Joh 3,24 . (9) Joh 3,27 . (10) Joh 4,1 . (11) Joh 10,40 . (12) Joh 10,41  
totaal 103  26  23  3 25  15  10 30  23  22  18 

- Dopen is zich bekennen tot de messiaanse beweging . De Eerdere Profeten vertellen een eenheidsgeschiedenis . Jozua : God bevrijdt . Hij zal zijn volk binnenleiden in het land van belofte . Dankzij Miriam overleeft de thora . Jozef , zoon van Jakob , het noorden . Hoe is het zover kunnen komen : van landname tot ballingschap . 1-2 Kr. is een soort remake , maar toegespitst op het Zuidrijk . De band met het Noordrijk werd losgelaten . De profeet uit het Noorden werd een profeet van het Zuiden . De twee landdelen vielen uit elkaar (einde 6de eeuw - ) . De mensen uit het Z. beschouwen ze als bastaards . Juda en J. onder het provinciebestuur van Samaria ; 423 : Nehemia brengt verandering , los van Samaria . Einde in 108 v. chr. Johannes Hyrcanus : verwoesting van Samaria . In de plaats ervan kwam de stad Sebaste . Sichem en het centrale heiligdom op de Gerizim : volledig verwoest . Om de stad herop te bouwen onder Pontius Pilatus , werd verijdeld . De wederzijdse haat heeft oeroude wortels . Hasmoneeën opvolgers van de Makkabeeën . Tegen die Hasmonese dynastie ontstonden de perishim (Farizeeën) . Van Z. naar N. staken ze de Jordaan over ... In 52 v. Chr. hadden S. pelgrims naar J. vermoord . Zeloten staken S. dorpen in brand . Sichar ligt zeer dicht bij Gerizim ; Neapolis (Nablous) .


Joh 4,2 - Joh 4,2 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
2 καίτοιγε Ἰησοῦς αὐτὸς οὐκ ἐβάπτιζεν, ἀλλ' οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ - 2 quamquam Iesus non baptizaret sed discipuli eius     2 (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), [2] – Eigenlijk doopte Jezus niet zelf, maar zijn leerlingen. – [2] – Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, 4:2 hoewel Jezus niet heeft gedoopt: zijn leerlingen zijn dat gaan doen,- 2. bien qu'à vrai dire Jésus lui-même ne baptisât pas, mais ses disciples -,

King James Bible . [2] (Though Jesus himself baptized not, but his disciples,)
Luther-Bibel . 2– obwohl Jesus nicht selber taufte, sondern seine Jünger –,

Tekstuitleg van Joh 4,2 .

Joh 4,3 - Joh 4,3 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
3 ἀφῆκε τὴν Ἰουδαίαν καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 3 reliquit Iudaeam et abiit iterum in Galilaeam     3 Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea. [3] Daarom verliet Hij Judea en vertrok Hij weer naar Galilea. [3] verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. 4:3 laat hij Judea los en gaat hij weg, weer naar Galilea. 3. il quitta la Judée et s'en retourna en Galilée.

King James Bible . [3] He left Judaea, and departed again into Galilee.
Luther-Bibel . 3verließ er Judäa und ging wieder nach Galiläa.

Tekstuitleg van Joh 4,3 . Het vers Joh 4,3 telt 9 (3²) woorden en 45 (3² X 5) letters . De getalwaarde van Joh 4,3 is 2482 (2 X 17 X 73) .

Joh 4,3.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. αφηκεν = afèken (hij liet achter) van het werkw. αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (aflaten, achterlaten) . Bijbel (40) . OT (19) . NT (21) : (1) Mt 8,15 . (2) Mt 18,27 . (3) Mt 19,29 . (4) Mt 22,25 . (5) Mt 27,50 . (6) Mc 1,31 . (7) Mc 5,19 . (8) Mc 5,37 . (9) Mc 10,29 . (10) Mc 12,20 . (11) Mc 12,21 . (12) Lc 4,39 . (13) Lc 8,51 . (14) Lc 12,39 . (15) Lc 18,29 . (16) Joh 4,3 . (17) Joh 4,28 . (18) Joh 4,52 . (19) Joh 8,29 . (20) Hnd 14,17 . (21) Heb 2,8 . Een vorm van αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) in de LXX (138) , in het NT (142) , in Lc (31) .

Joh 4,3.3. acc. vr. enk. ιουδαιαν = ioudaian van het zelfst. naamw. ιουδαια = ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in de LXX : ioudaia (Judea) . Joh (4) : (1) Joh 3,22 . (2) Joh 4,3 . (3) Joh 7,3 . (4) Joh 11,7 .
- εις την ιουδαιαν = eis tèn ioudaian (naar Judea) . NT (5) : (1) Lc 2,4 . (2) Joh 3,22 . (3) Joh 7,3 . (4) Joh 11,7 . (5) 2 Kor 1,16 .
- εk της ιουδαιας = ek tès ioudaias (uit Judea) . Joh (2) : (1) Joh 4,47 . (2) Joh 4,54 .
- εν τῃ ιουδαιᾳ = en tè(i) ioudaia(i) (in Judea) . Joh 5 (1) : Joh 7,1 .
- Van Joh 3,22 tot Joh 4,3 is Jezus in Judea . Het gaat er over het doopsel en de aansluitende rede .

  ioudaia (Judea)  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3.   acc. vr. enk. ioudaian   29  21         
  totaal 145  98  47  10  14    22  29   

Joh 4,3.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) van het werkw. απερχομαι = aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in de LXX : aperchomai (weggaan) . Joh (10) : (1) Joh 4,3 . (2) Joh 4,28 . (3) Joh 4,47 . (4) Joh 5,15 . (5) Joh 6,1 . (6) Joh 9,7 . (7) Joh 10,40 . (8) Joh 11,28 . (9) Joh 11,54. (10) Joh 12,19 . Een vorm van απερχομαι = aperchomai in de LXX (229) , in het NT (116) , in Joh (21) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. 
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen   112  73  39  10    23  33   

Joh 4,3.6. παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Joh (45) . Joh (4) : (1) Joh 4,3 . (2) Joh 4,28 . (3) Joh 4,52 . (4) Joh 8,29 .

palin (opnieuw)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
palin (opnieuw)  206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     31 1 6 1 8 3 12   8 16

palin (opnieuw)  Joh 1 Joh 2 Joh 3 Joh 4 Joh 5 Joh 6 Joh 7 Joh 8 Joh 9 Joh 10 Joh 11 Joh 12 Joh 13 Joh 14 Joh 15 Joh 16 Joh 17 Joh 18 Joh 19 Joh 20 Joh 21
45             

Joh 4,3.6. - 7. παλιν εις = palin eis (opnieuw naar) . NT (8) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 5,21 . (3) Mc 8,13 . (4) Mc 11,27 . (5) Joh 4,3 . (6) Joh 4,46 . (7) Joh 6,15 . (8) Rom 8,15 .

Joh 4,3.9. vr. enk. = galilaian (Galilea) van het zelfst. naamw. galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) .

Galilaia (Galilea)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)   20  13           
gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès 40  36  10      25  33     
acc. vr. enk. Galilaian   25  8 17        11  17     
totaal  85  25  60  16  12  13  16      41  57     

Galilaia (Galilea)  syn.    Mt Mc Lc Joh syn.  
nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)     3 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 17,22 . 1 : Mc 15,41 . 1 : Lc 24,6 . 2 : (1) Joh 7,1 . (2) Joh 7,9 . (1) Mt 4,23 // Mc 1,39
gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès 25    8 : (1) Mt 2,22 . (2) Mt 3,13 . (3) Mt 4,18 . (4) Mt 4,25 . (5) Mt 15,29 . (6) Mt 19,1 . (7) Mt 21,11 . (8) Mt 27,55 . 7 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,31 . (7) Mc 9,30 . 10 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . 8 : (1) Joh 2,1 . (2) Joh 2,11 . (3) Joh 4,46 . (4) Joh 6,1 . (5) Joh 7,41 . (6) Joh 7,52 . (7) Joh 12,21 . (8) Joh 21,2 . 5 : (1) Mt 3,13 //  Mc 1,9 . (2) Mt 4,18 // Mc 1,16 . (3) Mt 4,25 // Mc 3,7 . (4) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 27,55 // Mc 15,41 // Lc 23,49 .
acc. vr. enk. Galilaian   11    5 : (1) Mt 4,12 . (2) Mt 26,32 . (3) Mt 28,7 . (4) Mt 28,10 . (5) Mt 28,16 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 14,28 . (4) Mc 16,7 . 2 : (1) Lc 2,39 . (2) Lc 4,14 6 : (1) Joh 1,43 . (2) Joh 4,3 . (3) Joh 4,43 . (4) Joh 4,45 . (5) Joh 4,47 . (6) Joh 4,54 . 3 : (1) Mt 4,12 // Mc 1,14 // Lc 4,14 .  (2) Mt 26,32 // Mc 14,28 . (3) Mt 28,7 // Mc 16,7 .
totaal  41    16  12  13  16 9 (20)  

Joh 4,3.7. - 9. εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . Joh (6) : (1) Joh 1,43 . (2) Joh 4,3 . (3) Joh 4,43 . (4) Joh 4,45 . (5) Joh 4,47 . (6) Joh 4,54 .

1. 1ste maal : Jezus van Judea naar Galilea 2. 2de maal : Jezus van Judea naar Galilea 3. 4. 5.   6.
Joh 1,43 Joh 4,3 Joh 4,43 Joh 4,45 Joh 4,47 Joh 4,46 Joh 4,54
Tèi epaurion ('s anderendaags)   Meta de tas duo hèmeras (na echter twee dagen) hote oun (toen hij dus) hoti (dat)    
  afèken (hij liet achter)     Ièsous èkei (Jezus kwam) èlthen oun (hij ging dus) ho Ièsous elthôn (Jezus gekomen)
  tèn Ioudaian (Judea)     ek tès Ioudaias (uit Judea)    ek tès Ioudaias (uit Judea) 
  kai (en)          
èthelèsen exelthein (wilde hij uitgaan / weggaan) apèlthen (hij ging weg) exèlthen (ging hij uit) èlthen (ging)      
eis tèn Galilaian (naar Galilea) palin eis tèn Galilaian (opnieuw naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea) palin eis tèn Kana tès Galilaias (opnieuw naar het Kana van Galilea) eis tèn Galilaian (naar Galilea)
Jezus roept Filippus en Natanaël : Joh 1,43-51 - Joh 1,43-51 - Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 - Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 - Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45 - Joh 4,1-45 - Genezing van de zoon van een dienaar van de koning : Joh 4,46-54 - Joh 4,46-54 -   Genezing van de zoon van een dienaar van de koning : Joh 4,46-54 - Joh 4,46-54 -

Joh 4,4 - Joh 4,4 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
4 Ἔδει δὲ αὐτὸν διέρχεσθαι διὰ τῆς Σαμαρείας. 4 oportebat autem eum transire per Samariam     4 En Hij moest door Samaria gaan. [4] Hiervoor moest Hij door Samaria. [4] Daarvoor moest hij door Samaria heen. 4:4 Hij moest wel door Samaria komen. 4. Or il lui fallait traverser la Samarie.

King James Bible . [4] And he must needs go through Samaria.
Luther-Bibel . 4Er musste aber durch Samarien reisen.

Tekstuitleg van Joh 4,4 . De bijbelse context , de toenmalige context en onze eigen context . De plaats Sichar roept een incident van Gn op : een geschenk dat vader Jacob (Israël) geeft aan zijn zoon Jozef (Samaria) : Gn 48,2 .

Joh 4,4.1. edei (het moest) . Taalgebruik : deô (moeten) , zie Mt 16,21 . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zes verzen in het OT . In zestien verzen in het NT : (1) Mt 18,33 . (2) Mt 23,23 . (3) Mt 25,27 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 13,16 . (6) Lc 15,32 . (7) Lc 22,7 . (8) Lc 24,26 . (9) Joh 4,4 . (10) Hnd 1,16 . (11) Hnd 17,3 . (12) Hnd 24,19 . (13) Hnd 27,21 . (14) Rom 1,27 . (15) 2 Cor 2,3 . (16) Heb 9,26 .

Joh 4,4.7. gen. vr. enk. σαμαρειας = samareias (van Samaria) van het zelfst. naamw. σαμαρεια = samareia (Samaria) . Taalgebruik in het NT : samareia (Samaria) . Taalgebruik in de LXX : samareia (Samaria) . Bijbel (44) . OT (36) . NT (8) : (1) Lc 17,11 . (2) Joh 4,4 . (3) Joh 4,5 . (4) Joh 4,7 . (5) Hnd 8,1 . (6) Hnd 8,5 . (7) Hnd 8,9 . (8) Hnd 9,31 .


Joh 4,5 - Joh 4,5 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
5 ἔρχεται οὖν εἰς πόλιν τῆς Σαμαρείας λεγομένην Συχὰρ, πλησίον τοῦ χωρίου ὃ ἔδωκεν Ἰακὼβ Ἰωσὴφ τῷ υἱῷ αὐτοῦ. 5 venit ergo in civitatem Samariae quae dicitur Sychar iuxta praedium quod dedit Iacob Ioseph filio suo     5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf. [5] Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond* dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, [5] Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, 4:5 Zo komt hij aan bij een stad van Samaria die Sichar heet,- naast het gebied dat Jakob aan zijn zoon Jozef heeft gegeven. 5. Il arrive donc à une ville de Samarie appelée Sychar, près de la terre que Jacob avait donnée à son fils Joseph.

King James Bible . [5] Then cometh he to a city of Samaria, which is called Sychar, near to the parcel of ground that Jacob gave to his son Joseph.
Luther-Bibel . 5Da kam er in eine Stadt Samariens, die heißt Sychar, nahe bei dem Feld, das Jakob seinem Sohn Josef gab.

Tekstuitleg van Joh 4,5 .

Joh 4,5.6. gen. vr. enk. σαμαρειας = samareias (van Samaria) van het zelfst. naamw. σαμαρεια = samareia (Samaria) . Taalgebruik in het NT : samareia (Samaria) . Taalgebruik in de LXX : samareia (Samaria) . Bijbel (44) . OT (36) . NT (8) : (1) Lc 17,11 . (2) Joh 4,4 . (3) Joh 4,5 . (4) Joh 4,7 . (5) Hnd 8,1 . (6) Hnd 8,5 . (7) Hnd 8,9 . (8) Hnd 9,31 .

Joh 4,5.11. chôrion (plaats, plek, landgoed) . Taalgebruik in de Bijbel : chôrion (plaats, plek, landgoed) . Bijbel (6) . OT (1) . NT (5) : (1) Mt 26,36 . (2) Mc 14,32 . (3) Hnd 1,18 . (4) Hnd 1,19 . (5) Hnd 5,8 . Een vorm van chôrion (plaats, plek, landgoed) in de LXX (6) , in het NT (10) . Hnd (7) : (1) Hnd 1,18 . (2) Hnd 1,19 . (3) Hnd 4,34 . (4) Hnd 5,3 . (5) Hnd 5,8 . (6) Hnd 28,7 .
- gen. onz. enk. chôriou . Bijbel (3) : (1) 2 Mak 12, 7 . (2) Joh 4,5 . (3) Hnd 5,3 .

- Hebr. kèrèm (landgoed, wijngaard) . Taalgebruik in Tenakh : kèrèm (landgoed, wijngaard) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 ( 4 X 11) OF 260 ( 2² X 5 X 13 OF 10 X 26) . Structuur : 2 - 2 - 4 . Som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (20) . Pentateuch (4) . Eerdere Profeten (7) . Latere Profeten (4) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (4) . Aramees : chäqal (veld) . Arabisch : chaql .


Joh 4,6 - Joh 4,6 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
6 ἦν δὲ ἐκεῖ πηγὴ τοῦ Ἰακώβ. ὁ οὖν Ἰησοῦς κεκοπιακὼς ἐκ τῆς ὁδοιπορίας ἐκαθέζετο οὕτως ἐπὶ τῇ πηγῇ· ὥρα ἦν ὡσεὶ ἕκτη. 6 erat autem ibi fons Iacob Iesus ergo fatigatus ex itinere sedebat sic super fontem hora erat quasi sexta     6 En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure. [6] en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde* uur. [6] waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. 4:6 Daar is de bron van Jakob; welnu, vermoeid van het lopen, zo is Jezus bij die bron gaan zitten; het is ongeveer het zesde uur. 6. Là se trouvait le puits de Jacob. Jésus, fatigué par la marche, se tenait donc assis près du puits. C'était environ la sixième heure.

King James Bible . [6] Now Jacob's well was there. Jesus therefore, being wearied with his journey, sat thus on the well: and it was about the sixth hour.
Luther-Bibel . 6Es war aber dort Jakobs Brunnen. Weil nun Jesus müde war von der Reise, setzte er sich am Brunnen nieder; es war um die sechste Stunde.

Tekstuitleg van Joh 4,6 .

3. ekei (hier, daar) . Taalgebruik in het NT : ekei (daar) . Taalgebruik in de LXX : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Lat. ibi . Ned. hier . Fr. ici . Joh (22) : (1) Joh 2,1 . (2) Joh 2,6 . (3) Joh 2,12 . (4) Joh 3,22 . (5) Joh 3,23 . (6) Joh 4,6 . (7) Joh 4,40 . (8) Joh 5,5 . (9) Joh 6,3 . (10) Joh 6,22 . (11) Joh 6,24 . (12) Joh 10,40 . (13) Joh 10,42 . (14) Joh 11,8 . (15) Joh 11,15 . (16) Joh 11,31 . (17) Joh 12,2 . (18) Joh 12,9 . (19) Joh 12,26 . (20) Joh 18,2 . (21) Joh 18,3 . (22) Joh 19,42 . Hebr. sj-m . sjâm (daar) OF sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 .

ekei (hier)  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  753  659  94  28  11  16  22  45  77     

1. - 3. ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) . Bijbel (5) . OT (1) : Gn 41,12 . NT (4) : (1) Mt 27,61 . (2) Mc 5,11 . (3) Lc 8,32 . (4) Joh 4,6 .

15. houtôs (zo, op zo'n wijze). In 14 verzen bij Johannes, zie Joh 3,16 : (1) Joh 3,8 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 3,16 (houtôs... hôste : zo... dat). (4) Joh 4,6 . (5) Joh 5,21 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (6) Joh 5,26 (hôsper... houtôs : zoals... zo) . (7) Joh 7,46 . (8) Joh 11,48 . (9) Joh 12,50 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . . (10) Joh 13,25 . (11) Joh 14,31 (12) Joh 15,4 kathôs (zoals) .... houtôs (zo) . (13) Joh 18,22 . (14) Joh 21,1 .

19. nom. + dat. vr. enk. hôra(i)  van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in de LXX : hôra (uur) . Joh (19) : (1) Joh 1,39 . (2) Joh 2,4 . (3) Joh 4,6 . (4) Joh 4,21 . (5) Joh 4,23 . (6) Joh 4,53 . (7) Joh 5,25 . (8) Joh 5,28 . (9) Joh 7,30 . (10) Joh 8,20 . (11) Joh 12,23 . (12) Joh 13,1 . (13) Joh 16,2 . (14) Joh 16,4 . (15) Joh 16,21 . (16) Joh 16,25 . (17) Joh 16,32 . (18) Joh 17,1 . (19) Joh 19,14 .

  hôra (uur)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + dat. vr. enk. hôra(i)   76  16  60  15  19  29  48 

Joh 4,7 - Joh 4,7 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
7 ἔρχεται γυνὴ ἐκ τῆς Σαμαρείας ἀντλῆσαι ὕδωρ. λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Δός μοι πεῖν. 7 venit mulier de Samaria haurire aquam dicit ei Iesus da mihi bibere     7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. [7] Een* Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: 'Geef Mij wat te drinken.' [7] Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: 'Geef mij wat te drinken.' 4:7 Er komt een vrouw, uit Samaria, om water te scheppen; Jezus zegt tot haar: geef mij wat te drinken!- 7. Une femme de Samarie vient pour puiser de l'eau. Jésus lui dit : « Donne-moi à boire. »

King James Bible . [7] There cometh a woman of Samaria to draw water: Jesus saith unto her, Give me to drink.
Luther-Bibel . 7Da kommt eine Frau aus Samarien, um Wasser zu schöpfen. Jesus spricht zu ihr: Gib mir zu trinken!

Tekstuitleg van Joh 4,7 .

5. gen. vr. enk. σαμαρειας = samareias (van Samaria) van het zelfst. naamw. σαμαρεια = samareia (Samaria) . Taalgebruik in het NT : samareia (Samaria) . Taalgebruik in de LXX : samareia (Samaria) . Bijbel (44) . OT (36) . NT (8) : (1) Lc 17,11 . (2) Joh 4,4 . (3) Joh 4,5 . (4) Joh 4,7 . (5) Hnd 8,1 . (6) Hnd 8,5 . (7) Hnd 8,9 . (8) Hnd 9,31 .

7. nom. + acc. onz. enk. hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in de LXX : hudôr (water) . Joh (10) : (1) Joh 2,9 . (2) Joh 4,7 . (3) Joh 4,10 . (4) Joh 4,11 . (5) Joh 4,14 . (6) Joh 4,15 . (7) Joh 4,46 . (8) Joh 5,7 . (9) Joh 13,5 . (10) Joh 19,34 . Lat. : aqua . Fr. : eau . E. water . D. Wasser . Hebr. majim (water) . Taalgebruik in Tenakh : majim (water) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , jod = 10 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 1 - 4 . Tenakh (254) . Pentateuch (53) . Eerdere Profeten (46) . Latere Profeten (72) . 12 Kleine Profeten (15) . Geschriften (68) .

Joh 4,7.12. act. imperat. 2de pers. mann. enk. תֵן / תֶן = then / thèn van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalswaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (12) : (1) Gn 14,21 . (2) 2 K 4,42 . (3) 2 K 4,43 . (4) Jr 18,21 . (5) Hos 9,14 . (6) Ps 28,4 . (7) Ps 72,1 . (8) Ps 115,1 . (9) Spr 9,9 . (10) Pr 11,2 . (11) 1 Kr 29,19 . (12) 2 Kr 1,10 .
- act. imperat. perf. 2de pers. mann. mv. תְנוּ = thënû (geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 50 of 500 . Structuur : 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (23) : (1) Gn 23,4 . (2) Gn 34,8 . (3) Ex 7,9 . (4) Ex 17,2 . (5) Joz 20,2 . (6) Re 8,5 . (7) Re 20,13 . (8) 1 S 11,12 . (9) 1 S 17,10 . (10) 2 S 20,21 . (11) 1 K 3,26 . (12) 1 K 3,27 . (13) Jr 13,16 . (14) Jr 22,3 . (15) Jr 29,6 . (16) Jr 48,9 . (17) Ps 68,35 . (18) Spr 31,6 . (19) Spr 31,31 . (20) Ezr 10,11 . (21) 2 Kr 22,19 . (22) 2 Kr 30,8 . (23) 2 Kr 35,3 .
- Grieks . act. imperat. aor. 2de pers. mv. δοτε = dote (geeft) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . NT (14) : (1) Mt 10,8 . (2) Mt 14,16 . (3) Mt 25,8 . (4) Mt 25,28 . (5) Mc 6,37 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 11,41 . (8) Lc 12,33 . (9) Lc 15,22 . (10) Lc 19,24 . (11) Hnd 8,19 . (12) Rom 12,19 . (13) Apk 14,7 . (14) Apk 18,7 . Een vorm van διδωμι = didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken .
- act. imperat. aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Bijbel (89) . OT (73) . NT (16) . (1) Mt 5,42 . (2) Mt 6,11 . (3) Mt 14,8 . (4) Mt 17,27 . (5) Mt 19,21 . (6) Mc 10,21 . (7) Mc 10,37 . (8) Lc 12,58 . (9) Lc 14,9 . (10) Lc 15,12 . (11) Joh 4,7 . (12) Joh 4,10 . (13) Joh 4,15 . (14) Joh 6,34 . (15) Joh 9,24 . (16) Hnd 4,29 .

  didômi (geven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos   89  73  16  2     10  15     
  act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote  50  36  14    10  10   
  Totaal   2131 416 56 39  60 76 35 72 + 4 58 155 231 76 16

- Ned. : geven . D. : geben . E. : to give . Fr. : donner - don : geven - gave . Grieks : διδωμι = didômi (geven) . Hebreeuws : נָתַן = nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenakh : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum .
- Een profeet wil attent maken waarop het aankomt , op de goddelijke grondwet , op de thorah waarin de woorden van God neergeschreven staan . Eén wet ervan is de hongerigen spijzen .


Joh 4,8 - Joh 4,8 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
8 οἱ γὰρ μαθηταὶ αὐτοῦ ἀπεληλύθεισαν εἰς τὴν πόλιν, ἵνα τροφὰς ἀγοράσωσι. 8 discipuli enim eius abierant in civitatem ut cibos emerent     8 (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.) [8] Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. [8] Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. 4:8 want zijn leerlingen zijn weggegaan, de stad in, om etenswaren te kopen. 8. Ses disciples en effet s'en étaient allés à la ville pour acheter de quoi manger.

King James Bible . [8] (For his disciples were gone away unto the city to buy meat.)
Luther-Bibel . 8Denn seine Jünger waren in die Stadt gegangen, um Essen zu kaufen.

Tekstuitleg van Joh 4,8 .

11. act. conjunct. aor. 3de pers. mv. = agorasôsin (dat zij zouden kopen) van het werkwoord αγοραζω = agorazô (kopen) . Taalgebruik in het NT : agorazô (kopen) . Taalgebruik in de LXX : agorazô (kopen) . Website(s) : http://logophile.no-ip.org/logophile/page194/page196/page4/files/agorazo0302-0028acheter0029.pdf . Bijbel (3) : (1) Mt 14,15 . (2) Mc 6,36 . (3) Joh 4,8 .

Joh 4,9 - Joh 4,9 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
9 λέγει οὖν αὐτῷ ἡ γυνὴ ἡ Σαμαρεῖτις· Πῶς σὺ Ἰουδαῖος ὢν παρ' ἐμοῦ πεῖν αἰτεῖς, οὔσης γυναικὸς Σαμαρείτιδος ; οὐ γὰρ συγχρῶνται Ἰουδαῖοι Σαμαρείταις. 9 dicit ergo ei mulier illa samaritana quomodo tu Iudaeus cum sis bibere a me poscis quae sum mulier samaritana non enim coutuntur Iudaei Samaritanis     9 Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. [9] De Samaritaanse vrouw antwoordde: 'Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?' Joden* willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. [9] De vrouw antwoordde: 'Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!' Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. 4:9 Dan zegt de vrouw, die Samaritaanse, tot hem: hoe kunt u, die een Judeeër bent, van mij iets te drinken vragen!- ik ben een vrouw en nog wel een Samaritaanse! Judeeërs gebruiken immers niets samen met Samaritanen! 9. La femme samaritaine lui dit : « Comment ! toi qui es Juif, tu me demandes à boire à moi qui suis une femme samaritaine ? » Les Juifs en effet n'ont pas de relations avec les Samaritains.

King James Bible . [9] Then saith the woman of Samaria unto him, How is it that thou, being a Jew, askest drink of me, which am a woman of Samaria? for the Jews have no dealings with the Samaritans.
Luther-Bibel . 9Da spricht die samaritische Frau zu ihm: Wie, du bittest mich um etwas zu trinken, der du ein Jude bist und ich eine samaritische Frau? Denn die Juden haben keine Gemeinschaft mit den Samaritern. –

Tekstuitleg van Joh 4,9 .

Joh 4,10 - Joh 4,10 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
10 ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῇ· Εἰ ᾔδεις τὴν δωρεὰν τοῦ Θεοῦ καὶ τίς ἐστιν ὁ λέγων σοι, δός μοι πεῖν, σὺ ἂν ᾔτησας αὐτὸν, καὶ ἔδωκεν ἄν σοι ὕδωρ ζῶν. 10 respondit Iesus et dixit ei si scires donum Dei et quis est qui dicit tibi da mihi bibere tu forsitan petisses ab eo et dedisset tibi aquam vivam     10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben. [10] Jezus hernam: 'Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend* water gegeven.' [10] Jezus zei tegen haar: 'Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.' 4:10 Jezus antwoordt en zegt tot haar: als u wist wat God gaat geven en wie het is die tot u zegt 'geef mij te drinken!', dan zou ú het hém vragen en zou hij het u gegeven hebben: levend water! 10. Jésus lui répondit : « Si tu savais le don de Dieu et qui est celui qui te dit : Donne-moi à boire, c'est toi qui l'aurais prié et il t'aurait donné de l'eau vive. »

King James Bible . [10] Jesus answered and said unto her, If thou knewest the gift of God, and who it is that saith to thee, Give me to drink; thou wouldest have asked of him, and he would have given thee living water.
Luther-Bibel . 10Jesus antwortete und sprach zu ihr: Wenn du erkenntest die Gabe Gottes und wer der ist, der zu dir sagt: Gib mir zu trinken!, du bätest ihn und er gäbe dir lebendiges Wasser.

Tekstuitleg van Joh 4,10 .

Joh 4,11 - Joh 4,11 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
11 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Κύριε, οὔτε ἄντλημα ἔχεις, καὶ τὸ φρέαρ ἐστὶ βαθύ· πόθεν οὖν ἔχεις τὸ ὕδωρ τὸ ζῶν; 11 dicit ei mulier Domine neque in quo haurias habes et puteus altus est unde ergo habes aquam vivam     11 De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water? [11] 'Maar heer,' zei de vrouw, 'U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? [11] 'Maar heer,' zei de vrouw, 'u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? 4:11 Zij zegt tot hem: heer, een schepbak hebt u niet en de put is diep,- waar hebt u het dan vandaan, dat levende water?- 11. Elle lui dit : « Seigneur, tu n'as rien pour puiser, et le puits est profond. D'où l'as-tu donc, l'eau vive ?

King James Bible . [11] The woman saith unto him, Sir, thou hast nothing to draw with, and the well is deep: from whence then hast thou that living water?
Luther-Bibel . 11Spricht zu ihm die Frau: Herr, hast du doch nichts, womit du schöpfen könntest, und der Brunnen ist tief; woher hast du dann lebendiges Wasser?

Tekstuitleg van Joh 4,11 .

Joh 4,12 - Joh 4,12 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
12 μὴ σὺ μείζων εἶ τοῦ πατρὸς ἡμῶν Ἰακώβ, ὃς ἔδωκεν ἡμῖν τὸ φρέαρ, καὶ αὐτὸς ἐξ αὐτοῦ ἔπιε καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ καὶ τὰ θρέμματα αὐτοῦ; 12 numquid tu maior es patre nostro Iacob qui dedit nobis puteum et ipse ex eo bibit et filii eius et pecora eius     12 Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee? [12] Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?' [12] U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.' 4:12 u bent toch niet groter dan onze vader Jakob die ons de put gegeven heeft en er zelf uit heeft gedronken, en zijn zonen en zijn fokvee óók?! 12. Serais-tu plus grand que notre père Jacob, qui nous a donné ce puits et y a bu lui-même, ainsi que ses fils et ses bêtes ? »

King James Bible . [12] Art thou greater than our father Jacob, which gave us the well, and drank thereof himself, and his children, and his cattle?
Luther-Bibel . 12Bist du mehr als unser Vater Jakob, der uns diesen Brunnen gegeben hat? Und er hat daraus getrunken und seine Kinder und sein Vieh.

Tekstuitleg van Joh 4,12 .

Joh 4,13 - Joh 4,13 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
13 ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῇ· Πᾶς ὁ πίνων ἐκ τοῦ ὕδατος τούτου διψήσει πάλιν· 13 respondit Iesus et dixit ei omnis qui bibit ex aqua hac sitiet iterum qui autem biberit ex aqua quam ego dabo ei non sitiet in aeternum     13 Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; [13] Jezus antwoordde: 'Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, [13] 'Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,' zei Jezus, 4:13 Jezus antwoordt en zegt tot haar: al wie drinkt van dit water krijgt wéér dorst; 13. Jésus lui répondit : « Quiconque boit de cette eau aura soif à nouveau ;

King James Bible . [13] Jesus answered and said unto her, Whosoever drinketh of this water shall thirst again:
Luther-Bibel . 13Jesus antwortete und sprach zu ihr: Wer von diesem Wasser trinkt, den wird wieder dürsten;

Tekstuitleg van Joh 4,13 .

Joh 4,14 - Joh 4,14 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
14 ὃς δ' ἂν πίῃ ἐκ τοῦ ὕδατος οὗ ἐγὼ δώσω αὐτῷ, οὐ μὴ διψήσει εἰς τὸν αἰῶνα, ἀλλὰ τὸ ὕδωρ ὃ δώσω αὐτῷ, γενήσεται ἐν αὐτῷ πηγὴ ὕδατος ἁλλομένου εἰς ζωὴν αἰώνιον. 14 sed aqua quam dabo ei fiet in eo fons aquae salientis in vitam aeternam     14 Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. [14] maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.' [14] 'maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.' 4:14 wie zal drinken van het water dat ik hem zal geven krijgt geen dorst meer tot in eeuwigheid,- nee, het water dat ik hem zal geven zal in hem worden een bron van water dat opwelt tot eeuwigheidsleven! 14. mais qui boira de l'eau que je lui donnerai n'aura plus jamais soif ; l'eau que je lui donnerai deviendra en lui source d'eau jaillissant en vie éternelle. »

King James Bible . [14] But whosoever drinketh of the water that I shall give him shall never thirst; but the water that I shall give him shall be in him a well of water springing up into everlasting life.
Luther-Bibel . 14wer aber von dem Wasser trinken wird, das ich ihm gebe, den wird in Ewigkeit nicht dürsten, sondern das Wasser, das ich ihm geben werde, das wird in ihm eine Quelle des Wassers werden, das in das ewige Leben quillt.

Tekstuitleg van Joh 4,14 .

Joh 4,15 - Joh 4,15 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
15 λέγει πρὸς αὐτὸν ἡ γυνή· Κύριε, δός μοι τοῦτο τὸ ὕδωρ, ἵνα μὴ διψῶ μηδὲ ἔρχομαι ἐνθάδε ἀντλεῖν. 15 dicit ad eum mulier Domine da mihi hanc aquam ut non sitiam neque veniam huc haurire     15 De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. [15] 'Heer,' zei de vrouw, 'geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.' [15] 'Geef mij dat water, heer,' zei de vrouw, 'dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.' 4:15 De vrouw zegt tot hem: heer, geef mij dat water,- dat ik geen dorst meer krijg en niet hierheen hoef te komen om te scheppen! 15. La femme lui dit : « Seigneur, donne-moi cette eau, afin que je n'aie plus soif et ne vienne plus ici pour puiser. »

King James Bible . [15] The woman saith unto him, Sir, give me this water, that I thirst not, neither come hither to draw.
Luther-Bibel . 15Spricht die Frau zu ihm: Herr, gib mir solches Wasser, damit mich nicht dürstet und ich nicht herkommen muss, um zu schöpfen!

Tekstuitleg van Joh 4,15 .

Joh 4,16 - Joh 4,16 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
16 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Ὕπαγε φώνησον τὸν ἄνδρα σου καὶ ἐλθὲ ἐνθάδε. 16 dicit ei Iesus vade voca virum tuum et veni huc     16 Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier. [16] Daarop zei Jezus: 'Ga uw man roepen en kom hier terug.' [16] Toen zei Jezus tegen haar: 'Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.' 4:16 Hij zegt tot haar: ga, roep uw man en kom hierheen! 16. Il lui dit : « Va, appelle ton mari et reviens ici. »

King James Bible . [16] Jesus saith unto her, Go, call thy husband, and come hither.
Luther-Bibel . 16Jesus spricht zu ihr: Geh hin, ruf deinen Mann und komm wieder her!

Tekstuitleg van Joh 4,16 .

Joh 4,17 - Joh 4,17 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
17 ἀπεκρίθη ἡ γυνὴ καὶ εἶπεν· Οὐκ ἔχω ἄνδρα. λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Καλῶς εἶπας ὅτι ἄνδρα οὐκ ἔχω· 17 respondit mulier et dixit non habeo virum dicit ei Iesus bene dixisti quia non habeo virum     17. De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. [17] 'Ik heb geen man', antwoordde de vrouw. 'Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,' zei Jezus. [17] 'Ik heb geen man,' zei de vrouw. 'U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,' zei Jezus, 4:17 De vrouw antwoordt en zegt: ik heb geen man! Jezus zegt tot haar: dat zegt u fraai, 'ik heb geen man', 17. La femme lui répondit : « Je n'ai pas de mari. » Jésus lui dit : « Tu as bien fait de dire : «Je n'ai pas de mari»,

King James Bible . [17] The woman answered and said, I have no husband. Jesus said unto her, Thou hast well said, I have no husband:
Luther-Bibel . 17Die Frau antwortete und sprach zu ihm: Ich habe keinen Mann. Jesus spricht zu ihr: Du hast recht geantwortet: Ich habe keinen Mann.

Tekstuitleg van Joh 4,17 .

Joh 4,18 - Joh 4,18 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
18 πέντε γὰρ ἄνδρας ἔσχες, καὶ νῦν ὃν ἔχεις οὐκ ἔστι σου ἀνήρ· τοῦτο ἀληθὲς εἴρηκας. 18 quinque enim viros habuisti et nunc quem habes non est tuus vir hoc vere dixisti     18 Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd. [18] 'Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.' [18] 'u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.' 4:18 want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet; het is waar wat u hebt gezegd! 18. car tu as eu cinq maris et celui que tu as maintenant n'est pas ton mari ; en cela tu dis vrai. »

King James Bible . [18] For thou hast had five husbands; and he whom thou now hast is not thy husband: in that saidst thou truly.
Luther-Bibel . 18Fünf Männer hast du gehabt, und der, den du jetzt hast, ist nicht dein Mann; das hast du recht gesagt.

Tekstuitleg van Joh 4,18 .

Joh 4,19 - Joh 4,19 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
19 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Κύριε, θεωρῶ ὅτι προφήτης εἶ σύ. 19 dicit ei mulier Domine video quia propheta es tu     19 De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt. [19] 'Heer,' zei de vrouw, 'ik zie dat U een profeet* bent. [19] Daarop zei de vrouw: 'Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent! 4:19 De vrouw zegt tot hem: heer, ik zie in dat u een profeet bent!- 19. La femme lui dit : « Seigneur, je vois que tu es un prophète...

King James Bible . [19] The woman saith unto him, Sir, I perceive that thou art a prophet.
Luther-Bibel . 19Die Frau spricht zu ihm: Herr, ich sehe, dass du ein Prophet bist.

Tekstuitleg van Joh 4,19 .

Joh 4,20 - Joh 4,20 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
20 οἱ πατέρες ἡμῶν ἐν τῷ ὄρει τούτῳ προσεκύνησαν· καὶ ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἐν Ἱεροσολύμοις ἐστὶν ὁ τόπος ὅπου δεῖ προσκυνεῖν. 20 patres nostri in monte hoc adoraverunt et vos dicitis quia Hierosolymis est locus ubi adorare oportet     20 Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. [20] Onze voorouders hebben op die berg* daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.' [20] Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.' 4:20 onze vaderen hebben aanbeden op deze berg, en jullie zeggen dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden! 20. Nos pères ont adoré sur cette montagne et vous, vous dites : C'est à Jérusalem qu'est le lieu où il faut adorer. »

King James Bible . [20] Our fathers worshipped in this mountain; and ye say, that in Jerusalem is the place where men ought to worship.
Luther-Bibel . 20Unsere Väter haben auf diesem Berge angebetet, und ihr sagt, in Jerusalem sei die Stätte, wo man anbeten soll.

Tekstuitleg van Joh 4,20 .

Joh 4,21 - Joh 4,21 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
21 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Γύναι, πίστευσόν μοι ὅτι ἔρχεται ὥρα ὅτε οὔτε ἐν τῷ ὄρει τούτῳ οὔτε ἐν Ἱεροσολύμοις προσκυνήσετε τῷ πατρί. 21 dicit ei Iesus mulier crede mihi quia veniet hora quando neque in monte hoc neque in Hierosolymis adorabitis Patrem     21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden. [21] 'Geloof Me,' zei Jezus, 'er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. [21] 'Geloof me,' zei Jezus, 'er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. 4:21 Jezus zegt tot haar: u kunt mij geloven, vrouw, het uur komt dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden; 21. Jésus lui dit : « Crois-moi, femme, l'heure vient où ce n'est ni sur cette montagne ni à Jérusalem que vous adorerez le Père.

King James Bible . [21] Jesus saith unto her, Woman, believe me, the hour cometh, when ye shall neither in this mountain, nor yet at Jerusalem, worship the Father.
Luther-Bibel . 21Jesus spricht zu ihr: Glaube mir, Frau, es kommt die Zeit, dass ihr weder auf diesem Berge noch in Jerusalem den Vater anbeten werdet.

Tekstuitleg van Joh 4,21 .

Joh 4,22 - Joh 4,22 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
22 ὑμεῖς προσκυνεῖτε ὃ οὐκ οἴδατε, ἡμεῖς προσκυνοῦμεν ὃ οἴδαμεν· ὅτι ἡ σωτηρία ἐκ τῶν Ἰουδαίων ἐστίν. 22 vos adoratis quod nescitis nos adoramus quod scimus quia salus ex Iudaeis est     22 Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden. [22] – Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. – [22] Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. 4:22 jullie aanbidden zonder te weten wat, wij weten wat wij aanbidden; het heil is immers uit de Judeeërs; 22. Vous, vous adorez ce que vous ne connaissez pas ; nous, nous adorons ce que nous connaissons, car le salut vient des Juifs.

King James Bible . [22] Ye worship ye know not what: we know what we worship: for salvation is of the Jews.
Luther-Bibel . 22Ihr wisst nicht, was ihr anbetet; wir wissen aber, was wir anbeten; denn das Heil kommt von den Juden.

Tekstuitleg van Joh 4,22 .

Joh 4,23 - Joh 4,23 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
23 ἀλλ' ἔρχεται ὥρα, καὶ νῦν ἐστιν, ὅτε οἱ ἀληθινοὶ προσκυνηταὶ προσκυνήσουσι τῷ πατρὶ ἐν πνεύματι καὶ ἀληθείᾳ· καὶ γὰρ ὁ πατὴρ τοιούτους ζητεῖ τοὺς προσκυνοῦντας αὐτόν. 23 sed venit hora et nunc est quando veri adoratores adorabunt Patrem in spiritu et veritate nam et Pater tales quaerit qui adorent eum     23 Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden. [23] Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest* en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. [23] Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, 4:23 maar het uur komt en is er nu dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geestkracht en waarachtigheid, want naar hen die hem zó aanbidden is de Vader op zoek; 23. Mais l'heure vient - et c'est maintenant - où les véritables adorateurs adoreront le Père en esprit et en vérité, car tels sont les adorateurs que cherche le Père.

King James Bible . [23] But the hour cometh, and now is, when the true worshippers shall worship the Father in spirit and in truth: for the Father seeketh such to worship him.
Luther-Bibel . 23Aber es kommt die Zeit und ist schon jetzt, in der die wahren Anbeter den Vater anbeten werden im Geist und in der Wahrheit; denn auch der Vater will solche Anbeter haben.

Tekstuitleg van Joh 4,23 .

Joh 4,24 - Joh 4,24 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
24 πνεῦμα ὁ Θεός, καὶ τοὺς προσκυνοῦντας αὐτὸν ἐν πνεύματι καὶ ἀληθείᾳ δεῖ προσκυνεῖν. 24 spiritus est Deus et eos qui adorant eum in spiritu et veritate oportet adorare     24 God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. [24] God* is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.' [24] want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.' 4:24 God is Geest, en wie hem aanbidden moeten aanbidden in geestkracht en waarachtigheid! 24. Dieu est esprit, et ceux qui adorent, c'est en esprit et en vérité qu'ils doivent adorer. »

King James Bible . [24] God is a Spirit: and they that worship him must worship him in spirit and in truth.
Luther-Bibel . 24 Gott ist Geist, und die ihn anbeten, die müssen ihn im Geist und in der Wahrheit anbeten.

Tekstuitleg van Joh 4,24 .

Joh 4,25 - Joh 4,25 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
25 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Οἶδα ὅτι Μεσσίας ἔρχεται ὁ λεγόμενος Χριστός· ὅταν ἔλθῃ ἐκεῖνος, ἀναγγελεῖ ἡμῖν πάντα. 25 dicit ei mulier scio quia Messias venit qui dicitur Christus cum ergo venerit ille nobis adnuntiabit omnia     25 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. [25] De vrouw antwoordde: 'Ja, er komt een messias, dat weet ik.' (Messias betekent: gezalfde.) 'Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.' [25] De vrouw zei: 'Ik weet wel dat de messias zal komen' (dat betekent 'gezalfde'), 'wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.' 4:25 De vrouw zegt tot hem: ik weet dat de Messias komt, hij die de Christus heten mag; wanneer die zal komen zal hij ons dat alles aankondigen! 25. La femme lui dit : « Je sais que le Messie doit venir, celui qu'on appelle Christ. Quand il viendra, il nous expliquera tout. »

King James Bible . [25] The woman saith unto him, I know that Messias cometh, which is called Christ: when he is come, he will tell us all things.
Luther-Bibel . 25Spricht die Frau zu ihm: Ich weiß, dass der Messias kommt, der da Christus heißt. Wenn dieser kommt, wird er uns alles verkündigen.

Tekstuitleg van Joh 4,25 .

Joh 4,26 - Joh 4,26 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
26 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Ἐγώ εἰμι, ὁ λαλῶν σοι. 26 dicit ei Iesus ego sum qui loquor tecum     26 Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek. [26] Daarop zei Jezus tegen haar: 'Dat* ben Ik, degene die met u spreekt.' [26] Jezus zei tegen haar: 'Dat ben ik, die met u spreekt.' 4:26 Jezus zegt tot haar: ik ben het,- die tot u spreekt! 26. Jésus lui dit : « Je le suis, moi qui te parle. »

King James Bible . [26] Jesus saith unto her, I that speak unto thee am he.
Luther-Bibel . 26Jesus spricht zu ihr: Ich bin's, der mit dir redet.

Tekstuitleg van Joh 4,26 .

Joh 4,27 - Joh 4,27 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
27 καὶ ἐπὶ τούτῳ ἦλθαν οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, καὶ ἐθαύμασαν ὅτι μετὰ γυναικὸς ἐλάλει· οὐδεὶς μέντοι εἶπε, τί ζητεῖς ἤ τί λαλεῖς μετ' αὐτῆς; 27 et continuo venerunt discipuli eius et mirabantur quia cum muliere loquebatur nemo tamen dixit quid quaeris aut quid loqueris cum ea     27 En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar? [27] Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde* hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: 'Wat wilt U eigenlijk?' of 'Wat hebt U met haar te bepraten?' [27] Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: 'Wat wilt u daarmee?' of 'Waarom spreekt u met haar?' 4:27 Op dat moment komen zijn leerlingen aan; en het heeft hen verwonderd dat hij met een vrouw in gesprek is geweest,- niet één echter zegt 'waar bent u naar op zoek?' of 'waarom spreekt u met haar?' 27. Là-dessus arrivèrent ses disciples, et ils s'étonnaient qu'il parlât à une femme. Pourtant pas un ne dit : « Que cherches-tu ? » ou : « De quoi lui parles-tu ? »

King James Bible . [27] And upon this came his disciples, and marvelled that he talked with the woman: yet no man said, What seekest thou? or, Why talkest thou with her?
Luther-Bibel . 27Unterdessen kamen seine Jünger, und sie wunderten sich, dass er mit einer Frau redete; doch sagte niemand: Was fragst du?, oder: Was redest du mit ihr?

Tekstuitleg van Joh 4,27 .

Joh 4,28 - Joh 4,28 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
28 Ἀφῆκεν οὖν τὴν ὑδρίαν αὐτῆς ἡ γυνὴ καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν πόλιν, καὶ λέγει τοῖς ἀνθρώποις· 28 reliquit ergo hydriam suam mulier et abiit in civitatem et dicit illis hominibus     28 Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden: [28] De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: [28] De vrouw liet haar kruik staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar: 4:28 Dan laat de vrouw haar waterkruik achter en gaat terug naar de stad; zij zegt tot de mensen: 28. La femme alors laissa là sa cruche, courut à la ville et dit aux gens :

King James Bible . [28] The woman then left her waterpot, and went her way into the city, and saith to the men,
Luther-Bibel . 28Da ließ die Frau ihren Krug stehen und ging in die Stadt und spricht zu den Leuten:

Tekstuitleg van Joh 4,28 .

9. act. ind. aor. 3de pers. enk. απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) van het werkw. απερχομαι = aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in de LXX : aperchomai (weggaan) . Joh (10) : (1) Joh 4,3 . (2) Joh 4,28 . (3) Joh 4,47 . (4) Joh 5,15 . (5) Joh 6,1 . (6) Joh 9,7 . (7) Joh 10,40 . (8) Joh 11,28 . (9) Joh 11,54. (10) Joh 12,19 . Een vorm van απερχομαι = aperchomai in de LXX (229) , in het NT (116) , in Joh (21) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. 
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen   112  73  39  10    23  33   
Joh 4,29 - Joh 4,29 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
29 Δεῦτε ἴδετε ἄνθρωπον ὃς εἶπέ μοι πάντα ὅσα ἐποίησα· μήτι οὗτός ἐστιν ὁ Χριστός; 29 venite videte hominem qui dixit mihi omnia quaecumque feci numquid ipse est Christus     29 Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? [29] 'Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?' [29] 'Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?' 4:29 kom mee, dát moeten jullie zien!- een mens die mij alles heeft gezegd wat ik heb gedaan!- zal dat niet de Christus zijn?! 29. « Venez voir un homme qui m'a dit tout ce que j'ai fait. Ne serait-il pas le Christ ? »

King James Bible . [29] Come, see a man, which told me all things that ever I did: is not this the Christ?
Luther-Bibel . 29Kommt, seht einen Menschen, der mir alles gesagt hat, was ich getan habe, ob er nicht der Christus sei!

Tekstuitleg van Joh 4,29 .

Joh 4,30 - Joh 4,30 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
30 ἐξῆλθον οὖν ἐκ τῆς πόλεως καὶ ἤρχοντο πρὸς αὐτόν. 30 exierunt de civitate et veniebant ad eum     30 Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem. [30] Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe. [30] Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem toe. 4:30 Ze gaan de stad uit,- en ze zijn bij hem gekomen. 30. Ils sortirent de la ville et ils se dirigeaient vers lui.

King James Bible . [30] Then they went out of the city, and came unto him.
Luther-Bibel . 30Da gingen sie aus der Stadt heraus und kamen zu ihm.

Tekstuitleg van Joh 4,30 .

Joh 4,31 - Joh 4,31 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
31 Ἐν δὲ τῷ μεταξὺ ἠρώτων αὐτὸν οἱ μαθηταὶ λέγοντες· Ραββί, φάγε. 31 interea rogabant eum discipuli dicentes rabbi manduca     31 En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet. [31] Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: 'Eet toch iets, rabbi.' [31] Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: 'Rabbi, u moet iets eten.' 4:31 Intussen hebben de leerlingen gevraagd en gezegd: rabbi, eet iets! 31. Entre-temps, les disciples le priaient, en disant : « Rabbi, mange. »

King James Bible . [31] In the mean while his disciples prayed him, saying, Master, eat.
Luther-Bibel . 31Inzwischen mahnten ihn die Jünger und sprachen: Rabbi, iss!

Tekstuitleg van Joh 4,31 .

Joh 4,32 - Joh 4,32 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
32 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς· Ἐγὼ βρῶσιν ἔχω φαγεῖν, ἣν ὑμεῖς οὐκ οἴδατε. 32 ille autem dixit eis ego cibum habeo manducare quem vos nescitis     32 Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet. [32] Maar Hij zei: 'Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.' [32] Maar hij zei: 'Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.' 4:32 Maar hij zegt tot hen: ik heb een spijze te eten waarvan gij niet weet! 32. Mais il leur dit : « J'ai à manger un aliment que vous ne connaissez pas. »

King James Bible . [32] But he said unto them, I have meat to eat that ye know not of.
Luther-Bibel . 32Er aber sprach zu ihnen: Ich habe eine Speise zu essen, von der ihr nicht wisst.

Tekstuitleg van Joh 4,32 .

b
Joh 4,33 - Joh 4,33 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
33 ἔλεγον οὖν οἱ μαθηταὶ πρὸς ἀλλήλους· Μή τις ἤνεγκεν αὐτῷ φαγεῖν; 33 dicebant ergo discipuli ad invicem numquid aliquis adtulit ei manducare     33 Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht? [33] De leerlingen zeiden onder elkaar: 'Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?' [33] 'Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben?' zeiden ze tegen elkaar. 4:33 Dus zeiden zijn leerlingen tot elkaar: heeft iemand hem te eten gebracht? 33. Les disciples se disaient entre eux : « Quelqu'un lui aurait-il apporté à manger ? »

King James Bible . [33] Therefore said the disciples one to another, Hath any man brought him ought to eat?
Luther-Bibel . 33Da sprachen die Jünger untereinander: Hat ihm jemand zu essen gebracht?

Tekstuitleg van Joh 4,33 .

b
Joh 4,34 - Joh 4,34 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
34 λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς· Ἐμὸν βρῶμά ἐστιν ἵνα ποιῶ τὸ θέλημα τοῦ πέμψαντός με καὶ τελειώσω αὐτοῦ τὸ ἔργον. 34 dicit eis Iesus meus cibus est ut faciam voluntatem eius qui misit me ut perficiam opus eius     34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. [34] Daarop zei Jezus: 'Mijn voedsel is: de wil* doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen. [34] Maar Jezus zei: 'Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. 4:34 Maar Jezus zegt tot hen: mijn spijze is dat ik de wil doe van hem die mij erop uitstuurt en het werk dat hij opdraagt volbreng!- 34. Jésus leur dit : « Ma nourriture est de faire la volonté de celui qui m'a envoyé et de mener son œuvre à bonne fin.

King James Bible . [34] Jesus saith unto them, My meat is to do the will of him that sent me, and to finish his work.
Luther-Bibel . 34Jesus spricht zu ihnen: Meine Speise ist die, dass ich tue den Willen dessen, der mich gesandt hat, und vollende sein Werk.

Tekstuitleg van Joh 4,34 .

Joh 4,35 - Joh 4,35 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
35 οὐχ ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἔτι τετράμηνός ἐστι καὶ ὁ θερισμὸς ἔρχεται; ἰδοὺ λέγω ὑμῖν, ἐπάρατε τοὺς ὀφθαλμοὺς ὑμῶν καὶ θεάσασθε τὰς χώρας, ὅτι λευκαί εἰσι πρὸς θερισμόν. ἤδη. 35 nonne vos dicitis quod adhuc quattuor menses sunt et messis venit ecce dico vobis levate oculos vestros et videte regiones quia albae sunt iam ad messem     35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten. [35] Zeggen jullie niet: Nog vier* maanden en dan komt de oogst*? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. [35] Jullie zeggen toch: "Nog vier maanden en dan komt de oogst"? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! 4:35 zegt ge niet altijd 'vier maanden is het nog maar de oogst komt eraan!'- zie, ik zeg u: heft uw ogen op en aanschouwt de landen: ze zijn wit, rijp voor de oogst; 35. Ne dites-vous pas : Encore quatre mois et vient la moisson ? Eh bien ! je vous dis : Levez les yeux et regardez les champs, ils sont blancs pour la moisson. Déjà

King James Bible . [35] Say not ye, There are yet four months, and then cometh harvest? behold, I say unto you, Lift up your eyes, and look on the fields; for they are white already to harvest.
Luther-Bibel . 35Sagt ihr nicht selber: Es sind noch vier Monate, dann kommt die Ernte? Siehe, ich sage euch: Hebt eure Augen auf und seht auf die Felder, denn sie sind reif zur Ernte.

Tekstuitleg van Joh 4,35 .

Joh 4,36 - Joh 4,36 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
36 καὶ ὁ θερίζων μισθὸν λαμβάνει καὶ συνάγει καρπὸν εἰς ζωὴν αἰώνιον, ἵνα καὶ ὁ σπείρων ὁμοῦ χαίρῃ καὶ ὁ θερίζων. 36 et qui metit mercedem accipit et congregat fructum in vitam aeternam ut et qui seminat simul gaudeat et qui metit     36 En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait. [36] Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwig leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. [36] De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. 4:36 reeds neemt de oogstmaaier zijn loon aan en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat hij die zaait zich net zo verheugt als wie maait; 36. le moissonneur reçoit son salaire et récolte du fruit pour la vie éternelle, en sorte que le semeur se réjouit avec le moissonneur.

King James Bible . [36] And he that reapeth receiveth wages, and gathereth fruit unto life eternal: that both he that soweth and he that reapeth may rejoice together.
Luther-Bibel . 36Wer erntet, empfängt schon seinen Lohn und sammelt Frucht zum ewigen Leben, damit sich miteinander freuen, der da sät und der da erntet.

Tekstuitleg van Joh 4,36 .

Joh 4,37 - Joh 4,37 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
37 ἐν γὰρ τούτῳ ὁ λόγος ἐστὶν ὁ ἀληθινὸς, ὅτι ἄλλος ἐστὶν ὁ σπείρων καὶ ἄλλος ὁ θερίζων. 37 in hoc enim est verbum verum quia alius est qui seminat et alius est qui metit     37 Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. [37] Want het gezegde 'de een zaait en de ander maait' is waar: [37] Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait. 4:37 maar wel is hierbij het woord waar dat het de een is die zaait en de ander die maait: 37. Car ici se vérifie le dicton : autre est le semeur, autre le moissonneur ;

King James Bible . [37] And herein is that saying true, One soweth, and another reapeth.
Luther-Bibel . 37Denn hier ist der Spruch wahr: Der eine sät, der andere erntet.

Tekstuitleg van Joh 4,37 .

Joh 4,38 - Joh 4,38 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
38 ἐγὼ ἀπέστειλα ὑμᾶς θερίζειν ὃ οὐχ ὑμεῖς κεκοπιάκατε· ἄλλοι κεκοπιάκασι, καὶ ὑμεῖς εἰς τὸν κόπον αὐτῶν εἰσεληλύθατε. 38 ego misi vos metere quod vos non laborastis alii laboraverunt et vos in laborem eorum introistis     38 Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan. [38] Ik* heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen* hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.' [38] Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.' 4:38 ík zend u uit om iets te oogsten waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij zijt in de opbrengst van hun zwoegen binnengekomen! 38. je vous ai envoyés moissonner là où vous ne vous êtes pas fatigués ; d'autres se sont fatigués et vous, vous héritez de leurs fatigues. »

King James Bible . [38] I sent you to reap that whereon ye bestowed no labour: other men laboured, and ye are entered into their labours.
Luther-Bibel . 38Ich habe euch gesandt zu ernten, wo ihr nicht gearbeitet habt; andere haben gearbeitet, und euch ist ihre Arbeit zugute gekommen.

Tekstuitleg van Joh 4,38 .

Joh 4,39 - Joh 4,39 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
39 Ἐκ δὲ τῆς πόλεως ἐκείνης πολλοὶ ἐπίστευσαν εἰς αὐτὸν τῶν Σαμαρειτῶν διὰ τὸν λόγον τῆς γυναικὸς, μαρτυρούσης ὅτι εἶπέ μοι πάντα ὅσα ἐποίησα. 39 ex civitate autem illa multi crediderunt in eum Samaritanorum propter verbum mulieris testimonium perhibentis quia dixit mihi omnia quaecumque feci     39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. [39] Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: 'Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.' [39] In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in hem door het getuigenis van de vrouw: 'Hij weet alles van me.' 4:39 Uit die stad gaan velen van de Samaritanen in hem geloven door het woord van de vrouw, die getuigt 'hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan'. 39. Un bon nombre de Samaritains de cette ville crurent en lui à cause de la parole de la femme, qui attestait : « Il m'a dit tout ce que j'ai fait. »

King James Bible . [39] And many of the Samaritans of that city believed on him for the saying of the woman, which testified, He told me all that ever I did.
Luther-Bibel . 39Es glaubten aber an ihn viele der Samariter aus dieser Stadt um der Rede der Frau willen, die bezeugte: Er hat mir alles gesagt, was ich getan habe.

Tekstuitleg van Joh 4,39 .

Joh 4,40 - Joh 4,40 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
40 ὡς οὖν ἦλθον πρὸς αὐτὸν οἱ Σαμαρεῖται, ἠρώτων αὐτὸν μεῖναι παρ' αὐτοῖς· καὶ ἔμεινεν ἐκεῖ δύο ἡμέρας. 40 cum venissent ergo ad illum Samaritani rogaverunt eum ut ibi maneret et mansit ibi duos dies     40 Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen. [40] Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. [40] Ze gingen naar hem toe en vroegen hem bij hen te blijven. Toen bleef hij nog twee dagen. 4:40 Met dat dan de Samaritanen bij hem aankomen hebben ze hem gevraagd om bij hen te blijven en is hij daar twee dagen gebleven!- 40. Quand donc ils furent arrivés près de lui, les Samaritains le prièrent de demeurer chez eux. Il y demeura deux jours

King James Bible . [40] So when the Samaritans were come unto him, they besought him that he would tarry with them: and he abode there two days.
Luther-Bibel . 40Als nun die Samariter zu ihm kamen, baten sie ihn, bei ihnen zu bleiben; und er blieb zwei Tage da.

Tekstuitleg van Joh 4,40 .

Joh 4,41 - Joh 4,41 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
41 καὶ πολλῷ πλείους ἐπίστευσαν διὰ τὸν λόγον αὐτοῦ, 41 et multo plures crediderunt propter sermonem eius     41 En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil; [41] En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. [41] Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat hij zei; 4:41 en nog veel meer gaan er geloven door zijn eigen woord. 41. et ils furent bien plus nombreux à croire, à cause de sa parole,

King James Bible . [41] And many more believed because of his own word;
Luther-Bibel . 41Und noch viel mehr glaubten um seines Wortes willen

Tekstuitleg van Joh 4,41 .

Joh 4,42 - Joh 4,42 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
42 τῇ τε γυναικὶ ἔλεγον ὅτι οὐκέτι διὰ τὴν σὴν λαλιὰν πιστεύομεν· αὐτοὶ γὰρ ἀκηκόαμεν, καὶ οἴδαμεν ὅτι οὗτός ἐστιν ἀληθῶς ὁ σωτὴρ τοῦ κόσμου. 42 et mulieri dicebant quia iam non propter tuam loquellam credimus ipsi enim audivimus et scimus quia hic est vere salvator mundi     42 En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. [42] En ze zeiden het ook tegen de vrouw: 'Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder* van de wereld.' [42] ze zeiden tegen de vrouw: 'Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.' Genezing in Kana 4:42 Tot de vrouw hebben ze gezegd: we geloven niet meer alleen door jouw verhaal, want we hebben hem nu zelf gehoord en weten dat hij waarlijk is de redder van de wereld! 42. et ils disaient à la femme : « Ce n'est plus sur tes dires que nous croyons ; nous l'avons nous-mêmes entendu et nous savons que c'est vraiment lui le sauveur du monde. »

King James Bible . [42] And said unto the woman, Now we believe, not because of thy saying: for we have heard him ourselves, and know that this is indeed the Christ, the Saviour of the world.
Luther-Bibel . 42und sprachen zu der Frau: Von nun an glauben wir nicht mehr um deiner Rede willen; denn wir haben selber gehört und erkannt: Dieser ist wahrlich der Welt Heiland. Heilung des Sohnes eines königlichen Beamten

Tekstuitleg van Joh 4,42 .

Joh 4,43 - Joh 4,43 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
43 Μετὰ δὲ τὰς δύο ἡμέρας ἐξῆλθεν ἐκεῖθεν καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 43 post duos autem dies exiit inde et abiit in Galilaeam     43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea; [43] Na* die twee dagen trok Hij verder, naar Galilea. [43] Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea, 4:43 Na die twee dagen gaat hij daarvandaan weg naar Galilea, 43. Après ces deux jours, il partit de là pour la Galilée.

King James Bible . [43] Now after two days he departed thence, and went into Galilee.
Luther-Bibel . 43Aber nach zwei Tagen ging er von dort weiter nach Galiläa.

Tekstuitleg van Joh 4,43 .

1. μετα = meta (met , na) . Afkorting : met' OF meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Joh (24) . Met accusatief : in 14 verzen . Met genitief : in 10 verzen .
- meta + accusatief (na) .
- A. meta + accusatief touto (dit : onzijdig enkelvoud) . Joh (4) : (1) Joh 2,12 . (2) Joh 11,7 . (3) Joh 11,11 . (4) Joh 19,28 .
- B. meta + accusatief meervoud (tauta - deze dingen) . Joh (8) : (1) Joh 3,22 . (2) Joh 5,1 . (3) Joh 5,14 . (4) Joh 6,1 . (5) Joh 7,1 . (6) Joh 13,7 . ( 7) Joh 19,38 . (8) Joh 21,1 . Tauta ('deze dingen'), zie Mt 1,20 .
- C. Joh 4,43 : Meta de tas duo hèmeras (Na twee dagen echter) .
- D. Joh 13,27 .
- meta + genitief (met) . Joh (10) : (1) Joh 3,25 . (2) Joh 3,26 . (3) Joh 4,27 . (4) Joh 6,3 . (5) Joh 9,37 . (6) Joh 11,54 . (7) Joh 18,2 . (8) Joh 18,3 . (9) Joh 19,40 . (10) Joh 20,7 .

  meta (na, met)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth'  1   1             1    
  totaal  2181 1770 411 60 50 58 47 62 87 47 168 215

6. - 7. εξηλθεν εκειθεν = exèlthen ekeithen (hij ging vandaar uit) . LXX (2) : (1) Gn 10,14 . (2) 1 K 12,25 . NT (2) : (1) Mc 6,1 . (2) Joh 4,43 .

Joh 4,44 - Joh 4,44 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
44 αὐτὸς γὰρ ὁ Ἰησοῦς ἐμαρτύρησεν ὅτι προφήτης ἐν τῇ ἰδίᾳ πατρίδι τιμὴν οὐκ ἔχει. 44 ipse enim Iesus testimonium perhibuit quia propheta in sua patria honorem non habet     44 Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. [44] En dat terwijl Jezus zelf had verklaard dat een profeet in zijn vaderland* geen erkenning vindt. [44] want hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt geëerd. 4:44 hoewel Jezus zelf betuigd heeft dat een profeet in het eigen vaderland niet wordt geëerd. 44. Jésus avait en effet témoigné lui-même qu'un prophète n'est pas honoré dans sa propre patrie.

King James Bible . [44] For Jesus himself testified, that a prophet hath no honour in his own country.
Luther-Bibel . 44Denn er selber, Jesus, bezeugte, dass ein Prophet daheim nichts gilt.

Tekstuitleg van Joh 4,44 .

Vaderstad / vaderland . Nazareth . Bij Johannes zou het Jeruzalem zijn . Plaats van geboorte is Betlehem .

Joh 4,45 - Joh 4,45 : Jezus en een Samaritaanse vrouw - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,1 - Joh 4,2 - Joh 4,3 - Joh 4,4 - Joh 4,5 - Joh 4,6 - Joh 4,7 - Joh 4,8 - Joh 4,9 - Joh 4,10 - Joh 4,11 - Joh 4,12 - Joh 4,13 - Joh 4,14 - Joh 4,15 - Joh 4,16 - Joh 4,17 - Joh 4,18 - Joh 4,19 - Joh 4,20 - Joh 4,21 - Joh 4,22 - Joh 4,23 - Joh 4,24 - Joh 4,25 - Joh 4,26 - Joh 4,27 - Joh 4,28 - Joh 4,29 - Joh 4,30 - Joh 4,31 - Joh 4,32 - Joh 4,33 - Joh 4,34 - Joh 4,35 - Joh 4,36 - Joh 4,37 - Joh 4,38 - Joh 4,39 - Joh 4,40 - Joh 4,41 - Joh 4,42 - Joh 4,43 - Joh 4,44 - Joh 4,45 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
45 ὅτε οὖν ἦλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν, ἐδέξαντο αὐτὸν οἱ Γαλιλαῖοι, πάντα ἑωρακότες ἃ ἐποίησεν ἐν Ἱεροσολύμοις ἐν τῇ ἑορτῇ· καὶ αὐτοὶ γὰρ ἦλθον εἰς τὴν ἑορτήν. 45 cum ergo venisset in Galilaeam exceperunt eum Galilaei cum omnia vidissent quae fecerat Hierosolymis in die festo et ipsi enim venerant in diem festum     45 Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan. [45] Toen Hij in Galilea kwam, bleek Hij daar welkom te zijn: de Galileeërs waren immers ook in Jeruzalem op het feest* geweest en hadden gezien wat Hij toen allemaal had gedaan. [45] Toen hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen hem gastvrij; ze hadden alles gezien wat hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want daar waren ze zelf bij geweest. 4:45 Maar wanneer hij dan aankomt in Galilea blijkt hij welkom te zijn bij de Galileeërs, sinds ze alles hebben gezien wat hij gedaan heeft in Jeruzalem op het feest; want ook zij waren gekomen naar het feest. 45. Quand donc il vint en Galilée, les Galiléens l'accueillirent, ayant vu tout ce qu'il avait fait à Jérusalem lors de la fête ; car eux aussi étaient venus à la fête.

King James Bible . [45] Then when he was come into Galilee, the Galilaeans received him, having seen all the things that he did at Jerusalem at the feast: for they also went unto the feast.
Luther-Bibel . 45Als er nun nach Galiläa kam, nahmen ihn die Galiläer auf, die alles gesehen hatten, was er in Jerusalem auf dem Fest getan hatte; denn sie waren auch zum Fest gekommen.

Tekstuitleg van Joh 4,45 .

Deze gehangene is de messias . Midrasj . Veldhuizen : de vrouw bij de bron . Wat er gebeurt is in Jeruzalem , wordt geïnterpreteerd als een teken .

- Joh 4,46-54 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -

De Kana-pericope van Joh 2,1-11 vormt het sluitstuk van zijn eerste verblijf in Galilea. Zo is dat ook in Joh 4,46-54. Daarna gaat Jezus telkens naar Jeruzalem bij gelegenheid van een feest van de joden.

Joh 4,46 - Joh 4,46 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
46 Ἦλθεν οὖν πάλιν ὁ Ἰησοῦς εἰς τὴν Κανᾶ τῆς Γαλιλαίας, ὅπου ἐποίησε τὸ ὕδωρ οἶνον. καὶ ἦν τις βασιλικὸς, οὗ ὁ υἱὸς ἠσθένει ἐν Καπερναούμ· 46 venit ergo iterum in Cana Galilaeae ubi fecit aquam vinum et erat quidam regulus cuius filius infirmabatur Capharnaum     46 Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum. [46] Zo kwam Hij weer in Kana, in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. In Kafarnaüm woonde een dienaar van de koning* wiens zoon ziek lag. [46] Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar hij van water wijn had gemaakt. Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was. 4:46 Dan komt hij weer aan in Kana in Galilea, waar hij het water tot wijn heeft gemaakt; er is een zeker hoveling van de koning geweest wiens zoon ziek lag in Kafarnaoem; 46. Il retourna alors à Cana de Galilée, où il avait changé l'eau en vin. Et il y avait un fonctionnaire royal, dont le fils était malade à Capharnaüm.

King James Bible . [46] So Jesus came again into Cana of Galilee, where he made the water wine. And there was a certain nobleman, whose son was sick at Capernaum.
Luther-Bibel . 46Und Jesus kam abermals nach Kana in Galiläa, wo er das Wasser zu Wein gemacht hatte. Und es war ein Mann im Dienst des Königs; dessen Sohn lag krank in Kapernaum.

Tekstuitleg van Joh 4,46 .

Joh 4,46.1. 4. - 5. ηλθεν ὁ Ιησους = èlthen ho Ièsous (Jezus ging) . NT (5) : (1) Mc 1,14 . (2) Joh 3,22 . (3) Joh 4,46 . (4) Joh 20,19 . (5) Joh 20,24 .
- ερχεται ὁ Ιησους = erchetai ho Ièsous (Jezus komt) . Nt (3) : (1) Joh 12,12 . (2) Joh 20,26 . (3) Joh 21,13 .
- ανεβη ὁ Ιησους = anebè ho Ièsous (Jezus ging op) . NT (2) : (1) Joh 5,1 . (2) Joh 7,14 . Eveneens : Joh 2,13 .
- απηλθεν ὁ Ιησους = apèlthen ho Ièsous (Jezus ging weg) . NT (1) . Slechts in Joh 6,1 .
- εξηλθεν ὁ Ιησους = exèlthen ho Ièsous (Jezus ging uit) . NT (2) : (1) Mc 8,27 . (2) Joh 19,5 .

Hier is sprake van een koning , een dienaar / hoveling van de koning , wiens zoon ziek is . Bij Lucas is het een centurio . Zijn zoon lag in Kafarnaum .

Joh 4,47 - Joh 4,47 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
47 οὗτος ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ἥκει ἐκ τῆς Ἰουδαίας εἰς τὴν Γαλιλαίαν, ἀπῆλθε πρὸς αὐτὸν καὶ ἠρώτα αὐτὸν ἵνα καταβῇ καὶ ἰάσηται αὐτοῦ τὸν υἱόν· ἤμελλε γὰρ ἀποθνῄσκειν. 47 hic cum audisset quia Iesus adveniret a Iudaea in Galilaeam abiit ad eum et rogabat eum ut descenderet et sanaret filium eius incipiebat enim mori     47 Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. [47] Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg Hem zijn zoon te komen genezen; want deze was de dood nabij. [47] Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. 4:47 als deze hoort dat Jezus uit Judea is aangekomen in Galilea gaat hij daar weg, naar hem toe. Hij heeft hem gevraagd of hij wil afdalen om zijn zoon te genezen,- want die lag op sterven. 47. Apprenant que Jésus était arrivé de Judée en Galilée, il s'en vint le trouver et il le priait de descendre guérir son fils, car il allait mourir.

King James Bible . [47] When he heard that Jesus was come out of Judaea into Galilee, he went unto him, and besought him that he would come down, and heal his son: for he was at the point of death.
Luther-Bibel . 47Dieser hörte, dass Jesus aus Judäa nach Galiläa kam, und ging hin zu ihm und bat ihn, herabzukommen und seinem Sohn zu helfen; denn der war todkrank.

Tekstuitleg van Joh 4,47 .

12. act. ind. aor. 3de pers. enk. απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) van het werkw. απερχομαι = aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in de LXX : aperchomai (weggaan) . Joh (10) : (1) Joh 4,3 . (2) Joh 4,28 . (3) Joh 4,47 . (4) Joh 5,15 . (5) Joh 6,1 . (6) Joh 9,7 . (7) Joh 10,40 . (8) Joh 11,28 . (9) Joh 11,54. (10) Joh 12,19 . Een vorm van απερχομαι = aperchomai in de LXX (229) , in het NT (116) , in Joh (21) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. 
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen   112  73  39  10    23  33   

Er is Kana en Kanaänitisch . Kana is een denkbeeldig dorp . Kana is de aanduiding van de periferie . Het gaat om een zoon .

Joh 4,48 - Joh 4,48 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
48 εἶπεν οὖν ὁ Ἰησοῦς πρὸς αὐτόν· Ἐὰν μὴ σημεῖα καὶ τέρατα ἴδητε, οὐ μὴ πιστεύσητε. 48 dixit ergo Iesus ad eum nisi signa et prodigia videritis non creditis     48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven. [48] Jezus zei: 'Jullie willen wondertekenen zien, anders komen jullie nooit tot geloof.' [48] Jezus zei tegen hem: 'Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!' 4:48 Dan zegt Jezus tot hem: zolang ge geen tekenen en wonderen ziet is er geen geloven bij! 48. Jésus lui dit : « Si vous ne voyez des signes et des prodiges, vous ne croirez pas ! »

King James Bible . [48] Then said Jesus unto him, Except ye see signs and wonders, ye will not believe.
Luther-Bibel . 48Und Jesus sprach zu ihm: Wenn ihr nicht Zeichen und Wunder seht, so glaubt ihr nicht.

Tekstuitleg van Joh 4,48 .

Jullie geloven alleen maar in wonderen en tekenen . Dat zou ingaan tegen de Thora : uit het slavenhuis van Egypte . Teken van Gods trouw . Machtsdaad vanwege God . Bellet - Peter Schmidt : Niemand heeft ooit God gezien .

Joh 4,49 - Joh 4,49 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
49 λέγει πρὸς αὐτὸν ὁ βασιλικός· Κύριε, κατάβηθι πρὶν ἀποθανεῖν τὸ παιδίον μου. 49 dicit ad eum regulus Domine descende priusquam moriatur filius meus     49 De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. [49] 'Heer,' zei de dienaar van de koning, 'kom toch mee voordat mijn kind sterft.' [49] Maar de hoveling drong aan: 'Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.' 4:49 De hoveling van de koning zegt tot hem: heer, wil toch afdalen voordat mijn jongetje sterft! 49. Le fonctionnaire royal lui dit : « Seigneur, descends avant que ne meure mon petit enfant. »

King James Bible . [49] The nobleman saith unto him, Sir, come down ere my child die.
Luther-Bibel . 49Der Mann sprach zu ihm: Herr, komm herab, ehe mein Kind stirbt!

Tekstuitleg van Joh 4,49 .

Joh 4,50 - Joh 4,50 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
50 λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς· Πορεύου· ὁ υἱός σου ζῇ. καὶ ἐπίστευσεν ὁ ἄνθρωπος τῷ λόγῳ ὃν εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐπορεύετο. 50 dicit ei Iesus vade filius tuus vivit credidit homo sermoni quem dixit ei Iesus et ibat     50 Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen. [50] 'Ga maar,' antwoordde Jezus, 'uw zoon leeft.' De man geloofde Jezus op zijn woord, en hij ging. [50] 'Ga maar naar huis,' zei Jezus, 'uw zoon leeft.' De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg. 4:50 Jezus zegt tot hem: reis terug, je zoon leeft op! Deze mens vertrouwt het woord dat Jezus tot hem zegt,- en is teruggereisd. 50. Jésus lui dit : « Va, ton fils vit. » L'homme crut à la parole que Jésus lui avait dite et il se mit en route.

King James Bible . [50] Jesus saith unto him, Go thy way; thy son liveth. And the man believed the word that Jesus had spoken unto him, and he went his way.
Luther-Bibel . 50Jesus spricht zu ihm: Geh hin, dein Sohn lebt! Der Mensch glaubte dem Wort, das Jesus zu ihm sagte, und ging hin.

Tekstuitleg van Joh 4,50 .

Joh 4,51 - Joh 4,51 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
51 ἤδη δὲ αὐτοῦ καταβαίνοντος οἱ δοῦλοι αὐτοῦ ἀπήντησαν αὐτῷ καὶ ἀπήγγειλαν λέγοντες ὅτι ὁ παῖς σου ζῇ. 51 iam autem eo descendente servi occurrerunt ei et nuntiaverunt dicentes quia filius eius viveret     51 En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! [51] Terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om hem te zeggen dat zijn jongen leefde. [51] En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was. 4:51 Reeds terwijl hij afdaalt komen de dienaars hem tegemoet en zeggen dat zijn jongen opleeft. 51. Déjà il descendait, quand ses serviteurs, venant à sa rencontre, lui dirent que son enfant était vivant.

King James Bible . [51] And as he was now going down, his servants met him, and told him, saying, Thy son liveth.
Luther-Bibel . 51Und während er hinabging, begegneten ihm seine Knechte und sagten: Dein Kind lebt.

Tekstuitleg van Joh 4,51 .

Joh 4,52 - Joh 4,52 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
52 ἐπύθετο οὖν παρ' αὐτῶν τὴν ὥραν ἐν ᾗ κομψότερον ἔσχε· καὶ εἶπον αὐτῷ ὅτι χθὲς ὥραν ἑβδόμην ἀφῆκεν αὐτὸν ὁ πυρετός. 52 interrogabat ergo horam ab eis in qua melius habuerit et dixerunt ei quia heri hora septima reliquit eum febris     52 Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. [52] Hij vroeg hun op welk moment hij zich beter was gaan voelen, en ze antwoordden: 'Gisteren, op het zevende uur, heeft de koorts hem verlaten.' [52] Hij vroeg hen sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: 'Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.' 4:52 Dan verneemt hij van hen het uur waarin het beter met hem is gegaan; ze zeggen hem dan: gisteren het zevende uur liet de koorts hem los! 52. Il s'informa auprès d'eux de l'heure à laquelle il s'était trouvé mieux. Ils lui dirent : « C'est hier, à la septième heure, que la fièvre l'a quitté. »

King James Bible . [52] Then inquired he of them the hour when he began to amend. And they said unto him, Yesterday at the seventh hour the fever left him.
Luther-Bibel . 52Da erforschte er von ihnen die Stunde, in der es besser mit ihm geworden war. Und sie antworteten ihm: Gestern um die siebente Stunde verließ ihn das Fieber.

Tekstuitleg van Joh 4,52 .

Joh 4,53 - Joh 4,53 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
53 ἔγνω οὖν ὁ πατὴρ ὅτι ἐν ἐκείνῃ τῇ ὥρᾳ ἐν ᾗ εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ὁ υἱός σου ζῇ· καὶ ἐπίστευσεν αὐτὸς καὶ ἡ οἰκία αὐτοῦ ὅλη. 53 cognovit ergo pater quia illa hora erat in qua dixit ei Iesus filius tuus vivit et credidit ipse et domus eius tota     53 De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis. [53] De vader besefte dat dit het uur was waarop Jezus gezegd had: "Uw zoon leeft." En samen met al zijn huisgenoten kwam hij tot geloof. [53] De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had 'uw zoon leeft'. Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten. 4:53 Dan onderkent de vader het: het was in datzelfde uur waarin Jezus hem zei: je zoon leeft op! Hij komt tot geloof, en heel zijn huis ook. 53. Le père reconnut que c'était l'heure où Jésus lui avait dit : « Ton fils vit », et il crut, lui avec sa maison tout entière.

King James Bible . [53] So the father knew that it was at the same hour, in the which Jesus said unto him, Thy son liveth: and himself believed, and his whole house.
Luther-Bibel . 53Da merkte der Vater, dass es die Stunde war, in der Jesus zu ihm gesagt hatte: Dein Sohn lebt. Und er glaubte mit seinem ganzen Hause.

Tekstuitleg van Joh 4,53 .

Wat waar en betrouwenswaardig is , is pas later waarneembaar . Jr 28,9 . Dt 13,2 .

Joh 4,54 - Joh 4,54 : Genezing van een zoon van een dienaar van de koning - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 4 -- Joh 4,1-45 -- Joh 4,46-54 -- Joh 4,46 - Joh 4,47 - Joh 4,48 - Joh 4,49 - Joh 4,50 - Joh 4,51 - Joh 4,52 - Joh 4,53 - Joh 4,54 -
Griekse tekst Vulg.     Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de JÚrusalem
54 Τοῦτο πάλιν δεύτερον σημεῖον ἐποίησεν ὁ Ἰησοῦς ἐλθὼν ἐκ τῆς Ἰουδαίας εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 54 hoc iterum secundum signum fecit Iesus cum venisset a Iudaea in Galilaeam     54 Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was. [54] Hiermee had Jezus wederom* een teken verricht na uit Judea naar Galilea gekomen te zijn. [54] Dit deed Jezus toen hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede wonderteken. 4:54 Dit tweede teken doet Jezus óók weer als hij aankomt uit Judea in Galilea! 54. Ce nouveau signe, le second, Jésus le fit à son retour de Judée en Galilée.

King James Bible . [54] This is again the second miracle that Jesus did, when he was come out of Judaea into Galilee.
Luther-Bibel . 54Das ist nun das zweite Zeichen, das Jesus tat, als er aus Judäa nach Galiläa kam.

Tekstuitleg van Joh 4,54 .

- Joh 4,1-45 1. Jezus 2. de Samaritaanse 3. Jezus 4. de Samaritaanse 5. Jezus 6. de Samaritaanse 7. Jezus 8. de Samaritaanse  9. Jezus 10. de Samaritaanse  11. Jezus  12. de Samaritaanse  13. Jezus
  Joh 4,7-8 Joh 4,9 Joh 4,10 Joh 4,11-12 Joh 4,13-14 Joh 4,15 Joh 4,16 Joh 4,17a  Joh 7,17b-18  Joh 4,19  Joh 4,21-24  Joh 4,25  Joh 4,26
           apekrithè (hij antwoordde)      apekrithè (zij antwoordde)          
           Ièsous (Jezus)      hè gunè (de vrouw)          
  legei (hij zegt) legei oun (zij zegt derhalve) kai eipen (en hij zei) legei (zij zegt) kai eipen (en hij zei) legei (zij zegt) legei (hij zegt) kai eipen (en zij zei) legei (hij zegt) legei (zij zegt) legei (hij zegt) legei (zij zegt) legei (hij zegt)
  autèi (aan haar) autôi (aan hem) autèi (aan haar) autôi (aan hem) autèi (aan haar) pros auton (tot hem) autèi (aan haar) autôi (aan hem) autèi (aan haar) autôi (aan hem) autèi (aan haar) autôi (aan hem) autèi (aan haar)
  ho Ièsous (Jezus) hè gunè hè Samaritis (de vrouw, de Samaritaanse)   hè gunè (de vrouw)   hè gunè (de vrouw)     ho Ièsous (Jezus) hè gunè (de vrouw) ho Ièsous (Jezus) hè gunè (de vrouw) ho Ièsous (Jezus)

Het project Israël : dat Israël terug aan zijn oorspronkelijke roeping kan beantwoorden . Johannes roept de messiaanse gemeente op om de kloven van de geschiedenis te overstijgen : het volk van Samaria en de Judeeërs .

 Joh 4,3 : afèken tèn Ioudaian kai apèlthen palin eis tèn Galilaian (hij verliet Judea en ging weg / vertrok opnieuw naar Galilea)
Twee nevenschikkende zinnen, die met elkaar verbonden zijn met het nevenschikkend voegwoord kai. (en). Van de 9 woorden eindigen er 8 op -n.
- palin (opnieuw). In 45 verzen bij Johannes, zie Joh 1,35 : Joh 1,35-42 -

 

afèken (afièmi : verlaten, achterlaten). Bij Johannes 2de maal : Jezus van Judea naar Galilea        
  Joh 4,3 Joh 4,28 Joh 4,52 Joh 8,29  
           
   afèken (hij liet achter) afèken zij liet achter) oun (derhalve)  afèken (hij liet achter) ouk afèken (hij laat niet achter)  
   tèn Ioudaian (Judea) tèn hudrian autès hè gunè (haar wateremmer de vrouw) auton (hem) ho puretos (de koorts) me monon (mij alleen)  
   kai (en)  kai (en)      
  apèlthen (hij ging weg) apèlthen (hij ging weg)      
  palin eis tèn Galilaian (opnieuw naar Galilea) eis tèn polin (naar de stad)      
   Jezus en een samaritaanse vrouw : Joh 4,1-45-        

Joh 4,3 verwijst naar Joh 1,43 - - : tèi epaurion èthelèsen exelthein eis tèn Galilaian ( 's Anderendaags wilde hij weggaan naar Galilea). Jezus bevindt zich in Judea en wil naar Galilea vertrekken.


Genezing van de zoon van een dienaar van de koning : Joh 4,46-54 -

 Joh 4,46 : èlthen oun palin eis Kana tès Galilaias
-

 

 Joh 4,54 : elthôn ek tès Ioudaias eis tèn Galilaian (gekomen uit Judea naar Galilea)
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . In 6 verzen bij Johannes, zie Joh 1,43 : Joh 1,43-51 -

In Joh 4,54 wordt de link gelegd met Joh 4,3 - Joh 4,1-45 - . Jezus ging van Judea naar Galilea. In zijn doorreis kwam hij in Samaria (Joh 4,4-42) om tenslotte in Kana van Galilea te komen, waar hij de zoon van een dienaar van de koning geneest (Joh 4,46-54).


- Griekse tekst - Septuaginta

1 Ὡς οὖν ἔγνω ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἤκουσαν οἱ Φαρισαῖοι ὅτι Ἰησοῦς πλείονας μαθητὰς ποιεῖ καὶ βαπτίζει ἢ Ἰωάννης - 2 καίτοιγε Ἰησοῦς αὐτὸς οὐκ ἐβάπτιζεν, ἀλλ' οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ - 3 ἀφῆκε τὴν Ἰουδαίαν καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 4 Ἔδει δὲ αὐτὸν διέρχεσθαι διὰ τῆς Σαμαρείας. 5 ἔρχεται οὖν εἰς πόλιν τῆς Σαμαρείας λεγομένην Συχὰρ, πλησίον τοῦ χωρίου ὃ ἔδωκεν Ἰακὼβ Ἰωσὴφ τῷ υἱῷ αὐτοῦ. 6 ἦν δὲ ἐκεῖ πηγὴ τοῦ Ἰακώβ. ὁ οὖν Ἰησοῦς κεκοπιακὼς ἐκ τῆς ὁδοιπορίας ἐκαθέζετο οὕτως ἐπὶ τῇ πηγῇ· ὥρα ἦν ὡσεὶ ἕκτη. 7 ἔρχεται γυνὴ ἐκ τῆς Σαμαρείας ἀντλῆσαι ὕδωρ. λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Δός μοι πεῖν. 8 οἱ γὰρ μαθηταὶ αὐτοῦ ἀπεληλύθεισαν εἰς τὴν πόλιν, ἵνα τροφὰς ἀγοράσωσι. 9 λέγει οὖν αὐτῷ ἡ γυνὴ ἡ Σαμαρεῖτις· Πῶς σὺ Ἰουδαῖος ὢν παρ' ἐμοῦ πεῖν αἰτεῖς, οὔσης γυναικὸς Σαμαρείτιδος ; οὐ γὰρ συγχρῶνται Ἰουδαῖοι Σαμαρείταις. 10 ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῇ· Εἰ ᾔδεις τὴν δωρεὰν τοῦ Θεοῦ καὶ τίς ἐστιν ὁ λέγων σοι, δός μοι πεῖν, σὺ ἂν ᾔτησας αὐτὸν, καὶ ἔδωκεν ἄν σοι ὕδωρ ζῶν. 11 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Κύριε, οὔτε ἄντλημα ἔχεις, καὶ τὸ φρέαρ ἐστὶ βαθύ· πόθεν οὖν ἔχεις τὸ ὕδωρ τὸ ζῶν; 12 μὴ σὺ μείζων εἶ τοῦ πατρὸς ἡμῶν Ἰακώβ, ὃς ἔδωκεν ἡμῖν τὸ φρέαρ, καὶ αὐτὸς ἐξ αὐτοῦ ἔπιε καὶ οἱ υἱοὶ αὐτοῦ καὶ τὰ θρέμματα αὐτοῦ; 13 ἀπεκρίθη Ἰησοῦς καὶ εἶπεν αὐτῇ· Πᾶς ὁ πίνων ἐκ τοῦ ὕδατος τούτου διψήσει πάλιν· 14 ὃς δ' ἂν πίῃ ἐκ τοῦ ὕδατος οὗ ἐγὼ δώσω αὐτῷ, οὐ μὴ διψήσει εἰς τὸν αἰῶνα, ἀλλὰ τὸ ὕδωρ ὃ δώσω αὐτῷ, γενήσεται ἐν αὐτῷ πηγὴ ὕδατος ἁλλομένου εἰς ζωὴν αἰώνιον. 15 λέγει πρὸς αὐτὸν ἡ γυνή· Κύριε, δός μοι τοῦτο τὸ ὕδωρ, ἵνα μὴ διψῶ μηδὲ ἔρχομαι ἐνθάδε ἀντλεῖν. 16 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Ὕπαγε φώνησον τὸν ἄνδρα σου καὶ ἐλθὲ ἐνθάδε. 17 ἀπεκρίθη ἡ γυνὴ καὶ εἶπεν· Οὐκ ἔχω ἄνδρα. λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Καλῶς εἶπας ὅτι ἄνδρα οὐκ ἔχω· 18 πέντε γὰρ ἄνδρας ἔσχες, καὶ νῦν ὃν ἔχεις οὐκ ἔστι σου ἀνήρ· τοῦτο ἀληθὲς εἴρηκας. 19 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Κύριε, θεωρῶ ὅτι προφήτης εἶ σύ. 20 οἱ πατέρες ἡμῶν ἐν τῷ ὄρει τούτῳ προσεκύνησαν· καὶ ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἐν Ἱεροσολύμοις ἐστὶν ὁ τόπος ὅπου δεῖ προσκυνεῖν. 21 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Γύναι, πίστευσόν μοι ὅτι ἔρχεται ὥρα ὅτε οὔτε ἐν τῷ ὄρει τούτῳ οὔτε ἐν Ἱεροσολύμοις προσκυνήσετε τῷ πατρί. 22 ὑμεῖς προσκυνεῖτε ὃ οὐκ οἴδατε, ἡμεῖς προσκυνοῦμεν ὃ οἴδαμεν· ὅτι ἡ σωτηρία ἐκ τῶν Ἰουδαίων ἐστίν. 23 ἀλλ' ἔρχεται ὥρα, καὶ νῦν ἐστιν, ὅτε οἱ ἀληθινοὶ προσκυνηταὶ προσκυνήσουσι τῷ πατρὶ ἐν πνεύματι καὶ ἀληθείᾳ· καὶ γὰρ ὁ πατὴρ τοιούτους ζητεῖ τοὺς προσκυνοῦντας αὐτόν. 24 πνεῦμα ὁ Θεός, καὶ τοὺς προσκυνοῦντας αὐτὸν ἐν πνεύματι καὶ ἀληθείᾳ δεῖ προσκυνεῖν. 25 λέγει αὐτῷ ἡ γυνή· Οἶδα ὅτι Μεσσίας ἔρχεται ὁ λεγόμενος Χριστός· ὅταν ἔλθῃ ἐκεῖνος, ἀναγγελεῖ ἡμῖν πάντα. 26 λέγει αὐτῇ ὁ Ἰησοῦς· Ἐγώ εἰμι, ὁ λαλῶν σοι. 27 καὶ ἐπὶ τούτῳ ἦλθαν οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ, καὶ ἐθαύμασαν ὅτι μετὰ γυναικὸς ἐλάλει· οὐδεὶς μέντοι εἶπε, τί ζητεῖς ἤ τί λαλεῖς μετ' αὐτῆς; 28 Ἀφῆκεν οὖν τὴν ὑδρίαν αὐτῆς ἡ γυνὴ καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν πόλιν, καὶ λέγει τοῖς ἀνθρώποις· 29 Δεῦτε ἴδετε ἄνθρωπον ὃς εἶπέ μοι πάντα ὅσα ἐποίησα· μήτι οὗτός ἐστιν ὁ Χριστός; 30 ἐξῆλθον οὖν ἐκ τῆς πόλεως καὶ ἤρχοντο πρὸς αὐτόν. 31 Ἐν δὲ τῷ μεταξὺ ἠρώτων αὐτὸν οἱ μαθηταὶ λέγοντες· Ραββί, φάγε. 32 ὁ δὲ εἶπεν αὐτοῖς· Ἐγὼ βρῶσιν ἔχω φαγεῖν, ἣν ὑμεῖς οὐκ οἴδατε. 33 ἔλεγον οὖν οἱ μαθηταὶ πρὸς ἀλλήλους· Μή τις ἤνεγκεν αὐτῷ φαγεῖν; 34 λέγει αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς· Ἐμὸν βρῶμά ἐστιν ἵνα ποιῶ τὸ θέλημα τοῦ πέμψαντός με καὶ τελειώσω αὐτοῦ τὸ ἔργον. 35 οὐχ ὑμεῖς λέγετε ὅτι ἔτι τετράμηνός ἐστι καὶ ὁ θερισμὸς ἔρχεται; ἰδοὺ λέγω ὑμῖν, ἐπάρατε τοὺς ὀφθαλμοὺς ὑμῶν καὶ θεάσασθε τὰς χώρας, ὅτι λευκαί εἰσι πρὸς θερισμόν. ἤδη. 36 καὶ ὁ θερίζων μισθὸν λαμβάνει καὶ συνάγει καρπὸν εἰς ζωὴν αἰώνιον, ἵνα καὶ ὁ σπείρων ὁμοῦ χαίρῃ καὶ ὁ θερίζων. 37 ἐν γὰρ τούτῳ ὁ λόγος ἐστὶν ὁ ἀληθινὸς, ὅτι ἄλλος ἐστὶν ὁ σπείρων καὶ ἄλλος ὁ θερίζων. 38 ἐγὼ ἀπέστειλα ὑμᾶς θερίζειν ὃ οὐχ ὑμεῖς κεκοπιάκατε· ἄλλοι κεκοπιάκασι, καὶ ὑμεῖς εἰς τὸν κόπον αὐτῶν εἰσεληλύθατε. 39 Ἐκ δὲ τῆς πόλεως ἐκείνης πολλοὶ ἐπίστευσαν εἰς αὐτὸν τῶν Σαμαρειτῶν διὰ τὸν λόγον τῆς γυναικὸς, μαρτυρούσης ὅτι εἶπέ μοι πάντα ὅσα ἐποίησα. 40 ὡς οὖν ἦλθον πρὸς αὐτὸν οἱ Σαμαρεῖται, ἠρώτων αὐτὸν μεῖναι παρ' αὐτοῖς· καὶ ἔμεινεν ἐκεῖ δύο ἡμέρας. 41 καὶ πολλῷ πλείους ἐπίστευσαν διὰ τὸν λόγον αὐτοῦ, 42 τῇ τε γυναικὶ ἔλεγον ὅτι οὐκέτι διὰ τὴν σὴν λαλιὰν πιστεύομεν· αὐτοὶ γὰρ ἀκηκόαμεν, καὶ οἴδαμεν ὅτι οὗτός ἐστιν ἀληθῶς ὁ σωτὴρ τοῦ κόσμου. 43 Μετὰ δὲ τὰς δύο ἡμέρας ἐξῆλθεν ἐκεῖθεν καὶ ἀπῆλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν. 44 αὐτὸς γὰρ ὁ Ἰησοῦς ἐμαρτύρησεν ὅτι προφήτης ἐν τῇ ἰδίᾳ πατρίδι τιμὴν οὐκ ἔχει. 45 ὅτε οὖν ἦλθεν εἰς τὴν Γαλιλαίαν, ἐδέξαντο αὐτὸν οἱ Γαλιλαῖοι, πάντα ἑωρακότες ἃ ἐποίησεν ἐν Ἱεροσολύμοις ἐν τῇ ἑορτῇ· καὶ αὐτοὶ γὰρ ἦλθον εἰς τὴν ἑορτήν. 46 Ἦλθεν οὖν πάλιν ὁ Ἰησοῦς εἰς τὴν Κανᾶ τῆς Γαλιλαίας, ὅπου ἐποίησε τὸ ὕδωρ οἶνον. καὶ ἦν τις βασιλικὸς, οὗ ὁ υἱὸς ἠσθένει ἐν Καπερναούμ· 47 οὗτος ἀκούσας ὅτι Ἰησοῦς ἥκει ἐκ τῆς Ἰουδαίας εἰς τὴν Γαλιλαίαν, ἀπῆλθε πρὸς αὐτὸν καὶ ἠρώτα αὐτὸν ἵνα καταβῇ καὶ ἰάσηται αὐτοῦ τὸν υἱόν· ἤμελλε γὰρ ἀποθνῄσκειν. 48 εἶπεν οὖν ὁ Ἰησοῦς πρὸς αὐτόν· Ἐὰν μὴ σημεῖα καὶ τέρατα ἴδητε, οὐ μὴ πιστεύσητε. 49 λέγει πρὸς αὐτὸν ὁ βασιλικός· Κύριε, κατάβηθι πρὶν ἀποθανεῖν τὸ παιδίον μου. 50 λέγει αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς· Πορεύου· ὁ υἱός σου ζῇ. καὶ ἐπίστευσεν ὁ ἄνθρωπος τῷ λόγῳ ὃν εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς, καὶ ἐπορεύετο. 51 ἤδη δὲ αὐτοῦ καταβαίνοντος οἱ δοῦλοι αὐτοῦ ἀπήντησαν αὐτῷ καὶ ἀπήγγειλαν λέγοντες ὅτι ὁ παῖς σου ζῇ. 52 ἐπύθετο οὖν παρ' αὐτῶν τὴν ὥραν ἐν ᾗ κομψότερον ἔσχε· καὶ εἶπον αὐτῷ ὅτι χθὲς ὥραν ἑβδόμην ἀφῆκεν αὐτὸν ὁ πυρετός. 53 ἔγνω οὖν ὁ πατὴρ ὅτι ἐν ἐκείνῃ τῇ ὥρᾳ ἐν ᾗ εἶπεν αὐτῷ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ὁ υἱός σου ζῇ· καὶ ἐπίστευσεν αὐτὸς καὶ ἡ οἰκία αὐτοῦ ὅλη. 54 Τοῦτο πάλιν δεύτερον σημεῖον ἐποίησεν ὁ Ἰησοῦς ἐλθὼν ἐκ τῆς Ἰουδαίας εἰς τὴν Γαλιλαίαν.


- Vulgata

4. 1 ut ergo cognovit Iesus quia audierunt Pharisaei quia Iesus plures discipulos facit et baptizat quam Iohannes 2 quamquam Iesus non baptizaret sed discipuli eius 3 reliquit Iudaeam et abiit iterum in Galilaeam 4 oportebat autem eum transire per Samariam 5 venit ergo in civitatem Samariae quae dicitur Sychar iuxta praedium quod dedit Iacob Ioseph filio suo 6 erat autem ibi fons Iacob Iesus ergo fatigatus ex itinere sedebat sic super fontem hora erat quasi sexta 7 venit mulier de Samaria haurire aquam dicit ei Iesus da mihi bibere 8 discipuli enim eius abierant in civitatem ut cibos emerent 9 dicit ergo ei mulier illa samaritana quomodo tu Iudaeus cum sis bibere a me poscis quae sum mulier samaritana non enim coutuntur Iudaei Samaritanis 10 respondit Iesus et dixit ei si scires donum Dei et quis est qui dicit tibi da mihi bibere tu forsitan petisses ab eo et dedisset tibi aquam vivam 11 dicit ei mulier Domine neque in quo haurias habes et puteus altus est unde ergo habes aquam vivam 12 numquid tu maior es patre nostro Iacob qui dedit nobis puteum et ipse ex eo bibit et filii eius et pecora eius 13 respondit Iesus et dixit ei omnis qui bibit ex aqua hac sitiet iterum qui autem biberit ex aqua quam ego dabo ei non sitiet in aeternum 14 sed aqua quam dabo ei fiet in eo fons aquae salientis in vitam aeternam 15 dicit ad eum mulier Domine da mihi hanc aquam ut non sitiam neque veniam huc haurire 16 dicit ei Iesus vade voca virum tuum et veni huc 17 respondit mulier et dixit non habeo virum dicit ei Iesus bene dixisti quia non habeo virum 18 quinque enim viros habuisti et nunc quem habes non est tuus vir hoc vere dixisti 19 dicit ei mulier Domine video quia propheta es tu 20 patres nostri in monte hoc adoraverunt et vos dicitis quia Hierosolymis est locus ubi adorare oportet 21 dicit ei Iesus mulier crede mihi quia veniet hora quando neque in monte hoc neque in Hierosolymis adorabitis Patrem 22 vos adoratis quod nescitis nos adoramus quod scimus quia salus ex Iudaeis est 23 sed venit hora et nunc est quando veri adoratores adorabunt Patrem in spiritu et veritate nam et Pater tales quaerit qui adorent eum 24 spiritus est Deus et eos qui adorant eum in spiritu et veritate oportet adorare 25 dicit ei mulier scio quia Messias venit qui dicitur Christus cum ergo venerit ille nobis adnuntiabit omnia 26 dicit ei Iesus ego sum qui loquor tecum 27 et continuo venerunt discipuli eius et mirabantur quia cum muliere loquebatur nemo tamen dixit quid quaeris aut quid loqueris cum ea 28 reliquit ergo hydriam suam mulier et abiit in civitatem et dicit illis hominibus 29 venite videte hominem qui dixit mihi omnia quaecumque feci numquid ipse est Christus 30 exierunt de civitate et veniebant ad eum 31 interea rogabant eum discipuli dicentes rabbi manduca 32 ille autem dixit eis ego cibum habeo manducare quem vos nescitis 33 dicebant ergo discipuli ad invicem numquid aliquis adtulit ei manducare 34 dicit eis Iesus meus cibus est ut faciam voluntatem eius qui misit me ut perficiam opus eius 35 nonne vos dicitis quod adhuc quattuor menses sunt et messis venit ecce dico vobis levate oculos vestros et videte regiones quia albae sunt iam ad messem 36 et qui metit mercedem accipit et congregat fructum in vitam aeternam ut et qui seminat simul gaudeat et qui metit 37 in hoc enim est verbum verum quia alius est qui seminat et alius est qui metit 38 ego misi vos metere quod vos non laborastis alii laboraverunt et vos in laborem eorum introistis 39 ex civitate autem illa multi crediderunt in eum Samaritanorum propter verbum mulieris testimonium perhibentis quia dixit mihi omnia quaecumque feci 40 cum venissent ergo ad illum Samaritani rogaverunt eum ut ibi maneret et mansit ibi duos dies 41 et multo plures crediderunt propter sermonem eius 42 et mulieri dicebant quia iam non propter tuam loquellam credimus ipsi enim audivimus et scimus quia hic est vere salvator mundi 43 post duos autem dies exiit inde et abiit in Galilaeam 44 ipse enim Iesus testimonium perhibuit quia propheta in sua patria honorem non habet 45 cum ergo venisset in Galilaeam exceperunt eum Galilaei cum omnia vidissent quae fecerat Hierosolymis in die festo et ipsi enim venerant in diem festum 46 venit ergo iterum in Cana Galilaeae ubi fecit aquam vinum et erat quidam regulus cuius filius infirmabatur Capharnaum 47 hic cum audisset quia Iesus adveniret a Iudaea in Galilaeam abiit ad eum et rogabat eum ut descenderet et sanaret filium eius incipiebat enim mori 48 dixit ergo Iesus ad eum nisi signa et prodigia videritis non creditis 49 dicit ad eum regulus Domine descende priusquam moriatur filius meus 50 dicit ei Iesus vade filius tuus vivit credidit homo sermoni quem dixit ei Iesus et ibat 51 iam autem eo descendente servi occurrerunt ei et nuntiaverunt dicentes quia filius eius viveret 52 interrogabat ergo horam ab eis in qua melius habuerit et dixerunt ei quia heri hora septima reliquit eum febris 53 cognovit ergo pater quia illa hora erat in qua dixit ei Iesus filius tuus vivit et credidit ipse et domus eius tota 54 hoc iterum secundum signum fecit Iesus cum venisset a Iudaea in Galilaeam


- Statenvertaling

1 Als dan de Heere verstond, dat de Farizeën gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes; 2 (Hoewel Jezus zelf niet doopte, maar Zijn discipelen), 3 Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea. 4 En Hij moest door Samaria gaan. 5 Hij kwam dan in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij het stuk land, hetwelk Jakob zijn zoon Jozef gaf. 6 En aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan, vermoeid zijnde van de reize, zat alzo neder nevens de fontein. Het was omtrent de zesde ure. 7 Er kwam een vrouw uit Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar: Geef Mij te drinken. 8 (Want Zijn discipelen waren heengegaan in de stad, opdat zij zouden spijze kopen.) 9 Zo zeide dan de Samaritaanse vrouw tot Hem: Hoe begeert Gij, Die een Jood zijt, van mij te drinken, die een Samaritaanse vrouw ben? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen. 10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en Wie Hij is, Die tot u zegt: Geef Mij te drinken, zo zoudt gij van Hem hebben begeerd, en Hij zoude u levend water gegeven hebben. 11 De vrouw zeide tot Hem: Heere! Gij hebt niet om mede te putten, en de put is diep; van waar hebt Gij dan het levend water? 12 Zijt Gij meerder dan onze vader Jakob, die ons den put gegeven heeft, en hijzelf heeft daaruit gedronken, en zijn kinderen en zijn vee? 13 Jezus antwoordde, en zeide tot haar: Een ieder, die van dit water drinkt, zal wederom dorsten; 14 Maar zo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten; maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden een fontein van water, springende tot in het eeuwige leven. 15 De vrouw zeide tot Hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen, om te putten. 16 Jezus zeide tot haar: Ga heen, roep uw man, en kom hier. 17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geen man. Jezus zeide tot haar: Gij hebt wel gezegd: Ik heb geen man. 18 Want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt, is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd. 19 De vrouw zeide tot Hem: Heere, ik zie, dat Gij een profeet zijt. 20 Onze vaders hebben op dezen berg aangebeden; en gijlieden zegt, dat te Jeruzalem de plaats is, waar men moet aanbidden. 21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof Mij, de ure komt, wanneer gijlieden, noch op dezen berg, noch te Jeruzalem, den Vader zult aanbidden. 22 Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden. 23 Maar de ure komt, en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook dezulken, die Hem alzo aanbidden. 24 God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid. 25 De vrouw zeide tot Hem: Ik weet, dat de Messias komt (Die genaamd wordt Christus); wanneer Die zal gekomen zijn, zo zal Hij ons alle dingen verkondigen. 26 Jezus zeide tot haar: Ik ben het, Die met u spreek. 27 En daarop kwamen Zijn discipelen en verwonderden zich, dat Hij met een vrouw sprak. Nochtans zeide niemand: Wat vraagt Gij, of: Wat spreekt Gij met haar? 28 Zo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging heen in de stad en zeide tot de lieden: 29 Komt, ziet een Mens, Die mij gezegd heeft alles, wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus? 30 Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem. 31 En ondertussen baden Hem de discipelen, zeggende: Rabbi, eet. 32 Maar Hij zeide tot hen: Ik heb een spijs om te eten, die gij niet weet. 33 Zo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft Hem iemand te eten gebracht? 34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijs is, dat Ik doe den wil Desgenen, Die Mij gezonden heeft, en Zijn werk volbrenge. 35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden, en dan komt de oogst? Ziet, Ik zeg u: Heft uw ogen op en aanschouwt de landen; want zij zijn alrede wit om te oogsten. 36 En die maait, ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven; opdat zich te zamen verblijde, beide, die zaait en die maait. 37 Want hierin is die spreuk waarachtig: Een ander is het, die zaait, en een ander, die maait. 38 Ik heb u uitgezonden, om te maaien, hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid, en gij zijt tot hun arbeid ingegaan. 39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in Hem, om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles, wat ik gedaan heb. 40 Als dan de Samaritanen tot Hem gekomen waren, baden zij Hem, dat Hij bij hen bleef; en Hij bleef aldaar twee dagen. 41 En er geloofden er veel meer om Zijns woords wil; 42 En zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om uws zeggens wil; want wij zelven hebben Hem gehoord, en weten, dat Deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld. 43 En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea; 44 Want Jezus heeft Zelf getuigd, dat een profeet in zijn eigen vaderland geen eer heeft. 45 Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileërs, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan. 46 Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum. 47 Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven. 48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden tekenen en wonderen ziet, zo zult gij niet geloven. 49 De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft. 50 Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen. 51 En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft! 52 Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts. 53 De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis. 54 Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 4 Jezus en een Samaritaanse vrouw [1] Jezus was te weten gekomen dat de farizeeën gehoord hadden dat Hij meer leerlingen trok en doopte dan Johannes. [2] – Eigenlijk doopte Jezus niet zelf, maar zijn leerlingen. – [3] Daarom verliet Hij Judea en vertrok Hij weer naar Galilea. [4] Hiervoor moest Hij door Samaria. [5] Zo kwam Hij bij de Samaritaanse stad Sichar, die in de buurt ligt van het stuk grond* dat Jakob aan zijn zoon Jozef had gegeven, [6] en waar zich de Jakobsbron bevindt. Jezus, die afgemat was van de tocht, was bij de bron gaan zitten. Het was ongeveer het zesde* uur. [7] Een* Samaritaanse vrouw kwam water putten. Jezus sprak haar aan: 'Geef Mij wat te drinken.' [8] Zijn leerlingen waren eten gaan kopen in de stad. [9] De Samaritaanse vrouw antwoordde: 'Hoe kunt U als Jood te drinken vragen aan mij, een Samaritaanse?' Joden* willen namelijk met Samaritanen niets te maken hebben. [10] Jezus hernam: 'Als u de gave van God kende, als u wist wie het is die tegen u zegt: geef Mij te drinken, dan had u Hem erom gevraagd en Hij had u levend* water gegeven.' [11] 'Maar heer,' zei de vrouw, 'U hebt niet eens een emmer en het is een diepe put. Waar wilt U dat levende water dan vandaan halen? [12] Of bent u soms groter dan onze vader Jakob, die ons de put heeft nagelaten en er zelf uit gedronken heeft, evenals zijn kinderen en zijn kudden?' [13] Jezus antwoordde: 'Iedereen die drinkt van dit water, krijgt weer dorst, [14] maar wie drinkt van het water dat Ik hem zal geven, krijgt in eeuwigheid geen dorst meer; integendeel: het water dat Ik hem zal geven, zal in hem opborrelen als een bron van eeuwig leven.' [15] 'Heer,' zei de vrouw, 'geef mij van dat water, dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik hier niet telkens te komen putten.' [16] Daarop zei Jezus: 'Ga uw man roepen en kom hier terug.' [17] 'Ik heb geen man', antwoordde de vrouw. 'Dat zegt u terecht, dat u geen man hebt,' zei Jezus. [18] 'Want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet. Wat u daar zegt, is waar.' [19] 'Heer,' zei de vrouw, 'ik zie dat U een profeet* bent. [20] Onze voorouders hebben op die berg* daar God aanbeden, maar volgens jullie is Jeruzalem de plaats waar men moet aanbidden.' [21] 'Geloof Me,' zei Jezus, 'er komt een uur dat men niet meer op die berg daar en ook niet in Jeruzalem de Vader zal aanbidden. [22] – Jullie aanbidden wat je niet kent, wij aanbidden wat we wel kennen; de redding komt immers uit de Joden. – [23] Er komt een uur, ja het is er al, dat de ware aanbidders de Vader zullen aanbidden in geest* en waarheid: dat zijn de aanbidders waar de Vader naar uitziet. [24] God* is geest, en zij die Hem aanbidden, moeten Hem aanbidden in geest en waarheid.' [25] De vrouw antwoordde: 'Ja, er komt een messias, dat weet ik.' (Messias betekent: gezalfde.) 'Als die er is, zal Hij ons alles verkondigen.' [26] Daarop zei Jezus tegen haar: 'Dat* ben Ik, degene die met u spreekt.' [27] Juist op dat moment kwamen zijn leerlingen terug. Het verwonderde* hen dat Hij in gesprek was met een vrouw. Toch vroeg geen van hen: 'Wat wilt U eigenlijk?' of 'Wat hebt U met haar te bepraten?' [28] De vrouw liet haar kruik staan, liep naar de stad en zei tegen de mensen: [29] 'Kom eens kijken, daar is iemand die mij wist te vertellen wat ik allemaal gedaan heb. Zou Hij soms de Messias zijn?' [30] Toen liepen ze de stad uit, naar Hem toe. [31] Ondertussen drongen de leerlingen bij Hem aan: 'Eet toch iets, rabbi.' [32] Maar Hij zei: 'Ik heb al iets te eten, voedsel dat jullie niet kennen.' [33] De leerlingen zeiden onder elkaar: 'Zou iemand Hem al eten gebracht hebben?' [34] Daarop zei Jezus: 'Mijn voedsel is: de wil* doen van Hem die Mij gezonden heeft en het werk volbrengen dat Hij Mij heeft opgedragen. [35] Zeggen jullie niet: Nog vier* maanden en dan komt de oogst*? Welnu, Ik zeg jullie: kijk eens goed naar de velden, ze staan wit, rijp voor de oogst. [36] Nu al krijgt de maaier zijn loon en verzamelt hij vruchten voor het eeuwig leven; zo kan de zaaier delen in de vreugde van de maaier. [37] Want het gezegde 'de een zaait en de ander maait' is waar: [38] Ik* heb jullie uitgezonden om een oogst binnen te halen waarvoor je je niet hebt afgemat: anderen* hebben zich afgemat en jullie plukken de vruchten van hun werk.' [39] Uit die stad waren vele Samaritanen in Hem gaan geloven op grond van het woord van de vrouw die getuigd had: 'Hij wist me alles te vertellen wat ik gedaan heb.' [40] Toen de Samaritanen naar Hem toe gekomen waren, vroegen ze Hem bij hen te blijven. Hij bleef daar twee dagen. [41] En nog veel meer kwamen er tot geloof door zijn woord. [42] En ze zeiden het ook tegen de vrouw: 'Nu geloven we niet meer op grond van wat jij verteld hebt; we hebben Hem zelf gehoord en nu weten we: dit is werkelijk de redder* van de wereld.' [43] Na* die twee dagen trok Hij verder, naar Galilea. [44] En dat terwijl Jezus zelf had verklaard dat een profeet in zijn vaderland* geen erkenning vindt. [45] Toen Hij in Galilea kwam, bleek Hij daar welkom te zijn: de Galileeërs waren immers ook in Jeruzalem op het feest* geweest en hadden gezien wat Hij toen allemaal had gedaan. Genezing van de zoon van een dienaar van de koning [46] Zo kwam Hij weer in Kana, in Galilea, waar Hij het water in wijn had veranderd. In Kafarnaüm woonde een dienaar van de koning* wiens zoon ziek lag. [47] Toen hij hoorde dat Jezus uit Judea naar Galilea was gekomen, ging hij naar Hem toe en vroeg Hem zijn zoon te komen genezen; want deze was de dood nabij. [48] Jezus zei: 'Jullie willen wondertekenen zien, anders komen jullie nooit tot geloof.' [49] 'Heer,' zei de dienaar van de koning, 'kom toch mee voordat mijn kind sterft.' [50] 'Ga maar,' antwoordde Jezus, 'uw zoon leeft.' De man geloofde Jezus op zijn woord, en hij ging. [51] Terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn slaven hem tegemoet om hem te zeggen dat zijn jongen leefde. [52] Hij vroeg hun op welk moment hij zich beter was gaan voelen, en ze antwoordden: 'Gisteren, op het zevende uur, heeft de koorts hem verlaten.' [53] De vader besefte dat dit het uur was waarop Jezus gezegd had: "Uw zoon leeft." En samen met al zijn huisgenoten kwam hij tot geloof. [54] Hiermee had Jezus wederom* een teken verricht na uit Judea naar Galilea gekomen te zijn.


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 4 Gesprek met een Samaritaanse vrouw [1] Toen Jezus hoorde dat aan de Farizeeën verteld werd dat hij meer leerlingen maakte en er ook meer doopte dan Johannes [2] – Jezus doopte overigens niet zelf, zijn leerlingen deden dat –, [3] verliet hij Judea en ging weer naar Galilea. [4] Daarvoor moest hij door Samaria heen. [5] Zo kwam hij bij de Samaritaanse stad Sichar, dicht bij het stuk grond dat Jakob aan zijn zoon Jozef gegeven had, [6] waar de Jakobsbron is. Jezus was vermoeid van de reis en ging bij de bron zitten; het was rond het middaguur. [7] Toen kwam er een Samaritaanse vrouw water putten. Jezus zei tegen haar: 'Geef mij wat te drinken.' [8] Zijn leerlingen waren namelijk naar de stad gegaan om eten te kopen. [9] De vrouw antwoordde: 'Hoe kunt u, als Jood, mij om drinken vragen? Ik ben immers een Samaritaanse!' Joden gaan namelijk niet met Samaritanen om. [10] Jezus zei tegen haar: 'Als u wist wat God wil geven, en wie het is die u om water vraagt, zou u hém erom vragen en dan zou hij u levend water geven.' [11] 'Maar heer,' zei de vrouw, 'u hebt geen emmer, en de put is diep – waar wilt u dan levend water vandaan halen? [12] U kunt toch niet meer dan Jakob, onze voorvader? Hij heeft ons die put gegeven en er zelf nog uit gedronken, en ook zijn zonen en zijn vee.' [13] 'Iedereen die dit water drinkt zal weer dorst krijgen,' zei Jezus, [14] 'maar wie het water drinkt dat ik hem geef, zal nooit meer dorst krijgen. Het water dat ik geef, zal in hem een bron worden waaruit water opwelt dat eeuwig leven geeft.' [15] 'Geef mij dat water, heer,' zei de vrouw, 'dan zal ik geen dorst meer hebben en hoef ik ook niet meer hierheen te komen om water te putten.' [16] Toen zei Jezus tegen haar: 'Ga uw man eens roepen en kom dan weer terug.' [17] 'Ik heb geen man,' zei de vrouw. 'U hebt gelijk als u zegt dat u geen man hebt,' zei Jezus, [18] 'u hebt vijf mannen gehad, en degene die u nu hebt is uw man niet. Wat u zegt is waar.' [19] Daarop zei de vrouw: 'Nu begrijp ik, heer, dat u een profeet bent! [20] Onze voorouders vereerden God op deze berg, en bij u zegt men dat in Jeruzalem de plek is waar God vereerd moet worden.' [21] 'Geloof me,' zei Jezus, 'er komt een tijd dat jullie noch op deze berg, noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden. [22] Jullie weten niet wat je vereert, maar wij weten dat wel; de redding komt immers van de Joden. [23] Maar er komt een tijd, en die tijd is nu gekomen, dat wie de Vader echt aanbidt, hem aanbidt in Geest en in waarheid. De Vader zoekt mensen die hem zo aanbidden, [24] want God is Geest, dus wie hem aanbidt, moet dat doen in Geest en in waarheid.' [25] De vrouw zei: 'Ik weet wel dat de messias zal komen' (dat betekent 'gezalfde'), 'wanneer hij komt zal hij ons alles vertellen.' [26] Jezus zei tegen haar: 'Dat ben ik, die met u spreekt.' [27] Op dat moment kwamen zijn leerlingen terug, en ze verbaasden zich erover dat hij met een vrouw in gesprek was. Toch vroeg niemand: 'Wat wilt u daarmee?' of 'Waarom spreekt u met haar?' [28] De vrouw liet haar kruik staan, ging terug naar de stad en zei tegen de mensen daar: [29] 'Kom mee, er is iemand die alles van mij weet. Zou dat niet de messias zijn?' [30] Toen gingen de mensen de stad uit, naar hem toe. [31] Intussen zeiden de leerlingen tegen Jezus: 'Rabbi, u moet iets eten.' [32] Maar hij zei: 'Ik heb voedsel dat jullie niet kennen.' [33] 'Zou iemand hem iets te eten gebracht hebben?' zeiden ze tegen elkaar. [34] Maar Jezus zei: 'Mijn voedsel is: de wil doen van hem die mij gezonden heeft en zijn werk voltooien. [35] Jullie zeggen toch: "Nog vier maanden en dan komt de oogst"? Ik zeg jullie: kijk om je heen, dan zie je dat de velden rijp zijn voor de oogst! [36] De maaier krijgt zijn loon al en verzamelt vruchten voor het eeuwige leven, zodat de zaaier en de maaier tegelijk feest kunnen vieren. [37] Hier is het gezegde van toepassing: De een zaait, de ander maait. [38] Ik stuur jullie erop uit om een oogst binnen te halen waarvoor je geen moeite hebt hoeven doen; dat hebben anderen gedaan en jullie maken hun werk af.' [39] In die stad kwamen veel Samaritanen tot geloof in hem door het getuigenis van de vrouw: 'Hij weet alles van me.' [40] Ze gingen naar hem toe en vroegen hem bij hen te blijven. Toen bleef hij nog twee dagen. [41] Nog veel meer mensen kwamen tot geloof door wat hij zei; [42] ze zeiden tegen de vrouw: 'Wij geloven nu niet meer om wat jij gezegd hebt, maar we hebben hem zelf gehoord en we weten dat hij werkelijk de redder van de wereld is.' Genezing in Kana [43] Na die twee dagen trok Jezus verder naar Galilea, [44] want hij had zelf gezegd dat een profeet in zijn vaderland niet wordt geëerd. [45] Toen hij in Galilea kwam, ontvingen de mensen hem gastvrij; ze hadden alles gezien wat hij op het feest in Jeruzalem gedaan had, want daar waren ze zelf bij geweest. [46] Hij ging in Galilea weer naar Kana, waar hij van water wijn had gemaakt. Er was daar een hoveling uit Kafarnaüm wiens zoon ziek was. [47] Omdat hij gehoord had dat Jezus uit Judea naar Galilea was teruggekeerd, was hij naar hem toe gekomen, en nu vroeg hij of Jezus mee wilde gaan om zijn zoon, die op sterven lag, te genezen. [48] Jezus zei tegen hem: 'Als jullie geen tekenen en wonderen zien, geloven jullie niet!' [49] Maar de hoveling drong aan: 'Heer, ga toch mee, voordat mijn kind sterft.' [50] 'Ga maar naar huis,' zei Jezus, 'uw zoon leeft.' De man geloofde wat Jezus tegen hem zei en ging weg. [51] En terwijl hij nog onderweg was, kwamen zijn dienaren hem al tegemoet om te zeggen dat zijn kind in leven was. [52] Hij vroeg hen sinds wanneer het beter met hem was gegaan. Ze zeiden: 'Gisteren, een uur na de middag, is de koorts verdwenen.' [53] De vader besefte dat dat het moment was dat Jezus tegen hem gezegd had 'uw zoon leeft'. Hij kwam tot geloof, hij en al zijn huisgenoten. [54] Dit deed Jezus toen hij uit Judea naar Galilea was teruggekeerd; het was zijn tweede wonderteken.


- De Naardense bijbel

4:1 Zodra dan de Heer ter kennis komt 'de farizeeërs hebben gehoord dat Jezus meer leerlingen maakt en doopt dan Johannes!'- Johannes 4:2 hoewel Jezus niet heeft gedoopt: zijn leerlingen zijn dat gaan doen,- 4:3 laat hij Judea los en gaat hij weg, weer naar Galilea. 4:4 Hij moest wel door Samaria komen. 4:5 Zo komt hij aan bij een stad van Samaria die Sichar heet,- naast het gebied dat Jakob aan zijn zoon Jozef heeft gegeven. 4:6 Daar is de bron van Jakob; welnu, vermoeid van het lopen, zo is Jezus bij die bron gaan zitten; het is ongeveer het zesde uur. 4:7 Er komt een vrouw, uit Samaria, om water te scheppen; Jezus zegt tot haar: geef mij wat te drinken!- 4:8 want zijn leerlingen zijn weggegaan, de stad in, om etenswaren te kopen. 4:9 Dan zegt de vrouw, die Samaritaanse, tot hem: hoe kunt u, die een Judeeër bent, van mij iets te drinken vragen!- ik ben een vrouw en nog wel een Samaritaanse! Judeeërs gebruiken immers niets samen met Samaritanen! 4:10 Jezus antwoordt en zegt tot haar: als u wist wat God gaat geven en wie het is die tot u zegt 'geef mij te drinken!', dan zou ú het hém vragen en zou hij het u gegeven hebben: levend water! 4:11 Zij zegt tot hem: heer, een schepbak hebt u niet en de put is diep,- waar hebt u het dan vandaan, dat levende water?- 4:12 u bent toch niet groter dan onze vader Jakob die ons de put gegeven heeft en er zelf uit heeft gedronken, en zijn zonen en zijn fokvee óók?! 4:13 Jezus antwoordt en zegt tot haar: al wie drinkt van dit water krijgt wéér dorst; 4:14 wie zal drinken van het water dat ik hem zal geven krijgt geen dorst meer tot in eeuwigheid,- nee, het water dat ik hem zal geven zal in hem worden een bron van water dat opwelt tot eeuwigheidsleven! 4:15 De vrouw zegt tot hem: heer, geef mij dat water,- dat ik geen dorst meer krijg en niet hierheen hoef te komen om te scheppen! 4:16 Hij zegt tot haar: ga, roep uw man en kom hierheen! 4:17 De vrouw antwoordt en zegt: ik heb geen man! Jezus zegt tot haar: dat zegt u fraai, 'ik heb geen man', 4:18 want u hebt vijf mannen gehad, en die u nu hebt is uw man niet; het is waar wat u hebt gezegd! 4:19 De vrouw zegt tot hem: heer, ik zie in dat u een profeet bent!- 4:20 onze vaderen hebben aanbeden op deze berg, en jullie zeggen dat te Jeruzalem de plaats is waar men moet aanbidden! 4:21 Jezus zegt tot haar: u kunt mij geloven, vrouw, het uur komt dat jullie noch op deze berg noch in Jeruzalem de Vader zullen aanbidden; 4:22 jullie aanbidden zonder te weten wat, wij weten wat wij aanbidden; het heil is immers uit de Judeeërs; 4:23 maar het uur komt en is er nu dat de waarachtige aanbidders de Vader zullen aanbidden in geestkracht en waarachtigheid, want naar hen die hem zó aanbidden is de Vader op zoek; 4:24 God is Geest, en wie hem aanbidden moeten aanbidden in geestkracht en waarachtigheid! 4:25 De vrouw zegt tot hem: ik weet dat de Messias komt, hij die de Christus heten mag; wanneer die zal komen zal hij ons dat alles aankondigen! 4:26 Jezus zegt tot haar: ik ben het,- die tot u spreekt! 4:27 Op dat moment komen zijn leerlingen aan; en het heeft hen verwonderd dat hij met een vrouw in gesprek is geweest,- niet één echter zegt 'waar bent u naar op zoek?' of 'waarom spreekt u met haar?' 4:28 Dan laat de vrouw haar waterkruik achter en gaat terug naar de stad; zij zegt tot de mensen: 4:29 kom mee, dát moeten jullie zien!- een mens die mij alles heeft gezegd wat ik heb gedaan!- zal dat niet de Christus zijn?! 4:30 Ze gaan de stad uit,- en ze zijn bij hem gekomen. 4:31 Intussen hebben de leerlingen gevraagd en gezegd: rabbi, eet iets! 4:32 Maar hij zegt tot hen: ik heb een spijze te eten waarvan gij niet weet! 4:33 Dus zeiden zijn leerlingen tot elkaar: heeft iemand hem te eten gebracht? 4:34 Maar Jezus zegt tot hen: mijn spijze is dat ik de wil doe van hem die mij erop uitstuurt en het werk dat hij opdraagt volbreng!- 4:35 zegt ge niet altijd 'vier maanden is het nog maar de oogst komt eraan!'- zie, ik zeg u: heft uw ogen op en aanschouwt de landen: ze zijn wit, rijp voor de oogst; 4:36 reeds neemt de oogstmaaier zijn loon aan en verzamelt hij vruchten voor het eeuwige leven, zodat hij die zaait zich net zo verheugt als wie maait; 4:37 maar wel is hierbij het woord waar dat het de een is die zaait en de ander die maait: 4:38 ík zend u uit om iets te oogsten waarvoor gij niet hebt gezwoegd; anderen hebben gezwoegd en gij zijt in de opbrengst van hun zwoegen binnengekomen! 4:39 Uit die stad gaan velen van de Samaritanen in hem geloven door het woord van de vrouw, die getuigt 'hij heeft mij alles gezegd wat ik heb gedaan'. 4:40 Met dat dan de Samaritanen bij hem aankomen hebben ze hem gevraagd om bij hen te blijven en is hij daar twee dagen gebleven!- 4:41 en nog veel meer gaan er geloven door zijn eigen woord. 4:42 Tot de vrouw hebben ze gezegd: we geloven niet meer alleen door jouw verhaal, want we hebben hem nu zelf gehoord en weten dat hij waarlijk is de redder van de wereld! 4:43 Na die twee dagen gaat hij daarvandaan weg naar Galilea, 4:44 hoewel Jezus zelf betuigd heeft dat een profeet in het eigen vaderland niet wordt geëerd. 4:45 Maar wanneer hij dan aankomt in Galilea blijkt hij welkom te zijn bij de Galileeërs, sinds ze alles hebben gezien wat hij gedaan heeft in Jeruzalem op het feest; want ook zij waren gekomen naar het feest. 4:46 Dan komt hij weer aan in Kana in Galilea, waar hij het water tot wijn heeft gemaakt; er is een zeker hoveling van de koning geweest wiens zoon ziek lag in Kafarnaoem; 4:47 als deze hoort dat Jezus uit Judea is aangekomen in Galilea gaat hij daar weg, naar hem toe. Hij heeft hem gevraagd of hij wil afdalen om zijn zoon te genezen,- want die lag op sterven. 4:48 Dan zegt Jezus tot hem: zolang ge geen tekenen en wonderen ziet is er geen geloven bij! 4:49 De hoveling van de koning zegt tot hem: heer, wil toch afdalen voordat mijn jongetje sterft! 4:50 Jezus zegt tot hem: reis terug, je zoon leeft op! Deze mens vertrouwt het woord dat Jezus tot hem zegt,- en is teruggereisd. 4:51 Reeds terwijl hij afdaalt komen de dienaars hem tegemoet en zeggen dat zijn jongen opleeft. 4:52 Dan verneemt hij van hen het uur waarin het beter met hem is gegaan; ze zeggen hem dan: gisteren het zevende uur liet de koorts hem los! 4:53 Dan onderkent de vader het: het was in datzelfde uur waarin Jezus hem zei: je zoon leeft op! Hij komt tot geloof, en heel zijn huis ook. 4:54 Dit tweede teken doet Jezus óók weer als hij aankomt uit Judea in Galilea!


- Bible de Jérusalem

John 4 1. Quand Jésus apprit que les Pharisiens avaient entendu dire qu'il faisait plus de disciples et en baptisait plus que Jean - 2. bien qu'à vrai dire Jésus lui-même ne baptisât pas, mais ses disciples -, 3. il quitta la Judée et s'en retourna en Galilée. 4. Or il lui fallait traverser la Samarie. 5. Il arrive donc à une ville de Samarie appelée Sychar, près de la terre que Jacob avait donnée à son fils Joseph. 6. Là se trouvait le puits de Jacob. Jésus, fatigué par la marche, se tenait donc assis près du puits. C'était environ la sixième heure. 7. Une femme de Samarie vient pour puiser de l'eau. Jésus lui dit : « Donne-moi à boire. » 8. Ses disciples en effet s'en étaient allés à la ville pour acheter de quoi manger. 9. La femme samaritaine lui dit : « Comment ! toi qui es Juif, tu me demandes à boire à moi qui suis une femme samaritaine ? » Les Juifs en effet n'ont pas de relations avec les Samaritains. 10. Jésus lui répondit : « Si tu savais le don de Dieu et qui est celui qui te dit : Donne-moi à boire, c'est toi qui l'aurais prié et il t'aurait donné de l'eau vive. » 11. Elle lui dit : « Seigneur, tu n'as rien pour puiser, et le puits est profond. D'où l'as-tu donc, l'eau vive ? 12. Serais-tu plus grand que notre père Jacob, qui nous a donné ce puits et y a bu lui-même, ainsi que ses fils et ses bêtes ? » 13. Jésus lui répondit : « Quiconque boit de cette eau aura soif à nouveau ; 14. mais qui boira de l'eau que je lui donnerai n'aura plus jamais soif ; l'eau que je lui donnerai deviendra en lui source d'eau jaillissant en vie éternelle. » 15. La femme lui dit : « Seigneur, donne-moi cette eau, afin que je n'aie plus soif et ne vienne plus ici pour puiser. » 16. Il lui dit : « Va, appelle ton mari et reviens ici. » 17. La femme lui répondit : « Je n'ai pas de mari. » Jésus lui dit : « Tu as bien fait de dire : «Je n'ai pas de mari», 18. car tu as eu cinq maris et celui que tu as maintenant n'est pas ton mari ; en cela tu dis vrai. » 19. La femme lui dit : « Seigneur, je vois que tu es un prophète... 20. Nos pères ont adoré sur cette montagne et vous, vous dites : C'est à Jérusalem qu'est le lieu où il faut adorer. » 21. Jésus lui dit : « Crois-moi, femme, l'heure vient où ce n'est ni sur cette montagne ni à Jérusalem que vous adorerez le Père. 22. Vous, vous adorez ce que vous ne connaissez pas ; nous, nous adorons ce que nous connaissons, car le salut vient des Juifs. 23. Mais l'heure vient - et c'est maintenant - où les véritables adorateurs adoreront le Père en esprit et en vérité, car tels sont les adorateurs que cherche le Père. 24. Dieu est esprit, et ceux qui adorent, c'est en esprit et en vérité qu'ils doivent adorer. » 25. La femme lui dit : « Je sais que le Messie doit venir, celui qu'on appelle Christ. Quand il viendra, il nous expliquera tout. » 26. Jésus lui dit : « Je le suis, moi qui te parle. » 27. Là-dessus arrivèrent ses disciples, et ils s'étonnaient qu'il parlât à une femme. Pourtant pas un ne dit : « Que cherches-tu ? » ou : « De quoi lui parles-tu ? » 28. La femme alors laissa là sa cruche, courut à la ville et dit aux gens : 29. « Venez voir un homme qui m'a dit tout ce que j'ai fait. Ne serait-il pas le Christ ? » 30. Ils sortirent de la ville et ils se dirigeaient vers lui. 31. Entre-temps, les disciples le priaient, en disant : « Rabbi, mange. » 32. Mais il leur dit : « J'ai à manger un aliment que vous ne connaissez pas. » 33. Les disciples se disaient entre eux : « Quelqu'un lui aurait-il apporté à manger ? » 34. Jésus leur dit : « Ma nourriture est de faire la volonté de celui qui m'a envoyé et de mener son œuvre à bonne fin. 35. Ne dites-vous pas : Encore quatre mois et vient la moisson ? Eh bien ! je vous dis : Levez les yeux et regardez les champs, ils sont blancs pour la moisson. Déjà 36. le moissonneur reçoit son salaire et récolte du fruit pour la vie éternelle, en sorte que le semeur se réjouit avec le moissonneur. 37. Car ici se vérifie le dicton : autre est le semeur, autre le moissonneur ; 38. je vous ai envoyés moissonner là où vous ne vous êtes pas fatigués ; d'autres se sont fatigués et vous, vous héritez de leurs fatigues. » 39. Un bon nombre de Samaritains de cette ville crurent en lui à cause de la parole de la femme, qui attestait : « Il m'a dit tout ce que j'ai fait. » 40. Quand donc ils furent arrivés près de lui, les Samaritains le prièrent de demeurer chez eux. Il y demeura deux jours 41. et ils furent bien plus nombreux à croire, à cause de sa parole, 42. et ils disaient à la femme : « Ce n'est plus sur tes dires que nous croyons ; nous l'avons nous-mêmes entendu et nous savons que c'est vraiment lui le sauveur du monde. » 43. Après ces deux jours, il partit de là pour la Galilée. 44. Jésus avait en effet témoigné lui-même qu'un prophète n'est pas honoré dans sa propre patrie. 45. Quand donc il vint en Galilée, les Galiléens l'accueillirent, ayant vu tout ce qu'il avait fait à Jérusalem lors de la fête ; car eux aussi étaient venus à la fête. 46. Il retourna alors à Cana de Galilée, où il avait changé l'eau en vin. Et il y avait un fonctionnaire royal, dont le fils était malade à Capharnaüm. 47. Apprenant que Jésus était arrivé de Judée en Galilée, il s'en vint le trouver et il le priait de descendre guérir son fils, car il allait mourir. 48. Jésus lui dit : « Si vous ne voyez des signes et des prodiges, vous ne croirez pas ! » 49. Le fonctionnaire royal lui dit : « Seigneur, descends avant que ne meure mon petit enfant. » 50. Jésus lui dit : « Va, ton fils vit. » L'homme crut à la parole que Jésus lui avait dite et il se mit en route. 51. Déjà il descendait, quand ses serviteurs, venant à sa rencontre, lui dirent que son enfant était vivant. 52. Il s'informa auprès d'eux de l'heure à laquelle il s'était trouvé mieux. Ils lui dirent : « C'est hier, à la septième heure, que la fièvre l'a quitté. » 53. Le père reconnut que c'était l'heure où Jésus lui avait dit : « Ton fils vit », et il crut, lui avec sa maison tout entière. 54. Ce nouveau signe, le second, Jésus le fit à son retour de Judée en Galilée.


- King James Bible

John.4 [1] When therefore the Lord knew how the Pharisees had heard that Jesus made and baptized more disciples than John, [2] (Though Jesus himself baptized not, but his disciples,) [3] He left Judaea, and departed again into Galilee. [4] And he must needs go through Samaria. [5] Then cometh he to a city of Samaria, which is called Sychar, near to the parcel of ground that Jacob gave to his son Joseph. [6] Now Jacob's well was there. Jesus therefore, being wearied with his journey, sat thus on the well: and it was about the sixth hour. [7] There cometh a woman of Samaria to draw water: Jesus saith unto her, Give me to drink. [8] (For his disciples were gone away unto the city to buy meat.) [9] Then saith the woman of Samaria unto him, How is it that thou, being a Jew, askest drink of me, which am a woman of Samaria? for the Jews have no dealings with the Samaritans. [10] Jesus answered and said unto her, If thou knewest the gift of God, and who it is that saith to thee, Give me to drink; thou wouldest have asked of him, and he would have given thee living water. [11] The woman saith unto him, Sir, thou hast nothing to draw with, and the well is deep: from whence then hast thou that living water? [12] Art thou greater than our father Jacob, which gave us the well, and drank thereof himself, and his children, and his cattle? [13] Jesus answered and said unto her, Whosoever drinketh of this water shall thirst again: [14] But whosoever drinketh of the water that I shall give him shall never thirst; but the water that I shall give him shall be in him a well of water springing up into everlasting life. [15] The woman saith unto him, Sir, give me this water, that I thirst not, neither come hither to draw. [16] Jesus saith unto her, Go, call thy husband, and come hither. [17] The woman answered and said, I have no husband. Jesus said unto her, Thou hast well said, I have no husband: [18] For thou hast had five husbands; and he whom thou now hast is not thy husband: in that saidst thou truly. [19] The woman saith unto him, Sir, I perceive that thou art a prophet. [20] Our fathers worshipped in this mountain; and ye say, that in Jerusalem is the place where men ought to worship. [21] Jesus saith unto her, Woman, believe me, the hour cometh, when ye shall neither in this mountain, nor yet at Jerusalem, worship the Father. [22] Ye worship ye know not what: we know what we worship: for salvation is of the Jews. [23] But the hour cometh, and now is, when the true worshippers shall worship the Father in spirit and in truth: for the Father seeketh such to worship him. [24] God is a Spirit: and they that worship him must worship him in spirit and in truth. [25] The woman saith unto him, I know that Messias cometh, which is called Christ: when he is come, he will tell us all things. [26] Jesus saith unto her, I that speak unto thee am he. [27] And upon this came his disciples, and marvelled that he talked with the woman: yet no man said, What seekest thou? or, Why talkest thou with her? [28] The woman then left her waterpot, and went her way into the city, and saith to the men, [29] Come, see a man, which told me all things that ever I did: is not this the Christ? [30] Then they went out of the city, and came unto him. [31] In the mean while his disciples prayed him, saying, Master, eat. [32] But he said unto them, I have meat to eat that ye know not of. [33] Therefore said the disciples one to another, Hath any man brought him ought to eat? [34] Jesus saith unto them, My meat is to do the will of him that sent me, and to finish his work. [35] Say not ye, There are yet four months, and then cometh harvest? behold, I say unto you, Lift up your eyes, and look on the fields; for they are white already to harvest. [36] And he that reapeth receiveth wages, and gathereth fruit unto life eternal: that both he that soweth and he that reapeth may rejoice together. [37] And herein is that saying true, One soweth, and another reapeth. [38] I sent you to reap that whereon ye bestowed no labour: other men laboured, and ye are entered into their labours. [39] And many of the Samaritans of that city believed on him for the saying of the woman, which testified, He told me all that ever I did. [40] So when the Samaritans were come unto him, they besought him that he would tarry with them: and he abode there two days. [41] And many more believed because of his own word; [42] And said unto the woman, Now we believe, not because of thy saying: for we have heard him ourselves, and know that this is indeed the Christ, the Saviour of the world. [43] Now after two days he departed thence, and went into Galilee. [44] For Jesus himself testified, that a prophet hath no honour in his own country. [45] Then when he was come into Galilee, the Galilaeans received him, having seen all the things that he did at Jerusalem at the feast: for they also went unto the feast. [46] So Jesus came again into Cana of Galilee, where he made the water wine. And there was a certain nobleman, whose son was sick at Capernaum. [47] When he heard that Jesus was come out of Judaea into Galilee, he went unto him, and besought him that he would come down, and heal his son: for he was at the point of death. [48] Then said Jesus unto him, Except ye see signs and wonders, ye will not believe. [49] The nobleman saith unto him, Sir, come down ere my child die. [50] Jesus saith unto him, Go thy way; thy son liveth. And the man believed the word that Jesus had spoken unto him, and he went his way. [51] And as he was now going down, his servants met him, and told him, saying, Thy son liveth. [52] Then inquired he of them the hour when he began to amend. And they said unto him, Yesterday at the seventh hour the fever left him. [53] So the father knew that it was at the same hour, in the which Jesus said unto him, Thy son liveth: and himself believed, and his whole house. [54] This is again the second miracle that Jesus did, when he was come out of Judaea into Galilee.


- Luther Bibel

Jesus und die Samariterin 41Als nun Jesus erfuhr, dass den Pharisäern zu Ohren gekommen war, dass er mehr zu Jüngern machte und taufte als Johannes 2– obwohl Jesus nicht selber taufte, sondern seine Jünger –, 3verließ er Judäa und ging wieder nach Galiläa. 4Er musste aber durch Samarien reisen. 5Da kam er in eine Stadt Samariens, die heißt Sychar, nahe bei dem Feld, das Jakob seinem Sohn Josef gab. 6Es war aber dort Jakobs Brunnen. Weil nun Jesus müde war von der Reise, setzte er sich am Brunnen nieder; es war um die sechste Stunde. 7Da kommt eine Frau aus Samarien, um Wasser zu schöpfen. Jesus spricht zu ihr: Gib mir zu trinken! 8Denn seine Jünger waren in die Stadt gegangen, um Essen zu kaufen. 9Da spricht die samaritische Frau zu ihm: Wie, du bittest mich um etwas zu trinken, der du ein Jude bist und ich eine samaritische Frau? Denn die Juden haben keine Gemeinschaft mit den Samaritern. – 10Jesus antwortete und sprach zu ihr: Wenn du erkenntest die Gabe Gottes und wer der ist, der zu dir sagt: Gib mir zu trinken!, du bätest ihn und er gäbe dir lebendiges Wasser. 11Spricht zu ihm die Frau: Herr, hast du doch nichts, womit du schöpfen könntest, und der Brunnen ist tief; woher hast du dann lebendiges Wasser? 12Bist du mehr als unser Vater Jakob, der uns diesen Brunnen gegeben hat? Und er hat daraus getrunken und seine Kinder und sein Vieh. 13Jesus antwortete und sprach zu ihr: Wer von diesem Wasser trinkt, den wird wieder dürsten; 14wer aber von dem Wasser trinken wird, das ich ihm gebe, den wird in Ewigkeit nicht dürsten, sondern das Wasser, das ich ihm geben werde, das wird in ihm eine Quelle des Wassers werden, das in das ewige Leben quillt. 15Spricht die Frau zu ihm: Herr, gib mir solches Wasser, damit mich nicht dürstet und ich nicht herkommen muss, um zu schöpfen! 16Jesus spricht zu ihr: Geh hin, ruf deinen Mann und komm wieder her! 17Die Frau antwortete und sprach zu ihm: Ich habe keinen Mann. Jesus spricht zu ihr: Du hast recht geantwortet: Ich habe keinen Mann. 18Fünf Männer hast du gehabt, und der, den du jetzt hast, ist nicht dein Mann; das hast du recht gesagt. 19Die Frau spricht zu ihm: Herr, ich sehe, dass du ein Prophet bist. 20Unsere Väter haben auf diesem Berge angebetet, und ihr sagt, in Jerusalem sei die Stätte, wo man anbeten soll. 21Jesus spricht zu ihr: Glaube mir, Frau, es kommt die Zeit, dass ihr weder auf diesem Berge noch in Jerusalem den Vater anbeten werdet. 22Ihr wisst nicht, was ihr anbetet; wir wissen aber, was wir anbeten; denn das Heil kommt von den Juden. 23Aber es kommt die Zeit und ist schon jetzt, in der die wahren Anbeter den Vater anbeten werden im Geist und in der Wahrheit; denn auch der Vater will solche Anbeter haben. 24 Gott ist Geist, und die ihn anbeten, die müssen ihn im Geist und in der Wahrheit anbeten. 25Spricht die Frau zu ihm: Ich weiß, dass der Messias kommt, der da Christus heißt. Wenn dieser kommt, wird er uns alles verkündigen. 26Jesus spricht zu ihr: Ich bin's, der mit dir redet. 27Unterdessen kamen seine Jünger, und sie wunderten sich, dass er mit einer Frau redete; doch sagte niemand: Was fragst du?, oder: Was redest du mit ihr? 28Da ließ die Frau ihren Krug stehen und ging in die Stadt und spricht zu den Leuten: 29Kommt, seht einen Menschen, der mir alles gesagt hat, was ich getan habe, ob er nicht der Christus sei! 30Da gingen sie aus der Stadt heraus und kamen zu ihm. 31Inzwischen mahnten ihn die Jünger und sprachen: Rabbi, iss! 32Er aber sprach zu ihnen: Ich habe eine Speise zu essen, von der ihr nicht wisst. 33Da sprachen die Jünger untereinander: Hat ihm jemand zu essen gebracht? 34Jesus spricht zu ihnen: Meine Speise ist die, dass ich tue den Willen dessen, der mich gesandt hat, und vollende sein Werk. 35Sagt ihr nicht selber: Es sind noch vier Monate, dann kommt die Ernte? Siehe, ich sage euch: Hebt eure Augen auf und seht auf die Felder, denn sie sind reif zur Ernte. 36Wer erntet, empfängt schon seinen Lohn und sammelt Frucht zum ewigen Leben, damit sich miteinander freuen, der da sät und der da erntet. 37Denn hier ist der Spruch wahr: Der eine sät, der andere erntet. 38Ich habe euch gesandt zu ernten, wo ihr nicht gearbeitet habt; andere haben gearbeitet, und euch ist ihre Arbeit zugute gekommen. 39Es glaubten aber an ihn viele der Samariter aus dieser Stadt um der Rede der Frau willen, die bezeugte: Er hat mir alles gesagt, was ich getan habe. 40Als nun die Samariter zu ihm kamen, baten sie ihn, bei ihnen zu bleiben; und er blieb zwei Tage da. 41Und noch viel mehr glaubten um seines Wortes willen 42und sprachen zu der Frau: Von nun an glauben wir nicht mehr um deiner Rede willen; denn wir haben selber gehört und erkannt: Dieser ist wahrlich der Welt Heiland. Heilung des Sohnes eines königlichen Beamten 43Aber nach zwei Tagen ging er von dort weiter nach Galiläa. 44Denn er selber, Jesus, bezeugte, dass ein Prophet daheim nichts gilt. 45Als er nun nach Galiläa kam, nahmen ihn die Galiläer auf, die alles gesehen hatten, was er in Jerusalem auf dem Fest getan hatte; denn sie waren auch zum Fest gekommen. 46Und Jesus kam abermals nach Kana in Galiläa, wo er das Wasser zu Wein gemacht hatte. Und es war ein Mann im Dienst des Königs; dessen Sohn lag krank in Kapernaum. 47Dieser hörte, dass Jesus aus Judäa nach Galiläa kam, und ging hin zu ihm und bat ihn, herabzukommen und seinem Sohn zu helfen; denn der war todkrank. 48Und Jesus sprach zu ihm: Wenn ihr nicht Zeichen und Wunder seht, so glaubt ihr nicht. 49Der Mann sprach zu ihm: Herr, komm herab, ehe mein Kind stirbt! 50Jesus spricht zu ihm: Geh hin, dein Sohn lebt! Der Mensch glaubte dem Wort, das Jesus zu ihm sagte, und ging hin. 51Und während er hinabging, begegneten ihm seine Knechte und sagten: Dein Kind lebt. 52Da erforschte er von ihnen die Stunde, in der es besser mit ihm geworden war. Und sie antworteten ihm: Gestern um die siebente Stunde verließ ihn das Fieber. 53Da merkte der Vater, dass es die Stunde war, in der Jesus zu ihm gesagt hatte: Dein Sohn lebt. Und er glaubte mit seinem ganzen Hause. 54Das ist nun das zweite Zeichen, das Jesus tat, als er aus Judäa nach Galiläa kam.


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar