JOHANNESEVANGELIE , hoofdstuk 10 , Joh 10 -
- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -

- Joh 9,39-10,21 -- Joh 10,11-18 -- Joh 10,27-30 -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Joh : overzicht , Joh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Joh : commentaar ,

Overzicht van het Johannesevangelie : Joh 1 , Joh 2 , Joh 3 , Joh 4 , Joh 5 , Joh 6 , Joh 7 , Joh 8 , Joh 9 , Joh 10 , Joh 11 , Joh 12 , Joh 13 , Joh 14 , Joh 15 , Joh 16 , Joh 17 , Joh 18 , Joh 19 , Joh 20 , Joh 21 ,

  Joh 1 Joh 2 Joh 3 Joh 4 Joh 5 Joh 6 Joh 7 Joh 8 Joh 9 Joh 10 Joh 11 Joh 12 Joh 13 Joh 14 Joh 15 Joh 16 Joh 17 Joh 18 Joh 19 Joh 20 Joh 21
                                           

Tekstuitleg per perikope : - Joh 9,39-10,21 - Joh 10,22-42 -
Tekstuitleg vers per vers : - Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 - Joh 10,22 - Joh 10,23 - Joh 10,24 - Joh 10,25 - Joh 10,26 - Joh 10,27 - Joh 10,28 - Joh 10,29 - Joh 10,30 - Joh 10,31 - Joh 10,32 - Joh 10,33 - Joh 10,34 - Joh 10,35 - Joh 10,36 - Joh 10,37 - Joh 10,38 - Joh 10,39 - Joh 10,40 - Joh 10,41 - Joh 10,42 -


1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      


Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Joh 10,11-18 : 4de (vierde) paaszondag B .
- Joh 10,27-30 : 4de (vierde) paaszondag C .

Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

-
OT : Gn (Genesis ) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42 - Joh 10,22-42 -


De herder en zijn schapen : Joh 9,39-10,21 - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -

: De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -

                   
  Joh 10,1b   Joh 10,2   Joh 10,4b Joh 10,5      
  ho mè eiserchomenos (de niet binnenkomende) alla anabainôn (maar omhoogklimmend) ho de eiserchomenos (de echter binnenkomende)   kai ta probata (en de schapen)        
  dia tès thuras (via de deur) allachothen (langs een andere weg) dia tès thuras (via de deur)   autôi akolouthei (volgen hem) allotriôi de ou mè akolouthousin (een vreemdeling zullen zij niet volgen)...      
  eis tèn aulèn tôn probatôn (in de schaapsstal)       hoti (omdat) hoti (omdat)      
    ekeinos (die)     oidasin (zij kennen) ouk oidasin (zij niet kennen)      
    kleptès estin kai lèistès ( is een dief en een rover) poimèn estin tôn probatôn (hij is de herder van de schapen)   tèn fônèn autou (zijn stem) tôn allotriôn tèn fônèn (de stem van de vreemdelingen)      
                   
                   
                   

 

 Joh 10,19
- palin (opnieuw. 45X bij Johannes) - dia + accusatief : omwille van; zie dia : 44X bij Johannes -

Evangelie op de 4de (vierde) paaszondag A : Joh 10,1-10 .

In die tijd zei Jezus: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover. Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen. Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten. En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen. Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen." Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen. Een ander keer zei Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: "Ik ben de deur van de schapen. Allen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd. Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed."

De evangelist Marcus overkoepelt zijn evangelie met het thema herder. Dat doet hij echter op een verborgen wijze. Na de overlevering van Johannes de Doper aan koning Herodes gaat Jezus terug naar zijn geboortestreek Galilea. Daar roept hij zijn vier eerste leerlingen: tweemaal twee broers; Simon en Andreas, Jakobus en Johannes. Uit het evangelie van Johannes weten we dat sommigen van hen voordien leerlingen van Johannes de Doper waren. Zij zijn dus geen vreemden voor Jezus. Maar na de gevangenneming van Johannes de Doper waren zij naar hun geboorteplaats Kafarnaüm teruggegaan en hadden hun beroep hervat. De roeping van deze leerlingen door Jezus komt zomaar niet uit de hemel vallen. Jezus vist hen op en maakt hen tot zijn leerlingen, zoals zij eerder leerlingen van Johannes de Doper waren. Wanneer Johannes de Doper wordt gedood, merkt Jezus op het volk ronddoolt als een kudde zonder herder. Jezus neemt dan het spiritueel leiderschap (herderschap) van Johannes de Doper over. Na de vondst van het lege graf door de vrouwen geeft Jezus aan de vrouwen de opdracht om aan zijn leerlingen en aan Petrus te zeggen dat Jezus hen zal voorgaan naar Galilea, naar de streek waar Jezus heb eertijds riep. De leerlingen ervaren dat Jezus hen opvist zoals hij eertijds hen opviste bij de roeping van de eerste vier leerlingen. Als een herder zoekt Jezus de verstrooide schapen op en verenigt hen rond zich. De andere synoptici bespreken dit thema van de herder nog uitvoeriger. De evangelist Johannes werkt dit thema uitvoerig uit in Joh 10. De schrijvers van het NT putten hun ideeën aan het OT. Immers het NT wordt gezien als de vervulling en voltooiïng van het OT. We vinden dit thema bij de profeten Jeremia, Ezechiël, Zacharia.

- Jr 23,1-4. 23:1 Wee de kwalijke herders die het wolvee dat ik weid verloren laten lopen en verstrooien!, is de tijding van de Ene. Jeremia 23:2 Daarom heeft de Ene, Israëls god, zó gezegd tot de kwalijke herders die mijn gemeente kwalijk weiden: gij allen die mijn wolvee hebt verstrooid, hen hebt weggestoten en hen niet hebt opgezocht, zie, ik bezoek aan u het kwaad van uw handelingen, is de tijding van de Ene; 23:3 zelf zal ik de rest van mijn wolvee verzamelen uit al de landen waarheen ik hen verstoten heb,- en hen doen terugkeren naar hun oase waar ze kunnen bloeien en groeien; 23:4 ik zal over hen doen opstaan herders die hen werkelijk weiden,- en zij hoeven niet meer bevreesd of gebroken te zijn en te worden opgezocht, is de tijding van de Ene. (Naardense vertaling).
- Ez 34,1-23. 1 Dan geschiedt het spreken van de Ene aan mij om te zeggen: 2 mensenzoon, profeteer over Israëls herders,- profeteer en zeg tot hen, tot de herders: zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene: wee de herders van Israël die herders voor zichzelf geworden zijn!- is het niet het wolvee waarvoor herders herder zijn?- 3 het vet eet ge op, met de wol kleedt ge u en het gemeste slacht ge,- maar het wolvee weidt ge niet; 4 die zwak werden hebt ge niet versterkt en wat ziek was hebt ge niet genezen; het gebrokene hebt ge niet verbonden, het opgedrevene niet helpen terugkeren en het verlorene niet gezocht; ge hebt over hen geheerst met hardheid en met bruut geweld; 5 zij raken verstrooid, zo zonder herder; zij worden eetwaar voor al wat in het wild leeft op het veld en raken verstrooid; 6 nu dwalen ze, mijn wolvee, over alle bergen en over elke heuvel die zich verheft; over heel het aanschijn van de aarde zijn ze verstrooid, mijn wolvee, en geen die naar ze vraagt, geen die zoekt; 7 daarom, herders, hoort het spreken van de Ene!- 8 zowaar ik leef, is de tijding van mijn Heer, de Ene, ondenkbaar dat ik niet…!- omdat mijn wolvee tot buit is geworden, en zij, mijn wolvee, tot eten zijn geworden voor al wat in het wild leeft op het veld nu er geen herder is, en mijn herders niet eens hebben gevraagd naar mijn wolvee,- de herders weiden zichzelf en mijn wolvee hebben ze niet geweid,- •• 9 daarom, herders, hoort het spreken van de Ene!- 10 zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene: zie, hier ben ik tégen die herders, terugvragen zal ik mijn wolvee uit hun hand en ik zal ze laten ophouden met het weiden van een kudde, ze zullen niet langer herder zijn, zij die zichzelf weiden; ik zal mijn wolvee redden uit hun mond, en zij zullen niet langer hun eten wezen! •• 11 Want zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene: hier ben ik, ikzelf, ik zal vragen naar mijn wolvee, ik zal ze bijeen zoeken; 12 zoals een herder zijn kudde bijeenzoekt op de dag dat hij te midden van zijn verspreid geraakte wolvee is, zó zal ik mijn wolvee bijeenzoeken; redden zal ik hen uit alle oorden waarheen zij zijn verstrooid op een dag van wolkendek en duisternis; 13 uitleiden zal ik hen uit de gemeenschappen, vergaderen zal ik hen uit de landen en doen komen zal ik hen naar hun eigen –rode– grond; weiden zal ik hen op Israëls bergen, in de dalen en bij alle nederzettingen in het land; 14 op een goede weide zal ik hen weiden en op de bergen van Israëls hoogvlakte zal hun graasplaats zijn; daar zullen ze zich neervlijen op een goede graasplek, op een vette weide zullen zij weiden op Israëls bergen; 15 ikzelf zal mijn wolvee weiden en ikzelf laat ze neerliggen, is de tijding van mijn Heer, de Ene; 16 het verlorene zal ik zoeken en het opgedrevene zal ik helpen terugkeren, het gebrokene zal ik verbinden en het verzwakte versterken; over het vette en sterke zal ik waken, ik zal het weiden volgens recht en regel; 17 jullie, mijn wolvee, zó heeft gezegd mijn Heer, de Ene: hier ben ik, rechtsprekend tussen lam en lam, voor de rammen en de bokken; 18 is het u te weinig om de goede weide te beweiden dat ge de overige van uw weiden met uw voeten vertreedt?- om het klaarste water te drinken dat ge het overige met uw voeten vertroebelt?- 19 mijn wolvee,- moeten ze afweiden wat uw voeten hebben vertreden en opdrinken wat uw voeten hebben vertroebeld? •• 20 Daarom, zó heeft mijn Heer, de Ene, tot hen gezegd: hier ben ik, ikzelf, rechtspreken zal ik tussen een gemest lam en een mager lam; 21 omdat ge met flank en schouder wegduwt en met uw horens verstoot allen die verzwakt zijn,- totdat ge ze verstrooid hebt het buitengebied in, 22 zal ik redding brengen aan mijn wolvee en zullen ze niet langer een prooi worden; rechtspreken zal ik tussen lam en lam; 23 ik zal over hen doen opstaan één herder die hen zal weiden: mijn dienaar David; hij zal ze weiden, hij zal voor hen een herder wezen;
- Zach 2b-3: Daarom dolen de mensen maar rond, als schapen die ontredderd zijn omdat ze geen herder hebben. [3] Tegen de herders* ben Ik in woede ontbrand en de bokken zal Ik weten te vinden. De heer van de machten zal zelf zijn kudde weer vinden, – het huis Juda –.
- Zach 11,16-17. [16] Want Ik zal in dit land een herder laten optreden, die ervoor zorgt dat het dier te gronde gaat, die het vermiste dier niet zoekt, het gekwetste niet heelt, het nog overeindstaande niet verzorgt, maar die het vlees van de vette dieren opeet en hun de hoeven afrukt. [17] Wee de herder die niet deugt, die de schapen in de steek laat! Het zwaard zal zijn arm treffen en zijn rechteroog: zijn arm zal volkomen vergaan, zijn rechteroog helemaal verduisteren.’  
- Zach 13,7. "πατάξατε τοὺς ποιμένας καὶ ἐκσπάσατε τὰ πρόβατα, καὶ ἐπάξω τὴν χεῖρά μου ἐπὶ τοὺς ποιμένας.(Slaat de herders en verstrooi de schapen en ik zal mijn hand opheffen tegen de herders). Zie Mc 14,27 en Mt 26,31: "Πατάξω τὸν ποιμένα, καὶ τὰ πρόβατα διασκορπισθήσονται (= pataksô ton poimena, kai ta probata diaskorpisthèsontai: Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden;). De evangelisten hebben de tekst van Ezechiël bewerkt. De omgewerkte tekst wordt als schriftwoord geciteerd door Jezus, wanneer hij na het Laatste Avondmaal met zijn leerlingen naar de Olijfberg gaat.

Joh 10,1-10 schetst de tegenstelling tussen vreemden (voor de schapen) en de herder (Joh 10,1-5). In Joh 10,7-10 wordt de vergelijking toegepast op Jezus. . De vreemden willen voordeel halen en zijn op zichzelf gericht. De herder Jezus is bezorgd voor het welzijn van de schapen.

Joh 10,1 - Joh 10,1 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1 Ἀμὴν ἀμὴν λέγω ὑμῖν, ὁ μὴ εἰσερχόμενος διὰ τῆς θύρας εἰς τὴν αὐλὴν τῶν προβάτων ἀλλὰ ἀναβαίνων ἀλλαχόθεν ἐκεῖνος κλέπτης ἐστὶν καὶ λῃστής 1 amen amen dico vobis qui non intrat per ostium in ovile ovium sed ascendit aliunde ille fur est et latro  1 Voorwaar, voorwaar zeg Ik ulieden: Die niet ingaat door de deur in den stal der schapen, maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar.   In die tijd zei Jezus: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Wie niet door de deur, maar langs een andere weg de schaapskooi binnengaat, hij is een dief en een rover.   [1] Waarachtig*, Ik verzeker u: wie niet door de deur de hof* van de schapen binnenkomt, maar naar binnen klimt op een andere plaats, kan alleen maar een dief* zijn en een bandiet.   [1] ‘Waarachtig, ik verzeker u: wie de schaapskooi niet binnengaat door de deur maar ergens anders naar binnen klimt, is een dief of een rover.   1 ¶ Vast en zeker is het, zeg ik u: wie niet door de deur komt in de hof van de schapen maar ergens anders inklimt, die is een dief, een rover;   1. « En vérité, en vérité, je vous le dis, celui qui n'entre pas par la porte dans l'enclos des brebis, mais en fait l'escalade par une autre voie, celui-là est un voleur et un brigand ;  

King James Bible . [1] Verily, verily, I say unto you, He that entereth not by the door into the sheepfold, but climbeth up some other way, the same is a thief and a robber.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Joh 10,1. Hoe moeten we αὐλὴ begrijpen? En met wie zijn de dieven en rovers bedoeld?

Joh 10,1.7. εισερχομενος (= eiserchomenos: de komende naar; wkw part praes nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen). NT (3): (1) Joh 10,1 (2X). (2) Joh 10,2. (3) Heb 10,5. Joh 10,1 en Joh 10,2 zijn paralel opgebouwd. Wie niet via de deur binnenkomt, is een dief en een rover. Wie via de deur binnenkomt, is de herder.
- Een vorm van 'komen' komt in Joh 10,1-10 veelvuldig voor.
- Met Joh 10,10 eindigt het verhaal van de deur. Joh 10,1-2 vormt een inclusio met Joh 10,10: "ο κλεπτης ουκ ερχεται ει μη ινα": de dief komt niet tenzij om... "εγω ηλθον ινα": ik ben gekomen om...Dezelfde volgorde (dief tegenover de herder / Jezus).
-

Joh 10,1.8. dia + genitief: via, langs; zie dia: 44X bij Johannes.

Joh 10,1.10. - θυρας (= thuras: deur; zn gen vr enk of acc vr mv θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet). Bijbel (98). OT (90). NT (8). Joh (2): (1) Joh 10,1. (2) Joh 10,2. Mt (1): Mt 28,2 (het wegrollen van de steen van de deur van het gedenkteken). Mc (1): Mc 16,3 (het wegrollen van de steen van de deur van het gedenkteken). Hnd (2). (1) Hnd 12,6: zn acc vr mv; de engel van de Heer opende de deuren van de gevangenis. (2) Hnd 16,27. zn acc vr mv; toen hij de deuren van de gevangenis open zag staan. (3) Br (1). 2 Kor 2,12 (en daarvoor voor mij door de Heer de deur werd geopend).

θύρας (= thuras: deur; zn gen vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet). NT (8). Joh (2): (1) Joh 10,1. (2) Joh 10,2. Mt (1): Mt 28,2 (het wegrollen van de steen van de deur van het gedenkteken). Mc (1): Mc 16,3 (het wegrollen van de steen van de deur van het gedenkteken). Hnd (2). (1) Hnd 12,6: zn acc vr mv; de engel van de Heer opende de deuren van de gevangenis. (2) Hnd 16,27. zn acc vr mv; toen hij de deuren van de gevangenis open zag staan. (3) Br (1). 2 Kor 2,12 (en daarvoor voor mij door de Heer de deur werd geopend).

- θύραν (= thuran: deur; zn acc vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet). thuran ( deur ). Taalgebruik in het NT: thura (deur). Taalgebruik in Mc: thura (deur). Lat. ianua (de god Janus had twee gezichten: vooraan, achteraan, zie de maand januari). Fr. porte < Lat. porta cfr. fores (buiten). Bijbel (72). OT (60). NT (12). Mt (1): Mt 6,6. Mc (4): (1) Mc 1,33. (2) Mc 2,2. (3) Mc 11,4. (4) Mc 15,46. Lc (1): Lc 13,25.
Mc (4):
(1) Mc 1,33: ἐπισυνηγμένη πρὸς τὴν θύραν (= episunègmenè pros tèn thuran: zich bijeenverzameld bij de deur).
(2) Mc 2,2: καὶ συνήχθησαν πολλοὶ ὥστε μηκέτι χωρεῖν μηδὲ τὰ πρὸς τὴν θύραν (pros tèn thuran): en velen verzamelden zich zodat niet meer konden komen, zelfs niet tot bij de deur).
(3) Mc 11,4: πῶλον δεδεμένον πρὸς θύραν (een ezel gebonden bij de deur).
(4) Mc 15,46: καὶ προσεκύλισεν λίθον ἐπὶ τὴν θύραν τοῦ μνημείου (kai prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou: en hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken). Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd. Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf. Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten.

Er zijn plotseling verbanden die voorheen niet werden gezien. Om water te putten moet Jakob de steen wegrollen. Om water te putten, moet hij een 'emmer' naar beneden laten om water te putten. In Mt 28,2 is de gelijkenis met Gn 29,10 overduidelijk. Als we de twee verhalen naast elkaar leggen, dan zou het kunnen dat de deur van het gedenkteken niet aan de zijkant, maar bovenaan is en dat de steen boven het graf wordt bij- en weggerold. Dan gaat men ook niet langszij het graf binnen, maar van boven via b.v. trapjes naar beneden. In het verhaal van de lamme laten vier mannen de draagberrie met de man naar beneden zakken voor de voeten van Jezus. Het roept het beeld op van een begrafenis, waarbij vier mannen de doodskist in de kuil van de aarde (uitgegraven) neerlaten. In het verhaal van de schoonmoeder van Petrus lag de schoonmoeder met koorts te bed. Het geeft een beeld van een dode die ligt. Jezus wekt haar op. Het huis waarin eerst ziekte en dood was, wordt een huis van leven. De mensen brengen al hun zieken naar het huis van de levende. Het is zoals het lied verwoordt: Midden in de dood zijn wij in het leven,..

Joh 10,1.8.-10. δια της θυρας (= dia tès thuras: via de deur). NT (2): (1) Joh 10,1. (2) Joh 10,2.

Joh 10,1.13. αὐλὴν (= aulèn: voorhof; zn acc vr enk van het zn αὐλὴ = aulè: hof, binnenplaats, voorhof, woning, paleis). Joh 10,1. Het Hebreeuwse woord is chazer. Tenach (145). Tenach (115): de binnenplaats van het centrale heiligdom van de tempel. NT (6).

17. ἀναβαίνων (= anabainôn: opklimmend; wkw act praes part nom mann enk van het wkw αναβαινω = anabainô: beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen; stam: ana-banJ). Technische term voor het opgaan naar Jeruzalem.
- De gewelddadige zeloten hebben rond het jaar 70 na Christus de macht over Jeruzalem genomen en een schrikbewind uitgeoefend met vele doden tot gevolg. Zijn deze zeloten bedoeld met de term rovers. En zijn dan met de schapen de geweldloze burgers genoemd?
- De termen aulè en anabainôn verwijzen ongetwijfeld naar de tempel.

Joh 10,1.20. κλεπτης (= kleptès: dief, bedrieger; zn nom mann enk). (1) Joh 10,1. (2) Joh 10,10.). In Joh 12,6 wordt Judas Iskarioth een dief genoemd.
- κλεπται (= kleptai: dieven; zn nom mann mv van het zn κλεπτης = kleptès: dief, bedrieger). Joh 10,8.

Joh 10,1.15. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

Joh 10,1.23. λῃστης (= lèstès: rover. nom mann enk). - Joh 10,1 (parabel) - Joh 18,40 (Barabbas).
- λησται (= lèstai: rovers; zn nom mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover). NT (3). (1) Mt 27,38 (de twee gekruisigde rovers) (2) Mt 27,44. (3) Joh 10,8.
- λῃστῶν (= lèstôn: van rovers; zn gen mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover). Jr 7,11: μὴ σπήλαιον λῃστῶν ὁ οἶκός μου: Is mijn huis... soms een rovershol? Mc 11,17 // Mt 21,13 // Lc 19,46 (tempelreiniging).
- λῃστάς (= lèstas: rovers; zn acc mann mv van het zn λῃστης = lèstès: rover). NT (2). (1) Mc 15,27 (// Mt 27,38; rovers, bandieten, moordenaars naast Jezus aan het kruis). (2) Lc 10,36 (barmhartige Samaritaan).


Joh 10,2 - Joh 10,2 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2 ὁ δὲ εἰσερχόμενος διὰ τῆς θύρας ποιμήν ἐστιν τῶν προβάτων. 2 qui autem intrat per ostium pastor est ovium  2 Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.  Maar wie door de deur binnengaat, is de herder van de schapen.   [2] Wie wel door de deur binnenkomt, is de herder van de schapen.   [2] Wie door de deur naar binnen gaat, is de herder van de schapen.   2 die door de deur komt is de herder van de schapen;   2. celui qui entre par la porte est le pasteur des brebis.  

King James Bible . [2] But he that entereth in by the door is the shepherd of the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,2.

Joh 10,2.3. εισερχομενος (= eiserchomenos: de komende naar; wkw part praes nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen). NT (3): (1) Joh 10,1 (2X). (2) Joh 10,2. (3) Heb 10,5. Joh 10,1 en Joh 10,2 zijn paralel opgebouwd. Wie niet via de deur binnenkomt, is een dief en een rover. Wie via de deur binnenkomt, is de herder.

Joh 10,2.6. θύρας (= thuras: deur; zn gen vr enk van het zn θυρα = thura. Ned: deur D: Tür E: door. Stam: d/t/th - r. Gr: δελτα = delta; 4de letter van het Griekse alfabet). NT (8). Joh (2): (1) Joh 10,1. (2) Joh 10,2.

Joh 10,2.7. ποιμην (= poimèn: herder). Nt (7). Joh (6): (1) Joh 10,2. (2) Joh 10,11. (3) Joh 10,12. (4) Joh 10,14. (5) Joh 10,16.
- Zie: (1) Joh 10,11. (2) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder). In Joh 1-6 gaat het over een herder in het algemeen. Vanaf Joh 10,7 past Jezus het toe op zichzelf.

Joh 10,2.11. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

7.9-11. ποιμην ... των προβατων (= poimèn ... tôn probatôn: de herder van de schapen. (1) Joh 10,2. (2)


Joh 10,3 - Joh 10,3 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3 τούτῳ ὁ θυρωρὸς ἀνοίγει, καὶ τὰ πρόβατα τῆς φωνῆς αὐτοῦ ἀκούει, καὶ τὰ ἴδια πρόβατα φωνεῖ κατ' ὄνομα καὶ ἐξάγει αὐτά. 3 huic ostiarius aperit et oves vocem eius audiunt et proprias oves vocat nominatim et educit eas   3 Dezen doet de deurwachter open, en de schapen horen zijn stem; en hij roept zijn schapen bij name, en leidt ze uit.  Hem doet de deurwachter open. De schapen luisteren naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.  [3] Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen zijn stem. Zijn schapen roept hij ieder bij zijn naam, en hij brengt ze naar buiten. [3] Voor hem doet de bewaker open. De schapen luisteren naar zijn stem, hij roept zijn eigen schapen bij hun naam en leidt ze naar buiten.   3 voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem; hij roept zijn schapen bij name en leidt ze naar buiten;  3. Le portier lui ouvre et les brebis écoutent sa voix, et ses brebis à lui, il les appelle une à une et il les mène dehors.  

King James Bible . [3] To him the porter openeth; and the sheep hear his voice: and he calleth his own sheep by name, and leadeth them out.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,3.

Joh 10,3.4. ανοιγει (= anoigei: opent; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw anoigô: openen). Joh 10,3.

Joh 10,3.9. φωνης (= fônès: van de stem; zn gen vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep). NT (24). Joh (6).
(1) Joh 5,25: οτε οι νεκροι ακουσονται της φωνης του υιου του Θεου και οι ακουσαντες ζησονται: wanneer de doden zullen luisteren naar de stem van de zoon van God en de luisteraars zullen leven".
(2) Joh 5,28: οτι ερχεται ωρα εν η παντες οι εν τοις μνημειοις ακουσονται της φωνης αυτου: dat het uur komt waarop allen die in de grafgedenktekens zijn, zullen luisteren naar zijn stem.
(3) Joh 10,3: και τα προβατα της φωνης αυτου ακουει: en de schapen luisteren naar zijn stem.
(4) Joh 10,16: και αλλα προβατα εχω α ουκ εστιν εκ της αυλης ταυτης κακεινα με δει αγαγειν και της φωνης μου ακουσουσιν και γενησεται μια ποιμνη εις ποιμην: en ik heb andere schapen die niet uit deze 'schaapsstal' zijn; ook deze moet ik leiden en zij zullen luisteren naar mijn stem en zij zullen worden één kudde één herder.
(5) Joh 18,27: τα προβατα τα εμα της φωνης μου ακουει καγω γινωσκω αυτα και ακολουθουσιν μοι: mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij.
(6) Joh 18,37: πας ο ων εκ της αληθειας ακουει μου της φωνης: al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem (Jezus tot Pilatus).

Joh 10,3.11. ακουει (= akouei: hij luistert; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren). NT (16). Joh (4):
(1) Joh 8,47: ο ων εκ του Θεου τα ρηματα του Θεου ακουει: wie uit God is, luistert naar de woorden van God. .
(2) Joh 9,31.
(3) Joh 10,3: και τα προβατα της φωνης αυτου ακουει: en de schapen luisteren naar zijn stem.
(4) Joh 18,27: τα προβατα τα εμα της φωνης μου ακουει καγω γινωσκω αυτα και ακολουθουσιν μοι: mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze en zij volgen mij.
(5) Joh 18,37: πας ο ων εκ της αληθειας ακουει μου της φωνης: al wie uit de waarheid is, luistert naar mijn stem (Jezus tot Pilatus).

Joh 10,3.18. ονομα (= onoma: naam; zn nom en acc onz enk). Taalgebruik in het NT: onoma (naam). Bijbel (676). OT (578). NT (98). Mt (10). Mc (6). Lc (15). Joh (11).



                   
  Joh 10,1b   Joh 10,2   Joh 10,4b Joh 10,5      
  ho mè eiserchomenos (de niet binnenkomende) alla anabainôn (maar omhoogklimmend) ho de eiserchomenos (deechter binnenkomende)   kai ta probata (en de schapen)        
  dia tès thuras (via de deur) allachothen (langs een andere weg) dia tès thuras (via de deur)   autôi akolouthei (volgen hem) allotriôi de ou mè akolouthousin (een vreemdeling zullen zij niet volgen)...      
  eis tèn aulèn tôn probatôn (in de schaapsstal)       hoti (omdat) hoti (omdat)      
    ekeinos (die)     oidasin (zij kennen) ouk oidasin (zij niet kennen)      
    kleptès estin kai lèistès ( is een dief en een rover) poimèn estin tôn probatôn (hij is de herder van de schapen)   tèn fônèn autou (zijn stem) tôn allotriôn tèn fônèn (de stem van de vreemdelingen)      
                   
                   
                   

 

Joh 10,4 - Joh 10,4 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 ὅταν τὰ ἴδια πάντα ἐκβάλῃ, ἔμπροσθεν αὐτῶν πορεύεται, καὶ τὰ πρόβατα αὐτῷ ἀκολουθεῖ, ὅτι οἴδασιν τὴν φωνὴν αὐτοῦ· 4 et cum proprias oves emiserit ante eas vadit et oves illum sequuntur quia sciunt vocem eius   4 En wanneer hij zijn schapen uitgedreven heeft, zo gaat hij voor hen heen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijn stem kennen.   En als hij al zijn schapen naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, terwijl zij hem volgen, omdat zij zijn stem kennen.   [4] En als hij zijn schapen allemaal naar buiten heeft gebracht, trekt hij voor hen uit, en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.   [4] Wanneer hij al zijn schapen naar buiten gebracht heeft, loopt hij voor ze uit en de schapen volgen hem omdat ze zijn stem kennen.   4 wanneer hij de zijne allen naar buiten heeft gebracht trekt hij vóór ze uit; en de schapen volgen hem, omdat ze weten: het is zijn stem;  4. Quand il a fait sortir toutes celles qui sont à lui, il marche devant elles et les brebis le suivent, parce qu'elles connaissent sa voix.  

King James Bible . [4] And when he putteth forth his own sheep, he goeth before them, and the sheep follow him: for they know his voice.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,4.

Joh 10,4.5. ἐκβάλῃ (= ekbalè: hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô: uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen). NT (3). Joh (1): Joh 10,4.

Joh 10,4.13. ακολουθει (= akolouthei: volg; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen). In alle evangeies roept Jezus mensen op om hem te volgen. NT (19). Joh (4).

Joh 10,4.17. φωνὴν (= fônèn: stem; zn acc vr enk van het zn φωνη = fônè: stem, roep). NT (42). Joh (5).
(1) Joh 3,8. το πνευμα οπου θελει πνει και την φωνην αυτου ακουεις: de geest waait waar hij wil en je luistert naar zijn stem.
(2) Joh 3,29.
(3) Joh 5,37 .
(4) Joh 10,4. και τα προβατα αυτω ακολουθει οτι οιδασιν την φωνην αυτου: en de schapen volgen hem omdat zij zijn stem kennen.
(5) Joh 10,5: οτι ουκ οιδασιν των αλλοτριων την φωνην: omdat zij de stem van de vreemden niet kennen.


Joh 10,5 - Joh 10,5 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 ἀλλοτρίῳ δὲ οὐ μὴ ἀκολουθήσουσιν ἀλλὰ φεύξονται ἀπ' αὐτοῦ, ὅτι οὐκ οἴδασιν τῶν ἀλλοτρίων τὴν φωνήν 5 alienum autem non sequuntur sed fugient ab eo quia non noverunt vocem alienorum   5 Maar een vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden; overmits zij de stem des vreemden niet kennen.  Een vreemde echter zullen ze niet volgen; integendeel, zij zullen van hem wegvluchten, omdat ze de stem van vreemden niet kennen."   [5] Een vreemde echter zullen ze nooit volgen; integendeel, ze gaan voor hem op de vlucht, omdat ze de stem van vreemden niet kennen.’   [5] Iemand anders volgen ze niet, ze lopen juist van hem weg omdat ze de stem van een vreemde niet kennen.’   5 een vreemde volgen ze beslist niet, nee, ze zullen voor hem vluchten omdat ze de stem van zo’n vreemde niet vertrouwd weten!  5. Elles ne suivront pas un étranger ; elles le fuiront au contraire, parce qu'elles ne connaissent pas la voix des étrangers. »  

King James Bible . [5] And a stranger will they not follow, but will flee from him: for they know not the voice of strangers.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,5.

Joh 10,5.1. αλλοτριω (= allotriô: aan de vreemde; bv nw dat mann enk van het bv nw ἀλλοτριος = allotrios: vijandig aan, afkerig van, niet passend bij). NT (4). Joh (1): Joh 10,5.

Joh 10,5.5. ακολουθησουσιν (= akolouthèsousin: zij zullen volgen; act ind fut 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = akoloutheô: volgen).
- ακολουθησωσιν (= akolouthèsôsin: zij zouden volgen; wkw act conjunct aor 3de pers mv van het wkw ακολουθεω = aakoloutheô: volgen). NT (1): Joh 10,5.

Joh 10,5.7. φευξονται (= feuksontai: zij zullen vluchten; wkw med ind fut 3de pers mv van het wkw φευγω = feugô. vluchten). NT (1): Joh 10,5.

Joh 10,5.14. αλλοτριων (= allotriôn: van vreemden; bv nw gen mann mv van het bv nw ἀλλοτριος = allotrios: vijandig aan, afkerig van, niet passend bij). Joh 10,5.



Joh 10,6 - Joh 10,6 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 Ταύτην τὴν παροιμίαν εἶπεν αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς· ἐκεῖνοι δὲ οὐκ ἔγνωσαν τίνα ἦν ἃ ἐλάλει αὐτοῖς. 6 hoc proverbium dixit eis Iesus illi autem non cognoverunt quid loqueretur eis   6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen; maar zij verstonden niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak.  Deze gelijkenis vertelde Jezus hun, maar zij begrepen niet wat Hij hun wilde zeggen.   [6] In deze versluierende taal sprak Jezus hen toe, maar ze begrepen niet wat Hij hun te zeggen had. [6] Jezus vertelde hun deze gelijkenis, maar ze begrepen niet wat hij bedoelde.   6 In deze beeldspraak zegt Jezus het hun, maar zij herkennen niet wat het is dat hij tot hen heeft uitgesproken.  6. Jésus leur tint ce discours mystérieux, mais eux ne comprirent pas ce dont il leur parlait.  

King James Bible . [6] This parable spake Jesus unto them: but they understood not what things they were which he spake unto them.
Luther-Bibel . Joh 8,21

Tekstuitleg van Joh 10,6. In Joh 10,1-5 vertelt Jezus een parabel, een gelijkenis. De evangelist zegt dat de toehoorders niet wisten wat Jezus bedoelde. In Joh 10,7-10 geeft Jezus dus de uitleg.

Joh 10,6.3. παροιμιαν (= paroimian: vergelijking; zn acc vr enk van het zn παροιμια = paroimia: spreekwoord, spreuk, gelijkenis, vergelijking).

Joh 10,6.4.-7. ειπεν αυτοις ο Ιησους : zei Jezus aan hen. NT (10). Mt (2). Mc (2). Lc (1). Joh (5). (1) Joh 8,25. (2) Joh 8,58. (3) Joh 9,41 (laatste vers). (4) Joh 10,6. (5) Joh 10,14.
- Ειπεν ουν παλιν αυτοις ο Ιησους: daarenboven zei Jezus opnieuw aan hen. Joh (2). (1) Joh 8,21. (2) Joh 10,7.

Joh 10,6.11. ἔγνωσαν (= egnôsan: zij wisten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen, weten).  Joh 10,6.

Joh 10,6.15. ελαλει (= elalei: hij sprak; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λαλεω = laleô: lallen, spreken, praten).

Joh 10,6.15.-16. ελαλει αυτοις (= elalei autois: hij sprak tot hen). NT (6). Joh (1): Joh 10,6.


Joh 10,7 - Joh 10,7 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 Εἶπεν οὖν πάλιν ὁ Ἰησοῦς, Ἀμὴν ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι ἐγώ εἰμι ἡ θύρα τῶν προβάτων. 7 dixit ergo eis iterum Iesus amen amen dico vobis quia ego sum ostium ovium  7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.   Een ander keer zei Jezus tot hen: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: "Ik ben de deur van de schapen.   [7] Jezus* ging dus verder: ‘Waarachtig, Ik verzeker u: Ik ben de deur voor de schapen.   [7] Hij ging verder: ‘Waarachtig, ik verzeker u: ik ben de deur voor de schapen.  7 Dan zegt Jezus wéér: vast en zeker is het, zeg ik u dat ik voor de schapen de deur ben;  7. Alors Jésus dit à nouveau : « En vérité, en vérité, je vous le dis, je suis la porte des brebis.  

King James Bible . [7] Then said Jesus unto them again, Verily, verily, I say unto you, I am the door of the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,7. In de gelijkenis handelt het over dief en rover enerzijds en de herder anderzijds en hoe zij al dan niet langs de deur binnenkomen. De herder komt langs de deur. In de uitleg van de gelijkenis is de deur niet enkel in- en uitgang tot de schaapsstal, maar noemt Jezus zich de deur. Het is een metafoor. Waartoe geeft Jezus toegang? En waar is de schaapsstal, waarnaar hij is gekomen. Moeten we teruggaan naar de proloog. Het Woord is gekomen.

Joh 10,7.1.-2. Ειπεν ουν: hij zei daarenboven. NT (21). Lc (4). Joh (17).

Joh 10,7.1.-5. Ειπεν ουν παλιν αυτοις ο Ιησους: daarenboven zei Jezus opnieuw aan hen. Zie Joh 10,6. Dit leidt de uitleg van de vergelijking in. De vergelijking zelf begin met Ik ben. Dit gebeurt 7X in zijn evangelie. In vijf gevallen is het een metafoor, in twee gevallen de werkelijkheid.

Joh 10,7.11. εγω (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk). Bijbel (1553). OT (1234). NT (319). Mt (28). Mc (14). Lc (21). Joh (121). Hnd (42).

Joh 10,7.11.-12. εγω ειμι (= egô eimi: ik ben). NT (48). Joh (1) Joh 4,26. (2) Joh 6,20. (3) Joh 6,35. (4) Joh 6,41. (5) Joh 6,48. (6) Joh 6,51. (7) Joh 8,12. (8) Joh 8,18. (9) Joh 8,24. (10) Joh 8,28. (11) Joh 8,58. (12) Joh 9,9. (13) Joh 10,7. (14) Joh 10,9. (15) Joh 10,11. (16) Joh 10,14. (17) Joh 11,25. (18) Joh 13,19. (19) Joh 14,6. (20) Joh 15,1). (21) Joh 15,5. (22) Joh 18,5. (23) Joh 18,6. (24) Joh 18,

- (3) Joh 6,35. (4) Joh 6,41. (5) Joh 6,48. (6) Joh 6,51: εγω ειμι ο αρτος (= egô eimi ho artos: ik ben het brood).
- Joh 8,12: Εγω ειμι το φως (= egô eimi to fôs: ik ben het licht).
- (13) Joh 10,7. (14) Joh 10,9: εγω ειμι η θυρα (= egô eimi hè thura: ik ben de deur).
--- Joh 10,9: εγω ειμι η θυρα των προβατων (= egô eimi hè thura tôn probatôn: ik ben de deur van de schapen).
- (15) Joh 10,11. (16) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder).
- (17) Joh 11,25. Εγω ειμι η αναστασις και η ζωη (= egô eimi hè anastasis kai hè zôè: ik ben de opstanding en het leven).
- (19) Joh 14,6: Εγω ειμι η οδος και η αληθεια και η ζωη (= egô eimi hè hodos kai hè alètheia kai hè zôè: ik ben de weg en de waarheid en het leven).
- (20) Joh 15,1). (21) Joh 15,5. Εγω ειμι η αμπελος (= egô eimi hè ampelos: ik ben de wijnstok).

Joh 10,7.16. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.


Joh 10,8 - Joh 10,8 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 πάντες ὅσοι ἦλθον [πρὸ ἐμοῦ] κλέπται εἰσὶν καὶ λῃσταί· ἀλλ' οὐκ ἤκουσαν αὐτῶν τὰ πρόβατα, 8 omnes quotquot venerunt fures sunt et latrones sed non audierunt eos oves  8 Allen, zovelen als er voor Mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.   Allen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.   [8] Al degenen die vóór Mij zijn gekomen, zijn dieven en bandieten, naar hen hebben de schapen niet geluisterd.   [8] Wie vóór mij kwamen waren allemaal dieven en rovers, maar de schapen hebben niet naar hen geluisterd.   8 allen die vóór mij zijn gekomen zijn dieven en rovers; maar aan hen gaven de schapen geen gehoor;   8. Tous ceux qui sont venus avant moi sont des voleurs et des brigands ; mais les brebis ne les ont pas écoutés.  

King James Bible . [8] All that ever came before me are thieves and robbers: but the sheep did not hear them.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,8. Het vers Joh 10,1 wordt verduidelijkt in Joh 10,8. In Joh 10,1 gaat het over dief en rover in het enkelvoud, in Joh 10,8 over dieven en rovers in het mv.

Joh 10,8.12. ἤκουσαν (= èkousan: zij hoorden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ακουω = akouô: horen, luisteren). Joh 10,8. In dit vers wordt gezegd dat de schapen niet luisteren naar de dieven en rovers. In Joh 10,3 wordt gezegd dat de schapen luisteren naar de stem van de herder. Omdat de schapen de stem van de herder kennen, laten zij zich leiden door de herder. NT (19). Joh (5).


Joh 10,9 - Joh 10,9 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 ἐγώ εἰμι ἡ θύρα· δι' ἐμοῦ ἐάν τις εἰσέλθῃ σωθήσεται καὶ εἰσελεύσεται καὶ ἐξελεύσεται καὶ νομὴν εὑρήσει. 9 ego sum ostium per me si quis introierit salvabitur et ingredietur et egredietur et pascua inveniet   9 Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.   Ik ben de deur. Als iemand door Mij binnengaat, zal hij worden gered; hij zal in- en uitgaan en weide vinden.   [9] Ik ben de deur; wie door Mij binnenkomt zal gered* worden: die kan vrij in* en uit gaan en zal weidegrond vinden.   [9] Ik ben de deur: wanneer iemand door mij binnenkomt zal hij gered worden; hij zal in en uit lopen, en hij zal weidegrond vinden.   9 ik ben de deur: als iemand door mij binnenkomt zal hij gered zijn: hij kan ingaan en uitgaan en zal een weide vinden;   9. Je suis la porte. Si quelqu'un entre par moi, il sera sauvé ; il entrera et sortira, et trouvera un pâturage.  

King James Bible . [9] I am the door: by me if any man enter in, he shall be saved, and shall go in and out, and find pasture.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,9.

Joh 10,9.1. εγω (= egô: ik - mij; pers vnw 1ste pers enk). Bijbel (1553). OT (1234). NT (319). Mt (28). Mc (14). Lc (21). Joh (121). Hnd (42).

Joh 10,9.1.-2. εγω ειμι (= egô eimi: ik ben). NT (48). Joh (1) Joh 4,26. (2) Joh 6,20. (3) Joh 6,35. (4) Joh 6,41. (5) Joh 6,48. (6) Joh 6,51. (7) Joh 8,12. (8) Joh 8,18. (9) Joh 8,24. (10) Joh 8,28. (11) Joh 8,58. (12) Joh 9,9. (13) Joh 10,7. (14) Joh 10,9. (15) Joh 10,11. (16) Joh 10,14. (17) Joh 11,25. (18) Joh 13,19. (19) Joh 14,6. (20) Joh 15,1). (21) Joh 15,5. (22) Joh 18,5. (23) Joh 18,6. (24) Joh 18,

- (3) Joh 6,35. (4) Joh 6,41. (5) Joh 6,48. (6) Joh 6,51: εγω ειμι ο αρτος (= egô eimi ho artos: ik ben het brood).
- Joh 8,12: Εγω ειμι το φως (= egô eimi to fôs: ik ben het licht).
- (13) Joh 10,7. (14) Joh 10,9: εγω ειμι η θυρα (= egô eimi hè thura: ik ben de deur).
--- Joh 10,9: εγω ειμι η θυρα των προβατων (= egô eimi hè thura tôn probatôn: ik ben de deur van de schapen).
- (15) Joh 10,11. (16) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder).
- (17) Joh 11,25. Εγω ειμι η αναστασις και η ζωη (= egô eimi hè anastasis kai hè zôè: ik ben de opstanding en het leven).
- (19) Joh 14,6: Εγω ειμι η οδος και η αληθεια και η ζωη (= egô eimi hè hodos kai hè alètheia kai hè zôè: ik ben de weg en de waarheid en het leven).
- (20) Joh 15,1). (21) Joh 15,5. Εγω ειμι η αμπελος (= egô eimi hè ampelos: ik ben de wijnstok).

Joh 10,9.9. εἰσέλθῃ (= eiselthè: hij zou binnengaan; wkw act conjunct aor 3de pers mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). NT (8). Joh (1): Joh 10,9.

Joh 10,9.10. σωθήσεται (= sôthèsetai: hij zal gered worden; wkw pass ind fut 3de pers enk van het wkw σῳζω = sôzô: redden, verlossen). Joh 10,9.

Joh 10,9.12. εἰσελεύσεται (= eiseleusetai: hij zal binnengaan; wkw med ind fut 3de pers enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Joh 10,9.

Joh 10,9.17. εὑρήσει (= heurèsei: hij zal vinden; wkw act ind fut 3de pers enk van het wkw εὑρι-σκ-ω = heuri-sk-ô: vinden; stam: w - r). Joh 10,9.


Joh 10,10 - Joh 10,10 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag A Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 ὁ κλέπτης οὐκ ἔρχεται εἰ μὴ ἵνα κλέψῃ καὶ θύσῃ καὶ ἀπολέσῃ· ἐγὼ ἦλθον ἵνα ζωὴν ἔχωσιν καὶ περισσὸν ἔχωσιν. 10 fur non venit nisi ut furetur et mactet et perdat ego veni ut vitam habeant et abundantius habeant   10 De dief komt niet, dan opdat hij stele, en slachte, en verderve; Ik ben gekomen, opdat zij het leven hebben, en overvloed hebben. De dief komt alleen maar om te stelen, te slachten en te vernietigen; Ik ben gekomen, opdat zij leven zouden bezitten, en wel in overvloed."   [10] Een dief komt alleen maar om te roven en te slachten, en om verloren te laten gaan; Ik ben gekomen opdat ze leven mogen bezitten, en wel in overvloed.   [10] Een dief komt alleen om te roven, te slachten en te vernietigen, maar ik ben gekomen om hun het leven te geven in al zijn volheid.   10 wie een dief is komt voor niets anders dan stelen en slachten: om verloren te laten gaan; ik kom opdat zij leven hebben en overvloed hebben!–   10. Le voleur ne vient que pour voler, égorger et faire périr. Moi, je suis venu pour qu'on ait la vie et qu'on l'ait surabondante.  

King James Bible . [10] The thief cometh not, but for to steal, and to kill, and to destroy: I am come that they might have life, and that they might have it more abundantly.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,10.

Joh 10,10.8. κλεψη (= klepsè: opdat hij zou stelen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw κλεπτω = kleptô: stelen). Joh 10,10.

Joh 10,10.10. θυση (= thusè: op hij zou offeren / doden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw θυω = thuô: offeren). Joh 10,10.

Joh 10,10.12. ἀπολέσῃ (= apolesè: hij zou doden; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw απολλυμι = apollumi: derven, ontgaan verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden, verliezen). Joh 10,10.

Joh 10,10.16. ζωὴν (= dzôèn: leven; zn acc vr enk van het zn ζωη = zôè: leven). Joh (20). (1) Joh 3,15 (2) Joh 3,16 (3) Joh 3,36 (4) Joh 4,14 (5) Joh 4,36 (6) Joh 5,24 (7) Joh 5,26 (8) Joh 5,39 (9) Joh 5,40 (10) Joh 6,27 (11) Joh 6,33 (12) Joh 6,40 (13) Joh 6,47 (14) Joh 6,53 (15) Joh 6,54 (16) Joh 10,10 (17) Joh 10,28 (18) Joh 12,25 (19) Joh 17,2 (20) Joh 20,31.

16.-17. ζωην εχωσιν: zij leven zouden bezitten.


- hina (opdat) met een conjunctief tegenwoordige tijd van het werkwoord echô (hebben, bezitten) + (zôèn = leven) : (1) Joh 3,15 (3de persoon enkelvoud). (2) Joh 3,16 (3de persoon enkelvoud). (3) Joh 5,40 (2de persoon meervoud). (4) Joh 6,40 (3de persoon enkelvoud). (5) Joh 10,10 (3de persoon meervoud). (6) Joh 20,31 (2de persoon meervoud). We treffen hier de korte formule aan zoals in Joh 5,40, hier evenwel in de 3de persoon meervoud.

Evangelie op de 4de (vierde) paaszondag B : Johannes 10,11-18 . Verwijzing : Joh 10,11-18 .

In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: "Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen. Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen. Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij, zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen. Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef om het later weer terug te nemen. Niemand neemt Mij het af maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen."

Joh 10,11 - Joh 10,11 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11egô eimi o poimèn o kalos: o poimèn o kalos tèn psuchèn autou tithèsin uper tôn probatôn:   11 ego sum pastor bonus bonus pastor animam suam dat pro ovibus   11 Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen.   In die tijd sprak Jezus tot zijn leerlingen: "Ik ben de goede herder. De goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.   [11] Ik ben de goede* herder. Een goede herder geeft zijn leven voor zijn schapen.   [11] Ik ben de goede herder. Een goede herder geeft zijn leven voor de schapen.   11 ik ben de góede herder; de goede herder zet lijf–en–ziel in voor de schapen;   11. Je suis le bon pasteur ; le bon pasteur donne sa vie pour ses brebis.  

King James Bible . [11] I am the good shepherd: the good shepherd giveth his life for the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,11 .

4.8. ποιμην (= poimèn: herder). Nt (7). Joh (6): (1) Joh 10,2. (2) Joh 10,11. (3) Joh 10,12. (4) Joh 10,14. (5) Joh 10,16. Zie: (1) Joh 10,11. (2) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder). In Joh 1-6 gaat het over een herder in het algemeen. Vanaf Joh 10,7 past Jezus het toe op zichzelf.

17. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

Joh 10,12 - Joh 10,12 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12o misthôtos kai ouk ôn poimèn, ou ouk estin ta probata idia, theôrei ton lukon erchomenon kai afièsin ta probata kai feugei kai o lukos arpazei auta kai skorpizei   12 mercennarius et qui non est pastor cuius non sunt oves propriae videt lupum venientem et dimittit oves et fugit et lupus rapit et dispergit oves   12 Maar de huurling, en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziet den wolf komen, en verlaat de schapen, en vliedt; en de wolf grijpt ze, en verstrooit de schapen.  Maar de huurling, die geen herder is en geen eigenaar van de schapen, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht weg; de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen.   [12] Maar een huurling, geen echte herder dus, als die een wolf ziet komen, laat hij de schapen in de steek en gaat ervandoor – het zijn zijn eigen schapen niet! – en de wolf overvalt ze en drijft ze uiteen.   [12] Een huurling, iemand die geen herder is, en die niet de eigenaar van de schapen is, laat de schapen in de steek en slaat op de vlucht zodra hij een wolf ziet aankomen. De wolf valt de kudde aan en jaagt de schapen uiteen;   12 de huurling, die geen echte herder is, van wie het de eigen schapen niet zijn, is toeschouwer als de wolf komt: hij laat de schapen achter en slaat op de vlucht; de wolf grijpt ze en verscheurt ze;   12. Le mercenaire, qui n'est pas le pasteur et à qui n'appartiennent pas les brebis, voit-il venir le loup, il laisse les brebis et s'enfuit, et le loup s'en empare et les disperse.  

King James Bible . [12] But he that is an hireling, and not the shepherd, whose own the sheep are not, seeth the wolf coming, and leaveth the sheep, and fleeth: and the wolf catcheth them, and scattereth the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,12 .

6. ποιμην (= poimèn: herder). Nt (7). Joh (6): (1) Joh 10,2. (2) Joh 10,11. (3) Joh 10,12. (4) Joh 10,14. (5) Joh 10,16. Zie: (1) Joh 10,11. (2) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder). In Joh 1-6 gaat het over een herder in het algemeen. Vanaf Joh 10,7 past Jezus het toe op zichzelf.

Joh 10,13 - Joh 10,13 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13oti misthôtos estin kai ou melei autô peri tôn probatôn.   13 mercennarius autem fugit quia mercennarius est et non pertinet ad eum de ovibus   13 En de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geen zorg voor de schapen.   Hij is dan ook maar een huurling en heeft geen hart voor de schapen. [13] Hij is immers een huurling en bekommert zich niet om de schapen.   [13] de man is een huurling en de schapen kunnen hem niets schelen.   13 omdat hij een huurling is en het hem niet kan schelen met de schapen;   13. C'est qu'il est mercenaire et ne se soucie pas des brebis.  

King James Bible . [13] The hireling fleeth, because he is an hireling, and careth not for the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,13 .

10. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

Joh 10,14 - Joh 10,14 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14egô eimi o poimèn o kalos, kai ginôskô ta ema kai ginôskousi me ta ema,   14 ego sum pastor bonus et cognosco meas et cognoscunt me meae   14 Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.   Ik ben de goede herder. Ik ken de mijnen en de mijnen kennen Mij,   [14] Ik ben de goede herder: Ik ken* mijn schapen en mijn schapen kennen Mij,   [14] Ik ben de goede herder. Ik ken mijn schapen en mijn schapen kennen mij,   14 ik ben de goede herder: ik kén de mijne en de mijne kennen mij,–   14. Je suis le bon pasteur ; je connais mes brebis et mes brebis me connaissent,  

King James Bible . [14] I am the good shepherd, and know my sheep, and am known of mine.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,14 .

4. ποιμην (= poimèn: herder). Nt (7). Joh (6): (1) Joh 10,2. (2) Joh 10,11. (3) Joh 10,12. (4) Joh 10,14. (5) Joh 10,16. Zie: (1) Joh 10,11. (2) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder). In Joh 1-6 gaat het over een herder in het algemeen. Vanaf Joh 10,7 past Jezus het toe op zichzelf.

Joh 10,15 - Joh 10,15 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15kathôs ginôskei me o patèr kagô ginôskô ton patera: kai tèn psuchèn mou tithèmi uper tôn probatôn. 15 sicut novit me Pater et ego agnosco Patrem et animam meam pono pro ovibus   15 Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik stel Mijn leven voor de schapen.   zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.   [15] zoals de Vader Mij kent en Ik de Vader ken; Ik geef dan ook mijn leven voor mijn schapen.   [15] zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken. Ik geef mijn leven voor de schapen.   15 zoals de Vader mij kent en ik de Vader ken; en ik zet lijf–en–ziel in voor de schapen;   15. comme le Père me connaît et que je connais le Père, et je donne ma vie pour mes brebis.  

King James Bible . [15] As the Father knoweth me, even so know I the Father: and I lay down my life for the sheep.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,15 .

17. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

Joh 10,16 - Joh 10,16 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16kai alla probata echô a ouk estin ek tès aulès tautès: kakeina dei me agagein, kai tès fônès mou akousousin, kai genèsontai mia poimnè, eis poimèn.   16 et alias oves habeo quae non sunt ex hoc ovili et illas oportet me adducere et vocem meam audient et fiet unum ovile unus pastor  16 Ik heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder.   Ik heb nog andere schapen die niet uit deze schaapstal zijn. Ook die moet ik leiden en zij zullen naar mijn stem luisteren en het zal worden: één kudde, één herder.   [16] Ik heb nog* andere schapen dan die uit deze hof. Ook voor hen moet Ik een herder zijn: ze zullen luisteren naar mijn stem. Zo wordt het: één kudde met één herder.   [16] Maar ik heb ook nog andere schapen, die niet uit deze schaapskooi komen. Ook die moet ik hoeden, ook zij zullen naar mijn stem luisteren: dan zal er één kudde zijn, met één herder.   16 nog andere schapen heb ik die niet van deze hof zijn: ook die moet ik omhoog leiden,– ze zullen horen naar mijn stem en het zal worden: één kudde, één herder;   16. J'ai encore d'autres brebis qui ne sont pas de cet enclos ; celles-là aussi, il faut que je les mène ; elles écouteront ma voix ; et il y aura un seul troupeau, un seul pasteur ;  

King James Bible . [16] And other sheep I have, which are not of this fold: them also I must bring, and they shall hear my voice; and there shall be one fold, and one shepherd.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,16 .

26. ποιμην (= poimèn: herder). Nt (7). Joh (6): (1) Joh 10,2. (2) Joh 10,11. (3) Joh 10,12. (4) Joh 10,14. (5) Joh 10,16. Zie: (1) Joh 10,11. (2) Joh 10,14: Εγω ειμι ο ποιμην (= egô eimi ho poimèn: ik ben de herder). In Joh 1-6 gaat het over een herder in het algemeen. Vanaf Joh 10,7 past Jezus het toe op zichzelf.

Joh 10,17 - Joh 10,17 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17dia touto me o patèr agapa oti egô tithèmi tèn psuchèn mou, ina palin labô autèn.   17 propterea me Pater diligit quia ego pono animam meam ut iterum sumam eam   17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits Ik Mijn leven afleg, opdat Ik hetzelve wederom neme. Hierom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef om het later weer terug te nemen.   [17] Daarom heeft de Vader Mij lief, omdat Ik mijn leven geef, om het daarna weer terug te nemen.   [17] De Vader heeft mij lief omdat ik mijn leven geef, om het ook weer terug te nemen.   17 daarom heeft de Vader mij lief: omdat ik mijn lijf–en–ziel inzet, om die ook weer terug te krijgen;  17. c'est pour cela que le Père m'aime, parce que je donne ma vie, pour la reprendre.  

King James Bible . [17] Therefore doth my Father love me, because I lay down my life, that I might take it again.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,17 .

Joh 10,18 - Joh 10,18 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18oudeis airei autèn ap emou, all egô tithèmi autèn ap emautou. exousian echô theinai autèn, kai exousian echô palin labein autèn: tautèn tèn entolèn elabon para tou patros mou.   18 nemo tollit eam a me sed ego pono eam a me ipso potestatem habeo ponendi eam et potestatem habeo iterum sumendi eam hoc mandatum accepi a Patre meo   18 Niemand neemt hetzelve van Mij, maar Ik leg het van Mijzelven af; Ik heb macht hetzelve af te leggen, en heb macht hetzelve wederom te nemen. Dit gebod heb Ik van Mijn Vader ontvangen.   Niemand neemt Mij het af maar Ik geef het uit Mijzelf. Macht heb Ik om het te geven en macht om het terug te nemen: dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen."   [18] Niemand* neemt het Mij af, Ik geef het uit eigen vrije wil. Daartoe immers heb Ik de macht, zowel om het te geven als om het terug te nemen. Dat is de opdracht die Ik van mijn Vader heb ontvangen.’   [18] Niemand neemt mijn leven, ik geef het zelf. Ik ben vrij om het te geven en om het weer terug te nemen – dat is de opdracht die ik van mijn Vader heb gekregen.’   18 niemand heeft haar van mij afgenomen, nee, ikzelf zet haar in, uit mijzelf; ik heb volmacht om haar in te zetten, ik heb ook volmacht om haar weer terug te krijgen; het gebod hiertoe heb ik gekregen van mijn Vader!   18. Personne ne me l'enlève ; mais je la donne de moi-même. J'ai pouvoir de la donner et j'ai pouvoir de la reprendre ; tel est le commandement que j'ai reçu de mon Père. »  

King James Bible . [18] No man taketh it from me, but I lay it down of myself. I have power to lay it down, and I have power to take it again. This commandment have I received of my Father.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,18 .

Joh 10,19 - Joh 10,19 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19schisma palin egeneto en tois ioudaiois dia tous logous toutous.  19 dissensio iterum facta est inter Iudaeos propter sermones hos  19 Er werd dan wederom tweedracht onder de Joden, om dezer woorden wil.    [19] Door deze woorden ontstond er weer verdeeldheid onder de Joden.   [19] Opnieuw ontstond er verdeeldheid onder de Joden om wat hij zei.   19 ¶ Weer geschiedt het: scheuring onder de Judeeërs, vanwege deze woorden.   19. Il y eut de nouveau scission parmi les Juifs à cause de ces paroles.  

King James Bible . [19] There was a division therefore again among the Jews for these sayings.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,19 .

 Joh 10,19
- palin (opnieuw. 45X bij Johannes) - dia + accusatief : omwille van; zie dia : 44X bij Johannes -

 

Joh 10,20 - Joh 10,20 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20elegon de polloi ex autôn, daimonion echei kai mainetai: ti autou akouete;   20 dicebant autem multi ex ipsis daemonium habet et insanit quid eum auditis   20 En velen van hen zeiden: Hij heeft den duivel, en is uitzinnig; wat hoort gij Hem?     [20] ‘Hij is bezeten, Hij raaskalt,’ zeiden velen. ‘Waarom luisteren jullie nog naar Hem?’   [20] Veel mensen zeiden: ‘Hij is bezeten, hij is gek. Waarom luisteren jullie nog naar hem?’   20 Velen van hen zijn gaan zeggen: hij heeft een demon, hij is krankzinnig,– wat hóór je in hem?   20. Beaucoup d'entre eux disaient : « Il a un démon ; il délire. Pourquoi l'écoutez-vous . »  

King James Bible . [20] And many of them said, He hath a devil, and is mad; why hear ye him?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,20 .

Joh 10,21 - Joh 10,21 : De herder en zijn schapen - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Joh (Johannes) -- Joh 10 -- Joh 9,39-10,21 -- Joh 9,39 -- Joh 9,40 -- Joh 9,41 -- Joh 10,1 - Joh 10,2 - Joh 10,3 - Joh 10,4 - Joh 10,5 - Joh 10,6 - Joh 10,7 - Joh 10,8 - Joh 10,9 - Joh 10,10 - Joh 10,11 - Joh 10,12 - Joh 10,13 - Joh 10,14 - Joh 10,15 - Joh 10,16 - Joh 10,17 - Joh 10,18 - Joh 10,19 - Joh 10,20 - Joh 10,21 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21alloi elegon, tauta ta rèmata ouk estin daimonizomenou: mè daimonion dunatai tuflôn ofthalmous anoixai;  21 alii dicebant haec verba non sunt daemonium habentis numquid daemonium potest caecorum oculos aperire   21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden ogen openen?     [21] Maar anderen zeiden: ‘Dit is geen taal van een bezetene. Een bezetene kan toch de ogen van blinden niet openen?’  [21] Maar anderen zeiden: ‘Dit zijn niet de woorden van iemand die bezeten is, en een demon kan de ogen van blinden niet openen.’   21 Anderen zeiden: dat zijn geen uitspraken van iemand die door een demon is bezeten,– een demon kan toch niet blinden de ogen openen?  21. D'autres disaient : « Ces pare-les ne sont pas d'un démoniaque. Est-ce qu'un démon peut ouvrir les yeux d'un aveugle ? »  

King James Bible . [21] Others said, These are not the words of him that hath a devil. Can a devil open the eyes of the blind?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,21 .

Geloof en ongeloof : Joh 10,22-42

Joh 10,22 - Joh 10,22 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22egeneto tote ta egkainia en tois ierosolumois: cheimôn èn,   22 facta sunt autem encenia in Hierosolymis et hiemps erat   22 En het was het feest der vernieuwing des tempels te Jeruzalem; en het was winter.       [22] In Jeruzalem werd het feest van de Tempelwijding gevierd; het was winter.   22 ¶ Wanneer dit geschiedt, is het juist Vernieuwingsfeest; het is winter.   22. Il y eut alors la fête de la Dédicace à Jérusalem. C'était l'hiver.  

King James Bible . [22] And it was at Jerusalem the feast of the dedication, and it was winter.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,22 .

Joh 10,23 - Joh 10,23 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai periepatei o ièsous en tô ierô en tè stoa tou solomônos.   23 et ambulabat Iesus in templo in porticu Salomonis  23 En Jezus wandelde in den tempel, in het voorhof van Salomo.       [23] Jezus liep in de tempel, in de zuilengang van Salomo.   23 Jezus wandelt heen en weer in het heiligdom in de zuilengang van Salomo.   23. Jésus allait et venait dans le Temple sous le portique de Salomon. 

King James Bible . [23] And Jesus walked in the temple in Solomon's porch.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,23 .

Joh 10,24 - Joh 10,24 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24ekuklôsan oun auton oi ioudaioi kai elegon autô, eôs pote tèn psuchèn èmôn aireis; ei su ei o christos, eipe èmin parrèsia.   24 circumdederunt ergo eum Iudaei et dicebant ei quousque animam nostram tollis si tu es Christus dic nobis palam   24 De Joden dan omringden Hem, en zeiden tot Hem: Hoe lang houdt Gij onze ziel op? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons vrijuit.       [24] Daar kwamen de Joden om hem heen staan, en ze vroegen hem: ‘Hoe lang houdt u ons nog in het onzekere? Als u de messias bent, zeg het ons dan ronduit.’   24 Dan omringen de Judeeërs hem,– en tenslotte hebben ze tot hem gezegd: tot wanneer laat u onze ziel in het onzekere?– als ú de gezalfde bent, zeg het ons ronduit!   24. Les Juifs firent cercle autour de lui et lui dirent : « Jusqu'à quand vas-tu nous tenir en haleine ? Si tu es le Christ, dis-le-nous ouvertement. »  

King James Bible . [24] Then came the Jews round about him, and said unto him, How long dost thou make us to doubt? If thou be the Christ, tell us plainly.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,24 .

Joh 10,25 - Joh 10,25 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25apekrithè autois o ièsous, eipon umin kai ou pisteuete: ta erga a egô poiô en tô onomati tou patros mou tauta marturei peri emou: 25 respondit eis Iesus loquor vobis et non creditis opera quae ego facio in nomine Patris mei haec testimonium perhibent de me   25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd, en gij gelooft het niet. De werken, die Ik doe in den Naam Mijns Vaders, die getuigen van Mij.       [25] Jezus antwoordde: ‘Dat heb ik u al gezegd, maar u gelooft het niet. Wat ik namens mijn Vader doe getuigt over mij,  25 Jezus antwoordt hun: dat héb ik u gezegd en u gelooft het niet!– de werken die ik doe in de naam van mijn Vader, die getuigen over mij;  25. Jésus leur répondit : « Je vous l'ai dit, et vous ne croyez pas. Les œuvres que je fais au nom de mon Père témoignent de moi ;  

King James Bible . [25] Jesus answered them, I told you, and ye believed not: the works that I do in my Father's name, they bear witness of me.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,25 .

Joh 10,26 - Joh 10,26 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26alla umeis ou pisteuete, oti ouk este ek tôn probatôn tôn emôn.   26 sed vos non creditis quia non estis ex ovibus meis  26 Maar gijlieden gelooft niet; want gij zijt niet van Mijn schapen, gelijk Ik u gezegd heb.       [26] maar u wilt me niet geloven, omdat u niet bij mijn schapen hoort.   26 maar u komt niet tot geloof omdat ge niet uit de kudde van mijn schapen zijt;   26. mais vous ne croyez pas, parce que vous n'êtes pas de mes brebis.  

King James Bible . [26] But ye believe not, because ye are not of my sheep, as I said unto you.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,26 .

10. προβατων (= probatôn: van de schapen; zn gen mv van het zn προβατον = probaton: schaap). NT (9): (1) Mt 7,15. (2) Joh 10,1. (3) Joh 10,2. (4) Joh 10,7. (5) Joh 10,11. (6) Joh 10,13. (7) Joh 10,15. (8) Joh 10,26 . (9) Heb 13,20.

Evangelie op de 4de (vierde) paaszondag C : Johannes 10,27-30 . Verwijzing : Joh 10,27-30 .

In die tijd zei Jezus: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij. Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven. Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven. Ik en de Vader, Wij zijn één."

Joh 10,27 - Joh 10,27 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27ta probata ta ema tès fônès mou akouousin, kagô ginôskô auta, kai akolouthousin moi,   27 oves meae vocem meam audiunt et ego cognosco eas et sequuntur me  27 Mijn schapen horen Mijn stem, en Ik ken dezelve, en zij volgen Mij. In die tijd zei Jezus: "Mijn schapen luisteren naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.     [27] Mijn schapen luisteren naar mijn stem, ik ken ze en zij volgen mij.   27 mijn schapen geven gehoor aan mijn stem; ik ken hen en zij volgen mij,–   27. Mes brebis écoutent ma voix, je les connais et elles me suivent ;  

King James Bible . [27] My sheep hear my voice, and I know them, and they follow me:
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,27 .

Joh 10,28 - Joh 10,28 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28kagô didômi autois zôèn aiônion, kai ou mè apolôntai eis ton aiôna, kai ouch arpasei tis auta ek tès cheiros mou.   28 et ego vitam aeternam do eis et non peribunt in aeternum et non rapiet eas quisquam de manu mea   28 En Ik geef hun het eeuwige leven; en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelve uit Mijn hand rukken.   Ik geef hun eeuwig leven; zij zullen in eeuwigheid niet verloren gaan en niemand zal ze van Mij wegroven.     [28] Ik geef ze eeuwig leven: ze zullen nooit verloren gaan en niemand zal ze uit mijn hand roven.   28 en ik geef hun eeuwig leven: ze zullen tot in der eeuwigheid niet verloren lopen en nooit zal iemand ze uit mijn hand weggrijpen;   28. je leur donne la vie éternelle ; elle ne périront jamais et nul ne les arrachera de ma main. 

King James Bible . [28] And I give unto them eternal life; and they shall never perish, neither shall any man pluck them out of my hand.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,28 .

Joh 10,29 - Joh 10,29 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
29o patèr mou o dedôken moi pantôn meizon estin, kai oudeis dunatai arpazein ek tès cheiros tou patros.  29 Pater meus quod dedit mihi maius omnibus est et nemo potest rapere de manu Patris mei   29 Mijn Vader, die ze Mij gegeven heeft, is meerder dan allen; en niemand kan ze rukken uit de hand Mijns Vaders.   Mijn Vader immers die ze Mij gegeven heeft is groter dan allen; en niemand kan iets uit de hand van mijn Vader roven.     [29] Wat mijn Vader mij gegeven heeft gaat alles te boven,* niemand kan het uit de hand van mijn Vader roven,   29 mijn Vader–wat hij mij heeft gegeven is groter dan alles, en niemand kan het uit Vaders hand weggrijpen;  29. Mon Père, quant à ce qu'il m'a donné, est plus grand que tous. Nul ne peut rien arracher de la main du Père. 

King James Bible . [29] My Father, which gave them me, is greater than all; and no man is able to pluck them out of my Father's hand.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,29 .

Joh 10,30 - Joh 10,30 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling 4de (vierde) paaszondag C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
30egô kai o patèr en esmen.   30 ego et Pater unum sumus   30 Ik en de Vader zijn een.   Ik en de Vader, Wij zijn één."     [30] en de Vader en ik zijn één.’   30 ik en de Vader zijn één! 30. Moi et le Père nous sommes un. »  

King James Bible . [30] I and my Father are one.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,30 .

Joh 10,31 - Joh 10,31 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
31ebastasan palin lithous oi ioudaioi ina lithasôsin auton.   31 sustulerunt lapides Iudaei ut lapidarent eum   31 De Joden dan namen wederom stenen op, om Hem te stenigen.       [31] Toen de Joden weer stenen opraapten omdat ze hem wilden stenigen,  31 Weer dragen de Judeeërs stenen aan om hem te stenigen.  31. Les Juifs apportèrent de nouveau des pierres pour le lapider.  

King James Bible . [31] Then the Jews took up stones again to stone him.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,31 .

Joh 10,32 - Joh 10,32 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
32apekrithè autois o ièsous, polla erga kala edeixa umin ek tou patros: dia poion autôn ergon eme lithazete;   32 respondit eis Iesus multa opera bona ostendi vobis ex Patre meo propter quod eorum opus me lapidatis   32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van Mijn Vader; om welk werk van die stenigt gij Mij?       [32] zei Jezus: ‘Ik heb door de Vader veel goeds voor u gedaan; waarom wilt u me stenigen?’   32 Jezus antwoordt hun: véle goede werken heb ik u getoond,– uit de hand van de Vader; om welk werk van die alle wilt ge mij stenigen?  32. Jésus leur dit alors : « Je vous ai montré quantité de bonnes œuvres, venant du Père ; pour laquelle de ces œuvres me lapidez-vous ? »  

King James Bible . [32] Jesus answered them, Many good works have I shewed you from my Father; for which of those works do ye stone me?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,32 .

Joh 10,33 - Joh 10,33 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
33apekrithèsan autô oi ioudaioi, peri kalou ergou ou lithazomen se alla peri blasfèmias, kai oti su anthrôpos ôn poieis seauton theon.   33 responderunt ei Iudaei de bono opere non lapidamus te sed de blasphemia et quia tu homo cum sis facis te ipsum Deum   33 De Joden antwoordden Hem, zeggende: Wij stenigen U niet over enig goed werk, maar over gods lastering, en omdat Gij, een Mens zijnde, Uzelven God maakt.      [33] ‘Voor een goede daad zullen we u niet stenigen,’ antwoordden ze, ‘maar wel voor godslastering: u bent een mens, maar u beweert dat u God bent!’   33 De Judeeërs antwoorden hem: voor een goed werk stenigen wij u niet, maar voor godslastering, en wel omdat u, gewoon een mens, uzelf voor God uitmaakt!   33. Les Juifs lui répondirent : « Ce n'est pas pour une bonne œuvre que nous te lapidons, mais pour un blasphème et parce que toi, n'étant qu'un homme, tu te fais Dieu. »  

King James Bible . [33] The Jews answered him, saying, For a good work we stone thee not; but for blasphemy; and because that thou, being a man, makest thyself God.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,33 .

Joh 10,34 - Joh 10,34 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34apekrithè autois [o] ièsous, ouk estin gegrammenon en tô nomô umôn oti egô eipa, theoi este;   34 respondit eis Iesus nonne scriptum est in lege vestra quia ego dixi dii estis   34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd, gij zijt goden?       [34] Jezus zei: ‘Staat er in uw wet niet geschreven: “Ik heb gezegd: ‘U bent goden’”?   34 Jezus antwoordt hun: is er niet geschreven in de Wet die u zo lief is: ‘ik was het die zei: gij zijt goden’? 34. Jésus leur répondit : « N'est-il pas écrit dans votre Loi : J'ai dit : vous êtes des dieux ?  

King James Bible . [34] Jesus answered them, Is it not written in your law, I said, Ye are gods?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,34 .

Joh 10,35 - Joh 10,35 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35ei ekeinous eipen theous pros ous o logos tou theou egeneto, kai ou dunatai luthènai è grafè, 35 si illos dixit deos ad quos sermo Dei factus est et non potest solvi scriptura  35 Indien de wet die goden genaamd heeft, tot welke het woord Gods geschied is, en de Schrift niet kan gebroken worden;       [35] De Schrift blijft altijd van kracht; als mensen tot wie God spreekt goden genoemd worden, 35 als die van hen ‘goden’ zegt tot wie het woord van God geschiedt,– en het geschrevene kan niet worden opgelost,   35. Alors qu'elle a appelé dieux ceux à qui la parole de Dieu fut adressée - et l'Écriture ne peut être récusée -  

King James Bible . [35] If he called them gods, unto whom the word of God came, and the scripture cannot be broken;
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,35 .

Joh 10,36 - Joh 10,36 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
36on o patèr ègiasen kai apesteilen eis ton kosmon umeis legete oti blasfèmeis, oti eipon, uios tou theou eimi;  36 quem Pater sanctificavit et misit in mundum vos dicitis quia blasphemas quia dixi Filius Dei sum  36 Zegt gijlieden tot Mij, Dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God; omdat Ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?       [36] hoe kunt u mij, door de Vader geheiligd en naar de wereld gezonden, dan beschuldigen van godslastering wanneer ik zeg dat ik Gods Zoon ben?   36 zegt u dan van hem die door de Vader is geheiligd en uitgezonden tot de wereld ‘je lastert God’?, omdat ik heb gezegd ‘ik ben Zoon van God’?–   36. à celui que le Père a consacré et envoyé dans le monde vous dites : «Tu blasphèmes», parce que j'ai dit : «Je suis Fils de Dieu» !  

King James Bible . [36] Say ye of him, whom the Father hath sanctified, and sent into the world, Thou blasphemest; because I said, I am the Son of God?
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,36 .

Joh 10,37 - Joh 10,37 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
37ei ou poiô ta erga tou patros mou, mè pisteuete moi:   37 si non facio opera Patris mei nolite credere mihi   37 Indien Ik niet doe de werken Mijns Vaders, zo gelooft Mij niet;      [37] Als wat ik doe niet van mijn Vader komt, geloof me dan niet,   37 als ik de werken van mijn Vader niet doe, gelooft mij dan niet;   37. Si je ne fais pas les œuvres de mon Père, ne me croyez pas ;  

King James Bible . [37] If I do not the works of my Father, believe me not.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,37 .

Joh 10,38 - Joh 10,38 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
38ei de poiô, kan emoi mè pisteuète, tois ergois pisteuete, ina gnôte kai ginôskète oti en emoi o patèr kagô en tô patri. 38 si autem facio et si mihi non vultis credere operibus credite ut cognoscatis et credatis quia in me est Pater et ego in Patre   38 Maar indien Ik ze doe, en zo gij Mij niet gelooft, zo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en geloven, dat de Vader in Mij is, en Ik in Hem.       [38] maar als dat wel het geval is en u gelooft me toch niet, geloof dan tenminste wat ik doe. Dan zult u begrijpen dat de Vader in mij is en dat ik in de Vader ben.’   38 maar als ik ze doe, zelfs als ge mij niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat ge erkent en herkent dat de Vader één is met mij en ik één ben met de Vader!  38. mais si je les fais, quand bien même vous ne me croiriez pas, croyez en ces œuvres, afin de reconnaître une bonne fois que le Père est en moi et moi dans le Père. »  

King James Bible . [38] But if I do, though ye believe not me, believe the works: that ye may know, and believe, that the Father is in me, and I in him.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,38 .

Joh 10,39 - Joh 10,39 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
39ezètoun [oun] auton palin piasai: kai exèlthen ek tès cheiros autôn.   39 quaerebant ergo eum prendere et exivit de manibus eorum  39 Zij zochten dan wederom Hem te grijpen, en Hij ontging uit hun hand.       [39] En weer wilden ze hem grijpen, maar hij ontsnapte.   39 ¶ Weer hebben ze ernaar gezocht om hem te grijpen, maar hij ontkomt aan hun hand,–  39. Ils cherchaient donc de nouveau à le saisir, mais il leur échappa des mains. Jésus se retire au-delà du Jourdain.  

King James Bible . [39] Therefore they sought again to take him: but he escaped out of their hand,
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,39 .

Joh 10,40 - Joh 10,40 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
40kai apèlthen palin peran tou iordanou eis ton topon opou èn iôannès to prôton baptizôn, kai emeinen ekei.   40 et abiit iterum trans Iordanen in eum locum ubi erat Iohannes baptizans primum et mansit illic   40 En Hij ging wederom over de Jordaan, tot de plaats, waar Johannes eerst doopte; en Hij bleef aldaar.       [40] Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes eerder gedoopt had. Daar bleef hij.   40 en komt wéér, de Jordaan over, terug in het oord waar Johannes het eerst is wezen dopen; –daar blijft hij.   40. De nouveau il s'en alla au-delà du Jourdain, au lieu où Jean avait d'abord baptisé, et il y demeura.  

King James Bible . [40] And went away again beyond Jordan into the place where John at first baptized; and there he abode.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,40 .

Joh 10,41 - Joh 10,41 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
41kai polloi èlthon pros auton kai elegon oti iôannès men sèmeion epoièsen ouden, panta de osa eipen iôannès peri toutou alèthè èn.  41 et multi venerunt ad eum et dicebant quia Iohannes quidem signum fecit nullum   41 En velen kwamen tot Hem, en zeiden: Johannes deed wel geen teken; maar alles, wat Johannes van Dezen zeide, was waar.       [41] Veel mensen kwamen naar hem toe; ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen wonderteken gedaan, maar alles wat hij over deze man gezegd heeft is waar.’   41 Velen komen daar tot hem; ze hebben gezegd: Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan maar alles wat Johannes over hem gezegd heeft is waar!   41. Beaucoup vinrent à lui et disaient : « Jean n'a fait aucun signe ; mais tout ce que Jean a dit de celui-ci était vrai. » 

King James Bible . [41] And many resorted unto him, and said, John did no miracle: but all things that John spake of this man were true.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,41 .

Joh 10,42 - Joh 10,42 -
Griekse tekst Vulgaat Statenvertaling (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
42kai polloi episteusan eis auton ekei.  42 omnia autem quaecumque dixit Iohannes de hoc vera erant et multi crediderunt in eum   42 En velen geloofden aldaar in Hem.       [42] En velen kwamen daar tot geloof in hem.  42 En velen gaan daar in hem geloven.   42. Et là, beaucoup crurent en lui. 

King James Bible . [42] And many believed on him there.
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Joh 10,42 .


GRIEKSE TEKST

 

1amèn amèn legô umin, o mè eiserchomenos dia tès thuras eis tèn aulèn tôn probatôn alla anabainôn allachothen ekeinos kleptès estin kai lèstès: 2o de eiserchomenos dia tès thuras poimèn estin tôn probatôn. 3toutô o thurôros anoigei, kai ta probata tès fônès autou akouei, kai ta idia probata fônei kat onoma kai exagei auta. 4otan ta idia panta ekbalè, emprosthen autôn poreuetai, kai ta probata autô akolouthei, oti oidasin tèn fônèn autou: 5allotriô de ou mè akolouthèsousin alla feuxontai ap autou, oti ouk oidasin tôn allotriôn tèn fônèn. 6tautèn tèn paroimian eipen autois o ièsous: ekeinoi de ouk egnôsan tina èn a elalei autois. 7eipen oun palin o ièsous, amèn amèn legô umin oti egô eimi è thura tôn probatôn. 8pantes osoi èlthon [pro emou] kleptai eisin kai lèstai: all ouk èkousan autôn ta probata. 9egô eimi è thura: di emou ean tis eiselthè sôthèsetai kai eiseleusetai kai exeleusetai kai nomèn eurèsei. 10o kleptès ouk erchetai ei mè ina klepsè kai thusè kai apolesè: egô èlthon ina zôèn echôsin kai perisson echôsin. 11egô eimi o poimèn o kalos: o poimèn o kalos tèn psuchèn autou tithèsin uper tôn probatôn: 12o misthôtos kai ouk ôn poimèn, ou ouk estin ta probata idia, theôrei ton lukon erchomenon kai afièsin ta probata kai feugei kai o lukos arpazei auta kai skorpizei 13oti misthôtos estin kai ou melei autô peri tôn probatôn. 14egô eimi o poimèn o kalos, kai ginôskô ta ema kai ginôskousi me ta ema, 15kathôs ginôskei me o patèr kagô ginôskô ton patera: kai tèn psuchèn mou tithèmi uper tôn probatôn. 16kai alla probata echô a ouk estin ek tès aulès tautès: kakeina dei me agagein, kai tès fônès mou akousousin, kai genèsontai mia poimnè, eis poimèn. 17dia touto me o patèr agapa oti egô tithèmi tèn psuchèn mou, ina palin labô autèn. 18oudeis airei autèn ap emou, all egô tithèmi autèn ap emautou. exousian echô theinai autèn, kai exousian echô palin labein autèn: tautèn tèn entolèn elabon para tou patros mou. 19schisma palin egeneto en tois ioudaiois dia tous logous toutous. 20elegon de polloi ex autôn, daimonion echei kai mainetai: ti autou akouete; 21alloi elegon, tauta ta rèmata ouk estin daimonizomenou: mè daimonion dunatai tuflôn ofthalmous anoixai; 22egeneto tote ta egkainia en tois ierosolumois: cheimôn èn, 23kai periepatei o ièsous en tô ierô en tè stoa tou solomônos. 24ekuklôsan oun auton oi ioudaioi kai elegon autô, eôs pote tèn psuchèn èmôn aireis; ei su ei o christos, eipe èmin parrèsia. 25apekrithè autois o ièsous, eipon umin kai ou pisteuete: ta erga a egô poiô en tô onomati tou patros mou tauta marturei peri emou: 26alla umeis ou pisteuete, oti ouk este ek tôn probatôn tôn emôn. 27ta probata ta ema tès fônès mou akouousin, kagô ginôskô auta, kai akolouthousin moi, 28kagô didômi autois zôèn aiônion, kai ou mè apolôntai eis ton aiôna, kai ouch arpasei tis auta ek tès cheiros mou. 29o patèr mou o dedôken moi pantôn meizon estin, kai oudeis dunatai arpazein ek tès cheiros tou patros. 30egô kai o patèr en esmen. 31ebastasan palin lithous oi ioudaioi ina lithasôsin auton. 32apekrithè autois o ièsous, polla erga kala edeixa umin ek tou patros: dia poion autôn ergon eme lithazete; 33apekrithèsan autô oi ioudaioi, peri kalou ergou ou lithazomen se alla peri blasfèmias, kai oti su anthrôpos ôn poieis seauton theon. 34apekrithè autois [o] ièsous, ouk estin gegrammenon en tô nomô umôn oti egô eipa, theoi este; 35ei ekeinous eipen theous pros ous o logos tou theou egeneto, kai ou dunatai luthènai è grafè, 36on o patèr ègiasen kai apesteilen eis ton kosmon umeis legete oti blasfèmeis, oti eipon, uios tou theou eimi; 37ei ou poiô ta erga tou patros mou, mè pisteuete moi: 38ei de poiô, kan emoi mè pisteuète, tois ergois pisteuete, ina gnôte kai ginôskète oti en emoi o patèr kagô en tô patri. 39ezètoun [oun] auton palin piasai: kai exèlthen ek tès cheiros autôn. 40kai apèlthen palin peran tou iordanou eis ton topon opou èn iôannès to prôton baptizôn, kai emeinen ekei. 41kai polloi èlthon pros auton kai elegon oti iôannès men sèmeion epoièsen ouden, panta de osa eipen iôannès peri toutou alèthè èn. 42kai polloi episteusan eis auton ekei.


VULGAAT

1 amen amen dico vobis qui non intrat per ostium in ovile ovium sed ascendit aliunde ille fur est et latro 2 qui autem intrat per ostium pastor est ovium 3 huic ostiarius aperit et oves vocem eius audiunt et proprias oves vocat nominatim et educit eas 4 et cum proprias oves emiserit ante eas vadit et oves illum sequuntur quia sciunt vocem eius 5 alienum autem non sequuntur sed fugient ab eo quia non noverunt vocem alienorum 6 hoc proverbium dixit eis Iesus illi autem non cognoverunt quid loqueretur eis 7 dixit ergo eis iterum Iesus amen amen dico vobis quia ego sum ostium ovium 8 omnes quotquot venerunt fures sunt et latrones sed non audierunt eos oves 9 ego sum ostium per me si quis introierit salvabitur et ingredietur et egredietur et pascua inveniet 10 fur non venit nisi ut furetur et mactet et perdat ego veni ut vitam habeant et abundantius habeant 11 ego sum pastor bonus bonus pastor animam suam dat pro ovibus 12 mercennarius et qui non est pastor cuius non sunt oves propriae videt lupum venientem et dimittit oves et fugit et lupus rapit et dispergit oves 13 mercennarius autem fugit quia mercennarius est et non pertinet ad eum de ovibus 14 ego sum pastor bonus et cognosco meas et cognoscunt me meae 15 sicut novit me Pater et ego agnosco Patrem et animam meam pono pro ovibus 16 et alias oves habeo quae non sunt ex hoc ovili et illas oportet me adducere et vocem meam audient et fiet unum ovile unus pastor 17 propterea me Pater diligit quia ego pono animam meam ut iterum sumam eam 18 nemo tollit eam a me sed ego pono eam a me ipso potestatem habeo ponendi eam et potestatem habeo iterum sumendi eam hoc mandatum accepi a Patre meo 19 dissensio iterum facta est inter Iudaeos propter sermones hos 20 dicebant autem multi ex ipsis daemonium habet et insanit quid eum auditis 21 alii dicebant haec verba non sunt daemonium habentis numquid daemonium potest caecorum oculos aperire 22 facta sunt autem encenia in Hierosolymis et hiemps erat 23 et ambulabat Iesus in templo in porticu Salomonis 24 circumdederunt ergo eum Iudaei et dicebant ei quousque animam nostram tollis si tu es Christus dic nobis palam 25 respondit eis Iesus loquor vobis et non creditis opera quae ego facio in nomine Patris mei haec testimonium perhibent de me 26 sed vos non creditis quia non estis ex ovibus meis 27 oves meae vocem meam audiunt et ego cognosco eas et sequuntur me 28 et ego vitam aeternam do eis et non peribunt in aeternum et non rapiet eas quisquam de manu mea 29 Pater meus quod dedit mihi maius omnibus est et nemo potest rapere de manu Patris mei 30 ego et Pater unum sumus 31 sustulerunt lapides Iudaei ut lapidarent eum 32 respondit eis Iesus multa opera bona ostendi vobis ex Patre meo propter quod eorum opus me lapidatis 33 responderunt ei Iudaei de bono opere non lapidamus te sed de blasphemia et quia tu homo cum sis facis te ipsum Deum 34 respondit eis Iesus nonne scriptum est in lege vestra quia ego dixi dii estis 35 si illos dixit deos ad quos sermo Dei factus est et non potest solvi scriptura 36 quem Pater sanctificavit et misit in mundum vos dicitis quia blasphemas quia dixi Filius Dei sum 37 si non facio opera Patris mei nolite credere mihi 38 si autem facio et si mihi non vultis credere operibus credite ut cognoscatis et credatis quia in me est Pater et ego in Patre 39 quaerebant ergo eum prendere et exivit de manibus eorum 40 et abiit iterum trans Iordanen in eum locum ubi erat Iohannes baptizans primum et mansit illic 41 et multi venerunt ad eum et dicebant quia Iohannes quidem signum fecit nullum 42 omnia autem quaecumque dixit Iohannes de hoc vera erant et multi crediderunt in eum