191. Vraag naar het grootste gebod : Lc 10,25-28 . Lc 10,25-28

Het verhaal van de barmhartige Samaritaan is een eenvoudig verhaal : een mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho (Lc 10,30-35) . Het verhaal van de barmhartige Samaritaan kadert in een ruimer verhaal over de vraag 'wie is mijn naaste' (Lc 10,29-37) . Een wetgeleerde stelt aan Jezus de vraag : 'Wie is mijn naaste' . Jezus antwoordt met een verhaal (het ons zo bekende verhaal van de barmhartige Samaritaan) en eindigt met een wedervraag, die aansluit bij de vraag van de wetgeleerde : wie van deze drie lijkt voor jou naaste geworden ? De wetgeleerde geeft antwoord op die wedervraag van Jezus waardoor hijzelf antwoord geeft op zijn vraag (die de barmhartigheid beoefende met hem) . Het slotwoord van Jezus geeft antwoord (ga en doe jij evenzo) op de beginvraag van het voorafgaand verhaal (wat moet ik doen?) .

Het verhaal waarvan het verhaal van de barmhartige Samaritaan deel uitmaakt , sluit aan op een ander verhaal (Lc 10,25-28) . De wetgeleerde stelt de vraag wat hij moet doen om het eeuwig leven te erven . Jezus antwoordt hierop met twee vragen : wat staat er in de wet geschreven ? Hoe lees jij ? De wetgeleerde geeft een juist antwoord : Bemin God ... en je naast als jezelf . Jezus zegt hem dan : doe dat en jij zult leven .

Dat alles is voldoende gekend . Maar laten we op de tekst Lc 10,25-37 wat dieper ingaan .

Lc 10,25a . Een zie een wetgeleerde stond op , hem toetsend , zeggend .

Er is sprake van een wetgeleerde . Er staat niet : een schriftgeleerde of een Farizeeër . Een schriftgeleerde is iemand die zich verdiept in het geheel van de Schrift : wet , profeten , geschriften : de Tenach . Een Farizeeër is een vrome jood die tracht te leven naar de Schrift . Zo kan een Farizeeër ook een schriftgeleerde zijn, vanuit de bekommernis om te leven volgens wat de Schrift zegt . Een wetgeleerde is een thora-deskundige . Het Hebreeuwse thora wordt in het Grieks door nomos vertaald en kwam zo als 'wet' bij ons . Thora kan beter vertaald worden als richting-wijzer , onder-richt . De Thora geeft richting aan het leven . Een wetgeleerde of thora-deskundige is een soort grondwetspecialist , die door de grondbeginselen richting geeft aan het leven , persoonlijk en gemeenschappelijk . Die joodse wetgeleerde heeft wellicht Jezus horen spreken en zien handelen . Wellicht vroeg die wetgeleerde zich af vanuit welke grondbeginselen Jezus leefde en wat hij zijn leerlingen aanraadde .
De wetgeleerde stond op om een vraag te stellen . Bij het onderricht zat men . Wellicht is ook Jezus gezeten met een kring leerlingen rond zich . Ook die wetgeleerde zat in die kring . Hij wilde Jezus uitproberen, uitdagen , zijn opvattingen toetsen aan die van Jezus . Uitproberen hoeft niet negatief verstaan te worden . Het is niet de bedoeling van de wetgeleerde om Jezus in de val te lokken . Hij stelde een vraag waarmee hij zat . De wetgeleerde viel op in de kring doordat hij opstond . Hij , de wetgeleerde , van wie verondersteld werd dat hij het wel zou weten , wist het niet allemaal , want hij stelde een vraag en dan nog een fundamentele vraag : hoe moet dat nu verder ? Is er toekomst ? Wat moeten we doen ?

Lc 10,25b . Meester , wat gedaan zal ik eeuwig leven erven ?

De wetgeleerde sprak Jezus aan met leermeester . De wetgeleerde zag dat Jezus door zijn woorden en daden richting aan de mensen gaf . Hij was een 'wetgeleerde' , een Thora-kenner , iemand die wist wat voor richting de Thora kiest .
De wetgeleerde stelde aan Jezus de vraag : wat gedaan zal ik eeuwig leven erven ? De wetgeleerde stelde zich de vraag wat hij moet doen . De Thora en de Schrift leggen de klemtoon op het doen , het gedrag . In onze tekst Lc 10,25-37 komt het werkwoord driemaal voor : bij de eerste vraagstelling , in het antwoord op het einde van het eerste verhaal en in het antwoord op het einde van onze tekst in Lc 10,37 . In het Hebreeuws betekent het woord dabar zowel woord als daad . Zo zegt God in het eerste scheppingsverhaal . Het worde licht . En het werd licht . Woord en daad gaan samen . Zo is dat ook in onze tekst, want op de vraag van de wetgeleerde stelde Jezus de wedervraag : in de wet , wat lees je ? De wetgeleerde wordt verondersteld het te weten en hij weet het ook . Maar daarover gaan we straks nog verder vertellen . De wetgeleerde stelde de vraag omdat hij bekommerd was om de toekomst . Het gaat om het erfdeel , om het leven in het land van melk en honing . Een terechte vraag als je weet dat de Romeinen baas waren in Palestina en dat na 70 na Chr. geen joden een voet mochten zetten in Jeruzalem . En Lucas schrijft na 70 na Chr. De wetgeleerde was terecht bekommerd om de toekomst . Eeuwig leven betekende het doorgaan van het leven van generatie op generatie . Als God aan David het eeuwig koningschap beloofde , dan betekent dat het koningschap van generatie op generatie . Zo was de belofte van een eeuwig priesterschap aan Aäron te verstaan als een priesterschap van generatie op generatie . Die vraag die de wetgeleerde toen bezig hield , houdt ook ons bezig : zal de boodschap van Jezus bij de volgende generatie doorgaan ? Wat moeten we doen ?
Een erfdeel is wat je van de je ouders of anderen ontvangt , meestal na hun dood . Het duidt de overgang van de ene generatie op de andere aan . De wetgeleerde vroeg : wat moet ik doen opdat het leven van generatie op generatie doorgaat . Mijn bezit , mijn traditie , zal die wel overgaan op de volgende generaties ? Zo ja , wat kan ik eraan doen ?

Lc 10,26. Hij (Jezus) echter zei tot hem : In de wet : wat staat er geschreven ? Hoe lees je (herken je) ?

Jezus gaf niet onmiddellijk antwoord op de vraag van de wetgeleerde . Hij stelde echter op zijn beurt twee vragen : in de wet : wat staat er geschreven en hoe lees je , hoe herken je ? De wet , de thora bestaat uit de zogenaamde vijf boeken van Mozes . De eerste vier vormen een eenheid , het vijfde boek (Deuteronomium = tweede wet) neemt een speciale plaats in . In het boek Deuteronomium vinden we de deuteronomistische traditie die de nadruk legt op innerlijkheid . Die traditie vinden we ook bij Jeremia : 'Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en hem in hun hart schrijven . Dan zal ik hun God zijn en zij zullen mijn volk zijn.' De tweede vraag van Jezus is van groot belang : hoe lees je de thora ? Want je kunt uiterlijk alles van de wet proberen te onderhouden of je kunt van binnenuit die wet beleven . Je kunt de wet volgen die op twee stenen tafels staat gegrift : voor altijd vast , of de wet die in je hart is geschreven : levendig , met geest . Wat staat er in de wet in je hart of in de wet op twee stenen tafelen geschreven ?
Hoe lees je ? In het Grieks staat : hoe herken je ? Hoe ken je opnieuw ? Hoe ken je terug ? Als je de tekst leest , als je je hart raadpleegt , hoe weet je dat dat het is , het voornaamste , het allerbelangrijkste ? Je ervaart dat dat doet leven , zon , licht en warmte aan je leven geeft . Je weet dat dat het voornaamste in je leven is , omdat je hart dat zegt . Je herkent het .

Lc 10,27 . Hij (de wetgeleerde) echter antwoordde (en zei) . Jij zult beminnen de Heer je God uit heel je hart en met heel je ziel en met heel je kracht en met heel je ingesteldheid en je naaste als jezelf .

De wetgeleerde antwoordt met de kernzin van de thora : Jij zult beminnen .... Maar daaraan gaat vooraf : Luister Israël (sjema Jisraël) . De Heer is onze God , de Heer is de Enige (Dt 6,4-5) . Bij de verheerlijking van Jezus op de berg , zegt de stem : luistert naar Hem . Wat is de levensrichting van de thora en van Jezus : God beminnen . De wetgeleerde citeerde uit het boek Deuteronomium en wel een tekst die vanuit innerlijkheid spreekt : met heel je hart , met heel je ziel , met al je krachten . De wetgeleerde leest de thora vanuit het innerlijke . Hij leest de thora vanuit de geest van de wet .
Aan het eerste citaat voegde de wetgeleerde een tweede citaat toe : (jij zult beminnen) je naaste als jezelf (Lv 19,18) .
Deze wetgeleerde geeft weer wat in de eerste christelijke gemeenschappen werd beleefd : God loven en met elkaar alles delen (de agapè beoefenen / doen) en samen de maaltijden gebruiken .
In Lv 21,2-4 lezen we : 'Een priester mag zich niet verontreinigen aan het lijk van een volksgenoot, tenzij het gaat om een naaste bloedverwant : zijn vader, zijn moeder, zijn zoon, zijn dochter, zijn broer . Hij mag zich ook verontreinigen aan een ongehuwde zuster, die hem nog na staat, omdat zij niet met een man is geweest . Maar zodra zij gehuwd is, mag hij zich niet aan haar verontreinigen en zich niet ontwijden. '
De wetgeleerde wist wat de kern van de thora was , maar hij wist geen weg met bepaalde voorschriften . Hij wist wellicht wel dat hij zijn medemens in noodsituaties moet helpen , maar wat doe je wanneer deze ingaan tegen de voorschriften van God .
We kennen reeds het antwoord , want we hebben dergelijke conflictsituaties in het evangelie nog tegengekomen . Voorbeeld : Lc 6,6-11. Op sabbat is er in de synagoge een man met een verschrompelde hand . Jezus stelt de vraag : 'Ik vraag u of men op sabbat goed mag doen of kwaad , een leven mag redden of verloren laten gaan .' Tegen het sabbatgebod in geneest Jezus de man . Bij Jezus staat hulp aan een mens centraal . Dat is niet tegengesteld aan wat God wil , want God wil redding , verlossing en bevrijding .
Bemin je naaste als jezelf . Vaak herinnert de thora eraan dat de Israëliet zorg moet dragen voor de vreemdeling , de weduwe en de wezen , eraan herinnerd dat zij ooit vreemdelingen waren in het slavenhuis van Egypte . De thora vertelt dat God het gejammer van zijn volk in het slavenhuis zag en zich over zijn volk ontfermde . Zo zag hij ook het schreien van Ismaël toen Hagar met hem in de woestijn was of Hij zag de droefheid van Rachel of Hanna toen zij zonder kinderen waren . Zo vraagt God aan de mens te denken aan de hulpeloze situatie waarin hij verkeerde en waarin God naar hem omzag .
De houding van de mens tot zijn medemens wordt bepaald door de houding van God tot de mens . Zo staat de liefde tot God niet naast de liefde tot de medemens . Beide horen bij elkaar omdat God om de mens geeft .
Zo staat liturgie (dienst aan God) en solidariteit niet naast elkaar , maar doordrenken ze elkaar ; liturgie is solidariteit en solidariteit is liturgie . Gods-dienst is ook mensen-dienst . De mens in de steek laten kan niet omwille van God .

Lc 10,28. Hij (Jezus) antwoorde hem : juist antwoordde je . Dit : doe het en je zult leven .

Het antwoord van Jezus was een beaming van wat de wetgeleerde zei . In het Grieks staat : orthôs (op de juiste wijze) antwoordde je . Volgens Jezus is dat orthodoxie (de juiste leer) . Jezus voegde eraan toe : doe dat en je zult leven . Zoals reeds gezegd legt de jood de nadruk op het doen van de thora . Hier wordt dit ook beklemtoont . Dan zouden we in het antwoord van Jezus verwachten : en je zult het eeuwig leven ervan . Dat staat er niet . Er staat : jij zult leven . Door beminnend in het leven te staan , zal je leven . Je zal ervaren dat dat de kern van het leven is . En de toekomst ... als dat de kern van het leven is , hoeven we ons niet al te zeer over die toekomst zorgen te maken . Het leven nu is het belangrijkste . Je moet Nu leven .

Lc 10,25-28 bevat een woordenschat die we in Deuteronomium en de deuteronomistische traditie terugvinden : citaat , leven , ervan , doen, wet . Deze traditie leefde vooral iets voor , maar vooral tijdens de Babylonische ballingschap , nadat de stad Jeruzalem en de tempel verwoest waren . Wellicht lijkt die situatie sterk op die waarin Lukas schrijft . In deze periode is er weer meer aandacht voor het innerlijke , voor God en voor elkaar .
Wellicht zullen er in de toekomst minder kloosters , minder kerken , minder priesters , minder parochies , minder gelovigen zijn . Misschien gaan we een soort 'Babylonische ballingschap' in , maar zullen we moeten terugvallen op wat christen-zijn in de kern is . Als we nu beleven wat de kern is , zal de toekomst wel voor zichzelf zorgen .


Tweede vraag : Lc 10,29-37 . Lc 10,29-37 .

Het tweede verhaal (Lc 10,29-37) bestaat uit een vraag van de wetgeleerde (Lc 10,29) . Jezus ' antwoord is tweevoudig . Vooreerst vertelt hij het verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,30-35) . Daarna stelt hij een wedervraag (Lc 10,36) . Het antwoord van de wetgeleerde is een antwoord op zijn vraag (Lc 10,37a) . Daarop spoort Jezus de wetgeleerde aan om te doen wat hij nu weet (Lc 10,37b) . Twee vragen , twee antwoorden en een verhaal .

Lc 10,29 : de wetgeleerde echter wil zichzelf rechtvaardigen . Hij zei tot Jezus : En wie is mijn naaste .

De oorspronkelijke vraag van de wetgeleerde (wat moet ik doen om eeuwig leven te erven) was beantwoord . Maar tegelijkertijd God beminnen en de naaste beminnen was soms problematisch . Wat gaat voor ? Welke keuze maak je dan ? De vraag van de wetgeleerde hoeft niet geïnterpreteerd te worden als een poging om niet zijn gezicht te verliezen . Zijn vraag is gerechtvaardigd . Wie is mijn naaste in de ogen van de wet ? Wie mag ik helpen , wie niet ? Mag ik een naaste niet helpen omwille van God ? Waaraan besteed ik mijn tijd ? Aan studie en bezinning ? Aan sociale hulp ? Hoe ligt die verhouding ?

Lc 10,30 . Jezus nam hem bij zich en zei : 'Een mens was bezig af te dalen van Jeruzalem naar Jericho en hij werd overvallen door rovers . Zij namen ook zijn kleren , brachten hem slagen toe , lieten hem halfdood achter en zij gingen weg .

Jezus antwoordt niet rechtstreeks op de vraag . Hij begint een verhaal waarbij je je afvraagt wat dat met de vraag te maken heeft . In plaats dat het over een naaste gaat , is er sprake van een ruwe overval , waarbij iemand tot op zijn huid wordt uitgeschud. Jezus begint dus met een verhaal : er was eens een mens . Zo begint Jezus vaak zijn verhalen : er was eens een vader die twee zonen had , er was eens een rijke ... In één zin van 20 woorden is een situatie geschetst : een overval , de vlucht van de overvallers , een naakte , gewonde (wellicht bloedende) man halfdood langs de weg . Hij lijkt wel een lijk . We weten niets van de overvallende . Slechts de vermelding dat hij van Jeruzalem naar Jericho afdaalde . Wellicht heeft hij geofferd in de tempel . Van de godsvrucht in de tempel tot de ruwe realiteit . Het is een afdalen . Van hemelse liturgie naar de verschrikking van menselijke uitbuiting , winstbejag , geld . Geconfronteerd met andere waarden . Van de overvallers zullen we niets meer horen . Of ze nog in de omgeving waren , of dat andere voorbijgangers schrik voor de onzichtbare rovers hadden , weten we eveneens niet . Wie overvallen werd , blijft anoniem ; de overvallers blijven eveneens anoniem , zonder gezicht . Bij hun overval takelen ze hun slachtoffer zodanig toe dat ze bijna zeker zijn dat hij zijn mond niet meer zal opendoen , dat hij niet zal kunnen zeggen wie zij waren en hoe zij eruitzagen .

Lc 10,31. Toevallig was ook een priester aan het afdalen op diezelfde weg . En hij zag hem en hij ging langs tegenover .

Een eerste voorbijganger . We weten nnatuurlijk niet of er nog voorbijgangers zullen komen . De luisteraar , die partij heeft gekozen voor het ongelukkig slachtoffer , is opgelucht en blij dat iemand langs die weg komt , want misschien is de hulp voor het slachtoffer niet te laat . De eerste voorbijganger is een priester . Wellicht heeft de priester in de tempel in Jeruzalem offers opgedragen en tot God gebeden . Zijn taak , zijn beroep was God dienen . Hij daalt af en wordt geconfronteerd met de rauwe werkelijkheid , maar hij weet er geen antwoord op . Volgens de wet mag hij geen lijk aanraken . Dan is hij onrein . Wellicht hadden die voorschriften wel hun bedoeling , want priesters hadden met bloed , vlees , spijs en voedsel te maken . Geen lijken aanraken zal wel een hygiënsche reden gehad hebben . De priester kiest het zekere . Hij ziet de situatie , de man , zo dood als een lijk . Hij gaat voorbij . Hij vervolgt zijn weg en we horen niets meer van hem . Als luisteraar van het verhaal zijn we verbijsterd . Van een priester , een godsdienaar hadden we verwacht dat hij zou helpen . Hij was gebonden door zijn wetten , maar we voelen aan dat in noodsituaties alle gewone wetten niet opgaan . We voelen aan dat er geen enkele reden kan zijn om een mens in nood niet te helpen . De kans dat het slachtoffer het overleeft is verkeken .
Wie het eerst afdaalde en de priester is bijna geen verschil . Wellicht hebben beiden in de tempel gebeden . Beiden daalden langs dezelfde weg af . Was de priester misschien wat vroeger afgedaald , was hij wellicht slachtoffer geworden . Het zijn lotgenoten , aan dezelfde gevaren van het reizen blootgesteld . De ene werd slachtoffer , de andere , de priester heeft zijn lot in eigen handen , hij kan toekijken en helpen of toekijken en afstand houden .

Lc 10,32 . Op dezelfde wijze echter was er een leviet . Hij kwam langs de plaats en hij zag en hij ging tegenover voorbij .

Bij 'zo ook... ' koesteren we de hoop dat er iemand in de verte te zien is en langzaam nadert . Er is nieuwe hoop voor het slachtoffer . Het blijkt een leviet te zijn . Hoe de verteller dat weet , zegt hij ons niet . Een priester was een dienaar in de tempel . Hij behoorde tot de stam Levi , meer bepaald tot Aäron . Levi is één van de twaalf stammen van Israël , afkomstig uit de twaalf zonen van Jakob . Maar er zijn in feite dertien stammen van Israël ; er is geen stam die naar Jozef wordt genoemd , maar wel naar zijn zonen Efraïm en Manasse . Twaalf stammen hadden hun eigen gebied . De stam van Levi , met priesters en levieten , woonden binnen het gebied van de twaalf stammen . Er komt dus een leviet aan . De tekst zegt : hij kwam langs die plaats . Dat is al wat concreter dan het algemene op die weg . Hij zag . Maar wat zag hij ? De verteller zegt niet dat hij de man zag . De leviet durfde blijkbaar niet zien wat hij zag . We zien de leviet niet zijn pas vertragen , of stilstaan . Hij ging tegenover voorbij . Als luisteraar denk je : waarom ging die leviet voorbij ? Omwille van reinheidsvoorschriften . Wellicht . Maar de overlevingskans van het slachtoffer wordt kleiner . Het is alsof de hulpdienst langer uitblijft dan verwacht . De eerste minuten zijn belangrijk . Misschien bloedt het slachtoffer wel dood .

Lc 10,33. Een Samaritaan echter die op weg is kwam langs hem en hij zag (hem) en hij werd door medelijden bewogen .

Er komt in de verte nog iemand aan . De joodse verteller ziet dat het een Samaritaan is . Vanuit de gespannen relatie tussen joden en Samaritanen en de negatieve kijk op Samaritanen verwachten we niet dat hij zal helpen . Hij is iemand die onderweg is . De verteller zegt natuurlijk niet dat hij afdaalt van Jeruzalem naar Jericho . Wat zou die Samaritaan in Jeruzalem moeten zoeken ? Zoals de priester en de leviet kwam hij langs en zag hij . Maar de verteller laat al aanvoelen dat de Samaritaan langs een mens , het slachtoffer kwam . Dat is persoonlijker en concreter dan : op die weg , of langs die plaats . Evenals de priester en de leviet zag hij het slachtoffer . Wat gaat deze Samaritaan doen ? We zouden verwachten dat hij vlug voorbijgaat . Want wat goeds kan je van een Samaritaan verwachten , zo heeft een jood geleerd . De vooroordelen van de jood komen niet uit . De verteller zegt : hij werd door medelijden bewogen . Hij zal voor die mens zorgen en wanneer hij het zelf niet kan , zal hij de zorg aan een ander toevertrouwen en erover waken dat de zorg verzekerd is . In twee verzen en 50 woorden wordt een overvloed aan handelingen gegeven om de zorg van de Samaritaan uit te drukken . Hij werd door medelijden bewogen vinden we terug in het verhaal van de opwekking van de zoon van de weduwe van Naïn (Lc 7,11-17) en van het verhaal van de verloren zoon (Lc 15,11-32) .

Lc 10,34 : Hij kwam naderbij , verbond zijn wonden , goot olie en wijn erop , plaatste hem op zijn eigen rijdier , voerde hem naar een herberg en hij bekommerde zich over hem .

De Samaritaan ging naar het slachtoffer . Eindelijk is er hulp , door iemand van wie je als luisteraar het niet zou verwachten . Hij verzorgde de wonden . Hij ontsmette ze en hij verzachtte de pijn . Hij bood de eerste hulp en hij had zijn eerstehulpskoffertje bij . Terloops weten we dat hij met een rijdier is , want hij zette de man op zijn rijdier . Hij bracht hem naar een herberg , waar hij verdere verzorging kreeg . De Samaritaan had wellicht zijn reisplan onderbroken door de herberg op te zoeken en er te overnachten . Pas 's anderdaags zette hij zijn reis verder nadat hij voldoende garanties voor een goede verzorging van de gewonde had ingebouwd .

Lc 10,35 . En bij de ochtend trok hij weg . Hij gaf twee denariën aan de herbergier en zei : Zorg voor hem en wat je verder uitgeeft zal ik jou vergoeden bij mijn terugkomst .

De Samaritaan voelt zich verantwoordelijk voor de gewonde totdat hij genezen is . Hij geeft een voorschot aan de herbergier . Uit zijn houding tegenover het slachtoffer hebben we er vertrouwen in dat hij zal terugkomen en de herbergier zal betalen . Zal de gewonde reeds hersteld zijn en reeds vertrokken . We weten niet hoe het verder gaat . Maar we zijn er gerust in . We willen natuurlijk iets meer weten over die Samaritaan en over de man die overvallen werd . We willen graag weten hoe de overvallene het verder stelt . Maar beiden verdwijnen in de anonimiteit .

Het verhaal van de barmhartige Samaritaan telt 106 woorden ; de overval : 20 ; de priester : 14 ; de leviet : 12 ; de samaritaan : 60 waarvan 50 voor wat de Samaritaan deed . Meer dan de helft van de woorden zijn aan de Samaritaan besteed . Meer dan 50 woorden om weer te geven wat de bewogenheid van de Samaritaan is . In Lc 10,37 wordt dat barmhartigheid genoemd . In Lucas wordt het woord eleos (barmhartigheid) slechts 6X gebruikt , 5X in Lc 1 en 1X in Lc 10,37 . In het Magnificat (Lc 1,47-54) lezen we in Lc 1,50 : en zijn barmhartigheid van geslacht tot geslacht . En in Lc 1,54 : om barmhartigheid te gedenken . Bij de geboorte van Johannes zullen verwanten en buren : want de Heer vergrootte zijn barmhartigheid . En in het Benedictus . In Lc 1,72 : om barmhartigheid te doen met onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken . En in Lc 1,78 : door de bewogenheid van barmhartigheid van onze God . Barmhartigheid kenmerkt God sinds eeuwigheid , en kijkt Hij terug hoe Hij barmhartig was in de loop der geschiedenis . De oproep van Jezus aan de mens om barmhartig te zijn , ligt in de lijn van wat God doet . Zo kunnen we zeggen : wees barmhartig zoals uw hemelse Vader barmhartig is . Wees barmhartig is ook een smeekbede in de wonderverhalen en in de kerk geworden (kyrie , eleison = Heer , ontferm u over ons) .
Ontferm u . Erbarm u . Wees barmhartig . In 4 verzen bij Lucas : (1) Lc 16,24 (de rijke vrek) . (2) Lc 17,13 (de tien melaatsen) . (3) Lc 18,38 (de blinde) . (4) Lc 18,39 .
Barmhartig zijn voor je medemens kan niet in contrast staan met gods-dienst . Barmhartig zijn is doen als Jezus , als God .

Lc 10,36. Wie van deze drie schijnt jou naaste geworden van hem die in de handen van de rovers viel ?

Jezus verbindt de beginvraag van de wetgeleerde met het verhaal van de overval . De tegenstelling tussen gods-dienst en mensen-dienst waarmee priester en leviet worstelden, wordt opgeheven . God is geen eisende God die offers wil . God is een barmhartige God . Hier rijst dan ook de vraag : wat maakt een mens onrein ? een lijk of een halfdode aanraken ? of een halfdode helpen ? Voor ons is het duidelijk . Voor de verteller is het duidelijk dat uiterlijke reinheid van geen is ; het gaat hem om innerlijke reinheid .
De vraag van de wetgeleerde over de naaste verbindt Jezus met het verhaal van de Samaritaan . Wie is het meest nabij ? Wie is naaste . Niet de priester want die ging voorbij tegenover hem , niet de leviet , die ging eveneens voorbij tegenover hem . Wel de Samaritaan . Hij ging naar hem toe , verzorgde zijn wonden enz. Hier pas zien we het verband tussen de vraag van de wetgeleerde en het verhaal van Jezus . Door te antwoorden op de wedervraag van Jezus geeft de wetgeleerde zelf antwoord op zijn eigen vraag : wie is mijn naaste ? Nu de wetgeleerde inzicht heeft verworven , belet hem niets om ook barmhartig te handelen en de naaste van de andere te zijn .

Lc 10,37. De wetgeleerde echter zei : wie barmhartigheid deed met hem . Jezus echter zei hem : ga en doe jij evenzo .

De allereerste vraag van de wetgeleerde was : wat gedaan ... zal ik eeuwig leven ervan . Hier staat : hij , gedaan barmhartigheid . De wetgeleerde antwoordt zelf op zijn vraag . Het gaat om barmhartigheid doen . Wanneer ? op het moment dat het zich voordoet . Het nu-moment is belangrijk . In Lc 10,28 klonk het doe het en jij zult leven . Naar hier omgezet kunnen we zeggen : doe barùmhartigheid en jij zult leven . Dit doet ons denken aan het benedictus (Lc 1,72) : om barmhartigheid te doen met onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken .