LUCASEVANGELIE , EERSTE HOOFDSTUK , LC 1 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -
- Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -- Lc 1,57-66.80 -

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,

Tekstuitleg - Lc 1,1-4 - Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 - Lc 1,26 - Lc 1,27 - Lc 1,28 - Lc 1,29 - Lc 1,30 - Lc 1,31 - Lc 1,32 - Lc 1,33 - Lc 1,34 - Lc 1,35 - Lc 1,36 - Lc 1,37 - Lc 1,38 - Lc 1,39 - Lc 1,40 - Lc 1,41 - Lc 1,42 - Lc 1,43 - Lc 1,44 - Lc 1,45 - Lc 1,46 - Lc 1,47 - Lc 1,48 - Lc 1,49 - Lc 1,50 - Lc 1,51 - Lc 1,52 - Lc 1,53 - Lc 1,54 - Lc 1,55 - Lc 1,56 - Lc 1,57 - Lc 1,58 - Lc 1,59 - Lc 1,60 - Lc 1,61 - Lc 1,62 - Lc 1,63 - Lc 1,64 - Lc 1,65 - Lc 1,66 - Lc 1,67 - Lc 1,68 - Lc 1,69 - Lc 1,70 - Lc 1,71 - Lc 1,72 - Lc 1,73 - Lc 1,74 - Lc 1,75 - Lc 1,76 - Lc 1,77 - Lc 1,78 - Lc 1,79 - Lc 1,80 -


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Lucasevangelie :
1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4
2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25
3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38
4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56
5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80

Evangelielezing van 3de (derde) zondag door het jaar C : Lc 1,1-4 en Lc 4,14-21
Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden, aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in diens van het woord zijn getreden. Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht – voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.

1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

Het kindsheidsevangelie van Lucas (Lc 1 - Lc 2) bestaat uit een voorwoord en zeven verhalen .
Het eerste en het tweede verhaal (Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38) zijn op een parallelle wijze opgebouwd ; zij betreffen de aankondiging van de geboorte van Johannes , de Doper (Lc 1,5-25) en die van Jezus (Lc 1,26-38) . De tijdsaanduiding “in de zesde maand” vormt een link tussen het eerste en het tweede verhaal .
Dit tweeluik wordt gevolgd door een tussenluik nl. het bezoek van Maria aan Elisabeth (Lc 1,39-56) , waarop een tweede tweeluik volgt , die de geboorte van Johannes , de Doper (Lc 1,57-80) en die van Jezus (Lc 2,1-20) betreffen . Deze vijf verhalen worden gevolgd door twee Jezusverhalen : de opdracht van Jezus in de tempel , veertig dagen na zijn geboorte (Lc 2,21-40) en de twaalfjarige Jezus te midden van de leraren (Lc 2,41-52) .

De verhalen van het "kindsheidsevangelie" van Lucas worden meestal als onhistorische , fictieve verhalen geïnterpreteerd . Dit betekent geenszins dat ze niet rijk aan betekenis zijn . We zullen ons afvragen hoe de evangelist tot de constructie van deze verhalen is gekomen en wat de betekenis ervan is .

Lc 1,1 - Lc 1,1 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:1 epeidèper polloi epecheirèsan anataxasthai diègèsin peri tôn peplèroforèmenôn en èmin pragmatôn  1 quoniam quidem multi conati sunt ordinare narrationem quae in nobis conpletae sunt rerum   1. Aangezien al velen ondernomen hebben een verhaal op te stellen omtrent de gebeurtenissen die onder ons voltrokken zijn,   Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden,   Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen, die onder ons volkomen zekerheid hebben;  [1] Velen * hebben zich er al toe gezet het verhaal te doen van wat zich bij ons heeft voltrokken,   [1] Nadat reeds velen zich tot taak hebben gesteld om een verslag te schrijven over de gebeurtenissen die zich in ons midden hebben voltrokken,  1 ¶ Nadat velen reeds het ter hand hebben genomen een verhandeling op te stellen over de gebeurtenissen die zich bij ons hebben voltrokken,  1. Puisque beaucoup ont entrepris de composer un récit des événements qui se sont accomplis parmi nous, 

King James Bible . [1] Forasmuch as many have taken in hand to set forth in order a declaration of those things which are most surely believed among us,
Luther-Bibel . Viele haben es schon unternommen, Bericht zu geben von den Geschichten, die unter uns geschehen sind,

Tekstuitleg van Lc 1,1 . Het vers Lc 1,1 telt 11 woorden en 83 letters . De getalwaarde van Lc 1,1 is 7457 .

Lc 1,1.1.epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in het NT : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Taalgebruik in Lc : epeidèper (nadat nu, daar nu) . Slechts in Lc 1,1 . Voegwoord van tijd : toen nu , nadat nu , sinds . Voegwoord van reden : daar nu , daar immers .
- epei . Voegwoord van tijd : nadat, wanneer . Voegwoord van reden : daar , omdat .
- dè (inderdaad, dus) . Het wordt gebruikt waar een feitelijke , zichtbare evidentie wordt aangebracht .
- -per . Om de betekenis van het voorgaande woord te versterken .

Lc 1,1.2. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 .

Lc 1,1.3. act. ind. aor. 3de pers. mv. epecheirèsan (zij beproefden) van het werkw. epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in het NT : epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Taalgebruik in Lc : epicheireô (de handen slaan aan, aanpakken, ondernemen, beproeven) . Slechts in Lc 1,1 . Dit is het enigste vers en de enigste vorm in de evangelies .

Lc 1,1.4. passief infinitief aorist anataxasthai van het werkw. anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in het NT : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . Taalgebruik in Lc : anatassô (opstellen, de gegevens sytematisch rangschikken, onderzoeken) . anatassô diègèsin : een verhaal opbouwen , omstandig vertellen . Lc (1) Lc 1,1 . Hapax . Zij namen ter hand dat een verhaal zou opgebouwd worden .

Lc 1,1.5. nom. vr. enk. diègèsin van het zelfst. naamw. diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in het NT : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Taalgebruik in Lc : diègèsis (uiteenzetting, verhandeling, uitleg, verhaal) . Lc (1) Lc 1,1 .

Lc 1,1.6. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,4 .

Lc 1,1.7. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,1.8. pass. part. perf. gen. nom. + onz. mv. peplèroforèmenôn van het werkw. plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in het NT : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Taalgebruik in Lc : plèroforeô (voldragen, geheel (vervullen) . Lc (1) Lc 1,1 .

Lc 1,1.9. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,1.10. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 .

Lc 1,1.11. gen. onz. mv. pragmatôn (van de handelingen / gebeurtenissen) van het zelfst. naamw. pragma (daad, handeling) . Taalgebruik in het NT : pragma (daad, handeling) . Taalgebruik in Lc : pragma (daad, handeling) . Lc (1) Lc 1,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,2 - Lc 1,2 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:2 kathôs paredosan èmin oi ap archès autoptai kai upèretai genomenoi tou logou  2 sicut tradiderunt nobis qui ab initio ipsi viderunt et ministri fuerunt sermonis   2 zoals zij ons hebben overgeleverd die vanaf het begin ooggetuigen waren en dienaren van het woord geworden zijn,  aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in diens van het woord zijn getreden.   2 Gelijk ons overgeleverd hebben, die van den beginne zelven aanschouwers en dienaars des Woords geweest zijn;  [2] aan de hand van de overlevering van de oorspronkelijke ooggetuigen die dienaar van het woord zijn geworden.  [2] en die ons zijn overgeleverd door degenen die vanaf het begin ooggetuigen zijn geweest en dienaren van het Woord zijn geworden,  2 zoals aan ons hebben overgeleverd zij die van het begin af ooggetuigen en dienaars van het woord zijn geweest,  2. d'après ce que nous ont transmis ceux qui furent dès le début témoins oculaires et serviteurs de la Parole, 

King James Bible .[2] Even as they delivered them unto us, which from the beginning were eyewitnesses, and ministers of the word;
Luther-Bibel . 2 wie uns das überliefert haben, die es von Anfang an selbst gesehen haben und Diener des Worts gewesen sind.

Tekstuitleg van Lc 1,2 . Het vers Lc 1,2 telt 12 (2² X 3) woorden en 63 (3² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,2 is 6462 (2 X 3² X 359) .

Lc 1,2.1. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 .

kathôs (zoals)

bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  405 326 179 3 8 17 31 11 109 - 28  59 

 

Mt Mc Lc syn. ev.
kathôs (zoals) bij syn.  3 : (1) Mt 21,6 . (2) Mt 26,24 . (3) Mt 28,6 . 8 : (1) Mc 1,2 (gegraptai) . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 9,13 (gegraptai) . (4) Mc 11,6 (eipen) . (5) Mc 14,16 (eipen) . (6) Mc 14,21 (gegraptai) . (7) Mc 15,8 . (8) Mc 16,7 (eipen) . 17 : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 . 28 : (1) Mt 26,24 // Mc 14,21 . 59 

- Hebreeuws . כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5 . (2) Ex 15,8 . Arabisch . كَما = zoals (kamâ) . Taalgebruik in de Qoran : zoals (kamâ) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .

Lc 1,2.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. paredosan paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,44 . (4) Lc 10,22 . (5) Lc 12,58 . (6) Lc 18,32 . (7) Lc 20,20 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,16 . (10) Lc 22,4 . (11) Lc 22,6 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,22 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 23,25 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,20 .

Lc 1,2.3. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 .

Lc 1,2.4. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,58 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,2.5. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 1,52 . ap' . Lc (32) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,70 .

Lc 1,2.6. gen. vr. enk. archès van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Lc : archè (begin, heerschappij) . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van archè (begin, heerschappij) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 20,20 .

Lc 1,2.7. nom. vr. mv. autoptai van het zelfst. naamw. autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Taalgebruik in het NT : autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Taalgebruik in Lc : autoptès (zelfziener, ooggetuige) . Lc (1) Lc 1,2 . Dit is de enigste vorm in het NT .

Lc 1,2.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,2.9. nom. mann. mv. hupèretai van het zelfst. naamw. hupèretès (dienaar) . Taalgebruik in het NT : hupèretès (dienaar) . Taalgebruik in Lc : hupèretès (dienaar) . Lc (1) Lc 1,2 . Een vorm van hupèretès (dienaar) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 4,20 .

Lc 1,2.10. part. aor. nom. mann. mv. genomenoi van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Lc (2) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 24,37 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

Lc 1,2.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,2.12. gen. mann. enk. logou van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (2) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 20,20 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .

Lc 1,3 - Lc 1,3 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:3 edoxen kamoi parèkolouthèkoti anôthen pasin akribôs kathexès soi grapsai kratiste theofile   3 visum est et mihi adsecuto a principio omnibus diligenter ex ordine tibi scribere optime Theophile  3 leek het ook mij goed, na alles vanaf het begin nauwkeurig te hebben vervolgd, het ordelijk voor u op te schrijven, hoogedele Theofilus,   Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht – voor u een ordelijk verslag te schrijven,   3 Zo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voortreffelijke Theofilus!   [3] Nu heb ook ik besloten alles van voren af aan nauwkeurig na te gaan en voor u, geachte Teofilus, ordelijk op schrift te stellen,  [3] leek het ook mij goed om alles van de aanvang af nauwkeurig na te gaan en deze gebeurtenissen in ordelijke vorm voor u, hooggeachte Theofilus, op schrift te stellen,  3 leek het ook mij goed, na alles van meet af zorgvuldig te hebben nagevorst het ordelijk voor je op te schrijven, beste Teofilus,  3. j'ai décidé, moi aussi, après m'être informé exactement de tout depuis les origines, d'en écrire pour toi l'exposé suivi, excellent Théophile,. 

King James Bible . [3] It seemed good to me also, having had perfect understanding of all things from the very first, to write unto thee in order, most excellent Theophilus,
Luther-Bibel . 3 So habe auch ich's für gut gehalten, nachdem ich alles von Anfang an sorgfältig erkundet habe, es für dich, hochgeehrter Theophilus, in guter Ordnung aufzuschreiben,

Tekstuitleg van Lc 1,3 . Het vers Lc 1,3 telt 11 woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Lc 1,3 is 6833 .

Lc 1,3.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. edoxe van het werkw. dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in het NT : dokeô (menen, schijnen) . Taalgebruik in Lc : dokeô (menen, schijnen) . Lc (1) Lc 1,3 . Een vorm van dokeô (menen, schijnen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 8,18 . (3) Lc 10,36 . (4) Lc 12,40 . (5) Lc 12,51 . (6) Lc 13,2 . (7) Lc 13,4 . (8) Lc 19,11 . (9) Lc 22,24 . (10) Lc 24,37 .

Lc 1,3.2. kamoi < kai (en) + moi (pers. voornaamw. dat. mann. enk. : aan mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.3. act. part. perf. dat. mann. enk. parèkolouthèkoti van het werkw. parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Taalgebruik in het NT : parakoloutheô (naast iemand de weg afleggen, begeleiden) . Lc (1) Lc 1,3 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,3.4. anôthen (van boven af) . Taalgebruik in het NT : anôthen (van boven af) . Taalgebruik in Lc : anôthen (van boven af) . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.5. dat mann. + onz. mv. pasin van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (13) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,38 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 3,20 . (6) Lc 9,43 . (7) Lc 9,48 . (8) Lc 12,44 . (9) Lc 13,17 . (10) Lc 14,33 . (11) Lc 24,9 . (12) Lc 24,21 . (13) Lc 24,25 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,3.6. akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in het NT : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Taalgebruik in Lc : akribôs (nauwkeurig, wel overwogen) . Lc (1) Lc 1,3 .

Lc 1,3.7. kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Taalgebruik in het NT : kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Taalgebruik in Lc : kathexès = efexès (in volgorde, op een rij) . Lc (2) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 8,1 .

Lc 1,3.8. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,3.9. act. inf. aor. grapsai van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (1) Lc 1,3 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 .

Lc 1,3.10. voc. mann. enk. kratiste van het bijvoegl. naamw. kratistos (machtigst, best) . Taalgebruik in het NT : kratistos (machtigst, best) . Taalgebruik in Lc : kratistos (machtigst, best) . Lc (1) Lc 1,3 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,3.11. theofile (Theofilus) . Vocatief mannelijk enkelvoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 1,3 . (2) Hnd 1,1 . Het evangelie (volgens Lucas) en het boek Handelingen zijn gericht tot Teofilus . Wellicht was hij een christen van Antiochië .

Lc 1,4 - Lc 1,4 : 1. Lucaanse proloog : Lc 1,1-4 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 -- Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 -- Lc 1 -- Lc 1,5-25 - Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:4 ina epignôs peri ôn katèchèthès logôn tèn asfaleian   4 ut cognoscas eorum verborum de quibus eruditus es veritatem   4 opdat u de betrouwbaarheid zou erkennen van de dingen waaromtrent u onderricht bent.   met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt.   4 Opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen, waarvan gij onderwezen zijt.   [4] zodat u zich kunt overtuigen van de betrouwbaarheid van de berichten die u hebt ontvangen.  [4] om u te overtuigen van de betrouwbaarheid van de zaken waarin u onderricht bent.  4 opdat je de onwankelbare grond zult kennen van de woorden waarin je bent onderricht.   4. pour que tu te rendes bien compte de la sûreté des enseignements que tu as reçus. 

King James Bible . [4] That thou mightest know the certainty of those things, wherein thou hast been instructed.
Luther-Bibel . 4 damit du den sicheren Grund der Lehre erfährst, in der du unterrichtet bist. Die Ankündigung der Geburt Johannes des Täufers

Tekstuitleg van Lc 1,4 . Het vers Lc 1,4 telt 8 (2³) woorden en 43 letters . De getalwaarde van Lc 1,4 is 5527 .

Lc 1,4.1. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Lc : hina (opdat) . Lc (46) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,43 .

Lc 1,4.2. act. conj. aor. 2de pers. enk. epignô(i)s van het werkw. epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in het NT : epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . Taalgebruik in Lc : epiginôskô (leren kennen, begrijpen) . (1) Lc 1,4 . Een vorm van epiginôskô (leren kennen, begrijpen) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,22 . (3) Lc 5,22 . (4) Lc 7,37 . (5) Lc 23,7 . (6) Lc 24,16 . (7) Lc 24,31 .

Lc 1,4.3. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,4 .

Lc 1,4.4. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .

Lc 1,4.5. pass. ind. aor. 2de pers. enk. katèchèthès van het werkw. katècheô (doen klinken, leren) . Taakgebruik in het NT : katècheô (doen klinken, leren) . Taakgebruik in Lc : katècheô (doen klinken, leren) . Lc (1) Lc 1,4 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,4.6. gen. mann. mv. logôn van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 6,47 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 .

Lc 1,4.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 1,40 . (4) Lc 1,48 .

8. acc. vr. enk. asfaleian van het zelfst. naamw. asfaleia (vastheid, veiligheid) . Taalgebruik in het NT : asfaleia (vastheid, veiligheid) . Taalgebruik in Lc : asfaleia (vastheid, veiligheid) . Lc (1) Lc 1,4 . Dit is de enigste vorm in Lc .

2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 - Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

In Lc 1,5-25 beginnen 11 / 21 verzen met kai (en) en 6 / 21 verzen met de (echter) .

Lc 1,5 - Lc 1,5 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:5 egeneto en tais èmerais èrôdou basileôs tès ioudaias iereus tis onomati zacharias ex efèmerias abia kai gunè autô ek tôn thugaterôn aarôn kai to onoma autès elisabet 5 fuit in diebus Herodis regis Iudaeae sacerdos quidam nomine Zaccharias de vice Abia et uxor illi de filiabus Aaron et nomen eius Elisabeth  Er was in de dagen van Herodes, koning van Jodea, een zeker priester met de naam van Zaeharias uit de dienstafdeling van Abia, en hij had een vrouw uit de dochters van Aâron en haar naam was Elisabet.   5 In de dagen van Herodes, den koning van Judea, was een zeker priester, met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijn vrouw was uit de dochteren van Aäron, en haar naam Elizabet. [5] In de dagen van Herodes, de koning van Judea*, was er een priester, Zacharias genaamd, die behoorde tot de afdeling* Abia. Ook zijn vrouw stamde af van Aäron, en haar naam was Elisabet.  [5] Toen Herodes koning van Judea was, leefde er een priester die Zacharias heette en tot de priesterafdeling Abia behoorde. Zijn vrouw, Elisabet, stamde af van Aäron.  5 ¶ Het geschiedt in de dagen van Herodes, als deze koning over Judea is: een zeker priester, genaamd Zacharias, uit de dagorde van Avia, heeft een vrouw uit de dochters van Aäron; haar naam is Elisabet.  5. Il y eut aux jours d'Hérode, roi de Judée, un prêtre du nom de Zacharie, de la classe d'Abia, et il avait pour femme une descendante d'Aaron, dont le nom était Élisabeth. 

King James Bible : There was in the days of Herod, the king of Judaea, a certain priest named Zacharias, of the course of Abia: and his wife was of the daughters of Aaron, and her name was Elisabeth .
Luther-Bibel . 5 Zu der Zeit des Herodes, des Königs von Judäa, lebte ein Priester von der Ordnung Abija, mit Namen Zacharias, und seine Frau war aus dem Geschlecht Aaron und hieß Elisabeth.

Hebr. wajëhî bîme(j) ... mèlèkh jëhûdâh

Tekstanalyse van Lc 1,5 . Dit vers Lc 1,5 telt 29 woorden en 142 (2 X 71) letters . De getalwaarde van Lc 1,5 is 17171 (7 X 11 X 223) . Van links naar rechts of van rechts naar links gelezen blijft 17171 hetzelfde getal . Reeds bij het allereerste begin van Lc 1,5-25 wordt de tijd van het gebeuren aangeduid : in de dagen (in de tijd) van Herodes , de koning van Judea . En zo is ook onmiddellijk de plaats aangeduid : Judea . De woorden koning en priester staan hier wel heel dicht bij elkaar . Ook in Lc 1,26 wordt de tijds- en plaatsaanduiding kort na elkaar gegeven . Het ene gebeuren speelt zich af in Judea , het andere in Galilea .

Lc 1,5.1. ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 1-2 (14) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) , in Lc (129) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 , in Lc 2 (7) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,13 . (5) Lc 2,15 . (6) Lc 2,42 . (7) Lc 2,46 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 129 verzen .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 
Totaal 2841   2174 667 75 55 129 51 124   38 259 310

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8
                   
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto   69 (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . (15) Lc 3,2 . (16) Lc 3,21 . (17) Lc 4,25 . (18) Lc 4,36 . (19) Lc 5,1 . (20) Lc 5,12 . (21) Lc 5,17 . (22) Lc 6,1 . (23) Lc 6,6 . (24) Lc 6,12 . (25) Lc 6,13 . (26) Lc 6,16 . (27) Lc 6,49 . (28) Lc 7,11 . (29) Lc 8,1 . (30) Lc 8,22 . (31) Lc 8,24 .

- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren)

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin  2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25  176 323    
Totaal 9397 6947 2450 288 192 361 442 560 496 111 841 1283    

- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . OF ook : worden . Aramees : הֲוָא = häwâ´ . Arabisch : هَؤَىَ = hawa .

Gr. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij / zij was) . Bijbel (1506) . OT (1120) . Pentateuch (329) . Eerdere Profeten (219) . Latere Profeten (146) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (131) .
Door wajëhî (en hij was / en het was) wordt het verhaal vervolgd . We zouden kunnen vertalen : vervolgens , en dan .

Lc 1,5.2. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
288   25  23  10  18  10  12  12  13  14  12  17  13  11  11  13  12  16 

- Ned. in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : en . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Hebreeuws : בְּ = bë .

Lc 1,5.1. - 2. εγενετο εν = egeneto en (het gebeurde) . Na de inleiding staan we hier voor een absoluut begin van het Lucasevangelie . Wellicht daarom staat er geen και = kai (en) of δε = de (echter) , want meestal treffen we aan : εγενετο δε εν = egeneto de en = het gebeurde echter tijdens . NT (18) . Lc (14) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 5,1 . (6) Lc 6,1 . (7) Lc 6,6 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 8,40 . (10) Lc 9,37 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 10,38 . (13) Lc 11,27 . (14) Lc 18,35 .
- και εγενετο εν = kai egeneto en = en het gebeurde tijdens . NT (23) . Mc (3) . Lc (20) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 7,11 . (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 11,1 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 17,11 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,28 . (15) Lc 19,15 . (16) Lc 20,1 . (17) Lc 24,4 . (18) Lc 24,15 . (19) Lc 24,30 . (35) Lc 24,51 .
- 69X εγενετο = egeneto in Lc . 55X εγενετο δε = egeneto de + και εγενετο = kai egeneto . 34X εγενετο δε εν = egeneto de en + και εγενετο εν = kai egeneto en . 34X op een totaal van 41X in het NT .

Lc 1,5.3. bepaald lidw. dat. vr. mv. ταις = tais van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord .Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 . Lc 2 (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,47 .

  lidw. mv.   bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
15. dat. vr. mv. tais   980  799  181  21  10  33  24  66  23  64  68 

- D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

2. - 3. εν ταις = en tais (in... ) . NT (104) . Lc (22) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 1,80 . (6) Lc 2,1 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 4,2 . (9) Lc 4,15 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 4,44 . (12) Lc 5,16 . (13) Lc 5,22 . (14) Lc 6,12 . (15) Lc 11,43 . (16) Lc 13,26 . (17) Lc 17,26 . (18) Lc 17,28 . (19) Lc 20,46 . (20) Lc 21,21 . (21) Lc 24,18 . (22) Lc 24,38 .

Lc 1,5.4. dat. vr. mv. ἡμεραις = hèmerais van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 . Een vorm van hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) , in Lc (82) , in Hnd (93) , in Lc 1 (11) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,39 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,75 . (11) Lc 1,80 , in Lc 2 (9) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 2,36 . (6) Lc 2,37 . (7) Lc 2,43 . (8) Lc 2,44 . (9) Lc 2,46 .

  hèmera (dag)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
6 dat. vr. mv. hèmerais   228  180  48  18  10  29  31     
  totaal 2508  2029  479  43  26  82  31  93  183  21  151  182     

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17.  18.  19.  20.  21.  22. 
  hèmera (dag)  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1 nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  27 (1) Lc 1,59 .     (1) Lc 4,16   (1) Lc 6,13 . (2) Lc 6,23 .     (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,37 .   (1) Lc 10,12 .                              
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  14  (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,24 . (3) Lc 1,80 .   (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,44 . (6) Lc 2,46 . (7) Lc 4,2 . (8) Lc 4,42 .       (9) Lc 9,51 .             (10) Lc 15,13 .       (11) Lc 17,4 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 18,7 .     (14) Lc 21,37 .          
3 acc. vr. enk. hèmeran     (1) Lc 2,37 .         (2) Lc 9,23 .   (3) Lc 11,3         (4) Lc 16,19 .     (5) Lc 19,47 .     (6) Lc 22,53 .   (7) Lc 24,21 .       
nom. vr. mv. hèmerai 12 (1) Lc 1,23 .   (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 .   (5) Lc 5,35 .     (6) Lc 9,28 .       (7) Lc 13,14 .       (8) Lc 17,22 .   (9) Lc 19,43 .   (10) Lc 21,6 . (11) Lc 21,22 .   (12) Lc 23,29 .           
5 gen. vr. mv. hèmerôn        (1) Lc 5,17   (2) Lc 8,22 .                 (3) Lc 17,22 .       (4) Lc 20,1 .           
6 dat. vr. mv. hèmerais   18  (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 .   (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 .   (13) Lc 9,36               (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 .       (16) Lc 21,23 .   (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .         
  totaal 78 / '82'  11  '2'                           

- Hebreeuws . mann. mv. יָמִים = jâmîm (dagen) van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . j-m-m . Tenakh (289) . Pentateuch (117) . Eerdere Profeten (45) . Latere Profeten (45) . 12 Kleine Profeten (10) . Geschriften (66) .
- Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Arabisch : يَوم = jaum (dag) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) .

Lc 1,5.2. - 3. εν ταις ἡμεραις = en tais hèmerais (in de dagen) . NT (25) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .
- Hebreeuws . בַּיָּמִּים = bajjâmîm (in de dagen) < voorzetsel bë + zelfst. naamw. mann. mv. van het zelfst. naamw. יוֹם = jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (53) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (8) .
- Hebreeuws . בִּימֵי = bîme(j) < voorzetsel bë + stat. constr. mann. mv. OF בְיָמָי = bëjâmâj (in mijn dagen) <bë + stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . b-j-m-j . Tenakh (55) . Pentateuch (6) . Eerdere Profeten (12) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (22) .

Lc 1,5.1. - 4. εγενετο εν ταις ἡμεραις = egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in de dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 17,26 . (3) Lc 17,28 .
- εγενετο δε εν ταις ἡμεραις = = egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 6,12 . Hnd (1) : Hnd 9,37 .
- Hebreeuws . בִּימֵי וַיְהִי = wajëhî bîme(j) (en het was in de dagen van) . Tenakh (5) : (1) Gn 14,1 . (2) Rt 1,1 . (3) Est 1,1 . (4) Js 7,1 . (5) Jr 1,3 .

Lc 1,5.5. gen. mann. enk. ἡρῳδου = hèrô(i)dou (van Herodes) van het zelfst. naamw. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 8,3 . (4) Lc 23,7 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .
De naam Herodes omsluit (Lc 1,5 en Lc 3,19) het verhaal van Johannes de Doper . Vanaf Lc 3,21 verschijnt Jezus op de voorgrond .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. mann. enk. hèrô(i)dou  13    13        10  10     

Lc 1,5.6. gen. mann. enk. βασιλεως = basileôs van het zelfst. naamw. βασιλευς = basileus (koning) . Taalgebruik in het NT : basileus (koning) . Taalgebruik in de LXX : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (1) : Lc 1,5 . Een vorm van βασιλευς = basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .
Er staat geen bep. lidw. bij basileôs . Dat bep. lidw. zal er wel staan wanneer er sprake is over Jezus als ho basileus tôn ioudaiôn (de koning van de Joden) : (1) Lc 23,3 . (2) Lc 23,37 . (3) Lc 23,38 .

  basileus (koning)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. mann. enk. basileôs   692  683         

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
  basileus (koning)  Lc Lc 1 Lc 11 Lc 14 Lc 19 Lc 21 Lc 22 Lc 23
nom. mann. enk. basileus      (1) Lc 14,31 .   (2) Lc 19,38 .       (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 .  
gen. mann. enk. basileôs   (1) Lc 1,5 .              
dat. mann. enk. basilei      (1) Lc 14,31 .          
acc. mann. enk. basilea              (1) Lc 23,2 .  
nom. + acc. mann. mv. basileis    (1) Lc 10,24 .       (2) Lc 21,12 (3) Lc 22,25  
  totaal 11  1

- Hebreeuws . מֶלֶך = mèlèkh (koning) . Taalgebruik in Tenakh : mèlèkh (koning) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (816) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (345) . Latere Profeten (188) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (203) .
- Het koningschap werd ingesteld door rechter Samuël . De eerste koning was Saul , uit de stam Benjamin . De tweede koning was David , uit de stam Juda . Door David werd de Davidische dynastie ingesteld .

Lc 1,5.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,5.8. gen. vr. enk. ιουδαιας = ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ιουδαια = ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in de LXX : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia (Judea) . Lc (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,17 . (7) Lc 23,5 . Een vorm van ιουδαια = ioudaia (Judea) in het NT (44) , in Lc (10) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,44 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 6,17 . (8) Lc 7,17 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 23,5 . Hier wordt een plaatsnaam gebruikt en niet de naam van het volk nl. Joden . Deze naam van Joden komt in Lc in slechts 5 verzen voor , waarvoor 3X om Jezus als de koning van de Joden aan te duiden : (1) Lc 7,3 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,37 . (4) Lc 23,38 . (5) Lc 23,51 .

  ioudaia (Judea)  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 21 Lc 23 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P. 
1.   nom. vr. enk. ioudaia(i)              (1) Lc 7,17 .   (2) Lc 21,21 .     42  30  12 
2.  gen. vr. enk. ioudaias   (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 1,65 .   (3) Lc 3,1 .   (4) Lc 4,44 .   (5) Lc 5,17 .   (6) Lc 6,17 .       (7) Lc 23,5 74  47  27  15  17 
3.   acc. vr. enk. ioudaian     (1) Lc 2,4 .                 29  21     
  totaal 10  1   145  98  47  10  14  22  29 

- Hebreeuws . יְהוּדָה = jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , daleth = 4 ; totaal : 32 (2² X 2³) . Structuur : 1 - 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (633) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (178) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (53) .

7. - 8.
- Hebreeuws . יְהוּדָה מֶלֶך = mèlèkh jëhûdâh (koning van Juda) . Tenakh (43) .

Lc 1,5.6. - 8. εγενετο εν ταις ἡμεραις ... βασιλεως της ιουδαιας = egeneto en tais hèmerais ... basileôs tès ioudaias (het gebeurde in de dagen van ... koning van Judea . Tenakh (2) : (1) Js 7,1 . (2) Jr 1,3 .

Lc 1,5.9. nom. mann. enk. ἱερευς = hiereus (priester) . Taalgebruik in het NT : hiereus (priester) . Taalgebruik in de LXX : hiereus (priester) . Taalgebruik in Lc : hiereus (priester) . Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,31 . Een vorm van hiereus (priester) , in de LXX (900) , in het NT (31) , in Lc (5) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 5,14 .   (3) Lc 6,4 .   (4) Lc 10,31 . (5) Lc 17,14 . In Lc : 4 vormen van ἱερευς = hiereus (priester) in 5 hoofdstukken en in 5 verzen . In Lc : 3 vormen van ἱερον = hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen .

      1. 2. 3. 4. 5.
  hiereus  Lc Lc 1 Lc 5 Lc 6 Lc 10 Lc 17
nom. mann. enk. hiereus   2 (1) Lc 1,5     (2) Lc 10,31 .    
dat. mann. enk. hierei     (1) Lc 5,14 .        
nom. + acc. mann. mv. hiereis   1     (1) Lc 6,4 .      
dat. mann. mv. hiereusin   1         (1) Lc 17,14 .  
  Totaal  

Verwant hiermee in deze onmiddellijke context : ἱερατεια = hierateia (priesterschap) : Lc 1,9 . Dit is de enigste vorm van ἱερατεια = hierateia (priesterschap) in Lc . Verder : ἱερεατευω = hierateuô (het priesterschap uitoefenen) : Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm van ἱερεατευω =hierateuô (priester zijn) in het NT .
- Hebreeuws . כֹהֵן = kohen (priester) . Taalgebruik in Tenakh : kohen (priester) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20, he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 75 (3 X 5²) . Structuur : 2 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (43) . Pentateuch (11) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (10) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (10) .

Lc 1,5.10. voornaamwoord nom. mann. enk. tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (72) . Lc 1 (1) : Lc 1,5 .

Lc 1,5.9. - 10. hiereus tis (een priester) . Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,31 . In Lc 1,5 zal de priester Zacharia naar de tempel opgaan om er dienst te verrichten . In Lc 10,31 had de priester zijn tempeldienst verricht en daalde hij af om naar huis te gaan . Dat hij door verontreiniging geen tempeldienst zou kunnen verrichten is dus niet terzake . Uit de tempeldienst die een uiting van liefde tot God is , moet ook liefde tot de naaste worden beoefend .

Lc 1,5.11. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfstandig naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 . (11) Lc 19,2 . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 . (15) Lc 24,18 . (16) Lc 24,47 .
Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 9 verzen : (1) Lc 1,5 (2 vormen) . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 (2 vormen) . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,59 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,63 .

Lc 1,5.12. nom. mann. enk. ζαχαριας = zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van ζαχαριας = zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .
- JHWH gedenkt . Het geeft de ene pool van het verbond dat gesloten wordt tussen 2 partijen .

  zacharias  Lc Lc 1 Lc 3 Lc 11 bijbel OT NT Mt Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. zacharias  (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 .       21  17               
voc. mann. enk. zacharia   (1) Lc 1,13 .       13  12               
gen. mann. enk. zachariou   (1) Lc 1,40 .   (2) Lc 3,2 .   (3) Lc 11,51 .   15  11             
acc. mann. enk. zacharian   (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,59 .                    
  Totaal  10  55  44  11  10          11  11     

Hebreeuws . zëkharëjâh (Zecharja, Zacharia) . Taalgebruik in Tenakh : zëkharëjâh (Zecharja, Zacharia) . Getalwaarde : zain = 7 , kaph = 11 of 20 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , he = 5 ; totaal : 53 (priemgetal) OF 242 (11 X 22) . Structuur : 7 - 2 - 2 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (20) : (1) 2 K 14,29 . (2) 2 K 25,11 . (20) 2 Kr 24,20 . Ook zëkharëjâhû . Tenakh (10) : (1) 2 K 15,8 .
- Grieks . μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) .Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Een vorm van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in de LXX (275) , in het NT (23) , in Lc (6) : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2 verzen .

      1.  2.  3.  4. 
  mimnèskomai    Lc 1 Lc 16 Lc 23 Lc 24
1.  ind. aor. 3de pers. mv. emnèsthèsan         (1) Lc 24,8 .  
2.  imperat. aor. 2de pers. enk. mnèsthèti     (1) Lc 16,25 .   (2) Lc 23,42 .    
3.  imperat. aor. 2de pers. mv. mnèsthète         (1) Lc 24,6 .  
4.  inf. aor. mnèsthènai   (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 .        
  Totaal   

Lc 1,5.11. - 12. In 7 / 16 verzen in Lc volgt een persoonsnaam op onomati (met de naam) : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (3) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (4) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (5) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (6) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (7) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . De eerste en de laatste persoonsnaam zijn de eerst en laatst genoemde personen in Lc .
Voor of na onoma (naam) volgt een persoonsnaam (8 / 10) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (4) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (5) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (6) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (7) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (8) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . Alfabetisch ordening van de persoonsnamen : (1) Elisabeth (Lc 1,5) . (2) Jaïrus (Lc 8,41) . (3) Jezus (Lc 1,31 - Lc 2,21) . (4) Johannes de Doper (Lc 1,13 - Lc 1,63) . (5) Jozef (Lc 1,27) - Lc 2,25) . (6) Jozef (van Arimathea) ( Lc 23,50) . (7) Kleopas (Lc 24,18) . (8) Lazarus (Lc 16,20) . (9) Levi (Lc 5,27) . (10) Martha (Lc 10,38) . (11) Simeon (Lc 2,25) . (12) Zacharia (Lc 1,5) . (13) Zacheüs (Lc 19,2) .

Lc 1,5.13. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .Taalgebruik in Hnd : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,5.14. gen. vr. enk. efèmerias van het zelfst. naamw. efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het NT : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Mc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) .
Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,5.15. abia (Abia) . Taalgebruik in het NT : abia (Abia) . Taalgebruik in Lc : abia (Abia) . Benaming van de achtste priesterklasse . Getalwaarde is 14 (2 X 7) . Hebreeuws ´äbijjâh (letterlijk : JHWH is mijn vader) . Maar het Hebreeuwse ´âbîhä = haar vader .

Lc 1,5.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,5.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen , in Lc 1 in 6 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,42 .

Lc 1,5.18. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,5.19. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Taalgebruik in Hnd : ek (uit) . min (uit) . Taalgebruik in Tenakh : min (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,5.20. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,5.21. gen. vr. mv. thugaterôn van het zelfst. naamw. thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in Lc : thugatèr (dochter) . Lc (1) Lc 1,5 . Een vorm van thugatèr (dochter) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 2,36 . (3) Lc 8,42 . (4) Lc 8,48 . (5) Lc 8,49 . (6) Lc 12,53 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 23,28 .

Lc 1,5.22. aarôn (Aäron) . Taalgebruik in het NT : aarôn (Aäron) . Taalgebruik in Lc : aarôn (Aäron) . Lc (1) : Lc 1,5 .

Lc 1,5.23. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,5.24. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,5.25. nom. + acc. onz. enk. onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in de LXX : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 . (8) Lc 2,21 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 9 verzen : (1) Lc 1,5 (2 vormen) . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,26 . (4) Lc 1,27 (2 vormen) . (5) Lc 1,31 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,59 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,63 .

Lc 1,5.26. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,5.27. ελισαβετ = elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in de LXX : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Bijbel = Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 .
- ελισαβεθ = elisabèth (Elisabet / Elisjeba) . LXX (1) : Ex 6,23 . In Ex 6,23 is Elisjeba de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes 'Elisabet' .
- Hebreeuws : אלזבת = ´-l-z-b-th , in het D. , E. , Fr. , Lat. : Elisabeth (met th) . Gr. , Ned : Elisabet , Stat.-vertaling : Elizabet . Betreffende deze weergave zijn er 3 opmerkingen : 1. de i kan kort of lang zijn , maar de Hebreeuwse jod kan hier bezittel. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. (mijn) aanduiden OF qal imperf. 3de pers. mann. enk. (hij zal...) en moet geschreven worden . 2. de σ = s is de weergave van de Hebreeuwse letter sjin en niet van samekh . 3. de τ = t is geen Griekse θ = th , maar een Griekse τ = t .
- In Ex 6,23 is ελισαβεθ (met th) = elisabèth (Elisabeth / Elisjeba) de vertaling van het Hebreeuwse אֱלִישֶׁבַע = ´ëlîsjèbha` < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. enk. אֵלִי = 'elî (mijn God) en misschien sjèbha < שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Dan zou Elisabeth kunnen betekenen : Mijn God zwoer . Getalswaarde : aleph = 1 , lamed = 12 of 30 , jod = 10 , sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 62 (2 X 31) OF 413 . Structuur : 1 - 3 - 1 - 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 8 .
- OF een samenstelling met het woord שֶׁבַע / שֵׁבַע = sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Taalgebruik in Tenakh : sjèbha` / sjëbha` (zeven) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 (3 X 13 = (26 + 13) OF 372 (2 X 3 X 31) . Structuur : 3 - 2 - 7 . De som van de elementen is telkens 12 -> 3 . En dan zou Elisjebha kunnen betekenen : mijn God is zeven .

Lc 1,5.24. - 25. 27. Voor of na onoma (naam) volgt een persoonsnaam (8 / 10) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (4) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (5) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (6) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (7) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (8) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) OF een plaatsnaam (2 / 10) : (1) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Alfabetisch ordening van de persoonsnamen : (1) Elisabeth (Lc 1,5) . (2) Jaïrus (Lc 8,41) . (3) Jezus (Lc 1,31 - Lc 2,21) . (4) Johannes de Doper (Lc 1,13 - Lc 1,63) . (5) Jozef (Lc 1,27) - Lc 2,25) . (6) Jozef (van Arimathea) ( Lc 23,50) . (7) Kleopas (Lc 24,18) . (8) Lazarus (Lc 16,20) . (9) Levi (Lc 5,27) . (10) Martha (Lc 10,38) . (11) Simeon (Lc 2,25) . (12) Zacharia (Lc 1,5) . (13) Zacheüs (Lc 19,2) .

Lc 1,6 - Lc 1,6 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:6 èsan de dikaioi amfoteroi enantion tou theou poreuomenoi en pasais tais entolais kai dikaiômasin tou kuriou amemptoi  6 erant autem iusti ambo ante Deum incedentes in omnibus mandatis et iustificationibus Domini sine querella  Ze waren beiden rechtvaardig voor God, onberispelijk wandelend in alle geboden en verordeningen van de Heer.   6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren, onberispelijk. [6] Beiden waren rechtvaardig in Gods ogen en leidden een onberispelijk leven, geheel volgens de geboden en voorschriften van de Heer.   [6] Beiden waren vrome en gelovige mensen, die zich strikt aan alle geboden en wetten van de Heer hielden.  6 Beiden zijn ze rechtvaardigen tegenover God, wandelend in al de geboden, en in de gerechtigheden van de Heer onkreukbaar,  6. Tous deux étaient justes devant Dieu, et ils suivaient, irréprochables, tous les commandements et observances du Seigneur. 

King James Bible . [6] And they were both righteous before God, walking in all the commandments and ordinances of the Lord blameless.
Luther-Bibel . 6 Sie waren aber alle beide fromm vor Gott und lebten in allen Geboten und Satzungen des Herrn untadelig.

Tekstuitleg van Lc 1,6 . Dit vers Lc 1,6 telt 17 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 1,6 is 9875 (5 X 5 X 5 X 79) .

Lc 1,6.1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan  (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .

Lc 1,6.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,6.3. nom. mann. mv. dikaioi van het bijvoegl. naamw. dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in het NT : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 18,9 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .

Lc 1,6.4. nom. mann. mv. amfoteroi van het voornaamw. amfoteros (beide) . Taalgebruik in het NT : amfoteros (beide) . Taalgebruik in Lc : amfoteros (beide) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 6,39 . Een vorm van amfoteroi (beiden) in 5 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 6,39 . (5) Lc 7,42 .

Lc 1,6.5. enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 .  

Lc 1,6.6. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,6.7. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .

Lc 1,6.5. - 7. enantiou tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .

Lc 1,6.8. part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi (zich op weg begevende) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 8,14 . (3) Lc 24,13 . Hebr. haholëkhîm (zij die gaan) . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,39 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen .

Lc 1,6.9. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,6.10. dat. vr. mv. pasais van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Hnd : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kl (al) . Taalgebruik in Tenakh : kl (al) . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 24,27 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,6.11. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,6.12. dat. vr. mv. entolais van het zelfst. naamw. entolè (opdracht) . Taalgebruik in het NT : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Lc. : entolè (opdracht) .
Lc (1) : Lc 1,6 . Een vorm van entolè (opdracht) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 15,29 . (3) Lc 18,20 . (4) Lc 23,56 .

Lc 1,6.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,6.14. dat. onz. mv. dikaiômasin van het zelfst. naamw. dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Taalgebruik in het NT : dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Taalgebruik in het NT : dikaiôma (rechtvaardige handeling, gebod) . Lc (1) : Lc 1,6 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,6.15. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,6.16. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (Heer) in Lc 1 in 17 verzen .

Lc 1,6.17. nom. mann. mv. = amemptoi van het bijvoegl. naamw. αμεμπτος = amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in het NT : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in de LXX : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Bijbel (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Fil 2,15 . Dit is de enigste vorm in Lc .
- αμεμπτος = amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in het NT : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Taalgebruik in de LXX : amemptos (onberispelijk, voortreffelijk) . Bijbel (15) : (1) Gn 17,1 . (2) Job 1,1 . (3) Job 1,8 . (4) Job 2,3 . (5) Job 4,17 . (6) Job 9,20 . (7) Job 11,4 . (8) Job 12,4 . (9) Job 15,14 . (10) Job 22,3 . (11) Job 22,19 . (12) Job 33,9 . (13) W 18,21 . (14) Fil 3,6 . (15) Heb 8,7 .


Lc 1,7 - Lc 1,7 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:7 kai ouk èn autois teknon kathoti èn hè elisabet steira kai amfoteroi probebèkotes en tais èmerais autôn èsan   7 et non erat illis filius eo quod esset Elisabeth sterilis et ambo processissent in diebus suis   En ze hadden geen kind omdat Elisabet onvruchtbaar was, en beiden waren van gevorderde leeftijd.   7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was, en zij beiden verre op hun dagen gekomen waren.  [7] Zij hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren ze al op jaren.  [7] Ze hadden geen kinderen, want Elisabet was onvruchtbaar, en beiden waren al op leeftijd.  7 maar een kind hebben ze niet gekregen, omdat Elisabet onvruchtbaar is; beiden zijn met hun levensdagen al ver heen.  7. Mais ils n'avaient pas d'enfant, parce que Élisabeth était stérile et que tous deux étaient avancés en âge. 

King James Bible . [7] And they had no child, because that Elisabeth was barren, and they both were now well stricken in years.
Luther-Bibel . 7 Und sie hatten kein Kind; denn Elisabeth war unfruchtbar und beide waren hochbetagt.

Tekstuitleg van Lc 1,7 . Het vers Lc 1,7 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 1,7 is 8429 .
- Lc 1,7ab leunt het sterkst aan bij Gn 11,30 , maar de zinnen staan er evenwel in omgekeerde volgorde . In Lc 1,7 is de onvruchtbaarheid de reden van de kinderloosheid . In Gn 11,30 is de kinderloosheid het gevolg van de onvruchtbaarheid . Die volgorde van Lc is begrijpelijk . In Lc 1,5-7 worden de personen Zacharia en Elisabeth voorgesteld . In Lc 1,7 gaat het over het ontbreken van een nageslacht . De reden ervan wordt gegeven na de vermelding dat zij geen nageslacht hebben .

Lc 1,7.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13 : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,37.) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Hebr. : וְ = wë . Lat : et . Fr. : et . Ned. : en . E. : and . D. und . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) .

Lc 1,7.2. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) OF betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (οὑ = hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in de LXX : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ου = ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ουκ = ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

ou (niet)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ou   3068  2321  747  97  42  84  113  68  313  30  223  336 
ouk  3499  2752  747  93  66  92  137  56  274  29  251  388 
ouch  452  351  101  20  49  20  40 
Totaal  7019 5424 1595 197 114 183 270 132 636 63 494 764

- Hebreeuws . לֹא = lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De getalwaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Structuur : 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 .
- Fr. ne... pas . E. not . D. nicht .

1. - 2. και ουκ = kai ouk . NT (123) . Hebreeuws . וְלֹא = wëlo´ (en niet) . Tenakh (1381) . Pentateuch (325) . Eerdere Profeten (278) . Latere Profeten (323) . 12 Kleine Profeten (90) . Geschriften (365) .

Lc 1,7.3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . D. sein .

1. - 3. και ουκ ην = kai ouk èn (en er was niet) . NT (1) : Lc 1,7 .
- Hebreeuws . וְאֵין = wë´e(j)n (en er is niet) < wë + עַיִן = ´ajin (er is niet) . Stat. constr. עיֵן = ´e(j)n . Taalgebruik in Tenakh : ´ajin (er is niet) . Getalwaarde : aleph = 1 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 61 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . De getalwaarde van de letter ajin is 16 of 70 . . Tenakh (211) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (18) . Alle Profet. boeken (111) . Geschriften (80) .

Lc 1,7.4. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,22 .

  autoi bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7. dat. mann. en onz. mv.autois  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Lc 1,7.2. - 4. Lc 1,7 : ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden geen kind) . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 2,7 . Hebr. ´e(j)n lahèm

Lc 1,7.5. nom. + acc. onz. enk. teknon (kind) . Taalgebruik in het NT : teknon (kind) . Taalgebruik in Mc : teknon (kind) .
Lc (4) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 2,48 . (3) Lc 15,31 . (4) Lc 16,25 . Een vorm van teknon (kind) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,48 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 7,35 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 13,34 . (8) Lc 14,26. (9) Lc 15,31 . (10) Lc 16,25 . (11) Lc 18,29 . (12) Lc 19,44 . (13) Lc 20,31 . (14) Lc 23,28 .

1. - 5. Lc 1,7 : ουκ ην αυτοις τεκνον = ouk èn autois teknon (er was niet aan hen een kind = zij hadden geen kind) .
- Hebreeuws .וָלָד לָהֶם אֵין = ´e(j)n lahèm wâlâd . Hieraan beantwoordt Gn 11,30 : וָלָד לָהּ אֵין = ´e(j)n lâh wâlâd (er was geen kind aan haar = zij had geen kind) . LXX vertaalt : και = kai (MT heeft geen verbindingsartikel wa = en) ουκ = ouk (ontkenning in het Hebreeuws אֵין = ´en (er is niet) ετεκνοποιει = eteknopoiei (zij maakte een kind - τεκνοποιεω = teknopoieô) ; zij maakte geen kind .
- Gelijkaardig : 1 S 1,2 : wajëhî liphëninnâh jëlâdîm ûlëchannâh ´e(j)n jëlâdîm (en Pennana had kinderen maar Hannah had geen kinderen) ; LXX : kai èn tèi Pennana paidia kai tèi Anna ouk èn paidion (en Penanna had kinderen maar Hanna had geen kind) .

Lc 1,7.6. kathoti (naarmate, omdat) . Taalgebruik in het NT : kathoti (naarmate, omdat) . Taalgebruik in Lc : kathoti (naarmate, omdat) .
Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 19,9 .

Lc 1,7.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in het NT (2450) , in de LXX (6947) .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn   1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . D. sein .

Lc 1,7.8. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 . Een vorm van het bep. lidw. in Lc (2629) , in het NT (19734) , in de LXX (88439) .

Lc 1,7.9. elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabet) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabet) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,7.10. nom. vr. enk. στειρα = steira van het bijvoegl. naamw. στειρος = steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in het NT : steiros (onvruchtbaar) . Taalgebruik in de LXX : steiros (onvruchtbaar) . Een vorm van στειρος = steiros in de LXX (17) , in het NT (4) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,36 . (3) Lc 23,29 . (4) Gal 4,27 .
- Hebreeuws . vr. enk. עֲקָרָה = `äqârâh (onvruchtbaar) . Taalgebruik in Tenakh : `äqârâh (onvruchtbaar) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 60 (2² X 3 X 5) OF 375 (3 X 5³) . Structuur : 7 - 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (8) : (1) Gn 11,30 (Sara) . (2) Gn 25,21 (Rebekka) . (3) Gn 29,31 (Rachel) . (4) Re 13,2 (de moeder van Simson) . (5) Re 13,3 . (6) 1 S 2,5 (Hanna , de moeder van Samuël) . (7) Js 54,1 . (8) Job 24,21 . mann. enk. עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) . Modern Hebreeuws : עָקָר = `âqâr (onvruchtbaar) .
-- וְעֲקָרָה = wë`äqârâh (en onvruchtbaar) . Tenakh (2) : (1) Ex 23,26 . (2) Dt 7,14 .
-- In deze 10 verzen heeft de LXX στειρα = steira als vertaling .
- Lat. sterilis . Fr. stérile . Ned. onvruchtbaar . D. unfruchtbar . E. barren . Aramees : עֲקַר = `äqar (onvruchtbaar) . Arabisch : عَقَارِىّ = `aqârii (onvruchtbaar) . Taalgebruik in de Qoran : `aqârii (onvruchtbaar) . Qoran : soera 3,40 .
Gn 11,30 vermeldt dat Sara onvruchtbaar is en geen kind heeft . Pas in Gn 21,2 - Gn 21,3 wordt Sara zwanger en baart ze een zoon , Isaak . In Gn 16,1 wordt nog eens teruggegrepen naar Gn 11,30 : Sarai had geen kinderen . In Gn 17 - Gn 18 wordt aan Saraj de belofte gedaan dat uit haar een zoon zal geboren worden . Het loopt bijna mis wanneer Abraham zegt dat zijn vrouw Sara zijn zuster is (Gn 20,1) en zij geschaakt wordt door Abimelek .
- Verwant is het werkw. עָקַר = `âqar (ontwortelen, uitrukken, uitroeien) . Taalgebruik in Tenakh : `âqar (ontwortelen, uitrukken, uitroeien) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 370 (2 X 5 X 37) . Structuur : 7 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Eveneens verwant is het zelfst. naamw. עֵקֶר = `eqèr (ontwortelde, emigrant, vreemdeling) . Buber vertaalt עֲקָרָה = `äqârâh als "wurzelverstockt" . "On peut lire aussi que Saraë est "déracinée", qu'elle est "arrachée" à l'essentiel d'elle-même." (Annick de Souzenelle , Le Féminin de l'Être (1997, p.76) .

Lc 1,7.7. - 10. Lc 1,7 : ην ἡ ελισαβεθ στειρα = èn hè elisabet steira (Elisabeth was onvruchtbaar) .
Deze zin beantwoordt het best aan Gn 11,30 (Sara) : עֲקָרָה שָׂרַי וַתְּהִי = waththëhî Shâraj `äqârâh (en Sarai was onvruchtbaar) . LXX : και ην σαρα στειρα = kai èn sara steira (en Sara was onvruchtbaar) . De woordvolgorde in de LXX is die van Tenakh .
Door de naam Elisabet in Lc 1,7 is een link gelegd met Elisabet , de vrouw van Aäron (Ex 6,23) , en de inhoud en de zinsconstructie van Lc 1,7 legt een link met Saraj , de vrouw van Abram (Gn 11,30) . Hiermee legt Lc een link naar de wortels van het volk van Israël en met de instelling van het priesterschap .

Lc 1,7c (11-18) leunt aan bij Gn 18,11 . De auteur van het verhaal van het bezoek van de drie mannen aan Abraham (Gn 18,1-15) verduidelijkt de situatie van Abraham en Sara (Gn 18,11) . Deze verduidelijking wendt de evangelist Lucas aan in de beschrijving van de beginsituatie van Zacharia en Elisabeth (Lc 1,7) in het verhaal van de aankondiging van Johannes de Doper .

Lc 1,7.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,7.12. nom. mann. mv. amfoteroi van het voornaamw. amfoteros (beide) . Taalgebruik in het NT : amfoteros (beide) . Taalgebruik in Lc : amfoteros (beide) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 6,39 . Een vorm van amfoteroi (beiden) in 5 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 5,7 . (4) Lc 6,39 . (5) Lc 7,42 .

Lc 1,7.13. pass. part. perf. nom. mann. mv. προβεβηκοτες = probebèkotes (voortgegaan) van het werkw. προβαινω = probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in het NT : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in de LXX : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Lc : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Bijbel (2) . LXX (1) : Gn 18,11 . NT = Lc (1) Lc 1,7 . Een vorm van προβαινω = probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) in de LXX (18) , in het NT (5) : (1) Mt 4,21 . (2) Mc 1,19 . In Lc (3) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .
De vorm (προβας = probas : voortgegaan) komt in de bijbel slechts in Mc 1,19 en in de paralleltekst Mt 4,21 voor . βαινω = bainô (banen, gaan) . προβαινω = pro-bainô (vooruitgaan) . Een vorm van het werkwoord προβαινω = probainô komt slechts in vijf verzen in het NT voor . Bij Mc en Mt in de ruimtelijke betekenis , bij Lucas in temporele (tijdelijke) betekenis : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .

Lc 1,7.14. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,7.15. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,7.16. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,7.14. - 16. εν ταις ἡμεραις = en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .

13. - 16. προβεβηκοτες εν ταις ἡμεραις = probebèkotes en tais hèmerais (voortgegaan in de dagen) . Lc (1) : Lc 1,7 .
- προβεβηκοτες ἡμερων = probebèkotes hèmerôn (voortgegaan van de dagen) . LXX (1) : Gn 18,11 .
- בָּא בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (hij ging in de dagen) . Tenakh (4) : (1) Gn 24,1 (Abraham) . (2) Joz 13,1 (Jozua) . (3) Joz 23,1 (Jozua) . (4) 1 K 1,1 (koning David . In deze 4 verzen wordt eerst de naam van de persoon genoemd .
- בָּאִים בַּיָּמִּים = bâ´bajjâmîm (gaande in de dagen) . Tenakh (1) : Gn 18,11 .
- Er is litreraire overeenkomst tussen Zacharia en Elisabeth enerzijds en Abraham en Sara anderzijds . Zoals Abraham en Sara aan het begin van de geschiedenis van het volk van Israël staan , zo staan Zacharia en Elisabeth aan het begin van het evangelie volgens Lucas .

Lc 1,7.17. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,7.18. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan  (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .


Lc 1,8 - Lc 1,8 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:8 egeneto de en tô ierateuein auton en tè taxei tès efèmerias autou enanti tou theou  8 factum est autem cum sacerdotio fungeretur in ordine vicis suae ante Deum  Het gebeurde nu, terwijl hij priesterdienst verrichtte voor God toen zijn dienstafdeling aan de beurt was,  8 En het geschiedde, dat, als hij het priesterambt bediende voor God, in de beurt zijner dagorde. [8] Eens, toen Zacharias met zijn afdeling aan de beurt was om als priester dienst te doen voor Gods aangezicht,   [8] Toen de afdeling van Zacharias eens aan de beurt was om de priesterdienst te vervullen,  8 Het geschiedt als hij de priesterdienst doet, als zijn dagorde staat opgesteld tegenover God  8. Or il advint, comme il remplissait devant Dieu les fonctions sacerdotales au tour de sa classe, 

King James Bible .[8] And it came to pass, that while he executed the priest's office before God in the order of his course,
Luther-Bibel . 8 Und es begab sich, als Zacharias den Priesterdienst vor Gott versah, da seine Ordnung an der Reihe war,

Tekstuitleg van Lc 1,8 . Het vers Lc 1,8 telt 15 (3 X 5) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,8 is 8286 (2 X 3 X 1381) . Met Lc 1,8 begint het middengedeelte van het verhaal : de verandering . Het speelt zich af in de tempel tijdens het reukoffer .

Lc 1,8.1. ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 1-2 (14) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 2,1 . (9) Lc 2,2 . (10) Lc 2,6 . (11) Lc 2,13 . (12) Lc 2,15 . (13) Lc 2,42 . (14) Lc 2,46 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) , in Lc (129) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 129 verzen .

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Aramees : הֲוָא = häwâ´ . Arabisch : هَؤَىَ = hawa .

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal εγενετο = egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde εγενετο = egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Lc 1,8.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 . In Lc 2,1-20 komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,19 . Verder in Lc 2 (4) : (1) Lc 2,35 . (2) Lc 2,40 . (3) Lc 2,44 . (4) Lc 2,47 .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  73 50  23  12      19  20 
Totaal 6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151 verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

1. - 2. εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . NT (40) . Lc (20) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 5,1 . (6) Lc 6,1 . (7) Lc 6,6 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 8,40 . (10) Lc 9,28 . (11) Lc 9,37 . (12) Lc 9,51 . (13) Lc 9,57 . (14) Lc 10,38 . (15) Lc 11,14 . (16) Lc 11,27 . (17) Lc 16,22 . (18) Lc 18,35 . (19) Lc 22,24 . (20) Lc 22,44 .
- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . NT () . Lc (35) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,59 . (4) Lc 1,65 . (5) Lc 2,15 . (6) Lc 2,42 . (7) Lc 2,46 . (8) Lc 4,36 . (9) Lc 5,12 . (10) Lc 5,17 . (11) Lc 6,13 . (12) Lc 6,16 . (13) Lc 6,49 . (14) Lc 7,11 . (15) Lc 8,1 . (16) Lc 8,22 . (17) Lc 8,24 . (18) Lc 9,18 . (19) Lc 9,29 . (20) Lc 9,33 . (21) Lc 11,1 . (22) Lc 13,19 . (23) Lc 14,1 . (24) Lc 17,11 . (25) Lc 17,14 . (26) Lc 17,28 . (27) Lc 19,15 . (28) Lc 19,29 . (29) Lc 20,1 . (30) Lc 22,14 . (31) Lc 22,66 . (32) Lc 24,4 . (33) Lc 24,15 . (34) Lc 24,30 . (35) Lc 24,51 .

Lc 1,8.3. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
288   25  23  10  18  10  12  12  13  14  12  17  13  11  11  13  12  16 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

Lc 1,8.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

- D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Lc 1,8.1. - 4. εγενετο δε εν τῳ = egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 .
- και εγενετο εν τῳ = kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .

Lc 1,8.5. act. inf. praes. hierateuein (priester zijn, priesterschap uitoefenen) van het werkw. hierateuô (priester zijn) . Taalgebruik in het NT : hierateuô (priester zijn) . Taalgebruik in Lc : hierateuô (priester zijn) . Lc (1) : Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm van hierateuô (priester zijn) in het NT .

Lc 1,8.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,8.7. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
288   25  23  10  18  10  12  12  13  14  12  17  13  11  11  13  12  16 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

Lc 1,8.8. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,8.9. dat. vr. enk. taksei van het zelfst. naamw. taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in het NT : taksis (orde, ordening, volgorde) . Taalgebruik in Lc : taksis (orde, ordening, volgorde) . Lc (1) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,8.10. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,8.11. gen. vr. enk. efèmerias van het zelfst. naamw. efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in het NT : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Taalgebruik in Lc : efèmeria (beurt volgens de dagrooster) . Lc (2) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,8.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,8.13. enanti (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 . enantion (tegenover) . Taalgebruik in het NT : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 .

Lc 1,8.14. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,8.15. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .

Lc 1,8.13. - 15. enantion tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .

Lc 1,9 - Lc 1,9 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:9 kata to ethos tès ierateias elachen tou thumiasai eiselthôn eis ton naon tou kuriou  9 secundum consuetudinem sacerdotii sorte exiit ut incensum poneret ingressus in templum Domini  dat hij volgens het gebruik van de priesterschap door loting verkreeg om de tempel van de Heer binnen te gaan en er een wierookoffer te brengen.  9 Naar de gewoonte der priesterlijke bediening, hem te lote was gevallen, dat hij zoude ingaan in den tempel des Heeren om te reukofferen.  [9] werd hij, volgens priesterlijk gebruik, door loting aangewezen om het heiligdom van de Heer binnen te gaan en het reukoffer te brengen.   [9] werd er volgens het gebruik van de priesters geloot en werd Zacharias door het lot aangewezen om het reukoffer op te dragen in het heiligdom van de Heer.  9 dat hij het lotsteentje trekt –dat is naar de gewoonte van de priesterschap– voor het brengen van het wierookoffer en binnentreedt in de tempel van de Heer,   9. qu'il fut, suivant la coutume sacerdotale, désigné par le sort pour entrer dans le sanctuaire du Seigneur et y brûler l'encens. 

King James Bible . [9] According to the custom of the priest's office, his lot was to burn incense when he went into the temple of the Lord.
Luther-Bibel . 9 dass ihn nach dem Brauch der Priesterschaft das Los traf, das Räucheropfer darzubringen; und er ging in den Tempel des Herrn.

Tekstuitleg van Lc 1,9 . Het vers Lc 1,9 telt 14 (2 X 7) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,9 is 7883 .

Lc 1,9.1. kata (tegen, volgens) . Afkortingen : kat' , kath' . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,9.2. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,9.3. nom. + acc. onz. enk. ethos (gewoonte) . Taalgebruik in het NT : ethos (gewoonte) . Taalgebruik in Lc : ethos (gewoonte) .
Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 23,39 . Slechts deze vorm in Lc .

Lc 1,9.1. - 3. kata to ethos (volgens de gewoonte) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 23,39 .

Lc 1,9.4. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,9.5. gen. vr. enk. ἱερατειας = hierateias van het zelfst. naamw. ἱερατεια = hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in het NT : hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in de LXX : hierateia (priesterschap) . Taalgebruik in Lc : hierateia (priesterschap) . Bijbel (10) : (1) Ex 35,19 . (2) Ex 40,15 . (3) Nu 18,1 . (4) Nu 18,7 . (5) Nu 25,13 . (6) Hos 3,4 . (7) Ezr 2,62 . (8) Neh 7,64 . (9) Neh 13,29 . (10) Lc 1,9 . Een vorm van ἱερατεια = hierateia in de LXX (17) : vorige 10 + (1) Ex 29,9 . (2) Ex 39,19 . (3) Nu 3,10 . (4) Joz 18,7 . (5) 1 S 1,7 . (6) 1 S 2,36 . (7) 1 S 23,13 , in het NT (2) : (1) Lc 1,9 . (2) Heb 7,5 . Dit is de enigste vorm van ἱερατεια = hierateia (priesterschap) in Lc .
- Hebreeuws .

=

Lc 1,9.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. elache (hij lootte , hij verkreeg door het lot) van het werkw. lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in het NT : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Taalgebruik in Lc : lagchanô (door het lot verkrijgen, loten) . Lc (1) Lc 1,9 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,9.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,9.8. act. inf. aor. thumiasai van het werkw. thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in het NT : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Taalgebruik in Lc . : thumiaô (in rook doen opgaan, een reukoffer brengen) . Dit is de enigste vorm in Lc en in het NT .

Lc 1,9.9. part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 7,36 . (4) Lc 11,37 . (5) Lc 19,1 . (6) Lc 19,45 .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan , weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

Lc 1,9.10. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,9.9. - 10. eiselthôn eis (binnengegaan in) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (3) Lc 7,36 . (6) Lc 19,45 .

Lc 1,9.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,9.12. acc. mann. enk. naon van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (1) Lc 1,9 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,9.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,9.14. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

Lc 1,10 - Lc 1,10 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:10 kai pan to plèthos èn tou laou proseuchomenon exô tè ôra tou thumiamatos   10 et omnis multitudo erat populi orans foris hora incensi  En de hele menigte van het volk was buiten aan het bidden op liet uur van liet wierookoffer.  10 En al de menigte des volks was buiten, biddende, ten ure des reukoffers.   [10] Tijdens het offer stond heel het volk buiten te bidden.   [10] De samengestroomde menigte bleef buiten staan bidden terwijl het offer werd gebracht.  10 terwijl heel de volheid van de gemeente buiten in gebed is, dat uur van het wierookoffer.  10. Et toute la multitude du peuple était en prière, dehors, à l'heure de l'encens. 

King James Bible . [10] And the whole multitude of the people were praying without at the time of incense.
Luther-Bibel . 10 Und die ganze Menge des Volkes stand draußen und betete zur Stunde des Räucheropfers.

Tekstuitleg van Lc 1,10 . Het vers Lc 1,10 telt 13 woorden en 59 letters . De getalwaarde van Lc 1,10 is 7933 .

Lc 1,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,10.2. nom. + acc. onz. enk. pan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Lc (6) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,5 . (5) Lc 3,9 . (6) Lc 11,42 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,37 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,63 . (7) Lc 1,65 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,71 . (10) Lc 1,75 .

Lc 1,10.3. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,10.4. nom. + acc. onz. enk. πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in de LXX : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Hnd : plèthos (menigte, veelheid) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Joh (1) : Joh 5,3 . Hnd (12) : (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3 . Jac (1) : Jak 5,20 . 1 Pe (1) : 1 Pe 4,8 . Een vorm van πληθος = plèthos in de LXX (288) , in het NT (31) , in Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . In de LXX is πληθος = plèthos de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden .

Lc 1,10.2. - 4. (a)pan to plèthos (de hele menigte) . NT (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Hnd 15,12 . (3) Hnd 25,24 .

Lc 1,10.5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,10.6. bep. lidw . gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,10.7. gen. mann. enk. = laou van het zelfst. naamw. λαος = laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in de LXX : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) . Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 . Een vorm van λαος = laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) , in Lc (37) , in Lc 1 (5) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 .
Nadat Zacharia de tempel was binnengegaan om het reukoffer te brengen , stond het volk buiten te bidden (Lc 1,10) . Het volk wacht en is verwonderd dat Zacharia zo lang in de tempel blijft (Lc 1,21) . In beide verzen wordt een omschrijvende constructie gebruikt : het was ... aan het bidden / wachten . De omschrijvende constructie omarmt een vorm van laos (volk) ; Lc 1,10 : èn tou laou proseuchomenon = de ganse menigte van het volk was aan het bidden . Lc 1,21 : èn ho laos prosdokôn = het volk was aan het wachten .

Lc 1,10.4. 6.- 7. plèthos (...) tou laou (een menigte van het volk . In drie verzen in het NT : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 23,27 . (3) Hnd 21,36 .

Lc 1,10.8. part. pr. acc. mann. enk. proseuchomenon van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 11,1 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Zoals de engelverschijning aan Zacharia in de tempel gebeurde in een omgeving van gebed en volk , zo gebeurt de godsopenbaring aan Jezus in een omgeving van gebed en volk .

Lc 1,10.5. 10. èn ... proseuchomenon = de hele menigte van het volk was aan het bidden . Ook omschrijvende constructie in Lc 9,18 (kai egeneto en tô(i) einai auton proseuchomenon = en het gebeurde terwijl hij aan het bidden was) en Lc 11,1 (kai egeneto en tô(i) einai auton .... proseuchomenon = en het gebeurde terwijl hij aan het bidden was) .

Lc 1,10.9. exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) . Lc (10) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 13,25 . (5) Lc 13,28 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 20,15 . (9) Lc 22,62 . (10) Lc 24,50 .

Lc 1,10.10. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,10.11. nom. + dat. vr. enk. hôra(i)  van het zelfst. naamw. hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in Lc : hôra (uur) .
Lc (15) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 7,21 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 12,39 . (7) Lc 12,40 . (8) Lc 12,46 . (9) Lc 13,31 . (10) Lc 14,17 . (11) Lc 20,19 . (12) Lc 22,14 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 23,44 . (15) Lc 24,33 . Een vorm van hôra (uur) in 16 verzen : voorgaande + Lc 22,59 en Lc 23,44 (tweede vorm) .

Lc 1,10.12. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

13. gen. onz. enk. thumiamatos van het zelfst. naamw. thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van het NT : thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van Lc : thumiama (reukoffer) . Lc (2) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,11 . Dit is de enigste vorm van thumiama (reukoffer) in Lc .

Lc 1,11 - Lc 1,11 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:11 ôfthè de autô aggelos kuriou estôs ek dexiôn tou thusiastèriou tou thumiamatos   11 apparuit autem illi angelus Domini stans a dextris altaris incensi   Hem verscheen nu een engel van de Heer staande aan de rechterzijde van het wierookofferaltaar.   11 En van hem werd gezien een engel des Heeren, staande ter rechter zijde van het altaar des reukoffers.   [11] Toen verscheen hem een engel van de Heer, rechts van het offeraltaar.  [11] Opeens verscheen hem een engel van de Heer, die aan de rechterkant van het reukofferaltaar stond.  11 Aan hem laat zich zien een aankondig–engel van de Heer, staande aan de rechterzijde van het altaar voor het wierookoffer.  11. Alors lui apparut l'Ange du Seigneur, debout à droite de l'autel de l'encens. 

King James Bible . [11] And there appeared unto him an angel of the Lord standing on the right side of the altar of incense.
Luther-Bibel . 11 Da erschien ihm der Engel des Herrn und stand an der rechten Seite des Räucheraltars.

Tekstuitleg van Lc 1,11 . Het vers Lc 1,11 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 65 (5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,11 is 10927 (7 X 7 X 223) .

Lc 1,11.1. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè (hij liet zich zien , hij verscheen) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 22,43 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,22 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 9,31 . (5) Lc 9,36 . (6) Lc 12,15 . (7) Lc 13,28 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 17,22 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,43 . (12) Lc 23,49 . (13) Lc 24,23 . (14) Lc 24,34 .
wajjerâ´ ´elâ(j)w malë´akh JHWH (LXX : kai ôfthè autô(i) aggelos kuriou) = en een engel van de Heer verscheen hem . Slechts in Re 6,12 . De engel verschijnt aan Gideon . In Lc : 12 vormen van horaô (zien) in 11 / 24 hoofdstukken en in 14 verzen .

Lc 1,11.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,11.3. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,11.4. nom. mann. enk. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Taalgebruik in Lc : aggelos (engel) . Bijbel (155) . OT (108) . NT (47) . Gn (10) : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . Ex (5) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) Ex 32,34 . Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van αγγελος = aggelos in de LXX (350) , in het NT (175) , in Lc (25) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . In Lc 2 (5) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,21 . In Lc : 8 vormen van αγγελος = aggelos (engel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen . In 14 verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In 2 verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog 10 verzen , waarvan 6 verzen in de gen. mv. .

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
  aggelos (engel) Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 7 Lc 9 Lc 12 Lc 15 Lc 16 Lc 22 Lc 24
1 nom. enk. aggelos 10 (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10             (10) Lc 22,43  
2 gen. enk. aggelou 1   (1) Lc 2,21                
3 dat. enk. aggelôi 1   (1) Lc 2,13 .                  
4 acc. enk. aggelon 3 (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 .       (3) Lc 7,27            
5 nom. + voc. mv. aggeloi 1   (1) Lc 2,15 .                  
6 gen. mv. aggelôn 7       (1) Lc 7,24 .   (2) Lc 9,26 .   (3) Lc 12,8 . (4) Lc 12,9 .   (5) Lc 15,15 .   (6) Lc 16,22 .     (7) Lc 24,23
7 dat. mann. mv. aggelois 1     (1) Lc 4,10 .                
8 acc. mv. aggelous 1         (1) Lc 9,52 .            
  Totaal   25

- מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 .
- Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager مَلَك= malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11) .

Lc 1,11.5. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 1 in 17 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,16 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,28 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,43 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,66 . (16) Lc 1,68 . (17) Lc 1,76 .

Lc 1,11.4. - 5. aggelos kuriou (de engel van de Heer) . In twee verzen bij Lucas :
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van de Heer echter verscheen hem .
(2) Lc 2,9 : kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou epestè autois (en een engel van de Heer stond bij hen) .

Lc 1,11.1. - 5. ôfthè de autôi aggelos ('maar' een engel verscheen hem) .
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = 'maar' een engel van de Heer verscheen hem .
(2) Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = 'maar' een engel uit de hemel verscheen hem .

Lc 1,11.6. part. perf. nom. mann. enk. hestôs van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het NT : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 5,1 . (3) Lc 18,13 . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc in 25 verzen . Dit is de enigste vorm in Lc 1 .

Lc 1,11.7. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,11.8. gen. mv. dexiôn van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts) . Taalgebruik in het NT : dexios (rechts) . Taalgebruik in Lc : dexios (rechts) . Taalgebruik in Hnd : dexios (rechts) .Taalgebruik in de Septuaginta : dexios (rechts) . Hebr. jâmîn (rechterzijde, rechts) .Taalgebruik in Tenakh : jâmîn (rechterzijde, rechts) . L. dexter . Fr. droit . Ned. rechts . E. right . D. rechter . Lc (4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 . Bijbel (67) . LXX (44) . NT. (23) . Een vorm van dexios (rechts) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 20,42 . (4) Lc 22,50 . (5) Lc 22,69 . (6) Lc 23,33 . In Lc : 3 vormen van dexios (rechter- , rechts) in 5 / 24 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 3 vormen van dexios (rechter- , rechts) in 7 verzen in 4 hoofdstukken . Een vorm van (rechter- , rechts) in het NT (54) , in de LXX (228) .

7. - 8. ek dexiôn (rechts) . Lc (4 / 4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 . NT (22) .

6. - 8. Lc 1,11 : estôs ek dexiôn = staande rechts van . Een vorm van kathèmai (neerzitten) + ek dexiôn (rechts) in Lc (2 / 4) : (1) Lc 20,42 . (2) Lc 22,69 .

Lc 1,11.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,11.10. gen. ons. enk. thusiastèriou van het zelfst. naamw. thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in het NT : thusiastèrion (brandofferaltaar) . Taalgebruik in Lc : thusiastèrion (brandofferaltaar) . Lc (2) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 11,51 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,11.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,11.12. gen. onz. enk. thumiamatos van het zelfst. naamw. thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van het NT : thumiama (reukoffer) . Taalgebruik van Lc : thumiama (reukoffer) . Lc (2) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,11 . Dit is de enigste vorm van thumiama (reukoffer) in Lc .

Lc 1,12 - Lc 1,12 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:12 kai etarachthè zacharias idôn kai fobos epepesen ep auton  12 et Zaccharias turbatus est videns et timor inruit super eum  En Zaeharias werd ontsteld toen hij hem zag en vrees overviel hem.   12 En Zacharias, hem ziende, werd ontroerd, en vreze is op hem gevallen.   [12] Zacharias raakte in verwarring toen hij hem zag en werd door vrees overvallen.  [12] Zacharias schrok hevig bij het zien van de engel en hij werd door angst overvallen.  12 Zacharias is geschokt om wat hij ziet, en vreze valt over hem.  12. A cette vue, Zacharie fut troublé et la crainte fondit sur lui.  

King James Bible . [12] And when Zacharias saw him, he was troubled, and fear fell upon him.
Luther-Bibel . 12 Und als Zacharias ihn sah, erschrak er, und es kam Furcht über ihn.

Tekstuitleg van Lc 1,12 . Het vers Lc 1,12 telt 9 (3²) woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 1,12 is 5048 (2³ X 631) . In Lc 1,8 - Lc 1,9 is Zacharia onderwerp , in Lc 1,10 de volkmenigte , in Lc 1,11 de engel . Op het einde van het middendeel (Lc 1,19-23) gaat het in omgekeerde volgorde : de engel blijft in de tempel , het volk (Lc 1,21) en Zacharia (Lc 1,22 - Lc 1,23) . Op het visioen reageert Zacharia dubbel : verward en met vrees . De reactie van vrees op het visioen vinden we in Da 10,7 .

Lc 1,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,12.2. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εταραχθη = etarachthè (hij werd in verwarring gebracht) van het werkw. ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in het NT : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in de LXX : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . Taalgebruik in Lc : tarassô (in verwarring brengen, verwarren) . LXX (24) . NT (3) : (1) Mt 2,3 . (2) Lc 1,12 . (3) Joh 13,21 . Een vorm van ταρασσω = tarassô in de LXX (121) , in het NT (17) : (1) Mt 2,3 . (2) Mt 14,26 . (3) Lc 1,12 . (4) Lc 24,38 . (5) Joh 5,4 . (6) Joh 5,7 . (7) Joh 11,33 . (8) Joh 12,27 . (9) Joh 13,21 . (10) Joh 14,1 . (11) Joh 14,27 . (12) Hnd 15,24 . (13) Hnd 17,8 . (14) Hnd 17,13 . (15) Gal 1,7 . (16) Gal 5,10 . (17) 1 Pe 3,14 .
Zacharia werd in verwarring gebracht (εταραχθη = etarachthè) door het visioen van de engel (Lc 1,12) , Maria werd in verwarring gebracht (dietarachthè) door het woord van de engel (Lc 1,29) . Overeenkomst en verschil .

Lc 1,12.3. nom. mann. enk. zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,12.4. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 1 slechts in Lc 1,12 . idôn (gezien) verwijst naar het visioen , naar de verschijning van de engel in Lc 1,11 . Volgens Da 10,7 heeft Daniël een visioen (kai eidon egô danièl = en ik Daniël zag) . Bij Zacharia gebeurt de 'Godsopenbaring' via een verschijning (visueel) , bij Maria via het woord (akoustisch) (Lc 1,29) .

Lc 1,12.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,12.6. nom. mann. enk. fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in het NT : fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in Lc : fobos (vrees, fobie) .
In drie verzen bij Lucas : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 7,16 . Een vorm van fobos (vrees, fobie) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,9 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 8,37 . (7) Lc 21,26 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1)Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 1,12.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. epepesen van het werkw. epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in het NT : epipiptô (vallen op, opdringen) . Taalgebruik in Lc : epipiptô (vallen op, opdringen) . Lc (2) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 15,20 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,12.8. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,12.9. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,12.5. - 9. De reactie op het visioen is de vrees .
- Lc 1,12 : kai fobos epepesen ep' auton (en vrees overviel over hem) .
- Da 10,7 : kai fobos ischuros epepesen ep' autous (en een sterke vrees overviel over hen) .
In Lc 1,12 valt vrees over Zacharias na het zien van het visioen . Hij wordt met verstomming geslagen . In Lc 1,65 gebeurt dat over alle omwonenden van Zacharia en Elisabeth nadat Zacharia heeft duidelijk gemaakt dat het kind Johannes moet heten .
In Lc 5,9 omgaf ontzetting om Simon Petrus en zijn metgezellen na het zien van de wonderbare visvangst . Op deze reactie volgt de geruststelling van Jezus (Lc 5,10) , zoals Zacharia werd gerustgesteld na de reactie van Zacharia (Lc 1,13) .

Lc 1,13 - Lc 1,13 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:13 eipen de pros auton o aggelos mè fobou zacharia dioti eisèkousthè è deèsis sou kai è gunè sou elisabet gennèsei uion soi kai kaleseis to onoma autou iôannèn  13 ait autem ad illum angelus ne timeas Zaccharia quoniam exaudita est deprecatio tua et uxor tua Elisabeth pariet tibi filium et vocabis nomen eius Iohannem  De engel zei echter tegen hem: Zacharias, want je smeekbede is verhoord, en je vrouw Elisabet zal je een zoon baren en je zult zijn naam Johannes noemen   13 Maar de engel zeide tot hem: Vrees niet, Zacharias! want uw gebed is verhoord, en uw vrouw Elizabet zal u een zoon baren, en gij zult zijn naam heten Johannes.   [13] Maar de engel zei tegen hem: ‘Schrik niet, Zacharias, want uw gebed is verhoord; uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren, die u de naam Johannes moet geven.  [13] Maar de engel zei tegen hem: ‘Wees niet bang, Zacharias, je gebed is verhoord: je vrouw Elisabet zal je een zoon baren, en je moet hem Johannes noemen.  13 Maar de engel zegt tot hem: vrees niet, Zacharias, want je gebed is verhoord: je vrouw, Elisabet, zal je een zoon voortbrengen en zijn naam zul je noemen: Johannes,–   13. Mais l'ange lui dit : « Sois sans crainte, Zacharie, car ta supplication a été exaucée ; ta femme Élisabeth t'enfantera un fils, et tu l'appelleras du nom de Jean. 

King James Bible . But the angel said unto him, Fear not, Zacharias: for thy prayer is heard; and thy wife Elisabeth shall bear thee a son, and thou shalt call his name John.
Luther-Bibel (1984) . Aber der Engel sprach zu ihm: Fürchte dich nicht, Zacharias, denn dein Gebet ist erhört, und deine Frau Elisabeth wird dir einen Sohn gebären, und du sollst ihm den Namen Johannes geben.

Tekstuitleg van Lc 1,13 . Dit vers telt 28 (2 X 2 X 7 of 2 X 14) woorden en 126 (2 X 3 X 3 X 7 of 9 X 14) letters . De getalwaarde van Lc 1,13 is 12108 (2 X 2 X 3 X 1009) . De zwangerschap van Elisabet wordt aangekondigd in Lc 1,13 , die van Jezus in Lc 1,31 . 13 en 31 zijn elkaars spiegelbeelden .

Lc 1,13.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 1,66 . (4) Lc 1,67 ; van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . (12) Lc 1,61 .

Lc 1,13.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,13.1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc () . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 . Lc 2 (4) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 2,28 . (3) Lc 2,34 . (4) Lc 2,49 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) in NT (78) . Lc (52) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 . Lc 2 (0) .
- Hebreeuws . וַיּאֹמֶר = wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) .

Lc 1,13.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,13.1. - 3. και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) . NT (15) : (1) Lc 2,34 . (2) Lc 2,49 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 5,10 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,3 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 19,5 . (11) Lc 19,13 . (12) Lc 22,15 . (13) Hnd 7,3 . (14) Hnd 9,10 . (15) Hnd 22,21 .
- ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 . Zie ook Lc 1,34 : eipen de mariam pros (Maria zei echter) .

Lc 1,13.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,13.1. - 4. eipen de pros auton (hij zei echter tot hem) in Lc (3) : (1) Lc 1,13 (+ onderwerp : ho aggelos = de engel). (2) Lc 9,62 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (3) Lc 19,9 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) .
kai eipen pros auton (hij zei tot hem) in Lc (2) : (1) Lc 9,50 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (2) Lc 19,5 .
Hebr. : wajj´omèr ´lô (en hij zei tot hem) in Tenakh (2) : (1) 1 S 22,13 . (2) Zach 2,8 .

Lc 1,13.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk ho . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .
Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud bij het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) . In Lc 1,11 verscheen een engel van de Heer aan Zacharias . Daar staat geen lidwoord . Hierna wordt telkens een lidwoord bij een vorm van het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) gebruikt . In Lc 1,19 maakt de engel zich bekend als Gabriël . Het is ook deze engel die aan Maria verscheen . Door het bepaald lidwoord bij aggelos (engel) en door de eigennaam van de engel nl. Gabriël is dit vers aan de vorige perikope (Lc 1,5-25) gelinkt .

Lc 1,13.6. nom. mann. enk. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Taalgebruik in Lc : aggelos (engel) . Bijbel (155) . OT (108) . NT (47) . Gn (10) : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . Ex (5) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) Ex 32,34 . Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van αγγελος = aggelos in de LXX (350) , in het NT (175) , in Lc (25) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . In Lc 2 (5) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,21 . In Lc : 8 vormen van αγγελος = aggelos (engel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen . In 14 verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In 2 verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog 10 verzen , waarvan 6 verzen in de gen. mv. .

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
  aggelos (engel) Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 7 Lc 9 Lc 12 Lc 15 Lc 16 Lc 22 Lc 24
1 nom. enk. aggelos 10 (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10             (10) Lc 22,43  
2 gen. enk. aggelou 1   (1) Lc 2,21                
3 dat. enk. aggelôi 1   (1) Lc 2,13 .                  
4 acc. enk. aggelon 3 (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 .       (3) Lc 7,27            
5 nom. + voc. mv. aggeloi 1   (1) Lc 2,15 .                  
6 gen. mv. aggelôn 7       (1) Lc 7,24 .   (2) Lc 9,26 .   (3) Lc 12,8 . (4) Lc 12,9 .   (5) Lc 15,15 .   (6) Lc 16,22 .     (7) Lc 24,23
7 dat. mann. mv. aggelois 1     (1) Lc 4,10 .                
8 acc. mv. aggelous 1         (1) Lc 9,52 .            
  Totaal   25

- מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 .
- Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager مَلَك= malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11) .

Lc 1,13.1. - 2. 5. - 6. Van de tien verzen in het Lucasevangelie waarin ho aggelos (de engel) onderwerp is , is er slechts 1 vers met eipen de (hij echter zei) nl. Lc 1,13 (eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem) en 2 verzen beginnen met kai eipen (en hij zei) : (5) Lc 1,30 (kai eipen ho aggelos autè(i) = en de engel zei haar) . (9) Lc 2,10 (kai eipen autois ho aggelos = en de engel zei hen) .

Lc 1,13.1. - 6. eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem . Het vervoegd werkwoord staat vooraan de zin . de (echter) dat een lichte tegenstelling uitdrukt , staat meestal op de tweede plaats in de zin . In het Hebreeuws maakt de bepaling met het persoonlijk voornaamwoord deel uit van het werkwoord ; daarom vinden we pros auton (tot hem) onmiddellijk na het werkwoord . Hierna volgt het onderwerp ho aggelos (de engel) . Slechts eenmaal in Lc . Bij de aankondiging van een kind wordt een literair schema gebruikt dat aansluit bij de werkelijkheid : zwangerschap , geboorte , naamgeving en toekomstwens . Bij de aankondiging aan Elisabeth is geen vermelding van de zwangerschap . Uit de vele geboorteaankondigingen komt die van Isaäk (Gn 17,19) het meest met die van Johannes overeen :
- Gn 17,19 : idou sarra hè gunè sou texetai soi huion kai kaleseis to onoma autou isaak (zie Sara je vrouw zal voor jou een zoon baren en jij zult zijn naam noemen Isaak .
- Lc 1,13 : kai hè gunè sou elisabet gennèsei huion soi kai kaleseis to onoma autou iôannou (en je vrouw Elisabeth zal een zoon voor jou voortbrengen en je zult noemen zijn naam Johannes .
Abraham en Sara zijn de oudsten van het volk Israël . Zacharia en Elisabeth staan aan het begin van het NT .
Twee geboorteaankondigingen : die van Johannes aan Zacharia (Lc 1,13) , die van Jezus aan Maria (Lc 1,31) . Verwoord aan de hand van de geboorteaankondigingen van Isaäk aan Abraham (Gn 17,19) en van Ismaël aan Hagar (Gn 16,11) .

Lc 1,13.7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,13.8. imperat. praes. 2de pers. enk. φοβου = fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 5,10 . (4) Lc 8,50 . (5) Lc 12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in Lc in 21 verzen : (1)Lc 1,13 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,50 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 8,35 . (9) Lc 8,50 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 12,4 . (13) Lc 12,5 . (14) Lc 12,7 . (15) Lc 12,32 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 19,21 . (19) Lc 20,19 . (20) Lc 22,2 . (21) Lc 23,40 .

Lc 1,13.7. - 8. μη φοβου = mè fobou (vrees niet) . NT (10) : (1) Mc 5,36 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 5,10 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 12,32 . (7) Joh 12,15 . (8) Hnd 18,9 . (9) Hnd 27,24 . (10) Apk 1,17 .
- אַל תִירָא = ´al thîrâ´ (vrees niet) . Tenakh (38) . Pentateuch (6) : (1) Gn 15,1 . (2) Gn 26,24 . (3) Gn 46,3 . (4) Nu 21,34 . (5) Dt 1,21 . (6) Dt 3,2 .

- μη φοβεισθε = mè fobeisthe (vreest niet) . NT (8) : (1) Mt 14,27 . (2) Mt 17,7 . (3) Mt 28,5 . (4) Mt 28,10 . (5) Mc 6,50 . (6) Lc 2,10 . (7) Lc 12,7 . (8) Joh 6,20 .
- אַל תִירָאוּ = ´al thîrâ´û (vreest niet) . Tenakh (11) : (1) Gn 43,23 . (2) Gn 50,19 . (3) Gn 50,21 . (4) Ex 14,13 . (5) Ex 20,20 . (6) 1 S 12,20 . (7) 2 S 13,28 . (8) Js 35,4 . (9) Hag 2,5 . (10) Zach 8,13 . (11) Zach 8,15 .

Lc 1,13.9. voc. mann. enk. zacharia van de eigennaaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (1) Lc 1,13 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,13.10. dioti (omdat) . Taalgebruik in het NT : dioti (omdat) . Taalgebruik in Lc : dioti (omdat) . Lc (3) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 2,7 . (3) Lc 21,28 .

Lc 1,13.11. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εισηκουσθη = eisèkousthè (er werd gehoord, hij werd verhoord) van het werkw. εισακουω = eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in het NT : eisakouô (luisteren naar, verhoren) . Taalgebruik in de LXX. : eisakouô (luisteren naar, verhoren) .
In vijf verzen in Tenakh :
(1) Da 10,12 (εισηκουσθη το ρημα μου = eisèkousthè to rèma sou = uw woord werd verhoord) .
(2) Tob 3,16 (και εισηκουσθη ἡ προσευχη αμφοτερων = Kai eisèkousthè hè proseuchè amfoterôn = en het gebed van beiden werd verhoord) .
(3) Sir 51,11 (εισηκουσθη ἡ δεησις μου = eisèkousthè hè deèsis mou = mijn bede werd verhoord) .
(4) Lc 1,13 (διοτι εισηκουσθη ἡ δεησις σου = dioti eisèkousthè hè deèsis sou = en daarom werd uw gebed verhoord) .
(5) Hnd 10,31 (εισηκουσθη σου ἡ προσευχη = eisèkousthè sou hè proseuchè = uw gebed werd verhoord) .
- Een vorm van εισακουω = eisakouô in de LXX (249) , in het NT (5) : (1) Mt 6,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Hnd 10,31 . (4) 1 Kor 14,21 . (5) Heb 5,7 .

Lc 1,13.12. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,13.13. nom. vr. enk. deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in het NT : deèsis (gebed, vraag) . Taalgebruik in Lc : deèsis (gebed, vraag) . Lc (1) Lc 1,13 . Een vorm van deèsis (gebed, vraag) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 5,33 .

Lc 1,13.14. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,13.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,13.16. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,13.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen .

Lc 1,13.18. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,42 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,61 .

Lc 1,13.19. elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in het NT : elisabet (Elisabeth) . Taalgebruik in Lc : elisabet (Elisabeth) . Lc (8) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,41 (2X) . (8) Lc 1,57 . Tenakh (1) Ex 6,23 : ´elîsjèbha` (Elisabet) . In Ex 6,23 is Elisabet de vrouw van de hogepriester Aäron . In Lc is Elisabet de vrouw van de priester Zacharia , de moeder van Johannes de Doper . De parallel tussen Aäron , de eerste hogepriester , en Zacharia , de (laatste ?) priester is er via hun echtgenotes Elisabet . De naam Elisabet kan betekenen : élî sjâbha`(mijn God zwoer) . Gr. omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in het NT : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Taalgebruik in de Septuaginta. : omnumi (zweren, onder ede beloven) . Lat. jurare . Fr. jurer . E. to swear . D. schwören . Een vorm van omnumi (zweren, onder ede beloven) in het NT (26) , in de LXX (188) . Hebr. sjâbhâ`: zweren , vervolledigen / vervullen . Taalgebruik in Tenakh : sjâbhâ`(zweren) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31) .

Lc 1,13.20. act. ind. fut. 3de pers. enk. gennèsei (zij zal voortbrengen) van het werkw. gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in het NT : gennaô (voortbrengen, baren) . Taalgebruik in Lc : gennaô (voortbrengen, baren) .
Lc (1) Lc 1,13 . Deze werkwoordvorm komt nog slechts in Gn 17,20 voor . Het gaat om de zegen over Ismaël : hij zal twaalf volkeren voortbrengen . Een vorm van gennaô (voortbrengen, baren) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,57 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 23,29 .

Lc 1,13.21. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 .

Lc 1,13.22. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord .
Lc (44) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,13.23. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,13.24. act. ind. fut. 2de pers. enk. kaleseis (jij zult noemen) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Mc : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (2) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,35 . (5) Lc 1,36 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,60 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,62 . (10) Lc 1,76 .

Lc 1,13.25. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 1 (19) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,10 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,27 . (6) Lc 1,31 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,44 . (11) Lc 1,47 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,59 . (16) Lc 1,62 . (17) Lc 1,64 . (18) Lc 1,66 . (19) Lc 1,80 .

Lc 1,13.26. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het NT : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .

Lc 1,13.27. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,13. 28. acc. mann. enk. Iôannèn van het zelfst. naamw. iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Lc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John . Lc (11) . Johannes de Doper (6) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . Johannes de apostel (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 .  Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,60 . (3) Lc 1,63 .

Lc 1,14 - Lc 1,14 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:14 kai estai chara soi kai agalliasis kai polloi epi tè genesei autou charèsontai   14 et erit gaudium tibi et exultatio et multi in nativitate eius gaudebunt  14 En vreugde en gejuich zal je deel zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.  14 En u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden.   [14] Hij zal u vreugde en blijdschap brengen. Om zijn geboorte zullen zich velen verheugen,  [14] Vreugde en blijdschap zullen je ten deel vallen, en velen zullen zich over zijn geboorte verheugen.  14 vreugde en verrukking zal hij voor je zijn, vélen zullen zich over zijn geboorte verheugen;   14. Tu auras joie et allégresse, et beaucoup se réjouiront de sa naissance.  

King James Bible . [14] And thou shalt have joy and gladness; and many shall rejoice at his birth.
Luther-Bibel . 14 Und du wirst Freude und Wonne haben, und viele werden sich über seine Geburt freuen.

Tekstuitleg van Lc 1,14 . Dit vers Lc 1,14 telt 13 woorden en 66 (2 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 1,14 is 5622 (2 X 3 X 937) .

Lc 1,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.2. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,14.3. nom. + dat. vr. enk. chara(i) van het zelfst. naamw. chara (vreugde) . Taalgebruik in het NT : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , Fr. joie , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie .
Lc (3) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 15,7 . (3) Lc 15,10 . Een vorm van chara (vreugde) .in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 10,17 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 24,41 . (8) Lc 24,52 .

Lc 1,14.4. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,14.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.5.6. nom. vr. enk. agalliasis (jubel) . Taalgebruik in het NT : agalliasis (jubel) . Taalgebruik in Lc : agalliasis (jubel) . Lc (1) Lc 1,14 . Een vorm van agalliasis (jubel) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,44 .

Lc 1,14.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,14.8. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 .

Lc 1,14.9. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,14.10. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 1 (10) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,36 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,44 . (7) Lc 1,57 . (8) Lc 1,59 . (9) Lc 1,65 . (10) Lc 1,66 .

Lc 1,14.11. dat. vr. enk. genesei van het zelfst. naamw. genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in het NT : genesis (oorsprong, geslacht) . Taalgebruik in Lc . : genesis (oorsprong, geslacht) . Lc (1) Lc 1,14 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 1,14.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,14.13. med. ind. fut. 3de pers. mv. charèsontai (zij zullen zich verheugen) van het werkw. chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in het NT : chairô (zich verheugen) . Taalgebruik in Lc : chairô (zich verheugen) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . Lc (1) Lc 1,14 . Een vorm van chairô (zich verheugen) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 6,23 . (4) Lc 10,20 . (5) Lc 13,17 . (6) Lc 15,5 . (7) Lc 15,32 . (8) Lc 19,6 . (9) Lc 19,37 . (10) Lc 22,5 . (11) Lc 23,8 .

Lc 1,15 - Lc 1,15 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:15 estai gar megas enôpion [tou] kuriou kai oinon kai sikera ou mè piè kai pneumatos agiou plèsthèsetai eti ek koilias mètros autou 15 erit enim magnus coram Domino et vinum et sicera non bibet et Spiritu Sancto replebitur adhuc ex utero matris suae  Hij zal immers groot zijn voor de Heer, en wijn en bedwelmende drank zal hij niet drinken en nog in de schoot van zijn moeder zal hij van heiligc Geest vervuld worden,    15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn, noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest vervuld worden, ook van zijner moeders lijf aan.   [15] want hij zal groot zijn in de ogen van de Heer. Wijn en sterke drank zal hij niet drinken, met heilige* Geest zal hij vervuld worden, al in de schoot van zijn moeder.  [15] Hij zal groot zijn in de ogen van de Heer, en wijn en andere gegiste drank zal hij niet drinken. Hij zal vervuld worden met de heilige Geest terwijl hij nog in de schoot van zijn moeder is,  15 want hij zal groot zijn voor het aanschijn van de Heer, ‘wijn en sterke drank zal hij niet drinken’: van heilige Geest zal hij vervuld worden, van de moederschoot af   15. Car il sera grand devant le Seigneur ; il ne boira ni vin ni boisson forte ; il sera rempli d'Esprit Saint dès le sein de sa mère

King James Bible . [15] For he shall be great in the sight of the Lord, and shall drink neither wine nor strong drink; and he shall be filled with the Holy Ghost, even from his mother's womb.
Luther-Bibel . 15 Denn er wird groß sein vor dem Herrn; Wein und starkes Getränk wird er nicht trinken und wird schon von Mutterleib an erfüllt werden mit dem Heiligen Geist.

Tekstanalyse van Lc 1,15 . Het vers Lc 1,15 telt 22 (2 X 11) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,15 is 10060 (2 X 2 X 5 X 503) . In Lc 1,14-17 spreekt de engel over het kind dat Elisabet zal ontvangen . In Lc 1,15 worden een drietal redenen gegeven waarom velen zich over zijn geboorte zullen verheugen .

Lc 1,15.1. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (39) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,34 . (6) Lc 1,45 . (7) Lc 1,66 .

Lc 1,15.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,15.3. nom. mann. enk. megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,48 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzn , in Lc 1 (4) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,49 .

Lc 1,15.4. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

Lc 1,15.5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,15.6. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,38 . (6) Lc 1,43 . (7) Lc 1,45 . (8) Lc 1,66 . (9) Lc 1,76 . Verder in Lc 1 . nom. mann. enk. kurios (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,32 . (4) Lc 1,58 . (5) Lc 1,68 . dat. mann. enk. kuriô(i) (1) Lc 1,17 . acc. mann. enk. kurion (2) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . In totaal een vorm van kurios (heer) in Lc in 17 verzen .

Lc 1,15.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,15.11. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,15.12. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,15.15. gen. onz. enk. pneumatos (geest) van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (6) : zie hieronder . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 . In vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .

Lc 1,15.16. gen. mann. + onz. enk. hagiou van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Brieven : hagios (heilig) .
Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

Lc 1,15.17. plèsthèsetai (hij zal vervuld worden) pass. ind. 3de pers. enk. van het werkw. pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in Hnd : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Taalgebruik in de Septuaginta : pimplèmi (vervullen, vol maken) . Een vorm van pimplèmi (vervullen, vol maken) in de LXX (116) . Hebr. mâlâ´ (vullen, vervullen) . Taalgebruik in Tenakh : mâlâ´ (vullen, vervullen) . Lat. replere . Fr. remplir . Ned. vervullen . D. erfüllen . E. to fill . Bijbel (17) . NT (1) Lc 1,15 . Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 . In Lc : 5 vormen van pimplèmi (vervullen, vol maken) in 6 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen .

. Verwijzing : pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1 . In deze vorm slechts in Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) in het NT .
Johannes werd van heilige geest vervuld , terwijl hij nog in de moederschoot was. Wellicht verwijst dit naar Lc 1,41 , waar het kind Johannes in de moederschoot van Elisabeth opspringt bij het bezoek van haar nicht Maria . Dan is Elisabeth zes maanden zwanger . Jezus is vervuld van heilige geest vanaf de ontvangenis in de schoot van Maria (Lc 1,35) .

Lc 1,15.19. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 1 (6 + 4 = 10) . ek (6) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,15 . (4) Lc 1,61 . (5) Lc 1,71 . (6) . ex (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,27 . (3) Lc 1,71 . (4) Lc 1,78 .

Lc 1,15.20. gen. vr. enk. koilias van het zelfst. naamw. koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in het NT : koilia (buikholte , moederschoot) . Taalgebruik in de Septuaginta : koilia (buikholte , moederschoot) . bètèn (buik, schoot) . Taalgebruik in Tenakh : bètèn (buik, schoot) . Lat. uterus . Fr. sein . E. womb . D. Leib . Lc (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,42 . Bijbel (58) . LXX (51) . NT (7) . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 2,21 . (6) Lc 11,27 . (7) Lc 15,16 . (8) Lc 23,29 . Een vorm van koilia (buikholte , moederschoot) , in de LXX (108) , in het NT (23) .

Lc 1,15.22. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,15.14. - 22. vanaf de moederschoot
- Lc 1,15 : kai pneumatos agiou plèsthèsetai eti ek koilias mètros autou (en met heilige geest zal hij vervuld worden vanaf zijn moederschoot) .
- Jr 1,5 : ek mètras hègiaka se (vanaf de moederschoot heb ik je geheiligd) .

Lc 1,16 - Lc 1,16 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:16 kai pollous tôn uiôn israèl epistrepsei epi kurion ton theon autôn   16 et multos filiorum Israhel convertet ad Dominum Deum ipsorum  en velen van de zonen van Israël zal hij terugbrengen tot de Heer hun God,   16 En hij zal velen der kinderen Israëls bekeren tot den Heere, hun God. [16] Vele Israëlieten zal hij bekeren tot de Heer hun God.  [16] en hij zal velen uit het volk van Israël tot de Heer, hun God, brengen.  16 en velen van de zonen van Israël zal hij doen omkeren naar de Heer, hun God:   16. et il ramènera de nombreux fils d'Israël au Seigneur, leur Dieu. 

King James Bible . [16] And many of the children of Israel shall he turn to the Lord their God.
Luther-Bibel . 16 Und er wird vom Volk Israel viele zu dem Herrn, ihrem Gott, bekehren.

Tekstuitleg van Lc 1,16 . Het vers Lc 1,16 telt 11 woorden en 54 (2 X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 1,16 is 7935 (3 X 5 X 23²) .

Lc 1,16.1. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,16.2. acc. mann. mv. pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) . Taalgebruik in Hnd : polus (veel) . Taalgebruik in de Septuaginta : polus (veel) . Hebr. rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) . N. veel . D. veil . Lat. multus . E. many . Fr. nombreus (tal-rijk) . Lc (3) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 14,16 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 1 (3) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 1,16 . In Lc : X vormen van polus (veel) in 44 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van polus (veel) in 46 verzen in 25 / 28 hoofdstukken .

Lc 1,16.3. bep.lidw. gen. mv. tôn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (119) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,70 . (5) Lc 1,71 . (6) Lc 1,72 .

Lc 1,16.4. gen. mann. mv. huiôn van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Taalgebruik in Hnd : huios (zoon) . Taalgebruik in de Septuaginta : huios (zoon) . Hebr. ben (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (1) Lc 1,16 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,31 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,36 . (7) Lc 1,57 . In Lc : X vormen van huios (zoon) in 72 verzen in 22 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van huios (zoon) in 22 verzen in 12 / 28 hoofdstukken

Lc 1,16.5. ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl (Israël) . Bijbel (2392) . OT (2328) . NT (64) . Lc (12) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,25 . (6) Lc 2,32 . (7) Lc 2,34 . (8)Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 7,9 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 24,21 . Hnd (15) : (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 2,36 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 4,27 . (5) Hnd 5,21 . (6) Hnd 5,31 . (7) Hnd 7,23 (acc. mv. tous hiuous Israèl = de zonen van Israël) . (8) Hnd 7,37 . (9) Hnd 7,42 . (10) Hnd 9,15 (huiôn Israèl = van de zonen van Israël) . (11) Hnd 10,36 . (12) Hnd 13,17 . (13) Hnd 13,23 . (14) Hnd 13,24 . (15) Hnd 28,20 . Het is opvallend dat na de eerste rede van Paulus tijdens de eerste zendingsreis de naam Israël nog slechts eenmaal in Hnd wordt gebruikt .

Israèl LXX bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. 
  2392  2328 64  12  12 15  16  26  30  16 

- Hebreeuw . יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (2044) . Pentateuch (502) . Eerdere Profeten (765) . Latere Profeten (350) . 12 Kleine Profeten (89) . Geschriften (337) .

Lc 1,16.6. act. ind. fut. 3de pers. enk. επιστρεψει = epistrepsei (hij zal toekeren) van het werkw. επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : epistrefô (naar iets toekeren) . Een vorm van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toekeren) in de LXX (534) , in het NT (36) , in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 8,55 . (5) Lc 17,4 . (6) Lc 17,31 . (7) Lc 22,32 . In Lc : 7 vormen van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 7 verzen in 5 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van επιστρεφω = epistrefô (naar iets toedraaien / keren) in 11 verzen in 8 / 28 hoofdstukken .

Lc 1,16.7. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,16.8. acc. mann. enk. kurion van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Fr. seigneur . Ned. heer . D. Herr . E. lord . Lc (10) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 7,19 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,36 . (8) Lc 19,8 . (9) Lc 20,37 . (10) Lc 20,44 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,16 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,28 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,43 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,58 . (15) Lc 1,66 . (16) Lc 1,68 . (17) Lc 1,76 .

Lc 1,16.9. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,16.10. acc.  mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,12 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (11) Lc 7,29 . (12) Lc 10,27 . (13) Lc 12,21 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (20) Lc 20,37 . (21) Lc 23,40 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,16.8. - 10. kurion ton theon (JHWH God) . Lc (5) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 20,37 .

Lc 1,16.11. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,17 - Lc 1,17 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:17 kai autos proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou epistrepsai kardias paterôn epi tekna kai apeitheis en fronèsei dikaiôn etoimasai kuriô laon kateskeuasmenon   17 et ipse praecedet ante illum in spiritu et virtute Heliae ut convertat corda patrum in filios et incredibiles ad prudentiam iustorum parare Domino plebem perfectam   17 En hij zal v66r hem uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten van de vaderen terug te brengen bij de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid van de rechtvaardigen, om een weltoegerust volk te bereiden voor de Heer.”  17 En hij zal voor Hem heengaan, in den geest en de kracht van Elias, om te bekeren de harten der vaderen tot de kinderen, en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.   [17] Hij zal voor Hem uit gaan in de geest en de kracht van Elia, om het hart van de vaders te keren naar de kinderen, en ongehoorzamen tot de houding van rechtvaardigen, en zo voor de Heer een volk in gereedheid te brengen.’  [17] Als bode zal hij voor God uit gaan met de geest en de kracht van Elia om ouders met hun kinderen te verzoenen en om zondaars tot rechtvaardigheid te brengen, en zo zal hij het volk gereedmaken voor de Heer.’  17 hij is het die zal uitgaan voor zijn aanschijn met de geest en de kracht van Elia,– ‘om de harten van vaderen te bekeren tot hun kinderen’ en ongehoorzamen tot de bezonnenheid van rechtvaardigen,– om voor de Heer gereed te maken een weltoegerust volk!  17. Il marchera devant lui avec l'esprit et la puissance d'Élie, pour ramener le cœur des pères vers les enfants et les rebelles à la prudence des justes, préparant au Seigneur un peuple bien disposé. »  

King James Bible .[17] And he shall go before him in the spirit and power of Elias, to turn the hearts of the fathers to the children, and the disobedient to the wisdom of the just; to make ready a people prepared for the Lord.
Luther-Bibel . 17 Und er wird vor ihm hergehen im Geist und in der Kraft Elias, zu bekehren die Herzen der Väter zu den Kindern und die Ungehorsamen zu der Klugheit der Gerechten, zuzurichten dem Herrn ein Volk, das wohl vorbereitet ist.

Tekstanalyse van Lc 1,17 . Het vers Lc 1,17 telt 24 (2³ X 3) woorden en 151 letters. De getalwaarde van Lc 1,17 is 15737 . In Lc 1,15-17 wordt de toekomst van Johannes de Doper geschetst .

Lc 1,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.2. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,17.3. ind. fut. 3de pers. enk. proeleusetai (hij zal vooraf gaan) van het werkw. proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in het NT : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in Lc : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Lc (1) Lc 1,17 . Een vorm van proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 22,47 .

Lc 1,17.4. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 . + Lc 1,75 .

Lc 1,17.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,17.4. - 5. enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 5,18 . enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,43 .

Lc 1,17.6. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,17.7. dat. onz. enk. pneumati van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (8) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,17.6. - 7. en pneumati (met een geest) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,16 . In een bredere contekst . (1) Lc 1,17 .: kai proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou (en hij zal voorgaan in zijn aangezicht in een geest en een kracht van Elia) . (2) Lc 3,16 : autos humas baptisei en tô(i) pneumati kai puri (hij zal jullie dopen met heilige geest en vuur) . Lc 1,17 .verwijst naar Johannes de Doper , Lc 3,16 naar Jezus . en tô(i) pneumati (door de geest) . Lc (2) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 4,1 . In een bredere contekst . (1) Lc 2,27 : kai èlthen en tô(i) pneumati eis to hieron (en hij ging door de geest naar de tempel) . (2) Lc 4,1 : kai hègeto en tô(i) pneumati eis tèn erèmon (en hij werd door de geest naar de woestijn gedreven) .

Lc 1,17.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.9. datief vrouw. enkelvoud dunamei (met de kracht) van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in het NT : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 . Een vorm van dunamis (enk.) (macht, kracht) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,36 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,19 . (7) Lc 8,46 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 10,19 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,69 . (12) Lc 24,49 . Een mv.vorm in : (1) Lc 10,13 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 21,26 .

Lc 1,17.6. - 9. en (tè(i) ... dunamei (met - de - kracht) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 (en pneumati kai dunamei = in de geest en de kracht van ) . (2) Lc 4,14 (en tè(i) dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) . (3) Lc 4,36 . (en... dunamei = in de kracht) .

Lc 1,17.10. gen. mann. enk. (h)èliou (van Elia) van het zelfst. naamw. (h)èlios (zon / Elia) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios (zon) . Lc (4) : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 23,45 . Een vorm van (h)èlios (zon / Elia) in 5 verzen : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 21,25 . (5) Lc 23,45 .

Lc 1,17.1. - 10. Johannes wordt getypeerd als een voor-ganger, voor-loper in de geest en de kracht van Elia (Lc 1,17) . De zwangerschap van Maria zal gebeuren omdat heilige geest over haar komt en kracht van de Allerhoogste overschaduwt haar .

Lc 1,17.11. act. inf. aor. epistrepsai van het werkw. epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in het NT : epistrefô (naar iets toekeren) . Taalgebruik in Lc : epistrefô (naar iets toekeren) . Lc (1) Lc 1,17 . Een vorm van epistrefô (naar iets toekeren) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 8,55 . (5) Lc 17,4 . (6) Lc 17,31 . (7) Lc 22,32 .

Lc 1,17.13. gen. mann. mv. paterôn van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 11,48 . Een vorm van patèr (vader) in Lc in 48 verzen , in Lc 1 in 8 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,55 . (4) Lc 1,59 . (5) Lc 1,62 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 1,73 .

Lc 1,17.14. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 1 (10 + 1 = 11) . epi (10) : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,17 . (4) Lc 1,29 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,48 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 . ep' (1) Lc 1,12 .

Lc 1,17.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,17.21. act. inf. aor. hetoimasai van het werkw. hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het NT : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het NT : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) .
Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 9,52 . Een vorm van hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 2,31 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 9,52 . (6) Lc 12,20 . (7) Lc 12,47 . (8) Lc 17,8 . (9) Lc 22,8 . (10) Lc 22,9 . (11) Lc 22,12 . (12) Lc 22,13 . (13) Lc 23,56 . (14) Lc 24,1 . Johannes de Doper wordt gezien als een voorbereider . Hij moet de weg bereiden (Lc 1,17) en hij moet een volk gereedmaken voor de Heer (Lc 1,76) . Naar het woord van Jesaja zal Johannes de Doper de weg bereiden (Lc 3,4) .

Lc 1,17.23. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,13 . (12) Lc 23,14 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 . Terwijl het volk bidt (Lc 1,10) en wacht (Lc 1,21) , krijgt Zacharia een boodschap die betrekking heeft op het volk (Lc 1,17) . Het wordt de taak van de toekomstige Johannes om een goed uitgerust volk voor de Heer voor te bereiden .

Lc 1,18 - Lc 1,18 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:18 kai eipen zacharias pros ton aggelon kata ti gnôsomai touto egô gar eimi presbutès kai è gunè mou probebèkuia en tais èmerais autès   18 et dixit Zaccharias ad angelum unde hoc sciam ego enim sum senex et uxor mea processit in diebus suis  En Zacharias zei tegen de engel: “Waaraan zal ik dit weten . Ik ben immers een oud man en mijn vrouw is van gevorderde leeftijd.”  18 En Zacharias zeide tot den engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijn vrouw is verre op haar dagen gekomen. [18] Daarop zei Zacharias tegen de engel: ‘Hoe kan ik daar zeker van zijn? Ik ben een oude man en mijn vrouw is al op jaren.’  
[18] Zacharias vroeg aan de engel: ‘Hoe kan ik weten of dat waar is? Ik ben immers een oude man en ook mijn vrouw is al op leeftijd.’  
18 Dan zegt Zacharias tot de aankondig–engel: ‘waaraan zal ik dit wéten?’, want ik ben oud, en ook mijn vrouw is ver heen met haar levensdagen.  18. Zacharie dit à l'ange : « A quoi connaîtrai-je cela ? car moi je suis un vieillard et ma femme est avancée en âge. »  

King James Bible . [18] And Zacharias said unto the angel, Whereby shall I know this? for I am an old man, and my wife well stricken in years.
Luther-Bibel . 18 Und Zacharias sprach zu dem Engel: Woran soll ich das erkennen? Denn ich bin alt und meine Frau ist betagt.

Tekstuitleg van Lc 1,18 . Het vers Lc 1,18 telt 23 woorden en 107 letters . De getalwaarde van Lc 1,18 is 10848 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 113) . Na de aankondiging van een erfgenaam lachte Abraham bij de bedenking dat hij en Sara reeds zo oud zijn (Gn 17,17) . Wel geeft Zacharia de bedenking van de ouderdom , maar hij lacht niet . Hij stelt echter de vraag die we ook in Gn 15,8 vinden .

Lc 1,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 10 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,18.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,18.1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc () . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,30 . (3) Lc 1,42 . (4) Lc 1,46 . Lc 2 (4) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 2,28 . (3) Lc 2,34 . (4) Lc 2,49 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) in NT (78) . Lc (52) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,38 . Lc 2 (0) .
- Hebreeuws . וַיּאֹמֶר = wajj´omèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âmar (zeggen) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal) . Structuur : 1 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1879) . Pentateuch (594) . Eerdere Profeten (868) . Latere Profeten (120) . 12 Kleine Profeten (56) . Geschriften (241) .

Lc 1,18.3. nom. mann. enk. zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,67 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,18.4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,18.5. bep. lidw. acc. mann. + onz. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,18.6. acc. mann. enk. aggelon van het zelfst. naamw. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden .
Lc (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 7,27 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .

Lc 1,18.7. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc (3) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,38 .

Lc 1,18.8. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,62 . (3) Lc 1,66 .

Lc 1,18.7. - 8. κατα τι = kata ti (waardoor) . LXX (2) : (1) Gn 15,8 . (2) 1 K 4,3 . NT (1) : Lc 1,18 .
- Hebreeuws . בּמָּה = bammâh (waardoor) < prefix bë + vragend naamw. מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) . Taalgebruik in Tenakh : mah / mâh (wat?) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5) . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (8) : (1) Gn 15,8 . (2) Re 6,15 . (3) 1 S 14,38 . (4) 1 K 22,21 . (5) Mi 6,6 . (6) Mal 1,2 . (7) Mal 2,17 . (8) 2 Kr 18,20 .

Lc 1,18.9. ind. fut. 1ste pers. enk. γνωσομαι = gnôsomai (ik zal kennen) van het werkw. γιγνωσκω = gignôskô (kennen, weten)  . Taalgebruik in het NT : gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in de LXX : gignôskô (kennen, weten) . Bijbel (17) : (1) Gn 15,8 . (2) Gn 24,14 . (3) Gn 24,44 . (4) Gn 42,33 . (5) Gn 42,34 . (6) Nu 22,19 . (7) Re 6,37 . (8) 2 S 19,36 . (9) 2 S 24,2 . (10) Js 47,8 . (11) Jr 11,18 . (12) Ps 119,125 . (13) Rt 4,4 . (14) Da 2,9 . (15) 1 Kr 21,2 . (16) Lc 1,18 . (17) 1 Kor 4,19 .
- Hebreeuws . act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֵדַע = ´eda` (ik zal weten/kennen) van het werkw. יָדַע = jâda` (kennen, weten) . Taalgebruik in Tenakh : jâda` (kennen, weten) . Getalwaarde : jod = 10 , daleth = 4 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 84 (2² X 3 X 7) . Structuur : 1 - 4 - 7 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (8) : (1) Gn 15,8 . (2) Gn 24,14 . (3) Gn 42,33 . (4) 1 S 20,9 . (5) 1 S 22,3 . (6) 1 K 3,7 . (7) Js 47,8 . (8) Job 9,21 .

Lc 1,18.7. - 9. κατα τι γνωσομαι = kata ti gnôsomai (waardoor zal ik weten) . LXX o.a. Gn 15,8 . NT (1) : Lc 1,18 .
- Hebreeuws . אֵדַע בּמָּה = bammâh éda` (waardoor zal ik weten) . Tenakh (1) : Gn 15,8 .
- In Gn 15,1-6 doet JHWH aan Abram de belofte van een erfgenaam . In Gn 15,2 maakt Abram zijn beklag tot JHWH : "wat zal Jij mij gegeven en ik kinderloos door het leven ga" . In Gn 16,7 doet JHWH de belofte van de erfenis . Abram zegt dan : hoe zal ik weten ... (Gn 15,8) . Bij Abram is het geen teken van ongeloof , want in Gn 15,6 lezen we dat Abram geloofde en het hem tot gerechtigheid werd gerekend . In Lc 1,18 stelt Zacharia een gelijkaardige vraag als Abram : volgens wat kan ik weten ? Bij Zacharia is er ongeloof , want hij en Elisabeth zijn oud .

Lc 1,18.10. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 1,43 . (4) Lc 1,66 .

Lc 1,18.12. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,30 . (4) Lc 1,44 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,66 . (7) Lc 1,76 .

Lc 1,18.14. nom. mann. enk. πρεσβυτης = presbutès (oud) . Taalgebruik in het NT : presbutès (oud) . Taalgebruik in de LXX : presbutès (oud) . Bijbel (20) : (1) Gn 25,8 . (2) Nu 10,31 . (3) Re 19,16 . (4) Re 19,17 . (5) Re 19,20 . (6) 1 S 2,22 . (7) 1 S 2,32 . (8) 1 S 3,21 . (9) 1 S 4,18 . (10) 1 K 1,15 . (11) 1 K 13,11 . (12) 1 K 13,25 . (13) 2 K 4,14 . (14) Js 65,20 . (15) Job 15,10 . (16) Kl 2,21 . (17) 2 Kr 23,1 . (18) Tob 12,4 . (19) Lc 1,18 . (20) Film 1,9 .
- Hebreeuws . זָקֵן = zâqen (oud, voornaam) . Taalgebruik in Tenakh : zâqen (oud, voornaam6) . Getalwaarde : zajin = 7 , qoph = 19 of 100 , nun = 14 of 50 ; totaal : 40 of 157 . Structuur : 7 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens ) . Tenakh (40) . Pentateuch (10) . Eerdere Profeten (16) . Latere Profeten (8) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (4 . Gn (9) : (1) Gn 18,12 . (2) Gn 19,4 . (3) Gn 19,31 . (4) Gn 24,1 . (5) Gn 24,2 . (6) Gn 25,8 . (7) Gn 27,1 . (8) Gn 35,29 . (9) Gn 44,20 . Lv (1) : Lv 19,32 . Joz (3) : (1) Joz 6,21 . (2) Joz 13,1 . (3) Joz 23,1 . Re (1) : Re 19,16 . 1 S (7) : (1) 1 S 2,22 . (2) 1 S 2,31 . (3) 1 S 2,32 . (4) 1 S 4,18 . (5) 1 S 8,1 . (6) 1 S 17,12 . (7) 1 S 28,14 . 1 K (3) : (1) 1 K 1,1 . (2) 1 K 1,15 . (3) 1 K 13,11 . 2 S (1) : 2 S 19,33 . 1 K (3) : (1) 1 K 1,1 . (2) 1 K 1,15 . (3) 1 K 13,11 . 2 K (1) : 2 K 4,14 .

Lc 1,18.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,18.16. bep. lidw. nom. vr. enk. hè of partikel van vergelijking è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (143) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,36 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,41 . (10) Lc 1,43 . (11) Lc 1,44 . (12) Lc 1,45 . (13) Lc 1,47 . (14) Lc 1,60 . (15) Lc 1,64 .

Lc 1,18.17. nom. vr. enk. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 . (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 . (14) Lc 15,8 . (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 38 verzen .

Lc 1,18.19. pass. part. perf. nom. vr. enk. probebèkuia van het werkw. probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in het NT : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) . Taalgebruik in Lc : probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) .
Lc (2) : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 2,36 . Een vorm van probainô (vooruitbanen , vooruitgaan) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .
De vorm (probas : voortgegaan) komt in de bijbel slechts in Mc 1,19 voor en in de paralleltekst Mt 4,21 voor . bainô : banen , gaan . pro-bainô : vooruitgaan . Een vorm van het werkwoord probainô komt slechts in vijf verzen in het NT voor . Bij Mc en Mt in de ruimtelijke betekenis , bij Lucas in temporele (tijdelijke) betekenis : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 2,36 .

Lc 1,18.20. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,18.21. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,7 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 1,80 .

Lc 1,18.22. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,18.20. - 22. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 .  (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .

 

Lc 1,18.23. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (27) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,41 . (6) Lc 1,56 . (7) Lc 1,58 .

Lc 1,19 - Lc 1,19 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:19 kai apokritheis o aggelos eipen autô egô eimi gabrièl o parestèkôs enôpion tou theou kai apestalèn lalèsai pros se kai euaggelisasthai soi tauta  19 et respondens angelus dixit ei ego sum Gabrihel qui adsto ante Deum et missus sum loqui ad te et haec tibi evangelizare  19 En de engel antwoordde (en) zei hem: “Ik ben Gabriël die vóór God staat en ik ben gezonden om tot je te spreken en je deze blijde boodschap te brengen.  19 En de engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden, om tot u te spreken, en u deze dingen te verkondigen.   [19] De engel gaf hem ten antwoord: ‘Ik ben Gabriël, die God terzijde staat. Ik ben gezonden om met u te spreken en u dit heuglijke nieuws te brengen.  [19] De engel antwoordde: ‘Ik ben Gabriël, die altijd in Gods nabijheid is, en ik ben uitgezonden om je dit goede nieuws te brengen.  19 Ten antwoord zegt de aankondig–engel tot hem: ik ben Gabriël die voor Gods aanschijn staat en ik ben uitgezonden om tot jou te spreken en je dit alles aan te kondigen;   19. Et l'ange lui répondit : « Moi je suis Gabriel, qui me tiens devant Dieu, et j'ai été envoyé pour te parler et t'annoncer cette bonne nouvelle. 

King James Bible . [19] And the angel answering said unto him, I am Gabriel, that stand in the presence of God; and am sent to speak unto thee, and to shew thee these glad tidings.
Luther-Bibel . 19 Der Engel antwortete und sprach zu ihm: Ich bin Gabriel, der vor Gott steht, und bin gesandt, mit dir zu reden und dir dies zu verkündigen.

Tekstuitleg van Lc 1,19 . Het vers Lc 1,19 telt 23 woorden en 120 (2 X 3 X 4 X5) letters . De getalwaarde van Lc 1,19 is 11541 (3 X 3847) .

Lc 1,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 46 verzen , in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,60 .

Lc 1,19.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .
Bepaald lidwoord nominatief mannelijk enkelvoud bij het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) . In Lc 1,11 verscheen een engel van de Heer aan Zacharias . Daar staat geen lidwoord . Hierna wordt telkens een lidwoord bij een vorm van het zelfstandig naamwoord aggelos (engel) gebruikt . In Lc 1,19 maakt de engel zich bekend als Gabriël . Het is ook deze engel die aan Maria verscheen . Door het bepaald lidwoord bij aggelos (engel) en door de eigennaam van de engel nl. Gabriël is dit vers aan de vorige perikope (Lc 1,5-25) gelinkt .

Lc 1,19.4. nom. mann. enk. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Taalgebruik in Lc : aggelos (engel) . Bijbel (155) . OT (108) . NT (47) . Gn (10) : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . Ex (5) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) Ex 32,34 . Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van αγγελος = aggelos in de LXX (350) , in het NT (175) , in Lc (25) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . In Lc 2 (5) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,21 . In Lc : 8 vormen van αγγελος = aggelos (engel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen . In 14 verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In 2 verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog 10 verzen , waarvan 6 verzen in de gen. mv. .

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
  aggelos (engel) Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 7 Lc 9 Lc 12 Lc 15 Lc 16 Lc 22 Lc 24
1 nom. enk. aggelos 10 (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10             (10) Lc 22,43  
2 gen. enk. aggelou 1   (1) Lc 2,21                
3 dat. enk. aggelôi 1   (1) Lc 2,13 .                  
4 acc. enk. aggelon 3 (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 .       (3) Lc 7,27            
5 nom. + voc. mv. aggeloi 1   (1) Lc 2,15 .                  
6 gen. mv. aggelôn 7       (1) Lc 7,24 .   (2) Lc 9,26 .   (3) Lc 12,8 . (4) Lc 12,9 .   (5) Lc 15,15 .   (6) Lc 16,22 .     (7) Lc 24,23
7 dat. mann. mv. aggelois 1     (1) Lc 4,10 .                
8 acc. mv. aggelous 1         (1) Lc 9,52 .            
  Totaal   25

- מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 .
- Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Arabisch : مَلَك = malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11) .

Lc 1,19.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,28 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,35 . (8) Lc 1,38 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,46 . (11) Lc 1,60 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 1 in 4 verzen , van eipon (ik zei) in Lc 1 in 12 verzen .

Lc 1,19.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,11 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,32 . (5) Lc 1,74 .

Lc 1,19.1. - 6. kai apokritheis ho aggelos eipen (en beantwoord ze de engel) .
(1) Lc 1,19 : kai apokritheis ho aggelos eipen autôi = en beantwoord zei de engel hem .
(2) Lc 1,35 : kai apokritheis ho aggelos eipen autèi = en beantwoord zei de engel haar .
In de twee verzen beantwoordt de engel een vraag , in Lc 1,19 van Zacharia en in Lc 1,35 van Maria .

Lc 1,19.12. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

Lc 1,19.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 1 (20) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,6 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,9 . (5) Lc 1,10 . (6) Lc 1,11 . (7) Lc 1,15 . (8) Lc 1,19 . (9) Lc 1,26 . (10) Lc 1,32 . (11) Lc 1,37 . (12) Lc 1,43 . (13) Lc 1,44 . (14) Lc 1,48 . (15) Lc 1,57 . (16) Lc 1,59 . (17) Lc 1,68 . (18) Lc 1,73 . (19) Lc 1,77 . (20) Lc 1,79 .

Lc 1,19.14. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,35 . (6) Lc 1,37 . (7) Lc 1,78 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , Lc 1 (13) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,16 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,35 . (9) Lc 1,37 . (10) Lc 1,47 . (11) Lc 1,64 .  (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,78 .

Lc 1,19.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.16. pass. ind. aor. 1ste pers. enk. apestalèn (ik werd gezonden) van het werkw. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Lc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . Lc (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 4,43 . Een vorm van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in Lc in 24 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,26 .   (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,43 . (5) Lc 7,3 . (6) Lc 7,20 . (7) Lc 7,27 . (8) Lc 9,2 . (9) Lc 9,48 . (10) Lc 9,52 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,3 .   (13) Lc 10,16 . (14) Lc 11,49 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 14,17 . (17) Lc 14,32 .   (18) Lc 19,14 .  (19) Lc 19,29 . (20) Lc 19,32 . (21) Lc 20,10 . (22) Lc 20,20 . (23) Lc 22,8 . (24) Lc 24,49 . In Lc : 13 vormen in 12 hoofdstukken en in 24 verzen . De engel Gabriël zegt tot Zacharia : Ik werd gezonden (Lc 1,19) . In het parallelverhaal van de aankondiging aan Maria (Lc 1,26) wordt verteld dat de engel Gabriël tot Maria werd gezonden (apestalè = hij werd gezonden) .

Lc 1,19.17 . act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

Lc 1,19.18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 1 (11) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,18 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,27 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,34 . (7) Lc 1,43 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,61 . (10) Lc 1,73 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,19.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,19.21.

 

inf. aor. euaggelisasthai van het werkw. euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in Lc : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Lc (2) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 4,43 . Een vorm van euaggelizomai (goede boodschap brengen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 3,18 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,43 . (6) Lc 7,22 . (7) Lc 8,1 . (8) Lc 9,6 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 20,1 .

Lc 1,19.22. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc (5) : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,35 .

Lc 1,19.23. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,65 .

Lc 1,20 - Lc 1,20 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:20 kai idou esè siôpôn kai mè dunamenos lalèsai achri ès èmeras genètai tauta anth ôn ouk episteusas tois logois mou oitines plèrôthèsontai eis ton kairon autôn  20 et ecce eris tacens et non poteris loqui usque in diem quo haec fiant pro eo quod non credidisti verbis meis quae implebuntur in tempore suo  20 En zie, je zult zwijgen en niet kunnen spreken tot de dag dat deze dingen gebeuren, omdat je mijn woorden niet geloofd hebt, die vervuld* zullen worden op hun tijd.”  20 En zie, gij zult zwijgen, en niet kunnen spreken, tot op den dag, dat deze dingen geschied zullen zijn; om dies wil, dat gij mijn woorden niet geloofd hebt, welke vervuld zullen worden op hun tijd. [20] Maar u zult zwijgen en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit gebeurt, omdat u mijn woorden niet hebt geloofd; maar die zullen op hun tijd in vervulling gaan.’  [20] Maar omdat je geen geloof hebt gehecht aan mijn woorden, die op de voorbestemde tijd in vervulling zullen gaan, zul je stom zijn en niet kunnen spreken tot de dag waarop dit alles gaat gebeuren.’  20 zie, je zult zwijgen, je zult niet kunnen spreken tot op de dag dat dit alles geschiedt,– daarvoor dat je geen geloof gehecht hebt aan mijn woorden die vervuld zullen worden als het hun tijd is!   20. Et voici que tu vas être réduit au silence et sans pouvoir parler jusqu'au jour où ces choses arriveront, parce que tu n'as pas cru à mes paroles, lesquelles s'accompliront en leur temps. »  

King James Bible . [20] And, behold, thou shalt be dumb, and not able to speak, until the day that these things shall be performed, because thou believest not my words, which shall be fulfilled in their season.
Luther-Bibel . 20 Und siehe, du wirst stumm werden und nicht reden können bis zu dem Tag, an dem dies geschehen wird, weil du meinen Worten nicht geglaubt hast, die erfüllt werden sollen zu ihrer Zeit.

Tekstuitleg van Lc 1,20 . Het vers Lc 1,20 telt 26 (2 X 13) woorden en 130 (2 X 5 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 1,20 is 15531 (3 X 31 X 167) .

Lc 1,20.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,20.2. idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Lc (55) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,38 . (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,48 .

1. - 2. kai idou (en zie) . Lc (27) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 .

Lc 1,20.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het NT : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) .
Lc (123) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,15 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,30 .

Lc 1,20.8. act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .

9. achri (tot) . Taalgebruik in het NT : achri (tot) . Taalgebruik in Lc : achri (tot) . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 17,27 . (4) Lc 21,24 .

Lc 1,20.11. gen. vr. enk; + acc. vr. mv. hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Lc (14) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,24 . (3) Lc 1,80 .  (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,44 . (6) Lc 2,46 . (7) Lc 4,2 . (8) Lc 4,42 . (9) Lc 9,51 . (10) Lc 15,13 . (11) Lc 17,4 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 18,7 . (14) Lc 21,37 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc 1 in 11 verzen : 6 + 5 : (7) Lc 1,20 . (8) Lc 1,23 . (9) Lc 1,24 . (10) Lc 1,59 . (11) Lc 1,80 .

13. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,65 .

15. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .

Lc 1,20.16. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,20.17. act. ind. aor. 2de pers. enk. επιστευσας = episteusas (jij geloofde) van het werkw. πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in Lc : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Bijbel (2) : (1) Mt 8,13 . (2) Lc 1,20 . Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) in de LXX (88) , in het NT (241) , in Lc (9) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,13 . (5) Lc 8,50 . (6) Lc 16,11 . (7) Lc 20,5 . (8) Lc 22,67 . (9) Lc 24,25 , in Hnd (54) . In Lc 1 worden Zacharia en Maria tegenover elkaar geplaatst als de niet-gelovige en de gelovige .

 

Lc 1,20.18. dat. mann. en onz. mv. τοις = tois . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Lc (65) . Lc 1 (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,45 . (3) Lc 1,79 .

  lidw. mv. bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
  dat. m. + onz. mv. tois 2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17  208  244 

- Nederl. : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Lc 1,20.19. dat. mann. mv. logois van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 23,9 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 1 in 4 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,4 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,29 .

Lc 1,20.23. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,50 . (10) Lc 1,55 . (11) Lc 1,56 . (12) Lc 1,79 .

Lc 1,20.24. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,20.25. acc. mann. enk. kairon van het zelfst. naamw. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het NT : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Lc : kairos (gunstig moment) . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 8,13 . (3) Lc 12,56 . (4) Lc 19,44 . Een vorm van kairos (gunstig moment) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 12,42 . (5) Lc 12,56 . (6) Lc 13,1 . (7) Lc 18,30 . (8) Lc 19,44 . (9) Lc 20,10 . (10) Lc 21,8 . (11) Lc 21,24 . (12) Lc 21,36 .

Lc 1,20.26. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,20 . (4) Lc 1,51 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,77 .

Lc 1,21 - Lc 1,21 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:21 kai èn o laos prosdokôn ton zacharian kai ethaumazon en tô chronizein en tô naô auton  21 et erat plebs expectans Zacchariam et mirabantur quod tardaret ipse in templo  21 En het volk was aan het wachten op Zacharias en ze waren verwonderd dat hij bleef talmen in de tempel.  21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd, dat hij zo lang vertoefde in den tempel.  [21] Het volk stond op Zacharias te wachten en verbaasde zich erover dat hij zo lang in het heiligdom bleef.   [21] De menigte stond buiten op Zacharias te wachten, en de mensen vroegen zich af waarom hij zo lang in het heiligdom bleef.  21 De gemeente staat te wachten op Zacharias en zij zijn verwonderd dat hij zo lang in de tempel is.  21. Le peuple cependant attendait Zacharie et s'étonnait qu'il s'attardât dans le sanctuaire.  

King James Bible . [21] And the people waited for Zacharias, and marvelled that he tarried so long in the temple.
Luther-Bibel . 21 Und das Volk wartete auf Zacharias und wunderte sich, dass er so lange im Tempel blieb.

Tekstuitleg van Lc 1,21 . Het vers Lc 1,21 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 1,21 is 8572 (2 X 2 X 2143) . Lc 1,5-25 is concentrisch opgebouwd . Terwijl Zacharia in de tempel is (Lc 1,9) , is het volk aan het bidden (Lc 1,10) en wacht dan (Lc 1,21) tot Zacharia naar buiten komt (Lc 1,22) .

Lc 1,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,21.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,21.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 1 (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,19 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 1,29 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,32 . (9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,42 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,67 . (15) Lc 1,68 .

Lc 1,21.4. nom. mann. enk. laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (7) : (1) Lc 2,21 . (2) Lc 7,29 . (3) Lc 18,43 . (4) Lc 19,48 . (5) Lc 20,6 . (6) Lc 21,38 . (7) Lc 23,35 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 1 in 5 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 .
Nadat Zacharia de tempel was binnengegaan om het reukoffer te brengen , stond het volk buiten te bidden (Lc 1,10) . Het volk wacht en is verwonderd dat Zacharia zo lang in de tempel blijft (Lc 1,21) . In beide verzen wordt een omschrijvende constructie gebruikt : het was ... aan het bidden / wachten . De omschrijvende constructie omarmt een vorm van laos (volk) ; Lc 1,10 : èn tou laou proseuchomenon = de ganse menigte van het volk was aan het bidden . Lc 1,21 : èn ho laos prosdokôn = het volk was aan het wachten .

Lc 1,21.5. act. part. praes. nom. mann. enk. prosdokôn van het werkw. prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in het NT : prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in Lc : prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in Hnd : prosdokaô (verwachten, vermoeden) .
Lc (1) Lc 1,21 . Een vorm van prosdokaô (verwachten, vermoeden) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 3,15 . (3) Lc 7,19 . (4) Lc 7,20 . (5) . (6) Lc 8,40 .

Lc 1,21.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,16 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,32 . (8) Lc 1,33 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,40 . (11) Lc 1,41 . (12) Lc 1,47 . (13) Lc 1,55 . (14) Lc 1,56 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,73 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,21.7. acc. mann. enk. zacharian van de eigennaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het NT : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,59 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 1,21.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,21.9. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εθαυμαζον = ethaumazon (zij verbaasden zich) van het werkw. θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in het NT : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in de LXX : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Taalgebruik in Lc : thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) . Lc (9) : (1) Tob 11,16 . (2) Jdt 10,19 . (3) Mc 5,20 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 4,22 . (6) Joh 4,27 . (7) Joh 7,15 . (8) Hnd 2,7 . (9) Hnd 4,13 . Een vorm van θαυμαζω = thaumazô (bewonderen, verwonderen, verbazen) in de LXX (57) , in het NT (42) , in Lc (13) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 4,22 . (6) Lc 7,9 . (7) Lc 8,25 . (8) Lc 9,43 . (9) Lc 11,14 . (10) Lc 11,38 . (11) Lc 20,26 . (12) Lc 24,12 . (13) Lc 24,41 .

Lc 1,21.10. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,21.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,21.12. act. inf. praes. chronizein van het werkw. chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in het NT : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Taalgebruik in Lc : chronizô (lange tijd verblijven, dralen) . Lc (1) Lc 1,21 . Deze vorm is in Lc 1,21 de enigste in de bijbel . In Lc : 2 vormen van chronizô (lange tijd verblijven, dralen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . Niet in Hnd . Een vorm van chronizô (lange tijd verblijven, dralen) in het NT (5) , in de LXX (27) . In Ex 32,1 blijft Mozes uit om van de berg af te dalen .

Lc 1,21.13. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,21.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,21.15. dat. mann. enk. naô(i) van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,21.13. - 15. en tô(i) naô(i) = in de tempel . Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,21.16. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (184) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,21 . (5) Lc 1,50 .

Lc 1,22 - Lc 1,22 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:22 exelthôn de ouk edunato lalèsai autois kai epegnôsan oti optasian eôraken en tô naô kai autos èn dianeuôn autois kai diemenen kôfos   22 egressus autem non poterat loqui ad illos et cognoverunt quod visionem vidisset in templo et ipse erat innuens illis et permansit mutus  22 Toen hij echter buitenkwam kon hij niet met hen spreken, en ze begrepen dat hij in de tempel een verschijning gezien had; en hij wenkte hun toe en bleef stom.   22 En als hij uitkwam, kon hij tot hen niet spreken; en zij bekenden, dat hij een gezicht in den tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.   [22] Toen hij naar buiten kwam kon hij niet tot hen spreken, en ze begrepen dat hij in het heiligdom een verschijning had gezien. Hij maakte gebaren naar hen en bleef stom.  [22] Maar toen hij naar buiten kwam, kon hij niets tegen hen zeggen. Ze begrepen dat hij in het heiligdom een visioen had gezien; hij maakte gebaren tegen hen, maar spreken kon hij niet.  22 Als hij naar buiten komt kan hij niet tot hen spreken, en dan begrijpen ze dat hij in de tempel een visioen gezien heeft; hij kan alleen maar gebaren naar hen maken: hij blijft stom.  22. Mais quand il sortit, il ne pouvait leur parler, et ils comprirent qu'il avait eu une vision dans le sanctuaire. Pour lui, il leur faisait des signes et demeurait muet. 

King James Bible . [22] And when he came out, he could not speak unto them: and they perceived that he had seen a vision in the temple: for he beckoned unto them, and remained speechless.
Luther-Bibel . 22 Als er aber herauskam, konnte er nicht mit ihnen reden; und sie merkten, dass er eine Erscheinung gehabt hatte im Tempel. Und er winkte ihnen und blieb stumm.

Tekstuitleg van Lc 1,22 . Het vers Lc 1,22 telt 22 (2 X 11) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 1,22 is 13977 (3² X 1553) .

Lc 1,22.1. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud exelthôn (uitgegaan) van het werkwoord exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41) . In Lc 1 de enigste vorm van exerchomai (uitgaan) .
Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan , weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,28 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .

Lc 1,22.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 1 (17) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,13 . (5) Lc 1,22 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,26 . (8) Lc 1,29 . (9) Lc 1,34 . (10) Lc 1,38 . (11) Lc 1,39 . (12) Lc 1,56 . (13) Lc 1,57 . (14) Lc 1,62 . (15) Lc 1,64 . (16) Lc 1,76 . (17) Lc 1,80 .

Lc 1,22.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 1 (2 + 5 = 7) . ou . Lc (84) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,34 . ouk . Lc (92) . Lc 1 (5) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,33 . (5) Lc 1,37 .

Lc 1,22.5. act. inf. aor. lalèsai van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het NT : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Lc (4) : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 11,37 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 7 verzen in Lc 1 : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,55 . (6) Lc 1,64 . (7) Lc 1,70 .

Lc 1,22.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,22.9. hoti (dat, omdat, want) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in de Septuaginta : hoti (dat, omdat) . Bijbel (4396) . NT (1183) . Lc (160) . Hebr. kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Tenakh (3849) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc 1 (9) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,37 . (4) Lc 1,45 . (5) Lc 1,48 . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,58 . (8) Lc 1,61 . (9) Lc 1,68 .

Lc 1,22.12. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 .

Lc 1,22.13. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 1 (13) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,29 . (6) Lc 1,30 . (7) Lc 1,47 . (8) Lc 1,55 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,61 . (11) Lc 1,62 . (12) Lc 1,68 . (13) Lc 1,77 .

Lc 1,22.14. dat. mann. enk. naô(i) van het zelfst. naamw. naos (tempel) . Taalgebruik in het NT : naos (tempel) . Taalgebruik in Lc : naos (tempel) .
Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 . Een vorm van naos (tempel) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,21 . (3) Lc 1,22 . (4) Lc 23,35 .

Lc 1,22.12. - 14. en tô(i) naô(i) = in de tempel . Lc (2) : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,22.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

16. persoonl. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc 1 (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,22 .

Lc 1,22.17. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 1 (6) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,10 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,22 . (5) Lc 1,66 . (6) Lc 1,80 .

Lc 1,22.15. - 17. kai autos èn (en hij was) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 3,23 . (3) Lc 5,1 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 17,16 . (6) Lc 19,2 .

Lc 1,22.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,23 - Lc 1,23 : 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 1 - - Lc 1,1 - Lc 1,2 - Lc 1,3 - Lc 1,4 - Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 - Lc 1,8 - Lc 1,9 - Lc 1,10 - Lc 1,11 - Lc 1,12 - Lc 1,13 - Lc 1,14 - Lc 1,15 - Lc 1,16 - Lc 1,17 - Lc 1,18 - Lc 1,19 - Lc 1,20 - Lc 1,21 - Lc 1,22 - Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 -- Lc 1 -- Lc 1,1-4 -- Lc 1,26-38 - Lc 1,39-56 - Lc 1,57-80 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:23 kai egeneto ôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou apèlthen eis ton oikon autou   23 et factum est ut impleti sunt dies officii eius abiit in domum suam  23 En het gebeurde, als de dagen van zijn dienst vervuld waren, dat hij weer naar huis ging.   23 En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.   [23] Zodra zijn tempeldienst was afgelopen ging hij naar huis.  [23] Toen zijn tempeldienst voorbij was, ging hij terug naar huis.  23 Het geschiedt: met dat de dagen van zijn eredienst vervuld zijn gaat hij heen, naar zijn huis;   23. Et il advint, quand ses jours de service furent accomplis, qu'il s'en retourna chez lui.  

King James Bible . [23] And it came to pass, that, as soon as the days of his ministration were accomplished, he departed to his own house.
Luther-Bibel . 23 Und es begab sich, als die Zeit seines Dienstes um war, da ging er heim in sein Haus.

Tekstanalyse van Lc 1,23 . Het vers Lc 1,23 telt 14 (2 X 7) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 1,23 is 7252 (2 X 2 X 7 X 7 X 37) .

Lc 1,23.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 1 (+ : 56 / 80 . - 24 / 80) . 1. Lc 1,1-4 (+ 1 / 4 : + Lc 1,2 . - 3 / 4) . 2. Lc 1,5-25 (+ 17 / 21 . - 4 / 21 : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,9 . (3) Lc 1,11 . (4) Lc 1,25 . ) . 3. Lc 1,26-38 (+ 9 / 13 . - 3 / 13) . 4. Lc 1,39-56 (+ 11 / 18 . - 7 / 18) . 5. Lc 1,57-80 (+ 17 / 24 . - 7 / 24) .

Lc 1,23.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 1 (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,41 (5) Lc 1,44 . (6) Lc 1,59 . (7) Lc 1,65 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 1 in 10 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,8 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,38 . (7) Lc 1,41 . (8) Lc 1,44 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,65 .

In Lc 1,5-25 gebruikt Lucas driemaal egeneto (het gebeurde - er was eens) ; de eerste maal bij het begin van het verhaal ; de tweede en de derde maal bij een overgang in het verhaal . De eerste maal (Lc 1,5) : er was eens een priester - in de dagen van Herodes , de koning van Judea ... . De tweede maal (Lc 1,8) duidt het een overgang aan en wordt omsloten door het derde egeneto (Lc 1,23) . In Lc 1,5 - Lc 1,6 - Lc 1,7 wordt de beginsituatie , in Lc 1,8-22 de verandering van de ene situatie naar de andere en in Lc 1,23 - Lc 1,24 - Lc 1,25 de eindsituatie gegeven .

Lc 1,23.3. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 1 (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,44 . (4) Lc 1,56 .

Lc 1,23.2. - 3. egeneto hôs (het gebeurde toen) . Lc (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 19,29 .

Lc 1,23.4. passief indicatief aorist derde persoon meervoud eplèthèsan (zij werden vervuld) van het werkw. pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in het NT : pimplèmi (vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi (vullen) .
In zeven verzen bij Lucas . In vier verzen ervan heeft de vervulling te maken met de tijd ; in de andere drie verzen heeft het te maken met gevoelens . .
(1) Lc 1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst) .
(2) Lc 2,6 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt om...) .
(3) Lc 2,21 (eplèsthèsan hèmerai oktô tou = de acht dagen waren bereikt om ...) .
(4) Lc 2,22 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren bereikt van ...) .
(5) Lc 4,28 (eplèsthèsan pantes thumou = allen werden vervuld van woede) .
(6) Lc 5,26 (eplèsthèsan fobou = zij werden vervuld van vrees) .
(7) Lc 6,11 (autoi de eplèsthèsan avoias = deze echter werden vervuld van onbegrip) .
Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,23 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 2,6 . (7) Lc 2,21 . (8) Lc 2,22 . (9) Lc 4,28 . (10) Lc 5,7 . (11) Lc 5,26 . (12) Lc 6,11 . (13) Lc 21,22 .

Lc 1,23.6. nom. vr. mv. hèmerai van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (12) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,21 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 5,35 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 13,14 . (8) Lc 17,22 . (9) Lc 19,43 . (10) Lc 21,6 . (11) Lc 21,22 . (12) Lc 23,29 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 1 in 11 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,20 . (5) Lc 1,23 . (6) Lc 1,24 . (7) Lc 1,25 . (8) Lc 1,39 . (9) Lc 1,59 . (10) Lc 1,75 . (11) Lc 1,80 .

Lc 1,23.4. - 6. eplèsthèsan hai hèmerai (de dagen werden vervuld) . Lc (3) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,22 . Zie ook Lc 2,21 : eplèsthèsan hèmerai oktô (de acht dagen waren vervuld) .

Lc 1,23.7. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,8 . (3) Lc 1,9 . (4) Lc 1,23 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,27 . (7) Lc 1,33 . (8) Lc 1,41 . (9) Lc 1,42 . (10) Lc 1,48 . (11) Lc 1,61 . (12) Lc 1,65 .

Lc 1,23.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 1 (31) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,14 . (4) Lc 1,15 . (5) Lc 1,17 . (6) Lc 1,23 . (7) Lc 1,24 . (8) Lc 1,31 . (9) Lc 1,32 . (10) Lc 1,33 . (11) Lc 1,48 . (12) Lc 1,49 . (13) Lc 1,50 . (14) Lc 1,51 . (15) Lc 1,54 . (16) Lc 1,55 . (17) Lc 1,58 . (18) Lc 1,59 . (19) Lc 1,60 . (20) Lc 1,62 . (21) Lc 1,63 . (22) Lc 1,64 . (23) Lc 1,66 . (24) Lc 1,67 . (25) Lc 1,68 . (26) Lc 1,69 . (27) Lc 1,70 . (28) Lc 1,72 . (29) Lc 1,75 . (30) Lc 1,76 . (31) Lc 1,80 .

Lc 1,23.10. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,25 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 24,12 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 .  (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 .   (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 .  (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 .  (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 .  (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 .  (17) Lc 22,4 .  (18) Lc 22,13 .  (19) Lc 23,33 .  (20) Lc 24,12 .   (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc 1 in 3 verzen : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,28 . (3) Lc 1,40 . Zacharia gaat de tempel binnen (Lc 1,9) . De engel gaat bij Maria binnen (Lc 1,28) . In Lc 1,40 gaat Maria binnen in het huis van Zacharia . Zo worden de personages Zacharia en Elisabeth van het eerste verhaal en Maria van het tweede verhaal met elkaar verbonden .
Aan binnengaan beantwoordt buitengaan, weggaan of terugkeren . In Lc 1,22 (exelthôn de = 'maar' buitengegaan) gaat Zacharia naar buiten . In Lc 1,38 (kai apèlthen ap' autès ho aggelos = en de engel ging van haar weg) gaat de engel van haar weg . In Lc 1,56 (kai hupestrepsen eis ton oikon autès = en zij ging naar haar huis terug) gaat Maria naar huis terug .
Begin- en eindsituatie van het verhaal speelt zich af in het huis van Zacharia . Na de tempeldienst ging Zacharia naar huis (apèlthen eis ton oikon autou = hij ging weg naar zijn huis) .

Lc 1,23.11. eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Taalgebruik in Brieven : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 1 (12) : (1) Lc 1,9 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 1,23 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,33 . (6) Lc 1,39 . (7) Lc 1,40 . (8)