- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Overzicht van het Lucasevangelie : Lc : overzicht , Lc : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Lc : commentaar ,
Overzicht van het Lucasevangelie : Lc
1 , Lc 2
, Lc 3 ,
Lc 4 , Lc
5 , Lc 6
, Lc 7 ,
Lc 8 , Lc
9 , Lc 10
, Lc 11
, Lc 12
, Lc 13
, Lc 14
, Lc 15
, Lc 16
, Lc 17
, Lc 18
, Lc 19
, Lc 20
, Lc 21
, Lc 22
, Lc 23
, Lc 24
,
Tekstuitleg per perikope : - Lc
2,1-20 - Lc
2,21-40 - Lc
2,41-52 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc
2,1 - Lc
2,2 - Lc
2,3 - Lc
2,4 - Lc
2,5 - Lc
2,6 - Lc
2,7 - Lc
2,8 - Lc
2,9 - Lc
2,10 - Lc
2,11 - Lc
2,12 - Lc
2,13 - Lc
2,14 - Lc
2,15 - Lc
2,16 - Lc
2,17 - Lc
2,18 - Lc
2,19 - Lc
2,20 - Lc
2,21 - Lc
2,22 - Lc
2,23 - Lc
2,24 - Lc
2,25 - Lc
2,26 - Lc
2,27 - Lc
2,28 - Lc
2,29 - Lc
2,30 - Lc
2,31 - Lc
2,32 - Lc
2,33 - Lc
2,34 - Lc
2,35 - Lc
2,36 - Lc
2,37 - Lc
2,38 - Lc
2,39 - Lc
2,40 - Lc
2,41 - Lc
2,42 - Lc
2,43 - Lc
2,44 - Lc
2,45 - Lc
2,46 - Lc
2,47 - Lc
2,48 - Lc
2,49 - Lc
2,50 - Lc
2,51 - Lc
2,52 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende perikopen in het tweede hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
6. Geboorte van Jezus : Lc
2,1-20
7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel. Simeon en Anna : Lc
2,21-40
8. De twaalfjarige Jezus in de tempel : Lc
2,41-52 .
Kai (en) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 = 20) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
| Lc 2,1 | Lc 2,2 | Lc 2,3 | Lc 2,4 | Lc 2,5 | Lc 2,6 | Lc 2,7 | Lc 2,8 | Lc 2,9 | Lc 2,10 | Lc 2,11 | Lc 2,12 | Lc 2,13 | Lc 2,14 | Lc 2,15 | Lc 2,16 | Lc 2,17 | Lc 2,18 | Lc 2,19 | Lc 2,20 | |
Evangelielezing van (Taalgebruik :
In die dagen kwam er een besluit van keizer Augustus dat er een volkstelling
moest gehouden worden in heel zijn rijk. Deze volkstelling vond plaats eer Quirinius
landvoogd van Syrië was. Allen gingen op reis, ieder naar zijn eigen stad,
om zich te laten inschrijven. Ook Jozef trok op en omdat hij behoorde tot het
huis en geslacht van David, ging hij van Galilea, uit de stad Nazaret naar Judea:
naar de stad van David, Betlehem geheten, om zich te laten inschrijven, samen
met Maria zijn verloofde die zwanger was. Terwijl zij daar verbleven brak het
uur aan waarop zij moeder zou worden; zij bracht een zoon ter wereld, haar eerstgeborene.
Zij wikkelde Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe, omdat er voor hen
geen plaats was in de herberg. In de omgeving bevonden zich herders die in het
open veld gedurende de nacht hun kudde bewaakten. Plotseling stond een engel
des Heren voor hen en zij werden omstraald door de glorie des Heren zodat zij
door grote vrees werden bevangen. Maar de engel sprak tot hen: "Vreest
niet, want zie, ik verkondig u een vreugdevolle boodschap die bestemd is voor
heel het volk. Heden is u een Redder geboren, Christus de Heer, in de stad van
David. En dit zal voor u een teken zijn: gij zult het pasgeboren kind vinden
in doeken gewikkeld en liggend in een kribbe." Opeens voegde zich bij de
engel een hemelse heerschare, zij verheerlijkten God met de woorden: "Eer
aan God in den hoge en op aarde vrede onder de mensen in wie Hij welbehagen
heeft."
Marcus begint zijn evangelie met het optreden van Johannes (de Doper) en de doop van Jezus in de Jordaan , m.a.w. met het begin van Jezus'optreden . Lucas begint zijn evangelie niet met het optreden van Johannes en de doop van Jezus als begin van zijn openbaar optreden , maar met de ontvangenis en de geboorte van Johannes en van Jezus .
In feite bestaat Lc 2,1-20 uit twee verhalen . In de verzen
1—7 zijn Jozef en Maria de hoofdpersonages . Tengevolge van het besluit
van de volkstelling gaan zij naar Betlehem , waar hun kind Jezus wordt geboren
. In de verzen 8—20 zijn de herders het hoofdpersonage . Zij bevinden
zich in de omgeving van de geboorteplaats van Jezus . Dank zij de engelverschijning
gaan zij op zoek naar Jezus , vinden hem en erkennen hem als Redder . Deze twee
verhalen staan niet los van elkaar . Immers , het tweede verhaal (Lc 2,8—20)
vertelt het bezoek van de herders aan het kind ; tevens wordt in dit verhaal
de heilsbetekenis van het pasgeboren kind Jezus door de engel belicht .
We hebben dus twee verhalen , die in elkaar haken en samen een geheel vormen
, maar volgens sommigen bestaat Lc 2,1—20
uit een drieluik :
eerste luik : Lc 2,1-7 : de geboorte van Jezus .
tweee luik : Lc 2,8-14 : de engelverschijning .
derde luìk : Lc 2,15-20 : het antwoord van de herders .
Lc 2,1-7 : de geboorte van Jezus
VERHAALELEMENTEN
1. PERSONAGES
a. Hoofdpersonages : Maria en Jozef
Begintoestand : Jozef behoort tot het geslacht en het huis van David ; hij is
verloofd met Maria ; zij is zwanger . Ze wonen in een stad van Galilea , Nazaret.
Eindsituatie : ze verblijven in Betlehem . Maria baart er haar eerstgeborene
.
b. Augustus : keizer ; hij kan een decreet uitvaardigen voor
de hele wereld waardoor iedereen op weg gaat . Hij heet Augustus : de verhevene.
Door zijn decreet zullen Maria en Jozef van Nazaret naar Betlehem reizen . Er
gebeurt dus een verandering van plaats .
c. Quirinus: gouverneur van Syrië . Onder deze plaatselijke
overheid vindt de volkstelling plaats .
d. Het kind : het is de eerstgeborene van Maria en Jozef .
Het wordt in doeken gewikkeld en in een kribbe gelegd , want er is voor hen
geen plaats in de herberg .
2. PLAATSAANDUIDINGEN
a. Galilea , de stad Nazaret : de plaats waar Maria de boodschap
van de engel ontving (Lc 1,26) .
b. Judea : de plaats waar Maria op bezoek ging bij haar nicht
Elisabet .
De stad van David Betlehem : de plaats waar Jezus geboren is
.
Herberg : waar geen plaats is voor Maria , Jozef en Jezus .
Kribbe : de plaats waarin Jezus gelegd wordt .
3. TIJDSAANDUIDINGEN
a. In die dagen... een wijze van tijdsberekening .
b. Terwijl zìj daar waren , kwam de tijd dat ze moest bevallen
.
9 maanden na de boodschap .
6 maanden na de geboorte van Johannes , de Doper .
Jozef en Maria zijn de hoofdpersonages . Zoals we reeds uit het verhaal van
de aankondiging van de geboorte van Jezus (Lc 1,28-38) weten , behoort Jozef
tot het geslacht van David . Hij is verloofd met Maria . Zij wonen in een stad
van Galilea , Nazaret . Het zou reeds een verhaal op zich zijn , indien verteld
zou worden dat Maria er beviel van haar kind en dat Jezus er geboren werd .
Maar er is meer . Maria beviel niet in Nazaret , maar in Betlehem , de stad
van David , in Judea . Deze veranderde situatie wordt verduidelijkt in het verhaal
. Het vertelt dat keizer Augustus een besluit uitvaardigde om een volkstelling
te houden over heel zijn rijk en dat tengevolge daarvan Maria en Jozef naar
Betlehem gingen en aldaar verbleven , en dat tijdens die periode Jezus geboren
werd . Wanneer we het verhaal nader bekijken , bemerken me volgende structuur
:
v.1 : het besluit van de volkstelling : algemeen nl . ten tijde van keizer Augustus
.
v.2 : het besluit van de volkstelling : concreter nl . “toen Quirinius
goeverneur van Syrië was” .
v.3 : het gevolg van dit besluit : algemeen : “Allen gingen op weg om
zich te laten inschrijven, ieder in zijn eigen stad .”
v.4-5 : het gevolg van dit besluit voor Jozef en Maria : “Zo ook Jozef
; hij ging van de stad Nazaret in Galilea naar Judea , naar de stad van David
, Bethlehem genaamd , omdat hij uit het huis van David stamde .”
v.6-7 : de geboorte van Jezus .
BETEKENIS VAN HET VERHAAL
Volgens de evangelist Lucas past het besluit van de volkstelling van keizer
Augustus in het heilsplan van God . Immers , tengevolge van dat besluit zal
Jezus geboren worden in zijn vaderstad Betlehem , waaruit de koninklijke Messias
zou voortkomen . Zelfs de keizer staat in dienst van Gods heìlsplan ,
in concreto in dienst van Jezus , de Redder van het hele volk . Niet Augustus
is de Redder , maar Jezus .
De laatste zin van het eerste luik “omdat er voor hen geen plaats was
in de herberg” heeft een zeer geladen betekenis . Volgens de evangelist
Lucas is het leven van Jezus — vanaf het begin tot het einde — getekend
door de ervaring dat er voor Hem geen plaats was . Bij de geboorte van Jezus
zegt Lucas : “zij bracht haar zoon ter wereld , haar eerstgeborene , wikkelde
Hem in doeken en legde Hem neer in een kribbe” (Lc 2,7) . Bij de begrafenis
van Jezus schrijft Lucas : “ Na het lichaam van het kruis genomen te hebben
wikkelde hij het in een lijkwade . Vervolgens legde hij Hem in een graf , ..
.“ (Lc 23, 53) . Op parallelle wijze beschrijft Lucas dus het begin en
het einde van Jezus’ leven . In beide verhalen wordt Jezus in een doek
gewikkeld en neergelegd . In Betlehem is er geen plaats voor hen . In de herberg
waren de deuren (en de harten) voor Jozef en Maria en Jezus gesloten . Men was
in zichzelf opgesloten , men had genoeg aan zichzelf , men stond niet open voor
nieuwe dingen , men verwachtte niets nieuws , ook niet van een jonge moeder
die in verwachting was . Men gaf geen plaats , geen ruimte aan hen . Deze geslotenheid
typeert de a—religieuze houding nl . een houding die niets van buiten
, maar alles van zichzelf verwacht . Dezelfde houding wordt door de evangelist
Johannes op een heel eigen wijze verwoord in de zin : “En het licht schijnt
in de duisternis maar de duisternis nam het niet aan” (Joh 1,5) .
| Lc 2,1 - Lc 2,1 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat er een gebod
uitging van den Keizer Augustus, dat de gehele wereld beschreven zou worden.
King James Bible . And it came to pass in those days, that there went out a
decree from Caesar Augustus, that all the world should be taxed .
Luther-Bibel . 2 Und diese Schätzung war die allererste und geschah zur Zeit,
da Quirinius Statthalter in Syrien war.
Tekstanalyse van Lc 2,1 . Dit vers Lc 2,1 telt 15 (3 X 5) woorden en 92 (2 X 2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 2,1 is 6934 (2 X 3467) .
Lc 2,1.1.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen
van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) ,
een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van
zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc (69) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,2 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,13 . (5) Lc
2,15 . (6) Lc
2,42 . (7) Lc
2,46 . Egeneto komt in Lc
2,1-20 vijfmaal voor : (8) Lc
2,1 . (9) Lc
2,2 . (10) Lc
2,6 . (11) Lc
2,13 . (12) Lc
2,15 . In Lc
2,1 is het de achtste keer dat het in Lc voorkomt . Een vorm van ginomai
(worden, gebeuren) in Lc 2 in 7 verzen : Lc
2,15 (2X) .
Jozef en Maria woonden in Nazaret . Maria was zwanger . Normalerwijze zou Maria
in Nazaret bevallen . De beslissing van de keizer om een volkstelling te houden
brengt verandering in dit vooruitzicht . Egeneto (het gebeurde) leidt deze verandering
van situatie in . Keizer Augustus brengt deze verandering op gang .
Lc 2,1.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
| Lc 2,1 | Lc 2,2 | Lc 2,3 | Lc 2,4 | Lc 2,5 | Lc 2,6 | Lc 2,7 | Lc 2,8 | Lc 2,9 | Lc 2,10 | Lc 2,11 | Lc 2,12 | Lc 2,13 | Lc 2,14 | Lc 2,15 | Lc 2,16 | Lc 2,17 | Lc 2,18 | Lc 2,19 | Lc 2,20 | |
| de (echter) (5) | 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | |||||||||||||||
| kai (en) (11) | 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. | 10. | 11. |
Van de twintig verzen zijn vijf verzen met het partikel de (echter) en beginnen
elf verzen met kai (en) . Slechts vier verzen blijven over .
In Lc 2,1-20
komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,19 .
Tegenover de verwachtingen van Maria en Jozef over de geboorte van hun kind
in Nazaret komt de beslissing van keizer Augustus om een volkstelling te houden
. Hierdoor zal de bevalling niet in Nazaret plaatsvinden .
Lc 2,1.1. - 2. egeneto de (het gebeurde echter) is de vertaling van wajëhî (Tenach : 784) (en het gebeurde) . De letterlijke Griekse vertaling is : kai egeneto (LXX : 678) . In twintig verzen bij Lucas . In één vers in Lc 1 : (1) Lc 1,8 . In twee verzen in Lc 2 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 .
Lc 2,1.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,1.4. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 2 (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,47 .
Lc 2,1.5.
dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik
in het NT : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera
(dag) .
Lc (18) . (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,7 . (3) Lc
1,18 . (4) Lc
1,25 . (5) Lc
1,39 . (6) Lc
1,75 . (7) Lc
2,1 . (8) Lc
2,36 . (9) Lc
4,2 . (10) Lc
4,25 . (11) Lc
5,35 . (12) Lc
6,12 . (13) Lc
9,36 . (14) Lc
17,26 . (15) Lc
17,28 . (16) Lc
21,23 . (17) Lc
23,7 . (18) Lc
24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 2 in 9 verzen : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,36 . (6) Lc
2,37 . (7) Lc
2,43 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,46 .
Lc 2,1.3. - 5. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 . (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .
Lc 2,1.1.
- 5. egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in die dagen) . Lc (3) :
(1) Lc 1,5
. (2) Lc
17,26 . (3) Lc
17,28 .
- egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc
(1) : (2) Lc
2,1 . (2) Lc
6,12 .
- egeneto - de - en tais hèmerais (het gebeurde - echter - in de dagen)
. a. driemaal egeneto en... (het gebeurde in...) ; b. tweemaal egeneto de en
(het gebeurde echter in...) . (1) Lc
1,5 (a) . (2) Lc
2,1 (b) . (3) Lc
6,12 (b) . (4) Lc
17,26 (a) . (5) Lc
17,28 (a) . In de verzen met egeneto de (het gebeurde echter) staat na hèmerais
het aanwijzend voornaamwoord ekeinais (die) : Lc
2,1 (b) ; tautais (die) : Lc
6,12 (b) .
Lc 2,1.6.
aanwijzend voornaamw. datief vrouwelijk meervoud ekeinais (die) . Taalgebruik
in het NT : ekeinos
(die) . Taalgebruik in Lc : ekeinos
(die) .
Lc (5) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
4,2 . (3) Lc
5,35 . (4) Lc
9,36 . (5) Lc
21,23 . Dit is de enige vorm in Lc 2 .
Lc 2,1.3.
- 6. en tais hèmerais ekeinais (in die dagen) . Lc (2) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
4,2 . En ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . In Lc (3)
: (1) Lc
5,35 . (2) Lc
9,36 . (3) Lc
21,23 . In die dagen wordt in het Hebreeuws in twee woorden (bajjâmîm
hâhem) weergegeven : eerste woord : prefix be- + lidwoord ha + zelfstandig
naamwoord meervoud jamim ; tweede woord : bepaald lidwoord + aanwijzend voornaamwoord
derde persoon mannelijk en onzijdig meervoud als suffix . Deze constructie komt
in eenendertig verzen in de bijbel voor . In het Nederlands staat het aanwijzend
voornaamwoord vóór het zelfstandig naamwoord en is er geen lidwoord
.
In die dagen verwijst naar de zwangerschap van Maria .
Lc 2,1.1.
- 6. egeneto de en tais hèmerais ekeinais (het gebeurde echter in die
dagen) . In twee verzen in het NT : (1) Lc
2,1 . (2) Hnd
9,37 .
- kai egeneto en ekeinais tais hèmerais (en het gebeurde in die dagen) . In
het NT slechts in Mc
1,9 .
Het is de vertaling van het Hebreeuwse wajëhî bajjâmim hâhem
(en het gebeurde in die dagen) . In drie verzen in de bijbel : (1) Ex
2,11 . (2) Re 19,1 . (3) 1 S 28,1 .
- wajëhî bajjâmim hârabbîm hâhem (en het
gebeurde in die vele dagen) : Ex
2,23 . LXX . (1) Ex
2,11 : egeneto de en tais hèmerais tais pollais (onder invloed van
Ex 2,23)
ekeinais = het gebeurde echter in die vele dagen . (2) Re 19,1 : kai egeneto en tais hèmerais ekeinais = en het
gebeurde in die dagen . (3) 1 S 28,1 : kai egenethè en tais hèmerais ekeinais
= en het is gebeurd in die dagen . Tenslotte : Ex
2,23 : meta de tas hèmeras tas pollas ekeinas = na echter die vele
dagen (zie Ex
2,11) .
- Het begin van Lc
2,1 stemt sterk overeen met Lc
1,5 : egeneto en tais hèmerais = het gebeurde in de dagen van Herodes,
koning van Judea . In Lc
1,5 leidt het de beschrijving van de beginsituatie van Zacharias en Elisabeth
in , in Lc
2,1 leidt het de verandering van begin- naar eindsituatie in . Ten gevolge
van de registratie door keizer Augustus zal Maria niet in Nazaret , maar in
Bethlehem bevallen .
Lc 2,1.7.
indicatief aorist derde persoon enkelvoud exèlthen (ging uit) van het
werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Lc (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
4,14 . (3) Lc
4,35 . (4) Lc
5,27 . (5) Lc
7,17 . (6) Lc
8,5 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
17,29 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41)
, in Lc 2 (1) Lc
2,1 .
Lc 2,1.8.
nom. onz. enk. dogma (bevel, decreet) . Taalgebruik in het NT : dogma (bevel,
decreet) . Taalgebruik in Lc : dogma (bevel,
decreet) .
Lc (1) Lc
2,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 2,1.9.
para . Afkorting par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in NT : para
(langs) . Taalgebruik in Lc : para
(langs) .
Lc (20 + 8 = 28) . para in Lc (20) : (1) Lc
1,30 . (2) Lc
1,37 . (3) Lc
1,45 . (4) Lc
2,1 . (5) Lc
2,52 . (6) Lc
3,13 . (7) Lc
5,1 . (8) Lc
5,2 . (9) Lc
7,38 . (10) Lc
8,5 . (11) Lc
8,12 . (12) Lc
8,35 . (13) Lc
8,41 . (14) Lc
8,49 . (15) Lc
13,2 . (16) Lc
13,4 . (17) Lc
17,16 . (18) Lc
18,27 . (19) Lc
18,35 . (20) Lc
19,7 .
Lc 2,1.10.
gen. mann. enk. kaisaros van het zelfst. naamw. kaisar (keizer) . Taalgebruik
in het NT : kaisar
(keizer) . Taalgebruik in Lc : kaisar
(keizer) .
Lc (4) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
3,1 . (3) Lc
20,24 . (4) Lc
20,25 . Een vorm van kaisar (keizer) in Lc in 6 verzen : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
3,1 . (3) Lc
20,22 . (4) Lc
20,24 . (5) Lc
20,25 . (6) Lc
23,2 .
Lc 2,1.11. gen. mann. enk. augoustou van het zelfst. naamw. augoustus (Augustus) . Lc (1) Lc 2,1 .
Lc 2,1.12. inf. praes. apografesthai (zich laten opschrijven) van het werkw. apografomaii (afschrijven , zich laten opschrijven) . Taalgebruik in het NT : apografesthai (zich laten opschrijven) . Taalgebruik in Lc : apografesthai (zich laten opschrijven) . Lc (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,3 . Een vorm van apografomaii (afschrijven , zich laten opschrijven) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,3 . (3) Lc 2,5 .
Lc 2,1.13.
acc. vr. enk. pasan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik
in het NT : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas
(ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder
.
Lc (5) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
3,3 . (3) Lc
4,25 . (4) Lc
10,1 . (5) Lc
10,19 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 2 in 12 verzen : (1)
Lc 2,1
. (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,10 . (4) Lc
2,18 . (5) Lc
2,19 . (6) Lc
2,20 . (7) Lc
2,23 . (8) Lc
2,31 . (9) Lc
2,38 . (10) Lc
2,39 . (11) Lc
2,47 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,1.14.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 2 (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,16 . (6) Lc
2,34 . (7) Lc
2,35 . (8) Lc
2,39 .
Lc 2,1.15.
acc. vr. enk. oikoumenèn van het zelfst. naamw. oikoumenè (bewoonde
aarde, wereld) . Taalgebruik in het NT : oikoumenè
(bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in Lc : oikoumenè
(bewoonde aarde, wereld) .
Lc (1) Lc
2,1 . Een vorm van oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) in Lc in 3
verzen : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
4,5 . (3) Lc
21,26 .
| Lc 2,2 - Lc 2,2 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 Deze eerste beschrijving geschiedde, als Cyrenius over
Syrië stadhouder was.
King James Bible . [2] (And this taxing was first made when Cyrenius was governor
of Syria.)
Luther-Bibel . 2 Und diese Schätzung war die allererste und geschah zur Zeit,
da Quirinius Statthalter in Syrien war.
Tekstuitleg van Lc 2,2 .
4. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen
van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) ,
een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van
zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,2 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,13 . (5) Lc
2,15 . (6) Lc
2,42 . (7) Lc
2,46 .
6. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 2 (5) : (1) Lc
2,2 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,36 . (5) Lc
2,42 .
| Lc 2,3 - Lc 2,3 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk
naar zijn eigen stad.
King James Bible . [3] And all went to be taxed, every one into his own city.
Luther-Bibel . 3 Und jedermann ging, dass er sich schätzen ließe, ein jeder
in seine Stadt.
Tekstuitleg van Lc
2,3 . Het vers Lc
2,3 telt 9 (3 X 3) woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde
van Lc 2,3
is 4481 . Het vers Lc
2,3 is de reactie op het voorschrift van de keizer . In Mc
1,5 zien we een reactie op het optreden van Johannes de Doper . In Lc
2,3 zien we overeenkomsten met Mc
1,5 . In Mc
1,5 wordt gezegd : en heel de streek van Judea en alle inwoners van Jeruzalem
trokken uit naar hem en lieten zich dopen . Lc
2,3 zegt : en allen trokken op weg om zich te laten registreren .
Parallel met Mc
1,5 staat Mc
1,9 . In Mc
1,9 gaat Jezus van... om zich te laten dopen . Zo gebeurt het dan ook in
Lc 2,3
. In Lc
2,4 gaat Jozef van ... om zich te laten registreren .
Lc 2,3.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,3.2.
ind. imp. 3de p. mv. eporeuonto (zij begaven zich op weg) van het werkw. poreuomai
(zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r .
Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer
, doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng.
ford . Het woord behoort tot de groep van varen .
Lc (3) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,41 . (3) Lc
24,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc
(48) , in Lc 2 (2) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,41 .
Lc 2,3.3.
nom. mann. + vr. mv. pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk,
alles) . Taalgebruik in het NT : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas
(ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder
.
Lc (25) : (1) Lc
1,63 . (2) Lc
1,66 . (3) Lc
2,3 . (4) Lc
2,18 . (5) Lc
2,47 . (6) Lc
4,22 . (7) Lc
4,26 . (8) Lc
6,26 . (9) Lc
8,40 . (10) Lc
8,52 . (11) Lc
9,17 . (12) Lc
9,43 . (13) Lc
13,3 . (14) Lc
13,5 . (15) Lc
13,17 . (16) Lc
13,27 . (17) Lc
14,18 . (18) Lc
14,29 . (19) Lc
15,1 . (20) Lc
19,7 . (21) Lc
20,38 . (22) Lc
21,4 . (23) Lc
22,70 . (24) Lc
23,48 . (25) Lc
23,49 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 2 in 12 verzen : (1)
Lc 2,1
. (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,10 . (4) Lc
2,18 . (5) Lc
2,19 . (6) Lc
2,20 . (7) Lc
2,23 . (8) Lc
2,31 . (9) Lc
2,38 . (10) Lc
2,39 . (11) Lc
2,47 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,3.6.
eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 2 (12) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,27 . (6) Lc
2,28 . (7) Lc
2,32 . (8) Lc
2,34 . (9) Lc
2,39 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,45 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,3.7.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (149) . Lc 2 (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,16 . (6) Lc
2,34 . (7) Lc
2,35 . (8) Lc
2,39 .
Lc 2,3.9.
acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in NT
: polis
(stad) . Taalgebruik in Lc : polis
(stad) .
Lc (17) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
1,39 . (3) Lc
2,3 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,39 . (6) Lc
4,31 . (7) Lc
7,11 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,4 . (10) Lc
8,34 . (11) Lc
8,39 . (12) Lc
9,10 . (13) Lc
10,1 . (14) Lc
10,8 . (15) Lc
10,10 . (16) Lc
19,41 . (17) Lc
22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .
| Lc 2,4 - Lc 2,4 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En Jozef ging ook op van Galilea, uit de stad Nazareth,
naar Judea, tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt, (omdat hij uit
het huis en geslacht van David was);
King James Bible . [4] And Joseph also went up from Galilee, out of the city
of Nazareth, into Judaea, unto the city of David, which is called Bethlehem;
(because he was of the house and lineage of David:)
Luther-Bibel . 4 Da machte sich auf auch Josef aus Galiläa, aus der Stadt
Nazareth, in das jüdische Land zur Stadt Davids, die da heißt Bethlehem, weil
er aus dem Hause und Geschlechte Davids war,
Tekstanalyse van Lc 2,4 . Het vers Lc 2,4 telt 28 (2 X 2 X 7) woorden en 128 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Lc 2,4 is 9202 (2 X 43 X 107) .
Lc 2,4.1.
act. ind. aor. 3de pers. enk. anebè (hij klom naar boven) van het werkw.
anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het
NT : anabainô
(beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô
(beklimmen) .
Lc (3) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
9,28 . (3) Lc
19,4 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen)
in Lc in 9 verzen : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,42 . (3) Lc
5,19 . (4) Lc
9,28 . (5) Lc
18,10 . (6) Lc
18,31 . (7) Lc
19,4 . (8) Lc
19,28 . (9) Lc
24,38 .
Lc 2,4.2.
Lc 2,1.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage
of situatie in de zin aan te duiden .
In Lc
2,1-20 komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,19 .
Lc 2,4.3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,4.4.
iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf
(Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf
(Jozef) .
Lc (8) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
3,23 . (5) Lc
3,24 . (6) Lc
3,30 . (7) Lc
4,22 . (8) Lc
23,50 .
Lc 2,4.5.
apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 2 (2 + 1 = 3) . apo in Lc 2 (2) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,36 . ap' in Lc (1) Lc
2,15 .
Lc 2,4.6.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (109) . Lc 2 (5) : (1) Lc
2,2 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,36 . (5) Lc
2,42 .
Lc 2,4.7.
gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het NT : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Lc (10) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
3,1 . (4) Lc
4,31 . (5) Lc
5,17 . (6) Lc
8,26 . (7) Lc
17,11 . (8) Lc
23,5 . (9) Lc
23,49 . (10) Lc
23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,39 . (4) Lc
3,1 . (5) Lc
4,14 . (6) Lc
4,31 . (7) Lc
5,17 . (8) Lc
8,26 . (9) Lc
17,11 . (10) Lc
23,5 . (11) Lc
23,49 . (12) Lc
23,55 . (13) Lc
24,6 .
Lc 2,4.5. - 7. apo tès galilaias (van Galilea) . Lc (3) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 23,5 . (3) Lc 23,49 .
Lc 2,4.8.
ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek
(uit) . Taalgebruik in Lc : ek
(uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 2 (3 + 1 = 4) . ek (3) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,35 . (3) Lc
2,36 . ex (1) Lc
2,4 .
Lc 2,4.9.
gen. vr. enk. poleôs (van de stad) van het zelfst. naamw. polis (stad)
. Taalgebruik in het NT : polis
(stad) . Taalgebruik in Lc : polis
(stad) .
Lc (8) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
4,29 . (3) Lc
7,12 . (4) Lc
8,27 . (5) Lc
9,5 . (6) Lc
10,11 . (7) Lc
14,21 . (8) Lc
23,51 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 37 verzen . In Lc 2 (4) : (1)
Lc 2,3
. (2) Lc
2,4 (2 vormen) . (3) Lc
2,11 . (4) Lc
2,39 . In Lc 1 - 2 is er 7X een vorm van polis (stad) .
Lc 2,4.8. - 9. ek poleôs (uit een stad) . Lc (1) Lc 2,4 . ek tès poleôs (uit de stad) . Lc (2) : (1) Lc 8,27 . (2) Lc 10,11 .
Lc 2,4.10.
nazaret of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in het NT : nazaret
of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in Lc : nazaret
of nazareth (Nazareth) .
Lc (4) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,39 . (4) Lc
2,51 .
Lc 2,4.11.
eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis
(naar) . Taalgebruik in Lc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 2 (12) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,27 . (6) Lc
2,28 . (7) Lc
2,32 . (8) Lc
2,34 . (9) Lc
2,39 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,45 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,4.12.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (149) . Lc 2 (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,16 . (6) Lc
2,34 . (7) Lc
2,35 . (8) Lc
2,39 .
Lc 2,4.13.
acc. vr. enk. ioudaian van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea) . Taalgebruik
in het NT : ioudaia
(Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia
(Judea) .
Lc (1) : Lc
2,4 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,65 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
3,1 . (5) Lc
4,44 . (6) Lc
5,17 . (7) Lc
6,17 . (8) Lc
7,17 . (9) Lc
21,21 . (10) Lc
23,5 .
Lc 2,4.14.
eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis
(naar) . Taalgebruik in Lc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 2 (12) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,27 . (6) Lc
2,28 . (7) Lc
2,32 . (8) Lc
2,34 . (9) Lc
2,39 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,45 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,4.15.
acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in NT
: polis
(stad) . Taalgebruik in Lc : polis
(stad) .
Lc (17) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
1,39 . (3) Lc
2,3 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,39 . (6) Lc
4,31 . (7) Lc
7,11 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,4 . (10) Lc
8,34 . (11) Lc
8,39 . (12) Lc
9,10 . (13) Lc
10,1 . (14) Lc
10,8 . (15) Lc
10,10 . (16) Lc
19,41 . (17) Lc
22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen . In Lc 2 (4) : (1)
Lc 2,3
. (2) Lc
2,4 (2 vormen) . (3) Lc
2,11 . (4) Lc
2,39 . In Lc 1 - 2 is er 7X een vorm van polis (stad) .
Lc 2,4.14. - 15. eis polin (naar een stad) . Lc (7) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 2,39 . (5) Lc 7,11 . (6) Lc 8,34 . (7) Lc 22,10 .
Lc 2,4.16.
dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid
(David) . Taalgebruik in Mc : dauid
(David) .
Lc (12) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
1,32 . (3) Lc
1,69 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
3,31 . (7) Lc
6,3 . (8) Lc
18,38 . (9) Lc
18,39 . (10) Lc
20,41 . (11) Lc
20,42 . (12) Lc
20,44 .
Lc 2,4.17. betrekk. voornaamw. nom. vr. enk. hètis . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (8) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 7,37 . (4) Lc 7,39 . (5) Lc 8,26 . (6) Lc 8,43 . (7) Lc 10,42 . (8) Lc 12,1 .
Lc 2,4.19.
bethleem (Betlehem) . Taalgebruik in het NT : bethleem
(Betlehem) . Taalgebruik in Lc : bethleem
(Betlehem) .
Lc (2) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,15 .
Lc 2,4.23.
pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers.
voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord
autos .
Lc (184) . Lc 2 (9) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,25 . (6) Lc
2,44 . (7) Lc
2,45 . (8) Lc
2,46 . (9) Lc
2,48 .
Lc 2,4.24.
ek of ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek
(uit) . Taalgebruik in Lc : ek
(uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 2 (3 + 1 = 4) . ek (3) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,35 . (3) Lc
2,36 . ex (1) Lc
2,4 .
Lc 2,4.26. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,4.28.
dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid
(David) . Taalgebruik in Mc : dauid
(David) .
Lc (12) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
1,32 . (3) Lc
1,69 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
3,31 . (7) Lc
6,3 . (8) Lc
18,38 . (9) Lc
18,39 . (10) Lc
20,41 . (11) Lc
20,42 . (12) Lc
20,44 .
Lc 2,4.34.
gen. mann. enk. oikou van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in
het NT : oikos
(huis) . Taalgebruik in Lc : oikos
(huis) .
Lc (3) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
11,51 .
Lc 2,4.33. - 34. 37. ex oikou (...) dauid (uit een huis van David) in Lc (2) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . en oikô(i) dauid (in een huis van David) : Lc 1,69 .
| Lc 2,5 - Lc 2,5 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 Om beschreven te worden met Maria, zijn ondertrouwde
vrouw, welke bevrucht was.
King James Bible . [5] To be taxed with Mary his espoused wife, being great
with child.
Luther-Bibel . 5 damit er sich schätzen ließe mit Maria, seinem vertrauten
Weibe; die war schwanger.
Tekstuitleg van Lc 2,5 .
1. inf. aor. apograpsasthai (zich laten opschrijven) van het werkw. apografomaii (afschrijven , zich laten opschrijven) . Taalgebruik in het NT : apografesthai (zich laten opschrijven) . Taalgebruik in Lc : apografesthai (zich laten opschrijven) . Lc (1) Lc 2,5 . Een vorm van apografomaii (afschrijven , zich laten opschrijven) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,3 . (3) Lc 2,5 .
2. sun (met) . Taalgebruik in het NT : sun
(met) . Taalgebruik in Lc : sun
(met) .
Lc (23) : (1) Lc
1,56 . (2) Lc
2,5 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
5,9 . (5) Lc
5,19 . (6) Lc
7,6 . (7) Lc
7,12 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,38 . (10) Lc
8,51 . (11) Lc
9,32 . (12) Lc
19,23 . (13) Lc
20,1 . (14) Lc
22,14 . (15) Lc
22,56 . (16) Lc
23,11 . (17) Lc
23,32 . (18) Lc
24,10 . (19) Lc
24,21 . (20) Lc
24,24 . (21) Lc
24,29 . (22) Lc
24,33 . (23) Lc
24,44 .
Lc 2,5.3.
mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam
(Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam
(Maria) .
Lc (13) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
1,30 . (3) Lc
1,34 . (4) Lc
1,38 . (5) Lc
1,39 . (6) Lc
1,46 . (7) Lc
1,56 . (8) Lc
2,5 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,19 . (11) Lc
2,34 . (12) Lc
10,39 . (13) Lc
10,42 .
Lc 2,5.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (119) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,5 . (2) Lc
2,8 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
2,19 . (5) Lc
2,21 . (6) Lc
2,38 . (7) Lc
2,41 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,47 . (10) Lc
2,51 . (11) Lc
2,52 .
Lc 2,5.5.
pass. part. perf. dat. vr. enk emnèsteumenè(i) (verloofd) van
het werkw. mnèsteuô (verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik
in het NT : mnèsteuô
(verloven, ten huwelijk geven) . Taalgebruik in Lc : mnèsteuô
(verloven, ten huwelijk geven) .
Lc (1) Lc
2,5 . Deze vorm komt in de bijbel slechts hier in Lc
1,27 voor . Een vorm van mnèsteuô (verloven, ten huwelijk
geven) in Lc in 2 verzen : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
2,5 .
| Lc 2,6 - Lc 2,6 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En het geschiedde, als zij daar waren, dat de dagen vervuld
werden, dat zij baren zoude.
King James Bible . [6] And so it was, that, while they were there, the days
were accomplished that she should be delivered.
Luther-Bibel . 6 Und als sie dort waren, kam die Zeit, dass sie gebären sollte.
Tekstanalyse van Lc 2,6 . Het vers Lc 2,6 telt 13 woorden en 61 tellers . De getalwaarde van Lc 2,6 is 5764 (2 X 2 X 2 X 3 X 241) . De beginsituatie van het verhaal (Lc 2,1-7) is gekend . Jozef en Maria verblijven in Nazaret . Maria is zwanger . Als er niets onverwachts gebeurt , zal Maria in Nazaret bevallen . Daar duikt echter het besluit van keizer Augustus op om zich te laten registreren , ieder in zijn eigen stad . Bijgevolg moeten Jozef en Maria naar Betlehem afreizen . Lc 2,6 luidt de eindsituatie in . Het ene brengt het andere mee . We zagen dat het egeneto van Lc 1,23 de verandering van het verhaal van Lc 1,5-25 omsluit . Zowel in Lc 1,23 als in Lc 2,6 is er sprake over : dagen van... waren vervuld : in het ene geval de dienst , in het andere geval : om hem te baren .
Lc 2,6.1.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de
dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende)
, een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis
van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,2 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,13 . (5) Lc
2,15 . (6) Lc
2,42 . (7) Lc
2,46 .
Lucas gebruikt egeneto ( het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : .Lc
1,65 .
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding
+ onderwerp : Lc
1,5 .
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord
: Lc 1,59
; Lc 2,1
.
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin
+ hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc
1,8 .
Lc 2,6.1.
egeneto ... en tôi + infinitief (terwijl zij daar waren) . Taalgebruik
: ginomai
(gebeuren, worden, ontstaan) , zie Lc
1,5 , Mc
1,4 en Mc
16,1 .
De zinsconstructie van Lc 1,8 zien we terugkomen in Lc
2,6 .
De beginsituatie van het verhaal (Lc 2,1-7) is gekend . Jozef en Maria verblijven
in Nazaret . Maria is zwanger . Als er niets onverwachts gebeurt , zal Maria
in Nazaret bevallen . Daar duikt echter het besluit van keizer Augustus op
om zich te laten registreren , ieder in zijn eigen stad . Bijgevolg moeten
Jozef en Maria naar Betlehem afreizen . Lc
2,6 luidt de eindsituatie in . Het ene brengt het andere mee . We zagen
dat het egeneto van Lc
1,23 de verandering van het verhaal van Lc
1,5-25 omsluit . Zowel in Lc
1,23 als in Lc
2,6 is er sprake over : dagen van... waren vervuld : in het ene geval
de dienst , in het andere geval : om hem te baren .
Lc 2,6.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage
of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . In Lc
2,1-20 komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,19 .
Lc 2,6.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,6.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 .
Lc 2,6.8.
passief indicatief aorist derde persoon meervoud eplèthèsan
(zij werden vervuld) van het werkw. pimplèmi (vullen) . Taalgebruik
in het NT : pimplèmi
(vullen) . Taalgebruik in Lc : pimplèmi
(vullen) .
In zeven verzen bij Lucas . In vier verzen ervan heeft de vervulling te maken
met de tijd ; in de andere drie verzen heeft het te maken met gevoelens .
.
(1) Lc
1,23 (kai egeneto hôs eplèsthèsan hai hèmerai
tès leitourgias autou = en het gebeurde zodra de dagen van zijn dienst)
.
(2) Lc
2,6 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren
bereikt om...) .
(3) Lc
2,21 (eplèsthèsan hèmerai oktô tou = de acht
dagen waren bereikt om ...) .
(4) Lc
2,22 (eplèsthèsan hai hèmerai tou = de dagen waren
bereikt van ...) .
(5) Lc
4,28 (eplèsthèsan pantes thumou = allen werden vervuld van
woede) .
(6) Lc
5,26 (eplèsthèsan fobou = zij werden vervuld van vrees)
.
(7) Lc
6,11 (autoi de eplèsthèsan avoias = deze echter werden vervuld
van onbegrip) .
Een vorm van pimplèmi (vullen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc
1,15 . (2) Lc
1,23 . (3) Lc
1,41 . (4) Lc
1,57 . (5) Lc
1,67 . (6) Lc
2,6 . (7) Lc
2,21 . (8) Lc
2,22 . (9) Lc
4,28 . (10) Lc
5,7 . (11) Lc
5,26 . (12) Lc
6,11 . (13) Lc
21,22 .
Lc 2,6.10.
nom. vr. mv. hèmerai van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik
in het NT : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera
(dag) .
Lc (12) : (1) Lc
1,23 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
5,35 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
13,14 . (8) Lc
17,22 . (9) Lc
19,43 . (10) Lc
21,6 . (11) Lc
21,22 . (12) Lc
23,29 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 2 in 9 verzen : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,36 . (6) Lc
2,37 . (7) Lc
2,43 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,46 .
Lc 2,6.8. - 10. eplèsthèsan hai hèmerai (de dagen werden vervuld) . Lc (3) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,22 . Zie ook Lc 2,21 : eplèsthèsan hèmerai oktô (de acht dagen waren vervuld) .
Lc 2,6.11.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (272) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,6 . (2) Lc
2,17 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,24 . (6) Lc
2,25 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,27 . (9) Lc
2,37 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,49 .
Lc 2,6.12.
act. inf. aor. tekein van het werkw. tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik
in het NT : tiktô
(baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô
(baren) .
Lc (2) : (1) Lc
1,57 . (2) Lc
2,6 . Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc
1,31 . (2) Lc
1,57 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,7 . (5) Lc
2,11 .
Lc 2,6.13.
pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. vr. enk. autèn (haar) van het
pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord
autos .
Lc (25) : (1) Lc
1,28 . (2) Lc
1,57 . (3) Lc
1,61 . (4) Lc
2,6 . (5) Lc
4,6 . (6) Lc
4,39 . (7) Lc
6,48 . (8) Lc
7,13 . (9) Lc
8,52 . (10) Lc
9,24 . (11) Lc
11,32 . (12) Lc
13,7 . (13) Lc
13,8 . (14) Lc
13,9 . (15) Lc
13,12 . (16) Lc
13,18 . (17) Lc
13,34 . (18) Lc
16,16 . (19) Lc
17,33 . (20) Lc
18,5 . (21) Lc
18,17 . (22) Lc
19,41 . (23) Lc
20,31 . (24) Lc
20,33 . (25) Lc
21,21 .
Lc 2,6.8.
- 13. de tijd om te bevallen (Rebekka - Elisabeth - Maria) .
- Gn 25,24
: kai eplèrôthèsan hai hèmerai tou tekein autèn
(en de dagen werden vol dat zij zou bevallen) .
- Lc
1,57 : eplèsthè ho chronos tou tekein autèn (de tijd
werd vervuld dat zij zou bevallen) .
- Lc 2,6
: eplèsthèsan hai hèmerai tou tekein autèn (de
dagen werden vervuld dat zij zou bevallen) .
Betekenis van Lc 2,6 .
Als Lc 2,1-6 een fictief verhaal is , waarom kiest Lucas dan voor de registratie . Literair zijn er met Mc 1,4-9 heel wat gelijkenissen . In Marcus gaat de massa en ook Jezus naar Johannes de Doper om zich te laten dopen , om zich vrijwillig aan te sluiten bij de gemeenschap van Johannes . In Lc 2,1-6 wordt het toebehoren tot het Romeinse Rijk bepaald door de registratie op bevel van de keizer . Het ene kies je zelf , het andere onderga je vanwege een bevel .
6.7. Lc 2,7 : de geboorte van Jezus
| Lc 2,7 - Lc 2,7 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in
doeken, en leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats
was in de herberg.
King James Bible . And she brought forth her firstborn son, and wrapped him
in swaddling clothes, and laid him in a manger; because there was no room
for them in the inn.
Luther-Bibel . 7 Und sie gebar ihren ersten Sohn und wickelte ihn in Windeln
und legte ihn in eine Krippe; denn sie hatten sonst keinen Raum in der Herberge.
Tekstuitleg van Lc 2,7 . Dit vers Lc 2,7 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 117 (11 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 2,7 is 14078 (2 X 7039) .
Lc 2,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,7.2.
act. ind. aor. 3de pers. enk eteken (zij baarde) van het werkw. tiktô
(baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô
(baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô
(baren) .
Lc (1) Lc
2,7 . Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc
1,31 . (2) Lc
1,57 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,7 . (5) Lc
2,11 .
Lc 2,7.3.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
4. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik
in het NT : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) . Taalgebruik in Lc : huios
(zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (15) : (1) Lc
1,13 . (2) Lc
1,31 . (3) Lc
1,36 . (4) Lc
1,57 . (5) Lc
2,7 . (6) Lc
3,2 . (7) Lc
9,22 . (8) Lc
9,38 . (9) Lc
9,41 . (10) Lc
12,10 . (11) Lc
20,13 . (12) Lc
20,41 . (13) Lc
21,27 . (14) Lc
22,48 . (15) Lc
24,7 .
Lc 2,7.6.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die ,
das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam)
.
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
Lc 2,7.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,7.9.
act. ind. aor. 3de pers. enk. esparganôsen (zij wikkelde in) van het
werkw. sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in het NT : sparganoô
(inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in Lc : sparganoô
(inwikkelen, bakeren) . Ned. inwikkelen , Fr. envelloper (avec des langes)
, langer , emmailloter - maillot = luier) , Lat. involvere .
Lc (1) Lc
2,7 . Een vorm van sparganoô (inwikkelen, bakeren) in Lc in 2 verzen
: (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 .
Lc 2,7.10.
pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers.
voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord
autos .
Lc (184) . Lc 2 (9) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,25 . (6) Lc
2,44 . (7) Lc
2,45 . (8) Lc
2,46 . (9) Lc
2,48 .
Lc 2,7.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,7.12.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. aneklinen (zij legde - omhoog - neer) van
het werkw. anaklinô (omhoog houden, neerleggen) . Taalgebruik in het
NT : anaklinô
(omhoog houden, neerleggen) . Taalgebruik in Lc : anaklinô
(omhoog houden, neerleggen) .
Lc (1) Lc
2,7 . Een vorm van anaklinô (omhoog houden, neerleggen) in Lc in
3 verzen : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
12,37 . (3) Lc
13,29 .
Lc 2,7.13.
pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers.
voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord
autos .
Lc (184) . Lc 2 (9) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,25 . (6) Lc
2,44 . (7) Lc
2,45 . (8) Lc
2,46 . (9) Lc
2,48 .
Lc 2,7.14.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,7.15.
dat. vr. enk. fatnè(i) van het zelfst. naamw. fatnè (krib, ruif)
. Taalgebruik in het NT : fatnè
(krib, ruif) . Taalgebruik in Lc : fatnè
(krib, ruif) .
Lc (3) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . Een vorm van fatnè (krib, ruif) in Lc in 4 verzen : (1)
Lc 2,7
. (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
13,15 .
Lc 2,7.14. - 15. en fatnè(i) = in een krib, voederbak . Lc (3) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,12 . (3) Lc 2,16 .
Lc 2,7.16.
dioti (omdat) . Taalgebruik in het NT : dioti
(omdat) . Taalgebruik in Lc : dioti
(omdat) .
Lc (3) : (1) Lc
1,13 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
21,28 .
Lc 2,7.17. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 2 (1 + 4 = 5) : ou . Lc (84) . Lc 2 (1) Lc 2,50 . ouk . Lc (92) . Lc 2 (4) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,49 .
Lc 2,7.18. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 2 (7) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,25 . (3) Lc 2,26 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 2,36 . (6) Lc 2,40 . (7) Lc 2,51 .
Lc 2,7.19. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 2 (6) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,9 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,50 . (6) Lc 2,51 .
Lc 2,7.17. - 19. ouk èn autois (er was niet aan hen = zij hadden niet) . Lc (2) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 2,7 .
Lc 2,7.21.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
- aneklinen . In deze vorm enig in de bijbel.
Er is een opmerkelijke gelijkenis tussen Lc 2,7 en Lc 23,53. In Lc 23,53 redigeert Lucas de gegevens van Marcus (Mc 15,46) . Kribbe en graf zijn parallel. Betrekken we er nog Lc 2,12.16 en Lc 24,3.5 erbij dan zien we dat het gaat om geboorte en verrijzenis (wedergeboorte).
| Mc 15,42 | Mt 27,60 | Lc 23,53 | Lc 2,7 | Lc 2,12 | Lc 2,16 | Lc 24,3 | Lc 24,5 |
| kai (en) agorasas (gekocht) sindona (een linnen doek) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | heurèsete brefos (jij zult vinden een kind) | kai aneuran... to brefos (en zij vonden... en het kind) | ouch heuron to sôma tou kuriou Ièsou (zij vonden niet het lichaam van de heer Jezus) | ti zèteite ton zônta meta tôn nekrôn (wat zoek jij de levende bij de doden) |
| kathelôn (afgenomen) auton (hem) | labôn (genomen) to sôma (het lichaam) ho Iôsèf (Jozef) | kathelôn (afgenomen) | |||||
| eneilèsen (wikkelde) tèi sindoni (in het linnen) | enetuliksen (wikkelde in) auto (het) (en) sindoni katharai (in) (zuiver linnen) | enetuliksen (wikkelde in) auto (het) sindoni (in linnen) | esparganôsen (wikkelde in doeken) auton (hem) | esparganômenon (in doeken gewikkeld) | |||
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |||
| katethijken (legde neer) | ethijken (legde) | ethijken (legde) | aneklinen (legde neer) | keimenon (liggend) | keimenon (liggend) | ||
| auton (hem) | auto (het) | auton (hem) | auton (hem) | ||||
| en (in) | en tooi kainooi autou (in zijn nieuw) | en (in) | en (in) | en (in) | en (in) | ||
| mnijmati (het graf) | mnijmeiooi (graf) | mnijmati (het graf) | fatniji (een kribbe) | fatniji (een kribbe) | tiji fatniji (de kribbe) | ||
| ho ijn lelatomijmenon ek petras (dat in de rots was uitgehouwen) | ho elatijsen en tiji petrai (dat hij uitgehouwen had in de rots) | lakseutooi, hou ouk ijn oudeis oupoo keimenos (uitgehouwen, waar niemand nog nooit had gelegen) | dioti ouk iujn autois topos en tooi katalumati (omdat er niet was voor hen een plaats in de herberg) | ouk estin hoode (hij is niet hier) | |||
| 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a | 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a | 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 // Mt 27,57-61 // Lc 23,50-56a | 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 |
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 |
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 |
6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 |
351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12 |
Lc 2,8-20
De antitypen van de stedelingen zijn de herders. Zij staan open voor de boodschap.
Zij geloven erin en handelen ernaar. Zij zien de uiterlijke tekens, maar blijven
niet bij het uiterlijke staan: de kleinheid, de armoede en de schamelheid
van een pasgeboren kind. Zij zien de heilsbetekenis van dit kind. De herders
zijn het type van de religieuze mens. Zij staan open en zijn ontvankelijk.
Zij erkennen hun eigen kleinheid en beperktheid. Zij hebben niet genoeg aan
zichzelf, maar durven verwachten. Zij durven gewone gebeurtenissen vanuit
Gods heilsplan zien. Voor hen hebben gewone gebeurtenissen een gelovige betekenis.
Wij leven niet in een cultuur waarin engelen als bovenaardse wezens een bepaalde
functie vervullen. In het Nieuwe Testament is er sprake van engelen, maar
reeds daar wordt een boodschap door een engel als een literaire stijlfiguur
aangewend. Deze literaire stijlfiguur wil de gelovige betekenis van een gebeuren
duidelijk maken. Door het binnenbrengen van een engelverschijning in het verhaal
wil de evangelist Lucas aanduiden dat het feit van de geboorte van Jezus een
gelovige betekenis heeft die erin bestaat dat Jezus de langverwachte redding
zal brengen, de hoop op heil zal vervullen. Met dit geloofsgetuigenis grijpt
de evangelist Lukas vooruit op wat de gelovige ervaring van Jezus door zijn
volgelingen zal zijn, of anders uitgedrukt: dit geboorteverhaal is geschreven
vanuit de gelovige ervaring in de gestorven en verrezen Jezus.
WAARDEN VAN HET VERHAAL
We hebben hier te maken met de ervaring van de geboorte van een kind. In deze
ervaring worden mensen zich bewust dat een kind geen louter vrucht is van mensenwerk;
het hele gebeuren overstijgt hen; naast hun inzet en zorg zijn zij overtuigd
van het geschenkkarakter: “wij hebben een kindje gekregen.” Bij
de geboorte van een kind ervaren mensen zeer sterk het mysterie. Het kind wordt
ervaren als vrucht van de wederzijdse liefde tussen man en vrouw; in dezelfde
lijn wordt het mysterie ervaren als een liefdevolle aanwezigheid.
De uiteindelijke oorsprong van de mens ligt bij God; van Jezus wordt gezegd
dat Hij uit de hemel is neergedaald. De uiteindelijke bestemming ligt eveneens
bij God; van Jezus wordt gezegd dat Hij opgeklommen is ten hemel. Heel het mensenbestaan
wordt omvat door het grote mysterie.
Iedere geboorte houdt een belofte, een boodschap in, hoe de uiterlijke omstandigheden
ook mogen zijn. Meer zien dan het uiterlijke, meer zien dan een onbeholpen kind
in een arme stal bij ouders die onderweg zijn is pas echt zien.
| Lc 2,8 - Lc 2,8 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende
in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde.
King James Bible . [8] And there were in the same country shepherds abiding
in the field, keeping watch over their flock by night.
Luther-Bibel . 8 Und es waren Hirten in derselben Gegend auf dem Felde bei den
Hürden, die hüteten des Nachts ihre Herde.
Tekstanalyse van Lc 2,8 .
Lc 2,8.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,8.2.
nom. mann. mv. poimenes (herders) van het zelfst. naamw. poimèn (herder)
. Taalgebruik in het NT : poimèn
(herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn
(herder) .
Lc (3) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,15 . (3) Lc
2,20 . In Lc komt in 4 verzen een vorm van poimèn (herder) voor ,
en dat slechts in het geboorteverhaal (Lc 2,8-20) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,15 . (3) Lc
2,18 . (4) Lc
2,20 .
Lc 2,8.3.
act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw.
eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Lc (22) : (1) Lc
1,6 . (2) Lc
1,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
4,20 . (5) Lc
4,25 . (6) Lc
4,27 . (7) Lc
5,10 . (8) Lc
5,17 . (9) Lc
5,29 . (10) Lc
7,41 . (11) Lc
8,2 . (12) Lc
8,40 . (13) Lc
9,14 . (14) Lc
9,30 . (15) Lc
9,32 . (16) Lc
14,1 . (17) Lc
15,1 . (18) Lc
20,29 . (19) Lc
23,55 . (20) Lc
24,10 . (21) Lc
24,13 . (22) Lc
24,53 .
Lc 2,8.4.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,8.5.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,5 . (2) Lc
2,8 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
2,19 . (5) Lc
2,21 . (6) Lc
2,38 . (7) Lc
2,41 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,47 . (10) Lc
2,51 . (11) Lc
2,52 .
Lc 2,8.7.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,5 . (2) Lc
2,8 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
2,19 . (5) Lc
2,21 . (6) Lc
2,38 . (7) Lc
2,41 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,47 . (10) Lc
2,51 . (11) Lc
2,52 .
Lc 2,8.9.
act. ind. praes. nom. mann. mv. agraulountes (in de vrije natuur verblijvend)
van het werkw. agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven) .
Taalgebruik in het NT : agrauleô
(op het land, in de vrije natuur verblijven) . Gr. agros (akker, land, veld)
. L. ager ( landbouw : agricola) . Ned. akker .
Lc (1) : Lc
2,8 . Deze vorm van agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven)
in Lc slechts in dit vers , ook de enigste vorm in het NT .
10. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,8-20 telt twintig verzen . Negen van de dertien verzen beginnen met kai
(en) . Twee verzen hebben de (echter) als tweede woord : (1) Lc
2,17 . (2) Lc
2,19 . Verzen die noch met kai (en) noch met de (echter) beginnen zijn :
(1) Lc
2,11 . (2) Lc
2,14 . Door de aaneenschakeling van het voegwoord kai (en) : en... en...
komt Lc 2,8-20 over als een mondeling verhalende tekst .
13. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 2 (5) : (1) Lc
2,2 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,36 . (5) Lc
2,42 .
15. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 2 (5 + 2 = 7) . epi (5) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,14 . (3) Lc
2,20 . (4) Lc
2,33 . (5) Lc
2,47 . ep' (2) : (1) Lc
2,25 . (2) Lc
2,40 .
16. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 2 (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,16 . (6) Lc
2,34 . (7) Lc
2,35 . (8) Lc
2,39 .
- aulizô : in de bin
| Lc 2,9 - Lc 2,9 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid
des Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. schilderij van Gebr.
Van Limburg: Verkondiging aan de herders
King James Bible . And, lo, the angel of the Lord came upon them, and the glory
of the Lord shone round about them: and they were sore afraid .
Luther-Bibel . 9 Und der Engel des Herrn trat zu ihnen, und die Klarheit des
Herrn leuchtete um sie; und sie fürchteten sich sehr.
Tekstanalyse van Lc
2,9 . Dit vers Lc
2,9 telt 15 (3 X 5) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van
Lc 2,9
is 8644 (2 X 2 X 2161) . (volgens sommige handschriften : kai idou aggelos kuriou
= en zie een engel van de Heer) . Het vers bestaat uit drie nevenschikkende
zinnen . De eerste twee zinnen zijn parallel opgebouwd en bestaan elk uit 5
woorden :
(1) Lc 2,9
: kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou epestè
autois kai doxa kuriou perielampsen autous (en een engel van de Heer stond bij
hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde hen) .
(2) Hnd
12,7 : kai idou aggelos kuriou epestè kai fôs elampsen en ...
(en zie een engel van de Heer stond erbij en een licht straalde in ...) .
Lc 2,9.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20
: (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,8-20 telt twintig verzen . Negen van de dertien verzen beginnen met kai
(en) . Twee verzen hebben de (echter) als tweede woord : (1) Lc
2,17 . (2) Lc
2,19 . Verzen die noch met kai (en) noch met de (echter) beginnen zijn :
(1) Lc
2,11 . (2) Lc
2,14 . Door de aaneenschakeling van het voegwoord kai (en) : en... en...
komt Lc 2,8-20 over als een mondeling verhalende tekst .
Lc 2,9.2.
nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Lc (10) : (1) Lc
1,11 . (2) Lc
1,13 . (3) Lc
1,19 . (4) Lc
1,26 . (5) Lc
1,30 . (6) Lc
1,35 . (7) Lc
1,38 . (8) Lc
2,9 . (9) Lc
2,10 . (10) Lc
22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 2 in 5 verzen : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
2,15 . (5) Lc
2,21 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de
verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan
zes verzen in de gen. mv. .
Lc 2,9.3. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . Lc 2 : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,23 . (3) Lc 2,24 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 2,39 . Een vorm van kurios (heer) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,11 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 2,22 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 2,24 . (7) Lc 2,26 . (8) Lc 2,39 . In Lc 2,9 komt de gen. kuriou (van JHWH / Adonaij / de Heer) op de derde plaats in de eerste en tweede parallel opgebouwde nevenschikkende zin . In de eerste zin is een gen. bij aggelos (engel) , in de tweede zin bij doxa (heerlijkheid)
Lc 2,9.2.
- 3. aggelos kuriou (de engel van de Heer) . Lc (2) :
(1) Lc
1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = een engel van
de Heer echter verscheen hem . Zie Lc
22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = een engel
uit de hemel echter verscheen hem .
(2) Lc 2,9
: kai (volgens sommige handschriften : idou = zie) aggelos kuriou = en (zie)
een engel van de Heer . epestè autois kai doxa kuriou perielampsen autous
(en een engel van de Heer stond bij hen en de heerlijkheid van de Heer omstraalde
hen) . Zie Hnd
12,7 : kai idou aggelos kuriou epestè kai fôs elampsen en ...
(en zie een engel van de Heer stond er en een licht straalde in ...) .
Lc 2,9.4.
act. ind. aorist derde persoon enkelvoud epestè (hij stond bij) van het
werkwoord efistèmi (staan bij) . efistèmi (staan bij) . Taalgebruik
in het NT : efistèmi
(staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi
(staan bij) .
Lc (1) Lc
2,9 . Een vorm van efistèmi (staan bij) in Lc in 7 verzen : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,38 . (3) Lc
4,39 . (4) Lc
10,40 . (5) Lc
20,1 . (6) Lc
21,34 . (7) Lc
24,4 .
In twee verzen in het NT : (1) Lc
2,9 : kai aggelos kuriou epestè autois kai doxa kuriou perielampsen
autous (en een engel van de Heer stond bij hen en de heerlijkheid van de Heer
omstraalde hen) . (2) Hnd
12,7 : kai idou aggelos kuriou epestè kai fôs elampsen en ...
(en zie een engel van de Heer stond erbij en een licht straalde in ...) .
Lc 2,9.5. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 2 (6) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,9 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,50 . (6) Lc 2,51 .
Lc 2,9.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20
: (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,8-20 telt twintig verzen . Negen van de dertien verzen beginnen met kai
(en) . Twee verzen hebben de (echter) als tweede woord : (1) Lc
2,17 . (2) Lc
2,19 . Verzen die noch met kai (en) noch met de (echter) beginnen zijn :
(1) Lc
2,11 . (2) Lc
2,14 . Door de aaneenschakeling van het voegwoord kai (en) : en... en...
komt Lc 2,8-20 over als een mondeling verhalende tekst .
Lc 2,9.7. nom. vr. enk. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (4) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 14,10 . (4) Lc 19,38 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .
Lc 2,9.7.
- 8. doxa kuriou (de heerlijkheid van de Heer) . In het NT slechts in dit
vers . Hebr. këbhôd JHWH (heerlijkheid van JHWH)
of 6. - 8. kai doxa kuriou (en de heerlijkheid van de Heer) . Hebr. ûkhëbhôd
JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) .
Lc 2,9.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20
: (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,8-20 telt twintig verzen . Negen van de dertien verzen beginnen met kai
(en) . Twee verzen hebben de (echter) als tweede woord : (1) Lc
2,17 . (2) Lc
2,19 . Verzen die noch met kai (en) noch met de (echter) beginnen zijn :
(1) Lc
2,11 . (2) Lc
2,14 . Door de aaneenschakeling van het voegwoord kai (en) : en... en...
komt Lc 2,8-20 over als een mondeling verhalende tekst .
Lc 2,9.12.
ind. aor. 3de pers. mv. efobèthèsan (zij vreesden) van het werkw.
fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT
: fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (4) : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
8,35 . (3) Lc
9,34 . (4) Lc
20,19 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
in Lc in 21 verzen , Lc 2 (2) : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 .
Lc 2,9.13. acc. mann. enk. fobon (vrees, fobie) van het zelfst. naamw. fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in het NT : fobos (vrees, fobie) . Taalgebruik in Lc : fobos (vrees, fobie) . Lc (1) Lc 2,9 . Een vorm van fobos (vrees, fobie) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,9 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 8,37 . (7) Lc 21,26 .
Lc 2,9.14.
acc. mann. enk. megan van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in
het NT : megas
(groot) . Taalgebruik in Lc : megas
(groot) .
Lc (1) Lc
2,9 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 2 (2) : (1)
Lc 2,9
. (2) Lc
2,10 .
Lc 2,9.11. - 14. kai efobèthèsan (en zij vreesden) fobon megan (een grote vrees) . Lc (1) Lc 2,9 .
| Lc 2,10 - Lc 2,10 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En de engel zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik
verkondig u grote blijdschap, die al den volke wezen zal;
King James Bible . [10] And the angel said unto them, Fear not: for, behold,
I bring you good tidings of great joy, which shall be to all people.
Luther-Bibel . 10 Und der Engel sprach zu ihnen: Fürchtet euch nicht! Siehe,
ich verkündige euch große Freude, die allem Volk widerfahren wird;
Tekstuitleg van Lc 2,10 . Het vers Lc 2,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 2,10 is 8381 (17 X 17 X 29) .
Lc 2,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,10.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 2 (6) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,9 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 2,17 . (5) Lc 2,50 . (6) Lc 2,51 .
Lc 2,10.5.
nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Lc (10) : (1) Lc
1,11 . (2) Lc
1,13 . (3) Lc
1,19 . (4) Lc
1,26 . (5) Lc
1,30 . (6) Lc
1,35 . (7) Lc
1,38 . (8) Lc
2,9 . (9) Lc
2,10 . (10) Lc
22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 2 in 5 verzen : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
2,15 . (5) Lc
2,21 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de
verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan
zes verzen in de gen. mv. .
Lc 2,10.1. - 2. 4. - 5. Van de tien verzen in het Lucasevangelie waarin ho aggelos (de engel) onderwerp is , is er slechts 1 vers met eipen de (hij echter zei) nl. Lc 1,13 (eipen de pros auton ho aggelos = de engel echter zei tot hem) en 2 verzen beginnen met kai eipen (en hij zei) : (1) Lc 1,30 (kai eipen ho aggelos autè(i) = en de engel zei haar) . (2) Lc 2,10 (kai eipen autois ho aggelos = en de engel zei hen) .
Lc 2,10.7.
ind. + imperat. praes. 2de pers. mv. fobeisthe (vreest) van het werkw.
fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT
: fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (2) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
12,7 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
in Lc in 21 verzen , Lc 2 (2) : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 .
Lc 2,10.8.
idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou
(zie) . Taalgebruik in Lc : idou
(zie) .
Lc (55) . Lc 2 (4) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
2,25 . (3) Lc
2,34 . (4) Lc
2,48 .
Lc 2,10.9.
gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar
(want) . Taalgebruik in Lc : gar
(want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc (1) Lc
2,10 .
Lc 2,10.8. - 9. idou gar (want zie) . Lc (5) : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 1,48 . (3) Lc 2,10 . (4) Lc 6,23 . (5) Lc 17,21 .
Lc 2,10.10. ind. praes. 1ste p. enk. euaggelizomai (ik breng een goede boodschap) van het werkw. euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in Lc : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Lc (1) Lc 2,10 . Een vorm van euaggelizomai (goede boodschap brengen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 3,18 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,43 . (6) Lc 7,22 . (7) Lc 8,1 . (8) Lc 9,6 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 20,1 .
Lc 2,10.11. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk voornaamwoord . Lc (90) . Lc 2 (3) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 2,11 . (3) Lc 2,12 .
Lc 2,10.12. acc. vr. enk. charan van het zelfst. naamw. chara (vreugde) . Taalgebruik in het NT : chara (vreugde) . Taalgebruik in Lc . : chara (vreugde) . Taalgebruik in Hnd. : chara (vreugde) . Taalgebruik in Brieven : chara (vreugde) . Taalgebruik in de Septuaginta : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) . L. gaudium . Fr. joie . E. joy . Ned. vreugde . D. Freude . zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . Lc (1) Lc 2,10 . Een vorm van chara (vreugde) .in Lc in 8 verzen : (1) Lc 1,14 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 10,17 . (5) Lc 15,7 . (6) Lc 15,10 . (7) Lc 24,41 . (8) Lc 24,52 . In Lc : 3 vormen van chara (vreugde) in 8 verzen in 6 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van chara (vreugde) in 4 verzen in 4 / 28 hoofdstukken .
Lc 2,10.13.
acc. vr. enk. megalèn van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik
in het NT : megas
(groot) . Taalgebruik in Lc : megas
(groot) .
Lc (2) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
5,29 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 2 (2) : (1)
Lc 2,9
. (2) Lc
2,10 .
12. - 13. Een vorm van chara (vreugde) gecombineerd met een vorm van het bijvoegl. naamw. megas (groot) in Lc in 2 / 8 verzen : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 24,52 .
Lc 2,10.14.
betrekk. voornaamw. nom. vr. enk. hètis . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk
voornaamwoord .
Lc (8) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,10 . (3) Lc
7,37 . (4) Lc
7,39 . (5) Lc
8,26 . (6) Lc
8,43 . (7) Lc
10,42 . (8) Lc
12,1 .
Lc 2,10.18.
dat. mann. enk. laô(i) van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik
in het NT : laos
(volk) . Taalgebruik in Lc : laos
(volk) .
Lc (4) : (1) Lc
1,68 . (2) Lc
1,77 . (3) Lc
2,10 . (4) Lc
21,23 . Een vorm van laos (volk) in Lc (37) , in Lc 2 (3) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
2,31 . (3) Lc
2,32 .
In het eerste deel van de lofzang van Zacharia (Lc 1,68-75) in Lc
1,68 bracht God verlossing voor zijn volk , in het tweede deel - het toekomstdeel
(Lc 1,76-79) zal Johannes kennis van redding brengen aan het volk van JHWH (Lc
1,77) .
| Lc 2,11 - Lc 2,11 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 Namelijk dat u heden geboren is de Zaligmaker, welke is
Christus, de Heere, in de stad Davids.
King James Bible . [11] For unto you is born this day in the city of David a
Saviour, which is Christ the Lord.
Luther-Bibel . 11 denn euch ist heute der Heiland geboren, welcher ist Christus,
der Herr, in der Stadt Davids.
Tekstuitleg van Lc 2,11 . Het vers Lc 5,39 telt 12 (2² X 3) woorden en 56 (2³ X 7) letters . De getalwaarde van Lc 5,39 is 7024 (2² X 2² X 439) .
Lc 2,11.1.
hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti
(dat, omdat) .
Lc (160) . Lc 2 (4) : (1) Lc
2,11 . (2) Lc
2,23 . (3) Lc
2,30 . (4) Lc
2,49 .
Lc 2,11.2. pass. ind. aor. 3de pers enk. etechthè (hij werd geboren) van het werkw. tiktô (baren, bevallen) . Taalgebruik in het NT : tiktô (baren) . Taalgebruik in Lc : tiktô (baren) . Lc (1) Lc 2,11 . Een vorm van tiktô (baren) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,31 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 2,7 . (5) Lc 2,11
3. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers.
voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Lc (90) . Lc 2 (3) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
2,11 . (3) Lc
2,12 .
Lc 2,11.5.
nom. mann. enk. sôtèr (redder) . Taalgebruik in het NT : sôtèr
(redder) . Taalgebruik in Lc : sôtèr
(redder) . Taalgebruik in de LXX : sôtèr
(redder) . Hebr. môsjî`a (de reddende) : act. part. hifil nom.
mann. enk. van het werkw. jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik
in Tenach : jâsja`
(redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10
, sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19)
. Structuur : 1 - 3 - 7 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . Jakob (Gn
25,26) . ja`äqobh (Jakob) . Getalwaarde : jod = 10 , ajin = 16 of 70
, qoph = 19 of 100 , beth = 2 ; totaal : 47 OF 182 (7 X 26) . Structuur : 1 - 7 - 1 - 2 . In al deze gevallen is de getalwaarde van de elementen 11 . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur
. Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . N. heiland . D. Heiland
. Arabisch : najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Koran : najada (redden, helpen) . Hebr. môsjî`a (de reddende) is heel nauw verwant wat letters betreft
: mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach
(zalven) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 248 (2³ X 31) . Structuur : 4 - 2 - 8 . (mâsjîach = gezalfde, messias, G. christos
= Christus) . Tenakh (17) : (1) Dt 22,27 . (2) Dt 28,29 . (3) Dt 28,31 . (4) Re 3,9 . (5) Re 3,15 . (6) Re 6,36 . (7) Re 12,3 . (8) 1 S 10,19 . (9) 1 S 11,3 . (10) 2 K 13,5 . (11) Js 19,20 . (12) Js 43,11 .
(13) Js 45,15 . (14) Zach
8,7 . (15) Ps 7,11 . (16) Ps 17,7 . (17) Ps 18,42 . Gr. sôtèr (redder) . Bijbel (18) : (1) 1 S 10,19 . (2) Js 12,2 . (3) Js 45,15 . (4) Js 45,21 . (5) Js 62,11 . (6) Ps 25,5 . (7) Ps 27,1 . (8) Ps
27,9 . (9) Ps 62,3 . (10) Ps 62,7 . (11) Ps 65,6 . (12) Ps 79,9 . (13) Jdt 9,11 . (14) 1 Mak 4,30 . (15) Lc
2,11 . (16) Joh
4,42 . (17) Ef 5,23 . (18) 1
Tim 4,10 .
- Een vorm van sôtèria (redding) in Lc in 4 verzen : (1) Lc
1,69 . (2) Lc
1,71 . (3) Lc
1,77 . (4) Lc
19,9 , in de LXX (160) , in het NT (45) .
- Een vorm van sôzô (redden, verlossen) in Lc (17) , in de LXX (363)
, in het NT (106) .
- Een vorm van sôtèr in Lc (2) : (1) Lc
1,47 . (2) Lc
2,11 , in de LXX (41) , in het NT (24) .
- Een vorm van sôtèrion (redding) in Lc (2) : (1) Lc
2,30 . (2) Lc
3,6 , in de LXX (135) , in het NT (4) .
| sôtèr (redder) (enk.) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. sôtèr | 18 | 14 | 4 | 1 | 1 | 2 | 1 | 2 | 2 |
Lc 2,11.8. nom. mann. enk. christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het NT : christos (Christus) . Taalgebruik in de LXX : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Bijbel (118) . OT (8) . NT (110) . Lc (5) : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in het OT (50) , in het NT (529) , in Lc (12) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 2,26 (+) . (3) Lc 3,15 (+) . (4) Lc 4,41 (+) . (5) Lc 9,20 (+) . (6) Lc 20,41 (+) . (7) Lc 22,67 (+) . (8) Lc 23,2 (-) . (9) Lc 23,35 (+) . (10) Lc 23,39 (+) . (11) Lc 24,26 (+) . (12) Lc 24,46 (+) . In Lc : 2 vormen van christos (gezalfde, Christus) in 12 verzen in 8 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 28 verzen in 16 hoofdstukken . Hebr. m-sj-j-ch . Tenakh (11) : (1) 1 S 24,7 . (2) 1 S 24,11 . (3) 1 S 26,16 . (4) 2 S 1,14 . (5) 2 S 1,16 . (6) 2 S 1,21 . (7) 2 S 19,22 . (8) 2 S 23,1 . (9) Kl 4,20 . (10) Da 9,25 . (11) Da 9,26 .
| christos (Christus) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. christos | 118 | 8 | 110 | 8 | 5 | 5 | 15 | 4 | 73 | 0 | 18 | 33 |
Lc 2,11.10.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,11.12. dauid (David) . Taalgebruik in het NT : dauid (David) . Taalgebruik in de LXX : dauid (David) . Bijbel (957) . OT (903) . NT (54) . Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 . Hebr. dâwid (David) . Taalgebruik in Tenakh : dâwid (David) . Getalwaarde : daleth = 4 , waw = 6 ; totaal : 14 (2 X 7) . Structuur : 4 - 6 - 4 . Tenakh (509) . Pentateuch (0) . Eerdere Profeten (476) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (11) . Arabisch : dâwud (Dawud) . Taalgebruik in de Koran : dâwud (Dawud) .
| Lc 2,12 - Lc 2,12 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden
in doeken gewonden, en liggende in de kribbe.
King James Bible . [12] And this shall be a sign unto you; Ye shall find the
babe wrapped in swaddling clothes, lying in a manger.
Luther-Bibel . 12 Und das habt zum Zeichen: Ihr werdet finden das Kind in Windeln
gewickelt und in einer Krippe liegen.
Tekstuitleg van Lc 2,12 . Het vers Lc 2,12 telt 12 (2² X 3) woorden en 68 (4 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 2,12 is 7271 (11 X 661) .
Lc 2,12.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,12.3.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Lc (90) . Lc 2 (3) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
2,11 . (3) Lc
2,12 .
Lc 2,12.5.
nom. + acc. onz. enk. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het NT : sèmeion
(teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion
(teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen .
Lc (7) : (1) Lc
2,12 . (2) Lc
2,34 . (3) Lc
11,16 . (4) Lc
11,29 . (5) Lc
11,30 . (6) Lc
21,7 . (7) Lc
23,8 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc
2,12 . (2) Lc
2,34 . (3) Lc
11,16 . (4) Lc
11,29 . (5) Lc
11,30 . (6) Lc
21,7 . (7) Lc
21,11 . (8) Lc
21,25 . (9) Lc
23,8 .
Lc 2,12.6. act. ind. fut. 2de pers. mv. heurèsete (mâtsâ´thèm) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Hnd : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in de Septuaginta : heuriskô (vinden) . Hebr. mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik in Tenach : mâtsâ´ (vinden) . Lat. invenire . Fr. trouver . Du latin populaire *tropare (« composer, inventer un air » d’où « composer un poème », puis « inventer, découvrir »), dérivé de tropus (« figure de rhétorique » ? voir trope). Website : http://fr.wiktionary.org/wiki/trouver . Ned. vinden . D. finden . E. to find . Lc (3) : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 11,9 . (3) Lc 19,30 .Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , in Lc 2 in 3 verzen : (1) Lc 2,12 . (1) Lc 2,45 . (1) Lc 2,46 . In Lc : 17 vormen in 18 / 24 hoofdstukken en 45 verzen . In Hnd : X vormen in 17 hoofdstukken en 33 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in de LXX (613) , in het NT (176) . Driemaal jullie zullen vinden . Jullie zullen een kindje vinden dat in doeken is gewikkeld en in een kribbe ligt (Lc 2,12) . Zoekt en jullie zullen vinden (Lc 11,9) . Jullie zullen een vastgebonden ezelin vinden waarop geen mens ooit zat (Lc 19,30) . Aan de belofte in Lc 2,12 en Lc 19,30 verwachten we de vervulling . En dat is ook zo . In Lc 2,16.lezen we :aneuran (zij vonden) en in Lc 19,32 heuron (zij vonden) .
Lc 2,12.7. nom. + acc. onz. enk. brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . Een vorm van brefos (ongeboren vrucht, jong kind) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . (5) Lc 18,15 .
Lc 2,12.8.
pass. part. perf. acc. onz. enk. esparganomenon (gewikkeld in) van het werkw.
sparganoô (inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in het NT : sparganoô
(inwikkelen, bakeren) . Taalgebruik in Lc : sparganoô
(inwikkelen, bakeren) . Ned. inwikkelen , Fr. envelloper (avec des langes)
, langer , emmailloter - maillot = luier) , Lat. involvere .
Lc (1) Lc
2,12 . Een vorm van sparganoô (inwikkelen, bakeren) in Lc in 2 verzen
: (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 .
Lc 2,12.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,12.11.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,12.12.
dat. vr. enk. fatnè(i) van het zelfst. naamw. fatnè (krib, ruif)
. Taalgebruik in het NT : fatnè
(krib, ruif) . Taalgebruik in Lc : fatnè
(krib, ruif) .
Lc (3) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . Een vorm van fatnè (krib, ruif) in Lc in 4 verzen : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
13,15 .
Lc 2,12.11. - 12. en fatnè(i) = in een krib, voederbak . Lc (3) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,12 . (3) Lc 2,16 .
| Lc 2,13 - Lc 2,13 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En van stonde aan was er met den engel een menigte des
hemelsen heirlegers, prijzende God en zeggende:
King James Bible . 13 Und alsbald war da bei dem Engel die Menge der himmlischen
Heerscharen, die lobten Gott und sprachen:
Tekstuitleg van Lc 2,13 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,13.3.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen
van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) ,
een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van
zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,2 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,13 . (5) Lc
2,15 . (6) Lc
2,42 . (7) Lc
2,46 .
Lucas gebruikt egeneto ( het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : .Lc
1,65 .
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding
+ onderwerp : Lc
1,5 .
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord
: Lc 1,59
; Lc 2,1
.
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin +
hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc
1,8 .
Lc 2,13.4.
sun (met) . Taalgebruik in het NT : sun
(met) . Taalgebruik in Lc : sun
(met) .
Lc (23) : (1) Lc
1,56 . (2) Lc
2,5 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
5,9 . (5) Lc
5,19 . (6) Lc
7,6 . (7) Lc
7,12 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,38 . (10) Lc
8,51 . (11) Lc
9,32 . (12) Lc
19,23 . (13) Lc
20,1 . (14) Lc
22,14 . (15) Lc
22,56 . (16) Lc
23,11 . (17) Lc
23,32 . (18) Lc
24,10 . (19) Lc
24,21 . (20) Lc
24,24 . (21) Lc
24,29 . (22) Lc
24,33 . (23) Lc
24,44 .
Lc 2,13.6.
dat. mann. enk. aggelô(i) (engel) van het zelfst. naamw. aggelos (engel)
. . Taalgebruik in het NT : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Lc (1) : Lc
2,13 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 2 in 5 verzen : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
2,15 . (5) Lc
2,21 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de
verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan
zes verzen in de gen. mv. .
7. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in
het NT : plèthos
(menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos
(menigte, veelheid) .
Lc (8) : (1) Lc
1,10 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
5,6 . (4) Lc
6,17 . (5) Lc
8,37 . (6) Lc
19,37 . (7) Lc
23,1 . (8) Lc
23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .
9.
10. act. part. praes. gen. mann. mv. ainountes (prijzend) van het werkw. aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : aineô (loven, prijzen) . In twee verzen in het NT : (1) Lc 2,13 . Een vorm van aineô (loven, prijzen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 . In Lc : 2 vormen in 2 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 2,13.11.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
| Lc 2,14 - Lc 2,14 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde,
in de mensen een welbehagen.
King James Bible . [14] Glory to God in the highest, and on earth peace, good
will toward men.
Luther-Bibel . 14 Ehre sei Gott in der Höhe und Friede auf Erden bei den Menschen
seines Wohlgefallens.
Tekstuitleg van Lc 2,14 . Het vers Lc 2,14 telt 11 woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 2,14 is 5307 (3 X 29 X 61) .
Lc 2,14.1. nom. vr. enk. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Mc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (4) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 14,10 . (4) Lc 19,38 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .
Lc 2,14.2. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .
Lc 2,14.3. dat. mann. + onz. mv. hupsistois van het bijvoegl. naamw. hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in het NT : hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in Lc : hupsistos (allerhoogste) . Lc (2) : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 19,38 . Een vorm van hupsistos (allerhoogste) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 2,14 . (5) Lc 6,35 . (6) Lc 8,28 . (7) Lc 19,38 . In Lc : 2 vormen in 5 hoofdstukken en 7 verzen .
Lc 2,14.1. - 3. doxa en hupsostois (heerlijkheid in de hoge) . Lc (2) (1) Lc 2,14 . (2) Lc 19,38 .
Lc 2,14.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,14.7.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 2 (5 + 2 = 7) . epi (5) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,14 . (3) Lc
2,20 . (4) Lc
2,33 . (5) Lc
2,47 . ep' (2) : (1) Lc
2,25 . (2) Lc
2,40 .
Lc 2,14.9. nom. + dat.vr. enk. erirènè(i) van het zelfst. naamw. eirènè (vrede) . Taalgebruik in het NT : eirènè (vrede) . Taalgebruik in Lc : eirènè (vrede) . Lc (7) : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 2,29 . (3) Lc 10,5 . (4) Lc 10,6 . (5) Lc 11,21 . (6) Lc 19,38 . (7) Lc 24,36 . Een vorm van eirènè (vrede) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,29 . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 . (6) Lc 10,5 . (7) Lc 10,6 . (8) Lc 11,21 . (9) Lc 12,51 . (10) Lc 14,32 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 19,42 . (13) Lc 24,36 . In Lc : 3 vormen in 10 hoofdstukken en 13 verzen .
Lc 2,14.10. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .
- eudokia (welwillendheid,
goedgunstigheid) . Taalgebruik : eudokia
(welwillendheid, goedgunstigheid) , zie Lc
2,14 . eudechomai : wel-ontvangen, goed onthalen. In 14 verzen in de bijbel;
in 11 verzen in het O.T., in 3 verzen in het NT
--- eudokias : Genitief enkelvoud of accusatief meervoud. In 6 verzen in de
bijbel, in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het NT
| Lc 2,15 - Lc 2,15 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And it came to pass, as the angels were gone away
from them into heaven, the shepherds said one to another, Let us now go even
unto Bethlehem, and see this thing which is come to pass, which the Lord hath
made known unto us.
Luther-Bibel . 15 Und als die Engel von ihnen gen Himmel fuhren, sprachen die
Hirten untereinander: Lasst uns nun gehen nach Bethlehem und die Geschichte
sehen, die da geschehen ist, die uns der Herr kundgetan hat.
Tekstuitleg van Lc 2,15 . Het vers Lc 2,15 telt 35 (5 X 7) woorden en 159 (3 X 53) letters . De getalwaarde van Lc 2,15 is 15842 (2 X 89²) .
Lc 2,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,15.2.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen
van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) ,
een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van
zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen .
Lc (69) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,2 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,13 . (5) Lc
2,15 . (6) Lc
2,42 . (7) Lc
2,46 .
Lucas gebruikt egeneto ( het gebeurde) op verschillende wijzen :
1. ... egeneto ... (het gebeurde) + onderwerp : .Lc
1,65 .
2. een variante van voorgaande : ... egeneto ... (het gebeurde) + tijdsaanduiding
+ onderwerp : Lc
1,5 .
3 . ... egeneto ... (het gebeurde) , gevolgd door een tijdsaanduiding + hoofdwerkwoord
: Lc 1,59
; Lc 2,1
.
4. ... egeneto ... (het gebeurde) + en tôi (in het) + infinitiefzin +
hoofdwerkwoord . In tweeëntwintig verzen bij Lucas : Lc
1,8 .
Lc 2,15.2. - 3. egeneto hôs (het gebeurde toen) . Lc (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 19,29 .
Lc 2,15.5.
apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc 73 + 32 + 9 = 114) . Lc 2 (2 + 1 = 3) . apo in Lc 2 (2) : (1) Lc
2,4 . (2) Lc
2,36 . ap' in Lc (1) Lc
2,15 .
Lc 2,15.7.
eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis
(naar) . Taalgebruik in Lc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Lc (210) . Lc 2 (12) : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,27 . (6) Lc
2,28 . (7) Lc
2,32 . (8) Lc
2,34 . (9) Lc
2,39 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,45 . (12) Lc
2,51 .
Lc 2,15.8.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
Lc 2,15.9.
acc. mann. enk. ouranon van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik
in het NT : ouranos
(hemel) . Taalgebruik in Lc : ouranos
(hemel) .
Lc (9) : (1) Lc
2,15 . (2) Lc
3,21 . (3) Lc
9,16 . (4) Lc
15,18 . (5) Lc
15,21 . (6) Lc
16,17 . (7) Lc
17,24 . (8) Lc
18,13 . (9) Lc
24,51 . Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen , in Lc 2 in 2 verzen
: (1) Lc
2,13 . (2) Lc
2,15 . In Lc : 6 vormen in 19 hoofdstukken en 36 verzen .
Lc 2,15.7. - 9. eis ton ouranon (naar de hemel) . Lc (6 / 9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 15,18 . (4) Lc 15,21 . (5) Lc 18,13 . (6) Lc 24,51 .
Lc 2,15.10.
nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,15 . (2) Lc
2,18 . (3) Lc
2,20 . (4) Lc
2,30 . (5) Lc
2,41 . (6) Lc
2,43 . (7) Lc
2,47 .
Lc 2,15.11.
nom. mann. mv. aggeloi (engelen) van het zelfst. naamw. aggelos (engel) . .
Taalgebruik in het NT : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Lc (1) : Lc
2,15 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc 2 in 5 verzen : (1) Lc
2,9 . (2) Lc
2,10 . (3) Lc
2,13 . (4) Lc
2,15 . (5) Lc
2,21 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen .
In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen in de
verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen , waarvan
zes verzen in de gen. mv. .
Lc 2,15.13. nom. mann. mv. poimenes (herders) van het zelfst. naamw. poimèn (herder) . Taalgebruik in het NT : poimèn (herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn (herder) . Lc (3) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,20 . In Lc komt in 4 verzen een vorm van poimèn (herder) voor , en dat slechts in het geboorteverhaal (Lc 2,8-20) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,20 .
Lc 2,15.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,15.32. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . hèmin . Lc (22) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,2 . (3) Lc 1,73 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,48 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 7,5 . (8) Lc 7,16 . (9) Lc 9,13 . (10) Lc 10,11 . (11) Lc 10,17 . (12) Lc 11,3 . (13) Lc 11,4 . (14) Lc 13,25 . (15) Lc 17,5 . (16) Lc 20,2 . (17) Lc 20,28 . (18) Lc 22,8 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 23,18 . (21) Lc 24,24 . (22) Lc 24,32 .
| Lc 2,16 - Lc 2,16 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And they came with haste, and found Mary, and Joseph,
and the babe lying in a manger.
Luther-Bibel . 16 Und sie kamen eilend und fanden beide, Maria und Josef, dazu
das Kind in der Krippe liegen.
Tekstuitleg van Lc 2,16 . Het vers Lc 2,16 telt 18 (2 X 3²) woorden en 80 (2² X 2² X 5) letters . De getalwaarde van Lc 2,16 is 7940 (2² X 5 X 397) .
Lc 2,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc 2,3 . (2) Lc 2,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,13 . (8) Lc 2,15 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,18 . (11) Lc 2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,16.2.
ind. 2de aor. 3de pers. mv. èlthan (zij kwamen) van het werkw. erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Lc (1) Lc
2,16 . Deze tweede aorist komt slechts éénmaal voor in Lc
. De herders gingen naar de plaats waar het kind werd geboren en Maria het in
doeken gewikkeld in een krib had gelegd . De gelijkenis met het verrijzenisverhaal
verlengt de gelijkenis tussen de krib - de herders en het graf - de vrouwen
. De vrouwen gingen (èlthon = zij gingen ; 1ste aor.) naar het graf .
Ze gingen zodra ze konden (Lc
24,1) . De herders gingen zich haasten .
- ind. aor. 3de pers. mv. èlthon (zij gingen) van het werkw. erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai
(gaan, komen) .
Lc (11) : (1) Lc
1,59 . (2) Lc
2,44 . (3) Lc
3,12 . (4) Lc
4,42 . (5) Lc
5,7 . (6) Lc
6,18 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
12,49 . (9) Lc
23,33 . (10) Lc
24,1 . (11) Lc
24,23 .
Lc 2,16.3. act. part. aor. nom. mann. mv. speusantes (gehaast) van het werkw. speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in het NT : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Taalgebruik in Lc : speudô of spoudazô (spoed maken, spoeden) . Lc (1) Lc 2,16 . Dit is de enigste vorm in het NT . Het is opvallend dat dit participium na het hoofdwerkw. staat . Mogen we misschien vertalen : zij gingen zich haasten . Maria ging met spoed haar nicht Elisabeth bezoeken (Lc 1,39) . De reactie van het kind van Elisabeth en Elisabeth zelf bevestigen wat de engel over Maria gezegd heeft .
Lc 2,16.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc 2,3 . (2) Lc 2,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 2,9 . (5) Lc 2,10 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,13 . (8) Lc 2,15 . (9) Lc 2,16 . (10) Lc 2,18 . (11) Lc 2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,16.5.
act. ind. aor. 3de pers. mv. aneuran (zij vonden) van het werkw. aneuriskô
(vinden, ontdekken) . Taalgebruik in het NT : aneuriskô
(vinden, ontdekken) . Taalgebruik in Lc : aneuriskô
(vinden, ontdekken) . Waarom het gebruik van het voorzetsel ana (omhoog,
her-) ?
Lc (1) Lc
2,16 . Dit is de enigste vorm van aneuriskô (vinden, ontdekken) in
Lc . Deze vorm komt in de bijbel slechts hier in Lc
2,16 . De herders gingen zich haasten en vonden Maria en Jozef en het kind
in doeken gewikkeld en liggend in de kribbe . De vrouwen gingen naar het graf
en vonden de weggerolde steen maar het lichaam van Jezus vonden zij niet (Lc
24,2 - Lc
24,3) . Geboorte en graf omsluiten het leven van Jezus , maar met het graf
eindigt het verhaal van Jezus niet , het gaat verder .
Lc 2,16.6.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 2 (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,3 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,16 . (6) Lc
2,34 . (7) Lc
2,35 . (8) Lc
2,39 . In 2 / 11 van Lc 1-2 wordt mariam als acc. gebruikt . Hier met bep.
lidw. . De herders konden toch de namen van de vrouw en de man bij het kind
niet kennen , want de engelen hadden dat toch niet gezegd . Maar de luisteraars
weten dat wel . Zowel bij de namen van de vrouw als van de man als bij het kind
wordt het bepaald lidw. gebruikt : door de boodschap over het kind is dat niet
zomaar een kind , in doeken gewikkeld , maar HET kind . En de vrouw en de man
krijgen meer bepaaldheid doordat ze bij het kind horen .
Lc 2,16.8.
mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam
(Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam
(Maria) .
Lc (13) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
1,30 . (3) Lc
1,34 . (4) Lc
1,38 . (5) Lc
1,39 . (6) Lc
1,46 . (7) Lc
1,56 . (8) Lc
2,5 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,19 . (11) Lc
2,34 . (12) Lc
10,39 . (13) Lc
10,42 . In Lc 1-2 is Maria , de moeder van Jezus . In Lc 10 is Maria de
zus van Martha . In Lc 1-2 wordt bij mariam (Maria) slechts in twee verzen het
bepaald lidwoord gebruikt : (1) Lc
2,16 (acc. enk. tèn mariam) . (2) Lc
2,19 (nom. enk. hè mariam) .
Lc 2,16.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,16.10.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
Lc 2,16.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Lc (822 / 1151) . Lc (+ : 11 / 20 : (1) Lc
2,3 . (2) Lc
2,7 . (3) Lc
2,8 . (4) Lc
2,9 . (5) Lc
2,10 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,13 . (8) Lc
2,15 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,18 . (11) Lc
2,20 . - 9 / 20) .
Lc 2,16.14. nom. + acc. onz. enk. brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in het NT : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Taalgebruik in Lc : brefos (ongeboren vrucht, jong kind) . Lc (4) : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . Een vorm van brefos (ongeboren vrucht, jong kind) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,41 . (2) Lc 1,44 . (3) Lc 2,12 . (4) Lc 2,16 . (5) Lc 18,15 .
Lc 2,16.16.
en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
Lc 2,16.17.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,5 . (2) Lc
2,8 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
2,19 . (5) Lc
2,21 . (6) Lc
2,38 . (7) Lc
2,41 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,47 . (10) Lc
2,51 . (11) Lc
2,52 .
Lc 2,16.18.
dat. vr. enk. fatnè(i) van het zelfst. naamw. fatnè (krib, ruif)
. Taalgebruik in het NT : fatnè
(krib, ruif) . Taalgebruik in Lc : fatnè
(krib, ruif) .
Lc (3) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . Een vorm van fatnè (krib, ruif) in Lc in 4 verzen : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,12 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
13,15 .
Lc 2,16.16. - 18. en fatnè(i) = in een krib, voederbak . Lc (2) : (1) Lc 2,7 . (2) Lc 2,12 . en tè(i) fatnè(i) = in de kribbe : (1) Lc 2,16 .
| Lc 2,17 - Lc 2,17 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And when they had seen it, they made known abroad the
saying which was told them concerning this child.
Luther-Bibel . 17 Als sie es aber gesehen hatten, breiteten sie das Wort aus,
das zu ihnen von diesem Kinde gesagt war.
Tekstuitleg van Lc 2,17 .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . In Lc
2,1-20 komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,19 .
5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,6 . (2) Lc
2,17 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,24 . (6) Lc
2,25 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,27 . (9) Lc
2,37 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,49 .
9. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in
het NT : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord
autos .
Lc (89) . Lc 2 (6) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,9 . (3) Lc
2,10 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,50 . (6) Lc
2,51 .
11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,6 . (2) Lc
2,17 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
2,24 . (6) Lc
2,25 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,27 . (9) Lc
2,37 . (10) Lc
2,41 . (11) Lc
2,49 .
| Lc 2,18 - Lc 2,18 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 - Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 -- Lc (Lucas) - Lc 2 - Lc 2,21-40 - Lc 2,41-52 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] And all they that heard it wondered at those things
which were told them by the shepherds.
Luther-Bibel . 18 Und alle, vor die es kam, wunderten sich über das, was ihnen
die Hirten gesagt hatten.
Tekstanalyse van Lc 2,18 . Het vers Lc 2,18 telt 13 woorden en 71 letters . De getalwaarde van Lc 2,18 is 9955 (5 X 11 X 181) .
Lc 2,18.1.kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,18.3.
nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (165) . Lc 2 (7) : (1) Lc
2,15 . (2) Lc
2,18 . (3) Lc
2,20 . (4) Lc
2,30 . (5) Lc
2,41 . (6) Lc
2,43 . (7) Lc
2,47 .
Lc 2,18.4.
act. part. aor. nom. mv. akousantes (gehoord) van het werkw. akouô (horen)
. Taalgebruik in het NT : akouô
(horen) . Taalgebruik in Lc : akouô
(horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie
Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren ,
aanhoren) -> écouter .
Lc (7) : (1) Lc
1,66 . (2) Lc
2,18 . (3) Lc
8,12 . (4) Lc
8,14 . (5) Lc
8,15 . (6) Lc
8,26 . (7) Lc
20,16 . Een vorm van akouô (horen) in Lc in 58 verzen , in Lc 2 (4)
: (1) Lc
2,18 . (2) Lc
2,20 . (3) Lc
2,46 . (4) Lc
2,47 .
Lc 2,18.2. - 4. pantes hoi akousantes (alle toehoorders) . Lc (2) : (1) Lc 1,66 . (2) Lc 2,18 .
Lc 2,18.11.
gen. mann. mv. poimenôn van het zelfst. naamw. poimèn (herder)
. Taalgebruik in het NT : poimèn
(herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn
(herder) .
Lc (1) : Lc
2,18 . In Lc komt in 4 verzen een vorm van poimèn (herder) voor ,
en dat slechts in het geboorteverhaal (Lc 2,8-20) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,15 . (3) Lc
2,18 . (4) Lc
2,20 .
| Lc 2,19 - Lc 2,19 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] But Mary kept all these things, and pondered them in
her heart.
Luther-Bibel . 19 Maria aber behielt alle diese Worte und bewegte sie in ihrem
Herzen.
Tekstuitleg van Lc 2,19 .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . In Lc
2,1-20 komt het partikel de (echter) vijfmaal voor : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,6 . (4) Lc
2,17 . (5) Lc
2,19 .
3. mariam (Maria) . Taalgebruik in het NT : mariam
(Maria) . Taalgebruik in Lc : mariam
(Maria) .
Lc (13) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
1,30 . (3) Lc
1,34 . (4) Lc
1,38 . (5) Lc
1,39 . (6) Lc
1,46 . (7) Lc
1,56 . (8) Lc
2,5 . (9) Lc
2,16 . (10) Lc
2,19 . (11) Lc
2,34 . (12) Lc
10,39 . (13) Lc
10,42 .
10. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 2 (23) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,7 . (4) Lc
2,8 . (5) Lc
2,11 . (6) Lc
2,12 . (7) Lc
2,14 . (8) Lc
2,16 . (9) Lc
2,19 . (10) Lc
2,21 . (11) Lc
2,23 . (12) Lc
2,24 . (13) Lc
2,25 . (14) Lc
2,27 . (15) Lc
2,29 . (16) Lc
2,34 . (17) Lc
2,36 . (18) Lc
2,43 . (19) Lc
2,44 . (20) Lc
2,46 . (21) Lc
2,49 . (22) Lc
2,51 . (23) Lc
2,52 .
11. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho
, hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 2 (11) : (1) Lc
2,5 . (2) Lc
2,8 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
2,19 . (5) Lc
2,21 . (6) Lc
2,38 . (7) Lc
2,41 . (8) Lc
2,44 . (9) Lc
2,47 . (10) Lc
2,51 . (11) Lc
2,52 .
| Lc 2,20 - Lc 2,20 : 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 2 -- Lc 2,1 - Lc 2,2 - Lc 2,3 - Lc 2,4 - Lc 2,5 - Lc 2,6 - Lc 2,7 - Lc 2,8 - Lc 2,9 - Lc 2,10 - Lc 2,11 - Lc 2,12 - Lc 2,13 - Lc 2,14 - Lc 2,15 - Lc 2,16 - Lc 2,17 - Lc 2,18 - Lc 2,19 - Lc 2,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] And the shepherds returned, glorifying and praising
God for all the things that they had heard and seen, as it was told unto them.
Luther-Bibel . 20 Und die Hirten kehrten wieder um, priesen und lobten Gott
für alles, was sie gehört und gesehen hatten, wie denn zu ihnen gesagt war.
Tekstanalyse van Lc 2,20 . Het vers Lc 2,20 telt 19 woorden en 100 (2² X 5²) letters . De getalwaarde van Lc 2,20 is 9032 (2³ X 1129) .
Lc 2,20.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,20.2. act. ind. aor. 3de pers. mv. hupestrepsan (zij keerden terug) van het werkw. hupostrefô (omdraaien, terugkeren) . Taalgebruik in het NT : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Hnd : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in de Septuaginta : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . hupo-strefô : onderste boven draaien , omdraaien . Lat. (tornare = draaien) revertere . Fr. retourner . E. return . D. zurück kehren . Hebr. sjûbh (terugkeren) . Taalgebruik in Tenach : sjûbh (terugkeren) . In vijf verzen bij Lucas : (1) Lc 2,20 (de herders) . (2) Lc 2,45 (de ouders - eis Hierousalèm) . (3) Lc 10,17 (de tweeënzeventig) . (4) Lc 24,33 (de Emmaüsgangers - eis Hierousalèm) . (5) Lc 24,52 (de leerlingen - eis Hierousalèm) . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 . In Lc : 9 vormen hupostrefô (omdraaien, terugkeren) in 12 / 24 hoofdstukken en 21 verzen . In Hnd : X vormen van hupostrefô (omdraaien, terugkeren) in 12 verzen in 10 / 28 hoofdstukken .
Lc 2,20.3. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 2 (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 2,18 . (3) Lc 2,20 . (4) Lc 2,30 . (5) Lc 2,41 . (6) Lc 2,43 . (7) Lc 2,47 .
Lc 2,20.4. nom. mann. mv. poimenes (herders) van het zelfst. naamw. poimèn (herder) . Taalgebruik in het NT : poimèn (herder) . Taalgebruik in Lc : poimèn (herder) . Lc (3) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,20 . In Lc komt in 4 verzen een vorm van poimèn (herder) voor , en dat slechts in het geboorteverhaal (Lc 2,8-20) : (1) Lc 2,8 . (2) Lc 2,15 . (3) Lc 2,18 . (4) Lc 2,20 .
Lc 2,20.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822) . Lc 2 (+ 39 / - 13 = 52) . Lc 2,1-20 (+ 12 / - 8 : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,2 . (3) Lc 2,5 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,14 . (7) Lc 2,17 . (8) Lc 2,19 .) . Lc 2,21-40 (+ 15 / - 5 = 20) . Lc 2,41-52 (+ 12 / - 0 = 12) .
Lc 2,20.7. actief participium praesens nominatief mannelijk meervoud ainountes (prijzend) van het werkw. aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in het NT : aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : aineô (loven, prijzen) . In twee verzen in het NT : (1) Lc 2,20 : ainountes ton theon = God lofprijzend (herders) . (2) Hnd 2,47 : ainountes ton theon = God lofprijzend . Een vorm van aineô (loven, prijzen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 . In Lc : 2 vormen in 2 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 2,20.8.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 2 (10) : (1) Lc
2,7 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
2,15 . (4) Lc
2,16 . (5) Lc
2,20 . (6) Lc
2,22 . (7) Lc
2,26 . (8) Lc
2,28 . (9) Lc
2,29 . (10) Lc
2,39 .
Lc 2,20.8. - 9. ton theon (God) . Accusatief enkelvoud . Lijdend voorwerp . Taalgebruik : theos (God) , zie Lc 24,53 . Bij Lucas in drie verzen met aineô (loven) : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 .
Lc 2,20.10.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 2 (5 + 2 = 7) . epi (5) : (1) Lc
2,8 . (2) Lc
2,14 . (3) Lc
2,20 . (4) Lc
2,33 . (5) Lc
2,47 . ep' (2) : (1) Lc
2,25 . (2) Lc
2,40 .
Lc 2,20.13.
act. ind. aor. 3de pers. mv. èkousan (zij hoorden) van het werkw. akouô
(horen) . Taalgebruik in het NT : akouô
(horen) . Taalgebruik in Lc : akouô
(horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie
Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren ,
aanhoren) -> écouter .
Lc (3) : (1) Lc
1,58 . (2) Lc
2,20 . (3)