LUCASEVANGELIE , DERDE HOOFDSTUK , LC 3 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -
- Lc 3,1-6 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
Tekstuitleg per pericope - Lc 3,1-6 - Lc 3,7-9 - Lc 3,10-14 - Lc 3,15-17 - Lc 3,18-20 - Lc 3,21-22 - Lc 3,23-38 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 - Lc 3,7 - Lc 3,8 - Lc 3,9 - Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 - Lc 3,15 - Lc 3,16 - Lc 3,17 - Lc 3,18 - Lc 3,19 - Lc 3,20 - Lc 3,21 - Lc 3,22 - Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT :
Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het derde hoofdstuk van het Lucasevangelie :
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6
14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 -
15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -
17. Gevangenneming van Johannes de Doper : Lc 3,18-20 -
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -
19. Stamboom van Jezus : Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -

13. Optreden van Johannes de Doper : Lc 3,1-6 - - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -

Evangelielezing van de 2de (tweede) zondag van de advent C : Lc 3,1-6 (Lc 3,1-6) :
Het gebeurde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius: Pontius Pilatus was landvoogd van Judea; Herodes gouverneur van Galilea; zijn broer Filippus gouverneur van het gewest Iturea en Trachonitis en Lysanias gouverneur van Abilene; Annas en Kajafas bekleedden het hogepriesterschap. Toen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias die in de woestijn verbleef. Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek en een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden, volgens de profetie die geschreven staat in het boek van Jesaja: Een stem roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht. Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden. Heel de mensheid zal Gods redding zien.

Lc 3,1 - Lc 3,1 13 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[1] En etei de pentekaidekatô tès ègemonia Tiberiou Kaisaros epitropeuontos Pontiou Peilatou tès Ioudaias, [kai tetrarchountos tès Galilaias ] èrôdou Filippou de tou adelfou autou tetrarchountos tès Itouraias kai Trachônitidos chôras kai Lusaniou tès Abillianès tetrarchountos,  1 anno autem quintodecimo imperii Tiberii Caesaris procurante Pontio Pilato Iudaeam tetrarcha autem Galilaeae Herode Philippo autem fratre eius tetrarcha Itureae et Trachonitidis regionis et Lysania Abilinae tetrarcha  In het vijftiende jaar nu van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus over Judea regeerde en Herodes tetrach was van Galilea, Filippus nu zijn broer tetrach was van Iturea en van de landstreek van Trachonitis, en Lysanias tetrach was van Abilene .   Het gebeurde in het vijftiende regeringsjaar van keizer Tiberius: Pontius Pilatus was landvoogd van Judea; Herodes gouverneur van Galilea; zijn broer Filippus gouverneur van het gewest Iturea en Trachonitis en Lysanias gouverneur van Abilene;   [1] In het vijftiende* regeringsjaar van keizer Tiberius, toen Pontius* Pilatus gouverneur was van Judea, Herodes* tetrarch van Galilea, zijn broer Filippus* tetrarch van de landstreek Iturea en Trachonitis, Lysanias* tetrarch van Abilene, [1] In het vijftiende jaar van de regering van keizer Tiberius, toen Pontius Pilatus Judea bestuurde, en Herodes tetrarch was over Galilea, zijn broer Filippus over het gebied van Iturea en Trachonitis, en Lysanias over Abilene,  1 ¶ In het vijftiende jaar van de heerschappij van Tiberius Caesar –als Pontius Pilatus heerst over Judea, Herodes de viervorst van Galilea is, zijn broer Filippus viervorst is van Iturea en het gebied van Trachonitis, en Lysanias van Abilene de viervorst is,  1. L'an quinze du principat de Tibère César, Ponce Pilate étant gouverneur de Judée, Hérode tétrarque de Galilée, Philippe son frère tétrarque du pays d'Iturée et de Trachonitide, Lysanias tétrarque d'Abilène,  

Statenvertaling .
King James Bible . [1] Now in the fifteenth year of the reign of Tiberius Caesar, Pontius Pilate being governor of Judaea, and Herod being tetrarch of Galilee, and his brother Philip tetrarch of Ituraea and of the region of Trachonitis, and Lysanias the tetrarch of Abilene,
Luther-Bibel . 3 1 Im fünfzehnten Jahr der Herrschaft des Kaisers Tiberius, als Pontius Pilatus Statthalter in Judäa war und Herodes Landesfürst von Galiläa und sein Bruder Philippus Landesfürst von Ituräa und der Landschaft Trachonitis und Lysanias Landesfürst von Abilene,

Tekstanalyse van Lc 3,1 . Lc 3,1 - Lc 3,2a : de opsomming van de politieke (wereldlijke) en geestelijke overheid . Het bestaat uit 39 (3 X 13) woorden en 111 lettergrepen . Zo'n plechtige aanhef geeft de indruk alsof het evangelie nu pas begint . De eerste twee hoofdstukken zijn de 'kindsheidsverhalen' , in Lc 3,1 begint het eigenlijke evangelie .

Lc 3,1.1. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
288   25  23  10  18  10  12  12  13  14  12  17  13  11  11  13  12  16 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

Lc 3,1.2. dat. onz. enk. ετει = etei ('in het' jaar) van het zelfst. naamw. ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Taalgebruik in Lc : etos (jaar) . Bijbel (129) . OT (128) . NT (1) : Lc 3,1 . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Hebreeuws . שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (270) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (86) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (51) .
- Grieks . ετος = etos (jaar) . Taalgebruik in het NT : etos (jaar) . Taalgebruik in de LXX : etos (jaar) . Een vorm van ετος = etos (jaar) in de LXX (718) , in het NT (49) .
- Latijn . dat. mann. enk. anno ('in het' jaar) van het zelfst. naamw. annus (jaar) . Bijbel (231) . OT (226) . NT (5) . Fr. an of année . Ned. jaar . E. year . D. Jahr . Aramees : שְׁנָה = sjënâh (jaar) . Arabisch : سَنَة = sanah (jaar) . Taalgebruik in de Qoran : sanah (jaar) .

Lc 3,1.1. - 2. εν ετει = en etei (in het jaar) . NT (1) : Lc 3,1 .
- Hebreeuws . בִּשְׁנַת = bisjënath (in het jaar van) < bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (76) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (20) .

Lc 3,1.3. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  73 50  23  12      19  20 
Totaal 6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151 verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

Lc 3,1.1. - 3. εν ετει δε = en etei de (in het jaar echter) . NT (1) : Lc 3,1 .
- Hebreeuws . וּבִּשְׁנַת = ûbisjënath (en in het jaar van) < prefix verbindingswoord wë + prefix voorzetsel bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (10) : (1) 1 K 15,1 . (2) 1 K 15,9 . (3) 2 K 8,16 . (4) 2 K 9,29 . (5) Jr 17,8 . (6) Da 2,1 . (7) Ezr 1,1 . (8) 2 Kr 17,7 . (9) 2 Kr 34,8 . (10) 2 Kr 36,22 .

Lc 3,1.4. πεντεκαιδεκατῳ = pentekaidekatôi (vijftiende) . Telwoord . Datief onzijdig enkelvoud . In slechts één vers in de bijbel , nl. Lc 3,1 .
- Hebreeuws . עֶשְׂרֵה חֲמֵשׁ = chämesj `èshëreh (vijftien, 15) . Tenakh (11) : (1) Gn 5,10 . (2) Gn 7,20 . (3) Ex 27,15 . (4) Ex 38,14 . (5) Ex 38,15 . (6) 2 K 14,17 . (7) 2 K 14,23 . (8) 2 K 20,6 . (9) Js 38,5 . (10) 2 Kr 15,10 . (11) 2 Kr 25,25 .
- Hebreeuws . חֲמֵשׁ / חָמֵשׁ = châmesj / chämesj (vijf) . Taalgebruik in Tenakh : châmesj (vijf) . Getalwaarde : chet = 8 , mem = 13 of 40 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 42 (2² X 7) OF 348 (2² X 3 X 29 OF 12 X 29) . Structuur : 8 - 4 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (88) . Pentateuch (34) . Eerdere Profeten (13) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (15) .
- Gn (17) : (1) Gn 5,6 . (2) Gn 5,10 . (3) Gn 5,11 . (4) Gn 5,15 . (5) Gn 5,17 . (6) Gn 5,21 . (7) Gn 5,23 . (8) Gn 5,30 . (9) Gn 5,32 . (10) Gn 7,20 . (11) Gn 11,11 . (12) Gn 11,12 . (13) Gn 11,32 . (14) Gn 12,4 . (15) Gn 43,34 . (16) Gn 45,6 . (17) Gn 45,11 .
- de vijfde letter van het Hebreeuwse alfabet is de letter he , symbool van de adem , wind , geest . De Thorah bestaat uit 5 boeken , vandaar penta-teuch .
- πεντε = pente (vijf, 5) . Taalgebruik in het NT : pente (vijf, 5) . Taalgebruik in de LXX : pente (vijf, 5) . Bijbel (231) . OT (198) . Gn (20) : zie hierboven , niet in : (1) Gn 5,32 . (2) Gn 11,11 . (3) Gn 43,34 . Verder wel nog in : (1) Gn 14,9 . (2) Gn 18,28 . (3) Gn 25,7 . (4) Gn 45,22 . (5) Gn 46,27 . (6) Gn 47,2 . NT (33) .
- Lat. quinque . Fr. cinq . Ned. vijf . E. five . D. fünf . Arabisch : ذَمس = chams (vijf) . Taalgebruik in de Qoran : chams (vijf) .

Lc 3,1.1. - 4. עֶשְׂרֵה חֲמֵשׁ בִּשְׁנַת = bisjënath chämesj `èshëreh (in het 15de jaar) < bë + stat. constr. van het zelfst. naamw. שָׁנָה = sjânâh (jaar) . Taalgebruik in Tenakh : sjânâh (jaar) . Getalwaarde) : sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , he = 5 ; totaal : 40 of 355 (5 X 71) . Structuur : 3 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (76) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (34) . Latere Profeten (11) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (20) . Tenakh (1) : 2 K 14,23 . In het 15de jaar van de regering van koning Amasja , koning van Juda , wordt Jerobeam II koning van Samaria . Het einde van het Noordrijk wordt nog eventjes uitgesteld .

Lc 3,1.5. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,19 .

  lidw. enk. Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc 
5. gen. vr. enk. tès 109  12  10  109 

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Lc 3,1.6. gen. vr. enk. ἡγεμονιας = hègemonias (van de hegemonie , heerschappij) van het zelfst. naamw. ἡγεμονια = hègemonias (van de hegemonie , heerschappij) . Zie : ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) . Taalgebruik : hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) . In deze vorm slechts in Lc 3,1 . Een vorm van in de Bijbel (1) : Lc 3,1 .

Lc 3,1.7. gen. mann. enk. τιβεριου = tiberiou (van wat de Tiber betreft) de eigennaam τιβεριος = Tiberios , een Latijnse naam in het Grieks geschreven . In de naam zit de naam van de rivier de Tiber . Slechts in Lc 3,1 en in het NT . Zie de website http://nl.wikipedia.org/wiki/Tiberius_Claudius_Nero_(zoon) .

Lc 3,1.8. gen. mann. enk. καισαρος = kaisaros van het zelfst. naamw. καισαρ = kaisar (keizer) . Taalgebruik in het NT : kaisar (keizer) . Bijbel = NT (11) : (1) Mt 22,21 (2X) . (2) Mc 12,16 . (3) Mc 12,17 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 3,1 . (6) Lc 20,24 . (7) Lc 20,25 . (8) Joh 19,12 . (9) Hnd 17,7 . (10) Hnd 25,10 . (11) Fil 4,22 . Een vorm van καισαρ = kaisar in het NT (29) , in Lc (6) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 20,22 . (4) Lc 20,24 . (5) Lc 20,25 . (6) Lc 23,2 .

Lc 3,1.9. act. part. praes. gen. mann. enk. ἡγεμονευοντος = hègemoneuontos van het werkw. ἡγεμονευω = hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) . Taalgebruik : hègemoneuô (de weg wijzen, aanvoeren, besturen) . Losse genitief . Terwijl ... of : Tijdens ... Bijbel (2) : (1) Lc 2,2 . (2) Lc 3,1 . Een vorm van ἡγεμονευω = hègemoneuô in de Bijbel (2) : (1) Lc 2,2 . (2) Lc 3,1 .

Lc 3,1.10. Pontiou . Genitief enkelvoud van Pontios . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 3,1 . (2) 1 Tim 6,13 . In de naam zit het Latijnse woord pons, pontis (brug) .
---- Pontios . Nominatief enkelvoud . Slechts in Hnd 4,27 .

Lc 3,1.11. gen. mann. enk. πιλατου= pilatou (van Pilatus) van de eigennaam πιλατος = pilatos (Pilatus) . Taalgebruik in het NT : pilatos (Pilatos) . Bijbel (3) : (1) Lc 3,1 . (2) Hnd 3,13 . (3) Hnd 3,13 . Een vorm van πιλατος = pilatos in het NT (55) , in Lc (20) .

Lc 3,1.12. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,19 .

  lidw. enk. Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc 
5. gen. vr. enk. tès 109  12  10  109 

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

13. gen. vr. enk. ιουδαιας = ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ιουδαια = ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in de LXX : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia (Judea) . Lc (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,17 . (7) Lc 23,5 . Een vorm van ιουδαια = ioudaia (Judea) in het NT (44) , in Lc (10) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,44 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 6,17 . (8) Lc 7,17 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 23,5 . Hier wordt een plaatsnaam gebruikt en niet de naam van het volk nl. Joden . Deze naam van Joden komt in Lc in slechts 5 verzen voor , waarvoor 3X om Jezus als de koning van de Joden aan te duiden : (1) Lc 7,3 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,37 . (4) Lc 23,38 . (5) Lc 23,51 .

  ioudaia (Judea)  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 21 Lc 23 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P. 
1.   nom. vr. enk. ioudaia(i)              (1) Lc 7,17 .   (2) Lc 21,21 .     42  30  12 
2.  gen. vr. enk. ioudaias   (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 1,65 .   (3) Lc 3,1 .   (4) Lc 4,44 .   (5) Lc 5,17 .   (6) Lc 6,17 .       (7) Lc 23,5 74  47  27  15  17 
3.   acc. vr. enk. ioudaian     (1) Lc 2,4 .                 29  21     
  totaal 10  1   145  98  47  10  14  22  29 

- Hebreeuws . יְהוּדָה = jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , daleth = 4 ; totaal : 32 (2² X 2³) . Structuur : 1 - 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (633) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (178) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (53) .

 

Lc 3,1.15. tetraarchountos (viervorst) . Genitief enkelvoud . Slechts in één vers in het N.T. Driemaal in Lc 3,1 .

Lc 3,1.16. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,19 .

  lidw. enk. Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc 
5. gen. vr. enk. tès 109  12  10  109 

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Lc 3,1.17. gen. vr. enk. γαλιλαιας = Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam γαλιλαια = galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van γαλιλαια = Galilaia (Galilea) in het NT (63) , in Lc (13) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .

Galilaia (Galilea)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès 40  36  10      25  33     

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9. 
  Galilaia (Galilea)    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 8 Lc 17 Lc 23 Lc 24
1.  nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)                   (1) Lc 24,6 .  
2.  gen. vr. enk. Galilaias  10  (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 .  () Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 .    (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 .      
3.  acc. vr. enk. Galilaian     (1) Lc 2,39   (2) Lc 4,14          
  Totaal  13 (14) 2 (3) 

Lc 3,1.18. gen. mann. enk. ἡρῳδου = hèrô(i)dou (van Herodes) van het zelfst. naamw. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 8,3 . (4) Lc 23,7 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .
De naam Herodes omsluit (Lc 1,5 en Lc 3,19) het verhaal van Johannes de Doper . Vanaf Lc 3,21 verschijnt Jezus op de voorgrond .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. mann. enk. hèrô(i)dou  13    13        10  10     

Lc 3,1.21. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,1.25. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,19 .

  lidw. enk. Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc 
5. gen. vr. enk. tès 109  12  10  109 

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Lc 3,1.26. gen. vr. enk. ιτουραιας = itouraias van de plaatsnaam ιτουραια = itouraia . Zie de websites http://nl.wikipedia.org/wiki/Chalkis_(koninkrijk) ; http://www.bible-history.com/geography/ancient-israel/iturea.html .

Lc 3,1.28. gen. vr. ernk. τραχωνιτιδος = trachônitidos van de plaatsnaam τραχωνιτις = trachônitis . Zie de websites http://nl.wikipedia.org/wiki/Trachonitis .

Lc 3,1.31. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,19 .

  lidw. enk. Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc 
5. gen. vr. enk. tès 109  12  10  109 

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. . Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Zeven namen worden genoemd in hiërarchische volgorde : (zie nota's Willibrordvertaling, 1995)
1. Keizer Tiberius. Gerekend vanaf de dood van Augustus op 19 augustus 14 liep dit van 19 augustus 28 tot 18 augustus 29. Als men uitgaat van de telling in Syrië, waar het jaar begon op 1 oktober, komt men uit op 1 oktober 27 tot 30 september 28. Tiberius is de stiefzoon van keizer Augustus en regeerde van 14 tot 37.
2. Pontius Pilatus is gouverneur van Judea van 26 tot 36 n. Christus.
3. Herodes Antipas was een zoon van Herodes de Grote en regeerde over Galilea en Perea van 4 v. Chr. tot 39 n. Chr.
4. Zijn halfbroer Filippus was van 4 v. Chr. tot 34 na Chr. tetrach van Iturea, Trachonitis en Gaulanitis, landstreken ten noorden en ten oosten van het meer van Galilea.
5. Lysanias was tetrach van Abilene, een landstreek ten oosten van het Libanongebergte.
6. Annas was hogepriester van 6 tot 15 na Chr.
7. Kajafas was de fungerende hogepriester (18 tot 36 na Chr.).

 Lc 3,1          
En etei de pentekaidekatôi (in het vijftiende jaar echter)   kai (en)   kai (en) epi (tijdens)
tès hègemonias (van de hegemonie) hègemoneuontos (terwijl besturende) tetraarchountos (toen viervorst     archiereôs (het hogepriesterschap)
Tiberiou (Tiberias) pontiou pilatou (Pontius Pilatus)   Philippou de (Filippus echter) lusianiou (Lusianos) Hanna kai Kaïfa (van Annas en Kaïfas)
Kaisaros (keizer) tès Ioudaias (Judea) tès Gallaias (over Galilea)   tès Abilènès (van Abilene)  
    Hèrôidou (Herodes) tou adelfou autou (zijn broer)    
      tetraarchountos (viervorst) tetraarchountos (viervorst)  
      tès Itouraias kai Trachônitidos chôras (van Idturea en de streek van Trachonitos)    

Lc 3,2 - Lc 3,2 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[2] epi archiereôs Anna kai Kaifa, egeneto rèma theou epi Iôanèn ton Zachariou uion en tè erèmô.  2 sub principibus sacerdotum Anna et Caiapha factum est verbum Dei super Iohannem Zacchariae filium in deserto  onder de hogepriester An,nas en Kajafas, kwam het woord van God over Johannes, in de woestijn. Annas en Kajafas bekleedden het hogepriesterschap. Toen kwam het woord van God over Johannes, zoon van Zacharias die in de woestijn verbleef.   [2] en Annas* en Kajafas hogepriester, toen kwam* het woord van God tot Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.  [2] en toen Annas en Kajafas hogepriester waren, richtte God zich in de woestijn tot Johannes, de zoon van Zacharias.   2 onder hogepriester Annas, en Kajafas– geschiedt het woord van God aan Johannes, de zoon van Zacharias, in de woestijn.  2. sous le pontificat d'Anne et Caïphe, la parole de Dieu fut adressée à Jean, fils de Zacharie, dans le désert.

Statenvertaling .
King James Bible . [2] Annas and Caiaphas being the high priests, the word of God came unto John the son of Zacharias in the wilderness.
Luther-Bibel . 2 als Hannas und Kaiphas Hohepriester waren, da geschah das Wort Gottes zu Johannes, dem Sohn des Zacharias, in der Wüste.

Tekstanalyse van Lc 3,2 . Lc 3,2b bestaat uit 11 woorden en 25 (5 X 5) lettergrepen . De indruk dat we bij Lc 3,1 - Lc 3,2 aan het begin van het evangelie van Lucas staan , wordt nog versterkt doordat Lucas vervolgt met een tekst die in Oud-Testamentische boeken als titel van een boek wordt gebruikt . Lc 3,2 benadert het sterkst Jr 1,1 . Het blijft natuurlijk een vraag waarom Lucas kiest voor een begin als dat van Jr 1,1 . Jeremia komt uit een priestergeslacht . Dat is ook het geval voor Johannes (Lc 1,5-25) . Het drukt wel uit dat Johannes een profeet is , tot wie Gods woord kwam . Lucas vangt zijn evangelie aan zoals vele profetische boeken beginnen . Het Lucasevangelie is een profetisch boek . Het begint met de profeet KJohannes en vervolgt met de profeet Jezus
- Lc 3,2b  egeneto (kwam) rèma theou (het woord van God) epi Iôannèn (tot Johannes) .
- Jr 1,1 : dibhërê (woorden) jirëmëjâhû (van Jeremia) . LXX : to rèma tou theou , ho egeneto epi ieremian ton tou chelkiou (het woord van God , dat kwam over Jeremia , - de zoon - van Chekia)
- Jr 1,4  wajëhî - kai egeneto (en kwam) dëbhar JHWH - logos kuriou (het woord van de Heer) ´elaj - pros me (tot mij) .

Lc 3,2.1. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 3 (2 + 1 = 3) . epi (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,20 . ep' (1) Lc 3,22 . Een vorm van επι = epi (op) in de LXX (7297) , in het NT (878) .

epi (op, bij)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef  430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

  epi (op, bij)  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc
1 epi 104  10      104 
2 ep 25                    25 
3 ef  20                          20 
  Totaal   149  11  12  10  11    10  10  149 

- Lat. ad . Fr. à . E. at . Ned. op , naar, bij . D. bei .

 

epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 3 (2 + 1 = 3) . epi (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,20 . ep' (1) Lc 3,22 .

2. gen. mann. enk. archiereôs van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 3,2.6. ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 3 (2) : (15) Lc 3,2 . (16) Lc 3,21 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) , in Lc (129) , in Lc 3 (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 3,22 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 129 verzen .

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Aramees : הֲוָא = häwâ´ . Arabisch : هَؤَىَ = hawa .

Lc 3,2.7. nom. + acc. onz. enk. ρημα = rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het NT : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in de LXX : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Bijbel (292) . OT (272) . NT (20) . Lc (8) : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 2,29 . (5) Lc 2,50 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,45 . (8) Lc 18,34 . Een vorm van ρημα = rèma (woord, uitspraak) in de LXX (548) , in het NT (68) , in Lc (18) : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .

  rèma (woord, uitspraak)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. rèma   292  272  20  2 :     13  13 

- Hebreeuws . mann. enk. stat. constr. דְבַר = dëbhar (woord) van het zelfst. naamw. דָבָר = dâbhâr (woord, daad) . Zie het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken) . Taalgebruik in Tenakh : dâbhar (spreken) . Getalwaarde : daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 26 (2 X 13) OF 206 = 2 X 103 . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 .

Lc 3,2.6. - 7. εγενετο ρημα = egeneto rèma (het woord kwam) . NT (1) : Lc 3,2 .
- דְבַר וַיְהִי = wajjëhî dëbhar (het woord kwam) . Tenakh (64) . Vooral in Jeremia en Ezechiël .

Lc 3,2.8. gen. mann. enk.  θεου = theou van het zelfst. naamw. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Lc (70) . Lc (3) : (9) Lc 3,2 . (10) Lc 3,6 . (11) Lc 3,38 .  Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) , in Lc (117) , in Lc 3 (4) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,6 . (3) Lc 3,8 . (4) Lc 3,38 .

theos bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. P. Ap.
gen. mann. enk.  theou 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67

- Hebreeuws . אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Hebr. ´èlohîm (God) . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) .
- Latijn . deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Koran : ´allah (Allah) .

Lc 3,2.7. - 8. ρημα θεου = rèma theou (woord van God) . NT (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Ef 6,17 .
- אֱלֹהִים דְבַר = dëbhar ´èlohîm (woord van God) . Tenakh (3) : (1) Re 3,20 . (2) 1 S 9,27 . (3) 1 Kr 17,3 .
- יהוה דְבַר = dëbhar JHWH (woord van JHWH) . De ene opzoeking geeft volgende gegevens . Tenakh (77) . De uitdrukking komt voor in he geheel van Tenakh . 12 kl. Prof. (15) : (1) Hos 1,1 . (2) Jl 1,1 . (3) Am 8,12 . (4) Jon 1,1 . (5) Mi 1,1 . (6) Sef 1,1 . (7) Sef 2,5 . (8) Hag 1,3 . (9) Hag 2,1 . (10) Hag 2,10 . (11) Zach 4,6 . (12) Zach 7,4 . (13) Zach 7,8 . (14) Zach 8,1 . (15) Zach 8,18 . De andere opzoeking geeft volgende gegevens . Tenakh (111) . De uitdrukking komt vooral veelvuldig voor in Jeremia en Ezechiël . 12 kleine Profeten (12) : (1) Hos 4,1 . (2) Hag 1,1 . (3) Hag 2,20 . (4) Zach 1,1 . (5) Zach 1,7 . (6) Zach 4,8 . (7) Zach 6,9 . (8) Zach 7,1 . (9) Zach 9,1 . (10) Zach 11,11 . (11) Zach 12,1 . (12) Mal 1,1 .

Lc 3,2.6. - 8. יהוה דְבַר וַיְהִי = wajjëhî dëbhar JHWH (en het woord van JHWH kwam) . Tenakh (63) . Vooral in Jeremia en Ezechiël .

9. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 3 (2 + 1 = 3) . epi (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,20 . ep' (1) Lc 3,22 . Een vorm van επι = epi (op) in de LXX (7297) , in het NT (878) .

epi (op, bij)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef  430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

  epi (op, bij)  Lc Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc
1 epi 104  10      104 
2 ep 25                    25 
3 ef  20                          20 
  Totaal   149  11  12  10  11    10  10  149 

- Lat. ad . Fr. à . E. at . Ned. op , naar, bij . D. bei .

Lc 3,2.10. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn van het zelfst. naamw. ιωαννης = iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Lc : Iôannès (Johannes) . Lc (11) . Johannes de Doper (6) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . Johannes de apostel (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 .  Een vorm van iôannès (Johannes) in het NT (134) , in Lc (30) .

  Iôannès (Johannes)   de Doper bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. mann. enk. Iôannèn     41  37  11  11      29  31     

Iôannès (Johannes)   ev.  Mt Mt (de doper) Mt (apostel) Mc Mc (de doper) Mc (apostel) Lc Lc (de doper) Lc (apostel) Joh Joh (de doper) Joh (apostel)
nom. mann. enk. Iôannès  39  10  9 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,4 . (3) Mt 3,14 . (4) Mt 4,12 . (5) Mt 11,2 . (6) Mt 11,18 . (7) Mt 14,2 . (8) Mt 14,4 . (9) Mt 21,32 . (1) Mt 10,2 . 4 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,18 . 3 : (1) Mc 9,38 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 13,3 . 10  8 : (1) Lc 1,60 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 7,20 . (6) Lc 7,33 . (7) Lc 9,7 . (8) Lc 11,1 . 2 : (1) Lc 9,49 . (2) Lc 9,54 . 12  12 : (1) Joh 1,6 . (2) Joh 1,15 . (3) Joh 1,26 . (4) Joh 1,28 . (5) Joh 1,32 . (6) Joh 1,35 . (7) Joh 3,23 . (8) Joh 3,24 . (9) Joh 3,27 . (10) Joh 4,1 . (11) Joh 10,40 . (12) Joh 10,41  
gen. mann. enk. Iôannou  30  8 : (1) Mt 9,14 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 11,11 . (4) Mt 11,12 . (5) Mt 11,13 . (6) Mt 14,8 . (7) Mt 17,13 . (8) Mt 21,25   5 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 . (5) Mc 11,30 . 2 : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 10,41 . 7 : (1) Lc 3,15 . (2) Lc 5,33 . (3) Lc 7,24 . (4) Lc 7,28 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 16,16 . (7) Lc 20,4 .   4 : (1) Joh 1,19 . (2) Joh 1,40 . (3) Joh 3,25 . (4) Joh 5,36 . 4 : {Joh 1,42 + Joh 21,15 + Joh 21,16 + Joh 21,17 : Simon, zoon van Johannes} 
dat. mann. enk. Iôannè(i) 1 : Mt 11,4 .         2 : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 7,22 .        
acc. mann. enk. Iôannèn   31  5 : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 14,3 . (3) Mt 14,10 . (4) Mt 16,14 . (5) Mt 21,26 . 2 : (1) Mt 4,21 . (2) Mt 17,1 . 11  6 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,20 . (5) Mc 8,28 . (6) Mc 11,32 . 5 : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 9,2 . (5) Mc 14,33 . 11  6 : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . 5 : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 .   2 : (1) Joh 3,26 . (2) Joh 5,33 .  
totaal 103  26  23  3 25  15  10 30  23  22  18 

Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .

Lc 3,2.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

Lc 3,2.13. acc. mann. enk. huion van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (15) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 1,57 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 3,2 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,38 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 12,10 . (11) Lc 20,13 . (12) Lc 20,41 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 24,7 .

11. - 13. Lc 3,2b voegt bij Iôannèn (Johannes) een bijstelling , nl. ton Zachariou huion (de zoon van Zacharia) en maakt hiermee een link naar Lc 1,5-25 . In Lc 1,67 lezen we : kai Zacharias ho patèr autou : en Zacharias, zijn vader . Johannes wordt niet meer getypeerd als de Doper of dopende .

14. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

De sleutel om te begrijpen waarom Lucas het verhaal van Johannes de Doper zo begint , vinden we wellicht in het verhaal van de aankondiging van de geboorte van Johannes en van het bezoek van Maria aan Elisabet . Johannes is zoals Jeremia profeet vanaf de moederschoot . Pas in contact met Maria (en Jezus) wordt Elisabet (en Johannes) vervuld van heilige geest . Maria had reeds de heilige geest ontvangen vanaf de conceptie van Jezus . Hieruit blijkt de ondergeschikte rol van Johannes .

Jr 1,5a Jr 1,5b Lc 1,15 Lc 1,41 Lc 1,44
bëtèrèm - pro (vooraleer) ûbhëtèrèm - kai pro (en vooraleer)   eskirtèsen to brefos (sprong het kind op) eskirtèsen to brefos (sprong het kind op)
'ètstsâwërëkhâ - tou me plasai se (ik u gevormd heb)

thets'e - tou se exelthein (dat je uitging)

     
bhabètèn - en koiliai ( in de moederschoot ) merèchèm - ek mètras (uit de moederschoot) eti ek koilias mètros autou (nog vanaf de schoot van zijn moeder) en tèi koiliai autès (in haar schoot) en tèi koiliai autès (in haar schoot)
jëd`aëthikhâ - epistamai se (koos ik u uit) hiqëdasjëthîkhâ - hègiaka se (heiligde ik u)      
Jr 1 Jr 1  

2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 

4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56   4 4. Bezoek van Maria aan Elisabet : Lc 1,39-56  

Lucas kan er blijkbaar niet onderuit om met Johannes de Doper te beginnen , maar hij reduceert wel zijn rol ten gunste van Jezus . Lucas laat het citaat van Ex en Mal vallen (zoals Mt) . Volgens Marcus is Johannes de teruggekeerde Elia . Volgens Lucas is hij dat niet . Zo laat Lucas Mc 1,6 , dat geïnspireerd is op 2 K 1,8 waar uitdrukkelijk gezegd wordt dat het Elia is . Zo laat Lucas ook de pericope over de vraag omtrent de wederkomst van Elia (Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13) weg . Later zullen we zien dat volgens Lucas Jezus zelf Elia is .
Lc 3,2b voegt bij Iôannèn (Johannes) een bijstelling , nl. ton Zachariou huion (de zoon van Zacharia) en maakt hiermee een link naar Lc 1,5-25 . In Lc 1,67 lezen we : kai Zacharias ho patèr autou : en Zacharias, zijn vader . Johannes wordt niet meer getypeerd als de Doper of dopende .
Johannes treedt op in de woestijn (en tèi erèmôi) . Daar zou je niet onmiddellijk een priester verwachten . Die hoort eerder thuis in de tempel . De aanwezigheid van een priester in de woestijn roept de gedachte aan de gemeenschap van Qumran op . Het herinnert ook aan de tijd toen de Hasmoneeën die - volgens sommige priesters ten onrechte - naast het koningschap ook het hogepriesterschap op zich namen waardoor sommige priesters de tempel van Jeruzalem verlieten en zich vestigden in de grotten van Judea .
Deze bepaling en tôi erèmôi : in de woestijn , sluit aan bij de eerste zin van het citaat in Lc 1,4b-6 : fônè boôntos en tèi erèmôi : een stem van een roepende in de woestijn .

Lc 3,2.12. gen. mann. enk. zachariou van de eigennaam zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in het N.T. : zacharias (Zacharja) . Taalgebruik in Lc : zacharias (Zacharja) . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 11,51 . Een vorm van zacharias (Zacharja) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,12 . (3) Lc 1,13 . (4) Lc 1,18 . (5) Lc 1,21 . (6) Lc 1,40 . (7) Lc 1,59 .   (8) Lc 1,67 .  (9) Lc 3,2 . (10) Lc 11,51 .

Lc 3,2.16. dat. vr. enk. erèmô(i) van het zelfst. / bijvoegl. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in N.T. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Lc (5) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 4,1 . (5) Lc 4,42 . (6) Lc 5,16 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,29 . (9) Lc 9,12 . (10) Lc 15,4 .

Lc 3,3 - Lc 3,3 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- taalgebruik -- Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem 
[3] kai èlthen eis pasan tèn perichôron tou Iordanou kèrussôn baptisma metanoias eis afesin amartiôn,  3 et venit in omnem regionem Iordanis praedicans baptismum paenitentiae in remissionem peccatorum  En hij kwam in de hele omgeving van de Jordaan, verkondigend een doopsel van bekering tot vergeving van zonden.   Hij begon op te treden in heel de Jordaanstreek en een doopsel van bekering te preken tot vergeving van zonden,  [3] En hij ging overal in de Jordaanstreek een doop* van bekering verkondigen tot vergeving van zonden,  [3] Daar ging Johannes in de omgeving van de Jordaan verkondigen dat de mensen zich moesten laten dopen en tot inkeer moesten komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen,   3 Hij komt tot heel de streek van de Jordaan, predikend de doop van omkeer tot vergeving van zonden,–  Et il vint dans toute la région du Jourdain, proclamant un baptême de repentir pour la rémission des péchés, 

Statenvertaling .
King James Bible . And he came into all the country about Jordan, preaching the baptism of repentance for the remission of sins;
Luther-Bibel . 3 Und er kam in die ganze Gegend um den Jordan und predigte die Taufe der Buße zur Vergebung der Sünden,

Tekstuitleg van Lc 3,3 . Dit vers Lc 3,3 is 14 (2 X 7) woorden en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Lc 3,3 is 9700 (2 X 2 X 5 X 5 X 97) .

In tegenstelling tot Marcus en Matteüs gaat Johannes zelf naar de hele omstreek van de Jordaan . We zien dat er een zeker parallelisme tussen Mc 1,5 en Mc 1,9 bestaat . Lucas heeft een voorkeur voor het woord perichôros : omstreek . De roeping van Johannes , beschreven in Lc 3,2b , houdt ook een zending in. Dat wordt beschreven in Lc 3,3 . Dit vers sluit ook aan bij het citaat dat in het volgende vers komt : kèrussôn (verkondigend) en fônè boôntos (een stem van een roepende), metanoias (van bekering) met : de padden effen en recht maken .

Lc 3,3.2. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Lc. : erchomai (gaan, komen) . Lc (17) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,51 . (3) Lc 3,3 . (4) Lc 4,16 . (5) Lc 8,41 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 10,33 . (8) Lc 11,31 . (9) Lc 13,6 . (10) Lc 15,20 . (11) Lc 15,30 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 19,5 . (14) Lc 19,10 . (15) Lc 19,18 . (16) Lc 19,20 . (17) Lc 22,7 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc 3 in 3 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,16 .

Lc 3,3.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,3.8. gen. mann. enk. Iordanou van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het N.T. : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Lc : iordanès (Jordaan) . Lc (2) : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 3,3.9. act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Lc : kèrussô (verkondigen) . Bijbel (13) : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 9,35 . (4) Mc 1,4 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,39 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . (11) Hnd 20,25 . (12) Hnd 28,31 . (13) Rom 2,21 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in de LXX (32) , in het NT (61) , in Lc (9) : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,19 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,39 . (7) Lc 9,2 . (8) Lc 12,3 . (9) Lc 24,47 . In Lc : 5 vormen van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in 9 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 6 vormen van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
- κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) kan de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

      1.  2.  3.  4.  5.  6. 
  kèrussô (verkondigen) Lc Lc 3 Lc 4 Lc 8 Lc 9 Lc 12 Lc 24
1 act. part. praes.  nom. mann. + vr. enk. kèrussôn 4 (1) Lc 3,3 .   (4) Lc 4,44 .   (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,39 .        
2 act. inf. praes. kèrussein 1       (7) Lc 9,2 .      
3 act. inf. aor. kèruxai  2   (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,19 .        
4 pass.ind. fut.. 3de pers. enk. kèruchthèsetai         (8) Lc 12,3 .    
5 pass. inf. aor. kèruchthènai            (9) Lc 24,47 .  
  Totaal  

- Lat. praedicare . Fr. proclamer . Ned. verkondigen . prediken . E. to preach . D. predigen .

Wat "de vergeving van de zonden" betreft . Was het doopsel van Johannes voldoende tot vergeving van zonden ? Kan slechts God zonden vergeven ? En Jezus , ja , omdat hij de zoon van God is ?

Mc 1,5a   Mc 1,5b Mc 1,9a Mc 1,9b Lc 3,3a Lc 3,3b
kai (en)   kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kèrussôn (verkondigend)
ekseporeueto (ging uit)   ebaptizonto (zij werden gedoopt) èlthen (ging) ebaptisthè (hij werd gedoopt) ... èlthen (hij ging) baptisma (het doopsel) ...
pros (naar) auton (hem)   hup' (door) autou (hem)   hupo (door) Iôannou (Johannes) eis (naar) pasan (de hele) perichôron (omstreek)  
   kai (en) eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende hun zonden)       eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden)
pasa (geheel) hè (de) Ioudaia chôra (Judese streek) hoi (de)  Hierosolumiatai (Jeruzalemmers) pantes (alle)   Ièsous (Jezus)       
  pantes (alle)     eis ton Iordanèn (in de Jordaan)  tou Iordanou (van de Jordaan)  
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 13. 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22   18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6   13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6  13.

Na de redevoering van Petrus in Hnd 2,14-36 vragen de omstaanders wat zij moeten doen. Daarop zegt Petrus hen wat zij moeten doen (Hnd 2,38). Het antwoord doet ons toch wel denken aan Lc 3,3 en Lc 3,16.

Lc 3,3 - Lc 3,3 - Lc 3,16b Lc 3,16e Hnd 2,38b Hnd2,38c
kèrussôn (verkondigend)        
baptisma metanoias (het doopsel van bekering) egô men hudati baptizô humas (ik echter met water doop ik u) autos humas baptisei en pneumati hagiôi kai puri (hijzelf zal u dopen met heilige geest en vuur) metanoèsate kai baptisthètô hekastos humôn epi tôi onomati Ièsou Xristou (bekeert u en dat ieder van u zich late dopen in de naam van Jezus Christus kai lèmpsesthe tèn dôrean tou hagiou pneumatos (en gij zult ontvangen de gave van de heilige geest)
eis afesin hamartiôn (tot bekering van zonden)     eis afesin tôn hamartiôn humôn (tot bekering van uw zonden)  
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17 Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus

Wat het doopsel betreft. Johannes doopt met water. Daartegenover wordt de doop met de geest gesteld. De synoptici maken nergens gewag dat Jezus doopte. Hoe komt het dan dat de apostelen doopten? Ze doopten wel " in de naam van...". Dat doopsel werd gezien "tot vergeving van zonden". Dan had je nog het doopsel met de geest. Het doet wat denken aan wat later de sacramenten doopsel en vormsel zijn geworden.

Lc 3,3.13. acc. vr. enk. αφεσιν = afesin van het zelfst. naamw. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) . Taalgebruik in de LXX : afesis (vergeving) . Bijbel (25) : (1) Ex 18,2 . (2) Ex 23,11 . (3) Lv 16,26 . (4) Lv 25,10 . (5) Lv 27,18 . (6) Dt 15,1 . (7) Dt 15,3 . (8) Js 61,1 . (9) Jr 34,8 . (10) Jr 34,15 . (11) Jr 34,17 . (12) Est 2,18 . (13) Jdt 11,14 . (14) 1 Mak 13,34 . (15) Mt 26,28 . (16) Mc 1,4 . (17) Mc 3,29 . (18) Lc 3,3 . (19) Lc 24,47 . (20) Hnd 2,38 . (21) Hnd 5,31 . (22) Hnd 10,43 . (23) Hnd 26,18 . (24) Ef 1,7 . (25) Kol 1,14 . Een vorm van αφεσις = afesis in de LXX (50) , in het NT (17) , in Lc (4 , 5X) : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 4,18 (2 vormen) . (4) Lc 24,47 . In Lc : 2 vormen van αφεσις = afesis (aflating, vergeving) in 4 verzen in 4 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van αφεσις = afesis (aflating, vergeving) in 5 verzen in 5 / 28 hoofdstukken . Een vorm van αφεσις = afesis (vergeving) kan de vertaling van 13 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

αφεσις = afesis (af-lating) bijbel OT NT ev.  Mt Mc Lc Hnd Br.
nom vr. enk. afesis 5 2 3         1 : Hnd 13,38 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
gen. vr. enk. afeseôs 21 21              
dat. vr. enk.: afesei 8 6     2 : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 4,18 .    
acc. vr. enk. afesin 26 14 12 1 : Mt 26,28 . 2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 3,29 . 3 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 24,47 . 4 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 2 : (1) Ef 1,7 . (2) Kol 1,14 .
totaal 60 44 17   1 2 5 5 4

- In 9 / 25 verzen in combinatie met ἁμαρτιων = hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving . Niet in (1) Mc 3,29 . (2) Lc 4,18 . (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) .
- Hebreeuws . יוֹבֵל = jôbhel (ram / jobel , vergeving) . Taalgebruik in Tenakh : jôbhel (ram / jobel , vergeving) . Getalwaarde : jod = 10, waw = 6 , beth = 2 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 48 (2² X 2² X 3) . Structuur : 1 - 6 - 2 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3) : (1) Lv 25,10 . (2) Lv 25,11 . (3) Lv 25,12 .
- דְרוֹר = dëdôr 1. (vrijheid, vrijlating) . 2. zwaluw . 3. vanzelf vloeiende myrrhe . Taalgebruik in Tenakh : dëdôr (vrijheid, vrijlating) . Getalwaarde : daleth = 4 , resj = 20 of 200 ; totaal : 44 (2² X 11) OF 404 (2² X 101) . Structuur : 4 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (6) : (1) Ex 30,23 . (2) Lv 25,10 . (3) Js 61,1 . (4) Jr 34,8 . (5) Jr 34,15 . (6) Jr 34,17 .
- Fr. par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) ; rémission . E. remission . D. Vergebung . Arabisch : عَفَا = `afâ (vergeven) . Taalgebruik in de Qoran : `afâ (vergeven) .

Lc 3,3.14. gen. vr. mv. ἁμαρτιων = hamartiôn (van de zonden) van het zelfst. naamw. ἁμαρτια = hamartia (zonde) . Bijbel (85) . OT (53) . NT (32) : (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 1,4 . (4) Lc 1,77 . (5) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . (7) Hnd 2,38 . (8) Hnd 5,31 . (9) Hnd 10,43 . (10) Hnd 13,38 . (11) Hnd 26,18 . Andere boeken NT (21) . Een vorm van in de LXX (545) , in het NT (173) , in (1) Lc 1,77 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 5,20 . (4) Lc 5,21 . (5) Lc 5,23 . (6) Lc 5,24 . (7) Lc 7,47 . (8) Lc 7,48 . (9) Lc 7,49 . (10) Lc 11,4 . (11) Lc 24,47 .

Lc 3,3.12. - 14. εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = eis afesin (tôn) hamartiôn (tot vergeving van (de) zonden) . NT (4) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .

afesis  NT Mt Mc Lc Hnd Br.
afesis hamartiôn 1       1 : Hnd 13,38 NIET : 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
afesei hamartiôn     1 : (1) Lc 1,77 . NIET : (2) Lc 4,18 .    
afesin (tôn) hamartiôn 9 1 : Mt 26,28 . 1 : (1) Mc 1,4 . NIET : (2) Mc 3,29 .

1 : (1) Lc 3,3 . (3) Lc 24,47 . NIET : (2) Lc 4,18 .

1 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 1 : (2) Kol 1,14 . NIET : (1) Ef 1,7 .
totaal 11 1 1 3 5 1
en afesei hamartiôn     1 : (1) Lc 1,77 . NIET : (2) Lc 4,18 .    
eis afesin (tôn) hamartiôn (tot vergeving van zonden) 1 : Mt 26,28 . (1) Mc 1,4 . 1 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 24,47 . (1) Hnd 2,38 .  

 

Lc 3,4 - Lc 3,4 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -:
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[4] ôs gegraptai en biblô logôn èsaiou tou profètou fônè boôntos en tè erèmô etoimasate tèn odon Ku, eutheias poieite tas tribous umôn  4 sicut scriptum est in libro sermonum Esaiae prophetae vox clamantis in deserto parate viam Domini rectas facite semitas eius  zoals geschreven staat in het boek met de woorden van Jesaja, de profeet : Stem van een roepende: Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht; volgens de profetie die geschreven staat in het boek van Jesaja: Een stem roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.   [4] zoals geschreven staat in het boek van de woorden van de profeet Jesaja: Een stem roept in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht;   [4] zoals geschreven staat in het boek met de uitspraken van de profeet Jesaja: ‘Luid klinkt een stem in de woestijn: “Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden!  4 zoals geschreven staat in de boekrol van de woorden van Jesaja de profeet; ‘de stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg voor de Heer, maakt recht zijn paden!–   4. comme il est écrit au livre des paroles d'Isaïe le prophète : Voix de celui qui crie dans le désert : Préparez le chemin du Seigneur, rendez droits ses sentiers ;  

Statenvertaling .
King James Bible . [4] As it is written in the book of the words of Esaias the prophet, saying, The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.
Luther-Bibel . 4 wie geschrieben steht im Buch der Reden des Propheten Jesaja (Jesaja 40,3-5): »Es ist eine Stimme eines Predigers in der Wüste: Bereitet den Weg des Herrn und macht seine Steige eben!

Tekstuitleg van Lc 3,4 . Het vers Lc 3,4 telt 23 woorden en 123 (3 X 41) letters . De getalwaarde van Lc 3,4 is 17614 (2 X 8807) .

Lc 3,4.2. passief indicatief perfectum derde persoon enkelvoud gegraptai (er werd geschreven) van het werkwoord grafô (schrijven, grif-fen) . Lat. scribere . Fr. écrire . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) .
In negen verzen in Lc : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 .

Lc 3,4.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

Lc 3,4.5. gen. mann. mv. logôn van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 6,47 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 3 (1) Lc 3,4 .

Lc 3,4.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,4.8. gen. mann. enk. profètou van het zelfst. naamw. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès (profeet) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) . Lc (4) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 7,26 . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen , in Lc 3 (13) Lc 3,4 .

Lc 3,4.9. nom. + dat. vr. enk. fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
Lc (7) : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 .

Lc 3,4.14. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

Lc 3,4.16. dat. vr. enk. erèmô(i) van het zelfst. / bijvoegl. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in N.T. : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Lc (5) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 4,1 . (5) Lc 4,42 . (6) Lc 5,16 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,29 . (9) Lc 9,12 . (10) Lc 15,4 .

Lc 3,4.17. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het N.T. : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . In 8 verzen in Lc 1 (zie Lc 1,6) . In 17 verzen in de overige hoofdstukken : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,23 . (3) Lc 2,24 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 3,4 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,19 . (9) Lc 5,17 . (10) Lc 10,2 . (11) Lc 10,39 . (12) Lc 12,47 . (13) Lc 13,35 . (14) Lc 16,5 . (15) Lc 19,38 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,3 .

Lc 3,4.14. Johannes de Doper wordt gezien als een voorbereider . Hij moet de weg bereiden (Lc 1,17) en hij moet een volk gereedmaken voor de Heer (Lc 1,76) . Naar het woord van Jesaja zal Johannes de Doper de weg bereiden (Lc 3,4) .

Lc 3,4.22. act. ind praes. + imp. 2de praes. mv. poieite (jullie doen of doet) . poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) .
Lc (6) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 6,31 . (5) Lc 6,46 . (6) Lc 22,19 . Een vorm van poieô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

      6.   1. 2. 7.  
      Lc 7,27   Lc 2,23 Lc 3,4 Lc 10,26 normale formule bij Matteüs 
     
  Kathôs (zoals) hôs (zo)
hopôs (opdat)
      houtos (deze)          
                 
      estin (is)         plèrôthè (vervuld zou worden)
          gegraptai (geschreven is) gegraptai (geschreven is) en tôi nomôi tí gegraptai (in de wet wat staat er geschreven) to rèthen (het gezegde) geschreven)
     
  en (in) nomôi (wet) en (in) bibliôi logôn Ièsaiou (boek van woorden van Jesaja) 
dia (langs -via)
      peri (over) hou (wie)          
          kuriou (van heer)  tou (de) profètou (profeet)   tou (de) profètou (profeet)
      gegraptai (geschreven is)         legontos
             + rechtstreekse rede + citaat    
       88. Jezus 'getuigenis over Johannes de Doper Mt 11,7-13 // Lc 7,24-28    7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel : Lc 2,21-40 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  191. Lc 10,25-28 : vraag naar het grootste gebod  

 

Lc 3,5 - Lc 3,5 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
.[5] pasa faragx plèrôthèsetai kai pan oros kai bounos tapeinôthèsetai, kai estai ta skolia eis eutheias kai e trachiai eis odous leias: 5 omnis vallis implebitur et omnis mons et collis humiliabitur et erunt prava in directa et aspera in vias planas   elke ravijn zal opgevuld worden en elke berg en heuvel zal geslecht worden, en de kromme wegen zullen een rechte weg zijn en de hobbelige wegen effen wegen ; Elk dal moet gevuld, elke berg of heuvel geslecht worden; de kronkelpaden moeten recht, de ruwe wegen effen worden.   [5] elk dal zal worden opgevuld, elke berg en heuvel geslecht; bochtige wegen worden recht, oneffen paden vlak;  [5] Iedere kloof zal worden gedicht, elke berg en heuvel geslecht, kromme wegen recht gemaakt, hobbelige wegen geëffend;  5 elke kloof moet worden gevuld en elke berg, elke heuvel geslecht; bochten moeten worden rechtgetrokken en barre wegen vlak gemaakt:  5. tout ravin sera comblé, et toute montagne ou colline sera abaissée ; les passages tortueux deviendront droits et les chemins raboteux seront nivelés.  

Statenvertaling .
King James Bible . [5] Every valley shall be filled, and every mountain and hill shall be brought low; and the crooked shall be made straight, and the rough ways shall be made smooth;
Luther-Bibel . 5 Alle Täler sollen erhöht werden, und alle Berge und Hügel sollen erniedrigt werden; und was krumm ist, soll gerade werden, und was uneben ist, soll ebener Weg werden.

Tekstuitleg van Lc 3,5 .

1. nom. vr. enk. pasa van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 3,6 . (3) Lc 4,7 . (4) Lc 11,17 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,5 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 3,9 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16. (7) Lc 3,19 . (8) Lc 3,20 .

5. nom. + acc. onz. enk. pan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Lc (6) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,5 . (5) Lc 3,9 . (6) Lc 11,42 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,5 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 3,9 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16. (7) Lc 3,19 . (8) Lc 3,20 .

9. tapeinôthèsetai (hij zal verlaagd worden) . Passief futurum derde persoon enkelvoud .
- tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) . Taalgebruik : tapeinoô (lager maken, met de grond gelijk maken) , Lc 3,5 .
--- tapeinôthèsetai (hij zal verlaagd worden) . Passief futurum derde persoon enkelvoud . In dertien verzen in de bijbel . In negen verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 23,12 // Lc 14,11 // Lc 18,14 . (2) Lc 3,5 (citeert Js 40,4) . (3) Lc 14,11 . (4) Lc 18,14 .
--- tapeinousthai . Passief infinitief . Slechts in Bar 5,7 .

Lc 3,6 - Lc 3,6 : Optreden van Johannes de Doper - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- Lc 3,1 - Lc 3,2 - Lc 3,3 - Lc 3,4 - Lc 3,5 - Lc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent C Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[6] kai opsetai pasa sarx to sôtèrion tou theou   6 et videbit omnis caro salutare Dei  en alle vlees zal de redding van God zien. Heel de mensheid zal Gods redding zien.   [6] en alle mensen zullen de redding zien die van God komt.   [6] en al wat leeft zal zien hoe God redding brengt.”’  6 alle vlees zal zien het heil van onze God!’.  6. Et toute chair verra le salut de Dieu. 

Statenvertaling .
King James Bible . [6] And all flesh shall see the salvation of God.
Luther-Bibel . 6 Und alle Menschen werden den Heiland Gottes sehen.«

Tekstuitleg van Lc 3,6

De Griekse tekst telt vijftien lettergrepen , de Latijnse veertien . De Nederlandse vertalingen zijn gevarieerd wat pasa sarx = omnis caro betreft : alle vlees , alle mensen , heel de mensheid , al wat leeft .

3. nom. vr. enk. pasa van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 3,6 . (3) Lc 4,7 . (4) Lc 11,17 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,5 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 3,9 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16. (7) Lc 3,19 . (8) Lc 3,20 .

3. 4. khâl bâshâr (Grieks : pasa sarx , Latijn : omnis caro - alle vlees) . In vier verzen in de bijbel : (1) Dt 5,26 . (2) Js 40,5 . (3) Js 49,26 . (4) Js 66,23 . De vertalingen zijn gevarieerd , maar de vertalers houden zich aan hun vertaling zowel in Js 40,5 als in Lc 3,6 : alle vlees (synopsis , Naardense) , al wat leeft (NV) , heel de mensheid (liturgische lezing Lc 3,6) , alle mensen (Willibrord) .

5. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

6. nom. en acc. onz. enk. σωτηριον = sôtèrion (redding) . Zie het zelfst. naamw. σωτηρια = sôtèria (redding) . Taalgebruik in het NT : sôtèria (redding) . Taalgebruik in de LXX : sôtèria (redding) . Taalgebruik in Lc : sôtèria (redding) . Bijbel (43) . Pentateuch (4) : (1) Gn 41,16 . (2) Lv 17,4 . (3) Nu 6,14 . (4) Nu 15,8 . Js (11) : (1) Js 26,1 . (2) Js 33,20 . (3) Js 38,11 . (4) Js 40,5 . (5) Js 51,5 . (6) Js 51,6 . (7) Js 51,8 . (8) Js 56,1 . (9) Js 60,6 . (10) Js 60,18 . (11) Js 62,1 . NT (3) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 . (3) Hnd 28,28 .

sôtèrion (redding)   bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk.  sôtèrion 43  40               

- יְשׁוּעָה = jësjû`âh . Zie het werkw. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalswaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . De som van dse elementen is telkens 2 . . Tenakh (7) : (1) Js 26,1 . (2) Js 49,8 . (3) Js 52,7 . (4) Js 59,17 . (5) Js 60,18 . (6) Hab 3,8 . (7) Ps 119,55 .

- Een vorm van σωτηρ = sôtèr in Lc (2) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 2,11 , in de LXX (41) , in het NT (24) . מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende, de redder ) act. part. hifil nom. mann. enk. יְשׁוּעָה = jësjû`âh ,
- Een vorm van σωτηρια = sôtèria (redding) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,71 . (3) Lc 1,77 . (4) Lc 19,9 , in de LXX (160) , in het NT (45) . sôtèria (redding) : Bijbel (52) . OT (44) . NT (8) .
- Een vorm van σωτηριον = sôtèrion (redding) in Lc (2) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 , in de LXX (135) , in het NT (3) . יְשׁוּעָה = jësjû`âh .
- Een vorm van σῳζω = sôzô (redden, verlossen) in Lc (17) , in de LXX (363) , in het NT (106) . יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . תְשוּעָה = thësjû

 

sôtèrion (Latijn : salutare = redding) . Taalgebruik : jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) , zie Ps 38,22 . In drie verzen in het N.T. : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 . (3) Hnd 28,28 . In deze drie verzen is de redding gericht tot alle mensen . Lc 3,6 citeert Js 40,5 . De constructie van Lc 3,6 en Lc 2,30 is gelijk : vervoegd werkwoord , onderwerp , lijdend voorwerp .
Lc 3,6 ( = Js 40,5) : kai (en) opsetai (zal zien) pasa sarx (alle vlees) to sôtèrion tou theou (de redding van God) .
Lc 2,30 : hoti (omdat) eidon (gezien hebben) hoi ofthalmoi mou (mijn ogen) to sôtèrion sou (uw redding) .
Hnd 28,28 en Lc 3,6 ( = Js 40,5) hebben to sôtèrion tou theou . Sommige vertalers houden het neutraal en vertalen tou theou door van God of Gods . Andere vertalers beschouwen de genitief tou theou als een subjectsgenitief en willen tot uitdrukking brengen dat God de redding bewerkt . De vertalingen zijn zeer gevarieerd : de redding van God (Synopsis Lc 3,6) , Gods redding (liturgische lezing Lc 3,6) , deze redding door God (Willibrord en Naardense Hnd 28,28) , de redding die van God komt (Willibrord Hnd 28,28) , hoe God redding brengt (NV Lc 3,6) , dat God deze boodschap van redding (NV Hnd 28,28) , het heil van onze God (Naardense Lc 3,6) .

14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 -- Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,7 - Lc 3,8 - Lc 3,9

Lc 3,7 - Lc 3,7 : 14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,7 - Lc 3,8 - Lc 3,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
. [7] Elegen de tois ekporeuomenois ochlois baptisthènai enôpion autou Gennèmata echidnôn, tis umein upedeixen fugein apo tès mellousès orgès;  7 dicebat ergo ad turbas quae exiebant ut baptizarentur ab ipso genimina viperarum quis ostendit vobis fugere a ventura ira          7 Daarom heeft hij gezegd tot de scharen die uittrekken om door hem te worden gedoopt: adderengebroed, wie heeft jullie wijsgemaakt dat je de toorn die losbreekt kunt ontvluchten?–  7. Il disait donc aux foules qui s'en venaient se faire baptiser par lui : « Engeance de vipères, qui vous a suggéré d'échapper à la Colère prochaine ? 

King James Bible . [7] Then said he to the multitude that came forth to be baptized of him, O generation of vipers, who hath warned you to flee from the wrath to come?
Luther-Bibel . 7 Da sprach Johannes zu der Menge, die hinausging, um sich von ihm taufen zu lassen: Ihr Schlangenbrut, wer hat denn euch gewiss gemacht, dass ihr dem künftigen Zorn entrinnen werdet?

Tekstuitleg van Lc 3,7 . Het vers Lc 3,7 telt 18 (2 X 3²) woorden en 109 letters . De getalwaarde van Lc 3,7 is 12222 (2 X 3² X 7 X 97) .

2. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het N.T. : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 3 (5) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,18 .

Lc 3,7.3. bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud tois van het bep. lidw. ho , hè to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc 3 (2) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,14 .

Lc 3,7.4. part. praes. dat. mann. mv. ekporeuomenois van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .
Lc (2) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 4,22 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,37 .

Lc 3,7.5. dat. mann. mv. ochlois van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (2) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 12,54 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,10 .

Lc 3,7.6. pass. inf. aor. baptisthènai (om gedoopt te worden) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Lc (4) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 . Een vorm van baptizô (dopen) in Lc in 8 (9X) verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,16 (2 vormen) . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 7,30 . (7) Lc 11,38 . (8) Lc 12,50 .

Lc 3,7.13. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk voornaamwoord . Lc (90) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,13 .

Lc 3,8 - Lc 3,8 : 14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,7 - Lc 3,8 - Lc 3,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[8] poièsate oun karpon axion tès metanoias: kai mè arxèsthe legein autois Patera echomen ton Abraam, legô gar umein oti dunatai o ths ek tôn lithôn toutôn egeirai tekna tô Abraam.  8 facite ergo fructus dignos paenitentiae et ne coeperitis dicere patrem habemus Abraham dico enim vobis quia potest Deus de lapidibus istis suscitare filios Abrahae          8 draagt liever vruchten de omkeer waardig; en begint er niet aan bij uzelf te zeggen: wij hebben toch Abraham als vader!– want ik zeg u dat God bij machte is uit deze stenen kinderen voor Abraham op te wekken!–  8. Produisez donc des fruits dignes du repentir, et n'allez pas dire en vous-mêmes : «Nous avons pour père Abraham. » Car je vous dis que Dieu peut, des pierres que voici, faire surgir des enfants à Abraham.  

King James Bible . [8] Bring forth therefore fruits worthy of repentance, and begin not to say within yourselves, We have Abraham to our father: for I say unto you, That God is able of these stones to raise up children unto Abraham.
Luther-Bibel . 8 Seht zu, bringt rechtschaffene Früchte der Buße; und nehmt euch nicht vor zu sagen: Wir haben Abraham zum Vater. Denn ich sage euch: Gott kann dem Abraham aus diesen Steinen Kinder erwecken.

Tekstuitleg van Lc 3,8 .

Lc 3,8.1. act. imperat. aor. 2de p. mv. poièsate (doet) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (3) : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 12,33 . (3) Lc 16,9 . Een vorm van poieô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

Lc 3,8.2. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het N.T. : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 3 (5) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,18 .

Lc 3,8.11. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

Lc 3,8.13. acc. mann. enk. πατερα = patera van het zelfst. naamw. πατηρ = patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in de LXX : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Lc (9) : (1) Lc 1,73 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 11,11 . (6) Lc 14,26 . (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 . (9) Lc 18,20 . Een vorm van πατηρ = patèr in de LXX (1451) , in het NT (415) .
- Hebreeuws . אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . Taalgebruik in de Qoran : ´ab (vader) .

patèr (vader) enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn  ev. 
acc. mann. enk. patera  218  134  84  13  31  20    30  61 
totaal 1093  749  344  60  17  48  121  11  8 125  246 

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.
  patèr    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 6 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 18 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1. nom. mann. enk. patèr  15  (1) Lc 1,67 . (2) Lc 2,33 . (3) Lc 2,48 .   (4) Lc 6,36 .        (5) Lc 10,21 . (6) Lc 10,22 . (7) Lc 11,13 . (8) Lc 12,30 . (9) Lc 12,32 . (10) Lc 12,53 .   (11) Lc 15,20 . (12) Lc 15,22 . (13) Lc 15,27 . (14) Lc 15,28 .     (15) Lc 22,29 .    
2. voc. enk. pater  11              (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 .       (3) Lc 15,12 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,24 . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 16,30 .   (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 .        
3. gen. mann. enk. patros  (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 2,49 .          (4) Lc 9,26 . (5) Lc 10,22 .       (6) Lc 15,17 . (7) Lc 16,27 .       (8) Lc 24,49 .      
4. dat. mann. enk. patri  (1) Lc 1,62 .         (2) Lc 9,42 .     (3) Lc 12,53 .   (4) Lc 15,12 . (5) Lc 15,29 .              
5. acc. mann. enk. patera  (1) Lc 1,73 .   (2) Lc 3,8 .   (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,59 .       (5) Lc 11,11 .   (6) Lc 14,26 .    (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 .   (9) Lc 18,20 .         
6. nom. mann. mv. pateres        (1) Lc 6,23 . (2) Lc 6,26 .         (3) Lc 11,47 .                  
7. gen. mann. mv. paterôn   (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,72 .             (3) Lc 11,48 .                   
8. acc. mann. mv. pateras  (1) Lc 1,55 .                                
    '48'  3   '2'   '3'  '9'  '3' 

Lc 3,8.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

Lc 3,8.19. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk voornaamwoord . Lc (90) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,13 .

Lc 3,8.24. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) .
Lc (46 + 37 = 83) . Lc 3 (1 + 1 = 2) . ek : Lc 3,8 . ex : Lc 3,22 .

26. acc. mann. mv. lithôn van het zelfst. naamw. lithos (steen) . Taalgebruik in het N.T. : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) .
Lc (1) Lc 3,8 . Een vorm van lithos (steen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 . ´èbhèn (steen) , mv. ´äbhânîm (stenen) . Samenstelling : ábh (vader) en banîm (zonen) .

Lc 3,9 - Lc 3,9 : 14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,7 - Lc 3,8 - Lc 3,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[9]èdè de è axeinè pros tèn rizan tôn dendrôn keitai: pan oun dendron mè poioun karpous kalous ekkoptetai kai eis pur balletai  9 iam enim securis ad radicem arborum posita est omnis ergo arbor non faciens fructum exciditur et in ignem mittitur           9 de bijl ligt reeds aan de wortel van de bomen: elke boom dan die geen goede vrucht draagt wordt omgehakt en in het vuur gegooid!  9. Déjà même la cognée se trouve à la racine des arbres ; tout arbre donc qui ne produit pas de bon fruit va être coupé et jeté au feu. » 

King James Bible . [9] And now also the axe is laid unto the root of the trees: every tree therefore which bringeth not forth good fruit is hewn down, and cast into the fire.
Luther-Bibel . 9 Es ist schon die Axt den Bäumen an die Wurzel gelegt; jeder Baum, der nicht gute Frucht bringt, wird abgehauen und ins Feuer geworfen.

Tekstuitleg van Lc 3,9 . Het vers Lc 3,9 telt 23 woorden en 101 letters . De getalwaarde van Lc 3,9 is 7852 (2² X 13 X 151) .

Lc 3,9.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

Lc 3,9.12. nom. + acc. onz. enk. pan van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (6) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,5 . (5) Lc 3,9 . (6) Lc 11,42 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,5 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 3,9 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16. (7) Lc 3,19 . (8) Lc 3,20 .

13. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het N.T. : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 3 (5) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,18 .

17. acc.. mann. enk. karpon van het zelfst. naamw. karpos (vrucht) . Taalgebruik in het N.T. : karpos (vrucht) . Taalgebruik in Lc : karpos (vrucht) . Hebr. përî , mv. pêrôth . Lat. frui - fructus . Fr. fruit . Ned. vrucht , fruit . Lat. carpere (plukken) , zie carpe diem (pluk de dag) . Omgekeerde van krp is prk . Lc (6) : (1) Lc 3,9 . (2) Lc 6,43 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 13,6 . (5) Lc 13,7 . (6) Lc 13,9 . Een vorm van karpos (vrucht) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 6,43 . (5) Lc 6,44 . (6) Lc 8,8 . (7) Lc 12,17 . (8) Lc 13,6 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 13,9 . (11) Lc 20,10 .

19. pass. ind. praes. 3de pers. enk. ekkoptetai van het werkw. ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in het N.T. : ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Taalgebruik in Lc : ekkoptô (uitkappen, omkappen) . Lc (1) Lc 3,9 . Een vorm van ekkoptô (uitkappen, omkappen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 3,9 . (2) Lc 13,7 . (3) Lc 13,9 .

14.1. Inleiding op de eschatologische prediking : Lc 3,7a

De inleidingsformule is geïnspireerd op Mc 1,5, dat Lucas geredigeerd heeft. Lc 3,7 bevat 8 woorden en 20 lettergrepen.

  Lc 2,1 Mc 1,5 Lc 3,7 Lc 2,3 Mc 1,9 Lc 2,4
voegwoord of verbinding   kai (en) elegen oun (hij zei derhalve) kai (en)    
vervoegd werkwoord hoofdzin  eksèlthen (ging uit) ekseporeueto (trok uit) tois ekporeuomenois (aan de uitgetrokken) eporeuonto (zij gingen) èlthen (ging) Anebè de (ging echter op)
    pros auton (naar hem nl .Johannes de Doper)        
onderwerp   dogma... (een bevel) pasa hè Ioudaia chôra kai hoi  Hierosolumitai pantes (de hele Judese landstreek en alle Jerusalemmers) ochlois (menigten) pantes (allen)   Ièsous (Jezus)   kai Iôsèf (ook Jozef)
plaatsbepaling         apo Nazareth tès Galilaias (uit Nazaret van Galilea) apo tès Galilaias ek poleôs Nazareth (van  Galilea, uit de stad Nazaret)  eis tèn Ioudaian
werkwoord : nevenschikkende zin of infinitiefzin apografesthai  (om zich te laten registreren) kai ebaptizonto (en ze werden gedoopt) baptisthènai (om gedoopt te worden) apografesthai  (om zich te laten registreren) kai ebaptisthè (en hij werd gedoopt) apograpsasthai  (om zich te laten registreren)
plaatsbepaling   ... en tôi Iordanèi potamôi (in de rivier de Jordaan)        
    hup'autou (door hem) hup'autou (door hem)      
   Lc 2,1-20 : de geboorte van Jezus Mc 1,2-6 : optreden van Johannes de Doper  14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 // Mt 3,7-10 Lc 2,1-20 : de geboorte van Jezus Mc 1,9-11 : doop van Jezus Lc 2,1-20 : de geboorte van Jezus

14.2. Lc 3,8 : vruchten voortbrengen

 structuur van Lc 3,10-14 Lc 3,8 Lc 3,10-11 Lc 3,12-13 Lc 3,14
vraag   tí (wat) oun (derhalve)  didaskale, tí (leermeester, wat tí (wat)
  poièsate oun karpous... (brengt derhalve vruchten voort...) poièsômen (moeten wij doen)  poièsômen (moeten wij doen) poièsômen (moeten wij doen)
  14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 // Mt 3,7-10 - Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 -  15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 - Lc 3,10-14 -    

15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- Lc 3,10-14 -- - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -

Lc 3,10-14 richt zich tot een drievoudig publiek . Er is een vraag en een antwoord . Vraag en antwoord worden telkens ingeleid . Lc 3,10-14 bestaat dus uit drie delen met telkens vier onderdelen . Zo bekomen we 12 deeltjes .
Eerste deel :
1. Lc 3,10a : inleiding op de eerste vraag .
2. Lc 3,10b : de eerste vraag .
3. Lc 3,11a: inleiding op het eerste antwoord .
4. Lc 3,11b : het eerste antwoord .
Tweede deel :
5. Lc 3,12a : inleiding op de tweede vraag .
6. Lc 3,12b : de tweede vraag .
7. Lc 3,13a : inleiding op het tweede antwoord .
8. Lc 3,13b : het tweede antwoord .
Derde deel :
9. Lc 3,14a : inleiding op de derde vraag .
10. Lc 3,14b : de derde vraag .
11. Lc 3,14c : inleiding op het derde antwoord .
12. Lc 3,14d : het derde antwoord .

Lc 3,10 - Lc 3,10 : 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
.[10] kai epèrôtèsan auton oi ochloi legontes Ti poièsômen; ina sôthômen;   10 et interrogabant eum turbae dicentes quid ergo faciemus           10 De scharen vroegen hem en zeiden: wat moeten we dan doen! 10. Et les foules l'interrogeaient, en disant : « Que nous faut-il donc faire ? » 

King James Bible . [10] And the people asked him, saying, What shall we do then?
Luther-Bibel . 10 Und die Menge fragte ihn und sprach: Was sollen wir denn tun?

Tekstuitleg van Lc 3,10 .

Lc 3,10.2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. epèrôtôn (zij vroegen op) . eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Lc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 8,9 . (4) Lc 22,64 . Een vorm van eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 3,10 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 17,20 . (9) Lc 18,18 . (10) Lc 18,40 . (11) Lc 20,21 . (12) Lc 20,27 . (13) Lc 20,40 . (14) Lc 21,7 . (15) Lc 22,64 . (16) Lc 23,6 . (17) Lc 23,9 .

Lc 3,10.1. - 3. kai epèrôtôn auton (en zij ondervroegen hem) in Lc (2) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 22,64 (variante) . Lc 3,10-14 bestaat uit drie delen (menigten - tollenaars - soldaten) met elk 4 elementen : (1) inleiding op de vraag) . (2) de vraag . (3) inleiding op het antwoord . (4) het antwoord . In het eerste en derde deel wordt in de inleiding op de vraag epèrôtôn... legontes (zij ondervroegen ... zeggende) gebruikt . In Lc 3,10a : kai epèrôtôn auton (en zij ondervroegen hem) , in Lc 3,14a epèrôtôn de auton (zij ondervroegen hem) . De eerste groep (de menigten) wordt ingeleid met kai (en) , de tweede (tollenaars) en de derde groep (soldaten) met de (echter) . Het duidt immers een nieuw begin aan .
epèrôtôn de auton (zij ondervroegen hem) . Lc (2) : (1) Lc 3,14 . (2) Lc 8,9 .

Lc 3,10.5. nom. mann. mv. ochloi van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) .
Lc (10) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 5,15 . (4) Lc 8,42 . (5) Lc 8,45 . (6) Lc 9,11 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 11,14 . (9) Lc 14,25 . (10) Lc 23,48 . Een vorm van ochlos (menigte) in Lc in 41 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,10 .

Lc 3,10.7. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 .

8. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het N.T. : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 3 (5) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,18 .

Lc 3,10.9. act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 9,33 . Een vorm van poièô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

Lc 3,11 - Lc 3,11 : 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[11] apokritheis de legei autois: o echôn duo chitônas metadotô tô mè echonti, kai o echôn brômata omoiôs poieitô.   11 respondens autem dicebat illis qui habet duas tunicas det non habenti et qui habet escas similiter faciat           11 Ten antwoord heeft hij hun gezegd: wie twee mantels heeft moet delen met wie er geen heeft, en wie te eten heeft, moet evenzo doen! 11. Il leur répondait : « Que celui qui a deux tuniques partage avec celui qui n'en a pas, et que celui qui a de quoi manger fasse de même. » 

King James Bible . [11] He answereth and saith unto them, He that hath two coats, let him impart to him that hath none; and he that hath meat, let him do likewise.
Luther-Bibel . 11 Er antwortete und sprach zu ihnen: Wer zwei Hemden hat, der gebe dem, der keines hat; und wer zu essen hat, tue ebenso.

Tekstuitleg van Lc 3,11 . Lc 3,11b bestaat uit 14 woorden en 30 lettergrepen . Het versdeel bestaat uit twee nevenschikkende imperatiefzinnen , die parallel zijn opgebouwd . De eerste vraag eindigt met het werkwoord poieô (doen) , het eerste antwoord eindigt eveneens met een werkwoordvorm van poieô (doen) .
Het gaat om de basisbehoeften van kleding en voeding .

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

8. acc. mann. mv. chitônas van het zelfst. naamw. chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in het N.T. : chitôn (wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in Lc : chitôn (wollen of linnen onderkleed) .
Lc (2) : (1) Lc 3,11 . (2) Lc 9,3 . Een vorm van chitôn (wollen of linnen onderkleed) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 3,11 . (2) Lc 6,29 . (3) Lc 9,3 .

18. act. imperat. praes. 3de pers. enk. poieitô (dat hij doet) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (1) : Lc 3,11 . Een vorm van poieô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

Lc 3,12 - Lc 3,12 : 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[12] èlthon de kai telônai omoiôs baptisthènai kai eipan pros auton Didaskale ti poièsômen ina sôthômen;   12 venerunt autem et publicani ut baptizarentur et dixerunt ad illum magister quid faciemus          12 Er komen ook tollenaars om gedoopt te worden; zij zeggen tot hem: leermeester, wat moeten wij doen?  12. Des publicains aussi vinrent se faire baptiser et lui dirent : « Maître, que nous faut-il faire ? »  

King James Bible . [12] Then came also publicans to be baptized, and said unto him, Master, what shall we do?
Luther-Bibel . 12 Es kamen auch die Zöllner, um sich taufen zu lassen, und sprachen zu ihm: Meister, was sollen denn wir tun?

Tekstuitleg van Lc 3,12 .

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

5. pass. inf. aor. baptisthènai (om gedoopt te worden) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Lc (4) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 . Een vorm van baptizô (dopen) in Lc in 8 (9X) verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,16 (2 vormen) . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 7,30 . (7) Lc 11,38 . (8) Lc 12,50 .

11. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 .

12. act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) .
Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 9,33 . Een vorm van poièô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

Lc 3,13 - Lc 3,13 : 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[13] o de eipen autois : Mèden pleon prassetai para to diatetagmenon umein prassein[  13 at ille dixit ad eos nihil amplius quam quod constitutum est vobis faciatis           13 En hij zegt tot hen: vordert niet meer dan voor u is vastgesteld!   13. Il leur dit : « N'exigez rien au-delà de ce qui vous est prescrit. »  

King James Bible . [13] And he said unto them, Exact no more than that which is appointed you.
Luther-Bibel . 13 Er sprach zu ihnen: Fordert nicht mehr, als euch vorgeschrieben ist!

Tekstuitleg van Lc 3,13 .

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

1. - 5. ho de eipen pros autous (hij echter zei tot hen) . Lc (3) : (1) Lc 3,13 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 13,23 .

8. παρα = para . Afkorting . παρ' = par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in het NT : para (langs) . Taalgebruik in de LXX : para (langs) . Taalgebruik in Lc : para (langs) .

para  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
para  677  553  124  13  11  20  21  18  40  44  65     
par'  238  178  60  10  10  22  16  26  21 
totaal 915  731  184  17  15  28  31  28  62  60  91     

- παρα = para . Lc (20) : (1) Lc 1,30 . (2) Lc 1,37 . (3) Lc 1,45 . (4) Lc 2,1 . (5) Lc 2,52 . (6) Lc 3,13 . (7) Lc 5,1 . (8) Lc 5,2 . (9) Lc 7,38 . (10) Lc 8,5 . (11) Lc 8,12 . (12) Lc 8,35 . (13) Lc 8,41 . (14) Lc 8,49 . (15) Lc 13,2 . (16) Lc 13,4 . (17) Lc 17,16 . (18) Lc 18,27 . (19) Lc 18,35 . (20) Lc 19,7 .
- παρ' = par' . Lc (8) : (1) Lc 6,19 . (2) Lc 6,34 . (3) Lc 9,47 . (4) Lc 10,7 . (5) Lc 11,16 . (6) Lc 11,37 . (7) Lc 12,48 . (8) Lc 18,14
- Lc (20 + 8 = 28) .

9. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

11. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc. : persoonlijk voornaamwoord . Lc (90) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,13 .

Lc 3,14 - Lc 3,14 : 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,10 - Lc 3,11 - Lc 3,12 - Lc 3,13 - Lc 3,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14] epèrôtèsan de kai strateuomenoi legontes Ti poièsômen ina sôthômen; o de eipen autois Mèdena diaseisète mède sukofantèsète, kai arkeisthe tois oyôniois umôn.  14 interrogabant autem eum et milites dicentes quid faciemus et nos et ait illis neminem concutiatis neque calumniam faciatis et contenti estote stipendiis vestris          14 Ook soldaten stellen hem een vraag en zeggen: en wij, wat moeten wij doen? En hij zegt tot hen: niemand uitschudden, niemand iets afpersen, genoegen nemen met je soldij!  14. Des soldats aussi l'interrogeaient, en disant : « Et nous, que nous faut-il faire ? » Il leur dit : « Ne molestez personne, n'extorquez rien, et contentez-vous de votre solde. »  

King James Bible . [14] And the soldiers likewise demanded of him, saying, And what shall we do? And he said unto them, Do violence to no man, neither accuse any falsely; and be content with your wages.
Luther-Bibel . 14 Da fragten ihn auch die Soldaten und sprachen: Was sollen denn wir tun? Und er sprach zu ihnen: Tut niemandem Gewalt oder Unrecht und lasst euch genügen an eurem Sold!

Tekstuitleg van Lc 3,14 .

1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. epèrôtôn (zij vroegen op) . eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Lc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 8,9 . (4) Lc 22,64 . Een vorm van eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 3,10 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 17,20 . (9) Lc 18,18 . (10) Lc 18,40 . (11) Lc 20,21 . (12) Lc 20,27 . (13) Lc 20,40 . (14) Lc 21,7 . (15) Lc 22,64 . (16) Lc 23,6 . (17) Lc 23,9 .

2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

1. - 3. epèrôtôn de auton (zij ondervroegen hem) . Lc (2) : (1) Lc 3,14 . (2) Lc 8,9 . Lc 3,10-14 bestaat uit drie delen (menigten - tollenaars - soldaten) met elk 4 elementen : (1) inleiding op de vraag) . (2) de vraag . (3) inleiding op het antwoord . (4) het antwoord . In het eerste en derde deel wordt in de inleiding op de vraag epèrôtôn... legontes (zij ondervroegen ... zeggende) gebruikt . In Lc 3,10a : kai epèrôtôn auton (en zij ondervroegen hem) , in Lc 3,14a epèrôtôn de auton (zij ondervroegen hem) . De eerste groep (de menigten) wordt ingeleid met kai (en) , de tweede (tollenaars) en de derde groep (soldaten) met de (echter) . Het duidt immers een nieuw begin aan .
kai epèrôtôn auton (en zij ondervroegen hem) in Lc (2) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 22,64 (variante) .

7. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 .

- variante : και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) . NT (15) : (1) Lc 2,34 . (2) Lc 2,49 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 5,10 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,3 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 19,5 . (11) Lc 19,13 . (12) Lc 22,15 . (13) Hnd 7,3 . (14) Hnd 9,10 . (15) Hnd 22,21 .
- ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 .

- variante : και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) . NT (= Lc) (8) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 4,23 . (4) Lc 8,22 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 11,5 . (7) Lc 19,13 . (8) Lc 22,15 .
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) . NT (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Hnd 1,7 .
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) . NT (30) . Slechts in de evangelies . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 .
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) . NT (7) : (1) Lc 8,25 . (2) Lc 9,20 . (3) Lc 10,18 . (4) Lc 11,2 . (5) Lc 22,67 . (6) Lc 24,44 . (7) Joh 6,35 .

8. act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) .
Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 9,33 . Een vorm van poièô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

inleiding vraag kai (en)  kai (en)  
  epèrôtôn ( vroegen)  eipan (zij zeiden) epèrôtôn (vroegen)
      de (echter)
  auton (hem)  pros auton (tot hem) auton (hem)
  hoi ochloi (de menigten)   kai strateuomenoi (de soldaten)
  legontes (zeggende)   legontes (zeggende)
vraag tí (wat) oun (derhalve)  didaskale, tí (leermeester, wat tí (wat)
  poièsômen (moeten wij doen)  poièsômen (moeten wij doen) poièsômen (moeten wij doen)
inleiding antwoord apokritheis de (antwoordende echter)  ho de (hij echter)  kai (en)
  elegen (zei hij) eipen (zei)  eipen (hij zei)  
  autois (hen)  pros autous (tot hen)  autois (hen) 
   15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14    

  menigten (woorden) tollenaars (woorden) soldaten (woorden) menigten (lettergrepen) tollenaars (lettergrepen) soldaten (lettergrepen)
inleiding vraag 6 9 6  13 17  16
vraag 3 3 4  6 9    8
inleiding antwoord 4 5 3  10 7 5
antwoord 14 7 9  30 18  27 
totaal 27 24 22 ( totaal : 73 )  59  51 56 ( totaal : 166 )  

15.1. Lc 3,10a : inleiding op de eerste vraag .
Lc 3,10a bestaat uit 6 woorden en 13 lettergrepen. Zinsconstructie is : nevenschikkend voegwoord, vervoegd werkwoord in de imperfectumvorm, het lijdend voorwerp, het onderwerp, het deelwoord bij het onderwerp om de directe vraagzin in te leiden.

 structuur van Lc 3,10-14 Lc 3,10-11 Lc 3,12-13 Lc 3,14
nevenschikkend voegwoord kai (en)  kai (en)  
 werkwoord epèrôtôn ( vroegen)  eipan (zij zeiden) epèrôtôn (vroegen)
      de (echter)
 lijdend voorwerp of bepaling bij het werkwoord auton (hem)  pros auton (tot hem) auton (hem)
 onderwerp hoi ochloi (de menigten)   kai strateuomenoi (de soldaten)
 participium (deelwoord) het citaat inleidend legontes (zeggende)   legontes (zeggende)
   15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 - Lc 3,10-14 -    

Het nevenschikkend voegwoord kai (en) om een vraag of een antwoord in te leiden, komt slechts hier (kai epèrôtôn : en zij vroegen) en in het antwoord op de vraag van de derde groep voor (Lc 3,14c : kai eipen autois : en hij zei hen). In de andere gevallen zal Lucas niet het woordje kai (en) maar het woordje de (echter) gebruiken:
- Lc 3,11a : apokritheis de (geantwoord echter);
- Lc 3,12a : èlthon de (zij gingen echter);
- Lc 3,13a : ho de eipen (hij echter zei) ;
- Lc 3,14a : epèrôtôn de (zij vroegen echter).
De (echter) staat telkens op de tweede plaats in de zin. We zien dat het woordje de (echter) de versindeling heeft bepaald. In Lc 3,14c begint geen nieuw vers bij de inleiding van het antwoord op de derde vraag (wat wel het geval was bij de inleiding van het antwoord op de eerste en de tweede vraag); dat versdeel begint immers met kai (en): kai eipen (en hij zei).

In Lc 3,10a staat het vervoegd werkwoord (epèrôtôn : zij vroegen) bij het begin van de zin. Complementair eraan staat in de inleiding van het antwoord (Lc 3,11a) het woord apokritheis (beantwoord of geantwoord) vooraan. Dat is echter een deelwoord (verleden deelwoord - aorist). In Lc 3,10a staat het deelwoord (legontes : zeggende) achteraan de zin. In de ene zin (Lc 3,10a) staat het deelwoord achteraan de zin, in de andere zin (Lc 3,11a) vooraan. In Lc 3,10a staat het vervoegd werkwoord (epèrôtôn : zij vroegen) vooraan, in Lc 3,11a (elegen : hij zei) achteraan. Alzo krijgen we een chiastische opbouw. Zowel in Lc 3,10a als in Lc 3,11a staat het vervoegd werkwoord in het imperfectum - de onvoltooid verleden tijd.

Tot wie de vraag of het antwoord gericht wordt, staat telkens onmiddellijk na het werkwoord:
- Lc 3,10a : epèrôtôn auton : zij vroegen hem.
- Lc 3,11a : elegen autois : hij zei hen.
- Lc 3,12a : eipan pros auton : zij zeiden tot hem.
- Lc 3,13a : eipen pros autous : hij zei tot hen.
- Lc 3,14a : epèrôtôn de auton : zij vroegen echter hem.
- Lc 3,14c : eipen autois : hij zei hen.

De menigten zijn de eersten die aan Johannes de vraag stellen. Ze zijn het onderwerp van de inleidingszin op de eerste vraag. De inleidingszin op het antwoord lijkt sterk op de inleiding van Lc 3,7a (de eschatologische rede van Johannes):
- Lc 3,7a : elegen oun tois ekporeuomenois ochlois : hij zei derhalve aan de uitgetrokken menigten.
- Lc 3,11b : elegen autois : hij zei hen.

De vragen en antwoorden staan in de directe rede. Daaraan gaat telkens een werkwoordvorm van legô (zeggen) vooraf:
- Lc 3,10a : legontes : zeggende.
- Lc 3,11a : elegen autois : hij zei hen.
- Lc 3,12a : eipan pros auton : zij zeiden tot hem.
- Lc 3,13a : eipen pros autous : hij zei tot hen.
- Lc 3,14a : legontes : zeggende.
- Lc 3,14c : eipen autois : hij zei hen.

We lopen iets vooruit. Bij het verhaal van de rijke jongeling ( - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - ) wordt in Mc 10,17 de vraag gesteld : Wat moet ik doen... Bij de inleiding gebruikt Marcus het werkwoord erôtaô (vragen) en plaatst het in de imperfectumvorm. In Lc 18,18 gebruikt Lucas eveneens het werkwoord erôtaô (vragen) maar zet het in de aoristvorm. De zinsstructuur komt sterk overeen met de structuur in Lc 3,10. Heeft Lucas bij het samenstellen van zijn tekst van Lc 3,10-14 de tekst van de rijke jongeling in het achterhoofd gehad.
In Lc 3,10-14 en Lc 18,18-23 gaat de inhoud over bezittingen. In Lc 3,10-14 pleit Lucas voor het delen van bezit of rechtmatig bezitten. Dat was de houding van Johannes de Doper. In Lc 18,18-23 pleit Jezus om alles te verkopen en hem te volgen.

  Lc 3,10-11 Mc 10,17 // Lc 18,18 // Mt 19,16 Lc 18,18 // Mc 10,17 // Mt 19,16
nevenschikkend voegwoord kai (en) Kai ... (en...) Kai (en)
 werkwoord epèrôtôn ( vroegen) epèrôta (hij vroeg) epèrôtèsen (vroeg)
       
 lijdend voorwerp of bepaling bij het werkwoord auton (hem) auton (hem) tis auton (hem)
 onderwerp hoi ochloi (de menigten)   archôn (een bepaalde overste)
 participium (deelwoord) het citaat inleidend legontes (zeggende)   legôn (zeggende)
   15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 - Lc 3,10-14 -  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23

15.2. Lc 3,10b : de eerste vraag
Lc 3,10b bestaat uit 3 woorden en 6 lettergrepen. De vraag is geformuleerd in de directe rede. In de drie gevallen zijn de vragen identiek: tí poièsômen (wat moeten wij doen)? In Lc 3,10b sluit oun (derhalve, bijgevolg) aan bij de eschatologische rede van Lc 3,7-9. Daar zegt Johannes : poièsate oun... doet derhalve (brengt derhalve voort) vruchten, waardig aan de bekering (aksious tès metanoias).

 structuur van Lc 3,10-14 Lc 3,8 - Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - Lc 3,10-11 - Lc 3,10-14 - Lc 3,12-13 Lc 3,14
vraag   tí (wat) oun (derhalve)  didaskale, tí (leermeester, wat tí (wat)
  poièsate oun karpous... (brengt derhalve vruchten voort...) poièsômen (moeten wij doen)  poièsômen (moeten wij doen) poièsômen (moeten wij doen)
  14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 // Mt 3,7-10 - Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 -  15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 - Lc 3,10-14 -    

In het verhaal van de rijke (jonge) man ( Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 ) stelt (in Lucas 18,18) de overste de vraag : door wat te doen zal ik eeuwig leven beërven? Dezelfde vraag heeft Lucas ingevoegd in het verhaal van de vraag naar het eerste gebod en van de barmhartige Samaritaan ( Lc 10, 25-28 ). In Hnd 2 wordt eerst het verhaal van Pinksteren verteld (Hnd 2,1-13). Dan volgt de toespraak van Petrus (Hnd 2,14-36). Dan stellen de toehoorders de vraag wat zij moeten doen ( Hnd 2,37 ). Interessant is dat de vraag gesteld wordt na de toespraak van Petrus. In Lc 3,10-14 worden de vragen gesteld na de korte eschatologische rede van Johannes (Lc 3,7-9). In Hnd 16,11-40 wordt verteld wat Paulus en Silas overkomt in in Filippi. Na allerlei wondere gebeurtenissen vraagt de gevangenisbewaker wat hij moet doen om gered te worden (Hnd 16,30). Gevangen genomen in Jeruzalem verdedigt Paulus zich (Hnd 21,37-22,21) en vertelt zijn roepingsverhaal, waarin hij de vraag stelt wat hij moet doen (Hnd 22,10).

Mc 10,17 // Mt 19,16 // Lc 18,18 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16 // Mc 10,17 // Lc 18,18 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18 // Mc 10,17 // Mt 19,16 - Lc 18,18-23 - Lc 10,25 - Lc 10, 25-28 - Hnd 2,37 - Hnd 2,14-40 - Hnd 9,6 - Hnd 9,1-22 - Hnd 16,30  - Hnd 16,11-40 - Hnd 22,10 - Hnd 21,37-22,21
didaskale agathe (goede leermeester) didaskale (leermeester) didaskale agathe (goede leermeester) didaskale (leermeester)   kai lalèthèsetai soi (en er zal u gezegd worden)    
tí (wat) tí agathon (wat goeds) tí (door wat) tí (door wat) tí (wat) ho ti (wat) tí (wat)   tí (wat)
poièsoo (zal ik doen) poièsoo (zal ik doen) poièsas (te doen) poièsas (te doen) poièsômen se dei poein (je moet doen) me dei poiein (is nodig dat ik doe)   poièsô (zal / moet ik doen?)
(hina) opdat (hina) opdat          hina (opdat)  
zôèn aiônion (eeuwig leven) schô zôèn aiônion (ik zou hebben leven leven) zôèn aiônion (eeuwig leven) zôèn aiônion (eeuwig leven)        
klèronomèsô (ik zal beërven)   klèronomèsô (ik zal beërven) klèronomèsô (ik zal beërven)     sôthô (ik word gered)   
268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 293. Vraag naar het eerste gebod : Mc 12,28-34 // Mt 22,34-40 // Lc 20,39-40  Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus Hnd 9,1-22 : Saulus in Damascus  Hnd 16,11-40 : in Filippi  Hnd 21,37-22,21 : verdedigingsrede tegenover het volk

Er zijn nog enkele teksten waarin de vraag hoe te handelen nog voorkomt.

Lc 16,1 - Lc 16,1-9 - Lc 12,16
elegen de kai pros tous mathètas (hij zei echter ook tot zijn leerlingen) eipen de parabolèn pros autous legôn (hij zei echter een parabel tot hen zeggende)
anthrôpos tis èn plousios (een bepaalde mens was rijk) anthrôpoutinos plousiou (van een bepaalde rijke mens)...
hos eichen oikonomon (die had de economie - huishouden - beheer)  
hôs diaskorpizôn ta huparchonta autou (als verkwistende zijn goederen)  
3. eipen de en heautôi ho oikonomos (de beheerder echter zei bij zichzekf) kai dielogizeto en heautôi legôn (hij overlegde bij zichzelf zeggende)
tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...) tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...)
 uitvoering  uitvoering
241. Gelijkenis van de onrechtvaardige huishouder : Lc 16,1-9  - Lc 16,1-9 -  211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21

15.-3. Lc 3,11a : inleiding op het eerste antwoord.

Lc 3,11a bestaat uit 4 woorden en 10 lettergrepen.
In Lc 3,3 wordt van Johannes gezegd kèrussôn baptisma metanoias eis afesin hamartiôn : verkondigend het doopsel van bekering (berouw) tot vergeving van zonden. Dat is tamelijk algemeen. Matteüs en Lucas lassen een eschatologische rede van Johannes in (Mt 3,7-10 // Lc 3,7-9). Dat doen Matteüs en Lucas nog meer. Om het edidasken (hij onderwees) van Mc 1,21 invulling te geven, last Matteüs zijn bergrede (Mt 5-7) in en Lucas het optreden van Jezus in Nazaret (Lc 4,16-30).
De uitvoerige verkondiging (Lc 3,7-9) nodigt blijkbaar uit tot handelen (Lc 3,10-14). Het begin van de inleidingsformule van Lc 3,7 en het einde ervan in Lc 3,11a verwijzen naar elkaar :
- Lc 3,7a : elegen oun tois ekporeuomenois ochlois baptisthènai hup'autou : hij zei derhalve aan de uitgetrokken menigten om gedoopt te worden door hem.
- Lc 3,11a : ... elegen autois : hij zei aan hen.

15.4. Lc 3,11b : het eerste antwoord .


In de zendingsrede geeft Jezus aan zijn leerlingen de richtlijn om geen dubbele 'kleding' of twee lijfrokken te dragen (Mc 6,9 // Mt 10,10 // Lc 9,3) .
In het verhaal van de rijke (jonge) man (Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23) vraagt de man wat hij moet doen om het eeuwig leven te beërven . Jezus raadt hem aan alles te verkopen en het aan de armen te geven en zo een schat in de hemel te verwerven . De man gaat echter bedroefd heen , want hij was geweldig rijk .
In het verhaal naar de vraag van het voornaamste gebod (Lc 10,25-28 // (Mc 12,28-34) // (Mt 22,34-40) ontleent Lucas dezelfde vraag aan het verhaal van de rijke man . Na dit verhaal volgt het verhaal van de barmhartige Samaritaan (Lc 10,29-37) . Lucas raadt de wetgeleerde aan zo te handelen als de barmhartige Samaritaan . Evenzo doen vinden we eveneens in Lc 3,11b .

Verkoop alles wat je bezit en geef het aan de armen . Indien het bezit uit geld of roerend goed (kledij , schoensel , voedsel enz. ) bestond , kon dat onmiddellijk aan de armen gegeven worden . Volgens Lc 3,11 kan dat ook . In geval van Lc 3,11 wordt er gedeeld . Verkopen heeft blijkbaar te maken met onroerend goed ; het bindt je aan een plaats . Jezus volgen betekent letterlijk : met hem op weg gaan . Dat kan dus niet als je aan een bepaalde plaats gebonden bent . Wanner je alles verkoopt en aan de armen geeft , ben je zelf arm en moet je leven van de vrijgevigheid en de gastvrijheid van de anderen . Volgens de Handelingen van de Apostelen heeft zich in Jeruzalem een gemeenschap gevormd , waarvan de leden alles hebben verkocht en het aan de gemeenschap hebben gegeven . Alles was er gemeenschappelijk . Bij het voortdurend aansluiten van nieuwe leden is de inkomstenbron verzekerd , maar zo'n bron is toch niet onuitputtelijk . De leden moeten toch wel ergens voor inkomsten zorgen .
Martha en ook Zacheüs hebben een huis waarin ze Jezus ontvangen . Ze hebben dan toch eigendom .
Lc 3,11b1 - Lc 3,11b -  Lc 3,11b2 - Lc 3,11b -  Mc 10,21 - Mc 10,17-22 -  Mt 19,21 - Mt 19,16-22 -  Lc 18,22 - Lc 18,18-23 - Mc 10,22 + Mt 19,22 - Mc 10,17-22 - - Mt 19,16-22 - Lc 18,23 - Lc 18,18-23 - Lc 12,33 - Lc 12,33-34 - Lc 10,28  - Lc 10, 25-28 -  Lc 10,37 - Lc 10,29-37 -
    kai (en)                
ho echoon (wie heeft) kai (en) ho echoon (wie heeft) hosa echeis ( wat jij hebt)    panta hosa echeis ( al wat jij hebt)  èn gar echôn (hij was immers hebbende) èn gar (hij was immers)      
duo chitônas (twee lijfrokken)  brômata (voedsel)        ktèmata polla (vele bezittingen)  plousios sfodra (geweldig rijk)      
    pôlèson (verkoop het)   pôlèson sou ta huarchonta (verkoop jouw bezittingen) pôlèson (verkoop het)       pôlèsate ta huarchonta humôn (verkoopt uw bezitiingen)    
metadotô (overhandige het)  homoiôs poieitô (doet evenzo) kai dos (en geef het)    kai dos (en geef het) kai diados (en verdeel het)        kai dote eleèmosunèn (en geeft aalmoes)  touto poiei (doet dit)  kai su poiei homoiôs (en doe gij evenzo)
tôi mè echonti (aan de niet hebbende)   tois ptôchois (aan de armen)    ptôchois (aan de armen) ptôchois (aan armen)            
                 kai zèisièi (en gij zult leven)  
 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14  15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen : Lc 12,33-34 // (Mt 6,19-21) 191. Vraag naar het grootste gebod : Lc 10,25-28 // (Mc 12,28-34) // (Mt 22,34-40)  192. Gelijkenis van de barmhartige Samaritaan : Lc 10,29-37

Na de redevoering van Petrus in Hnd 2,14-36 vragen de omstaanders wat zij moeten doen. Daarop zegt Petrus hen wat zij moeten doen (Hnd 2,38). Het antwoord doet ons toch wel denken aan Lc 3,3 en Lc 3,16.

Lc 3,3 - Lc 3,3 - Lc 3,16b - Lc 3,15-17 - Lc 3,16e - Lc 3,15-17 - Hnd 2,38b - Hnd 2,14-40 - Hnd2,38c - Hnd 2,14-40 -
kèrussôn (verkondigend)        
baptisma metanoias (het doopsel van bekering) egô men hudati baptizô humas (ik echter met water doop ik u) autos humas baptisei en pneumati hagiôi kai puri (hijzelf zal u dopen met heilige geest en vuur) metanoèsate kai baptisthètô hekastos humôn epi tôi onomati Ièsou Xristou (bekeert u en dat ieder van u zich late dopen in de naam van Jezus Christus kai lèmpsesthe tèn dôrean tou hagiou pneumatos (en gij zult ontvangen de gave van de heilige geest)
eis afesin hamartiôn (tot bekering van zonden)     eis afesin tôn hamartiôn humôn (tot bekering van uw zonden)  
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17 Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus Hnd 2,14-40 : toespraak van Petrus

 

Hnd 2,45 Hnd 4,32a Hnd 4,32b Hnd 4,34a Hnd 4,34b        
epi to auto kai all'            
eichon oude heis èn autois oude gar endeès tis èn en autois          
panta ti tôn huparchôn autôi elegen panta            
koina, idion ,einai koina            
kai                
ta ktèmata kai tas huparxeis       hosoi gar ktètores chôriôn è oikiôn hupèrchon        
epipraskon       pôlountes eferon...        
kai diemerizon auta pasin       diedoto de        
kai (en)   kai (en) kai (en)          
ekseporeueto (ging uit)   ebaptizonto (zij werden gedoopt) èlthen (hij ging) tois ekporeuomenois (aan de uitgetrokken    bapisthènai (om gedoopt te worden) èlthon de (gingen echter) baptisthènai (om gedoopt te worden)  
pros (naar)   hup' (door) eis (naar)   hup' (door)      
auton (hem)   autou (hem)     autou (hem)      
   kai (en)  eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende hun zonden)            
pasa (geheel)        ochlois (menigten)    kai telônai (ook tollenaars)    
hè (de) hoi (de)              
Ioudaia chôra (Judese streek) Hierosolumiatai (Jeruzalemmers)              
  pantes (alle)              
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 // Mt 3,7-10  14. Eschatologische prediking van Johannes de Doper : Lc 3,7-9 // Mt 3,7-10  15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14  15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14  
                 

15.5. Lc 3,12a : inleiding op de tweede vraag.

Het versdeel bestaat uit 9 woorden en 17 lettergrepen. Het bestaat uit twee nevenschikkende zinnen. De vervoegde werkwoordvormen staan in de aorist. Er is een variante in de uitdrukking tot wie de vraag gericht is : pros auton (tot hem) in plaats van autôi (aan hem). Door het zo te formuleren lijkt het sterker op de inleiding op de eerste vraag : epèrôtôn auton : zij vroegen hem.
Lc 3,10-11 sluit aan bij Lc 3,7. In beide gevallen is er sprake over 'menigten'. In Lc 3,12a komen 'telônai' (tollenaars) ter sprake. De zinsconstructie gaat terug op Mc 1,5. Lucas is vertrouwd met deze zinsconstructie. Hij redigeert de twee nevenschikkende zinnen tot één zin; hij maakte van de tweede nevenschikkende zin een infinitiefzin. Dat zagen we in Lc 2,1-7. Ook in Lc 3,7 en 12 zien we dat : ... baptisthènai (om gedoopt te worden).

Mc 1,5a   Mc 1,5b Lc 3,3  Lc 3,7    Lc 3, 12  

De verhalen over (een) rouwmoedige tollenaar(s) of oppertollenaar(s) komen in synoptici veelvuldig voor, maar nog het meest bij Lucas. In dit verhaal komen ze tot Johannes. Jezus echter gaat naar hen op zoek om te redden wat verloren was. In de meeste evangelieverhalen brengen de tollenaars vruchten van bekering voort.
- Lc 5,27-28 (// Mc 2,13-14 // Mt 9,9) : de roeping van de tollenaar Levi. Lucas voegt in Lc 5,28 nog toe : katalipôn panta (alles achterlatende).
- Lc 5,29-32 (// Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13) : Jezus eet met tollenaars en zondaars. Op het einde van het verhaal (Lc 5,32) voegt Lucas eis metanoian (tot bekering) eraan toe. De zin luidt : "Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars, tot bekering."
- Lc 7,29-30: Het doopsel van Johannes : een beslissende keuze. Lc 7,29 : "En al het volk dat hem hoorde en de tollenaars hebben God gerechtvaardigd door gedoopt te worden met het doopsel van Johannes."
- Lc 15,1-2 vermeldt zondaars en tollenaars. Op de inleiding volgt het verhaal van het verloren schaap (Lc 15,3-6), de verloren drachme (Lc 15,8-10) en de verloren zoon (Lc 15,11-32).
- Lc 18,9-14 : De farizeeër en de tollenaar. Lc 18,13 : "De tollenaar echter stond veraf, wou zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst, zeggend : God, laat u met mij, zondaar, vergeven."
- Lc 19,1-10 : Zacheüs. Lc 19,8 : "Zie, de helft van mijn bezittingen, Heer, geef ik aan de armen; en als ik van iemand iets afgeperst heb, geef ik hem viervoudig terug."

15.6. Lc 3,12b : de tweede vraag.

Lc 3,12b bestaat uit 3 woorden en 9 lettergrepen. Hierbij spreken de tollenaars Johannes aan met didaskale (leermeester).

7. Lc 3,13a : inleiding op het tweede antwoord.

Lc 3,13a bestaat uit 5 woorden en 7 lettergrepen. Het vervoegd werkwoord staat in de aoristvorm (zoals het vervoegd werkwoord van de inleiding van de tweede vraag). Bij het werkwoord wordt ook de bepaling pros + voornaamwoord gebruikt, waardoor de twee inleidingen sterk op elkaar gelijken :
- Lc 3,12a1 kai eipan pros auton : en zij zeiden tot hem
- Lc 3,13a : ho de eipen pros autous : hij echter zei tot hen

8. Lc 3,13b : het tweede antwoord.

Het versdeel bestaat uit 7 woorden en 18 lettergrepen. Het werkwoord in de imperatiefvorm staat achteraan de zin, zoals ook het werkwoord van de vraagzin achteraan staat. De zin luidt : "Vorder niets meer dan het u vastgestelde". Zie het verhaal van Zacheüs nl. Lc 19,8 : "en als ik van iemand iets afgeperst heb, geef ik hem viervoudig terug."

9. Lc 3,14a : inleiding op de derde vraag.

Het derde deel van de pericope gelijkt heel sterk op het eerste deel, met enkele invloeden van het tweede deel. Lc 3,14a veronderstelt dat de genoemde groep nl. de soldaten reeds aanwezig zijn. De inleiding op de derde vraag is bijna gelijk aan de inleiding van de eerste vraag. Het gebruik van de (echter) hebben we reeds eerder besproken. De uitdrukking kai strateuomenoi (ook soldaten) lijkt dan op kai telônai (ook tollenaars) van Lc 3,12a. Het versdeel bestaat uit 6 woorden en 16 lettergrepen.

10. Lc 3,14b : de derde vraag.

De derde groep van vragenstellers werd beklemtoond door de constructie : kai strateuomenoi (ook soldaten). Deze beklemtoning wordt hernomen in de vraag : kai hèmeis (ook wij).

11. Lc 3,14c : inleiding op het derde antwoord.

De werkwoordvorm staat in de aoristvorm (verleden tijdvorm). Daardoor wordt de symmetrie van Lc 3,10-11 verbroken waar de beide vervoegde werkwoorden van de inleidingsformule in het imperfectum (onvoltooid verleden tijd) staan. Vanaf Lc 3,12-13 schakelde Lucas reeds over op de aoristvorm.

12. Lc 3,14d : het derde antwoord.

Lc 3,14d bestaat uit drie nevenschikkende imperatiefzinnen : dat gij niemand geld afperse, dat gij niet vals beschuldige, en wees tevreden met uw soldij.

16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan . Lc 3,15-17 - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,15 - Lc 3,16 - Lc 3,17 -

Lc 3,15 - Lc 3,15 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,15 - Lc 3,16 - Lc 3,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[15] Prosdokôntos de tou laou kai dialogizomenôn pantôn en tais kardiais autôn peri Iôanou, mèpote autos eiè o chrs.[ 15 existimante autem populo et cogitantibus omnibus in cordibus suis de Iohanne ne forte ipse esset Christus          15 ¶ Als er een verwachting groeit in de gemeenschap en allen in hun harten overleggen over Johannes of hij niet de Christus is,  15. Comme le peuple était dans l'attente et que tous se demandaient en leur cœur, au sujet de Jean, s'il n'était pas le Christ,  

King James Bible . [15] And as the people were in expectation, and all men mused in their hearts of John, whether he were the Christ, or not;
Luther-Bibel . 15 Als aber das Volk voll Erwartung war und alle dachten in ihren Herzen von Johannes, ob er vielleicht der Christus wäre,

Tekstuitleg van Lc 3,15 .

Lc 3,15.1. act. part. praes. gen. mann. enk. prosdokôntos van het werkw. prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in het N.T. : prosdokaô (verwachten, vermoeden) . Taalgebruik in Lc : prosdokaô (verwachten, vermoeden) .
Lc (1) Lc 3,15 . Een vorm van prosdokaô (verwachten, vermoeden) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,21 . (2) Lc 3,15 . (3) Lc 7,19 . (4) Lc 7,20 . (5) . (6) Lc 8,40 .

Lc 3,15.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

Lc 3,15.3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,15.4. gen. mann. enk. laou van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het N.T. : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 3 (3) : (1) Lc 3,15 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 .

Lc 3,15.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

Lc 3,15.6. part. praes. gen. mv. dialogizomenôn van het werkw. dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in het N.T. : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) . Taalgebruik in Lc : dialogizomai (discussiëren, redetwisten) .
Lc (1) Lc 3,15 . Deze vorm komt in de bijbel slechts in Lc 3,15 voor . Een vorm van dialogizomai (discussiëren, redetwisten) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,29 . (2) Lc 3,15 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 5,22 . (5) Lc 12,17 . (6) Lc 20,14 .

8. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,16 - Lc 3,16 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,15 - Lc 3,16 - Lc 3,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16] Epignous ta dianoèmata autôn, eipen egô umas baptizô en udati eis metanoian, o de erchomenos ischuroteros mou estin, ou ouk imi ikanos lusai ton imanta tou upodèmatos autos umas bapteisei en pneumati agiô kai puri:   16 respondit Iohannes dicens omnibus ego quidem aqua baptizo vos venit autem fortior me cuius non sum dignus solvere corrigiam calciamentorum eius ipse vos baptizabit in Spiritu Sancto et igni           16 zegt Johannes aan allen ten antwoord: ik doop u met water, maar komen zal hij die sterker is dan ik,– ik ben nog niet eens geschikt om de riemen van zijn sandalen los te maken; híj zal u dopen met de heilige Geest en vuur;  16. Jean prit la parole et leur dit à tous : « Pour moi, je vous baptise avec de l'eau, mais vient le plus fort que moi, et je ne suis pas digne de délier la courroie de ses sandales ; lui vous baptisera dans l'Esprit Saint et le feu.  

King James Bible . [16] John answered, saying unto them all, I indeed baptize you with water; but one mightier than I cometh, the latchet of whose shoes I am not worthy to unloose: he shall baptize you with the Holy Ghost and with fire:
Luther-Bibel . 16 antwortete Johannes und sprach zu allen: Ich taufe euch mit Wasser; es kommt aber einer, der ist stärker als ich, und ich bin nicht wert, dass ich ihm die Riemen seiner Schuhe löse; der wird euch mit dem Heiligen Geist und mit Feuer taufen.

Tekstuitleg van Lc 3,16 . Het vers Lc 3,16 telt 33 (3 X 11) woorden en 160 (2³ X 2² X 5) letters . De getalwaarde van Lc 3,16 is 21649 .

Lc 3,16.12. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

Lc 3,16.21. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

Lc 3,16.29. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

Lc 3,16.30. dat. onz. enk. pneumati van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Lc (8) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 3,22 .

Lc 3,16.29. - 30. en pneumati (met een geest) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,16 . In een bredere contekst . (1) Lc 1,17 .: kai proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou (en hij zal voorgaan in zijn aangezicht in een geest en een kracht van Elia) . (2) Lc 3,16 : autos humas baptisei en tô(i) pneumati kai puri (hij zal jullie dopen met heilige geest en vuur) . Lc 1,17 .verwijst naar Johannes de Doper , Lc 3,16 naar Jezus . en tô(i) pneumati (door de geest) . Lc (2) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 4,1 . In een bredere contekst . (1) Lc 2,27 : kai èlthen en tô(i) pneumati eis to hieron (en hij ging door de geest naar de tempel) . (2) Lc 4,1 : kai hègeto en tô(i) pneumati eis tèn erèmon (en hij werd door de geest naar de woestijn gedreven) .

Lc 3,17 - Lc 3,17 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,15 - Lc 3,16 - Lc 3,17 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[17] ou to ptuon en tè cheiri autou kai diakathariei tèn alôna autou kai ton men seiton sunaxei eis apothèkèn , to de achuron katakausei puri asbestô.   17 cuius ventilabrum in manu eius et purgabit aream suam et congregabit triticum in horreum suum paleas autem conburet igni inextinguibili          17 híj heeft de wan in zijn hand om zijn dorsvloer te zuiveren en het graan bijeen te brengen in zijn schuur; maar het kaf zal hij verbranden met onuitblusbaar vuur!  17. Il tient en sa main la pelle à vanner pour nettoyer son aire et recueillir le blé dans son grenier ; quant aux bales, il les consumera au feu qui ne s'éteint pas. »  

King James Bible . [17] Whose fan is in his hand, and he will throughly purge his floor, and will gather the wheat into his garner; but the chaff he will burn with fire unquenchable.
Luther-Bibel . 17 In seiner Hand ist die Worfschaufel, und er wird seine Tenne fegen und wird den Weizen in seine Scheune sammeln, die Spreu aber wird er mit unauslöschlichem Feuer verbrennen.

Tekstuitleg van Lc 3,17 .

2. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

20. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

21. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

Lucas typeert Johannes in het licht van Jezus.

1. Hij is groot
Lc 1,15 / Lc 1,76 Lc 1,32 Lc 7,28a // Mt 11,11 Lc 7,28b
  houtos (deze)     
estai (hij zal zijn) estai (hij zal zijn)    
gar (immers)      
megas (groot) megas (groot) meizôn en gennètois gunaikôn Iôannou oudeis estin (groter onder de geborenen uit vrouwen is niemand dan Johannes ho de mikroteros en tèi basileiai tou theou meizôn autou estin (de kleinste in het koninkrijk van God is groter dan hem)
enôpion kuriou (in het aangezicht van de Heer)      
Lc 1,76 : kai su de , paidion, profètès hupsistou (en gij echter kind, profeet van de Allerhoogste)  kai huios hupsistou (en zoon van de Allerhoogste)    
klèthèsèi (zult genoemd worden) klèthèstai (zal hij genoemd worden)    
 Lc 1, 5-25 : aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper  Lc 1,26-38 : aankondiging van de geboorte van Jezus Lc 7,24-35 : Johannes, meer dan een profeet Lc 7,24-35 : Johannes, meer dan een profeet

Johannes wordt belicht in het aanschijn van Jezus. Verder getuigt Jezus over Johannes in Lc 7,28 (// Mt 11,12) : Ik verzeker u, onder hen die uit vrouwen geboren zijn, is niemand groter dan Johannes. Maar in het koninkrijk van God is de kleinste groter dan hij."

2. Johannes is de voorloper van Jezus

Ex 23,20 Hebr. Mal 3,1 Hebr. Ex 23,20 Grieks Mal 3,1 Grieks Jes 40,3 Grieks Mc 1,2 // (Mt 11,10) // (Lc 7,27) Mc 1,3  Lc 1,17 Lc 2,31  Lc 1,76
hinne(h) (zie) hinne(j) (zie)
kai idou (en zie) idou (zie)
idou (zie)    kai (en) ho (dat)  
'anok(ch)i (ik)
egô (ik) egô (ik)
Mt : egô (ik)   autos (hij)     
soleah (zend) soleah (zend) apostellô (zend) eksapostellô (zend)
apostellô (zend)   proeleusetai (zal voorgaan)     proporeusèi gar (want gij zult voorgaan)
mal'ak(ch) (een bode) mal'ak(ch)i (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode)
ton aggelon mou (mijn bode)        
lep(f)anècha (voor uw aangezicht)
pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)

pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)    enôpion autou (in het aangezicht van hem)    enôpion kuriou (in het aangezicht van de heer) 
yg         hos (die)        
  upinnâh (en bereidt)   kai epiblepsetai hetoimasate (bereidt) kataskeuasei (zal bereiden) hetoimasate (bereidt) hetoimasai (om te bereiden) hètoimasas ( gij bereid heeft) hetoimasai (om te bereiden)
  dèrech (de weg)   hodon (de weg) tèn hodon kuriou (de weg van de Heer) ton hodon sou (uw weg) tijn hodon kuriou (de weg van de Heer) kuriôi (voor de Heer)   odous autou (zijn wegen)
  lep(f)ana(i) (voor zijn aangezicht)   pro prosôpou mou (voor mijn aangezicht)    Mt + Lc : emprosthen sou (in het gezicht van u)     kata prosôpon pantôn tôn laôn ten aanschouwen van alle volken)  
              laon kateskeuasmenon (een welbereid volk)    

Ex 21,1 - 23,33 : het verbondsboek
  Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer Ex 21,1 - 23,33 : het verbondsboek   Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer   Js 40,1-8 : roeping van de profeet 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  2. Lc 1, 5-25 : aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper     5. Geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,57-80

Mc 1,8 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen, met elkaar verbonden door het partikel de (echter). De twee zinnen zijn mooi parallel opgebouwd : onderwerp, werkwoord, lijdend voorwerp en bepaling van middel. Lucas redigeert. Het partikel de (echter) van Marcus lokt de complemenaire partikels : men ... de (enerzijds ... anderzijds) op. Lucas wil de nadruk leggen op de eigenheid en ook het verschil tussen de twee doopsels : hij plaatst de bepaling van middel zo dicht mogelijk bij het vervoegd werkwoord : bij Johannes voor het werkwoord (Lc 3,16b), bij Jezus na het werkwoord (Lc 3,16e). In Hnd is er nog verschillende malen sprake over de twee soorten doopsels.

  Mc 1,8a - Mc 1,7-8 - Mc 1,8b - Mc 1,7-8 - Lc 3,16b - Lc 3,15-17 - Lc 3,16e - Lc 3,15-17 - Hnd 1,5a - Hnd 1,1-14 - Hnd 1,5b - Hnd 1,1-14 - Hnd 11,16b - Hnd 11,1-18 - Hnd 11,16c - Hnd 11,1-18 - Hnd 19,4b - Hnd 19,1-20 -
          hoti (want)        
 onderwerp egô (ik) autos (hij) egô (ik) autos (hij) Iôannès (Johannes) humeis (u) Iôannès (Johannes) humeis (u)  Iôannès (Johannes)
    de (echter) men (enerzijds)   men (enerzijds) de (anderzijds) men (enerzijds) de (anderzijds)  
      hudati (met water)     en pneumati ... hagiôi (met heilige geest)      
        humas (u)          
 vervoegd werkwoord ebaptisa (doopte) baptisei (zal dopen) baptizô (doop) baptisei (zal dopen) ebaptisen (doopte) baptisthèsesthe (zult gedoopt worden) ebaptisen (doopte) baptisthèsesthe (zult gedoopt worden)  ebaptisen baptisma metanoias (doopte een doopsel van bekering)
lijdend voorwerp  humas (u) humas (u) humas (u)            
bepaling van middel   hudati (met water) pneumati hagiôi (met heilige geest)   en pneumati hagiôi (met heilige geest) hudati (met water)     en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
        kai puri (en vuur)          
   16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17  16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 // Mt 3,11-12 // Lc 3,15-17  Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart   Hnd 1,1-14 : Jezus'laatste opdracht en hemelvaart  Hnd 11,1-18 : Petrus verklaart in Jeruzalem zijn optreden   Hnd 11,1-18 : Petrus verklaart in Jeruzalem zijn optreden  Hnd 19,1-20 : Paulus te Efeze

17. Gevangenneming van Johannes de Doper : Lc 3,18-20 - Lc 3,18-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,18 - Lc 3,19 - Lc 3,20 -

Lc 3,18 - Lc 3,18 : 17. Gevangenneming van Johannes de Doper - Lc 3,18-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,18 - Lc 3,19 - Lc 3,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[18] Polla men oun kai etera parainôn euèngelizeto ton laon:  18 multa quidem et alia exhortans evangelizabat populum          18 Zo en met nog vele andere aansporingen kondigt hij bij de gemeenschap het evangelie aan.  18. Et par bien d'autres exhortations encore il annonçait au peuple la Bonne Nouvelle.  

King James Bible . [18] And many other things in his exhortation preached he unto the people.
Luther-Bibel . 18 Und mit vielem andern mehr ermahnte er das Volk und verkündigte ihm das Heil.

Tekstuitleg van Lc 3,18 .

Lc 3,18.1. nom. + acc. onz. mv. polla van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) .
Lc (7) : (1) Lc 3,18 . (2) Lc 8,30 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 10,41 . (5) Lc 12,19 . (6) Lc 17,25 . (7) Lc 22,65 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 3 is het de enigste vorm .

3. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het N.T. : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 3 (5) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,18 .

7. ind imperf. 3de pers. enk. euèggelizeto (hij bracht een goede boodschap) van het werkw. euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het N.T. : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in Lc : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Lc (1) Lc 3,18 . Een vorm van euaggelizomai (goede boodschap brengen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 3,18 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,43 . (6) Lc 7,22 . (7) Lc 8,1 . (8) Lc 9,6 . (9) Lc 16,6 . (10) Lc 20,1 .

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

9. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het N.T. : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,13 . (12) Lc 23,14 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 3 (3) : (1) Lc 3,15 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 .

Lc 3,19 - Lc 3,19 : 17. Gevangenneming van Johannes de Doper - Lc 3,18-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,18 - Lc 3,19 - Lc 3,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[19] o de èrôdès o tetrarchès, elegchomenos up autou peri èrôdeiados tès gunaikos tou adelfou autou kai peri pantôn ôn epoièsen ponèrôn o èrôdès  19 Herodes autem tetrarcha cum corriperetur ab illo de Herodiade uxore fratris sui et de omnibus malis quae fecit Herodes          19 Maar als viervorst Herodes door hem wordt onderhouden over Herodias, de vrouw van zijn broer, en over al het boze dat Herodes heeft gedaan,   19. Cependant Hérode le tétrarque, qu'il reprenait au sujet d'Hérodiade, la femme de son frère, et pour tous les méfaits qu'il avait commis,  

King James Bible . [19] But Herod the tetrarch, being reproved by him for Herodias his brother Philip's wife, and for all the evils which Herod had done,
Luther-Bibel . 19 Der Landesfürst Herodes aber, der von Johannes zurechtgewiesen wurde wegen der Herodias, der Frau seines Bruders, und wegen alles Bösen, das er getan hatte,

Tekstuitleg van Lc 3,19 . Het vers Lc 3,19 telt 24 (2³ X 3) woorden en 120 (2³ X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Lc 3,19 is 17480 (2³ X 5 X 19 X 23) .

Lc 3,19.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

Lc 3,19.3. nom. mann. enk. hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het N.T. : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) .
Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van hèrô(i)dès (Herodes) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 . De naam Herodes omsluit (Lc 1,5 en Lc 3,19) het verhaal van Johannes de Doper . Vanaf Lc 3,21 verschijnt Jezus op de voorgrond .

Lc 3,19.13. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,19.20. act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij deed) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van poieô (doen) in Lc 3 in 8 verzen : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,9 . (4) Lc 3,10 . (5) Lc 3,11 . (6) Lc 3,12 . (7) Lc 3,14 . (8) Lc 3,19 .

Lc 3,19.23. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hèrô(i)dès   24    24        19  19     


Lc 3,20 - Lc 3,20 : 17. Gevangenneming van Johannes de Doper - Lc 3,18-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,18 - Lc 3,19 - Lc 3,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[20] prosethèken kai touto epi pasin eneklise ton Iôanèn en fulakè.  20 adiecit et hoc supra omnia et inclusit Iohannem in carcere           20 voegt die bij alles dit eraan toe dat hij Johannes opsluit in bewaring.  20. ajouta encore celui-ci à tous les autres : il fit enfermer Jean en prison. 

King James Bible . [20] Added yet this above all, that he shut up John in prison.
Luther-Bibel . 20 fügte zu dem allen noch dies hinzu: er warf Johannes ins Gefängnis. Jesu Taufe

Tekstuitleg van Lc 3,20 .

4. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 3 (2 + 1 = 3) . epi (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,20 . ep' (1) Lc 3,22 .

6. Johannes de Doper (6) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . Johannes de apostel (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 .  Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen .

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

10. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

18. Doop van Jezus : Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,21 - Lc 3,22 -

Lc 3,21-22 bestaat uit één lange zin , die begint met egeneto (het gebeurde) en partikel de (echter) gevolgd door een voorzetsel en lidwoord en een viervoudige infinitiefzin (met elkaar verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai : en) . In de drie eerste infinitiefzinnen volgt het onderwerp (in de accusatief omwille van de infinitiefzin) onmiddelijk na het werkwoord in de infinitief , in de vierde infinitiefzin gaat het onderwerp vooraf aan het werkwoord in de infinitief .

In deze ene zin wordt een zeer rijke ervaring verwoord . Het dopen roept het beeld van onderdompeling en oprijzen op , van het oude afleggen en nieuw geboren worden . Bij Jezus ligt niet de nadruk op het doopsel , maar op wat daarna gebeurde . Dan wordt het beeld opgeroepen van de hemel die opentrekt , openscheurt . Zo iets kan je op een dag ervaren . De hemel bleef grijs en gesloten en dan kan plots die hemel opengaan en ruimte maken voor de zon . Dan kan je de zon voelen , die stralen uit de hemel . In deze ene zin hebben twee bewegingen plaats : een opwaartse en een neerwaartse . De opwaartse beweging is uit het water oprijzen en bidden . De neerwaartse beweging is het opentrekken van de hemel , het neerdalen van de geest en de woorden .

De volgende tabel geeft een overzicht van de structuur van de tekst Lc 3,21-22 .

structuur van Lc 3,21-22 Lc 3,21a Lc 3,21b Lc 3,22a Lc 3,22b
egeneto (het gebeurde) + partikel de (echter) egeneto de (het gebeurde echter)      
voorzetsel + lidwoord + infinitiefzin en tôi (terwijl)      
voegwoord   kai (en) ... kai (en) kai (en)
onderwerp (in accusatief) van de infinitiefzin       fônèn (een stem)
infinitief baptisthènai (gedoopt werd) aneôichthènai (geopend werd) katabènai (neerdaalde) ex ouranou genesthai (uit de hemel kwam)
onderwerp (in accusatief) van de infinitiefzin hapanta ton laon (het hele volk) ton ouranon (de hemel) to pneuma to hagion (de heilige geest)  

De zinsconstrutie... egeneto ... (het gebeurde) + en tooi (in het) + infinitiefzin gebruikt Lucas veelvuldig. Deze zinsconstructie komt voor bij het begin of in het midden van een zin: Lc 1,8 ; Lc 2,6 ; Lc 3,21 enz. Naast de vermelde plaatsen in de tabel zijn er nog veel meer. We kunnen hier niet verder ingaan op het specifiek gebruik van iedere plaats.
Egeneto (het gebeurde) wordt 26 x (op een totaal van 38) gebruikt bij het begin van een pericope. Elk groot onderdeel van de structuur van het Lucasevangelie begint met egeneto (het gebeurde). In Lc 3,21 begint het onderdeel Lc 3,21-9,50. Na verschillende pericopen over Johannes (de Doper) begint Lucas in Lc 3,21 over Jezus. Vanuit Mc 1,9 (kai egeneto en ... en het gebeurde in die dagen) werd Lucas op weg gezet om met zijn veel gebruikte zinsconstructie het nieuwe onderdeel te beginnen.

  Lc 1,8 Lc 2,6 Lc 3,21 Lc 5,1 Lc 5,12 Lc 9,29 Lc 9,33 Lc 9,51 Lc 19,29 Lc 24,4
nevenschikkend voegwoord         kai (en) kai (en) kai (en)    Kai (en) kai (en)
vervoegd werkwoord egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde) egeneto (het gebeurde)  egeneto (het gebeurde)
nevenschikkend partikel de (echter) de (echter) de (echter) de (echter)       de (echter)    
voorzetsel + infinitiefzin (gelijktijdigheid) : en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) en tôi ( 'terwijl' ) hôs (zodra)  en tôi ( 'terwijl' )
werkwoord in de infintief hierateuein ( - hij - het priesterschap uitoefent) einai ( - zij - zijn) baptisthènai (gedoopt werd) ton ochlon epikeisthai autôi (de menigte aandrong op hem) einai ( - hij - is) proseuchesthai ( - hij - bad) diachôrizesthai ( zij - zich verwijderden)  sumplèrousthai (stilaan vol werden) èggisen (hij naderde)  aporeisthai ( zij - in verwarring raakten)
onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief auton (hij) autous (zij) hapanta ton laon (het hele volk)   auton (hij) auton (hij) autous (zij) tas hèmeras tès analèmpseôs autou (de dagen van zijn opneming)    autas (zij)
    ekei (daar)     en miai tôn poleôn (in één van de steden)   ap'autou (van hem)     peri toutou (hierover)
    2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25  6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20  18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22  62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 // (Mc 1,16-20) // (Mt 4,18-22)   63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  183. Het ongastvrije smaritanendorp : Lc 9,51-56  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 // Mt 21,1-9 // Lc 19,29-40   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56b-24,12

WEREN, Wim, Vensters op Jezus. Methoden in de uitleg van de evangeliën, Zoetermeer, Meinema, 1998, blz.112
"We zijn zo gewend aan het idee dat Jezus door Johannes gedoopt is dat het ons bij een eerste en nog wat oppervlakkige lezing van Lucas 3,21-22 niet eens opvalt dat Johannes hier helemaal niet genoemd wordt. De verteller deelt alleen mee dat heel het volk gedoopt is en dat ook Jezus gedoopt is. Door wie dat gebeurt, wordt niet vermeld. Johannes komt helemaal niet in aanmerking, want vlak daarvoor (in 3,20) heeft Lucas vermeld dat de Doper door Herodes Antipas, een zoon van de gevreesde Herodes de Grote, is opgesloten in de gevangenis. In Marcus komen zijn arrestatie en gevangenschap pas in een veel later stadium ter sprake (Marcus 6,17).
We stoten hier op een vertelwijze die karakteristiek is voor Lucas. Hij rondt graag een episode af voordat hij overgaat naar de volgende. Na de afronding van een lang verhaal over Johannes (3,1-20), schakelt hij over naar Jezus (3,21-22). Zo ook sluit hij in 1,56 het verhaal over Maria’s verblijf bij Elisabet af, voordat hij overgaat op het verhaal over de geboorte van Johannes. In 1,80 laat hij dat verhaal weer uitlopen op de mededeling dat Johannes in zijn jeugd op eenzame plaatsen verbleef tot de dag waarop hij zich aan Israël vertoonde.
In 3,21-22 heeft deze vertelwijze als bijkomend effect dat het oude probleem hoe de doop van Jezus door Johannes te rijmen valt met de hoge status van Jezus, op een heel originele manier wordt opgelost. Johannes wordt letterlijk weggeschreven! (8)
Lucas heeft nog diverse andere details veranderd. Hij laat niet alleen Jezus gedoopt worden maar ook heel het volk. In 3,15 is het volk al genoemd. In de mededeling dat héél het volk gedoopt werd, schuilt enige overdrijving. Lucas laat graag hele groepen eensgezind op dezelfde manier optreden en verdoezelt eventuele tegenstellingen of interne conflicten.
( 8). Het vierde evangelie gaat nog een stap verder en wist elk spoor uit van de doop van Jezus. Johannes wordt hier niet aangeduid met zijn bijnaam ‘de Doper’. Hij is omgevormd tot iemand die getuigenis aflegt van Jezus. In 1,32 zegt hij: ‘Ik heb gezien hoe de geest als een duif uit de hemel neerdaalde en op hem bleef rusten.’ De traditie van Jezus’ doop is wel bewaard gebleven in enkele niet-canonieke teksten (zie het Evangelie van de Ebionieten, fragment 4; het Evangelie van de Nazoreeërs, fragment 2; het Evangelie van de Hebreeën, fragment 3).

Lc 3,21 - Lc 3,21 - 18. Doop van Jezus : Lc 3,21-22 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,21 - Lc 3,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3:21 egeneto de en tô baptisthènai apanta ton laon kai ièsou baptisthentos kai proseuchomenou aneôchthènai ton ouranon   21 factum est autem cum baptizaretur omnis populus et Iesu baptizato et orante apertum est caelum   Het gebeurde nu, nadat het hele volk gedoopt was en (ook) Jezus gedoopt was, terwijl hij aan het bidden was, dat de hemel geopend werd    [21] Het gehele volk liet zich dopen, en zo ook Jezus. Tijdens* zijn gebed opende zich de hemel [21] Heel het volk liet zich dopen, en toen ook Jezus was gedoopt en hij aan het bidden was, werd de hemel geopend   21 ¶ Het geschiedt als heel de gemeenschap wordt gedoopt en ook Jezus wordt gedoopt en aan het bidden is, dat de hemel opengaat 21. Or il advint, une fois que tout le peuple eut été baptisé et au moment où Jésus, baptisé lui aussi, se trouvait en prière, que le ciel s'ouvrit,

King James Bible . [21] Now when all the people were baptized, it came to pass, that Jesus also being baptized, and praying, the heaven was opened,
Luther-Bibel . 21 Und es begab sich, als alles Volk sich taufen ließ und Jesus auch getauft worden war und betete, da tat sich der Himmel auf,

Tekstuitleg van Lc 3,21 . Het vers Lc 3,21 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 3,21 is 10059 (3 X 7 X 479) .

Lc 3,21.1. ind. aor. 3de pers. enk. εγενετο = egeneto (het gebeurde) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (925) . OT (730) . NT (195) . Lc (69) . Lc 3 (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,21 . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... zoals vele verhalen bij ons beginnen) . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) , in Lc (129) , in Lc 3 (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 3,22 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 129 verzen .

egeneto (het gebeurde) Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24  
67 3      

- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 .Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) .
- Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

Lc 3,21.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 3 (11) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,9 . (3) Lc 3,11 . (4) Lc 3,12 . (5) Lc 3,13 . (6) Lc 3,14 . (7) Lc 3,15 . (8) Lc 3,16 . (9) Lc 3,17 . (10) Lc 3,19 . (11) Lc 3,21 .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  73 50  23  12      19  20 
Totaal 6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151 verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

Lc 3,21.1. - 2. εγενετο δε = egeneto de (het gebeurde echter) . NT (40) . Lc (20) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 5,1 . (6) Lc 6,1 . (7) Lc 6,6 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 8,40 . (10) Lc 9,28 . (11) Lc 9,37 . (12) Lc 9,51 . (13) Lc 9,57 . (14) Lc 10,38 . (15) Lc 11,14 . (16) Lc 11,27 . (17) Lc 16,22 . (18) Lc 18,35 . (19) Lc 22,24 . (20) Lc 22,44 .
- και εγενετο = kai egeneto (en het gebeurde) . NT (67) . Lc (35) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,59 . (4) Lc 1,65 . (5) Lc 2,15 . (6) Lc 2,42 . (7) Lc 2,46 . (8) Lc 4,36 . (9) Lc 5,12 . (10) Lc 5,17 . (11) Lc 6,13 . (12) Lc 6,16 . (13) Lc 6,49 . (14) Lc 7,11 . (15) Lc 8,1 . (16) Lc 8,22 . (17) Lc 8,24 . (18) Lc 9,18 . (19) Lc 9,29 . (20) Lc 9,33 . (21) Lc 11,1 . (22) Lc 13,19 . (23) Lc 14,1 . (24) Lc 17,11 . (25) Lc 17,14 . (26) Lc 17,28 . (27) Lc 19,15 . (28) Lc 19,29 . (29) Lc 20,1 . (30) Lc 22,14 . (31) Lc 22,66 . (32) Lc 24,4 . (33) Lc 24,15 . (34) Lc 24,30 . (35) Lc 24,51 .

Lc 3,21.3. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

Lc 3,21.1. - 3. εγενετο δε εν = egeneto de en = het gebeurde echter tijdens . NT (18) . Lc (14) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,1 . (3) Lc 2,6 . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 5,1 . (6) Lc 6,1 . (7) Lc 6,6 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 8,40 . (10) Lc 9,37 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 10,38 . (13) Lc 11,27 . (14) Lc 18,35 .
- και εγενετο εν = kai egeneto en = en het gebeurde tijdens . NT (23) . Mc (3) . Lc (20) : (1) Lc 1,59 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 5,17 . (4) Lc 7,11 . (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 11,1 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 17,11 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,28 . (15) Lc 19,15 . (16) Lc 20,1 . (17) Lc 24,4 . (18) Lc 24,15 . (19) Lc 24,30 . (35) Lc 24,51 .

Lc 3,21.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Lc (154) . Lc 3 (3) : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 3,11 . (3) Lc 3,21 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 

- D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Lc 3,21.3. - 4. εν τῳ = en tô(i) . NT (423) .

Lc 3,21.1. - 4. εγενετο δε εν τῳ = egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 .
- και εγενετο εν τῳ = kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .

Lc 3,21.5. pass. inf. aor. baptisthènai (om gedoopt te worden) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Lc (4) : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 . Een vorm van baptizô (dopen) in Lc in 8 (9X) verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,16 (2 vormen) . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 7,30 . (7) Lc 11,38 . (8) Lc 12,50 .

Lc 3,21.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

Lc 3,21.8. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk) . Taalgebruik in het N.T. : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) .
Lc (12) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 7,16 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,9 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,13 . (12) Lc 23,14 . Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen , in Lc 3 (3) : (1) Lc 3,15 . (2) Lc 3,18 . (3) Lc 3,21 .
Zoals het volk buiten staat , terwijl Zacharia het reukoffer in de tempel brengt , zo is het volk aanwezig bij de doop van Jezus .

Lc 3,21.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

10. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 3 (2) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,23 .

Lc 3,21.11. pass. part. aor. gen. mann. enk. baptisthentos van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Lc (1) Lc 3,21 . Een vorm van baptizô (dopen) in Lc in 8 (9X) verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,16 (2 vormen) . (4) Lc 3,21 . (5) Lc 7,29 . (6) Lc 7,30 . (7) Lc 11,38 . (8) Lc 12,50 .
Het gaan van Jezus van Galilea naar de Jordaan wordt slechts impliciet vermeld daar Jezus gedoopt wordt (Lc 3,21) . De terugkeer naar Galilea verloopt in een 2-tal stappen : van de Jordaan naar de woestijn (Lc 4,1) en van de woestijn naar Galilea (Lc 4,14) . Er is ogenschijnlijk geen verband tussen de gevangenschap van Johannes en Jezus' terugkeer naar Galilea . Het is ook opmerkelijk dat in deze drie verzen sprake is van de geest .

Lc 3,21.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

Lc 3,21.13. part. pr. gen.. mann. enk. proseuchomenou van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het N.T. : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (1) Lc 3,21 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Zoals de engelverschijning aan Zacharia in de tempel gebeurde in een omgeving van gebed en volk , zo gebeurt de godsopenbaring aan Jezus in een omgeving van gebed en volk .

Lc 3,21.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 3 (7) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 3,16 . (4) Lc 3,17 . (5) Lc 3,18 . (6) Lc 3,20 . (7) Lc 3,21 .

Lc 3,21.16. acc. mann. enk. ouranon van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) .
Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 . (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 . (9) Lc 24,51 . Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,22 . In Lc : 6 vormen in 19 hoofdstukken en 36 verzen .

Lc 3,22 - Lc 3,22 - 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,21 - Lc 3,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3:22 kai katabènai to pneuma to agion sômatikô eidei ôs peristeran ep auton kai fônèn ex ouranou genesthai su ei o uios mou o agapètos en soi eudokèsa   22 et descendit Spiritus Sanctus corporali specie sicut columba in ipsum et vox de caelo facta est tu es Filius meus dilectus in te conplacuit mihi   en de heilige Geest in lichamelijke gedaante afdaalde als een duif op hem en een stem kwam uit de hemel: "Jij bent mijn geliefde zoon, in jou heb ik m'n welbehagen gesteld."    [22] en daalde de heilige Geest in lijfelijke gedaante als een duif op Hem neer; er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij* bent mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.’ [22] en daalde de heilige Geest in de gedaante van een duif op hem neer, en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’   3:22 en de heilige Geest in lijfelijke gedaante als een duif op hem neerdaalt; en er geschiedt een stem uit de hemel: jij bent mijn welbeminde zoon, in jou heb ik behagen! 22. et l'Esprit Saint descendit sur lui sous une forme corporelle, comme une colombe. Et une voix partit du ciel : « Tu es mon fils ; moi, aujourd'hui, je t'ai engendré. »  

King James Bible .[22] And the Holy Ghost descended in a bodily shape like a dove upon him, and a voice came from heaven, which said, Thou art my beloved Son; in thee I am well pleased.
Luther-Bibel . 22 und der Heilige Geist fuhr hernieder auf ihn in leiblicher Gestalt wie eine Taube, und eine Stimme kam aus dem Himmel: Du bist mein lieber Sohn, an dir habe ich Wohlgefallen.

Tekstuitleg van Lc 3,22 .

Lc 3,22.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

Lc 3,22.2. act. inf. aor. καταβηναι = katabènai (neerdalen) van het werkw. καταβαινω = katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het NT : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in de Septuaginta : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Lc : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Hnd : katabainô (neerdalen, afdalen) . Bijbel (14) : (1) Gn 44,26 . (2) Gn 46,3 . (3) Ex 32,1 . (4) Re 1,34 . (5) Re 7,10 . (6) 2 S 19,21 . (7) 2 K 7,17 . (8) Js 30,2 . (9) Ps 30,10 . (10) Neh 6,3 . (11) Jdt 10,15 . (12) Jdt 13,12 . (13) Lc 3,22 . (14) Lc 9,54 . Een vorm van καταβαινω = katabainô in de LXX (349) , in het NT (81) , in Lc (13) : (1) Lc 2,51 . (2) Lc 3,22 . (3) Lc 6,17 . (4) Lc 8,23 . (5) Lc 9,54 . (6) Lc 10,15 . (7) Lc 10,30 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 17,31 . (10) Lc 18,14 . (11) Lc 19,5 . (12) Lc 19,6 . (13) Lc 22,44 .
- Hebreeuws . לָרֶדֶת = lârèdèth (om af te dalen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. qal inf. stat. constr. van het werkw. יָרַד = jârad (afdalen, afstijgen, vallen) . Taalgebruik in Tenakh : järad (afdalen, afstijgen, vallen) . Getalwaarde : jod = 10 , resj = 20 of 200 , daleth = 4 ; totaal : 34 (2 X 17) OF of 214 (2 X 107) . Structuur : 1 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (10) : (1) Gn 44,26 . (2) Ex 32,1 . (3) Re 1,34 . (4) Re 7,10 . (5) 1 S 23,8 . (6) 1 S 23,20 . (7) 2 S 19,21 . (8) 1 K 21,16 . (9) Js 30,2 . (10) Neh 6,3 .
- Lat. descendere . Fr. descendre . E. to descend . Ned. neerdalen, afdalen . D. herabkommen .
In heel wat teksten wordt de komst van de geest en van zijn kracht beschreven als komende van hoger . Zie schema onder Lc 1,35 . Hier is sprake van het neerdalen van de geest . Bij de conceptie , de doop en de inauguratie van Jezus is er sprake van de geest die hem vervult .

Lc 3,22.3. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

Lc 3,22.4. nom.+ acc. onz. enk. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Taalgebruik in Hnd : pneuma (geest) . Lc (16) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . Een vorm van pneuma (geest) in de LXX (382) , in het NT (379) , in Lc (36) , in Hnd (70) , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 . in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 , in Lc 2 (3) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 2,27 , in Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 , in Lc 4 (5) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,33 . (5) Lc 4,36 . In Lc : X vormen van pneuma (geest)in 36 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van pneuma (geest) in 70 verzen in 20 : 28 hoofdstukken . Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 26,41 . (6) Mt 27,50 . 12 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . 16 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . 34 : (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) / Mc 3,29 // Lc 12,10 . (4) Mc 5,8 // Lc 8,29 . (5) Mt 10,20. // Lc 12,12 . (6) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (7) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 48

- רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35. (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . (8) Ex 6,9 . (9) Ex 10,13 . (10) Ex 10,19 . (11) Ex 28,3 . (12) Ex 31,3 . (13) Ex 35,31 . (14) Nu 5,14 . (15) Nu 5,30 . (16) Nu 14,24 . (17) Nu 24,2 . (18) Nu 27,18 . (19) Dt 34,9 . Js (28) . Js 1-39 (13) : (1) Js 7,2 . (2) Js 11,2 . (3) Js 17,13 . (4) Js 19,3 . (5) Js 19,14 . (6) Js 25,4 . (7) Js 26,18 . (8) Js 29,10 . (9) Js 29,24 . (10) Js 31,3 . (11) Js 32,2 . (12) Js 32,15 . (13) Js 37,7 . Js 40-66 (15) : (1) Js 40,7 . (2) Js 40,13 . (3) Js 41,29 . (4) Js 54,6 . (5) Js 57,13 . (6) Js 57,15 . (7) Js 57,16 . (8) Js 59,19 . (9) Js 61,1 . (10) Js 61,3 . (11) Js 63,10 . (12) Js 63,11 . (13) Js 63,14 . (14) Js 65,14 . (15) Js 66,2 .
- Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) .

Lc 3,22.5. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 .

Lc 3,22.6. nom. + acc. onz. enk. ἁγιον = hagion van het bijvoegl. naamw. ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in de Septuaginta : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) . Taalgebruik in Hnd : hagios (heilig) . Lc (8) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . Een vorm van ἁγιος = hagios (heilig) in de LXX (832) , in het NT (233) , in Lc (19) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

  hagios (heilig) bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
3 nom. + acc. onz. enk. hagion 204 160 44 1 3 8 2 20 10   12 14

hagios (heilig) Mt  Mc   Lc  syn. ev.
nom. mann. enk. hagios   1 : Mc 1,24 . 1 : Lc 4,34 . 2 : (1) Mc 1,24 // Lc 4,34 . 3
nom. + acc. onz. enk. hagion 1 : Mt 7,6 . 3 : (1) Mc 3,29 . (2) Mc 6,20 . (3) Mc 13,11 . 8 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . 12 : (1) Mt 12,32 // Mc 3,29 // Lc 12,10 . 14
gen. mann. + onz. enk. hagiou 4 : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,20 . (3) Mt 12,32 . (4) Mt 28,19 .   5 : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . 9 9
gen. vr. enk. + acc. vr. mv. hagias     1 : Lc 1,72 .  
dat. m. + onz. enk. hagiô(i) 2 : (1) Mt 3,11 . (2) Mt 24,15 . 2 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 12,36 . 2 : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 10,21 . 6 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . 7
gen. mann. + vr. + onz. mv. hagiôn 1 : Mt 27,52 . 1 : Mc 8,38 . 2 : (1) Lc 1,70 . (2) Lc 9,26 . 4 : (1) Mc 8,38 // Lc 9,26 . 4
Totaal   8 7 19 34 37

Lc 3,22.3. - 6. to pneuma to hagion . Als nominatief (of accusatief) in Lc slechts in dit vers .

11. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 3 (2 + 1 = 3) . epi (2) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,20 . ep' (1) Lc 3,22 .

13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

14. acc. vr. enk. fônèn van het zelfst. naamw. fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn . Lc (4) : (1) Lc 3,22. (2) Lc 9,36 . (3) Lc 11,27 . (4) Lc 17,13 . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 .

15. ek of ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Lc : ek (uit) . Lc (46 + 37 = 83) . Lc 3 (1 + 1 = 2) . ek : Lc 3,8 . ex : Lc 3,22 .

16. gen. mann. enk. ouranou van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) .
Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,17 . (7) Lc 17,24 . (8) Lc 18,13 . (9) Lc 24,51 . Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,22 .

18. nom. enk su (jij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord .
Lc (25) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 3,22 . (4) Lc 4,7 . (5) Lc 4,41 . (6) Lc 7,19 . (7) Lc 7,20 . (8) Lc 9,60 . (9) Lc 10,15 . (10) Lc 10,37 . (11) Lc 15,31 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 16,25 . (14) Lc 17,8 . (15) Lc 19,19 . (16) Lc 19,42 . (17) Lc 22,32 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 22,70 . (21) Lc 23,3 . (22) Lc 23,37 . (23) Lc 23,39 . (24) Lc 23,40 . (25) Lc 24,18 .

19. act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (64) . Lc 3 (1) : Lc 3,22 .

18. - 19. su ei (jij bent) . Lc (9) : (1) Lc 3,22 . (2) Lc 4,41 . (3) Lc 7,19 . (4) Lc 7,20 . (5) Lc 22,67 . (6) Lc 22,70 . (7) Lc 23,3 . (8) Lc 23,37 . (9) Lc 23,39

18. - 21. su ei ho huios (jij bent de zoon) . N.T. (4) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Lc 3,22 . (4) Joh 1,49 . su oun ei ho huios (jij bent dus de zoon) . N.T. (1) Lc 22,70 .
- su ei ho huios mou (jij bent de zoon van mij) . N.T. (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Lc 3,22 . su ei ho huios tou theou (jij bent de zoon van God) . N.T. (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Joh 1,49 . su oun ei ho huios tou theou (jij bent dus de zoon van God) . N.T. (1) Lc 22,70 .

25. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 3 (10) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,16 . (7) Lc 3,17 . (8) Lc 3,20 . (9) Lc 3,21 . (10) Lc 3,22 .

26. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord .
Lc (44) . Lc

18.4. Lc 3,22a : de geest daalt neer

vol van heilige geest

2 S 7,14a 2 S 7,14b Ps 2,7 Js 42,1 Js 44,1.2 Gn 22,2 Lc 3,22 Lc 9,35 Hnd 13,33  Lc 1,35
( áni ) egô (ik) ( wehu') kai autos (en hij)             hôs kai en tôi psalmôi gegraptai tôi deuterôi (zoals ook in de tweede Psalm geschreven staat )  
( 'èhjèh ) esomai (ik zal zijn) ( jihjèh ) estai (zal zijn)                
( lô ) autôi (voor hem) ( li ) moi (voor mij)                
( le'ab ) eis patera (tot vader) (leben ) eis huion (tot zoon) ( beni 'attah ) huios mou ei su (mijn zoon zijt gij) ( àbdi ... behiri ) Iakôb ho pais mou... Israèl ho eklektos (mijn dienstkecht ... mijn uitverkorene) ( jaàqobàbdi ... Israèl baharti bô ) pais mou Iakob kai ho ègapèmenos (vers 2) Israèl, hon exelexamèn ) Jakob mijn dienstknecht, Israël die ik verkozen heb ('èt bincha 'èt jehidcha 'asjer ahabta ) ton huion sou ton agapèton , hon ègapèsas (uw zoon, uw enige , die u liefhebt ) su ei ho huios mou, ho agapètos, en soi eudokèsa (gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde, in wie Ik welbehagen heb) houtos estin ho huios mou ho eklelegmenos (deze is mijn zoon, mijn uitverkorene)! ( beni 'attah ) huios mou ei su (mijn zoon zijt gij)  
    ( 'ani hajjom jelidticha ) egô sèmron gegennèka se (ik heb u heden verwekt)           ( 'ani hajjom jelidticha ) egô sèmeron gegennèka se (ik heb u heden verwekt)  dio kai to gennômenon hagion klèthèsetai huios theou (daarom ook zal dat wat geboren wordt, heilig genoemd worden, zoon van God
 2 S 7,1-17 : de belofte van Natan   2 S 7,1-17 : de belofte van Natan  Ps 2  Js 42,1-9 : de dienaar  Js 44,1-5 : Wees niet bang  Gn 22,1-19 : de beproeving van Abraham  18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  Hnd 13,13-52 : In Antiochië in Pisidië   3. Aankondiging van de geboorte van Jezus : Lc 1,26-38

 

Mc 1,11 = Lc 3,22 Mc 1,11 // Mt 3,13 // Lc 3,21 Lc 3,22 = Mc 1,11 // Mt 3,13 // Lc 3,21 Mt 3,17 Mc 1,11 // Mt 3,13 // Lc 3,21 Mt 4,3.6 = Lc ,3.9 5 Mc 3,11 / Lc 4,41 Lc 4,41// Mc 3,11 Mt 16,16 // Mc 8,29 / Lc 9,20 Mc 8,29 // Mt 16,16 // Lc 9,20 Lc 9,20 // Mt 16,16 // Mc 8,29 Mc 9,7 = Mt 17,5 // Lc 9,35 Lc 9,35 // Mc 9,7 // Mt 17,5 Mt 26,63 = // Mc 14,61 = // Lc 22,67 Lc 23,35 // Mt 27,40 Mt 27,40 // Lc 23,35



ei (indien gij) hoti (dat) hoti (dat)
        (niet Mc) ei (indien)   ei (indien) ei (indien gij)
su (gij) su (gij) houtos (deze) huios (zoon) su (gij) su (gij su (gij) su (gij)   houtos (deze) houtos (deze) su (gij) houtos (deze) huios (zoon)
ei (zijt) ei (zijt) estin (is) ei (zijt) ei (zijt) ei (zijt) ei (zijt) ei (zijt)   estin (is) estin (is) ei (zijt) estin (is) ei (zijt)
ho huios mou (mijn zoon) ho huios mou (mijn zoon) ho huios mou (mijn zoon) tou theou (van God) ho huios tou theou (de zoon van God) ho huios tou theou (de zoon van God) ho christos, ho huios tou theou tou dzoontos (de Christus, de zoon van de levende God) ho christos (de Christus) ton christon tou theou (de christus van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios mou (mijn zoon) ho christos (Mt: ho huios tou theou: de Christus, de zoon van God) (Mc: ho huios tou eulogijtou: de zoon, de gezegende)  ho christos tou theou (de christus - gezalfde van God) ho eklektos (de uitverkorene) tou theou (van God)
ho agapijtos (de beminde) ho agapijtos (de beminde) ho agapijtos (de beminde)
   
    ho agapijtos (de beminde) ho eklelegmenos (de uitverkorene)      
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 // Mt 3,13-17 // Lc 3,21-22 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 // Mt 4,1-11 // Lc 4,1-13
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19)   96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) 162. belijdenis van Petrus (Mt 16,13-20 // Mc 8,27-30 // Lc 9,18-21) 162. belijdenis van Petrus (Mt 16,13-20 // Mc 8,27-30 // Lc 9,18-21) 162. belijdenis van Petrus (Mt 16,13-20 // Mc 8,27-30 // Lc 9,18-21) 168. Verheerlijking van Jezus : (Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36) 168. Verheerlijking van Jezus : (Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36) 332. Jezus voor het Sandredin : (Mt 26,57-68 // Mc 14,53-65 // Lc 22,54-71)  346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : (Mt 27,38-43 // Mc 15,27-32a // Lc 23,35-38)

 

346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : (Mt 27,38-43 // Mc 15,27-32a // Lc 23,35-38)

19. Stamboom van Jezus : Lc 3,23-38 -- Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 -- Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -

Lc 3,23 - Lc 3,23 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[23] èn de Iès ôs etôn -l- archomenos ôs enomeizeto einai uios Iôsèf tou Iakôb  23 et ipse Iesus erat incipiens quasi annorum triginta ut putabatur filius Ioseph qui fuit Heli          23 Hij, Jezus, is, als hij begint, ongeveer dertig jaren oud; hij is, zo meent men, de zoon van Jozef,– van Eli  23. Et Jésus, lors de ses débuts, avait environ trente ans, et il était, à ce qu'on croyait, fils de Joseph, fils d'Héli,  

King James Bible . [23] And Jesus himself began to be about thirty years of age, being (as was supposed) the son of Joseph, which was the son of Heli,
Luther-Bibel . 23 Und Jesus war, als er auftrat, etwa dreißig Jahre alt und wurde gehalten für einen Sohn Josefs, der war ein Sohn Elis,

Tekstuitleg van Lc 3,23 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Niet in Lc 3 (+ 20 / 38 . - 18 / 38) : (1) Lc 3,4 . (2) Lc 3,7 . (3) Lc 3,13 . (4) Lc 3,24-38 .

4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 3 (1) Lc 3,23 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 3 in 2 verzen : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,23 .

13. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34) . Gn (143) . Ex (4) . Lc (11) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 2,43 . (6) Lc 3,23 . (7) Lc 3,24 . (8) Lc 3,26 . (9) Lc 3,30 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 23,50 .

  iôsèf  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1    234  200  34  11  21  25   

- Hebreeuws . יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) .
- Arabisch : يُوسُف = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

14. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,24 - Lc 3,24 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24 qui fuit Matthat qui fuit Levi qui fuit Melchi qui fuit Iannae qui fuit Ioseph            , 24 Matat, Levi, Melchi, Janai, Jozef,  24. fils de Matthat, fils de Lévi, fils de Melchi, fils de Jannaï, fils de Joseph,  

King James Bible . [24] Which was the son of Matthat, which was the son of Levi, which was the son of Melchi, which was the son of Janna, which was the son of Joseph,
Luther-Bibel . 24 der war ein Sohn Mattats, der war ein Sohn Levis, der war ein Sohn Melchis, der war ein Sohn Jannais, der war ein Sohn Josefs,

Tekstuitleg van Lc 3,24 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

10. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34) . Gn (143) . Ex (4) . Lc (11) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 2,43 . (6) Lc 3,23 . (7) Lc 3,24 . (8) Lc 3,26 . (9) Lc 3,30 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 23,50 .

  iôsèf  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1    234  200  34  11  21  25   

- Hebreeuws . יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) .
- Arabisch : يُوسُف = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

Lc 3,25 - Lc 3,25 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  25 qui fuit Matthathiae qui fuit Amos qui fuit Naum qui fuit Esli qui fuit Naggae           25 Matatias, Amoos, Nahum, Hesli, Nagai,  25. fils de Mattathias, fils d'Amos, fils de Naoum, fils d'Esli, fils de Naggaï,  

King James Bible . [25] Which was the son of Mattathias, which was the son of Amos, which was the son of Naum, which was the son of Esli, which was the son of Nagge,
Luther-Bibel . 25 der war ein Sohn Mattitjas, der war ein Sohn des Amos, der war ein Sohn Nahums, der war ein Sohn Heslis, der war ein Sohn Naggais,

Tekstuitleg van Lc 3,25 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,26 - Lc 3,26 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  26 qui fuit Maath qui fuit Matthathiae qui fuit Semei qui fuit Iosech qui fuit Ioda           26 Maät, Matatias, Simeïen, Josech, Joda,   26. fils de Maath, fils de Mattathias, fils de Séméin, fils de Josech, fils de Joda,  

King James Bible . [26] Which was the son of Maath, which was the son of Mattathias, which was the son of Semei, which was the son of Joseph, which was the son of Juda,
Luther-Bibel . 26 der war ein Sohn Mahats, der war ein Sohn Mattitjas, der war ein Sohn Schimis, der war ein Sohn Josechs, der war ein Sohn Jodas,

Tekstuitleg van Lc 3,26 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

8. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34) . Gn (143) . Ex (4) . Lc (11) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 2,43 . (6) Lc 3,23 . (7) Lc 3,24 . (8) Lc 3,26 . (9) Lc 3,30 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 23,50 .

  iôsèf  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1    234  200  34  11  21  25   

- Hebreeuws . יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) .
- Arabisch : يُوسُف = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,27 - Lc 3,27 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  27 qui fuit Iohanna qui fuit Resa qui fuit Zorobabel qui fuit Salathihel qui fuit Neri           27 Jochanan, Resa, Zorobavel, Sjealtiël, Neri,   27. fils de Joanan, fils de Résa, fils de Zorobabel, fils de Salathiel, fils de Néri,  

King James Bible .[27] Which was the son of Joanna, which was the son of Rhesa, which was the son of Zorobabel, which was the son of Salathiel, which was the son of Neri,
Luther-Bibel . 27 der war ein Sohn Johanans, der war ein Sohn Resas, der war ein Sohn Serubbabels, der war ein Sohn Schealtiëls, der war ein Sohn Neris,

Tekstuitleg van Lc 3,27 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,28 - Lc 3,28 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  28 qui fuit Melchi qui fuit Addi qui fuit Cosam qui fuit Helmadam qui fuit Her          28 Melchi, Addi, Kosam, Elmadan, Eer, 28. fils de Melchi, fils d'Addi, fils de Kosam, fils d'Elmadam, fils d'Er,  

King James Bible .[28] Which was the son of Melchi, which was the son of Addi, which was the son of Cosam, which was the son of Elmodam, which was the son of Er,
Luther-Bibel . 28 der war ein Sohn Melchis, der war ein Sohn Addis, der war ein Sohn Kosams, der war ein Sohn Elmadams, der war ein Sohn Ers,

Tekstuitleg van Lc 3,28 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,29 - Lc 3,29 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
  29 qui fuit Iesu qui fuit Eliezer qui fuit Iorim qui fuit Matthat qui fuit Levi           29 Jozua, Eliëzer, Joriem, Matat, Levi,   29. fils de Jésus, fils d'Éliézer, fils de Jorim, fils de Matthat, fils de Lévi,  

King James Bible .[29] Which was the son of Jose, which was the son of Eliezer, which was the son of Jorim, which was the son of Matthat, which was the son of Levi,
Luther-Bibel . 29 der war ein Sohn Joschuas, der war ein Sohn Eliësers, der war ein Sohn Jorims, der war ein Sohn Mattats, der war ein Sohn Levis,

Tekstuitleg van Lc 3,29 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

2. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,34 . (7) Lc 4,35 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,30 - Lc 3,30 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
tou Sadôk tou Azôr tou Eliakeim tou Abioud tou Zorobabel tou Salathièl tou Iechoniou tou Iôakeim tou Eliakeim tou Iôseia tou Amôs tou Manassè tou Ezekeia tou Achas tou Iôathan tou Ozeia tou Amasiou tou Iôas tou Ochoziou tou Iôram tou Iôsafad tou Asaf tou Abioud tou Roboam tou Solomôn  30 qui fuit Symeon qui fuit Iuda qui fuit Ioseph qui fuit Iona qui fuit Eliachim           30 Simeon, Juda, Jozef, Jonam, Eljakiem,  30. fils de Syméon, fils de Juda, fils de Joseph, fils de Jonam, fils d'Éliakim,  

King James Bible . [30] Which was the son of Simeon, which was the son of Juda, which was the son of Joseph, which was the son of Jonan, which was the son of Eliakim,
Luther-Bibel . 30 der war ein Sohn Simeons, der war ein Sohn Judas, der war ein Sohn Josefs, der war ein Sohn Jonams, der war ein Sohn Eljakims,

Tekstuitleg van Lc 3,30 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

4. iouda (Juda) . Taalgebruik in het N.T. : iouda (Juda) . Taalgebruik in Lc : iouda (Juda) .
Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 3,30 . (3) Lc 3,33 . (4) Lc 22,48 .

6. ιωσηφ = iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in de LXX : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het NT : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) . Gebruik in de bijbel (234) , in de LXX (200) , in het NT (34) . Gn (143) . Ex (4) . Lc (11) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 2,33 . (5) Lc 2,43 . (6) Lc 3,23 . (7) Lc 3,24 . (8) Lc 3,26 . (9) Lc 3,30 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 23,50 .

  iôsèf  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1    234  200  34  11  21  25   

- Hebreeuws . יוֹסֵף = jôseph (Jozef) . Taalgebruik in Tenakh : jôseph (Jozef) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , samech = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal 48 ( 2³ X 3) OF 156 (2² X 3 X 13 OF 12 X 13 OF 6 X 26) . Tenakh (186) . Pentateuch (146) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (10) . Gn (129) .
- Arabisch : يُوسُف = jusuf (Jusuf) . Taalgebruik in de Qoran : jusuf (Jusuf) .

Lc 3,31 - Lc 3,31 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[31] tou Daueid   31 qui fuit Melea qui fuit Menna qui fuit Matthata qui fuit Nathan qui fuit David           31 Melea, Menna, Matata, Natan, David,  31. fils de Méléa, fils de Menna, fils de Mattatha, fils de Nathan, fils de David,  

King James Bible . [31] Which was the son of Melea, which was the son of Menan, which was the son of Mattatha, which was the son of Nathan, which was the son of David,
Luther-Bibel . 31 der war ein Sohn Meleas, der war ein Sohn Mennas, der war ein Sohn Mattatas, der war ein Sohn Nathans, der war ein Sohn Davids,

Tekstuitleg van Lc 3,31 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

10. dauid (David) . Taalgebruik in het N.T. : dauid (David) . Taalgebruik in Mc : dauid (David) .
Lc (12) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 1,32 . (3) Lc 1,69 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 3,31 . (7) Lc 6,3 . (8) Lc 18,38 . (9) Lc 18,39 . (10) Lc 20,41 . (11) Lc 20,42 . (12) Lc 20,44 .

Lc 3,32 - Lc 3,32 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[32] tou Iessai tou ôbèl tou Boos tou Salmôn tou Naassôn  32 qui fuit Iesse qui fuit Obed qui fuit Booz qui fuit Salmon qui fuit Naasson          32 Jesse, Obed, Boaz, Selach, Nachsjon,  32. fils de Jessé, fils de Jobed, fils de Booz, fils de Sala, fils de Naasson,  

King James Bible . [32] Which was the son of Jesse, which was the son of Obed, which was the son of Booz, which was the son of Salmon, which was the son of Naasson,
Luther-Bibel . 32 der war ein Sohn Isais, der war ein Sohn Obeds, der war ein Sohn des Boas, der war ein Sohn Salmons, der war ein Sohn Nachschons,

Tekstuitleg van Lc 3,32 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,33 - Lc 3,33 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[33] tou Ameinadab tou Aram tou Asrôm tou Fares tou Iouda  33 qui fuit Aminadab qui fuit Aram qui fuit Esrom qui fuit Phares qui fuit Iudae          33 Aminadav, Arni, Chetsron, Perets, Juda,  33. fils d'Aminadab, fils d'Admin, fils d'Arni, fils de Hesron, fils de Pharès, fils de Juda,  

King James Bible . [33] Which was the son of Aminadab, which was the son of Aram, which was the son of Esrom, which was the son of Phares, which was the son of Juda,
Luther-Bibel . 33 der war ein Sohn Amminadabs, der war ein Sohn Admins, der war ein Sohn Arnis, der war ein Sohn Hezrons, der war ein Sohn des Perez, der war ein Sohn Judas,

Tekstuitleg van Lc 3,33 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

12. iouda (Juda) . Taalgebruik in het N.T. : iouda (Juda) . Taalgebruik in Lc : iouda (Juda) .
Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 3,30 . (3) Lc 3,33 . (4) Lc 22,48 .

Lc 3,34 - Lc 3,34 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[34] tou Iakôb tou Isak tou Abraam tou thara tou Nachôr  34 qui fuit Iacob qui fuit Isaac qui fuit Abraham qui fuit Thare qui fuit Nachor           34 Jakob, Isaak, Abraham, Terach, Nachor,   34. fils de Jacob, fils d'Isaac, fils d'Abraham, fils de Thara, fils de Nachor, 

King James Bible . [34] Which was the son of Jacob, which was the son of Isaac, which was the son of Abraham, which was the son of Thara, which was the son of Nachor,
Luther-Bibel . 34 der war ein Sohn Jakobs, der war ein Sohn Isaaks, der war ein Sohn Abrahams, der war ein Sohn Terachs, der war ein Sohn Nahors,

Tekstuitleg van Lc 3,34 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,35 - Lc 3,35 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[35] tou Serouch tou Ragau tou falek tou Eber tou Sala 35 qui fuit Seruch qui fuit Ragau qui fuit Phalec qui fuit Eber qui fuit Sale          35 Seroeg, Reöe, Peleg, Eber, Selach,   35. fils de Sérouch, fils de Ragau, fils de Phalec, fils d'Éber, fils de Sala, 

King James Bible . [35] Which was the son of Saruch, which was the son of Ragau, which was the son of Phalec, which was the son of Heber, which was the son of Sala,
Luther-Bibel . 35 der war ein Sohn Serugs, der war ein Sohn Regus, der war ein Sohn Pelegs, der war ein Sohn Ebers, der war ein Sohn Schelachs,

Tekstuitleg van Lc 3,35 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,36 - Lc 3,36 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[36]tou Arfaxad tou Sèm tou Nôe tou Lamech   36 qui fuit Cainan qui fuit Arfaxat qui fuit Sem qui fuit Noe qui fuit Lamech          36 Kenan, Arpachsjad, Sem, Noach, Lamech,  36. fils de Kaïnam, fils d'Arphaxad, fils de Sem, fils de Noé, fils de Lamech,  

King James Bible . [36] Which was the son of Cainan, which was the son of Arphaxad, which was the son of Sem, which was the son of Noe, which was the son of Lamech,
Luther-Bibel . 36 der war ein Sohn Kenans, der war ein Sohn Arpachschads, der war ein Sohn Sems, der war ein Sohn Noahs, der war ein Sohn Lamechs,

Tekstuitleg van Lc 3,36 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,37 - Lc 3,37 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[37] tou Mathousala tou Ainôch tou Iared tou Maleleèl tou Kainan  37 qui fuit Mathusalae qui fuit Enoch qui fuit Iared qui fuit Malelehel qui fuit Cainan          37 Metoesjelach, Henoch, Jered, Mahalalel, Kenan,  37. fils de Mathousala, fils de Hénoch, fils de Iaret, fils de Maleléel, fils de Kaïnam,  

King James Bible . [37] Which was the son of Mathusala, which was the son of Enoch, which was the son of Jared, which was the son of Maleleel, which was the son of Cainan,
Luther-Bibel . 37 der war ein Sohn Metuschelachs, der war ein Sohn Henochs, der war ein Sohn Jereds, der war ein Sohn Mahalalels, der war ein Sohn Kenans,

Tekstuitleg van Lc 3,37 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

Lc 3,38 - Lc 3,38 : 19. Stamboom van Jezus - Lc 3,23-38 - Mt 1,1-17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 3 -- Lc 3,23 - Lc 3,24 - Lc 3,25 - Lc 3,26 - Lc 3,27 - Lc 3,28 - Lc 3,29 - Lc 3,30 - Lc 3,31 - Lc 3,32 - Lc 3,33 - Lc 3,34 - Lc 3,35 - Lc 3,36 - Lc 3,37 - Lc 3,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
[38] tou Ainôs tou Sèth tou Adam tou thu. 38 qui fuit Enos qui fuit Seth qui fuit Adam qui fuit Dei           38 Enos, Set, van Adam, van God.   38. fils d'Énos, fils de Seth, fils d'Adam, fils de Dieu. 

King James Bible . [38] Which was the son of Enos, which was the son of Seth, which was the son of Adam, which was the son of God.
Luther-Bibel . 38 der war ein Sohn des Enosch, der war ein Sohn Sets, der war ein Sohn Adams, der war Gottes.

Tekstuitleg van Lc 3,38 .

1. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

3. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc (22) : (1) Lc 3,1 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 3,6 . (5) Lc 3,15 . (6) Lc 3,19 . (7) Lc 3,23 . (8) Lc 3,24 . (9) Lc 3,25 . (10) Lc 3,26 . (11) Lc 3,27 . (12) Lc 3,28 . (13) Lc 3,29 . (14) Lc 3,30 . (15) Lc 3,31 . (16) Lc 3,32 . (17) Lc 3,33 . (18) Lc 3,34 . (19) Lc 3,35 . (20) Lc 3,36 . (21) Lc 3,37 . (22) Lc 3,38 .

 

Reformatorisch Dagblad - internet editie . 8 januari 2004 . Levietische afstamming Maria waarschijnlijker dan davidische

Mede naar aanleiding van een opiniërende bijdrage van L. M. P. Scholten (RD 3-1) over de afstamming van Maria, geeft T. van den Berg een toelichting op zijn standpunt. De reactie van de heer Scholten, die ik zeer waardeer, is helder. Hij conformeert zich aan kanttekening 28 van de Statenvertaling bij Lukas 3:31, waarin staat dat het geslachtsregister in Lukas 3 dat van Maria is en dat zij via Nathan van David stamt. Vanuit Handelingen 2:30 (vrucht van de „lendenen” Davids) ziet hij de noodzaak van een biologische continuïteit van David via Maria naar Jezus. Hij ervaart het als een reductie van Handelingen 2:30 wanneer ik stel dat het niet uitmaakt of Maria davidisch was of niet, omdat Jezus door geboorte in Jozefs huis aan het huis Davids werd geschonken en zo tevens Zijn troonsrechten ontving. „Lendenen” Is dat zo? Als Jezus wel door geboorte in Jozefs huis het davidisch koningschap kon erven, dan niet de davidische afstamming? En kan „uit de vrucht zijner(!) lendenen” op de afkomst uit een vrouw betrekking hebben en zo Maria’s davidische afkomst bewijzen? Evenmin als in Rom. 1:3 („zaad Davids”) kan „lendenen Davids” letterlijk bedoeld zijn, gezien Jezus’ verwekking uit de Heilige Geest en niet uit de man. Beide teksten geven geen biologische verklaring, maar zijn indicatie van Zijn behoren tot het geslacht Davids. De afstamming wordt in de Bijbel ook niet gerelateerd aan de vrouw. Al was Maria levietisch, dan nog kan niet gesteld worden dat Jezus naar Zijn menselijk lichaam uit Levi is voortgekomen. Dan geldt Hij toch als Jozefs en zo als Davids Zoon. In mijn boek heb ik de mogelijkheid van een davidische afstamming van Maria nadrukkelijk opengelaten en de afstamming van Levi waarschijnlijker geacht, gelet op de familieband met Elisabet. De verschillen tussen de geslachtsregisters van Matthéüs 1 en Lukas 3 los ik niet op door die van Lukas op Maria te betrekken, zoals de Statenvertalers deden. Werkelijk bewijs daarvoor ontbreekt. Ik laat ze rustig naast elkaar staan en neem ze zoals ze gepresenteerd worden: van Jozef. Lukas heeft toch alles van voren aan „nauwkeurig” onderzocht? Onderzoeken bevestigen inderdaad Lukas’ hoge mate van nauwkeurigheid. Ik respecteer dan ook liever de Schrift zoals deze zich in Lukas 3:23 aandient. Als Lukas daar Maria bedoelde, maar Jozef vermeldt, heeft hij zich wel bijzonder ongebruikelijk uitgedrukt. Dat Lukas met de woorden „alzo men meende” aangaf eigenlijk Maria te bedoelen, zodat Jozef schóónzoon van Heli is, is omstreden en kan evengoed betrekking hebben op het contrast tussen Jezus’ goddelijke afkomst en Zijn -vermeende!- biologische afkomst uit Jozef. Door ondertrouw Matthéüs en Lukas vermelden voorts niet één keer expliciet Maria’s afstamming, wat bij Lukas temeer opvalt omdat hij dat in het geval van Elisabet wel deed (Lukas 1:5). Hoe eenvoudig had hij in Lukas 2:4 niet kunnen schrijven „omdat zíj uit het huis en geslacht van David waren.” Lukas 1:27 en 2:4 en 5 impliceren Maria wel, doch slechts doordat zij sinds haar ondertrouw met Jozef tot het geslacht van David was gáán behoren. De wijze waarop Matthéüs én Lukas het begin van ’hun’ evangelie presenteren dringt de onbevangen lezer als vanzelf naar de conclusie dat Jezus’ geboorte in Jozefs huis blijkbaar doorslaggevend is voor Zijn behoren tot Davids huis. Door schenking, niet door adoptie. Dit laatste wees ik in mijn boek nadrukkelijk af. Door deze schenking werd ook de lijn van Chónia, naar de profetie van Jeremia 22:30, onderbroken. Omdat een interview niet alle details en nuanceringen kan bevatten, leek het me goed om mijn standpunt ten aanzien van Maria’s afstamming te verhelderen. Zonder andere standpunten a priori af te wijzen, meen ik dat die minder recht doen aan de letterlijke woorden van de Schrift. De auteur publiceerde onlangs het boek ”De kerstgeschiedenis. Romantiek & realiteit”.

bijbelplaats Lc aantal woorden aantal lettergrepen   bijbelplaats Mt aantal woorden aantal lettergrepen
Lc 3,38 8 (4 X 2)  11    Mt 1,2  18 (1 X 4) + (1 X 5) + (1 X 9)  
Lc 3,37 10 (5 X 2)  20    Mt 1,3  21 (2 X 5) + (1 X 11)  
Lc 3,36 10 (5 X 2)  16    Mt 1,4  15 (3 X 5)  
Lc 3,35 10 (5 X 2) 15     Mt 1,5  21 (2 X 8) + (1 X 5)  
Lc 3,34 10 (5 X 2) 15     Mt 1,6a  7 (Totaal : 82)  
Lc 3,33 12 20    Mt 1,6b    
Lc 3,32 10 (5 X 2) Totaal : 70 15 (Totaal : 112)    Mt    
Lc 3,31 10 (5 X 2) 17         
Lc 3,30 10 (5 X 2) 18        
Lc 3,29 10 (5 X 2) 17        
Lc 3,28 10 (5 X 2) 15         
Lc 3,27 10 (5 X 2) 20         
Lc 3,26 10  (5 X 2) 16         
Lc 3,25 10 (5 X 2) 17         
Lc 3,24 10 (5 X 2) 15         
Lc 3,23  15 (3 X 4) + (1 X 3) 32 (Totaal 167)    Mt 1,1 8 (4 X 2)   
Totaal 165  279        
             

van Adam tot Noach

  Lc 3, Mt   1 Kr 1,
  - 77. Lc 3,38d : tou theou ( (zoon) van God)   Gn 1,1-2,25  
1. - 76. Lc 3,38c : tou Adam (van Adam)   Gn 1,1-5,5 1 Kr 1,1 : Adam (Adam)
2. - 75. Lc 3,38b : tou Sèth (van Seth)   Gn 4,25-26 . Gn 5,6-8 Sèth (Seth)
3. - 74. Lc 3,38a : tou Enôs (van Enos)    Gn 5,9-11  Enôs (Enos)
 4. - 73.  Lc 3,37e : tou Kaïnam (van Kenan)    Gn 5,12-14 1 Kr 1,2 : Kainan (Kenan) 
 5. - 72. Lc 3,37d :  tou Maleleèl (van Mahalalel)    Gn 5,15-17  Maleleèl (Mahalalel)
 6. - 71.  Lc 3,37c : tou Iaret (van Jered)   Gn 5,18-20  Iared (Jered) 
 7. - 70. ( 10 X 7) Lc 3,37b : tou Henôch (van Henoch)    Gn 5,21-24  1 Kr 1,3 : Henôch  (Henoch)
 8. - 69. Lc 3,37a : tou Mathousala (van Metuselach)    Gn 5,25-27  Mathousala (Metuselach) 
9. - 68. Lc 3,36e : tou Lamech (van Lamech)   Gn 5,28-31 Lamech (Lamech)
10. - 67. Lc 3,36d : tou Nôe (van Noach)   Gn 5,32-9,29 Nôe (Noach)
  Lc 3,36d-38    Gn 5,6-32  1 Kr 1,1-3

Ele toldoth (deze genealogieën) wordt in de bijbel 4X gebruikt. De eerste maal is dat het geval bij het begin van het tweede scheppingsverhaal (Gn 2,4). De tweede ele toldoth wordt vermeld in Gn 6,9. Het is de geschiedenis van Noach. De derde ele toldoth vindt men in Gn 11,10. Ze behandelt het geslacht van Sem. En de vierde (en laatste) ele toldoth vindt men in Gn 37,2. Daar begint dan de geschiedenis van Jakob. Volgens F. Weinreb bevatten de vier geslachtslijsten het aantal geslachten volgens de getalwaarde van de godsnaam JWHW (J = Jot = 10 ; H = he = 5 ; W = waw = 6 ; H = he = 5 ; totale getalwaarde : 26).
Lucas' eerste lijst (Lc 3,36d-38 // Gn 5,6-32 // 1 Kr 1,1-3) bestaat inderdaad uit 10 geslachten. Er zijn evenwel nog 6 we (=en)-ele toldoth nl. Gn 10,1 ; Gn 11,27 ; Gn 25,12 ; Gn 25,19 ; Gn 36,1 en Gn 36,9. Aldus zijn er 10 genealogieën die beginnen met ele toldoth of we-ele toldoth. Gn 5,1 begint : zèh sefèr toldoth 'adam (LXX : hautè hè biblos geneseôs anthrôpôn ) : dit is het boek van de genealogie van de mens(en) (mensheid). Dit begin komt heel sterk overeen met het begin van het Matteüsevangelie : biblos geneseôs Ièsou : begin van de genealogie van Jezus.
Lucas' tweede lijst zou naar de getalwaarde van de tweede letter van de godsnaam JHWH (H = he = 5) vijf geslachten moeten omvatten. Dit klopt volgens de lijst van Gn 11,10-19 en 1 Kr 1,17-25, maar Lucas heeft op de derde plaats een naam toegevoegd nl. Kenan, waardoor de lijst 6 in plaats van 5 geslachten telt.
Lucas' derde lijst zou naar de getalwaarde van de derde letter van de godsnaam JHWH (W = waw = 6) zes geslachten moeten bevatten. Naar Lc 3,34b-35b , 1 Kr 1,25-27 klopt dat (om dan de volgende lijst met Jakob te beginnen). Zo komt Abraham in de Lucaslijst op de 21ste plaats. Na Jakob volgt F. Weinreb de genealogie van Levi (Ex 6,15-19). Het is de vierde lijst en zou naar de getalwaarde van de 4de letter van de godsnaam JHWH (H = he = 5) 5 geslachten moeten omvatten : Jakob, Levi, Kehath , Amram , Mozes.
Lucas volgt de genealogie van Juda.
Tot David ziet de lijst van Lucas er als volgt uit : 10 + 6 + 6 + 13 = 35 geslachten. Lucas heeft zijn eigen indeling. 1-10 : Adam tot Noach (10 geslachten). 11-20 : Sem tot Terach (10 geslachten). 21-35 : Abram - David (15 geslachten) .

Sem - Abram - David

  Lc 3 Mt   1 Kr 1