LUCASEVANGELIE, VIERDE HOOFDSTUK , LC 4 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -
- Lc 4,14-21 -- Lc 4,21-30 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van het Lucasevangelie :  Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
Tekstuitleg per perikope - Lc 4,1-13 - Lc 4,14-15 - Lc 4,16-30 - Lc 4,31 - Lc 4,32 - Lc 4,33-37 - Lc 4,36 - Lc 4,38-39 - Lc 4,40-41 - Lc 4,40a1 - Lc 4,40b - Lc 4,42-43 - Lc 4,44 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 - Lc 4,14 - Lc 4,15 - Lc 4,16 - Lc 4,17 - Lc 4,18 - Lc 4,19 - Lc 4,20 - Lc 4,21 - Lc 4,22 - Lc 4,23 - Lc 4,24 - Lc 4,25 - Lc 4,26 - Lc 4,27 - Lc 4,28 - Lc 4,29 - Lc 4,30 - Lc 4,31 - Lc 4,32 - Lc 4,33 - Lc 4,34 - Lc 4,35 - Lc 4,36 - Lc 4,37 - Lc 4,38 - Lc 4,39 - Lc 4,40 - Lc 4,41 - Lc 4,42 - Lc 4,43 - Lc 4,44 -
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
             
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) , zie Lc 4,2 .
- dunamis (kracht, macht) , zie Lc 4,1 .
- ´èchâd (één) , zie Lc 4,6 .
- hupstrefô (omkeren, terugkeren) , zie Lc 4,1
- lithos (steen) , zie Lc 4,2 .
- peinaô (hongeren, honger hebben) , zie Lc 4,2 .
- peirazô (beproeven, op de proef stellen) , zie Lc 4,2 .
- pimplèmi (vervullen, vol maken) , zie Lc 4,1
- pneuma (adem, wind, geest) , zie Lc 4,1
Bibliografie : bibliografie Lucasevangelie -- Lucas 4 -
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Lc 4,14-21 : 3de (derde) zondag door het jaar C
- Lc 4,21-30 : 4de (vierde) zondag door het jaar C
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het vierde hoofdstuk van het Lucasevangelie :
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15
22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31
54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32
55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39
59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - - Mt 8,16-17 - - Lc 4,40-41
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43
61. Prediking in de synagogen : Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44

20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Lc 4,1-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -

Bespreking : http://www.interlevensbeschouwelijk.be/lucasb04.htm#Lc4113

Evangelielezing van de 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C : Lc 4,1-13 .
In die tijd ging Jezus, vervuld van de heilige Geest weg van de Jordaan. Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef en door de duivel op de proef werd gesteld. Gedurende die dagen at Hij niets en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger. De duivel zei nu tot Hem: "Als Gij de zoon van God zijt beveel dan aan die steen daar dat hij in brood verandert." Jezus gaf hem ten antwoord: "Er staat geschreven: de mens leeft niet van brood alleen." Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld. En de duivel sprak tot Hem: "Ik zal U alle macht geven over deze heerlijke gebieden want ze zijn mij geschonken, en ik geef ze aan wie ik wil. Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal dat alles van U zijn." Toen antwoordde Jezus hem: "Er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen." Daarna bracht de duivel Hem naar Jeruzalem, plaatste Hem op de bovenbouw van een tempelpoort en sprak tot Hem: "Als Gij de zoon van God zijt werp U dan vanaf deze plaats naar beneden; want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen en zij zullen U op de handen nemen opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen." Maar Jezus gaf hem ten antwoord: "Er is gezegd: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen." Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op en hij verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.

In de perikope wordt veertienmaal het woordje kai (en) en driemaal het woordje de (echter) gebruikt . Lc 4,1-13 is een verhaal , geaccentueerd door het veelvuldig gebruik (veertienmaal) van het verbindingswoordje “en” . De perikope kan in vijf onderdelen verdeeld worden : de inleiding , drie discussies en het slot . Hij is concentrisch opgebouwd .

1. de beproever 2. Jezus 3. de duivel 4. Jezus 5. de duivel 6. Jezus
Lc 4,3 Lc 4,4 Lc 4,9 Lc 4,12 Lc 4,6 Lc 4,8
  kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
  apokrithè (antwoordde)   apokritheis (geantwoord)   apokritheis (geantwoord)
eipen de (zei echter)   eipen (hij zei) eipen (zei) eipen (hij zei) ho Ièsous (Jezus) eipen (hij zei)
autôi (aan hem) pros auton (tot hem) autôi (hem) autôi (aan hem) autôi (hem) autôi (hem)
ho diabolos (de duivel) ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus) ho diabolos (de duivel)  

 

Lc 4,1 - Lc 4,1 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:1 Ièsous de plèrès pneumatos hagiou hupestrepsen apo tou Iordanou kai ègeto en tô pneumati en tè erèmô   1 Iesus autem plenus Spiritu Sancto regressus est ab Iordane et agebatur in Spiritu in desertum  Jezus nu keerde vol van de heilige Geest terug van de Jordaan en werd door de Geest geleid in de woestijn.   1 Vervuld van de heilige Geest ging Jesus weer weg van de Jordaan; Hij werd door de Geest naar de woestijn gevoerd, waar Hij veertig dagen verbleef,   {1] Vol van heilige Geest keerde Jezus terug van de Jordaan. Hij bleef veertig dagen lang in geestvervoering* in de woestijn,  [1] Vervuld van de heilige Geest trok Jezus weg van de Jordaan, en geleid door de Geest zwierf hij veertig dagen rond in de woestijn,  1 ¶ Vol van heilige Geest keert Jezus terug van de Jordaan; door de Geest is hij geleid in de woestijn, Jésus, rempli d'Esprit Saint, revint du Jourdain, et il était mené par l'Esprit à travers le désert 

Statenvertaling . 1 En Jezus, vol des Heiligen Geestes, keerde wederom van de Jordaan, en werd door den Geest geleid in de woestijn;
King James Bible . And Jesus being full of the Holy Ghost returned from Jordan, and was led by the Spirit into the wilderness,
Luther-Bibel . Jesus aber, voll Heiligen Geistes, kam zurück vom Jordan und wurde vom Geist in die Wüste geführt

Tekstanalyse van Lc 4,1 . Lc 4,1 telt 9 (2 + 3 + 4) + 8 (2 + 3 + 3) = 17 woorden . Lc 4,1 telt 21 (3 + 8 + 10) + 14 (4 + 5 + 5) = 35 lettergrepen . De helft tussen 17 (8 - 1 - 8) is het negende woord : Iordanou (van de Jordaan) . De helft van 35 (17 - 1 - 17) is tou (het lidwoord bij Iordanou) . Het vers Lc 4,1 telt 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 4,1 is 9738 (2 X 3² X 541) . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . Actoren in dit vers zijn Jezus en de geest . Plaatsaanduidingen zijn de Jordaan en de woestijn .

Lc 4,1.1. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (55) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,35 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : 6 + 1 : Lc 4,34 . In deze pericope komt Jezus als onderwerp viermaal voor .

Lc 4,1.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 4 (13) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,21 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,25 . (7) Lc 4,30 . (8) Lc 4,38 . (9) Lc 4,39 . (10) Lc 4,40 . (11) Lc 4,41 . (12) Lc 4,32 . (13) Lc 4,43 .

Lc 4,1.1. - 2. ièsous de (Jezus echter) . In Lc slechts in dit vers .

Lc 4,1.3. nom. mann. enk. plèrès van het bijvoeglijk naamwoord plèrès (vol) . Taalgebruik in het NT : plèrès (vol) . Taalgebruik in Lc : plèrès (vol) .
Lc (2) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 5,12 . Dit is de enigste vorm in Lc .
(1) Lc 4,1 : Jezus : plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest .
(2) Lc 5,12 : kai idou anèr plèrès lepras = en zie een man vol van melaatsheid .

Lc 4,1.4. gen. onz. enk. pneumatos (geest) van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (6) : zie hieronder . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 4 in 5 verzen : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,33 . (5) Lc 4,36 . In vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .

Lc 4,1.5. gen. mann. + onz. enk. hagiou van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Lc : hagios (heilig) .
Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . Een vorm van hagios (heilig) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,25 . (3) Lc 1,41 . (4) Lc 1,49 . (5) Lc 1,67 . (6) Lc 1,70 . (7) Lc 1,72 . (8) Lc 2,23 . (9) Lc 2,25 . (10) Lc 2,26 . (11) Lc 3,16 . (12) Lc 3,22 . (13) Lc 4,1 . (14) Lc 4,34 . (15) Lc 9,26 . (16) Lc 10,21 . (17) Lc 11,13 . (18) Lc 12,10 . (19) Lc 12,12 .

Lc 4,1.4. - 5. pneumatos hagiou (van heilige geest) . Lc (5) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . Het gebruik van gen. onz. enk. hagiou (heilig) is steeds gecombineerd met pneumatos (geest) .

Lc 4,1.3. - 5. Er wordt steeds gesproken over vol zijn van of vervuld worden van heilige geest . Wanneer er sprake is van onreine geest , spreekt men van bezeten . Het zijn de uiterste polen : heilig - onrein . Wie wordt als heilig of als onrein bestempeld ? Bestaat de mogelijkheid voor een andere visie , zonder het als tegenstand of tegenstander te beschouwen ? Bestaat de mogelijkheid tot empatie met een andere visie ?

Lc 4,1.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. hupestrepsen (hij keerde terug) van het werkw. hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in het NT : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) .
Lc (5) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 4,1 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 8,37 . (5) Lc 17,15 . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 .
Het gaan van Jezus van Galilea naar de Jordaan wordt slechts impliciet vermeld daar Jezus gedoopt wordt (Lc 3,21) . De terugkeer naar Galilea verloopt in een 2-tal stappen : van de Jordaan naar de woestijn (Lc 4,1) en van de woestijn naar Galilea (Lc 4,14) . Er is ogenschijnlijk geen verband tussen de gevangenschap van Johannes en Jezus' terugkeer naar Galilea . Het is ook opmerkelijk dat in deze drie verzen sprake is van de geest .

Lc 4,1.7. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 4 (3 + 3 = 6) . apo (3) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 4,41 . ap' (3) : (1) Lc 4,13 . (2) Lc 4,35 . (3) Lc 4,42 .

Lc 4,1.6. - 7. Lc 4,1 : hupestrepsen apo (hij keerde terug van) . Hapax in het NT . Lc 1,56 en Lc 4,14 : hupestrepsen (...) eis (hij / zij keerde terug naar) .

Lc 4,1.8. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,1.9. gen. mann. enk. Iordanou van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het NT : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Lc : iordanès (Jordaan) . Lc (2) : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,1.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,1.11. med. ind. imperf. 3de pers. enk. ègeto (hij liet zich leiden) van het werkw. agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in Lc : agô (leiden, voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . Lc (1) Lc 4,1 . Een vorm van agô (leiden , voeren) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,29 . (4) Lc 4,40 . (5) Lc 10,34 . (6) Lc 18,40 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,30 . (9) Lc 19,35 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 23,1 . (12) Lc 23,32 . (13) Lc 24,21 .

Lc 4,1.12. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,1.13. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,39 .

Lc 4,1.14. dat. onz. enk. pneumati van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (8) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 4 in 5 verzen : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,33 . (5) Lc 4,36 .

Lc 4,1.12. - 14. en pneumati (met een geest) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 3,16 . In een bredere contekst . (1) Lc 1,17 .: kai proeleusetai enôpion autou en pneumati kai dunamei èliou (en hij zal voorgaan in zijn aangezicht in een geest en een kracht van Elia) . (2) Lc 3,16 : autos humas baptisei en tô(i) pneumati kai puri (hij zal jullie dopen met heilige geest en vuur) . Lc 1,17 .verwijst naar Johannes de Doper , Lc 3,16 naar Jezus . en tô(i) pneumati (door de geest) . Lc (2) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 4,1 . In een bredere contekst . (1) Lc 2,27 : kai èlthen en tô(i) pneumati eis to hieron (en hij ging door de geest naar de tempel) . (2) Lc 4,1 : kai hègeto en tô(i) pneumati eis tèn erèmon (en hij werd door de geest naar de woestijn gedreven) .

Lc 4,1.15. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,1.16. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,23 . (6) Lc 4,24 . (7) Lc 4,28 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,33 .

Lc 4,1.17. dat. vr. enk. erèmô(i) van het zelfst. / bijvoegl. naamw. erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Lc (5) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,4 . (4) Lc 4,1 . (5) Lc 4,42 . (6) Lc 5,16 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,29 . (9) Lc 9,12 . (10) Lc 15,4 .

Lc 4,1.15. - 17. en tè(i) erèmô(i) (in de woestijn) . In 5 verzen bij Lucas: (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 .

Lc 4,2 - Lc 4,2 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:2 hèmeras tesserakonta peirazomenos hupo tou diabolou kai ouk efagen ouden en tais hèmerais ekeinais kai suntelestheisôn autôn epeinasen   2 diebus quadraginta et temptabatur a diabolo et nihil manducavit in diebus illis et consummatis illis esuriit  veertig dagen, terwijl hij op de proef gesteld werd door de duivel. En hij at niets in die dagen.   2 en door de duivel op de proef werd gesteld. Gedurende die dagen at Hij niets, en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger. [2] waar Hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die dagen at Hij niets, en toen ze voorbij waren kreeg Hij honger.   [2] waar hij door de duivel op de proef werd gesteld. Al die tijd at hij niets, en toen de veertig dagen verstreken waren, had hij grote honger.   2 veertig dagen lang beproefd door de duivel; hij heeft niets gegeten in die dagen; als ze voleindigd zijn is hij uitgehongerd.  2. durant quarante jours, tenté par le diable. Il ne mangea rien en ces jours-là et, quand ils furent écoulés, il eut faim.  

Statenvertaling . 2 En werd veertig dagen verzocht van den duivel; en at gans niet in die dagen, en als dezelve geëindigd waren, zo hongerde Hem ten laatste.
King James Bible . Being forty days tempted of the devil. And in those days he did eat nothing and when they were ended, he afterward hungered.
Luther-Bibel . und vierzig Tage lang von dem Teufel versucht. Und er aß nichts in diesen Tagen, und als sie ein Ende hatten, hungerte ihn.

Tekstuitleg van Lc 4,2 . Lc 4,2 telt 6 (2 + 4) + 8 (4 + 4) + 4 (3 + 1) = 18 woorden . Lc 4,2 telt 20 (8 + 12) + 15 (7 + 8) + 12 (8 + 4 ) = 47 lettergrepen . Tweede nevenschikkende zin : 8 + 6 = 14 woorden , 14 + 20 = 34 lettergrepen . Derde nevenschikkende zin : 8 woorden , 15 lettergepen . Vierde nevenschikkende zin : 4 woorden en 12 lettergrepen . Totaal van de 4 nevenschikkende zinnen : 9 + 14 + 8 + 4 = 35 woorden , 21 + 34 + 15 + 12 = 82 lettergrepen . Het vers Lc 4,2 telt 19 woorden en 119 (7 X 17) lettergrepen . De getalwaarde van Lc 4,2 is 12319 (97 x 127) .

Lc 4,2.1. gen. vr. enk; + acc. vr. mv. hèmeras van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Lc (14) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 1,24 . (3) Lc 1,80 .  (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,44 . (6) Lc 2,46 . (7) Lc 4,2 . (8) Lc 4,42 . (9) Lc 9,51 . (10) Lc 15,13 . (11) Lc 17,4 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 18,7 . (14) Lc 21,37 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,42 .

Lc 4,2.2. hoofdtelwoord tesserakonta  (40) . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (1) Lc 4,2 .

Lc 4,2.3. pass. part. pr. nom. man. enk. peirazomenos  van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het NT : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Lc : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare (proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh . Lc (1) Lc 4,2 . Een vorm van peirazô (beproeven, op de proef stellen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 11,16 .

Lc 4,2.4. hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het NT : hupo (door) . Taalgebruik in Mc : hupo (door) . Taalgebruik in Lc : hupo (door) .
Lc (23 + 8 = 31) . Lc 4 (2) . hupo (2) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,15 .

Lc 4,2.5. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,2.6. gen. mann. enk. diabolou van het zelfst. naamw. diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Lc (1) Lc 4,2 . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,13 . (5) Lc 8,12 .

Lc 4,2.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,2.8. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 4 (4 + 4 = 8) . ou of hou (4) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,29 . ouk (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,41 .

Lc 4,2.9. act. ind. aor. 3de pers. enk. efagen (hij at) van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT : esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen . Lc (3) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 6,4 . (3) Lc 24,43 . Een vorm van esthiô (eten) in Lc in 31 verzen , in Lc 4 in 1 vers : Lc 4,2 . De relatie tussen niet eten en 40 dagen vinden we in Ex 34,28 . Mozes ging opnieuw de berg op om opnieuw twee stenen tafels te ontvangen .

Lc 4,2.10. nom. + acc. onz. enk. ouden van het voornaamw. oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Mc : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Lc (12) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 10,19 . (5) Lc 12,2 . (6) Lc 18,34 . (7) Lc 20,40 . (8) Lc 23,4 . (9) Lc 23,9 . (10) Lc 23,15 . (11) Lc 23,22 . (12) Lc 23,41 .

Lc 4,2.11. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,2.12. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,15 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,43 .

Lc 4,2.13. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .
Een vorm van hèmera (dag) in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,42 .

Lc 4,2.14. aanwijzend voornaamw. datief vrouwelijk meervoud ekeinais (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Lc : ekeinos (die) .
Lc (5) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 5,35 . (4) Lc 9,36 . (5) Lc 21,23 . Een vorm van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) in Lc in 32 verzen , in Lc 4 in 1 vers : Lc 4,2 .

11. - 14. en tais hèmerais ekeinais (in die dagen) . Lc (2) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,2 . En ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . In Lc (3) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 9,36 . (3) Lc 21,23 . In die dagen wordt in het Hebreeuws in twee woorden (bajjâmîm hâhem) weergegeven : eerste woord : prefix be- + lidwoord ha + zelfstandig naamwoord meervoud jamim ; tweede woord : bepaald lidwoord + aanwijzend voornaamwoord derde persoon mannelijk en onzijdig meervoud als suffix . Deze constructie komt in eenendertig verzen in de bijbel voor . In het Nederlands staat het aanwijzend voornaamwoord vóór het zelfstandig naamwoord en is er geen lidwoord .

Lc 4,2.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,2.16. pass. part. aor. gen. mv. suntelestheisôn van het werkw. sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in het NT : sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in Lc : sunteleô (voltooien) . Lc (1) Lc 4,2 . Een vorm van sunteleô (voltooien) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,13 .

Lc 4,2.17. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,15 . (4) Lc 4,26 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,29 . (7) Lc 4,30 . (8) Lc 4,40 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,2.18. act. ind. aor. 3de pers. enk. epeinasen (hij had honger) van het werkw. peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in het NT : peinaô (hongeren, honger hebben) . Taalgebruik in Lc : peinaô (hongeren, honger hebben) . Lc (2) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 6,3 . Een vorm van peinaô (hongeren, honger hebben) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 1,53 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 6,3 . (4) Lc 6,21 . (5) Lc 6,25 .

Lc 4,2.19. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,3 - Lc 4,3 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:3 eipen de autôi ho diabolos ei huios ei tou theou eipe tôi lithôi toutôi hina genètai artos   3 dixit autem illi diabolus si Filius Dei es dic lapidi huic ut panis fiat    3 De duivel zei nu tot Hem: Als Gij de zoon ‘van God zijt, beveel dan aan die steen daar, dat hij in brood verandert.  [3] Toen zei de duivel tegen Hem: ‘Als U de Zoon van God bent, zeg dan tegen deze steen dat hij een brood moet worden.’   [3] De duivel zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, beveel die steen dan in een brood te veranderen.’  3 Dan zegt de duivel tot hem: als jij de Zoon van God bent, zeg dan tot deze steen dat hij een brood wordt! 3. Le diable lui dit : « Si tu es Fils de Dieu, dis à cette pierre qu'elle devienne du pain. »  

Statenvertaling . 3 En de duivel zeide tot Hem: Indien Gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen, dat hij brood worde.
King James Bible . And the devil said unto him, If thou be the Son of God, command this stone that it be made bread.
Der Teufel aber sprach zu ihm: Bist du Gottes Sohn, so sprich zu diesem Stein, dass er Brot werde.

Tekstuitleg van Lc 4,3 . Lc 4,3 telt 5 (3 + 2) + 5 + 7 (4 + 3) = 17 woorden . Lc 4,3 telt 10 (5 + 5) + 7 + 14 (7 + 7) = 31 . Aantal woorden van de duivel : 5 + 7 = 12 ; lettergrepen : 21 . De getalwaarde van Lc 4,3 is 9171 (3 X 3 X 1019) . Het zoonschap van Jezus heeft met verbond te maken . Terwijl Mozes op de berg is en geen brood eet en geen water drinkt , schrijft hij de tien woorden op de stenen platen van het verbond (Ex 34,28) . Er is dus sprake van stenen en brood .

Lc 4,3.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,3.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc (478 + 5 = 483) . Lc 4 (13) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,21 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,25 . (7) Lc 4,30 . (8) Lc 4,38 . (9) Lc 4,39 . (10) Lc 4,40 . (11) Lc 4,41 . (12) Lc 4,32 . (13) Lc 4,43 .

Lc 4,3.3. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,3.4. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,3.5. nom. mann. enk. diabolos van het zelfst. naamw. diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Lc (4) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 8,12 . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,13 . (5) Lc 8,12 .

Lc 4,3.1. - 5. (kai) eipen (de) autô(i) ho diabolos = (en) de duivel zei (echter) hem : Lc (2) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 .

Lc 4,3.6. act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (64) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,26 . (4) Lc 4,27 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 .

Lc 4,3.7. nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (39) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,41 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 4 in genoemde 4 verzen . Het zoonschap van Jezus heeft met verbond te maken . Terwijl Mozes op de berg is en geen brood eet en geen water drinkt , schrijft hij de tien woorden op de stenen platen van het verbond (Ex 34,28) . De relatie tussen zoon en steen is in het Hebr. duidelijker : ben (zoon) en ´èbhèn (steen) .

Lc 4,3.8. act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (64) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,26 . (4) Lc 4,27 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 .

Lc 4,3.9. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,3.10. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 4,41 . (5) Lc 4,43 . Een vorm van theos (God) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,3.11. act. imperat. aor. 2de pers. enk. eipe (zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 7,7 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 10,40 . (5) Lc 12,13 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,3.12. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,39 .

Lc 4,3.13. dat. mann. enk. lithô(i) van het zelfst. naamw. lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) .
Lc (2) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 21,6 . Een vorm van lithos (steen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 .

Lc 4,3.14. dat. mann. enk. toutô(i) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (12) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 7,8 . (4) Lc 10,5 . (5) Lc 10,20 . (6) Lc 14,9 . (7) Lc 18,30 . (8) Lc 19,9 . (9) Lc 19,19 . (10) Lc 21,23 . (11) Lc 23,4 . (12) Lc 23,14 .

Lc 4,3.15. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in Lc : hina (opdat) . Lc (46) . Lc 4 (1) Lc 4,3 .

Lc 4,3.16. conj. aor. 3de pers. enk. genètai van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Lc (6) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 20,14 . (5) Lc 21,32 . (6) Lc 23,31 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 4 in 5 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,23 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,36 . (5) Lc 4,42 .

Lc 4,3.17. nom. mann. enk. artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken .

Lc 4,4 - Lc 4,4 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:4 kai apekrithè pros auton ho Ièsous gegraptai oti ouk ep artôi monôi zèsetai ho anthrôpos  4 et respondit ad illum Iesus scriptum est quia non in pane solo vivet homo sed in omni verbo Dei    4 Jesus gaf hem ten antwoord: Er staat geschreven: De mens leeft niet van brood alleen.  [4] Jezus antwoordde hem: ‘Er staat geschreven: Niet van brood alleen zal de mens leven.’  [4] Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “De mens leeft niet van brood alleen.”’*  4 Jezus antwoordt hem: geschreven staat ‘niet bij brood alleen zal de mens leven!’. 4. Et Jésus lui répondit : « Il est écrit : Ce n'est pas de pain seul que vivra l'homme. »  

Statenvertaling . 4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Er is geschreven, dat de mens bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.
King James Bible . And Jesus answered him saying, It is written, That man shall not live by bread alone, but by every word of God.
Luther-Bibel . Und Jesus antwortete ihm: Es steht geschrieben »Der Mensch lebt nicht allein vom Brot.«

Tekstuitleg van Lc 4,4 . Lc 4,4 telt 6 + 1 + 8 = 15 woorden . Lc 4,4 telt 11 + 3 + 15 = 29 lettergrepen . Jezus : 9 woorden , 18 lettergrepen . De getalwaarde van Lc 4,4 is 10401 (3 X 3467) .

Lc 4,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,4.2. ind. aor; 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (4) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 8,50 . (3) Lc 13,15 . (4) Lc 17,20 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 46 verzen , in Lc 4 in 3 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 .

Lc 4,4.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,21 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,26 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,40 . (8) Lc 4,43 .

Lc 4,4.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,29 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,40 . (8) Lc 4,41 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,4.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,4.6. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,35 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : 6 + 1 : Lc 4,34 . In deze pericope komt Jezus als onderwerp viermaal voor .

Lc 4,4.7. pass. ind. perf. 3de pers. enk. gegraptai van het werkw. grafô (schrijven) .Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Hnd (5) . In negen verzen in Lc : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .

Lc 4,4.8. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Lc (160) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,41 . (11) Lc 4,43 .

Lc 4,4.9. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 4 (4 + 4 = 8) . ou of hou (4) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,29 . ouk (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,41 .

Lc 4,4.10. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 4 (8 + 3 + 1 = 12) . epi (8) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,36 . (8) Lc 4,43 . ep' (3) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,25 . ef" (1) Lc 4,29 .

Lc 4,4.11. dat. mann. enk. artôi van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (1) Lc 4,4 . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken .

Lc 4,4.12. dat.  mann. + onz. enk. monô(i) van het bijvoegl. naamw. monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in het NT : monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in Lc : monos (alleen, afzonderlijk) . Lc (2) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . Een vorm van monos (alleen, afzonderlijk) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 9,18 . (6) Lc 9,36 . (7) Lc 10,40 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,18 .

Lc 4,4.13. act. ind. fut. 3de pers. enk. zèsetai (hij zal leven) van het werkw. zaô (leven, bestaan) . Taalgebruik in het NT : zaô (leven, bestaan) . Taalgebruik in Lc : zaô (leven, bestaan) . Lc (1) Lc 4,4 . Een vorm van zaô (leven, bestaan) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,36 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 10,28 . (4) Lc 15,13 . (5) Lc 15,24 . (6) Lc 15,32 . (7) Lc 20,38 . (8) Lc 24,5 . (9) Lc 24,23 .

Lc 4,4.14. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,4.15. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) .
Lc (24) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 . (8) Lc 9,25 . (9) Lc 10,30 . (10) Lc 13,19 . (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 . (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 . (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 . (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Lc in 83 verzen in Lc 1 in 2 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,33 .

- niet van brood alleen :

Lc 4,5 - Lc 4,5 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:5 kai anagagôn auton edeixen autôi pasas tas basileias tès oikoumenès en stigmèi chronou 5 et duxit illum diabolus et ostendit illi omnia regna orbis terrae in momento temporis  En hij leidde hem opwaarts (en) toonde hem alle rijken van de bewoonde aarde in één oogwenk.   5 Daarop voerde de duivel Hem omhoog en toonde Hem in een oogwenk alle koninkrijken der wereld,  [5] Daarop nam de duivel Hem mee omhoog en liet Hem in een flits alle koninkrijken van de wereld zien  [5] Toen bracht de duivel hem naar een hooggelegen plaats en liet hem in een en hetzelfde ogenblik alle koninkrijken van de wereld zien.  5 Hij leidt hem omhoog en toont hem alle koninkrijken van de bewoonde wereld, in een punt des tijds 5. L'emmenant plus haut, le diable lui montra en un instant tous les royaumes de l'univers 

Statenvertaling . 5 En als Hem de duivel geleid had op een hogen berg, toonde hij Hem al de koninkrijken der wereld, in een ogenblik tijds.
King James Bible . And the devil, taking him up into an high mountain, shewed unto him all the kingdoms of the world in a moment of time.
Luther-Bibel . Und der Teufel führte ihn hoch hinauf und zeigte ihm alle Reiche der Welt in einem Augenblick

Tekstuitleg van Lc 4,5 . Lc 4,5 telt 3 + 2 + 5 + 3 = 13 woorden . Lc 4,5 telt 7 + 5 + 12 + 5 = 29 lettergrepen . Het middelste woord 6 - 1 - 6 is pasas , het middelste lettergreep 14 - 1 - 14 is paSAS . Deze beproeving van de duivel is geïnspireerd op Da 7,14 en Ps 2,8.

Lc 4,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,5.2. act. part. aor. nom. mann. enk. anagagôn (omhooggevoerd) van het werkw. anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in het NT : anagô (omhoogvoeren) . Taalgebruik in Lc : anagô (omhoogvoeren) . Lc (1) Lc 4,5 . Een vorm van anagô (omhoogvoeren) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,22 .

Lc 4,5.3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,29 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,40 . (8) Lc 4,41 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,5.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. edeixen (hij toonde) van het werkw. deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in het NT : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Taalgebruik in Lc : deiknumi (tonen, aanwijzen) . Lc (2) : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 24,40 . Een vorm van deiknumi (tonen, aanwijzen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 20,24 . (4) Lc 22,12 . (5) Lc 24,40 .

Lc 4,5.5. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,5.6. acc. vr. mv. pasas van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (1) Lc 4,5 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 4 in 11 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 4,15 . (5) Lc 4,20 . (6) Lc 4,22 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 4,28 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,37 . (11) Lc 4,40 .

Lc 4,5.7. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (42) . Lc 4 (3) : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,40 . (3) Lc 4,44 .

Lc 4,5.8. gen. vr. enk. + acc. vr. mv. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Lc : basileia (koninkrijk) . Lc (5) : (1) Lc 1,33 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,10 . (4) Lc 9,11 . (5) Lc 18,29 . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Lc in 44 verzen , in Lc 4 : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,43 .

Lc 4,5.9. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,26 . (5) Lc 4,29 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 4,37 . (8) Lc 4,38 . (9) Lc 4,44 .

Lc 4,5.10. gen. vr. enk. oikoumenès van het zelfst. naamw. oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in het NT : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) . Taalgebruik in Lc : oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) .
Lc (1) Lc 4,5 . Een vorm van oikoumenè (bewoonde aarde, wereld) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 21,26 .

Lc 4,5.11. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,5.12. nom. + dat. vr. enk. stigmè(i) stigmè (punt, ogenblik) . Taalgebruik in het NT : stigmè (punt, ogenblik) . Taalgebruik in Lc : stigmè (punt, ogenblik) .
Lc (1) Lc 4,5 . Dit is de enigste vorm en het enige vers in het NT .

Lc 4,5.13. gen. mann. enk. chronou van het zelfst. naamw. chronos (tijd) . Taalgebruik in het NT : chronos (tijd) . Taalgebruik in Lc : chronos (tijd) .
Lc (1) . Een vorm van chronos (tijd) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,57 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,29 . (5) Lc 18,4 . (6) Lc 20,9 . (7) Lc 23,8 .

Lc 4,6 - Lc 4,6 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:6 kai eipen autôi ho diabolos soi dôsô tèn exousian tautèn hapasan kai tèn doxan autôn hoti emoi paradedotai kai hô ean thelô didômi autèn   6 et ait ei tibi dabo potestatem hanc universam et gloriam illorum quia mihi tradita sunt et cui volo do illa  En de duivel zei hem: "Jou zal ik geven deze hele macht en hun heerlijkheid, want mij werd ze overgeleverd en aan wie ik wil geef ik ze.   6 en de duivel sprak tot hem: Hcel dat machtsgebied met zijn heerlijkheid zal ik U geven, want het is mij in handen gesteld en ik geef het aan wie ik wil.  [6] en zei: ‘Heel die macht en al hun pracht zal ik U geven, want zij zijn mij in handen gegeven en ik geef ze aan wie ik wil.  [6] De duivel zei tegen hem: ‘Ik geef u de macht over dat alles en ook de roem die ermee gepaard gaat, want ik kan daarover beschikken en ik geef het aan wie ik wil;   6 De duivel zegt tot hem: jou zal ik geven heel deze macht en al hun glorie, omdat ze aan mij is overgegeven en ik haar kan geven aan wie ik wil; 6. et lui dit : « Je te donnerai tout ce pouvoir et la gloire de ces royaumes, car elle m'a été livrée, et je la donne à qui je veux 

Statenvertaling . 6 En de duivel zeide tot Hem: Ik zal U al deze macht, en de heerlijkheid derzelver koninkrijken geven; want zij is mij overgegeven, en ik geef ze, wien ik ook wil;
King James Bible . [6] And the devil said unto him, All this power will I give thee, and the glory of them: for that is delivered unto me; and to whomsoever I will I give it.
Luther-Bibel . 6 und sprach zu ihm: Alle diese Macht will ich dir geben und ihre Herrlichkeit; denn sie ist mir übergeben und ich gebe sie, wem ich will.

Tekstuitleg van Lc 4,6 . Lc 4,6 telt 5 + 10 (2 + 4 + 4) + 3 + 6 = 24 woorden en 109 lettergrepen . De getalwaarde van Lc 4,6 is 13353 (3 X 4451) . . Lc 4,6 telt 10 + 19 (3 + 10 + 6) + 9 + 11 = 49 . De duivel : 19 woorden , 39 lettergrepen . Middelste woord : 9 - 1 - 9 ; 9ste woord : doxan (heerlijkheid) , 10de woord : autôn (van hen) . Middelste lettergreep : 19 - 1 - 19.

Lc 4,6.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,6.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,6.3. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,6.4. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,6.5. nom. mann. enk. diabolos van het zelfst. naamw. diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Lc (4) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 8,12 . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,13 . (5) Lc 8,12 .

Lc 4,6.1. - 5. (kai) eipen (de) autô(i) ho diabolos = (en) de duivel zei (echter) hem : Lc (2) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 .

Lc 4,6.6. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (44) . Lc 4 (2) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,34 .

Lc 4,6.7. act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . Lc (2) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 21,15 . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 4 (1) Lc 4,6 (2 vormen) .

Lc 4,6.8. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 4 (7) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,6.9. acc. vr. enk. exousian van het zelfst. naamw. exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Lc : exousia (gezag, macht) . Lc (8) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 5,24 . (3) Lc 7,8 . (4) Lc 9,1 . (5) Lc 10,19 . (6) Lc 12,5 . (7) Lc 19,17 . (8) Lc 20,2 . Een vorm van exousia (gezag, macht) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,32 . (3) Lc 4,36 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 7,8 . (6) Lc 9,1 . (7) Lc 10,19 . (8) Lc 12,5 . (9) Lc 12,11 . (10) Lc 19,17 . (11) Lc 20,2 . (12) Lc 20,8 . (13) Lc 20,20 . (14) Lc 22,53 . (15) Lc 23,7 .

Lc 4,6.10. acc. vr. enk. tautèn van het aanwiijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (14) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,23 . (3) Lc 7,44 . (4) Lc 12,41 . (5) Lc 13,6 . (6) Lc 13,16 . (7) Lc 15,3 . (8) Lc 18,5 . (9) Lc 18,9 . (10) Lc 20,2 . (11) Lc 20,9 . (12) Lc 20,19 . (13) Lc 23,48 . (14) Lc 24,21 .

Lc 4,6.11. acc. vr. enk. hapasan van het bijvoegl. naamw. hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het NT : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in Lc : hapas (ieder, allen, alles) . Lc (1) Lc 4,6 . Een vorm van hapas (ieder, allen, alles) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 8,37 . (7) Lc 9,15 . (8) Lc 15,13 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 17,29 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 19,48 . (13) Lc 20,6 . (14) Lc 21,4 . (15) Lc 21,15 . (16) Lc 23,1 .

Lc 4,6.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,6.13. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 4 (7) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,6.14. acc. vr. enk. doxan van het zelfst. naamw. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het NT : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (5) : (1) Lc 2,32 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 17,18 . (5) Lc 24,26 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .

Lc 4,6.15. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,15 . (4) Lc 4,26 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,29 . (7) Lc 4,30 . (8) Lc 4,40 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,6.16. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) .
Lc (160) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,41 . (11) Lc 4,43 .

Lc 4,6.17. dat. mann. enk. 1ste pers. enk. emoi van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (6) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 7,23 . (3) Lc 8,28 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 15,29 . (6) Lc 22,37 .

Lc 4,6.18. pass. ind. perf. 3de pers. enk. paradedotai (hij werd overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . Lc (1) Lc 4,6 . Deze vorm in de bijbel slechts in Lc 4,6 . Een vorm van paradidômi (overleveren) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,44 . (4) Lc 10,22 . (5) Lc 12,58 . (6) Lc 18,32 . (7) Lc 20,20 . (8) Lc 21,12 . (9) Lc 21,16 . (10) Lc 22,4 . (11) Lc 22,6 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,22 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 23,25 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,20 .

Lc 4,6.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,6.20. dat. mann. + onz. enk. hô(i) van het betrekk. voornaamw. hos (die) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (14) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,25 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 5,34 . (5) Lc 6,38 . (6) Lc 7,4 . (7) Lc 7,43 . (8) Lc 7,47 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,41 . (11) Lc 10,22 . (12) Lc 12,48 . (13) Lc 19,13 . (14) Lc 24,25 .

Lc 4,6.21. ean (indien) . Taalgebruik in het NT : ean (indien) . Taalgebruik in Lc : ean (indien) . Lc (25) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 6,33 . (5) Lc 6,34 . (6) Lc 9,24 . (7) Lc 9,48 . (8) Lc 10,6 . (9) Lc 10,22 . (10) Lc 12,38 . (11) Lc 12,45 . (12) Lc 14,34 . (13) Lc 15,8 . (14) Lc 16,30 . (15) Lc 16,31 . (16) Lc 17,3 . (17) Lc 17,4 . (18) Lc 17,33 . (19) Lc 19,31 . (20) Lc 19,40 . (21) Lc 20,5 . (22) Lc 20,6 . (23) Lc 20,28 . (24) Lc 22,67 . (25) Lc 22,68 . Heel wat variante lezingen in verzen .

Lc 4,6.22. act. ind. praes. 1ste pers. enk.  thelô (ik wil) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in Lc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . Lc (3) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 5,13 . (3) Lc 12,49 . Een vorm van thelô (willen) in Lc in 27 verzen , in Lc 4 in 1 vers : Lc 4,6

Lc 4,6.23. act. ind. praes. 1ste pers. enk. didômi (ik geef) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Taalgebruik in Mc : didômi (geven) . Hebr. nâthan (tha) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . Lc (2) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 21,15 . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 4 (1) Lc 4,6 (2 vormen) .

Lc 4,6.24. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. vr. enk. autèn (haar) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (25) : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,57 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 2,6 . (5) Lc 4,6 . (6) Lc 4,39 . (7) Lc 6,48 . (8) Lc 7,13 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 9,24 . (11) Lc 11,32 . (12) Lc 13,7 . (13) Lc 13,8 . (14) Lc 13,9 . (15) Lc 13,12 . (16) Lc 13,18 . (17) Lc 13,34 . (18) Lc 16,16 . (19) Lc 17,33 . (20) Lc 18,5 . (21) Lc 18,17 . (22) Lc 19,41 . (23) Lc 20,31 . (24) Lc 20,33 . (25) Lc 21,21 .

Lc 4,7 - Lc 4,7 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:7 su oun ean proskunèsès enôpion emou estai sou pasa  7 tu ergo si adoraveris coram me erunt tua omnia  Jij dus, als je vóór mij neerknielt, zal alles van jou zijn.   7 Als Gij dus in aanbidding voor mij neervalt, zal het in zijn geheel van U zijn.   [7] Als U mij aanbidt zal het allemaal van U zijn.’   [7] als u in aanbidding voor mij neervalt, zal dat allemaal van u zijn.’  7 welnu, als jij je buigt voor mijn aanschijn, zal alles van jou zijn! . 7. Toi donc, si tu te prosternes devant moi, elle t'appartiendra tout entière. » 

Statenvertaling . 7 Indien Gij dan mij zult aanbidden, zo zal het alles Uw zijn.
King James Bible . [7] If thou therefore wilt worship me, all shall be thine.
Luther-Bibel . 7 Wenn du mich nun anbetest, so soll sie ganz dein sein.

Tekstuitleg van Lc 4,7 . Lc 4,7 telt 2 + 4 + 3 = 9 woorden. Lc 4,7 telt 2 + 12 + 5 = 19 . Het vers Lc 4,7 telt 43 lettergrepen . De getalwaarde van Lc 4,7 is 5715 (3² X 5 X 127) .

Lc 4,7.1. nom. enk su (jij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord .
Lc (25) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 3,22 . (4) Lc 4,7 . (5) Lc 4,41 . (6) Lc 7,19 . (7) Lc 7,20 . (8) Lc 9,60 . (9) Lc 10,15 . (10) Lc 10,37 . (11) Lc 15,31 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 16,25 . (14) Lc 17,8 . (15) Lc 19,19 . (16) Lc 19,42 . (17) Lc 22,32 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 22,67 . (20) Lc 22,70 . (21) Lc 23,3 . (22) Lc 23,37 . (23) Lc 23,39 . (24) Lc 23,40 . (25) Lc 24,18 .

Lc 4,7.2. oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in het NT : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Mc : oun (dus, bijgevolg) . Taalgebruik in Lc : oun (dus, bijgevolg) . Lc (33) . Lc 4 (1) Lc 4,7 .

Lc 4,7.3. ean (indien) . Taalgebruik in het NT : ean (indien) . Taalgebruik in Lc : ean (indien) .
Lc (25) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 6,33 . (5) Lc 6,34 . (6) Lc 9,24 . (7) Lc 9,48 . (8) Lc 10,6 . (9) Lc 10,22 . (10) Lc 12,38 . (11) Lc 12,45 . (12) Lc 14,34 . (13) Lc 15,8 . (14) Lc 16,30 . (15) Lc 16,31 . (16) Lc 17,3 . (17) Lc 17,4 . (18) Lc 17,33 . (19) Lc 19,31 . (20) Lc 19,40 . (21) Lc 20,5 . (22) Lc 20,6 . (23) Lc 20,28 . (24) Lc 22,67 . (25) Lc 22,68 .

Lc 4,7.4. act. conj. aor. 2de pers. enk. proskunèsè(i)s van het werkw. proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in het NT : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Lc : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Lc (1) Lc 4,7 . Een vorm van proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 24,52 .

Lc 4,7.5. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het NT : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .

Lc 4,7.6. gen. mann. enk. 1ste pers. enk. emou van het persoonl. voornaamw. egô (ik - mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 8,46 . (4) Lc 9,24 . (5) Lc 10,16 . (6) Lc 11,7 . (7) Lc 11,23 . (8) Lc 12,13 . (9) Lc 13,27 . (10) Lc 15,31 . (11) Lc 16,3 . (12) Lc 22,21 . (13) Lc 22,28 . (14) Lc 22,37 . (15) Lc 22,42 . (16) Lc 23,43 . (17) Lc 24,44 .

Lc 4,7.7. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (39) . Lc 4 (1) Lc 4,7 .

Lc 4,7.8. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,7. (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,23 .

Lc 4,7.9. nom. vr. enk. pasa van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 3,6 . (3) Lc 4,7 . (4) Lc 11,17 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 4 in 11 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 4,15 . (5) Lc 4,20 . (6) Lc 4,22 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 4,28 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,37 . (11) Lc 4,40 .

Lc 4,8 - Lc 4,8 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:8 kai apokritheis ho Ièsous eipen autôi gegraptai kurion ton theon sou proskunèseis kai autôi monôi latreuseis   8 et respondens Iesus dixit illi scriptum est Dominum Deum tuum adorabis et illi soli servies  En Jezus antwoordde (en) zei hem: "Er staat geschreven: Voor de Heer je God zul je neerknielen en hem alleen zul je dienen.   .8 Toen antwoordde Jesus hem: Er staat geschreven: De Heer uw God zult gij aanbidden en Hem alleen dienen.  8 Ten antwoord zegt Jezus tot hem: er staat geschreven ‘buigen zul je voor de Heer, je God, en alleen hem dienen!’. [8] Maar Jezus antwoordde: ‘Er staat geschreven: “Aanbid de Heer, uw God, vereer alleen hem.”’  8 Ten antwoord zegt Jezus tot hem: er staat geschreven ‘buigen zul je voor de Heer, je God, en alleen hem dienen!’. 8. Et Jésus lui dit : « Il est écrit : Tu adoreras le Seigneur ton Dieu, et à lui seul tu rendras un culte. » 

Statenvertaling . 8 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Ga weg van Mij, satan, want er is geschreven: Gij zult den Heere, uw God, aanbidden, en Hem alleen dienen.
King James Bible . [8] And Jesus answered and said unto him, Get thee behind me, Satan: for it is written, Thou shalt worship the Lord thy God, and him only shalt thou serve.
Luther-Bibel . 8 Jesus antwortete ihm und sprach: Es steht geschrieben (5.Mose 6,13): »Du sollst den Herrn, deinen Gott, anbeten und ihm allein dienen.«

Tekstuitleg van Lc 4,8 . Lc 4,8 telt 6 + 1 + 5 + 4 = 16 woorden. Lc 4,8 telt 12 + 3 + 11 + 8 = 34 lettergrepen. Jezus: 10 woorden, 22 lettergrepen. Lucas citeert Dt 10,20. De tekst wijkt lichtjes af van de LXX. Het vers Lc 4,8 telt 21 (3 X 7) woorden en 112 (2 X 61) letters . De getalwaarde van Lc 4,8 is 13454 (2 X 7 X 31²) .

Lc 4,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,8.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 4 (2) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 46 verzen , in Lc 4 in 3 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 .

Lc 4,8.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,8.4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,35 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : 6 + 1 : Lc 4,34 . In deze pericope komt Jezus als onderwerp viermaal voor .

Lc 4,8.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,8.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,8.7. pass. ind. perf. 3de pers. enk. gegraptai van het werkw. grafô (schrijven) .Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Hnd (5) . In negen verzen in Lc : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .

Lc 4,8.8. acc. mann. enk. kurion van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (10) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 7,19 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,36 . (8) Lc 19,8 . (9) Lc 20,37 . (10) Lc 20,44 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,19 .

Lc 4,8.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,17 . (5) Lc 4,41 .

Lc 4,8.10. acc.  mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . Lc 4 (2) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 .  Een vorm van theos (God) in Lc (117) , in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,8.8. - 10. kurion ton theon (JHWH God) . Lc (5) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 20,37 .

Lc 4,8.11. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,7. (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,23 .

Lc 4,8.12. act. ind. fut. 2de pers. enk. proskunèseis van het werkw. proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in het NT : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Taalgebruik in Lc : proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) . Lc (1) Lc 4,8 . Een vorm van proskuneô (op de knieën vallen bij , aanbidden) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 4,7 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 24,52 .

Lc 4,8.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,8.14. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,8.15. dat.  mann. + onz. enk. monô(i) van het bijvoegl. naamw. monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in het NT : monos (alleen, afzonderlijk) . Taalgebruik in Lc : monos (alleen, afzonderlijk) . Lc (2) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . Een vorm van monos (alleen, afzonderlijk) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 5,21 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 9,18 . (6) Lc 9,36 . (7) Lc 10,40 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,18 . ´èchâd (één) . Taalgebruik : ´èchâd (één) , zie Lc 4,6 . Aleph = 1 , chet = 8 , daleth = 4 . Totaal : 1 + 8 + 4 = 13 . Het komt in 400 verzen in de bijbel voor .

Lc 4,8.16. act. ind. fut. 2de pers. enk. latreuseis (jij zult dienen) van het werkw. latreuô (door (loon) dienen) .Taalgebruik in het NT : latreuô (door (loon) dienen) . Taalgebruik in Lc : latreuô (door (loon) dienen) . Hebr. `âbhad . Lc (1) Lc 4,8 . Een vorm van latreuô (door (loon) dienen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 1,74 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 4,8 .

Lc 4,9 - Lc 4,9 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:9 ègagen de auton eis Ierousalèm kai estèsen epi to pterugion tou hierou kai eipen autôi ei huios ei tou theou bale seauton enteuthen katô   9 et duxit illum in Hierusalem et statuit eum supra pinnam templi et dixit illi si Filius Dei es mitte te hinc deorsum  Nu leidde hij hem naar Jeruzalem en zette hem op de tinne van de tempel en zei: 'Als je de zoon van, God bent, werp jezelf van hier naar beneden;   9 Daarna bracht de duivel Hem naar Jerusalem, plaatste Hem op de bovenbouw van een tcmpelpoort en sprak tot Hem: Als Gij de zoon van God zijt, worp U dan vanaf deze plaats - naar beneden;  [9] Hij bracht Hem naar Jeruzalem, zette Hem op de rand van de tempel en zei: ‘Als U de Zoon van God bent, spring dan naar beneden.   [9] De duivel bracht Jezus naar Jeruzalem en zette hem op het hoogste punt van de tempel, en hij zei tegen hem: ‘Als u de Zoon van God bent, spring dan naar beneden.  9 Hij leidt hem naar Jeruzalem; hij doet hem staan op de dakrand van het heiligdom en zegt tot hem: als je Zoon van God bent, werp dan jezelf van hier naar beneden!–   9. Puis il le mena à Jérusalem, le plaça sur le pinacle du Temple et lui dit : « Si tu es Fils de Dieu, jette-toi d'ici en bas ; 

Statenvertaling . 9 En hij leidde Hem naar Jeruzalem, en stelde Hem op de tinne des tempels, en zeide tot Hem: Indien Gij de Zoon Gods zijt, werp Uzelven van hier nederwaarts;
King James Bible . [9] And he brought him to Jerusalem, and set him on a pinnacle of the temple, and said unto him, If thou be the Son of God, cast thyself down from hence:
Luther-Bibel . 9 Und er führte ihn nach Jerusalem und stellte ihn auf die Zinne des Tempels und sprach zu ihm: Bist du Gottes Sohn, so wirf dich von hier hinunter;

Tekstuitleg van Lc 4,9 . Lc 4,9 telt 5 + 7 + 3 + 5 + 4 = 24 woorden . Lc 4,9 telt 12 + 15 + 5 + 7 + 10 = 49 lettergrepen . Duivel : 9 woorden, 17 lettergrepen . Het vers Lc 4,9 telt 26 (2 X 13) woorden en 116 (2² X 29) letters . De getalwaarde van Lc 4,9 is 13194 (2 X 3² X 733) .

Lc 4,9.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. ègagen (hij leidde) van het werkw. agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in Lc : agô (leiden, voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . Lc (2) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 10,34 . Een vorm van agô (leiden , voeren) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,29 . (4) Lc 4,40 . (5) Lc 10,34 . (6) Lc 18,40 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,30 . (9) Lc 19,35 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 23,1 . (12) Lc 23,32 . (13) Lc 24,21 .

Lc 4,9.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 4 (13) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,21 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,25 . (7) Lc 4,30 . (8) Lc 4,38 . (9) Lc 4,39 . (10) Lc 4,40 . (11) Lc 4,41 . (12) Lc 4,32 . (13) Lc 4,43 .

Lc 4,9.3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,29 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,40 . (8) Lc 4,41 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,9.4. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D. nach.
Lc (210) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,26 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,38 . (10) Lc 4,42 . (11) Lc 4,44 .

Lc 4,9.5. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het NT : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 4 (1) Lc 4,9 .

Lc 4,9.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,9.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. estèsen van het werkw. histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in het NT : histèmi (doen staan, staan) . Taalgebruik in Lc : histèmi (doen staan, staan) . Lc (2) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 9,47 . Een vorm van histèmi (doen staan, staan) in Lc in 25 verzen . Dit is de enigste vorm in Lc 4 .

Lc 4,9.8. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 4 (8 + 3 + 1 = 12) . epi (8) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,36 . (8) Lc 4,43 . ep' (3) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,25 . ef" (1) Lc 4,29 .

Lc 4,9.9. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,17 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,35 .

 

Lc 4,9.10. nom. + acc. onz. enk. pterugion pterugion (kleine vleugel, tinne) . Taalgebruik in het NT : pterugion (kleine vleugel, tinne) . Taalgebruik in Lc : pterugion (kleine vleugel, tinne) . (1) Lc 4,9 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,9.11. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,9.12. gen. onz. enk. hierou van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (4) : (1) Lc 2,37 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 21,5 . (4) Lc 22,52 . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .

Lc 4,9.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,9.14. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,9.15. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,9.16. act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (64) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,26 . (4) Lc 4,27 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 .

Lc 4,9.17. nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in Lc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Lc (39) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,41 . Een vorm van huios (zoon) in Lc 4 in genoemde 4 verzen .

Lc 4,9.18. act. ind. pr. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in Lc : ei . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (64) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,26 . (4) Lc 4,27 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 .

Lc 4,9.19. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,9.20. gen. mann. enk.  theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 4,41 . (5) Lc 4,43 . Een vorm van theos (God) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,9.21. act. imperat. aor. 2de pers. enk. bale van het werkw. ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in het NT : ballô (werpen, gooien) . Taalgebruik in Lc : ballô (werpen, gooien) . Lc (1) Lc 4,9 . Een vorm van ballô (werpen, gooien) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 3,9 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 5,37 . (4) Lc 5,38 . (5) Lc 12,28 . (6) Lc 12,49 . (7) Lc 12,58 . (8) Lc 13,8 . (9) Lc 13,19 . (10) Lc 14,35 . (11) Lc 16,20 . (12) Lc 21,1 . (13) Lc 21,2 . (14) Lc 21,3 . (15) Lc 21,4 . (16) Lc 23,19 . (17) Lc 23,25 . (18) Lc 23,34 .

Lc 4,9.22. acc. mann. enk. seauton (jezelf) , wederkerig voornaamwoord . Taalgebruik in het NT : wederkerig voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : wederkerig voornaamwoord . Lc (6) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,23 . (3) Lc 5,14 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 23,37 . (6) Lc 23,39 .

Lc 4,9.23. enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in het NT : enteuthen (van hier, daarop) . Taalgebruik in Lc : enteuthen (van hier, daarop) . Lc (2) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 13,31 .

Lc 4,9.24. katô (naar beneden) . Taalgebruik in het NT : katô (naar beneden) . Taalgebruik in Lc : katô (naar beneden) . Lc (1) Lc 4,9 .

Lc 4,10 - Lc 4,10 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:10 gegraptai gar oti tois aggelois autou enteleitai peri sou tou diafulaxai se   10 scriptum est enim quod angelis suis mandabit de te ut conservent te   er staat immers gschreven: Aan zijn engelen zal hij omtrent je bevelen om je te hoeden,   10 want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij omtrent U het bevel geven U te beschermen   [10] Want er staat geschreven: Aan zijn engelen zal Hij bevelen U te beschermen,  [10] Want er staat geschreven: “Zijn engelen zal hij opdracht geven om over u te waken.”  10 want er staat geschreven ‘hij zal aan zijn engelen gebieden over jou om over je te waken en 10. car il est écrit : Il donnera pour toi des ordres à ses anges, afin qu'ils te gardent.  

Statenvertaling . 10 Want er is geschreven, dat Hij Zijn engelen van U bevelen zal, dat zij U bewaren zullen;
King James Bible . [10] For it is written, He shall give his angels charge over thee, to keep thee:
Luther-Bibel . 10 denn es steht geschrieben (Psalm 91,11-12): »Er wird seinen Engeln deinetwegen befehlen, dass sie dich bewahren.

Tekstuitleg van Lc 4,10 . Lc 4,10 telt 2 + 4 + 3 + 3 = 12 woorden. Lc 4,10 telt 4 + 8 + 7 + 7 = 26 lettergrepen. Duivel: 12 woorden, 26 lettergrepen.

Lc 4,10.1. pass. ind. perf. 3de pers. enk. gegraptai van het werkw. grafô (schrijven) .Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Hnd (5) . In negen verzen in Lc : (1) Lc 2,23 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,4 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,10 . (6) Lc 7,27 . (7) Lc 10,26 . (8) Lc 19,46 . (9) Lc 24,46 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .

Lc 4,10.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Lc : gar (want) . Hebr. kî . Fr. car . Ned. : want .
Lc (92) . Lc 4 (1) Lc 4,10 .

Lc 4,10.3. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) .
Lc (160) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,41 . (11) Lc 4,43 .

Lc 4,10.4. bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,21 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 4,36 .

Lc 4,10.5. dat. mann. mv. aggelois van het zelfst. naamw. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Lc (1) Lc 4,10 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen . Dit is de enigste vorm in Lc 4 .

Lc 4,10.6. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,22 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,10.7. med. ind. fut. 3de pers. enk. enteleitai van het werkw. entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in het NT : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Lc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Lc (1) Lc 4,10 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,10.8. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,37 . (4) Lc 4,38 .

Lc 4,10.9. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 4 (6) : Lc 4,7. (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 .

Lc 4,10.10. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 . + Lc 4,10 .

Lc 4,10.12. pers. voornaamw. 2de pers. acc. mann. enk. se Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (32) . Lc 4 (3) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,34 .

Lc 4,11 - Lc 4,11 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:11 kai oti epi cheirôn arousin se mèpote proskopsès pros lithon ton poda sou   11 et quia in manibus tollent te ne forte offendas ad lapidem pedem tuum   en: Op hun handen zullen ze je nemen opdat je je voet niet stoot aan een steen".   11 en zij zullen U op de handen nemen, opdat Ge uw voet niet zult stoten aan een steen.   [11] en: Op hun handen zullen ze U dragen, zodat U aan geen steen uw voet zult stoten.’  [11] En ook: “Op hun handen zullen zij u dragen, zodat u uw voet niet zult stoten aan een steen.”’  11 ze zullen je op handen dragen opdat jij je voet aan geen steen zult stoten’! 11. Et encore : Sur leurs mains, ils te porteront, de peur que tu ne heurtes du pied quelque pierre. » 

Statenvertaling . 11 En dat zij U op de handen nemen zullen, opdat Gij Uw voet niet te eniger tijd aan een steen stoot.
King James Bible . [11] And in their hands they shall bear thee up, lest at any time thou dash thy foot against a stone.
Luther-Bibel . 11 Und sie werden dich auf den Händen tragen, damit du deinen Fuß nicht an einen Stein stößt.«

Tekstuitleg van Lc 4,11 . Lc 4,11 telt 2 + 4 + 7 = 13 woorden. Lc 4,11 telt 3 + 8 + 13 = 24 lettergrepen . Duivel: 13 woorden, 24 lettergrepen.

Lc 4,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,11.2. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) .
Lc (160) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,41 . (11) Lc 4,43 .

Lc 4,11.3. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 4 (8 + 3 + 1 = 12) . epi (8) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,27 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,36 . (8) Lc 4,43 . ep' (3) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,25 . ef" (1) Lc 4,29 .

Lc 4,11.4. gen. vr.  mv. cheirôn (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) .
Lc (1) Lc 4,11 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 4 (2) : (1) Lc 4,11 . (2) Lc 4,40 .

Lc 4,11.5. act. ind. fut. 3de pers. mv. arousin (zij zullen dragen) van het werkw. airô (nemen) . Taalgebruik in het NT : airô (nemen) . Taalgebruik in Lc : airô (nemen) . Lc (1) Lc 4,11 . Een vorm van airô (nemen) in Lc in 20 verzen .

Lc 4,11.6. pers. voornaamw. 2de pers. acc. mann. enk. se Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (32) . Lc 4 (3) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,34 .

Lc 4,11.7. mèpote (opdat niet eens, nooit) . Taalgebruik in het NT : mèpote (opdat niet eens, nooit) . Taalgebruik in Mc : mèpote (opdat niet eens, nooit) . Lc (7) : (1) Lc 3,15 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 12,58 . (4) Lc 14,8 . (5) Lc 14,12 . (6) Lc 14,29 . (7) Lc 21,34 .

Lc 4,11.8. act. conj. aor. 2de pers. enk. proskopè(i)s (jij zoudt stoten) van het werkw. proskoptô (tegen iets slaan of stoten) . Taalgebruik in het NT : proskoptô (tegen iets slaan of stoten) . Taalgebruik in Lc : proskoptô (tegen iets slaan of stoten) . Lc (1) Lc 4,11 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,11.9. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) .
Lc (158) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,21 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,26 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,40 . (8) Lc 4,43 .

Lc 4,11.10. acc. mann. enk. lithon van het zelfst. naamw. lithos (steen) . Taalgebruik in het NT : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) . Lc (5) : (1) Lc 4,11 . (2) Lc 19,44 . (3) Lc 20,17 . (4) Lc 20,18 . (5) Lc 24,2 . Een vorm van lithos (steen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en 13 verzen .

Lc 4,11.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,17 . (5) Lc 4,41 .

Lc 4,12 - Lc 4,12 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:12 kai apokritheis eipen autôi ho Ièsous oti eirètai ouk ekpeiraseis kurion ton theon sou   12 et respondens Iesus ait illi dictum est non temptabis Dominum Deum tuum  En Jezus antwoordde (en) zei hem : Men heeft gezegd: Je zult de Heer je God niet uitdagend op de proef stellen".   12 Maar Jesus gaf hem ten antwoord: Er is gezegd: Gij zult de Heer uw God niet op de proef stellen.  [12] Jezus antwoordde hem: ‘Er is gezegd: U zult de Heer uw God niet op de proef stellen.’  [12] Maar Jezus antwoordde: ‘Er is gezegd: “Stel de Heer, uw God, niet op de proef.”’  12 Ten antwoord zegt Jezus tot hem: er is gezegd ‘je zult de Heer, je God, niet op de pr  12. Mais Jésus lui répondit : « Il est dit : Tu ne tenteras pas le Seigneur, ton Dieu. »  

Statenvertaling . 12 En Jezus, antwoordende, zeide tot hem: Er is gezegd: Gij zult den Heere, uw God, niet verzoeken.
King James Bible . [12] And Jesus answering said unto him, It is said, Thou shalt not tempt the Lord thy God.
Luther-Bibel . 12 Jesus antwortete und sprach zu ihm: Es ist gesagt (5.Mose 6,16): »Du sollst den Herrn, deinen Gott, nicht versuchen.«

Tekstuitleg van Lc 4,12 . Lc 4,12 telt 6 + 2 + 6 = 12 woorden. Lc 4,12 telt 12 + 5 + 12 = 29 lettergrepen.

Lc 4,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,12.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (beantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het NT : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Lc : apokrinomai (antwoorden) . Lc (33) . Lc 4 (2) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Lc in 46 verzen , in Lc 4 in 3 verzen : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 .

Lc 4,12.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 4 (8) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) ; Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,12.4. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,12.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,12.6. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,35 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : 6 + 1 : Lc 4,34 . In deze pericope komt Jezus als onderwerp viermaal voor .

Lc 4,12.7. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) .
Lc (160) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,4 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,11 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,41 . (11) Lc 4,43 .

Lc 4,12.8. pass. ind. aor. 3de pers. enk. eirètai (er werd gezegd) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc (1) Lc 4,12 . Een vorm van eipon (ik zei) in Lc 4 in 8 verzen (9 X) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,23 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,43 . Lc 4,3 heeft 2 vormen . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,21 . (2) Lc 4,22 . (3) Lc 4,24 . (4) Lc 4,25 . (5) Lc 4,35 . (6) Lc 4,36 . (7) Lc 4,41 .

Lc 4,12.9. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 4 (4 + 4 = 8) . ou of hou (4) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,29 . ouk (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,41 .

Lc 4,12.10. act. ind. fut. 2de pers. enk. ekpeiraseis van het werkw. ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in het NT : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Taalgebruik in Lc : ekpeirazô (beproeven, uitproberen) . Lc (1) Lc 4,12 . Een vorm van ekpeirazô (beproeven, uitproberen) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 4,12 . (2) Lc 10,25 .

Lc 4,12.11. acc. mann. enk. kurion van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het NT : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (10) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 7,19 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,36 . (8) Lc 19,8 . (9) Lc 20,37 . (10) Lc 20,44 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,19 .

Lc 4,12.12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,11 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,17 . (5) Lc 4,41 .

Lc 4,12.13. acc.  mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . Lc 4 (2) : (1) Lc 4,8 . (2) Lc 4,12 .  Een vorm van theos (God) in Lc (117) , in Lc 4 in 7 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,34 . (6) Lc 4,41 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,12.14. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mann. enk. sou van het persoonl. voornaamw. su (jij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (81) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,7. (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,23 .

Lc 4,12.11. - 13. kurion ton theon (JHWH God) . Lc (5) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 4,8 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 10,27 . (5) Lc 20,37 .

Lc 4,13 - Lc 4,13 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,1 - Lc 4,2 - Lc 4,3 - Lc 4,4 - Lc 4,5 - Lc 4,6 - Lc 4,7 - Lc 4,8 - Lc 4,9 - Lc 4,10 - Lc 4,11 - Lc 4,12 - Lc 4,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste) zondag in de veertigdagtijd C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:13 kai suntelesas panta peirasmon o diabolos apestè ap autou achri kairou   13 et consummata omni temptatione diabolus recessit ab illo u   En toen hij alle beproeving voleindigd had, week de duivel van hem tot de vastgestelde tijd.   13 Toen gaf de duivel al zijn pogingen om Hem te verleiden op en verwijderde zich van Hem tot de vastgestelde tijd.  [13] Toen de duivel alle beproevingen had uitgevoerd, ging hij van Hem weg voor* een bepaalde tijd.  [13] Toen de duivel Jezus aan al deze beproevingen had onderworpen, ging hij voor een tijd bij hem vandaan.   13 Als de duivel alle beproevingen heeft voleindigd, houdt hij zich op afstand van hem tot gelegener tijd   13. Ayant ainsi épuisé toute tentation, le diable s'éloigna de lui jusqu'au moment favorable. Jésus inaugure sa prédication.  

Statenvertaling . 13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijd.
King James Bible . [13] And when the devil had ended all the temptation, he departed from him for a season.
Luther-Bibel . 13 Und als der Teufel alle Versuchungen vollendet hatte, wich er von ihm eine Zeit lang.

Tekstuitleg van Lc 4,13 . Lc 4,13 telt 6 + 5 = 11 woorden. Lc 4,13 telt 15 + 10 = 25 lettergrepen.

Lc 4,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,13.2. act. part. aor. nom. mann. enk suntelesas van het werkw. sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in het NT : sunteleô (voltooien) . Taalgebruik in Lc : sunteleô (voltooien) . Lc (1) Lc 4,13 . Een vorm van sunteleô (voltooien) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,13 .

Lc 4,13.3. nom. + acc. onz. mv. panta van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (34) , in Lc 4 in 11 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 4,15 . (5) Lc 4,20 . (6) Lc 4,22 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 4,28 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,37 . (11) Lc 4,40 .

Lc 4,13.4. acc. mann. enk. peirasmon van het zelfst. naamw. peirasmos (beproeving) . Taalgebruik in het NT : peirasmos (beproeving) . Taalgebruik in Lc : peirasmos (beproeving) . Lc (4) : (1) Lc 4,13 . (2) Lc 11,4 . (3) Lc 22,40 . (4) Lc 22,46 . Een vorm van peirasmos (beproeving) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 4,13 . (2) Lc 8,13 . (3) Lc 11,4 . (4) Lc 22,28 . (5) Lc 22,40 . (6) Lc 22,46 .

Lc 4,13.5. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,13.6. nom. mann. enk. diabolos van het zelfst. naamw. diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in het NT : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Taalgebruik in Lc : diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) . Lc (4) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 8,12 . Een vorm van diabolos (duivel, tegenwerper, tegenstander) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,13 . (5) Lc 8,12 .

Lc 4,13.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. apestè van het werkw. afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . Taalgebruik in het NT : afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . Taalgebruik in Lc : afistèmi (afstand nemen, verwijderen) . Lc (1) Lc 4,13 . Een vorm van afistèmi (afstand nemen, verwijderen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,37 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 13,27 .

Lc 4,13.8. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 4 (3 + 3 = 6) . apo (3) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 4,41 . ap' (3) : (1) Lc 4,13 . (2) Lc 4,35 . (3) Lc 4,42 .

Lc 4,13.9. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,22 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,13.10. achri (tot) . Taalgebruik in het NT : achri (tot) . Taalgebruik in Lc : achri (tot) . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 17,27 . (4) Lc 21,24 .

Lc 4,13.11. gen. mann. enk. kairou van het zelfst. naamw. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het NT : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Lc : kairos (gunstig moment) . Lc (1) Lc 4,13 . Een vorm van kairos (gunstig moment) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 8,13 . (4) Lc 12,42 . (5) Lc 12,56 . (6) Lc 13,1 . (7) Lc 18,30 . (8) Lc 19,44 . (9) Lc 20,10 . (10) Lc 21,8 . (11) Lc 21,24 . (12) Lc 21,36 .

21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Lc 4,14-15 -- Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,14 - Lc 4,15 -

- ABOGUNRIN, S.O. “The Sevenfold Programmatic Declaration At Nazareth: An Exegesis of Luke 4:15-30 in the Context of Africa”, Black Theology, University of Birmingham, U.K. March 2003, Vol. 1, No.2, pp.225-250. Zie websites : http://www.uiartsfaculty.net/cv/showcv.php?id=196 . http://www.ui.edu.ng/SOKAbogunrin .

Evangelielezing van 3de (derde) zondag door het jaar C : Lc 1,1-4 en Lc 4,14-21 . Verwijzing : Lc 4,14-21
Reeds velen hebben getracht de gebeurtenissen te verhalen die onder ons hebben plaats gevonden, aan de hand van de gegevens welke ons werden overgeleverd door mensen die van het begin af aan ooggetuigen waren en in diens van het woord zijn getreden. Vandaar, edele Teofilus, dat ook ik besloot – na van meet af aan alles nauwkeurig te hebben onderzocht – voor u een ordelijk verslag te schrijven, met de bedoeling u te doen zien hoe betrouwbaar de leer is waarin gij onderwezen zijt. In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest uit de woestijn terug naar Galilea en men sprak over Hem in heel de streek. Hij trad nu op als leraar in hun synagogen en werd algemeen geprezen. Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht. Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. Ze reikten Hem de boekrol van de profeet Jesaja aan. Hij opende de rol en vond de plaats waar geschreven stond: De Geest des Heren is over mij gekomen, omdat Hij mij gezalfd heeft. Hij heeft mij gezonden om aan armen de Blijde Boodschap te brengen, aan gevangenen hun vrijlating bekend te maken en aan blinden dat zij zullen zien: om verdrukten te laten gaan in vrijheid, om een genadejaar af te kondigen van de Heer. Daarop rolde Hij het boek dicht, gaf het terug aan de dienaar en ging zitten. In de synagoge waren aller ogen gespannen op Hem gevestigd. Toen begon Hij hen toe te spreken: "Het Schriftwoord dat gij zojuist gehoord hebt is thans in vervulling gegaan."

Lc 4,14 - Lc 4,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,14 - Lc 4,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:14 kai upestrepsen o ièsous en tè dunamei tou pneumatos eis tèn galilaian kai fèmè exèlthen kath olès tès perichôrou peri autou   14 et regressus est Iesus in virtute Spiritus in Galilaeam et fama exiit per universam regionem de illo  En Jezus keerde terug in de kracht van de geest naar Galilea, en zijn faam ging uit door de hele omgeving.   In die tijd keerde Jezus in de kracht van de Geest uit de woestijn terug naar Galilea en men sprak over Hem in heel de streek.   [14] Jezus keerde terug naar Galilea* in de kracht van de Geest. Zijn faam* verbreidde zich over heel die streek.  [14] Jezus keerde, gesterkt door de Geest, terug naar Galilea. Het nieuws over hem verspreidde zich in de hele streek.   14 ¶ In de kracht van de Geest keert Jezus terug naar Galilea; tijding gaat uit over heel het gebied aangaande hem.  14. Jésus retourna en Galilée, avec la puissance de l'Esprit, et une rumeur se répandit par toute la région à son sujet.  

Statenvertaling . 14 En Jezus keerde wederom, door de kracht des Geestes, naar Galilea; en het gerucht van Hem ging uit door het gehele omliggende land.
King James Bible . [14] And Jesus returned in the power of the Spirit into Galilee: and there went out a fame of him through all the region round about.
Luther-Bibel . 14 Und Jesus kam in der Kraft des Geistes wieder nach Galiläa und die Kunde von ihm erscholl durch alle umliegenden Orte.

- Mc 1,28 : kai exèlthen hè akoè autou euthus pantachou eis holèn tèn perichôron tès Galilaias  (en 'nieuws' over hem ging terstond overal uit naar de omstreek van Galilea) .
- Mt 4,24 : kai apèlthen hè akoè autou eis olèn tèn surian (en het 'nieuws' over hem ging weg naar heel Syrië) .
- Mt 9,26 : kai fèmè exèlthen kath olès tès perichôrou peri autou  (en faam ging uit over heel de omstreek / om-geving rond hem) .
- Lc 4,14 : kai fèmè exèlthen kath olès tès perichôrou peri autou  (en faam ging uit over heel de omstreek / om-geving rond hem) .
- Lc 4,37 : kai exeporeueto ècho peri autou eis panta topon tès perichôrou (en weerklank over hem trok uit naar elke plaats van de omstreek / om-geving) .

Tekstuitleg van Lc 4,14 . Lc 4,14a is een parallel van Mc 1,14 . Mc 1,14 bevat 12 woorden en 24 lettergrepen . Lc 4,14a bevat eveneens 12 woorden en 23 lettergrepen . De volgorde van de zinsdelen is zoals bij Marcus : vervoegd werkwoord , onderwerp , plaatsbepaling .
Lucas vermeldt op deze plaats niet de overlevering van Johannes (de Doper) , omdat hij dat reeds eerder (Lc 3,19 - Lc 3,20) uitvoerig heeft gedaan . Daarmee wordt het verhaal van Johannes de Doper afgesloten . Hierdoor wordt ook de link van de gevangenneming van Johannes en het gaan van Jezus naar Galilea verbroken . Bij Marcus had het gaan naar Galilea de connotatie van uitwijken naar , wat Matteüs uitdrukkelijk zegt . Bij Lucas is het een terugkeren.

- Mc 1,14 : ...èlthen (ging) ho Ièsous (Jezus) eis tèn Galilaian (naar Galilea) .
- Lc 2,39b : kai ... (en)epestrepsan (zij keerden terug) eis tèn Galilaian (naar Galilea) .
- Lc 4,14a : kai (en) ... hupestrepsen (keerde terug) ho Ièsous (Jezus) en tèi dunamei tou pneumatos (in de kracht van de geest) eis tèn Galilaian (naar Galilea) . 

Lc 4,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,14.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. hupestrepsen (hij keerde terug) van het werkw. hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in het NT : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) .
Lc (5) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 4,1 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 8,37 . (5) Lc 17,15 . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 .
Het gaan van Jezus van Galilea naar de Jordaan wordt slechts impliciet vermeld daar Jezus gedoopt wordt (Lc 3,21) . De terugkeer naar Galilea verloopt in een 2-tal stappen : van de Jordaan naar de woestijn (Lc 4,1) en van de woestijn naar Galilea (Lc 4,14) . Er is ogenschijnlijk geen verband tussen de gevangenschap van Johannes en Jezus' terugkeer naar Galilea . Het is ook opmerkelijk dat in deze drie verzen sprake is van de geest .
Ook Jezus'ouders zijn na de opdracht van Jezus in de tempel (veertig dagen na zijn geboorte) teruggekeerd naar Jeruzalem . Er is één lettertje (een klinker) verschil : nl. een ù in plaats van een e (het voorvoegsel upo in plaats van het voorvoegsel epi) . Er is een sterke gelijkenis tussen Lc 4,14a en Lc 2,39b .

Lc 4,14.3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (331) . Lc 4 (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,12 . (6) Lc 4,13 . (7) Lc 4,14 . (8) Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 4,32 . (11) Lc 4,34 . (12) Lc 4,35 . (13) Lc 4,36 . (14) Lc 4,40 . (15) Lc 4,41 . (16) Lc 4,43 .

Lc 4,14.4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) .
Lc (55) . Lc 4 (6) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,8 . (4) Lc 4,12 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,35 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 4 (7) : 6 + 1 : Lc 4,34 .

Lc 4,14.5. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,14.6. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,23 . (6) Lc 4,24 . (7) Lc 4,28 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,33 .

Lc 4,14.7. datief vrouw. enkelvoud dunamei (met de kracht) van het zelfst. naamw. dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in het NT : dunamis (macht, kracht) . Taalgebruik in Lc : dunamis (macht, kracht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 . Een vorm van dunamis (enk.) (macht, kracht) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,36 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,19 . (7) Lc 8,46 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 10,19 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,69 . (12) Lc 24,49 . Een mv.vorm in : (1) Lc 10,13 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 21,26 .

4. - 7. en (tè(i) ... dunamei (met - de - kracht) . Lc (2) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,36 .

Lc 4,14.8. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 4 (15) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,3 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,17. (7) Lc 4,22 . (8) Lc 4,27 . (9) Lc 4,29 . (10) Lc 4,34 . (11) Lc 4,38 . (12) Lc 4,40 . (13) Lc 4,41 . (14) Lc 4,42 . (15) Lc 4,43 .

Lc 4,14.9. gen. onz. enk. pneumatos (geest) van het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Lc (6) : zie hieronder . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 4 in 5 verzen : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,33 . (5) Lc 4,36 . In vier verzen in combinatie met vervullen / vol :
(1) Johannes de Doper : Lc 1,15 (pneumatos hagiou plèsthèsetai = van heilige geest zal hij vervuld worden) .
(2) Lc 1,41 ( Elisabeth - eplèsthè pneumatos hagiou hè Elisabet = Elisabeth werd vervuld van heilige geest) .
(3) Lc 1,67 (Zacharia - eplèsthè pneumatos hagiou = hij werd vervuld van heilige geest) .
(4) Lc 2,26 .
(5) Lc 4,1 (plèrès pneumatos hagiou = vol van heilige geest) .
(6) Lc 4,14 : en tèi dunamei tou pneumatos = in de kracht van de geest) .
Meestal volgt de bepaling pneumatos (van geest) op het begrip van vullen / vol , behalve in Lc 1,15 .
Bij het zelfstandig naamwoord pneumatos (van geest) staat het bijvoeglijk naamwoord hagiou (heilig) . Er zijn geen lidwoorden .

Lc 4,14.10. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D. nach.
Lc (210) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,26 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,38 . (10) Lc 4,42 . (11) Lc 4,44 .

Lc 4,14.2. 10. Lc 4,1 : hupestrepsen apo (hij keerde terug van) . Hapax in het NT . Lc 1,56 en Lc 4,14 : hupestrepsen (...) eis (hij / zij keerde terug naar) .

Lc 4,14.11. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (149) . Lc 4 (7) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,43 .

Lc 4,14.12. acc. vr. enk. galilaian (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Lc (2) : (1) Lc 2,39 . (2) Lc 4,14 .  Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 .

Lc 4,14.1. - 12. : Mc 1,14...èlthen (ging) ho Ièsous (Jezus) eis tèn Galilaian (naar Galilea) .
- Lc 2,39b : kai ... (en)epestrepsan (zij keerden terug) eis tèn Galilaian (naar Galilea) .
- Lc 4,14a : kai (en) ... hupestrepsen (keerde terug) ho Ièsous (Jezus) en tèi dunamei tou pneumatos (in de kracht van de geest) eis tèn Galilaian (naar Galilea) . 

Lc 4,14.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,14.14. nom. vr. enk. fèmè fèmè (faam) . Taalgebruik in het NT : fèmè (faam) . Taalgebruik in Lc : fèmè (faam) . Is fèmè verwant met fè-mi (spreken) en zou fèmè dan betekenen : het gesprokene , de boodschap ? In Spr 15,30 is fèmè de vertaling van sjëmû`âh . In de LXX wordt sjëmû`âh vaak vertaald door aggelia (boodschap) of akoè (het gehoorde, gerucht) . Lc (1) Lc 4,14 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,14.15. indicatief aorist derde persoon enkelvoud exèlthen (ging uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41) , in Lc 4 in 5 verzen : (1) Lc 4,14 . (2) Lc 4,35 . (3) Lc 4,36 . (4) Lc 4,41 . (5) Lc 4,42 .

Lc 4,14.16. kata (tegen, volgens) . Afkortingen : kat' , kath' . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc 4 (2) . kata (1) Lc 4,16 . kath' (1) Lc 4,14 .

Lc 4,14.17. gen. vr. enk. holès van het bijvoegl. naamw. holos (heel) . Taalgebruik in NT : holos (heel) . Taalgebruik in Lc : holos (heel) .
Lc (4) : (1) Lc 4,14 . (2) Lc 5,5 . (3) Lc 10,27 . (4) Lc 23,5 .Een vorm van holos (heel) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 7,17 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 8,43 . (7) Lc 9,25 . (8) Lc 10,27 . (9) Lc 11,34 . (10) Lc 11,36 . (11) Lc 13,21 . (12) Lc 23,5 . (13) Lc 23,44 .

Lc 4,14.18. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (109) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,22 . (4) Lc 4,26 . (5) Lc 4,29 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 4,37 . (8) Lc 4,38 . (9) Lc 4,44 .

Lc 4,14.16. - 18. kath' olès tès (over heel het) . Lc (2) : (1) Lc 4,14 . (2) Lc 23,5 . en holè(i) tè(i) = in heel het . Lc (2) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 7,17 .

Lc 4,14.19. gen. mann. enk. perichôrou van het zelfst. naamw. perichôros (omstreek) . Taalgebruik in het NT : perichôros (omstreek) . Taalgebruik in Lc : perichôros (omstreek) . Lc (3) : (1) Lc 4,14 . (2) Lc 4,37 . (3) Lc 8,37 . Een vorm van perichôros (omstreek) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,37 . (4) Lc 7,17 . (5) Lc 8,37 .

Lc 4,14.20. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,37 . (4) Lc 4,38 .

Lc 4,14.21. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,10 . (2) Lc 4,13 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,22 . (5) Lc 4,24 . (6) Lc 4,32 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,42 .

Lc 4,14.20. - 21. peri autou (rond hem) . Lc (7) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,33 . (3) Lc 4,14 . (4) Lc 4,37 . (5) Lc 5,15 . (6) Lc 7,17 . (7) Lc 23,8 .
Lc 4,15 - Lc 4,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,14 - Lc 4,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:15 kai autos edidasken en tais sunagôgais autôn doxazomenos upo pantôn 15 et ipse docebat in synagogis eorum et magnificabatur ab omnibus  En hij leerde in hun synagogen (en) werd door allen geprezen. Hij trad nu op als leraar in hun synagogen en werd algemeen geprezen.  [15] Hij gaf onderricht in hun synagogen en werd door iedereen geëerd.  [15] Hij gaf onderricht in de synagogen en werd door allen geprezen.   15 Hij is onderricht gaan geven in hun synagoge,– door allen geëerd.   15. Il enseignait dans leurs synagogues, glorifié par tous.  

Statenvertaling . 15 En Hij leerde in hun synagogen, en werd van allen geprezen.
King James Bible . [15] And he taught in their synagogues, being glorified of all.
Luther-Bibel . 15 Und er lehrte in ihren Synagogen und wurde von jedermann gepriesen.

Tekstuitleg van Lc 4,15 . Het vers Lc 4,15 telt 10 (2 X 5) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Lc 4,15 is 7494 (2 X 3 X 1249) .

Lc 4,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,15.2. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos .
Lc (45) . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,30 .

Lc 4,15.3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . Een vorm van didaskô (leren, onderrichten) in 15 verzen : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 5,3 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 6,6 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 12,12 . (8) Lc 13,10 . (9) Lc 13,22 . (10) Lc 13,26 . (11) Lc 19,47 . (12) Lc 20,1 . (13) Lc 20,21 . (14) Lc 21,37 . (15) Lc 23,5 .

Lc 4,15.4. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,15.5. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (33) . Lc 4 (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,15 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,43 .

Lc 4,15.6. dat. vr. mv. sunagôgais van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Lc : sunagôgè (synagoge) . Lc (3) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 11,43 . (3) Lc 20,46 . Een vorm van sunagogè (synagoge) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,28 . (5) Lc 4,33 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,44 . (8) Lc 6,6 . (9) Lc 7,5 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 11,43 . (12) Lc 12,11 . (13) Lc 13,10 . (14) Lc 20,46 . (15) Lc 21,12 .

Lc 4,15.4. - 6. eis tas sunagôgas (naar de synagogen) . Lc (2) : (1) Lc 4,44 .  (2) Lc 21,12 . en tais sunagôgais (in de synagogen) . Lc (3) : (1) Lc 4,15 .(2) Lc 11,43 . (3) Lc 20,46 .

Lc 4,15.7. pass. part. praes. nom. mann. enk. doxazomenos van het werkw. doxazô (verheerlijhen, loven) . Taalgebruik in het NT : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in Lc : doxazô (verheerlijken) . Lc (1) Lc 4,15 . Deze vorm is enig in de bijbel . Een vorm van doxazô (verheerlijhen, loven) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,20 . (2) Lc 4,15 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6)  Lc 13,13 . (7)  Lc 17,15. (8) Lc 18,43  . (9) Lc 23,47 .

Lc 4,15.8. hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het NT : hupo (door) . Taalgebruik in Mc : hupo (door) . Taalgebruik in Lc : hupo (door) .
Lc (23 + 8 = 31) . Lc 4 (2) . hupo (2) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,15 .

Lc 4,15.9. gen. mv. pantôn van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Lc (17) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 2,31 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,20 . (7) Lc 7,18 . (8) Lc 7,35 . (9) Lc 8,45 . (10) Lc 9,43 . (11) Lc 11,50 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 21,3 . (14) Lc 21,12 . (15) Lc 21,17 . (16) Lc 24,14 . (17) Lc 24,27 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 4 in 11 verzen : (1) Lc 4,5 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,13 . (4) Lc 4,15 . (5) Lc 4,20 . (6) Lc 4,22 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 4,28 . (9) Lc 4,36 . (10) Lc 4,37 . (11) Lc 4,40 .

Lc 4,15.8. - 9. hupo pantôn (door allen) . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 21,17 .

22. Prediking te Nazaret en verwerping : Lc 4,16-30 - Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,16 - Lc 4,17 - Lc 4,18 - Lc 4,19 - Lc 4,20 - Lc 4,21 - Lc 4,22 - Lc 4,23 - Lc 4,24 - Lc 4,25 - Lc 4,26 - Lc 4,27 - Lc 4,28 - Lc 4,29 - Lc 4,30 -

Hierboven hebben we reeds vermeld (Lc 4,14a) dat Jezus naar Galilea en vervolgens naar Nazaret is teruggekeerd . Nazaret is voor Jezus een bijzondere stad . Daar is Jezus opgevoed en opgegroeid . Hiermee moeten we verwijzen naar Lc 2,40 en Lc 2,52 waar de groei van Jezus in wijsheid en welbehagen bij God en de mensen wordt aangeduid .

Lc 4,16 - Lc 4,16 : 22. Prediking te Nazaret en verwerping - Lc 4,16-30 - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 4 -- taalgebruik -- Lc 4,16 - Lc 4,17 - Lc 4,18 - Lc 4,19 - Lc 4,20 - Lc 4,21 - Lc 4,22 - Lc 4,23 - Lc 4,24 - Lc 4,25 - Lc 4,26 - Lc 4,27 - Lc 4,28 - Lc 4,29 - Lc 4,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 3de (derde) zondag door het jaar C  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:16 kai èlthen eis nazara ou èn tethrammenos kai eisèlthen kata to eiôthos autô en tè èmera tôn sabbatôn eis tèn sunagôgèn kai anestè anagnônai  16 et venit Nazareth ubi erat nutritus et intravit secundum consuetudinem suam die sabbati in synagogam et surrexit legere  16 En hij kwam in Nazaret, waar hij was opgevoed, en hij ging volgens zijn gewoonte op de dag van de sabbar in de synagoge binnen, en hij stond op om voor te lezen.  Zo kwam Hij ook in Nazaret, waar Hij was grootgebracht. Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen.  [16] Zo* kwam Hij in Nazaret, waar Hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging Hij op sabbat naar de synagoge. Hij stond op om voor te lezen,   [16] Hij kwam ook in Nazaret, waar hij was opgegroeid, en volgens zijn gewoonte ging hij op sabbat naar de synagoge. Toen hij opstond om voor te lezen,   16 Zo komt hij aan in Nazaret, waar hij is grootgebracht, en gaat, naar de gewoonte hem eigen, op de dag van de sabbat naar de synagoge. Hij staat op om voor te lezen;   16. Il vint à Nazara où il avait été élevé, entra, selon sa coutume le jour du sabbat, dans la synagogue, et se leva pour faire la lecture. 

Statenvertaling . 16 En Hij kwam te Nazareth, daar Hij opgevoed was, en ging, naar Zijn gewoonte, op den dag des sabbats in de synagoge; en stond op om te lezen.
King James Bible . [16] And he came to Nazareth, where he had been brought up: and, as his custom was, he went into the synagogue on the sabbath day, and stood up for to read.
Luther-Bibel . 16 Und er kam nach Nazareth, wo er aufgewachsen war, und ging nach seiner Gewohnheit am Sabbat in die Synagoge und stand auf und wollte lesen.

Tekstuitleg van Lc 4,16 . Het vers Lc 4,16 telt 25 (5 X 5) woorden en 119 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Lc 4,16 is 12514 (2 X 6257) .

Lc 4,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 .

Lc 4,16.2. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Lc. : erchomai (gaan, komen) . Lc (17) : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,51 . (3) Lc 3,3 . (4) Lc 4,16 . (5) Lc 8,41 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 10,33 . (8) Lc 11,31 . (9) Lc 13,6 . (10) Lc 15,20 . (11) Lc 15,30 . (12) Lc 17,27 . (13) Lc 19,5 . (14) Lc 19,10 . (15) Lc 19,18 . (16) Lc 19,20 . (17) Lc 22,7 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc 4 in 3 verzen : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,34 . (3) Lc 4,42 .

Lc 4,16.3. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . D. nach.
Lc (210) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 4,26 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 4,35 . (8) Lc 4,37 . (9) Lc 4,38 . (10) Lc 4,42 . (11) Lc 4,44 .

Lc 4,16.4. nazaret of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in het NT : nazaret of nazareth (Nazareth) . Taalgebruik in Lc : nazaret of nazareth (Nazareth) .
Lc (4) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 2,51 . nazara in Lc 4,16 .

Lc 4,16.5. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 4 (4 + 4 = 8) . ou of hou (4) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,29 . ouk (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,12 . (4) Lc 4,41 .

Lc 4,16.6. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 2 (7) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,17 . (3) Lc 4,31 . (4) Lc 4,32 . (5) Lc 4,33 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,44 .

Lc 4,16.7. pass. part. perf. nom. mann. enk. tethrammenos van het werkw. trefô (voeden, opvoeden) . Taaalgebruik in het NT : trefô (voeden, opvoeden) . Taaalgebruik in Lc : trefô (voeden, opvoeden) . Lc (1) Lc 4,16 . Deze vorm is de enigste in de bijbel . Een vorm van trefô (voeden, opvoeden) in Lc 3 verzen : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 12,24 . (3) Lc 23,29 .

Lc 4,16.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 4 (+ 35 / 44 . - 9 / 44 : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,7 . (3) Lc 4,10 . (4) Lc 4,18 . (5) Lc 4,19 . (6) Lc 4,21 . (7) Lc 4,24 . (8) Lc 4,30 . (9) Lc 4,40 . Dit nevenschikkend voegwoord leidt de tweede nevenschikkende zin van Lc 4,16 .

Lc 4,16.9. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 45 verzen , in Lc 4 in 2 verzen : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,38 .

Lc 4,16.10. kata (tegen, volgens) . Afkortingen : kat' , kath' . Taalgebruik in het NT : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Lc : kata (tegen, volgens) .
Lc (28 + 6 + 9 = 43) . Lc 4 (2) . kata (1) Lc 4,16 . kath' (1) Lc 4,14 .

Lc 4,16.11. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 4 (5) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,17 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,35 .

Lc 4,16.12. acc. onz. enk. eiôthos (gewoonte) . Taalgebruik in het NT : eiôthos (gewoonte) . Taalgebruik in Lc : eiôthos (gewoonte) .
Lc (1) Lc 4,16 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 4,16.13. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 4 (11) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,5 . (3) Lc 4,6 . (4) Lc 4,8 . (5) Lc 4,9 . (6) Lc 4,12 . (7) Lc 4,16 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 4,20 . (10) Lc 4,22 . (11) Lc 4,35 .

Lc 4,16.14. en (in, met) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 4 (18) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,2 . (3) Lc 4,5 . (4) Lc 4,14 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,16 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,20 . (9) Lc 4,21 . (10) Lc 4,23 . (11) Lc 4,24 . (12) Lc 4,25 . (13) Lc 4,27 . (14) Lc 4,28 . (15) Lc 4,31 . (16) Lc 4,32 . (17) Lc 4,33 . (18) Lc 4,36 .

Lc 4,16.15. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 4 (9) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,16 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,23 . (6) Lc 4,24 . (7) Lc 4,28 . (8) Lc 4,32 . (9) Lc 4,33 .

Lc 4,16.16. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (27) . Lc 4 (1) Lc 4,16 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,2 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,25 . (4) Lc 4,42 .

Lc 4,16.17. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . Lc 4 (1) Lc 4,16 .

Lc 4,16.18. gen. onz. mv. sabbatôn van het zelfst. naamw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het NT : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Lc : sabbaton (sabbat) . Lc (2) : (1)