- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| bibliografie synoptici en Handelingen |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het negende hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
147. Zending van de twaalf : Mc
6,7-13 - Lc
9,1-6 -
148. Herodes'mening over Jezus : Mc
6,14-16 - Mt
14,1-2 - Lc
9,7-9 -
150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop : Mc
6,30-34 - Mt
14,13-14 -Lc
9,10-11 -
151. Eerste broodvermenigvuldiging : Mc
6,35-44a - Mt
14,15-21a - Lc
9,12-17a -
162. Belijdenis van Petrus : Mc
8,27-30 - Mt
16,13-20 - Lc
9,18-21 -
163. Eerste lijdensvoorspelling : Mc
8,31-32 - Mt
16,21 - Lc
9,22 -
165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen om het te winnen : Mc
8,34-35 - Mt
16,24-25 - Lc
9,23-24 -
166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen : Mc
8,36-38 - Mt
16,26-27 - Lc
9,25-26 -
167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc
9,1 - Mt
16,28 - Lc
9,27 -
168. Verheerlijking van Jezus : Mc
9,2-10 - Mt
17,1-9 - Lc
9,28-36 -
170. Genezing van een bezeten kind : Mc
9,14-29 - Mt
17,14-21 - Lc
9,37-43a -
171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc
9,30-32 - Mt
17,22-23 - Lc
9,43b-45 -
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc
9,33-37 - Mt
18,1-5 - Lc
9,46-48 -
174. Het gebruiken van Jezus'naam : Mc
9,38-41 - Lc
9,49-50 -
183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc
9,51-56 - Lc
9,51a
184. Voorwaarden van het volgen : Lc
9,57-62 - Mt
8,18-22
147. Lc 9,1-6 : zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 -
| Lc 9,1 - Lc 9,1 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] Then he called his twelve disciples together, and gave
them power and authority over all devils, and to cure diseases.
Luther-Bibel . 9 1 Er rief aber die Zwölf zusammen und gab ihnen Gewalt und
Macht über alle bösen Geister und dass sie Krankheiten heilen konnten
Tekstuitleg van Lc 9,1 .
3. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
| Lc 9,2 - Lc 9,2 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And he sent them to preach the kingdom of God, and to heal
the sick.
Luther-Bibel . 2 und sandte sie aus, zu predigen das Reich Gottes und die Kranken
zu heilen.
Tekstuitleg van Lc 9,2 . Dit vers Lc 9,2 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 71 letters . De getalwaarde van Lc 9,2 is 7520 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 5 X 47) .
5. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,31 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,34 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 . (11) Lc 9,62 .
5. - 8. tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) .
3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
11. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
| Lc 9,3 - Lc 9,3 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] And he said unto them, Take nothing for your journey,
neither staves, nor scrip, neither bread, neither money; neither have two coats
apiece.
Luther-Bibel .3 Und er sprach zu ihnen: Ihr sollt nichts mit auf den Weg nehmen,
weder Stab noch Tasche noch Brot noch Geld; es soll auch einer nicht zwei Hemden
haben.
Tekstuitleg van Lc 9,3 .
3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,23 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,41 . (7) Lc 9,43 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,57 . (10) Lc 9,59 . (11) Lc 9,62 .
4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
15. acc. mann. enk. arton van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Bijbel (133) . LXX (96) . N.T. (37) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het N.T. (97) , in de LXX (307) .
21. acc. mann. mv. chitônas van het zelfst. naamw. chitôn (wollen
of linnen onderkleed) . Taalgebruik in het N.T. : chitôn
(wollen of linnen onderkleed) . Taalgebruik in Lc : chitôn
(wollen of linnen onderkleed) .
Lc (2) : (1) Lc
3,11 . (2) Lc
9,3 . Een vorm van chitôn (wollen of linnen onderkleed) in Lc in 3
verzen : (1) Lc
3,11 . (2) Lc
6,29 . (3) Lc
9,3 .
| Lc 9,4 - Lc 9,4 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] And whatsoever house ye enter into, there abide, and
thence depart.
Luther-Bibel . 4 Und wenn ihr in ein Haus geht, dann bleibt dort, bis ihr weiterzieht.
Tekstuitleg van Lc 9,4 .
2. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
| Lc 9,5 - Lc 9,5 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And whosoever will not receive you, when ye go out of
that city, shake off the very dust from your feet for a testimony against them.
Luther-Bibel . 5 Und wenn sie euch nicht aufnehmen, dann geht fort aus dieser
Stadt und schüttelt den Staub von euren Füßen zu einem Zeugnis gegen sie.
Tekstuitleg van Lc 9,5 .
19. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
22. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
| Lc 9,6 - Lc 9,6 : 147. Zending van de twaalf - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- Lc 9,1 - Lc 9,2 - Lc 9,3 - Lc 9,4 - Lc 9,5 - Lc 9,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] And they departed, and went through the towns, preaching
the gospel, and healing every where.
Luther-Bibel . 6 Und sie gingen hinaus und zogen von Dorf zu Dorf, predigten
das Evangelium und machten gesund an allen Orten. Herodes und Jesus
Tekstuitleg van Lc 9,6 .
148. Lc 9,7-9 : Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,14-16 - Mt 14,1-2 - Lc 9,7-9 -- Lc 9,7 - Lc 9,8 - Lc 9,9 -
| Lc 9,7 - Lc 9,7 : 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,14-16 - Mt 14,1-2 - Lc 9,7-9 -- Lc 9,7 - Lc 9,8 - Lc 9,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] Now Herod the tetrarch heard of all that was done by
him: and he was perplexed, because that it was said of some, that John was risen
from the dead;
Luther-Bibel . 7 Es kam aber vor Herodes, den Landesfürsten, alles, was geschah;
und er wurde unruhig, weil von einigen gesagt wurde: Johannes ist von den Toten
auferstanden;
Tekstuitleg van Lc 9,7 .
12. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,17 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,42 . (6) Lc
9,45 . (7) Lc
9,46 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,51 . (10) Lc
9,53 .
| Lc 9,8 - Lc 9,8 : 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,14-16 - Mt 14,1-2 - Lc 9,7-9 -- Lc 9,7 - Lc 9,8 - Lc 9,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And of some, that Elias had appeared; and of others,
that one of the old prophets was risen again.
Luther-Bibel . 8 von einigen aber: Elia ist erschienen; von andern aber: Einer
von den alten Propheten ist auferstanden.
Tekstuitleg van Lc 9,8 .
10. nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T.
: profètès
(profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès
(profeet) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) .
Lc (7) : (1) Lc
1,76 . (2) Lc
4,24 . (3) Lc
7,16 . (4) Lc
7,39 . (5) Lc
9,8 . (6) Lc
9,19 . (7) Lc
24,19 . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen
, in Lc 9 (2) : (1) Lc
9,8 . (2) Lc
9,19 .
| Lc 9,9 - Lc 9,9 : 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,14-16 - Mt 14,1-2 - Lc 9,7-9 -- Lc 9,7 - Lc 9,8 - Lc 9,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] And Herod said, John have I beheaded: but who is this,
of whom I hear such things? And he desired to see him.
Luther-Bibel . 9 Und Herodes sprach: Johannes, den habe ich enthauptet; wer
ist aber dieser, über den ich solches höre? Und er begehrte ihn zu sehen. Die
Speisung der Fünftausend
Tekstuitleg van Lc 9,9 .
18. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,39 . (5) Lc 9,42 . (6) Lc 9,45 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,53 . (10) Lc 9,57 . (11) Lc 9,62 .
150. Lc 9,10-11 : terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -- Lc 9,10 - Lc 9,11 -
| Lc 9,10 - Lc 9,10 : 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -- Lc 9,10 - Lc 9,11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] And the apostles, when they were returned, told him
all that they had done. And he took them, and went aside privately into a desert
place belonging to the city called Bethsaida.
Luther-Bibel . 10 Und die Apostel kamen zurück und erzählten Jesus, wie große
Dinge sie getan hatten. Und er nahm sie zu sich, und er zog sich mit ihnen allein
in die Stadt zurück, die heißt Betsaida.
Tekstuitleg van Lc 9,10 .
11. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
15. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
16. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in
het N.T. : polis
(stad) . Taalgebruik in Lc : polis
(stad) .
Lc (17) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
1,39 . (3) Lc
2,3 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,39 . (6) Lc
4,31 . (7) Lc
7,11 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,4 . (10) Lc
8,34 . (11) Lc
8,39 . (12) Lc
9,10 . (13) Lc
10,1 . (14) Lc
10,8 . (15) Lc
10,10 . (16) Lc
19,41 . (17) Lc
22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .
| Lc 9,11 - Lc 9,11 : 150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 -- Lc 9,10 - Lc 9,11 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And the people, when they knew it, followed him: and
he received them, and spake unto them of the kingdom of God, and healed them
that had need of healing.
Luther-Bibel . 11 Als die Menge das merkte, zog sie ihm nach. Und er ließ sie
zu sich und sprach zu ihnen vom Reich Gottes und machte gesund, die der Heilung
bedurften.
Tekstuitleg van Lc 9,11 . Het vers Lc 9,11 telt 22 (2 X 11) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Lc 9,11 is 13024 (2² X 2³ X 11 X 37) .
Lc 9,11.5. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 22,39 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .
Lc 9,11.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (4) : (1) Lc 1,64 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 24,32 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen .
9. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
18. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
151. Lc 9,12-17a : eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 -
| Lc 9,12 - Lc 9,12 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] And when the day began to wear away, then came the
twelve, and said unto him, Send the multitude away, that they may go into the
towns and country round about, and lodge, and get victuals: for we are here
in a desert place.
Luther-Bibel . 12 Aber der Tag fing an, sich zu neigen. Da traten die Zwölf
zu ihm und sprachen: Lass das Volk gehen, damit sie hingehen in die Dörfer und
Höfe ringsum und Herberge und Essen finden; denn wir sind hier in der Wüste.
Tekstuitleg van Lc 9,12 . Het vers Lc 9,12 telt 33 (3 X 11) woorden en 167 verzen . De getalwaarde van Lc 9,12 is 20737 (89 X 233) . De leerlingen , die van hun missie/ stageopdracht zijn teruggekomen , willen een bemiddelende rol spelen . Zij vragen Jezus de menigte te ontbinden opdat ze eten kan zoeken in de omliggende dorpen en steden , want het is avond en het is een eenzame plaats . De plaats doet denken aan de woestijn , waarin Mozes en de Israëlieten zich bevinden en honger lijden (Ex 16,2) . In plaats van de verantwoordelijkheid op de menigte te leggen , stelt Jezus hen voor hun verantwoordelijkheid : geven jullie hen te eten .
2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc 9,12-17a (4) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,16 .
3. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Lc 9 (3) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,37 . Bijbel (854) . O.T. (750) . N.T. (104) . Lc (27) . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 9 (7) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,23 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 9,36 . (6) Lc 9,37 . (7) Lc 9,51 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen . Een vorm van hèmera(i) (dag) in het N.T. (388) , in de LXX (2567) .
7. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,12-17a (4) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,13 . (3) Lc
9,14 . (4) Lc
9,16 .
17. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
Lc 9,12.29.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,12.30.
dat. vr. enk. erèmô(i) van het zelfst. / bijvoegl. naamw. erèmos
(woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Lc. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Hnd. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in de Septuaginta . : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (woestenij, puinhoop) . Taalgebruik
in Tenach : chârëbâh
(woestenij, puinhoop) . chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. Fr. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . E. desert . D. die Wüste . Een plaats is eenzaam om
tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven
of gedood . Een weg is verlaten .
Lc (5) : (1) Lc
3,2 . (2) Lc
3,4 . (3) Lc
4,1 . (4) Lc
9,12 . (5) Lc
15,4 . Een vorm van erèmos (woestijn, eenzame plaats) in Lc in 10
verzen : (1) Lc
1,80 . (2) Lc
3,2 . (3) Lc
3,4 . (4) Lc
4,1 . (5) Lc
4,42 . (6) Lc
5,16 . (7) Lc
7,24 . (8) Lc
8,29 . (9) Lc
9,12 . (10) Lc
15,4 .
| Lc 9,13 - Lc 9,13 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] But he said unto them, Give ye them to eat. And they
said, We have no more but five loaves and two fishes; except we should go and
buy meat for all this people.
Luther-Bibel . 13 Er aber sprach zu ihnen: Gebt ihr ihnen zu essen. Sie sprachen:
Wir haben nicht mehr als fünf Brote und zwei Fische, es sei denn, dass wir hingehen
sollen und für alle diese Leute Essen kaufen.
Tekstuitleg van Lc 9,13 . Het vers Lc 9,13 telt 32 (2³ X 2²) woorden en 147 (3 X 7²) letters . De getalwaarde van Lc 9,13 is 15376 (2² X 2² X 31²) .
Lc 9,13.1.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Lc (223) . Lc 9 () : Een vorm van legô (zeggen) in Lc 9 in verzen : ;
van eipon (ik zei) in Lc 9 in verzen :
Lc 9,13.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,12-17a (4) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,13 . (3) Lc
9,14 . (4) Lc
9,16 .
3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,23 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,41 . (7) Lc 9,43 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,57 . (10) Lc 9,59 . (11) Lc 9,62 .
4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
5. act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote (geeft) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven) . Hebr. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give . Lc (5) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 11,41 . (3) Lc 12,33 . (4) Lc 15,22 . (5) Lc 19,24 . Bijbel (50) . O.T. (36) . N.T. (14) . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van didômi (geven) in het N.T. (416) , in de LXX (2131) .
Lc 9,13.10.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,12-17a (4) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,13 . (3) Lc
9,14 . (4) Lc
9,16 .
27. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
| Lc 9,14 - Lc 9,14 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] For they were about five thousand men. And he said
to his disciples, Make them sit down by fifties in a company.
Luther-Bibel . 14 Denn es waren etwa fünftausend Mann. Er sprach aber zu seinen
Jüngern: Lasst sie sich setzen in Gruppen zu je fünfzig.
Tekstuitleg van Lc 9,14 .
7. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,12-17a (4) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,13 . (3) Lc
9,14 . (4) Lc
9,16 .
8. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,23 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,41 . (7) Lc 9,43 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,57 . (10) Lc 9,59 . (11) Lc 9,62 .
9. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
13. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
14. med. ind. aor. 3de pers. enk. anestè (hij stond op) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Lc (5) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 8,55 . (3) Lc 9,8 . (4) Lc 9,19 . (5) Lc 10,25 .
| Lc 9,15 - Lc 9,15 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And they did so, and made them all sit down.
Luther-Bibel . 15 Und sie taten das und ließen alle sich setzen.
Tekstuitleg van Lc 9,15 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc
| Lc 9,16 - Lc 9,16 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] Then he took the five loaves and the two fishes, and
looking up to heaven, he blessed them, and brake, and gave to the disciples
to set before the multitude.
Luther-Bibel . 16 Da nahm er die fünf Brote und zwei Fische und sah auf zum
Himmel und dankte, brach sie und gab sie den Jüngern, damit sie dem Volk austeilten.
Tekstuitleg van Lc 9,16 . Het vers Lc 9,16 telt 24 (2² X 3) woorden en 127 letters . De getalwaarde van Lc 9,16 is 16049 (11 X 1459) .
Lc 9,16.1. act. part. aor. nom. mann. enk. labôn van het werkw. lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : lambanô (nemen) . Hebr. nâthan (nemen) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (nemen) . Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . LXX (40) . N.T. (46) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van lambanô (nemen) in het N.T. (258) , in de LXX (1335) .
Lc 9,16.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,12-17a (4) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,13 . (3) Lc
9,14 . (4) Lc
9,16 .
Lc 9,16.3.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
5. acc. mann. mv. artous van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (3) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 11,5 . Bijbel (93) . LXX (65) . N.T. (28) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het N.T. (97) , in de LXX (307) .
Lc 9,16.7.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
14. act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen (hij zegende) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) . Taalgebruik in het N.T. : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Hnd : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in de Septuaginta : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Taalgebruik in Tenach : bârakh (zegenen, loven, prijzen) . eulogeô = Lat. benedicere (benedijen) . Fr. bénir . Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan . E. to bless . Lc (5) : (1) Lc 2,28 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 24,30 . (5) Lc 24,50 . Bijbel (69) . LXX (60) . N.T. (9) . Hebr. waw consec. + piel imperf. 3de pers. mann. enk. wajëbhârèkh (en hij zegende) . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 / 24 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : 2 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 2 verzen in 1 / 28 hoofdstukken . In Lc : 5 verzen in de kindsheidsverhalen , 4 verzen in de verschijningsverhalen , in de verhalen van de vlakterede en de broodvermenigvuldiging , in een citaat (Ps 118,26) in Lc 13,35 dat ook bij de intrede van Jezus in Jeruzalem wordt aangehaald . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen) in de LXX (516) , in het N.T. (42) .
15. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
Lc 9,16.23.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,16 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,29 . (4) Lc
9,33 . (5) Lc
9,34 . (6) Lc
9,36 . (7) Lc
9,42 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,49 . (10) Lc
9,51 .
| Lc 9,17 - Lc 9,17 : 151. Eerste broodvermenigvuldiging - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- Lc 9,12 - Lc 9,13 - Lc 9,14 - Lc 9,15 - Lc 9,16 - Lc 9,17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And they did eat, and were all filled: and there was
taken up of fragments that remained to them twelve baskets.
Luther-Bibel . 17 Und sie aßen und wurden alle satt; und es wurde aufgesammelt,
was sie an Brocken übrig ließen, zwölf Körbe voll. Das Bekenntnis des Petrus
Tekstuitleg van Lc 9,17 .
8. bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,17 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,42 . (6) Lc
9,45 . (7) Lc
9,46 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,51 . (10) Lc
9,53 .
Evangelie op de 12de
(twaalfde) zondag door het c-jaar : Lc 9,18-24 . Lc
9,18-24 .
Toen Jezus eens alleen aan het bidden was en zijn leerlingen bij Hem kwamen
stelde Hij hun de vraag: "Wie zeggen de mensen, dat Ik ben?" Zij antwoordden:
"Johannes de Doper, anderen zeggen: Elia, en weer anderen: een van de oude profeten
is opgestaan." Hierop zeide Hij tot hen: "Maar gij, wie zegt gij dat Ik ben?"
Nu antwoordde Petrus: "De Gezalfde van God." Maar Hij verbood hun nadrukkelijk
dit aan iemand te zeggen. "De Mensenzoon, - zo sprak Hij - moet veel lijden
en door de oudsten, hogepriesters en schriftgeleerden verworpen worden, maar
na ter dood te zijn gebracht zal Hij op de derde dag verrijzen." Maar tot allen
sprak Hij: "Wie mijn volgeling wil zijn, moet Mij volgen door zichzelf te verloochenen
en door elke dag opnieuw zijn kruis op te nemen. Want wie zijn leven wil redden
zal het verliezen. Maar wie zijn leven verliest om Mijnentwil, zal het redden."
162. Belijdenis van Petrus : Lc 9,18-21 - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 -- Lc 9,18 - Lc 9,19 - Lc 9,20 - Lc 9,21 -
| Lc 9,18 - Lc 9,18 : 162. Belijdenis van Petrus : verwijzingen -- Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 -- Lc 9,18 - Lc 9,19 - Lc 9,20 - Lc 9,21 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] And it came to pass, as he was alone praying, his disciples
were with him: and he asked them, saying, Whom say the people that I am?
Luther-Bibel . 18 Und es begab sich, als Jesus allein war und betete und nur
seine Jünger bei ihm waren, da fragte er sie und sprach: Wer, sagen die Leute,
dass ich sei?
Tekstuitleg van Lc 9,18 . Het vers Lc 9,18 telt 22 (2 X 11) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Lc 9,18 is 13779 (3² X 1531) .
Lc 9,18.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 9 (8) : (1) Lc 9,18 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,34 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 9 (10) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,34 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,37 . (10) Lc 9,51 .
Lc 9,18.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,18.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,16 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,29 . (4) Lc
9,33 . (5) Lc
9,34 . (6) Lc
9,36 . (7) Lc
9,42 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,49 . (10) Lc
9,51 .
Lc 9,18.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 9,18.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,39 . (5) Lc 9,42 . (6) Lc 9,45 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,53 . (10) Lc 9,57 . (11) Lc 9,62 .
Lc 9,18.1. - 6. kai egeneto en tô(i) einai auton = en het gebeurde terwijl hij was . Lc (3) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 11,1 .
Lc 9,18.7. part. pr. acc. mann. enk. proseuchomenon van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het N.T. : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 11,1 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Lc 9,18.1. - 7. kai egeneto en tô(i) einai auton (...) proseuchomenon = en het gebeurde terwijl hij aan het bidden was . Lc (2 : (1) Lc 9,18 . (2) Lc 11,1 .
Lc 9,18.16. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
| Lc 9,19 - Lc 9,19 : 162. Belijdenis van Petrus : verwijzingen -- Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 -- Lc 9,18 - Lc 9,19 - Lc 9,20 - Lc 9,21 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] They answering said, John the Baptist; but some say,
Elias; and others say, that one of the old prophets is risen again.
Luther-Bibel . 19 Sie antworteten und sprachen: Sie sagen, du seist Johannes
der Täufer; einige aber, du seist Elia; andere aber, es sei einer der alten
Propheten auferstanden.
Tekstuitleg van Lc 9,19 . Het vers Lc 9,19 telt 18 (2 X 3²) woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 9,19 is 9325 (5² X 373) .
14. nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T.
: profètès
(profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès
(profeet) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) .
Lc (7) : (1) Lc
1,76 . (2) Lc
4,24 . (3) Lc
7,16 . (4) Lc
7,39 . (5) Lc
9,8 . (6) Lc
9,19 . (7) Lc
24,19 . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen
, in Lc 9 (2) : (1) Lc
9,8 . (2) Lc
9,19 .
18. med. ind. aor. 3de pers. enk. anestè (hij stond op) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Lc (5) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 8,55 . (3) Lc 9,8 . (4) Lc 9,19 . (5) Lc 10,25 .
| Lc 9,20 - Lc 9,20 : 162. Belijdenis van Petrus : verwijzingen -- Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 -- Lc 9,18 - Lc 9,19 - Lc 9,20 - Lc 9,21 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] He said unto them, But whom say ye that I am? Peter
answering said, The Christ of God.
Luther-Bibel . 20 Er aber sprach zu ihnen: Wer, sagt ihr aber, dass ich sei?
Da antwortete Petrus und sprach: Du bist der Christus Gottes! Die erste Ankündigung
von Jesu Leiden und Auferstehung
Tekstuitleg van Lc 9,20 .
10. nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus)
. Taalgebruik in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
| Lc 9,21 - Lc 9,21 : 162. Belijdenis van Petrus : verwijzingen -- Mc 8,27-30 - Mt 16,13-20 - Lc 9,18-21 -- Lc 9,18 - Lc 9,19 - Lc 9,20 - Lc 9,21 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] And he straitly charged them, and commanded them to
tell no man that thing;
Luther-Bibel . 21 Er aber gebot ihnen, dass sie das niemandem sagen sollten,
Tekstuitleg van Lc 9,21 .
163. Eerste lijdensvoorspelling : Lc 9,22 - Mc 8,31-32 - Mt 16,21 - Lc 9,22 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -
| Lc 9,22 - Lc 9,22 : 163. Eerste lijdensvoorspelling : Mc 8,31-32 - Mt 16,21 - Lc 9,22 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] Saying, The Son of man must suffer many things, and
be rejected of the elders and chief priests and scribes, and be slain, and be
raised the third day.
Luther-Bibel . 22 und sprach: Der Menschensohn muss viel leiden und verworfen
werden von den Ältesten und Hohenpriestern und Schriftgelehrten und getötet
werden und am dritten Tag auferstehen. Von der Nachfolge
Tekstuitleg van Lc 9,22
| Mt 16,21 | apo tote èrxato Ièsous Christos deiknuein tois mathètais autou | hoti dei auton eis Hierosoluma apelthein kai polla pathein | apo tôn presbuterôn kai archiereôn kai grammateôn | kai apoktanthènai | kai tritèi hèmerai egerthènai |
| Mc 8,31 | kai èrxato didaskein autous | hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein | kai apodokimasthènai hupo tôn presbuterôn kai tôn archiereôn kai tôn grammateôn | kai apoktanthènai | kai meta treis hèmeras anastènai |
| Lc 9,22 | eipôn | hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein | kai apodokimasthènai apo tôn presbuterôn kai archiereôn kai grammateôn | kai apoktanthènai | kai tritèi hèmerai egerthènai |
1. act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc
19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem
.
(3) Lc 22,8
. Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid
wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus
.
(5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten .
In Lc 9,22
(eerste lijdensvoorspelling) . Op eipôn (gezegd) volgt een voorwerpszin
, ingeleid door hoti (dat) . Het is de enigste zin bij Lucas waarbij eipôn
(gezegd) gevolgd wordt door een voorwerpszin .
Lc 9 (21 + 11 = 33) : Een vorm van legô (zeggen) in Lc 9 in 21 verzen
: (1) Lc
9,9 . (2) Lc
9,12 . (3) Lc
9,13 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,19 . (6) Lc
9,20 . (7) Lc
9,22 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
9,41 . (10) Lc
9,43 . (11) Lc
9,48 . (12) Lc
9,49 . (13) Lc
9,50 . (14) Lc
9,54 . (15) Lc
9,55 . (16) Lc
9,57 . (17) Lc
9,58 . (18) Lc
9,60 . (19) . (20) Lc
9,61 . (21) Lc
9,62 ; van eipon (ik zei) in Lc 9 in 11 verzen : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,21 . (5) Lc
9,23 . (6) Lc
9,27 . (7) Lc
9,31 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
9,34 . (10) Lc
9,35 . (11) Lc
9,38 .
2. hoti (dat) . hoti (dat, omdat) , zie Mt 2,16 . Het leidt een voorwerpszin in .
3. act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (hij / het moet) . Taalgebruik in het N.T. : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) . Lc (12) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 17,25 . (8) Lc 19,5 . (9) Lc 21,9 . (10) Lc 22,37 . (11) Lc 24,7 . (12) Lc 24,44 . Een vorm van dei (hij / het moet) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 13,14 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 15,32 . (10) Lc 17,25 . (11) (1) Lc 18,1 . (12) Lc 19,5 . (13) Lc 21,9 . (14) Lc 22,7 . (15) Lc 22,37 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,26 . (18) Lc 24,44 . In Lc : 3 vormen van dei (hij / het moet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 18 verzen . In Hnd : 4 vormen van dei (hij / het moet) in 18 / 28 hoofdstukken en in 24 verzen .
dei (hij moet) . Verwijzing : deô
(moeten) , zie Mt
16,21 . In twaalf verzen bij Lucas , o.a.
- (3) Lc 9,22
: eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein = zeggende
dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling) .
Er zijn in de evangelies een aantal teksten waarin dei / edei met de infinitief
pathein (lijden) met elkaar verbonden zijn : de eerste lijdensvoorspelling (Lc
9,22 ( // Mc
8,31 // Mt
16,21) , de mensenzoon (Lc
17,25) , de vrouwen bij het graf (Lc
24,7) , de Emmaüsgangers (Lc
24,26) .
--- dei ... polla pathein (hij moet veel lijden) . In Lc
9,22 en Lc
17,25 :
--- -- (3) Lc
9,22 : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein
= zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
.
--- -- (7) Lc
17,25 : prôton de dei auton polla pathein = eerst echter moet hij
veel lijden (de mensenzoon) .
--- De verhalen van de eerste lijdensvoorspelling (Lc
9,22) en het eerste verschijningsverhaal (Lc
24,26) worden aan elkaar gelinkt . Deze teksten verwijzen naar elkaar .
--- -- (3) Lc
9,22 : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein
= zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
.
--- -- Lc 24,26
: ouchi tauta edei pathein ton Christon (moest de Christus dat niet lijden?)
.
--- De gelijkenis tussen Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) en Lc
24,7 (de vrouwen bij het graf) is groot (participium van het werkwoord legô
= zeggen ; een voorwerpszin , ingeleid door het voegwoord hoti = dat ; het hoofdwerkwoord
dei = moet ; onderwerp van de infinitiefzin ton huion tou anthrôpou =
de mensenzoon . In deze beide verzen volgt op het werkwoord dei = moet drie
nevenschikkende infinitiefzinnen .
--- Lc 9,22
: : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein = zeggende
dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling) .
--- Lc 24,7
: legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat de mensenzoon
moet (de vrouwen bij het graf ) .
8. polla (veel) . Nominatief of accusatief onzijdig meervoud . In zeven verzen bij Lucas .
9. pathein (lijden) . Infinitief aorist .
16. gen. mann. mv. archiereôn van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (1) Lc 9,22 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
23. dat. vr. enk. tritè(i) ( - op de - derde) van het telwoord treis (drie) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Taalgebruik in Hnd : telwoorden . Lc (6) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 13,32 . (4) Lc 18,33 . (5) Lc 24,7 . (6) Lc 24,46 .
24. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Lc 9 (3) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,37 . Bijbel (854) . O.T. (750) . N.T. (104) . Lc (27) . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 9 (7) : (1) Lc 9,12 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 9,23 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 9,36 . (6) Lc 9,37 . (7) Lc 9,51 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen . Een vorm van hèmera(i) (dag) in het N.T. (388) , in de LXX (2567) .
22. - 24. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Hnd (1) Hnd 10,40 . Hebr. bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) , zie Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) .
25b. Variante : inf. aor. anastènai van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc (29) , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,8 . (2) Lc 9,19 . (3) Lc 9,22 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
22. - 25b. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag
in combinatie met een vorm van anistèmi (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc
9,22 (variante) . (2) Lc
24,7 . (3) Lc
24,46 . Hos 6,2 : bajjôm hasjsjëlîsjî jëqimenû
(op de derde dag zal hij ons doen opstaan) . jëqimenû : hifil imperfectum
3de pers. enk. ) + nû : suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. LXX : en
tè èmera tè tritè anastèsometha (op de derde dag zullen wij 'opgewekt' worden)
. Lc 18,33
: tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag
zal hij 'opgewekt' worden . De lezing van Lc
18,33 benadert de LXX van Hos 6,2 het sterkst .
- tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in combinatie
met een vorm van egeirô (opwekken) . Lc (1) Lc
9,22 . Hnd (1) Hnd
10,40 .
165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen om het te winnen : Lc 9,23-24 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,34-35 - Mt 16,24-25 - Lc 9,23-24 -- Lc 9,23 - Lc 9,24 -
| Lc 9,23 - Lc 9,23 : 165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen om het te winnen -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,34-35 - Mt 16,24-25 - Lc 9,23-24 -- Lc 9,23 - Lc 9,24 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And he said to them all, If any man will come after
me, let him deny himself, and take up his cross daily, and follow me.
Luther-Bibel . 23 Da sprach er zu ihnen allen: Wer mir folgen will, der verleugne
sich selbst und nehme sein Kreuz auf sich täglich und folge mir nach.
Tekstuitleg van Lc 9,23 .
3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,23 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,41 . (7) Lc 9,43 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,57 . (10) Lc 9,59 . (11) Lc 9,62 .
13. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
| Lc 9,24 - Lc 9,24 : 165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen om het te winnen -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,34-35 - Mt 16,24-25 - Lc 9,23-24 -- Lc 9,23 - Lc 9,24 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] For whosoever will save his life shall lose it: but
whosoever will lose his life for my sake, the same shall save it.
Luther-Bibel . 24 Denn wer sein Leben erhalten will, der wird es verlieren;
wer aber sein Leben verliert um meinetwillen, der wird's erhalten.
Tekstuitleg van Lc 9,24 .
7. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
17. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen : Lc 9,25-26 - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -- Lc 9,25 - Lc 9,26 -
| Lc 9,25 - Lc 9,25 : 166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -- Lc 9,25 - Lc 9,26 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] For what is a man advantaged, if he gain the whole
world, and lose himself, or be cast away?
Luther-Bibel . 25 Denn welchen Nutzen hätte der Mensch, wenn er die ganze Welt
gewönne und verlöre sich selbst oder nähme Schaden an sich selbst?
Tekstuitleg van Lc 9,25 .
| Lc 9,26 - Lc 9,26 : 166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -- Lc 9,25 - Lc 9,26 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] For whosoever shall be ashamed of me and of my words,
of him shall the Son of man be ashamed, when he shall come in his own glory,
and in his Father's, and of the holy angels.
Luther-Bibel . 26 Wer sich aber meiner und meiner Worte schämt, dessen wird
sich der Menschensohn auch schämen, wenn er kommen wird in seiner Herrlichkeit
und der des Vaters und der heiligen Engel.
Tekstuitleg van Lc 9,26 .
7. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
9. acc. mann. mv. logous van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 9,26 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,44 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 9 in 3 verzen .
18. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
21. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
167. Nabijheid van het Rijk Gods : Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -
| Lc 9,27 - Lc 9,27 : 167. Nabijheid van het Rijk Gods - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . But I tell you of a truth, there be some standing here,
which shall not taste of death, till they see the kingdom of God.
Luther-Bibel . 27 Ich sage euch aber wahrlich: Einige von denen, die hier stehen,
werden den Tod nicht schmecken, bis sie das Reich Gottes sehen.
Tekstuitleg van Lc 9,27 . Dit vers Lc 9,27 telt 21 (3 X 7) woorden en 91 letters . De getalwaarde van Lc 9,27 is 13366 (2 X 41 X 163) .
8. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
14. gen. mann. enk. thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .
18. - 21. tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) .
168. Verheerlijking van Jezus : Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 -
- COUNE M. Lucas en het mysterie van Jezus'gedaanteverandering in: Sacerdos,
jg.53 (1985- 1986), p.465- 473
- GERITS H. Op een berg in: Bijbel en bezinning jg.3 (1984) nr.1 p.109- 112
- JANSSEN J. Jezus' Tabormoment in: De bron jg. (1989- 1990) nr.5 p.30- 32
- OTTEN M. De verheerlijking van Jezus (Lc.9,28- 36) in: Idem Deel in mijn vreugde.
Lucas in gezin school en catechese Averbode/Apeldoorn Altiora 1990 p.84- 87
- ROSSEL W. Een gelaat als de zon in: IDEM Gij zijt mij te sterk. Gelovig leven
in het licht van de bijbel Antwerpen- Amsterdam Patmos 1978 p.110- 126
- STANDAERT B. Leven van Jezus in: Heiliging jg.31 (1989) nr.3 p.47- 54
- TIGCHELER J. Jezus hield vast aan zijn oorsprong in: Speling jg.36 (1984),
nr.4, p.89- 94
- TIGCHELER J. Zijn gezicht begon te stralen in: Speling jg.43 (1991), nr.3,
p.48- 59
Evangelielezing op de 2de
(tweede) zondag in de veertigdagentijd C : Lc
9,28-36 :
In die tijd nam Jezus Petrus, Johannes en Jakobus met zich mee en besteeg de
berg Tabor om er te bidden. Terwijl Hij in gebed was veranderde zijn gelaat
van aanblik en werden zijn kleren verblindend wit. En zie, twee mannen waren
met Hem in gesprek; het waren Mozes en Elia die in heerlijkheid verschenen waren,
en zij spraken over zijn heengaan dat Hij in Jeruzalem zou voltrekken. Petrus
en zijn metgezellen waren intussen door slaap overmand. Klaar wakker geworden
zagen zij zijn heerlijkheid en de twee mannen die bij Hem stonden. Toen dezen
van Hem heen wilden gaan zei Petrus tot Jezus: "Meester, het is goed dat
wij hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een
voor Elia". Maar hij wist niet wat hij zei. Terwijl hij zo sprak kwam er
een wolk die hen overschaduwde. Toen de wolk hen omhulde werden zij door vrees
bevangen. Uit de wolk klonk een stem die sprak: "Dit is mijn Zoon, de Uitverkorene,
luistert naar Hem." Terwijl de stem weerklonk bemerkten zij dat Jezus alleen
was. Zij zwegen er over en verhaalden in die tijd aan niemand iets van wat zij
gezien hadden.
Lc 9,28-36 telt negen verzen . Vijf verzen beginnen met kai (en) . In drie verzen staat het partikel de (echter) op de tweede plaats in de zin .
| Lc 9,28 - Lc 9,28 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] And it came to pass about an eight days after these
sayings, he took Peter and John and James, and went up into a mountain to pray.
Luther-Bibel . 28 Und es begab sich, etwa acht Tage nach diesen Reden, dass
er mit sich nahm Petrus, Johannes und Jakobus und ging auf einen Berg, um zu
beten.
Tekstuitleg van Lc 9,28 . Het vers Lc 9,28 telt 22 (2 X 11) woorden en 111 letters . De getalwaarde van Lc 9,28 is 12977 (19 X 683) .
Lc 9,28.1.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai
(worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen
van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) ,
een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van
zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 9
(8) : (1) Lc
9,18 . (2) Lc
9,28 . (3) Lc
9,29 . (4) Lc
9,33 . (5) Lc
9,34 . (6) Lc
9,35 . (7) Lc
9,37 . (8) Lc
9,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 9 (10) : (1)
Lc 9,7 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
9,34 . (7) Lc
9,35 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,37 . (10) Lc
9,51 .
- egeneto de meta tous logous toutous = wajjëhî ´achar haddëbharîm
hâ´ellèh (en het gebeurde na deze woorden) . In vijf verzen
in de bijbel : (1) Gn 22,1 . (2) Gn 39,7 . (3) Gn 40,1 . (4) 1 K 17,17 . (5)
1 K 21,1 .
Lc 9,28.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,28-36 (3) : (1) Lc
9,28 . (2) Lc
9,32 . (3) Lc
9,34 .
Lc 9,28.3.
meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc 9 (2+ 0 + 1 = 3) . meta (2) : (2) Lc
9,28 . (2) Lc
9,39 . meth' (1) Lc
9,49 .
Lc 9,28.4.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
Lc 9,28.5. acc. mann. mv. logous van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 9,26 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,44 . Een vorm van logos (woord) in Lc in 33 verzen , in Lc 9 in 3 verzen .
Lc 9,28.6. acc. mann. mv. toutous van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (5) : (1) Lc 9,28 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 19,15 . (4) Lc 19,27 . (5) Lc 20,16 .
Lc 9,28.7.
hôsei (als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in het N.T. : hôsei
(als of , evenals, ongeveer) . Taalgebruik in Lc : hôsei
(als of , evenals, ongeveer) . Lc (8) : (1) Lc
3,23 . (2) Lc
9,14 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
22,41 . (5) Lc
22,44 . (6) Lc
22,59 . (7) Lc
23,44 . (8) Lc
24,11 .
Lc 9,28.8.
oktô (acht) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden
. Taalgebruik in Lc : telwoorden
. Lc (3) : (1) Lc
2,21 . (2) Lc
9,28 . (3) Lc
13,16 . De verheerlijking van Jezus (Mc
9,2-10 - Mt
17,1-9 - Lc
9,28-36) heeft plaats op de berg . Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex
24,16) . Toen Mozes de berg opging , was de berg gedurende zes dagen in
een wolk gehuld . De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen . Bij
de christenen was niet de zevende , maar de achtste dag de belangrijkste dag
. Marcus schrijft : kai meta hèmeras heks (na zes dagen) , Matteüs
schrijft ongeveer hetzelfde : kai meth'hèmeras heks (na zes dagen) .
En Lucas schrijft hôsei èmerai oktô : na deze woorden ongeveer
acht dagen (later) .
- sjesjèth jâmîm (gedurende zes dagen) . Tenach (14) . Pentateuch
(12) . Joz (2) . In de Pentateuch (12) : Ex (9) . Lv (1) . Dt (2) .
- bajjôm hasjëbhî`î (op de zevende dag) . Tenach (25)
. Pentateuch (17) . Gn (1) . Ex (4) . Lv (8) . Nu (4) .
Lc 9,28.9.
nom. vr. mv. hèmerai van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik
in het N.T. : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera
(dag) .
Lc (12) : (1) Lc
1,23 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
2,21 . (4) Lc
2,22 . (5) Lc
5,35 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
13,14 . (8) Lc
17,22 . (9) Lc
19,43 . (10) Lc
21,6 . (11) Lc
21,22 . (12) Lc
23,29 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 9 (7) : (1)
Lc 9,12
. (2) Lc
9,22 . (3) Lc
9,23 . (4) Lc
9,28 . (5) Lc
9,36 . (6) Lc
9,37 . (7) Lc
9,51 .
Lc 9,28.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,28.11. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud paralabôn (naast zich genomen) van het werkw. paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het N.T. : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Lc : paralambanô (overnemen) . Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen , aanvaarden ) . Fr. accepter , reçevoir . Lucas (3) : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,31 . Een vorm van paralambanô (overnemen) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 11,26 . (4) Lc 17,34 . (5) Lc 17,35 . (6) Lc 18,31 .
Lc 9,28.12.
acc. mann. enk. petron van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het
N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (4) : (1) Lc
6,14 . (2) Lc
8,51 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
22,8 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Lc 9,28.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,28.14. acc. mann. enk. Iôannèn van het zelfst. naamw. iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Lc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John . Lc (11) . Johannes de Doper (6) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 3,2 . (3) Lc 3,20 . (4) Lc 9,9 . (5) Lc 9,19 . (6) . Lc 20,6 . Johannes de apostel (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 22,8 . Een vorm van iôannès (Johannes) in Lc in 30 verzen , in Lc 9 in 6 verzen : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,9 . (3) Lc 9,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 9,49 . (6) Lc 9,54 .
Lc 9,28.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,28.16. acc. nom. enk. iakôbon van de eigennaam iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Lc : iakôbos (Jakobus) . Lc (5) : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 6,15 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,28 . Een vorm van iakôbos (Jakobus) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 5,10 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 6,15 . (4) Lc 6,16 . (5) Lc 8,51 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,54 . (8) Lc 24,10 .
Lc 9,28.17. act. ind. aor. 3de pers. enk. anebè (hij klom naar boven) van het werkw. anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) . Lc (3) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 19,4 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 18,31 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 24,38 . In Lc 7 vormen in 6 hoofdstukken .
Lc 9,28.18. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,4 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 9,28 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,51 . (12) Lc 9,52 . (13) Lc 9,53 . (14) Lc 9,56 . (15) Lc 9,61 . (16) Lc 9,62 .
17. - 18. Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) + eis (naar) in Lc in 5 / 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,10 . (4) Lc 18,31 . (5) Lc 19,28 .
Lc 9,28.19.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,17 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,42 . (6) Lc
9,45 . (7) Lc
9,46 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,51 . (10) Lc
9,53 .
Lc 9,28.20. nom. + acc. onz. enk. oros (berg) . Taalgebruik in N.T. : oros (berg) . Taalgebruik in Lc : oros (berg) . Lc (6) : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 21,37 . (6) Lc 22,39 . Een vorm van oros (berg) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 6,12 . (4) Lc 8,32 . (5) Lc 9,28 . (6) Lc 9,37 . (7) Lc 19,29 . (8) Lc 19,37 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 22,39 . (12) Lc 23,30 .
Lc 9,28.18. - 20. eis to oros (naar de berg) . Lc (4) : (1) Lc 6,12 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 21,37 . (4) Lc 22,39 . pros to oros (bij de berg) . Lc (1) Lc 19,29 .
Lc 9,28.21. inf. aor. proseuxasthai van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het N.T. : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 6,12 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,10 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Betekenis van Lc 9,28
Op een bijna identieke manier beschrijft Marcus het begin van het gebeuren in Getsemane of de hof van Olijven . Op deze wijze worden de taferelen van de verheerlijking en van de doodstrijd in de hof van Olijven naast elkaar geplaatst . Volgens Lucas hebben beide gebeurtenissen plaats op een berg in het kader van gebed , in contact met God . Een berg is een uitgelezen plaats voor de ontmoeting met God , vermits op de berg 'aarde' en 'hemel' elkaar raken . De berg opgaan betekent naar God gaan. Zo begrijpen we beter de uitdrukking van de evangelist Johannes : opgaan naar de Vader . Door beide taferelen als een tweeluik naast elkaar te plaatsen , worden lijden (en dood) en verrijzenis in elkaars verlengde geplaatst . Johannes zal zeggen dat de weg van het lijden en de dood een openbaring van Gods heerlijkheid is . Op de berg immers openbaart God zich . In deze context betekent bidden : zich bewust zijn van Gods aanwezigheid , gesluierd , omhuld , niet zichtbaar . Bij Mozes openbaart God zich door het geven van de tien geboden op twee stenen tafelen en van het verbondsboek . Bij Jezus openbaart God zich in wat aan Jezus gebeurt : zijn doodstrijd , zijn dood , zijn hemelvaart (en een wolk onttrok hem aan hun ogen) .
| Lc 9,29 - Lc 9,29 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] And as he prayed, the fashion of his countenance was
altered, and his raiment was white and glistering.
Luther-Bibel . 29 Und als er betete, wurde das Aussehen seines Angesichts anders,
und sein Gewand wurde weiß und glänzte.
Tekstuitleg van Lc 9,29 . Het vers Lc 9,29 telt 18 (2 X 3²) woorden en 96 (2³ X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Lc 9,29 is 13830 (2 X 3 X 5 X 461) .
Lc 9,29.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,29.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 9 (8) : (1) Lc 9,18 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,34 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 9 (10) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,34 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,37 . (10) Lc 9,51 .
Lc 9,29.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,29.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,16 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,29 . (4) Lc
9,33 . (5) Lc
9,34 . (6) Lc
9,36 . (7) Lc
9,42 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,49 . (10) Lc
9,51 .
Lc 9,29.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 9,29.5. act. inf. aor. proseuchesthai van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het N.T. : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 9,29 . (2) Lc 11,1 . (3) Lc 18,1 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
Lc 9,29.6. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,39 . (5) Lc 9,42 . (6) Lc 9,45 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,53 . (10) Lc 9,57 . (11) Lc 9,62 .
Lc 9,29.7.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,17 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,42 . (6) Lc
9,45 . (7) Lc
9,46 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,51 . (10) Lc
9,53 .
Lc 9,29.8.
nom. + acc. onz. enk. eidos (gezicht, gestalte) . Taalgebruik in het N.T. :
eidos
(gezicht, gestalte) . Taalgebruik in Lc : eidos
(gezicht, gestalte) .
Lc (1) Lc 9,29
. Een vorm van eidos (gezicht, gestalte) in Lc in 2 verzen : (1) Lc
3,22 . (2) Lc
9,29 .
Lc 9,29.9.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 9 (17) : (1) Lc
9,2 . (2) Lc
9,11 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,22 . (5) Lc
9,26 . (6) Lc
9,27 . (7) Lc
9,29 . (8) Lc
9,37 . (9) Lc
9,38 . (10) Lc
9,43 . (11) Lc
9,44 . (12) Lc
9,45 . (13) Lc
9,51 . (14) Lc
9,54 . (15) Lc
9,58 . (16) Lc
9,60 . (17) Lc
9,62 .
Lc 9,29.10. gen. onz. enk. prosôpou van het zelfst. naamw. prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in Lc : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lc (4) : (1) Lc 7,27 . (2) Lc 9,29 . (3) Lc 9,52 . (4) Lc 10,1 . Een vorm van prosôpon (aangezicht) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 2,31 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 7,27 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,51 . (6) Lc 9,52 . (7) Lc 9,53 . (8) Lc 10,1 . (9) Lc 12,56 . (10) Lc 17,16 . (11) Lc 20,21 . (12) Lc 21,35 . (13) Lc 24,5 .
Lc 9,29.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,29.12. nom. + acc. onz. enk. heteron van het bijvoegl. voornaamw. heteros (ander) . Taalgebruik in het N.T. : heteros (ander) . Taalgebruik in Lc : heteros (ander) . heteros , -a , -on (een van de twee) . Lat. uter , utra , utrum . Lc (7) : (1) Lc 8,6 . (2) Lc 8,7 . (3) Lc 8,8 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 16,13 . (7) Lc 20,11 .
Lc 9,29.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,29.14. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,21 . (3) Lc 9,26 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,32 . (6) Lc 9,33 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,41 . (9) Lc 9,42 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,47 . (12) Lc 9,48 . (13) Lc 9,50 . (14) Lc 9,58 . (15) Lc 9,59 . (16) Lc 9,62 .
Lc 9,29.15. nom. mann. enk. himatismos (kleed) . Taalgebruik in het N.T. : himatismos (kleed) . Taalgebruik in Lc : himatismos (kleed) .Lc (1) Lc 9,29 . Een vorm van himatismos (kleed) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 7,25 . (2) Lc 9,29 .
Lc 9,29.16. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,29.17. nom. mann. enk. leukos (wit) . Taalgebruik in het N.T. : leukos (wit) . Taalgebruik in Lc : leukos (wit) . Lc (1) Lc 9,29 . Dit is de enigste vorm in Lc
Lc 9,29.18. act. part. praes. nom. mann. enk. aspraptôn (uitstralend) van het werkw. exastraptô (uitstralen) . Taalgebruik in het N.T. : exastraptô (uitstralen) . Taalgebruik in Lc : exastraptô (uitstralen) . Lc (1) Lc 9,29 . Dit is de enigste vorm in het N.T. .
| Lc 9,30 - Lc 9,30 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] And, behold, there talked with him two men, which were
Moses and Elias:
Luther-Bibel . 30 Und siehe, zwei Männer redeten mit ihm; das waren Mose und
Elia.
Tekstuitleg van Lc 9,30 . Het vers Lc 9,30 telt 11 woorden en 55 (5 X 11) letters . De getalwaarde van Lc 9,30 is 6528 (2² X 2² X 2³ X 3 X 17) .
Lc 9,30.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,30.2. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Lc (55) . Lc 9 (3) : (1) Lc 9,30 . (2) Lc 9,38 . (3) Lc 9,39 .
Lc 9,30.3. nom. + voc. mann. mv. andres van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Lc : anèr (man) . Lc (8) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 7,20 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,30 . (5) Lc 11,32 . (6) Lc 17,12 . (7) Lc 22,63 . (8) Lc 24,4 . Een vorm van anèr (man) in Lc in 27 verzen , in Lc 9 in 4 verzen : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 9,38 .
Lc 9,30.1. - 3. kai idou andres (en zie mannen) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 24,4 : kai idou andres duo = en zie twee mannen . (4) Hnd 1,10 : kai idou andres duo = en zie twee mannen .
Lc 9,30.4. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 9 (5) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 9,30 . (5) Lc 9,32 .
Lc 9,30.5. act. ind. imperf. 3de pers. mv. sunelaloun van het werkw. sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in het N.T. : sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in Lc : sunlaleô (samenspreken) . Lc (2) : (1) Lc 4,36 . (2) Lc 9,30 . Een vorm van sunlaleô (samenspreken) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 4,36 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 22,4 .
Lc 9,30.6. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 9 (10) : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 9,12 . (4) Lc 9,18 . (5) Lc 9,30 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,52 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 .
Lc 9,30.7. nom. mann. mv. hoitines . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (4) : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 8,15 . (3) Lc 9,30 . (4) Lc 15,7 .
Lc 9,30.8. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 9,30.9. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Lc : môusès (Mozes) . Lc (4) : (1) Lc 5,14 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 20,28 . (4) Lc 20,37 . Een vorm van môusès (Mozes) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 5,14 . (3) Lc 9,30 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 16,29 . (6) Lc 16,31 . (7) Lc 20,28 . (8) Lc 20,37 . (9) Lc 24,27 . (10) Lc 24,44 .
Lc 9,30.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,30.11. nom. mann. enk. (h)èlias ( Elia) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios (zon) . Lc (3) : (1) Lc 4,26 . (2) Lc 9,8 . (3) Lc 9,30 . Een vorm van (h)èlios (zon / Elia) in 5 verzen : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 21,25 . (5) Lc 23,45 .
| Lc 9,31 - Lc 9,31 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] Who appeared in glory, and spake of his decease which
he should accomplish at Jerusalem.
Luther-Bibel . 31 Sie erschienen verklärt und redeten von seinem Ende, das er
in Jerusalem erfüllen sollte.
Tekstuitleg van Lc 9,31 . Het vers Lc 9,31 telt 13 woorden en 64 (2³ X 2³) letters . De getalwaarde van Lc 9,31 is 5207 (41 X 127) .
Lc 9,31.1. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,10 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,19 . (8) Lc 9,27 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,32 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 9,54 .
Lc 9,31.2. pass. part. aor. nom. mann. mv. ofthentes van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het N.T. : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (1) Lc 9,31 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,22 . (3) Lc 3,6 . (4) Lc 9,31 . (5) Lc 9,36 . (6) Lc 12,15 . (7) Lc 13,28 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 17,22 . (10) Lc 21,27 . (11) Lc 22,43 . (12) Lc 23,49 . (13) Lc 24,23 . (14) Lc 24,34 .
Lc 9,31.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,31.4. dat. vr. enk. doxè(i) van het zelfst. naamw. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het N.T. : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (3) : (1) Lc 9,26 . (2) Lc 9,31 . (3) Lc 12,27 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .
Lc 9,31.5.
act. ind. imperf. 3de pers. mv. elegon van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mt : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Lc (4) : (1) Lc
4,22 . (2) Lc
9,31 . (3) Lc
22,65 . (4) Lc
24,10 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 9 in 21 verzen : (1) Lc
9,9 . (2) Lc
9,12 . (3) Lc
9,13 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,19 . (6) Lc
9,20 . (7) Lc
9,22 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
9,41 . (10) Lc
9,43 . (11) Lc
9,48 . (12) Lc
9,49 . (13) Lc
9,50 . (14) Lc
9,54 . (15) Lc
9,55 . (16) Lc
9,57 . (17) Lc
9,58 . (18) Lc
9,60 . (19) . (20) Lc
9,61 . (21) Lc
9,62 ; van eipon (ik zei) in Lc 9 in 11 verzen : (1) Lc
9,7 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,21 . (5) Lc
9,23 . (6) Lc
9,27 . (7) Lc
9,31 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
9,34 . (10) Lc
9,35 . (11) Lc
9,38 . Totaal Lc 9 (21 + 11 = 33) .
Lc 9,31.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,31 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,34 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 . (11) Lc 9,62 .
Lc 9,31.7. acc. vr. enk. exodon van het zelfst. naamw. exodos (uittocht, uitweg) . Taalgebruik in het N.T. : exodos (uittocht, uitweg) . Taalgebruik in Lc : exodos (uittocht, uitweg) . Lc (1) Lc 9,31 . Dit is de enigste vorm in de evangelies .
Lc 9,31.8. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,31.9. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) OF betrekk. voornaamw. acc. vr. enk hèn . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (79) . Lc 9 (4) : (1) Lc 9,4 . (2) Lc 9,31 . (3) Lc 9,45 . (4) Lc 9,53 .
Lc 9,31.10. act. ind. imperf. Ede pers. enk. èmellen van het werkw. mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Taalgebruik in het N.T. : mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Taalgebruik in Lc : mellô (van plan zijn, op het punt staan) . Lc (4) : (1) Lc 7,2 . (2) Lc 9,31 . (3) Lc 10,1 . (4) Lc 19,4 . Een vorm van mellô (van plan zijn, op het punt staan) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 7,2 . (3) Lc 9,31 . (4) Lc 9,44 . (5) Lc 10,1 . (6) Lc 13,9 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,11 . (9) Lc 20,36 . (10) Lc 21,7 . (11) Lc 21,36 . (12) Lc 22,23 . (13) Lc 24,21 .
Lc 9,31.11. act. inf. praes. plèroun van het werkw. plèroô (vervullen) . Taalgebruik in het N.T. : plèroô (vervullen) . Taalgebruik in Lc : plèroô (vervullen) . Lc (1) Lc 9,31 . Een vorm van plèroô (vervullen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 1,20 . (2) Lc 2,40 . (3) Lc 3,5 . (4) Lc 4,21 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 21,24 . (8) Lc 22,16 . (9) Lc 24,44 .
Lc 9,31.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,31.13. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 9 (3) : (1) Lc 9,31 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 9,53 .
| Lc 9,32 - Lc 9,32 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] But Peter and they that were with him were heavy with
sleep: and when they were awake, they saw his glory, and the two men that stood
with him.
Luther-Bibel . 32 Petrus aber und die bei ihm waren, waren voller Schlaf. Als
sie aber aufwachten, sahen sie, wie er verklärt war, und die zwei Männer, die
bei ihm standen.
Tekstuitleg van Lc 9,32 . Het vers Lc 9,32 telt 23 woorden en 113 letters . De getalwaarde van Lc 9,32 is 14691 (3 X 59 X 83) .
Lc 9,32.1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,21 . (3) Lc 9,26 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,32 . (6) Lc 9,33 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,41 . (9) Lc 9,42 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,47 . (12) Lc 9,48 . (13) Lc 9,50 . (14) Lc 9,58 . (15) Lc 9,59 . (16) Lc 9,62 .
Lc 9,32.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,28-36 (3) : (1) Lc
9,28 . (2) Lc
9,32 . (3) Lc
9,34 .
Lc 9,32.3.
nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik
in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Lc 9,32.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,32.5. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,10 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 9,13 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,19 . (8) Lc 9,27 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,32 . (11) Lc 9,45 . (12) Lc 9,54 .
Lc 9,32.6. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 .
Lc 9,32.7. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 9 (10) : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 9,12 . (4) Lc 9,18 . (5) Lc 9,30 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,52 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 .
Lc 9,32.8. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 9,32.9. pass. part. perf. nom. mann. mv. bebarèmenoi van het werkw. bareomai (bezwaren) . Taalgebruik in het N.T. : bareomai (bezwaren) . Taalgebruik in Lc : bareomai (bezwaren) . Lc (1) Lc 9,32 . Een vorm van bareomai (bezwaren) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 9,32 . (2) Lc 21,34 .
Lc 9,32.10. dat. mann. enk. hupnô(i) van het zelfst. naamw. hupnos (slaap) . Taalgebruik in het N.T. : hupnos (slaap) . Taalgebruik in Lc : hupnos (slaap) . Lc (1) Lc 9,32 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 9,32.11. act. part. aor. nom. mann. mv. diagrègorèsantes (ontwaakt) van het werkw. diagrègoreô (ontwaken) . Lc Lc 9,32.. Dit is de enigste vorm in het N.T. .
Lc 9,32.12.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Lc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc
9,28-36 (3) : (1) Lc
9,28 . (2) Lc
9,32 . (3) Lc
9,34 .
Lc 9,32.13. act. ind. aor. 3de pers. mv. eidon (zij zagen) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (5) : (1) Lc 2,20 . (2) Lc 2,30 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 19,37 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van eiden (hij zag) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 9,47 . (5) Lc 9,49 . (6) Lc 9,54 .
Lc 9,32.14. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (149) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) . (4) Lc 9,27 . (5) Lc 9,31 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,34 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 . (11) Lc 9,62 .
Lc 9,32.15. acc. vr. enk. doxan van het zelfst. naamw. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het N.T. : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Lc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (5) : (1) Lc 2,32 . (2) Lc 4,6 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 17,18 . (5) Lc 24,26 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 .
Lc 9,32.16. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,32.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,32.18.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc
9,1 . (2) Lc
9,2 . (3) Lc
9,11 . (4) Lc
9,14 . (5) Lc
9,16 . (6) Lc
9,26 . (7) Lc
9,28 . (8) Lc
9,32 . (9) Lc
9,43 . (10) Lc
9,44 . (11) Lc
9,60 .
Lc 9,32.19. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 9 (5) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . (4) Lc 9,30 . (5) Lc 9,32 .
Lc 9,32.20. acc. mann. mv. andras van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Lc : anèr (man) . Lc (1) Lc 9,32 . Een vorm van anèr (man) in Lc in 27 verzen , in Lc 9 in 4 verzen : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 9,32 . (4) Lc 9,38 .
Lc 9,32.21. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (98) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,2 . (3) Lc 9,11 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,16 . (6) Lc 9,26 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,43 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,60 .
Lc 9,32.22. act. part. aor. acc. mann. mv. sunestôtas van het werkw. sunistèmi (samen stellen, bij elkaar staan) . Taalgebruik in het N.T. : sunistèmi (samen stellen, bij elkaar staan) . Taalgebruik in Lc : sunistèmi (samen stellen, bij elkaar staan) . Lc (1) Lc 9,32 . Dit is de enigste vorm in de evangelies .
Lc 9,32.23. dat. mann. + onz. enk. autô(i) van het persoonl. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (144) . Lc 9 (10) : (1) Lc 9,10 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 9,12 . (4) Lc 9,18 . (5) Lc 9,30 . (6) Lc 9,32 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,52 . (9) Lc 9,58 . (10) Lc 9,60 .
| Lc 9,33 - Lc 9,33 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] And it came to pass, as they departed from him, Peter
said unto Jesus, Master, it is good for us to be here: and let us make three
tabernacles; one for thee, and one for Moses, and one for Elias: not knowing
what he said.
Luther-Bibel . 33 Und es begab sich, als sie von ihm schieden, da sprach Petrus
zu Jesus: Meister, hier ist für uns gut sein! Lasst uns drei Hütten bauen, dir
eine, Mose eine und Elia eine. Er wusste aber nicht, was er redete.
Tekstanalyse van Lc 9,33 . Het vers Lc 9,33 telt 36 (2² X 3²) woorden en 163 letters . De getalwaarde van Lc 9,33 is 16701 (3 X 19 X 293) .
Lc 9,33.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,33.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 9 (8) : (1) Lc 9,18 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,34 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 9 (10) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,34 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,37 . (10) Lc 9,51 .
Lc 9,33.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 9 (13) : (1) Lc
9,12 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,26 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,31 . (6) Lc
9,33 . (7) Lc
9,34 . (8) Lc
9,36 . (9) Lc
9,46 . (10) Lc
9,48 . (11) Lc
9,49 . (12) Lc
9,51 . (13) Lc
9,57 .
Lc 9,33.4.
bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho ,
hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (154) . Lc 9 (10) : (1) Lc
9,16 . (2) Lc
9,18 . (3) Lc
9,29 . (4) Lc
9,33 . (5) Lc
9,34 . (6) Lc
9,36 . (7) Lc
9,42 . (8) Lc
9,48 . (9) Lc
9,49 . (10) Lc
9,51 .
Lc 9,33.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 9,33.5. mediaal + passief inf. praes. diachôrizesthai van het werkw. diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . < dia - chôra (plaats) . Hebr. pârad (uitspreiden, scheiden) . Taalgebruik in Tenach : pârad (uitspreiden, scheiden) . Lat. discedere (dis - cadere = uiteen-vallen) . Ned. scheiden . Lc (1) Lc 9,33 . Dit is de enigste vorm in het N.T. en in de bijbel . Hebr. hifil imperf. (jaqtîl) 3de pers. mv. wajjaphëridû (en zij maakten een scheiding tussen) OF nifal imperf. 3de pers. mv. wajjiphphârëdû (en zij werden gescheiden) van het werkw. pârad (uitspreiden, scheiden) . Taalgebruik in Tenach : pârad (uitspreiden, scheiden) . Tenach (2) : (1) Gn 13,11 (nifal) . (2) 2 K 2,11 (hifil) . LXX : pass. ind. aor. 3de pers. mv. diechôristhèsan (zij werden gescheiden) van het werkw. diachôrizô (uiteenplaatsen , zich verwijderen) . < dia - chôra (plaats) . LXX (3) : (1) Gn 13,11 . (2) 2 S 1,23 . (3) Sir 33,8 . In 2 K 2,11 wordt niet een werkw. van diachronizô , maar van diastellô (uiteensturen, uiteenzenden) . In Lc 9,33 verwijderen Mozes en Elia zich van Jezus . In 2 K 2,11 werden Elia en Elisa van elkaar verwijderd .
Lc 9,33.6. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 9 (12) : (1) Lc 9,2 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 9,5 . (4) Lc 9,10 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,14 . (8) Lc 9,16 . (9) Lc 9,18 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,34 . (12) Lc 9,54 .
Lc 9,33.7.
apo (af, van-weg) . afkorting ap' of af' . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc 1 (3 + 3 = 6) . apo . Lc (73) . Lc 9
Lc 9,33.8. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,33.9. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 9 () . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 9 in ; van eipon (ik zei) in Lc 9 in
Lc 9,33.10. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,21 . (3) Lc 9,26 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,32 . (6) Lc 9,33 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,41 . (9) Lc 9,42 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,47 . (12) Lc 9,48 . (13) Lc 9,50 . (14) Lc 9,58 . (15) Lc 9,59 . (16) Lc 9,62 .
Lc 9,33.11.
nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik
in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Lc 9,33.12. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 9 (11) : (1) Lc 9,3 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,23 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,41 . (7) Lc 9,43 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 9,57 . (10) Lc 9,59 . (11) Lc 9,62 .
Lc 9,33.13. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,5 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,16 . (5) Lc 9,19 . (6) Lc 9,20 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,23 . (9) Lc 9,25 . (10) Lc 9,33 . (11) Lc 9,38 . (12) Lc 9,41 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,47 . (15) Lc 9,48. (16) Lc 9,59 . (17) Lc 9,61 .
Lc 9,33.14.
acc. mann. enk. ièsoun van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik
in N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous
(Jezus) .
Lc (14) : (1) Lc
1,31 . (2) Lc
2,27 . (3) Lc
5,12 . (4) Lc
7,4 . (5) Lc
8,28 . (6) Lc
8,35 . (7) Lc
8,40 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
10,29 . (10) Lc
19,3 . (11) Lc
19,35 . (12) Lc
23,8 . (13) Lc
23,20 . (14) Lc
23,25 . Een vorm van ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen .
Lc 9,33.15. voc. mann. enk. epistata van het zelfst. naamw. epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in het N.T. : epistatès (bijstaander, meester) . Taalgebruik in Lc : epistatès (bijstaander, meester) . Lc (6) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 8,24 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,49 . (6) Lc 17,13 . Dit is de enigste vorm in Lc en de bijbel .
Lc 9,33.17. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 9 (7) : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,33 . (3) Lc 9,35 . (4) Lc 9,38 . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,50 . (7) Lc 9,62 .
Lc 9,33.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,33.22.
act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw.
poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô
(doen, maken) .
Lc (4) : (1) Lc
3,10 . (2) Lc
3,12 . (3) Lc
3,14 . (4) Lc
9,33 . Een vorm van poièô (doen) in Lc 9 in 5 verzen : (1)
Lc 9,10
. (2) Lc
9,15 . (3) Lc
9,33 . (4) Lc
9,43 . (5) Lc
9,54 .
Lc 9,33.27. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,33.30. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 9 (+ 44 / 62 . - 18 / 62) . Lc 9,28-36 (+ 8 / 9 . - 1 / 9 : Lc 9,31 ) .
Lc 9,33.35. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk ho (dat) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) . Lc 9 (16) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,21 . (3) Lc 9,26 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,32 . (6) Lc 9,33 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,41 . (9) Lc 9,42 . (10) Lc 9,44 . (11) Lc 9,47 . (12) Lc 9,48 . (13) Lc 9,50 . (14) Lc 9,58 . (15) Lc 9,59 . (16) Lc 9,62 .
| Lc 9,34 - Lc 9,34 : 168. Verheerlijking van Jezus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 9 -- taalgebruik -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -- Lc 9,28 - Lc 9,29 - Lc 9,30 - Lc 9,31 - Lc 9,32 - Lc 9,33 - Lc 9,34 - Lc 9,35 - Lc 9,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] While he thus spake, there came a cloud, and overshadowed
them: and they feared as they entered into the cloud.
Luther-Bibel . 34 Als er aber dies redete, kam eine Wolke und überschattete
sie; und sie erschraken, als sie in die Wolke hineinkamen.
Tekstanalyse van Lc 9,34 . Het vers Lc 9,34 telt 18 (2 X 3²) woorden en 99 (3² X 11) letters . De getalwaarde van Lc 9,34 is 10256 (2² X 2² X 641) .
Lc 9,34.1. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Taalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 9 (1) Lc 9,34 .
Lc 9,34.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Taalgebruik in Hnd : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Lc (478 + 5 = 483) . Lc 9 (36 + 1 = 37) . Lc 9,28-36 (3) : (1) Lc 9,28 . (2) Lc 9,32 . (3) Lc 9,34 .
Lc 9,34.1.
- 2. tauta de (die dingen echter . Lc (2) : (1) Lc
9,34 . (2) Lc
24,36 .
- Lc 9,34
: tauta de autou legontos = terwijl hij echter die dingen zegt .
- Lc 24,36
: tauta de autôn lalountôn = terwijl zij echter die dingen spraken
.
de auta (echter die dingen) : Lc (5) : (1) Lc
7,9 . (2) Lc
10,1 . (3) Lc
16,14 . (4) Lc
18,4 . (5) Lc
18,22 . akousas de tauta (die dingen echter gehoord) : Lc (2) : (1) Lc
7,9 . (2) Lc
18,22 . èkouon de tauta (zij hoorden echter die dingen) : Lc (1)
Lc 16,14
. meta de tauta (na die dingen echter) . Lc (2) : (1) Lc
10,1 . (2) Lc
18,4 .
Lc 9,34.3. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 9 (17) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 9,23 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 9,26 . (5) Lc 9,27 . (6) Lc 9,29 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,32 . (9) Lc 9,33 . (10) Lc 9,34 . (11) Lc 9,35 . (12) Lc 9,39 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,43 . (15) Lc 9,51 . (16) Lc 9,52 . (17) Lc 9,53 .
Lc 9,34.4. act. part. praes. gen. mann. enk. legontos van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (2) : (1) Lc 9,34 . (2) Lc 13,17 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 9 in 21 verzen : (1) Lc 9,9 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,19 . (6) Lc 9,20 . (7) Lc 9,22 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 9,41 . (10) Lc 9,43 . (11) Lc 9,48 . (12) Lc 9,49 . (13) Lc 9,50 . (14) Lc 9,54 . (15) Lc 9,55 . (16) Lc 9,57 . (17) Lc 9,58 . (18) Lc 9,60 . (19) . (20) Lc 9,61 . (21) Lc 9,62 ; van eipon (ik zei) in Lc 9 in 11 verzen : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,21 . (5) Lc 9,23 . (6) Lc 9,27 . (7) Lc 9,31 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 9,34 . (10) Lc 9,35 . (11) Lc 9,38 . Totaal Lc 9 (21 + 11 = 33) .
Lc 9,34.5. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 9 (8) : (1) Lc 9,18 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 9,29 . (4) Lc 9,33 . (5) Lc 9,34 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 9,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 9 (10) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 9,18 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 9,34 . (7) Lc 9,35 . (8) Lc 9,36 . (9) Lc 9,37 . (10) Lc 9,51 .
Lc 9,34.6. nom. vr. enk. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Lc : nefelè (nevel, wolk) . Lc (2) : (1) Lc 9,34 . (2) Lc 21,27 . Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Lc in 4 verzen : (1)