- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
Overzicht van het lucasevangelie : Lc
1 - Lc
2 - Lc
3 - Lc
4 - Lc
5 - Lc 6
- Lc 7
- Lc 8
- Lc 9
- Lc 10
- Lc 11
- Lc 12
- Lc 13
- Lc 14
- Lc 15
- Lc 16
- Lc 17
- Lc 18
- Lc 19
- Lc 20
- Lc 21
- Lc 22
- Lc 23
- Lc 24
-
Tekstuitleg per perikope : - Lc
12,1 - Lc
12,2-7 - Lc
12,2-3 - Lc
12,4-5 - Lc
12,8-9 - Lc
12,10 - Lc
12,11-12 - Lc
12,13-15 - Lc
12,13b - Lc
12,16-21 - Lc
12,22-32 - Lc
12,33-34 - Lc
12,35-38 - Lc
12,39-40 - Lc
12,41-46 - Lc
12,47-48 - Lc
12,49-53 - Lc
12,54-56 - Lc
12,57-59 - Lc
12,2 -
Uitleg vers per vers :
- Lc
12,1 - Lc
12,2 - Lc
12,3 - Lc
12,4 - Lc
12,5 - Lc
12,6 - Lc
12,7 - Lc
12,8 - Lc
12,9 - Lc
12,10 - Lc
12,11 - Lc
12,12 - Lc
12,13 - Lc
12,14 - Lc
12,15 - Lc
12,16 - Lc
12,17 - Lc
12,18 - Lc
12,19 - Lc
12,20 - Lc
12,21 - Lc
12,22 - Lc
12,23 - Lc
12,24 - Lc
12,25 - Lc
12,26 - Lc
12,27 - Lc
12,28 - Lc
12,29 - Lc
12,30 - Lc
12,31 - Lc
12,32 - Lc
12,33 - Lc
12,34 - Lc
12,35 - Lc
12,36 - Lc
12,37 - Lc
12,38 - Lc
12,39 - Lc
12,40 - Lc
12,41 - Lc
12,42 - Lc
12,43 - Lc
12,44 - Lc
12,45 - Lc
12,46 - Lc
12,47 - Lc
12,48 - Lc
12,49 - Lc
12,50 - Lc
12,51 - Lc
12,52 - Lc
12,53 - Lc
12,54 - Lc
12,55 - Lc
12,56 - Lc
12,57 - Lc
12,58 - Lc
12,59 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
Woordenschat
- pôleô
(verkopen) , zie Lc
12,33 .
- prosechô (bijhebben, bijhouden),
zie Lc 12,1
.
Bibliografie Lc
12,13-21
Literatuur .
Liturgisch gebruik
- Lc
12,13-21 :
- Lc
12,35-40 : 19de
(negentiende) zondag door het c-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het twaalfde hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
205. Het zuurdeeg van de Farizeeën : Lc 12,1 // (Mt 16,6) // (Mc 8,15)
- Lc 12,1
- Mt
16,5-12 - Mc
8,14-21 -
206. Belijden zonder vrees : Lc 12,2-7 // (Mt 10,26-31) - Lc
12,2-7 - Mt
10,26-31-
207. Belijdenis en verloochening : Lc 12,8-9 // (Mt 10,32-33) - Lc
12,8-9 -
208. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Lc 12,10 // (Mc 3,29) //
Mt 12,32 - Lc
12,10 - Mc
3,28-30 - Mt
12,31-32 -
209. De Geest zorgt voor je verdediging : Lc
12,11-12 - Mt
10,17-23
210. Vermaning tegen hebzucht : Lc
12,13-15
211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 - Lc
12,16-21 -
212. Aardse zorgen : Lc 12,22-32 // ( Mt 6,25-34 ) - Lc
12,22-32 - Mt
6,25-34 -
213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen : Lc
12,33-34 - Mt
6,19-21
214. De waakzame dienaren : Lc 12,35-38 - Lc
12,35-38 -
215. De waakzame huisheer : Lc 12,39-40 // (Mt 24,42-44) - Lc
12,39-40 - Mt
24,42-44 -
216. De trouwe en verstandige huishouder : Lc 12,41-46 //(Mt 24,45-51) - Lc
12,41-46 - Mt
24,45-51 -
217. De dienaar ter verantwoording geroepen : Lc 12,47-48 - Lc
12,47-48 -
218. Jezus'zending bron van verdeeldheid : Lc
12,49-53 - Mt
10,34-36
219. Tekenen des tijds : Lc 12,54-56 // (Mt 16,2-3) - Lc
12,54-56 - Mt
16,1-4 -
220. Verzoening en gerecht : Lc 12,57-59 // (Mt 5,25-26) - Lc
12,57-59 - Mt
5,25-26 -
| Lc 12,1 - Lc 12,1 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] In the mean time, when there were gathered together
an innumerable multitude of people, insomuch that they trode one upon another,
he began to say unto his disciples first of all, Beware ye of the leaven of
the Pharisees, which is hypocrisy.
Luther-Bibel . 12 1 Unterdessen kamen einige tausend Menschen zusammen, sodass
sie sich untereinander traten. Da fing er an und sagte zuerst zu seinen Jüngern:
Hütet euch vor dem Sauerteig der Pharisäer, das ist die Heuchelei.
Tekstuitleg van Lc 12,1 .
episunagô : bijeendrijven (bij - een - drijven), opeenhopen (op - een),
verzamelen (samen)
murias, -ados : 10.000 . Het is hier overdrachtelijk gebruikt: ontelbaar
Losse genitief : toen een ontelbare menigte zich opeenhoopte (zich verzamelde
/ te hoop liep) )
katapateô : neer-trappen , onder de voet lopen (zodat zij elkaar onder
de voet liepen)
- prosechô (bijhebben,
bijhouden). Zichzelf bijhouden , bij zich houden. Denk aan gauwdieven
op straat : alert zijn voor, zich hoeden voor. Verwijzing : prosechô
(bijhebben, bijhouden), zie Lc
12,1 . Hoed je voor het zuurdeeg: de allesdoordringende kracht, de energie
die in het geheim werkt, de invloed die zich meester maakt van enz.
hupocrisis : hypcrisis = hypocrisie , huichelarij; onder het oordeel van , beoordeling,
criterium,
| 1ste element | 2de element | 3de element | 4de element | 5de element | 6de element | 7de element | 8ste element |
| Lc 12,2a - Lc 12,2-3 - | Lc 12,2b | Lc 12,2c | Lc 12,2d | Lc 12,3a | Lc 12,3b | Lc 12,3c | Lc 12,3d |
| kai (en) | anth'hôn (omwille van die dingen - daarom) | kai (en) | |||||
| ouden (niets) | ho (wat) | ho (wat) | hosa (wat) | ho (wat) | |||
| de (echter) | |||||||
| en tèi skotiai (in de duisternis) | en tôi fôti (in het licht) | pros to ous (in het oor) | |||||
| ouk | ou (niet) | ||||||
| sugkekalummenon estin (is helemaal bedekt) | apokalufthèsetai (wat niet ontdekt zal worden) | krupton (verborgen) | gnôsthèsetai (zal gekend / geweten worden) | eipate (zegt) | akousthèsetai (zal gehoord worden) | elalèsate (fluistert) | kèruchthèsetai (zal verkondigd worden) epi tôn dômatôn (op de daken) |
| 4 woorden; 11 lettergrepen | 3 woorden; 9 lettergrepen | 2 woorden; 3 lettergrepen | 3 woorden, 6 lettergrepen | 7 woorden; 12 lettergrepen | 4 woorden; 9 lettergrepen | 6 woorden; 10 lettergrepen | 1 woord; 5 lettergrepen |
| 206. Belijden zonder vrees : Lc 12,2-7 // (Mt 10,26-31) | Totaal : 12 woorden; 29 lettergrepen | 18 woorden; 36 lettergrepen |
tamieion : kamer ; doma (zie Latijnse domus) huis, dak van het huis
Lc 12,2-3 bestaat uit vier zinnen, telkens bestaande uit een
hoofd- en een bijzin. Het bestaat dus uit acht onderdelen, elementen. Telkens
is er een tegenstelling tussen de hoofdzin en de bijzin. In Lc 12,2 staat de
hoofdzin voorop en volgt de bijzin. In Lc 12,3 staat de bijzin voorop en volgt
de hoofdzin. In Lc 12,2 staat een dubbele ontkenning ouden... ou (niets... niet),
dat een sterke positieve bevestiging geeft. De zin eindigt telkens met een futurum
passief (toekomstige tijd passief).
| Lc 12,2 - Lc 12,2 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : niets echter is (met iets) bedekt wat niet zal ontdekt
worden en verborgen wat niet zal geweten worden .
King James Bible . [2] For there is nothing covered, that shall not be revealed;
neither hid, that shall not be known.
Luther-Bibel . 2 Es ist aber nichts verborgen, was nicht offenbar wird, und
nichts geheim, was man nicht wissen wird.
Tekstuitleg van Lc
12,2 . Lc
12,2 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen , die met elkaar verbonden
zijn met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . De twee zinnen zijn mooi parallel
opgebouwd : hoofdzin - bijzin ; onderwerp , werkwoord , onderwerp , werkwoord
; ouden ... ho ouk (niets ... wat niet) . sugkekalummenon ... apokalufthèsetai
: gemeenschappelijk werkwoord is kaluptô (bedekken) , telkens met een
voorvoegsel sug- (met iets bedekken) , apo- (ont-dekken) . In de hoofdzin staat
estin achter het perfectum deelwoord wellicht omdat anders de (echter) en estin
(is) op elkaar zouden volgen . Bij de tweede nevenschikkende zin wordt ouden
estin (niets is) verondersteld . Lc
12,2 bestaat uit 7 + 5 = 12 woorden en 20 + 9 = 29 lettergrepen . Men vermoedt
dat het partikel de (echter) en het voorvoegsel sug (van sun-) redactiewerk
van Lucas is . Omdat ouden estin (niets is) in de tweede nevenschikkende zin
verondersteld wordt , zou estin (is) vóór kekalummenon (verborgen)
hebben gestaan . Zo zou het oorspronkelijke Q-woord zijn : ouden estin kekalummenon
ho ouk apokalufthèsetai kai krupton ho ou gnôthèsetai :
niets is bedekt wat niet ontdekt zal worden en verborgen wat niet geweten zal
worden . M.a.w. alles komt uit en alles wordt gekend / geweten . Dan bestaat
het gezegde uit 6 + 5 = 11 woorden en 18 (2 X 9) + 9 = 27 lettergrepen .
Zo'n gezegde is een algemene wijsheid en kan op verschillende situaties betrokken
worden . In Lc
12,1 is de hypocrisie (de schijnheiligheid) van de Farizeeën de situatie
. Het algemeen gezegde wordt aangehaald om de Farizeeën te ontmaskeren
en geen vrees voor hen te hebben . Wie de Farizeeën in feite zijn , komt
toch uit , zal toch geweten worden . Vandaar dat kleine partikeltje de (echter)
, door mij weergegeven door 'toch' .
ouden (niets - oude hen = niet iets) komt
in 10 verzen bij Matteüs voor. Als onderwerp met deze werkwoordvorm is
het enig. Bij Lucas in 12 verzen. Als onderwerp met deze werkwoordvorm is het
enig. Wel sterk gelijkend is Lc 18,34.
estin kekalummenon (is verborgen) hier in Mt 10,26 en 2X in
2 Cor 4,3. apokalèfthèsetai (zal geopenbaard worden) komt in 7
verzen in de bijbel voor; in 3 verzen bij Ezechiël, in 1 bij Hosea. In
3 verzen in het Nieuwe Testament: in 1 vers bij Matteüs, in 1 bij Lucas
en in 1 in 2 Thes 2,8.
krupton (verborgen) komt in 6 verzen in de bijbel voor. In
het O.T. in 2 vrezen, in het N.T. in Mt 10,26, in Mc 4,22, in Lc 8,17 en in
Lc 12,2.
gnôsthèsetai (zal gekend worden) komt in 16 vrezen
in de bijbel voor. In het O.T. in 12 verzen. In Mt 10,26, in Lc 12,2 en in 2
verzen in 1 Cor 14.
Lc 12,3 bestaat eveneens uit twee nevenschikkende zinnen, die elk bestaat uit
een betrekkelijke bijzin en een hoofdzin. Na het algemene principe in Lc 12,2
volgt nu een concrete toepassing voor de leerlingen (tweede persoon meervoud
in de bijzinnen; anth'hôn : daarom). De vier zinnen eindigen met het werkwoord,
behalve in de laatste zin waar de bepaling het werkwoord nog versterkt. De werkwoorden
in de hoofdzin staat in het futurum passief, zoals de werkwoorden van de bijzinnen
in Lc 12,2. De twee zinnen komen als een algemene wijsheid over maar worden
hier door Lucas op de leerlingen toegepast. De algemene wijsheid is : zeg aan
iemand iets dat hij niet mag voortvertellen en hij zal het uitbazuinen; wat
je onder vier ogen vertelt, zal uitgebazuind worden; wat je vertrouwelijk zegt,
zal aan de grote klok gehangen worden. Zoals Jezus zullen de leerlingen wellicht
in beperkte en besloten kring gebracht hebben. Maar die verkondiging krijgt
wereldwijde weerklank. De toepassing van wat de leerlingen zeggen, vertellen,
moet wellicht te maken hebben met de ontmaskering van de Farizeeën.
De verbinding van Lc 12,2 en Lc 12,3 stemt mooi met elkaar overeen: betrekkelijke
bijzin - hoofdzin; futurum passief op het einde.
Een parallel van Lc 12,2 is te vinden in Lc 8,17
| Lc 12,2a - Lc 12,2-3 - | Lc 12,2b - Lc 12,2-3 - | Lc 12,2c - Lc 12,2-3 - | Lc 12,2d - Lc 12,2-3 - | Lc 8,17a - Lc 8,16-17 - | Lc 8,17b - Lc 8,16-17 - | Lc 8,17c - Lc 8,16-17 - | Lc 8,17d - Lc 8,16-17 - |
| kai (en) | |||||||
| ouden (niets) | ho (wat) | ho (wat) | ou (niet) | ho (wat) | oude (noch) | ho (wat) | |
| de (echter) | gar (immers) | ||||||
| ouk | ou (niet) | ou (niet) | ou mè (niet) | ||||
| sugkekalummenon estin (is helemaal bedekt) | apokalufthèsetai (wat niet ontdekt zal worden) | krupton (verborgen) | gnôsthèsetai (zal gekend worden) | estin krupton (is verborgen) | faneron genèsetai (openbaar zal worden) | apokrufon (verborgen) | gnôsthèi kai eis faneron elthèi (gekend wordt en in het openbaar komt) |
| 206. Belijden zonder vrees : Lc 12,2-7 // (Mt 10,26-31) |
Een parallel van Lc 12,3 met Mt 10,26
| Lc 12,3a - Lc 12,2-3 - | Lc 12,3b - Lc 12,2-3 - | Lc 12,3c - Lc 12,2-3 - | Lc 12,3d - Lc 12,2-3 - | Mt 10,26a - Mt 10,26-27 - | Mt 10,26b - Mt 10,26-27 - | Mt 10,26c - Mt 10,26-27 - | Mt 10,20d - Mt 10,26-27 - | Ev. de Thomas, 33 | |
| anth'hôn (omwille van die dingen - daarom) | kai (en) | kai (en) | Ce que | ||||||
| hosa (wat) | ho (wat) | ho (wat) | ho (wat) | ||||||
| en tèi skotiai (in de duisternis) | en tôi fôti (in het licht) | pros to ous (in het oor) | eis to ous (in het oor) | ||||||
| eipate (zegt) | akousthèsetai (zal gehoord worden) | elalèsate (fluistert) | kèruchthèsetai (zal verkondigd worden) epi tôn dômatôn (op de daken) | legô (ik zeg) | eipate (zegt - het) | akouete (hoort) | kèruxate (verkondigt het) epi tôn dômatôn (op de daken) | tu entends | dis-le (zeg het ) proclame-le (verkondig het) |
| humin (jullie) | |||||||||
| en tèi skotiai (in de duisternis) | en tôi fôti (in het licht) | d'une oreille | a une autre oreille (aan een ander oor) (sur les toits (op de daken) | ||||||
| 7 woorden; 12 lettergrepen | 4 woorden; 9 lettergrepen | 6 woorden; 10 lettergrepen | 1 woord; 5 lettergrepen | ||||||
| 18 woorden; 36 lettergrepen |
| Lc 12,3 - Lc 12,3 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] Therefore whatsoever ye have spoken in darkness shall
be heard in the light; and that which ye have spoken in the ear in closets shall
be proclaimed upon the housetops.
Luther-Bibel . 3 Darum, was ihr in der Finsternis sagt, das wird man im Licht
hören; und was ihr ins Ohr flüstert in der Kammer, das wird man auf den Dächern
predigen.
Tekstuitleg van Lc 12,3 .
| Lc 12,4 - Lc 12,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] And I say unto you my friends, Be not afraid of them
that kill the body, and after that have no more that they can do.
Luther-Bibel . 4 Ich sage aber euch, meinen Freunden: Fürchtet euch nicht vor
denen, die den Leib töten und danach nichts mehr tun können.
Tekstuitleg van Lc 12,4 .
| Lc 12,5 - Lc 12,5 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] But I will forewarn you whom ye shall fear: Fear him,
which after he hath killed hath power to cast into hell; yea, I say unto you,
Fear him.
Luther-Bibel . 5 Ich will euch aber zeigen, vor wem ihr euch fürchten sollt:
Fürchtet euch vor dem, der, nachdem er getötet hat, auch Macht hat, in die Hölle
zu werfen. Ja, ich sage euch, vor dem fürchtet euch.
Tekstuitleg van Lc 12,5 .
| Lc 12,4a - Lc 12,4-5 - | Lc 12,5a | Lc 12,5c |
| nai (ja) | ||
| legô (ik zeg) | hupodeixô (ik zal aanwijzen) | legô (ik zeg) |
| de (echter) | ||
| humin tois filois mou (jullie, mijn vrienden) | humin (jullie) | humin (jullie) |
| tina (wie) | touton (die) | |
| fobèthète (jullie moeten vrezen) | fobèthète (jullie moeten vrezen) | |
| fobèthète (jullie moeten vrezen) | ||
| mè fobèthète ... (vreest niet) | ||
| 206. Belijden zonder vrees : Lc 12,2-7 // (Mt 10,26-31) |
| Lc 12,6 - Lc 12,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] Are not five sparrows sold for two farthings, and not
one of them is forgotten before God?
Luther-Bibel . 6 Verkauft man nicht fünf Sperlinge für zwei Groschen? Dennoch
ist vor Gott nicht einer von ihnen vergessen.
Tekstuitleg van Lc 12,6 .
| Lc 12,7 - Lc 12,7 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] But even the very hairs of your head are all numbered.
Fear not therefore: ye are of more value than many sparrows.
Luther-Bibel . 7 Aber auch die Haare auf eurem Haupt sind alle gezählt. Darum
fürchtet euch nicht; ihr seid besser als viele Sperlinge.
Tekstuitleg van Lc 12,7 .
11. ind. + imperat. praes. 2de pers. mv. fobeisthe (vreest) van het werkw.
fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het N.T.
: fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (2) : (1) Lc
2,10 . (2) Lc
12,7 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
in Lc in 21 verzen .
| Lc 12,8 - Lc 12,8 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] Also I say unto you, Whosoever shall confess me before
men, him shall the Son of man also confess before the angels of God:
Luther-Bibel . 8 Ich sage euch aber: Wer mich bekennt vor den Menschen, den
wird auch der Menschensohn bekennen vor den Engeln Gottes.
Tekstuitleg van Lc 12,8 .
| Lc 12,9 - Lc 12,9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] But he that denieth me before men shall be denied before
the angels of God.
Luther-Bibel . 9 Wer mich aber verleugnet vor den Menschen, der wird verleugnet
werden vor den Engeln Gottes.
Tekstuitleg van Lc 12,9 .
| Mc 8,38a - Mc 8,36-38 - | Mc 8,38b | Lc 12,8b | Lc 12,8c | Lc 12,9a | Lc 12,9b | ||||
| kai (ook) | kai (ook) | ||||||||
| hos gar ean (als iemand immers) | ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) | pas hos an | ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) | ho de | |||||
| epaischunthèi (zich zou schamen) | epaischunthèsatai (zal zich schamen) | homologèsèi | homologèsei | arnèsamenos | aparnèthèsetai | ||||
| me (over mij) kai tous emous logous(en over mijn woorden) | auton (over hem) | en emoi | en autôi | me | |||||
| en tèi geneai tautèi tèi moichalidi kai hamartôloi (in dit overspelig en zondig geslacht | hotan elthèi en tèi doxèi tou patros autou (wanneer hij komt in de heerlijkheid van de vader | emprosthen tôn anthrôpôn | emprosthen tôn aggelôn tou theou | enôpion tôn anthrôpôn | enôpion tôn aggelôn tou theou | ||||
| meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met de heilige engelen) | |||||||||
| Lc 12,10 - Lc 12,10 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] And whosoever shall speak a word against the Son of
man, it shall be forgiven him: but unto him that blasphemeth against the Holy
Ghost it shall not be forgiven.
Luther-Bibel . 10 Und wer ein Wort gegen den Menschensohn sagt, dem soll es
vergeben werden; wer aber den Heiligen Geist lästert, dem soll es nicht vergeben
werden.
Tekstuitleg van Lc 12,10 .
| Lc 12,11 - Lc 12,11 : 209. De Geest zorgt voor je verdediging : Lc 12,11-12 - Mt 10,17-23 -- Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,11 - Lc 12,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And when they bring you unto the synagogues, and unto
magistrates, and powers, take ye no thought how or what thing ye shall answer,
or what ye shall say:
Luther-Bibel . 11 Wenn sie euch aber führen werden in die Synagogen und vor
die Machthaber und die Obrigkeit, so sorgt nicht, wie oder womit ihr euch verantworten
oder was ihr sagen sollt;
Tekstuitleg van Lc 12,11 .
7. acc. vr. mv. sunagôgas van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Lc : sunagôgè (synagoge) . Lc (3) : (1) Lc 4,44 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 21,12 . Een vorm van sunagogè (synagoge) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,20 . (4) Lc 4,28 . (5) Lc 4,33 . (6) Lc 4,38 . (7) Lc 4,44 . (8) Lc 6,6 . (9) Lc 7,5 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 11,43 . (12) Lc 12,11 . (13) Lc 13,10 . (14) Lc 20,46 . (15) Lc 21,12 .
| Lc 12,12 - Lc 12,12 : 209. De Geest zorgt voor je verdediging : Lc 12,11-12 - Mt 10,17-23 -- Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,11 - Lc 12,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] For the Holy Ghost shall teach you in the same hour
what ye ought to say.
Luther-Bibel . 12 denn der Heilige Geist wird euch in dieser Stunde lehren,
was ihr sagen sollt. Warnung vor Habgier
Tekstuitleg van Lc 12,12 .
| Lc 12,13a | Lc 12,13b | Lc 12,13 | Lc 12,14a | Lc 12,14b | Lc 12,14 | Lc 12,15a | Lc 12,15b | Lc 12,15 | |
| woorden | 7 | 10 | 17 | 4 | 9 | 13 | 4 | 20 | 24 |
| lettergrepen | 10 | 24 | 34 | 6 | 18 | 24 | 6 | 43 | 49 |
Totaal aantal woorden : 54 . Totaal aantal lettergrepen: 107 (54 X 2 = 108) . De inleidingen (Lc 12,13a.14a.15a) bevatten 7 + 4 + 4 = 15 woorden of 10 + 6 + 6 = 22 lettergrepen. Het verzoek van de man bevat 10 woorden of 24 lettergrepen. De woorden van Jezus bevatten 29 woorden of 61 lettergrepen.
Deze korte pericope (Lc 12,13-15) onderbreekt de redevoering van Jezus (Lc 12,1-40) .
| Lc 12,13a (iemand uit het volk ) | Lc 12,14a (Jezus) | Lc 12,15a (Jezus) |
| ho (hij) | ||
| de (echter) | ||
| eipen (hij zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) |
| de (echter) | de (echter) | |
| tis ek tou ochlou (iemand uit het volk) | ||
| autôi (hem) | autôi (tot hem) | pros autous (tot hen) |
| 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 | 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 | 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 |
Uit het bovenstaand overzichtje blijkt duidelijk dat de tekst uit drie delen
bestaat , telkens ingeleid door een inleidingsformule . In Lc
12,13 doet iemand een verzoek aan Jezus om aan zijn broer te zeggen dat
hij de erfenis zou delen . In Lc
12,14 ontwijkt Jezus een antwoord te geven , waarbij hij gebruik maakt van
het bijbelcitaat Ex
2,14 : Wie heeft mij aangesteld tot beoordelaar en verdeler over jullie
? Het woord meritès (verdeler) is wellicht gekozen onder invloed van
merisasthai : merizô : delen; mediaal : iets met iemand delen; meris :
deel ; meritès : verdeler. Daarna richt Jezus zich tot een ruimer publiek.
Hij waarschuwt voor hebzucht (pleonexia : pleon - echô : meer hebben,
het meer willen hebben) . Want ook al heeft iemand overvloed , zijn leven is
niet afhankelijk van zijn bezittingen . Deze laatste zin kan zowel slaan op
degene die de erfenis niet wil delen als de broer die zijn deel opeist . Bij
beide broers kan hun houding het gevolg van hebzucht zijn . Jezus overstijgt
de situatie waarbij de verzoeker zich onrechtvaardig behandeld weet en waarbij
Jezus de ander tot rechtvaardigheid had kunnen aanzetten . Jezus heeft wel andere
zorgen dan een erfenisbemiddelaar te zijn . Hij is op weg naar Jeruzalem . Hij
verlangt ernaar dat het koninkrijk van God kome . Hij pleit ervoor dat de erfgenamen
zich niet door hebzucht laten leiden .
De verdeling van de erfenis is geregeld door de wetten van Mozes en betreffen
de periode waarin men in het beloofde land woont . Mozes echter is nooit het
beloofde land ingetrokken . Hij was wel de leider om het volk uit Egypte te
verlossen en naar het beloofde land te leiden . Het beroep op een citaat uit
Exodus maakt duidelijk dat Jezus de nieuwe Mozes is . Hij is de leider en verlosser
van het nieuwe volk van God . Hij is op weg naar zijn ten-hemel-opneming ; hij
beleeft zijn exodus . Bezit , vooral onroerend goed , kluistert de mens aan
een bepaalde plaats . Hij kan dan niet op weg gaan . Bezit kan de mens ook kluisteren
aan de aarde , aan het leven hier , waardoor geen plaats is voor een leven hierna
. Het erfdeel dat Jezus aan zijn leerlingen zal geven , is het eeuwig leven
, niet een bezit .
De indeling van de tekst in drie delen werd ingegeven door de inleidingsformule
, gevolgd door een uitspraak . Het tweede woord is telkens het partikel de (echter)
. In de inleiding van de eerste zin tis ek tou ochlou (iemand uit het volk)
(Lc 12,13a)
worden de bestemmelingen in Lc
12,14a : autôi (aan hem) en Lc
12,15a : pros autous (tot hen) nl. het volk, voorbereid .
Evangelie op de 18de
(achttiende) zondag door het c-jaar . Lc 12,13-21
. Lc
12,13-21 .
In die tijd zei iemand uit het volk tegen Jezus: "Meester zeg aan mijn
broer dat hij de erfenis met mij deelt." Maar Jezus antwoordde hem: "Man,
wie heeft Mij tot rechter of verdeler over u aangesteld?" En Hij sprak
tot hem: "Pas op en wacht u voor alle hebzucht! Want geen enkel bezit,
– al is dit nog zo overvloedig – kan uw leven veilig stellen."
Hij vertelde hun de volgende gelijkenis: 'Het land van een rijk man had een
grote oogst opgeleverd. Daarom overlegde deze bij zichzelf: Wat moet ik doen?
Ik heb geen ruimte om mijn oogst te bergen. En hij zei: Dit ga ik doen: ik breek
mijn schuren af en bouw grotere: daarin zal ik dan heel mijn rijkdom aan koren
opbergen. Dan zal ik tot mijzelf zeggen: Man, je hebt een grote rijkdom liggen,
voor lange jaren; rust nu uit, eet en drink en geniet ervan! Maar God sprak
tot hem: Dwaas! Nog deze nacht komt men je leven van je opeisen; en al die voorzieningen
die je getroffen hebt, voor wie zijn die dan? Zo gaat het met iemand die schatten
vergaart voor zichzelf, maar niet rijk is bij God."
| Lc 12,13 - Lc 12,13 : 210. Vermaning tegen hebzucht - Lc 12,13-15 -- Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,13 - Lc 12,14 - Lc 12,15 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And one of the company said unto him, Master, speak
to my brother, that he divide the inheritance with me.
Luther-Bibel . 13 Es sprach aber einer aus dem Volk zu ihm: Meister, sage meinem
Bruder, dass er mit mir das Erbe teile.
Tekstuitleg van Lc 12,13 .
Hier gaat het om een geschil tussen twee broers en Jezus wordt als pleiter (advocatus) van de ene broer gevraagd . In het verhaal van Martha en Maria (Lc 10,38-42) gaat het om twee zussen bij de ontvangst van Jezus . In dit verhaal gaat het om verdelen en een verdeler . In het verhaal van Martha en Maria is er sprake van het betere deel . Dat heeft betrekking op Maria die naar Jezus luistert . In dit verhaal gaat het om bezittingen .
| Lc 12,13b | Lc 10,40 |
| didaskale (leermeester) | |
| eipe (zeg) | eipon oun (zeg bijgevolg) |
| tôi adelfôi mou (aan mijn broer) | autèi (aan haar) |
| + infinitiefzin | hina (zodat) ... + doelzin |
| 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 | 193. Maria en Marta : Lc 10,38-42 |
| Lc 12,14 - Lc 12,14 : 210. Vermaning tegen hebzucht - Lc 12,13-15 -- Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,13 - Lc 12,14 - Lc 12,15 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] And he said unto him, Man, who made me a judge or a
divider over you?
Luther-Bibel . 14 Er aber sprach zu ihm: Mensch, wer hat mich zum Richter oder
Erbschlichter über euch gesetzt?
Tekstuitleg van Lc 12,14 .
| Ex 2,14 = Hnd 7,27 - Ex 2,11-22 - - Hnd 7,1-53 - | Lc 12,14 - Lc 12,13-15 - |
| anthrôpe (mens) | |
| Tís (Wie) | Tís (Wie) |
| se (u) | me (mij) |
| katestèsen (heeft aangesteld) | katestèsen (heeft aangesteld) |
| archonta (tot leider) | kritèn (tot beoordeelaar) |
| kai (en) | kai (en) |
| dikastèn (rechter) | meristèn (verdeler) |
| ef'èmôn (over ons) | ef'humôn (over u) |
| Ex 2,11-22 : Mozesvlucht naar Midjan | 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 |
.katestèsen : aorist van kathistèmi : aanstellen
De wijze waarop Jezus op het verzoek van de man reageert, vinden we terug in
Lc 22,58.60 waar Petrus reageert op de aantijging dat hij tot de kring van Jezus
behoort.
De reactie van Jezus gaat terug op Ex 2,14. In het verhaal van Ex 2,11-15 doodt
Mozes een Egyptenaar nadat deze een Hebreeër had neergeslagen. 's Anderendaags
wil Mozes tussenkomen tussen twee twistende Hebreeën. Degene die ongelijk
heeft, roept Mozes ter verantwoording en zegt: "Wie heeft jou als heer
en rechter over ons aangesteld?" Het gevolg ervan is dat Mozes de zaak
onbeslecht laat. De situaties van het verhaal van Mozes en van het verhaal van
het lucasevangelie zijn zeer verschillend. De gelijkenis bestaat erin dat er
een dispuut bestaat tussen twee broers over de verdeling van de erfenis. Degene
die zich onrechtvaardig behandeld weet, roept de hulp in van Jezus. Jezus echter
citeert uit het Exodusverhaal om bij de erfeniszaak van de de twee twistende
broers niet tussenbeide te komen.
- Cuvelier, Ferdinand . Titel: Jezus mysticus : naar
het herontdekte Tomas-evangelie / vert. en toegel. door Ferdinand Cuvelier
. Uitgave: Kapellen : DNB-Pelckmans . Haarlem : Gottmer . Jaar: cop. 1990 .
Opbouw: 22 cm - 190 p. Illustraties: fig . Referentie: Met lit. opg . Classificatie:
227.7 (SISO) . 3 Godsdienst, godgeleerdheid (UNESCO) . 631 (NUGI) . Trefwoord:
Thomasevangelie; verklaringen . Mystiek ; religie . Identificatie: (ISBN) 90
2891 543 5 - blz.141 : "Een man zei : Spreek tot mijn broers zodat zij
de goederen van mijn vader met mij delen. Hij zei hem : Och mens, wie heeft
van mij een verdeler gemaakt? Hij keerde zich naar zijn leerlingen . Hij zei
hen : Ben ik een verdeler? "
Het Thomasevangelie werd in 1945 gevonden te Nag Hammadi (Zuid-Egypte) . Naar
alle waarschijnlijkheid is dit Thomasevangelie ouder en Jezus-getrouwer dan
alle andere evangelies.
| Lc 12,15 - Lc 12,15 : 210. Vermaning tegen hebzucht - Lc 12,13-15 -- Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,13 - Lc 12,14 - Lc 12,15 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And he said unto them, Take heed, and beware of covetousness:
for a man's life consisteth not in the abundance of the things which he possesseth.
Luther-Bibel . 15 Und er sprach zu ihnen: Seht zu und hütet euch vor aller Habgier;
denn niemand lebt davon, dass er viele Güter hat. Der reiche Kornbauer
Tekstuitleg van Lc 12,15 .
| Lc 12,16 - Lc 12,16 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And he spake a parable unto them, saying, The ground
of a certain rich man brought forth plentifully:
Luther-Bibel . 16 Und er sagte ihnen ein Gleichnis und sprach: Es war ein reicher
Mensch, dessen Feld hatte gut getragen.
Tekstuitleg van Lc 12,16 .
3. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Lc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken . Lc (14) : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 12,16 . (5) Lc 12,41 . (6) Lc 13,6 . (7) Lc 14,7 . (8) Lc 15,3 . (9) Lc 18,1 . (10) Lc 18,9 . (11) Lc 19,11 . (12) Lc 20,9 . (13) Lc 20,19 . (14) Lc 21,29 . Een vorm van parabolè (parabel) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 8,4 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,10 . (7) Lc 8,11 . (8) Lc 12,16 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 13,6 . (11) Lc 14,7 . (12) Lc 15,3 . (13) Lc 18,1 . (14) Lc 18,9 . (15) Lc 19,11 . (16) Lc 20,9 . (19) Lc 20,19 . (18) Lc 21,29 .
| Lc 12,17 - Lc 12,17 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And he thought within himself, saying, What shall I
do, because I have no room where to bestow my fruits?
Luther-Bibel . 17 Und er dachte bei sich selbst und sprach: Was soll ich tun?
Ich habe nichts, wohin ich meine Früchte sammle.
Tekstuitleg van Lc 12,17 .
| Lc 12,18 - Lc 12,18 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] And he said, This will I do: I will pull down my barns,
and build greater; and there will I bestow all my fruits and my goods.
Luther-Bibel . 18 Und sprach: Das will ich tun: Ich will meine Scheunen abbrechen
und größere bauen und will darin sammeln all mein Korn und meine Vorräte
Tekstuitleg van Lc 12,18 .
| Lc 12,19 - Lc 12,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] And I will say to my soul, Soul, thou hast much goods
laid up for many years; take thine ease, eat, drink, and be merry.
Luther-Bibel . 19 und will sagen zu meiner Seele: Liebe Seele, du hast einen
großen Vorrat für viele Jahre; habe nun Ruhe, iss, trink und habe guten Mut!
Tekstuitleg van Lc 12,19 .
| Lc 12,20 - Lc 12,20 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] But God said unto him, Thou fool, this night thy soul
shall be required of thee: then whose shall those things be, which thou hast
provided?
Luther-Bibel . 20 Aber Gott sprach zu ihm: Du Narr! Diese Nacht wird man deine
Seele von dir fordern; und wem wird dann gehören, was du angehäuft hast?
Tekstuitleg van Lc 12,20 .
| Lc 12,21 - Lc 12,21 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] So is he that layeth up treasure for himself, and is
not rich toward God.
Luther-Bibel . 21 So geht es dem, der sich Schätze sammelt und ist nicht reich
bei Gott. Vom falschen und rechten Sorgen
Tekstuitleg van Lc 12,21 .
Blijkbaar wordt iemand die welstand beleeft en ervoor de nodige maatregelen
neemt, afgestraft. Het foutieve lijkt erin gelegen dat de man met aardse schatten
bezig was.
De tegenstelling tussen Jezus en deze man is frappant. Volgens Lc 9,51 zijn
Jezus'dagen geteld. Volgens Lc 12,16-21 lijkt het broodje van de rijke gebakken
en zou hij op twee oren mogen slapen. In het licht van de komende eindtijd zouden
alle gedachten en inspanningen moeten gericht zijn op die eindtijd. Dat doet
de rijke man echter niet.
Wie bezittingen heeft, wordt aangeraden, ze te verkopen en de opbrengst ervan
aan de armen te geven. Jezus en zijn leerlingen werden o.a. onderhouden door
vrouwen die hem volgden vanaf Galilea. Het wordt de mensen aanbevolen schatten
voor de hemel te verzamelen. Maar wat betekent dat? En is die hemel, dat eeuwig
leven, dan door allerlei goede werken te verwerven?
| Lc 12,16a | Lc 12,17a | Lc 12,18a | Lc 12;19 | Lc 12,20a |
| eipen (hij zei) | kai dielogizeto (en hij overlegde) | kai eipen (en hijzei) | kai erô (en ik zal zeggen) | eipen de (hij zei) |
| de (echter) | de (echter) | |||
| parabolèn (een parabel) | ||||
| pros autous (tot hen) | en heautôi (in zichzelf) | tèi psuchèi (tot mezelf) | autôi (aan hem) | |
| legôn (zeggende) | legôn (zeggende) | ho theos (God) | ||
| 211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 - Lc 12,16-21 |
| Lc 12,17 | Lc 12,18 |
| kai dielogizeto en heautôi legôn (en hij overlegde bij zichzelf zeggende) | kai eipen (en hij zei) |
| tí poièsô (wat zal ik doen) | touto poièsô (dit zal ik doen) |
| hoti ouk echô pou (omdat ik geen plaats heb waar) | kathelô mou tas apothèkas kai meizonas oikodomèsô (afbreken zal ik mijn voorraadschuren en ik zal grotere bouwen) |
| sunaxô (ik zal vergaren) | kai sunaxô ekei (en ikzal daar verzamelen) |
| tous karpous mou (mijn vruchten) | panta ton siton kai ta agatha mou (geheel mijn oogst en al mijn goederen) |
| 211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 - Lc 12,16-21 |
De vraag van een bepaalde wetgeleerde (Lc 10,25-37) - en van de rijke overste
(Lc 18,18-23) - luidde : Wat moet ik doen om het eeuwig leven te verwerven?
Het antwoord in het verhaal van de wetgeleerde is : God beminnen boven alles
en je naaste helpen als jezelf. De rijke overste onderhoudt alle wettelijke
verplichtingen. Jezus raadt hem aan alles te verkopen, het aan de armen te geven
en hem te volgen.
De vraag van de onverstandige rijke "Wat zal ik doen?" laat de vraag
van de wetgeleerde en van de rijke overste meetrillen. De man had alles kunnen
verkopen, het aan de armen geven en Jezus kunnen volgen.
| Lc 12,15a | Lc 12,16a |
| eipen (hij zei) | eipen (hij zei) |
| de (echter) | de (echter) |
| parabolèn (een parabel) | |
| pros autous (tot hen) | pros autous (tot hen) |
| legôn (zeggende) | |
| 210. Vermaning tegen hebzucht : Lc 12,13-15 - Lc 12,13-15 - | 211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 - Lc 12,16-21 |
Het verhaal van de onverstandige rijke (Lc 12,16-21) gelijkt in opbouw op dat van de onrechtvaardige rentmeester. Wat doet de rentmeester met het bezit dat bij de anderen belegd is? Hij vermindert hun schuld. Daardoor worden de schuldenaars wat minder arm en de schuldeiser wat minder rijk en worden de bezittingen wat beter verdeeld. De onrechtvaardige rentmeester geeft op een onrechtvaardige wijze een deel van het bezit van zijn meester weg.
| Lc 15,11 - Lc 15,11-32 - | Lc 16,1 - Lc 16,1-9 - | Lc 12,16 - Lc 12,16-21 - |
| eipen de (hij zei echter) | elegen de kai pros tous mathètas (hij zei echter ook tot zijn leerlingen) | eipen de parabolèn pros autous legôn (hij zei echter een parabel tot hen zeggende) |
| anthrôpos tis (een bepaalde mens) | anthrôpos tis èn plousios (een bepaalde mens was rijk) | anthrôpoutinos plousiou (van een bepaalde rijke mens)... |
| eichen duo huious (had twee zonen)... | hos eichen oikonomon (die had de economie - huishouden - beheer) | |
| kai ekei dieskorpisen tèn ousian autou (en daar verkwiste hij zijn bezit) | hôs diaskorpizôn ta huparchonta autou (als verkwistende zijn goederen) | |
| 3. eipen de en heautôi ho oikonomos (de beheerder echter zei bij zichzekf) | kai dielogizeto en heautôi legôn (hij overlegde bij zichzelf zeggende) | |
| tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...) | tí poièsô hoti (wat zal ik doen want...) | |
| uitvoering | uitvoering | |
| 240. Gelijkenis van de verloren zoon : Lc 15,11-32 | 241. Gelijkenis van de onrechtvaardige huishouder : Lc 16,1-9 | 211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 |
euforeô : goed dragen, vruchtbaar zijn. Van een bepaalde rijke mens was
het land vruchtbaar.
Wat moet ik doen ? vinden we terug bij de prediking van Johannes de Doper ,
Jezus, Petrus en Paulus.
| Lc 3,8 - Mt 3,7-10 - Lc 3,7-9 - | Lc 3,10-11 - Lc 3,10-14 - | Lc 3,12-13 | Lc 3,14 |
| Mc 10,17 // Mt 19,16 // Lc 18,18 - Mc 10,17-22 - | Mt 19,16 // Mc 10,17 // Lc 18,18 - Mt 19,16-22 - | Lc 18,18 // Mc 10,17 // Mt 19,16 - Lc 18,18-23 - | Lc 10,25 - Lc 10, 25-28 - | Hnd 2,37 - Hnd 2,14-40 - | Hnd 9,6 - Hnd 9,1-22 - | Hnd 16,30 - Hnd 16,11-40 - | Hnd 22,10 - Hnd 21,37-22,21 |
| Lc 12,19 | Mc 10,17-22 - Mc 10,17-22 - |
Lc 18,18-23 - Lc 18,18-23 - | Lc 12,33 - Lc 12,33-34 - | |
| 21. hen se usterei (één ding ontbreekt jou)... | eti hen soi leipei (nog één ontbreekt jou) | |||
| hupage, ... ga | ||||
| psuchè, echeis polla agatha keimena eis etè polla (man, je hebt vele goederen liggen voor vele jaren | hosa echeis pôlèson...(verkoop wat je bezit) | panta hosa echeis... (verkoop alles wat je bezit) | pôlèsate ta huparchonta humôn (verkoopt jullie bezittingen) | |
| kai hekseis thèsauron en ouranôi (en jij zult hebben een schat in de hemel). | kai hekseis thèsauron en tois ouranois (en jij zult hebben een schat in de hemelen). | thèsauron anekleipton en tois ouranois (een onontbeerkbare schat in de hemelen) | ||
| 211. Gelijkenis van de onverstandige rijke : Lc 12,16-21 - Lc 12,16-21 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 - Mc 10,17-22 -- Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - | 213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen : Lc 12,33-34 // (Mt 6,19-21) |
| Lc 3,11b1 - Lc 3,11b - | Lc 3,11b2 - Lc 3,11b - | Mc 10,21 - Mc 10,17-22 - | Mt 19,21 - Mt 19,16-22 - | Lc 18,22 - Lc 18,18-23 - | Mc 10,22 + Mt 19,22 - Mc 10,17-22 - - Mt 19,16-22 - | Lc 18,23 - Lc 18,18-23 - | Lc 12,33 - Lc 12,33-34 - | Lc 10,28 - Lc 10, 25-28 - | Lc 10,37 - Lc 10,29-37 - |
| Lc 12,1 | Lc 12,22 | |||||||||
| èrxato legein (hij begon te spreken) | eipen (hij zei) | |||||||||
| de (echter) | ||||||||||
| pros tous mathètas (autou) (tot zijn leerlingen) | pros tous mathètas (autou) (tot zijn leerlingen) | |||||||||
| 205. Het zuurdeeg van de Farizeeën : Lc 12,1 // (Mt 16,6) // (Mc 8,15) - Lc 12,1 | ||||||||||
| Lc 12,22 - Lc 12,22 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And he said unto his disciples, Therefore I say unto
you, Take no thought for your life, what ye shall eat; neither for the body,
what ye shall put on.
Luther-Bibel . 22 Er sprach aber zu seinen Jüngern: Darum sage ich euch: Sorgt
nicht um euer Leben, was ihr essen sollt, auch nicht um euren Leib, was ihr
anziehen sollt.
Tekstuitleg van Lc 12,22 .
| Lc 12,23 - Lc 12,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] The life is more than meat, and the body is more than
raiment.
Luther-Bibel . 23 Denn das Leben ist mehr als die Nahrung und der Leib mehr
als die Kleidung.
Tekstuitleg van Lc 12,23 .
| Lc 12,24 - Lc 12,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] Consider the ravens: for they neither sow nor reap;
which neither have storehouse nor barn; and God feedeth them: how much more
are ye better than the fowls?
Luther-Bibel . 24 Seht die Raben an: sie säen nicht, sie ernten auch nicht,
sie haben auch keinen Keller und keine Scheune, und Gott ernährt sie doch. Wie
viel besser seid ihr als die Vögel!
Tekstuitleg van Lc 12,24 .
| Lc 12,25 - Lc 12,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And which of you with taking thought can add to his
stature one cubit?
Luther-Bibel . 25 Wer ist unter euch, der, wie sehr er sich auch darum sorgt,
seines Lebens Länge eine Spanne zusetzen könnte?
Tekstuitleg van Lc 12,25 .
| Lc 12,26 - Lc 12,26 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] If ye then be not able to do that thing which is least,
why take ye thought for the rest?
Luther-Bibel . 26 Wenn ihr nun auch das Geringste nicht vermögt, warum sorgt
ihr euch um das andre?
Tekstuitleg van Lc 12,26 .
| Lc 12,27 - Lc 12,27 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] Consider the lilies how they grow: they toil not, they
spin not; and yet I say unto you, that Solomon in all his glory was not arrayed
like one of these.
Luther-Bibel . 27 Seht die Lilien an, wie sie wachsen: sie spinnen nicht, sie
weben nicht. Ich sage euch aber, dass auch Salomo in aller seiner Herrlichkeit
nicht gekleidet gewesen ist wie eine von ihnen.
Tekstuitleg van Lc 12,27 .
| Lc 12,28 - Lc 12,28 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] If then God so clothe the grass, which is to day in
the field, and to morrow is cast into the oven; how much more will he clothe
you, O ye of little faith?
Luther-Bibel . 28 Wenn nun Gott das Gras, das heute auf dem Feld steht und morgen
in den Ofen geworfen wird, so kleidet, wie viel mehr wird er euch kleiden, ihr
Kleingläubigen!
Tekstuitleg van Lc 12,28 .
| Lc 12,29 - Lc 12,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] And seek not ye what ye shall eat, or what ye shall
drink, neither be ye of doubtful mind.
Luther-Bibel . 29 Darum auch ihr, fragt nicht danach, was ihr essen oder was
ihr trinken sollt, und macht euch keine Unruhe.
Tekstuitleg van Lc 12,29 .
| Lc 12,30 - Lc 12,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] For all these things do the nations of the world seek
after: and your Father knoweth that ye have need of these things.
Luther-Bibel . 30 Nach dem allen trachten die Heiden in der Welt; aber euer
Vater weiß, dass ihr dessen bedürft.
Tekstuitleg van Lc 12,30
Jezus spoorde zijn leerlingen aan zich geen zorgen om het levensnoodzakelijke te maken . Want uw Vader weet dat gij die dingen nodig hebt. God weet dat die dingen allen nodig hebben . De enen zijn zich ervan bewust dat God de Vader voor deze dingen zal zorgen , en hoeven zich dus hieromtrent geen zorgen te mqken . De anderen zijn zich er niet van bewust dat God voor deze dingen zal zorgen . Ze moeten er dus zelf voor zorgen , want ze zijn levensnoodzakelijk . De volken streven geen verkeerde dingen na . Ze zijn van mening dat ze daar zelf wel kunnen voor zorgen . Ze zijn zich er niet van bewust dat God de hoofdrolspeler is . De leerlingen moeten zich niet gedragen alsof ze niet geloven in God .
| Lc 12,31 - Lc 12,31 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] But rather seek ye the kingdom of God; and all these
things shall be added unto you.
Luther-Bibel . 31 Trachtet vielmehr nach seinem Reich, so wird euch das alles
zufallen.
Tekstuitleg van Lc 12,31 .
| Lc 12,32 - Lc 12,32 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] Fear not, little flock; for it is your Father's good
pleasure to give you the kingdom.
Luther-Bibel . 32 Fürchte dich nicht, du kleine Herde! Denn es hat eurem Vater
wohlgefallen, euch das Reich zu geben.
Tekstuitleg van Lc 12,32 .
2. imperat. praes. 2de pers. enk. fobou (vrees) van het werkw. fobeomai (vrezen,
door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai
(vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Lc (5) : (1) Lc
1,13 . Lc
1,29 . (3) Lc
5,10 . (4) Lc
8,50 . (5) Lc
12,32 . Een vorm van fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden)
in Lc in 21 verzen .
213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen : Lc 12,33-34 - Lc 12,33-34 - Mt 6,19-21 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 12 -- Lc 12,33 - Lc 12,34 -
| Lc 12,33 - Lc 12,33 : 213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen - Lc 12,33-34 - Mt 6,19-21 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 12 -- Lc 12,33 - Lc 12,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] Sell that ye have, and give alms; provide yourselves
bags which wax not old, a treasure in the heavens that faileth not, where no
thief approacheth, neither moth corrupteth.
Luther-Bibel . 33 Verkauft, was ihr habt, und gebt Almosen. Macht euch Geldbeutel,
die nicht veralten, einen Schatz, der niemals abnimmt, im Himmel, wo kein Dieb
hinkommt, und den keine Motten fressen.
Tekstuitleg van Lc 12,33 .
1. pôlèsate (verkoopt) . Imperatief aorist tweede persoon meervoud
van het werkwoord pôleô (verkopen)
. Verwijzing : pôleô
(verkopen) , zie Lc
12,33 . Hapax in het N.T. .
- polèson (verkoop) . Imperatief aorist tweede persoon enkelvoud van
het werkwoord pôleô . In drie verzen in het N.T. : (1) Mt
19,21 . (2) Mc
10,21 . (3) Lc
18,22 .
5. act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote (geeft) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven) . Hebr. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give . Lc (5) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 11,41 . (3) Lc 12,33 . (4) Lc 15,22 . (5) Lc 19,24 . Bijbel (50) . O.T. (36) . N.T. (14) . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van didômi (geven) in het N.T. (416) , in de LXX (2131) .
| Lc 12,34 - Lc 12,34 : 213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen - Lc 12,33-34 - Mt 6,19-21 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 12 -- Lc 12,33 - Lc 12,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] For where your treasure is, there will your heart be
also.
Luther-Bibel . 34 Denn wo euer Schatz ist, da wird auch euer Herz sein. Vom
Warten auf das Kommen Christi
Tekstuitleg van Lc 12,34 .
| Lc 3,11b1 - Lc 3,11b - | Lc 3,11b2 - Lc 3,11b - | Mc 10,21 - Mc 10,17-22 - | Mt 19,21 - Mt 19,16-22 - | Lc 18,22 - Lc 18,18-23 - | Mc 10,22 + Mt 19,22 - Mc 10,17-22 - - Mt 19,16-22 - | Lc 18,23 - Lc 18,18-23 - | Lc 12,33 - Lc 12,33-34 - | Lc 10,28 - Lc 10, 25-28 - | Lc 10,37 - Lc 10,29-37 - |
| kai (en) | |||||||||
| ho echoon (wie heeft) | ho echoon (wie heeft) | hosa echeis ( wat jij hebt) | panta hosa echeis ( al wat jij hebt) | èn gar echôn (hij was immers hebbende) | èn gar (hij was immers) | ||||
| duo chitônas (twee lijfrokken) | brômata (voedsel) | ktèmata polla (vele bezittingen) | plousios sfodra (geweldig rijk) | ||||||
| ) pôlèson (verkoop het) | pôlèson sou ta huparchonta (verkoop jouw bezittingen) | pôlèson (verkoop het) | pôlèsate ta huparchonta humôn (verkoopt jullie bezittingen) | ||||||
| metadotô (overhandige het) | homoiôs poieitô (doet evenzo) | kai dos (en geef het) | kai dos (en geef het) | kai diados (en verdeel het) | kai dote eleèmosunèn (en geeft aalmoes) | touto poiei (doet dit) | kai su poiei homoiôs (en doe jij evenzo) | ||
| tôi mè echonti (aan de niet hebbende) | tois ptôchois (aan de armen) | ptôchois (aan de armen) | ptôchois (aan armen) | ||||||
| kai hexeis thèsauron en ouranôi (en je zult hebben een schat in de hemel) | kai hexeis thèsauron en ouranois (en je zult hebben een schat in de hemelen | kai hexeis thèsauron en toisouranois (en je zult hebben een schat in de hemelen) | thèsauron anekleiton en tois ouranois (een onontbreekbare schat in de hemelen) | kai zèsèi (en jij zult leven) | |||||
| 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 | 15. Catechese van Johannes de Doper voor verschillende standen : Lc 3,10-14 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 213. Een onuitputtelijke schat in de hemelen : Lc 12,33-34 // (Mt 6,19-21) | 191. Vraag naar het grootste gebod : Lc 10,25-28 // (Mc 12,28-34) // (Mt 22,34-40) | 192. Gelijkenis van de barmhartige Samaritaan : Lc 10,29-37 |
Opnieuw wordt gepleit voor het afstand doen van bezittingen . Wanneer je op
weg bent naar Jeruzalem , waar de totale ommekeer zal gebeuren , is gebondenheid
aan huis , grond , enz... een belemmering . In voorgaande verzen pleitte Jezus
ervoor niet bekommerd te zijn om wat ze zouden eten of drinken . Jezus en zijn
leerlingen konden rekenen op de ontvangst en de gastvrijheid van velen . Indien
dat niet zo was geweest , hadden zij honger en dorst geleden . Aldus hoefde
Jezus en zijn leerlingen zich niet te bekommeren om eten en drinken en kleding
. Maar wat zou er gebeuren wanneer niemand zich hierom zou bekommeren ?
Zijn bezittingen verkopen en alles aan de armen geven betekent afstand doen
van wat je aan een bepaalde plaats bindt . Het houdt in dat je voortaan van
de gastvrijheid en liefdadigheid van de anderen zult moeten leven.
Wat aan de overste / rijke jongeling door Jezus werd voorgesteld , staat hier in het meervoud : verkoopt. en geeft .
Het vers bestaat uit één zin. Deze bestaat uit een hoofdzin en een bijzin. De zin bestaat uit 12 woorden, 6 in hoofd- en bijzin en 22 lettergrepen, 11 in hoofd- en bijzin.
| Lc 12,34a | Lc 12,34b | ||||||||
| hopu (waar) | ekei (daar) | ||||||||
| gar (immers) | kai (ook) | ||||||||
| hè kardia humôn (jullie hart) | |||||||||
| estin (is) | estai (zal zijn) | ||||||||
| ho thèsauros humôn (jullie schat) | |||||||||
Evangelie op de 19de
(negentiende) zondag door het c-jaar . Lc 12,35-40
. Lc
12,35-40 .
In die tijd zei Jezus tot zijn leerlingen: "Houdt uw lendenen omgord en
de lampen brandend! Gedraagt u als mensen die wachten op de terugkomst van hun
Heer, die naar de bruiloft is, om, als hij aankomt en klopt, hem aanstonds open
te doen. Gelukkig de dienaars die de Heer bij zijn komst wakende zal vinden.
Voorwaar, Ik zeg u: Hij zal zich omgorden en hij zal hen aan tafel nodigen en
langs hen gaan om te bedienen. Al komt hij ook in de tweede of de derde nachtwake,
gelukkig die dienaars die hij zo aantreft. Begrijpt dit wel: als de eigenaar
van het huis wist op welk uur de dief zou komen zou hij niet laten inbreken
in zijn huis. Weest ook gij bereid, omdat de Mensenzoon komt op het uur waarop
gij het niet verwacht."
| Lc 12,35 - Lc 12,35 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] Let your loins be girded about, and your lights burning;
Luther-Bibel . 35 Lasst eure Lenden umgürtet sein und eure Lichter brennen
Tekstuitleg van Lc 12,35 .
| Lc 12,36 - Lc 12,36 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [36] And ye yourselves like unto men that wait for their
lord, when he will return from the wedding; that when he cometh and knocketh,
they may open unto him immediately.
Luther-Bibel . 36 und seid gleich den Menschen, die auf ihren Herrn warten,
wann er aufbrechen wird von der Hochzeit, damit, wenn er kommt und anklopft,
sie ihm sogleich auftun.
Tekstuitleg van Lc 12,36 .
| Lc 12,37 - Lc 12,37 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [37] Blessed are those servants, whom the lord when he cometh
shall find watching: verily I say unto you, that he shall gird himself, and
make them to sit down to meat, and will come forth and serve them.
Luther-Bibel . 37 Selig sind die Knechte, die der Herr, wenn er kommt, wachend
findet. Wahrlich, ich sage euch: Er wird sich schürzen und wird sie zu Tisch
bitten und kommen und ihnen dienen.
Tekstuitleg van Lc 12,37 .
| Lc 12,38 - Lc 12,38 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [38] And if he shall come in the second watch, or come in
the third watch, and find them so, blessed are those servants.
Luther-Bibel . 38 Und wenn er kommt in der zweiten oder in der dritten Nachtwache
und findet's so: selig sind sie.
Tekstuitleg van Lc 12,38 .
| Lc 12,39 - Lc 12,39 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [39] And this know, that if the goodman of the house had
known what hour the thief would come, he would have watched, and not have suffered
his house to be broken through.
Luther-Bibel . 39 Das sollt ihr aber wissen: Wenn ein Hausherr wüsste, zu welcher
Stunde der Dieb kommt, so ließe er nicht in sein Haus einbrechen.
Tekstuitleg van Lc 12,39 .
| Lc 12,40 - Lc 12,40 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [40] Be ye therefore ready also: for the Son of man cometh
at an hour when ye think not.
Luther-Bibel . 40 Seid auch ihr bereit! Denn der Menschensohn kommt zu einer
Stunde, da ihr's nicht meint.
Tekstuitleg van Lc 12,40 .
| Lc 12,41 - Lc 12,41 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [41] Then Peter said unto him, Lord, speakest thou this
parable unto us, or even to all?
Luther-Bibel . 41 Petrus aber sprach: Herr, sagst du dies Gleichnis zu uns oder
auch zu allen?
Tekstuitleg van Lc 12,41 .
4. nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) .
Taalgebruik in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
9. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Lc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken . Lc (14) : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 12,16 . (5) Lc 12,41 . (6) Lc 13,6 . (7) Lc 14,7 . (8) Lc 15,3 . (9) Lc 18,1 . (10) Lc 18,9 . (11) Lc 19,11 . (12) Lc 20,9 . (13) Lc 20,19 . (14) Lc 21,29 . Een vorm van parabolè (parabel) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 5,36 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 8,4 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,10 . (7) Lc 8,11 . (8) Lc 12,16 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 13,6 . (11) Lc 14,7 . (12) Lc 15,3 . (13) Lc 18,1 . (14) Lc 18,9 . (15) Lc 19,11 . (16) Lc 20,9 . (19) Lc 20,19 . (18) Lc 21,29 .
10. acc. vr. enk. tautèn van het aanwiijz. voornaamw. houtos (deze)
. Taalgebruik in het N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (14) : (1) Lc
4,6 . (2) Lc
4,23 . (3) Lc
7,44 . (4) Lc
12,41 . (5) Lc
13,6 . (6) Lc
13,16 . (7) Lc
15,3 . (8) Lc
18,5 . (9) Lc
18,9 . (10) Lc
20,2 . (11) Lc
20,9 . (12) Lc
20,19 . (13) Lc
23,48 . (14) Lc
24,21 .
8. - 10. tautèn tèn parabolèn (die parabel) : Lc
13,6 . tèn parabolèn tautèn (die parabel) : Lc
12,41 .
| Lc 12,42 - Lc 12,42 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [42] And the Lord said, Who then is that faithful and wise
steward, whom his lord shall make ruler over his household, to give them their
portion of meat in due season?
Luther-Bibel . 42 Der Herr aber sprach: Wer ist denn der treue und kluge Verwalter,
den der Herr über seine Leute setzt, damit er ihnen zur rechten Zeit gibt, was
ihnen zusteht?
Tekstuitleg van Lc 12,42 .
| Lc 12,43 - Lc 12,43 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [43] Blessed is that servant, whom his lord when he cometh
shall find so doing.
Luther-Bibel . 43 Selig ist der Knecht, den sein Herr, wenn er kommt, das tun
sieht.
Tekstuitleg van Lc 12,43 .
| Lc 12,44 - Lc 12,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [44] Of a truth I say unto you, that he will make him ruler
over all that he hath.
Luther-Bibel . 44 Wahrlich, ich sage euch: Er wird ihn über alle seine Güter
setzen.
Tekstuitleg van Lc 12,44 .
| Lc 12,45 - Lc 12,45 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [45] But and if that servant say in his heart, My lord delayeth
his coming; and shall begin to beat the menservants and maidens, and to eat
and drink, and to be drunken;
Luther-Bibel . 45 Wenn aber jener Knecht in seinem Herzen sagt: Mein Herr kommt
noch lange nicht, und fängt an, die Knechte und Mägde zu schlagen, auch zu essen
und zu trinken und sich voll zu saufen,
Tekstuitleg van Lc 12,45 .
| Lc 12,46 - Lc 12,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [46] The lord of that servant will come in a day when he
looketh not for him, and at an hour when he is not aware, and will cut him in
sunder, and will appoint him his portion with the unbelievers.
Luther-Bibel . 46 dann wird der Herr dieses Knechtes kommen an einem Tage, an
dem er's nicht erwartet, und zu einer Stunde, die er nicht kennt, und wird ihn
in Stücke hauen lassen und wird ihm sein Teil geben bei den Ungläubigen.
Tekstuitleg van Lc 12,46 .
| Lc 12,47 - Lc 12,47 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [47] And that servant, which knew his lord's will, and prepared
not himself, neither did according to his will, shall be beaten with many stripes.
Luther-Bibel . 47 Der Knecht aber, der den Willen seines Herrn kennt, hat aber
nichts vorbereitet noch nach seinem Willen getan, der wird viel Schläge erleiden
müssen.
Tekstuitleg van Lc 12,47 .
| Lc 12,48 - Lc 12,48 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [48] But he that knew not, and did commit things worthy
of stripes, shall be beaten with few stripes. For unto whomsoever much is given,
of him shall be much required: and to whom men have committed much, of him they
will ask the more.
Luther-Bibel . 48 Wer ihn aber nicht kennt und getan hat, was Schläge verdient,
wird wenig Schläge erleiden. Denn wem viel gegeben ist, bei dem wird man viel
suchen; und wem viel anvertraut ist, von dem wird man umso mehr fordern. Entzweiungen
um Jesu willen
Tekstuitleg van Lc 12,48 .
| Lc 12,49 - Lc 12,49 : 218. Jezus'zending bron van verdeeldheid - Lc 12,49-53 - Mt 10,34-36 - Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,49 - Lc 12,50 - Lc 12,51 - Lc 12,52 - Lc 12,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [49] I am come to send fire on the earth; and what will
I if it be already kindled?
Luther-Bibel . 49 Ich bin gekommen, ein Feuer anzuzünden auf Erden; was wollte
ich lieber, als dass es schon brennte!
Tekstuitleg van Lc 12,49 .
| Lc 12,50 - Lc 12,50 : 218. Jezus'zending bron van verdeeldheid - Lc 12,49-53 - Mt 10,34-36 - Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,49 - Lc 12,50 - Lc 12,51 - Lc 12,52 - Lc 12,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [50] But I have a baptism to be baptized with; and how am
I straitened till it be accomplished!
Luther-Bibel . 50 Aber ich muss mich zuvor taufen lassen mit einer Taufe, und
wie ist mir so bange, bis sie vollbracht ist!
Tekstuitleg van Lc 12,50 .
4. pass. inf. aor. baptisthènai (om gedoopt te worden) van het werkw.
baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô
(dopen) . Taalgebruik in Lc : baptizô
(dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Lc (4) : (1) Lc
3,7 . (2) Lc
3,12 . (3) Lc
3,21 . (4) Lc
12,50 . Een vorm van baptizô (dopen) in Lc in 8 (9X) verzen : (1)
Lc 3,7
. (2) Lc
3,12 . (3) Lc
3,16 (2 vormen) . (4) Lc
3,21 . (5) Lc
7,29 . (6) Lc
7,30 . (7) Lc
11,38 . (8) Lc
12,50 .
| Lc 12,51 - Lc 12,51 : 218. Jezus'zending bron van verdeeldheid - Lc 12,49-53 - Mt 10,34-36 - Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,49 - Lc 12,50 - Lc 12,51 - Lc 12,52 - Lc 12,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [51] Suppose ye that I am come to give peace on earth? I
tell you, Nay; but rather division:
Luther-Bibel . 51 Meint ihr, dass ich gekommen bin, Frieden zu bringen auf Erden?
Ich sage: Nein, sondern Zwietracht.
Tekstuitleg van Lc 12,51 .
| Lc 12,52 - Lc 12,52 : 218. Jezus'zending bron van verdeeldheid - Lc 12,49-53 - Mt 10,34-36 - Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,49 - Lc 12,50 - Lc 12,51 - Lc 12,52 - Lc 12,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [52] For from henceforth there shall be five in one house
divided, three against two, and two against three.
Luther-Bibel . 52 Denn von nun an werden fünf in einem Hause uneins sein, drei
gegen zwei und zwei gegen drei.
Tekstuitleg van Lc 12,52 .
1. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (zij zullen zijn) van het werkw. eimi
(zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Lc (7) : (1) Lc
11,19 . (2) Lc
12,52 . (3) Lc
13,30 . (4) Lc
17,34 . (5) Lc
17,35 . (6) Lc
21,11 . (7) Lc
21,25 .
| Lc 12,53 - Lc 12,53 : 218. Jezus'zending bron van verdeeldheid - Lc 12,49-53 - Mt 10,34-36 - Lc 12 - verwijzingen -- Lc 12,49 - Lc 12,50 - Lc 12,51 - Lc 12,52 - Lc 12,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [53] The father shall be divided against the son, and the
son against the father; the mother against the daughter, and the daughter against
the mother; the mother in law against her daughter in law, and the daughter
in law against her mother in law.
Luther-Bibel . 53 Es wird der Vater gegen den Sohn sein und der Sohn gegen den
Vater, die Mutter gegen die Tochter und die Tochter gegen die Mutter, die Schwiegermutter
gegen die Schwiegertochter und die Schwiegertochter gegen die Schwiegermutter.
Beurteilung der Zeit
Tekstuitleg van Lc 12,53 .
| Lc 12,54 - Lc 12,54 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [54] And he said also to the people, When ye see a cloud
rise out of the west, straightway ye say, There cometh a shower; and so it is.
Luther-Bibel . 54 Er sprach aber zu der Menge: Wenn ihr eine Wolke aufsteigen
seht vom Westen her, so sagt ihr gleich: Es gibt Regen. Und es geschieht so.
Tekstuitleg van Lc 12,54 .
| Lc 12,55 - Lc 12,55 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [55] And when ye see the south wind blow, ye say, There
will be heat; and it cometh to pass.
Luther-Bibel . 55 Und wenn der Südwind weht, so sagt ihr: Es wird heiß werden.
Und es geschieht so.
Tekstuitleg van Lc 12,55 .
| Lc 12,56 - Lc 12,56 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [56] Ye hypocrites, ye can discern the face of the sky and
of the earth; but how is it that ye do not discern this time?
Luther-Bibel . 56 Ihr Heuchler! Über das Aussehen der Erde und des Himmels könnt
ihr urteilen; warum aber könnt ihr über diese Zeit nicht urteilen?
Tekstuitleg van Lc 12,56 .
220. Verzoening en gerecht : Lc 12,57-59 // (Mt 5,25-26)
| Lc 12,57 - Lc 12,57 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [57] Yea, and why even of yourselves judge ye not what is
right?
Luther-Bibel . 57 Warum aber urteilt ihr nicht auch von euch aus darüber, was
recht ist?
Tekstuitleg van Lc 12,57 .
| Lc 12,58 - Lc 12,58 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [58] When thou goest with thine adversary to the magistrate,
as thou art in the way, give diligence that thou mayest be delivered from him;
lest he hale thee to the judge, and the judge deliver thee to the officer, and
the officer cast thee into prison.
Luther-Bibel . 58 Denn wenn du mit deinem Gegner zum Gericht gehst, so bemühe
dich auf dem Wege, von ihm loszukommen, damit er nicht etwa dich vor den Richter
ziehe, und der Richter überantworte dich dem Gerichtsdiener, und der Gerichtsdiener
werfe dich ins Gefängnis.
Tekstuitleg van Lc 12,58 .
| Lc 12,59 - Lc 12,59 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [59] I tell thee, thou shalt not depart thence, till thou
hast paid the very last mite.
Luther-Bibel . 59 Ich sage dir: Du wirst von dort nicht herauskommen, bis du
den allerletzten Heller bezahlt hast.
Tekstuitleg van Lc 12,59 .
Griekse tekst
1en ois episunachtheisôn tôn muriadôn tou ochlou, ôste katapatein allèlous, èrxato legein pros tous mathètas autou prôton, prosechete eautois apo tès zumès, ètis estin upokrisis, tôn farisaiôn. 2ouden de sugkekalummenon estin o ouk apokalufthèsetai, kai krupton o ou gnôsthèsetai. 3anth ôn osa en tè skotia eipate en tô fôti akousthèsetai, kai o pros to ous elalèsate en tois tameiois kèruchthèsetai epi tôn dômatôn. 4legô de umin tois filois mou, mè fobèthète apo tôn apokteinontôn to sôma kai meta tauta mè echontôn perissoteron ti poièsai. 5upodeixô de umin tina fobèthète: fobèthète ton meta to apokteinai echonta exousian embalein eis tèn geennan: nai, legô umin, touton fobèthète. 6ouchi pente strouthia pôlountai assariôn duo; kai en ex autôn ouk estin epilelèsmenon enôpion tou theou. 7alla kai ai triches tès kefalès umôn pasai èrithmèntai. mè fobeisthe: pollôn strouthiôn diaferete. 8legô de umin, pas os an omologèsè en emoi emprosthen tôn anthrôpôn, kai o uios tou anthrôpou omologèsei en autô emprosthen tôn aggelôn tou theou: 9o de arnèsamenos me enôpion tôn anthrôpôn aparnèthèsetai enôpion tôn aggelôn tou theou. 10kai pas os erei logon eis ton uion tou anthrôpou, afethèsetai autô: tô de eis to agion pneuma blasfèmèsanti ouk afethèsetai. 11otan de eisferôsin umas epi tas sunagôgas kai tas archas kai tas exousias, mè merimnèsète pôs è ti apologèsèsthe è ti eipète: 12to gar agion pneuma didaxei umas en autè tè ôra a dei eipein. 13eipen de tis ek tou ochlou autô, didaskale, eipe tô adelfô mou merisasthai met emou tèn klèronomian. 14o de eipen autô, anthrôpe, tis me katestèsen kritèn è meristèn ef umas; 15eipen de pros autous, orate kai fulassesthe apo pasès pleonexias, oti ouk en tô perisseuein tini è zôè autou estin ek tôn uparchontôn autô. 16eipen de parabolèn pros autous legôn, anthrôpou tinos plousiou euforèsen è chôra. 17kai dielogizeto en eautô legôn, ti poièsô, oti ouk echô pou sunaxô tous karpous mou; 18kai eipen, touto poièsô: kathelô mou tas apothèkas kai meizonas oikodomèsô, kai sunaxô ekei panta ton siton kai ta agatha mou, 19kai erô tè psuchè mou, psuchè, echeis polla agatha keimena eis etè polla: anapauou, fage, pie, eufrainou. 20eipen de autô o theos, afrôn, tautè tè nukti tèn psuchèn sou apaitousin apo sou: a de ètoimasas, tini estai; 21outôs o thèsaurizôn eautô kai mè eis theon ploutôn. 22eipen de pros tous mathètas [autou], dia touto legô umin, mè merimnate tè psuchè ti fagète, mède tô sômati ti endusèsthe. 23è gar psuchè pleion estin tès trofès kai to sôma tou endumatos. 24katanoèsate tous korakas oti ou speirousin oude therizousin, ois ouk estin tameion oude apothèkè, kai o theos trefei autous: posô mallon umeis diaferete tôn peteinôn. 25tis de ex umôn merimnôn dunatai epi tèn èlikian autou prostheinai pèchun; 26ei oun oude elachiston dunasthe, ti peri tôn loipôn merimnate; 27katanoèsate ta krina pôs auxanei: ou kopia oude nèthei: legô de umin, oude solomôn en pasè tè doxè autou periebaleto ôs en toutôn. 28ei de en agrô ton chorton onta sèmeron kai aurion eis klibanon ballomenon o theos outôs amfiezei, posô mallon umas, oligopistoi. 29kai umeis mè zèteite ti fagète kai ti piète, kai mè meteôrizesthe: 30tauta gar panta ta ethnè tou kosmou epizètousin: umôn de o patèr oiden oti chrèzete toutôn. 31plèn zèteite tèn basileian autou, kai tauta prostethèsetai umin. 32mè fobou, to mikron poimnion, oti eudokèsen o patèr umôn dounai umin tèn basileian. 33pôlèsate ta uparchonta umôn kai dote eleèmosunèn: poièsate eautois ballantia mè palaioumena, thèsauron anekleipton en tois ouranois, opou kleptès ouk eggizei oude sès diaftheirei: 34opou gar estin o thèsauros umôn, ekei kai è kardia umôn estai. 35estôsan umôn ai osfues periezôsmenai kai oi luchnoi kaiomenoi, 36kai umeis omoioi anthrôpois prosdechomenois ton kurion eautôn pote analusè ek tôn gamôn, ina elthontos kai krousantos eutheôs anoixôsin autô. 37makarioi oi douloi ekeinoi, ous elthôn o kurios eurèsei grègorountas: amèn legô umin oti perizôsetai kai anaklinei autous kai parelthôn diakonèsei autois. 38kan en tè deutera kan en tè tritè fulakè elthè kai eurè outôs, makarioi eisin ekeinoi. 39touto de ginôskete oti ei èdei o oikodespotès poia ôra o kleptès erchetai, ouk an afèken dioruchthènai ton oikon autou. 40kai umeis ginesthe etoimoi, oti è ôra ou dokeite o uios tou anthrôpou erchetai. 41eipen de o petros, kurie, pros èmas tèn parabolèn tautèn legeis è kai pros pantas; 42kai eipen o kurios, tis ara estin o pistos oikonomos o fronimos, on katastèsei o kurios epi tès therapeias autou tou didonai en kairô [to] sitometrion; 43makarios o doulos ekeinos, on elthôn o kurios autou eurèsei poiounta outôs: 44alèthôs legô umin oti epi pasin tois uparchousin autou katastèsei auton. 45ean de eipè o doulos ekeinos en tè kardia autou, chronizei o kurios mou erchesthai, kai arxètai tuptein tous paidas kai tas paidiskas, esthiein te kai pinein kai methuskesthai, 46èxei o kurios tou doulou ekeinou en èmera è ou prosdoka kai en ôra è ou ginôskei, kai dichotomèsei auton kai to meros autou meta tôn apistôn thèsei. 47ekeinos de o doulos o gnous to thelèma tou kuriou autou kai mè etoimasas è poièsas pros to thelèma autou darèsetai pollas: 48o de mè gnous, poièsas de axia plègôn, darèsetai oligas. panti de ô edothè polu, polu zètèthèsetai par autou, kai ô parethento polu, perissoteron aitèsousin auton. 49pur èlthon balein epi tèn gèn, kai ti thelô ei èdè anèfthè. 50baptisma de echô baptisthènai, kai pôs sunechomai eôs otou telesthè. 51dokeite oti eirènèn paregenomèn dounai en tè gè; ouchi, legô umin, all è diamerismon. 52esontai gar apo tou nun pente en eni oikô diamemerismenoi, treis epi dusin kai duo epi trisin, 53diameristhèsontai patèr epi uiô kai uios epi patri, mètèr epi tèn thugatera kai thugatèr epi tèn mètera, penthera epi tèn numfèn autès kai numfè epi tèn pentheran. 54elegen de kai tois ochlois, otan idète [tèn] nefelèn anatellousan epi dusmôn, eutheôs legete oti ombros erchetai, kai ginetai outôs: 55kai otan noton pneonta, legete oti kausôn estai, kai ginetai. 56upokritai, to prosôpon tès gès kai tou ouranou oidate dokimazein, ton kairon de touton pôs ouk oidate dokimazein; 57ti de kai af eautôn ou krinete to dikaion; 58ôs gar upageis meta tou antidikou sou ep archonta, en tè odô dos ergasian apèllachthai ap autou, mèpote katasurè se pros ton kritèn, kai o kritès se paradôsei tô praktori, kai o praktôr se balei eis fulakèn. 59legô soi, ou mè exelthès ekeithen eôs kai to eschaton lepton apodôs.
VULGAAT
1 multis autem turbis circumstantibus ita ut se invicem conculcarent coepit dicere ad discipulos suos adtendite a fermento Pharisaeorum quae est hypocrisis 2 nihil autem opertum est quod non reveletur neque absconditum quod non sciatur 3 quoniam quae in tenebris dixistis in lumine dicentur et quod in aurem locuti estis in cubiculis praedicabitur in tectis 4 dico autem vobis amicis meis ne terreamini ab his qui occidunt corpus et post haec non habent amplius quod faciant 5 ostendam autem vobis quem timeatis timete eum qui postquam occiderit habet potestatem mittere in gehennam ita dico vobis hunc timete 6 nonne quinque passeres veneunt dipundio et unus ex illis non est in oblivione coram Deo 7 sed et capilli capitis vestri omnes numerati sunt nolite ergo timere multis passeribus pluris estis 8 dico autem vobis omnis quicumque confessus fuerit in me coram hominibus et Filius hominis confitebitur in illo coram angelis Dei 9 qui autem negaverit me coram hominibus denegabitur coram angelis Dei 10 et omnis qui dicit verbum in Filium hominis remittetur illi ei autem qui in Spiritum Sanctum blasphemaverit non remittetur 11 cum autem inducent vos in synagogas et ad magistratus et potestates nolite solliciti esse qualiter aut quid respondeatis aut quid dicatis 12 Spiritus enim Sanctus docebit vos in ipsa hora quae oporteat dicere 13 ait autem quidam ei de turba magister dic fratri meo ut dividat mecum hereditatem 14 at ille dixit ei homo quis me constituit iudicem aut divisorem super vos 15 dixitque ad illos videte et cavete ab omni avaritia quia non in abundantia cuiusquam vita eius est ex his quae possidet 16 dixit autem similitudinem ad illos dicens hominis cuiusdam divitis uberes fructus ager adtulit 17 et cogitabat intra se dicens quid faciam quod non habeo quo congregem fructus meos 18 et dixit hoc faciam destruam horrea mea et maiora faciam et illuc congregabo omnia quae nata sunt mihi et bona mea 19 et dicam animae meae anima habes multa bona posita in annos plurimos requiesce comede bibe epulare 20 dixit autem illi Deus stulte hac nocte animam tuam repetunt a te quae autem parasti cuius erunt 21 sic est qui sibi thesaurizat et non est in Deum dives 22 dixitque ad discipulos suos ideo dico vobis nolite solliciti esse animae quid manducetis neque corpori quid vestiamini 23 anima plus est quam esca et corpus quam vestimentum 24 considerate corvos quia non seminant neque metunt quibus non est cellarium neque horreum et Deus pascit illos quanto magis vos pluris estis illis 25 quis autem vestrum cogitando potest adicere ad staturam suam cubitum unum 26 si ergo neque quod minimum est potestis quid de ceteris solliciti estis 27 considerate lilia quomodo crescunt non laborant non nent dico autem vobis nec Salomon in omni gloria sua vestiebatur sicut unum ex istis 28 si autem faenum quod hodie in agro est et cras in clibanum mittitur Deus sic vestit quanto magis vos pusillae fidei 29 et vos nolite quaerere quid manducetis aut quid bibatis et nolite in sublime tolli 30 haec enim omnia gentes mundi quaerunt Pater autem vester scit quoniam his indigetis 31 verumtamen quaerite regnum Dei et haec omnia adicientur vobis 32 nolite timere pusillus grex quia conplacuit Patri vestro dare vobis regnum 33 vendite quae possidetis et date elemosynam facite vobis sacculos qui non veterescunt thesaurum non deficientem in caelis quo fur non adpropiat neque tinea corrumpit 34 ubi enim thesaurus vester est ibi et cor vestrum erit 35 sint lumbi vestri praecincti et lucernae ardentes 36 et vos similes hominibus expectantibus dominum suum quando revertatur a nuptiis ut cum venerit et pulsaverit confestim aperiant ei 37 beati servi illi quos cum venerit dominus invenerit vigilantes amen dico vobis quod praecinget se et faciet illos discumbere et transiens ministrabit illis 38 et si venerit in secunda vigilia et si in tertia vigilia venerit et ita invenerit beati sunt servi illi 39 hoc autem scitote quia si sciret pater familias qua hora fur veniret vigilaret utique et non sineret perfodiri domum suam 40 et vos estote parati quia qua hora non putatis Filius hominis venit 41 ait autem ei Petrus Domine ad nos dicis hanc parabolam an et ad omnes 42 dixit autem Dominus quis putas est fidelis dispensator et prudens quem constituet dominus super familiam suam ut det illis in tempore tritici mensuram 43 beatus ille servus quem cum venerit dominus invenerit ita facientem 44 vere dico vobis quia supra omnia quae possidet constituet illum 45 quod si dixerit servus ille in corde suo moram facit dominus meus venire et coeperit percutere pueros et ancillas et edere et bibere et inebriari 46 veniet dominus servi illius in die qua non sperat et hora qua nescit et dividet eum partemque eius cum infidelibus ponet 47 ille autem servus qui cognovit voluntatem domini sui et non praeparavit et non fecit secundum voluntatem eius vapulabit multas 48 qui autem non cognovit et fecit digna plagis vapulabit paucis omni autem cui multum datum est multum quaeretur ab eo et cui commendaverunt multum plus petent ab eo 49 ignem veni mittere in terram et quid volo si accendatur 50 baptisma autem habeo baptizari et quomodo coartor usque dum perficiatur 51 putatis quia pacem veni dare in terram non dico vobis sed separationem 52 erunt enim ex hoc quinque in domo una divisi tres in duo et duo in tres 53 dividentur pater in filium et filius in patrem suum mater in filiam et filia in matrem socrus in nurum suam et nurus in socrum suam 54 dicebat autem et ad turbas cum videritis nubem orientem ab occasu statim dicitis nimbus venit et ita fit 55 et cum austrum flantem dicitis quia aestus erit et fit 56 hypocritae faciem terrae et caeli nostis probare hoc autem tempus quomodo non probatis 57 quid autem et a vobis ipsis non iudicatis quod iustum est 58 cum autem vadis cum adversario tuo ad principem in via da operam liberari ab illo ne forte trahat te apud iudicem et iudex tradat te exactori et exactor mittat te in carcerem 59 dico tibi non exies inde donec etiam novissimum minutum reddas