LUCASEVANGELIE, VEERTIENDE HOOFDSTUK , LC 14 -- bijbeloverzicht
-- bijbelverwijzingen
-- Lc (Lucas)
-- Lc 14
-
- Lc
14,25-33 -- Lc 14,1.7-14 .
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het veertiende hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc
14,1-6 -
231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc
14,7-11 .
232. De keuze van de genodigden : Lc
14,12-14 -
233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc
14,15-24 - Mt
22,1-14 -
234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc
14,25-26 - Mt
10,37 -
235. Zijn kruis dragen : Lc
14,27 - Mt
10,38 -
236. De leerling moet goed weten wat hij aangaat : Lc
14,28-33 -
237. Gelijkenis van het zout : Lc
14,34-35 - Mc
9,49-50 - Mt
5,13 -
Evangelie op de 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar : Lc 14,1.7-14 . Lc 14,1.7-14 .
Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om er de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog. Daar Hij opmerkte hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor: "Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats. Het zou kunnen zijn dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij, en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen. Maar wanneer ge ergens genodigd wordt, ga dan op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u de eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen. Want al wie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden." Hij zei ook nog; nu tot zijn gastheer: "Wanneer gij een middagof avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt. Maar als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Gelukkig zult ge zijn omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen."
230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6Lc 14,1-6 zou in 8 deeltjes kunnen ingedeeld worden. Per deeltje is een ander personage: 4X Jezus (1X alleen , 1X met de zieke en 2X tot de Farizeeën; 3X de Farizeeën (die geen woord zeggen); 1X de zieke. In 7 van de 8 deeltjes wordt het nevenschikkend voegwoord kai (en) gebruikt, slechts in 1 deeltje het partikel de (echter). We staan hier voor een kai (en) -tekst: en... en ... en... Messtal volgt op het nevenschikkend voegwoord kai (en) een werkwoordvorm.
| structuur van Lc 14,1-6 - Lc 14,1-6 - | 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. |
| personage | Lc 14,1a (Jezus) | Lc 14,1b (de Farizeeën) | Lc 14,2 (een mens) | Lc 14,3 (Jezus tot de Farizeeën | Lc 14,4a (de Farizeeën) | Lc 14,4b (Jezus en de zieke) | Lc 14,5 (Jezus tot de Farizeeën) | Lc 14,6 (de Farizeeën) |
| nevenschikkend voegwoord kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | hoi de (zij echter) | kai (en) | kai (en)... | kai (en) |
| egeneto en tôi elthein (het gebeurde in het binnengaan) | autoi èsan ... (en zij waren...) | idou (zie | apokritheis (antwoordend) | hèsuchèsan (zwegen) | epilabomenos (bij zich genomen) | ouk ischusan (zij waren niet in staat) | ||
| auton (hij) | anthrôpos tis (een zekere mens) | ho Ièsous (Jezus) | ||||||
| 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Lc 14,1-6 - |
hèsuchazô : rust houden, zwijgen
| Lc 14,1 - Lc 14,1 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van
een der oversten der Farizeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem
waarnamen.
King James Bible . [1] And it came to pass, as he went into the house of one
of the chief Pharisees to eat bread on the sabbath day, that they watched him.
Luther-Bibel . 14 1 Und es begab sich, dass er an einem Sabbat in das Haus eines
Oberen der Pharisäer kam, das Brot zu essen, und sie belauerten ihn.
Tekstuitleg van Lc 14,1 .
16. acc. mann. enk. arton van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Bijbel (133) . LXX (96) . N.T. (37) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het N.T. (97) , in de LXX (307) .
| Lc 14,2 - Lc 14,2 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.
King James Bible . [2] And, behold, there was a certain man before him which
had the dropsy.
Luther-Bibel . 2 Und siehe, da war ein Mensch vor ihm, der war wassersüchtig.
Tekstuitleg van Lc 14,2 .
| Lc 14,3 - Lc 14,3 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeën,
en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken? 4 Maar zij zwegen
stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
King James Bible .
King James Bible . [3] And Jesus answering spake unto the lawyers and Pharisees,
saying, Is it lawful to heal on the sabbath day?
Luther-Bibel . 3 Und Jesus fing an und sagte zu den Schriftgelehrten und Pharisäern:
Ist's erlaubt, am Sabbat zu heilen oder nicht?
Tekstuitleg van Lc 14,3 .
| Lc 14,4 - Lc 14,4 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . [4] And they held their peace. And he took him, and healed
him, and let him go;
Luther-Bibel . 4 Sie aber schwiegen still. Und er fasste ihn an und heilte ihn
und ließ ihn gehen.
Tekstuitleg van Lc 14,4 .
| Lc 14,5 - Lc 14,5 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden
zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des
sabbats?
King James Bible . [5] And answered them, saying, Which of you shall have an
ass or an ox fallen into a pit, and will not straightway pull him out on the
sabbath day?
Luther-Bibel . 5 Und er sprach zu ihnen: Wer ist unter euch, dem sein Sohn oder
sein Ochse in den Brunnen fällt und der ihn nicht alsbald herauszieht, auch
am Sabbat?
Tekstuitleg van Lc 14,5 .
| Lc 14,6 - Lc 14,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.
King James Bible . [6] And they could not answer him again to these things.
Luther-Bibel . 6 Und sie konnten ihm darauf keine Antwort geben. Von Rangordnung
und Auswahl der Gäste
Tekstuitleg van Lc 14,6
230.1.1. Lc 14,1a : Jezus gaat naar het huis van een Farizeeër
Dit verhaal is een doublure van het verhaal van de genezing van een man met een verdorde hand (Lc 6,6-11). De plaats van het gebeuren verschilt. In Lc 6,6-11 speelt het gebeuren zich af in de synagoge, in Lc 14,1-6 in het huis van een Farizeeër. Het thema is hetzelfde : is het toegelaten om op sabbat iemand te genezen. We staan hier voor de tegenstelling tussen enerzijds allerlei menselijke tradities en gewoontes en anderzijds de grondvraag van het mens-zijn of anders geformuleerd : de tegenstelling tussen de voorschriften van mensen en het gebod van God.
| Eenzelfde thema : mag je op sabbat genezen. In twee verschillende situaties | in de synagoge | in het huis van één van de leiders van de Farizeeën |
| Lc 6,6 - Lc 6,6-11 - | Lc 14,1a - Lc 14,1-6 - | |
| nevenschikkend voegwoord | Kai (en) | |
| hoofdwerkwoord | egeneto de (het gebeurde echter) | egeneto (het gebeurde) |
| voorzetsel | en (op) | en (in) |
| lidwoord | heterôi sabbatôi (een andere sabbat) | |
| werkwoord in de infinitief | eiselthein auton (binnengaan hij) | tôi elthein auton ( het binnengaan hij) |
| plaatsbepaling | eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) | eis oikon tinos tôn archôntôn tôn Farisaiôn (in het huis van iemand van de leiders van de Farizeeën |
| sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten) | ||
| 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 -Mt 12,9-14 - |
De structuur van Lc 14,1a komt sterk overeen met Lc 6,6. Immers Lc 14,1-6 gelijkt sterk op Lc 6,6-11. Het thema van het gaan eten bij een Farizeeër is hetzelfde als in Lc 7,36 en Lc 11,37. Er is evenwel een verschil met Lc 7,36 en Lc 11,37. Op die plaatsen werd Jezus op een maaltijd gevraagd en Jezus ging erop in. In Lc 14,1a wordt verondersteld dat Jezus door een Farizeeër werd gevraagd. Evenals Lc 7,36 als Lc 11,37 bevat Lc 14,1a 32 lettergrepen. In de drie gevallen gaat het om het eten in een huis van een Farizeeër.
Het gebeurt meer dat Jezus aan een maaltijd deelneemt. Bij de Farizeeën wordt Jezus gevraagd. Blijkbaar bestaat er een verschil tussen vragen en uitnodigen. Uitnodigen is iemand onbevangen onthalen, is ontvangen. Vragen heeft hier niet de bedoeling om te ontvangen, maar om te vangen. De Farizeeën zijn bevangen.
| Jezus wordt door een Farizeeër op een maaltijd gevraagd en Jezus gaat op de vraag in | ||
| Lc 7,36 - | Lc 11,37 - | Lc 14,1a - |
| En de tôi lalèsai (tijdens het spreken echter) | ||
| èrôta de (vroeg echter) | erôtai (vraagt) | |
| tis (iemand) ... tôn farisaiôn (van de farizeeën) | ... farizaios (een farizeeër) | tinos tôn archôntôn tôn farisaiôn (van één van de leiders van de farizeeën) |
| auton (hem) | auton (hem) | |
| hina (opdat) | hopôs (opdat) | |
| fagèi (hij zou eten) | aristèsèi ( aristaô : eten; de eerste maaltijd nemen (hij zou eten) | sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten) |
| met'autou (met hem) | par'autôi (bij hem) | |
| kai (en) | ||
| eiselthôn (binnengegaan) | eiselthôn (binnengegaan) de (echter) | kai egeneto en tôi elthein auton (en het gebeurde in het gaan ) |
| eis ton oikon (in het huis) | eis oikon (naar het huis).... | |
| kateklithè (lag hij aan) (kataklinô : aanliggen) | anepesen (lag hij aan) (anapiptô = ) | |
| 115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 - | 204. Rede tegen de farizeeën en wetgeleerden : Lc 11,37-54 - | 230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - |
Het doel van het gaan van Jezus naar het huis van één van de Farizeeën is het gebruiken van een maaltijd. Dat blijkt duidelijk uit een vergelijking van Lc 14,1 met Lc 7,36 en Lc 11,37. De infinitiefzin sabbatôi fagein arton (om op sabbat een broodmaaltijd te gebruiken - om brood te eten) komt na de infinitiefzin elthein... (gaan naar). We zouden eerder sabbatôi (sabbat) na egeneto en (het gebeurde op) verwachten. Het is niet vanzelfsprekend dat twee infinitiefzinnen op elkaar volgen. We hadden ook eiselthein (binnengaan in) verwacht in plaats van elthein (gaan) . De bepaling bij eis oikon (naar het huis) nl. van één van de leiders van de Farizeeën, komt nogal langdradig over. Was het opzet van Lucas om tot 32 lettergrepen te komen? Zou dit alles kunnen wijzen op een redactie van Lucas die enerzijds zijn vertrouwde formule egeneto (het gebeurde) gebruikt en anderzijds recht wil doen aan zijn bron. Het geheel geeft een minder geslaagde indruk.
| Eenzelfde thema : mag je op sabbat genezen. In twee verschillende situaties | genezing in de synagoge | genezing in een huis van de leiders van de Farizeeën | |||
| Mc 2,23 // Lc 6,1 | Lc 6,1 // Mc 2,23 | Mc 3,1 // Lc 6,6 | Lc 6,6 // Mc 3,1 - Lc 6,6-11 - | Lc 14,1a - Lc 14,1-6 - | |
| nevenschikkend voegwoord | kai (en) | kai (en) | Kai (en) | ||
| hoofdwerkwoord | egeneto (het gebeurde) | egeneto de (het gebeurde echter) | egeneto de (het gebeurde echter) | egeneto (het gebeurde) | |
| voorzetsel | auton en (dat hij op) | en (op) | en (op) | en (in) | |
| lidwoord | tois sabbasin (sabbat) | sabbatôi ( sabbat) | heterôi sabbatôi (een andere sabbat) | ||
| werkwoord in de infinitief | paraporeuesthai (doortrok) | diaporeuesthai auton (doortrekken hij) | eisèlthen palin (hij ging opnieuw binnen) | eiselthein auton (binnengaan hij) | tôi elthein auton ( het binnengaan hij) |
| plaatsbepaling | dia tôn sporimôn (door de korenvelden) | dia sporimôn (door korenvelden) | eis sunagôgèn (in een synagoge) | eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) | eis oikon tinos tôn archôntôn tôn Farisaiôn (in het huis van iemand van de leiders van de Farizeeën |
| sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten) | |||||
| 94. Aren uittrekken op sabbat : - Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 - | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 -Mt 12,9-14 - |
230.1.2. Lc 14,1b : zij hielden hem in het oog
| Mc 3,2 // Lc 6,7 | Lc 6,7 // Mc 3,2 | Lc 14,1 | Lc 20,20 | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||
| autoi (zij) | paratèrèsantes (in het oog houdend) | |||
| paretèroun (zij hielden in het oog) | paretèrounto de (zij hielden echter in het oog) | èsan paratèroumenoi (waren in het oog aan het houden) | ||
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | ||
| 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - |
paratèreô : in het oog houden, nauwkeurig observeren
| Mc 3,1-6 // Lc 6,6-11 | Lc 6,6-11 // Mc 3,3-6 | Lc 14,1-6 | Lc 20,20-26 |
| 2. kai (en) paretèroun auton (zij hielden hem in het oog) | 6. paretèrounto de auton (zij hielden hem echter in het oog) hoi grammateis kai hoi Farizaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) | 1. ... eis oikon tinos tôn archontôn tôn Farizaiôn (naar het huis van één van de leiders van de Farizeeën) kai autoi èsan paratèroumenoi auton (en zij waren hem in het oog aan het houden) | 20. Kai paratèrèsantes (en zij - in het oog houdende) |
| hina kaègorèsôsin autou (opdat zij hem zouden aanklagen) | hina heurôsin katègorein autou (opdat zij zouden vinden om hem aan te klagen) | hina epilabôntai autou logou hôste paradounai auton ... (opdat zij hem op zijn woord zouden pakken om hem over te leveren) | |
| 4. exestin ... è (is het toegelaten om ... of ...) | 9. ei exestin ... è ... (of het toegelaten is ... of ... ) | 3. exestin... è (is het toegelatern om... of... ) | |
| hoi de esiôpôn (zij echter zwegen) | - | 4. hoi de èsuchasan (zij echter hielden zich stil) | |
| 6. kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou, hopôs auton apolesôsin (en naar buiten gaande de Farizeeën samen met de Herodianen overlegden onmiddellijktegen hem om hem te doden | 11. ... kai dielaloun pros allèlous t´an poièsaien tôi Ièsou (en zij praten onder elkaar, wat zij met Jezus zouden doen) | 6. kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta (en zij waren niet in staat om daarop te antwoorden) | |
231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11- verwijzingen -- Lc 14,7 - Lc 14,8 - Lc 14,9 - Lc 14,10 - Lc 14,11 -
Jezus werd aan tafel gevraagd of uitgenodigd door schriftgeleerden en Farizeeën of door tollenaars . Blijkbaar heeft Jezus één en ander gezien bij feesten , aan tafel enz. Hier zien we hoe sommige mensen zich belangrijker wanen dan anderen en een plaatsje dichter bij degene die hen heeft uitgenodigd gaan zitten , want hoe dichter bij de gastheer , hoe belangrijker .
| Lc 14,7 - Lc 14,7 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende,
hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
King James Bible . [7] And he put forth a parable to those which were bidden,
when he marked how they chose out the chief rooms; saying unto them,
Luther-Bibel . 7 Er sagte aber ein Gleichnis zu den Gästen, als er merkte, wie
sie suchten, obenan zu sitzen, und sprach zu ihnen:
Tekstuitleg van Lc 14,7 .
| Lc 14,8 - Lc 14,8 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo
zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij
van hem genood zij;
King James Bible . [8] When thou art bidden of any man to a wedding, sit not
down in the highest room; lest a more honourable man than thou be bidden of
him;
Luther-Bibel . 8 Wenn du von jemandem zur Hochzeit geladen bist, so setze dich
nicht obenan; denn es könnte einer eingeladen sein, der vornehmer ist als du,
Tekstuitleg van Lc 14,8 .
| Lc 14,9 - Lc 14,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge:
Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats
te houden.
King James Bible . [9] And he that bade thee and him come and say to thee, Give
this man place; and thou begin with shame to take the lowest room.
Luther-Bibel . 9 und dann kommt der, der dich und ihn eingeladen hat, und sagt
zu dir: Weiche diesem!, und du musst dann beschämt untenan sitzen.
Tekstuitleg van Lc 14,9 .
| Lc 14,10 - Lc 14,10 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in
de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge:
Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
King James Bible . [10] But when thou art bidden, go and sit down in the lowest
room; that when he that bade thee cometh, he may say unto thee, Friend, go up
higher: then shalt thou have worship in the presence of them that sit at meat
with thee.
Luther-Bibel . 10 Sondern wenn du eingeladen bist, so geh hin und setz dich
untenan, damit, wenn der kommt, der dich eingeladen hat, er zu dir sagt: Freund,
rücke hinauf! Dann wirst du Ehre haben vor allen, die mit dir zu Tisch sitzen.
Tekstuitleg van Lc 14,10 .
| Lc 14,11 - Lc 14,11 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd
worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
King James Bible . [11] For whosoever exalteth himself shall be abased; and
he that humbleth himself shall be exalted.
Luther-Bibel . 11 Denn wer sich selbst erhöht, der soll erniedrigt werden; und
wer sich selbst erniedrigt, der soll erhöht werden.
Tekstuitleg van Lc 14,11 .
Twee situaties waarin de wijsheid van toepassing is :
| bij een bruiloft | in de tempel | |||
| Lc 14,11a | Lc 18,14b - Lc 18,9-14 - | Lc 14,11b | Lc 18,14c - Lc 18,9-14 - | |
| redengevend voegwoord | hoti (omdat) | hoti (omdat) | kai (en) | |
| onderwerp (totaliteit) | pas (ieder) ho hupsôn (de verheffende) | pas (ieder) ho hupsôn (de verheffende) | ho tapeinôn (wie klein maakt) | ho de tapeinôn (wie echter klein maakt) |
| lijdend voorwerp bij het participium | heauton (zichzelf) | heauton (zichzelf) | heauton (zichzelf) | heauton (zichzelf) |
| tapeinôthèsetai (zal vernederd worden) | tapeinôthèsetai (zal vernederd worden) | hupsôthèsetai (zal verheven worden) | hupsôthèsetai (zal verheven worden) | |
| 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 | 263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 - | 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 | 263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 - |
Het gaat hier om wijsheid : wie zich verheft , zal vernederd worden en wie
zich klein maakt , zal verheven worden . Deze wijsheid kan in vele situaties
van toepassing zijn . Lucas geeft twee concrete voorbeelden . Het ene gebeuren
speelt zich af bij gelegenheid van een bruiloft , het andere in de tempel .
Telkens schetst Lucas de tegenstelling . In Lc
18,9-14 verheft de Farizeeër zich (Lc 18,11-12) en vernedert de tollenaar
zich (Lc 18,13) . Wie zichzelf opblaast / Wie bluft , komt er kleintjes uit
. Wie zich opdringt , zal een stapje achteruit moeten doen . Het gaat om een
bepaalde levenshouding .
Op een feest vertrouw je je toe aan de gastheer in de overtuiging dat hij zorg
draagt voor zijn gast . Iemand uitnodigen is een uiting van vriendschap vanwege
de gastheer . Hij bepaalt de plaatsen van de genodigden . Niet de genodigden
leggen beslag op de plaatsen en hanteren het recht van de sterkste . De gastheer
hanteert de gunst .
13. act. ind. praes. 3de pers. enk. + act. imperat. praes. 2de pers. enk. fônei (roep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 14,12 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .
1ste deel
| Lc 14,8 - Lc 14,7-11 - | Lc 14,10 - Lc 14,7-11 - | Lc 14,12 - Lc 14,12-14 - | Lc 14,13 - Lc 14,12-14 |
| all' (maar) | all' (maar) | ||
| hotan (wanneer) | hotan (wanneer) | hotan (wanneer) | hotan (wanneer) |
| klèthèis (je werd uitgenodigd) | klèthèis (je werd uitgenodigd) | poièis ariston è deipnon (je een middagmaal of een gastenmaal aanbiedt) | dochèn poièis (je een gastmaal aanbiedt...) |
| hupo tinos eis gamous (door iemand tot een gastmaal) | |||
| poreutheis (gekomen) | |||
| mè kataklithèis (ga niet aanliggen) | anapese (ga aan tafel) | mè fônei tous filous... (nodig niet uit je vrienden...) | kalei (hij nodige...) |
| eis tèn prôtoklisian (op de eerste plaats) | eis ton eschaton topon (op de laatste plaats) | ||
| mèpote (misschien) | mèpote (misschien) | ||
| 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11 - | 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11 - | 232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14 - Lc 14,12-14 | 232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14 - Lc 14,12-14 |
2de deel
| Lc 14,9 - Lc 14,7-11 - | Lc 14,10b - Lc 14,7-11 - |
| kai elthôn ho se kai auton kalesas (en gekomen hij die u en hem heeft uitgenodigd) | hina hotan elthèi ho keklèkôs se |
| erei soi (zal zeggen aan u) | erei soi (zal zeggen aan u) |
| dos toutôi topon (geef aan deze plaats) | file (vriend) prosanabèthi anôteron (ga hogerop) |
| kai tote (en dan) | tote (dan) |
| arxèi meta aischunès ton eschaton topon katechein (zult u innemen met schaamte de laatste plaats) | estai soi doxa enôpion autôn tôn sunanakeimenôn soi (zal zijn voor jou eer ten overstaan van allen die met jou aanliggen) |
| - 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 | - 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 |
232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14
| Lc 14,12 - Lc 14,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer
gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch
uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet
te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.
King James Bible . [12] Then said he also to him that bade him, When thou makest
a dinner or a supper, call not thy friends, nor thy brethren, neither thy kinsmen,
nor thy rich neighbours; lest they also bid thee again, and a recompence be
made thee.
Luther-Bibel . 12 Er sprach aber auch zu dem, der ihn eingeladen hatte: Wenn
du ein Mittags- oder Abendmahl machst, so lade weder deine Freunde noch deine
Brüder noch deine Verwandten noch reiche Nachbarn ein, damit sie dich nicht
etwa wieder einladen und dir vergolten wird.
Tekstuitleg van Lc 14,12 .
| Lc 14,13 - Lc 14,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen,
verminkten, kreupelen, blinden;
King James Bible . [13] But when thou makest a feast, call the poor, the maimed,
the lame, the blind:
Luther-Bibel . 13 Sondern wenn du ein Mahl machst, so lade Arme, Verkrüppelte,
Lahme und Blinde ein,
Tekstuitleg van Lc 14,13 .
| Lc 14,14 - Lc 14,14 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te
vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
King James Bible . [14] And thou shalt be blessed; for they cannot recompense
thee: for thou shalt be recompensed at the resurrection of the just.
Luther-Bibel . 14 dann wirst du selig sein, denn sie haben nichts, um es dir
zu vergelten; es wird dir aber vergolten werden bei der Auferstehung der Gerechten.
Tekstuitleg van Lc 14,14 .
233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc 14,15-24 // (Mt 22,1-10)
| Lc 14,15 (toehoorder) - Lc 14,15-24 - | Lc 14,16 (Jezus) | Lc 14,17 | Lc 14,18b | Lc 14,19 | Lc 14,20 | Lc 14,21c | Lc 14,22 | Lc 14,23 | |
| ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |||||
| ho prôtos (de eerste) | heteros (een ander) | heteros (een ander) | |||||||
| eipen (zei) | eipen (zei) | eipein (om te zeggen) | eipen (zei) | eipen (zei) | eipen (zei) | eipen (hij zei) | eipen (zei) | eipen (zei) | |
| ho doulos (de dienaar) | ho kurios (de heer) | ||||||||
| autôi (hem) | autôi (hem) | tôi doulôi autou (aan zijn dienaar) | pros ton doulon (tot de dienaar) | ||||||
| 233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc 14,15-24 // (Mt 22,1-10) | |||||||||
| Lc 14,15 - Lc 14,15 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen
hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.
King James Bible . [15] And when one of them that sat at meat with him heard
these things, he said unto him, Blessed is he that shall eat bread in the kingdom
of God.
Luther-Bibel . 15 Als aber einer das hörte, der mit zu Tisch saß, sprach er
zu Jesus: Selig ist, der das Brot isst im Reich Gottes!
Tekstuitleg van Lc 14,15 ..
12. acc. mann. enk. arton van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het N.T. : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Bijbel (133) . LXX (96) . N.T. (37) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het N.T. (97) , in de LXX (307) .
| Lc 14,16 - Lc 14,16 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot
avondmaal, en hij noodde er velen.
King James Bible . [16] Then said he unto him, A certain man made a great supper,
and bade many:
Luther-Bibel . 16 Er aber sprach zu ihm: Es war ein Mensch, der machte ein großes
Abendmahl und lud viele dazu ein.
Tekstuitleg van Lc 14,16 .
12. acc. mann. mv. pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) . Taalgebruik in Hnd : polus (veel) . Taalgebruik in de Septuaginta : polus (veel) . Hebr. rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenach : rab (veel, talrijk, groot) . N. veel . D. veil . Lat. multus . E. many . Fr. nombreus (tal-rijk) . Lc (3) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 14,16 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 14 (2) : (1) Lc 14,16 . (2) Lc 14,25 . In Lc : X vormen van polus (veel) in 44 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van polus (veel) in 46 verzen in 25 / 28 hoofdstukken .
| Lc 14,17 - Lc 14,17 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals,
om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
King James Bible . [17] And sent his servant at supper time to say to them that
were bidden, Come; for all things are now ready.
Luther-Bibel . 17 Und er sandte seinen Knecht aus zur Stunde des Abendmahls,
den Geladenen zu sagen: Kommt, denn es ist alles bereit!
Tekstuitleg van Lc 14,17 .
| Lc 14,18 - Lc 14,18 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen.
De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga,
en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
King James Bible . [18] And they all with one consent began to make excuse.
The first said unto him, I have bought a piece of ground, and I must needs go
and see it: I pray thee have me excused.
Luther-Bibel . 18 Und sie fingen an alle nacheinander, sich zu entschuldigen.
Der erste sprach zu ihm: Ich habe einen Acker gekauft und muss hinausgehen und
ihn besehen; ich bitte dich, entschuldige mich.
Tekstuitleg van Lc 14,18 .
| Lc 14,19 - Lc 14,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en
ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
King James Bible . [19] And another said, I have bought five yoke of oxen, and
I go to prove them: I pray thee have me excused.
Luther-Bibel . 19 Und der zweite sprach: Ich habe fünf Gespanne Ochsen gekauft
und ich gehe jetzt hin, sie zu besehen; ich bitte dich, entschuldige mich.
Tekstuitleg van Lc 14,19 .
| Lc 14,20 - Lc 14,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom
kan ik niet komen.
King James Bible . [20] And another said, I have married a wife, and therefore
I cannot come.
Luther-Bibel . 20 Und der dritte sprach: Ich habe eine Frau genommen; darum
kann ich nicht kommen.
Tekstuitleg van Lc 14,20 .
| Lc 14,21 - Lc 14,21 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 21 En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte
deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn
dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de
armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
King James Bible . [21] So that servant came, and shewed his lord these things.
Then the master of the house being angry said to his servant, Go out quickly
into the streets and lanes of the city, and bring in hither the poor, and the
maimed, and the halt, and the blind.
Luther-Bibel . 21 Und der Knecht kam zurück und sagte das seinem Herrn. Da wurde
der Hausherr zornig und sprach zu seinem Knecht: Geh schnell hinaus auf die
Straßen und Gassen der Stadt und führe die Armen, Verkrüppelten, Blinden und
Lahmen herein.
Tekstuitleg van Lc 14,21 . Het vers Lc 14,21 telt 38 (2 X 19) woorden en 201 (3 X 67) letters . De getalwaarde van Lc 14,21 is 28081 .
Lc 14,21.18.
imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan,
naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Lc (5) : (1) Lc
4,35 . (2) Lc
5,8 . (3) Lc
13,31 . (4) Lc
14,21 . (5) Lc
14,23 .
| Lc 14,22 - Lc 14,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk
gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
King James Bible . [22] And the servant said, Lord, it is done as thou hast
commanded, and yet there is room.
Luther-Bibel . 22 Und der Knecht sprach: Herr, es ist geschehen, was du befohlen
hast; es ist aber noch Raum da.
Tekstuitleg van Lc 14,22 .
| Lc 14,23 - Lc 14,23 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen
en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
King James Bible . [23] And the lord said unto the servant, Go out into the
highways and hedges, and compel them to come in, that my house may be filled.
Luther-Bibel . 23 Und der Herr sprach zu dem Knecht: Geh hinaus auf die Landstraßen
und an die Zäune und nötige sie hereinzukommen, dass mein Haus voll werde.
Tekstuitleg van Lc 14,23 . Het vers Lc 14,23 telt 21 (3 X 7) woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 14,23 is 7511 (7 X 29 X 31) .
Lc 14,23.8.
imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan,
naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven .
Lc (5) : (1) Lc
4,35 . (2) Lc
5,8 . (3) Lc
13,31 . (4) Lc
14,21 . (5) Lc
14,23 .
| Lc 14,24 - Lc 14,24 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 24 Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood
waren, mijn avondmaal smaken zal.
King James Bible . [24] For I say unto you, That none of those men which were
bidden shall taste of my supper.
Luther-Bibel . 24 Denn ich sage euch, dass keiner der Männer, die eingeladen
waren, mein Abendmahl schmecken wird.
Tekstuitleg van Lc 14,24 .
Evangelielezing van de 23ste
(drieentwintigste) zondag door het c-jaar : Lc
14,25-33 (Verwijzing : Lc
14,25-33) :
In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee; Hij keerde zich om en zei
tot hen: "Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw
en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan
hij mijn leerling niet zijn. Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt
kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand van u een toren wil bouwen, zal
hij dan niet eerst er voor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel
genoeg bezit om hem te voltooien? Anders zou het hem kunnen overkomen, –
als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien
– dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te
bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen. Of welke koning zal,
– als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken – niet
eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te
bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Zo niet, dan
stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om
de vredesvoorwaarden. Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet
losmaakt van al wat hij bezit.
234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 -
| Lc 14,25 - Lc 14,25 : 234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 25 En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende,
zeide tot hen:
King James Bible . [25] And there went great multitudes with him: and he turned,
and said unto them,
Luther-Bibel . 25 Es ging aber eine große Menge mit ihm; und er wandte sich
um und sprach zu ihnen:
Tekstuitleg van Lc 14,25 .
5. nom. mann. mv. polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik
in het N.T. : polus
(veel) . Taalgebruik in Lc : polus
(veel) .
Lc (8) : (1) Lc
1,1 . (2) Lc
1,14 . (3) Lc
4,27 . (4) Lc
5,15 . (5) Lc
10,24 . (6) Lc
13,24 . (7) Lc
14,25 . (8) Lc
21,8 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 14 () :
4. - 5. ochloi polloi (vele menigten) . Lc (2) : (1) Lc 5,15 . (2) Lc 14,25 .
| Lc 14,26 - Lc 14,26 : 234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 26 Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en
moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen
leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [26] If any man come to me, and hate not his father, and
mother, and wife, and children, and brethren, and sisters, yea, and his own
life also, he cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 26 Wenn jemand zu mir kommt und hasst nicht seinen Vater, Mutter,
Frau, Kinder, Brüder, Schwestern und dazu sich selbst, der kann nicht mein Jünger
sein.
Tekstuitleg van Lc 14,26 .
Persoonlijke vertaling : en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zussen verder nog ook zijn eigen leven
In Lc 14,26 is sprake van vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen,
zijn eigen leven.
misei (hij haat) van het werkwoord miseô (haten, veronachtzamen, verwaarlozen)
. In deze vorm in 6 verzen in de evangelies; in 1 vers in Lucas, nl. Lc 14,26
en in 5 verzen bij Johannes.
235. Zijn kruis dragen : Lc 14,27 // (Mt 10,38)
| Lc 14,27 - Lc 14,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan
Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [27] And whosoever doth not bear his cross, and come after
me, cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 27 Und wer nicht sein Kreuz trägt und mir nachfolgt, der kann
nicht mein Jünger sein.
Tekstuitleg van Lc 14,27 .
236. De leerling moet goed weten wat hij aangaat : Lc 14,28-33
| Lc 14,28 - Lc 14,28 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 28 Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst
neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig
is?
King James Bible . [28] For which of you, intending to build a tower, sitteth
not down first, and counteth the cost, whether he have sufficient to finish
it?
Luther-Bibel . 28 Denn wer ist unter euch, der einen Turm bauen will und setzt
sich nicht zuvor hin und überschlägt die Kosten, ob er genug habe, um es auszuführen,
–
Tekstuitleg van Lc 14,28 .
| Lc 14,29 - Lc 14,29 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 29 Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft,
en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.
King James Bible . [29] Lest haply, after he hath laid the foundation, and is
not able to finish it, all that behold it begin to mock him,
Luther-Bibel . 29 damit nicht, wenn er den Grund gelegt hat und kann's nicht
ausführen, alle, die es sehen, anfangen, über ihn zu spotten,
Tekstuitleg van Lc 14,29 .
| Lc 14,30 - Lc 14,30 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 30 Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft
niet kunnen voleindigen.
King James Bible . [30] Saying, This man began to build, and was not able to
finish.
Luther-Bibel . 30 und sagen: Dieser Mensch hat angefangen zu bauen und kann's
nicht ausführen?
Tekstuitleg van Lc 14,30 .
| Lc 14,31 - Lc 14,31 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 31 Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen
koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met
tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?
King James Bible . [31] Or what king, going to make war against another king,
sitteth not down first, and consulteth whether he be able with ten thousand
to meet him that cometh against him with twenty thousand?
Luther-Bibel . 31 Oder welcher König will sich auf einen Krieg einlassen gegen
einen andern König und setzt sich nicht zuvor hin und hält Rat, ob er mit zehntausend
dem begegnen kann, der über ihn kommt mit zwanzigtausend?
Tekstuitleg van Lc 14,31 .
| Lc 14,32 - Lc 14,32 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 32 Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog
verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.
King James Bible . [32] Or else, while the other is yet a great way off, he
sendeth an ambassage, and desireth conditions of peace.
Luther-Bibel . 32 Wenn nicht, so schickt er eine Gesandtschaft, solange jener
noch fern ist, und bittet um Frieden.
Tekstuitleg van Lc 14,32 .
| Lc 14,33 - Lc 14,33 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 33 Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat
hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [33] So likewise, whosoever he be of you that forsaketh not
all that he hath, he cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 33 So auch jeder unter euch, der sich nicht lossagt von allem,
was er hat, der kann nicht mein Jünger sein.
Tekstuitleg van Lc 14,33 .
237. Gelijkenis van het zout : Lc 14,34-35 // (Mc 9,50)
// (Mt 5,13)
| Lc 14,34 - Lc 14,34 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden
is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
King James Bible . [34] Salt is good: but if the salt have lost his savour,
wherewith shall it be seasoned?
Luther-Bibel . 34 Das Salz ist etwas Gutes; wenn aber das Salz nicht mehr salzt,
womit soll man würzen?
Tekstuitleg van Lc 14,34 .
| Lc 14,35 - Lc 14,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 35 Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam;
men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.
King James Bible . [35] It is neither fit for the land, nor yet for the dunghill;
but men cast it out. He that hath ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . 35 Es ist weder für den Acker noch für den Mist zu gebrauchen,
sondern man wird's wegwerfen. Wer Ohren hat zu hören, der höre!
Tekstuitleg van Lc 14,35 .
9. exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô
(buiten) . Taalgebruik in Mc : exô
(buiten) .
Lc (10) : (1) Lc
1,10 . (2) Lc
4,29 . (3) Lc
8,20 . (4) Lc
13,25 . (5) Lc
13,28 . (6) Lc
13,33 . (7) Lc
14,35 . (8) Lc
20,15 . (9) Lc
22,62 . (10) Lc
24,50 .
LXX
1kai egeneto en tô elthein auton eis oikon tinos tôn archontôn [tôn] farisaiôn sabbatô fagein arton kai autoi èsan paratèroumenoi auton. 2kai idou anthrôpos tis èn udrôpikos emprosthen autou. 3kai apokritheis o ièsous eipen pros tous nomikous kai farisaious legôn, exestin tô sabbatô therapeusai è ou; 4oi de èsuchasan. kai epilabomenos iasato auton kai apelusen. 5kai pros autous eipen, tinos umôn uios è bous eis frear peseitai, kai ouk eutheôs anaspasei auton en èmera tou sabbatou; 6kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta. 7elegen de pros tous keklèmenous parabolèn, epechôn pôs tas prôtoklisias exelegonto, legôn pros autous, 8otan klèthès upo tinos eis gamous, mè kataklithès eis tèn prôtoklisian, mèpote entimoteros sou è keklèmenos up autou, 9kai elthôn o se kai auton kalesas erei soi, dos toutô topon, kai tote arxè meta aischunès ton eschaton topon katechein. 10all otan klèthès poreutheis anapese eis ton eschaton topon, ina otan elthè o keklèkôs se erei soi, file, prosanabèthi anôteron: tote estai soi doxa enôpion pantôn tôn sunanakeimenôn soi. 11oti pas o upsôn eauton tapeinôthèsetai kai o tapeinôn eauton upsôthèsetai. 12elegen de kai tô keklèkoti auton, otan poiès ariston è deipnon, mè fônei tous filous sou mède tous adelfous sou mède tous suggeneis sou mède geitonas plousious, mèpote kai autoi antikalesôsin se kai genètai antapodoma soi. 13all otan dochèn poiès, kalei ptôchous, anapeirous, chôlous, tuflous: 14kai makarios esè, oti ouk echousin antapodounai soi, antapodothèsetai gar soi en tè anastasei tôn dikaiôn. 15akousas de tis tôn sunanakeimenôn tauta eipen autô, makarios ostis fagetai arton en tè basileia tou theou. 16o de eipen autô, anthrôpos tis epoiei deipnon mega, kai ekalesen pollous, 17kai apesteilen ton doulon autou tè ôra tou deipnou eipein tois keklèmenois, erchesthe, oti èdè etoima estin. 18kai èrxanto apo mias pantes paraiteisthai. o prôtos eipen autô, agron ègorasa kai echô anagkèn exelthôn idein auton: erôtô se, eche me parètèmenon. 19kai eteros eipen, zeugè boôn ègorasa pente kai poreuomai dokimasai auta: erôtô se, eche me parètèmenon. 20kai eteros eipen, gunaika egèma kai dia touto ou dunamai elthein. 21kai paragenomenos o doulos apèggeilen tô kuriô autou tauta. tote orgistheis o oikodespotès eipen tô doulô autou, exelthe tacheôs eis tas plateias kai rumas tès poleôs, kai tous ptôchous kai anapeirous kai tuflous kai chôlous eisagage ôde. 22kai eipen o doulos, kurie, gegonen o epetaxas, kai eti topos estin. 23kai eipen o kurios pros ton doulon, exelthe eis tas odous kai fragmous kai anagkason eiselthein, ina gemisthè mou o oikos: 24legô gar umin oti oudeis tôn andrôn ekeinôn tôn keklèmenôn geusetai mou tou deipnou. 25suneporeuonto de autô ochloi polloi, kai strafeis eipen pros autous, 26ei tis erchetai pros me kai ou misei ton patera eautou kai tèn mètera kai tèn gunaika kai ta tekna kai tous adelfous kai tas adelfas, eti te kai tèn psuchèn eautou, ou dunatai einai mou mathètès. 27ostis ou bastazei ton stauron eautou kai erchetai opisô mou ou dunatai einai mou mathètès. 28tis gar ex umôn thelôn purgon oikodomèsai ouchi prôton kathisas psèfizei tèn dapanèn, ei echei eis apartismon; 29ina mèpote thentos autou themelion kai mè ischuontos ektelesai pantes oi theôrountes arxôntai autô empaizein 30legontes oti outos o anthrôpos èrxato oikodomein kai ouk ischusen ektelesai. 31è tis basileus poreuomenos eterô basilei sumbalein eis polemon ouchi kathisas prôton bouleusetai ei dunatos estin en deka chiliasin upantèsai tô meta eikosi chiliadôn erchomenô ep auton; 32ei de mè ge, eti autou porrô ontos presbeian aposteilas erôta ta pros eirènèn. 33outôs oun pas ex umôn os ouk apotassetai pasin tois eautou uparchousin ou dunatai einai mou mathètès. 34kalon oun to alas: ean de kai to alas môranthè, en tini artuthèsetai; 35oute eis gèn oute eis koprian eutheton estin: exô ballousin auto. o echôn ôta akouein akouetô.
GRIEKSE TEKST
1kai egeneto en tô elthein auton eis oikon tinos tôn archontôn [tôn] farisaiôn sabbatô fagein arton kai autoi èsan paratèroumenoi auton. 2kai idou anthrôpos tis èn udrôpikos emprosthen autou. 3kai apokritheis o ièsous eipen pros tous nomikous kai farisaious legôn, exestin tô sabbatô therapeusai è ou; 4oi de èsuchasan. kai epilabomenos iasato auton kai apelusen. 5kai pros autous eipen, tinos umôn uios è bous eis frear peseitai, kai ouk eutheôs anaspasei auton en èmera tou sabbatou; 6kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta. 7elegen de pros tous keklèmenous parabolèn, epechôn pôs tas prôtoklisias exelegonto, legôn pros autous, 8otan klèthès upo tinos eis gamous, mè kataklithès eis tèn prôtoklisian, mèpote entimoteros sou è keklèmenos up autou, 9kai elthôn o se kai auton kalesas erei soi, dos toutô topon, kai tote arxè meta aischunès ton eschaton topon katechein. 10all otan klèthès poreutheis anapese eis ton eschaton topon, ina otan elthè o keklèkôs se erei soi, file, prosanabèthi anôteron: tote estai soi doxa enôpion pantôn tôn sunanakeimenôn soi. 11oti pas o upsôn eauton tapeinôthèsetai kai o tapeinôn eauton upsôthèsetai. 12elegen de kai tô keklèkoti auton, otan poiès ariston è deipnon, mè fônei tous filous sou mède tous adelfous sou mède tous suggeneis sou mède geitonas plousious, mèpote kai autoi antikalesôsin se kai genètai antapodoma soi. 13all otan dochèn poiès, kalei ptôchous, anapeirous, chôlous, tuflous: 14kai makarios esè, oti ouk echousin antapodounai soi, antapodothèsetai gar soi en tè anastasei tôn dikaiôn. 15akousas de tis tôn sunanakeimenôn tauta eipen autô, makarios ostis fagetai arton en tè basileia tou theou. 16o de eipen autô, anthrôpos tis epoiei deipnon mega, kai ekalesen pollous, 17kai apesteilen ton doulon autou tè ôra tou deipnou eipein tois keklèmenois, erchesthe, oti èdè etoima estin. 18kai èrxanto apo mias pantes paraiteisthai. o prôtos eipen autô, agron ègorasa kai echô anagkèn exelthôn idein auton: erôtô se, eche me parètèmenon. 19kai eteros eipen, zeugè boôn ègorasa pente kai poreuomai dokimasai auta: erôtô se, eche me parètèmenon. 20kai eteros eipen, gunaika egèma kai dia touto ou dunamai elthein. 21kai paragenomenos o doulos apèggeilen tô kuriô autou tauta. tote orgistheis o oikodespotès eipen tô doulô autou, exelthe tacheôs eis tas plateias kai rumas tès poleôs, kai tous ptôchous kai anapeirous kai tuflous kai chôlous eisagage ôde. 22kai eipen o doulos, kurie, gegonen o epetaxas, kai eti topos estin. 23kai eipen o kurios pros ton doulon, exelthe eis tas odous kai fragmous kai anagkason eiselthein, ina gemisthè mou o oikos: 24legô gar umin oti oudeis tôn andrôn ekeinôn tôn keklèmenôn geusetai mou tou deipnou. 25suneporeuonto de autô ochloi polloi, kai strafeis eipen pros autous, 26ei tis erchetai pros me kai ou misei ton patera eautou kai tèn mètera kai tèn gunaika kai ta tekna kai tous adelfous kai tas adelfas, eti te kai tèn psuchèn eautou, ou dunatai einai mou mathètès. 27ostis ou bastazei ton stauron eautou kai erchetai opisô mou ou dunatai einai mou mathètès. 28tis gar ex umôn thelôn purgon oikodomèsai ouchi prôton kathisas psèfizei tèn dapanèn, ei echei eis apartismon; 29ina mèpote thentos autou themelion kai mè ischuontos ektelesai pantes oi theôrountes arxôntai autô empaizein 30legontes oti outos o anthrôpos èrxato oikodomein kai ouk ischusen ektelesai. 31è tis basileus poreuomenos eterô basilei sumbalein eis polemon ouchi kathisas prôton bouleusetai ei dunatos estin en deka chiliasin upantèsai tô meta eikosi chiliadôn erchomenô ep auton; 32ei de mè ge, eti autou porrô ontos presbeian aposteilas erôta ta pros eirènèn. 33outôs oun pas ex umôn os ouk apotassetai pasin tois eautou uparchousin ou dunatai einai mou mathètès. 34kalon oun to alas: ean de kai to alas môranthè, en tini artuthèsetai; 35oute eis gèn oute eis koprian eutheton estin: exô ballousin auto. o echôn ôta akouein akouetô.
VULGAAT
1 et factum est cum intraret in domum cuiusdam principis Pharisaeorum sabbato manducare panem et ipsi observabant eum 2 et ecce homo quidam hydropicus erat ante illum 3 et respondens Iesus dixit ad legis peritos et Pharisaeos dicens si licet sabbato curare 4 at illi tacuerunt ipse vero adprehensum sanavit eum ac dimisit 5 et respondens ad illos dixit cuius vestrum asinus aut bos in puteum cadet et non continuo extrahet illum die sabbati 6 et non poterant ad haec respondere illi 7 dicebat autem et ad invitatos parabolam intendens quomodo primos accubitus eligerent dicens ad illos 8 cum invitatus fueris ad nuptias non discumbas in primo loco ne forte honoratior te sit invitatus ab eo 9 et veniens is qui te et illum vocavit dicat tibi da huic locum et tunc incipias cum rubore novissimum locum tenere 10 sed cum vocatus fueris vade recumbe in novissimo loco ut cum venerit qui te invitavit dicat tibi amice ascende superius tunc erit tibi gloria coram simul discumbentibus 11 quia omnis qui se exaltat humiliabitur et qui se humiliat exaltabitur 12 dicebat autem et ei qui se invitaverat cum facis prandium aut cenam noli vocare amicos tuos neque fratres tuos neque cognatos neque vicinos divites ne forte et ipsi te reinvitent et fiat tibi retributio 13 sed cum facis convivium voca pauperes debiles claudos caecos 14 et beatus eris quia non habent retribuere tibi retribuetur enim tibi in resurrectione iustorum 15 haec cum audisset quidam de simul discumbentibus dixit illi beatus qui manducabit panem in regno Dei 16 at ipse dixit ei homo quidam fecit cenam magnam et vocavit multos 17 et misit servum suum hora cenae dicere invitatis ut venirent quia iam parata sunt omnia 18 et coeperunt simul omnes excusare primus dixit ei villam emi et necesse habeo exire et videre illam rogo te habe me excusatum 19 et alter dixit iuga boum emi quinque et eo probare illa rogo te habe me excusatum 20 et alius dixit uxorem duxi et ideo non possum venire 21 et reversus servus nuntiavit haec domino suo tunc iratus pater familias dixit servo suo exi cito in plateas et vicos civitatis et pauperes ac debiles et caecos et claudos introduc huc 22 et ait servus domine factum est ut imperasti et adhuc locus est 23 et ait dominus servo exi in vias et sepes et conpelle intrare ut impleatur domus mea 24 dico autem vobis quod nemo virorum illorum qui vocati sunt gustabit cenam meam 25 ibant autem turbae multae cum eo et conversus dixit ad illos 26 si quis venit ad me et non odit patrem suum et matrem et uxorem et filios et fratres et sorores adhuc autem et animam suam non potest esse meus discipulus 27 et qui non baiulat crucem suam et venit post me non potest esse meus discipulus 28 quis enim ex vobis volens turrem aedificare non prius sedens conputat sumptus qui necessarii sunt si habet ad perficiendum 29 ne posteaquam posuerit fundamentum et non potuerit perficere omnes qui vident incipiant inludere ei 30 dicentes quia hic homo coepit aedificare et non potuit consummare 31 aut qui rex iturus committere bellum adversus alium regem non sedens prius cogitat si possit cum decem milibus occurrere ei qui cum viginti milibus venit ad se 32 alioquin adhuc illo longe agente legationem mittens rogat ea quae pacis sunt 33 sic ergo omnis ex vobis qui non renuntiat omnibus quae possidet non potest meus esse discipulus 34 bonum est sal si autem sal quoque evanuerit in quo condietur 35 neque in terram neque in sterquilinium utile est sed foras mittetur qui habet aures audiendi audiat