LUCASEVANGELIE, VEERTIENDE HOOFDSTUK , LC 14 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lc (Lucas) -- Lc 14 -
- Lc 14,25-33 -- Lc 14,1.7-14 .

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
Bijbeluitleg per pericope : - Lc 14,1-6 - Lc 14,1a - Lc 14,7-11 - Lc 14,12-14 - Lc 14,15-24 - Lc 14,25-26 - Lc 14,27 - Lc 14,28-33 - Lc 14,34-35 -
Bijbeluitleg vers per vers : - Lc 14,1 - Lc 14,2 - Lc 14,3 - Lc 14,4 - Lc 14,5 - Lc 14,6 - Lc 14,7 - Lc 14,8 - Lc 14,9 - Lc 14,10 - Lc 14,11 - Lc 14,12 - Lc 14,13 - Lc 14,14 - Lc 14,15 - Lc 14,16 - Lc 14,17 - Lc 14,18 - Lc 14,19 - Lc 14,20 - Lc 14,21 - Lc 14,22 - Lc 14,23 - Lc 14,24 - Lc 14,25 - Lc 14,26 - Lc 14,27 - Lc 14,28 - Lc 14,29 - Lc 14,30 - Lc 14,31 - Lc 14,32 - Lc 14,33 - Lc 14,34 - Lc 14,35 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
http://www.bible-history.com/isbe/            
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik
- Lc 14,1.7-14 : 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar .
- Lc 14,25-33 : 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het veertiende hoofdstuk van het Lucasevangelie :
230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 -
231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 .
232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14 -
233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc 14,15-24 - Mt 22,1-14 -
234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Mt 10,37 -
235. Zijn kruis dragen : Lc 14,27 - Mt 10,38 -
236. De leerling moet goed weten wat hij aangaat : Lc 14,28-33 -
237. Gelijkenis van het zout : Lc 14,34-35 - Mc 9,49-50 - Mt 5,13 -

Evangelie op de 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar : Lc 14,1.7-14 . Lc 14,1.7-14 .

Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om er de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog. Daar Hij opmerkte hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor: "Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats. Het zou kunnen zijn dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij, en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen. Maar wanneer ge ergens genodigd wordt, ga dan op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u de eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen. Want al wie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden." Hij zei ook nog; nu tot zijn gastheer: "Wanneer gij een middagof avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt. Maar als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit. Gelukkig zult ge zijn omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen."

230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6

Lc 14,1-6 zou in 8 deeltjes kunnen ingedeeld worden. Per deeltje is een ander personage: 4X Jezus (1X alleen , 1X met de zieke en 2X tot de Farizeeën; 3X de Farizeeën (die geen woord zeggen); 1X de zieke. In 7 van de 8 deeltjes wordt het nevenschikkend voegwoord kai (en) gebruikt, slechts in 1 deeltje het partikel de (echter). We staan hier voor een kai (en) -tekst: en... en ... en... Messtal volgt op het nevenschikkend voegwoord kai (en) een werkwoordvorm.

 structuur van Lc 14,1-6 - Lc 14,1-6 - 1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.
personage Lc 14,1a (Jezus) Lc 14,1b (de Farizeeën) Lc 14,2 (een mens) Lc 14,3 (Jezus tot de Farizeeën Lc 14,4a (de Farizeeën) Lc 14,4b (Jezus en de zieke) Lc 14,5 (Jezus tot de Farizeeën) Lc 14,6 (de Farizeeën)
nevenschikkend voegwoord kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) hoi de (zij echter) kai (en) kai (en)... kai (en)
  egeneto en tôi elthein (het gebeurde in het binnengaan) autoi èsan ... (en zij waren...) idou (zie apokritheis (antwoordend) hèsuchèsan (zwegen) epilabomenos (bij zich genomen)   ouk ischusan (zij waren niet in staat)
  auton (hij)   anthrôpos tis (een zekere mens) ho Ièsous (Jezus)        
 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Lc 14,1-6 -              

- hèsuchazô : rust houden, zwijgen . hèsuchazô : rust houden, zwijgen . Taalgebruik in Tenakh : hèsuchazô : rust houden, zwijgen .

Lc 14,1 - Lc 14,1 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1kai egeneto en tô elthein auton eis oikon tinos tôn archontôn [tôn] farisaiôn sabbatô fagein arton kai autoi èsan paratèroumenoi auton.  1 et factum est cum intraret in domum cuiusdam principis Pharisaeorum sabbato manducare panem et ipsi observabant eum     Toen Jezus op een sabbat het huis van een van de voornaamste Farizeeën binnenging om er de maaltijd te gebruiken, hielden zij Hem voortdurend in het oog.   1] Op* een sabbat ging Hij bij een van de leiders van de farizeeën thuis eten; zij letten scherp op Hem.   [1] Toen hij op sabbat naar het huis van een vooraanstaande Farizeeër ging, waar hij voor een maaltijd was uitgenodigd, hielden ze hem in het oog.  1 ¶ Het geschiedt als hij binnenkomt in het huis van een van de oversten der farizeeërs, op sabbat, om het brood te eten, dat zij hem in het oog gaan houden.  1. Et il advint, comme il était venu un sabbat chez l'un des chefs des Pharisiens pour prendre un repas, qu'eux étaient à l'observer.  

Statenvertaling . 1 En het geschiedde, als Hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farizeën, op den sabbat, om brood te eten, dat zij Hem waarnamen.
King James Bible . [1] And it came to pass, as he went into the house of one of the chief Pharisees to eat bread on the sabbath day, that they watched him.
Luther-Bibel . 14 1 Und es begab sich, dass er an einem Sabbat in das Haus eines Oberen der Pharisäer kam, das Brot zu essen, und sie belauerten ihn.

Tekstuitleg van Lc 14,1 .

16. acc. mann. enk. αρτον = arton van het zelfst. naamw. αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Bijbel (133) . LXX (96) . NT (37) . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Een vorm van αρτος = artos (brood) in het NT (97) , in de LXX (307) , in Lc (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van αρτος = artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . 10 X een vorm in het enk. , 5X een vorm in het mv. In Hnd : 2 vormen van αρτος = artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn .

artos (brood) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
acc. mann. enk. arton 133 96 37 5 6 7 8 4 7   18 26
Totaal 414 307 97 21 21 15 24 5 11   57 81

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  artos    Lc 4 Lc 6 Lc 7 Lc 9 Lc 11 Lc 14 Lc 15 Lc 22 Lc 24
1.  nom. mann. enk. artos  (1) Lc 4,3                
2.  gen. mann. enk. artou                  (1) Lc 24,35 .
3.  dat. mann. enk. artô(i)   (1) Lc 4,4 .                  
4.  acc. mann. enk. arton 7     (1) Lc 7,33 (2) Lc 9,3 .   (3) Lc 11,3 .   (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 .     (6) Lc 22,19 .   (7) Lc 24,30 .  
5.  nom. + voc. mann. mv. artoi 1       (1) Lc 9,13 .          
6.  gen. mann. mv. artôn 1             (1) Lc 15,17 .    
7.  acc. mann. mv. artous 3   (1) Lc 6,4 .     (2) Lc 9,16 .   (3) Lc 11,5 .          
    15  1 1 3 2 2 1 1 2

- Hebreeuws . לֶחֶמ = lèchèm (brood) . qatl-vorm (לַחמ) ; de 2de medeklinker , een gutturaal , ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc) . Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , chet = 8 , mem = 13 of 40 . Totaal : 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13) . Structuur : 3 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (227) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (69) . In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor .
- Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Aramees : לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem . Arabisch : خُبز = chubz (brood) . Taalgebruik in de Qoran : chubz (brood) . In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis . Zie لَحْم = lachm (vlees) . Taalgebruik in de Qoran : lachm (vlees) .

Lc 14,2 - Lc 14,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2kai idou anthrôpos tis èn udrôpikos emprosthen autou.  2 et ecce homo quidam hydropicus erat ante illum       [2] Opeens stond iemand voor Hem die waterzucht* had.   [2] Er was daar iemand met waterzucht. 2 En zie, zomaar een mens, een waterzuchtige, staat ineens voor hem; 2. Et voici qu'un hydropique se trouvait devant lui. 

Statenvertaling . 2 En ziet, er was een zeker waterzuchtig mens voor Hem.
King James Bible . [2] And, behold, there was a certain man before him which had the dropsy.
Luther-Bibel . 2 Und siehe, da war ein Mensch vor ihm, der war wassersüchtig.

Tekstuitleg van Lc 14,2 .

Lc 14,3 - Lc 14,3 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
3kai apokritheis o ièsous eipen pros tous nomikous kai farisaious legôn, exestin tô sabbatô therapeusai è ou;   3 et respondens Iesus dixit ad legis peritos et Pharisaeos dicens si licet sabbato curare      [3] Daarop vroeg Jezus de wetgeleerden en farizeeën: ‘Mag men op sabbat iemand genezen of niet?’   [3] Jezus vroeg aan de wetgeleerden en de Farizeeën: ‘Is het toegestaan hem op sabbat te genezen of niet?’ 3 ten antwoord zegt Jezus tot de wetkenners en farizeeërs,– hij zegt: kán het, op sabbat heelmaken?– of niet? 3. Prenant la parole, Jésus dit aux légistes et aux Pharisiens : « Est-il permis, le sabbat, de guérir, ou non ? »  

Statenvertaling . 3 En Jezus, antwoordende, zeide tot de wetgeleerden en Farizeën, en sprak: Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken? 4 Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.
King James Bible .
King James Bible . [3] And Jesus answering spake unto the lawyers and Pharisees, saying, Is it lawful to heal on the sabbath day?
Luther-Bibel . 3 Und Jesus fing an und sagte zu den Schriftgelehrten und Pharisäern: Ist's erlaubt, am Sabbat zu heilen oder nicht?

Tekstuitleg van Lc 14,3 .

Lc 14,4 - Lc 14,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4oi de èsuchasan. kai epilabomenos iasato auton kai apelusen.  4 at illi tacuerunt ipse vero adprehensum sanavit eum ac dimisit      [4] Maar zij hielden zich stil. Hij nam de man bij de hand, genas hem en liet hem gaan.   [4] Maar ze zwegen. Hij pakte de man bij de hand, genas hem en stuurde hem weg.   4 Zij blijven stil. Hij neemt hem vast en geneest hem, dan laat hij hem gaan.    4. Et eux se tinrent cois. Prenant alors le malade, il le guérit et le renvoya.  

Statenvertaling . [4] And they held their peace. And he took him, and healed him, and let him go;
Luther-Bibel . 4 Sie aber schwiegen still. Und er fasste ihn an und heilte ihn und ließ ihn gehen.

Tekstuitleg van Lc 14,4 .

Lc 14,5 - Lc 14,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5kai pros autous eipen, tinos umôn uios è bous eis frear peseitai, kai ouk eutheôs anaspasei auton en èmera tou sabbatou; 5 et respondens ad illos dixit cuius vestrum asinus aut bos in puteum cadet et non continuo extrahet illum die sabbati       [5] Toen zei Hij tegen hen: ‘Wie van u zou, als zijn zoon* of zijn os in een put valt, die er niet meteen uithalen, ook al is het sabbat?’   [5] En tegen de Farizeeën en wetgeleerden zei hij: ‘Als uw zoon of uw os in een put valt, dan haalt u hem er toch meteen uit, ook al is het sabbat?’   5 Hij zegt tot hen: als bij iemand van u een zoon of een os in een put valt, zal hij hem niet onmiddellijk omhoogtrekken, ook op de dag van de sabbat?  5. Puis il leur dit : « Lequel d'entre vous, si son fils ou son bœuf vient à tomber dans un puits, ne l'en tirera aussitôt, le jour du sabbat ? » 

Statenvertaling . 5 En Hij, hun antwoordende, zeide: Wiens ezel of os van ulieden zal in een put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?
King James Bible . [5] And answered them, saying, Which of you shall have an ass or an ox fallen into a pit, and will not straightway pull him out on the sabbath day?
Luther-Bibel . 5 Und er sprach zu ihnen: Wer ist unter euch, dem sein Sohn oder sein Ochse in den Brunnen fällt und der ihn nicht alsbald herauszieht, auch am Sabbat?

Tekstuitleg van Lc 14,5 .

Lc 14,6 - Lc 14,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta.   6 et non poterant ad haec respondere illi      [6] Zij konden daar niets tegen inbrengen. De ereplaats   [6] En daarop hadden ze geen antwoord.   6 En zij zijn niet in staat om antwoord daarop te geven.   6. Et ils ne purent rien répondre à cela.  

Statenvertaling . 6 En zij konden Hem daarop niet weder antwoorden.
King James Bible . [6] And they could not answer him again to these things.
Luther-Bibel . 6 Und sie konnten ihm darauf keine Antwort geben. Von Rangordnung und Auswahl der Gäste

Tekstuitleg van Lc 14,6

230.1.1. Lc 14,1a : Jezus gaat naar het huis van een Farizeeër

Dit verhaal is een doublure van het verhaal van de genezing van een man met een verdorde hand (Lc 6,6-11). De plaats van het gebeuren verschilt. In Lc 6,6-11 speelt het gebeuren zich af in de synagoge, in Lc 14,1-6 in het huis van een Farizeeër. Het thema is hetzelfde : is het toegelaten om op sabbat iemand te genezen. We staan hier voor de tegenstelling tussen enerzijds allerlei menselijke tradities en gewoontes en anderzijds de grondvraag van het mens-zijn of anders geformuleerd : de tegenstelling tussen de voorschriften van mensen en het gebod van God.

Eenzelfde thema : mag je op sabbat genezen. In twee verschillende situaties in de synagoge  in het huis van één van de leiders van de Farizeeën
  Lc 6,6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1a - Lc 14,1-6 -
nevenschikkend voegwoord   Kai (en)
hoofdwerkwoord egeneto de (het gebeurde echter) egeneto (het gebeurde)
voorzetsel en (op) en (in)
lidwoord heterôi sabbatôi (een andere sabbat)  
werkwoord in de infinitief eiselthein auton (binnengaan hij) tôi elthein auton ( het binnengaan hij)
plaatsbepaling eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) eis oikon tinos tôn archôntôn tôn Farisaiôn (in het huis van iemand van de leiders van de Farizeeën
    sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten)
   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -   230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 -Mt 12,9-14 -

De structuur van Lc 14,1a komt sterk overeen met Lc 6,6. Immers Lc 14,1-6 gelijkt sterk op Lc 6,6-11. Het thema van het gaan eten bij een Farizeeër is hetzelfde als in Lc 7,36 en Lc 11,37. Er is evenwel een verschil met Lc 7,36 en Lc 11,37. Op die plaatsen werd Jezus op een maaltijd gevraagd en Jezus ging erop in. In Lc 14,1a wordt verondersteld dat Jezus door een Farizeeër werd gevraagd. Evenals Lc 7,36 als Lc 11,37 bevat Lc 14,1a 32 lettergrepen. In de drie gevallen gaat het om het eten in een huis van een Farizeeër.

Het gebeurt meer dat Jezus aan een maaltijd deelneemt. Bij de Farizeeën wordt Jezus gevraagd. Blijkbaar bestaat er een verschil tussen vragen en uitnodigen. Uitnodigen is iemand onbevangen onthalen, is ontvangen. Vragen heeft hier niet de bedoeling om te ontvangen, maar om te vangen. De Farizeeën zijn bevangen.

Jezus wordt door een Farizeeër op een maaltijd gevraagd en Jezus gaat op de vraag in    
Lc 7,36 - Lc 11,37 - Lc 14,1a -
  En de tôi lalèsai (tijdens het spreken echter)  
èrôta de (vroeg echter) erôtai (vraagt)  
tis (iemand) ... tôn farisaiôn (van de farizeeën) ... farizaios (een farizeeër) tinos tôn archôntôn tôn farisaiôn (van één van de leiders van de farizeeën)
auton (hem) auton (hem)  
hina (opdat) hopôs (opdat)  
fagèi (hij zou eten) aristèsèi ( aristaô : eten; de eerste maaltijd nemen (hij zou eten) sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten)
met'autou (met hem) par'autôi (bij hem)  
 kai (en)    
eiselthôn (binnengegaan) eiselthôn (binnengegaan) de (echter) kai egeneto en tôi elthein auton (en het gebeurde in het gaan )
eis ton oikon (in het huis)     eis oikon (naar het huis).... 
kateklithè (lag hij aan) (kataklinô : aanliggen) anepesen (lag hij aan) (anapiptô = )  
115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 - 204. Rede tegen de farizeeën en wetgeleerden : Lc 11,37-54 - 230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -

Het doel van het gaan van Jezus naar het huis van één van de Farizeeën is het gebruiken van een maaltijd. Dat blijkt duidelijk uit een vergelijking van Lc 14,1 met Lc 7,36 en Lc 11,37. De infinitiefzin sabbatôi fagein arton (om op sabbat een broodmaaltijd te gebruiken - om brood te eten) komt na de infinitiefzin elthein... (gaan naar). We zouden eerder sabbatôi (sabbat) na egeneto en (het gebeurde op) verwachten. Het is niet vanzelfsprekend dat twee infinitiefzinnen op elkaar volgen. We hadden ook eiselthein (binnengaan in) verwacht in plaats van elthein (gaan) . De bepaling bij eis oikon (naar het huis) nl. van één van de leiders van de Farizeeën, komt nogal langdradig over. Was het opzet van Lucas om tot 32 lettergrepen te komen? Zou dit alles kunnen wijzen op een redactie van Lucas die enerzijds zijn vertrouwde formule egeneto (het gebeurde) gebruikt en anderzijds recht wil doen aan zijn bron. Het geheel geeft een minder geslaagde indruk.

Eenzelfde thema : mag je op sabbat genezen. In twee verschillende situaties        genezing in de synagoge  genezing in een huis van de leiders van de Farizeeën
  Mc 2,23 // Lc 6,1 Lc 6,1 // Mc 2,23 Mc 3,1 // Lc 6,6 Lc 6,6 // Mc 3,1 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1a - Lc 14,1-6 -
nevenschikkend voegwoord kai (en)   kai (en)   Kai (en)
hoofdwerkwoord egeneto (het gebeurde) egeneto de (het gebeurde echter)   egeneto de (het gebeurde echter) egeneto (het gebeurde)
voorzetsel auton en (dat hij op) en (op)   en (op) en (in)
lidwoord tois sabbasin (sabbat) sabbatôi ( sabbat)   heterôi sabbatôi (een andere sabbat)  
werkwoord in de infinitief paraporeuesthai (doortrok) diaporeuesthai auton (doortrekken hij) eisèlthen palin (hij ging opnieuw binnen) eiselthein auton (binnengaan hij) tôi elthein auton ( het binnengaan hij)
plaatsbepaling dia tôn sporimôn (door de korenvelden) dia sporimôn (door korenvelden) eis sunagôgèn (in een synagoge) eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) eis oikon tinos tôn archôntôn tôn Farisaiôn (in het huis van iemand van de leiders van de Farizeeën
          sabbatôi fagein arton (op sabbat om brood te eten)
   94. Aren uittrekken op sabbat : - Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -      95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -   230. Genezing van een waterzuchtige op sabbat : Lc 14,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 -Mt 12,9-14 -

230.1.2. Lc 14,1b : zij hielden hem in het oog

  Mc 3,2 // Lc 6,7 Lc 6,7 // Mc 3,2 Lc 14,1 Lc 20,20
  kai (en)   kai (en) kai (en)
      autoi (zij) paratèrèsantes (in het oog houdend)
  paretèroun (zij hielden in het oog) paretèrounto de (zij hielden echter in het oog) èsan paratèroumenoi (waren in het oog aan het houden)  
  auton (hem) auton (hem) auton (hem)  
   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 // Mt 12,9-14 // Lc 6,6-11 // (Lc 14,1-6) - Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  

paratèreô : in het oog houden, nauwkeurig observeren

Mc 3,1-6 // Lc 6,6-11 Lc 6,6-11 // Mc 3,3-6 Lc 14,1-6 Lc 20,20-26
2. kai (en) paretèroun auton (zij hielden hem in het oog) 6. paretèrounto de auton (zij hielden hem echter in het oog) hoi grammateis kai hoi Farizaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeën) 1. ... eis oikon tinos tôn archontôn tôn Farizaiôn (naar het huis van één van de leiders van de Farizeeën) kai autoi èsan paratèroumenoi auton (en zij waren hem in het oog aan het houden) 20. Kai paratèrèsantes (en zij - in het oog houdende)
hina kaègorèsôsin autou (opdat zij hem zouden aanklagen) hina heurôsin katègorein autou (opdat zij zouden vinden om hem aan te klagen)   hina epilabôntai autou logou hôste paradounai auton ... (opdat zij hem op zijn woord zouden pakken om hem over te leveren)
4. exestin ... è (is het toegelaten om ... of ...) 9. ei exestin ... è ... (of het toegelaten is ... of ... ) 3. exestin... è (is het toegelatern om... of... )  
hoi de esiôpôn (zij echter zwegen) - 4. hoi de èsuchasan (zij echter hielden zich stil)  
6. kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou, hopôs auton apolesôsin (en naar buiten gaande de Farizeeën samen met de Herodianen overlegden onmiddellijktegen hem om hem te doden 11. ... kai dielaloun pros allèlous t´an poièsaien tôi Ièsou (en zij praten onder elkaar, wat zij met Jezus zouden doen) 6. kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta (en zij waren niet in staat om daarop te antwoorden)  
       

 

231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11- verwijzingen -- Lc 14,7 - Lc 14,8 - Lc 14,9 - Lc 14,10 - Lc 14,11 -

Jezus werd aan tafel gevraagd of uitgenodigd door schriftgeleerden en Farizeeën of door tollenaars . Blijkbaar heeft Jezus één en ander gezien bij feesten , aan tafel enz. Hier zien we hoe sommige mensen zich belangrijker wanen dan anderen en een plaatsje dichter bij degene die hen heeft uitgenodigd gaan zitten , want hoe dichter bij de gastheer , hoe belangrijker .

Lc 14,7 - Lc 14,7 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7elegen de pros tous keklèmenous parabolèn, epechôn pôs tas prôtoklisias exelegonto, legôn pros autous,  7 dicebat autem et ad invitatos parabolam intendens quomodo primos accubitus eligerent dicens ad illos    Daar Hij opmerkte hoe de genodigden de voornaamste plaatsen aan tafel uitzochten, hield Hij hun de volgende gelijkenis voor:   [7] Omdat Hij zag hoe de genodigden de ereplaatsen uitzochten, hield Hij hun een gelijkenis voor:   [7] Hij vertelde de genodigden een gelijkenis, want hij had gezien hoe ze de ereplaatsen voor zichzelf kozen. Hij zei tegen hen:   7 ¶ Hij heeft tot de genodigden een gelijkeniswoord gezegd, opmerkend hoe zij de voorste aanligplaats verkozen, zeggend tot hen:  7. Il disait ensuite une parabole à l'adresse des invités, remarquant comment ils choisissaient les premiers divans ; il leur disait :  

Statenvertaling . 7 En Hij zeide tot de genoden een gelijkenis, aanmerkende, hoe zij de vooraanzittingen verkozen; zeggende tot hen:
King James Bible . [7] And he put forth a parable to those which were bidden, when he marked how they chose out the chief rooms; saying unto them,
Luther-Bibel . 7 Er sagte aber ein Gleichnis zu den Gästen, als er merkte, wie sie suchten, obenan zu sitzen, und sprach zu ihnen:

Tekstuitleg van Lc 14,7 .

Lc 14,8 - Lc 14,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8otan klèthès upo tinos eis gamous, mè kataklithès eis tèn prôtoklisian, mèpote entimoteros sou è keklèmenos up autou,   8 cum invitatus fueris ad nuptias non discumbas in primo loco ne forte honoratior te sit invitatus ab eo    "Wanneer gij door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voornaamste plaats. Het zou kunnen zijn dat er door uw gastheer iemand is uitgenodigd die voornamer is dan gij,   [8] ‘Wanneer* u op een bruiloft bent genodigd, ga dan niet op de ereplaats zitten. Misschien heeft de gastheer iemand uitgenodigd die belangrijker is dan u,   [8] ‘Wanneer u door iemand wordt uitgenodigd voor een bruiloft, kies dan niet de ereplaats, want misschien is er wel iemand uitgenodigd die voornamer is dan u,   8 wanneer je door iemand op een bruiloft wordt genodigd, ga dan niet aanliggen op de voorste aanligplaats,– opdat er niet één voornamer dan jij door hem is genodigd,  8. « Lorsque quelqu'un t'invite à un repas de noces, ne va pas t'étendre sur le premier divan, de peur qu'un plus digne que toi n'ait été invité par ton hôte, 

Statenvertaling . 8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn, zo zet u niet in de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij;
King James Bible . [8] When thou art bidden of any man to a wedding, sit not down in the highest room; lest a more honourable man than thou be bidden of him;
Luther-Bibel . 8 Wenn du von jemandem zur Hochzeit geladen bist, so setze dich nicht obenan; denn es könnte einer eingeladen sein, der vornehmer ist als du,

Tekstuitleg van Lc 14,8 .

Lc 14,9 - Lc 14,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9kai elthôn o se kai auton kalesas erei soi, dos toutô topon, kai tote arxè meta aischunès ton eschaton topon katechein.   9 et veniens is qui te et illum vocavit dicat tibi da huic locum et tunc incipias cum rubore novissimum locum tenere     en dat degene die u en hem genodigd heeft u komt zeggen: Sta uw plaats aan hem af. Dan zoudt ge vol schaamte de minste plaats moeten innemen.   [9] en dan zal hij naar u toe komen en zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Vol schaamte moet u dan achteraan gaan zitten.   [9] en dan moet uw gastheer tegen u zeggen: “Sta uw plaats aan hem af.” Dan zult u beschaamd de minste plaats moeten innemen.   9 en hij die ook jou genodigd heeft komt en tot jou zegt: geef die plaats aan déze man!, en jij eraan moet beginnen in schaamrood de laatste plaats te bezetten!–   9. et que celui qui vous a invités, toi et lui, ne vienne te dire : «Cède-lui la place. » Et alors tu devrais, plein de confusion, aller occuper la dernière place.  

Statenvertaling . 9 En hij, komende, die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats; en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.
King James Bible . [9] And he that bade thee and him come and say to thee, Give this man place; and thou begin with shame to take the lowest room.
Luther-Bibel . 9 und dann kommt der, der dich und ihn eingeladen hat, und sagt zu dir: Weiche diesem!, und du musst dann beschämt untenan sitzen.

Tekstuitleg van Lc 14,9 .

Lc 14,10 - Lc 14,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10all otan klèthès poreutheis anapese eis ton eschaton topon, ina otan elthè o keklèkôs se erei soi, file, prosanabèthi anôteron: tote estai soi doxa enôpion pantôn tôn sunanakeimenôn soi.   10 sed cum vocatus fueris vade recumbe in novissimo loco ut cum venerit qui te invitavit dicat tibi amice ascende superius tunc erit tibi gloria coram simul discumbentibus     Maar wanneer ge ergens genodigd wordt, ga dan op de minste plaats aanliggen. Als degene die u heeft uitgenodigd dan komt zal hij u zeggen: Vriend, ga wat hoger op. Zo zal u de eer te beurt vallen in het oog van allen die met u aanliggen.   [10] Ga liever, als u ergens uitgenodigd bent, achteraan zitten. Dan zal de gastheer naar u toe komen en zeggen: “Vriend, kom meer naar voren.” Dat zal een eer voor u zijn in het oog van al uw disgenoten.   [10] Als u wordt uitgenodigd, kies dan de minste plaats, zodat uw gastheer tegen u zal zeggen: “Kom toch dichterbij!” Dan wordt u eer betoond ten overstaan van iedereen die samen met u aan tafel aanligt.   10 nee, wanneer je uitgenodigd bent, ga dan, als je erheen gaat, aanliggen op de laatste plaats, want dan zal hij die je genodigd heeft wanneer hij aankomt tot jou zeggen: vriend, wil opklimmen!– kom hogerop!– dat zal voor jou een eer zijn voor het aanschijn van allen die mét jou aanliggen,   10. Au contraire, lorsque tu es invité, va te mettre à la dernière place, de façon qu'à son arrivée celui qui t'a invité te dise : «Mon ami, monte plus haut. » Alors il y aura pour toi de l'honneur devant tous les autres convives.  

Statenvertaling . 10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga heen en zet u in de laatste plaats; opdat, wanneer hij komt, die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hoger op. Alsdan zal het u eer zijn voor degenen, die met u aanzitten.
King James Bible . [10] But when thou art bidden, go and sit down in the lowest room; that when he that bade thee cometh, he may say unto thee, Friend, go up higher: then shalt thou have worship in the presence of them that sit at meat with thee.
Luther-Bibel . 10 Sondern wenn du eingeladen bist, so geh hin und setz dich untenan, damit, wenn der kommt, der dich eingeladen hat, er zu dir sagt: Freund, rücke hinauf! Dann wirst du Ehre haben vor allen, die mit dir zu Tisch sitzen.

Tekstuitleg van Lc 14,10 .

Lc 14,11 - Lc 14,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11oti pas o upsôn eauton tapeinôthèsetai kai o tapeinôn eauton upsôthèsetai.   11 quia omnis qui se exaltat humiliabitur et qui se humiliat exaltabitur   Want al wie zichzelf verheft zal vernederd en wie zichzelf vernedert zal verheven worden." Hij zei ook nog; nu tot zijn gastheer:   [11] Iedereen immers die zich verheft zal vernederd worden, maar wie zich vernedert zal verheven worden.’ De gasten   [11] Want wie zichzelf verhoogt zal vernederd worden, en wie zichzelf vernedert zal verhoogd worden.’   11 omdat al wie zichzelf verhoogt zal worden vernederd en wie zichzelf vernedert zal worden verhoogd!   11. Car quiconque s'élève sera abaissé, et celui qui s'abaisse sera élevé. »  

Statenvertaling . 11 Want een iegelijk, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden; en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden.
King James Bible . [11] For whosoever exalteth himself shall be abased; and he that humbleth himself shall be exalted.
Luther-Bibel . 11 Denn wer sich selbst erhöht, der soll erniedrigt werden; und wer sich selbst erniedrigt, der soll erhöht werden.

Tekstuitleg van Lc 14,11 .

Twee situaties waarin de wijsheid van toepassing is :

  bij een bruiloft in de tempel    
  Lc 14,11a Lc 18,14b - Lc 18,9-14 - Lc 14,11b Lc 18,14c - Lc 18,9-14 -
redengevend voegwoord hoti (omdat) hoti (omdat) kai (en)  
onderwerp (totaliteit) pas (ieder) ho hupsôn (de verheffende) pas (ieder) ho hupsôn (de verheffende) ho tapeinôn (wie klein maakt)  ho de tapeinôn (wie echter klein maakt)  
lijdend voorwerp bij het participium heauton (zichzelf) heauton (zichzelf) heauton (zichzelf) heauton (zichzelf)
  tapeinôthèsetai (zal vernederd worden) tapeinôthèsetai (zal vernederd worden) hupsôthèsetai (zal verheven worden) hupsôthèsetai (zal verheven worden)
  231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 - 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 263. De Farizeeër en de tollenaar : Lc 18,9-14 - Lc 18,9-14 -

Het gaat hier om wijsheid : wie zich verheft , zal vernederd worden en wie zich klein maakt , zal verheven worden . Deze wijsheid kan in vele situaties van toepassing zijn . Lucas geeft twee concrete voorbeelden . Het ene gebeuren speelt zich af bij gelegenheid van een bruiloft , het andere in de tempel . Telkens schetst Lucas de tegenstelling . In Lc 18,9-14 verheft de Farizeeër zich (Lc 18,11-12) en vernedert de tollenaar zich (Lc 18,13) . Wie zichzelf opblaast / Wie bluft , komt er kleintjes uit . Wie zich opdringt , zal een stapje achteruit moeten doen . Het gaat om een bepaalde levenshouding .
Op een feest vertrouw je je toe aan de gastheer in de overtuiging dat hij zorg draagt voor zijn gast . Iemand uitnodigen is een uiting van vriendschap vanwege de gastheer . Hij bepaalt de plaatsen van de genodigden . Niet de genodigden leggen beslag op de plaatsen en hanteren het recht van de sterkste . De gastheer hanteert de gunst .

13. act. ind. praes. 3de pers. enk. + act. imperat. praes. 2de pers. enk. fônei (roep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 14,12 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .

1ste deel

Lc 14,8 - Lc 14,7-11 - Lc 14,10 - Lc 14,7-11 - Lc 14,12 - Lc 14,12-14 - Lc 14,13 - Lc 14,12-14
  all' (maar)   all' (maar)
hotan (wanneer) hotan (wanneer) hotan (wanneer) hotan (wanneer)
klèthèis (je werd uitgenodigd) klèthèis (je werd uitgenodigd)  poièis ariston è deipnon (je een middagmaal of een gastenmaal aanbiedt)  dochèn poièis (je een gastmaal aanbiedt...)
hupo tinos eis gamous (door iemand tot een gastmaal)      
  poreutheis (gekomen)    
mè kataklithèis (ga niet aanliggen) anapese (ga aan tafel) mè fônei tous filous... (nodig niet uit je vrienden...)  kalei (hij nodige...)
eis tèn prôtoklisian (op de eerste plaats) eis ton eschaton topon (op de laatste plaats)    
mèpote (misschien)   mèpote (misschien)  
 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11 -  231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - Lc 14,7-11 -  232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14 - Lc 14,12-14  232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14 - Lc 14,12-14

2de deel

Lc 14,9 - Lc 14,7-11 - Lc 14,10b - Lc 14,7-11 -
kai elthôn ho se kai auton kalesas (en gekomen hij die u en hem heeft uitgenodigd)  hina hotan elthèi ho keklèkôs se
erei soi (zal zeggen aan u)  erei soi (zal zeggen aan u)
dos toutôi topon (geef aan deze plaats) file (vriend) prosanabèthi anôteron (ga hogerop)
kai tote (en dan) tote (dan)
arxèi meta aischunès ton eschaton topon katechein (zult u innemen met schaamte de laatste plaats) estai soi doxa enôpion autôn tôn sunanakeimenôn soi (zal zijn voor jou eer ten overstaan van allen die met jou aanliggen)
- 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11 - 231. Gelijkenis over de keuze van de laatste plaats op een bruiloft : Lc 14,7-11

232. De keuze van de genodigden : Lc 14,12-14

Lc 14,12 - Lc 14,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12elegen de kai tô keklèkoti auton, otan poiès ariston è deipnon, mè fônei tous filous sou mède tous adelfous sou mède tous suggeneis sou mède geitonas plousious, mèpote kai autoi antikalesôsin se kai genètai antapodoma soi.   12 dicebat autem et ei qui se invitaverat cum facis prandium aut cenam noli vocare amicos tuos neque fratres tuos neque cognatos neque vicinos divites ne forte et ipsi te reinvitent et fiat tibi retributio    "Wanneer gij een middagof avondmaal geeft, nodig dan niet uw vrienden, broers en bloedverwanten uit en ook geen rijke buren. Het zou kunnen zijn dat zij op hun beurt u uitnodigen en dat gij het dus terugkrijgt.   [12] Hij zei ook nog, nu tegen zijn gastheer: ‘Wanneer u ’s middags of ’s avonds een feestmaal geeft, roep dan niet uw vrienden bij elkaar, of uw broers, of uw familie, of rijke buren. Die zouden u op hun beurt uitnodigen, om iets terug te doen.   [12] Hij zei ook tegen degene die hem had uitgenodigd: ‘Wanneer u een maaltijd aanbiedt of een feestmaal geeft, vraag dan niet uw vrienden, uw broers, uw verwanten of uw rijke buren, in de verwachting dat zij u op hun beurt zullen uitnodigen om iets terug te doen.   12 Ook heeft hij gezegd tot wie hem had uitgenodigd: wanneer je een middag– of avondmaaltijd aanricht, vraag dan niet je vrienden, broers, verwanten en buren die rijk zijn, want zij kunnen op hun beurt jou uitnodigen en zo geschiedt aan jou vergelding;   12. Puis il disait à celui qui l'avait invité : « Lorsque tu donnes un déjeuner ou un dîner, ne convie ni tes amis, ni tes frères, ni tes parents, ni de riches voisins, de peur qu'eux aussi ne t'invitent à leur tour et qu'on ne te rende la pareille.  

Statenvertaling . 12 En Hij zeide ook tot dengene, die Hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zo roep niet uw vrienden, noch uw broeders, noch uw magen, noch uw rijke geburen; opdat ook dezelve u niet te eniger tijd wedernoden, en u vergelding geschiede.
King James Bible . [12] Then said he also to him that bade him, When thou makest a dinner or a supper, call not thy friends, nor thy brethren, neither thy kinsmen, nor thy rich neighbours; lest they also bid thee again, and a recompence be made thee.
Luther-Bibel . 12 Er sprach aber auch zu dem, der ihn eingeladen hatte: Wenn du ein Mittags- oder Abendmahl machst, so lade weder deine Freunde noch deine Brüder noch deine Verwandten noch reiche Nachbarn ein, damit sie dich nicht etwa wieder einladen und dir vergolten wird.

Tekstuitleg van Lc 14,12 .

Lc 14,13 - Lc 14,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
13all otan dochèn poiès, kalei ptôchous, anapeirous, chôlous, tuflous:   13 sed cum facis convivium voca pauperes debiles claudos caecos     Maar als ge een gastmaal geeft, nodig dan armen, gebrekkigen, kreupelen en blinden uit.  [13] Nodig liever, als u een feest aanricht, armen uit, gebrekkigen, kreupelen en blinden.   [13] Wanneer u mensen ontvangt, nodig dan armen, kreupelen, verlamden en blinden uit.   13 nee, wanneer je een gastmaal aanricht, nodig dan armen, misvormden, lammen, blinden;   13. Mais lorsque tu donnes un festin, invite des pauvres, des estropiés, des boiteux, des aveugles ;  

Statenvertaling . 13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zo nood armen, verminkten, kreupelen, blinden;
King James Bible . [13] But when thou makest a feast, call the poor, the maimed, the lame, the blind:
Luther-Bibel . 13 Sondern wenn du ein Mahl machst, so lade Arme, Verkrüppelte, Lahme und Blinde ein,

Tekstuitleg van Lc 14,13 .

Lc 14,14 - Lc 14,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (tweeëntwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14kai makarios esè, oti ouk echousin antapodounai soi, antapodothèsetai gar soi en tè anastasei tôn dikaiôn.   14 et beatus eris quia non habent retribuere tibi retribuetur enim tibi in resurrectione iustorum     Gelukkig zult ge zijn omdat zij het u niet kunnen vergelden. Het zal u vergolden worden bij de opstanding van de rechtvaardigen."   [14] Wat een geluk voor u dat zij er niets tegenover kunnen stellen. Want het zal u teruggegeven worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’ Gelijkenis van een feestmaal   [14] Dan zult u gelukkig zijn, zij kunnen voor u dan wel niets terugdoen, maar u zult ervoor beloond worden bij de opstanding van de rechtvaardigen.’   14 en zalig zul je zijn, omdat zij niets hebben om jou vergelding te geven: want het zal je worden vergolden bij de opstanding der rechtvaardigen!   14. heureux seras-tu alors de ce qu'ils n'ont pas de quoi te le rendre ! Car cela te sera rendu lors de la résurrection des justes. »  

Statenvertaling . 14 En gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben, om u te vergelden; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.
King James Bible . [14] And thou shalt be blessed; for they cannot recompense thee: for thou shalt be recompensed at the resurrection of the just.
Luther-Bibel . 14 dann wirst du selig sein, denn sie haben nichts, um es dir zu vergelten; es wird dir aber vergolten werden bei der Auferstehung der Gerechten.

Tekstuitleg van Lc 14,14 .

233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc 14,15-24 // (Mt 22,1-10)

Lc 14,15 (toehoorder) - Lc 14,15-24 - Lc 14,16 (Jezus) Lc 14,17 Lc 14,18b Lc 14,19 Lc 14,20 Lc 14,21c Lc 14,22 Lc 14,23  
  ho de (hij echter)     kai (en) kai (en)   kai (en) kai (en)  
      ho prôtos (de eerste) heteros (een ander) heteros (een ander)        
eipen (zei) eipen (zei) eipein (om te zeggen) eipen (zei) eipen (zei) eipen (zei) eipen (hij zei) eipen (zei) eipen (zei)  
              ho doulos (de dienaar) ho kurios (de heer)  
autôi (hem)     autôi (hem)     tôi doulôi autou (aan zijn dienaar)   pros ton doulon (tot de dienaar)  
 233. Gelijkenis van het grote gastmaal : Lc 14,15-24 // (Mt 22,1-10)                  
                   
                   
                   
                   

 

Lc 14,15 - Lc 14,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15akousas de tis tôn sunanakeimenôn tauta eipen autô, makarios ostis fagetai arton en tè basileia tou theou. 15 haec cum audisset quidam de simul discumbentibus dixit illi beatus qui manducabit panem in regno Dei       [15] Een van de disgenoten, die dit hoorde, zei tegen Hem: ‘Wat een geluk als je eten mag in het koninkrijk van God.’   [15] Toen een van de anderen die aan tafel aanlagen dit hoorde, zei hij tegen hem: ‘Gelukkig al wie zal deelnemen aan de maaltijd in het koninkrijk van God!’   15 ¶ Eén van wie mee–aanliggen hoort dit alles aan en zegt: zalig al wie het brood mag eten in het koninkrijk van God!   15. A ces mots, l'un des convives lui dit : « Heureux celui qui prendra son repas dans le Royaume de Dieu ! »  

Statenvertaling . 15 En als een van degenen, die mede aanzaten, deze dingen hoorde, zeide hij tot Hem: Zalig is hij, die brood eet in het Koninkrijk Gods.
King James Bible . [15] And when one of them that sat at meat with him heard these things, he said unto him, Blessed is he that shall eat bread in the kingdom of God.
Luther-Bibel . 15 Als aber einer das hörte, der mit zu Tisch saß, sprach er zu Jesus: Selig ist, der das Brot isst im Reich Gottes!

Tekstuitleg van Lc 14,15 ..

12. acc. mann. enk. αρτον = arton van het zelfst. naamw. αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Bijbel (133) . LXX (96) . NT (37) . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Een vorm van αρτος = artos (brood) in het NT (97) , in de LXX (307) , in Lc (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van αρτος = artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . 10 X een vorm in het enk. , 5X een vorm in het mv. In Hnd : 2 vormen van αρτος = artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn .

artos (brood) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
acc. mann. enk. arton 133 96 37 5 6 7 8 4 7   18 26
Totaal 414 307 97 21 21 15 24 5 11   57 81

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  artos    Lc 4 Lc 6 Lc 7 Lc 9 Lc 11 Lc 14 Lc 15 Lc 22 Lc 24
1.  nom. mann. enk. artos  (1) Lc 4,3                
2.  gen. mann. enk. artou                  (1) Lc 24,35 .
3.  dat. mann. enk. artô(i)   (1) Lc 4,4 .                  
4.  acc. mann. enk. arton 7     (1) Lc 7,33 (2) Lc 9,3 .   (3) Lc 11,3 .   (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 .     (6) Lc 22,19 .   (7) Lc 24,30 .  
5.  nom. + voc. mann. mv. artoi 1       (1) Lc 9,13 .          
6.  gen. mann. mv. artôn 1             (1) Lc 15,17 .    
7.  acc. mann. mv. artous 3   (1) Lc 6,4 .     (2) Lc 9,16 .   (3) Lc 11,5 .          
    15  1 1 3 2 2 1 1 2

- Hebreeuws . לֶחֶמ = lèchèm (brood) . qatl-vorm (לַחמ) ; de 2de medeklinker , een gutturaal , ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc) . Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , chet = 8 , mem = 13 of 40 . Totaal : 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13) . Structuur : 3 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (227) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (69) . In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor .
- Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Aramees : לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem . Arabisch : خُبز = chubz (brood) . Taalgebruik in de Qoran : chubz (brood) . In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis . Zie لَحْم = lachm (vlees) . Taalgebruik in de Qoran : lachm (vlees) .

Lc 14,16 - Lc 14,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
16o de eipen autô, anthrôpos tis epoiei deipnon mega, kai ekalesen pollous,   16 at ipse dixit ei homo quidam fecit cenam magnam et vocavit multos      [16] Hij zei tegen hem: ‘Iemand gaf eens een groot feestmaal, waarvoor hij veel mensen had uitgenodigd.   [16] Jezus vervolgde: ‘Iemand wilde een groot feestmaal geven en nodigde tal van gasten uit.   16 Hij zegt tot hem: zomaar een mens heeft een grote maaltijd aangericht hij nodigt vélen uit   16. Il lui dit : « Un homme faisait un grand dîner, auquel il invita beaucoup de monde.  

Statenvertaling . 16 Maar Hij zeide tot hem: Een zeker mens bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen.
King James Bible . [16] Then said he unto him, A certain man made a great supper, and bade many:
Luther-Bibel . 16 Er aber sprach zu ihm: Es war ein Mensch, der machte ein großes Abendmahl und lud viele dazu ein.

Tekstuitleg van Lc 14,16 .

12. acc. mann. mv. pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Lc : polus (veel) . Taalgebruik in Hnd : polus (veel) . Taalgebruik in de Septuaginta : polus (veel) . Hebr. rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenach : rab (veel, talrijk, groot) . N. veel . D. veil . Lat. multus . E. many . Fr. nombreus (tal-rijk) . Lc (3) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 7,21 . (3) Lc 14,16 . Een vorm van polus (veel) in Lc (44) , in Lc 14 (2) : (1) Lc 14,16 . (2) Lc 14,25 . In Lc : X vormen van polus (veel) in 44 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van polus (veel) in 46 verzen in 25 / 28 hoofdstukken .

Lc 14,17 - Lc 14,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17kai apesteilen ton doulon autou tè ôra tou deipnou eipein tois keklèmenois, erchesthe, oti èdè etoima estin.   17 et misit servum suum hora cenae dicere invitatis ut venirent quia iam parata sunt omnia       [17] Tegen de tijd dat de maaltijd kon beginnen, stuurde hij zijn slaaf eropuit om tegen de genodigden te zeggen: “Kom, alles staat nu klaar.”   [17] Toen het tijd was voor het feestmaal, stuurde hij zijn dienaar naar de genodigden om tegen hen te zeggen: “Kom, want alles is klaar.”   17 en op het uur van de maaltijd zendt hij zijn dienaar uit om tot de genodigden te zeggen: komt, want nu is alles gereed!–  17. A l'heure du dîner, il envoya son serviteur dire aux invités : «Venez ; maintenant tout est prêt. »  

Statenvertaling . 17 En hij zond zijn dienstknecht uit ten ure des avondmaals, om den genoden te zeggen: Komt, want alle dingen zijn nu gereed.
King James Bible . [17] And sent his servant at supper time to say to them that were bidden, Come; for all things are now ready.
Luther-Bibel . 17 Und er sandte seinen Knecht aus zur Stunde des Abendmahls, den Geladenen zu sagen: Kommt, denn es ist alles bereit!

Tekstuitleg van Lc 14,17 .

Lc 14,18 - Lc 14,18 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18kai èrxanto apo mias pantes paraiteisthai. o prôtos eipen autô, agron ègorasa kai echô anagkèn exelthôn idein auton: erôtô se, eche me parètèmenon.   18 et coeperunt simul omnes excusare primus dixit ei villam emi et necesse habeo exire et videre illam rogo te habe me excusatum      [18] Maar* opeens begonnen ze zich allemaal te verontschuldigen. De een zei tegen hem: “Ik heb een akker gekocht en die moet ik dringend gaan bekijken; ik verzoek u mij te verontschuldigen.”   [18] Maar een voor een begonnen ze zich te verontschuldigen. De eerste zei: “Ik heb net een akker gekocht, die ik beslist moet gaan bekijken. Tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”   18 dan beginnen zij eenparig zich allen te verontschuldigen; de eerste zegt tot hem: ik heb een akker gekocht en ik moet er nodig op uit om die te bezien; ik vraag je: houd mij voor verontschuldigd!–   18. Et tous, comme de concert, se mirent à s'excuser. Le premier lui dit : «J'ai acheté un champ et il me faut aller le voir ; je t'en prie, tiens-moi pour excusé. »  

Statenvertaling . 18 En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te ontschuldigen. De eerste zeide tot hem: Ik heb een akker gekocht, en het is nodig, dat ik uitga, en hem bezie; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
King James Bible . [18] And they all with one consent began to make excuse. The first said unto him, I have bought a piece of ground, and I must needs go and see it: I pray thee have me excused.
Luther-Bibel . 18 Und sie fingen an alle nacheinander, sich zu entschuldigen. Der erste sprach zu ihm: Ich habe einen Acker gekauft und muss hinausgehen und ihn besehen; ich bitte dich, entschuldige mich.

Tekstuitleg van Lc 14,18 .

Lc 14,19 - Lc 14,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
19kai eteros eipen, zeugè boôn ègorasa pente kai poreuomai dokimasai auta: erôtô se, eche me parètèmenon.  19 et alter dixit iuga boum emi quinque et eo probare illa rogo te habe me excusatum       [19] Een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze nu proberen; ik verzoek u mij te verontschuldigen.”   [19] En een ander zei: “Ik heb vijf span ossen gekocht en ik ga ze keuren; tot mijn spijt kan ik de uitnodiging niet aannemen.”   19 een ander zegt: ik heb vijf spannen ossen gekocht en ik moet weg om die te keuren; ik vraag je: houd mij voor verontschuldigd!–  19. Un autre dit : «J'ai acheté cinq paires de bœufs et je pars les essayer ; je t'en prie, tiens-moi pour excusé. »  

Statenvertaling . 19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga heen, om die te beproeven; ik bid u, houd mij voor verontschuldigd.
King James Bible . [19] And another said, I have bought five yoke of oxen, and I go to prove them: I pray thee have me excused.
Luther-Bibel . 19 Und der zweite sprach: Ich habe fünf Gespanne Ochsen gekauft und ich gehe jetzt hin, sie zu besehen; ich bitte dich, entschuldige mich.

Tekstuitleg van Lc 14,19 .

Lc 14,20 - Lc 14,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
20kai eteros eipen, gunaika egèma kai dia touto ou dunamai elthein.   20 et alius dixit uxorem duxi et ideo non possum venire       [20] Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”   [20] Weer een ander zei: “Ik ben pas getrouwd en daarom kan ik niet komen.”   20 weer een ander zegt: ik heb een vrouw getrouwd en daardoor kan ik niet komen!–  20. Un autre dit : «Je viens de me marier, et c'est pourquoi je ne puis venir. »  

Statenvertaling . 20 En een ander zeide: Ik heb een vrouw getrouwd, en daarom kan ik niet komen.
King James Bible . [20] And another said, I have married a wife, and therefore I cannot come.
Luther-Bibel . 20 Und der dritte sprach: Ich habe eine Frau genommen; darum kann ich nicht kommen.

Tekstuitleg van Lc 14,20 .

5. acc. vr. enk. γυναικα = gunaika van het zelfst. naamw. γυνη = gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in de LXX : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Lc (10) : (1) Lc 4,26 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 7,50 . (4) Lc 14,20 . (5) Lc 14,26 . (6) Lc 16,18 . (7) Lc 18,29 . (8) Lc 20,28 . (9) Lc 20,29 . (10) Lc 20,33 .

  gunè (vrouw)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
5 acc. vr. enk. gunaika   269  220  49  11  10  13  29  30  13   

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17. 
  gunè (vrouw)   Lc Lc 1 Lc 3 Lc 4 Lc 7 Lc 8 Lc 10 Lc 11 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 20 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1.  nom. vr. enk. gunè   16  (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 .        (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 .     (14) Lc 15,8 .       (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 .           
2.  voc. vr. enk. gunai                (1) Lc 13,12 .               (2) Lc 22,57 .      
3.  gen. vr. enk. gunaikos     (1) Lc 3,9 .                     (2) Lc 17,32 .            
4.  acc. vr. enk. gunaika   10      (1) Lc 4,26 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 7,50 .         (4) Lc 14,20 . (5) Lc 14,26 .   (6) Lc 16,18 .      (7) Lc 18,29 (8) Lc 20,28 . (9) Lc 20,29 . (10) Lc 20,33 .         
nom. + voc. vr. mv. gunaikes          (1) Lc 8,2 .                     (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 .    
6.   gen. vr. mv.  gunaikôn       (1) Lc 7,28 .                         (2) Lc 23,27 .    
7.   dat. vr. mv. gunaixin   () Lc 1,28 . (1) Lc 1,42 .                                  
  totaal 37 (38)  5 (6)   4

- Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .

Lc 14,21 - Lc 14,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
21kai paragenomenos o doulos apèggeilen tô kuriô autou tauta. tote orgistheis o oikodespotès eipen tô doulô autou, exelthe tacheôs eis tas plateias kai rumas tès poleôs, kai tous ptôchous kai anapeirous kai tuflous kai chôlous eisagage ôde.   21 et reversus servus nuntiavit haec domino suo tunc iratus pater familias dixit servo suo exi cito in plateas et vicos civitatis et pauperes ac debiles et caecos et claudos introduc huc       [21] Bij zijn thuiskomst bracht de slaaf zijn meester hiervan op de hoogte. Toen werd de heer des huizes woedend, en zei tegen de slaaf: “Vlug, ga de straat op, de stegen van de stad in, en breng de armen, de gebrekkigen, de blinden en de kreupelen hier binnen.”   [21] Toen de dienaar teruggekomen was, bracht hij zijn heer verslag uit. De heer des huizes ontstak in woede en zei tegen zijn dienaar: “Ga vlug de stad in en breng uit de straten en stegen de armen en kreupelen en blinden en verlamden hierheen.”   21 als de dienaar aankomt verkondigt hij zijn heer dit alles; dan zegt de huismeester woedend tot zijn dienaar: ga met haast uit naar de pleinen en straten van de stad,– en de armen, misvormden, blinden en lammen, leid die hier binnen!–   21. « A son retour, le serviteur rapporta cela à son maître. Alors, pris de colère, le maître de maison dit à son serviteur : «Va-t'en vite par les places et les rues de la ville, et introduis ici les pauvres, les estropiés, les aveugles et les boiteux. » -  

Statenvertaling . 21 En dezelve dienstknecht weder gekomen zijnde, boodschapte deze dingen zijn heer. Toen werd de heer des huizes toornig, en zeide tot zijn dienstknecht: Ga haastelijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen, en verminkten, en kreupelen, en blinden hier in.
King James Bible . [21] So that servant came, and shewed his lord these things. Then the master of the house being angry said to his servant, Go out quickly into the streets and lanes of the city, and bring in hither the poor, and the maimed, and the halt, and the blind.
Luther-Bibel . 21 Und der Knecht kam zurück und sagte das seinem Herrn. Da wurde der Hausherr zornig und sprach zu seinem Knecht: Geh schnell hinaus auf die Straßen und Gassen der Stadt und führe die Armen, Verkrüppelten, Blinden und Lahmen herein.

Tekstuitleg van Lc 14,21 . Het vers Lc 14,21 telt 38 (2 X 19) woorden en 201 (3 X 67) letters . De getalwaarde van Lc 14,21 is 28081 .

Lc 14,21.18. imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Lc (5) : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 13,31 . (4) Lc 14,21 . (5) Lc 14,23 .

Lc 14,22 - Lc 14,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22kai eipen o doulos, kurie, gegonen o epetaxas, kai eti topos estin.   22 et ait servus domine factum est ut imperasti et adhuc locus est       [22] “Mijnheer,” zei de slaaf, “uw bevel is al uitgevoerd en er is nog steeds plaats.”  [22] Toen de dienaar hem kwam melden: “Heer, wat u hebt opgedragen is gebeurd, en nog is er plaats,”   22 als de dienaar komt zeggen: heer, geschied is wat u opdroeg en nóg is er plaats!,   22. «Maître, dit le serviteur, tes ordres seront exécutés, et il y a encore de la place. »  

Statenvertaling . 22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is er plaats.
King James Bible . [22] And the servant said, Lord, it is done as thou hast commanded, and yet there is room.
Luther-Bibel . 22 Und der Knecht sprach: Herr, es ist geschehen, was du befohlen hast; es ist aber noch Raum da.

Tekstuitleg van Lc 14,22 .

Lc 14,23 - Lc 14,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23kai eipen o kurios pros ton doulon, exelthe eis tas odous kai fragmous kai anagkason eiselthein, ina gemisthè mou o oikos:   23 et ait dominus servo exi in vias et sepes et conpelle intrare ut impleatur domus mea      [23] Daarop zei de heer tegen de slaaf: “Ga dan de wegen en het land op en dwing hen binnen te komen, zodat mijn huis vol raakt.”   [23] zei de heer tegen hem: “Ga naar de wegen en de akkers buiten de stad en nodig iedereen met klem uit, want mijn huis moet vol zijn.   23 zegt de heer tot de dienaar: ga uit naar de wegen en stegen en dwing ze om binnen te komen, totdat mijn huis vol is!–   23. Et le maître dit au serviteur : «Va-t'en par les chemins et le long des clôtures, et fais entrer les gens de force, afin que ma maison se remplisse.  

Statenvertaling . 23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen; en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;
King James Bible . [23] And the lord said unto the servant, Go out into the highways and hedges, and compel them to come in, that my house may be filled.
Luther-Bibel . 23 Und der Herr sprach zu dem Knecht: Geh hinaus auf die Landstraßen und an die Zäune und nötige sie hereinzukommen, dass mein Haus voll werde.

Tekstuitleg van Lc 14,23 . Het vers Lc 14,23 telt 21 (3 X 7) woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 14,23 is 7511 (7 X 29 X 31) .

Lc 14,23.8. imperat. aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Lc (5) : (1) Lc 4,35 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 13,31 . (4) Lc 14,21 . (5) Lc 14,23 .

Lc 14,24 - Lc 14,24 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24legô gar umin oti oudeis tôn andrôn ekeinôn tôn keklèmenôn geusetai mou tou deipnou. 24 dico autem vobis quod nemo virorum illorum qui vocati sunt gustabit cenam meam     [24] Want Ik* verzeker u, geen van die mensen die genodigd waren, zal van mijn maaltijd proeven.’ [24] Ik zeg jullie: niemand van degenen die eerst uitgenodigd waren, zal van mijn feestmaal proeven.”’ Het volgen van Jezus 24 want ik zeg u: niemand van die mannen die genodigd waren zal van mijn maaltijd proeven! 24. Car, je vous le dis, aucun de ces hommes qui avaient été invités ne goûtera de mon dîner. » »  

Statenvertaling . 24 Want ik zeg ulieden, dat niemand van die mannen, die genood waren, mijn avondmaal smaken zal.
King James Bible . [24] For I say unto you, That none of those men which were bidden shall taste of my supper.
Luther-Bibel . 24 Denn ich sage euch, dass keiner der Männer, die eingeladen waren, mein Abendmahl schmecken wird.

Tekstuitleg van Lc 14,24 .

5. nom. mann. enk. ουδεις = oudeis (niemand) . Taalgebruik in het NT : oudeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : oudeis (niemand) . Taalgebruik in Lc : oudeis (niemand) . Bijbel (136) . OT (41) . NT (95) . Lc (18) : (1) Lc 1,61 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,36 . (5) Lc 5,37 . (6) Lc 5,39 . (7) Lc 7,28 . (8) Lc 8,16 . (9) Lc 9,62 . (10) Lc 10,22 . (11) Lc 11,33 . (12) Lc 14,24 . (13) Lc 15,16 . (14) Lc 16,13 . (15) Lc 18,19 . (16) Lc 18,29 . (17) Lc 19,30 . (18) Lc 23,53 . Een vorm van ουδεις = oudeis (niemand) in het OT (270) , in het NT (226) , in Lc (33) .

Evangelielezing van de 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar : Lc 14,25-33 (Verwijzing : Lc 14,25-33) :
In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee; Hij keerde zich om en zei tot hen: "Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt kan hij mijn leerling niet zijn. Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst er voor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien? Anders zou het hem kunnen overkomen, – als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien – dat allen die het zien hem gaan bespotten en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen. Of welke koning zal, – als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken – niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt? Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden. Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.


234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 -

Lc 14,25 - Lc 14,25 : 234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar  Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:25 suneporeuonto de autô ochloi polloi kai strafeis eipen pros autous 25 ibant autem turbae multae cum eo et conversus dixit ad illos    In die tijd trokken talloze mensen met Jezus mee; Hij keerde zich om en zei tot hen: "  [25] Grote drommen mensen trokken met Hem mee. Hij richtte zich tot hen en zei:  [25] Grote mensenmenigten trokken met Jezus mee. Hij wendde zich tot hen en zei:  25 ¶ Hele scharen zijn met hem meegetrokken; hij keert zich om en zegt tot hen:  25. Des foules nombreuses faisaient route avec lui, et se retournant il leur dit :  

Statenvertaling . 25 En vele scharen gingen met Hem; en Hij, Zich omkerende, zeide tot hen:
King James Bible . [25] And there went great multitudes with him: and he turned, and said unto them,
Luther-Bibel . 25 Es ging aber eine große Menge mit ihm; und er wandte sich um und sprach zu ihnen:

Tekstuitleg van Lc 14,25 . Het vers Lc 14,25 telt 10 (2 X 5) woorden en 56 (2³ X 7) letters . De getalwaarde van Lc 14,25 is 7658 (2 X 7 X 547) . Vele menigten zijn met Jezus op weg . Jezus keert zich om en spreekt tot hen .

Lc 14,25.1, ind. imperf. 3de pers. mv. συνεπορευοντο = suneporeuonto (zij gingen mee op weg) van het werkw. συμπορευομαι = sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in het NT : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . Taalgebruik in de LXX : sumporeuomai (samengaan, meetrekken, samenkomen) . NT (3) : (1) Re 11,40 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 14,25 . Een vorm van συμπορευομαι = sumporeuomai in de LXX (26) , in het NT (3) : (1) Mc 10,1 . (2) Lc 7,11 . (3) Lc 14,25 . (4) Lc 24,15 .

Lc 14,25.1. - 2. - και συνεπορευοντο αυτῳ (en zij trokken met hem mee) . NT (1) : Lc 7,11 .
- συνεπορευοντο δε αυτῳ (zij echter trokken met hem mee) . NT (1) : Lc 14,25 .

Lc 14,25.4. nom. mann. mv. οχλοι = ochloi (menigten) van het werkw. οχλος = ochlos (menigte) . Taalgebruik in het NT : ochlos (menigte) . Taalgebruik in de LXX : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Lc : ochlos (menigte) . Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174) .

  ochlos (menigte)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
5 nom. mann. mv. ochloi   28    28  14  10      25  25 
  totaal enk. en mv. 212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15. 
  ochlos    Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 18 Lc 19 Lc 22 Lc 23
1 nom. mann. enk. ochlos  9     (1) Lc 5,29 .   (2) Lc 6,17 . (3) Lc 6,19 .   (4) Lc 7,11 . (5) Lc 7,12 .   (6) Lc 8,40 .   (7) Lc 9,37 .       (8) Lc 13,17 .         (9) Lc 22,47 .    
2 gen. mann. enk. ochlou  9           (1) Lc 8,4 . (2) Lc 9,38 . (3) Lc 11,27 . (4) Lc 12,1 . (5) Lc 12,13 .     (6) Lc 18,36 . (7) Lc 19,3 . (8) Lc 19,39 . (9) Lc 22,6 .  
3 dat. mann. enk. ochlô(i)  3         (1) Lc 7,9 .   (2) Lc 9,16 .     (3) Lc 13,14 .          
4 acc. mann. enk. ochlon  4     (1) Lc 5,1 . (2) Lc 5,19 .       (3) Lc 8,19 .   (4) Lc 9,12 .                  
nom. mann. mv. ochloi   10  (1) Lc 3,10 (2) Lc 4,42 .   (3) Lc 5,15 .       (4) Lc 8,42 .  (5) Lc 8,45 . (6) Lc 9,11 . (7) Lc 9,18 .   (8) Lc 11,14 .       (9) Lc 14,25 .         (10) Lc 23,48 .  
gen. mann. mv. ochlôn                 (1) Lc 11,29 .              
dat. mann. mv. ochlois  (1) Lc 3,7 .                 (2) Lc 12,54            
  acc. mann. mv. ochlous      (1) Lc 5,3 .     (2) Lc 7,24                   (3) Lc 23,4
    41 2 4 5 6 3 3 2 1 1 2 2 2

Lc 14,25.5. nom. mann. mv. πολλοι = polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Lc. : polus . Bijbel (163) . OT (86) . NT (77) . Lc (8) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,14 . (3) Lc 4,27 . (4) Lc 5,15 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 13,24 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 21,8 . Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353) .

Lc 14,25.4. - 5. οχλοι πολλοι = ochloi polloi (vele menigten) . NT (8) : (1) Mt 4,25 . (2) Mt 8,1 . (3) Mt 12,15 . (4) Mt 13,2 . (5) Mt 15,30 . (6) Mt 19,2 . (7) Lc 5,15 . (8) Lc 14,25 .

Lc 14,25.7. pass. part. aor. nom. mann. enk. στραφεις = strafeis (omgekeerd) van het werkw. στρεφω = strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in het NT : strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Taalgebruik in de LXX : strefô (draaien, wenden, (om)keren) . Bijbel = NT (10) : (1) Mt 9,22 . (2) Mt 16,23 . (3) Lc 7,9 . (4) Lc 7,44 . (5) Lc 9,55 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 14,25 . (8) Lc 22,61 . (9) Lc 23,28 . (10) Joh 1,38 . Een vorm van στρεφω = strefô in de LXX (43) , in het NT (21) , in Lc (7) . Meestal volgt een vorm van het werkw. λεγω = legô als hoofdwerkwoord .

Lc 14,25.6. 8.-10. - και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) . NT (= Lc) (8) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 4,23 . (4) Lc 8,22 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 11,5 . (7) Lc 19,13 . (8) Lc 22,15 . Zie ook Lc 14,25 .
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) . NT (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Hnd 1,7 .
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) . NT (30) . Slechts in de evangelies . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 .
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) . NT (7) : (1) Lc 8,25 . (2) Lc 9,20 . (3) Lc 10,18 . (4) Lc 11,2 . (5) Lc 22,67 . (6) Lc 24,44 . (7) Joh 6,35 .
- ειπεν δε προς τους = eipen de pros tous (hij zei echter tot de) . NT = Lc (4) : (1) Lc 9,14 . (2) Lc 12,22 . (3) Lc 17,1 . (4) Lc 17,22 . In deze vier teksten wordt τους = tous (de) gevolgd door μαθητας = mathètas (leerlingen) .

Lc 14,26 - Lc 14,26 // Mt 10,37 : 234. Alles verlaten om Jezus'leerling te zijn : Lc 14,25-26 - Mt 10,37 - verwijzingen - Lc 14,25 - Lc 14,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
ei tis erchetai pros me kai ou misei ton patera eautou kai tèn mètera kai tèn gunaika kai ta tekna kai tous adelfous kai tas adelfas eti te kai tèn psuchèn eautou ou dunatai einai mou mathètès 26 si quis venit ad me et non odit patrem suum et matrem et uxorem et filios et fratres et sorores adhuc autem et animam suam non potest esse meus discipulus    Als iemand naar Mij toekomt, die zijn vader en moeder, zijn vrouw en kinderen, zijn broers en zusters, ja zelfs zijn eigen leven niet haat, kan hij mijn leerling niet zijn.   [26] ‘Wie naar Mij toe komt, moet zijn vader en moeder, zijn vrouw* en kinderen, zijn broers en zusters, ja, zelfs zijn eigen leven verfoeien; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.  [26] ‘Wie mij volgt, maar niet breekt met zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zusters, ja zelfs met zijn eigen leven, kan niet mijn leerling zijn.   26 als iemand tot mij komt en niet zijn vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen, ja, zelfs ook zijn eigen lijf–en–leven haat, kan hij geen leerling van mij wezen!–  26. « Si quelqu'un vient à moi sans haïr son père, sa mère, sa femme, ses enfants, ses frères, ses sœurs, et jusqu'à sa propre vie, il ne peut être mon disciple.  

Statenvertaling . 26 Indien iemand tot Mij komt en niet haat zijn vader, en moeder, en vrouw, en kinderen, en broeders, en zusters, ja, ook zelfs zijn eigen leven, die kan Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [26] If any man come to me, and hate not his father, and mother, and wife, and children, and brethren, and sisters, yea, and his own life also, he cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 26 Wenn jemand zu mir kommt und hasst nicht seinen Vater, Mutter, Frau, Kinder, Brüder, Schwestern und dazu sich selbst, der kann nicht mein Jünger sein.

Evangelie van Thomas , 55 : Jezus zei : Wie zijn vader en moeder niet haat die kan voor mij geen leerling zijn ; en wie zijn broers en zusters niet haat ... zal mij niet waardig zijn .
Evangelie van Thomas , 101 : Jezus zei : Wie zijn vader en moeder niet haat op mijn manier , kan voor mij geen leerling zijn ; en wie zijn vader en moeder niet liefheeft op mijn manier , kan voor mij geen leerling zijn .

Persoonlijke vertaling : en niet haat zijn vader en moeder en vrouw en kinderen en broers en zussen verder nog ook zijn eigen leven

Tekstuitleg van Lc 14,26 . Het vers 14,26 telt 37 woorden en 152 (2³ X 19) . De getalwaarde van 14,26 is 18834 (2 X 19 X 443) . Dit logion van Jezus heeft verregaande gevolgen gehad . Zo mochten zusters Clarissen slechts het klooster verlaten om de begrafenis van de ouders bij te wonen , zonder evenwel het ouderlijk huis te betreden . In strenge kloosterordes werd het ouderlijk contact beperkt .
Sommigen interpreteren de logia van het Thomasevangelie als het vrijkomen van allerlei macht en zeggingskracht van de ene over de andere (ouders , broers , zussen) zodat de 'onderdanige' zijn innerlijk niet kan volgen en niet zijn eigen levensweg kan gaan . Een keuze maken tegen de wensen van de familie in , kan soms hevige reacties oproepen .

In Lc 14,26 is sprake van vader, moeder, vrouw, kinderen, broers, zussen, zijn eigen leven.
misei (hij haat) van het werkwoord miseô (haten, veronachtzamen, verwaarlozen) . In deze vorm in 6 verzen in de evangelies; in 1 vers in Lucas, nl. Lc 14,26 en in 5 verzen bij Johannes.

Lc 14,26.1. - 2. ει τις = ei tis (indien iemand) . NT (73) . Lc (3) : (1) Lc 8,23 . (2) Lc 14,26 . (3) Lc 19,8 .

Lc 14,26.3. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Lc. : erchomai (gaan, komen) . Lc (11) : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 7,8 . (3) Lc 8,12 . (4) Lc 8,49 . (5) Lc 12,39 . (6) Lc 12,40 . (7) Lc 12,54 . (8) Lc 14,26 . (9) Lc 14,27 . (10) Lc 17,1 . (11) Lc 17,20 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) in Lc (98) .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. praes. 3de pers. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

Lc 14,26.1. - 4. ει τις ερχεται προς = ei tis erchetai pros (indien iemand komt naar) . NT (2) : (1) Lc 14,26 . (2) 2 Joh 1,10 .

8. act. ind. praes. 3de pers. enk. μισει = misei (hij haat) van het werkw. μισεω = miseô (haten) . Taalgebruik in het NT : miseô (haten) . Taalgebruik in de LXX : miseô (haten) . Bijbel (20) : (1) Js 1,14 . (2) Ez 23,29 . (3) Ps 11,5 . (4) Spr 6,16 . (5) Spr 8,13 . (6) Spr 11,15 . (7) Spr 13,5 . (8) Spr 13,24 . (9) Spr 15,32 . (10) Spr 17,9 . (11) Spr 19,7 . (12) Spr 26,28 . (13) Spr 29,24 . (14) Lc 14,26 . (15) Joh 3,20 . (16) Joh 7,7 . (17) Joh 15,18 . (18) Joh 15,19 . (19) Joh 15,23 . (20) 1 Joh 3,13 . Een vorm van μισεω = miseô in de LXX (182) , in het NT (39) , in Lc (7) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 6,22 . (3) Lc 6,27 . (4) Lc 14,26 . (5) Lc 16,13 . (6) Lc 19,14 . (7) Lc 21,17 . In de LXX is μισεω = miseô (haten) de vertaling van 8 verschillende Hebreeuwse woorden .
- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. vr. enk. שָׂנְאָה = shânë´âh (zij haat) van het werkw. שָׂנָא = shânâ´ (haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Taalgebruik : shânâ´(haten, met tegenzin hebben, niet beminnen) . Getalwaarde : shin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 3 - 5 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (2) : (1) Js 1,14 . (2) Ps 11,5 .

Lc 14,26.10. acc. mann. enk. πατερα = patera van het zelfst. naamw. πατηρ = patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in de LXX : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Lc (9) : (1) Lc 1,73 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,59 . (5) Lc 11,11 . (6) Lc 14,26 . (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 . (9) Lc 18,20 . Een vorm van πατηρ = patèr in de LXX (1451) , in het NT (415) .
- Hebreeuws . אַב = ´abh (vader) . Taalgebruik in Tenakh : ´abh (vader) . Getalwaarde : alelph = 1 , beth = 2 ; totaal 3 . Structuur : 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Arabisch : اَب = ´ab (vader) . Taalgebruik in de Qoran : ´ab (vader) .

patèr (vader) enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn  ev. 
acc. mann. enk. patera  218  134  84  13  31  20    30  61 
totaal 1093  749  344  60  17  48  121  11  8 125  246 

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.
  patèr    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 6 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 18 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1. nom. mann. enk. patèr  15  (1) Lc 1,67 . (2) Lc 2,33 . (3) Lc 2,48 .   (4) Lc 6,36 .        (5) Lc 10,21 . (6) Lc 10,22 . (7) Lc 11,13 . (8) Lc 12,30 . (9) Lc 12,32 . (10) Lc 12,53 .   (11) Lc 15,20 . (12) Lc 15,22 . (13) Lc 15,27 . (14) Lc 15,28 .     (15) Lc 22,29 .    
2. voc. enk. pater  11              (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 .       (3) Lc 15,12 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,24 . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 16,30 .   (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 .        
3. gen. mann. enk. patros  (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 2,49 .          (4) Lc 9,26 . (5) Lc 10,22 .       (6) Lc 15,17 . (7) Lc 16,27 .       (8) Lc 24,49 .      
4. dat. mann. enk. patri  (1) Lc 1,62 .         (2) Lc 9,42 .     (3) Lc 12,53 .   (4) Lc 15,12 . (5) Lc 15,29 .              
5. acc. mann. enk. patera  (1) Lc 1,73 .   (2) Lc 3,8 .   (3) Lc 8,51 . (4) Lc 9,59 .       (5) Lc 11,11 .   (6) Lc 14,26 .    (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 .   (9) Lc 18,20 .         
6. nom. mann. mv. pateres        (1) Lc 6,23 . (2) Lc 6,26 .         (3) Lc 11,47 .                  
7. gen. mann. mv. paterôn   (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,72 .             (3) Lc 11,48 .                   
8. acc. mann. mv. pateras  (1) Lc 1,55 .                                
    '48'  3   '2'   '3'  '9'  '3' 

Lc 14,26.9. - 11. πατερα = tèn patera heautou (zijn vader) . NT (2) : (1) Lc 14,26 . (2) Lc 15,20 .

Lc 14,26.14. acc. vr. enk. μητερα = mètera van het zelfst. naamw. μητηρ = mètèr (moeder) . Taalgebruik in het NT : mètèr (moeder) . Taalgebruik in de LXX : mètèr (moeder) . Bijbel (78) . OT (54) . NT (24) : (1) Mt 2,13 . (2) Mt 2,14 . (3) Mt 2,20 . (4) Mt 2,21 . (5) Mt 10,37 . (6) Mt 15,4 . (7) Mt 19,5 . (8) Mt 19,19 . (9) Mt 19,29 . (10) Mc 5,40 . (11) Mc 7,10 . (12) Mc 10,7 . (13) Mc 10,19 . (14) Mc 10,29 . (15) Lc 2,34 . (16) Lc 8,51 . (17) Lc 12,53 . (18) Lc 14,26 . (19) Lc 18,20 . (20) Joh 6,42 . (21) Joh 19,26 . (22) Rom 16,13 . (23) Ef 5,31 . (24) Ef 6,2 . Een vorm van μητηρ = mètèr in de LXX (338) , in het NT (84) , in Lc (17) .
- Hebreeuws . אְמ = ´em (moeder) . Taalgebruik in Tenach : ´em (moeder) . Getalwaarde : aleph = 1 , mem = 13 of 40 ; totaal : 14 (2 X 7) OF 41 . De som van de elementen is telkens 5 .
- Lat. mater . Ned. moeder . E. mother . D. Mutter . Fr. mère . Arabisch : أُم = ´umm (moeder) . Taalgebruik in de Qoran : ´umm (moeder) .

Lc 14,26.17. acc. vr. enk. γυναικα = gunaika van het zelfst. naamw. γυνη = gunè (vrouw) . Taalgebruik in het NT : gunè (vrouw) . Taalgebruik in de LXX : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Lc (10) : (1) Lc 4,26 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 7,50 . (4) Lc 14,20 . (5) Lc 14,26 . (6) Lc 16,18 . (7) Lc 18,29 . (8) Lc 20,28 . (9) Lc 20,29 . (10) Lc 20,33 .

  gunè (vrouw)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
5 acc. vr. enk. gunaika   269  220  49  11  10  13  29  30  13   

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  16.  17. 
  gunè (vrouw)   Lc Lc 1 Lc 3 Lc 4 Lc 7 Lc 8 Lc 10 Lc 11 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 20 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1.  nom. vr. enk. gunè   16  (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,24 .        (5) Lc 7,37 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,3 . (8) Lc 8,43 . (9) Lc 8,47 . (10) Lc 10,38 . (11) Lc 11,27 . (12) Lc 13,11 . (13) Lc 13,21 .     (14) Lc 15,8 .       (15) Lc 20,32 . (16) Lc 20,33 .           
2.  voc. vr. enk. gunai                (1) Lc 13,12 .               (2) Lc 22,57 .      
3.  gen. vr. enk. gunaikos     (1) Lc 3,9 .                     (2) Lc 17,32 .            
4.  acc. vr. enk. gunaika   10      (1) Lc 4,26 . (2) Lc 7,44 . (3) Lc 7,50 .         (4) Lc 14,20 . (5) Lc 14,26 .   (6) Lc 16,18 .      (7) Lc 18,29 (8) Lc 20,28 . (9) Lc 20,29 . (10) Lc 20,33 .         
nom. + voc. vr. mv. gunaikes          (1) Lc 8,2 .                     (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 .    
6.   gen. vr. mv.  gunaikôn       (1) Lc 7,28 .                         (2) Lc 23,27 .    
7.   dat. vr. mv. gunaixin   () Lc 1,28 . (1) Lc 1,42 .                                  
  totaal 37 (38)  5 (6)   4

- Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .

Lc 14,26.20. nom. + acc. onz. mv. τεκνα = tekna (kinderen) van het zelfst. naamw. τεκνον = teknon (kind) . Taalgebruik in het NT : teknon (kind) . Taalgebruik in de LXX : teknon (kind) . Mc (5) : (1) Mc 7,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,29 . (4) Mc 10,30 . (5) Mc 13,12 . Lc (8) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 13,34 . (4) Lc 14,26 . (5) Lc 18,29 . (6) Lc 19,44 . (7) Lc 20,31 . (8) Lc 23,28 . Een vorm van τεκνον = teknon (kind) in de LXX (314) , in het NT (99) , in Lc (14) : (1) Lc 1,7 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,48 . (4) Lc 3,8 . (5) Lc 7,35 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 13,34 . (8) Lc 14,26. (9) Lc 15,31 . (10) Lc 16,25 . (11) Lc 18,29 . (12) Lc 19,44 . (13) Lc 20,31 . (14) Lc 23,28 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. mv. tekna   190  130  60  33  22  25  24 

Lc 14,26.31. acc. vr. enk. ψυχην = psuchèn van het zelfst. naamw. ψυχη = psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het NT : psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in de LXX : psuchè (adem, geest, leven) . Lc (6) : (1) Lc 2,35 . (2) Lc 6,9 . (3) Lc 9,24 . (4) Lc 12,20 . (5) Lc 14,26 . (6) Lc 17,33 . Een vorm van ψυχη = psuchè in de LXX (976) , in het NT (101) , in Lc (13) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 2,35 . (3) Lc 6,9 . (4) Lc 9,24 . (5) Lc 9,56 . (6) Lc 10,27 . (7) Lc 12,19 . (8) Lc 12,20 . (9) Lc 12,22 . (10) Lc 12,23 . (11) Lc 14,26 . (12) Lc 17,33 . (13) Lc 21,19 .

  psuchè (adem, geest, leven)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  acc. vr. enk. psuchèn   289  254  35  16  24 

Lc 14,26.37. nom. mann. enk. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès . Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
1 nom. enk. mathètès 19   19 1   4 11 3     5 16

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  
  mathètès (leerling) Lc  Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 22
1 nom. enk. mathètès 4   (1) Lc 6,40 .             (2) Lc 14,26 - (3) Lc 14,27 . (4) Lc 14,33 .            
2 nom. mv. mathètai 10 (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 .             (9) Lc 18,15 .     (10) Lc 22,39 .
3 gen. mann. mv. mathètôn 7   (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 .      (3) Lc 9,40   (4) Lc 11,1 .           (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 .   (7) Lc 22,11 .    
4 dat. mv. mathètais 3         (1) Lc 9,16 .               (2) Lc 19,39 .   (3) Lc 20,45 .  
5 acc. mv. mathètas 13 (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .     (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .   (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .       (13) Lc 22,45 .
  Totaal   37

Lc 14,26.34. ind. praes. 3de pers. enk. δυναται = dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) . Bijbel (82) . OT (12) . NT (70) . Lc (9) : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 5,21 . (3) Lc 6,39 . (4) Lc 12,25 . (5) Lc 14,26 . (6) Lc 14,27 . (7) Lc 14,33 . (8) Lc 16,13 . (9) Lc 18,26 . Een vorm van δυναμαι = dunamai (kunnen) in de LXX (332) , in het NT (209) , in Lc (26) .

Lc 14,26.33. - 37. ου δυναται ειναι μου μαθητης = ou dunatai einai mou mathètès (hij kan niet zijn mijn leerling; hij kan niet zijn van mij een leerling = hij kan geen leerling van mij zijn) . NT (1) : Lc 14,26 . - ου δυναται μου ειναι μαθητης = ou dunatai mou einai mathètès (hij kan niet zijn van mij een leerling = hij kan geen leerling van mij zijn) . NT (2) : (1) Lc 14,27 . (2) Lc 14,33 .



235. Zijn kruis dragen : Lc 14,27 // (Mt 10,38) - Lc 14,27 // Mt 10,38 : zijn kruis dragen -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lc (Lucas) -- Lc 14 -

Lc 14,27 - Lc 14,27 // Mt 10,38 : zijn kruis dragen -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen -- Lc (Lucas) -- Lc 14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:27 ostis ou bastazei ton stauron eautou kai erchetai opisô mou ou dunatai einai mou mathètès  27 et qui non baiulat crucem suam et venit post me non potest esse meus discipulus    Als iemand zijn kruis niet draagt en Mij volgt kan hij mijn leerling niet zijn.   [27] Hij moet zijn kruis dragen en Mij volgen; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.   [27] Wie niet zijn kruis draagt en mij op mijn weg volgt, kan niet mijn leerling zijn.  27 al wie niet zijn kruis draagt als hij mij achterna komt, kan geen leerling van mij wezen;  27. Quiconque ne porte pas sa croix et ne vient pas derrière moi ne peut être mon disciple.  

Statenvertaling . 27 En wie zijn kruis niet draagt, en Mij navolgt, die kan Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [27] And whosoever doth not bear his cross, and come after me, cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 27 Und wer nicht sein Kreuz trägt und mir nachfolgt, der kann nicht mein Jünger sein.

Tekstuitleg van Lc 14,27 .



236. De leerling moet goed weten wat hij aangaat : Lc 14,28-33

Lc 14,28 - Lc 14,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:28 tis gar ex umôn thelôn purgon oikodomèsai ouchi prôton kathisas psèfizei tèn dapanèn ei echei eis apartismon   28 quis enim ex vobis volens turrem aedificare non prius sedens conputat sumptus qui necessarii sunt si habet ad perficiendum   Als iemand van u een toren wil bouwen, zal hij dan niet eerst er voor gaan zitten om een begroting te maken of hij wel genoeg bezit om hem te voltooien?  [28] Als een van u een toren wil bouwen, gaat hij er toch eerst eens voor zitten om de kosten te begroten, om te zien of hij het werk kan voltooien.  
[28] Want wie van jullie die een toren wil bouwen gaat niet eerst de kosten berekenen, om te zien of hij wel genoeg heeft voor de bouw? 
28 want wie van u die een toren wil bouwen zal niet eerst gaan zitten en de kosten berekenen,– of hij genoeg heeft om hem te voltooien?–   28. « Qui de vous en effet, s'il veut bâtir une tour, ne commence par s'asseoir pour calculer la dépense et voir s'il a de quoi aller jusqu'au bout ? 

Statenvertaling . 28 Want wie van u, willende een toren bouwen, zit niet eerst neder, en overrekent de kosten, of hij ook heeft, hetgeen tot volmaking nodig is?
King James Bible . [28] For which of you, intending to build a tower, sitteth not down first, and counteth the cost, whether he have sufficient to finish it?
Luther-Bibel . 28 Denn wer ist unter euch, der einen Turm bauen will und setzt sich nicht zuvor hin und überschlägt die Kosten, ob er genug habe, um es auszuführen, –

Tekstuitleg van Lc 14,28 .

Lc 14,29 - Lc 14,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:29 ina mèpote thentos autou themelion kai mè ischuontos ektelesai pantes oi theôrountes arxôntai autô empaizein  29 ne posteaquam posuerit fundamentum et non potuerit perficere omnes qui vident incipiant inludere ei    Anders zou het hem kunnen overkomen, – als hij de fundering heeft gelegd en niet in staat is het werk te voltooien – dat allen die het zien hem gaan bespotten  [29] Want anders, als hij wel het fundament legt maar de bouw niet kan afmaken, zal iedereen die het ziet hem uitlachen   [29] Als hij het fundament gelegd heeft maar de bouw niet kan voltooien, zal iedereen die dat ziet hem uitlachen  29 hij wil voorkomen dat, als hij wel het fundament legt maar niet in staat is het te voleindigen, allen die het aanschouwen zullen beginnen hem te bespotten  29. De peur que, s'il pose les fondations et ne peut achever, tous ceux qui le verront ne se mettent à se moquer de lui, en disant :  

Statenvertaling . 29 Opdat niet misschien, als hij het fondament gelegd heeft, en niet kan voleindigen, allen, die het zien, hem beginnen te bespotten.
King James Bible . [29] Lest haply, after he hath laid the foundation, and is not able to finish it, all that behold it begin to mock him,
Luther-Bibel . 29 damit nicht, wenn er den Grund gelegt hat und kann's nicht ausführen, alle, die es sehen, anfangen, über ihn zu spotten,

Tekstuitleg van Lc 14,29 .

Lc 14,30 - Lc 14,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:30 legontes oti outos o anthrôpos èrxato oikodomein kai ouk ischusen ektelesai  30 dicentes quia hic homo coepit aedificare et non potuit consummare    en zeggen: Die man begon te bouwen, maar hij was niet in staat het einde te halen.  [30] en zeggen: “Hij begon te bouwen, maar afmaken kon hij het niet.”  [30] en zeggen: “Die man begon te bouwen, maar het karwei afmaken kon hij niet.”  30 en zeggen: deze mens begon te bouwen en was niet in staat het te voleindigen!–  30. «Voilà un homme qui a commencé de bâtir et il n'a pu achever ! »  

Statenvertaling . 30 Zeggende: Deze mens heeft begonnen te bouwen, en heeft niet kunnen voleindigen.
King James Bible . [30] Saying, This man began to build, and was not able to finish.
Luther-Bibel . 30 und sagen: Dieser Mensch hat angefangen zu bauen und kann's nicht ausführen?

Tekstuitleg van Lc 14,30 .

Lc 14,31 - Lc 14,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:31 è tis basileus poreuomenos eterô basilei sumbalein eis polemon ouchi kathisas prôton bouleusetai ei dunatos estin en deka chiliasin upantèsai tô meta eikosi chiliadôn erchomenô ep auton  31 aut qui rex iturus committere bellum adversus alium regem non sedens prius cogitat si possit cum decem milibus occurrere ei qui cum viginti milibus venit ad se    Of welke koning zal, – als hij tegen een andere koning ter oorlog wil trekken – niet eerst overleggen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man het hoofd te bieden aan iemand die met twintigduizend man tegen hem optrekt?  [31] Of als een koning ten oorlog trekt tegen een andere koning, dan gaat hij er toch eerst eens voor zitten om te beraadslagen of hij sterk genoeg is om met tienduizend man op te trekken tegen de ander, die met twintigduizend man op hem afkomt.  [31] En welke koning die erop uittrekt om met een andere koning oorlog te voeren, zal niet eerst bij zichzelf te rade gaan of hij wel met tienduizend man kan optrekken tegen iemand die met twintigduizend man tegen hem oprukt?  31 of welke koning gaat op reis om in een oorlog met een andere koning slag te leveren, zonder eerst te gaan zitten en zich te beraden of hij bij machte is met tien duizendtallen hem tegemoet te treden die met twintig duizendtallen op hem afkomt?–  31. Ou encore quel est le roi qui, partant faire la guerre à un autre roi, ne commencera par s'asseoir pour examiner s'il est capable, avec dix mille hommes, de se porter à la rencontre de celui qui marche contre lui avec vingt mille ?  

Statenvertaling . 31 Of wat koning, gaande naar den krijg, om tegen een anderen koning te slaan, zit niet eerst neder, en beraadslaagt, of hij machtig is met tien duizend te ontmoeten dengene, die met twintig duizend tegen hem komt?
King James Bible . [31] Or what king, going to make war against another king, sitteth not down first, and consulteth whether he be able with ten thousand to meet him that cometh against him with twenty thousand?
Luther-Bibel . 31 Oder welcher König will sich auf einen Krieg einlassen gegen einen andern König und setzt sich nicht zuvor hin und hält Rat, ob er mit zehntausend dem begegnen kann, der über ihn kommt mit zwanzigtausend?

Tekstuitleg van Lc 14,31 .

Lc 14,32 - Lc 14,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:32 ei de mè ge eti autou porrô ontos presbeian aposteilas erôta | | ta | pros eirènèn  32 alioquin adhuc illo longe agente legationem mittens rogat ea quae pacis sunt     Zo niet, dan stuurt hij, als de tegenstander nog ver weg is, een gezantschap en vraagt om de vredesvoorwaarden.   [32] Als dat niet zo is stuurt hij, terwijl de ander nog ver weg is, een gezantschap naar hem toe om naar de vredesvoorwaarden te vragen.  [32] Als hij dat niet kan, stuurt hij eerst, wanneer de troepen nog ver van elkaar verwijderd zijn, een gezant om naar de voorwaarden voor vrede te vragen.  32 zo niet, dan zal hij als hij nog ver weg is een afvaardiging uitzenden en vragen naar wat tot vrede leidt;   32. Sinon, alors que l'autre est encore loin, il lui envoie une ambassade pour demander la paix.  

Statenvertaling . 32 Anderszins zendt hij gezanten uit, terwijl degene nog verre is, en begeert, hetgeen tot vrede dient.
King James Bible . [32] Or else, while the other is yet a great way off, he sendeth an ambassage, and desireth conditions of peace.
Luther-Bibel . 32 Wenn nicht, so schickt er eine Gesandtschaft, solange jener noch fern ist, und bittet um Frieden.

Tekstuitleg van Lc 14,32 .

Lc 14,33 - Lc 14,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieentwintigste) zondag door het c-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
14:33 outôs oun pas ex umôn os ouk apotassetai pasin tois eautou uparchousin ou dunatai einai mou mathètès   33 sic ergo omnis ex vobis qui non renuntiat omnibus quae possidet non potest meus esse discipulus     Zo kan niemand van u mijn leerling zijn als hij zich niet losmaakt van al wat hij bezit.   [33] Zo moet ieder van u afstand doen van alles wat hij bezit; anders kan hij geen leerling van Mij zijn.  [33] Zo geldt ook voor jullie: wie geen afstand doet van al zijn bezittingen, kan mijn leerling niet zijn. 33 welnu, zo geldt voor een ieder van u: wie niet afscheid neemt van al wat hij bezit kan onmogelijk mijn leerling wezen!–   33. Ainsi donc, quiconque parmi vous ne renonce pas à tous ses biens ne peut être mon disciple. 

Statenvertaling . 33 Alzo dan een iegelijk van u, die niet verlaat alles, wat hij heeft, die kan Mijn discipel niet zijn.
King James Bible . [33] So likewise, whosoever he be of you that forsaketh not all that he hath, he cannot be my disciple.
Luther-Bibel . 33 So auch jeder unter euch, der sich nicht lossagt von allem, was er hat, der kann nicht mein Jünger sein.

Tekstuitleg van Lc 14,33 .


237. Gelijkenis van het zout : Lc 14,34-35 // (Mc 9,50) // (Mt 5,13)

Lc 14,34 - Lc 14,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
34kalon oun to alas: ean de kai to alas môranthè, en tini artuthèsetai;  34 bonum est sal si autem sal quoque evanuerit in quo condietur       [34] Kortom*, zout is iets kostelijks. Maar als het zijn kracht verliest kan het onmogelijk weer zout gemaakt worden.   [34] Zout is iets goeds. Maar als ook het zout zijn smaak verliest, hoe kunnen we het dan zijn kracht teruggeven?   34 kortom, kostelijk is het zout, maar als zelfs zout flauw wordt, waarmee moet je dat dan kruiden?–   34. « C'est donc une bonne chose que le sel. Mais si même le sel vient à s'affadir, avec quoi l'assaisonnera-t-on ?  

Statenvertaling . 34 Het zout is goed; maar indien het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?
King James Bible . [34] Salt is good: but if the salt have lost his savour, wherewith shall it be seasoned?
Luther-Bibel . 34 Das Salz ist etwas Gutes; wenn aber das Salz nicht mehr salzt, womit soll man würzen?

Tekstuitleg van Lc 14,34 .

Lc 14,35 - Lc 14,35 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
35oute eis gèn oute eis koprian eutheton estin: exô ballousin auto. o echôn ôta akouein akouetô. 35 neque in terram neque in sterquilinium utile est sed foras mittetur qui habet aures audiendi audiat       [35] Dan deugt het niet voor op het land en ook niet voor in de mest; je kunt het weggooien. Wie oren heeft om te horen, moet horen.’  [35] Ook voor de bemesting van de grond is het niet meer bruikbaar, dus wordt het weggegooid. Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’  35 op het land kan het niet terecht en op de mestvaalt ook niet: ze gooien het weg!– wie oren om te horen heeft moet horen!   35. Il n'est bon ni pour la terre ni pour le fumier : on le jette dehors. Celui qui a des oreilles pour entendre, qu'il entende ! » 

Statenvertaling . 35 Het is noch tot het land, noch tot den mesthoop bekwaam; men werpt het weg. Wie oren heeft, om te horen, die hore.
King James Bible . [35] It is neither fit for the land, nor yet for the dunghill; but men cast it out. He that hath ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . 35 Es ist weder für den Acker noch für den Mist zu gebrauchen, sondern man wird's wegwerfen. Wer Ohren hat zu hören, der höre!

Tekstuitleg van Lc 14,35 .

9. exô (buiten) . Taalgebruik in het N.T. : exô (buiten) . Taalgebruik in Mc : exô (buiten) .
Lc (10) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 13,25 . (5) Lc 13,28 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 20,15 . (9) Lc 22,62 . (10) Lc 24,50 .


LXX

1kai egeneto en tô elthein auton eis oikon tinos tôn archontôn [tôn] farisaiôn sabbatô fagein arton kai autoi èsan paratèroumenoi auton. 2kai idou anthrôpos tis èn udrôpikos emprosthen autou. 3kai apokritheis o ièsous eipen pros tous nomikous kai farisaious legôn, exestin tô sabbatô therapeusai è ou; 4oi de èsuchasan. kai epilabomenos iasato auton kai apelusen. 5kai pros autous eipen, tinos umôn uios è bous eis frear peseitai, kai ouk eutheôs anaspasei auton en èmera tou sabbatou; 6kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta. 7elegen de pros tous keklèmenous parabolèn, epechôn pôs tas prôtoklisias exelegonto, legôn pros autous, 8otan klèthès upo tinos eis gamous, mè kataklithès eis tèn prôtoklisian, mèpote entimoteros sou è keklèmenos up autou, 9kai elthôn o se kai auton kalesas erei soi, dos toutô topon, kai tote arxè meta aischunès ton eschaton topon katechein. 10all otan klèthès poreutheis anapese eis ton eschaton topon, ina otan elthè o keklèkôs se erei soi, file, prosanabèthi anôteron: tote estai soi doxa enôpion pantôn tôn sunanakeimenôn soi. 11oti pas o upsôn eauton tapeinôthèsetai kai o tapeinôn eauton upsôthèsetai. 12elegen de kai tô keklèkoti auton, otan poiès ariston è deipnon, mè fônei tous filous sou mède tous adelfous sou mède tous suggeneis sou mède geitonas plousious, mèpote kai autoi antikalesôsin se kai genètai antapodoma soi. 13all otan dochèn poiès, kalei ptôchous, anapeirous, chôlous, tuflous: 14kai makarios esè, oti ouk echousin antapodounai soi, antapodothèsetai gar soi en tè anastasei tôn dikaiôn. 15akousas de tis tôn sunanakeimenôn tauta eipen autô, makarios ostis fagetai arton en tè basileia tou theou. 16o de eipen autô, anthrôpos tis epoiei deipnon mega, kai ekalesen pollous, 17kai apesteilen ton doulon autou tè ôra tou deipnou eipein tois keklèmenois, erchesthe, oti èdè etoima estin. 18kai èrxanto apo mias pantes paraiteisthai. o prôtos eipen autô, agron ègorasa kai echô anagkèn exelthôn idein auton: erôtô se, eche me parètèmenon. 19kai eteros eipen, zeugè boôn ègorasa pente kai poreuomai dokimasai auta: erôtô se, eche me parètèmenon. 20kai eteros eipen, gunaika egèma kai dia touto ou dunamai elthein. 21kai paragenomenos o doulos apèggeilen tô kuriô autou tauta. tote orgistheis o oikodespotès eipen tô doulô autou, exelthe tacheôs eis tas plateias kai rumas tès poleôs, kai tous ptôchous kai anapeirous kai tuflous kai chôlous eisagage ôde. 22kai eipen o doulos, kurie, gegonen o epetaxas, kai eti topos estin. 23kai eipen o kurios pros ton doulon, exelthe eis tas odous kai fragmous kai anagkason eiselthein, ina gemisthè mou o oikos: 24legô gar umin oti oudeis tôn andrôn ekeinôn tôn keklèmenôn geusetai mou tou deipnou. 25suneporeuonto de autô ochloi polloi, kai strafeis eipen pros autous, 26ei tis erchetai pros me kai ou misei ton patera eautou kai tèn mètera kai tèn gunaika kai ta tekna kai tous adelfous kai tas adelfas, eti te kai tèn psuchèn eautou, ou dunatai einai mou mathètès. 27ostis ou bastazei ton stauron eautou kai erchetai opisô mou ou dunatai einai mou mathètès. 28tis gar ex umôn thelôn purgon oikodomèsai ouchi prôton kathisas psèfizei tèn dapanèn, ei echei eis apartismon; 29ina mèpote thentos autou themelion kai mè ischuontos ektelesai pantes oi theôrountes arxôntai autô empaizein 30legontes oti outos o anthrôpos èrxato oikodomein kai ouk ischusen ektelesai. 31è tis basileus poreuomenos eterô basilei sumbalein eis polemon ouchi kathisas prôton bouleusetai ei dunatos estin en deka chiliasin upantèsai tô meta eikosi chiliadôn erchomenô ep auton; 32ei de mè ge, eti autou porrô ontos presbeian aposteilas erôta ta pros eirènèn. 33outôs oun pas ex umôn os ouk apotassetai pasin tois eautou uparchousin ou dunatai einai mou mathètès. 34kalon oun to alas: ean de kai to alas môranthè, en tini artuthèsetai; 35oute eis gèn oute eis koprian eutheton estin: exô ballousin auto. o echôn ôta akouein akouetô.


GRIEKSE TEKST

1kai egeneto en tô elthein auton eis oikon tinos tôn archontôn [tôn] farisaiôn sabbatô fagein arton kai autoi èsan paratèroumenoi auton. 2kai idou anthrôpos tis èn udrôpikos emprosthen autou. 3kai apokritheis o ièsous eipen pros tous nomikous kai farisaious legôn, exestin tô sabbatô therapeusai è ou; 4oi de èsuchasan. kai epilabomenos iasato auton kai apelusen. 5kai pros autous eipen, tinos umôn uios è bous eis frear peseitai, kai ouk eutheôs anaspasei auton en èmera tou sabbatou; 6kai ouk ischusan antapokrithènai pros tauta. 7elegen de pros tous keklèmenous parabolèn, epechôn pôs tas prôtoklisias exelegonto, legôn pros autous, 8otan klèthès upo tinos eis gamous, mè kataklithès eis tèn prôtoklisian, mèpote entimoteros sou è keklèmenos up autou, 9kai elthôn o se kai auton kalesas erei soi, dos toutô topon, kai tote arxè meta aischunès ton eschaton topon katechein. 10all otan klèthès poreutheis anapese eis ton eschaton topon, ina otan elthè o keklèkôs se erei soi, file, prosanabèthi anôteron: tote estai soi doxa enôpion pantôn tôn sunanakeimenôn soi. 11oti pas o upsôn eauton tapeinôthèsetai kai o tapeinôn eauton upsôthèsetai. 12elegen de kai tô keklèkoti auton, otan poiès ariston è deipnon, mè fônei tous filous sou mède tous adelfous sou mède tous suggeneis sou mède geitonas plousious, mèpote kai autoi antikalesôsin se kai genètai antapodoma soi. 13all otan dochèn poiès, kalei ptôchous, anapeirous, chôlous, tuflous: 14kai makarios esè, oti ouk echousin antapodounai soi, antapodothèsetai gar soi en tè anastasei tôn dikaiôn. 15akousas de tis tôn sunanakeimenôn tauta eipen autô, makarios ostis fagetai arton en tè basileia tou theou. 16o de eipen autô, anthrôpos tis epoiei deipnon mega, kai ekalesen pollous, 17kai apesteilen ton doulon autou tè ôra tou deipnou eipein tois keklèmenois, erchesthe, oti èdè etoima estin. 18kai èrxanto apo mias pantes paraiteisthai. o prôtos eipen autô, agron ègorasa kai echô anagkèn exelthôn idein auton: erôtô se, eche me parètèmenon. 19kai eteros eipen, zeugè boôn ègorasa pente kai poreuomai dokimasai auta: erôtô se, eche me parètèmenon. 20kai eteros eipen, gunaika egèma kai dia touto ou dunamai elthein. 21kai paragenomenos o doulos apèggeilen tô kuriô autou tauta. tote orgistheis o oikodespotès eipen tô doulô autou, exelthe tacheôs eis tas plateias kai rumas tès poleôs, kai tous ptôchous kai anapeirous kai tuflous kai chôlous eisagage ôde. 22kai eipen o doulos, kurie, gegonen o epetaxas, kai eti topos estin. 23kai eipen o kurios pros ton doulon, exelthe eis tas odous kai fragmous kai anagkason eiselthein, ina gemisthè mou o oikos: 24legô gar umin oti oudeis tôn andrôn ekeinôn tôn keklèmenôn geusetai mou tou deipnou. 25suneporeuonto de autô ochloi polloi, kai strafeis eipen pros autous, 26ei tis erchetai pros me kai ou misei ton patera eautou kai tèn mètera kai tèn gunaika kai ta tekna kai tous adelfous kai tas adelfas, eti te kai tèn psuchèn eautou, ou dunatai einai mou mathètès. 27ostis ou bastazei ton stauron eautou kai erchetai opisô mou ou dunatai einai mou mathètès. 28tis gar ex umôn thelôn purgon oikodomèsai ouchi prôton kathisas psèfizei tèn dapanèn, ei echei eis apartismon; 29ina mèpote thentos autou themelion kai mè ischuontos ektelesai pantes oi theôrountes arxôntai autô empaizein 30legontes oti outos o anthrôpos èrxato oikodomein kai ouk ischusen ektelesai. 31è tis basileus poreuomenos eterô basilei sumbalein eis polemon ouchi kathisas prôton bouleusetai ei dunatos estin en deka chiliasin upantèsai tô meta eikosi chiliadôn erchomenô ep auton; 32ei de mè ge, eti autou porrô ontos presbeian aposteilas erôta ta pros eirènèn. 33outôs oun pas ex umôn os ouk apotassetai pasin tois eautou uparchousin ou dunatai einai mou mathètès. 34kalon oun to alas: ean de kai to alas môranthè, en tini artuthèsetai; 35oute eis gèn oute eis koprian eutheton estin: exô ballousin auto. o echôn ôta akouein akouetô.


 

VULGAAT

1 et factum est cum intraret in domum cuiusdam principis Pharisaeorum sabbato manducare panem et ipsi observabant eum 2 et ecce homo quidam hydropicus erat ante illum 3 et respondens Iesus dixit ad legis peritos et Pharisaeos dicens si licet sabbato curare 4 at illi tacuerunt ipse vero adprehensum sanavit eum ac dimisit 5 et respondens ad illos dixit cuius vestrum asinus aut bos in puteum cadet et non continuo extrahet illum die sabbati 6 et non poterant ad haec respondere illi 7 dicebat autem et ad invitatos parabolam intendens quomodo primos accubitus eligerent dicens ad illos 8 cum invitatus fueris ad nuptias non discumbas in primo loco ne forte honoratior te sit invitatus ab eo 9 et veniens is qui te et illum vocavit dicat tibi da huic locum et tunc incipias cum rubore novissimum locum tenere 10 sed cum vocatus fueris vade recumbe in novissimo loco ut cum venerit qui te invitavit dicat tibi amice ascende superius tunc erit tibi gloria coram simul discumbentibus 11 quia omnis qui se exaltat humiliabitur et qui se humiliat exaltabitur 12 dicebat autem et ei qui se invitaverat cum facis prandium aut cenam noli vocare amicos tuos neque fratres tuos neque cognatos neque vicinos divites ne forte et ipsi te reinvitent et fiat tibi retributio 13 sed cum facis convivium voca pauperes debiles claudos caecos 14 et beatus eris quia non habent retribuere tibi retribuetur enim tibi in resurrectione iustorum 15 haec cum audisset quidam de simul discumbentibus dixit illi beatus qui manducabit panem in regno Dei 16 at ipse dixit ei homo quidam fecit cenam magnam et vocavit multos 17 et misit servum suum hora cenae dicere invitatis ut venirent quia iam parata sunt omnia 18 et coeperunt simul omnes excusare primus dixit ei villam emi et necesse habeo exire et videre illam rogo te habe me excusatum 19 et alter dixit iuga boum emi quinque et eo probare illa rogo te habe me excusatum 20 et alius dixit uxorem duxi et ideo non possum venire 21 et reversus servus nuntiavit haec domino suo tunc iratus pater familias dixit servo suo exi cito in plateas et vicos civitatis et pauperes ac debiles et caecos et claudos introduc huc 22 et ait servus domine factum est ut imperasti et adhuc locus est 23 et ait dominus servo exi in vias et sepes et conpelle intrare ut impleatur domus mea 24 dico autem vobis quod nemo virorum illorum qui vocati sunt gustabit cenam meam 25 ibant autem turbae multae cum eo et conversus dixit ad illos 26 si quis venit ad me et non odit patrem suum et matrem et uxorem et filios et fratres et sorores adhuc autem et animam suam non potest esse meus discipulus 27 et qui non baiulat crucem suam et venit post me non potest esse meus discipulus 28 quis enim ex vobis volens turrem aedificare non prius sedens conputat sumptus qui necessarii sunt si habet ad perficiendum 29 ne posteaquam posuerit fundamentum et non potuerit perficere omnes qui vident incipiant inludere ei 30 dicentes quia hic homo coepit aedificare et non potuit consummare 31 aut qui rex iturus committere bellum adversus alium regem non sedens prius cogitat si possit cum decem milibus occurrere ei qui cum viginti milibus venit ad se 32 alioquin adhuc illo longe agente legationem mittens rogat ea quae pacis sunt 33 sic ergo omnis ex vobis qui non renuntiat omnibus quae possidet non potest meus esse discipulus 34 bonum est sal si autem sal quoque evanuerit in quo condietur 35 neque in terram neque in sterquilinium utile est sed foras mittetur qui habet aures audiendi audiat