LUCASEVANGELIE ZEVENTIENDE HOOFDSTUK - LC 17 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,5-10 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het zeventiende hoofdstuk van het Lucasevangelie
:
249. Ergernis : Lc
17,1-3a - Mc
9,42 - Mt
18,6-7
250. Vergevingsgezindheid : Lc
17,3b-4 - Mt
18,15-18 - Mt
18,21-22
251. Geloof : Lc
17,5-6 - Mt
17,14-21
252. Onnutte knechten : Lc
17,7-10
253. Genezing van de tien melaatsen : Lc
17,11-19
254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc
17,20-21
255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon : Lc
17,22-24 - Mt
24,26-28
256. Lijden en verwerping van de Mensenzoon : Lc
17,25
257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht : Lc
17,26-30 - Mt
24,37-41
258. Alles achterlaten op die dag : Lc
17,31-32 - Mt
24,15-22 - Mc
13,14-20
259. Zijn leven verliezen om het te behouden : Lc
17,33 - Mt
10,39
260. Dagen van oordeel en scheiding : Lc
17,34-35 (36) - Mt
24,37-41
261. Waar de gieren zich verzamelen : Lc
17,37 - Mt
24,26-28
249. Ergernis : Lc 17,1-3a - Lc 17,1-3a - Mc 9,42 - Mt 18,6-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,1 - Lc 17,2 - Lc 17,3 -
| Lc 17,1 - Lc 17,1 : 249. Ergernis - Lc 17,1-3a - Mc 9,42 - Mt 18,6-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,1 - Lc 17,2 - Lc 17,3 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] Then said he unto the disciples, It is impossible but
that offences will come: but woe unto him, through whom they come!
Luther-Bibel . 17 1 Er sprach aber zu seinen Jüngern: Es ist unmöglich, dass
keine Verführungen kommen; aber weh dem, durch den sie kommen!
Tekstuitleg van Lc 17,1 .
| Lc 17,2 - Lc 17,2 : 249. Ergernis - Lc 17,1-3a - Mc 9,42 - Mt 18,6-7 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,1 - Lc 17,2 - Lc 17,3 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] It were better for him that a millstone were hanged
about his neck, and he cast into the sea, than that he should offend one of
these little ones.
Luther-Bibel . 2 Es wäre besser für ihn, dass man einen Mühlstein an seinen
Hals hängte und würfe ihn ins Meer, als dass er einen dieser Kleinen zum Abfall
verführt.
Tekstuitleg van Lc 17,2 .
250. Vergevingsgezindheid : Lc 17,3b-4 -- Lc 17,3b-4 - Mt 18,15-18 - Mt 18,21-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,3 -- Lc 17,4 -
| Lc 17,3 - Lc 17,3 : 250. Vergevingsgezindheid : Lc 17,3b-4 -- Lc 17,3b-4 - Mt 18,15-18 - Mt 18,21-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,3 -- Lc 17,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] Take heed to yourselves: If thy brother trespass against
thee, rebuke him; and if he repent, forgive him.
Luther-Bibel . 3 Hütet euch! Wenn dein Bruder sündigt, so weise ihn zurecht;
und wenn er es bereut, vergib ihm.
Tekstuitleg van Lc 17,3 .
| Lc 17,4 - Lc 17,4 : 250. Vergevingsgezindheid : Lc 17,3b-4 -- Lc 17,3b-4 - Mt 18,15-18 - Mt 18,21-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,3 -- Lc 17,4 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] And if he trespass against thee seven times in a day,
and seven times in a day turn again to thee, saying, I repent; thou shalt forgive
him.
Luther-Bibel . 4 Und wenn er siebenmal am Tag an dir sündigen würde und siebenmal
wieder zu dir käme und spräche: Es reut mich!, so sollst du ihm vergeben. Von
der Kraft des Glaubens
Tekstuitleg van Lc 17,4 .
- ean ... hamartèsèi eis se (indien... hij zondigt tegen jou) : Mt 18,15 en Lc 17,4
Evangelie op de 27ste
(zevenentwintigste) zondag door het c-jaar : Lc 17,5-10
. Lc 17,5-10
.
In die tijd zeiden de apostelen tot de Heer: "Geef ons meer geloof."
De Heer antwoordde: "Als ge een geloof had als een mosterdzaadje, zoudt
ge tot die moerbeiboom zeggen: Maak uw wortels los uit de grond en plant u in
de zee, en hij zou u gehoorzamen. Wie van u zal tot de knecht die hij in dienst
heeft als ploeger of veehouder, bij diens thuiskomst van het land zeggen: Kom
meteen aan tafel en tast toe? Zal hij niet eerder zeggen: Maak mijn maaltijd
klaar; omgord je en bedien mij terwijl ik eet en drink; daarna kun je zelf eten
en drinken? Moet hij die knecht soms dankbaar zijn omdat hij heeft uitgevoerd
wat hem is opgedragen? Zo is het ook met u: wanneer ge alles hebt gedaan wat
u opgedragen werd, zegt dan: Wij zijn maar gewone knechten; wij hebben alleen
maar onze plicht gedaan."
251. Geloof : Lc 17,5-6 -- Lc 17,5-6 - Mt 17,14-21 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,5 - Lc 17,6 -
| Lc 17,5 - Lc 17,5 : 251. Geloof - Lc 17,5-6 - Mt 17,14-21 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,5 - Lc 17,6 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And the apostles said unto the Lord, Increase our faith.
Luther-Bibel . 5 Und die Apostel sprachen zu dem Herrn: Stärke uns den Glauben!
Tekstuitleg van Lc 17,5 .
| Lc 17,6 - Lc 17,6 : 251. Geloof - Lc 17,5-6 - Mt 17,14-21 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,5 - Lc 17,6 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] And the Lord said, If ye had faith as a grain of mustard
seed, ye might say unto this sycamine tree, Be thou plucked up by the root,
and be thou planted in the sea; and it should obey you.
Luther-Bibel . 6 Der Herr aber sprach: Wenn ihr Glauben hättet so groß wie ein
Senfkorn, dann könntet ihr zu diesem Maulbeerbaum sagen: Reiß dich aus und versetze
dich ins Meer!, und er würde euch gehorchen. Vom Knechtslohn
Tekstuitleg van Lc 17,6 .
252. Onnutte knechten : Lc 17,7-10 -- Lc 17,7-10 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,7 - Lc 17,8 - Lc 17,9 - Lc 17,10 -
| Lc 17,7 - Lc 17,7 : 252. Onnutte knechten - Lc 17,7-10 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,7 - Lc 17,8 - Lc 17,9 - Lc 17,10 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] But which of you, having a servant plowing or feeding
cattle, will say unto him by and by, when he is come from the field, Go and
sit down to meat?
Luther-Bibel . 7 Wer unter euch hat einen Knecht, der pflügt oder das Vieh weidet,
und sagt ihm, wenn der vom Feld heimkommt: Komm gleich her und setz dich zu
Tisch?
Tekstuitleg van Lc 17,7 .
| Lc 17,8 - Lc 17,8 : 252. Onnutte knechten - Lc 17,7-10 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,7 - Lc 17,8 - Lc 17,9 - Lc 17,10 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And will not rather say unto him, Make ready wherewith
I may sup, and gird thyself, and serve me, till I have eaten and drunken; and
afterward thou shalt eat and drink?
Luther-Bibel . 8 Wird er nicht vielmehr zu ihm sagen: Bereite mir das Abendessen,
schürze dich und diene mir, bis ich gegessen und getrunken habe; danach sollst
du auch essen und trinken?
Tekstuitleg van Lc 17,8 .
| Lc 17,9 - Lc 17,9 : 252. Onnutte knechten - Lc 17,7-10 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,7 - Lc 17,8 - Lc 17,9 - Lc 17,10 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] Doth he thank that servant because he did the things
that were commanded him? I trow not.
Luther-Bibel . 9 Dankt er etwa dem Knecht, dass er getan hat, was befohlen war?
Tekstuitleg van Lc 17,9 .
| Lc 17,10 - Lc 17,10 : 252. Onnutte knechten - Lc 17,7-10 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,7 - Lc 17,8 - Lc 17,9 - Lc 17,10 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] So likewise ye, when ye shall have done all those things
which are commanded you, say, We are unprofitable servants: we have done that
which was our duty to do.
Luther-Bibel . 10 So auch ihr! Wenn ihr alles getan habt, was euch befohlen
ist, so sprecht: Wir sind unnütze Knechte; wir haben getan, was wir zu tun schuldig
waren. Die zehn Aussätzigen
Tekstuitleg van Lc 17,10 .
253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 -- Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 -
Evangelie op de 28ste
(achtentwintigste) zondag door het c-jaar : Lc
17,11-19 .
Op zijn reis naar Jeruzalem trok Jezus door het grensgebied van Samaria en
Galilea. Toen Hij een dorp binnenging kwamen Hem tien melaatsen tegemoet; zij
bleven op een grote afstand staan en riepen luidkeels: "Jezus, Meester,
ontferm U over ons!" Hij zag hen en sprak: "Gaat u laten zien aan
de priesters." En onderweg werden zij gereinigd. Een van hen keerde terug
toen hij zag dat hij genezen was, en hij verheerlijkte God met luider stem.
Vol dankbaarheid wierp hij zich voor Jezus' voeten neer, en deze man was een
Samaritaan. Hierop vroeg Jezus: "Zijn niet alle tien gereinigd? Waar zijn
dan de negen anderen? Is er niemand teruggekeerd om aan God eer te brengen dan
alleen deze vreemdeling?" En Hij sprak tot hem: "Sta op en ga heen;
uw geloof heeft u gered."
| Lc 17,11 - Lc 17,11 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And it came to pass, as he went to Jerusalem, that
he passed through the midst of Samaria and Galilee.
Luther-Bibel . 11 Und es begab sich, als er nach Jerusalem wanderte, dass er
durch Samarien und Galiläa hin zog.
Tekstuitleg van Lc 17,11 .
5. poreuesthai . Verwijzing : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) , zie Mt 2,9 . Zie ook poreuomai = zich op weg begeven (bij Marcus) , zie Mc 10,1 . Infintief praesens . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het N.T. . Mt (0) . Mc (0) . Lc (7) . Joh (1) . Hnd (6) . 2 Kor (2) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 14,16 . (3) Hnd 17,14 . (4) Hnd 19,21 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 25,20 .
| Lc 9,51 | Lc 9,52 | Lc 9,53 | Lc 9,56 | Lc 9,57 | Lc 10,38 | Lc 17,11 |
| kai (en) | kai (en) | hoti (omdat) | kai (en) | kai (en) | kai egeneto (en het gebeurde) | |
| autos (hij) | ||||||
| to prosôpon (het aangezicht) | to prosôpon autou (zijn aangezicht) | |||||
| estèrisen (was vast van plan) | apesteilen... pro prosôpou autou (hij zond... voor zijn aangezicht) | |||||
| tou poreuesthai (om te gaan) | kai poreuthentes (en gaande) eisèlthon (gingen zij) | èn poreuomenon (was gaande) | eporeuthèsan (zij gingen) | poreuomenôn autôn en tôi hodôi (terwijl zij onderweg gingen)n | en de tôi poreuesthai autous autos eisèlthen (terwijl zij aan het gaan waren, ging hij zelf binnen) | en tôi poreuesthai (in het gaan) |
| eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | eis heteran kômèn (naar een ander dorp) | eis (naar) | eis (naar) | |
| Ierousalèm (naar Jeruzalem) | kômèn Samaritôn (van de Samaritanen) | Ierousalèm (Jeruzalem) | kômèn tina (een bepaald dorp) | Ierousalèm (Jeruzalem) | ||
| 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp :Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - | 184. Voorwaarden van het volgen : Lc 9,57-62 - Mt 8,18-22 | 193. Maria en Marta : Lc 10,38-42 | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 |
| Lc 17,12 - Lc 17,12 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] And as he entered into a certain village, there met
him ten men that were lepers, which stood afar off:
Luther-Bibel . 12 Und als er in ein Dorf kam, begegneten ihm zehn aussätzige
Männer; die standen von ferne
Tekstuitleg van Lc 17,12 .
| Lc 17,13 - Lc 17,13 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And they lifted up their voices, and said, Jesus, Master,
have mercy on us.
Luther-Bibel . 13 und erhoben ihre Stimme und sprachen: Jesus, lieber Meister,
erbarme dich unser!
Tekstuitleg van Lc 17,13 .
8. act. imperat. aor. 2de pers. enk. eleèson (ontferm je over) van het werkwoord eleeô (medelijden hebben, erbarmen, zich ontfermen, barmhartig zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eleeô (medelijden hebben) . Taalgebruik in Lc : eleeô (medelijden hebben) . Lat. miserere mei . In Lc (4) : (1) Lc 16,24 . (2) Lc 17,13 . (3) Lc 18,38 . (4) Lc 18,39 . Een vorm van eleos (barmhartigheid) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,50 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,58 . (4) Lc 1,72 . (5) Lc 1,78 . (6) Lc 10,37 . Zelfst. naamw. acc. vr. enk eleèmosunèn van het zelfst. naamw. eleèmosunè (barmhartigheid) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 11,41 . (2) Lc 12,33 . Besluit : een vorm met de stam ele (barmhart- , ontferm-) in Lc in 12 verzen .
| Lc 17,14 - Lc 17,14 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] And when he saw them, he said unto them, Go shew yourselves
unto the priests. And it came to pass, that, as they went, they were cleansed.
Luther-Bibel . 14 Und als er sie sah, sprach er zu ihnen: Geht hin und zeigt
euch den Priestern! Und es geschah, als sie hingingen, da wurden sie rein.
Tekstuitleg van Lc 17,14 .
| Lc 17,15 - Lc 17,15 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And one of them, when he saw that he was healed, turned
back, and with a loud voice glorified God,
Luther-Bibel . 15 Einer aber unter ihnen, als er sah, dass er gesund geworden
war, kehrte er um und pries Gott mit lauter Stimme
Tekstuitleg van Lc 17,15 .
| Lc 17,16 - Lc 17,16 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And fell down on his face at his feet, giving him thanks:
and he was a Samaritan.
Luther-Bibel . 16 und fiel nieder auf sein Angesicht zu Jesu Füßen und dankte
ihm. Und das war ein Samariter.
Tekstuitleg van Lc 17,16 .
| Lc 17,17 - Lc 17,17 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And Jesus answering said, Were there not ten cleansed?
but where are the nine?
Luther-Bibel . 17 Jesus aber antwortete und sprach: Sind nicht die zehn rein
geworden? Wo sind aber die neun?
Tekstuitleg van Lc 17,17 .
| Lc 17,18 - Lc 17,18 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] There are not found that returned to give glory to
God, save this stranger.
Luther-Bibel . 18 Hat sich sonst keiner gefunden, der wieder umkehrte, um Gott
die Ehre zu geben, als nur dieser Fremde?
Tekstuitleg van Lc 17,18 .
| Lc 17,19 - Lc 17,19 : 253. Genezing van de tien melaatsen - Lc 17,11-19 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,11 - Lc 17,12 - Lc 17,13 - Lc 17,14 - Lc 17,15 - Lc 17,16 - Lc 17,17 - Lc 17,18 - Lc 17,19 - | ||||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] And he said unto him, Arise, go thy way: thy faith
hath made thee whole.
Luther-Bibel . 19 Und er sprach zu ihm: Steh auf, geh hin; dein Glaube hat dir
geholfen. Vom Kommen des Gottesreiches
Tekstuitleg van Lc 17,19
Inleiding op de 'genezings'formule hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) .
| (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . | (2) Mc 5,34 (// Mt 9,22 // Lc 8,48) . | (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . | (4) Lc 7,50 . | (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . | (6) Lc 17,19 . | (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) . |
| ho de Ièsous (Jezus echter) ... | ho de (hij echter) | kai ho Ièsous (en Jezus) | ho de (hij echter) | kai ho Ièsous (en Jezus) | ||
| eipen (zei) | eipen (zei) haar | eipen (zei) | eipen de (hij echter zei) | eipen (zei) haar | kai eipen (en hij zei) | eipen (zei) |
| autèi | autôi (hem) | pros tèn gunaika (tot de vrouw) | autèi | autôi (hem) | autôi (hem) | |
| thugater (dochter) | thugater (dochter) | |||||
| hupage (ga) ... | ... poreuou eis eirènèn (begeef je op weg in vrede) | ... poreuou eis eirènèn (begeef je op weg in vrede) | anastas poreuou (opgestaan begeef je op weg) | anablèpson (kijk op) | ||
| 71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 | 71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 | 115. De boetvaardige zondares : Lc 7,36-50 - Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 | 71. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng . Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 |
- sesôken (hij heeft gered / verlost) . In zeven verzen in de bijbel, enkel in het N.T. : (1) Mt 9,22 (// Mc 5,34 // Lc 8,48) . (2) Mc 5,34 (// Mt 9,2 // Lc 8,48) . (3) Mc 10,52 (// Lc 18,42) . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 (Mc 5,34 // Mt 9,2) . (6) Lc 17,19 . (7) Lc 18,42 (// Mc 10,52) . In deze zeven verzen komt de uitdrukking hè pistis sou sesôken se = je geloof heeft je gered - je geloof is je redding) . Vier lettergrepen beginnen met s- . Vijf woorden . Acht lettergrepen . Het gaat om drie wonderverhalen en een verhaal van zondenvergeving van een vrouw die haar zonden berouwt . Bij de wonderverhaal gaat het om de genezing van een bloedvloeiende vrouw , van een blinde man en van een melaatse man . De 'genezings'formule is dus gericht tot twee vrouwen en twee mannen .
Zie 2 K 5,1-26 : de genezing van Naäman en 63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16 - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16
Het verhaal heeft een afgerond geheel met een begin en een einde. Het neemt
een bepaalde plaats in in het evangelie. Het is daarenboven ingedeeld in een
aantal verzen. Waarom heeft de latere versindeler de pericope zo ingedeeld?
In Lc 17,11-14 komt 7 X het voegwoord kai (en) voor; 6X om
een zin in te leiden en 1X om twee plaatsnamen met elkaar te verbinden (Samaria
en Galilea). In 4 van de 6 gevallen heeft de versindeler gekozen voor het
begin van een vers. Lc 17,11 en Lc 17,14 vormen dan een inclusio (omsluiting,
omarming). Dat zou dan een eerste deel van het verhaal zijn, nl. de genezing
van tien melaatsen.
Lc 17,15-19 zou dan een tweede deel vormen, nl. de terugkeer
van een Samaritaan om God te loven en Jezus te bedanken. In dit deel komt
driemaal het voegwoord kai (en) voor,dat voor de versindeler aanleiding was
om een vers te beginnen. Maar het partikel de (echter) komt eveneens driemaal
voor.
Zo komen we tot elf zinnen, beginnend met het Griekse kai (en) of de (echter,
nu).
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. | 10. | 11. |
| Lc 17,11a | Lc 17,11b | Lc 17,12 | Lc 17,13 | Lc 17,14a | Lc 17,14b | Lc 17,15 | Lc 17,16 | Lc 17,16b | Lc 17,17 | Lc 17,19 |
| Kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | Kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||
| egeneto (het gebeurde) ... | autos (hij) | autoi (zij) ... | egeneto (het gebeurde) ... | heis de ex autôn, (één echter uit hen) | autos (hij) | apokritheis de ho Ièsous (antwoordende echter Jezus) | ||||
| en tôi +infinitief | idôn (ziende) | en tôi +infinitief | idôn (ziende) | |||||||
| legontes (zeggende) | eipen (zei hij) | epesen epi prosôpon (hij viel op het gezicht) | eipen (zei hij) | eipen (hij zei) | ||||||
| autois (aan hen) | autôi (aan hem) | |||||||||
| 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 - |
We moeten nog iets zeggen over Lc 17, 15-18. In vers 15
komt iemand terug om God te loven en Jezus te bedanken. Op het einde van vers
16 wordt dan gezegd dat de teruggekomene een Samaritaan is. De zin komt wat
achternahinken waardoor sommige bijbelverklaarders van mening zijn dat het
een latere toevoeging van Lucas kan zijn.
In vers 17 is er een verandering van personage. Dit wordt dikwijls weergegeven
door het Griekse woordje de (echter, nu) op de tweede plaats in de zin. Het
personage in Lc 17,17 is Jezus. Het eerste woord van de zin is : apokritheis
(antwoordend). We zouden vertalen : hierop reagerend enz. Maar Lucas gebruikt
het echter meestal na een vraag. In Lc 17,15-16 wordt geen vraag gesteld.
De reactie van Jezus is geen reactie op de houding van de Samaritaan die is
teruggekeerd. Jezus stelt twee vragen. De eerste vraag is van dubbele aard:
Zijn niet de tien gereinigd? En daarbij aansluitend: Waar zijn de negen (anderen)?
Het lijkt een vraag aan de teruggekomen Samaritaan. Blijkbaar heeft Jezus
verwacht dat ze alle tien zouden teruggekomen zijn. Maar Jezus zelf had hen
toch naar de priesters gestuurd om hun genezing vast te stellen. Hij zou hen
toch niet kwalijk mogen nemen dat ze nog niet terugkeren. De Samaritaan was
teruggekeerd terwijl ze nog onderweg (naar Jeruzalem) waren. Blijkbaar hebben
de negen anderen de bevestiging van de priesters nodig om genezen verklaard
te worden. De Samaritaan heeft genoeg aan de vaststelling om te geloven dat
hij daadwerkelijk genezen is en om God in de persoon van Jezus te danken.
De Samaritaan heeft geen priesters, tempel en Jeruzalem nodig. Houdt dit een
kritiek op de tempel en de priesters in? Wil Jezus zeggen: je hebt die niet
nodig, maar wel het geloof in mijn persoon. Op deze (dubbelvoudige) vraag
geeft noch de teruggekomen Samaritaan noch de anonieme aanwezigen een antwoord.
Jezus stelt nog een tweede vraag (aansluitend bij de negen niet teruggekomenen):
werden ze (de negen) niet (gereinigd) bevonden om terug te keren en eer aan
God te brengen, tenzij deze vreemdeling? Het is een vreemde zinsstructuur.
De tweede vraag begint op gelijke wijze als de eerste vraag: ouch (zijn niet).
Het vervoegd werkwoord in beide vragen is passief verleden tijd, beiden eindigend
op -thèsan; dat geeft : zijn niet gereinigd (de tien)? zijn niet bevonden
(de negen)? Hadden de negen een bewijs van hun genezing nodig? Hebben ze getwijfeld
of ze wel daadwerkelijk genezen waren? Het vervolg van de tweede vraag lijkt
sterk op vers 15 : om eer aan God te brengen. En "tenzij deze vreemdeling"
verwijst dan naar "en deze was een Samaritaan" in vers 16b of één
van hen (vers 16a). Is de tweede vraag naar anonieme omstaanders gericht,
want het lijkt dat de Samaritaan (de vreemdeling) tot voorbeeld wordt gesteld.
Lc 17,15-18 lijkt eveneens concentrisch opgebouwd.
In Lc 17,19 wordt nog eens hernomen dat Jezus aan het woord is. Jezus richt
zich nu uitdrukkelijk tot de teruggekomen Samaritaan / vreemdeling: sta op,
ga, je geloof heeft je gered. Wat wil dit eigenlijk zeggen?
Lc 17,11a : op weg naar Jeruzalem
We bekijken vooreerst het begin van Lc 17,11. Deze zinsconcstructie (zie eerste kolom in het kader) komt meermaals bij Lucas voor.
| Lc 9,51 - Lc 9,51-56 - | Lc 5,1 - Lc 5,1-11 - | Lc5,17 - Lc 5,17-26 - | Lc 8,22 - Lc 8,25 - | Lc 17,11 - Lc 17,11-19 - | |
| eerste nevenschikkende zin. Nevenschikkend voegwoord kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | |||
| Hoofdwerkwoord van de eerste nevenschikkende zin | egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) |
| nevenschikkend voegwoord de (echter) | de (echter) | de (echter) | de (echter) | ||
| en tôi ... + infinitiefzin: ondergeschiktezin, bijwoordelijk | en tôi + infinitiefzin (in het...) | en tôi + infinitiefzin (in het...) | en tôi + infinitiefzin (in het...) | ||
| werkwoord en onderwerp van de infinitiefin | sumplèrousthai tas hèmeras tès analèmpseôs autou (toen de dagen van zij -ten hemel - opneming in het verschiet waren) | ton ochlon epikeisthai autôi kai akouein ton logon tou theou (toen het volk tegen hem opdrong en het woord van God aanhoorde) | poreuesthai eis Ierousalèm (terwijl zij op weg gingen naar Jeruzalem) | ||
| tijdsbepaling | en miai tôn hèmerôn (op één van de dagen) | en miai tôn hèmerôn (op één van de dagen) | |||
| tweede nevenschikkende zin; nevenschikkend voegwoord kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| onderwerp (autos = Jezus) | autos (hij) | autos (hij) | autos (hij) | autos (hij) | autos (hij) |
| 183. Het ongastvrije samaritanendorp : - Lc 9,51-56 - | 62. Wonderbare visvangst. Roeping van Simon Petrus en metgezellen : Lc 5,1-11 // (Mc 1,16-20) // (Mt 4,18-22) - Lc 5,1-11 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 - | 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - | 142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // Lc 8,22-25 // (Mt 8,23-27) - Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25 - | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 - |
Vanaf Lc 9,51 is Jezus op weg naar Jeruzalem. In Lc 19,28-40 // Mc 11,1-10
// Mt 21,1-9 heeft de blijde inkomst in Jeruzalem plaats. In Lc 18,15-17 neemt
Lucas weer de draad van het Marcusevangelie op. Maar daartussen ligt het lange
verhaal van de tocht van Jezus naar Jeruzalem doorheen Samaria. Dat verhaal
is grotendeels eigen aan Lucas. Hier en daar zet hij wegwijzers, aanduidingen
uit. Daardoor blijven we ons ervan bewust dat we nog steeds op weg naar Jeruzalem
zijn. We kunnen ons de vraag stellen waarom Lucas precies op die bepaalde
plaatsen die wegwijzers heeft geplaatst. In het kader hieronder vind je een
aantal aanduidingen, wegwijzers.
Lucas besteedt heel wat aandacht aan zijn tocht door Samaria. Hij stelt vaak
ook de Samaritaan tot voorbeeld. Bij het begin van het lange tochtverhaal
van Jezus door Samaria wordt de Samaritaan die barmhartigheid beoefent, tot
voorbeeld gesteld (Lc 10,25-37). In Lc 17,11-17 wordt de teruggekomen Samaritaan
voorgesteld als voorbeeld van een gelovige, die God looft en dankt om de komst
van de profeet Jezus. Misschien hebben we hier bij het tochtverhaal van Jezus
met een concentrische (in cirkels) opbouw te maken. Volgens Benoît Standaert
zou het centrale gedeelte liggen in Lc 13,18-21.
Lucas wil duidelijk maken dat Jezus gekomen is om de eenheid van Israël
te herstellen, waartoe ook de Samaritanen behoren.
In Lc 17,11-19 komen we de eigenaardigheid tegen dat Jezus zich in Samaria
bevindt en dat de Samaritaan beschouwd wordt als een vreemdeling terwijl hij
in feite thuis is en dat Jezus als een vreemdeling (Galileeër) door Samaria
trekt. Is "en deze was een Samaritaan" een latere toevoeging aan
het verhaal?
| Lc 9,51 b - Lc 9,51-56 - | Lc 9,52 - Lc 9,51-56 - | Lc 9,53b - Lc 9,51-56 - | Lc 9,56 - Lc 9,51-56 - | Lc 9, 57 - Lc 9,57-62 - | Lc 10,38 - Lc 10,38-42 - | Lc 13,22a | Lc 13,22b | Lc 17,11a | Lc 18,35 // Mc 10,46 | Lc 19,28 // Mc 11,1 | Lc 19,29 // Mc 11,1 | |
| kai (en) | kai (en) | hoti (omdat) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||
| egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) | egeneto (het gebeurde) | ||||||||||
| autos (hij) | ||||||||||||
| to prosôpon (het aangezicht) | to prosôpon autou (zijn aangezicht) | en tôi + infinitiefzin (in het...) | hôs (zodra) | |||||||||
| estèrisen (was vast van plan) | apesteilen... pro prosôpou autou (hij zond... voor zijn aangezicht) | eggizein auton (naderen - hij - ) eis Ierichô (bij Jericho) | èggisen (hij naderde) | |||||||||
| tou poreuesthai (om te gaan) | kai poreuthentes (en gaande) eisèlthon (gingen zij) | èn poreuomenon (was gaande) | eporeuthèsan (zij gingen) | poreuomenôn autôn en tôi hodôi (terwijl zij onderweg gingen)n | en de tôi poreuesthai autous autos eisèlthen (terwijl zij aan het gaan waren, ging hij zelf binnen) | dieporeueto kata poleis kai kômas (hij trok door steden en dorpen) | poreian poioumenos (weg - tocht - makende) | en tôi poreuesthai (in het gaan) | dièrchetodia meson Samareias kai Galilaias (hij trok temidden van Samaria en Galilea) | eporeueto emprosthen (hij trok voor hen) anabainôn (opklimmende) | eis (naar).... | |
| eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | eis heteran kômèn (naar een ander dorp) | eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | ||||
| Ierousalèm (naar Jeruzalem) | kômèn Samaritôn (van de Samaritanen) | Ierousalèm (Jeruzalem) | kômèn tina (een bepaald dorp) | Hierosoluma (Jeruzalem) | Ierousalèm (Jeruzalem) | Iericho (Jericho) | Hierosoluma (Jeruzalem) | |||||
| 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - Lc 9,51-56 - | 183. Het ongastvrije samaritanendorp : Lc 9,51-56 - Lc 9,51-56 - | 184. Voorwaarden van het volgen : Lc 9,57-62 // Mt 8,19-22 - Lc 9,57-62 - | 193. Maria en Marta : Lc 10,38-42 - Lc 10,38-42 - | 226. Gelijkenis van de uitsluiting uit het Rijk Gods : Lc 13,22-29 - Lc 13,22-29 - | 226. Gelijkenis van de uitsluiting uit het Rijk Gods : Lc 13,22-29 - Lc 13,22-29 - | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 - | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 - | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43 - Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 - | 279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 // Mt 21,1-9 // Lc 19,29-40 - Lc 19,29-40 - | 279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 // Mt 21,1-9 // Lc 19,29-40 - Lc 19,29-40 - |
genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 - 2 K 5,1-26
Lc 17,11-19 - vooral Lc 17,11-14 - heeft overeenkomsten en verschillen met
Lc 5,12-16. Het verhaal van Lc 5,12-16 is een redactie van het Marcusverhaal
Mc 1,40-45. Dit verhaal is een eindverhaal van een groter geheel : Mc 1,21-45.
Het is het optreden van Jezus te Kafarnaüm en erbuiten. Het is ook concentrisch
opgebouwd. Mc 1,20-28 verhaalt het optreden van Jezus in de synagoge van Kafarnaûm
op sabbat in woord en daad. Mc 1,23-28 verhaalt hoe een onreine geest uit
een man wordt uitgedreven. In Marcus is dit het eerste verhaal van het wonderdadig
optreden van Jezus. Jezus, bezield door de goede geest (Mc 1,9-11) bindt de
strijd aan met de kwade, onreine geest. Mc 1,40-45, het laatste verhaal van
dat geheel, vertelt de genezing van een melaatse; hij wordt gereinigd. De
ene is onrein van geest, de andere van lichaam. Maar beide zijn getekend door
zonde (onrein).
Gelijkenissen tussen Lc 5,12-16 en Lc 17,11-19. In Lc 5,12 gaat het om één
man, in Lc 17,11 om tien mannen. De woordvolgorde in de opdracht: ga je (jullie)
laten zien aan de priester(s) is in beide gevallen dezelfde. In het ene geval
staat priester in het enkelvoud, in het andere geval in het meervoud. In Lc
5,13 raakt Jezus de melaatse aan. Normalerwijze kan een melaatse /zieke een
gezond mens besmetten, vooral door aanraking. Hier gebeurt het omgekeerde.
De gezonde Jezus raakt de besmette melaatse aan en de melaatse wordt gezond.
Communicatieve vaten in omgekeerde richting! In Lc 17,11-19 gebeurt de genezing
op afstand. Hier kan de invloed van het verhaal van de genezing van de melaatse
Naäman ( 2 K 5,1-26) meespelen. In beide (Lc 5,12-16 en Lc 17,11-19)
verhalen staat de opdracht om zich aan de priester(s) te laten zien om de
genezing vast te stellen, zoals dat in het O.T. staat voorgeschreven (Lev
23-24).
Dat ziek-zijn of een gebrek hebben een uiting van zondigheid is (volgens het
N.T.) blijkt uit het verhaal van Mc 2,1-12 : de genezing van de lamme. Dat
verhaal maakt deel uit van een reeks twistgesprekken (Mc 2,1-3,6). Het is
het eerste verhaal van die reeks. Jezus neemt eerst de zonde weg: hij vergeeft
de zonden. Dat gebeurt ook in de verschijningsverhalen. Jezus wenst zijn leerlingen
dan de vrede toe en vergeeft hun zonden. Er valt heel wat te vergeven want
ze hebben hun meester op het cruciale moment van Jezus'leven in de steek gelaten
en verloochend. Er werd hen vergeven. Dankzij die vergeving zijn ze steunpilaren
van de kerk geworden. Maar de gelijkenis tussen de genezing van de lamme en
de verrijzenisverhalen en dodenopwekkingsverhalen (Lazarus, dochtertje van
Nain, Jezus) is nog sterker.In al die gevallen liggen mensen. Jezus staat
uit de doden op of hij wekt mensen uit de doden of doet hen opstaan, vandaar
verrijzenis-, opstandings- of opwekkingsverhalen. Het verhaal van de lamme
is een opwekkingsverhaal. De genezing van de lamme betekent het begin van
een nieuw (en eeuwig) leven.
De genezing van de melaatse is eveneens de start van een nieuw leven. Want
de onreine geest of de onreinheid verdwijnt en maakt plaats voor de goede
geest, zoals bij de doop Jezus. Gods goede geest ontving.
Op de achtergrond van Lc 17,11-19 resoneert het verhaal van de genezing van
de melaatse Naäman. Deze vreemdeling werd door de profeet Elisa (ongeveer
850 voor Christus) in het Noordrijk Israël genezen. Hij kreeg de opdracht
zich zevenmaal te wassen in de rivier de Jordaan. De vermelding van deze rivier
maakt allusie op Mozes. De Israëlieten zijn deze rivier overgetrokken
om zich in het land Kanaän te vestigen. De genezing door Elisa gebeurde
van verre. Na de genezing komt Naäman terug om de profeet Elisa te danken
en eer te brengen aan de God van Israël.
Rond 850 zijn de twaalf stammen van Jakob / Israël gegroepeerd in een
Noordrijk met tien stammen en een Zuidrijk met twee stammen, waaronder de
stam Juda. Deze deling in een Noord- en een Zuidrijk gaat terug op de erfopvolging
van Salomo. Het Noorden opteerde voor een opvolging door keuze en het werd
de legeroverste Jerobeam. Het Zuiden koos voor een dynastieke opvolging; dat
werd de zoon van David Rechabeam. Salomo was een zoon van David. David had
Jeruzalem op de inheemse bevolking veroverd en de stammen tot één
koninkrijk verenigd (vandaat dat eeuwige verlangen erna). De hoofdstad van
het Noordrijk was Samaria, van het Zuidrijk Jeruzalem. In 721 valt Samaria
in handen van het Assyrische rijk. Dat past de tactiek van deportaties en
volksverhuizingen toe en verzekert zich zo van machtsoverheersing. De vermenging
van de overblijvende Israëlische bevolking en de ingevoerde vreemde bevolking
schoot het Zuiden in het verkeerde keelgat en was voor het Zuiden een reden
tot afkeer en vijandschap. De biologische afstamming primeerde op de geestelijke
beleving. De pejoratieve klank van Samaritanen dateert dus pas na 721 voor
Christus. In het verhaal van de genezing van Naäman speelt het dus nog
geen rol.
Het Lucasverhaal Lc 17,11-19 wil ook duidelijk maken dat Jezus groter is dan
Elisa en dat Jezus een profeet is. In het kader van zijn tocht naar Jeruzalem
zijn de melaaatsen de voorboden van Jezus'komst naar Jeruzalem. De genezenen
moeten zich aan de priesters laten zien. Daardoor zullen ze ook weten dat
de profeet Jezus in aantocht is. Zo werden in Lc 10 ook leerlingen uitgezonden
naar de dorpen in Samaria om Jezus aan te kondigen.
God verheerlijken
De teruggekomen Samaritaan verheerlijkt God. In Lucas komt God verheerlijken 7X voor. In 6 gevallen gebeurt dat in een wonderverhaal. De verheerlijking van God gebeurt ook in het verhaal van de genezing van de blinde van Jericho. Met dat verhaal (- Mc 10,46-52 - - Lc 18,35-43 -) heeft Lc 17,11-19 een aantal overeenkomsten: de inleiding (op weg naar Jeruzalem - naderen van Jericho), de bede : ontferm U over mij (elèison), de toezegging van Jezus: je geloof heeft je gered , en tenslotte de verheerlijking van God.
| Lc 5,25 - Lc 5,17-26 - | Lc 5,26 - Lc 5,17-26 - | Lc 7,16 - Lc 7,11-17 - | Lc 13,13 - Lc 13,10-17 - | Lc 17, 15 - Lc 17,11-19 - | Lc 18,43 - Lc 18,35-43 - | Lc 23,47 - Lc 23,44-48 - |
| kai ekstasis elaben hapantes (en ontzertting benam allen) | elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen) | |||||
| doxazôn ton theon (God verheerlijkend) | kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) | kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) | kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) | doxazôn ton theon (God verheerlijkend) | doxazôn ton theon (God verheerlijkend) | edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God) |
| 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 - | 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 // Mt 9,1-8 // Lc 5,17-26 - Mc 2,1-12 - - Lc 5,17-26 - - Mt 9,1-8 - | 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - Lc 7,11-17 - | 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - Lc 13,10-17 - | 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - Lc 17,11-19 - | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43 - Mc 10,46-52 - - Lc 18,35-43 - | 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 |
Oorspronkelijk werd de Hebreeuwse bijbel (Tenach) enkel met medeklinkers geschreven. Pas vele eeuwen later hebben geleerden de klinkers (die men vanuit de mondelinge overlevering kende) erbij geschreven. Deze geleerden worden massoreten genoemd. De eigennaam van God is JHWH. Dit vierletterwoord (tetragram) werd nooit als Jahweh gelezen. Men las dan Adonai - Heer / mijn Heer (in het Grieks kurios zie ons kyrie). De massoreten plaatsten de klinkers van het woord Adonai bij het woord JHWH . De a van adonai is zeer kort en is in feite een zwakke e. Getuigen van Jehovah lezen JHWH met zijn klinkers als J e H o W a H . Deze lezing vindt geen enkele grond in de bijbelse geschiedenis. Kurios werd ook de titel van de verrezen en verheerlijke Jezus. Ook koningen en kiezers werden kurios genoemd. Gevaar voor vergoddelijking door het gebruik van de term kurios was niet uit de lucht gegrepen.
Besluit : Jezus brengt de goede geest. Door geloof in hem wordt de mens gereinigd. Door hem als profeet, man Gods, te erkennen, wordt God verheerlijkt.
Door Pater Damiaan zalig te verklaren, wil de Kerk hem onder de aandacht brengen als voorbeeld, als model van christelijk leven. Dit betekent dat, behalve het verhaal over de melaatsen, ook vele andere schriftteksten op hem toepasselijk zijn. Zo werd bijvoorbeeld, toen zijn stoffelijk overschot in 1936 naar België werd overgebracht, Johannes 15, 13 boven zijn graf geplaatst: Geen groter liefde kan iemand hebben dan deze, dat hij zijn leven geeft voor zijn vrienden! Toch ligt het voor de hand dat Jezus’ ontmoeting met de tien melaatsen uit Lucas 17 ons doet denken aan Damiaans “ontmoeting” met de melaatsen van Molokai.
Vragen ter bezinning of ter bespreking
1. Waarom stuurt Jezus de tien melaatseri naar de priesters?
2. Het verhaal heeft twee delen. Welke? En welk deel krijgt volgens jou de
hoofdklemtoon?
3. Ken je nog gevallen van discriminatie en marginalisering omwille van ziekte?
4. Ken je nog andere plaatsen in het evangelie die het hebben over Samaritanen?
Damiaangebed van de Paters en Zusters der Heilige Harten
God, onze Vader, wij danken U voor Pater Damiaan.
Om Jezus, Uw Zoon, in alles te volgen
is hij naar Molokai gegaan, naar de uitgestoten lepralijders.
Hij is er één van hen geworden, tot in de dood toe.
Daardoor heeft hij ze hun menswaardigheid teruggeschonken en weer toekomst
gegeven.
In hem is duidelijk geworden hoezeer Gij alle mensen liefhebt.
Nu vragen wij U:
moge Uw Geest ons bewegen om in Damiaans voetspoor te gaan,
en moge zijn geloof het onze worden.
Leer ons oog en hart te hebben
voor mensen die niet meetellen of buitenspel zijn gezet.
Laat hen door ons ontdekken wie Gij zijt.
Doe mensen opstaan die dezelfde weg gaan die hij is gegaan.
Dit vragen wij U, goede God, die ons blijft liefhebben,
vandaag, en alle dagen, tot in eeuwigheid. Amen.
Documentatie
Steven Debroey, Wij, melaatsen, Altiora, Averbode, 1989
Edouard Brion sscc, Brieven uit Molokaï, Unistad, Antwerpen, 1989.
Gavan Daws, Pater Damiaan. De heilige man van Molokai, Lannoo, Tielt, 1983.
Verklaring van de bijbeltekst
Lepra is één van de oudste ziekten die de mensheid heeft gekend. De bijbel geeft in Leviticus 13 een aantal harde voorschriften m.b.t. melaatsen. Melaatsheid werd aangezien als straf van God voor zondig gedrag. Een melaatse was ,,onrein”. Om de gezonde bevolking te beschermen, wist men in feite niets anders te doen dan de zieken af te zonderen, ja uit te stoten. Deze aangelegenheid werd door priesters geregeld. In Jezus’ tijd was het niet anders.
In de evangelieverhalen worden vele genezingen verteld. Jezus wil er mee duidelijk maken hoe het Rijk Gods gevestigd wordt en hoe kwaad, ziekte en dood overwonnen worden. Daaruit blijkt dat een genezing door Jezus niet zonder meer een genezing is. Er is steeds méér aan de hand. Het gaat om het geloof van de genezene, of de (gelovige) verwondering van de omstaanders. Dat met de genezing niet alles is gezegd, is overduidelijk bij onze tien melaatsen, vermits het verhaal — na de genezing — verder gaat. Het accent ligt zelfs op het tweede deel: op het dankbaar zijn. Dankbaarheid is in het evangelie een grondhouding; wie in Jezus gelooft, gaat tot op deze diepte. Het is niet voldoende gezond te zijn, we horen daar God voor te danken! Terloops kunnen we parallellen trekken naar andere domeinen. Het is niet voldoende te zorgen voor een schoon en zuiver leefmilieu: wij moeten doorstoten tot de verwondering om Gods schepping. Wij moeten niet enkel streven naar rechtvaardige wetten: het doel is pas bereikt als er liefde is.
Er is nog wat. Dat één van de melaatsen geen Jood is maar een Samaritaan, is merkwaardig. Joden hadden slechts misprijzen voor Samaritanen en wilden niet in hun gezelschap gezien worden. Maar melaatse Joden oordeelden daar blijkbaar anders over. Zij hadden geen bezwaar tegen het gezelschap van melaatse Samaritanen. Zij voelden verwantschap met deze eveneens uitgestoten lotgenoten. En nu is het precies een Samaritaanse melaatse — een ,,vreemdeling” zegt Lucas — die op zijn stappen terugkeert om Jezus te bedanken. Dit is beschamend voor de Joden (zie ook de parabel van de Barmhartige Samaritaan)! Door hierop de aandacht te trekken, klaagt Jezus het discriminerend gedrag van de Joden aan.
Actualisering
In de geschiedenis van de christelijke caritas heeft de melaatsheid een speciale
plaats. Bekend is de ontmoeting van Frans van Assisi met een melaatse, waarbij
hij in deze lijdende mens de trekken van Jezus Christus herkent en hem omhelst.
Het is zijn bekering! Melaatsen verzorgen getuigde steeds van méér
dan gewone christelijke bewogenheid. De hele middeleeuwen door waren het praktisch
de religieuzen die zich om de melaatsen bekommerden en kloosters omvormden
tot leprozerieën. Ook Damiaan staat nog in die religieuze traditie. Tot
in recente tijden zullen het vaak religieuze persoonlijkheden zijn die bekend
raken door hun bekommernis voor melaatsen: Albert Schweitzer, Raoul Follereau,
Frans Hemerijckx...
Damiaan heeft de melaatsen niet genezen. Zoals in het evangelie ging het bij
hem om méér dan genezen: hij heeft de uitgestotenen van Molokai
hun menswaardigheid teruggegeven. Door zijn leven met het hunne te delen,
door zelf uitgestotene te worden — ,,wij, melaatsen!” —heeft hij deze verwaarloosde
en verbitterde troep mensen kunnen motiveren en hoop geven. Damiaan is doorgestoten
tot op de evangelische grondhouding: de medemens nieuwe levenskansen, kortom,
nieuw leven geven.
Met Damiaan begint een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van de melaatsenzorg. Bij zijn dood in 1889 ging er een schok door de wereld. Nog hetzelfde jaar werd er een vereniging (*) opgericht die systematisch opzoekwerk begon naar methoden en medicamenten om melaatsen te genezen. Vandaag zijn de organisaties ter bestrijding van lepra het er over eens dat we het einde van deze gesel zien naderen. Het is dus bij wijze van spreken Damiaan die miljoenen melaatseri genezen heeft.
Door de melaatsen te ,,ontmoeten”, d.w.z. door zelf melaats te worden, is
Damiaan als mens en als christen gerijpt. In het missionaire milieu van zijn
tijd heerste tussen verschillende christelijke belijdenissen geen verdraagzaamheid.
Midden een oceaan van lijden, zag hij de betrekkelijkheid van deze dingen
in en kreeg hij een open geest. Zo schrijft hij ondermeer enkele maanden vóór
zijn dood aan de anglicaan Clifford: ,,Wij zien mekaar weer in de hemel!”
Zijn laatste brieven laten ons zijn steeds groeiende gemoedsrust en sereniteit
zien. Lofprijzing, miskenning, het aanschijn van de dood... het kon hem niet
langer innerlijk beroeren: ,,lk ben de gelukkigste missionaris ter wereld”.
Het lijkt wel één van de zaligsprekingen (!).
Damiaans ,,ontmoeting” met de melaatsen is bijzonder vruchtbaar geweest. Niet
in het minst voor de velen die, tot op vandaag, in deze grote melaatse een
bron vinden van inspiratie en van leven!
Rene Obbels
Terug naar het begin van de pagina
Strofe drie bevat waarschijnlijk de laatste woorden van de Koran die werden gereveleerd. Geopenbaard nà de Hidjrah. Dit hoofdstuk heeft 120 strofen.
110. Wanneer Allah zal zeggen: "O Jezus, zoon van Maria, gedenk Mijn gunst aan u en uw moeder, toen Ik u met de geest van heiligheid versterkte, dat gij als kind en op middelbare leeftijd tot het volk spraakt en toen Ik u het Boek en de wijsheid en de Torah en het Evangelie onderwees en toen gij door Mijn gebod uit klei de vorm van een vogel maakte, dan er in blies en het een vogel werd door Mijn gebod; en toen gij de blinden en de melaatsen door Mijn gebod hebt genezen en de doden opgewekt; en toen Ik de kinderen Israëls er van weerhield, (u te doden), toen gij met duidelijke tekenen tot hen kwaamt en degenen onder hen die verwierpen, zeiden: "Dit is niets, dan klaarblijkelijke tovenarij."
32. De aanbidding (as-Sadjdah) - http://alkatib.freeyellow.com/koran032.html.
9. Dan vormde Hij hem en ademde hem van Zijn geest in. En Hij gaf u oren,
ogen en hart. Maar gij betoont weinig dankbaarheid.
Taqwa (Gehoorzaamheid aan Allah) - M. Ali (Moballiegh AAIIU) - In naam van Allah, de Barmhartige, de Genadevolle. - http://www.faaiin.nl/vasten02.htm.
Het Goetbah thema van Ied Ul Fitre gaat over Taqwa- gehoorzaamheid aan Allah.
Op deze dag hebben wij allen met Gods genade en barmhartigheid onze plichten jegens Allah met name het vasten volbracht ,waarvoor wij heel dankbaar moeten Zijn. De dankbaarheid wordt de moslim uitdrukkelijk bevolen door de H.Koran .
In Soera Al Baqra hoofdstuk 2 staat vermeld: "Als je het vasten voltooid of volbracht hebt, roep Allah's naam hoogverhevend overeenkomstig de Soennat (voorbeeld) van de Heilige Profeet Mohammed (s.a.w.) om op deze wijze aan God dankbaarheid te tonen, hetgeen wij z'n allen zo net hebben verricht n.l. 2 rakaats namaaz.
Het vasten welke voor de moslims in de H. Koran is voorgeschreven is een van de grondbeginselen of de basis waarop deze goddienst is gebaseerd en het vasten was ook voorgeschreven aan diegenen die voor ons waren. Het nut, de beloning of het voordeel van het vasten wordt in het Arabisch Taqwa (gehoorzaamheid aan Allah) genoemd en staat op meer dan 40 plaatsen in de H.Koran vermeld en moet de mens, door de naleving van de goede daden en de de gevolgen daarvan vroom en heilig worden en deze Taqwa is dan de bron van alle goede eigenschappen.
In Soera Al Imraan staat het volgende vermeld: "O Moslims let op Uw plicht jegens Allah met alle goede handelingen en toon in de ware zin een moslim te zijn". Dit kan alleen tot ontplooiing komen met het naleven van de regels zoals de Taqwa het voorschrijft. Vasten is een jaarlijkse terugkomende plechtigheid om de mens waker te schudden met de waarschuwing: "O mens wees op je hoede, blijf van alle slechte handelingen af (wat normaal ook niet mag) scherm je tegen de duivelse fluisteringen en van alle andere verleidingen en afleidingen en begeerten welke van kwade aard kunnen zijn."
Verdergaande in de H.Koran betreffende dit onderwerp wordt er vermeld: "Kom niet aan de eigendommen van de wezen, ontfermt U zich daarover totdat zij meerderjarig geworden zijn; spreek de waarheid, wees eerlijk met het nemen en geven van handelswaar b.v. bij het meten en wegen en spreek niet over datgene waarover gij geen kennis draagt; zeer zeker zullen je ogen, jouw mond, je oren en het hart op de dag des oordeels als getuigen worden gehoord."
Hoogmoedigheid is afkeurend, de aardse bezittingen zijn van tijdelijke aard. Deze helpen de mens niet in het voortbestaan van de zielerust na dit aardse leven. Verder waarschuwt de H.Koran, dat indien iemand een slecht nieuws ter ore komt , onderzoek het nauwkeurig, dat is het beste middel, voordat men later door onwetendheid spijt van krijgt. Allah heeft in Uw harten het geloof of Iemaan dierbaar gemaakt . Ongeloof, ongehoorzaamheid en handelingen in strijd met goede zeden en orde, die zijn in Allah's ogen afkeurenswaardig.
Vasten en bidden is inderdaad een factor van bezinning. Vervolgens wordt gezegd: 0 gij die gelooft, laat de ene mens de andere niet bespotten, wie weet dat die waarschijnlijk beter is en spreek geen laster van elkaar en noem elkaar niet met bijnamen en verwijt elkaar ook niet, ook al wordt iemand niet verdacht, want achterdochtigheid is ook zonde.
En weerhoudt het achten van gunsten, want gij hebt de Islam omhelst, Allah heeft U geleid door middel van de H.Koran als richtsnoer zoals vermeld staat in hoofdstuk Al Bakr: Za likal kietabo la raibevie........., dat U het geloof van vrede heeft aanvaard en dat gij waarachtig zijt.
Verder wordt ook gezegd: Doodt niemand, geen mens, want Allah heeft de mens heilig verklaard, want Hij zegt het volgende: "Gij moslims zijn het beste volk dat deel uitmaakt van de hele samenleving van het mensdom."
Dus op deze wijze rust op elke moslim de taak om deze godsdienst die de naam Vrede draagt te bewaren of goed na te leven, te verdedigen en te verspreiden.
Het vasten komt ieder jaar terug met de boodschap van de H.Koran van leiding en onderscheid. Dit alles onder het motto van Taqwa, vroomheid en dienstbaar aan de Orde van de Schepper en zegt: 0 moslim houdt allen te samen aan Allah's richtlijnen vast en wees niet verdeeld, want verdeeldheid betekent zwakte en verlies ( Wa tesoemo bihab liellah djemieha wa la ferrieko H. Koran).
Het antwoord bestaat uit drie zinnen. De eerste twee zinnen beginnen met het ontkennend woord ouk... oude (niet ... noch). De derde zin geeft de verantwoording van de ontkenning en van het positieve antwoord (gar : immers, want). Het antwoord op de vraag lijkt eenvoudig: Het koninkrijk van God is niet hier, niet daar, maar binnenin jullie.
Terug naar het begin van de pagina
| Lc 17,20 - Lc 17,20 : 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods - Lc 17,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,20 - Lc 17,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] And when he was demanded of the Pharisees, when the
kingdom of God should come, he answered them and said, The kingdom of God
cometh not with observation:
Luther-Bibel . 20 Als er aber von den Pharisäern gefragt wurde: Wann kommt
das Reich Gottes?, antwortete er ihnen und sprach: Das Reich Gottes kommt
nicht so, dass man's beobachten kann;
Tekstuitleg van Lc 17,20 .
| Lc 17,21 - Lc 17,21 : 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods - Lc 17,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,20 - Lc 17,21 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] Neither shall they say, Lo here! or, lo there! for,
behold, the kingdom of God is within you.
Luther-Bibel . 21 man wird auch nicht sagen: Siehe, hier ist es!, oder: Da
ist es! Denn siehe, das Reich Gottes ist mitten unter euch.
Tekstuitleg van Lc 17,21 .
De pericope bestaat uit een vraag en een antwoord, die telkens ingeleid
worden.
Zoals het wel vaker gebeurt gaat in Lc 17,20 aan de hoofdzin een
deelwoordzin als bijstelling bij het onderwerp vooraf. Het tweede woordje
- het Griekse de (echter) - wijst erop dat een nieuwe pericope is ingezet.
Het gaat om een vraag van de Farizeeën en een antwoord van Jezus. Het
gaat om een vraag aan Jezus. Zo construeert Lucas een passieve bijzin, waardoor
Jezus onderwerp blijft van de hele zin.
Na een vraag komt meestal een antwoord. Daarvoor gebruikt Lucas dikwijls
een vorm van het werkwoord apokrinomai (antwoorden). Staat eperôtètheis
(ondervraagd) aan het begin van de bijzin, zo staat apekrithè (antwoordde
hij) staat aan het begin van de hoofdzin. Na eperôtètheis (ondervraagd)
staat de bepaling hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeërs)
en na apekrithè (antwoordde hij) staat autois (hen) waarmee de Farizeeërs
zijn bedoeld. Wanneer een persoon geciteerd wordt in de rechtstreekse rede,
wordt dit meestal ingeleid door een vorm van het werkwoord legô (zeggen).
Het antwoord bestaat uit drie zinnen. De eerste twee zinnen beginnen
met het ontkennend woord ouk... oude (niet ... noch). Niet via waarneming
(ouk ... meta paratèrèseôs). De volgende zin verduidelijkt
het: "Men zal niet zeggen: kijk daar of hier". Uiterlijke aanwijzingen
worden afgewezen. In het antwoord begint de eerste zin met het ontkennende
ouk (niet) gevolgd door het werkwoord (erchetai : komt), de tweede zin eveneens
met het ontkennende oude (noch) eveneens gevolgd door het werkwoord (erousin
: zullen zij zeggen). Er staat ook tweemaal het woordje idou (zie, kijk);
de eerste maal in de tweede zin bij de uiterlijke aanduidingen, de tweede
maal in de derde zin bij de verantwoording (gar: want, immers) van het positieve
antwoord. De derde zin geeft de verantwoording van de ontkenning en van het
positieve antwoord (gar : immers, want). Het woord idou (zie), dat in de derde
zin herhaald wordt, duidt juist aan waar het wel en niet te vinden is. Het
antwoord op de vraag lijkt eenvoudig: Het koninkrijk van God is niet hier,
niet daar, maar binnenin jullie.
In de vraag van Lc 17,20 komt eerst het vragend woord pote (wanneer), dan
volgt het vervoegd werkwoord en dan het onderwerp. Deze woordvolgorde is aangehouden
in de eerste zin van het antwoord. In de eindzin komt eerst het onderwerp
en op het einde het werkwoord. In Lc 17,20b staat het vraagwoord en het werkwoord
bij elkaar. In het eindantwoord is dat ook het geval : de bepaling entos humôn
(binnenin jullie) staat bij het werkwoord.
We hebben de indruk dat op de vraag wanneer het koninkrijk van God
komt, geantwoord wordt op de vraag : waar is het koninkrijk van God.
Het is niet daar, niet hier, maar binnenin jullie. En toch is het een antwoord
op de vraag wanneer. De vraag houdt in alsof het koninkrijk van God nog moet
komen. Jezus antwoordt erop dat het koninkrijk van God er reeds is en wel
binnenin de mens.
| Lc 17,20 | Lc 17,20 | Lc 17,20 | Lc 17,21 | |||
| Eperôtètheis (ondervraagd) | apekrithè antwoordde hij) | |||||
| de (echter) | ||||||
| hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeën) | autois (aan hen) | |||||
| kai eipen (en hij zei) | ||||||
| idou (zie) | è (of) | idou (zie) gar (immers) | ||||
| pote (wanneer) | hôde (daar) | ekei (daar) | ||||
| erchetai (komt) | ouk erchetai (niet komt) | oude erousin (noch zullen zij zeggen) | ||||
| hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | ||||
| meta patatèrèseôs (via waarneming) | entos humôn (binnenin u) | |||||
| estin (is) | ||||||
| 20a + 20b : 5 + 6 woorden; 13 + 13 lettergrepen
inleiding vraag : 5 woorden; 13 lettergrepen de vraag : 6 woorden, 13 lettergrepen |
20c : 4 woorden; 9 lettergrepen inleiding antwoord |
20d : 8 woorden; 20 lettergrepen | 21a: 2 woorden; 5 lettergrepen | 21b1 : 2 woorden; 4 lettergrepen | 2 woorden; 3 lettergrepen | 21c : 9 woorden; 17 lettergrepen |
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | inleiding op vraag, vraag en inleiding op antwoord : 15 woorden; 35 lettergrepen (5 X 7) | het antwoord : 23 woorden; 49 lettergrepen (7
X 7) |
totaal : 38 woorden; 84 lettergrepen (12 X 7 ) |
Het werkwoord eperôtaô (vragen) komt vaker voor. In Lc 20,20-26, Lc 20,27-38 en Lc 21,5-7 komt het als inleidingsformule bijna identiek voor. In Lc 20,20-26 zijn de vragenstellers afgevaardigden, in Lc 20,27-38 zijn het Sadduceeërs, in Lc 21,5-7 leerlingen van Jezus. Het gevolg ervan is dat de afgevaardigden zwijgen (Lc 20,26), de Sadduceeën niets meer durven vragen (Lc 20,40) en Jezus een lange rede houdt (Lc 21,8-37).
| Lc 17,20 | Lc 21,7 | Lc 20, 21 | Lc 20,27-28 |
| Eperôtètheis (ondervraagd) | epèrôtèsan (Zij ondervroegen) | kai epèrôtèsan (rn zij vroegen) | Proselthontes de tines tôn Saddoukaiôn ... epèrôtèsan (Komende echter bij - hem - enige Sadduceeërs, vroegen |
| de (echter) | de (echter) | ||
| hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeën) | |||
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | |
| legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | legontes (zeggende) | |
| didaskale (meester) | didaskale (meester) | didaskale (meester) | |
| pote (wanneer) ... | pote (wanneer) ... | ||
| apekrithè autois kai eipen (hij antwoordde hen en zei) | ho de eipen (hij echter zei) | ||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - | 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 // Mt 22,23-33 // Lc 20,27-38 - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 - |
De vraag : "Wanneer komt het koninkrijk van God?" Deze vraag wordt uitvoeriger beantwoord in de eschatologische rede van Mc 13 // Mt 24-25 // Lc 23. We vinden parallellen in Lc 21. In Lc 21,7 luidt de dubbele vraag : 'Wanneer zal dat dan gebeuren en wat is het teken wanneer dat zal gebeuren?' Deze vraag staat aan het begin van de grote eschatologische rede. Het einde van de eschatologische rede in Mc 13,33-37 (dat Lucas weglaat) besluit dat de vragen : "Wanneer is het de gunstige tijd?" en "Wanneer komt de huisheer?" niet beantwoord kunnen worden.
| Lc 17,20b | Lc 17,20c | Lc 17,21b | Mc 13,33 | Mc 13,35 | Lc 21,7 | Lc 21,7 |
| idou gar (zie immers) | Ouk oidate gar (jullie weten immers niet) | Ouk oidate gar (jullie weten immers niet) | ||||
| pote (wanneer) | pote (wanneer) | pote (wanneer) | pote oun (wanneer dan) | hotan (wanneer | ||
| hè basileia tou theou (het konijkrijk van God) | ho kairos (de gunstige tijd - het moment) | ho kurios tès oikias (de heer van het huis) | tauta (dat) | mellè tauta (dat zou kunnen) | ||
| erchetai (komt) | ouk erchetai (komt niet) | ... estin (is) | estin (is) | erchetai (komt) | estai zal zijn) | ginesthai (gebeuren) |
| hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | |||||
| meta paratèrèseôs (met waarneming) | ||||||
| entos humôn (binnenin jullie) | ||||||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 308. Slot van de eschatologische rede (Mc) : Waakzaamheid bij afwezigheid van de Heer : Mc 13,33-37 - Mc 13,33-37 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - |
Dit antwoord verduidelijkt waarom de leerlingen zich niet mogen laten misleiden, andere pseudomessiassen en pseudoprofeten achternalopen. Het koninkrijk van God moet je niet buitenuit zoeken, maar binnen in jezelf.
| Lc 17,20b | Lc 17,20c | Lc 17,21a | Lc 17,21b1 | Lc 17,21b2 | Lc 17,21c | Lc 17,23a | Lc 17,23b1 | Lc 17,23b2 | Mc 13,21a | Lc 21,8 // Mc 13,5 | |
| oude erousin (noch zullen zij zeggen) | kai erousin humin (en zij zullen zeggen aan jullie) | Kai tote ean tis humin eipèi (en wanneer iemand dan aan jullie zou zeggen) | polloi gar eleusontai epi tôi onomoati mou legontes (velen immers zullen in mijn naam komen zeggende) | ||||||||
| idou (zie) | idou (zie) | idou (zie) | idou (zie) | ide (zie) | ide (zie) | ||||||
| gar (immers) | |||||||||||
| pote (wanneer) | hôde (daar) | è ekei (of hier) | ekei (hier) | hôde (daar) | hôde ho christos (zie, daarr de messias) | ekei (hier) | egô eimi (ik ben het) | ||||
| erchetai (komt) | ouk erchetai (komt niet) | ||||||||||
| hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) | |||||||||
| meta paratèrèseôs (met waarneming) | |||||||||||
| entos humôn estin (binnenin jullie is) | |||||||||||
| 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods : Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 - | 255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon : Lc 17,22-24 // (Mt 24,26-27) - Lc 17,22-24 - | 303. Pseudochristussen en pseudoprofeten : Mc 13,21-23 // Mt 24,23-25 - Mc 13,21-23 - Mt 24,23-25 - | 300. Het begin van het einde : Mc 13,5-8 // Mt 24,4-8 // Lc 21,8-11 - Mc 13,5-8 - Mt 24,4-8 - Lc 21,8-11 - |
De pericope die voorafgaat (Lc 17,11-19 : de genezing van de tien melaatsen) omsluit het geheel van Lc 9,56-17,19. De doortocht door Samaria loopt stilaan ten einde. We naderen Jeruzalem. Zuiveren mogen deze binnentreden. De Farizeeën die ijveren voor de dienst aan God, stellen zich de vraag of nu het koninkrijk van God zal komen. Sommige van deze ijveraars zijn vervallen in uiterlijkheden. En wellicht stellen zij die op uiterlijkheden gericht zijn de vraag aan Jezus. Het antwoord van Jezus zou de Farizeeën naar het hart moeten gaan, want Jezus wijst erop dat het koninkrijk van God binnenin de mens is.
255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon : Lc 17,22-24 -- Lc 17,22-24 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - - Lc 17,22 - Lc 17,23 - Lc 17,24 -
| Lc 17,22 - Lc 17,22 : 255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon - Lc 17,22-24 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - - Lc 17,22 - Lc 17,23 - Lc 17,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And he said unto the disciples, The days will come,
when ye shall desire to see one of the days of the Son of man, and ye shall
not see it.
Luther-Bibel . 22 Er sprach aber zu den Jüngern: Es wird die Zeit kommen,
in der ihr begehren werdet, zu sehen einen der Tage des Menschensohns, und
werdet ihn nicht sehen.
Tekstuitleg van Lc 17,22 .
| Lc 17,23 - Lc 17,23 : 255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon - Lc 17,22-24 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - - Lc 17,22 - Lc 17,23 - Lc 17,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And they shall say to you, See here; or, see there:
go not after them, nor follow them.
Luther-Bibel . 23 Und sie werden zu euch sagen: Siehe, da!, oder: Siehe, hier!
Geht nicht hin und lauft ihnen nicht nach!
Tekstuitleg van Lc 17,23 .
| Lc 17,24 - Lc 17,24 : 255. Geen voorbarige verwachting van de dagen van de Mensenzoon - Lc 17,22-24 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - - Lc 17,22 - Lc 17,23 - Lc 17,24 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] For as the lightning, that lighteneth out of the
one part under heaven, shineth unto the other part under heaven; so shall
also the Son of man be in his day.
Luther-Bibel . 24 Denn wie der Blitz aufblitzt und leuchtet von einem Ende
des Himmels bis zum andern, so wird der Menschensohn an seinem Tage sein.
Tekstuitleg van Lc 17,24 .
256. Lijden en verwerping van de Mensenzoon : Lc 17,25 -- Lc 17,25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -
| Lc 17,25 - Lc 17,25 : 256. Lijden en verwerping van de Mensenzoon - Lc 17,25 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] But first must he suffer many things, and be rejected
of this generation.
Luther-Bibel . 25 Zuvor aber muss er viel leiden und verworfen werden von
diesem Geschlecht.
Tekstuitleg van Lc 17,25 .
257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht : Lc 17,26-30 -- Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 -
| Lc 17,26 - Lc 17,26 : 257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht - Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] And as it was in the days of Noe, so shall it be
also in the days of the Son of man.
Luther-Bibel . 26 Und wie es geschah zu den Zeiten Noahs, so wird's auch geschehen
in den Tagen des Menschensohns:
Tekstuitleg van Lc 17,26 .
2. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs
(zoals) .
Lc (17) : (1) Lc
1,2 . (2) Lc
1,55 . (3) Lc
1,70 . (4) Lc
2,20 . (5) Lc
2,23 . (6) Lc
5,14 . (7) Lc
6,31 . (8) Lc
6,36 . (9) Lc
11,1 . (10) Lc
11,30 . (11) Lc
17,26 . (12) Lc
17,28 . (13) Lc
19,32 . (14) Lc
22,13 . (15) Lc
22,29 . (16) Lc
24,24 . (17) Lc
24,39 .
4. - 6. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 . (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .
3. - 6. egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in die dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 17,26 . (3) Lc 17,28 . egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc (1) : (2) Lc 2,1 . (2) Lc 6,12 .
11. - 13. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 . (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .
| Lc 17,27 - Lc 17,27 : 257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht - Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] They did eat, they drank, they married wives, they
were given in marriage, until the day that Noe entered into the ark, and the
flood came, and destroyed them all.
Luther-Bibel . 27 Sie aßen, sie tranken, sie heirateten, sie ließen sich heiraten
bis zu dem Tag, an dem Noah in die Arche ging und die Sintflut kam und brachte
sie alle um.
Tekstuitleg van Lc 17,27 .
4. - 6. en tais hèmerais (in de dagen) . Lc (11 / 18) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,39 . (5) Lc 2,1 . (6) Lc 4,2 . (7) Lc 4,25 . (8) Lc 6,12 . (9) Lc 17,26 . (10) Lc 17,28 . (11) Lc 24,18 .
3. - 6. egeneto en tais hèmerais (het gebeurde in die dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 17,26 . (3) Lc 17,28 . egeneto de en tais hèmerais (het gebeurde echter in de dagen) . Lc (1) : (2) Lc 2,1 . (2) Lc 6,12 .
8. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw.
eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai
(binnengaan) .
Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc
1,40 . (2) Lc
4,16 . (3) Lc
4,38 . (4) Lc
6,4 . (5) Lc
7,1 . (6) Lc
8,30 . (7) Lc
9,46 . (8) Lc
10,38 . (9) Lc
17,27 . (10) Lc
19,7 . (11) Lc
22,3 . (12) Lc
24,29 .
8. - 9. eisèlthen eis (hij / zij ging binnen in) . (7 / 12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,38 . (3) Lc 6,4 . (4 ) Lc 7,1 . (5) Lc 8,30 . (6) Lc 10,38 . (7) Lc 17,27 .
| Lc 17,28 - Lc 17,28 : 257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht - Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] Likewise also as it was in the days of Lot; they
did eat, they drank, they bought, they sold, they planted, they builded;
Luther-Bibel . 28 Ebenso, wie es geschah zu den Zeiten Lots: Sie aßen, sie
tranken, sie kauften, sie verkauften, sie pflanzten, sie bauten;
Tekstuitleg van Lc 17,28 .
2. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs
(zoals) .
Lc (17) : (1) Lc
1,2 . (2) Lc
1,55 . (3) Lc
1,70 . (4) Lc
2,20 . (5) Lc
2,23 . (6) Lc
5,14 . (7) Lc
6,31 . (8) Lc
6,36 . (9) Lc
11,1 . (10) Lc
11,30 . (11) Lc
17,26 . (12) Lc
17,28 . (13) Lc
19,32 . (14) Lc
22,13 . (15) Lc
22,29 . (16) Lc
24,24 . (17) Lc
24,39 .
| Lc 17,29 - Lc 17,29 : 257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht - Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] But the same day that Lot went out of Sodom it rained
fire and brimstone from heaven, and destroyed them all.
Luther-Bibel . 29 an dem Tage aber, als Lot aus Sodom ging, da regnete es
Feuer und Schwefel vom Himmel und brachte sie alle um.
Tekstuitleg van Lc 17,29 . Het vers Lc 17,29 telt 16 (2² X 2²) woorden en 73 letters . De getalwaarde van Lc 17,29 is 6762 (2 X 3 X 7² X 23) .
4. indicatief aorist derde persoon enkelvoud exèlthen (ging uit) van
het werkw. exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in het N.T.
: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder
besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord
wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon
aan te geven .
Lc (8) : (1) Lc
2,1 . (2) Lc
4,14 . (3) Lc
4,35 . (4) Lc
5,27 . (5) Lc
7,17 . (6) Lc
8,5 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
17,29 . Een vorm van exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) in Lc (41)
, in Lc
| Lc 17,30 - Lc 17,30 : 257. De dagen van de Mensenzoon komen onverwacht - Lc 17,26-30 - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,26 - Lc 17,27 - Lc 17,28 - Lc 17,29 - Lc 17,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] Even thus shall it be in the day when the Son of
man is revealed.
Luther-Bibel . 30 Auf diese Weise wird's auch gehen an dem Tage, wenn der
Menschensohn wird offenbar werden.
Tekstuitleg van Lc 17,30 .
258. Alles achterlaten op die dag : Lc 17,31-32 -- Lc 17,31-32 - Mt 24,15-22 - Mc 13,14-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,31 - Lc 17,32 -
| Lc 17,31 - Lc 17,31 : 258. Alles achterlaten op die dag - Lc 17,31-32 - Mt 24,15-22 - Mc 13,14-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,31 - Lc 17,32 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] In that day, he which shall be upon the housetop,
and his stuff in the house, let him not come down to take it away: and he
that is in the field, let him likewise not return back.
Luther-Bibel . 31 Wer an jenem Tage auf dem Dach ist und seine Sachen im Haus
hat, der steige nicht hinunter, um sie zu holen. Und ebenso, wer auf dem Feld
ist, der wende sich nicht um nach dem, was hinter ihm ist.
Tekstuitleg van Lc 17,31 .
| Lc 17,32 - Lc 17,32 : 258. Alles achterlaten op die dag - Lc 17,31-32 - Mt 24,15-22 - Mc 13,14-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,31 - Lc 17,32 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] Remember Lot's wife.
Luther-Bibel . 32 Denkt an Lots Frau!
Tekstuitleg van Lc 17,32 .
59. Zijn leven verliezen om het te behouden : Lc 17,33 -- Lc 17,33 - Mt 10,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -
| Lc 17,33 - Lc 17,33 : 59. Zijn leven verliezen om het te behouden - Lc 17,33 - Mt 10,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] Whosoever shall seek to save his life shall lose
it; and whosoever shall lose his life shall preserve it.
Luther-Bibel . 33 Wer sein Leben zu erhalten sucht, der wird es verlieren;
und wer es verlieren wird, der wird es gewinnen.
Tekstuitleg van Lc 17,33 .
peripoieomai : eromheen doen, pantseren, inkapselen, betonneren, ommuren,
Wanneer iemand zijn ziel wil behouden, zal haar verliezen en wie haar zal
verliezen, zal haar tot leven wekken. Vrij vertaald. Als je je inkapselt,
ben je verloren. Als je je aan het leven overgeeft, bloei je open. In Lc 9,24a
zou men kunnen vertalen: Als je je leven wilt beveiligen, ben je verloren.
Als je je overgeeft aan het leven, leef je. In Lc 21,12-19 wordt verhaald
wat de leerlingen van Jezus te wachten staat. Op het einde ervan staat: geen
haar van je hoofd zal verloren gaan. In je standvastigheid verwerf je je zielen.
Anders gezegd: blijf onkreukbaar, houd vol en leef.
| Mc 9,35 | Mc 10,43 // Mt 20,26 // Lc 22,26 | Mc 10,44 // | Mc 8,34 | Mc 8,35a = Lc 9,24a | Mc 8,35b | Lc 21,18 | Lc 21,19 | |||
| ei (indien) | all' (maar) | kai (en) | ei (indien) | kai thrix ek tès kefalès humôn (en geen haar van je hoofd) | en tèi hupomonèi huôn (in je volharding) | |||||
| tis (iemand) | hos an (wie) | hos an (wie) | tis (iemand) | hos gar ean (want indien iemand) | hos d'an (wie echter) | |||||
| thelei (wil) | thelèi (zou willen) | theliji (zou willen) | thelei (wil) | thelèi (zou willen) | apolesèi (zou verliezen) | |||||
| prôtos (eerste) | megas (groot) | en humin (onder jullie) | opisô mou (na mij) | tèn psuchèn autou (zijn ziel) sôsai (redden) | tèn psuchèn autou (zijn ziel) | |||||
| einai (zijn), | genesthai (worden) | einai (zijn) | elthein (gaan) | heneken emou (omwille van mij) | ||||||
| en humin (onder jullie) | prootos (eerste) | |||||||||
| estai (hij zal zijn) | estai (hij zal zijn) | estai (hij zal zijn) | aparnijsasthoo heauton ... (dat hij zichzelf verloochene...) | apolesei (zal verliezen) | (Lc = houtos : die) sôsei autèn (zal het vinden) | ou mè apolètai (moge verloren gaan) | ktèsesthe (zal je bezitten) | |||
| pantôn ( van allen) | autèn (haar) | tas psuchas humôn (jullie levens) | ||||||||
| eschatos (de laatste) | ||||||||||
| kzi (en) | ||||||||||
| pantôn (van allen) | humoon (van jullie) | pantoon (van allen) | ||||||||
| diakonos (dienaar) | diakonos (dienaar) | doulos (slaaf) |
||||||||
| 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37
// Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48 - Mc
9,33-37 - Mt
18,1-5 - Lc
9,46-48 - |
275. Heersen is dienen (Mc 10,41-45 // Mt 20,24-28 // (Lc 22,24-27) | 275. Heersen is dienen (Mc 10,41-45 // Mt 20,24-28 // (Lc 22,24-27) | 165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen
om het te winnen : Mc 8,34-35 // Mt 16,24-25 // Lc 9,23-24 |
165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen
om het te winnen : Mc 8,34-35 // Mt 16,24-25 // Lc 9,23-24 |
165. Zijn kruis opnemen. Zijn leven verliezen
om het te winnen : Mc 8,34-35 // Mt 16,24-25 // Lc 9,23-24 |
60. Dagen van oordeel en scheiding : Lc 17,34-35 (36) -- Lc 17,34-35 (36) - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,34 - Lc 17,35 - Lc 17,36 -
| Lc 17,34 - Lc 17,34 : 60. Dagen van oordeel en scheiding - Lc 17,34-35 (36) - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,34 - Lc 17,35 - Lc 17,36 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] I tell you, in that night there shall be two men
in one bed; the one shall be taken, and the other shall be left.
Luther-Bibel . 34 Ich sage euch: In jener Nacht werden zwei auf einem Bett
liegen; der eine wird angenommen, der andere wird preisgegeben werden.
Tekstuitleg van Lc 17,34 .
6. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (zij zullen zijn) van het werkw.
eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Lc (7) : (1) Lc
11,19 . (2) Lc
12,52 . (3) Lc
13,30 . (4) Lc
17,34 . (5) Lc
17,35 . (6) Lc
21,11 . (7) Lc
21,25 .
| Lc 17,35 - Lc 17,35 : 60. Dagen van oordeel en scheiding - Lc 17,34-35 (36) - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,34 - Lc 17,35 - Lc 17,36 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] Two women shall be grinding together; the one shall
be taken, and the other left.
Luther-Bibel . 35 Zwei Frauen werden miteinander Korn mahlen; die eine wird
angenommen, die andere wird preisgegeben werden.
Tekstuitleg van Lc 17,35 .
1. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (zij zullen zijn) van het werkw.
eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Lc (7) : (1) Lc
11,19 . (2) Lc
12,52 . (3) Lc
13,30 . (4) Lc
17,34 . (5) Lc
17,35 . (6) Lc
21,11 . (7) Lc
21,25 .
| Lc 17,36 - Lc 17,36 : 60. Dagen van oordeel en scheiding - Lc 17,34-35 (36) - Mt 24,37-41 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -- Lc 17,34 - Lc 17,35 - Lc 17,36 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [36] Two men shall be in the field; the one shall be taken,
and the other left.
Luther-Bibel . 36
Tekstuitleg van Lc 17,36 .
261. Waar de gieren zich verzamelen : Lc 17,37 -- Lc 17,37 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 -
| Lc 17,37 - Lc 17,37 : 261. Waar de gieren zich verzamelen - Lc 17,37 - Mt 24,26-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 17 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [37] And they answered and said unto him, Where, Lord?
And he said unto them, Wheresoever the body is, thither will the eagles be
gathered together.
Luther-Bibel . 37 Und sie fingen an und fragten ihn: Herr, wo? Er aber sprach
zu ihnen: Wo das Aas ist, da sammeln sich auch die Geier.
Tekstuitleg van Lc 17,37 .
GRIEKSE TEKST
1eipen de pros tous mathètas autou, anendekton estin tou ta skandala mè elthein, plèn ouai di ou erchetai: 2lusitelei autô ei lithos mulikos perikeitai peri ton trachèlon autou kai erriptai eis tèn thalassan è ina skandalisè tôn mikrôn toutôn ena. 3prosechete eautois. ean amartè o adelfos sou epitimèson autô, kai ean metanoèsè afes autô: 4kai ean eptakis tès èmeras amartèsè eis se kai eptakis epistrepsè pros se legôn, metanoô, afèseis autô. 5kai eipan oi apostoloi tô kuriô, prosthes èmin pistin. 6eipen de o kurios, ei echete pistin ôs kokkon sinapeôs, elegete an tè sukaminô [tautè], ekrizôthèti kai futeuthèti en tè thalassè: kai upèkousen an umin. 7tis de ex umôn doulon echôn arotriônta è poimainonta, os eiselthonti ek tou agrou erei autô, eutheôs parelthôn anapese, 8all ouchi erei autô, etoimason ti deipnèsô, kai perizôsamenos diakonei moi eôs fagô kai piô, kai meta tauta fagesai kai piesai su; 9mè echei charin tô doulô oti epoièsen ta diatachthenta; 10outôs kai umeis, otan poièsète panta ta diatachthenta umin, legete oti douloi achreioi esmen, o ôfeilomen poièsai pepoièkamen. 11kai egeneto en tô poreuesthai eis ierousalèm kai autos dièrcheto dia meson samareias kai galilaias. 12kai eiserchomenou autou eis tina kômèn apèntèsan [autô] deka leproi andres, oi estèsan porrôthen, 13kai autoi èran fônèn legontes, ièsou epistata, eleèson èmas. 14kai idôn eipen autois, poreuthentes epideixate eautous tois iereusin. kai egeneto en tô upagein autous ekatharisthèsan. 15eis de ex autôn, idôn oti iathè, upestrepsen meta fônès megalès doxazôn ton theon, 16kai epesen epi prosôpon para tous podas autou eucharistôn autô: kai autos èn samaritès. 17apokritheis de o ièsous eipen, ouchi oi deka ekatharisthèsan; oi de ennea pou; 18ouch eurethèsan upostrepsantes dounai doxan tô theô ei mè o allogenès outos; 19kai eipen autô, anastas poreuou: è pistis sou sesôken se. 20eperôtètheis de upo tôn farisaiôn pote erchetai è basileia tou theou apekrithè autois kai eipen, ouk erchetai è basileia tou theou meta paratèrèseôs, 21oude erousin, idou ôde: è, ekei: idou gar è basileia tou theou entos umôn estin. 22eipen de pros tous mathètas, eleusontai èmerai ote epithumèsete mian tôn èmerôn tou uiou tou anthrôpou idein kai ouk opsesthe. 23kai erousin umin, idou ekei: [è,] idou ôde: mè apelthète mède diôxète. 24ôsper gar è astrapè astraptousa ek tès upo ton ouranon eis tèn up ouranon lampei, outôs estai o uios tou anthrôpou [en tè èmera autou]. 25prôton de dei auton polla pathein kai apodokimasthènai apo tès geneas tautès. 26kai kathôs egeneto en tais èmerais nôe, outôs estai kai en tais èmerais tou uiou tou anthrôpou: 27èsthion, epinon, egamoun, egamizonto, achri ès èmeras eisèlthen nôe eis tèn kibôton, kai èlthen o kataklusmos kai apôlesen pantas. 28omoiôs kathôs egeneto en tais èmerais lôt: èsthion, epinon, ègorazon, epôloun, efuteuon, ôkodomoun: 29è de èmera exèlthen lôt apo sodomôn, ebrexen pur kai theion ap ouranou kai apôlesen pantas. 30kata ta auta estai è èmera o uios tou anthrôpou apokaluptetai. 31en ekeinè tè èmera os estai epi tou dômatos kai ta skeuè autou en tè oikia, mè katabatô arai auta, kai o en agrô omoiôs mè epistrepsatô eis ta opisô. 32mnèmoneuete tès gunaikos lôt. 33os ean zètèsè tèn psuchèn autou peripoièsasthai apolesei autèn, os d an apolesè zôogonèsei autèn. 34legô umin, tautè tè nukti esontai duo epi klinès mias, o eis paralèmfthèsetai kai o eteros afethèsetai: 35esontai duo alèthousai epi to auto, è mia paralèmfthèsetai è de etera afethèsetai. 36kai 37apokrithentes legousin autô, pou, kurie; o de eipen autois, opou to sôma, ekei kai oi aetoi episunachthèsontai.
VULGAAT
1 et ad discipulos suos ait inpossibile est ut non veniant scandala vae autem illi per quem veniunt 2 utilius est illi si lapis molaris inponatur circa collum eius et proiciatur in mare quam ut scandalizet unum de pusillis istis 3 adtendite vobis si peccaverit frater tuus increpa illum et si paenitentiam egerit dimitte illi 4 et si septies in die peccaverit in te et septies in die conversus fuerit ad te dicens paenitet me dimitte illi 5 et dixerunt apostoli Domino adauge nobis fidem 6 dixit autem Dominus si haberetis fidem sicut granum sinapis diceretis huic arbori moro eradicare et transplantare in mare et oboediret vobis 7 quis autem vestrum habens servum arantem aut pascentem qui regresso de agro dicet illi statim transi recumbe 8 et non dicet ei para quod cenem et praecinge te et ministra mihi donec manducem et bibam et post haec tu manducabis et bibes 9 numquid gratiam habet servo illi quia fecit quae sibi imperaverat non puto 10 sic et vos cum feceritis omnia quae praecepta sunt vobis dicite servi inutiles sumus quod debuimus facere fecimus 11 et factum est dum iret in Hierusalem transiebat per mediam Samariam et Galilaeam 12 et cum ingrederetur quoddam castellum occurrerunt ei decem viri leprosi qui steterunt a longe 13 et levaverunt vocem dicentes Iesu praeceptor miserere nostri 14 quos ut vidit dixit ite ostendite vos sacerdotibus et factum est dum irent mundati sunt 15 unus autem ex illis ut vidit quia mundatus est regressus est cum magna voce magnificans Deum 16 et cecidit in faciem ante pedes eius gratias agens et hic erat Samaritanus 17 respondens autem Iesus dixit nonne decem mundati sunt et novem ubi sunt 18 non est inventus qui rediret et daret gloriam Deo nisi hic alienigena 19 et ait illi surge vade quia fides tua te salvum fecit 20 interrogatus autem a Pharisaeis quando venit regnum Dei respondit eis et dixit non venit regnum Dei cum observatione 21 neque dicent ecce hic aut ecce illic ecce enim regnum Dei intra vos est 22 et ait ad discipulos venient dies quando desideretis videre unum diem Filii hominis et non videbitis 23 et dicent vobis ecce hic ecce illic nolite ire neque sectemini 24 nam sicut fulgur coruscans de sub caelo in ea quae sub caelo sunt fulget ita erit Filius hominis in die sua 25 primum autem oportet illum multa pati et reprobari a generatione hac 26 et sicut factum est in diebus Noe ita erit et in diebus Filii hominis 27 edebant et bibebant uxores ducebant et dabantur ad nuptias usque in diem qua intravit Noe in arcam et venit diluvium et perdidit omnes 28 similiter sicut factum est in diebus Loth edebant et bibebant emebant et vendebant plantabant aedificabant 29 qua die autem exiit Loth a Sodomis pluit ignem et sulphur de caelo et omnes perdidit 30 secundum haec erit qua die Filius hominis revelabitur 31 in illa hora qui fuerit in tecto et vasa eius in domo ne descendat tollere illa et qui in agro similiter non redeat retro 32 memores estote uxoris Loth 33 quicumque quaesierit animam suam salvare perdet illam et qui perdiderit illam vivificabit eam 34 dico vobis illa nocte erunt duo in lecto uno unus adsumetur et alter relinquetur 35 duae erunt molentes in unum una adsumetur et altera relinquetur duo in agro unus adsumetur et alter relinquetur 36 respondentes dicunt illi ubi Domine 37 qui dixit eis ubicumque fuerit corpus illuc congregabuntur aquilae