LUCASEVANGELIE , NEGENTIENDE HOOFDSTUK , LC 19 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 19 -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

Overzicht van Tenach : Tenach : overzicht , Tenach : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenach : commentaar ,
Overzicht van Septuaginta
: Septuaginta : overzicht , Septuaginta : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Septuaginta : commentaar ,

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc : overzicht , Lc : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Lc : commentaar ,

Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,

  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
                                                 

Tekstuitleg - Lc 19,1-10 - Lc 19,11-28 - Lc 19,29-40 - Lc 19,41-44 - Lc 19,45-46 - Lc 19,47-48 -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc 19,1 - Lc 19,2 - Lc 19,3 - Lc 19,4 - Lc 19,5 - Lc 19,6 - Lc 19,7 - Lc 19,8 - Lc 19,9 - Lc 19,10 - Lc 19,11 - Lc 19,12 - Lc 19,13 - Lc 19,14 - Lc 19,15 - Lc 19,16 - Lc 19,17 - Lc 19,18 - Lc 19,19 - Lc 19,20 - Lc 19,21 - Lc 19,22 - Lc 19,23 - Lc 19,24 - Lc 19,25 - Lc 19,26 - Lc 19,27 - Lc 19,28 - Lc 19,29 - Lc 19,30 - Lc 19,31 - Lc 19,32 - Lc 19,33 - Lc 19,34 - Lc 19,35 - Lc 19,36 - Lc 19,37 - Lc 19,38 - Lc 19,39 - Lc 19,40 - Lc 19,41 - Lc 19,42 - Lc 19,43 - Lc 19,44 - Lc 19,45 - Lc 19,46 - Lc 19,47 - Lc 19,48 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen


Woordenschat

Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik


Overzicht van de bijbelboeken -
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het negentiende hoofdstuk van het Lucasevangelie :
277. Zacheüs : Lc 19,1-10 -
278. Gelijkenis van de minen : Lc 19,11-28 // (Mc 13,34) // (Mt 25,14-30) - Lc 19,11-28 -
279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 // Mt 21,1-9 // Lc 19,29-40 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -
280. Jezus weent over Jeruzalem : Lc 19,41-44 - Lc 19,41-44 -
283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 // Mt 21,12-13 // Lc 19,45-46 - Mc 11,15-17 - Mt 21,12-13 - Lc 19,45-46 -
284. Jezus in de tempel. Terugkeer naar Betanië : Mc 11,18-19 // Mt 21,14-17 // Lc 19,47-48 - Mc 11,18-19 - Mt 21,14-17 - Lc 19,47-48 -

277. Zacheüs : Lc 19,1-10

Lc 19,1 - Lc 19,1 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

5. ierichô (Jericho) . Taalgebruik in het N.T. : Ierichô (Jericho) . Taalgebruik in Lc : Ierichô (Jericho) . Lc (3) : (1) Lc 10,30 . (2) Lc 18,35 . (3) Lc 19,1 .

Lc 19,2 - Lc 19,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 . (11) Lc 19,2 . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 . (15) Lc 24,18 . (16) Lc 24,47 . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 19 in 2 verzen : (1) Lc 19,2 . (2) Lc 19,38 . In Lc : 4 vormen in 14 hoofdstukken en in 33 verzen

5. pass. part. praes. nom. mann. enk. kaloumenos (die wordt genoemd) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het N.T. : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (1) Lc 19,2 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc in 40 verzen , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,2 .  (2) Lc 19,13 . (3) Lc 19,29 . In Lc : 29 vormen in 15 / 24 hoofdstukken en in 40 verzen .

Lc 19,3 - Lc 19,3 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

 

Lc 19,4 - Lc 19,4 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,4 .

Lc 19,4.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45 .

Lc 19,4.5. emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het N.T. : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 14,2 . (6) Lc 19,4 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 21,36 .

6. act. ind. aor. 3de pers. enk. anebè (hij klom naar boven) van het werkw. anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) . Lc (3) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 19,4 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 18,31 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 24,38 .

Lc 19,5 - Lc 19,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

eipen de pros auton (hij zei echter tot hem) in Lc (3) : (1) Lc 1,13 (+ onderwerp : ho aggelos = de engel). (2) Lc 9,62 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (3) Lc 19,9 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) .
kai eipen pros auton (hij zei tot hem) in Lc (2) : (1) Lc 9,50 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (2) Lc 19,5 .
Hebr. : wajj´omèr ´lô (en hij zei tot hem) in Tenach (2) : (1) 1 S 22,13 . (2) Zach 2,8 .

Lc 19,6 - Lc 19,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,7 - Lc 19,7 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai idontes pantes diegogguzon  legontes hoti para hamartôlôi andri eisèlthen katalusai              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

10. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) .
Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .

De Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en zeiden tegen hen (Nu 14,2) . De Farizeeën en hun schriftgeleerden morden tegen zijn leerlingen zeggende (Lc 5,30). Het morren van de Israëlieten heeft hier te maken met alles wat ze meemaken in de woestijn. In Ex 17,3 heeft morren ook te maken met dorst: Het volk echter smachtte daar naar water en het volk morde daar tegen Mozes zeggend : Waarom... In de Petateuch heeft het morren vaak met eten of drinken te maken. Bij de synoptici heeft het morren te maken met wie je eet, wanneer je eet en hoe je eet.

  Lc 5,21 Lc 5,30 Lc 15,2 Lc 19,7
voegwoord  kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
vervoegd werkwoord èrxanto dialogizesthai (en begonnen te discussiëren) 

egogguzon (morden)

diegogguzon (bromden onder elkaar)  idontes pantes diegogguzon (allen ziende bromden onder elkaar)
onderwerp hoi grammateis kai hoi Farisaioi (de schriftgeleerden en de Farizeeeën hoi Farizaioi kai hoi grammateis autôn (de Farizeeën en hun schriftgeleerden) hoi te Farizaioi kai hoi grammateis  (zowel de Farizeeën als de schriftgeleerden)  
    pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen)    
inleiding om te citeren  legontes (zeggende) legontes (zeggende)  legontes (zeggende) legontes (zeggende) 
rechtstreekse of onrechtstreekse rede  tís estin houtos (wie is deze) hos lalaei blasfèmias; tís dunatai hamartias afienai ei mè monos ho theos; (die godslasteringen spreekt? wie kan zonden vergeven tenzij God alleen?)  dia tí meta tôn telônôn kai hamartôlôn esthiete kai pinete; (waarom eet en drinkt je met tollenaars en zondaars?) hoti houtos hamartôlous prosdechetai kai sunesthiei autois (dat deze zondaars ontvangt en met hen eet).   hoti para hamartôlôi andri eisèlthen katalusai (dat hij bij een zondig man is binnengegaan om te logeren)
bijbelplaats 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - 238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - 277. Zacheüs : Lc 19,1-10 -

 

Lc 19,8 - Lc 19,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,9 - Lc 19,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

1. - 6. eipen de pros auton (hij zei echter tot hem) in Lc (3) : (1) Lc 1,13 (+ onderwerp : ho aggelos = de engel). (2) Lc 9,62 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (3) Lc 19,9 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) .
kai eipen pros auton (hij zei tot hem) in Lc (2) : (1) Lc 9,50 (+ onderwerp ho ièsous = Jezus) . (2) Lc 19,5 .
Hebr. : wajj´omèr ´lô (en hij zei tot hem) in Tenach (2) : (1) 1 S 22,13 . (2) Zach 2,8 .

9. nom.. vr. enk. sôtèria (redding) . Taalgebruik in het N.T. : sôtèria (redding) . Taalgebruik in Lc : sôtèria (redding) . Taalgebruik in de LXX : sôtèria (redding) . Hebr. jesj`a / jèsj`a / jësju`âh (hulp, heil, redding -> Jezus) . Taalgebruik in Tenach : jesj`a / jèsj`a (hulp, heil, redding) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . N. heiland . D. Heiland . môsjî`a (de reddende) act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. jâsj`a (redden, bevrijden, verlossen) , is heel nauw verwant wat letters betreft : mâsjach (zalven) . (mâsjîach = gezalfde, messias, G. christos = Christus) . Lc (1) Lc 19,9 .
- Een vorm van sôtèr in Lc (2) : (1) Lc 1,47 . (2) Lc 2,11 , in de LXX (41) , in het N.T. (24) .
- Een vorm van sôtèria (redding) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 1,69 . (2) Lc 1,71 . (3) Lc 1,77 . (4) Lc 19,9 , in de LXX (160) , in het N.T. (45) .
- Een vorm van sôtèrion (redding) in Lc (2) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 3,6 , in de LXX (135) , in het N.T. (4) .
- Een vorm van sôzô (redden, verlossen) in Lc (17) , in de LXX (363) , in het N.T. (106) .

13. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 19 (3) : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,29 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 19 in 5 verzen : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 19,19 . (5) Lc 19,29 .

Lc 19,10 - Lc 19,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

De Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron en zeiden tegen hen (Nu 14,2) . De Farizeeën en hun schriftgeleerden morden tegen zijn leerlingen zeggende (Lc 5,30). Het morren van de Israëlieten heeft hier te maken met alles wat ze meemaken in de woestijn. In Ex 17,3 heeft morren ook te maken met dorst: Het volk echter smachtte daar naar water en het volk morde daar tegen Mozes zeggend : Waarom... In de Petateuch heeft het morren vaak met eten of drinken te maken. Bij de synoptici heeft het morren te maken met wie je eet, wanneer je eet en hoe je eet.

 

1.     2.     3.     4.      5.  
Mc 2,8 // Lc 5;22 Lc 5,22 // Mc 2,8   Mc 2,17 // Lc 5,31 Lc 5,31 // Mc 2,17   Mc 2,19 // Lc 5,34 Lc 5,34 // Mc 2,19   Mc 2,25 // Lc 6,3 Lc 6,3 // Mc 2,25   Mc 3,4 // Lc 6,9 Lc 6,9 // Mc 3,4
kai euthus (en omiddellijk)     kai (en) kai (en)   kai (en)     kai (en) kai (en)   kai (en)  
epignous (wetend) epignous (wetend)   akousas (horend) apokritheis (ant<oordend)           apokritheis (ant<oordend)      eipen de (hij zei echter)
  de (echter)                        
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)   ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)      ho de Ièsous (Jezus echter)            ho Ièsous (Jezus)
  apokritheis (antwoordend)                        
                           
legei (zegt) eipen (zei hij)   legei (hij zegt) eipen (zei hij)   eipen (zei) eipen (zei hij)   legei (hij zegt) pros autous eipen (zei hij tot hen)   legei (hij zegt)  
                           
autois (aan hen) pros autous (tot hen)   autois (aan hen) pros autous (tot hen)   autois (aanhen) pros autous (tot hen)   autois (aan hen)     autois (aan hen) pros autous (tot hen)
            hi Ièsous (Jezus)       ho Ièsous (Jezus)      
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -   69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -   70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 - 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe :Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -   94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 - 94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14

 

Lc 15,3  Lc 19,9
eipen de (hij zei echter)   eipen de (hij zei echter)
pros autous (tot hen)  pros auton (tot hem)
tèn parabolèn tautèn legôn (deze parabel zeggende)  ho Ièsous (Jezus)
238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -   277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -

 

Lc 5,31b Lc 5,31c Lc 5,32a Lc 5,32b Lc 15,7c Lc 15,7d Lc 15,7e Lc 15,10c Lc 15,32c Lc 19,10
ou chreian echousin (hebben geen nood) alla (maar) ouk elèlutha kalesai (ik ben niet gekomen om te roepen alla (maar   è (dan) hoitines ou chreian echousin (die geen nood hebben aan)     èlthen gar ho huios tou anthrôpou (want de mensenzoon is gekomen)
hoi hugiainontes (de gezonden) hoi kakôs echontes (die slecht eraan toe zijn dikaious (rechtvaardigen) hamartôlous (zondaars) epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) epi enenèkonta ennea dikaiois (over de 99 rechtvaardigen)   epi heni hamartôlôi (over de ene zondaar) kai apolôlôs kai heurethè (en verloren en hij werd gevonden) zètèsai kai sôsai to apolôlos (te zoeken en te redden het verlorene)
iatrous (aan een dokter)           metanoias (bekering)      
      eis metanoian (tot bekering) metanoounti (die zich bekeert)     metanoounti (die zich bekeert)    
 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 // Mt 9,10-13 // Lc 5,29-32 - Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  238. Gelijkenis van het verloren schaap : Lc 15,1-7 - Lc 15,1-7 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 - Lc 15,8-10 -  239. Gelijkenis van de verloren drachme : Lc 15,8-10 - Lc 15,8-10 - 240. Gelijkenis van de verloren zijn : Lc 15,11-32 - Lc 15,11-32  277. Zacheüs : Lc 19,1-10 - Lc 19,1-10 -

 

278. Gelijkenis van de minen : Lc 19,11-28 // (Mc 13,34) // (Mt 25,14-30)

Lc 19,11 - Lc 19,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

4. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 19 (2) : (1) Lc 19,11 . (2) Lc 19,28 .

Lc 19,12 - Lc 19,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,12 .

Lc 19,12.6. ind. aor. 3de pers. enk. eporeuthè (hij / zij begaf zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (5) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 19,12 . (5) Lc 22,39 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,12 . (2) Lc 19,28 . (3) Lc 19,36 .

Lc 19,12.7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45 .

Lc 19,12.6. - 7. eporeuthè eis (hij / zij begaf zich op weg naar) . Lc (3) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 19,12 .

Lc 19,13 - Lc 19,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,14 - Lc 19,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,15 - Lc 19,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,15 .

2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 19 (3) : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,29 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 19 in 5 verzen : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 19,19 . (5) Lc 19,29 .

1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .

12. pass. inf. aor. fônèthènai (geroepen te worden) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 19,15 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .

Lc 19,16 - Lc 19,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,17 - Lc 19,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,17 .

11. ind. aor. 2de pers. enk. egenou (jij werd) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) . Lc (1) Lc 19,17 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 19 in 5 verzen : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 19,19 . (5) Lc 19,29 .

Lc 19,18 - Lc 19,18 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,19 - Lc 19,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

8. imperat. praes. 2de pers. enk. ginou (word) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) . Lc (1) Lc 19,17 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 19 in 5 verzen : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 19,19 . (5) Lc 19,29 .

Lc 19,20 - Lc 19,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,21 - Lc 19,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,22 - Lc 19,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,23 - Lc 19,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,24 - Lc 19,24 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

11. act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote (geeft) van het werkw. didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het N.T. : didômi (geven) . Hebr. nâthan (geven) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (geven) . Lat. dare / donare - donum : geven - gave , gift . Fr. donner - don : geven - gave . D. geben . E. to give . Lc (5) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 11,41 . (3) Lc 12,33 . (4) Lc 15,22 . (5) Lc 19,24 . Bijbel (50) . O.T. (36) . N.T. (14) . Een vorm van didômi (geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,1 . (2) Lc 9,13 . (3) Lc 9,16 . In Lc : X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van didômi (geven) in het N.T. (416) , in de LXX (2131) .

Lc 19,25 - Lc 19,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,26 - Lc 19,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
    Lc 19,26 Aan ieder die heeft, zal gegeven worden; van hem echter die niet heeft, zal zelfs wat hij heeft afgenomen worden.           

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,27 - Lc 19,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
    Ik zeg jullie: aan ieder die heeft, zal gegeven worden; van hem echter die niet heeft, zal zelfs wat hij heeft afgenomen worden.            

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

18. emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het N.T. : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 14,2 . (6) Lc 19,4 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 21,36 .

Lc 19,28 - Lc 19,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,28 . Het vers Lc 19,28 telt 8 (2³) woorden en 53 letters . De getalwaarde van Lc 19,28 is 5678 (2 X 17 X 167) .

Lc 19,28.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 19 (+ 41 / 48 ; - 7 / 48 : (1) Lc 19,16 . (2. - 4.) Lc 19,32-34 . (5. - 7.) Lc 19,36-38 ) .

Lc 19,28.2. act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc 9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc 19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem .
(3) Lc 22,8 . Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc 23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus .
(5) Lc 24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn handen en zijn voeten .
Lc 19 (12 + 18 = 30) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 19 in 12 verzen : (1) Lc 19,7 . (2) Lc 19,14 . (3) Lc 19,16 . (4) Lc 19,18 . (5) Lc 19,20 . (6) Lc 19,22 . (7) Lc 19,26 . (8) Lc 19,30 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 19,40 . (11) Lc 19,42 . (12) Lc 19,46 . van eipon (ik zei) in Lc 19 in 18 verzen : (1) Lc 19,5 . (2) Lc 19,8 . (3) Lc 19,9 . (4) Lc 19,11 . (5) Lc 19,12 . (6) Lc 19,13 . (7) Lc 19,15 . (8) Lc 19,17 . (9) Lc 19,19 . (10) Lc 19,24 . (11) Lc 19,25 . (12) Lc 19,28 . (13) Lc 19,30 . (14) Lc 19,32 . (15) Lc 19,33 . (16) Lc 19,34 . (17) Lc 19,39 . (18) Lc 19,40 .

1. - 2. kai (...) eipôn (en ... gezegd) . Lc (2) : (1) Lc 19,28 . (2) Lc 24,40 .

Lc 19,28.3. nom. + acc. onz. mv. tauta (die dingen) van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 19 (2) : (1) Lc 19,11 . (2) Lc 19,28 .

1. - 3. - kai eipôn tauta (en dat gezegd) : Lc 19,28 . - kai touto eipôn (en dit gezegd) : Lc 24,40 . - touto de eipôn (dit gezegd echter) : Lc 23,46 .

Lc 19,28.4. ind imperf. 3de pers. enk. eporeueto (hij begaf zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc 4,30 . (2) Lc 7,6 . (3) Lc 19,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,12 . (2) Lc 19,28 . (3) Lc 19,36 . In Lc 19 vormen in 18 hoofdstukken .

Lc 19,28.5. emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in het N.T. : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . Taalgebruik in Lc : emprosthen (van voren, in aanwezigheid van, voor) . < en (in, naar) + pros (bij) + -then (vanuit) . Lc (9) : (1) Lc 5,19 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 10,21 . (4) Lc 12,8 . (5) Lc 14,2 . (6) Lc 19,4 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 21,36 .

Lc 19,28.6. act. part. pr. nom. mann. enk. anabainôn van het werkw. anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Lc : anabainô (beklimmen) . Lc (1) Lc 19,28 . Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 2,42 . (3) Lc 5,19 . (4) Lc 9,28 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 18,31 . (7) Lc 19,4 . (8) Lc 19,28 . (9) Lc 24,38 . In Lc 7 vormen in 6 hoofdstukken .

Lc 19,28.7. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45 .

6. - 7. Een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) + eis (naar) in Lc in 5 / 9 verzen : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 18,10 . (4) Lc 18,31 . (5) Lc 19,28 .

Lc 19,28.8. nom. + acc. onz. mv. hierosoluma (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Lc : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Lc (3) : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . Een vorm van hierosoluma (Jeruzalem) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 23,7 .
hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 2,41 . (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,45 . (6) Lc 4,9 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 6,17 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,51 . (11) Lc 9,53 . (12) Lc 10,30 . (13) Lc 13,4 . (14) Lc 13,33 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 17,11 . (17) Lc 18,31 . (18) Lc 19,11 . (19) Lc 21,20 . (20) Lc 21,24 . (21) Lc 23,28 . (22) Lc 24,13 . (23) Lc 24,18 . (24) Lc 24,33 . (25) Lc 24,47 . (26) Lc 24,52 . hierosoluma + hierousalèm (4 + 26 = 30) .

Lc 19,28.7. - 8. eis hierosoluma (naar Jeruzalem) . Lc (3 / 4 ) : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . eis hierousalèm (naar Jeruzalem) . Lc (9 / 26 ) : (1) Lc 2,41 . (2) Lc 2,45 . (3) Lc 4,9 . (4) Lc 9,51 . (5) Lc 9,53 . (6) Lc 17,11 . (7) Lc 18,31 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,52 . Samen (3 + 9 = 12) .

Lc 19,28.6. - 8. een vorm van anabainô (naar boven klimmen, naar boven banen) + eis hierosoluma (naar Jeruzalem) : Lc 19,28 . + eis hierousalèm (naar Jeruzalem) : Lc 18,31 .

279. Intocht in Jeruzalem : Lc 19,29-40 - Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -

Lc 19,29 - Lc 19,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,29 . Het vers Lc 19,29 telt 19 woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 19,29 is 10557 (3³ X 17 X 23) .

Lc 19,29.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 19 (+ 41 / 48 ; - 7 / 48 : (1) Lc 19,16 . (2. - 4.) Lc 19,32-34 . (5. - 7.) Lc 19,36-38 ) .

Lc 19,29.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . Lc 19 (3) : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,29 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc in 130 verzen , in Lc 19 in 5 verzen : (1) Lc 19,9 . (2) Lc 19,15 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 19,19 . (5) Lc 19,29 . In alle hoofdstukken van Lc .

Lc 19,29.3. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 19 (3) : (1) Lc 19,5 . (2) Lc 19,29 . (3) Lc 19,41 .

Lc 19,29.2. - 3. egeneto hôs (het gebeurde toen) . Lc (4) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 19,29 .

Lc 19,29.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45 .

Lc 19,29.11. nom. + acc. onz. enk. oros (berg) . Taalgebruik in N.T. : oros (berg) . Taalgebruik in Lc : oros (berg) . Lc (6) : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 21,37 . (6) Lc 22,39 . Een vorm van oros (berg) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 3,5 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 6,12 . (4) Lc 8,32 . (5) Lc 9,28 . (6) Lc 9,37 . (7) Lc 19,29 . (8) Lc 19,37 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 22,39 . (12) Lc 23,30 . In Lc : 5 vormen in 9 / 24 hoofdstukken en in 12 verzen .

Lc 19,29.9. - 11. eis to oros (naar de berg) . Lc (4) : (1) Lc 6,12 . (2) Lc 9,28 . (3) Lc 21,37 . (4) Lc 22,39 . pros to oros (bij de berg) . Lc (1) Lc 19,29 .

Lc 19,29.13. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. kaloumenon (genoemd wordend) van het werkw. kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het N.T. : kaleô (roepen) . Taalgebruik in Lc : kaleô (roepen) . Lc (5) : (1) Lc 6,15 . (2) Lc 19,29 . (3) Lc 21,37 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 23,33 . Een vorm van kaleô (roepen, noemen) in Lc in 40 verzen , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,2 .  (2) Lc 19,13 . (3) Lc 19,29 . In Lc : 29 vormen in 15 / 24 hoofdstukken en in 40 verzen .

15. act. ind. aor. 3de pers. enk. apesteilen (hij zond) van het werkw. apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Lc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . . Lc (9) : (1) Lc 7,3 . (2) Lc 7,20 . (3) Lc 9,2 . (4) Lc 9,52 . (5) Lc 10,1 . (6) Lc 10,16 . (7) Lc 19,29 . (8) Lc 20,10 . (9) Lc 22,8 . Een vorm van apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in Lc in 24 verzen : (1) Lc 1,19 . (2) Lc 1,26 .   (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,43 . (5) Lc 7,3 . (6) Lc 7,20 . (7) Lc 7,27 . (8) Lc 9,2 . (9) Lc 9,48 . (10) Lc 9,52 . (11) Lc 10,1 . (12) Lc 10,3 .   (13) Lc 10,16 . (14) Lc 11,49 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 14,17 . (17) Lc 14,32 .   (18) Lc 19,14 .  (19) Lc 19,29 . (20) Lc 19,32 . (21) Lc 20,10 . (22) Lc 20,20 . (23) Lc 22,8 . (24) Lc 24,49 . In Lc : 13 vormen in 12 hoofdstukken en in 24 verzen .

Lc 19,29.18. gen. mann. mv. mathètôn van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès (leerling) . Lc (7) : (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 . (3) Lc 9,40 . (4) Lc 11,1 . (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 22,11 . Een vorm van mathètès (leerling) in Lc in 37 verzen , in Lc 19 in 3 verzen : (1) Lc 19,29 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 19,39 . In Lc : 5 verschillende vormen in 15 / 24 hoofdstukken en 37 verzen .

Lc 19,30 - Lc 19,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45

10. act. ind. fut. 2de pers. mv. heurèsete (mâtsâ´thèm) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Hnd : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in de Septuaginta : heuriskô (vinden) . Hebr. mâtsâ´ (vinden) . Taalgebruik in Tenach : mâtsâ´ (vinden) . Lat. invenire . Fr. trouver . Du latin populaire *tropare (« composer, inventer un air » d’où « composer un poème », puis « inventer, découvrir »), dérivé de tropus (« figure de rhétorique » ? voir trope). Website : http://fr.wiktionary.org/wiki/trouver . Ned. vinden . D. finden . E. to find . Lc (3) : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 11,9 . (3) Lc 19,30 .Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , in Lc 19 in 3 verzen : (1) Lc 19,30 . (1) Lc 19,32 . (1) Lc 19,48 . In Lc : 17 vormen in 18 / 24 hoofdstukken en 45 verzen . In Hnd : X vormen in 17 hoofdstukken en 33 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in de LXX (613) , in het N.T. (176) . Driemaal jullie zullen vinden . Jullie zullen een kindje vinden dat in doeken is gewikkeld en in een kribbe ligt (Lc 2,12) . Zoekt en jullie zullen vinden (Lc 11,9) . Jullie zullen een vastgebonden ezelin vinden waarop geen mens ooit zat (Lc 19,30) . Aan de belofte in Lc 2,12 en Lc 19,30 verwachten we de vervulling . En dat is ook zo . In Lc 2,16.lezen we :aneuran (zij vonden) en in Lc 19,32 heuron (zij vonden) .

Lc 19,31 - Lc 19,31 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,32 - Lc 19,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

6. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs (zoals) . Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 .

Lc 19,33 - Lc 19,33 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,34 - Lc 19,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,35 - Lc 19,35 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

2. ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden , voeren) . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T. : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .

Lc 19,36 - Lc 19,36 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,36 .

1. part. praes. gen. mann. enk.  poreuomenou van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (1) Lc 19,36 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,12 . (2) Lc 19,28 . (3) Lc 19,36 .

Lc 19,37 - Lc 19,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,37 . Het vers Lc 19,37 telt 28 (2² X 7) woorden en 140 (2² X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 19,37 is 17874 (2 X 3³ X 331) .

Lc 19,37.15. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het N.T. : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) .
Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .

Lc 19,37.17. gen. mann. mv. mathètôn van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès (leerling) . Lc (7) : (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 . (3) Lc 9,40 . (4) Lc 11,1 . (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 22,11 . Een vorm van mathètès (leerling) in Lc in 37 verzen , in Lc 19 in 3 verzen : (1) Lc 19,29 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 19,39 . In Lc : 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

Lc 19,37.19. act. part. praes. gen. mann. mv. ainountes (prijzend) van het werkw. aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in het N.T. : aineô (loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : aineô (loven, prijzen) . In twee verzen in het N.T. : (1) Lc 2,13 . Een vorm van aineô (loven, prijzen) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 .  In Lc : 2 vormen in 2 hoofdstukken en in 3 verzen .

Lc 19,37.19. - 21. In Lc : een vorm van aineô (loven, prijzen) + ton theon (God) = God loven / prijzen (3 / 3) : (1) Lc 2,13 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 19,37 .

Lc 19,37.22. nom. + dat. vr. enk. fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn . Lc (7) (nom. 3 / 7 ; dat. 4 / 7) : (1) Lc 1,44 (nom.). (2) Lc 3,4 (nom.) . (3) Lc 4,33 (dat.) . (4) Lc 8,28 (dat.) . (5) Lc 9,35 (nom.) . (6) Lc 19,37 (dat.) . (7) Lc 23,46 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 . In Lc : 5 vormen in 9 hoofdstukken en 14 verzen .

Lc 19,37.23. nom. + dat. vr. enk. megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (6) (nom. : 1 / 6 ; dat. 5 / 6) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 4,33 . (3) Lc 8,28 . (4) Lc 19,37 . (5) Lc 21,23 (nom;) . (6) Lc 23,46 . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 19 in 1 vers : Lc 19,37 . In Lc : 9 vormen in 16 hoofdstukken en 25 verzen .

Lc 19,37.22. - 23. fônèi megalèi (met luide stem) . Lc (4 / 4) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 23,45 .

Lc 19,38 - Lc 19,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Lc 19,38 . Het vers Lc 19,38 telt 15 (3 X 5) woorden en 84 (2² X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 19,38 is 8976 (2² X 2² X 3 X 11 X 17) . De verwelkoming van Jezus gebeurde in de geboorteplaats van Jezus in Betlehem (Lc 2,14) en in de regeringsstad van David (Lc 19,38) .

Lc 19,38.2. pass. part. praes. nom. mann. enk. eulogèmenos (gezegend) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in het N.T. : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Taalgebruik in Lc : eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) . Hebr. bârakh . Lc (3) : (1) Lc 1,42 . (2) Lc 13,35 . (3) Lc 19,38 . Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,28 . (2) Lc 1,42 . (3) Lc 1,64 . (4) Lc 2,28 . (5) Lc 2,34 . (6) Lc 6,28 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 13,35 . (9) Lc 19,38 . (10) Lc 24,30 . (11) Lc 24,50 . (12) Lc 24,51 . (13) Lc 24,53 . In Lc : 7 vormen in 7 hoofdstukken en in 13 verzen . Ps 118,26 wordt geciteerd : bârûkh habbâ´ besjem JHWH (gezegend de komende in de naam van JHWH) . Slechts 1X in Tenach .

Lc 19,38.4. part. praes. nom. mann. enk. erchomenos (komende) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Lc. : erchomai (gaan, komen) . Lc (6) : (1) Lc 6,47 . (2) Lc 7,19 . (3) Lc 7,20 . (4) Lc 13,35 . (5) Lc 15,25 . (6) Lc 19,38 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc in 98 verzen , in Lc 19 in 7 verzen : (1) Lc 19,5 . (2) Lc 19,10 . (3) Lc 19,13 . (4) Lc 19,18 . (5) Lc 19,20 . (6) Lc 19,23 . (7) Lc 19,38 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 98 verzen .

Lc 19,38.6. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .

Lc 19,38.8. datief onzijdig enkelvoud onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . L. nomen . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (16) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 . (11) Lc 19,2 . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 . (15) Lc 24,18 . (16) Lc 24,47 . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen , in Lc 19 in 2 verzen : (1) Lc 19,2 . (2) Lc 19,38 . In Lc : 4 vormen in 14 hoofdstukken en in 33 verzen

Lc 19,38.9. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het N.T. : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . In 9 verzen in Lc 1 (zie Lc 1,6) . In 17 verzen in de overige hoofdstukken : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,23 . (3) Lc 2,24 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 3,4 . (7) Lc 4,18 . (8) Lc 4,19 . (9) Lc 5,17 . (10) Lc 10,2 . (11) Lc 10,39 . (12) Lc 12,47 . (13) Lc 13,35 . (14) Lc 16,5 . (15) Lc 19,38 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,3 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 19 in 8 verzen : (1) Lc 19,8 . (2) Lc 19,16 . (3) Lc 19,18 . (4) Lc 19,20 . (5) Lc 19,25 . (6) Lc 19,31 . (7) Lc 19,34 . (8) Lc 19,38 . In Lc : een vorm van kurios (heer) in het enkelv. in 5 vormen , in 20 hoofdstukken en in 99 verzen .

Lc 19,38.7. - 9. en onomati kuriou = bësjem JHWH (in de naam JHWH) .Tenach (37) . Ps (7) . Ps 118 (4) : (1) Ps 118,10 . (2) Ps 118,11 . (3) Ps 118,12 . (4) Ps 118,26 . N.T. (15) . Lc (2) : (1) Lc 13,35 . (2) Lc 19,38 . Koran : bismillah < b - sm - `llh : in de naam van Allah) . Christenen : in de naam van de Vader ....

Lc 19,38.10. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc

Lc 19,38.11. dat. mann. enk. ouranô(i) van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Lc : ouranos (hemel) . Lc (3) : (1) Lc 6,23 . (2) Lc 15,7 . (3) Lc 19,38 . Een vorm van ouranos (hemel) in Lc in 36 verzen , in Lc 19 in 1 vers : Lc 19,38 . In Lc : 6 vormen in 19 hoofdstukken en 36 verzen .

Lc 19,38.10. - 11. en ouranô(i) (in de hemel) . Lc (2) : (1) Lc 11,2 . (2) Lc 19,38 . en tô(i) ouranô(i) (in de hemel) : Lc (2) : (1) Lc 6,23 . (2) Lc 15,7 . en tois ouranois (in de hemelen) : Lc (3) : (1) Lc 10,20 .  (2) Lc 12,33 . (3) Lc 18,22 .

Lc 19,38.12. nom. + dat.vr. enk. eirènè(i) van het zelfst. naamw. eirènè (vrede) . Taalgebruik in het N.T. : eirènè (vrede) . Taalgebruik in Lc : eirènè (vrede) . Lc (7) : (1) Lc 2,14 . (2) Lc 2,29 . (3) Lc 10,5 . (4) Lc 10,6 . (5) Lc 11,21 . (6) Lc 19,38 . (7) Lc 24,36 . Een vorm van eirènè (vrede) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,29 . (4) Lc 7,50 . (5) Lc 8,48 . (6) Lc 10,5 . (7) Lc 10,6 . (8) Lc 11,21 . (9) Lc 12,51 . (10) Lc 14,32 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 19,42 . (13) Lc 24,36 . In Lc : 3 vormen in 10 hoofdstukken en 13 verzen . Concentrische opbouw ; in het midden : vrede en heerlijkheid ; daarrond : in de hemel , in de hoge . Verwant vers : Lc 2,14 . Conventrische opbouw . Aan de buitenzijde : heerlijkheid , vrede . In het midden : in de hoge , op aarde .

Lc 19,38.10. - 12. en ouranô(i) eirènè (in de hemel vrede) . Deze combinatie verwekt verwondering . In het aanverwant vers Lc 2,14 staat epi gès eirènè (op aarde vrede) . Komt dat vanuit de plaatsnaam hierosoluma (Jeruzalem) : hieros (heilig) - > oura-nos (hemels) en soluma (sjalôm = vrede) : heilige vrede , hemelse vrede .

Lc 19,38.14. nom. vr. enk. doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in het N.T. : doxa (heerlijkheid) . Taalgebruik in Mc : doxa (heerlijkheid) . Hebr. khabhôd (heerlijkheid) . In Hebreeuws betekent het zwaarte (b.v. van zijn mantel) . In het Grieks getransponeerd naar iets lichts , heerlijks : doxa . Lat. gloria . Fr. gloire . Ned. heerlijkheid . Lc (4) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 14,10 . (4) Lc 19,38 . Een vorm van doxa (heerlijkheid) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,14 . (3) Lc 2,32 . (4) Lc 4,6 . (5) Lc 9,26 . (6) Lc 9,31 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 12,27 . (9) Lc 14,10 . (10) Lc 17,18 . (11) Lc 19,38 . (12) Lc 21,27 . (13) Lc 24,26 . In Lc : 4 vormen in 9 hoofdstukken en in 13 verzen .
ûkhëbhôd JHWH (en de heerlijkheid van JHWH) . In zeven verzen in de bijbel : (1) Ex 40,34 (mâle´ ´èth hammisjëkân = vervulde de tabernakel) . (2) Ex 40,35 (mâle´ ´èth hammisjëkân = vervulde de tabernakel) . (3) Nu 14,10 . (4) 2 Kr 7,1 (mâle´ ´èth habbâjit = vervulde het huis) . (5) 2 Kr 7,3 (`al habbâjjith = over het huis) . (6) Js 60,1 . (7) Ez 43,4 . doxa (heerlijkheid) is de vertaling van kabhôd . Eerst op de berg , dan de verbondstent / tabernakel , dan de tempel .

Lc 19,38.15. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc

Lc 19,38.16. dat. mann. + onz. mv. hupsistois van het bijvoegl. naamw. hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in het N.T. : hupsistos (allerhoogste) . Taalgebruik in Lc : hupsistos (allerhoogste) . Lc (2) : (1) Lc 2,14 .  (2) Lc 19,38 . Een vorm van hupsistos (allerhoogste) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,32 . (2) Lc 1,35 . (3) Lc 1,76 . (4) Lc 2,14 .   (5) Lc 6,35 . (6) Lc 8,28 . (7) Lc 19,38 . In Lc : 2 vormen in 5 hoofdstukken en 7 verzen .

Lc 19,38.14. - 16. doxa en hupsostois (heerlijkheid in de hoge) . Lc (2) (1) Lc 2,14 .  (2) Lc 19,38 .

Lc 19,39 - Lc 19,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,40 - Lc 19,40 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Vertrekpunt is het Marcusevangelie. We constateren dat Marcus vaak de tegenwoordige tijd gebruikt. Dat is het geval in een overgangsvers om de verandering van plaats aan te duiden. Hieronder vermelden we acht gevallen. In zes ervan staat het werkwoord erchomai (gaan). Viermaal in de 3de persoon meervoud, 2 maal in de 3de persoon enkelvoud. In de andere twee gevallen waar niet het werkwoord erchomai (gaan) wordt gebruikt, staat het werkwoord in de 3de persoon meervoud. De 3de persoon enkelvoud heeft betrekking op Jezus, de 3de persoon meervoud op Jezus en zijn leerlingen. In al deze gevallen is het onderwerp niet expliciet vermeld. Het kan evenwel vanuit de contekst achterhaald worden.
 Mc 1,21  Mc 6  Mc 8,22 Mc 10,1  Mc 10,46 Mc 11,1  Mc 11,15 Mc 11,27 
kai (en)  ... kai (en)  Kai (en)    Kai (en) Kai hote (en wanneer)  Kai (en)   Kai (en)
 eisporeuontai (zij gaan)  erchetai (hij gaat)  erchontai (zij gaan)  erchetai (hij gaat)  erchontai (zij gaan) eggizousin (zij naderen)  erchontai (zij gaan)  erchontai (zij gaan)
eis (naar)  eis (naar)  eis (naar) eis (naar)  eis (naar)  eis (naar)  eis (naar) palin (opnieuw) eis (naar)
Kafarnaoum (Kafarnaüm)   tijn patrida autou ( zijn vaderstad)   Bijthsaïda (Betsaïda) ta horia tijs Ioudaias kai peran tou Iordanou (de bergen van Judea en de overzijde van de Jordaan)  Ierichoo (Jericho)  Hierosoluma (Jeruzalem)  Hierosoluma (Jeruzalem)  Hierosoluma (Jeruzalem)
 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 // Mt 4,23-25; 5,1-2 // Lc 4,31 145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a // Mt 13,53-58 ( // Lc 4,16-30)   161. Genezing van een blinde te Betsaïda : Mc 8,22-26 264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 // Mt 19,1-2  276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 // Mt 21,1-9 // Lc 19,29-40  283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 // Mt 21,12-13 // Lc 19,45-46  287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 // Mt 21,23-27 // Lc 20,1-8


Jezus nadert Jeruzalem. Sinds Lc 9,51 is hij erheen op weg. Jeruzalem is de stad van David. Jezus is door Petrus beleden als de Messias, die uit het geslacht van David zou voortkomen. Jezus zal zijn intrede in Jeruzalem doen als koninklijke messias.
Er zijn oudtestamentische teksten voorhanden die inspiratie kunnen bieden. De inleiding van het verhaal roept al Zach 14,4 op : "Op die dag zal Hij zijn voeten op de Olijfberg zetten die tegenover Jeruzalem ligt, aan de oostkant." Zo zijn we bij het boek Zacharia beland, waaruit nog teksten geciteerd worden (althans bij Matteüs).
Het boek Zacharia bestaat uit 14 hoofdstukken. Het bestaat uit twee (of meerdere) delen : 1-8, 9-14. Het boek staat op naam van Zacharia. Hij trad op in het tweede jaar van het bewind van de Perzische koning Darius. Dat moet in 520 v. Chr. zijn. In 538 v. Chr. had de Perzische koning Kores, na de verovering van Babel, de joden uit het Babylonische gevangenschap naar hun land laten terugkeren. Onder de stadhouder Zerubbabel en hogepriester Jozua waren er werken aan de tempel van Jeruzalem aangevat, maar daarna blijven stilliggen. Zacharia (evenals zijn tijdgenoot Haggai) pleiten voor de heropbouw van de tempel.
Het tweede deel is zo verschillend van het eerste dat geleerden van mening zijn dat het van latere datum is, sommigen denken aan het jaar 332 v. Chr. toen Alexander de Grote in 332 v. Chr. Libanon en de Gazastrook veroverde. In Zach 9-11 en 12-14 is het woord van de Heer tot Israël gericht. In het 14de hoofdstuk is er sprake van de komst van de Heer naar Jeruzalem. Wellicht heeft Jeruzalem wel vaak 'blijde intredes' van veroveraars meegemaakt. En wellicht ging dat vaak ook gepaard met veel machtsvertoon. Zach 9,9 geeft een beeld van een intrede van een vredevolle koning.
De droom van vele joden bestond er nochtans in om een machtige koning te hebben die zelfstandigheid, vrede, welvaart en welzijn zou brengen. Jezus komt echter als een nederige koning, zonder wereldse macht. In de eerste decennia van het christendom is de droom van aardse macht gesublimeerd naar spirituele macht. Wellicht heeft de bekering van vele heidenen uit het Romeinse rijk daar iets mee te maken. Er kon toch geen tegenstelling bestaan tussen beiden. Bovendien werd het bestaan van het Romeinse Rijk als een zegen Gods gezien vermits die overheersing het mogelijk maakte dat de verkondigers tot het uiteinde van de aarde konden gaan. Het aardse keizerrijk riep een equivalent voor een geestelijk rijk op, met een geestelijke macht als tegenpool. Messias en zoon van God werden in de Romeins-hellenistische wereld in geestelijke zin geïnterpreteerd en kreeg Jezus als zoon van God goddelijke allures zoals de keizer goddelijke allures had (hij was immers aangesteld als aardse heerser).
Waarom is er zoveel apocrief materiaal uit de eerste decennia en eeuwen verdwenen? Waarom werden de gnostische geschriften geweerd? We zien reeds in de evangeliën een beklemtoning van een geloofsbelijdenis (waarbij Petrus centraal staat). Blijkbaar is er reeds behoefte aan een eenheid in leer, aan een organisatie met een verantwoordelijke enz. In zo'n periode is er geen behoefte aan mensen met persoonlijke religieuze ervaringen. Ook wil men in zo'n periode zich legitimeren voor zijn leer, organisatie, riten enz. Het zou wel eens kunnen zijn dat de evangeliën geschreven zijn niet enkel en alleen om het bronnenmateriaal te verzamelen, maar ook om een bepaalde leer te bevestigen en te versterken waarbij de bronnen zorgvuldig geselecteerd werden; dan zouden de evangeliën wel eens in opdracht kunnen geschreven zijn. Dat is wel allemaal speculatie maar in de 1ste eeuw waren er vele en zeer verscheiden stromingen van joden- en christendom en vele zijn als 'ketters' verworpen.
Een verhaal van een intocht in Jeruzalem door de koninklijke messias Jezus heeft een belangrijke betekenis. Het is een intocht van een vredevolle vorst gezeten op een ezel. Op wereldlijk niveau vormt hij geen bedreiging. Het beeld van de messias zoals beschreven in de evangeliën worden in Jezus'mond gelegd. Want Jezus selecteert de passage uit het O.T. en vraagt aan twee van zijn leerlingen om de nodige voorbereidingen te treffen. Zo wordt deze visie als joods beschouwd en krijgt ze de goedkeuring van Jezus.
Mc 11,1  Mt 21,1  Lc 19,29  Mc 14,13 Lc 22,8   Mt 26,18        
  tote (dan)   kai (en) kai (en)          
   Ièsous (Jezus)                
apostellei (hij zendt)  apesteilen (zond) apesteilen (zond) apostellei (hij zendt) apesteilen (zond)          
duo tôn mathètôn autou (twee van de leerlingen van hem)  duo mathètas (twee leerlingen)  duo tôn mathètôn (twee van de leerlingen) duo tôn mathètôn autou (twee van de leerlingen van hem)  Petron kai Iöannèn (Petrus en Johannes)          
 kai (en)                  
legei (hij zegt)   legôn (zeggende)   legôn (zeggende)              
autois (aan hen)  autois (aan hen)                 
 hupagete (ga)  poreuesthe (trek)  hupagete (ga)   hupagete (ga)   poreuthentes (vertrokken zijnde)  hupagete (ga)         
                   
 6. kai (en) 6 hoi de (zij echter)                 
                   
 poièsantes (gedaan hebbende)  eipan (zeiden)                
  autois (aan hen)                 
 kathôs (zoals)  kathôs (zoals)   kathôs (zoals)              
sunetaksen (opdroeg)   eipen (zei)   eipen (zei)              
autois (aan hen)   autois (aan hen)              
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)                
                   

Mc 11,1 bestaat uit een ondergeschikte zin van tijd en een hoofdzin. De hoofdzin : apostellei (hij zendt)... Het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd. Het onderwerp is niet uitdrukkelijk vermeld. Het lijdend voorwerp volgt onmiddellijk op het werkwoord. Marcus schrijft : duo tôn mathètôn autou (twee van zijn leerlingen); de lezer verstaat eronder: twee van zijn twaalf leerlingen. De bijzin van tijd staat eveneens in de tegenwoordige tijd. De bijzin van tijd wordt ingeleid door het voegwoord hote (wanneer). Het werkwoord staat in het meervoud; het veronderstelt dat Jezus en zijn leerlingen Jeruzalem... naderen. Marcus vermeldt vier plaatsbepalingen: Jeruzalem, Betfage, Bethanië, olijfberg. "En waneer zij naderen bij Jeruzalem, bij Betfage en Bethanië bij de olijvenberg."
In Matteüs en Lucas is de woordorde van de hoofdzin dezelfde. In Matteüs worden bijzin en hoofdzin beter op elkaar afgestemd : hote... tote (wanneer... dan) . Matteüs plaatst het onderwerp vooraan en vermeldt het uitdrukkelijk : Ièsous (Jezus). Dan volgt het werkwoord van de hoofdzin in de aoristvorm (verleden tijd) en het lijdend voorwerp : duo mathètas (twee leerlingen) zonder gedachte aan de andere leerlingen. Van de bijzin maakt hij een dubbele zin, door het koppelwoord kai (en) verbonden. Daardoor voegt hij èlthon (zij kwamen) toe. Matteüs laat de plaatsbepaling Bèthanian (Bethanië) weg, waardoor eis to oros tôn elaiôn (bij de olijvenberg) bij de plaatsbepaling Bèthfagè (Betfage) komt te staan. Zo komen we in de dubbele bijzin driemaal het voorzetsel eis (naar, bij) tegen.
Lucas heeft het werkwoord van de hoofdzin in de aorist gezet zoals Matteüs. Daarna volgt het lijdend voorwerp zoals bij Marcus zonder evenwel het persoonlijk voornaamwoord autou (van hem, zijn).

Na een eerste hoofdzin volgt een tweede nevenschikkende zin waarvan het werkwoord eveneens in de tegenwoordige tijd staat. Matteüs en Lucas herleiden de tweede hoofdzin tot een deelwoordzin bij het onderwerp. Lucas laat het meewerkend voorwerp weg.
bijbelcitaat Mc 11,2 Mc 14,13b  Mc 14,27  Mc 14,30            
koppelwoord kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)            
werkwoordvorm in de tegenwoordige tijd legei (hij zegt) legei (hij zegt) legei (hij zegt) legei (hij zegt)            
meewerkend voorwerp autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen)            
onderwerp      ho Ièsous (Jezus)  ho Ièsous (Jezus)            
                     
onderschikkende zin van vergelijking 6 kathôs (zoals) 16 kathôs (zoals) Mc 16,7 kathôs (zoals)  Mc 14,72            
werkwoordvorm in de aorist (verleden tijd) eipen (hij zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei) eipen (hij zei)            
meewerkend voorwerp    autois (aan hen)  humin (aan u)  autôi (aan hem)            
onderwerp ho Ièsous (Jezus)     ho Ièsous (Jezus)            
                     
                     
                     
                     

280. Jezus weent over Jeruzalem : Lc 19,41-44

Lc 19,41 - Lc 19,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

6. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in het N.T. : polis (stad) . Taalgebruik in Lc : polis (stad) .
Lc (17) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 2,3 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,4 . (10) Lc 8,34 . (11) Lc 8,39 . (12) Lc 9,10 . (13) Lc 10,1 . (14) Lc 10,8 . (15) Lc 10,10 . (16) Lc 19,41 . (17) Lc 22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .

Lc 19,42 - Lc 19,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,43 - Lc 19,43 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

Lc 19,44 - Lc 19,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 // Mt 21,12-13 // Lc 19,45-46

Lc 19,45 - Lc 19,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Lc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 19 (6) : (1) Lc 19,4 . (2) Lc 19,12 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,30 . (6) Lc 19,45 .

Lc 19,46 - Lc 19,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van

284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië : Lc 19,47-48 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 19 -- Lc 19,47 - Lc 19,48 -

Lc 19,47 - Lc 19,47 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 19 -- Lc 19,47 - Lc 19,48
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible . [47] And he taught daily in the temple. But the chief priests and the scribes and the chief of the people sought to destroy him,
Luther-Bibel . 47 Und er lehrte täglich im Tempel. Aber die Hohenpriester und Schriftgelehrten und die Angesehensten des Volkes trachteten danach, dass sie ihn umbrächten,

Tekstuitleg van Lc 19,47 . Dit vers Lc 19,47 telt 23 woorden en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Lc 19,47 is 10603 (23 X 461) .

9. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het N.T. : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .

7. - 9. en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T. : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .

12. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

16. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ezètoun van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taaalgebruik in Lc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj (zoeken) . Taalgebruik in Tenach : bâqasj (zoeken) . dârasj < midrasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Lc (5) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 6,19 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 19,47 . (5) Lc 22,2 . Een vorm van zèteô (zoeken) in Lc in 26 verzen , in Lc 19 (3) : (1) Lc 19,3 .  (2) Lc 19,10 . (3) Lc 19,47 . In Lc : 14 vormen van zèteô (zoeken) in 13 / 24 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : X vormen van zèteô (zoeken) in 7 / 28 hoofdstukken en in 10 verzen .

Lc 19,48 - Lc 19,48 : 284. Jezus in de tempel . Terugkeer naar Betanië - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 19 -- Lc 19,47 - Lc 19,48
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
               

King James Bible . [48] And could not find what they might do: for all the people were very attentive to hear him.
Luther-Bibel . 48 und fanden nicht, wie sie es machen sollten; denn das ganze Volk hing ihm an und hörte ihn.

Tekstuitleg van


King James Bible

[1] And Jesus entered and passed through Jericho. [2] And, behold, there was a man named Zacchaeus, which was the chief among the publicans, and he was rich. [3] And he sought to see Jesus who he was; and could not for the press, because he was little of stature. [4] And he ran before, and climbed up into a sycomore tree to see him: for he was to pass that way. [5] And when Jesus came to the place, he looked up, and saw him, and said unto him, Zacchaeus, make haste, and come down; for to day I must abide at thy house. [6] And he made haste, and came down, and received him joyfully. [7] And when they saw it, they all murmured, saying, That he was gone to be guest with a man that is a sinner. [8] And Zacchaeus stood, and said unto the Lord; Behold, Lord, the half of my goods I give to the poor; and if I have taken any thing from any man by false accusation, I restore him fourfold. [9] And Jesus said unto him, This day is salvation come to this house, forsomuch as he also is a son of Abraham. [10] For the Son of man is come to seek and to save that which was lost. [11] And as they heard these things, he added and spake a parable, because he was nigh to Jerusalem, and because they thought that the kingdom of God should immediately appear. [12] He said therefore, A certain nobleman went into a far country to receive for himself a kingdom, and to return. [13] And he called his ten servants, and delivered them ten pounds, and said unto them, Occupy till I come. [14] But his citizens hated him, and sent a message after him, saying, We will not have this man to reign over us. [15] And it came to pass, that when he was returned, having received the kingdom, then he commanded these servants to be called unto him, to whom he had given the money, that he might know how much every man had gained by trading. [16] Then came the first, saying, Lord, thy pound hath gained ten pounds. [17] And he said unto him, Well, thou good servant: because thou hast been faithful in a very little, have thou authority over ten cities. [18] And the second came, saying, Lord, thy pound hath gained five pounds. [19] And he said likewise to him, Be thou also over five cities. [20] And another came, saying, Lord, behold, here is thy pound, which I have kept laid up in a napkin: [21] For I feared thee, because thou art an austere man: thou takest up that thou layedst not down, and reapest that thou didst not sow. [22] And he saith unto him, Out of thine own mouth will I judge thee, thou wicked servant. Thou knewest that I was an austere man, taking up that I laid not down, and reaping that I did not sow: [23] Wherefore then gavest not thou my money into the bank, that at my coming I might have required mine own with usury? [24] And he said unto them that stood by, Take from him the pound, and give it to him that hath ten pounds. [25] (And they said unto him, Lord, he hath ten pounds.) [26] For I say unto you, That unto every one which hath shall be given; and from him that hath not, even that he hath shall be taken away from him. [27] But those mine enemies, which would not that I should reign over them, bring hither, and slay them before me. [28] And when he had thus spoken, he went before, ascending up to Jerusalem. [29] And it came to pass, when he was come nigh to Bethphage and Bethany, at the mount called the mount of Olives, he sent two of his disciples, [30] Saying, Go ye into the village over against you; in the which at your entering ye shall find a colt tied, whereon yet never man sat: loose him, and bring him hither. [31] And if any man ask you, Why do ye loose him? thus shall ye say unto him, Because the Lord hath need of him. [32] And they that were sent went their way, and found even as he had said unto them. [33] And as they were loosing the colt, the owners thereof said unto them, Why loose ye the colt? [34] And they said, The Lord hath need of him. [35] And they brought him to Jesus: and they cast their garments upon the colt, and they set Jesus thereon. [36] And as he went, they spread their clothes in the way. [37] And when he was come nigh, even now at the descent of the mount of Olives, the whole multitude of the disciples began to rejoice and praise God with a loud voice for all the mighty works that they had seen; [38] Saying, Blessed be the King that cometh in the name of the Lord: peace in heaven, and glory in the highest. [39] And some of the Pharisees from among the multitude said unto him, Master, rebuke thy disciples. [40] And he answered and said unto them, I tell you that, if these should hold their peace, the stones would immediately cry out. [41] And when he was come near, he beheld the city, and wept over it, [42] Saying, If thou hadst known, even thou, at least in this thy day, the things which belong unto thy peace! but now they are hid from thine eyes. [43] For the days shall come upon thee, that thine enemies shall cast a trench about thee, and compass thee round, and keep thee in on every side, [44] And shall lay thee even with the ground, and thy children within thee; and they shall not leave in thee one stone upon another; because thou knewest not the time of thy visitation. [45] And he went into the temple, and began to cast out them that sold therein, and them that bought; [46] Saying unto them, It is written, My house is the house of prayer: but ye have made it a den of thieves. [47] And he taught daily in the temple. But the chief priests and the scribes and the chief of the people sought to destroy him, [48] And could not find what they might do: for all the people were very attentive to hear him.


Luther-Bibel


Zachäus
1 Und er ging nach Jericho hinein und zog hindurch. 2 Und siehe, da war ein Mann mit Namen Zachäus, der war ein Oberer der Zöllner und war reich. 3 Und er begehrte, Jesus zu sehen, wer er wäre, und konnte es nicht wegen der Menge; denn er war klein von Gestalt. 4 Und er lief voraus und stieg auf einen Maulbeerbaum, um ihn zu sehen; denn dort sollte er durchkommen. 5 Und als Jesus an die Stelle kam, sah er auf und sprach zu ihm: Zachäus, steig eilend herunter; denn ich muss heute in deinem Haus einkehren. 6 Und er stieg eilend herunter und nahm ihn auf mit Freuden. 7 Als sie das sahen, murrten sie alle und sprachen: Bei einem Sünder ist er eingekehrt. 8 Zachäus aber trat vor den Herrn und sprach: Siehe, Herr, die Hälfte von meinem Besitz gebe ich den Armen, und wenn ich jemanden betrogen habe, so gebe ich es vierfach zurück. 9 Jesus aber sprach zu ihm: Heute ist diesem Hause Heil widerfahren, denn auch er ist Abrahams Sohn. 10 Denn der Menschensohn ist gekommen, zu suchen und selig zu machen, was verloren ist.

Von den anvertrauten Pfunden
11 Als sie nun zuhörten, sagte er ein weiteres Gleichnis; denn er war nahe bei Jerusalem und sie meinten, das Reich Gottes werde sogleich offenbar werden. 12 Und er sprach: Ein Fürst zog in ein fernes Land, um ein Königtum zu erlangen und dann zurückzukommen. 13 Der ließ zehn seiner Knechte rufen und gab ihnen zehn Pfund und sprach zu ihnen: Handelt damit, bis ich wiederkomme! 14 Seine Bürger aber waren ihm Feind und schickten eine Gesandtschaft hinter ihm her und ließen sagen: Wir wollen nicht, dass dieser über uns herrsche. 15 Und es begab sich, als er wiederkam, nachdem er das Königtum erlangt hatte, da ließ er die Knechte rufen, denen er das Geld gegeben hatte, um zu erfahren, was ein jeder erhandelt hätte. 16 Da trat der erste herzu und sprach: Herr, dein Pfund hat zehn Pfund eingebracht. 17 Und er sprach zu ihm: Recht so, du tüchtiger Knecht; weil du im Geringsten treu gewesen bist, sollst du Macht haben über zehn Städte. 18 Der zweite kam auch und sprach: Herr, dein Pfund hat fünf Pfund erbracht. 19 Zu dem sprach er auch: Und du sollst über fünf Städte sein. 20 Und der dritte kam und sprach: Herr, siehe, hier ist dein Pfund, das ich in einem Tuch verwahrt habe; 21 denn ich fürchtete mich vor dir, weil du ein harter Mann bist; du nimmst, was du nicht angelegt hast, und erntest, was du nicht gesät hast. 22 Er sprach zu ihm: Mit deinen eigenen Worten richte ich dich, du böser Knecht. Wusstest du, dass ich ein harter Mann bin, nehme, was ich nicht angelegt habe, und ernte, was ich nicht gesät habe: 23 warum hast du dann mein Geld nicht zur Bank gebracht? Und wenn ich zurückgekommen wäre, hätte ich's mit Zinsen eingefordert. 24 Und er sprach zu denen, die dabeistanden: Nehmt das Pfund von ihm und gebt's dem, der zehn Pfund hat. 25 Und sie sprachen zu ihm: Herr, er hat doch schon zehn Pfund. 26 Ich sage euch aber: Wer da hat, dem wird gegeben werden; von dem aber, der nicht hat, wird auch das genommen werden, was er hat. 27 Doch diese meine Feinde, die nicht wollten, dass ich ihr König werde, bringt her und macht sie vor mir nieder.

Jesu Einzug in Jerusalem
28 Und als er das gesagt hatte, ging er voran und zog hinauf nach Jerusalem. 29 Und es begab sich, als er nahe von Betfage und Betanien an den Berg kam, der Ölberg heißt, da sandte er zwei Jünger 30 und sprach: Geht hin in das Dorf, das vor uns liegt. Und wenn ihr hineinkommt, werdet ihr ein Füllen angebunden finden, auf dem noch nie ein Mensch gesessen hat; bindet es los und bringt's her! 31 Und wenn euch jemand fragt: Warum bindet ihr es los?, dann sagt: Der Herr bedarf seiner. 32 Und die er gesandt hatte, gingen hin und fanden's, wie er ihnen gesagt hatte. 33 Als sie aber das Füllen losbanden, sprachen seine Herren zu ihnen: Warum bindet ihr das Füllen los? 34 Sie aber sprachen: Der Herr bedarf seiner. 35 Und sie brachten's zu Jesus und warfen ihre Kleider auf das Füllen und setzten Jesus darauf. 36 Als er nun hinzog, breiteten sie ihre Kleider auf den Weg. 37 Und als er schon nahe am Abhang des Ölbergs war, fing die ganze Menge der Jünger an, mit Freuden Gott zu loben mit lauter Stimme über alle Taten, die sie gesehen hatten, 38 und sprachen: Gelobt sei, der da kommt, der König, in dem Namen des Herrn! Friede sei im Himmel und Ehre in der Höhe! 39 Und einige Pharisäer in der Menge sprachen zu ihm: Meister, weise doch deine Jünger zurecht! 40 Er antwortete und sprach: Ich sage euch: Wenn diese schweigen werden, so werden die Steine schreien.

Jesus weint über Jerusalem
41 Und als er nahe hinzukam, sah er die Stadt und weinte über sie 42 und sprach: Wenn doch auch du erkenntest zu dieser Zeit, was zum Frieden dient! Aber nun ist's vor deinen Augen verborgen. 43 Denn es wird eine Zeit über dich kommen, da werden deine Feinde um dich einen Wall aufwerfen, dich belagern und von allen Seiten bedrängen 44 und werden dich dem Erdboden gleichmachen samt deinen Kindern in dir und keinen Stein auf dem andern lassen in dir, weil du die Zeit nicht erkannt hast, in der du heimgesucht worden bist.

Die Tempelreinigung
45 Und er ging in den Tempel und fing an, die Händler auszutreiben, 46 und sprach zu ihnen: Es steht geschrieben (Jesaja 56,7): »Mein Haus soll ein Bethaus sein«; ihr aber habt es zur Räuberhöhle gemacht. 47 Und er lehrte täglich im Tempel. Aber die Hohenpriester und Schriftgelehrten und die Angesehensten des Volkes trachteten danach, dass sie ihn umbrächten, 48 und fanden nicht, wie sie es machen sollten; denn das ganze Volk hing ihm an und hörte ihn.