LUCASEVANGELIE, TWINTIGSTE HOOFDSTUK, LC 20 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Tekstuitleg: - Lc 20,1-8 - Lc 20,9-19 - Lc 20,20-26 - Lc 20,27-38 - Lc 20,39-40 - Lc 20,41-44 - Lc 20,45-47 -
Uitleg hoofdstuk per hoofdstuk: Lc 1 - Lc 2 - Lc 3 - Lc 4 - Lc 5 - Lc 6 - Lc 7 - Lc 8 - Lc 9 - Lc 10 - Lc 11 - Lc 12 - Lc 13 - Lc 14 - Lc 15 - Lc 16 - Lc 17 - Lc 18 - Lc 19 - Lc 20 - Lc 21 - Lc 22 - Lc 23 - Lc 24 -
Uitleg vers per vers: - Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 - Lc 20,9 - Lc 20,10 - Lc 20,11 - Lc 20,12 - Lc 20,13 - Lc 20,14 - Lc 20,15 - Lc 20,16 - Lc 20,17 - Lc 20,18 - Lc 20,19 - Lc 20,20 - Lc 20,21 - Lc 20,22 - Lc 20,23 - Lc 20,24 - Lc 20,25 - Lc 20,26 - Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38 - Lc 20,39 - Lc 20,40 - Lc 20,41 - Lc 20,42 - Lc 20,43 - Lc 20,44 - Lc 20,45 - Lc 20,46 - Lc 20,47 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
1. LXX, Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4.   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling, zie
8. Bible de Jérusalem 9.   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing       

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info: Arseen De Kesel. Email: arseen.de.kesel@pandora.be.
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES:
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S: allochtonen, armoede, bahá'í,  bezinningsteksten, bijbel, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts ( Vlaams Blok ), fundamentalisme, globalisering en antiglobalisering,  hindoeïsme, interlevensbeschouwelijke dialoog, interreligieuze meditatie, islam, jodendom, koran, levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs, racisme, samenleving, sikhisme, spiritualiteit, tewerkstelling van allochtonen, vluchtelingen en asielzoekers, vrijzinnigheid, witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen, Eigen-zinnige beschouwingen, Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
Bibliografie
Literatuur.
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT: Gn (Genesis), Ex (Exodus), Lv (Leviticus), Nu (Numeri), Dt (Deuteronomium), Joz (Jozua), Re (Rechters), Rt (Ruth), 1 S (1 Samuël), 2 S (2 Samuël), 1 K (1 Koningen), 2 K (2 Koningen), 1 Kr ( 1 Kronieken), 2 Kr (2 Kronieken), Ezr (Ezra), Neh (Nehemia), Tob (Tobia), Jdt (Judith), Est (Esther), 1 Mak (1 Makkabeeën), 2 Mak (2 Makkabeeën), Job, Ps (Psalmen ), Spr (Spreuken), Pr (Prediker), Hl (Hooglied), W (Wijsheid), Sir (Sirach), Js (Jesaja), Jr (Jeremia), Kl (Klaagliederen), Bar (Baruch), Ez (Ezechiël), Da (Daniël), Hos (Hosea), Jl (Joël), Am (Amos), Ob (Obadja), Jon (Jona), Mi (Micha), Nah (Nahum), Hab (Habakuk), Sef (Sefanja), Hag (Haggai), Zach (Zacharia), Mal (Maleachi).
- NT: Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen), Rom (Rome), 1 Kor (Korinte), 2 Kor (Korinte), Gal (Galatië), Ef (Efese), Fil (Filippi), Kol (Kolosse), 1 Tes (Tessalonika), 2 Tes (Tessalonika), 1 Tim (Timoteüs), 2 Tim (Timoteüs), Tit (Titus), Film (Filemon), Heb (Hebreeën), Jak (Jakobus), 1 Pe (Petrus), 2 Pe (Petrus), 1 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), Jud (Judas), Apk (Apokalyps).
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het twintigste hoofdstuk van het Lucasevangelie:
287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -
289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Mc 12,1-12 - Mt 21,33-46 - Lc 20,9-19 -
290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -
292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -
293. Vraag naar het eerste gebod: Mc 12,28-34 - Mt 22,34-40 - Lc 20,39-40 -
295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën: Mc 12,37b-40 - Mt 23,1-12 - Lc 20,45-47 - 287.

Vraag naar Jezus'macht: Lc 20,1-8 - Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -

Voor het eerst geeft Jezus onderricht in de tempel. De tempelverantwoordelijken komen bij hem met de vraag naar zijn bevoegdheid of zijn vergunning (Lc 20,1 - Lc 20,2). Zo gebeurt ook met de apostelen Petrus en Johannes. Bij het gaan naar de tempel genezen ze een lamme (Hnd 3,1-10). Daarna houdt Petrus een redevoering in de tempel (Hnd 3,11-26). Terwijl hij nog aan het woord is, staan de tempelverantwoordelijken bij hen (Hnd 4,1) eveneens met de vraag naar hun bevoegdheid of hun vergunning.
- Lc 20,1: didaskontos autou ton laon en tô ierô kai euaggelizomenou epestčsan = terwijl hij het volk onderrichtte in de tempel en de goede boodschap bracht, stonden bij hem
- Hnd 4,1: lalountôn de autôn pros ton laon epestčsan autois = terwijl echter zij spraken tot het volk, stonden bij hen.

Lc 20,1 - Lc 20,1: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:1 kai egeneto en mia tôn čmerôn didaskontos autou ton laon en tô ierô kai euaggelizomenou epestčsan oi archiereis kai oi grammateis sun tois presbuterois  1 et factum est in una dierum docente illo populum in templo et evangelizante convenerunt principes sacerdotum et scribae cum senioribus  En het gebeurde op een van de dagen toen hij het volk leerde in de tempel en de blijde boodschap bracht, dat plotseling de hogepriesters bij hem stonden en de schriftgeleerden met de oudsten,  [1] Op een van die dagen dat Hij in de tempel onderricht gaf aan het volk en de goede boodschap verkondigde, kwamen de hogepriesters en de schriftgeleerden samen met de oudsten op Hem af   [1] Op een van de dagen dat Jezus het volk in de tempel onderricht gaf en er het goede nieuws verkondigde, kwamen opeens de hogepriesters en de schriftgeleerden, samen met de oudsten, op hem af   1 ¶ Het geschiedt op een van de dagen waarop hij in het heiligdom de gemeenschap onderricht geeft en het goede nieuws aankondigt, dat de heiligdomsoversten en de schriftgeleerden samen met de oudsten erbij komen staan   1. Et il advint, un jour qu'il enseignait le peuple dans le Temple, et annonçait la Bonne Nouvelle, que les grands prêtres et les scribes survinrent avec les anciens,   1 En het geschiedde in een van die dagen, als Hij in den tempel het volk leerde, en het Evangelie verkondigde, dat de overpriesters, en Schriftgeleerden, met de ouderlingen daarover kwamen,  

King James Bible. [1] And it came to pass, that on one of those days, as he taught the people in the temple, and preached the gospel, the chief priests and the scribes came upon him with the elders,
Luther-Bibel. 1 Und es begab sich eines Tages, als er das Volk lehrte im Tempel und predigte das Evangelium, da traten zu ihm die Hohenpriester und Schriftgelehrten mit den Ältesten

Tekstuitleg van Lc 20,1. Het vers Lc 20,1 telt 25 (5²) woorden en 137 letters. De getalwaarde van Lc 20,1 is 15042 (2 X 3 X 23 X 109).

Lc 20,1.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N.T.. Taalgebruik in Lc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und. Lc (822 / 1151). Lc 20 (+ 29 / 47. - 18 / 47: Lc 20, 4-6. Lc 20, 13-14. Lc 20, 17-18. Lc 20,22-23. Lc 20,27. Lc 20,33. Lc 20,38-43. Lc 20,45).

Lc 20,1.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden). Taalgebruik in Lc: ginomai (worden). Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...). Lc (69). Lc 20 (1) Lc 20,1. Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 20 in 5 verzen: (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,14. (3) Lc 20,16. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,33.

Lc 20,1.3. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

Lc 20,1.4. nom. + dat. vr. mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord heis, mia, hen (één). Taalgebruik in het N.T.: telwoorden. Taalgebruik in Lc: telwoorden. Lc (7): (1) Lc 5,12. (2) Lc 5,17. (3) Lc 8,22. (4) Lc 13,10. (5) Lc 17,35. (6) Lc 20,1. (7) Lc 24,1.

Lc 20,1.5. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.

Lc 20,1.6. gen. vr. mv. hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag). Taalgebruik in het N.T.: hčmera (dag). Taalgebruik in Lc: hčmera (dag).
Lc (4): (1) Lc 5,17. (2) Lc 8,22. (3) Lc 17,22. (4) Lc 20,1.

Lc 20,1.1. - 6. kai egeneto en mia(i) tôn hèmerôn (en het gebeurde tijdens één van de dagen). Lc (2): (1) Lc 5,17. (2) Lc 20,1. egeneto de en mia tôn hèmerôn (het gebeurde echter tijdens één van de dagen): Lc (1) Lc 8,22.

Lc 20,1.7. act. part. praes. gen. mann. enk. didaskôn van het werkw. didaskô (leren, onderrichten). Taalgebruik in N.T.: didaskô (leren). Taalgebruik in Lc: didaskô (leren). Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven. Didactiek: leer van het onderrichten. Lat. docere (doctor). Cfr docent, documentatie. Lc (1) Lc 20,1. Een vorm van didaskô (leren, onderrichten) in 15 verzen: (1) Lc 4,15. (2) Lc 4,31. (3) Lc 5,3. (4) Lc 5,17. (5) Lc 6,6. (6) Lc 11,1. (7) Lc 12,12. (8) Lc 13,10. (9) Lc 13,22. (10) Lc 13,26. (11) Lc 19,47. (12) Lc 20,1. (13) Lc 20,21. (14) Lc 21,37. (15) Lc 23,5.

Lc 20,1.8. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (220). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,28. (5) Lc 20,44. (6) Lc 20,45.

Lc 20,1.9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

Lc 20,1.10. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk). Taalgebruik in het N.T.: laos (volk). Taalgebruik in Lc: laos (volk).
Lc (12): (1) Lc 1,17. (2) Lc 3,18. (3) Lc 3,21. (4) Lc 7,16. (5) Lc 9,13. (6) Lc 20,1. (7) Lc 20,9. (8) Lc 20,19. (9) Lc 22,2. (10) Lc 23,5. (11) Lc 23,13. (12) Lc 23,14. Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen, in Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,6. (3) Lc 20,9. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,26. (6) Lc 20,45.

Lc 20,1.011. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

13. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel). Taalgebruik in het N.T.: hieron (heiligdom, tempel). Taalgebruik in Lc: hieron (heiligdom, tempel). Taalgebruik in Hnd: hieron (heiligdom, tempel). Lc (7): (1) Lc 2,46. (2) Lc 19,47. (3) Lc 20,1. (4) Lc 21,37. (5) Lc 21,38. (6) Lc 22,53. (7) Lc 24,53. Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel). Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen: (1) Lc 2,27. (2) Lc 2,37. (3) Lc 2,46. (4) Lc 4,9. (5) Lc 18,10. (6) Lc 19,45. (7) Lc 19,47. (8) Lc 20,1. (9) Lc 21,5. (10) Lc 21,37. (11) Lc 21,38. (12) Lc 22,52. (13) Lc 22,53. (14) Lc 24,53. In Lc: 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen. In Hnd: 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen.

11. - 13. en tôi hierôi (in de tempel). Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud. In drieëndertig verzen in de bijbel. In één vers in het O.T.. In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het N.T.: Mt (5), Mc (4). In zeven verzen bij Lucas: (1) Lc 2,46. (2) Lc 19,47. (3) Lc 20,1. (4) Lc 21,37. (5) Lc 21,38. (6) Lc 22,53. (7) Lc 24,53. In zeven verzen bij Johannes. In negen verzen in Hnd.: (1) Hnd 2,46. (2) Hnd 5,20. (3) Hnd 5,25. (4) Hnd 5,42. (5) Hnd 21,27. (6) Hnd 22,17. (7) Hnd 24,12. (8) Hnd 24,18. (9) Hnd 26,21.

16. ind. aor. 3de p. mv. epestèsan (zij stonden bij) van het werkw. efistèmi (staan bij). Taalgebruik in het N.T.: efistèmi (staan bij). Taalgebruik in Lc: efistèmi (staan bij). Taalgebruik in Hnd: efistèmi (staan bij). Lc (2): (1) Lc 20,1. (2) Lc 24,4. Een vorm van efistèmi (staan bij) in Lc in 7 verzen: (1) Lc 2,9. (2) Lc 2,38. (3) Lc 4,39. (4) Lc 10,40. (5) Lc 20,1 . (6) Lc 21,34.  (7) Lc 24,4. In Lc: 5 vormen in 6 hoofdstukken en in 7 verzen. In Hnd: 6 vormen van efistèmi (staan bij) in 9 hoofdstukken en in 11 verzen.

18. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het N.T.: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Lc: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Hnd: archiereus (hogepriester). De eerste in de rij van priesters. Lc (10): (1) Lc 19,47. (2) Lc 20,1. (3) Lc 20,19. (4) Lc 22,2. (5) Lc 22,52. (6) Lc 22,66. (7) Lc 23,4. (8) Lc 23,10. (9) Lc 23,13. (10) Lc 24,20. Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen: (1) Lc 3,2. (2) Lc 9,22. (3) Lc 19,47. (4) Lc 20,1. (5) Lc 20,19. (6) Lc 22,2. (7) Lc 22,4. (8) Lc 22,50. (9) Lc 22,52. (10) Lc 22,54. (11) Lc 22,66. (12) Lc 23,4. (13) Lc 23,10. (14) Lc 23,13. (15) Lc 24,20. In Lc: 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken. In Hnd: 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen.

Lc 20,2 - Lc 20,2: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:2 kai eipan legontes pros auton eipon čmin en poia exousia tauta poieis č tis estin o dous soi tčn exousian tautčn  2 et aiunt dicentes ad illum dic nobis in qua potestate haec facis aut quis est qui dedit tibi hanc potestatem  en ze zeiden, zeggend tegen hem: Zeg ons, door welke macht doet u deze dingen? Of wie is het die u deze macht gegeven heeft?   [2] en zeiden tegen Hem: ‘Vertel ons eens, met welke bevoegdheid doet U dit? Of wie heeft U deze bevoegdheid gegeven?’   [2] en vroegen hem: ‘Op grond van welke bevoegdheid doet u die dingen? En wie heeft u die bevoegdheid gegeven? Zeg ons dat eens.’   2 en iets zeggen, zeggend tot hem: zeg ons in wat voor volmacht je dit doet, of wíe het is die je deze volmacht heeft gegeven!   2. et lui parlèrent en ces termes: « Dis-nous par quelle autorité tu fais cela, ou quel est celui qui t'a donné cette autorité ? »   2 En spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, door wat macht Gij deze dingen doet; of wie Hij is, Die U deze macht heeft gegeven? 

King James Bible. [2] And spake unto him, saying, Tell us, by what authority doest thou these things? or who is he that gave thee this authority?
Luther-Bibel. 2 und sprachen zu ihm: Sage uns, aus welcher Vollmacht tust du das? Oder wer hat dir diese Vollmacht gegeben?

Tekstuitleg van Lc 20,2.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

5. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

8. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

19. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

21. acc. vr. enk. tautèn van het aanwiijz. voornaamw. houtos (deze). Taalgebruik in het N.T.: houtos (deze). Taalgebruik in Lc: houtos (deze).
Lc (14): (1) Lc 4,6. (2) Lc 4,23. (3) Lc 7,44. (4) Lc 12,41. (5) Lc 13,6. (6) Lc 13,16. (7) Lc 15,3. (8) Lc 18,5. (9) Lc 18,9. (10) Lc 20,2. (11) Lc 20,9. (12) Lc 20,19. (13) Lc 23,48. (14) Lc 24,21.

Lc 20,3 - Lc 20,3: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:3 apokritheis de eipen pros autous erôtčsô umas kagô logon kai eipate moi   3 respondens autem dixit ad illos interrogabo vos et ego verbum respondete mihi Hij echter antwoordde (en) zei tegen hen: Ook ik zal u één ding vragen, en zeg mij:  [3] Hij gaf hun ten antwoord: ‘Ik zal u ook een vraag stellen. Vertel Me eens,   [3] Jezus antwoordde: ‘Ook ik zal u iets vragen waarop u antwoord moet geven:   3 Ten antwoord zegt hij tot hen: ook ik ga u vragen een woord te zeggen!– wil mij zeggen:  3. Il leur répondit: « Moi aussi, je vais vous poser une question. Dites-moi donc:   3 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Ik zal u ook een woord vragen, en zegt Mij: 

King James Bible. [3] And he answered and said unto them, I will also ask you one thing; and answer me:
Luther-Bibel. 3 Er aber antwortete und sprach zu ihnen: Ich will euch auch eine Sache fragen; sagt mir:

Tekstuitleg van Lc 20,3.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

1. - 3. apokritheis de eipen (geantwoord echter zei hij). Lc (2): (1) Lc 10,41. (2) Lc 20,3.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

5. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (83). Lc 20 (5): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,23. (4) Lc 20,25. (5) Lc 20,41.

Lc 20,4 - Lc 20,4: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:4 to baptisma iôannou ex ouranou čn č ex anthrôpôn  3 respondens autem dixit ad illos interrogabo vos et ego verbum respondete mihi 4 baptismum Iohannis de caelo erat an ex hominibus  het doopsel van Johannes was het van de hemel of van de mensen?  [4] de doop van Johannes, kwam die van de hemel* of van de mensen?’  [4] Doopte Johannes in opdracht van de hemel of van mensen?’  4 de doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen?  4. le baptême de Jean était-il du Ciel ou des hommes ? »  4 De doop van Johannes, was die uit den Hemel, of uit de mensen?  

King James Bible. [4] The baptism of John, was it from heaven, or of men?
Luther-Bibel. 4 Die Taufe des Johannes - war sie vom Himmel oder von Menschen?

Tekstuitleg van Lc 20,4.

Lc 20,5 - Lc 20,5: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:5 oi de sunelogisanto pros eautous legontes oti ean eipômen ex ouranou erei dia ti ouk episteusate autô 5 at illi cogitabant inter se dicentes quia si dixerimus de caelo dicet quare ergo non credidistis illi  Zij nu overlegden onder elkaar zeggend: Als we zeggen: Van de hemel, zal hij zeggen: Waarom hebt u hem niet geloofd?  [5] Zij overlegden met elkaar: ‘Antwoorden we: “Van de hemel”, dan zegt Hij: “Waarom hebt u hem dan geen geloof geschonken?”  [5] Ze overlegden met elkaar: ‘Als we antwoorden: “Van de hemel,” zal hij vragen: “Waarom hebt u hem dan niet geloofd?”   5 Zij gaan in beraad; ze zeggen tot elkaar: als we zeggen ‘uit de hemel’, zal hij zeggen ‘waarom hebt ge hem dan niet geloofd?’  5. Mais ils firent par-devers eux ce calcul: « Si nous disons: «Du Ciel», il dira: «Pourquoi n'avez-vous pas cru en lui ?»  5 En zij overleiden onder zich, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den Hemel; zo zal Hij zeggen: Waarom hebt gij dan hem niet geloofd?  

King James Bible. [5] And they reasoned with themselves, saying, If we shall say, From heaven; he will say, Why then believed ye him not?
Luther-Bibel. 5 Sie aber bedachten's bei sich selbst und sprachen: Sagen wir, vom Himmel, so wird er sagen: Warum habt ihr ihm nicht geglaubt?

Tekstuitleg van Lc 20,5.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

Lc 20,6 - Lc 20,6: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:6 ean de eipômen ex anthrôpôn o laos apas katalithasei čmas pepeismenos gar estin iôannčn profčtčn einai   6 si autem dixerimus ex hominibus plebs universa lapidabit nos certi sunt enim Iohannem prophetam esse  Als we echter zeggen: Van de mensen, zal het hele volk ons stenigen ; het is immers overtuigd dat Johannes een profeet is.  [6] Maar antwoorden we: “Van de mensen”, dan zal heel het volk ons stenigen, want ze zijn ervan overtuigd dat Johannes een profeet was.’  [6] Maar als we antwoorden: “Van mensen,” zal het volk ons willen stenigen, omdat iedereen ervan overtuigd is dat Johannes een profeet was.’  6 en als we zeggen ‘uit de mensen’, dan zal heel de gemeenschap ons stenigen, want die is ervan overtuigd dat Johannes een profeet is!  6. Et si nous disons: «Des hommes», tout le peuple nous lapidera, car il est persuadé que Jean est un prophète. »  6 En indien wij zeggen: Uit de mensen; zo zal ons al het volk stenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een profeet was. 

King James Bible. [6] But and if we say, Of men; all the people will stone us: for they be persuaded that John was a prophet.
Luther-Bibel. 6 Sagen wir aber, von Menschen, so wird uns alles Volk steinigen; denn sie sind überzeugt, dass Johannes ein Prophet war.

Tekstuitleg van Lc 20,6.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

12. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

Lc 20,7 - Lc 20,7: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:7 kai apekrithčsan mč eidenai pothen  7 et responderunt se nescire unde esset  En ze antwoordden dat ze niet wisten waarvandaan.   [7] Ze antwoordden dus dat ze niet wisten waar die vandaan kwam.  [7] Dus antwoordden ze dat ze het niet wisten.   7 En ze antwoorden dat ze niet weten waarvandaan.  7. Et ils répondirent ne pas savoir d'où il était.  7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar die was.  

King James Bible. [7] And they answered, that they could not tell whence it was.
Luther-Bibel. 7 Und sie antworteten, sie wüssten nicht, wo sie her wäre.

Tekstuitleg van Lc 20,7.

Lc 20,8 - Lc 20,8: 287. Vraag naar Jezus'macht: Mc 11,27-33 - Mt 21,23-27 - Lc 20,1-8 -- Lc 20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20,1 - Lc 20,2 - Lc 20,3 - Lc 20,4 - Lc 20,5 - Lc 20,6 - Lc 20,7 - Lc 20,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
20:8 kai o ičsous eipen autois oude egô legô umin en poia exousia tauta poiô   8 et Iesus ait illis neque ego dico vobis in qua potestate haec facio   En Jezus zei hun: Ik zeg u evenmin door welke macht ik deze dingen doe.   [8] Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg Ik u ook niet met welke bevoegdheid Ik dit doe.’  [8] Daarop zei Jezus tegen hen: ‘Dan zeg ik u ook niet op grond van welke bevoegdheid ik die dingen doe.’  8 Jezus zegt tot hen: ík zeg u evenmin in welke volmacht ik dit doe!   8. Et Jésus leur dit: « Moi non plus, je ne vous dis pas par quelle autorité je fais cela. »   8 En Jezus zeide tot hen: Zo zeg Ik u ook niet, door wat macht Ik deze dingen doe. 

King James Bible. [8] And Jesus said unto them, Neither tell I you by what authority I do these things.
Luther-Bibel. 8 Und Jesus sprach zu ihnen: So sage ich euch auch nicht, aus welcher Vollmacht ich das tue.

Tekstuitleg van Lc 20,8.

4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

10. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

289. Gelijkenis van de boze wijnbouwers: Lc 20,9-19

Lc 20,9 - Lc 20,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [9] Hij richtte zich nu tot het volk met deze gelijkenis: ‘Iemand legde eens een wijngaard* aan; hij verpachtte hem aan wijnbouwers en ging voor lange tijd naar het buitenland.     9 ¶ Dan begint hij het tot de gemeente te zeggen met deze gelijkenis: een mens ‘plantte een wijngaard aan’, gaf hem uit aan landbouwers en ging hele tijden op reis.   9. Il se mit alors à dire au peuple la parabole que voici: « Un homme planta une vigne, puis il la loua à des vignerons et partit en voyage pour un temps assez long.   9 En Hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mens plantte een wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden, en trok een langen tijd buiten 's lands.  

King James Bible. [9] Then began he to speak to the people this parable; A certain man planted a vineyard, and let it forth to husbandmen, and went into a far country for a long time.
Luther-Bibel. 9 Er fing aber an, dem Volk dies Gleichnis zu sagen: Ein Mensch pflanzte einen Weinberg und verpachtete ihn an Weingärtner und ging außer Landes für eine lange Zeit.

Tekstuitleg van Lc 20,9.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

3. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

4. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

5. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk). Taalgebruik in het N.T.: laos (volk). Taalgebruik in Lc: laos (volk).
Lc (12): (1) Lc 1,17. (2) Lc 3,18. (3) Lc 3,21. (4) Lc 7,16. (5) Lc 9,13. (6) Lc 20,1. (7) Lc 20,9. (8) Lc 20,19. (9) Lc 22,2. (10) Lc 23,5. (11) Lc 23,13. (12) Lc 23,14. Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen, in Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,6. (3) Lc 20,9. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,26. (6) Lc 20,45.

7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

9. acc. vr. enk. tautèn van het aanwiijz. voornaamw. houtos (deze). Taalgebruik in het N.T.: houtos (deze). Taalgebruik in Lc: houtos (deze).
Lc (14): (1) Lc 4,6. (2) Lc 4,23. (3) Lc 7,44. (4) Lc 12,41. (5) Lc 13,6. (6) Lc 13,16. (7) Lc 15,3. (8) Lc 18,5. (9) Lc 18,9. (10) Lc 20,2. (11) Lc 20,9. (12) Lc 20,19. (13) Lc 23,48. (14) Lc 24,21.

16. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [10] Toen het er de tijd voor was, stuurde hij een slaaf naar de wijnbouwers om zijn deel van de opbrengst van de wijngaard in ontvangst te nemen. Maar de wijnbouwers gaven hem een pak slaag en stuurden hem met lege handen terug.     10 Toen het de tijd ervoor was zond hij tot de landbouwers een dienaar opdat ze van de vrucht van de wijngaard aan hem zouden geven; maar de landbouwers sloegen hem en zonden hem met lege handen weg.   10. « Le moment venu, il envoya un serviteur aux vignerons pour qu'ils lui donnent une part du fruit de la vigne ; mais les vignerons le renvoyèrent les mains vides, après l'avoir battu.   10 En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden een dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig heen.

King James Bible. [10] And at the season he sent a servant to the husbandmen, that they should give him of the fruit of the vineyard: but the husbandmen beat him, and sent him away empty.
Luther-Bibel. 10 Und als die Zeit kam, sandte er einen Knecht zu den Weingärtnern, damit sie ihm seinen Anteil gäben an der Frucht des Weinbergs. Aber die Weingärtner schlugen ihn und schickten ihn mit leeren Händen fort.

Tekstuitleg van Lc 20,10.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

17. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

20. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [11] Hij zond nog een andere slaaf, maar ook die gaven ze een pak slaag, ze mishandelden hem en stuurden hem met lege handen terug.     11 Hij hield vol en stuurde een andere dienaar; maar ook die sloegen zij, beledigden hem en zonden hem met lege handen weg.   11. Il recommença, envoyant un autre serviteur ; et celui-là aussi, ils le battirent, le couvrirent d'outrages et le renvoyèrent les mains vides.   11 En wederom zond hij nog een anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig heen.

King James Bible. [11] And again he sent another servant: and they beat him also, and entreated him shamefully, and sent him away empty.
Luther-Bibel. 11 Und er sandte noch einen zweiten Knecht; sie aber schlugen den auch und verhöhnten ihn und schickten ihn mit leeren Händen fort.

Tekstuitleg van Lc 20,11.

de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

Lc 20,12 - Lc 20,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [12] Hij zond nog een derde, maar ook die takelden zij toe en ze gooiden hem de wijngaard uit.     12 Hij hield vol en stuurde een derde; maar ook deze verwondden zij en wierpen hem uit.   12. Il recommença, envoyant un troisième ; et celui-là aussi, ils le blessèrent et le jetèrent dehors.   12 En wederom zond hij nog een derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.  

King James Bible. [12] And again he sent a third: and they wounded him also, and cast him out.
Luther-Bibel. 12 Und er sandte noch einen dritten; sie aber schlugen auch den blutig und stießen ihn hinaus.

Tekstuitleg van Lc 20,12.

de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

Lc 20,13 - Lc 20,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [13] “Wat moet ik nu doen?” zei de eigenaar van de wijngaard. “Ik zal mijn liefste zoon zenden; hem zullen ze toch wel ontzien.”    13 Toen zei de heer van de wijngaard: wat kan ik nu nog doen?– ik zal mijn zoon, de beminde, sturen; misschien dat ze op hém acht slaan!   13. Le maître de la vigne se dit alors: «Que faire ? je vais envoyer mon fils bien-aimé ; peut-être respecteront-ils celui-là. »   13 En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Ik zal mijn geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende, zullen zij hem ontzien.  

King James Bible. [13] Then said the lord of the vineyard, What shall I do? I will send my beloved son: it may be they will reverence him when they see him.
Luther-Bibel. 13 Da sprach der Herr des Weinbergs: Was soll ich tun? Ich will meinen lieben Sohn senden; vor dem werden sie sich doch scheuen.

Tekstuitleg van Lc 20,13.

1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41. -

Lc 20,14 - Lc 20,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [14] Maar toen de wijnbouwers hem zagen, zeiden ze tegen elkaar: “Dat is de erfgenaam. Laten we hem doden, dan is de erfenis voor ons.”     14 Maar toen de landbouwers hem zagen overlegden ze onder elkaar en zeiden: dit is de erfgenaam: laten we hem doden, dan wordt het erfgoed van ons!   14. Mais, à sa vue, les vignerons faisaient entre eux ce raisonnement: «Celui-ci est l'héritier ; tuons-le, pour que l'héritage soit à nous. »   14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem doden, opdat de erfenis onze worde. 

King James Bible. [14] But when the husbandmen saw him, they reasoned among themselves, saying, This is the heir: come, let us kill him, that the inheritance may be ours.
Luther-Bibel. 14 Als aber die Weingärtner den Sohn sahen, dachten sie bei sich selbst und sprachen: Das ist der Erbe; lasst uns ihn töten, damit das Erbe unser sei!

Tekstuitleg van Lc 20,14.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

7. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

15. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,15 - Lc 20,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [15] Ze gooiden hem de wijngaard uit en doodden hem. Wat zal de eigenaar van de wijngaard nu met hen doen?     15 En zij wierpen hem uit, naar buiten de wijngaard, en doodden hem. Wat zal heer van de wijngaard nu met hen doen?   15. Et, le jetant hors de la vigne, ils le tuèrent. » Que leur fera donc le maître de la vigne ?   15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hem. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?  

King James Bible. [15] So they cast him out of the vineyard, and killed him. What therefore shall the lord of the vineyard do unto them?
Luther-Bibel. 15 Und sie stießen ihn hinaus vor den Weinberg und töteten ihn. Was wird nun der Herr des Weinbergs mit ihnen tun?

Tekstuitleg van Lc 20,15.

3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

4. exô (buiten). Taalgebruik in het N.T.: exô (buiten). Taalgebruik in Mc: exô (buiten).
Lc (10): (1) Lc 1,10. (2) Lc 4,29. (3) Lc 8,20. (4) Lc 13,25. (5) Lc 13,28. (6) Lc 13,33. (7) Lc 14,35. (8) Lc 20,15. (9) Lc 22,62. (10) Lc 24,50.

Lc 20,16 - Lc 20,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [16] Hij zal komen en die wijnbouwers ter dood brengen, en de wijngaard zal hij aan anderen geven.’ Toen ze dat hoorden, zeiden ze: ‘Dat nooit!’     16 Hij zal komen, deze landbouwers ombrengen en de wijngaard aan anderen geven! Als ze dit horen, zeggen ze: moge dat nooit geschieden!   16. Il viendra, fera périr ces vignerons et donnera la vigne à d'autres. » A ces mots, ils dirent: « A Dieu ne plaise ! »   16 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij dat hoorden, zeiden zij: Dat zij verre!  

King James Bible.[16] He shall come and destroy these husbandmen, and shall give the vineyard to others. And when they heard it, they said, God forbid.
Luther-Bibel. 16 Er wird kommen und diese Weingärtner umbringen und seinen Weinberg andern geben. Als sie das hörten, sprachen sie: Nur das nicht!

Tekstuitleg van Lc 20,16.

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

13. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

Lc 20,17 - Lc 20,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [17] Hij keek hen aan en zei: ‘Wat betekent dan dit schriftwoord*: De* steen die de bouwlieden hadden afgekeurd, die is de hoeksteen geworden?     17 Maar hij kijkt hen aan en zegt: waarvoor is er dan dit schriftwoord: ‘de steen welke de bouwlieden verachtten, die is geworden tot hoofd–des–hoeks’?   17. Mais, fixant sur eux son regard, il dit: « Que signifie donc ceci qui est écrit: La pierre qu'avaient rejetée les bâtisseurs, c'est elle qui est devenue pierre de faîte ?  17 Maar Hij zag hen aan, en zeide: Wat is dan dit, hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tot een hoofd des hoeks geworden?  

King James Bible. [17] And he beheld them, and said, What is this then that is written, The stone which the builders rejected, the same is become the head of the corner?
Luther-Bibel. 17 Er aber sah sie an und sprach: Was bedeutet dann das, was geschrieben steht (Psalm 118,22): »Der Stein, den die Bauleute verworfen haben, der ist zum Eckstein geworden«?

Tekstuitleg van Lc 20,17.

2. de (echter), afkorting d'. Taalgebruik in het N.T.: de (echter). Taalgebruik in Lc: de (echter). Partikel. Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden. Mc (478 + 5 = 483). Lc 20 (22): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,6. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,11. (7) Lc 20,12. (8) Lc 20,13. (9) Lc 20,14. (10) Lc 20,16. (11) Lc 20,17. (12) Lc 20,23. (13) Lc 20,24. (14) Lc 20,25. (15) Lc 20,27. (16) Lc 20,31. (17) Lc 20,35. (18) Lc 20,37. (19) Lc 20,38. (20) Lc 20,39. (21) Lc 20,41. (22) Lc 20,45.

5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

10. pass. part. perf. nom. + acc. onz.. enk. gegrammenon van het werkw. grafô (schrijven). Taalgebruik in het N.T.: grafô (schrijven). Taalgebruik in Mc: grafô (schrijven). Taalgebruik in Lc: grafô (schrijven). Taalgebruik in Hnd: grafô (schrijven). Hebr. kâthabh (schrijven). Hebr. sâphar (tellen). Taalgebruik in Tenach: sâphar (schrijven). cijfer. sofer (schrijver). sephèr (geschrift, boek). Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen. Lat. scribere. Fr. écrire. Lc (3): (1) Lc 4,17. (2) Lc 20,17. (3) Lc 22,37. Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen: (1) Lc 1,3. (2) Lc 1,63. (3) Lc 2,23. (4) Lc 3,4. (5) Lc 4,4. (6) Lc 4,8. (7) Lc 4,10. (8) Lc 4,17. (9) Lc 7,27. (10) Lc 10,26. (11) Lc 16,6. (12) Lc 16,7. (13) Lc 18,31. (14) Lc 19,46. (15) Lc 20,17. (16) Lc 20,28. (17) Lc 21,22. (18) Lc 22,37. (19) Lc 24,44. (20) Lc 24,46. In Lc: 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen. In Hnd: 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen.

Lc 20,18 - Lc 20,18 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [18] Iedereen die over deze steen valt, valt te pletter, en als hij op je valt, word je vermorzeld.’     18 al wie valt over die steen, zal worden verpletterd, en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen!   18. Quiconque tombera sur cette pierre s'y fracassera, et celui sur qui elle tombera, elle l'écrasera. »   18 Een iegelijk, die op dien steen valt, zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.  

King James Bible. [18] Whosoever shall fall upon that stone shall be broken; but on whomsoever it shall fall, it will grind him to powder.
Luther-Bibel. 18 Wer auf diesen Stein fällt, der wird zerschellen; auf wen er aber fällt, den wird er zermalmen.

Tekstuitleg van Lc 20,18.

4. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

9. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

15. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,19 - Lc 20,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
19Καὶ ἐζήτησαν οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ ἀρχιερεῖς ἐπιβαλεῖν ἐπ' αὐτὸν τὰς χεῖρας ἐν αὐτῇ τῇ ὥρᾳ, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν λαόν: ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς εἶπεν τὴν παραβολὴν ταύτην.     [19] De schriftgeleerden en de hogepriesters hadden Hem het liefst meteen opgepakt, ook al waren ze bang voor het volk, want ze begrepen dat Hij met die gelijkenis op hen had gedoeld.   19 Dan zoeken de schriftgeleerden en de heiligdomsoversten de handen aan hem te slaan, nog in dat uur,– maar ze vrezen de gemeente; want ze onderkennen wel dat hij op hen doelend dit gelijkeniswoord heeft gezegd.   19. Les scribes et les grands prêtres cherchèrent à porter les mains sur lui à cette heure même, mais ils eurent peur du peuple. Ils avaient bien compris, en effet, que c'était pour eux qu'il avait dit cette parabole.   19 En de overpriesteren en de Schriftgeleerden zochten te dierzelver ure de handen aan Hem te slaan; maar zij vreesden het volk; want zij verstonden, dat Hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.  

King James Bible. [19] And the chief priests and the scribes the same hour sought to lay hands on him; and they feared the people: for they perceived that he had spoken this parable against them.
Luther-Bibel. 19 Und die Schriftgelehrten und Hohenpriester trachteten danach, Hand an ihn zu legen noch in derselben Stunde, und fürchteten sich doch vor dem Volk; denn sie hatten verstanden, dass er auf sie hin dies Gleichnis gesagt hatte.

19 Καὶ ἐζήτησαν οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ ἀρχιερεῖς ἐπιβαλεῖν ἐπ' αὐτὸν τὰς χεῖρας ἐν αὐτῇ τῇ ὥρᾳ, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν λαόν: ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς εἶπεν τὴν παραβολὴν ταύτην.

Tekstuitleg van Lc 20,19. Het vers Lc 20,19 telt 29 woorden en 141 (3 X 47) letters. De getalwaarde van Lc 20,19 is 13779 (3² X 1531).

Lc 20,19.1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N.T.. Taalgebruik in Lc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und. Lc (822 / 1151). Lc 20 (+ 29 / 47. - 18 / 47: Lc 20, 4-6. Lc 20, 13-14. Lc 20, 17-18. Lc 20,22-23. Lc 20,27. Lc 20,33. Lc 20,38-43. Lc 20,45).

Lc 20,19.2. ἐζήτησαν (= edzètèsan: zij zochten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ζητεω = dzèteô: zoeken). Taalgebruik in het NT: dzèteô (zoeken). Taaalgebruik in Lc: dzèteô (zoeken). Lc (1) Lc 20,19. Een vorm van ζητεω = dzèteô: zoeken in Lc (26), in Lc 20 (1) Lc 20,19.
- Hebr. bâqasj. Ned. zoeken. Lat. quaerere. Fr. chercher (ch / q - r). E. search. D. suchen.

ζητεω = dzèteô: zoeken bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn ev
ἐζήτουν (= edzètoun: zij zochten; wkw act ind imperf 3de pers mann mv) 27 8 18 1 4 5 7 1     10  17 
ἐζήτησαν (= ed zètèsan: zij zochten; wkw act ind aor 3de pers mv)   18  17             

Lc 20,19.5. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N.T.. Taalgebruik in Lc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und. Lc (822 / 1151). Lc 20 (+ 29 / 47. - 18 / 47: Lc 20, 4-6. Lc 20, 13-14. Lc 20, 17-18. Lc 20,22-23. Lc 20,27. Lc 20,33. Lc 20,38-43. Lc 20,45).

7. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester). Taalgebruik in het N.T.: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Lc: archiereus (hogepriester). Taalgebruik in Hnd: archiereus (hogepriester). De eerste in de rij van priesters. Lc (10): (1) Lc 19,47. (2) Lc 20,1. (3) Lc 20,19. (4) Lc 22,2. (5) Lc 22,52. (6) Lc 22,66. (7) Lc 23,4. (8) Lc 23,10. (9) Lc 23,13. (10) Lc 24,20. Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen: (1) Lc 3,2. (2) Lc 9,22. (3) Lc 19,47. (4) Lc 20,1. (5) Lc 20,19. (6) Lc 22,2. (7) Lc 22,4. (8) Lc 22,50. (9) Lc 22,52. (10) Lc 22,54. (11) Lc 22,66. (12) Lc 23,4. (13) Lc 23,10. (14) Lc 23,13. (15) Lc 24,20. In Lc: 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken. In Hnd: 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen.

Lc 20,19.8. act. inf. aor. epibalein van het werkw. epiballô ('op-werpen', overvallen). Taalgebruik in het N.T.: epiballô (op-werpen, over-vallen). Taalgebruik in Lc: epiballô (op-werpen, over-vallen). Lat. ballô. Ned. vallen -> over-vallen. Hebr. nâphal. Lc (1) Lc 20,1. Een vorm van epiballô ('op-werpen', overvallen) in Lc in 5 verzen: (1) Lc 5,36. (2) Lc 9,62. (3) Lc 15,12. (4) Lc 20,19. (5) Lc 21,12.

Lc 20,19.9. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

Lc 20,19.10. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,19.11. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (42). Lc 20 (2): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,47.

Lc 20,19.12. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand). Taalgebruik in het N.T.: cheir (hand). Taalgebruik in Lc: cheir (hand).
Lc (11): (1) Lc 4,40. (2) Lc 9,44. (3) Lc 13,13. (4) Lc 20,19. (5) Lc 21,12. (6) Lc 23,53. (8) Lc 24,7. (9) Lc 24,39. (10) Lc 24,40. (11) Lc 24,50. Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen, in Lc 20 (1) Lc 20,19.

Lc 20,19.13. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

Lc 20,19.14. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (43). Lc 20 (1) Lc 20,19.

Lc 20,19.15. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (4): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,33.

Lc 20,19.16. nom. + dat. vr. enk. hôra(i)  van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het N.T.: hôra (uur). Taalgebruik in Lc: hôra (uur).
Lc (15): (1) Lc 1,10. (2) Lc 2,38. (3) Lc 7,21. (4) Lc 10,21. (5) Lc 12,12. (6) Lc 12,39. (7) Lc 12,40. (8) Lc 12,46. (9) Lc 13,31. (10) Lc 14,17. (11) Lc 20,19. (12) Lc 22,14. (13) Lc 22,53. (14) Lc 23,44. (15) Lc 24,33. Een vorm van hôra (uur) in 16 verzen: voorgaande + Lc 22,59 en Lc 23,44 (tweede vorm).

Lc 20,19.14. - 16. hautè(i) thè(i) hôra(i): (- op - dat uur). Lc (6): (1) Lc 2,38. (2) Lc 7,21. (3) Lc 10,21. (4) Lc 12,12. (5) Lc 20,19. (6) Lc 24,33.

Lc 20,19.13. - 16. en hautè(i) thè(i) hôra(i): (op dat uur). Lc (4): (1) Lc 7,21. (2) Lc 10,21. (3) Lc 12,12. (4) Lc 20,19.

Lc 20,19.17. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N.T.. Taalgebruik in Lc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und. Lc (822 / 1151). Lc 20 (+ 29 / 47. - 18 / 47: Lc 20, 4-6. Lc 20, 13-14. Lc 20, 17-18. Lc 20,22-23. Lc 20,27. Lc 20,33. Lc 20,38-43. Lc 20,45).

Lc 20,19.18. ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv van het wkw φοβεομαι = fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in Lc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Lc (4): (1) Lc 2,9. (2) Lc 8,35. (3) Lc 9,34. (4) Lc 20,19. Een vorm van φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in de LXX (460), in het NT (95), in Lc (21): (1) Lc 1,13. (2) Lc 1,30. (3) Lc 1,50. (4) Lc 2,9. (5) Lc 2,10. (6) Lc 5,10. (7) Lc 8,25. (8) Lc 8,35. (9) Lc 8,50. (10) Lc 9,34. (11) Lc 9,45. (12) Lc 12,4. (13) Lc 12,5. (14) Lc 12,7. (15) Lc 12,32. (16) Lc 18,2. (17) Lc 18,4. (18) Lc 19,21. (19) Lc 20,19. (20) Lc 22,2. (21) Lc 23,40.

  φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden). bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn  ev P Ab 
  ἐφοβήθησαν (= efobèthèsan: zij vreesden; wkw med / pass ind aor 3de pers mann mv).   49  35  14    11  12   
  Een vorm van φοβεομαι (= fobeomai: vrezen, door fobieën bevangen worden).   460 95   12 21                

Lc 20,19.19. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

18. - 19. ἐφοβήθησαν τὸν (= efobèthèsan: zij vreesden de / het). LXX (4). NT (2): (1) Mc 12,12. (2) Lc 20,19.

Lc 20,19.20. acc. mann. enk. laon van het zelfst. naamw. laos (volk). Taalgebruik in het N.T.: laos (volk). Taalgebruik in Lc: laos (volk).
Lc (12): (1) Lc 1,17. (2) Lc 3,18. (3) Lc 3,21. (4) Lc 7,16. (5) Lc 9,13. (6) Lc 20,1. (7) Lc 20,9. (8) Lc 20,19. (9) Lc 22,2. (10) Lc 23,5. (11) Lc 23,13. (12) Lc 23,14. Een vorm van laos (volk) in Lc in 37 verzen, in Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,6. (3) Lc 20,9. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,26. (6) Lc 20,45.

Lc 20,19.21. act. ind. aor. 3de pers. aor. egnôsan (zij wisten) van het werkw. ginôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in het N.T.: ginôskô (kennen, weten). Taalgebruik in Lc: ginôskô (kennen, weten). Lc (2): (1) Lc 2,43. (2) Lc 20,19. Een vorm van ginôskô (kennen, weten) in Lc in 28 verzen, in Lc 20 (1) Lc 20,19.

Lc 20,19.22. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

Lc 20,19.23. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in N.T.: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Lc: hoti (dat, omdat).
Lc (160). Lc 20 (4): (1) Lc 20,5. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. (4) Lc 20,37.

Lc 20,19.24. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

Lc 20,19.25. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (83). Lc 20 (5): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,23. (4) Lc 20,25. (5) Lc 20,41.

Lc 20,19.26. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

Lc 20,19.27. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

Lc 20,19.28. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis). Taalgebruik in het N.T.: parabolè (parabel, gelijkenis). Taalgebruik in Lc: parabolè (parabel, gelijkenis). Paraballô: naast elkaar werpen, vergelijken. Lc (14): (1) Lc 4,23. (2) Lc 5,36. (3) Lc 6,39. (4) Lc 12,16. (5) Lc 12,41. (6) Lc 13,6. (7) Lc 14,7. (8) Lc 15,3. (9) Lc 18,1. (10) Lc 18,9. (11) Lc 19,11. (12) Lc 20,9. (13) Lc 20,19. (14) Lc 21,29. Een vorm van parabolè (parabel) in Lc in 18 verzen: (1) Lc 4,23. (2) Lc 5,36. (3) Lc 6,39. (4) Lc 8,4. (5) Lc 8,9. (6) Lc 8,10. (7) Lc 8,11. (8) Lc 12,16. (9) Lc 12,41. (10) Lc 13,6. (11) Lc 14,7. (12) Lc 15,3. (13) Lc 18,1. (14) Lc 18,9. (15) Lc 19,11. (16) Lc 20,9. (19) Lc 20,19. (18) Lc 21,29.

Lc 20,19.29. acc. vr. enk. tautèn van het aanwiijz. voornaamw. houtos (deze). Taalgebruik in het N.T.: houtos (deze). Taalgebruik in Lc: houtos (deze).
Lc (14): (1) Lc 4,6. (2) Lc 4,23. (3) Lc 7,44. (4) Lc 12,41. (5) Lc 13,6. (6) Lc 13,16. (7) Lc 15,3. (8) Lc 18,5. (9) Lc 18,9. (10) Lc 20,2. (11) Lc 20,9. (12) Lc 20,19. (13) Lc 23,48. (14) Lc 24,21.

290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Lc 20,20-26

Lc 20,20 - Lc 20,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [20] Ze letten scherp op Hem en stuurden handlangers die zich moesten voordoen als rechtvaardigen, om Hem op een uitspraak te kunnen betrappen waardoor ze Hem konden uitleveren aan de gouverneur, het bevoegd gezag.     20 ¶ Hem in het oog houdend zenden ze spionnen uit die zich moeten voordoen als ‘rechtvaardigen’, – om hem op een woord te vangen zodat ze hem kunnen overgeven aan het opperste gezag en de volmacht van de landvoogd.   20. Ils se mirent alors aux aguets et lui envoyèrent des espions, qui jouèrent les justes pour le prendre en défaut sur quelque parole, de manière à le livrer à l'autorité et au pouvoir du gouverneur.  20 En zij namen Hem waar, en zonden verspieders uit, die zichzelven veinsden rechtvaardig te zijn; opdat zij Hem in Zijn rede vangen mochten, om Hem aan de heerschappij en de macht des stadhouders over te leveren. 

King James Bible. [20] And they watched him, and sent forth spies, which should feign themselves just men, that they might take hold of his words, that so they might deliver him unto the power and authority of the governor.
Luther-Bibel.
20 Und sie belauerten ihn und sandten Leute aus, die sich stellen sollten, als wären sie fromm; die sollten ihn fangen in seinen Worten, damit man ihn überantworten könnte der Obrigkeit und Gewalt des Statthalters.

Tekstuitleg van Lc 20,20.

15. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

16. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (4): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,33.

19. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (4): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,33.

Lc 20,21 - Lc 20,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [21] Ze legden Hem een vraag voor: ‘Meester, wij weten dat U recht in de leer bent; U geeft zonder* aanzien des persoons en naar waarheid onderricht over de weg van God.     21 Ze stellen hem een vraag en zeggen: leermeester, wij weten dat u het rechte zegt en leert zonder aanzien des persoons, nee, u leert naar waarheid de weg van God; –  21. Ils l'interrogèrent donc en disant: « Maître, nous savons que tu parles et enseignes avec droiture et que tu ne tiens pas compte des personnes, mais que tu enseignes en toute vérité la voie de Dieu.   21 En zij vraagden Hem, zeggende: Meester, wij weten, dat Gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maar den weg Gods leert in der waarheid.  

King James Bible. [21] And they asked him, saying, Master, we know that thou sayest and teachest rightly, neither acceptest thou the person of any, but teachest the way of God truly:
Luther-Bibel. 21 Und sie fragten ihn und sprachen: Meister, wir wissen, dass du aufrichtig redest und lehrst und achtest nicht das Ansehen der Menschen, sondern du lehrst den Weg Gottes recht.

Tekstuitleg van Lc 20,21.

3. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

17. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

19. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

Lc 20,22 - Lc 20,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [22] Mogen we aan de keizer belasting* betalen of niet?’     22 mógen wij de keizer een afdracht geven of niet?   22. Nous est-il permis ou non de payer le tribut à César ? »   22 Is het ons geoorloofd den keizer schatting te geven, of niet? 

King James Bible. [22] Is it lawful for us to give tribute unto Caesar, or no?
Luther-Bibel. 22 Ist's recht, dass wir dem Kaiser Steuern zahlen, oder nicht?

Tekstuitleg van Lc 20,22.

Lc 20,23 - Lc 20,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [23] Maar Hij doorzag hun valse bedoeling en zei:     23 Maar hij heeft hun list in de gaten en zegt tot hen:   23. Mais, pénétrant leur astuce, il leur dit:   23 En Hij, hun arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij Mij?  

King James Bible. [23] But he perceived their craftiness, and said unto them, Why tempt ye me?
Luther-Bibel. 23 Er aber merkte ihre List und sprach zu ihnen:

Tekstuitleg van Lc 20,23.

4. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

7. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

8. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (83). Lc 20 (5): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,23. (4) Lc 20,25. (5) Lc 20,41.

Lc 20,24 - Lc 20,24 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [24] ‘Laat Mij eens een denarie zien. Wiens afbeelding staat erop, wiens opschrift?’ ‘Die van de keizer’, antwoordden ze.     24 toont mij een dinar: van wie draagt die beeltenis een opschrift? Zij zeggen: van de keizer…   24. « Montrez-moi un denier. De qui porte-t-il l'effigie et l'inscription ? » Ils dirent: « De César ».   24 Toont Mij een penning; wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij, antwoordende, zeiden: Des keizers.  

King James Bible. [24] Shew me a penny. Whose image and superscription hath it? They answered and said, Caesar's.
Luther-Bibel. 24 Zeigt mir einen Silbergroschen! Wessen Bild und Aufschrift hat er? Sie sprachen: Des Kaisers.

Tekstuitleg van Lc 20,24.

Lc 20,25 - Lc 20,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [25] Daarop* zei Hij tegen hen: ‘Geef dan aan de keizer wat van de keizer is, en aan God wat van God is.’    25 Hij zegt tot hen: welnu, geeft dat van de keizer aan de keizer en wat van God is aan God!  25. Alors il leur dit: « Eh bien ! rendez à César ce qui est à César, et à Dieu ce qui est à Dieu. »   25 En Hij zeide tot hen: Geeft dan den keizer, dat des keizers is, en Gode, dat Gods is.  

King James Bible. [25] And he said unto them, Render therefore unto Caesar the things which be Caesar's, and unto God the things which be God's.
Luther-Bibel. 25 Er aber sprach zu ihnen: So gebt dem Kaiser, was des Kaisers ist, und Gott, was Gottes ist!

Tekstuitleg van Lc 20,25.

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

4. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

5. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (83). Lc 20 (5): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,23. (4) Lc 20,25. (5) Lc 20,41.

Lc 20,26 - Lc 20,26 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [26] Ze konden Hem in het bijzijn van het volk op geen enkel woord vangen; verbaasd over zijn antwoord deden ze er het zwijgen toe.   26 Ze zijn niet in staat om hem te vangen op iets wat hij zegt, tegenover de gemeenschap; verwonderd over zijn antwoord doen zij er het zwijgen toe.   26. Et ils ne purent le prendre en défaut sur quelque propos devant le peuple et, tout étonnés de sa réponse, ils gardèrent le silence.   26 En zij konden Hem in Zijn woord niet vatten voor het volk; en zich verwonderende over Zijn antwoord, zwegen zij stil.  

King James Bible. [26] And they could not take hold of his words before the people: and they marvelled at his answer, and held their peace.
Luther-Bibel. 26 Und sie konnten ihn in seinen Worten nicht fangen vor dem Volk und wunderten sich über seine Antwort und schwiegen still.

Tekstuitleg van Lc 20,26.

Het werkwoord eperôteô (vragen) komt vaker voor. In Lc 20,20-26, Lc 20,27-38 en Lc 21,5-7 komt het als inleidingsformule bijna identiek voor. In Lc 20,20-26 zijn de vragenstellers afgevaardigden; in Lc 20,27-38 zijn het Sadduceeërs, in Lc 21,5-7 leerlingen van Jezus. Het gevolg ervan is dat de afgevaardigden zwijgen (Lc 20,26), de Sadduceeën niets meer durven vragen (Lc 20,40) en Jezus een lange rede houdt (Lc 21,6-37).

Lc 17,20 Lc 21,7 Lc 20, 21  Lc 20,27-28
Eperôtètheis (ondervraagd) epèrôtèsan (Zij ondervroegen) kai epèrôtèsan (rn zij vroegen) Proselthontes de tines tôn Saddoukaiôn... epèrôtèsan (Komende echter bij - hem - enige Sadduceeërs, vroegen  
de (echter) de (echter)    
hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeën)      
  auton (hem) auton (hem) auton (hem)
  legontes (zeggende) legontes (zeggende) legontes (zeggende)
  didaskale (meester) didaskale (meester) didaskale (meester)
pote (wanneer)... pote (wanneer)...    
 apekrithè autois kai eipen (hij antwoordde hen en zei) ho de eipen (hij echter zei)     
 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods: Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 -  299. Inleiding tot de eschatologische rede: Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -  292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 // Mt 22,23-33 // Lc 20,27-38 - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -

7. enantion (tegenover, in de ogen van). Taalgebruik in het N.T.: enantion (tegenover, in de ogen van). Taalgebruik in Lc: enantion (tegenover, in de ogen van). Lc (3): (1) Lc 1,6. (2) Lc 20,26. (3) Lc 24,19. enanti (tegenover). Taalgebruik in het N.T.: enanti (tegenover). Taalgebruik in Lc: enanti (tegenover). Lc (1) Lc 1,8.

12. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

13. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (4): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,33.

- Lc 20,27-38 . Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38 -

Lc 20,27 - Lc 20,27. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [27] Nu kwamen er enkele sadduceeën* bij Hem met een vraag. Zij bestrijden dat er een opstanding is.     27 ¶ Er komen enkelen van de sadduceeërs tot hem, die daarentegen zeggen dat er geen opstanding is; wat zij hem willen vragen zeggen ze zo: leermeester, Mozes heeft ons voorgeschreven,   27. S'approchant alors, quelques Sadducéens - ceux qui nient qu'il y ait une résurrection - l'interrogèrent   27 En tot Hem kwamen sommigen der Sadduceën, welke tegensprekende zeggen, dat er geen opstanding is, en vraagden Hem,  

King James Bible. [27] Then came to him certain of the Sadducees, which deny that there is any resurrection; and they asked him,
Luther-Bibel. 27 Da traten zu ihm einige der Sadduzäer, die lehren, es gebe keine Auferstehung, und fragten ihn und sprachen:

Tekstuitleg van Lc 20,27.

4. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.

12. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

Lc 20,28 - Lc 20,28. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [28] ‘Meester,’ zeiden ze, ‘Mozes heeft ons dit voorgeschreven: als een getrouwd man sterft zonder dat hij kinderen heeft, moet zijn broer trouwen met die vrouw en nakomelingen verwekken voor zijn broer.     28 als van iemand een broer sterft –en die had een vrouw maar is kinderloos gebleven– dat zijn broer de vrouw moet nemen en een nazaat moet doen opstaan voor zijn broer?–   28. en disant: « Maître, Moïse a écrit pour nous: Si quelqu'un a un frère marié qui meurt sans avoir d'enfant, que son frère prenne la femme et suscite une postérité à son frère.   28 Zeggende: Meester! Mozes heeft ons geschreven: Zo iemands broeder sterft, die een vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal, en zijn broeder zaad verwekken.  

King James Bible. [28] Saying, Master, Moses wrote unto us, If any man's brother die, having a wife, and he die without children, that his brother should take his wife, and raise up seed unto his brother.
Luther-Bibel.
Luther-Bibel. 28 Meister, Mose hat uns vorgeschrieben (5.Mose 25,5-6): »Wenn jemand stirbt, der eine Frau hat, aber keine Kinder, so soll sein Bruder sie zur Frau nehmen und seinem Bruder Nachkommen erwecken.«

Tekstuitleg van Lc 20,28.

21. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn. Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (149). Lc 20 (6): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,19. (4) Lc 20,21. (5) Lc 20,23. (6) Lc 20,28.

Lc 20,29 - Lc 20,29. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [29] Nu waren er eens zeven broers. De eerste trouwde met een vrouw en stierf kinderloos.     29 stel nu, er zijn zeven broers; de eerste neemt een vrouw en sterft kinderloos;   29. Il y avait donc sept frères. Le premier, ayant pris femme, mourut sans enfant.   29 Er waren nu zeven broeders; en de eerste nam een vrouw, en hij stierf zonder kinderen.  

King James Bible. [29] There were therefore seven brethren: and the first took a wife, and died without children.
Luther-Bibel. 29 Nun waren sieben Brüder. Der erste nahm eine Frau und starb kinderlos.

Tekstuitleg van Lc 20,29.

8. act. part. aor. nom. mann. enk. labôn van het werkw. lambanô (nemen). Taalgebruik in de Septuaginta: lambanô (nemen). Taalgebruik in het N.T.: lambanô (nemen). Hebr. nâthan (nemen). Taalgebruik in Tenach: nâthan (nemen). Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen). Fr. prendre. N. nemen. D. nehmen. E. take. Lc (7): (1) Lc 6,4. (2) Lc 9,16. (3) Lc 13,19. (4) Lc 20,29. (5) Lc 22,19. (6) Lc 24,30. (7) Lc 24,43. LXX (40). N.T. (46). In Lc: X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken. In Hnd: X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken. Een vorm van lambanô (nemen) in het N.T. (258), in de LXX (1335).

Lc 20,30 - Lc 20,30. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [30] Ook de tweede     30 dan neemt de tweede haar,   30. Le second aussi,   30 En de tweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.

King James Bible. [30] And the second took her to wife, and he died childless.
Luther-Bibel. 30 Und der zweite nahm sie

Tekstuitleg van Lc 20,30.

Lc 20,31 - Lc 20,31. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [31] en de derde trouwden met haar, en zo alle zeven, maar ze stierven allen zonder kinderen na te laten.     31 de derde,– ja, zo laten ze alle zeven haar geen kinderen na als ze sterven; 31. puis le troisième prirent la femme. Et les sept moururent de même, sans laisser d'enfant après eux.  31 En de derde nam dezelve vrouw; en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven. 

King James Bible. [31] And the third took her; and in like manner the seven also: and they left no children, and died.
Luther-Bibel. 31 und der dritte; desgleichen alle sieben, sie hinterließen keine Kinder und starben.

Tekstuitleg van Lc 20,31.

Lc 20,32 - Lc 20,32. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [32] Nadien stierf ook de vrouw.     32 als laatste sterft ook de vrouw;    32. Finalement, la femme aussi mourut.   32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.  

King James Bible. [32] Last of all the woman died also.
Luther-Bibel. 32 Zuletzt starb auch die Frau.

Tekstuitleg van Lc 20,32.

Lc 20,33 - Lc 20,33. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [33] Wiens vrouw zal zij nu zijn bij de opstanding? Ze hebben haar toch alle zeven als vrouw gehad.’     33 die vrouw nu,– bij de opstanding, van wie van hen wordt zij de vrouw?– want alle zeven hebben ze haar als vrouw gehad!   33. Eh bien ! cette femme, à la résurrection, duquel d'entre eux va-t-elle devenir la femme ? Car les sept l'auront eue pour femme. »   33 In de opstanding dan, wiens vrouw van dezen zal zij zijn? Want die zeven hebben dezelve tot een vrouw gehad. 

King James Bible. [33] Therefore in the resurrection whose wife of them is she? for seven had her to wife.
Luther-Bibel. 33 Nun in der Auferstehung: wessen Frau wird sie sein unter ihnen? Denn alle sieben haben sie zur Frau gehabt.

Tekstuitleg van Lc 20,33.

4. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

5. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (4): (1) Lc 20,19. (2) Lc 20,20. (3) Lc 20,26. (4) Lc 20,33.

12. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

Lc 20,34 - Lc 20,34. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [34] Jezus zei tegen hen: ‘De kinderen van deze wereld huwen en worden uitgehuwelijkt,     34 Dan zegt Jezus tot hen: de zonen–en–dochters van deze eeuw huwen en worden gehuwd,   34. Et Jésus leur dit: « Les fils de ce monde-ci prennent femme ou mari;   34 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen, en worden ten huwelijk uitgegeven; 

King James Bible. [34] And Jesus answering said unto them, The children of this world marry, and are given in marriage:
Luther-Bibel. 34 Und Jesus sprach zu ihnen: Die Kinder dieser Welt heiraten und lassen sich heiraten;

Tekstuitleg van Lc 20,34.

2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

Lc 20,35 - Lc 20,35. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [35] maar zij die waardig zijn bevonden om deel te krijgen aan de andere wereld en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet uitgehuwelijkt.     35 maar wie verwaardigd worden deel te krijgen aan díe eeuw en aan de opstanding uit de doden zullen niet huwen en niet worden gehuwd;  35. mais ceux qui auront été jugés dignes d'avoir part à ce monde-là et à la résurrection d'entre les morts ne prennent ni femme ni mari ;   35 Maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de doden, zullen noch trouwen, noch ten huwelijk uitgegeven worden; 

King James Bible. [35] But they which shall be accounted worthy to obtain that world, and the resurrection from the dead, neither marry, nor are given in marriage:
Luther-Bibel. 35 welche aber gewürdigt werden, jene Welt zu erlangen und die Auferstehung von den Toten, die werden weder heiraten noch sich heiraten lassen.

Tekstuitleg van Lc 20,35.

Lc 20,36 - Lc 20,36. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [36] Zij kunnen immers niet meer sterven, want ze zijn aan engelen gelijk, en als kinderen van de opstanding zijn het kinderen van God.    36 want zij kúnnen niet meer sterven, want zij zijn engelen gelijk; ze zijn ‘zonen–en–dochters van God’, nu ze zonen–en–dochters van de opstanding zijn!–   36. aussi bien ne peuvent-ils plus mourir, car ils sont pareils aux anges, et ils sont fils de Dieu, étant fils de la résurrection.   36 Want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den engelen gelijk; en zij zijn kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.  

King James Bible. [36] Neither can they die any more: for they are equal unto the angels; and are the children of God, being the children of the resurrection.
Luther-Bibel. 36 Denn sie können hinfort auch nicht sterben; denn sie sind den Engeln gleich und Gottes Kinder, weil sie Kinder der Auferstehung sind.

Tekstuitleg van Lc 20,36.

2. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

Lc 20,37 - Lc 20,37. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [37] Dat de doden worden opgewekt, heeft Mozes zelf te verstaan gegeven in het verhaal van de doornstruik, waarin hij de Heer aanduidt als de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.     37 dat de doden worden opgewekt duidt ook Mozes aan bij de doornstruik, als hij van de Heer zegt ‘de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob’:   37. Et que les morts ressuscitent, Moïse aussi l'a donné à entendre dans le passage du Buisson quand il appelle le Seigneur le Dieu d'Abraham, le Dieu d'Isaac et le Dieu de Jacob.   37 En dat de doden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbos, als hij den Heere noemt den God Abrahams, en den God Izaks, en den God Jakobs. 

King James Bible. [37] Now that the dead are raised, even Moses shewed at the bush, when he calleth the Lord the God of Abraham, and the God of Isaac, and the God of Jacob.
Luther-Bibel. 37 Dass aber die Toten auferstehen, darauf hat auch Mose gedeutet beim Dornbusch, wo er den Herrn nennt Gott Abrahams und Gott Isaaks und Gott Jakobs (2.Mose 3,6).

Tekstuitleg van Lc 20,37.

Lc 20,37.9. epi (op, bij). Afkortingen: ep' en ef'. Taalgebruik in het N.T.: epi (op, bij). Taalgebruik in Lc: epi (op, bij). Ned. op. Lc (104 + 25 + 20 = 149). Lc 20 (2 + 3 + 1 = 6). epi (2): (1) Lc 20,26. (2) Lc 20,37. ep' (3): (1) Lc 20,18. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,21. ef' (1) Lc 20,18.

Lc 20,37.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

Lc 20,37.14. - 16. kurion ton theon (JHWH God). Lc (5): (1) Lc 1,16. (2) Lc 4,8. (3) Lc 4,12. (4) Lc 10,27. (5) Lc 20,37.

Lc 20,38 - Lc 20,38. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 20 -- Lc 20,27 - Lc 20,28 - Lc 20,29 - Lc 20,30 - Lc 20,31 - Lc 20,32 - Lc 20,33 - Lc 20,34 - Lc 20,35 - Lc 20,36 - Lc 20,37 - Lc 20,38
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [38] Hij is geen God van doden maar van levenden, want voor Hem leven ze allemaal.’     38 hij is geen God van doden maar van levenden, want voor hem zijn allen in leven!   38. Or il n'est pas un Dieu de morts, mais de vivants ; tous en effet vivent pour lui. »   38 God nu is niet een God der doden, maar der levenden; want zij leven Hem allen. 

King James Bible. [38] For he is not a God of the dead, but of the living: for all live unto him.
Luther-Bibel. 38 Gott aber ist nicht ein Gott der Toten, sondern der Lebenden; denn ihm leben sie alle.

Tekstuitleg van Lc 20,38.

Het werkwoord eperôteô (vragen) komt vaker voor. In Lc 20,20-26, Lc 20,27-38 en Lc 21,5-7 komt het als inleidingsformule bijna identiek voor. In Lc 20,20-26 zijn de vragenstellers afgevaardigden; in Lc 20,27-38 zijn het Sadduceeërs, in Lc 21,5-7 leerlingen van Jezus. Het gevolg ervan is dat de afgevaardigden zwijgen (Lc 20,26), de Sadduceeën niets meer durven vragen (Lc 20,40) en Jezus een lange rede houdt (Lc 21,6-37).

Lc 17,20 Lc 21,7 Lc 20, 21  Lc 20,27-28
Eperôtètheis (ondervraagd) epèrôtèsan (Zij ondervroegen) kai epèrôtèsan (rn zij vroegen) Proselthontes de tines tôn Saddoukaiôn... epèrôtèsan (Komende echter bij - hem - enige Sadduceeërs, vroegen  
de (echter) de (echter)    
hupo tôn Farisaiôn (door de Farizeeën)      
  auton (hem) auton (hem) auton (hem)
  legontes (zeggende) legontes (zeggende) legontes (zeggende)
  didaskale (meester) didaskale (meester) didaskale (meester)
pote (wanneer)... pote (wanneer)...    
 apekrithè autois kai eipen (hij antwoordde hen en zei) ho de eipen (hij echter zei)     
 254. Vraag naar de tijd van het Rijk Gods: Lc 17,20-21 - Lc 17,20-21 -  299. Inleiding tot de eschatologische rede: Mc 13,1-4 // Mt 24,1-3 // Lc 21,5-7 - Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  291. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer: Mc 12,13-17 // Mt 22,15-22 // Lc 20,20-26 - Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 -  292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 // Mt 22,23-33 // Lc 20,27-38 - Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 -

9. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

293. Vraag naar het eerste gebod: Lc 20,39-40

Lc 20,39 - Lc 20,39 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [39] Nu namen enkele schriftgeleerden het woord. ‘Meester,’ zeiden ze, ‘dat hebt U goed gezegd.’     39 ¶ Als antwoord zeggen enkelen van de schriftgeleerden: leermeester, dat heb je fraai gezegd!   39. Prenant alors la parole, quelques scribes dirent: « Maître, tu as bien parlé. »  39 En sommigen der Schriftgeleerden, antwoordende, zeiden: Meester! Gij hebt wel gezegd.  

King James Bible. [39] Then certain of the scribes answering said, Master, thou hast well said.
Luther-Bibel. 39 Da antworteten einige der Schriftgelehrten und sprachen: Meister, du hast recht geredet.

Tekstuitleg van Lc 20,39.

4. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.

Lc 20,40 - Lc 20,40 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [40] Want men durfde Hem verder niets meer te vragen. Jezus’ tegenvraag over de Messias     40 Want ze hebben hem niets meer durven vragen.   40. Car ils n'osaient plus l'interroger sur rien.   40 En zij durfden Hem niet meer iets vragen. 

King James Bible. [40] And after that they durst not ask him any question at all.
Luther-Bibel. 40 Und sie wagten nicht mehr, ihn etwas zu fragen.

Tekstuitleg van Lc 20,40.

2. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

5. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

294. Zoon en Heer van David: Lc 20,41-44

Lc 20,41 - Lc 20,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [41] Toen zei Hij tegen hen: ‘Hoe kan men zeggen dat de Messias de Zoon van David is?     41 Hij zegt tot hen: hoe kunt ge zeggen dat de Christus een zoon van David moet zijn?–   41. Il leur dit: « Comment peut-on dire que le Christ est fils de David ?   41 En Hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij, dat de Christus Davids Zoon is? 

King James Bible. [41] And he said unto them, How say they that Christ is David's son?
Luther-Bibel. 41 Er sprach aber zu ihnen: Wieso sagen sie, der Christus sei Davids Sohn?

Tekstuitleg van Lc 20,41.

1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

3. pros (naar, bij). Taalgebruik in het N.T.: pros (naar, bij). Taalgebruik in Lc: pros (naar, bij). Lc (158). Lc 20 (10): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,10. (6) Lc 20,14. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,23. (9) Lc 20,25. (10) Lc 20,41.

4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos. Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (83). Lc 20 (5): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,23. (4) Lc 20,25. (5) Lc 20,41.

7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam). Lc (191). Lc 20 (8): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,16. (5) Lc 20,18. (6) Lc 20,19. (7) Lc 20,37. (8) Lc 20,41.

10. dauid (David). Taalgebruik in het N.T.: dauid (David). Taalgebruik in Mc: dauid (David).
Lc (12): (1) Lc 1,27. (2) Lc 1,32. (3) Lc 1,69. (4) Lc 2,4. (5) Lc 2,11. (6) Lc 3,31. (7) Lc 6,3. (8) Lc 18,38. (9) Lc 18,39. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42. (12) Lc 20,44.

Lc 20,42 - Lc 20,42 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [42] Want David zegt zelf in het boek van de psalmen: De Heer heeft tot mijn Heer gezegd: Ga zitten aan mijn rechterhand,     42 want David zegt zelf in het boek der psalmen: ‘gezegd heeft de Heer tot mijn heer: zet u aan mijn rechterhand   42. C'est David lui-même en effet qui dit, au livre des Psaumes: Le Seigneur a dit à mon Seigneur: Siège à ma droite,  42 En David zelf zegt in het boek der psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijn Heere: Zit aan Mijn rechter hand,  

King James Bible. [42] And David himself saith in the book of Psalms, The LORD said unto my Lord, Sit thou on my right hand,
Luther-Bibel. 42 Denn David selbst sagt im Psalmbuch (Psalm 110,1): »Der Herr sprach zu meinem Herrn: Setze dich zu meiner Rechten,

Tekstuitleg van Lc 20,42.

Lc 20,42.2. gar (want). Taalgebruik in het N.T.: gar (want). Taalgebruik in Lc: gar (want). Hebr. kî. Fr. car. Ned.: want.
Lc (92). Lc 20 (7): (1) Lc 20,6. (2) Lc 20,19. (3) Lc 20,33. (4) Lc 20,36. (5) Lc 20,38. (6) Lc 20,40. (7) Lc 20,42.

Lc 20,42.3. dauid (David). Taalgebruik in het N.T.: dauid (David). Taalgebruik in Mc: dauid (David).
Lc (12): (1) Lc 1,27. (2) Lc 1,32. (3) Lc 1,69. (4) Lc 2,4. (5) Lc 2,11. (6) Lc 3,31. (7) Lc 6,3. (8) Lc 18,38. (9) Lc 18,39. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42. (12) Lc 20,44.

Lc 20,42.5. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

Lc 20,42.8. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Lc: legô (zeggen). legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon. Lc (223). Lc 20 (11): (1) Lc 20,3. (2) Lc 20,8. (3) Lc 20,13. (4) Lc 20,17. (5) Lc 20,19. (6) Lc 20,23. (7) Lc 20,25. (8) Lc 20,34. (9) Lc 20,41. (10) Lc 20,42. (11) Lc 20,45. Een vorm van legô (zeggen) in Lc 20 in 11 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,5. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,9. (5) Lc 20,14. (6) Lc 20,21. (7) Lc 20,27. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,37. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42 ; van eipon (ik zei) in Lc 20 in 17 verzen: (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,3. (3) Lc 20,5. (4) Lc 20,6. (5) Lc 20,8. (6) Lc 20,13. (7) Lc 20,16. (8) Lc 20,17. (9) Lc 20,19. (10) Lc 20,23. (11) Lc 20,24. (12) Lc 20,25. (13) Lc 20,34. (14) Lc 20,39. (15) Lc 20,41. (16) Lc 20,42. (17) Lc 20,45.

15. gen. mv. dexiôn van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts). Taalgebruik in het N.T.: dexios (rechts). Taalgebruik in Lc: dexios (rechts). Lc (4): (1) Lc 1,11. (2) Lc 20,42. (3) Lc 22,69. (4) Lc 23,33. Een vorm van dexios (rechts) in Lc in 6 verzen: (1) Lc 1,11. (2) Lc 6,6. (3) Lc 20,42. (4) Lc 22,50. (5) Lc 22,69. (6) Lc 23,33. In Lc: 3 vormen van dexios (rechter-, rechts) in 5 hoofdstukken en in 6 verzen.

14. - 15. ek dexiôn (rechts). Lc (4 / 4): (1) Lc 1,11. (2) Lc 20,42. (3) Lc 22,69. (4) Lc 23,33.

13. - 15. Lc 1,11: estôs ek dexiôn = staande rechts van. Een vorm van kathèmai (neerzitten) + ek dexiôn (rechts) in Lc (2 / 4): (1) Lc 20,42. (2) Lc 22,69.

Lc 20,43 - Lc 20,43 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [43] totdat Ik uw vijanden als een voetbank voor uw voeten heb gelegd.     43 tot ik uw vijanden heb gelegd als een voetbank onder uw voeten!’;  43. jusqu'à ce que j'aie fait de tes ennemis un escabeau pour tes pieds.  43 Totdat Ik Uw vijanden zal gezet hebben tot een voetbank Uwer voeten. 

King James Bible. [43] Till I make thine enemies thy footstool.
Luther-Bibel. 43 bis ich deine Feinde zum Schemel deiner Füße mache.«

Tekstuitleg van Lc 20,43.

8. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.

Lc 20,44 - Lc 20,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [44] David noemt Hem dus Heer; hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn?’     44 David noemt hem dus zelf ‘heer’, – hoe kan hij dan een zoon van hem zijn?   44. David donc l'appelle Seigneur ; comment alors est-il son fils ? »   44 David dan noemt Hem zijn Heere; en hoe is Hij zijn Zoon?  

King James Bible. [44] David therefore calleth him Lord, how is he then his son?
Luther-Bibel. 44 David nennt ihn also einen Herrn; wie ist er dann sein Sohn?

Tekstuitleg van Lc 20,44.

1. dauid (David). Taalgebruik in het N.T.: dauid (David). Taalgebruik in Mc: dauid (David).
Lc (12): (1) Lc 1,27. (2) Lc 1,32. (3) Lc 1,69. (4) Lc 2,4. (5) Lc 2,11. (6) Lc 3,31. (7) Lc 6,3. (8) Lc 18,38. (9) Lc 18,39. (10) Lc 20,41. (11) Lc 20,42. (12) Lc 20,44.

4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Lc.: voornaamwoord autos. Lc (184). Lc 20 (12): (1) Lc 20,2. (2) Lc 20,9. (3) Lc 20,10. (4) Lc 20,14. (5) Lc 20,15. (6) Lc 20,18. (7) Lc 20,19. (8) Lc 20,20. (9) Lc 20,21. (10) Lc 20,27. (11) Lc 20,40. (12) Lc 20,44.

295. Aanklacht tegen schriftgeleerden en Farizeeën: Mc 12,37b-40 // Mt 23,1-12 // Lc 20,45-47

Lc 20,45 - Lc 20,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [45] Ten aanhoren van heel het volk zei Hij tegen zijn leerlingen:     45 Ten aanhoren van heel de gemeente zegt hij tot zijn leerlingen:   45. Comme tout le peuple écoutait, il dit aux disciples:   45 En daar al het volk het hoorde, zeide Hij tot Zijn discipelen: 

King James Bible. [45] Then in the audience of all the people he said unto his disciples,
Luther-Bibel. 45 Als aber alles Volk zuhörte, sprach er zu seinen Jüngern:

Tekstuitleg van Lc 20,45.

Lc 20,46 - Lc 20,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [46] ‘Pas op voor de schriftgeleerden, die graag rondlopen in plechtige gewaden, ervan houden gegroet te worden op het marktplein en vooraan te zitten in de synagoge, en bij het feestmaal op de ereplaats;     46 weest op uw hoede voor díe schriftgeleerden die alleen maar willen rondwandelen in deftige kleren, en die ervan houden gegroet te worden op de markten, vooraan te zitten in de synagogen en vooraan te liggen bij de maaltijden,–   46. « Méfiez-vous des scribes qui se plaisent à circuler en longues robes, qui aiment les salutations sur les places publiques, et les premiers sièges dans les synagogues et les premiers divans dans les festins,   46 Wacht u van de Schriftgeleerden, die daar willen wandelen in lange klederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden;  

King James Bible. [46] Beware of the scribes, which desire to walk in long robes, and love greetings in the markets, and the highest seats in the synagogues, and the chief rooms at feasts;
Luther-Bibel. 46 Hütet euch vor den Schriftgelehrten, die es lieben, in langen Gewändern einherzugehen, und lassen sich gern grüßen auf dem Markt und sitzen gern obenan in den Synagogen und bei Tisch;

Tekstuitleg van Lc 20,46.

3. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.

8. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

13. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

18. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

20. dat. vr. mv. sunagôgais van het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge). Taalgebruik in het N.T.: sunagôgè (synagoge). Taalgebruik in Lc: sunagôgè (synagoge). Lc (3): (1) Lc 4,15. (2) Lc 11,43. (3) Lc 20,46. Een vorm van sunagogè (synagoge) in Lc in 15 verzen: (1) Lc 4,15. (2) Lc 4,16. (3) Lc 4,20. (4) Lc 4,28. (5) Lc 4,33. (6) Lc 4,38. (7) Lc 4,44. (8) Lc 6,6. (9) Lc 7,5. (10) Lc 8,41. (11) Lc 11,43. (12) Lc 12,11. (13) Lc 13,10. (14) Lc 20,46. (15) Lc 21,12.

24. en (in, met). Taalgebruik in het N.T.: en (in). Taalgebruik in Lc: en (in). Hebr. bë. Fr. en / dans. Ned. in. Lc (288). Lc 20 (7): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,2. (3) Lc 20,8. (4) Lc 20,19. (5) Lc 20,33. (6) Lc 20,42. (7) Lc 20,46.

Lc 20,47 - Lc 20,47 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem Statenvertaling
      [47] ze eten de huizen van de weduwen op en voor de schijn zeggen ze lange gebeden. Over die mensen zal een bijzonder streng vonnis worden geveld.’    47 die de huizen van de weduwen opeten en voor de schijn langdurig bidden; zij zullen een zwaarder oordeel ontvangen!   47. qui dévorent les biens des veuves, et affectent de faire de longues prières. Ils subiront, ceux-là, une condamnation plus sévère ! »   47 Die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange gebeden doen; dezen zullen zwaarder oordeel ontvangen.  

King James Bible. [47] Which devour widows' houses, and for a shew make long prayers: the same shall receive greater damnation.
Luther-Bibel. 47 sie fressen die Häuser der Witwen und verrichten zum Schein lange Gebete. Die werden ein umso härteres Urteil empfangen.

Tekstuitleg van Lc 20,47.

5. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho, hè, to (de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Lc (119). Lc 20 (6): (1) Lc 20,1. (2) Lc 20,27. (3) Lc 20,39. (4) Lc 20,43. (5) Lc 20,46. (6) Lc 20,47.


Grieks

1Καὶ ἐγένετο ἐν μιᾷ τῶν ἡμερῶν διδάσκοντος αὐτοῦ τὸν λαὸν ἐν τῷ ἱερῷ καὶ εὐαγγελιζομένου ἐπέστησαν οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς σὺν τοῖς πρεσβυτέροις, 2καὶ εἶπαν λέγοντες πρὸς αὐτόν, Εἰπὸν ἡμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιεῖς, τίς ἐστιν δούς σοι τὴν ἐξουσίαν ταύτην. 3ἀποκριθεὶς δὲ εἶπεν πρὸς αὐτούς, Ἐρωτήσω ὑμᾶς κἀγὼ λόγον, καὶ εἴπατέ μοι: 4Τὸ βάπτισμα Ἰωάννου ἐξ οὐρανοῦ ἦν ἐξ ἀνθρώπων; 5οἱ δὲ συνελογίσαντο πρὸς ἑαυτοὺς λέγοντες ὅτι Ἐὰν εἴπωμεν, Ἐξ οὐρανοῦ, ἐρεῖ, Διὰ τί οὐκ ἐπιστεύσατε αὐτῷ; 6ἐὰν δὲ εἴπωμεν, Ἐξ ἀνθρώπων, λαὸς ἅπας καταλιθάσει ἡμᾶς, πεπεισμένος γάρ ἐστιν Ἰωάννην προφήτην εἶναι. 7καὶ ἀπεκρίθησαν μὴ εἰδέναι πόθεν. 8καὶ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Οὐδὲ ἐγὼ λέγω ὑμῖν ἐν ποίᾳ ἐξουσίᾳ ταῦτα ποιῶ. 9Ἤρξατο δὲ πρὸς τὸν λαὸν λέγειν τὴν παραβολὴν ταύτην: Ἄνθρωπός [τις] ἐφύτευσεν ἀμπελῶνα, καὶ ἐξέδετο αὐτὸν γεωργοῖς, καὶ ἀπεδήμησεν χρόνους ἱκανούς. 10καὶ καιρῷ ἀπέστειλεν πρὸς τοὺς γεωργοὺς δοῦλον, ἵνα ἀπὸ τοῦ καρποῦ τοῦ ἀμπελῶνος δώσουσιν αὐτῷ: οἱ δὲ γεωργοὶ ἐξαπέστειλαν αὐτὸν δείραντες κενόν. 11καὶ προσέθετο ἕτερον πέμψαι δοῦλον: οἱ δὲ κἀκεῖνον δείραντες καὶ ἀτιμάσαντες ἐξαπέστειλαν κενόν. 12καὶ προσέθετο τρίτον πέμψαι: οἱ δὲ καὶ τοῦτον τραυματίσαντες ἐξέβαλον. 13εἶπεν δὲ κύριος τοῦ ἀμπελῶνος, Τί ποιήσω; πέμψω τὸν υἱόν μου τὸν ἀγαπητόν: ἴσως τοῦτον ἐντραπήσονται. 14ἰδόντες δὲ αὐτὸν οἱ γεωργοὶ διελογίζοντο πρὸς ἀλλήλους λέγοντες, Οὗτός ἐστιν κληρονόμος: ἀποκτείνωμεν αὐτόν, ἵνα ἡμῶν γένηται κληρονομία. 15καὶ ἐκβαλόντες αὐτὸν ἔξω τοῦ ἀμπελῶνος ἀπέκτειναν. τί οὖν ποιήσει αὐτοῖς κύριος τοῦ ἀμπελῶνος; 16ἐλεύσεται καὶ ἀπολέσει τοὺς γεωργοὺς τούτους, καὶ δώσει τὸν ἀμπελῶνα ἄλλοις. ἀκούσαντες δὲ εἶπαν, Μὴ γένοιτο. 17 δὲ ἐμβλέψας αὐτοῖς εἶπεν, Τί οὖν ἐστιν τὸ γεγραμμένον τοῦτο: Λίθον ὃν ἀπεδοκίμασαν οἱ οἰκοδομοῦντες, οὗτος ἐγενήθη εἰς κεφαλὴν γωνίας; 18πᾶς πεσὼν ἐπ' ἐκεῖνον τὸν λίθον συνθλασθήσεται: ἐφ' ὃν δ' ἂν πέσῃ, λικμήσει αὐτόν. 19Καὶ ἐζήτησαν οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ ἀρχιερεῖς ἐπιβαλεῖν ἐπ' αὐτὸν τὰς χεῖρας ἐν αὐτῇ τῇ ὥρᾳ, καὶ ἐφοβήθησαν τὸν λαόν: ἔγνωσαν γὰρ ὅτι πρὸς αὐτοὺς εἶπεν τὴν παραβολὴν ταύτην. 20Καὶ παρατηρήσαντες ἀπέστειλαν ἐγκαθέτους ὑποκρινομένους ἑαυτοὺς δικαίους εἶναι, ἵνα ἐπιλάβωνται αὐτοῦ λόγου, ὥστε παραδοῦναι αὐτὸν τῇ ἀρχῇ καὶ τῇ ἐξουσίᾳ τοῦ ἡγεμόνος. 21καὶ ἐπηρώτησαν αὐτὸν λέγοντες, Διδάσκαλε, οἴδαμεν ὅτι ὀρθῶς λέγεις καὶ διδάσκεις καὶ οὐ λαμβάνεις πρόσωπον, ἀλλ' ἐπ' ἀληθείας τὴν ὁδὸν τοῦ θεοῦ διδάσκεις: 22ἔξεστιν ἡμᾶς Καίσαρι φόρον δοῦναι οὔ; 23κατανοήσας δὲ αὐτῶν τὴν πανουργίαν εἶπεν πρὸς αὐτούς, 24Δείξατέ μοι δηνάριον: τίνος ἔχει εἰκόνα καὶ ἐπιγραφήν; οἱ δὲ εἶπαν, Καίσαρος. 25 δὲ εἶπεν πρὸς αὐτούς, Τοίνυν ἀπόδοτε τὰ Καίσαρος Καίσαρι καὶ τὰ τοῦ θεοῦ τῷ θεῷ. 26καὶ οὐκ ἴσχυσαν ἐπιλαβέσθαι αὐτοῦ ῥήματος ἐναντίον τοῦ λαοῦ, καὶ θαυμάσαντες ἐπὶ τῇ ἀποκρίσει αὐτοῦ ἐσίγησαν. 27Προσελθόντες δέ τινες τῶν Σαδδουκαίων, οἱ [ἀντι]λέγοντες ἀνάστασιν μὴ εἶναι, ἐπηρώτησαν αὐτὸν 28λέγοντες, Διδάσκαλε, Μωϋσῆς ἔγραψεν ἡμῖν, ἐάν τινος ἀδελφὸς ἀποθάνῃ ἔχων γυναῖκα, καὶ οὗτος ἄτεκνος ᾖ, ἵνα λάβῃ ἀδελφὸς αὐτοῦ τὴν γυναῖκα καὶ ἐξαναστήσῃ σπέρμα τῷ ἀδελφῷ αὐτοῦ. 29ἑπτὰ οὖν ἀδελφοὶ ἦσαν: καὶ πρῶτος λαβὼν γυναῖκα ἀπέθανεν ἄτεκνος: 30καὶ δεύτερος 31καὶ τρίτος ἔλαβεν αὐτήν, ὡσαύτως δὲ καὶ οἱ ἑπτὰ οὐ κατέλιπον τέκνα καὶ ἀπέθανον. 32ὕστερον καὶ γυνὴ ἀπέθανεν. 33 γυνὴ οὖν ἐν τῇ ἀναστάσει τίνος αὐτῶν γίνεται γυνή; οἱ γὰρ ἑπτὰ ἔσχον αὐτὴν γυναῖκα. 34καὶ εἶπεν αὐτοῖς Ἰησοῦς, Οἱ υἱοὶ τοῦ αἰῶνος τούτου γαμοῦσιν καὶ γαμίσκονται, 35οἱ δὲ καταξιωθέντες τοῦ αἰῶνος ἐκείνου τυχεῖν καὶ τῆς ἀναστάσεως τῆς ἐκ νεκρῶν οὔτε γαμοῦσιν οὔτε γαμίζονται: 36οὐδὲ γὰρ ἀποθανεῖν ἔτι δύνανται, ἰσάγγελοι γάρ εἰσιν, καὶ υἱοί εἰσιν θεοῦ, τῆς ἀναστάσεως υἱοὶ ὄντες. 37ὅτι δὲ ἐγείρονται οἱ νεκροὶ καὶ Μωϋσῆς ἐμήνυσεν ἐπὶ τῆς βάτου, ὡς λέγει κύριον τὸν θεὸν Ἀβραὰμ καὶ θεὸν Ἰσαὰκ καὶ θεὸν Ἰακώβ: 38θεὸς δὲ οὐκ ἔστιν νεκρῶν ἀλλὰ ζώντων, πάντες γὰρ αὐτῷ ζῶσιν. 39ἀποκριθέντες δέ τινες τῶν γραμματέων εἶπαν, Διδάσκαλε, καλῶς εἶπας: 40οὐκέτι γὰρ ἐτόλμων ἐπερωτᾶν αὐτὸν οὐδέν. 41Εἶπεν δὲ πρὸς αὐτούς, Πῶς λέγουσιν τὸν Χριστὸν εἶναι Δαυὶδ υἱόν; 42αὐτὸς γὰρ Δαυὶδ λέγει ἐν βίβλῳ ψαλμῶν, Εἶπεν κύριος τῷ κυρίῳ μου, Κάθου ἐκ δεξιῶν μου 43ἕως ἂν θῶ τοὺς ἐχθρούς σου ὑποπόδιον τῶν ποδῶν σου. 44Δαυὶδ οὖν κύριον αὐτὸν καλεῖ, καὶ πῶς αὐτοῦ υἱός ἐστιν; 45Ἀκούοντος δὲ παντὸς τοῦ λαοῦ εἶπεν τοῖς μαθηταῖς [αὐτοῦ], 46Προσέχετε ἀπὸ τῶν γραμματέων τῶν θελόντων περιπατεῖν ἐν στολαῖς καὶ φιλούντων ἀσπασμοὺς ἐν ταῖς ἀγοραῖς καὶ πρωτοκαθεδρίας ἐν ταῖς συναγωγαῖς καὶ πρωτοκλισίας ἐν τοῖς δείπνοις, 47οἳ κατεσθίουσιν τὰς οἰκίας τῶν χηρῶν καὶ προφάσει μακρὰ προσεύχονται: οὗτοι λήμψονται περισσότερον κρίμα.

1?a? ????et? ?? µ?? t?? ?µe??? d?d?s???t?? a?t?? t?? ?a?? ?? t? ?e?? ?a? e?a??e????µ???? ?p?st?sa? ?? ????e?e?? ?a? ?? ??aµµate?? s?? t??? p?esß?t?????, 2?a? e?pa? ?????te? p??? a?t??, ??p?? ?µ?? ?? p??? ????s?? ta?ta p??e??, ? t?? ?st?? ? d??? s?? t?? ????s?a? ta?t??. 3?p?????e?? d? e?pe? p??? a?t???, ???t?s? ?µ?? ???? ?????, ?a? e?pat? µ??: 4?? ß?pt?sµa ??????? ?? ???a??? ?? ? ?? ?????p??; 5?? d? s??e????sa?t? p??? ?a?t??? ?????te? ?t? ??? e?p?µe?, ?? ???a???, ??e?, ??? t? ??? ?p?ste?sate a?t?; 6??? d? e?p?µe?, ?? ?????p??, ? ?a?? ?pa? ?ata????se? ?µ??, pepe?sµ???? ??? ?st?? ??????? p??f?t?? e??a?. 7?a? ?pe?????sa? µ? e?d??a? p??e?. 8?a? ? ??s??? e?pe? a?t???, ??d? ??? ???? ?µ?? ?? p??? ????s?? ta?ta p???. 9???at? d? p??? t?? ?a?? ???e?? t?? pa?aß???? ta?t??: ?????p?? [t??] ?f?te?se? ?µpe???a, ?a? ???det? a?t?? ?e??????, ?a? ?ped?µ?se? ??????? ??a????. 10?a? ?a??? ?p?ste??e? p??? t??? ?e?????? d?????, ??a ?p? t?? ?a?p?? t?? ?µpe????? d?s??s?? a?t?: ?? d? ?e????? ??ap?ste??a? a?t?? de??a?te? ?e???. 11?a? p??s??et? ?te??? p?µ?a? d?????: ?? d? ???e???? de??a?te? ?a? ?t?µ?sa?te? ??ap?ste??a? ?e???. 12?a? p??s??et? t??t?? p?µ?a?: ?? d? ?a? t??t?? t?a?µat?sa?te? ???ßa???. 13e?pe? d? ? ?????? t?? ?µpe?????, ?? p???s?; p?µ?? t?? ???? µ?? t?? ??ap?t??: ?s?? t??t?? ??t?ap?s??ta?. 14?d??te? d? a?t?? ?? ?e????? d?e???????t? p??? ???????? ?????te?, ??t?? ?st?? ? ???????µ??: ?p??te???µe? a?t??, ??a ?µ?? ????ta? ? ???????µ?a. 15?a? ??ßa???te? a?t?? ??? t?? ?µpe????? ?p??te??a?. t? ??? p???se? a?t??? ? ?????? t?? ?µpe?????; 16??e?seta? ?a? ?p???se? t??? ?e?????? t??t???, ?a? d?se? t?? ?µpe???a ??????. ????sa?te? d? e?pa?, ?? ?????t?. 17? d? ?µß???a? a?t??? e?pe?, ?? ??? ?st?? t? ?e??aµµ???? t??t?: ????? ?? ?ped???µasa? ?? ????d?µ???te?, ??t?? ??e???? e?? ?efa??? ????a?; 18p?? ? pes?? ?p' ??e???? t?? ????? s????as??seta?: ?f' ?? d' ?? p?s?, ???µ?se? a?t??. 19?a? ???t?sa? ?? ??aµµate?? ?a? ?? ????e?e?? ?p?ßa?e?? ?p' a?t?? t?? ?e??a? ?? a?t? t? ???, ?a? ?f?ß???sa? t?? ?a??: ????sa? ??? ?t? p??? a?t??? e?pe? t?? pa?aß???? ta?t??. 20?a? pa?at???sa?te? ?p?ste??a? ???a??t??? ?p??????µ????? ?a?t??? d??a???? e??a?, ??a ?p???ß??ta? a?t?? ?????, ?ste pa?ad???a? a?t?? t? ???? ?a? t? ????s?? t?? ??eµ????. 21?a? ?p???t?sa? a?t?? ?????te?, ??d?s?a?e, ??daµe? ?t? ????? ???e?? ?a? d?d?s?e?? ?a? ?? ?aµß??e?? p??s?p??, ???' ?p' ????e?a? t?? ?d?? t?? ?e?? d?d?s?e??: 22??est?? ?µ?? ?a?sa?? f???? d???a? ? ??; 23?ata???sa? d? a?t?? t?? pa??????a? e?pe? p??? a?t???, 24?e??at? µ?? d???????: t???? ??e? e????a ?a? ?p???af??; ?? d? e?pa?, ?a?sa???. 25? d? e?pe? p??? a?t???, ?????? ?p?d?te t? ?a?sa??? ?a?sa?? ?a? t? t?? ?e?? t? ?e?. 26?a? ??? ?s??sa? ?p??aß?s?a? a?t?? ??µat?? ??a?t??? t?? ?a??, ?a? ?a?µ?sa?te? ?p? t? ?p????se? a?t?? ?s???sa?. 27???se????te? d? t??e? t?? Sadd???a???, ?? [??t?]?????te? ???stas?? µ? e??a?, ?p???t?sa? a?t?? 28?????te?, ??d?s?a?e, ???s?? ???a?e? ?µ??, ??? t???? ?de?f?? ?p????? ???? ???a??a, ?a? ??t?? ?te???? ?, ??a ??ß? ? ?de?f?? a?t?? t?? ???a??a ?a? ??a?ast?s? sp??µa t? ?de?f? a?t??. 29?pt? ??? ?de?f?? ?sa?: ?a? ? p??t?? ?aß?? ???a??a ?p??a?e? ?te????: 30?a? ? de?te??? 31?a? ? t??t?? ??aße? a?t??, ?sa?t?? d? ?a? ?? ?pt? ?? ?at???p?? t???a ?a? ?p??a???. 32?ste??? ?a? ? ???? ?p??a?e?. 33? ???? ??? ?? t? ??ast?se? t???? a?t?? ???eta? ????; ?? ??? ?pt? ?s??? a?t?? ???a??a. 34?a? e?pe? a?t??? ? ??s???, ?? ???? t?? a????? t??t?? ?aµ??s?? ?a? ?aµ?s???ta?, 35?? d? ?ata??????te? t?? a????? ??e???? t??e?? ?a? t?? ??ast?se?? t?? ?? ?e???? ??te ?aµ??s?? ??te ?aµ????ta?: 36??d? ??? ?p??a?e?? ?t? d??a?ta?, ?s???e??? ??? e?s??, ?a? ???? e?s?? ?e??, t?? ??ast?se?? ???? ??te?. 37?t? d? ??e????ta? ?? ?e???? ?a? ???s?? ?µ???se? ?p? t?? ß?t??, ?? ???e? ?????? t?? ?e?? ?ß?a?µ ?a? ?e?? ?sa?? ?a? ?e?? ?a??ß: 38?e?? d? ??? ?st?? ?e???? ???? ???t??, p??te? ??? a?t? ??s??. 39?p???????te? d? t??e? t?? ??aµµat??? e?pa?, ??d?s?a?e, ?a??? e?pa?: 40????t? ??? ?t??µ?? ?pe??t?? a?t?? ??d??. 41??pe? d? p??? a?t???, ??? ?????s?? t?? ???st?? e??a? ?a??d ????; 42a?t?? ??? ?a??d ???e? ?? ß?ß?? ?a?µ??, ??pe? ?????? t? ????? µ??, ????? ?? de???? µ?? 43??? ?? ?? t??? ??????? s?? ?p?p?d??? t?? p?d?? s??. 44?a??d ??? ?????? a?t?? ?a?e?, ?a? p?? a?t?? ???? ?st??; 45??????t?? d? pa?t?? t?? ?a?? e?pe? t??? µa??ta?? [a?t??], 46???s??ete ?p? t?? ??aµµat??? t?? ?e???t?? pe??pate?? ?? st??a?? ?a? f?????t?? ?spasµ??? ?? ta?? ????a?? ?a? p??t??a?ed??a? ?? ta?? s??a???a?? ?a? p??t????s?a? ?? t??? de?p????, 47?? ?ates????s?? t?? ????a? t?? ????? ?a? p??f?se? µa??? p??se????ta?: ??t?? ??µ???ta? pe??ss?te??? ???µa.