- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst NT | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible | 11. Luther-Bibel |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het tweeëntwintigste hoofdstuk van
het Lucasevangelie :
317. Complot tegen Jezus : Mc
14,1-2 - Mt
26,1-5 - Lc
22,1-2
318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc
14,3-9 - Mt
26,6-13 - Lc
7,36-50
319. Verraad van Judas : Mc
14,10-11 - Mt
26,14-16 - Lc
22,3-6
320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc
14,12-16 - Mt
26,17-19 - Lc
22,7-13
321. Aanduiding van de verrader : Mc
14,17-21 - Mt
26,20-25 - Lc
22,14
322. Instelling van de eucharistie : Mc
14,22-25 - Mt
26,26-29 - Lc
22,15-20
323. Aanduiding van de verrader : Lc
22,21-23
324. Heersen is dienen : Lc
22,24-27
325. Eschatologische functie van de Twaalf : Lc
22,28-30
326. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc
22,31-34
327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc
22,35-38
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening
: Mc
14,26-31 - Mt
26,30-35 - Lc
22,39
329. Jezus in Getsemane : Mc
14,32-42 - Mt
26,36-46 - Lc
22,40-46
330. Gevangenneming van Jezus : Mc
14,43-52 - Mt
26,47-56 - Lc
22,47-53
331. Naar de hogepriester : Mc
14,53-54 - Mt
26,57-58 - Lc
22,54-55
332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc
14,55-64 -
Mt 26,59-66 - Lc
22,66-71
333. Bespotting van Jezus : Mc
14,65 - Mt
26,67-68 - Lc
22,63-65
334. Verloochening van Petrus : Mc
14,66-72 - Mt
26,69-75 - Lc
22,56-62
HET LIJDENSVERHAAL VOLGENS LUCAS : ENKELE GEDACHTEN
1. Lucas is een man van God ; een man van geloof , vertrouwen en gebed . Lucas
belicht het wereldgebeuren vanuit God . Alles wat met Jezus gebeurde , is vervulling
van wat in de Tenach geschreven is . Vandaar zegt Lucas dat iets moet (dei)
of moest (edei) gebeuren .
2. Lucas heeft begrip voor wat mensen fout doen . Vooraleer Judas naar de hogepriesters gaat om Jezus over te leveren , en voordat Petrus Jezus driemaal verloochent, zegt Lucas dat de satan in hen vaarde . Lucas ziet hoe duivelse machten mensen kunnen overmeesteren .
3. Lucas heeft begrip voor situaties . In Jezus' doodstrijd liggen zijn leerlingen te slapen . Lucas zegt dat zij slapen uit verdriet .
4. Volgens Lucas wordt Jezus nooit overmeesterd, bemachtigd . Tegenstanders kunnen hem meenemen, hem van de ene plaats naar de andere leiden enz. Maar Jezus gaat bewust de weg .
5. Lucas vermijdt zijn tegenstanders slecht af te schilderen en ze als samenzweerders te beschouwen. In de ambtswoning van de hogepriester heeft geen ondervraging plaats . Dat gebeurt volgens de wettelijke regels overdag in het sanhedrin . Lucas zegt ook niet dat men met valse beschuldigingen Jezus probeert te veroordelen. Er is wel een getuigenis van Jezus' zelf . Maar een oordeel van schuld totterdood spreekt het sanhedrin niet uit .
6. Pilatus verklaart Jezus meerdere malen onschuldig . Na de keuze tussen Barabbas en Jezus spreekt Pilatus geen oordeel uit maar geeft hij Jezus uit handen .
7. Bij de kruisweg , de kruisiging en de kruisdood zijn mensen aanwezig die betreuren wat er gebeurt .
8. Driemaal bidt Jezus tot zijn 'Vader' . Deze gebeden zijn samengebundeld in het Onzevader.
9. De laatste woorden van Jezus getuigen van groot Godsvertrouwen . Hij geeft zijn geest terug die hij van God bij zijn conceptie en zijn doopsel had ontvangen. "Vader , in uw handen beveel ik mijn geest" .
317. Complot tegen Jezus : Lc 22,1-2 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 -
| Lc 22,1 - Lc 22,1 : 317. Complot tegen Jezus : - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] Now the feast of unleavened bread drew nigh, which is
called the Passover.
Luther-Bibel . 1 Es war aber nahe das Fest der Ungesäuerten Brote, das
Passa heißt.
Tekstuitleg van Lc 22,1 .
4. chag (feest) . Verwijzing : chag
(feest) , zie Lc
22,1 . In tweeëndertig verzen in de bijbel .
- heortè(i) (feest) . Nominatief of datief vrouwelijk enkelvoud . In
vierendertig verzen in de bijbel . In drieëntwintig verzen in het O.T.
. In elf verzen in het NT : Mt (1) . Mc (1) . Lc (2) . Joh (7) .
- heortès . Genitief vrouwelijik enkelvoud . In eenentwintig verzen in
de bijbel . In zestien verzen in het O.T. . In vijf verzen in het NT : Lc
(1) . Joh (3) . Kol (1)
- heortèn . Accusatief vrouwelijk enkelvoud . In vijfendertig verzen
in de bijbel . In zevenentwintig verzen in het O.T. . In zeven verzen in het
NT : Mt (1) . Mc (1) . Joh (6) .
- heortai . Nominatief vrouwelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel - O.T.
.
- heortôn . Genitief vrouwelijk meervoud . In twee verzen in de bijbel
- O.T. .
- heortais . Datief vrouwelijk meervoud . In zeventien verzen in de bijbel -
O.T. .
- heortas . Accusatief vrouwelijk meervoud . In vijftien verzen in de bijbel
- O.T. .
6. matstsôth (ongedesemde broden)
= azuma . Verwijzing : matstsôth
(ongedesemde broden) , zie Lc
22,1 .
- hammatstsôth (de ongedesemde broden) . In eenentwintig verzen in de
bijbel .
--- ´èth chag hammatstsôth (het feest van de ongedesemde
broden) . In vier verzen in de bijbel : (1) Ex
23,15 . (2) Ex
34,18 . (3) 2 Kron 30,13 . (4) 2 Kron 30,21 .
- azumos . Bijvoeglijk naamwoord nominatief mannelijk enkelvoud . Niet in de
bijbel .
- azuma (ongedesemde broden) . Verwijzing
: azuma
(ongedesemde broden)
, zie Lc
22,1 . Bijvoeglijk naamwoord . Nominatief vrouwelijk enkelvoud en nominatief
en accusatief onzijdig meervoud . In zesentwintig verzen in de bijbel . In vijfentwintig
verzen in het O.T. . In één vers in het NT : Mc
14,1 .
- azumon . Bijvoeglijk naamwoord nominatief onzijdig enkelvoud en accusatief
mannelijk en onzijdig enkelvoud . In twee verzen in de bijbel - O.T. .
- azumoi . Bijvoeglijk naamwoord . Nominatief mannelijk meervoud . In één
vers in de bijbel - NT .
-- azumôn (ongedesemde broden) . Genitief meervoud . In tweeëntwintig
verzen in de bijbel . In zestien verzen in het O.T. : (1) Ex
23,15 . In zes verzen in het NT : (1) Mt
26,17 . (2) Mc
14,12 . (3) Lc
22,1 . (4) Lc
22,7 . (5) Hnd
12,3 . (6) Hnd
20,6 .
- azumois . Bijvoeglijk naamwoord . Datief mannelijk en onzijdig meervoud .
In één vers in de bijbel - NT .
- azumous . Bijvoeglijk naamwoord . Accusatief mannelijk meervoud . In zes verzen
in de bijbel - O.T. .
3. - 6. hè heortè tôn azumôn (het feest van de ongedesemde broden) . Hapax in het NT .
9. pascha (Pasen) . Zelfstandig naamwoord . Eigennaam . In vijfenvijftig verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in het O.T. . In zevenentwintig verzen in het NT : Mt (4) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (9) . Hnd (1) : Hnd 12,4 . Brieven (2) .
| Lc 22,2 - Lc 22,2 : 317. Complot tegen Jezus : - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] And the chief priests and scribes sought how they might
kill him; for they feared the people.
Luther-Bibel . 2 Und die Hohenpriester und Schriftgelehrten trachteten danach,
wie sie ihn töten könnten; denn sie fürchteten sich vor dem Volk.
Tekstuitleg van Lc 22,2 .
4. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
318. Zalving van Jezus te Betanië : Lc
7,36-50 - Mc
14,3-9 - Mt
26,6-13 -- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Lc (Lucas)
-- Lc 22
- - Lc
7,36 - Lc
7,37 - Lc
7,38 - Lc
7,39 - Lc
7,40 - Lc
7,41 - Lc
7,42 - Lc
7,43 - Lc
7,44 - Lc
7,45 - Lc
7,46 - Lc
7,47 - Lc
7,48 - Lc
7,49 - Lc
7,50 -
319. Verraad van Judas : Lc 22,3-6 - Mc
14,10-11 - Mt
26,14-16 - Lc
22,3-6 -- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Lc (Lucas)
-- Lc 22
- - Lc 22,3
- Lc 22,4
- Lc 22,5
- Lc 22,6
-
| Lc 22,3 - Lc 22,3 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] Then entered Satan into Judas surnamed Iscariot, being
of the number of the twelve.
Luther-Bibel . 3 Es fuhr aber der Satan in Judas, genannt Iskariot, der zur
Zahl der Zwölf gehörte.
Tekstuitleg van Lc 22,3 .
Lc 22,3.1. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .
Lc 22,3.3. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . Lc (4) : (1) Lc 11,18 . (2) Lc 13,16 . (3) Lc 22,3 . (4) Lc 22,31 . Een vorm van satanas (satan) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 .
| Lc 22,4 - Lc 22,4 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] And he went his way, and communed with the chief priests
and captains, how he might betray him unto them.
Luther-Bibel . 4 Und er ging hin und redete mit den Hohenpriestern und mit den
Hauptleuten darüber, wie er ihn an sie verraten könnte.
Tekstuitleg van Lc 22,4 .
5. dat. mann. mv. archiereusin van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (1) Lc 22,4 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
| Lc 22,5 - Lc 22,5 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And they were glad, and covenanted to give him money.
Luther-Bibel . 5 Und sie wurden froh und versprachen, ihm Geld zu geben.
Tekstuitleg van Lc 22,5 .
| Lc 22,6 - Lc 22,6 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] And he promised, and sought opportunity to betray him
unto them in the absence of the multitude.
Luther-Bibel . 6 Und er sagte es zu und suchte eine Gelegenheit, dass er ihn
an sie verriete ohne Aufsehen.
Tekstuitleg van Lc 22,6 .
320. Voorbereiding van het paasmaal : Lc 22,7-13 -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
| Lc 22,7 - Lc 22,7 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] Then came the day of unleavened bread, when the passover
must be killed.
Luther-Bibel . 7 Es kam nun der Tag der Ungesäuerten Brote, an dem man
das Passalamm opfern musste.
Tekstuitleg van Lc 22,7 .
| Lc 22,8 - Lc 22,8 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And he sent Peter and John, saying, Go and prepare us
the passover, that we may eat.
Luther-Bibel . 8 Und er sandte Petrus und Johannes und sprach: Geht hin und
bereitet uns das Passalamm, damit wir's essen.
Tekstuitleg van Lc 22,8 .
3. acc. mann. enk. petron van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in
het NT : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (4) : (1) Lc
6,14 . (2) Lc
8,51 . (3) Lc
9,28 . (4) Lc
22,8 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
5. act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc
19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem
.
(3) Lc 22,8
. Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid
wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus
.
(5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten .
Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc
22,1 . (2) Lc
22,11 . (3) Lc
22,16 . (4) Lc
22,18 . (5) Lc
22,19 . (6) Lc
22,20 . (7) Lc
22,34 . (8) Lc
22,37 . (9) Lc
22,42 . (10) Lc
22,47 . (11) Lc
22,57 . (12) Lc
22,59 . (13) Lc
22,60 . (14) Lc
22,64 . (15) Lc
22,65 . (16) Lc
22,67 . (17) Lc
22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc
22,8 . (2) Lc
22,9 . (3) Lc
22,10 . (4) Lc
22,15 . (5) Lc
22,17 . (6) Lc
22,25 . (7) Lc
22,33 . (8) Lc
22,34 . (9) Lc
22,35 . (10) Lc
22,36 . (11) Lc
22,38 . (12) Lc
22,40 . (13) Lc
22,46 . (14) Lc
22,48 . (15) Lc
22,49 . (16) Lc
22,51 . (17) Lc
22,52 . (18) Lc
22,56 . (19) Lc
22,60 . (20) Lc
22,61 . (21) Lc
22,67 . (22) Lc
22,70 . (23) Lc
22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
6. part. aor. nom. mann. + vr. mv. poreuthentes (zich op weg begeven) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 7,22 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,52 . (5) Lc 13,32 . (6) Lc 17,14 . (7) Lc 22,8 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .
| Lc 22,9 - Lc 22,9 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] And they said unto him, Where wilt thou that we prepare?
Luther-Bibel . 9 Sie aber fragten ihn: Wo willst du, dass wir's bereiten?
Tekstuitleg van Lc 22,9 .
| Lc 22,10 - Lc 22,10 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] And he said unto them, Behold, when ye are entered
into the city, there shall a man meet you, bearing a pitcher of water; follow
him into the house where he entereth in.
Luther-Bibel . 10 Er sprach zu ihnen: Siehe, wenn ihr hineinkommt in die Stadt,
wird euch ein Mensch begegnen, der trägt einen Wasserkrug; folgt ihm in
das Haus, in das er hineingeht,
Tekstuitleg van Lc 22,10 .
1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk ho . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) .Lc 22 (26) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,22 . (4) Lc 22,23 . (5) Lc 22,25 . (6) Lc 22,26 . (7) Lc 22,27 . (8) Lc 22,29 . (9) Lc 22,31 . (10) Lc 22,33 . (11) Lc 22,34 . (12) Lc 22,36 . (13) Lc 22,38 . (14) Lc 22,44 . (15) Lc 22,47 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,54 . (18) Lc 22,55 . (19) Lc 22,57 . (20) Lc 22,58 . (21) Lc 22,60 . (22) Lc 22,61 . (23) Lc 22,64 . (24) Lc 22,67 . (25) Lc 22,69 . (26) Lc 22,70 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
10. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in
het NT : polis
(stad) . Taalgebruik in Lc : polis
(stad) .
Lc (17) : (1) Lc
1,26 . (2) Lc
1,39 . (3) Lc
2,3 . (4) Lc
2,4 . (5) Lc
2,39 . (6) Lc
4,31 . (7) Lc
7,11 . (8) Lc
8,1 . (9) Lc
8,4 . (10) Lc
8,34 . (11) Lc
8,39 . (12) Lc
9,10 . (13) Lc
10,1 . (14) Lc
10,8 . (15) Lc
10,10 . (16) Lc
19,41 . (17) Lc
22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .
9. - 10. eis polin (naar een stad) . Lc (7) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (7) Lc 7,11 . (10) Lc 8,34 . (17) Lc 22,10 .
| Lc 22,11 - Lc 22,11 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And ye shall say unto the goodman of the house, The
Master saith unto thee, Where is the guestchamber, where I shall eat the passover
with my disciples?
Luther-Bibel . 11 und sagt zu dem Hausherrn: Der Meister lässt dir sagen:
Wo ist der Raum, in dem ich das Passalamm essen kann mit meinen Jüngern?
Tekstuitleg van Lc 22,11 .
12. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .
| Lc 22,12 - Lc 22,12 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] And he shall shew you a large upper room furnished:
there make ready.
Luther-Bibel . 12 Und er wird euch einen großen Saal zeigen, der mit Polstern
versehen ist; dort bereitet es.
Tekstuitleg van Lc 22,12 .
| Lc 22,13 - Lc 22,13 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And they went, and found as he had said unto them:
and they made ready the passover.
Luther-Bibel . 13 Sie gingen hin und fanden's, wie er ihnen gesagt hatte, und
bereiteten das Passalamm.
Tekstuitleg van Lc 22,13 .
4. kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Lc : kathôs
(zoals) .
Lc (17) : (1) Lc
1,2 . (2) Lc
1,55 . (3) Lc
1,70 . (4) Lc
2,20 . (5) Lc
2,23 . (6) Lc
5,14 . (7) Lc
6,31 . (8) Lc
6,36 . (9) Lc
11,1 . (10) Lc
11,30 . (11) Lc
17,26 . (12) Lc
17,28 . (13) Lc
19,32 . (14) Lc
22,13 . (15) Lc
22,29 . (16) Lc
24,24 . (17) Lc
24,39 .
321. Aanduiding van de verrader : Lc 22,14 -- Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -
| Lc 22,14 - Lc 22,14 : 321. Aanduiding van de verrader - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] And when the hour was come, he sat down, and the twelve
apostles with him.
Luther-Bibel . 14 Und als die Stunde kam, setzte er sich nieder und die Apostel
mit ihm.
Tekstuitleg van Lc 22,14 .
322. Instelling van de eucharistie : Lc 22,15-20 -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
| Lc 22,15 - Lc 22,15 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] And he said unto them, With desire I have desired to
eat this passover with you before I suffer:
Luther-Bibel . 15 Und er sprach zu ihnen: Mich hat herzlich verlangt, dies Passalamm
mit euch zu essen, ehe ich leide.
Tekstuitleg van Lc 22,15 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc
2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . Taalgebruik in Hnd : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Hebr. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenach : ´âmar (zeggen) . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Bijbel (3024) . O.T. (2426) . NT (598) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) . Een vorm van legô (zeggen) in het NT (1318) , in de LXX (4610) .
7. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
13. - 16. pathein (lijden). Infinitief aorist . Verwijzing : paschô
(lijden) , zie Mt
16,21 . Infinitief aorist . In dertien verzen in de bijbel . In één
vers in het O.T. . In twaalf verzen in het NT . In negen verzen bij Lucas
en in Hnd : (4) Lc
9,22 ( // Mc
8,31 // Mt
16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc
17,25 . (6) Lc
22,15 (het laatste avondmaal) . (7) Lc
24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (8) Lc
24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) . In vier verzen
in Handelingen : (9) Hnd
1,3 (inleiding van Handelingen) . (10) Hnd
3,18 (toespraak van Petrus) . (11) Hnd
9,16 (Saulus in Damascus) . (12) Hnd
17,3 (Paulus in Tessalonica) .
De teksten van Lc
22,15 (het laatste avondmaal) : pro tou me pathein (voor mijn lijden) en
van Hnd
1,3 (inleiding van Handelingen) : meta to pathein auton (na zijn lijden)
omsluiten het lijden . Het lijden omvat de doorgang door de dood ; het is de
overgang : leven - dood - leven . In Lc
22,15 wordt de relatie gelegd tussen paschô (pasen) en pathein (lijden)
. Pasen of Pesach is de viering van de uittocht uit Egypte , de doortocht door
de Rietzee en het komen in de woestijn . De overgang heeft drie elementen die
over drie dagen worden gespreid .
| Lc 22,16 - Lc 22,16 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] For I say unto you, I will not any more eat thereof,
until it be fulfilled in the kingdom of God.
Luther-Bibel . 16 Denn ich sage euch, dass ich es nicht mehr essen werde, bis
es erfüllt wird im Reich Gottes.
Tekstuitleg van Lc 22,16 .
| Lc 22,17 - Lc 22,17 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] And he took the cup, and gave thanks, and said, Take
this, and divide it among yourselves:
Luther-Bibel . 17 Und er nahm den Kelch, dankte und sprach: Nehmt ihn und teilt
ihn unter euch;
Tekstuitleg van Lc 22,17 .
5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
7. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
| Lc 22,18 - Lc 22,18 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] For I say unto you, I will not drink of the fruit of
the vine, until the kingdom of God shall come.
Luther-Bibel . 18 denn ich sage euch: Ich werde von nun an nicht trinken von
dem Gewächs des Weinstocks, bis das Reich Gottes kommt.
Tekstuitleg van Lc 22,18 .
| Lc 22,19 - Lc 22,19 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] And he took bread, and gave thanks, and brake it, and
gave unto them, saying, This is my body which is given for you: this do in remembrance
of me.
Luther-Bibel . 19 Und er nahm das Brot, dankte und brach's und gab's ihnen und
sprach: Das ist mein Leib, der für euch gegeben wird; das tut zu meinem
Gedächtnis.
Tekstuitleg van Lc 22,19 . Het vers Lc 22,19 telt 24 (2³ X 3) woorden en 119 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 22,19 is 15335 (5 X 3067) .
Lc 22,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc
Lc 22,19.2. act. part. aor. nom. mann. enk. labôn van het werkw. lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Hebr. nâthan (nemen) . Taalgebruik in Tenach : nâthan (nemen) . Lat. accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) . Fr. prendre . N. nemen . D. nehmen . E. take . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . Bijbel (86) . LXX (40) . NT (46) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken . Een vorm van lambanô (nemen) in het NT (258) , in de LXX (1335) .
Lc 22,19.3. acc. mann. enk. arton van het zelfst. naamw. artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Hebr. lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenach : lèchèm (brood) . Lat. panis . Fr. pain . N. brood . D. Brot . E. bread . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Bijbel (133) . LXX (96) . NT (37) . Een vorm van artos (brood) in Lc in 16 verzen : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . Een vorm van artos (brood) , in het NT (97) , in de LXX (307) .
2. - 3. labôn (ton) arton (- het - brood genomen) . Lc (2) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 24,30 . Hnd (1) Hnd 27,35 .
Lc 22,19.9. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
Lc 22,19.10. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
11. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .
Lc 22,19.13. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Hnd : sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Hebr. bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenach : bâshâr (vlees, lichaam) . Lat. corpus . Fr. corps . N. lichaam . D. Leib . E. body . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen . In Lc : 3 vormen in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen . In Hnd : 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken .
Lc 22,19.10. - 13. touto estin to sôma mou (dit is mijn lichaam) . NT (3) :
Lc 22,19.19. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
| Lc 22,20 - Lc 22,20 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] Likewise also the cup after supper, saying, This cup
is the new testament in my blood, which is shed for you.
Luther-Bibel . 20 Desgleichen auch den Kelch nach dem Mahl und sprach: Dieser
Kelch ist der neue Bund in meinem Blut, das für euch vergossen wird!
Tekstuitleg van Lc 22,20 .
Lc 22,20.8. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
Lc 22,20.9. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
Lc 22,20.14. nom. vr. enk. diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Lc. : diathèkè (verbond) . Hebr. bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenach : bërîth (verbond) . Lat. testamentum . E. testament . Ned. testament, verbond . D. Bund . Fr. alliance . Bijbel (45) . OT (28) , NT (9) : (1) Lc 22,20 . (2) Rom 11,27 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Heb 8,9 . (5) Heb 8,10 . (6) Heb 9,15 . (7) Heb 9,16 . (8) Heb 9,17 . (9) Heb 10,16 . Een vorm van diathèkè (verbond) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Lc : 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 .
323. Aanduiding van de verrader : Lc 22,21-23 -- Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 -
| Lc 22,21 - Lc 22,21 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] But, behold, the hand of him that betrayeth me is with
me on the table.
Luther-Bibel . 21 Doch siehe, die Hand meines Verräters ist mit mir am
Tisch.
Tekstuitleg van Lc 22,21 .
| Lc 22,22 - Lc 22,22 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And truly the Son of man goeth, as it was determined:
but woe unto that man by whom he is betrayed!
Luther-Bibel . 22 Denn der Menschensohn geht zwar dahin, wie es beschlossen
ist; doch weh dem Menschen, durch den er verraten wird!
Tekstuitleg van Lc 22,22 . Het vers Lc 22,22 telt 18 (2 X 3²) woorden en 87 letters . De getalwaarde van Lc 22,22 is 11718 (2 X 3³ X 7 X 31) .
Lc 22,22.10. ind. praes. 3de pers. enk. poreuetai (hij begeeft zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In vier verzen bij Lucas : (1) Lc 7,8 . (2) Lc 11,26 . (3) Lc 15,4 . (4) Lc 22,22 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .
Lc 22,22.16. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .
18. paradidotai (hij wordt overgeleverd) . Verwijzing : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans -dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 26,2 . (2) Mt 26,24 // Mc 14,21 . (3) Mt 26,45 // Mc 14,41 . Mc (3) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 14,21 // Mt 26,24 . (3) Mc 14,41 // Mt 26,45 . Lc (1) : Lc 22,22 .
| paradidômi (overleveren) | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. pr. 3de pers. enk. paradidotai | 8 |
1 | 7 | 3 | 3 | 1 | (1) Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 . (2) Mc 14,41 // Mt 26,45 . |
| aankondiging | vervulling | Judas | vervulling | Judas | Judas | ||
| bijbelplaats | Mc 9,31 | Mc 14,41 // Mt 26,45 | Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 | Mt 26,2 | Mt 26,45 // Mc 14,41 // Lc 22,22 | Mt 26,24 // Mc 14,21 | Lc 22,22 // Mc 14,21 // Mt 26,24 |
| Jezus | hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) | idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) | ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) | kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) | kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) | ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) | plèn ouai tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou (maar wee die mens door wie |
| wordt overgeleverd | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (wordt overgeleverd) | paradidotai (hij wordt overgeleverd) | |
| tot | eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) | eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) | eis to staurothènai (om gekruisigd te worden) | eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) | |||
| 171. Tweede lijdensvoorspelling :Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - | 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - | 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - |
| Lc 22,23 - Lc 22,23 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And they began to inquire among themselves, which of
them it was that should do this thing.
Luther-Bibel . 23 Und sie fingen an, untereinander zu fragen, wer es wohl wäre
unter ihnen, der das tun würde.
Tekstuitleg van Lc 22,23 .
14. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
324. Heersen is dienen : Lc 22,24-27 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -
| Lc 22,24 - Lc 22,24 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] And there was also a strife among them, which of them
should be accounted the greatest.
Luther-Bibel . 24 Es erhob sich auch ein Streit unter ihnen, wer von ihnen als
der Größte gelten solle.
Tekstuitleg van Lc 22,24 .
| Lc 22,25 - Lc 22,25 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And he said unto them, The kings of the Gentiles exercise
lordship over them; and they that exercise authority upon them are called benefactors.
Luther-Bibel . 25 Er aber sprach zu ihnen: Die Könige herrschen über
ihre Völker, und ihre Machthaber lassen sich Wohltäter nennen.
Tekstuitleg van Lc 22,25 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
| Lc 22,26 - Lc 22,26 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] But ye shall not be so: but he that is greatest among
you, let him be as the younger; and he that is chief, as he that doth serve.
Luther-Bibel . 26 Ihr aber nicht so! Sondern der Größte unter euch
soll sein wie der Jüngste und der Vornehmste wie ein Diener.
Tekstuitleg van Lc 22,26 .
| Lc 22,27 - Lc 22,27 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] For whether is greater, he that sitteth at meat, or
he that serveth? is not he that sitteth at meat? but I am among you as he that
serveth.
Luther-Bibel . 27 Denn wer ist größer: der zu Tisch sitzt oder der
dient? Ist's nicht der, der zu Tisch sitzt? Ich aber bin unter euch wie ein
Diener.
Tekstuitleg van Lc 22,27 .
325. Eschatologische functie van de Twaalf : Lc 22,28-30 - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 -
| Lc 22,28 - Lc 22,28 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] Ye are they which have continued with me in my temptations.
Luther-Bibel . 28 Ihr aber seid's, die ihr ausgeharrt habt bei mir in meinen
Anfechtungen.
Tekstuitleg van Lc 22,28 .
| Lc 22,29 - Lc 22,29 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] And I appoint unto you a kingdom, as my Father hath
appointed unto me;
Luther-Bibel . 29 Und ich will euch das Reich zueignen, wie mir's mein Vater
zugeeignet hat,
Tekstuitleg van Lc 22,29 .
| Lc 22,30 - Lc 22,30 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] That ye may eat and drink at my table in my kingdom,
and sit on thrones judging the twelve tribes of Israel.
Luther-Bibel . 30 dass ihr essen und trinken sollt an meinem Tisch in meinem
Reich und sitzen auf Thronen und richten die zwölf Stämme Israels.
Tekstuitleg van Lc 22,30 .
22. israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl (Israël) . Lc (12) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,25 . (6) Lc 2,32 . (7) Lc 2,34 . (8)Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 7,9 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 24,21 .
326. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc 22,31-34 - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -
| Lc 22,31 - Lc 22,31 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] And the Lord said, Simon, Simon, behold, Satan hath
desired to have you, that he may sift you as wheat:
Luther-Bibel . 31 Simon, Simon, siehe, der Satan hat begehrt, euch zu sieben
wie den Weizen.
Tekstuitleg van Lc 22,31 .
1. + 2. nom. + voc. mann. enk. simôn (Simon) . Taalgebruik in het NT : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 . Lc (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 7,43 . (5) Lc 22,31 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .
5. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) . Lc (4) : (1) Lc 11,18 . (2) Lc 13,16 . (3) Lc 22,3 . (4) Lc 22,31 . Een vorm van satanas (satan) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 .
| Lc 22,32 - Lc 22,32 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] But I have prayed for thee, that thy faith fail not:
and when thou art converted, strengthen thy brethren.
Luther-Bibel . 32 Ich aber habe für dich gebeten, dass dein Glaube nicht
aufhöre. Und wenn du dereinst dich bekehrst, so stärke deine Brüder.
Tekstuitleg van Lc 22,32 .
| Lc 22,33 - Lc 22,33 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] And he said unto him, Lord, I am ready to go with thee,
both into prison, and to death.
Luther-Bibel . 33 Er aber sprach zu ihm: Herr, ich bin bereit, mit dir ins Gefängnis
und in den Tod zu gehen.
Tekstuitleg van Lc 22,33 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
16. inf. praes. poreuesthai van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .
| Lc 22,34 - Lc 22,34 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] And he said, I tell thee, Peter, the cock shall not
crow this day, before that thou shalt thrice deny that thou knowest me.
Luther-Bibel . 34 Er aber sprach: Petrus, ich sage dir: Der Hahn wird heute
nicht krähen, ehe du dreimal geleugnet hast, dass du mich kennst.
Tekstuitleg van Lc 22,34 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
6. voc. mann. enk. petre van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in
het NT : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (1) Lc
22,34 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
8. act. ind. fut. 3de pers. enk. fônèsei (hij zal roepen) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 22,34 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .
327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc 22,35-38 -- Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -
| Lc 22,35 - Lc 22,35 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] And he said unto them, When I sent you without purse,
and scrip, and shoes, lacked ye any thing? And they said, Nothing.
Luther-Bibel . 35 Und er sprach zu ihnen: Als ich euch ausgesandt habe ohne
Geldbeutel, ohne Tasche und ohne Schuhe, habt ihr da je Mangel gehabt? Sie sprachen:
Niemals.
Tekstuitleg van Lc 22,35 .
2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
| Lc 22,36 - Lc 22,36 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [36] Then said he unto them, But now, he that hath a purse,
let him take it, and likewise his scrip: and he that hath no sword, let him
sell his garment, and buy one.
Luther-Bibel . 36 Da sprach er zu ihnen: Aber nun, wer einen Geldbeutel hat,
der nehme ihn, desgleichen auch die Tasche, und wer's nicht hat, verkaufe seinen
Mantel und kaufe ein Schwert.
Tekstuitleg van Lc 22,36 .
1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
| Lc 22,37 - Lc 22,37 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [37] For I say unto you, that this that is written must
yet be accomplished in me, And he was reckoned among the transgressors: for
the things concerning me have an end.
Luther-Bibel . 37 Denn ich sage euch: Es muss das an mir vollendet werden, was
geschrieben steht (Jesaja 53,12): »Er ist zu den Übeltätern
gerechnet worden.« Denn was von mir geschrieben ist, das wird vollendet.
Tekstuitleg van Lc 22,37 . Het vers Lc 22,37 telt 24 (2³ X 3) woorden en 102 (2 X 3 X 17) letters. De getalwaarde van Lc 22,37 is 9295 (5 X 11 X 13²) .
5. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
7. pass. part. perf. nom. + acc. onz.. enk. gegrammenon van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (3) : (1) Lc 4,17 . (2) Lc 20,17 . (3) Lc 22,37 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .
Lc 22,37.8.
act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (het moet) . Taalgebruik in het NT : dei
(moet) . Taalgebruik in Lc : dei
(moet) .
Lc (12) : (1) Lc
2,49 . (2) Lc
4,43 . (3) Lc
9,22 . (4) Lc
12,12 . (5) Lc
13,14 . (6) Lc
13,33 . (7) Lc
17,25 . (8) Lc
19,5 . (9) Lc
21,9 . (10) Lc
22,37 . (11) Lc
24,7 . (12) Lc
24,44 .
9. pass. inf. aor. telesthènai (voltrokken worden) van het werkw. teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in het NT : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Lc : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Hnd : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Hebr. kâlal (volkomen maken, voltrekken) . Taalgebruik in Tenach : kâlal (volkomen maken, voltrekken) . Lc (1) Lc 22,37 . Een vorm van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,39 . (2) Lc 12,50 . (3) Lc 18,31 . (4) Lc 22,37 . In Lc : 4 vormen van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in 4 hoofdstukken in 4 verzen . In Hnd : 1 vorm van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in 1 hoofdstuk in 1 vers .
| Lc 22,38 - Lc 22,38 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [38] And they said, Lord, behold, here are two swords. And
he said unto them, It is enough.
Luther-Bibel . 38 Sie sprachen aber: Herr, siehe, hier sind zwei Schwerter.
Er aber sprach zu ihnen: Es ist genug.
Tekstuitleg van Lc 22,38 .
11. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
14. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -
| Lc 22,39 - Lc 22,39 : 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [39] And he came out, and went, as he was wont, to the mount
of Olives; and his disciples also followed him.
Luther-Bibel . 39 Und er ging nach seiner Gewohnheit hinaus an den Ölberg.
Es folgten ihm aber auch die Jünger.
Lc 22,39.3. ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè (hij / zij begaf zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (5) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 19,12 . (5) Lc 22,39 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .
Lc 22,39.12. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 22,39 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .
329. Jezus in Getsemane : Lc 22,40-46 - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
| Lc 22,40 - Lc 22,40 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [40] And when he was at the place, he said unto them, Pray
that ye enter not into temptation.
Luther-Bibel . 40 Und als er dahin kam, sprach er zu ihnen: Betet, damit ihr
nicht in Anfechtung fallt!
Tekstuitleg van Lc 22,40 .
6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
8. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. proseuchesthe (bidt) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 6,28 . (2) Lc 22,40 . (3) Lc 22,46 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
| Lc 22,41 - Lc 22,41 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [41] And he was withdrawn from them about a stone's cast,
and kneeled down, and prayed,
Luther-Bibel . 41 Und er riss sich von ihnen los, etwa einen Steinwurf weit,
und kniete nieder, betete
Tekstuitleg van Lc 22,41 .
13. ind. imperf. 3de pers. enk. prosèucheto (hij bad) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 18,11 . (2) Lc 22,41 . (3) Lc 22,44 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
| Lc 22,42 - Lc 22,42 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [42] Saying, Father, if thou be willing, remove this cup
from me: nevertheless not my will, but thine, be done.
Luther-Bibel . 42 und sprach: Vater, willst du, so nimm diesen Kelch von mir;
doch nicht mein, sondern dein Wille geschehe!
Tekstuitleg van Lc 22,42 . De tekst bestaat uit 19 woorden en 81 letters . De inleiding op het citaat bestaat uit 1 woord en 5 letters . Het citaat bestaat uit 18 woorden en 76 (4 X 19) letters .
Lc 22,42.1. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
Lc 22,42.2.
vocatief mann. enk. pater (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader)
. Taalgebruik in het NT : patèr
(vader) . Taalgebruik in Lc : patèr
(vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader .
E. father . D. Vater . Lc (11) : (1) Lc
10,21 . (2) Lc
11,2 . (3) Lc
15,12 . (4) Lc
15,18 . (5) Lc
15,21 . (6) Lc
16,24 (pater Abraam) . (7) Lc
16,27 . (8) Lc
16,30 (pater Abraam) . (9) Lc
22,42 . (10) Lc
23,34 . (11) Lc
23,46 . In vijf verzen richt Jezus zich tot God als 'Vader' : (1) Lc
10,21 . (2) Lc
11,2 . (9) Lc
22,42 . (10) Lc
23,34 . (11) Lc
23,46 . De eerste maal gebruikt Jezus het woord 'vader' in een dankgebed
(Lc 10,21)
, de laatste maal op het kruis (Lc
23,46) .
(1) Lc
10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc 11,2
(het Onzevader) .
(3) Lc
22,42 (Jezus in Getsemane) .
(4) Lc
23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(5) Lc
23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd
worden , zoon van God (Lc
1,35) . Bij de doop (Lc
3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde
, in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc
9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene
. Luistert naar hem (Lc
9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie .
Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine
geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis
het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God"
(Lc 22,70)
.
In de aanroeping 'Vader' ligt de kern van het hele evangelie . Deze aanroeping
geeft de relatie tussen Jezus en zijn Vader weer . Deze relatie wordt niet in
filosofische termen weergegeven . Deze relatie is een mystieke beleving en wordt
in 'mystieke' termen weergegeven .
Slechts vijfmaal roept Jezus zijn 'Vader' aan . Het is telkens een gebed . De
bundeling van die verschillende gebeden gebeurt in het Onzevader .
6. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
14. thelèma (wil) . Verwijzing : thelèma (wil) zie Mt 6,10 .
18. ginesthô (worde, gebeure) . Imperatief praesens derde persoon enkelvoud
. In tien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In zeven verzen
in het NT : (1) Lc
22,26 . (2) Lc
22,42 . (3) Hnd
21,14 .
- genèthètô (het gebeure) . Imperartief aorist derde persoon
enkelvoud . In eenendertig verzen in de bijbel . In vierentwintig verzen in
het O.T. . In zeven verzen in het NT : (1) Mt
6,10 . (2) Mt
8,13 . (3) Mt
9,29 . (4) Mt
15,28 . (5) Mt
26,42 . (6) -
| Lc 22,43 - Lc 22,43 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [43] And there appeared an angel unto him from heaven, strengthening
him.
Luther-Bibel . 43 Es erschien ihm aber ein Engel vom Himmel und stärkte
ihn.
Tekstuitleg van Lc 22,43 . Het vers Lc 22,43 telt 8 (2³) woorden en 40 (2³ X 5) letters . De getalwaarde van Lc 22,43 is 7257 (3 X 41 X 59) .
Lc 22,43.1. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè (hij liet zich zien , hij verscheen) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 22,43 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen .
Lc 22,43.4.
nom. mann. enk. aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´ak .
Lc (10) : (1) Lc
1,11 . (2) Lc
1,13 . (3) Lc
1,19 . (4) Lc
1,26 . (5) Lc
1,30 . (6) Lc
1,35 . (7) Lc
1,38 . (8) Lc
2,9 . (9) Lc
2,10 . (10) Lc
22,43 . Een vorm van aggelos (engel) in Lc in 25 verzen , in Lc 22 in 1
vers : Lc
22,43 . In veertien verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In twee verzen
in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog tien verzen
, waarvan zes verzen in de gen. mv. .
Lc 22,43.1.
- 6. ôfthè de autôi aggelos ('maar' een engel verscheen hem)
.
(1) Lc
1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = 'maar' een engel
van de Heer verscheen hem .
(2) Lc
22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = 'maar' een
engel uit de hemel verscheen hem .
| Lc 22,44 - Lc 22,44 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [44] And being in an agony he prayed more earnestly: and
his sweat was as it were great drops of blood falling down to the ground.
Luther-Bibel . 44 Und er rang mit dem Tode und betete heftiger. Und sein Schweiß
wurde wie Blutstropfen, die auf die Erde fielen.
Tekstuitleg van Lc 22,44 .
6. ind. imperf. 3de pers. enk. prosèucheto (hij bad) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 18,11 . (2) Lc 22,41 . (3) Lc 22,44 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
| Lc 22,45 - Lc 22,45 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [45] And when he rose up from prayer, and was come to his
disciples, he found them sleeping for sorrow,
Luther-Bibel . 45 Und er stand auf von dem Gebet und kam zu seinen Jüngern
und fand sie schlafend vor Traurigkeit
Tekstuitleg van Lc 22,45 .
| Lc 22,46 - Lc 22,46 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [46] And said unto them, Why sleep ye? rise and pray, lest
ye enter into temptation.
Luther-Bibel . 46 und sprach zu ihnen: Was schlaft ihr? Steht auf und betet,
damit ihr nicht in Anfechtung fallt!
Tekstuitleg van Lc 22,46 .
2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
6. part. aor. nom. mann. mv. anastantes (opgestaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (2) : (1) Lc 4,29 . (2) Lc 22,46 . (3) Lc 24,33 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc in 29 verzen , in Lc 4 (2) : (1) Lc 22,45 . (2) Lc 22,46 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
7. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. proseuchesthe (bidt) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 6,28 . (2) Lc 22,40 . (3) Lc 22,46 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .
330. Gevangenneming van Jezus : Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
| Lc 22,47 - Lc 22,47 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [47] And while he yet spake, behold a multitude, and he
that was called Judas, one of the twelve, went before them, and drew near unto
Jesus to kiss him.
Luther-Bibel . 47 Als er aber noch redete, siehe, da kam eine Schar; und einer
von den Zwölfen, der mit dem Namen Judas, ging vor ihnen her und nahte
sich zu Jesus, um ihn zu küssen.
Tekstuitleg van Lc 22,47 . Het vers Lc 22,47 telt 21 (3 X 7) woorden en 102 (2 X 3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 22,47 is 14080 (2³ X 2³ X 2² X 11) .
Lc 22,47.13.
ind. imperf. 3de pers. enk. proèrcheto (hij ging voor) van het werkw.
proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in het NT : proerchomai
(vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in Lc : proerchomai
(vooraf gaan, voorgaan) . Lc (1) Lc
22,47 . Een vorm van proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) in Lc in 2 verzen
: (1) Lc
1,17 . (2) Lc
22,47 .
Lc 22,47
. Tegenover Jezus , die zijn slapende leerlingen wakker maakte en hen vraagt
opdat zij niet op de beproeving zouden ingaan , kwam Judas (met een menigte
achter zich) . proèrcheto (hij ging voorop , hij ging op kop) . Het is
een hapax vorm in de bijbel . In Hnd
1,16 wordt hij hodègos (hodos = weg , en agô = voeren , leiden
; vandaar : weg-leider , aanvoerder) . Judas kende de weg , want hij had die
weg zovele malen met Jezus en met zijn collega's afgelegd 's avonds en 's morgens
. Hij ging op kop om Jezus te kussen en hem over te leveren . Vanaf dat moment
is Judas' rol uitgespeeld . Zijn rol bestond juist in het overleveren van Jezus
.
| Lc 22,48 - Lc 22,48 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [48] But Jesus said unto him, Judas, betrayest thou the
Son of man with a kiss?
Luther-Bibel . 48 Jesus aber sprach zu ihm: Judas, verrätst du den Menschensohn
mit einem Kuss?
Tekstuitleg van Lc 22,48 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
5. iouda (Juda) . Taalgebruik in het NT : iouda (Juda) . Taalgebruik in Lc : iouda (Juda) . Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 3,30 . (3) Lc 3,33 . (4) Lc 22,48 .
| Lc 22,49 - Lc 22,49 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [49] When they which were about him saw what would follow,
they said unto him, Lord, shall we smite with the sword?
Luther-Bibel . 49 Als aber, die um ihn waren, sahen, was geschehen würde,
sprachen sie: Herr, sollen wir mit dem Schwert dreinschlagen?
Tekstuitleg van Lc 22,49 .
| Lc 22,50 - Lc 22,50 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [50] And one of them smote the servant of the high priest,
and cut off his right ear.
Luther-Bibel . 50 Und einer von ihnen schlug nach dem Knecht des Hohenpriesters
und hieb ihm sein rechtes Ohr ab.
Tekstuitleg van Lc 22,50 .
8. gen. mann. enk. archiereôs van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
| Lc 22,51 - Lc 22,51 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [51] And Jesus answered and said, Suffer ye thus far. And
he touched his ear, and healed him.
Luther-Bibel . 51 Da sprach Jesus: Lasst ab! Nicht weiter! Und er rührte
sein Ohr an und heilte ihn.
Tekstuitleg van Lc 22,51 .
5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
1. - 5. apokritheis de ho ièsous eipen (geantwoord echter zei Jezus) in Lc (3) : (1) Lc 9,41 . (2) Lc 17,17 . (3) Lc 22,51 .
| Lc 22,52 - Lc 22,52 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [52] Then Jesus said unto the chief priests, and captains
of the temple, and the elders, which were come to him, Be ye come out, as against
a thief, with swords and staves?
Luther-Bibel . 52 Jesus aber sprach zu den Hohenpriestern und Hauptleuten des
Tempels und den Ältesten, die zu ihm hergekommen waren: Ihr seid wie gegen
einen Räuber mit Schwertern und mit Stangen ausgezogen.
Tekstuitleg van Lc 22,52 .
1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .
9. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
13. gen. onz. enk. hierou van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (4) : (1) Lc 2,37 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 21,5 . (4) Lc 22,52 . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
| Lc 22,53 - Lc 22,53 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [53] When I was daily with you in the temple, ye stretched
forth no hands against me: but this is your hour, and the power of darkness.
Luther-Bibel . 53 Ich bin täglich bei euch im Tempel gewesen und ihr habt
nicht Hand an mich gelegt. Aber dies ist eure Stunde und die Macht der Finsternis.
Tekstuitleg van Lc 22,53 .
9. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .
7. - 9. en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het NT : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .
15. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .
14. - 15. ep'eme (op mij, tegen mij) . Lc (3) : (1) Lc 4,18 . (2) Lc 22,53 . (3) Lc 23,28 .
18. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .
331. Naar de hogepriester : Lc 22,54-55 - verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 -
| Lc 22,54 - Lc 22,54 : 331. Naar de hogepriester : verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [54] Then took they him, and led him, and brought him into
the high priest's house. And Peter followed afar off.
Luther-Bibel . 54 Sie ergriffen ihn aber und führten ihn ab und brachten
ihn in das Haus des Hohenpriesters. Petrus aber folgte von ferne.
Tekstuitleg van Lc 22,54 . Het vers Lc 22,54 telt 17 woorden en 90 (2 X 3² X 5) letters . De getalwaarde van Lc 22,54 is 8652 (2² X 3 X 7 X 103) .
Lc 22,54.1. act. part. aor. nom. mann. mv. sullabontes (meegenomen) van het werkw. sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Lc (1) Lc 22,54 . Een vorm van sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 2,21 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,9 . (7) Lc 22,54 . In het verhaal van Lucas wordt Jezus meegenomen (sullabontes) . In Hnd 1,16 spreekt Petrus over Judas die aanvoerder werd voor hen die Jezus hebben meegenomen (sullabousin : act. participium aorist dat. mannelijk meervoud) . Deze vorm slechts in één vers in de bijbel , nl. Hnd 1,16 . Jezus wordt naar het huis van de hogepriester geleid . Het 'huis' lijkt een privé-residentie van de hogepriester te zijn . Hier wordt Jezus gedurende de nacht in hechtenis gehouden . Hier spelen de mannen die hem hebben meegenomen een spelletje met hem ; ze bespotten en slaan hem . Hier komt het sanhedrin niet bijeen . Hier heeft geen rechtszitting plaats . Lc 22,54 en Lc 22,63 - Lc 22,64 omsluiten het verhaal van de verloochening van Jezus door Petrus .
Lc 22,54.4.
Jezus wordt (weg) geleid naar de hogepriester , naar Pilatus , naar de executieplaats
. Matteüs en Marcus gebruiken de term wegleiden en wegvoeren . Lucas doet
dat niet . Die termen zouden de indruk kunnen geven dat Jezus een crimineel
is die wordt weggeleid of weggevoerd (afgevoerd) .
apègagon (zij leidden weg) . Verwijzing : agô
(leiden, voeren) . Ind. aor. 3de pers. enk. van het werkw. agô
(leiden , voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren
, ac-tie voeren , handelen . In twaalf verzen in de bijbel
. In vijf verzen in het O.T. . In zeven verzen in het NT : Mt (3) . Mc (2)
. Lc (2) . Concreet : (1) Mt
26,57 // Mc
14,53 // (Lc
22,54) . (2) Mt
27,2 . (3) Mt
27,31 // Lc
23,26 . (4) Mc
14,53 // Mt
26,57 // (Lc
22,54) . (5) Mc
15,16 . (6) Lc
22,66 . (7) Lc
23,26 .
Lc 22,54.7. - 9. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .
11. gen. mann. enk. archiereôs van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
Lc 22,54.14. nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) . Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .
Lc 22,54.15. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (4) : (1) Lc 5,28 . (2) Lc 18,43 . (3) Lc 22,54 . (4) Lc 23,27 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .
| Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) | Mc 14,53 | (Lc 22,54) | Lc 22,66 |
| Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) | Kai (en) | Sullabontes de (Meegenomen echter) | |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| apègagon (leidden zij weg) | apègagon (leidden zij weg) | ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) | apègagon (zij leidden weg) |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin) . |
ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden , voeren) . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het NT : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .
| Lc 22,55 - Lc 22,55 : 331. Naar de hogepriester : verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [55] And when they had kindled a fire in the midst of the
hall, and were set down together, Peter sat down among them.
Luther-Bibel . 55 Da zündeten sie ein Feuer an mitten im Hof und setzten
sich zusammen; und Petrus setzte sich mitten unter sie.
Tekstuitleg van Lc 22,55 .
12. nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus)
. Taalgebruik in het NT : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Bij Lucas staat het verhaal van de verloochening van Jezus door Petrus tussen de bespotting (Lc 22,54 en Lc 22,63 - Lc 22,64) van Jezus door de mannen die hem vasthouden . Het vindt plaats tijdens de nacht in de privé-residentie van de hogepriester . Er heeft nog geen bijeenkomst van het sanhedrin plaats en er is nog geen rechtszitting . Het verhaal van de verloochening vindt plaats terwijl de soldaten zich met Jezus amuseren . Bij Marcus en Matteüs vindt de verloochening plaats nadat Jezus de dood schuldig is verklaard .
| Lc 22,56 - Lc 22,56 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [56] But a certain maid beheld him as he sat by the fire,
and earnestly looked upon him, and said, This man was also with him.
Luther-Bibel . 56 Da sah ihn eine Magd am Feuer sitzen und sah ihn genau an
und sprach: Dieser war auch mit ihm.
Tekstuitleg van Lc 22,56 .
13. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6)