LUCASEVANGELIE, TWEEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK , LC 22 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

Overzicht van het Lucasevangelie : - Lc 1 - Lc 2 - Lc 3 - Lc 4 - Lc 5 - Lc 6 - Lc 7 - Lc 8 - Lc 9 - Lc 10 - Lc 11 - Lc 12 - Lc 13 - Lc 14 - Lc 15 - Lc 16 - Lc 17 - Lc 18 - Lc 19 - Lc 20 - Lc 21 - Lc 22 - Lc 23 - Lc 24 -
Bijbeluitleg per pericope
: - Lc 22,1-2 - Lc 22,3-6 - Lc 22,7-13 - Lc 22,14 - Lc 22,15-20 - Lc 22,21-23 - Lc 22,24-27 - Lc 22,28-30 - Lc 22,31-34 - Lc 22,35-38 - Lc 22,39 - Lc 22,40-46 - Lc 22,47-53 - Lc 22,54-55 - Lc 22,56-62 - Lc 22,63-65 - Lc 22,66-71 -
Bijbeluitleg vers per vers : - Lc 22,1 - Lc 22,2 - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 - Lc 22,14 - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 - Lc 22,39 - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 - Lc 22,54 - Lc 22,55 - Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 - Lc 22,63 - Lc 22,64 - Lc 22,65 - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- azuma (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .
- chag (feest) , zie Lc 22,1 .
- derô (slaan) , zie Lc 22,63 .
- empaizô (zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc 22,63 .
- matstsôth (ongedesemde broden) , zie Lc 22,1 .
- paiô (slaan, treffen) , zie Lc 22,64 .
- sunechô (bijeenhouden, vasthouden) , zie Lc 22,63 .
Bibliografie :
Literatuur
Liturgisch gebruik

Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht -- taalgebruik -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het tweeëntwintigste hoofdstuk van het Lucasevangelie :
317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2
318. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50
319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6
320. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13
321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14
322. Instelling van de eucharistie : Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20
323. Aanduiding van de verrader : Lc 22,21-23
324. Heersen is dienen : Lc 22,24-27
325. Eschatologische functie van de Twaalf : Lc 22,28-30
326. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc 22,31-34
327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc 22,35-38
328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39
329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46
330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53
331. Naar de hogepriester : Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55
332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71
333. Bespotting van Jezus : Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65
334. Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62


HET LIJDENSVERHAAL VOLGENS LUCAS : ENKELE GEDACHTEN
1. Lucas is een man van God ; een man van geloof , vertrouwen en gebed . Lucas belicht het wereldgebeuren vanuit God . Alles wat met Jezus gebeurde , is vervulling van wat in de Tenach geschreven is . Vandaar zegt Lucas dat iets moet (dei) of moest (edei) gebeuren .

2. Lucas heeft begrip voor wat mensen fout doen . Vooraleer Judas naar de hogepriesters gaat om Jezus over te leveren , en voordat Petrus Jezus driemaal verloochent, zegt Lucas dat de satan in hen vaarde . Lucas ziet hoe duivelse machten mensen kunnen overmeesteren .

3. Lucas heeft begrip voor situaties . In Jezus' doodstrijd liggen zijn leerlingen te slapen . Lucas zegt dat zij slapen uit verdriet .

4. Volgens Lucas wordt Jezus nooit overmeesterd, bemachtigd . Tegenstanders kunnen hem meenemen, hem van de ene plaats naar de andere leiden enz. Maar Jezus gaat bewust de weg .

5. Lucas vermijdt zijn tegenstanders slecht af te schilderen en ze als samenzweerders te beschouwen. In de ambtswoning van de hogepriester heeft geen ondervraging plaats . Dat gebeurt volgens de wettelijke regels overdag in het sanhedrin . Lucas zegt ook niet dat men met valse beschuldigingen Jezus probeert te veroordelen. Er is wel een getuigenis van Jezus' zelf . Maar een oordeel van schuld totterdood spreekt het sanhedrin niet uit .

6. Pilatus verklaart Jezus meerdere malen onschuldig . Na de keuze tussen Barabbas en Jezus spreekt Pilatus geen oordeel uit maar geeft hij Jezus uit handen .

7. Bij de kruisweg , de kruisiging en de kruisdood zijn mensen aanwezig die betreuren wat er gebeurt .

8. Driemaal bidt Jezus tot zijn 'Vader' . Deze gebeden zijn samengebundeld in het Onzevader.

9. De laatste woorden van Jezus getuigen van groot Godsvertrouwen . Hij geeft zijn geest terug die hij van God bij zijn conceptie en zijn doopsel had ontvangen. "Vader , in uw handen beveel ik mijn geest" .


317. Complot tegen Jezus : Lc 22,1-2 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 -

Lc 22,1 - Lc 22,1 : 317. Complot tegen Jezus : - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:1 èggizen de hè heortè tôn azumôn hè legomenè Pascha   1 adpropinquabat autem dies festus azymorum qui dicitur pascha   Nu naderde het feest van de ongedesemde broden, het zogenaamde Pascha.   1 En het feest der ongehevelde broden, genaamd pascha, was nabij. [1] Nu naderde het feest* van de ongedesemde broden, het zogeheten paasfeest.  [1] Het feest van het Ongedesemde brood, dat Pesach genoemd wordt, was bijna aangebroken.   1 ¶ Genaderd is het feest van de ongezuurde broden, dat Pasen heet , 1. La fête des Azymes, appelée la Pâque, approchait. 

King James Bible . [1] Now the feast of unleavened bread drew nigh, which is called the Passover.
Luther-Bibel . 1 Es war aber nahe das Fest der Ungesäuerten Brote, das Passa heißt.

Tekstuitleg van Lc 22,1 .

4.

6.

3. - 6. hè heortè tôn azumôn (het feest van de ongedesemde broden) . Hapax in het NT .

9. pascha (Pasen) . Zelfstandig naamwoord . Eigennaam . In vijfenvijftig verzen in de bijbel . In achtentwintig verzen in het O.T. . In zevenentwintig verzen in het NT : Mt (4) . Mc (4) . Lc (7) . Joh (9) . Hnd (1) : Hnd 12,4 . Brieven (2) .

Lc 22,2 - Lc 22,2 : 317. Complot tegen Jezus : - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 -- Lc 22,1 - Lc 22,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:2 kai ezètoun oi archiereis kai oi grammateis to pôs anelôsin auton efobounto gar ton laon   2 et quaerebant principes sacerdotum et scribae quomodo eum interficerent timebant vero plebem  En de hogepriesters en de schriftgeleerden zochten hoe ze hem uit de weg zouden ruimen .   2 En de overpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij Hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.   [2] De hogepriesters en de schriftgeleerden bleven zoeken naar een mogelijkheid om Hem uit de weg te ruimen, want ze waren bang voor het volk.  [2] De hogepriesters en de schriftgeleerden zochten naar een mogelijkheid om hem uit de weg te ruimen, maar dan heimelijk, bang als ze waren voor de reactie van het volk.   2 en gezocht hebben de overpriesters en de schriftgeleerden hoe ze hem uit de weg kunnen ruimen; want zij zijn bevreesd geworden voor de gemeenschap.   2. Et les grands prêtres et les scribes cherchaient comment le tuer, car ils avaient peur du peuple.  

King James Bible . [2] And the chief priests and scribes sought how they might kill him; for they feared the people.
Luther-Bibel . 2 Und die Hohenpriester und Schriftgelehrten trachteten danach, wie sie ihn töten könnten; denn sie fürchteten sich vor dem Volk.

Tekstuitleg van Lc 22,2 .

4. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .


319. Verraad van Judas : Lc 22,3-6 - Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 -

Lc 22,3 - Lc 22,3 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:3 eisèlthen de satanas eis Ioudan ton kaloumenon Iskariôthn onta ek tou arithmou tôn dôdeka   3 intravit autem Satanas in Iudam qui cognominatur Scarioth unum de duodecim  3 Nu ging Satan binnen in Judas, de genoemde Iskariotes, die was uit het getal van dc twaalf.  3 En de satan voer in Judas, die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalven.  [3] Toen nam de satan zijn intrek bij Judas, ook Iskariot geheten, die behoorde tot de kring van de twaalf  [3] Toen nam Satan bezit van Judas, bijgenaamd Iskariot, een van de twaalf.   3 Dan komt de satan binnen bij Judas die Isjkariot genoemd wordt; hij is er één uit het getal van de twaalf.  3. Or Satan entra dans Judas, appelé Iscariote, qui était du nombre des Douze.  

King James Bible . [3] Then entered Satan into Judas surnamed Iscariot, being of the number of the twelve.
Luther-Bibel . 3 Es fuhr aber der Satan in Judas, genannt Iskariot, der zur Zahl der Zwölf gehörte.

Tekstuitleg van Lc 22,3 .

Lc 22,3.1. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lc (12) : In twaalf verzen bij Lc : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 .

Lc 22,3.3. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . Lc (4) : (1) Lc 11,18 . (2) Lc 13,16 . (3) Lc 22,3 . (4) Lc 22,31 . Een vorm van satanas (satan) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 .

Lc 22,4 - Lc 22,4 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:4 kai apelthôn sunelalèsen tois archiereusin kai stratègois to pôs autois paradôi auton   4 et abiit et locutus est cum principibus sacerdotum et magistratibus quemadmodum illum traderet eis  4 En hij ging heen (en) besprak met de hogepriesters en de bevelhebbers (van de tempelwacht) hoe hij hem hun zou overleveren.   4 En hij ging heen en sprak met de overpriesters en de hoofdmannen, hoe hij Hem hun zou overleveren.   . [4] Hij ging naar de hogepriesters en de tempelwacht* en overlegde met hen hoe hij Hem aan hen zou kunnen overleveren.  [4] Hij ging naar de hogepriesters en tempelwachters en besprak met hen hoe hij Jezus aan hen zou kunnen uitleveren.   4 Hij gaat heen en bespreekt met de overpriesters en tempelhoofden hoe hij hem aan hen zal overgeven.   4. Il s'en alla conférer avec les grands prêtres et les chefs des gardes sur le moyen de le leur livrer.  

King James Bible . [4] And he went his way, and communed with the chief priests and captains, how he might betray him unto them.
Luther-Bibel . 4 Und er ging hin und redete mit den Hohenpriestern und mit den Hauptleuten darüber, wie er ihn an sie verraten könnte.

Tekstuitleg van Lc 22,4 .

5. dat. mann. mv. archiereusin van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (1) Lc 22,4 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 22,5 - Lc 22,5 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:5 kai echarèsan kai sunethento autôi argurion dounai 5 et gavisi sunt et pacti sunt pecuniam illi dare  5 En ze verheugden zich en kwamen overeen om hem geld te geven.  5 En zij waren verblijd, en zijn het eens geworden, dat zij hem geld geven zouden.  [5] Ze waren daar zeer mee ingenomen en spraken af hem geld te geven.  [5] Ze waren opgetogen en spraken af dat ze hem voor zijn diensten zouden betalen.  5 Zij zijn verheugd en komen overeen om hem geld te geven.  5. Ils se réjouirent et convinrent de lui donner de l'argent. 

King James Bible . [5] And they were glad, and covenanted to give him money.
Luther-Bibel . 5 Und sie wurden froh und versprachen, ihm Geld zu geben.

Tekstuitleg van Lc 22,5 .

Lc 22,6 - Lc 22,6 : 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,3 - Lc 22,4 - Lc 22,5 - Lc 22,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:6 kai exômologèsen kai ezètei eukairian tou paradounai auton ater ochlou autois   6 et spopondit et quaerebat oportunitatem ut traderet illum sine turbis   6 En hij stemde in, en hij zocht een goed ogenblik om hem hun over te leveren, buiten de volksmenigte om. 6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid, om Hem hun over te leveren, zonder oproer.  [6] Hij ging akkoord, en zocht naar een goede gelegenheid om Hem aan hen over te leveren zonder dat de mensen het merkten.  [6] Judas nam hun aanbod aan en zocht een gunstige gelegenheid om Jezus aan hen uit te leveren, zonder dat het volk het zou merken.  6 Hij stemt toe en is een goede gelegenheid gaan zoeken om hem ver van de schare aan hen over te geven.   6. Il acquiesça, et il cherchait une occasion favorable pour le leur livrer à l'insu de la foule. 

King James Bible . [6] And he promised, and sought opportunity to betray him unto them in the absence of the multitude.
Luther-Bibel . 6 Und er sagte es zu und suchte eine Gelegenheit, dass er ihn an sie verriete ohne Aufsehen.

Tekstuitleg van Lc 22,6 .


<320. Voorbereiding van het paasmaal : Lc 22,7-13 -- Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -

Lc 22,7 - Lc 22,7 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:7 èlthen de è èmera tôn azumôn | | [en] | è edei thuesthai to pascha  7 venit autem dies azymorum in qua necesse erat occidi pascha     7 En de dag der ongehevelde broden kwam, op denwelken het pascha moest geslacht worden.  [7] Toen brak de dag van de ongedesemde broden aan, de dag waarop het paaslam geslacht moest worden.   [7] De dag van het Ongedesemde brood waarop het pesachlam geslacht moest worden, brak aan.   7 ¶ Dan komt de dag van de ongezuurde broden, waarop het paaslam moest worden geslacht.  7. Vint le jour des Azymes, où devait être immolée la pâque, 

King James Bible . [7] Then came the day of unleavened bread, when the passover must be killed.
Luther-Bibel . 7 Es kam nun der Tag der Ungesäuerten Brote, an dem man das Passalamm opfern musste.

Tekstuitleg van Lc 22,7 .

Lc 22,8 - Lc 22,8 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:8 kai apesteilen petron kai iôannèn eipôn poreuthentes etoimasate èmin to pascha ina fagômen   8 et misit Petrum et Iohannem dicens euntes parate nobis pascha ut manducemus    8 En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, en bereidt ons het pascha, opdat wij het eten mogen.  [8] Jezus stuurde Petrus* en Johannes eropuit met de opdracht: ‘Ga ons paasmaal voorbereiden.’  [8] Jezus stuurde Petrus en Johannes op pad met de woorden: ‘Ga voor ons het pesachmaal bereiden, zodat we het kunnen eten.’   8 Hij zendt Petrus en Johannes uit, zeggend: trekt vooruit en maakt voor ons het paasmaal gereed, zodat we dat kunnen eten.  8. et il envoya Pierre et Jean en disant : « Allez nous préparer la pâque, que nous la mangions. »

King James Bible . [8] And he sent Peter and John, saying, Go and prepare us the passover, that we may eat.
Luther-Bibel . 8 Und er sandte Petrus und Johannes und sprach: Geht hin und bereitet uns das Passalamm, damit wir's essen.

Tekstuitleg van Lc 22,8 .

3. acc. mann. enk. petron van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (4) : (1) Lc 6,14 . (2) Lc 8,51 . (3) Lc 9,28 . (4) Lc 22,8 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

5. act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc 9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc 19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem .
(3) Lc 22,8 . Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc 23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus .
(5) Lc 24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn handen en zijn voeten .
Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

6. part. aor. nom. mann. + vr. mv. poreuthentes (zich op weg begeven) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 7,22 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,52 . (5) Lc 13,32 . (6) Lc 17,14 . (7) Lc 22,8 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .

13. act. conjunct. aor. 1ste pers. mv. φαγωμεν = fagômen (wij zouden eten) . Zie het werkw. φαγω = fagô (eten) en het werkw. esθιω = esthiô (eten) . Taalgebruik in de Bijbel : esthiô (eten) . Bijbel (7) : (1) Nu 11,13 . (2) 2 K 6,29 . (3) Js 22,13 . (4) Mt 6,31 . (5) Lc 22,8 . (6) 1 Kor 8,8 . (7) 1 Kor 15,32 . Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12) . Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie esθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15) . Mt 6 (2) : (1) Mt 6,25 . (2) Mt 6,31 .

Lc 22,9 - Lc 22,9 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:9 oi de eipan autô pou theleis etoimasômen  9 at illi dixerunt ubi vis paremus   9 En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het bereiden?  [9] ‘Waar wilt U dat we het voorbereiden?’ vroegen ze Hem.   [9] Ze vroegen hem: ‘Waar wilt u dat we het bereiden?’   9 Maar zij zeggen tot hem: wáár wilt u dat wij het gereedmaken?   9. Ils lui dirent : « Où veux-tu que nous préparions ? » 

King James Bible . [9] And they said unto him, Where wilt thou that we prepare?
Luther-Bibel . 9 Sie aber fragten ihn: Wo willst du, dass wir's bereiten?

Tekstuitleg van Lc 22,9 .

Lc 22,10 - Lc 22,10 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:10 o de eipen autois idou eiselthontôn umôn eis tèn polin sunantèsei umin anthrôpos keramion udatos bastazôn akolouthèsate autô eis tèn oikian eis èn eisporeuetai   10 et dixit ad eos ecce introeuntibus vobis in civitatem occurret vobis homo amphoram aquae portans sequimini eum in domum in qua intrat   10 En Hij zeide tot hen: Ziet, als gij in de stad zult gekomen zijn, zo zal u een mens ontmoeten, dragende een kruik waters; volgt hem in het huis, daar hij ingaat.   [10] Hij zei hun: ‘Meteen als je de stad inkomt, treffen jullie iemand die een kruik water draagt; volg hem naar het huis waar hij binnengaat,  [10] Hij antwoordde: ‘Let op, wanneer jullie de stad in gegaan zijn, zal jullie een man tegemoet komen die een kruik water draagt. Volg hem naar het huis waar hij binnengaat,   10 Hij zegt tot hen: zie, als ge de stad binnenkomt zal een mens u tegemoetkomen die een grote kruik water torst; volgt hem, het huis in waar hij naar binnen gaat,–  10. Il leur dit : « Voici qu'en entrant dans la ville, vous rencontrerez un homme portant une cruche d'eau. Suivez-le dans la maison où il pénétrera,  

King James Bible . [10] And he said unto them, Behold, when ye are entered into the city, there shall a man meet you, bearing a pitcher of water; follow him into the house where he entereth in.
Luther-Bibel . 10 Er sprach zu ihnen: Siehe, wenn ihr hineinkommt in die Stadt, wird euch ein Mensch begegnen, der trägt einen Wasserkrug; folgt ihm in das Haus, in das er hineingeht,

Tekstuitleg van Lc 22,10 . Het vers Lc 22,10 telt 23 woorden en 131 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Lc 22,10 is 16007 (priemgetal) .

Lc 22,10.1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk ho . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (331) .Lc 22 (26) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,22 . (4) Lc 22,23 . (5) Lc 22,25 . (6) Lc 22,26 . (7) Lc 22,27 . (8) Lc 22,29 . (9) Lc 22,31 . (10) Lc 22,33 . (11) Lc 22,34 . (12) Lc 22,36 . (13) Lc 22,38 . (14) Lc 22,44 . (15) Lc 22,47 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,54 . (18) Lc 22,55 . (19) Lc 22,57 . (20) Lc 22,58 . (21) Lc 22,60 . (22) Lc 22,61 . (23) Lc 22,64 . (24) Lc 22,67 . (25) Lc 22,69 . (26) Lc 22,70 .

Lc 22,10.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,10.6. part. aor. gen. mann. mv. = eiselthontôn (binnengekomen) van het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Bijbel (5) :

Lc 22,10.10. acc. vr. enk. polin van het zelfst. naamw. polis (stad) . Taalgebruik in het NT : polis (stad) . Taalgebruik in Lc : polis (stad) .
Lc (17) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (3) Lc 2,3 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,4 . (10) Lc 8,34 . (11) Lc 8,39 . (12) Lc 9,10 . (13) Lc 10,1 . (14) Lc 10,8 . (15) Lc 10,10 . (16) Lc 19,41 . (17) Lc 22,10 . Een vorm van polis (stad) in Lc in 38 verzen .

Lc 22,10.9. - 10. eis polin (naar een stad) . Lc (7) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 1,39 . (4) Lc 2,4 . (5) Lc 2,39 . (7) Lc 7,11 . (10) Lc 8,34 . (17) Lc 22,10 .

Lc 22,10.13. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Lc (24) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 . (8) Lc 9,25 . (9) Lc 10,30 . (10) Lc 13,19 . (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 . (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 . (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 . (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 . Een vorm van ανθρωπος = anthrôpos (mens) in de LXX (1430) , in het NT (548) .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 
  Totaal   1760 1233 527 108 53 94 57  45  145  25  255  312

    Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1 nom. mann. enk. anthrôpos 24   (1) Lc 2,25 .   (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 .   (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 .   (8) Lc 9,25 (9) Lc 10,30 .     (10) Lc 13,19 .   (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 .       (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 .     (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 .     (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 .      

Lc 22,10.17. act. imperat. aor. 2de pers. mv. ακολουθησατε = akolouthèsate  (volgt) van het werkw. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in de LXX : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) , in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 . In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn .

Lc 22,10.23. act. ind. praes. 3de pers. enk. eisporeuetai (hij gaat op weg naar) van het werkw.  

  eisporeuomai (zich op weg begeven)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. praes. 3de pers. enk. eisporeuetai  11               


Lc 22,11 - Lc 22,11 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:11 kai ereite tô oikodespotè tès oikias legei soi o didaskalos pou estin to kataluma opou to pascha meta tôn mathètôn mou fagô 11 et dicetis patri familias domus dicit tibi magister ubi est diversorium ubi pascha cum discipulis meis manducem    11 En gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar Ik het pascha met Mijn discipelen eten zal?  [11] en zeg tegen de heer des huizes: “De meester laat u vragen: Waar is de kamer waar Ik met mijn leerlingen het paasmaal kan houden?”  [11] en zeg tegen de heer van dat huis: “De Meester vraagt u: ‘Waar is het gastenvertrek waar ik met mijn leerlingen het pesachmaal kan eten?’”  11 en zegt dan tot de huisheer van het huis: de leermeester zegt tot u: waar is de herbergzaal waar ik met mijn leerlingen het paasmaal kan eten?–  11. et vous direz au propriétaire de la maison : «Le Maître te fait dire : Où est la salle où je pourrai manger la pâque avec mes disciples ?»  

King James Bible . [11] And ye shall say unto the goodman of the house, The Master saith unto thee, Where is the guestchamber, where I shall eat the passover with my disciples?
Luther-Bibel . 11 und sagt zu dem Hausherrn: Der Meister lässt dir sagen: Wo ist der Raum, in dem ich das Passalamm essen kann mit meinen Jüngern?

Tekstuitleg van Lc 22,11 .

12. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .

20. gen. mann. mv. μαθητων == mathètôn (van leerlingen) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès . Mc (8) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 . (6) Mc 13,1 . (7) Mc 14,13 . (8) Mc 14,14 . Lc (7) : (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 . 3) Lc 9,40 . (4) Lc 11,1 . (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 22,11 . Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . In Lc 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
6 gen. mv. mathètôn 45   45 3 8 7 18 9     18  36 
  Totaal   256   256 71 43 37 77 28     151  228 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  
  mathètès (leerling) Lc  Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 22
1 nom. enk. mathètès 4   (1) Lc 6,40 .             (2) Lc 14,26 - (3) Lc 14,27 . (3) Lc 14,33 .            
2 nom. mv. mathètai 10 (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 .             (9) Lc 18,15 .     (10) Lc 22,39 .
3 gen. mann. mv. mathètôn 7   (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 .      (3) Lc 9,40   (4) Lc 11,1 .           (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 .   (7) Lc 22,11 .    
4 dat. mv. mathètais 3         (1) Lc 9,16 .               (2) Lc 19,39 .   (3) Lc 20,45 .  
5 acc. mv. mathètas 13 (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .     (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .   (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .       (13) Lc 22,45 .
  Totaal   37

19. - 20. των μαθητων == tôn mathètôn (van de leerlingen) . NT (45) . Lc (6/7) : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 9,40 . (3) Lc 11,1 . (4) Lc 19,29 . (5) Lc 19,37 . (6) Lc 22,11 .

18. - 20. μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . NT (8) : (1) Mt 26,18 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 14,14 . (5) Lc 22,11 . (6) Joh 6,3 . (7) Joh 11,54 . (8) Joh 18,2 .

20. - 21. μαθητων μου = mathètôn mou (van mijn leerlingen) . NT (3) : (1) Mt 26,18 . (2) Mc 14,14 . (3) Lc 22,11 . Telkens in de formulering μετα των μαθητων μου = meta tôn mathètôn mou (met mijn leerlingen) . Het zijn parallelteksten .

Lc 22,12 - Lc 22,12 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:12 kakeinos umin deixei anagaion mega estrômenon ekei etoimasate   12 et ipse vobis ostendet cenaculum magnum stratum et ibi parate    12 En hij zal u een grote toegeruste opperzaal wijzen, bereidt het aldaar.  [12] Hij wijst je dan een ruime bovenzaal, die al is ingericht; maak het daar klaar.’  [12] Hij zal jullie een grote bovenzaal wijzen die al is ingericht; maak het daar klaar.’  12 en hij zal u een grote bovenzaal wijzen die net ingericht is; maakt het dáár gereed!  12. Et celui-ci vous montrera, à l'étage, une grande pièce garnie de coussins ; faites-y les préparatifs. »  

King James Bible . [12] And he shall shew you a large upper room furnished: there make ready.
Luther-Bibel . 12 Und er wird euch einen großen Saal zeigen, der mit Polstern versehen ist; dort bereitet es.

Tekstuitleg van Lc 22,12 . Het vers Lc 22,12 telt 8 (2³) en 63 (3² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 22,12 is 4590 ( 2 X 3³ X 5 X 17) .

5. nom. + acc. onz. enk. mega van het bijvoegl. naamw. μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in de LXX : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3.   nom. + acc. onz. enk. mega  110  92  18       

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14. 15. 16.
  megas    Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 19 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1.  nom. mann. enk. megas  (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,32   (3) Lc 4,25 .     (4) Lc 7,16 .      (5) Lc 9,48 .                
2.  nom. + dat. vr. enk. megalè(i)  (1) Lc 1,42 .     (2) Lc 4,33 .         (3) Lc 8,28 .         (4) Lc 19,37 . (5) Lc 21,23 .   (6) Lc 23,46 .      
3.  nom. + acc. onz. enk. mega          (1) Lc 6,49 .         (2) Lc 14,16 .   (3) Lc 16,26 .         (4) Lc 22,12 .      
4.  gen. vr. enk. megalès                       (1) Lc 17,15 .           (2) Lc 24,52 .  
5.  dat. mann. + onz. enk. megalô(i)       (1) Lc 4,38 .         (2) Lc 8,37 .                    
6.  acc. mann. enk. megan     (1) Lc 2,9                            
7.  acc. vr. enk. megalèn     (1) Lc 2,10 .     (2) Lc 5,29 .                          
8.  nom. + acc. onz. mv. megala   (1) Lc 1,49 .                       (2) Lc 21,11 .        
9. dat. vr. mv. megalais 1                             (1) Lc 23,23 .  
    25 

8. Een vorm van ἑτοιμαζω = hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 2,31 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 9,52 . (6) Lc 12,20 . (7) Lc 12,47 . (8) Lc 17,8 . (9) Lc 22,8 . (10) Lc 22,9 . (11) Lc 22,12 . (12) Lc 22,13 . (13) Lc 23,56 . (14) Lc 24,1 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en in 14 verzen .

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  8. 
  hetoimazô    Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 9 Lc 12 Lc 17 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1.  act. imperat. aor. 2de pers. enk. hetoimason             (1) Lc 17,8 .        
2.  act. imperat. aor. 2de pers. mv. hetoisate      (1) Lc 3,4 .         (2) Lc 22,8 . (3) Lc 22,12 .      
3. 

act.conj. aor. 1ste pers. mv. hetoimasômen  

            (1) Lc 22,9 .      
4.  act. ind. aor. 3de pers. mv. ètoimasan               (1) Lc 22,9 .   (2) Lc 23,56 .   (3) Lc 24,1 .  
5.  act. inf. aor. hetoimasai   (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 .     (3) Lc 9,52 .             
6.  act. ind. aor. 2de pers. enk. hètoimasas    (1) Lc 2,31 .       (2) Lc 12,20 .          
7.  act. part. aor. nom. mann. enk. hetoimasas          (1) Lc 12,47 .          
    14 

Lc 22,13 - Lc 22,13 : 320. Voorbereiding van het paasmaal - Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,7 - Lc 22,8 - Lc 22,9 - Lc 22,10 - Lc 22,11 - Lc 22,12 - Lc 22,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:13 apelthontes de euron kathôs eirèkei autois kai ètoimasan to pascha  13 euntes autem invenerunt sicut dixit illis et paraverunt pascha     13 En zij, heengaande, vonden het, gelijk Hij hun gezegd had, en bereidden het pascha.  [13] Ze vertrokken, en troffen het zo aan als Hij hun gezegd had, en ze maakten het paasmaal klaar.
 
[13] Ze gingen op weg, en alles gebeurde zoals hij gezegd had, en ze bereidden het pesachmaal.  13 Zij gaan heen, vinden alles zoals hij hun heeft gezegd en maken het paasmaal gereed.  13. S'en étant donc allés, ils trouvèrent comme il leur avait dit, et ils préparèrent la pâque.  

King James Bible . [13] And they went, and found as he had said unto them: and they made ready the passover.
Luther-Bibel . 13 Sie gingen hin und fanden's, wie er ihnen gesagt hatte, und bereiteten das Passalamm.

Tekstuitleg van Lc 22,13 .

4. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Lc (17) : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 .

kathôs (zoals)

bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  405 326 179 3 8 17 31 11 109 - 28  59 

 

Mt Mc Lc syn. ev.
kathôs (zoals) bij syn.  3 : (1) Mt 21,6 . (2) Mt 26,24 . (3) Mt 28,6 . 8 : (1) Mc 1,2 (gegraptai) . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 9,13 (gegraptai) . (4) Mc 11,6 (eipen) . (5) Mc 14,16 (eipen) . (6) Mc 14,21 (gegraptai) . (7) Mc 15,8 . (8) Mc 16,7 (eipen) . 17 : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 . 28 : (1) Mt 26,24 // Mc 14,21 . 59 

- Hebreeuws . כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalwaarde van ´äsjèr (die) : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5 . (2) Ex 15,8 . Arabisch . كَما = zoals (kamâ) . Taalgebruik in de Qoran : zoals (kamâ) . Lat. sicut . Fr. selon . E. as . D. wie .


321. Aanduiding van de verrader : Lc 22,14 -- Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -

Lc 22,14 - Lc 22,14 : 321. Aanduiding van de verrader - Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:14 kai ote egeneto è ôra anepesen kai oi apostoloi sun autô 14 et cum facta esset hora discubuit et duodecim apostoli cum eo    14 En als de ure gekomen was, zat Hij aan, en de twaalf apostelen met Hem.  [14] Toen het uur gekomen was, ging Hij met de apostelen aan tafel. [14] Toen het zover was, ging hij samen met de apostelen aanliggen voor de maaltijd.   14 Wanneer het uur aanbreekt, gaat hij aanliggen, en de apostelen met hem. 14. Lorsque l'heure fut venue, il se mit à table, et les apôtres avec lui.  

King James Bible . [14] And when the hour was come, he sat down, and the twelve apostles with him.
Luther-Bibel . 14 Und als die Stunde kam, setzte er sich nieder und die Apostel mit ihm.

Tekstuitleg van Lc 22,14 .



322. Instelling van de eucharistie : Lc 22,15-20 -- Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -

Lc 22,15 - Lc 22,15 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:15 kai eipen pros autous epithumia epethumèsa touto to pascha fagein meth umôn pro tou me pathein 15 et ait illis desiderio desideravi hoc pascha manducare vobiscum antequam patiar    15 En Hij zeide tot hen: Ik heb grotelijks begeerd, dit pascha met u te eten, eer dat Ik lijde;   [15] Hij zei tegen hen: ‘Vurig heb Ik ernaar verlangd om dit paasmaal met jullie te eten vóór mijn lijden.   [15] Hij zei tegen hen: ‘Ik heb er hevig naar verlangd dit pesachmaal met jullie te eten voor de tijd van mijn lijden aanbreekt.   15 Hij zegt tot hen: vol verlangen heb ik ernaar verlangd vóór mijn paaslijden dit paasmaal met u te eten;   15. Et il leur dit : « J'ai ardemment désiré manger cette pâque avec vous avant de souffrir ;  

King James Bible . [15] And he said unto them, With desire I have desired to eat this passover with you before I suffer:
Luther-Bibel . 15 Und er sprach zu ihnen: Mich hat herzlich verlangt, dies Passalamm mit euch zu essen, ehe ich leide.

Tekstuitleg van Lc 22,15 . Het vers Lc 22,15 telt 16 (2² X 2²) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Lc 22,15 is 8790 (2 X 3 X 5 X 293) . Het vers Lc 22,15 is eigen aan Lc .

Lc 22,15.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Lc : kai (en) .

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . Taalgebruik in de bijbel : de (echter) .

de (echter)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk
149 + 2 (d') 6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7

de (echter)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
de (478) 17  11  13  18  15  23  37  36  21  22  26  13  16  15  11  26  16  22  14  35  34  20 
d' (5)                                        
483 17  11  13  18  15  23  37  37  23  22  26  13  16  15  12  26  16  23  14  35  34  20 
1151 verzen  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  80  52  38  44  39  49  50  56  62  42  54  59  35  35  32  31  37  43  48  47  38  71  56  53 

Lc 22,15.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . Taalgebruik in Hnd : legô (zeggen) . Bijbel (3024) . OT (2426) . NT (598) . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van ειπον = eipon (ik zei) in Lc 22 (23) : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in het NT (1318) , in de LXX (4610) .
- Hebr. ´âmar (zeggen) . Taalgebruik in Tenach : ´âmar (zeggen) . E. to say . Fr. dire . D. sprechen (spreken) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .

Lc 22,15.1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

Lc 22,15.3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

Lc 22,15.1. - 3. και ειπεν προς = kai eipen pros (en hij zei tot) . NT (15) : (1) Lc 2,34 . (2) Lc 2,49 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 4,23 . (5) Lc 5,10 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,3 . (8) Lc 9,50 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 19,5 . (11) Lc 19,13 . (12) Lc 22,15 . (13) Hnd 7,3 . (14) Hnd 9,10 . (15) Hnd 22,21 .
- ειπεν δε προς = eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 .

Lc 22,15.4. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,45 . (3) Lc 22,47 . (4) Lc 22,70 .

  autoi bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
8. acc. mann. mv. autous  1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 

Lc 22,15.3. - 4. προς αυτους = pros autous (tot hen) . NT (77) . Vooral in Lc en Hnd . Lc 22 (2) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,70 .

Lc 22,15.1. - 4. και ειπεν προς αυτους = kai eipen pros autous (en hij zei tot hen) . NT (= Lc) (8) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 4,23 . (4) Lc 8,22 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 11,5 . (7) Lc 19,13 . (8) Lc 22,15 .
- ειπεν δε προς αυτους = eipen de pros autous (hij zei echter tot hen) . NT (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Hnd 1,7 .
- και ειπεν αυτοις = kai eipen autois (en hij zei hen) . NT (30) . Slechts in de evangelies . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 .
- ειπεν δε αυτοις = eipen de autois (hij zei echter aan hen) . NT (7) : (1) Lc 8,25 . (2) Lc 9,20 . (3) Lc 10,18 . (4) Lc 11,2 . (5) Lc 22,67 . (6) Lc 24,44 . (7) Joh 6,35 .

------------------------------------------------

Lc 22,15.7. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

13. - 16. pathein (lijden). Infinitief aorist . Verwijzing : paschô (lijden) , zie Mt 16,21 . Infinitief aorist . In dertien verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In twaalf verzen in het NT . In negen verzen bij Lucas en in Hnd : (4) Lc 9,22 ( // Mc 8,31 // Mt 16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (5) Lc 17,25 . (6) Lc 22,15 (het laatste avondmaal) . (7) Lc 24,26 (verschijning van Jezus aan de Emmaüsgangers) . (8) Lc 24,46 (verschijning van Jezus aan de elf en hun metgezellen) . In vier verzen in Handelingen : (9) Hnd 1,3 (inleiding van Handelingen) . (10) Hnd 3,18 (toespraak van Petrus) . (11) Hnd 9,16 (Saulus in Damascus) . (12) Hnd 17,3 (Paulus in Tessalonica) .
De teksten van Lc 22,15 (het laatste avondmaal) : pro tou me pathein (voor mijn lijden) en van Hnd 1,3 (inleiding van Handelingen) : meta to pathein auton (na zijn lijden) omsluiten het lijden . Het lijden omvat de doorgang door de dood ; het is de overgang : leven - dood - leven . In Lc 22,15 wordt de relatie gelegd tussen paschô (pasen) en pathein (lijden) . Pasen of Pesach is de viering van de uittocht uit Egypte , de doortocht door de Rietzee en het komen in de woestijn . De overgang heeft drie elementen die over drie dagen worden gespreid .

Lc 22,16 - Lc 22,16 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:16 legô gar umin oti ou mè fagô auto eôs otou plèrôthè en tè basileia tou theou  16 dico enim vobis quia ex hoc non manducabo illud donec impleatur in regno Dei    16 Want Ik zeg u, dat Ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.  [16] Want Ik zeg jullie dat Ik het niet meer zal eten tot de vervulling ervan in het koninkrijk van God.’  [16] Want ik zeg jullie: ik zal geen pesachmaal meer eten voordat het zijn vervulling heeft gevonden in het koninkrijk van God.’   16 want ik zeg u dat ik het niet meer zal eten totdat het vervuld wordt in het koninkrijk van God!  16. car je vous le dis, jamais plus je ne la mangerai jusqu'à ce qu'elle s'accomplisse dans le Royaume de Dieu. »  

King James Bible . [16] For I say unto you, I will not any more eat thereof, until it be fulfilled in the kingdom of God.
Luther-Bibel . 16 Denn ich sage euch, dass ich es nicht mehr essen werde, bis es erfüllt wird im Reich Gottes.

Tekstuitleg van Lc 22,16 .

Lc 22,17 - Lc 22,17 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:17 kai dexamenos potèrion eucharistèsas eipen labete touto kai diamerisate eis eautous  17 et accepto calice gratias egit et dixit accipite et dividite inter vos     17 En als Hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide Hij: Neemt dezen, en deelt hem onder ulieden.   [17] Hij nam een beker, sprak het dankgebed en zei: ‘Neem deze beker en laat hem rondgaan;   [17] Hij nam een beker, sprak het dankgebed uit en zei: ‘Neem deze beker en geef hem aan elkaar door.  17 Hij neemt een drinkbeker aan spreekt een dankgebed en zegt: neemt deze en deelt hem met elkaar;   17. Puis, ayant reçu une coupe, il rendit grâces et dit : « Prenez ceci, et partagez entre vous ; 

King James Bible . [17] And he took the cup, and gave thanks, and said, Take this, and divide it among yourselves:
Luther-Bibel . 17 Und er nahm den Kelch, dankte und sprach: Nehmt ihn und teilt ihn unter euch;

Tekstuitleg van Lc 22,17 . Het vers Lc 22,17 bestaat uit 10 (2 X 5) woorden en 68 (2² X 17) letters . De getalwaarde van Lc 22,17 is 6455 (2 X 1291) .

Lc 22,17.3. ποτηριον = potèrion (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Taalgebruik in de LXX : potèrion (beker) . NT (21) . Ev. (14) . Mt (5) : (1) Mt 10,32 . (2) Mt 20,22 . (3) Mt 20,23 . (4) Mt 26,27 . (5) Mt 26,39 . Mc (5) : (1) Mc 9,41 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 14,23 . (5) Mc 14,36 . Lc (3) : (1) Lc 22,17 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . Joh (1) : Joh 18,11 . 1 Kor (5) : (1) 1 Kor 10,16 . (2) 1 Kor 10,21 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Kor 11,26 . (5) 1 Kor 11,27 . Apk (2) : (1) Apk 16,19 . (2) Apk 17,4 . Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33) , in het NT (31) .

  potèrion (beker)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  potèrion 41  20  21    13  14     

4. act. part. aor. nom. mann. enk. ευχαριστησας = eucharistèsas (gedankt) van het werkw. ευχαριστεω = eucharisteô (danken) . Taalgebruik in het NT : eucharisteô (danken) . ch - r . L. gratia . Fr. grace . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . ευχαριστεω = eucharisteô : welgevallen , goede bevalligheid brengen . Bijbel (9) : (1) Mt 15,36 . (2) Mt 26,27 . (3) Mc 8,6 . (4) Mc 14,23 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,19 . (7) Joh 6,11 . (8) Hnd 28,15 . (9) 1 Kor 11,24 . Een vorm van ευχαριστεω = eucharisteô in de LXX (6) , in het NT (38) , in Lc (4) : (1) Lc 17,16 . (2) Lc 18,11 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,19 .

eucharisteô (danken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
part. aor. nom. m. + vr. enk. eucharistèsas 9   9 2 2 2 1 1 1   6 7

Lc 22,17.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,17.7. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

Lc 22,18 - Lc 22,18 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:18 legô gar umin | | [oti] | ou mè piô apo tou nun apo tou genèmatos tès ampelou eôs ou è basileia tou theou elthè  18 dico enim vobis quod non bibam de generatione vitis donec regnum Dei veniat    18 Want Ik zeg u, dat Ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.  [18] want Ik zeg jullie dat Ik van nu af aan niet meer zal drinken van de vrucht van de wijnstok totdat het koninkrijk van God gekomen is.’  [18] Want ik zeg jullie: vanaf nu zal ik niet meer drinken van de vrucht van de wijnstok tot het koninkrijk van God gekomen is.’  18 want ik zeg u, ik zal van nu af niet drinken van het gewas van de wijnstok totdat het koninkrijk van God komt!   18. car, je vous le dis, je ne boirai plus désormais du produit de la vigne jusqu'à ce que le Royaume de Dieu soit venu. »  

King James Bible . [18] For I say unto you, I will not drink of the fruit of the vine, until the kingdom of God shall come.
Luther-Bibel . 18 denn ich sage euch: Ich werde von nun an nicht trinken von dem Gewächs des Weinstocks, bis das Reich Gottes kommt.

Tekstuitleg van Lc 22,18 .

Lc 22,19 - Lc 22,19 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenv-ertaling Willibrord-vertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:19 kai labôn arton eucharistèsas eklasen kai edôken autois legôn touto estin to sôma mou | [[to | to | uper umôn didomenon touto poieite eis tèn emèn anamnèsin  19 et accepto pane gratias egit et fregit et dedit eis dicens hoc est corpus meum quod pro vobis datur hoc facite in meam commemorationem     19 En Hij nam brood, en als Hij gedankt had, brak Hij het, en gaf het hun, zeggende: Dat is Mijn lichaam, hetwelk voor u gegeven wordt; doet dat tot Mijn gedachtenis.   [19] Hij nam een brood, sprak het dankgebed, brak het brood in stukken en gaf het hun, en zei: ‘Dit is mijn lichaam; het* wordt voor jullie gegeven. Blijf dit doen om Mij te gedenken.’  [19] En hij nam een brood, sprak het dankgebed uit, brak het brood, deelde het uit en zei: ‘Dit is mijn lichaam dat voor jullie gegeven wordt. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’  19 Hij neemt een brood op, spreekt een dankgebed, breekt het en geeft het aan hen, zeggend: dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis!   19. Puis, prenant du pain, il rendit grâces, le rompit et le leur donna, en disant : « Ceci est mon corps, donné pour vous ; faites cela en mémoire de moi. » 

King James Bible . [19] And he took bread, and gave thanks, and brake it, and gave unto them, saying, This is my body which is given for you: this do in remembrance of me.
Luther-Bibel . 19 Und er nahm das Brot, dankte und brach's und gab's ihnen und sprach: Das ist mein Leib, der für euch gegeben wird; das tut zu meinem Gedächtnis.

Tekstuitleg van Lc 22,19 // Mc 14,22 // Mt 26,26 . Het vers Lc 22,19 telt 24 (2³ X 3) woorden en 119 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 22,19 is 15335 (5 X 3067) . De verzen Lc 22,19 - Lc 22,20 horen bij elkaar en zijn parallel opgebouwd . Bij de verbondssluiting in Ex 24,8 worden eerst de handelingen vermeld en dan de woorden . Dat is evenzo het geval in Lc 22,19 en Lc 22,20 . Wellicht is de zin van het ritueel van het bloed (Lc 22,20) het eerst geformuleerd , overeenkomstig Ex 24,8 .
- Mc 14:22 kai esthiontôn autôn labôn arton eulogèsas eklasen kai edôken autois kai eipen labete touto estin to sôma mou
- Mt 26:26 esthiontôn de autôn labôn o ièsous arton kai eulogèsas eklasen kai dous tois mathètais eipen labete fagete touto estin to sôma mou
- Lc 22:19 kai labôn arton eucharistèsas eklasen kai edôken autois legôn touto estin to sôma mou | [[to | to | uper umôn didomenon touto poieite eis tèn emèn

Lc 22,19.1. και = kai (nevensch voegw : en) . D.: und . E. : and . Fr.: et . Lat.: et . Hebr. : וְ = wë (en) Arabisch: اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Lc (822) .

Lc 22,19.2. wkw act. part. aor. nom. mann. enk. λαβων = labôn van het werkw. λα-μ-β-αν-ω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Bijbel (86) . LXX (46) . NT (40) . Pentateuch (27) . Ex (9) . Ex 24 (3) : Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 . Synoptici (23) . Mt (11) : (1) Mt 13,31 . (2) Mt 14,19 . (3) Mt 17,27 . (4) Mt 25,16 . (5) Mt 25,18 . (6) Mt 25,20 . (7) Mt 26,26 . (8) Mt 26,27 . (9) Mt 27,24 . (10) Mt 27,48 . (11) Mt 27,59 . Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,22 . (5) Mc 14,23 . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . Joh (4) : (1) Joh 3,33 . (2) Joh 13,4 . (3) Joh 13,30 . (4) Joh 18,3 . Een vorm van λαμβανω = lambanô (nemen) in het NT (258) , in de LXX (1335) . In Lc : X vormen van lambanô (nemen) in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van lambanô (nemen) in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken .
- λαβων δε = labôn de (genomen hebbende echter) . LXX (6) : (1) Gn 31,45 . (2) Gn 48,13 . (3) Ex 24,6 . (4) Ex 24,8 . (5) 2 Mak 4,25 . (6) Job 42,17 . NT (1) : Lc 9,16 .
- και λαβων = kai labôn (en genomen hebbende) . LXX (15) . NT (15) . Synoptici (11) . Mt (5) : (1) Mt 14,19 . (2) Mt 15,36 .(3) Mt 26,27 . (4) Mt 27,48 . (5) Mt 27,59 . Mc (4) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,23 . Lc (2) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 24,43 . Joh (1) : Joh 13,4 .
- Hebreeuws . וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Ex (15) : (1) Ex 2,1 . (2) Ex 4,20 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 6,23 . (5) Ex 13,19. (6) Ex 14,7 . (7) Ex 18,2 . (8) Ex 18,12 . (9) Ex 24,6 . (10) Ex 24,7 . (11) Ex 24,8 . (12) Ex 32,4 . (13) Ex 32,20 . (14) Ex 34,4 . (15) Ex 40,20 . Ex 24 (3) . Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) .
- Ned. : nemen . Arabisch : أخذ = akhadha . Zie : http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html . D. : nehmen . E. : take . Fr. : prendre . Grieks : λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Hebreeuws : לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Lat. : accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) .

Lc 22,19.3. acc. mann. enk. αρτον = arton van het zelfst. naamw. αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Taalgebruik in de Septuaginta : artos (brood) . Taalgebruik in Lc : artos (brood) . Taalgebruik in Hnd : artos (brood) . Bijbel (133) . LXX (96) . NT (37) . Synoptici (18) . Mt (5) : (1) Mt 6,11 . (2) Mt 7,9 . (3) Mt 15,2 . (4) Mt 15,26 . (5) Mt 26,26 . Mc (6) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,8 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,27 . (5) Mc 8,14 . (6) Mc 14,22 . Lc (7) : (1) Lc 7,33 . (2) Lc 9,3 . (3) Lc 11,3 . (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 24,30 . Een vorm van αρτος = artos (brood) in het NT (97) , in de LXX (307) , in Lc (16) : (1) Lc 4,3 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 6,4 . (4) Lc 7,33 . (5) Lc 9,3 . (6) Lc 9,13 . (7) Lc 9,16 . (8) Lc 11,3 . (9) Lc 11,5 . (10) Lc 11,11 . (11) Lc 14,1 . (12) Lc 14,15 . (13) Lc 15,17 . (14) Lc 22,19 . (15) Lc 24,30 . (16) Lc 24,35 . In Lc : 7 vormen van αρτος = artos (brood) in 16 verzen in 9 / 24 hoofdstukken . 10 X een vorm in het enk. , 5X een vorm in het mv. In Hnd : 2 vormen van αρτος = artos (brood) in 5 verzen in 3 / 28 hoofdstukken . In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn .

artos (brood) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
acc. mann. enk. arton 133 96 37 5 6 7 8 4 7   18 26
Totaal 414 307 97 21 21 15 24 5 11   57 81

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.
  artos    Lc 4 Lc 6 Lc 7 Lc 9 Lc 11 Lc 14 Lc 15 Lc 22 Lc 24
1.  nom. mann. enk. artos  (1) Lc 4,3                
2.  gen. mann. enk. artou                  (1) Lc 24,35 .
3.  dat. mann. enk. artô(i)   (1) Lc 4,4 .                  
4.  acc. mann. enk. arton 7     (1) Lc 7,33 (2) Lc 9,3 .   (3) Lc 11,3 .   (4) Lc 14,1 . (5) Lc 14,15 .     (6) Lc 22,19 .   (7) Lc 24,30 .  
5.  nom. + voc. mann. mv. artoi 1       (1) Lc 9,13 .          
6.  gen. mann. mv. artôn 1             (1) Lc 15,17 .    
7.  acc. mann. mv. artous 3   (1) Lc 6,4 .     (2) Lc 9,16 .   (3) Lc 11,5 .          
    15  1 1 3 2 2 1 1 2

- Hebreeuws . לֶחֶמ = lèchèm (brood) . qatl-vorm (לַחמ) ; de 2de medeklinker , een gutturaal , ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc) . Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Getalswaarde : lamed = 12 of 30 , chet = 8 , mem = 13 of 40 . Totaal : 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13) . Structuur : 3 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (227) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (69) . In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor .
- Ned. : brood . Arabisch : خُبز = chubz (brood) . Taalgebruik in de Qoran : chubz (brood) . In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis . Zie لَحْم = lachm (vlees) . Taalgebruik in de Qoran : lachm (vlees) . Aramees : לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem . D. : Brot . E. : bread . Fr. pain . Grieks : αρτος = artos (brood) . Taalgebruik in het NT : artos (brood) . Hebreeuws : לֶחֶמ = lèchèm (brood) . Taalgebruik in Tenakh : lèchèm (brood) . Lat. : panis .

Lc 22,19.2. - 3. λαβων αρτον = labôn arton (brood genomen) . Lc (1) : Lc 22,19 . Hnd (1) : Hnd 27,35 .
- λαβων ὁ ιησουσ αρτον = labôn arton (Jezus, brood genomen) : Mc 14,22 .
- λαβων τον αρτον = labôn ton arton (het brood genomen) . Lc (1) : Lc 24,30 .
- λαβων ὁ ιησους τον αρτον = labôn ho Ièsous ton arton (Jezus het brood genomen) : Mt 26,26 .
- De kribbe is een voederbak (Lc 2,7) . De kribbe verwijst naar het graf als gedenkteken (Lc 23,53) . Maar in dat gedenktekengraf is Jezus niet ; "Hij is niet hier" (Lc 24,6) . De leerlingen van Emmaüs herkenden hem bij het breken van het brood (Lc 24,30) . Dat brengt ons bij het verhaal van het laatste avondmaal (Lc 22,19) , waar Jezus het brood breekt . De voederbak waarin Jezus ligt verwijst naar het brood dat hij breekt . Hij is brood , voedsel en herkenbaar in het breken van het brood . Zo is de kribbe meer dan alleen maar een toevallige plaats waarin Jezus werd gelegd .

Lc 22,19.4. ευχαριστησας = eucharistèsas (gedankt) van het werkw. ευχαριστεω = eucharisteô (danken) . Taalgebruik in de Bijbel : eucharisteô (danken) . ch - r . L. gratia . Fr. grace . Vertaling : gratie , genade , char-me , bevalligheid . ευχαριστεω = eucharisteô : welgevallen , goede bevalligheid brengen . Bijbel (9) : (1) Mt 15,36 . (2) Mt 26,27 . (3) Mc 8,6 . (4) Mc 14,23 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,19 . (7) Joh 6,11 . (8) Hnd 28,15 . (9) 1 Kor 11,24 . Een vorm van ευχαριστεω = eucharisteô in de LXX (6) , in het NT (38) , in Lc (4) : (1) Lc 17,16 . (2) Lc 18,11 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,19 .

eucharisteô (danken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
part. aor. nom. m. + vr. enk. eucharistèsas 9   9 2 2 2 1 1 1   6 7

Lc 22,19.5. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκλασεν = eklasen (hij brak) van het werkw. κλαω = klaô (breken) . Taalgebruik in het NT : klaô (breken) . Bijbel (6) : (1) Mt 15,36 . (2) Mt 26,26 . (3) Mc 8,6 . (4) Mc 14,22 . (5) Lc 22,19 . (6) 1 Kor 11,24 . Een vorm van κλαω = klaô in de LXX (3) , in het NT (14) .

Lc 22,19.4. - 5. ευχαριστησας εκλασεν = eucharistèsas eklasen (gedankt brak hij) . NT (4) : (1) Mt 15,36 . (2) Mc 8,6 . (3) Lc 22,19 . (4) 1 Kor 11,24 .

Lc 22,19.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. εδωκεν = edôken (hij gaf) van het werkw. διδωμι = didômi (geven) . Taalgebruik in de Septuaginta : didômi (geven) . Taalgebruik in het NT : didômi (geven) . Bijbel (462) . OT (399) . NT (63) . Lc (7) :

Lc 22,19.5. - 7. εκλασεν και εδωκεν = eklasen kai edôken (brak hij en gaf hij) . NT (3) : (1) Mt 15,36 . (2) Mc 14,22 . (3) Lc 22,19 .

Lc 22,19.4. - 7. ευχαριστησας εκλασεν και εδωκεν = eucharistèsas eklasen kai edôken (gedankt brak hij en gaf hij) . NT (2) : (1) Mt 15,36 . (2) Lc 22,19 .

Lc 22,19.9. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,19.10. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            
  Totaal   4411 1388 147 78 230 237 268            

Lc 22,19.11. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .
- Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .

eimi (zijn) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. estin  2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25  176 323    

  eimi (zijn) Lc Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24 Lc
  act. ind. praes. 3de pers. enk. estin  96  3 1 0 2 4 12 6 5 7 3 6 8 3 4 1 2 2 4 2 6 2 6 3 3 96 

Lc 22,19.13. nom. + acc. onz. enk. σωμα = sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Hnd : sôma (lichaam) . Bijbel (118) . OT (55) . NT (63) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van σωμα = sôma (lichaam) in de LXX (136) , in het NT (142) , in Lc (11) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen . In Lc : 3 vormen in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen . In Hnd : 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken .
- Hebr. bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenach : bâshâr (vlees, lichaam) . Lat. corpus . Fr. corps . N. lichaam . D. Leib . E. body .

Lc 22,19.10. - 13. touto estin to sôma mou (dit is mijn lichaam) . NT (3) :

Lc 22,19.16. persoonl. voornaamw. gen. mv. ὑμων = humôn (van jullie) . Lc 22 () .

pers. vnw. 2de p. mv.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
gen. mv. humôn  1573 1084 489 61 12 60 43 34 275 4    

Lc 22,19.16. - 17. ὑπερ ὑμων = huper humôn (ter wille van jullie) . NT (22) : (1) Mc 9,40 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,20 . (4) 1 Kor 1,13 . (5) 1 Kor 11,24 . (6) 2 Kor 1,6 . (7) 2 Kor 7,4 . (8) 2 Kor 7,14 . (9) 2 Kor 8,16 . (10) 2 Kor 8,24 . (11) 2 Kor 9,2 . (12) 2 Kor 9,3 . (13) 2 Kor 9,14 . (14) 2 Kor 12,19 . (15) Ef 1,16 . (16) Ef 3,1 . (17) Ef 3,13 . (18) Kol 1,7 . (19) Kol 1,9 . (20) Kol 1,24 . (21) Kol 4,12 . (22) Kol 4,13 .

Lc 22,19.19. nom. + acc. onz. enk. touto van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . LTaalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Taalgebruik in de Septuaginta : houtos (deze) . Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .

Lc 22,19.23. acc. vr. enk. αναμνησιν = anamnèsin (her-denking, herinnering) van het zelfst. naamw. αναμνησις = anamnèsis (herinnering, het zich weer te binnen brengen) . Zie het werkw. αναμιμνῃσκω = anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) . Taalgebruik in het NT : anamimnè(i)skô (herinneren , zich weer te binnen brengen) . Bijbel (7) : (1) Lv 24,7 . (2) Ps 38,1 . (3) Ps 70,1 . (4) W 16,6 . (5) Lc 22,19 . (6) 1 Kor 11,24 . (7) 1 Kor 11,25 . Een vorm van αναμνησις = anamnèsis in de LXX (5) , in het NT (4) .
- nom. vr enk. αναμνησις = anamnèsis (herinnering, het zich weer te binnen brengen) . Bijbel (2) : (1) Nu 10,10 . (2) Heb 10,3 .
- Hebreeuws . USB לְזִכְרוֹנִי = lëzikhërônî (tot mijn herinnering) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . Deze vorm komt niet in Tenakh voor .
-- Zelfst. naamw. זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar (gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 . Het is datgene waardoor men zich herinnert .
-- לְזִכְרוֹן = lëzikhërôn (tot gedachtenis) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. . Zie het werkw. . Tenakh (5) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 30,16 . (3) Nu 10,10 . (4) Joz 4,7 . (5) Zach 6,14 . Vertaling in Hebreeuws NBG .
- In de LXX is het Griekse εις ... αναμνησιν = eis ... anamnèsin (tot herinnering, tot gedachtenis) enkele malen de vertaling van het Hebreeuwse לְהַזְכִּיר = lëhazëkîr (om te herinneren, om te gedenken) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. hifil inf. stat. constructus van het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Tenakh (4) : (1) 1 K 17,18 . (2) Am 6,10 . (3) Ps 38,1 . (4) Ps 70,1 . Als vertaling van εις ... αναμνησιν = eis ... anamnèsin in (3) Ps 38,1 . (4) Ps 70,1 .
- Latijn . acc. vr. enk. commemorationem van het zelfst. naamw. commemoratio (het samen gedenken) . Bijbel (4) : (1) W 16,6 . (2) Lc 22,19 . (3) 1 Kor 11,24 . (4) 1 Kor 11,25 . abl. vr. enk. commemoratione . Bijbel (1) : Ps 38,1 .
- Fr. mémoire . E. remembrance . D. Gedächtnis . Aramees : דוּכְרָנָא = dûkhërânâ´ (herinnering, gedachtenis) van het werkw. דְכַר = dëkhar (zich herinneren) . לְדוּכְרָנָא = lëdûkhërânâ´ (tot herinnering, tot gedachtenis) Targum Onkelos Pentateuch (4) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 28,12 . (3) Ex 30,16 . (4) Nu 10,10 . Arabisch : ذِكرى = dhikrâ (herinnering) . Taalgebruik in de Qoran : dhikrâ (herinnering) .
- Ned. : gedachtenis . Arabisch : ذِكرى = dhikrâ (herinnering) . Taalgebruik in de Qoran : dhikrâ (herinnering) . Aramees : דוּכְרָנָא = dûkhërânâ´ (herinnering, gedachtenis) van het werkw. דְכַר = dëkhar (zich herinneren) . D. : Gedächtnis . E. : remembrance . Fr. : mémoire . Latijn : commemoratio (het samen gedenken) .

Lc 22,20 - Lc 22,20 : 322. Instelling van de eucharistie - Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,15 - Lc 22,16 - Lc 22,17 - Lc 22,18 - Lc 22,19 - Lc 22,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:20 kai to potèrion ôsautôs meta to deipnèsai legôn touto to potèrion è kainè diathèkè en tô aimati mou to uper umôn | ekchunnomenon]] | ekchunnomenon |   20 similiter et calicem postquam cenavit dicens hic est calix novum testamentum in sanguine meo quod pro vobis funditur    20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe testament in Mijn bloed, hetwelk voor u vergoten wordt.   [20] Na de maaltijd zei Hij zo ook van de beker: ‘Deze beker is het nieuwe verbond door mijn bloed; hij wordt voor jullie leeggegoten.  [20] Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en zei: ‘Deze beker, die voor jullie wordt uitgegoten, is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt.  20 Evenzo met de beker ná de maaltijd, zeggend: deze drinkbeker is het nieuwe verbond door mijn bloed, dat voor u vergoten wordt;   20. Il fit de même pour la coupe après le repas, disant : « Cette coupe est la nouvelle Alliance en mon sang, versé pour vous.  

King James Bible . [20] Likewise also the cup after supper, saying, This cup is the new testament in my blood, which is shed for you.
Luther-Bibel . 20 Desgleichen auch den Kelch nach dem Mahl und sprach: Dieser Kelch ist der neue Bund in meinem Blut, das für euch vergossen wird!

Mc 14,23 - Mc 14,24 Mt 26,27 - Mt 26,28 Lc 22,20   Ex 24,8        
14:23 kai labôn potèrion eucharistèsas edôken autois kai epion ex autou pantes 
14:24 kai eipen autois touto estin to aima mou tès diathèkès to ekchunnomenon uper pollôn 

26:27 kai labôn potèrion | [kai] | kai | eucharistèsas edôken autois legôn piete ex autou pantes  
26:28 touto gar estin to aima mou tès diathèkès to peri pollôn ekchunnomenon eis afesin amartiôn

22:20 kai to potèrion ôsautôs meta to deipnèsai legôn touto to potèrion è kainè diathèkè en tô aimati mou to uper umôn | ekchunnomenon]] | ekchunnomenon   8 labôn de môusès to aima kateskedasen tou laou kai eipen idou to aima tès diathèkès ès dietheto kurios pros umas peri pantwn twn logwn toutwn        

Tekstuitleg van Lc 22,20 // Mc 14,23 // Mt 26,27 . Het vers Lc 22,20 telt 22 (2 X 11) woorden en 103 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Lc 22,20 is 13759 (priemgetal) . De verzen Lc 22,19 - Lc 22,20 horen bij elkaar en zijn parallel opgebouwd . Bij de verbondssluiting in Ex 24,8 worden eerst de handelingen vermeld en dan de woorden . Dat is evenzo het geval in Lc 22,19 en Lc 22,20 . Wellicht is de zin van het ritueel van het bloed (Lc 22,20) het eerst geformuleerd , overeenkomstig Ex 24,8 .

Lc 22,20.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX .

kai (en)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen      7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Lc 22,20.2. וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) < prefix nevensch. voegwoord waw + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . getalswaarde : lamed = 12 of 30 , qoph = 19 of 100 , chet = 8 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23) . Structuur : 3 - 1 - 8 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (199) . Pentateuch (86) . Eerdere Profeten (80) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (15) . Ex (15) : (1) Ex 2,1 . (2) Ex 4,20 . (3) Ex 6,20 . (4) Ex 6,23 . (5) Ex 13,19 . (6) Ex 14,7 . (7) Ex 18,2 . (8) Ex 18,12 . (9) Ex 24,6 . (10) Ex 24,7 . (11) Ex 24,8 . (12) Ex 32,4 . (13) Ex 32,20 . (14) Ex 34,4 . (15) Ex 40,20 . Ex 24 (3) . Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam) . Een vorm van לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965) .
- Grieks . act. part. aor. nom. mann. enk. λαβων = labôn van het werkw. λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in de Septuaginta : lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . LXX (46) . NT (40) . Pentateuch (27) . Ex (9) . Ex 24 (3) : Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8 . Mt (11) : (1) Mt 13,31 . (2) Mt 14,19 . (3) Mt 17,27 . (4) Mt 25,16 . (5) Mt 25,18 . (6) Mt 25,20 . (7) Mt 26,26 . (8) Mt 26,27 . (9) Mt 27,24 . (10) Mt 27,48 . (11) Mt 27,59 . Mc (5) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,22 . (5) Mc 14,23 . Lc (7) : (1) Lc 6,4 . (2) Lc 9,16 . (3) Lc 13,19 . (4) Lc 20,29 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,43 . Joh (4) : (1) Joh 3,33 . (2) Joh 13,4 . (3) Joh 13,30 . (4) Joh 18,3 . Bijbel (86) . Een vorm van λαμβανω = lambanô (nemen) in het NT (258) , in de LXX (1335) .
- λαβων δε = labôn de (genomen hebbende echter) . LXX (6) : (1) Gn 31,45 . (2) Gn 48,13 . (3) Ex 24,6 . (4) Ex 24,8 . (5) 2 Mak 4,25 . (6) Job 42,17 . NT (1) : Lc 9,16 .
- και λαβων = kai labôn (en genomen hebbende) . LXX (15) . NT (15) . Synoptici : Mt (5) : (1) Mt 14,19 . (2) Mt 15,36 .(3) Mt 26,27 . (4) Mt 27,48 . (5) Mt 27,59 . Mc (4) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 8,6 . (3) Mc 9,36 . (4) Mc 14,23 . Lc (7) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 24,43 . Joh (1) : Joh 13,4 .
- Ned. : nemen . Arabisch : أخذ = akhadha . Zie : http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html . D. : nehmen . E. : take . Fr. : prendre . Grieks : λαμβανω = lambanô (nemen) . Taalgebruik in het NT : lambanô (nemen) . Hebreeuws : לָקַח = lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Taalgebruik in Tenakh : lâqach (nemen, grijpen, ontvangen) . Lat. : accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen) .

Lc 22,20.3. ποτηριον = potèrion (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Taalgebruik in de LXX : potèrion (beker) . OT (20) : (1) Gn 40,11 . (2) Gn 40,13 . (3) Gn 40,21 . (4) Js 51,17 . (5) Js 51,22 . (6) Jr 16,7 . (7) Jr 25,15 . (8) Jr 25,17 . (9) Jr 25,28 . (10) Jr 49,12 . (11) Jr 51,7 . (12) Ez 23,31 . (13) Ez 23,32 . (14) Ez 23,33 . (15) Hab 2,16 . (16) Ps 23,5 . (17) Ps 75,9 . (18) Ps 116,13 . (19) Kl 2,13 . (20) Kl 4,21 . NT (21) . Ev. (14) . Mt (5) : (1) Mt 10,32 . (2) Mt 20,22 . (3) Mt 20,23 . (4) Mt 26,27 . (5) Mt 26,39 . Mc (5) : (1) Mc 9,41 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 14,23 . (5) Mc 14,36 . Lc (3) : (1) Lc 22,17 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . Joh (1) : Joh 18,11 . 1 Kor (5) : (1) 1 Kor 10,16 . (2) 1 Kor 10,21 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Kor 11,26 . (5) 1 Kor 11,27 . Apk (2) : (1) Apk 16,19 . (2) Apk 17,4 . Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33) , in het NT (31) . In de LXX kan ποτηριον = potèrion de vertaling van 3 Hebreeuwse woorden zijn .

  potèrion (beker)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  potèrion 41  20  21    13  14     
  Totaal 64 33 31 7 6 5 1   8 4 18 19    

- Hebr. כּוֹס = kôs (beker) . Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) . Getalswaarde : kaph = 11 of 20 , waw = 6 , samekh = 15 of 60 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 86 (2 X 43) . Structuur : 2 - 6 - 6 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (15) : (1) Gn 40,11 . (2) Gn 40,13 . (3) 1 K 7,26 . (4) Js 51,17 . (5) Js 51,22 . (6) Jr 16,7 . (7) Jr 25,15 . (8) Jr 51,7 . (9) Ez 23,32 . (10) Ez 23,33 . (11) Hab 2,16 . (12) Ps 75,9 . (13) Ps 116,13 . (14) Kl 4,21 . (15) 2 Kr 4,5 . Een vorm van כּוֹס = kôs (beker) in Tenakh (26) .
- Ned. : beker . Arabisch : كوب = kub . D. : Kelck . E. : cup . Fr. : coup . Grieks : ποτηριον = potèrion (beker) . Hebreeuws : כּוֹס = kôs (beker) . Taalgebruik in Tenakh : kôs (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Lat. : calix .

Lc 22,20.2. - 3. το ποτηριον = to potèrion (de beker) . Bijbel (17/21) . Niet in (1) Mc 9,41 . (2) Lc 22,17 . (3) 1 Kor 10,21 . (4) Apk 17,4 . In Lc 22,20 wordt gezegd : en de beker evenzo . In de parallelteksten (Mc 14,23 en Mt 26,27) lezen we een genomen een beker) . In Lc 22,20 wordt verwezen naar Lc 22,19 : "en brood genomen" .

Lc 22,20.8. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

5. - 6. μετα + (+ x + ) το = meta + (+ x + ) to . NT (19) . Mt (1) : Mt 26,32 . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 .(3) Mc 16,19 . Lc (2) : (1) Lc 12,5 . (2) Lc 12,5 . Joh (1) : Joh 13,27 . Hnd (8) : (1) Hnd 1,3 . (2) Hnd 7,4 . (3) Hnd 10,37 . (4) Hnd 10,41 . (5) Hnd 12,4 . (6) Hnd 15,13 . (7) Hnd 19,21 . (8) Hnd 20,1 . 1 Kor (1) : 1 Kor 11,25 . Heb (3) : (1) Heb 9,3 . (2) Heb 10,15 . (3) Heb 10,26 .

Lc 22,20.9. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

Lc 22,20.11. ποτηριον = potèrion (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Taalgebruik in de LXX : potèrion (beker) . NT (21) . Ev. (14) . Mt (5) : (1) Mt 10,32 . (2) Mt 20,22 . (3) Mt 20,23 . (4) Mt 26,27 . (5) Mt 26,39 . Mc (5) : (1) Mc 9,41 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 14,23 . (5) Mc 14,36 . Lc (3) : (1) Lc 22,17 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . Joh (1) : Joh 18,11 . 1 Kor (5) : (1) 1 Kor 10,16 . (2) 1 Kor 10,21 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Kor 11,26 . (5) 1 Kor 11,27 . Apk (2) : (1) Apk 16,19 . (2) Apk 17,4 . Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33) , in het NT (31) .

  potèrion (beker)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  potèrion 41  20  21    13  14     

Lc 22,20.10. - 11. το ποτηριον = to potèrion (de beker) . Bijbel (17/21) . Niet in (1) Mc 9,41 . (2) Lc 22,17 . (3) 1 Kor 10,21 . (4) Apk 17,4 .

Lc 22,20.9. - 11. τουτο το ποτηριον = touto to potèrion (deze beker) . Bijbel (3) : (1) variante lezing : Mt 26,42 . (2) Lc 22,20 . (3) 1 Kor 11,25 .
- το ποτηριον τουτο = to potèrion touto (deze beker) . Bijbel (3) : (1) Mt 26,39 . (2) Lc 22,42 (variante lezing) . (3) Kor 11,26 .

Lc 22,20.13. nom. vr. enk. καινη = kainè van het bijvoegl. naamw. καινος = kainos (nieuw) . Taalgebruik in het NT : kainos (nieuw) . Bijbel () : (1) Js 65,17 . (2) Js 66,22 . (3) Job 29,20 . (4) Mc 1,27 . (5) Lc 22,20 . (6) Hnd 17,19 . (7) 1 Kor 11,25 . (8) 2 Kor 5,17 . (9) Gal 6,15 .

Lc 22,20.14. nom. vr. enk. διαθηκη = diathèkè (verbond) . Taalgebruik in het NT : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in de LXX : diathèkè (verbond) . Taalgebruik in Lc. : diathèkè (verbond) . Bijbel (45) . OT (28) , NT (9) : (1) Lc 22,20 . (2) Rom 11,27 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Heb 8,9 . (5) Heb 8,10 . (6) Heb 9,15 . (7) Heb 9,16 . (8) Heb 9,17 . (9) Heb 10,16 . Een vorm van διαθηκη = diathèkè (verbond) in de LXX (358) , in het NT (33) , in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,72 . (2) Lc 22,20 . In Lc : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van διαθηκη = diathèkè (verbond) in 2 verzen in 2 hoofdstukken : (1) Hnd 3,25 . (2) Hnd 7,8 .
- בְרִית = bërîth (verbond) . Taalgebruik in Tenakh : bërîth (verbond) . Getalwaarde : beth = 2 , resj = 20 of 200 , jod = 10 , taw = 22 of 400 ; totaal : 54 (2 X 3³) of 612 (2² X 3² X 17) . Structuur : 2 - 2 - 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (132) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (40) . Latere Profeten (20) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (34) .
- Lat. testamentum . E. testament . Ned. testament, verbond . D. Bund . Fr. alliance .

Lc 22,20.17. dat. onz. enk. αἱματι = haimati van het zelfst. naamw. αἱμα = haima (bloed) . Taalgebruik in het NT : haima (bloed) . Taalgebruik in de LXX : haima (bloed) . Taalgebruik in Lc : haima (bloed) . Bijbel (55) . LXX (35) . NT (20) : (1) Mt 23,30 . (2) Lc 22,20 . (3) Rom 3,25 . (4) Rom 5,9 . (5) 1 Kor 11,25 . (6) Gal 1,16 . (7) Ef 2,13 . (8) Heb 9,21 . (9) Heb 9,22 . (10) Heb 9,25 . (11) Heb 10,19 . (12) Heb 12,24 . (13) Heb 13,20 . (14) 1 Pe 1,19 . (15) 1 Joh 5,6 . (16) Apk 1,5 . (17) Apk 5,9 . (18) Apk 7,14 . (19) Apk 8,7 . (20) Apk 19,13 . Een vorm van  αἱμα = haima (bloed) in de LXX (401) , in het NT (97) , in Mt (10) : (1) Mt 16,17 . (2) Mt 23,30 . (3) Mt 23,35 . (4) Mt 26,28 . (5) Mt 27,4 . (6) Mt 27,6 . (7) Mt 27,8 . (8) Mt 27,24 . (9) Mt 27,25 . (10) Mt 27,49 , in Mc (3) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,29 . (3) Mc 14,24 , in Lc (7) : (1) Lc 8,43 . (2) Lc 8,44 . (3) Lc 11,50 . (4) Lc 11,51 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,44 .
- בְדָמִי = bëdâmî (met mijn bloed) < prefix bë + zelfst. naamw. + + suffix persoonl. voornaamw. 1ste pers. enk. . דָם = dâm (bloed, bloedschuld) . Taalgebruik in Tenakh : dâm (bloed, bloedschuld) . Bijbel (1) : (1) Ps 30,10 .

Lc 22,20.15. - 17. εν τῳ αἱματι = en tô(i) haimati (in mijn bloed, door mijn bloed) . NT (9) : (1) Mt 23,30 . (2) Lc 22,20 . (3) Rom 5,9 . (4) 1 Kor 11,25 . (5) Ef 2,13 . (6) Heb 10,19 . (7) Apk 1,5 . (8) Apk 5,9 . (9) Apk 7,14 .

Lc 22,20.22. pass. part. praes. nom. + acc. onz. enk. εκχυννομενον = ekchunnomenon (uitgegoten, vergoten) van het werkw. εκχεω = ekcheô / ekchunnô (gieten, vergieten) . Taalgebruik in het NT : ekchunnô (gieten, vergieten) . Een vorm van in de LXX (0) , in het NT (11) . NT (4) : (1) Mt 23,35 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 14,24 . (4) Lc 22,20 . In de LXX kan een vorm van εκχεω = ekcheô de vertaling van 15 Hebreeuwse werkwoorden zijn .



323. Aanduiding van de verrader : Lc 22,21-23 -- Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 -

Lc 22,21 - Lc 22,21 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:21 plèn idou è cheir tou paradidontos me met emou epi tès trapezès   21 verumtamen ecce manus tradentis me mecum est in mensa    21 Doch ziet, de hand desgenen, die Mij verraadt, is met Mij aan de tafel.   21] Maar zie, de man die Mij overlevert, ligt hier met Mij aan tafel.   [21] Maar weet wel dat degene die mij zal uitleveren samen met mij aan deze tafel aanligt.   21 ¶ maar zie, de hand van wie mij prijsgeeft is met mij hier aan tafel;  21. « Cependant, voici que la main de celui qui me livre est avec moi sur la table.  

King James Bible . [21] But, behold, the hand of him that betrayeth me is with me on the table.
Luther-Bibel . 21 Doch siehe, die Hand meines Verräters ist mit mir am Tisch.

Tekstuitleg van Lc 22,21 .

Lc 22,22 - Lc 22,22 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:22 oti o uios men tou anthrôpou kata to ôrismenon poreuetai plèn ouai tô anthrôpô ekeinô di ou paradidotai  22 et quidem Filius hominis secundum quod definitum est vadit verumtamen vae illi homini per quem traditur     22 En de Zoon des mensen gaat wel heen, gelijk besloten is; doch wee dien mens, door welken Hij verraden wordt!  [22] Want de Mensenzoon gaat wel zijn voorbestemde weg, maar wee de mens door wie Hij wordt overgeleverd.’   [22] Want de Mensenzoon moet heengaan zoals het voor hem bepaald is, maar wee de mens die hem zal uitleveren.’   22 want de mensenzoon gaat voort gelijk bepaald is, maar wee die mens door wie hij wordt prijsgegeven!  22. Le Fils de l'homme, certes, va son chemin selon ce qui a été arrêté, mais malheur à cet homme-là par qui il est livré ! »  

King James Bible . [22] And truly the Son of man goeth, as it was determined: but woe unto that man by whom he is betrayed!
Luther-Bibel . 22 Denn der Menschensohn geht zwar dahin, wie es beschlossen ist; doch weh dem Menschen, durch den er verraten wird!

Tekstuitleg van Lc 22,22 . Het vers Lc 22,22 telt 18 (2 X 3²) woorden en 87 letters . De getalwaarde van Lc 22,22 is 11718 (2 X 3³ X 7 X 31) .

Lc 22,22.10. ind. praes. 3de pers. enk. poreuetai (hij begeeft zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In vier verzen bij Lucas : (1) Lc 7,8 . (2) Lc 11,26 . (3) Lc 15,4 . (4) Lc 22,22 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .

Lc 22,22.16. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .

18. paradidotai (hij wordt overgeleverd) . Verwijzing : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans -dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 26,2 . (2) Mt 26,24 // Mc 14,21 . (3) Mt 26,45 // Mc 14,41 . Mc (3) : (1) Mc 9,31  . (2) Mc 14,21 // Mt 26,24 . (3) Mc 14,41 // Mt 26,45 . Lc (1) : Lc 22,22 .

paradidômi (overleveren)   bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind.  pr. 3de pers. enk. paradidotai

        (1) Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 . (2)  Mc 14,41 // Mt 26,45 .      

  aankondiging  vervulling  Judas    vervulling  Judas  Judas
bijbelplaats   Mc 9,31  Mc 14,41 // Mt 26,45 Mc 14,21 // Mt 26,24 // Lc 22,22 Mt 26,2 Mt 26,45 // Mc 14,41 // Lc 22,22 Mt 26,24 // Mc 14,21 Lc 22,22 // Mc 14,21 // Mt 26,24
 Jezus hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon) ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) plèn ouai tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou (maar wee die mens door wie
wordt overgeleverd paradidotai (wordt overgeleverd)   paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (wordt overgeleverd) paradidotai (hij wordt overgeleverd)
tot eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars)    eis to staurothènai (om gekruisigd te worden)  eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars)    
  171. Tweede lijdensvoorspelling :Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 317. Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 - 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 -

 

Lc 22,23 - Lc 22,23 : 323. Aanduiding van de verrader - Lc 22,21-23 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,21 - Lc 22,22 - Lc 22,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:23 kai autoi èrxanto suzètein pros eautous to tis ara eiè ex autôn o touto mellôn prassein  23 et ipsi coeperunt quaerere inter se quis esset ex eis qui hoc facturus esset    23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zijn, die dat doen zou.   [23] Toen begonnen ze er met elkaar over te praten, wie van hen het zou kunnen zijn die dat ging doen.  [23] Ze vroegen zich onder elkaar af wie van hen zoiets zou kunnen doen.   23 Dan beginnen zij samen bij elkaar te zoeken wie van hen dat wel mag zijn die dat gaat uitvoeren.  23. Et eux se mirent à se demander entre eux quel était donc parmi eux celui qui allait faire cela.  

King James Bible . [23] And they began to inquire among themselves, which of them it was that should do this thing.
Luther-Bibel . 23 Und sie fingen an, untereinander zu fragen, wer es wohl wäre unter ihnen, der das tun würde.  

Tekstuitleg van Lc 22,23 .

5. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

14. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

324. Heersen is dienen : Lc 22,24-27 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -

Lc 22,24 - Lc 22,24 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:24 egeneto de kai filoneikia en autois to tis autôn dokei einai meizôn   24 facta est autem et contentio inter eos quis eorum videretur esse maior     24 En er werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.   [24] Ook ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen wel het belangrijkst was.   [24] Toen ontstond er onder hen onenigheid over de vraag wie van hen de belangrijkste was.   24 Maar er ontstaat ook onenigheid onder hen, over wie van hen de grootste denkt te zijn.  24. Il s'éleva aussi entre eux une contestation : lequel d'entre eux pouvait être tenu pour le plus grand ? 

King James Bible . [24] And there was also a strife among them, which of them should be accounted the greatest.
Luther-Bibel . 24 Es erhob sich auch ein Streit unter ihnen, wer von ihnen als der Größte gelten solle.

Tekstuitleg van Lc 22,24 .

Lc 22,25 - Lc 22,25 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:25 o de eipen autois oi basileis tôn ethnôn kurieuousin autôn kai oi exousiazontes autôn euergetai kalountai 25 dixit autem eis reges gentium dominantur eorum et qui potestatem habent super eos benefici vocantur    25 En Hij zeide tot hen: De koningen der volken heersen over hen; en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genaamd.   [[25] Hij zei hun echter: ‘Bij de heidenen spelen koningen de baas, bij hen laten machthebbers zich weldoener* noemen.  [25] Jezus zei tegen hen: ‘Vorsten oefenen heerschappij uit over de aan hen onderworpen volken, en wie macht heeft laat zich weldoener noemen.  25 Hij zegt tot hen: de koningen der volkeren heersen over hen, en hun gezagsdragers laten zich weldoeners noemen;  25. Il leur dit : « Les rois des nations dominent sur elles, et ceux qui exercent le pouvoir sur elles se font appeler Bienfaiteurs.  

King James Bible . [25] And he said unto them, The kings of the Gentiles exercise lordship over them; and they that exercise authority upon them are called benefactors.
Luther-Bibel . 25 Er aber sprach zu ihnen: Die Könige herrschen über ihre Völker, und ihre Machthaber lassen sich Wohltäter nennen.

Tekstuitleg van Lc 22,25 .

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,26 - Lc 22,26 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:26 umeis de ouch outôs all o meizôn en umin ginesthô ôs o neôteros kai o ègoumenos ôs o diakonôn   26 vos autem non sic sed qui maior est in vobis fiat sicut iunior et qui praecessor est sicut ministrator    26 Doch gij niet alzo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste, en die voorganger is, als een die dient.  [26] Bij jullie mag dat niet zo zijn. De grootste van jullie moet de minste worden, en de leider de dienaar.  [26] Laat dat bij jullie niet zo zijn! De belangrijkste van jullie moet de minste worden en de leider de dienaar.  26 maar gíj, niet zo!– nee, laat de grootste onder u als de jongste worden en wie aanvoert als wie bedient;  26. Mais pour vous, il n'en va pas ainsi. Au contraire, que le plus grand parmi vous se comporte comme le plus jeune, et celui qui gouverne comme celui qui sert.  

King James Bible . [26] But ye shall not be so: but he that is greatest among you, let him be as the younger; and he that is chief, as he that doth serve.
Luther-Bibel . 26 Ihr aber nicht so! Sondern der Größte unter euch soll sein wie der Jüngste und der Vornehmste wie ein Diener.

Tekstuitleg van Lc 22,26 .

Lc 22,27 - Lc 22,27 : 324. Heersen is dienen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,24 - Lc 22,25 - Lc 22,26 - Lc 22,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:27 tis gar meizôn o anakeimenos è o diakonôn ouchi o anakeimenos egô de en mesô umôn eimi ôs o diakonôn  27 nam quis maior est qui recumbit an qui ministrat nonne qui recumbit ego autem in medio vestrum sum sicut qui ministrat     27 Want wie is meerder, die aanzit, of die dient? Is het niet die aanzit? Maar Ik ben in het midden van u, als een die dient.  [27] Want wie is het belangrijkst? Die aan tafel ligt, of die bedient? Die aan tafel ligt toch zeker! Maar Ik ben in jullie midden de dienaar.  [27] Want wie is belangrijker, degene die aanligt om te eten of degene die bedient? Is het niet degene die aanligt? Maar ik ben in jullie midden als iemand die dient.  27 want wie is groter: wie aanligt of wie bedient?– níet wie aanligt!– ík ben in uw midden als degene die bedient!–   27. Quel est en effet le plus grand, celui qui est à table ou celui qui sert ? N'est-ce pas celui qui est à table ? Et moi, je suis au milieu de vous comme celui qui sert !  

King James Bible . [27] For whether is greater, he that sitteth at meat, or he that serveth? is not he that sitteth at meat? but I am among you as he that serveth.
Luther-Bibel . 27 Denn wer ist größer: der zu Tisch sitzt oder der dient? Ist's nicht der, der zu Tisch sitzt? Ich aber bin unter euch wie ein Diener.

Tekstuitleg van Lc 22,27 .


325. Eschatologische functie van de Twaalf : Lc 22,28-30 - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 -

Lc 22,28 - Lc 22,28 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:28 umeis de este oi diamemenèkotes met emou en tois peirasmois mou  28 vos autem estis qui permansistis mecum in temptationibus meis    28 En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.   [28] Jullie zijn altijd bij Mij gebleven als Ik werd beproefd.  [28] Jullie zijn in al mijn beproevingen steeds bij mij gebleven.   28 maar gíj zijt het die bij mij gebleven zijt in mijn beproevingen,   28. « Vous êtes, vous, ceux qui sont demeurés constamment avec moi dans mes épreuves ;  

King James Bible . [28] Ye are they which have continued with me in my temptations.
Luther-Bibel . 28 Ihr aber seid's, die ihr ausgeharrt habt bei mir in meinen Anfechtungen.

Tekstuitleg van Lc 22,28 .

Lc 22,29 - Lc 22,29 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:29 kagô diatithemai umin kathôs dietheto moi o patèr mou basileian   29 et ego dispono vobis sicut disposuit mihi Pater meus regnum     29 En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft;  [29] Zoals mijn Vader Mij het koningschap heeft aangeboden, zo bied Ik jullie een plaats aan  [29] Ik bestem jullie voor het koningschap zoals mijn Vader mij voor het koningschap bestemd heeft:   29 en nu verleen ik u, zoals mijn Vader mij verleend heeft, koningsmacht,   29. et moi je dispose pour vous du Royaume, comme mon Père en a disposé pour moi :  

King James Bible . [29] And I appoint unto you a kingdom, as my Father hath appointed unto me;
Luther-Bibel . 29 Und ich will euch das Reich zueignen, wie mir's mein Vater zugeeignet hat,

Tekstuitleg van Lc 22,29 .

Lc 22,30 - Lc 22,30 : 325. Eschatologische functie van de Twaalf - Lc 22,28-30 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,28 - Lc 22,29 - Lc 22,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:30 ina esthète kai pinète epi tès trapezès mou en tè basileia mou kai | kathèsthe | kathèsesthe | epi thronôn tas dôdeka fulas krinontes tou israèl  30 ut edatis et bibatis super mensam meam in regno et sedeatis super thronos iudicantes duodecim tribus Israhel   30 Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls.  [30] in mijn koninkrijk om te eten en te drinken aan mijn tafel; jullie zullen op tronen zitten om te oordelen over de twaalf stammen van Israël.   [30] jullie zullen in mijn koninkrijk eten en drinken aan mijn tafel, en zetelen op een troon om recht te spreken over de twaalf stammen van Israël.   30 zodat ge in mijn koninkrijk zult eten en drinken aan mijn tafel, en gezeten op tronen de twaalf stammen van Israël zult oordelen;  30. vous mangerez et boirez à ma table en mon Royaume, et vous siégerez sur des trônes pour juger les douze tribus d'Israël.  

King James Bible . [30] That ye may eat and drink at my table in my kingdom, and sit on thrones judging the twelve tribes of Israel.
Luther-Bibel . 30 dass ihr essen und trinken sollt an meinem Tisch in meinem Reich und sitzen auf Thronen und richten die zwölf Stämme Israels.

Tekstuitleg van Lc 22,30 . Het vers Lc 22,30 telt 22 (2 X 11) woorden en 106 (2 X 53) letters . De getalwaarde van Lc 22,30 is 10105 (5 X 43 X 47) .

22. ισραηλ = israèl (Israël) . Taalgebruik in het NT : Israèl (Israël) . Taalgebruik in de LXX : Israèl (Israël) . Taalgebruik in Lc : Israèl (Israël) . Bijbel (2392) . OT (2328) . NT (64) . Lc (12) : (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,54 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 1,80 . (5) Lc 2,25 . (6) Lc 2,32 . (7) Lc 2,34 . (8)Lc 4,25 . (9) Lc 4,27 . (10) Lc 7,9 . (11) Lc 22,30 . (12) Lc 24,21 . Hnd (15) : (1) Hnd 1,6 . (2) Hnd 2,36 . (3) Hnd 4,10 . (4) Hnd 4,27 . (5) Hnd 5,21 . (6) Hnd 5,31 . (7) Hnd 7,23 (acc. mv. tous hiuous Israèl = de zonen van Israël) . (8) Hnd 7,37 . (9) Hnd 7,42 . (10) Hnd 9,15 (huiôn Israèl = van de zonen van Israël) . (11) Hnd 10,36 . (12) Hnd 13,17 . (13) Hnd 13,23 . (14) Hnd 13,24 . (15) Hnd 28,20 . Het is opvallend dat na de eerste rede van Paulus tijdens de eerste zendingsreis de naam Israël nog slechts eenmaal in Hnd wordt gebruikt .

Israèl LXX bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P. 
  2392  2328 64  12  12 15  16  26  30  16 

- Hebreeuw . יִשְׂרָאֵל = jishërâ´el (Israël) . Taalgebruik in Tenakh : jishërâ´el (Israël) . Getalwaarde : jod = 10 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 64 (2³ X 2³) OF 541 (10de zeshoekige ster) . Structuur : 1 - 3 - 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (2044) . Pentateuch (502) . Eerdere Profeten (765) . Latere Profeten (350) . 12 Kleine Profeten (89) . Geschriften (337) .


326. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc 22,31-34 - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -

Lc 22,31 - Lc 22,31 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:31 simôn simôn idou o satanas exètèsato umas tou siniasai ôs ton siton  31 ait autem Dominus Simon Simon ecce Satanas expetivit vos ut cribraret sicut triticum    31 En de Heere zeide: Simon, Simon, ziet, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;  [31] Simon, Simon, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als het koren.   [31] Simon, Simon, weet dat Satan jullie voor zich heeft opgeëist om jullie als graan te mogen zeven.   31 Simon, Simon, zie, de satan heeft geëist jullie te mogen ziften als de tarwe;  31. « Simon, Simon, voici que Satan vous a réclamés pour vous cribler comme le froment ; 

King James Bible . [31] And the Lord said, Simon, Simon, behold, Satan hath desired to have you, that he may sift you as wheat:
Luther-Bibel . 31 Simon, Simon, siehe, der Satan hat begehrt, euch zu sieben wie den Weizen.

Tekstuitleg van Lc 22,31 .

1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

1. + 2. nom. + voc. mann. enk. simôn (Simon) . Taalgebruik in het NT : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,5 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 7,43 . (5) Lc 22,31 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 (2X) . (9) Lc 24,34 . In  Lc 4,38 (2X) staat simônos (van Simon) de eerste maal zonder lidwoord - hij wordt voor het eerst vermeld) - en de tweede maal met lidwoord . In Lc 5,3 wordt hij zonder lidwoord vermeld - het is de eerste maal in deze pericope - . In Lc 5,4 en Lc 5,10 sprak Jezus tot Simon ; hier wordt telkens het bepaald lidw. gebruikt bij simôna (tot Simon) . In Lc 22,31 wordt 2X de vocatief gebruikt (2 / 11) . In de andere gevallen geen bepaald lidw. (6 / 11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,5 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 6,14 . (6) Lc 24,34 . Simon Petrus wordt vermeld bij de genezing van zijn schoonmoeder (Lc 4,38-39) , zijn roeping bij de wonderbare visvangst (Lc 5,1-11) , de aanstelling van de twaalf (Lc 6,14) , de aankondiging van de verloochening (Lc 22,31-34) , en de terugkomst van de twee leerlingen van Emmaüs bij de gemeenschap in Jeruzalem (Lc 24,34) .

5. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in NT : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) . Lc (4) : (1) Lc 11,18 . (2) Lc 13,16 . (3) Lc 22,3 . (4) Lc 22,31 . Een vorm van satanas (satan) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 10,18 . (2) Lc 11,18 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 22,3 . (5) Lc 22,31 .

Lc 22,32 - Lc 22,32 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:32 egô de edeèthèn peri sou ina mè eklipè è pistis sou kai su pote epistrepsas stèrison tous adelfous sou   32 ego autem rogavi pro te ut non deficiat fides tua et tu aliquando conversus confirma fratres tuos    32 Maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude; en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zo versterk uw broeders.  [32] Ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zou bezwijken; als je eenmaal tot inkeer bent gekomen, sterk dan op jouw beurt je broeders.’  [32] Maar ik heb voor je gebeden opdat je geloof niet zou bezwijken. En als jij eenmaal tot inkeer bent gekomen, moet jij je broeders sterken.’  32 maar ik heb voor je gebeden dat je geloof niet zal bezwijken; en als jij ééns anderen bekeert, versterk dan die broeders van je!  32. mais moi j'ai prié pour toi, afin que ta foi ne défaille pas. Toi donc, quand tu seras revenu, affermis tes frères. » 

King James Bible . [32] But I have prayed for thee, that thy faith fail not: and when thou art converted, strengthen thy brethren.
Luther-Bibel . 32 Ich aber habe für dich gebeten, dass dein Glaube nicht aufhöre. Und wenn du dereinst dich bekehrst, so stärke deine Brüder.

Tekstuitleg van Lc 22,32 .

Lc 22,33 - Lc 22,33 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:33 o de eipen autô kurie meta sou etoimos eimi kai eis fulakèn kai eis thanaton poreuesthai   33 qui dixit ei Domine tecum paratus sum et in carcerem et in mortem ire    33 En hij zeide tot Hem: Heere, ik ben bereid, met U ook in de gevangenis en in den dood te gaan.   [33] Hij zei Hem: ‘Heer, ik ben bereid met U zelfs de gevangenis en de dood in te gaan.’   [33] Simon antwoordde: ‘Heer, ik ben zelfs bereid om met u de gevangenis in te gaan en te sterven.’   33 Maar hij zegt tot hem: heer, met ú ben ik bereid ook wachthok en dood in te gaan!  33. Celui-ci lui dit : « Seigneur, je suis prêt à aller avec toi et en prison et à la mort. »  

King James Bible . [33] And he said unto him, Lord, I am ready to go with thee, both into prison, and to death.
Luther-Bibel . 33 Er aber sprach zu ihm: Herr, ich bin bereit, mit dir ins Gefängnis und in den Tod zu gehen.

Tekstuitleg van Lc 22,33 .

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

16. inf. praes. poreuesthai van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 9,51 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 13,33 . (5) Lc 17,11 . (6) Lc 22,33 . (7) Lc 24,28 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .

Lc 22,34 - Lc 22,34 : 326. Voorspelling van Petrus'verloochening - Lc 22,31-34 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,31 - Lc 22,32 - Lc 22,33 - Lc 22,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:34 o de eipen legô soi petre ou fônèsei sèmeron alektôr eôs tris me aparnèsè eidenai   34 et ille dixit dico tibi Petre non cantabit hodie gallus donec ter abneges nosse me    34 Maar Hij zeide: Ik zeg u, Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben, dat gij Mij kent.  [34] Maar Hij zei: ‘Petrus, Ik zeg je, voordat vandaag de haan kraait, zul je drie keer geloochend hebben dat je Me kent.’  [34] Maar Jezus zei: ‘Ik zeg je, Petrus, deze nacht zal de haan niet kraaien voordat je driemaal geloochend hebt dat je mij kent.’   34 Maar hij zegt: ik zeg je, Petrus, de haan zal vandaag niet kraaien voordat je driemaal verloochend zult hebben dat je van mij weet!  34. Mais il dit : « Je te le dis, Pierre, le coq ne chantera pas aujourd'hui que tu n'aies, par trois fois, nié me connaître. »  

King James Bible . [34] And he said, I tell thee, Peter, the cock shall not crow this day, before that thou shalt thrice deny that thou knowest me.
Luther-Bibel . 34 Er aber sprach: Petrus, ich sage dir: Der Hahn wird heute nicht krähen, ehe du dreimal geleugnet hast, dass du mich kennst.

Tekstuitleg van Lc 22,34 .

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

6. voc. mann. enk. petre van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (1) Lc 22,34 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

8. act. ind. fut. 3de pers. enk. fônèsei (hij zal roepen) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 22,34 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .


327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc 22,35-38 -- Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -- Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -

Lc 22,35 - Lc 22,35 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:35 kai eipen autois ote apesteila umas ater ballantiou kai pèras kai upodèmatôn mè tinos usterèsate oi de eipan outhenos 35 et dixit eis quando misi vos sine sacculo et pera et calciamentis numquid aliquid defuit vobis at illi dixerunt nihil   35 En Hij zeide tot hen: Als Ik u uitzond, zonder buidel, en male, en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.  [35] Hij zei hun: ‘Toen Ik jullie eropuit stuurde zonder beurs, reistas en schoenen, zijn jullie toen iets tekort gekomen?’ ‘Nee, niets’, antwoordden ze.   [35] Daarna zei hij tegen hen: ‘Toen ik jullie uitzond zonder geldbuidel, reistas en sandalen, kwamen jullie toen iets tekort?’ ‘Niets!’ antwoordden ze.  35 Dan zegt hij tot hen: toen ik u uitzond zonder beurs, reiszak en schoenen, zijt ge toen iets tekortgekomen? En zij zeggen: niets!  35. Puis il leur dit : « Quand je vous ai envoyés sans bourse, ni besace, ni sandales, avez-vous manqué de quelque chose ? » - « De rien », dirent-ils.  

King James Bible . [35] And he said unto them, When I sent you without purse, and scrip, and shoes, lacked ye any thing? And they said, Nothing.
Luther-Bibel . 35 Und er sprach zu ihnen: Als ich euch ausgesandt habe ohne Geldbeutel, ohne Tasche und ohne Schuhe, habt ihr da je Mangel gehabt? Sie sprachen: Niemals.

Tekstuitleg van Lc 22,35 .

2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

Lc 22,36 - Lc 22,36 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:36 eipen de autois alla nun o echôn ballantion aratô omoiôs kai pèran kai o mè echôn pôlèsatô to imation autou kai agorasatô machairan 36 dixit ergo eis sed nunc qui habet sacculum tollat similiter et peram et qui non habet vendat tunicam suam et emat gladium   36 Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie een buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook een male; en die geen heeft, die verkope zijn kleed, en kope een zwaard.  [36] Hij zei hun: ‘Maar nu moet je een beurs en een reistas meenemen als je die hebt, en als je geen zwaard hebt, moet je je jas verkopen en er een aanschaffen.  [36] Hij zei: ‘Maar wie nu een geldbuidel heeft, moet die meenemen, evenals zijn reistas, en wie er geen heeft moet zijn mantel verkopen en zich een zwaard aanschaffen.  36 Hij zegt tot hen: maar nu moet wie er een heeft een beurs meenemen, evenzo een reiszak, en wie er geen heeft moet zijn kleed verkopen en een zwaard aanschaffen;  36. Et il leur dit : « Mais maintenant, que celui qui a une bourse la prenne, de même celui qui a une besace, et que celui qui n'en a pas vende son manteau pour acheter un glaive. 

King James Bible . [36] Then said he unto them, But now, he that hath a purse, let him take it, and likewise his scrip: and he that hath no sword, let him sell his garment, and buy one.
Luther-Bibel . 36 Da sprach er zu ihnen: Aber nun, wer einen Geldbeutel hat, der nehme ihn, desgleichen auch die Tasche, und wer's nicht hat, verkaufe seinen Mantel und kaufe ein Schwert.

Tekstuitleg van Lc 22,36 .

1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,37 - Lc 22,37 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:37 legô gar umin oti touto to gegrammenon dei telesthènai en emoi to kai meta anomôn elogisthè kai gar to peri emou telos echei 37 dico enim vobis quoniam adhuc hoc quod scriptum est oportet impleri in me et quod cum iniustis deputatus est etenim ea quae sunt de me finem habent   37 Want Ik zeg u, dat nog dit, hetwelk geschreven is, in Mij moet volbracht worden, namelijk: En Hij is met de misdadigen gerekend. Want ook die dingen, die van Mij geschreven zijn, hebben een einde.  [37] Want Ik zeg jullie dat dit schriftwoord aan Mij in vervulling moet gaan: Bij de overtreders van de wet werd Hij gerekend. Want ook dit woord over Mij wordt nu werkelijkheid.’   [37] Want ik zeg jullie: wat geschreven staat, moet in mij tot vervulling komen, namelijk: “Hij werd gerekend tot de wettelozen.” Inderdaad, nu wordt voltrokken wat over mij gezegd is.’  37 want ik zeg u dat dit wat geschreven staat in mij in vervulling moet gaan: ‘hij werd bij wettelozen gerekend’; want dat gaat over mij en heeft een einddoel!   37. Car, je vous le dis, il faut que s'accomplisse en moi ceci qui est écrit : Il a été compté parmi les scélérats. Aussi bien, ce qui me concerne touche à sa fin. » - 

King James Bible . [37] For I say unto you, that this that is written must yet be accomplished in me, And he was reckoned among the transgressors: for the things concerning me have an end.
Luther-Bibel . 37 Denn ich sage euch: Es muss das an mir vollendet werden, was geschrieben steht (Jesaja 53,12): »Er ist zu den Übeltätern gerechnet worden.« Denn was von mir geschrieben ist, das wird vollendet.

Tekstuitleg van Lc 22,37 . Het vers Lc 22,37 telt 24 (2³ X 3) woorden en 102 (2 X 3 X 17) letters. De getalwaarde van Lc 22,37 is 9295 (5 X 11 X 13²) .

Lc 22,37.5. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            


Lc 22,37.7. pass. part. perf. nom. + acc. onz.. enk. gegrammenon van het werkw. grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Lc : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Hnd : grafô (schrijven) . Hebr. kâthabh (schrijven) . Hebr. sâphar (tellen) . Taalgebruik in Tenach : sâphar (schrijven) . cijfer . sofer (schrijver) . sephèr (geschrift, boek) . Om een tekst te lezen spreekt men soms over een tekst ontcijferen . Lat. scribere . Fr. écrire . Lc (3) : (1) Lc 4,17 . (2) Lc 20,17 . (3) Lc 22,37 . Een vorm van grafô (schrijven) in Lc in 20 verzen : (1) Lc 1,3 . (2) Lc 1,63 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 4,4 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,10 . (8) Lc 4,17 . (9) Lc 7,27 . (10) Lc 10,26 . (11) Lc 16,6 . (12) Lc 16,7 . (13) Lc 18,31 . (14) Lc 19,46 . (15) Lc 20,17 . (16) Lc 20,28 . (17) Lc 21,22 . (18) Lc 22,37 . (19) Lc 24,44 . (20) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van grafô (schrijven) in 13 / 24 hoofdstukken en in 20 verzen . In Hnd : 8 vormen van grafô (schrijven) in 8 hoofdstukken in 11 verzen .

Lc 22,37.8. act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (het moet) . Taalgebruik in het NT : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) .
Lc (12) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 17,25 . (8) Lc 19,5 . (9) Lc 21,9 . (10) Lc 22,37 . (11) Lc 24,7 . (12) Lc 24,44 .

Lc 22,37.9. pass. inf. aor. telesthènai (voltrokken worden) van het werkw. teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in het NT : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Lc : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Taalgebruik in Hnd : teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) . Hebr. kâlal (volkomen maken, voltrekken) . Taalgebruik in Tenach : kâlal (volkomen maken, voltrekken) . Lc (1) Lc 22,37 . Een vorm van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,39 . (2) Lc 12,50 . (3) Lc 18,31 . (4) Lc 22,37 .  In Lc : 4 vormen van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in 4 hoofdstukken in 4 verzen . In Hnd : 1 vorm van teleô (voleindigen, voltooien, vervullen) in 1 hoofdstuk in 1 vers .

Lc 22,37.15. gen. mv. ανομων = anomôn (van de wettelozen) van het bijvoegl. naamw. ανομος = anomos (niet volgens de wet, wetteloos, misdadig) . Taalgebruik in de Bijbel : anomos (niet volgens de wet, wetteloos, misdadig) . Bijbel (15) : (1) 1 S 24,14 . (2) Js 13,11 . (3) Js 21,2 . (4) Ez 21,34 . (5) Hab 3,13 . (6) Job 5,22 . (7) Job 11,11 . (8) Job 12,5 . (9) W 4,6 . (10) Sir 16,4 . (11) Sir 21,9 . (12) Sir 34,18 . (13) Sir 49,3 . (14) Lc 22,37 . (15) Hnd 2,23 . Een vorm van ανομος = anomos in de LXX (106) , in het NT (8) : (1) Mc 15,28 . (2) Lc 22,37 . (3) Hnd 2,23 . (4) 1 Kor 9,21 . (5) 2 Tes 2,8 . (6) 1 Tim 1,9 . (7) 2 Pe 2,8 . In de Ev (2) : (1) Mc 15,28 . (2) Lc 22,37 . illegaal (onwettelijk) < negatie in (daarna assimilatie aan de l) + legalis (wettelijk) < zelfst. naamw. lex (gen. legis) . anarchist (zonder gezag, gezagloos) < negatie a + verbinding n) + archist < archè (gezag) .
- Hebreeuws . act. qal part. mann. mv. פֹשְׁעִים = posjë`îm (misdadigers, zondaars) van het werkw. פָשַׁע = pâsja` (een misdrijf plegen, zondigen) . Taalgebruik in Tenakh : pâsja` (een misdrijf plegen, zondigen) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 54 (2 X 3³) OF 450 (2 X 3² X 5²) . Structuur : 8 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (4) : (1) Js 1,28 . (2) Js 53,12 . (3) Ps 51,15 . (4) Spr 10,12 . In Js 53,12 is het de enigste maal dat het met de accusativus èth wordt gebruikt . Een vorm van het werkw. פָשַׁע = pâsja` (een misdrijf plegen, zondigen) in Js (8) : (1) Js 1,2 . (2) Js 1,28 . (3) Js 43,27 . (4) Js 46,8 . (5) Js 48,8 . (6) Js 53,12 . (7) Js 59,13 . (8) Js 66,24 .

Lc 22,37.14. - 15. μετα ανομων = meta anomôn (bij wettelozen) . NT (2) : (1) Mc 15,28 . (2) Lc 22,37 .

Lc 22,37.16. ελογισθη = elogisthè (hij werd gerekend) van het werkw. λογιζομαι = logizomai (rekenen, berekenen) . Taalgebruik in de Bijbel : logizomai (rekenen, berekenen) . Bijbel (15) : (1) Gn 15,6 . (2) 2 S 19,44 . (3) Js 53,3 . (4) Js 53,12 . (5) Ps 106,31 . (6) 1 Mak 2,52 . (7) W 3,2 . (8) Lc 22,37 . (9) Rom 4,3 . (10) Rom 4,9 . (11) Rom 4,10 . (12) Rom 4,22 . (13) Rom 4,23 . (14) Gal 3,6 . (15) Jak 2,23 . Een vorm van λογιζομαι = logizomai in de LXX (121) , in het NT (40) , in Synopt. (1) , in Lc (1) .

Lc 22,37.13. - 16 . και μετα ανομων ελογισθη = meta anomôn elogisthè (en bij wettelozen werd hij gerekend) . NT (2) : (1) Mc 15,28 . (2) Lc 22,37 . Bij Marcus tijdens de kruishanging , bij Lucas tijdens het gesprek over de bewapening . Marcus en Lucas citeren Js 53,12 als vervulling (verwerkelijking) van het citaat .

Lc 22,38 - Lc 22,38 : 327. Verleden en toekomst: de twee zwaarden - Lc 22,35-38 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,35 - Lc 22,36 - Lc 22,37 - Lc 22,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:38 oi de eipan kurie idou machairai ôde duo o de eipen autois ikanon estin 38 at illi dixerunt Domine ecce gladii duo hic at ille dixit eis satis est    38 En zij zeiden: Heere! zie hier twee zwaarden. En Hij zeide tot hen: Het is genoeg.  [38] ‘Heer,’ zeiden ze, ‘hier zijn twee zwaarden.’ Maar Hij zei hun: ‘Zo is het genoeg!’  [38] Ze zeiden: ‘Kijk Heer, hier zijn twee zwaarden.’ Maar hij zei tegen hen: ‘Genoeg hierover!’
 
38 Zij zeggen: heer, zie, twee zwaarden hier! Hij zegt tot hen: dat is genoeg!  38. « Seigneur, dirent-ils, il y a justement ici deux glaives. » Il leur répondit : « C'est bien assez ! »  

King James Bible . [38] And they said, Lord, behold, here are two swords. And he said unto them, It is enough.
Luther-Bibel . 38 Sie sprachen aber: Herr, siehe, hier sind zwei Schwerter. Er aber sprach zu ihnen: Es ist genug.  

Tekstuitleg van Lc 22,38 .

11. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

14. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .


328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -

Lc 22,39 - Lc 22,39 : 328. Voorspelling van de ontrouw van de leerlingen en van Petrus' verloochening : Lc 22,39 - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:39 kai exelthôn eporeuthè kata to ethos eis to oros tôn elaiôn èkolouthèsan de autô | [kai] | kai | oi mathètai   et egressus ibat secundum consuetudinem in montem Olivarum secuti sunt autem illum et discipuli    39 En uitgaande, vertrok Hij, gelijk Hij gewoon was, naar den Olijfberg; en Hem volgden ook Zijn discipelen.   [39] Hij verliet het huis en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg, en zijn leerlingen gingen met Hem mee.  [39] Hij vertrok en ging volgens zijn gewoonte naar de Olijfberg. De leerlingen volgden hem.  39 ¶ Als hij de stad uitkomt gaat hij, zoals hij gewoon is, naar de Olijfberg; hem volgen ook de leerlingen.   39. Il sortit et se rendit, comme de coutume, au mont des Oliviers, et les disciples aussi le suivirent. 

King James Bible . [39] And he came out, and went, as he was wont, to the mount of Olives; and his disciples also followed him.
Luther-Bibel . 39 Und er ging nach seiner Gewohnheit hinaus an den Ölberg. Es folgten ihm aber auch die Jünger.

Tekstuitleg van Lc 22,39 . Het vers Lc 22,39 telt 18 (2 X 3²) woorden en (3² X 3²) letters . De getalwaarde van Lc 22,39 is 9751 (7² X 199) .

Lc 22,39.3. ind. aor. 3de p. enk. eporeuthè (hij / zij begaf zich op weg) van het werkw. poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het NT : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) . por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Lc (5) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 19,12 . (5) Lc 22,39 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc (48) , in Lc 22 in 4 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,22 . (3) Lc 22,33 . (4) Lc 22,39 .

Lc 22,39.12. ind. aor. 3de pers. mv. ηκολουθησαν = èkolouthèsan (zij volgden) van het werkw. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in de LXX : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Bijbel (19) : Jdt 2,3 . Mt (11) : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 4,25 . (4) Mt 8,1 . (5) Mt 8,23 . (6) Mt 9,27 . (7) Mt 12,15 . (8) Mt 14,13 . (9) Mt 19,2 . (10) Mt 20,34 . (11) Mt 27,55 . Mc (1) : Mc 1,18 . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 9,11 . (3) Lc 22,39 . Joh (2) : (1) Joh 1,37 . (2) Joh 11,31 . Hnd (1) : Hnd 13,43 . Variante lezing in : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 3,7 . Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) , in Lc (17) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 . In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn .

  akoloutheô (volgen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. aor. 3de pers. mv. èkolouthèsan  19  18  11      15  17     
  Totaal   13 90 25 18 17 19 4 1 6 60 79 1  

Door iemand te volgen kan je je gedrag in woord en daad verantwoorden op basis van degene die je volgt . Iemand volgen kan ook de behoefte uitdrukken om van iemand te leren om een persoonlijk gedrag te ontwikkelen . In het eerste geval is er sprake van imitatie (navolging) , in het tweede geval van zelfwording . In de zelfwording is men zelf verantwoordelijk voor zijn gedrag . Wat beoogde Jezus : de navolging van Jezus of het zelfstandig worden .

17. nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès (leerling) . Lc (10) : (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 . (9) Lc 18,15 .  (10) Lc 22,39 . Een vorm van in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . In Lc 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
5 nom. mv. mathètai 105   105 38 17 10 36 4     65 101
8 acc. mv. mathètas 39   39 10 7 13 1 8     30  31 
Totaal       262 73 46 37 78 28        

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  
  mathètès (leerling) Lc  Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 22
1 nom. enk. mathètès 4   (1) Lc 6,40 .             (2) Lc 14,26 - (3) Lc 14,27 . (3) Lc 14,33 .            
2 nom. mv. mathètai 10 (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 .             (9) Lc 18,15 .     (10) Lc 22,39 .
3 gen. mann. mv. mathètôn 7   (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 .      (3) Lc 9,40   (4) Lc 11,1 .           (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 .   (7) Lc 22,11 .    
4 dat. mv. mathètais 3         (1) Lc 9,16 .               (2) Lc 19,39 .   (3) Lc 20,45 .  
5 acc. mv. mathètas 13 (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .     (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .   (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .       (13) Lc 22,45 .
  Totaal   37

In Lc vinden we opmerkelijk minder de nom. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) dan de andere evangelisten . Daartegenover vinden we meer de acc. mv. vorm μαθητας = mathètas dan de andere evangelisten .


329. Jezus in Getsemane : Lc 22,40-46 - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -

Lc 22,40 - Lc 22,40 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:40 genomenos de epi tou topou eipen autois proseuchesthe mè eiselthein eis peirasmon  40 et cum pervenisset ad locum dixit illis orate ne intretis in temptationem    40 En als Hij aan die plaats gekomen was, zeide Hij tot hen: Bidt, dat gij niet in verzoeking komt.   [40] Toen Hij daar was, zei Hij hun: ‘Bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’  [40] Toen hij daar was aangekomen, zei hij tegen hen: ‘Bid dat jullie niet in beproeving komen.’  40 Op de plek aangekomen zegt hij tot hen: bidt dat ge niet in beproeving komt!  40. Parvenu en ce lieu, il leur dit : « Priez, pour ne pas entrer en tentation. » 

King James Bible . [40] And when he was at the place, he said unto them, Pray that ye enter not into temptation.
Luther-Bibel . 40 Und als er dahin kam, sprach er zu ihnen: Betet, damit ihr nicht in Anfechtung fallt!

Tekstuitleg van Lc 22,40 .

6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

8. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. proseuchesthe (bidt) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 6,28 .  (2) Lc 22,40 .  (3) Lc 22,46 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .

Lc 22,41 - Lc 22,41 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:41 kai autos apespasthè ap autôn ôsei lithou bolèn kai theis ta gonata prosèucheto   41 et ipse avulsus est ab eis quantum iactus est lapidis et positis genibus orabat     41 En Hij scheidde Zich van hen af, omtrent een steenworp; en knielde neder en bad,   [41] Hij verwijderde zich van hen, ongeveer een steenworp ver; daar viel Hij op zijn knieën en bad:  [41] En hij liep bij hen weg, tot ongeveer een steenworp ver, en knielde daarna neer om te bidden. Hij bad:   41 Zelf zondert hij zich van hen af, op ongeveer een steenworp; op de knieën neergevallen heeft hij gebeden,  41. Puis il s'éloigna d'eux environ un jet de pierre et, fléchissant les genoux, il priait en disant : 

King James Bible . [41] And he was withdrawn from them about a stone's cast, and kneeled down, and prayed,
Luther-Bibel . 41 Und er riss sich von ihnen los, etwa einen Steinwurf weit, und kniete nieder, betete

Tekstuitleg van Lc 22,41 .

13. ind. imperf. 3de pers. enk. prosèucheto (hij bad) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 18,11 .  (2) Lc 22,41 . (3) Lc 22,44 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .

Lc 22,42 - Lc 22,42 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:42 legôn pater ei boulei parenegke touto to potèrion ap emou plèn mè to thelèma mou alla to son ginesthô  42 dicens Pater si vis transfer calicem istum a me verumtamen non mea voluntas sed tua fiat    42 Zeggende: Vader, of Gij wildet dezen drinkbeker van Mij wegnemen, doch niet Mijn wil, maar de Uwe geschiede.   [42] ‘Vader, neem alstublieft deze beker van Mij weg; maar toch, laat niet mijn wil gebeuren, maar die van U.’   [42] ‘Vader, als u het wilt, neem dan deze beker van mij weg. Maar laat niet wat ik wil, maar wat u wilt gebeuren.’   42 zeggend: Vader, als ge wilt, draag deze drinkbeker van mij weg; maar niet míjn wil maar de uwe moet geschieden!  42. « Père, si tu veux, éloigne de moi cette coupe ! Cependant, que ce ne soit pas ma volonté, mais la tienne qui se fasse ! » 

King James Bible . [42] Saying, Father, if thou be willing, remove this cup from me: nevertheless not my will, but thine, be done.
Luther-Bibel . 42 und sprach: Vater, willst du, so nimm diesen Kelch von mir; doch nicht mein, sondern dein Wille geschehe!

Tekstuitleg van Lc 22,42 . De tekst bestaat uit 19 woorden en 81 letters . De inleiding op het citaat bestaat uit 1 woord en 5 letters . Het citaat bestaat uit 18 woorden en 76 (4 X 19) letters .

Lc 22,42.1. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,42.2. vocatief mann. enk. pater (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (11) : (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 . (3) Lc 15,12 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,24 (pater Abraam) . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 16,30 (pater Abraam) . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 . In vijf verzen richt Jezus zich tot God als 'Vader' : (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 . De eerste maal gebruikt Jezus het woord 'vader' in een dankgebed (Lc 10,21) , de laatste maal op het kruis (Lc 23,46) .
(1) Lc 10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc 11,2 (het Onzevader) .
(3) Lc 22,42 (Jezus in Getsemane) .
(4) Lc 23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(5) Lc 23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd worden , zoon van God (Lc 1,35) . Bij de doop (Lc 3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde , in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc 9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene . Luistert naar hem (Lc 9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie . Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God" (Lc 22,70) .
In de aanroeping 'Vader' ligt de kern van het hele evangelie . Deze aanroeping geeft de relatie tussen Jezus en zijn Vader weer . Deze relatie wordt niet in filosofische termen weergegeven . Deze relatie is een mystieke beleving en wordt in 'mystieke' termen weergegeven .
Slechts vijfmaal roept Jezus zijn 'Vader' aan . Het is telkens een gebed . De bundeling van die verschillende gebeden gebeurt in het Onzevader .

Lc 22,42.6. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .
- Lat. hic - haec - hoc . Fr. ceci . Ned. deze , dat / dit . D. der - die - das . E. this - that .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

Lc 22,42.8. ποτηριον = potèrion (beker) . Taalgebruik in het NT : potèrion (beker) . Taalgebruik in de LXX : potèrion (beker) . NT (21) . Ev. (14) . Mt (5) : (1) Mt 10,32 . (2) Mt 20,22 . (3) Mt 20,23 . (4) Mt 26,27 . (5) Mt 26,39 . Mc (5) : (1) Mc 9,41 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 14,23 . (5) Mc 14,36 . Lc (3) : (1) Lc 22,17 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . Joh (1) : Joh 18,11 . 1 Kor (5) : (1) 1 Kor 10,16 . (2) 1 Kor 10,21 . (3) 1 Kor 11,25 . (4) Kor 11,26 . (5) 1 Kor 11,27 . Apk (2) : (1) Apk 16,19 . (2) Apk 17,4 . Een vorm van ποτηριον = potèrion in het OT (33) , in het NT (31) .

  potèrion (beker)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk.  potèrion 41  20  21    13  14     

7. - 8. το ποτηριον = to potèrion (de beker) . Bijbel (17/21) . Niet in (1) Mc 9,41 . (2) Lc 22,17 . (3) 1 Kor 10,21 . (4) Apk 17,4 .

6. - 8. τουτο το ποτηριον = touto to potèrion (deze beker) . Bijbel (3) : (1) variante lezing : Mt 26,42 . (2) Lc 22,20 . (3) 1 Kor 11,25 .
- το ποτηριον τουτο = to potèrion touto (deze beker) . Bijbel (3) : (1) Mt 26,39 . (2) Lc 22,42 (variante lezing) . (3) Kor 11,26 .

14. thelèma (wil) . Verwijzing : thelèma (wil) zie Mt 6,10 .

18. ginesthô (worde, gebeure) . Imperatief praesens derde persoon enkelvoud . In tien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In zeven verzen in het NT : (1) Lc 22,26 . (2) Lc 22,42 . (3) Hnd 21,14 .
- imperat. aor. 3de pers. enk. γενηθητω = genèthètô (het gebeure) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : ginomai (worden) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Bijbel (31) . LXX (24) . NT (7) : (1) Mt 6,10 . (2) Mt 8,13 . (3) Mt 9,29 . (4) Mt 15,28 . (5) Mt 26,42 . (6) Hnd 1,20 . (7) Rom 11,9 .

Lc 22,43 - Lc 22,43 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:43 [[ôfthè de autô aggelos | apo tou | ap | ouranou enischuôn auton  43 apparuit autem illi angelus de caelo confortans eum et factus in agonia prolixius orabat    43 En van Hem werd gezien een engel uit den hemel, die Hem versterkte.  [43] Toen verscheen Hem een engel uit de hemel die Hem kracht gaf. [43] Uit de hemel verscheen hem een engel om hem kracht te geven.*   43 Dan laat zich aan hem een engel uit de hemel zien die hem sterkt.  43. Alors lui apparut, venant du ciel, un ange qui le réconfortait. 

King James Bible . [43] And there appeared an angel unto him from heaven, strengthening him.
Luther-Bibel . 43 Es erschien ihm aber ein Engel vom Himmel und stärkte ihn.

Tekstuitleg van Lc 22,43 . Het vers Lc 22,43 telt 8 (2³) woorden en 40 (2³ X 5) letters . De getalwaarde van Lc 22,43 is 7257 (3 X 41 X 59) .

Lc 22,43.1. ind. aor. 3de pers. enk. ôfthè (hij liet zich zien , hij verscheen) van het werkw. horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : horaô (zien) . Taalgebruik in Mc : horaô (zien) . Taalgebruik in Lc : horaô (zien) . Lc (3) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 22,43 . (3) Lc 24,34 . Een vorm van horaô (zien) in Lc in 14 verzen .

Lc 22,43.4. nom. mann. enk. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Taalgebruik in Lc : aggelos (engel) . Bijbel (155) . OT (108) . NT (47) . Gn (10) : (1) Gn 16,7. (2) Gn 16,8 . (3) Gn 16,9 . (4) Gn 16,10 . (5) Gn 16,11 . (6) Gn 21,17 . (7) Gn 22,11 . (8) Gn 22,15 . (9) Gn 31,11 . (10) Gn 48,16 . Ex (5) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 4,24 . (3) Ex 14,19 . (4) Ex 23,23 . (5) Ex 32,34 . Lc (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 . (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10 . (10) Lc 22,43 . Een vorm van αγγελος = aggelos in de LXX (350) , in het NT (175) , in Lc (25) , in Lc 1 (10) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,19 . (5) Lc 1,26 . (6) Lc 1,28 . (7) Lc 1,30 . (8) Lc 1,34 .(9) Lc 1,35 . (10) Lc 1,38 . In Lc 2 (5) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,10 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,21 . In Lc : 8 vormen van αγγελος = aggelos (engel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen . In 14 verzen in de kindsheidsverhalen (Lc 1-2) . In 2 verzen in de verschijningsverhalen . Voor de rest van het evangelie nog 10 verzen , waarvan 6 verzen in de gen. mv. .

  aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. enk. aggelos 155 108 47 6   10 1 11 2 17 16 17

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
  aggelos (engel) Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 4 Lc 7 Lc 9 Lc 12 Lc 15 Lc 16 Lc 22 Lc 24
1 nom. enk. aggelos 10 (1) Lc 1,11 . (2) Lc 1,13 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,26 . (5) Lc 1,30 . (6) Lc 1,35 . (7) Lc 1,38 (8) Lc 2,9 . (9) Lc 2,10             (10) Lc 22,43  
2 gen. enk. aggelou 1   (1) Lc 2,21                
3 dat. enk. aggelôi 1   (1) Lc 2,13 .                  
4 acc. enk. aggelon 3 (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 .       (3) Lc 7,27            
5 nom. + voc. mv. aggeloi 1   (1) Lc 2,15 .                  
6 gen. mv. aggelôn 7       (1) Lc 7,24 .   (2) Lc 9,26 .   (3) Lc 12,8 . (4) Lc 12,9 .   (5) Lc 15,15 .   (6) Lc 16,22 .     (7) Lc 24,23
7 dat. mann. mv. aggelois 1     (1) Lc 4,10 .                
8 acc. mv. aggelous 1         (1) Lc 9,52 .            
  Totaal   25

- מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 .
- Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Arabisch : مَلَك = malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11) .

Lc 22,43.1. - 6. ôfthè de autôi aggelos ('maar' een engel verscheen hem) .
(1) Lc 1,11 : ôfthè de autôi aggelos kuriou = 'maar' een engel van de Heer verscheen hem .
(2) Lc 22,43 : ôfthè de autôi aggelos ap'ouranou = 'maar' een engel uit de hemel verscheen hem .

Lc 22,44 - Lc 22,44 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:44 kai genomenos en agônia ektenesteron prosèucheto kai egeneto o idrôs autou ôsei thromboi aimatos katabainontes epi tèn gèn]]   44 et factus est sudor eius sicut guttae sanguinis decurrentis in terram    44 En in zwaren strijd zijnde, bad Hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk grote droppelen bloeds, die op de aarde afliepen.  [44] Hij werd doodsbang en bad nog dringender; zijn zweet viel als bloeddruppels op de grond.  [44] Hij werd overvallen door doodsangst, maar bleef bidden; zijn zweet viel in grote druppels als bloed op de grond.   44 Hij wordt doodsbang en heeft nog dringender gebeden; zijn zweet wordt als druppels bloed die neerdalen op de aarde;  44. Entré en agonie, il priait de façon plus instante, et sa sueur devint comme de grosses gouttes de sang qui tombaient à terre. 

King James Bible . [44] And being in an agony he prayed more earnestly: and his sweat was as it were great drops of blood falling down to the ground.
Luther-Bibel . 44 Und er rang mit dem Tode und betete heftiger. Und sein Schweiß wurde wie Blutstropfen, die auf die Erde fielen.

Tekstuitleg van Lc 22,44 .

6. ind. imperf. 3de pers. enk. prosèucheto (hij bad) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 18,11 .  (2) Lc 22,41 . (3) Lc 22,44 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .

Lc 22,45 - Lc 22,45 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:45 kai anastas apo tès proseuchès elthôn pros tous mathètas euren koimômenous autous apo tès lupès 45 et cum surrexisset ab oratione et venisset ad discipulos suos invenit eos dormientes prae tristitia     45 En als Hij van het gebed opgestaan was, kwam Hij tot Zijn discipelen, en vond hen slapende van droefheid.  [45] Na dit gebed stond Hij op en ging naar de leerlingen. Hij vond ze in slaap, zo verdrietig waren ze.  [45] Toen hij na zijn gebed opstond en terugliep naar de leerlingen, zag hij dat ze van verdriet in slaap waren gevallen,   45 als hij opstaat van zijn gebed, en bij de leerlingen komt, vindt hij hen slapend, van verdriet.  45. Se relevant de sa prière, il vint vers les disciples qu'il trouva endormis de tristesse, 

King James Bible . [45] And when he rose up from prayer, and was come to his disciples, he found them sleeping for sorrow,
Luther-Bibel . 45 Und er stand auf von dem Gebet und kam zu seinen Jüngern und fand sie schlafend vor Traurigkeit

Tekstuitleg van Lc 22,45 .

Lc 22,45.7. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

9. acc. mann. mv. μαθητας = mathètas (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Lc : mathètès (leerling) . Lc (13) : (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .  (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .  (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .  (13) Lc 22,45 . Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262) , in Lc (37) . In Lc 5 verschillende vormen in 15 hoofdstukken en 37 verzen .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
8 acc. mv. mathètas 39   39 10 7 13 1 8     30  31 
  Totaal   256   256 71 43 37 77 28     151  228 

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15.  
  mathètès (leerling) Lc  Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 14 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 22
1 nom. enk. mathètès 4   (1) Lc 6,40 .             (2) Lc 14,26 - (3) Lc 14,27 . (3) Lc 14,33 .            
2 nom. mv. mathètai 10 (1) Lc 5,33 . (2) Lc 6,1 . (3) Lc 7,11 . (4) Lc 7,18 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,22 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 9,54 .             (9) Lc 18,15 .     (10) Lc 22,39 .
3 gen. mann. mv. mathètôn 7   (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 .      (3) Lc 9,40   (4) Lc 11,1 .           (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 .   (7) Lc 22,11 .    
4 dat. mv. mathètais 3         (1) Lc 9,16 .               (2) Lc 19,39 .   (3) Lc 20,45 .  
5 acc. mv. mathètas 13 (1) Lc 5,30 . (2) Lc 6,13 . (3) Lc 6,20 .     (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,1 . (8) Lc 12,1 . (9) Lc 12,22 .   (10) Lc 16,1 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 .       (13) Lc 22,45 .
  Totaal   37

Lc 17,1.7. - 9. προς τους μαθητας = pros tous mathètas (tot de leerlingen) . NT (14) : (1) Mt 26,40 . (2) Mt 26,45 . (3) Mc 9,14 . (4) Lc 5,30 . (5) Lc 9,14 . (6) Lc 9,43 . (7) Lc 10,22 . (8) Lc 10,23 . (9) Lc 12,1 . (10) Lc 12,22 . (11) Lc 16,1 . (12) Lc 17,1 . (13) Lc 17,22 . (14) Lc 22,45 .

Lc 22,46 - Lc 22,46 : 329. Jezus in Getsemane - Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,40 - Lc 22,41 - Lc 22,42 - Lc 22,43 - Lc 22,44 - Lc 22,45 - Lc 22,46 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:46 kai eipen autois ti katheudete anastantes proseuchesthe ina mè eiselthète eis peirasmon   46 et ait illis quid dormitis surgite orate ne intretis in temptationem    46 En Hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.   [46] Hij zei hun: ‘Wat slapen jullie? Sta op en bid dat jullie in de beproeving niet bezwijken.’  [46] en hij zei tegen hen: ‘Waarom slapen jullie? Sta op en bid dat jullie niet in beproeving komen.’  46 Hij zegt tot hen: wat slaapt ge!– staat op en bidt dat ge niet in beproeving komt!  46. et il leur dit : « Qu'avez-vous à dormir ? Relevez-vous et priez, pour ne pas entrer en tentation. »  

King James Bible . [46] And said unto them, Why sleep ye? rise and pray, lest ye enter into temptation.
Luther-Bibel . 46 und sprach zu ihnen: Was schlaft ihr? Steht auf und betet, damit ihr nicht in Anfechtung fallt!  

Tekstuitleg van Lc 22,46 .

Lc 22,46.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,46.1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

Lc 22,46.6. act. part. aor. nom. mann. mv. ανασταντες = anastantes (opstaande) . Zie : ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Tenakh (18) : (1) Gn 22,19 . (2) Gn 26,31 . (3) Gn 35,3 . (4) Gn 43,8 . (5) Gn 43,13 . (6) Gn 43,15 . (7) Nu 22,14 . (8) Joz 18,4 . (9) Joz 18,8 . (10) Js 21,5 . (11) Ps 35,11 . (12) 1 Mak 16,5 . (13) Mc 14,57 . (14) Lc 4,29 . (15) Lc 22,46 . (16) Lc 24,33 . (17) Hnd 5,6 . (18) Hnd 23,9 . Een vorm van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in de LXX (539) , in het NT (107) , in Lc (29) , in Lc 4 (4) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 4,39 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
-- act. part. aor. nom. mann. mv. εξανασταντες = exanastantes (opstaande) . Zie : ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Tenakh (2) : (1) Gn 18,16 . (2) Js 37,36 . Een vorm van εξανιστημι = exanistèmi (opstaan) in de LXX (41) , in het NT (3) .
- Hebreeuws . וַיָּקֻמוּ = wajjâqumû (en zij stonden op) < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. קוּם = qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (27) . Pentateuch (6) : (1) Gn 18,16 . (2) Gn 22,19 . (3) Gn 37,35 . (4) Gn 43,15 . (5) Ex 32,6 . (6) Nu 16,2 . Eerdere Profeten (14) . Latere Profeten ( 1) : Jr 26,17 . 12 Kleine Profeten (0) . Geschriften (6) : (1) 2 Kr 20,19 . (2) 2 Kr 28,12 . (3) 2 Kr 28,15. (4) 2 Kr 29,12 . (5) 2 Kr 30,14 . (6) 2 Kr 30,27 . Eerdere Profeten (14) : (1) Joz 18,4 . (2) Joz 18,8 . (3) Re 20,5 . (4) Re 20,18 . (5) 1 S 17,52 . (6) 1 S 28,25 . (7) 2 S 2,15 . (8) 2 S 12,17 . (9) 2 S 13,29 . (10) 1 K 1,49 . (11) 1 K 11,18 . (12) 2 K 3,24 . (13) 2 K 12,21 . (14) 2 K 25,26 . Een vorm van קוּם = qûm (opstaan) (627) .

7. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. proseuchesthe (bidt) van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Lc : proseuchomai (bidden) . Lc (3) : (1) Lc 6,28 .  (2) Lc 22,40 .  (3) Lc 22,46 . Een vorm van proseuchomai (bidden) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 3,21 . (3) Lc 5,16 . (4) Lc 6,12 . (5) Lc 6,28 . (6) Lc 9,18 . (7) Lc 9,28 . (8) Lc 9,29 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,2 . (11) Lc 18,1 . (12) Lc 18,10 . (13) Lc 18,11 . (14) Lc 20,47 . (15) Lc 22,40 . (16) Lc 22,41 . (17) Lc 22,44 . (18) Lc 22,46 .


330. Gevangenneming van Jezus : Lc 22,47-53 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -

Lc 22,47 - Lc 22,47 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:47 eti autou lalountos idou ochlos kai o legomenos ioudas eis tôn dôdeka proèrcheto autous kai èggisen tô ièsou filèsai auton   47 adhuc eo loquente ecce turba et qui vocabatur Iudas unus de duodecim antecedebat eos et adpropinquavit Iesu ut oscularetur eum    47 En als Hij nog sprak, ziet daar een schare; en een van de twaalven, die genaamd was Judas, ging hun voor, en kwam bij Jezus, om Hem te kussen.   [47] Hij was nog niet uitgesproken of er verscheen opeens een hoop volk. Judas, een van de twaalf, liep voorop en kwam op Jezus af om Hem een kus te geven.   [47] Terwijl hij nog sprak, kwam er opeens een horde mensen aan. Voorop liep de man die Judas heette, een van de twaalf; hij ging naar Jezus toe om hem te kussen.   47 ¶ Terwijl hij nog spreekt, ziedaar, een schare; hij die Judas heet, één van de twaalf, is voor hen uit gegaan; hij nadert Jezus om hem te kussen.  47. Tandis qu'il parlait encore, voici une foule, et à sa tête marchait le nommé Judas, l'un des Douze, qui s'approcha de Jésus pour lui donner un baiser. 

King James Bible . [47] And while he yet spake, behold a multitude, and he that was called Judas, one of the twelve, went before them, and drew near unto Jesus to kiss him.
Luther-Bibel . 47 Als er aber noch redete, siehe, da kam eine Schar; und einer von den Zwölfen, der mit dem Namen Judas, ging vor ihnen her und nahte sich zu Jesus, um ihn zu küssen.

Tekstuitleg van Lc 22,47 . Het vers Lc 22,47 telt 21 (3 X 7) woorden en 102 (2 X 3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 22,47 is 14080 (2³ X 2³ X 2² X 11) .

Lc 22,47.13. ind. imperf. 3de pers. enk. proèrcheto (hij ging voor) van het werkw. proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in het NT : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Taalgebruik in Lc : proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) . Lc (1) Lc 22,47 . Een vorm van proerchomai (vooraf gaan, voorgaan) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 22,47 .
Lc 22,47 . Tegenover Jezus , die zijn slapende leerlingen wakker maakte en hen vraagt opdat zij niet op de beproeving zouden ingaan , kwam Judas (met een menigte achter zich) . proèrcheto (hij ging voorop , hij ging op kop) . Het is een hapax vorm in de bijbel . In Hnd 1,16 wordt hij hodègos (hodos = weg , en agô = voeren , leiden ; vandaar : weg-leider , aanvoerder) . Judas kende de weg , want hij had die weg zovele malen met Jezus en met zijn collega's afgelegd 's avonds en 's morgens . Hij ging op kop om Jezus te kussen en hem over te leveren . Vanaf dat moment is Judas' rol uitgespeeld . Zijn rol bestond juist in het overleveren van Jezus .

Lc 22,48 - Lc 22,48 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:48 ièsous de eipen autô iouda filèmati ton uion tou anthrôpou paradidôs   48 Iesus autem dixit ei Iuda osculo Filium hominis tradis    48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des mensen met een kus?  [48] Jezus zei hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon over met een kus?’  [48] Maar Jezus zei tegen hem: ‘Judas, lever je de Mensenzoon uit met een kus?’  48 Maar Jezus zegt tot hem: Judas, geef je de mensenzoon prijs met een kus?   48. Mais Jésus lui dit : « Judas, c'est par un baiser que tu livres le Fils de l'homme ! »  

King James Bible . [48] But Jesus said unto him, Judas, betrayest thou the Son of man with a kiss?
Luther-Bibel . 48 Jesus aber sprach zu ihm: Judas, verrätst du den Menschensohn mit einem Kuss?

Tekstuitleg van Lc 22,48 .

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

5. iouda (Juda) . Taalgebruik in het NT : iouda (Juda) . Taalgebruik in Lc : iouda (Juda) . Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 3,30 . (3) Lc 3,33 . (4) Lc 22,48 .

Lc 22,49 - Lc 22,49 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:49 idontes de oi peri auton to esomenon eipan kurie ei pataxomen en machairè  49 videntes autem hii qui circa ipsum erant quod futurum erat dixerunt ei Domine si percutimus in gladio    49 En die bij Hem waren, ziende, wat er geschieden zou, zeiden tot Hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?   [49] Toen zijn metgezellen zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we erop inslaan met het zwaard?’  [49] Toen degenen die bij hem stonden zagen wat er ging gebeuren, vroegen ze: ‘Heer, zullen we er met het zwaard op los slaan?’  49 Als die om hem heen staan zien wat het gaat worden, zeggen zij: heer, als wij eens slaan met een zwaard?  49. Voyant ce qui allait arriver, ses compagnons lui dirent : « Seigneur, faut-il frapper du glaive ? »  

King James Bible . [49] When they which were about him saw what would follow, they said unto him, Lord, shall we smite with the sword?
Luther-Bibel . 49 Als aber, die um ihn waren, sahen, was geschehen würde, sprachen sie: Herr, sollen wir mit dem Schwert dreinschlagen?

Tekstuitleg van Lc 22,49 .

Lc 22,50 - Lc 22,50 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:50 kai epataxen eis tis ex autôn tou archiereôs ton doulon kai afeilen to ous autou to dexion   50 et percussit unus ex illis servum principis sacerdotum et amputavit auriculam eius dextram    50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des hogepriesters, en hieuw hem zijn rechteroor af.   [50] En een van hen sloeg in op de knecht van de hogepriester en hakte hem het rechteroor af.  [50] En een van hen sloeg in op de dienaar van de hogepriester en sloeg hem zijn rechteroor af.   50 En zomaar één van hen slaat op de dienaar van de hogepriester in en hakt hem het rechteroor af.   50. Et l'un d'eux frappa le serviteur du grand prêtre et lui enleva l'oreille droite.  

King James Bible . [50] And one of them smote the servant of the high priest, and cut off his right ear.
Luther-Bibel . 50 Und einer von ihnen schlug nach dem Knecht des Hohenpriesters und hieb ihm sein rechtes Ohr ab.

Tekstuitleg van Lc 22,50 .

8. gen. mann. enk. archiereôs van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 22,51 - Lc 22,51 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:51 apokritheis de | [o] | o | ièsous eipen eate eôs toutou kai apsamenos tou ôtiou iasato auton   51 respondens autem Iesus ait sinite usque huc et cum tetigisset auriculam eius sanavit eum     51 En Jezus, antwoordende, zeide: Laat hen tot hiertoe geworden; en raakte zijn oor aan, en heelde hem.   [51] Maar Jezus antwoordde: ‘Houd daarmee op!’ Hij raapte het oor op en genas hem.   [51] Maar Jezus zei: ‘Houd daarmee op. Zo is het genoeg!’ Hij raakte het oor aan en genas de man.  51 Maar ten antwoord zegt Jezus: laat het hierbij. Hij pakt de oorschelp en geneest die.  51. Mais Jésus prit la parole et dit : « Restez-en là. » Et, lui touchant l'oreille, il le guérit.  

King James Bible . [51] And Jesus answered and said, Suffer ye thus far. And he touched his ear, and healed him.
Luther-Bibel . 51 Da sprach Jesus: Lasst ab! Nicht weiter! Und er rührte sein Ohr an und heilte ihn.

Tekstuitleg van Lc 22,51 .

5. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

1. - 5. apokritheis de ho ièsous eipen (geantwoord echter zei Jezus) in Lc (3) : (1) Lc 9,41 . (2) Lc 17,17 . (3) Lc 22,51 .

Lc 22,52 - Lc 22,52 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:52 eipen de ièsous pros tous paragenomenous ep auton archiereis kai stratègous tou ierou kai presbuterous ôs epi lèstèn exèlthate meta machairôn kai xulôn  52 dixit autem Iesus ad eos qui venerant ad se principes sacerdotum et magistratus templi et seniores quasi ad latronem existis cum gladiis et fustibus   52 En Jezus zeide tot de overpriesters, en de hoofdmannen des tempels, en ouderlingen, die tegen Hem gekomen waren: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen een moordenaar?   [52] Tegen de hogepriesters, de tempelwacht en de oudsten die op Hem af waren gekomen, zei Jezus: ‘Alsof Ik een bandiet ben, zo bent u met zwaarden en stokken op Me afgekomen.  [52] Tegen de hogepriesters en tempelwachters en de oudsten van het volk die op hem afgekomen waren, zei hij: ‘Als tegen een misdadiger bent u uitgetrokken met zwaarden en knuppels?  52 Dan zegt Jezus tot de overpriesters, de bewakers van het heiligdom en de oudsten die op hem afgekomen zijn: als tegen een rover zijt ge uitgetrokken met zwaarden en stokken!–  52. Puis Jésus dit à ceux qui s'étaient portés contre lui, grands prêtres, chefs des gardes du Temple et anciens : « Suis-je un brigand, que vous vous soyez mis en campagne avec des glaives et des bâtons ? 

King James Bible . [52] Then Jesus said unto the chief priests, and captains of the temple, and the elders, which were come to him, Be ye come out, as against a thief, with swords and staves?
Luther-Bibel . 52 Jesus aber sprach zu den Hohenpriestern und Hauptleuten des Tempels und den Ältesten, die zu ihm hergekommen waren: Ihr seid wie gegen einen Räuber mit Schwertern und mit Stangen ausgezogen.

Tekstuitleg van Lc 22,52 .

4. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

9. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

13. gen. onz. enk. hierou van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (4) : (1) Lc 2,37 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 21,5 . (4) Lc 22,52 . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .

Lc 22,53 - Lc 22,53 : 330. Gevangenneming van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,47 - Lc 22,48 - Lc 22,49 - Lc 22,50 - Lc 22,51 - Lc 22,52 - Lc 22,53 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:53 kath èmeran ontos mou meth umôn en tô ierô ouk exeteinate tas cheiras ep eme all autè estin umôn è ôra kai è exousia tou skotous 53 cum cotidie vobiscum fuerim in templo non extendistis manus in me sed haec est hora vestra et potestas tenebrarum    53 Als Ik dagelijks met u was in den tempel, zo hebt gij de handen tegen Mij niet uitgestoken; maar dit is uw ure, en de macht der duisternis.   [53] Dag in dag uit was Ik bij u in de tempel, en u hebt Me niet aangehouden; maar dit is uw tijd, nu de duisternis regeert.’  [53] Dagelijks was ik bij u in de tempel, en toen hebt u geen vinger naar me uitgestoken, maar dit is uw uur, het uur van de macht van de duisternis.’  53 toen ik dagelijks bij u was in het heiligdom hebt ge de handen niet naar me uitgestoken; maar dit is uw uur en de macht der duisternis!   53. Alors que chaque jour j'étais avec vous dans le Temple, vous n'avez pas porté les mains sur moi. Mais c'est votre heure et le pouvoir des Ténèbres. » 

King James Bible . [53] When I was daily with you in the temple, ye stretched forth no hands against me: but this is your hour, and the power of darkness.
Luther-Bibel . 53 Ich bin täglich bei euch im Tempel gewesen und ihr habt nicht Hand an mich gelegt. Aber dies ist eure Stunde und die Macht der Finsternis.  

Tekstuitleg van Lc 22,53 .

9. dat. onz. enk. hierô(i) van het zelfst. naamw. hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in het NT : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Lc : hieron (heiligdom, tempel) . Taalgebruik in Hnd : hieron (heiligdom, tempel) . Lc (7) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . Steeds in de constructie en tô(i) hierô(i) (in de tempel) . Een vorm van hieron (heiligdom, tempel) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 2,27 . (2) Lc 2,37 . (3) Lc 2,46 . (4) Lc 4,9 . (5) Lc 18,10 . (6) Lc 19,45 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,1 . (9) Lc 21,5 . (10) Lc 21,37 . (11) Lc 21,38 . (12) Lc 22,52 . (13) Lc 22,53 . (14) Lc 24,53 . In Lc : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 8 hoofdstukken en in 14 verzen . In Hnd : 3 vormen van hieron (heiligdom, tempel) in 10 hoofdstukken en in 25 verzen .

7. - 9. en tôi hierôi (in de tempel) . Voorzetsel van plaats + lidwoord datief onzijdig enkelvoud + zelfstandig naamwoord (hieron = tempel) datief onzijdig enkelvoud . In drieëndertig verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tweeëndertig (5 + 4 + 7 + 7 + 9) verzen in het NT : Mt (5) , Mc (4) . In zeven verzen bij Lucas : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 19,47 . (3) Lc 20,1 . (4) Lc 21,37 . (5) Lc 21,38 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 24,53 . In zeven verzen bij Johannes . In negen verzen in Hnd. : (1) Hnd 2,46 . (2) Hnd 5,20 . (3) Hnd 5,25 . (4) Hnd 5,42 . (5) Hnd 21,27 . (6) Hnd 22,17 . (7) Hnd 24,12 . (8) Hnd 24,18 . (9) Hnd 26,21 .

15. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .

14. - 15. ep'eme (op mij, tegen mij) . Lc (3) : (1) Lc 4,18 . (2) Lc 22,53 . (3) Lc 23,28 .

18. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .


331. Naar de hogepriester : Lc 22,54-55 - verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 -

Lc 22,54 - Lc 22,54 : 331. Naar de hogepriester : verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:54 sullabontes de auton ègagon kai eisègagon eis tèn oikian tou archiereôs o de petros èkolouthei makrothen   54 conprehendentes autem eum duxerunt ad domum principis sacerdotum Petrus vero sequebatur a longe    54 En zij grepen Hem en leidden Hem weg, en brachten Hem in het huis des hogepriesters. En Petrus volgde van verre.   [54] Zij namen Hem gevangen en brachten Hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde op een afstand.  [54] Ze grepen hem vast en voerden hem weg, en brachten hem naar het huis van de hogepriester. Petrus volgde hen op een afstand.   54 ¶ Ze nemen hem vast, leiden hem weg en leiden hem naar het huis van de hogepriester. Petrus is van verre gevolgd.   54. L'ayant donc saisi, ils l'emmenèrent et l'introduisirent dans la maison du grand prêtre. Quant à Pierre, il suivait de loin.

King James Bible . [54] Then took they him, and led him, and brought him into the high priest's house. And Peter followed afar off.
Luther-Bibel . 54 Sie ergriffen ihn aber und führten ihn ab und brachten ihn in das Haus des Hohenpriesters. Petrus aber folgte von ferne.

Tekstuitleg van Lc 22,54 . Het vers Lc 22,54 telt 17 woorden en 90 (2 X 3² X 5) letters . De getalwaarde van Lc 22,54 is 8652 (2² X 3 X 7 X 103) .

Lc 22,54.1. act. part. aor. nom. mann. mv. sullabontes (meegenomen) van het werkw. sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in het NT : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Taalgebruik in Lc : sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) . Lc (1) Lc 22,54 . Een vorm van sullambanô (samen nemen, meenemen, zwanger worden) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 1,31 . (3) Lc 1,36 . (4) Lc 2,21 . (5) Lc 5,7 . (6) Lc 5,9 . (7) Lc 22,54 . In het verhaal van Lucas wordt Jezus meegenomen (sullabontes) . In Hnd 1,16 spreekt Petrus over Judas die aanvoerder werd voor hen die Jezus hebben meegenomen (sullabousin : act. participium aorist dat. mannelijk meervoud) . Deze vorm slechts in één vers in de bijbel , nl. Hnd 1,16 . Jezus wordt naar het huis van de hogepriester geleid . Het 'huis' lijkt een privé-residentie van de hogepriester te zijn . Hier wordt Jezus gedurende de nacht in hechtenis gehouden . Hier spelen de mannen die hem hebben meegenomen een spelletje met hem ; ze bespotten en slaan hem . Hier komt het sanhedrin niet bijeen . Hier heeft geen rechtszitting plaats . Lc 22,54 en Lc 22,63 - Lc 22,64 omsluiten het verhaal van de verloochening van Jezus door Petrus .

Lc 22,54.4. Jezus wordt (weg) geleid naar de hogepriester , naar Pilatus , naar de executieplaats . Matteüs en Marcus gebruiken de term wegleiden en wegvoeren . Lucas doet dat niet . Die termen zouden de indruk kunnen geven dat Jezus een crimineel is die wordt weggeleid of weggevoerd (afgevoerd) .
apègagon (zij leidden weg) . Verwijzing : agô (leiden, voeren) . Ind. aor. 3de pers. enk. van het werkw. agô (leiden , voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . In twaalf verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In zeven verzen in het NT : Mt (3) . Mc (2) . Lc (2) . Concreet : (1) Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) . (2) Mt 27,2 . (3) Mt 27,31 // Lc 23,26 . (4) Mc 14,53 // Mt 26,57 // (Lc 22,54) . (5) Mc 15,16 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,26 .

Lc 22,54.7. - 9. eis ton oikon (naar het huis) in Lc (16) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,40 . (3) Lc 1,56 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 5,25 . (6) Lc 6,4 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,39 . (9) Lc 8,41 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 10,38 . (12) Lc 11,24 . (13) Lc 15,6 . (14) Lc 16,27 . (15) Lc 18,14 . (16) Lc 22,54 .

11. gen. mann. enk. archiereôs van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (3) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 22,50 . (3) Lc 22,54 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 22,54.14. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) . Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

Lc 22,54.15. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (4) : (1) Lc 5,28 . (2) Lc 18,43 . (3) Lc 22,54 . (4) Lc 23,27 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .

Mt 26,57 // Mc 14,53 // (Lc 22,54) Mc 14,53 (Lc 22,54) Lc 22,66
Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) Kai (en) Sullabontes de (Meegenomen echter)  
ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem)  
apègagon (leidden zij weg) apègagon (leidden zij weg) ègagon (leidden zij) ) kai eisègagon (en leidden binnen) apègagon (zij leidden weg)
  ton Ièsoun (Jezus)   auton (hem) 
      eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin) .  

ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô (leiden) , zie Lc 23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô (leiden , voeren) . In negenendertig verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het NT : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden .

Lc 22,55 - Lc 22,55 : 331. Naar de hogepriester : verwijzingen - Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 -- Lc 22,54 - Lc 22,55 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:55 periapsantôn de pur en mesô tès aulès kai sugkathisantôn ekathèto o petros mesos autôn 55 accenso autem igni in medio atrio et circumsedentibus illis erat Petrus in medio eorum    55 En als zij vuur ontstoken hadden in het midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in het midden van hen.  [55] Ze legden midden op de binnenplaats een vuur aan; daar gingen ze omheen zitten en Petrus zat tussen hen in.   [55] Ze staken een vuur aan midden op de binnenplaats en gingen eromheen zitten; Petrus voegde zich bij hen.  55 Ze leggen een vuur aan in het midden van de hof en gaan bij elkaar zitten. Petrus is midden tussen hen gaan zitten.   55. Comme ils avaient allumé du feu au milieu de la cour et s'étaient assis autour, Pierre s'assit au milieu d'eux. 

King James Bible . [55] And when they had kindled a fire in the midst of the hall, and were set down together, Peter sat down among them.
Luther-Bibel . 55 Da zündeten sie ein Feuer an mitten im Hof und setzten sich zusammen; und Petrus setzte sich mitten unter sie.

Tekstuitleg van Lc 22,55 .

12. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .


334. Verloochening van Petrus : Lc 22,56-62 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -

Bij Lucas staat het verhaal van de verloochening van Jezus door Petrus tussen de bespotting (Lc 22,54 en Lc 22,63 - Lc 22,64) van Jezus door de mannen die hem vasthouden . Het vindt plaats tijdens de nacht in de privé-residentie van de hogepriester . Er heeft nog geen bijeenkomst van het sanhedrin plaats en er is nog geen rechtszitting . Het verhaal van de verloochening vindt plaats terwijl de soldaten zich met Jezus amuseren . Bij Marcus en Matteüs vindt de verloochening plaats nadat Jezus de dood schuldig is verklaard .

Lc 22,56 - Lc 22,56 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:56 idousa de auton paidiskè tis kathèmenon pros to fôs kai atenisasa autô eipen kai outos sun autô èn   56 quem cum vidisset ancilla quaedam sedentem ad lumen et eum fuisset intuita dixit et hic cum illo erat  56 Een zeker dienstmeisje nu zag hem zitten bij het vuur, en ze richtte zich gespannen op hem (en) zei: “Ook deze was met hem”.  56 En een zekere dienstmaagd, ziende hem bij het vuur zitten, en haar ogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met Hem.   [56] In het schijnsel van het vuur zag een slavin hem zitten; ze bekeek hem nauwlettend en zei: ‘Die hoorde ook bij Hem.’   [56] Een dienstmeisje zag hem bij het vuur zitten, keek hem strak aan en zei: ‘Die man hoorde er ook bij!’    56 Maar zomaar een slavinnetje ziet hem bij het schijnsel zitten, staart hem aan en zegt: hij was ook bij hem!  56. Une servante le vit assis près de la flambée et, fixant les yeux sur lui, elle dit : « Celui-là aussi était avec lui ! » 

King James Bible . [56] But a certain maid beheld him as he sat by the fire, and earnestly looked upon him, and said, This man was also with him.
Luther-Bibel . 56 Da sah ihn eine Magd am Feuer sitzen und sah ihn genau an und sprach: Dieser war auch mit ihm.

Tekstuitleg van Lc 22,56 .

7. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

13. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,57 - Lc 22,57 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:57 o de èrnèsato legôn ouk oida auton gunai   57 at ille negavit eum dicens mulier non novi illum  57 Hij echter loochende het, zeggcnd: “Ik ken hem niet, vrouw!”  57 Maar hij verloochende Hem, zeggende: Vrouw, ik ken Hem niet.   [57] Maar hij ontkende het en zei: ‘Mens, ik ken Hem niet.’   [57] Maar hij ontkende het: ‘Ik ken hem niet eens!’ 57 Maar hij loochent het en zegt: ik ken hem niet eens, vrouw! 57. Mais lui nia en disant : « Femme, je ne le connais pas. »  

King James Bible . [57] And he denied him, saying, Woman, I know him not.
Luther-Bibel . 57 Er aber leugnete und sprach: Frau, ich kenne ihn nicht.

Tekstuitleg van Lc 22,57 .

4. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,58 - Lc 22,58 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:58 kai meta brachu eteros idôn auton efè kai su ex autôn ei o de petros efè anthrôpe ouk eimi  58 et post pusillum alius videns eum dixit et tu de illis es Petrus vero ait o homo non sum  58 En kort erna zag een ander hem (en) verklaarde: “Ook jij bent een van hen”. Petrus echter verklaarde: “Mens, ik ben het niet!”   58 En kort daarna een ander, hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mens, ik ben niet.   [58] Even later zag iemand anders hem en zei: ‘Jij bent ook een van hen.’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man.’  [58] Even later merkte een ander hem op en zei: ‘Jij bent ook een van hen!’ Maar Petrus zei: ‘Welnee man, helemaal niet.’  58 Kort daarna ziet iemand anders hem en verklaart: jij bent ook één van hen! Maar Petrus verklaart: mens, dat ben ik niet!  58. Peu après, un autre, l'ayant vu, déclara : « Toi aussi, tu en es ! » Mais Pierre déclara : « Homme, je n'en suis pas. »  

King James Bible . [58] And after a little while another saw him, and said, Thou art also of them. And Peter said, Man, I am not.
Luther-Bibel . 58 Und nach einer kleinen Weile sah ihn ein anderer und sprach: Du bist auch einer von denen. Petrus aber sprach: Mensch, ich bin's nicht.

Tekstuitleg van Lc 22,58 .

15. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

------------------------------------------------------------------------------------------
Lc 22,59 - Lc 22,59 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:59 kai diastasès ôsei ôras mias allos tis diischurizeto legôn ep alètheias kai outos met autou èn kai gar galilaios estin  59 et intervallo facto quasi horae unius alius quidam adfirmabat dicens vere et hic cum illo erat nam et Galilaeus est   59 En toen ongeveer één uur verlopen was. verzekerde een ander met nadruk, zeggend: “Naar waarheid, ook deze was met hem, want ook hij is een Galileeër”.  59 En als het omtrent een uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In der waarheid, ook deze was met Hem; want hij is ook een Galileër.  [59] Ongeveer een uur later zei iemand met grote stelligheid: ‘Wel degelijk, hij hoorde ook bij Hem; hij is immers ook een Galileeër.’  [59] En ongeveer een uur later zei nog iemand met grote stelligheid: ‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’   59 Ongeveer één uur later heeft zomaar iemand anders verzekerd en gezegd: in waarheid, ook hij was bij hem, want hij is ook een Galileeër!  59. Environ une heure plus tard, un autre soutenait avec insistance : « Sûrement, celui-là aussi était avec lui, et d'ailleurs il est Galiléen ! » Mais Pierre dit : 

King James Bible . [59] And about the space of one hour after another confidently affirmed, saying, Of a truth this fellow also was with him: for he is a Galilaean.
Luther-Bibel . 59 Und nach einer Weile, etwa nach einer Stunde, bekräftigte es ein anderer und sprach: Wahrhaftig, dieser war auch mit ihm; denn er ist ein Galiläer.

Tekstuitleg van Lc 22,59 .

9. part. pr. nom. mann. enk. legôn van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (47) . Lc 22 (5) : (1) Lc 22,19 . (2) Lc 22,20 . (3) Lc 22,42 . (4) Lc 22,57 . (5) Lc 22,59 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

20. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .

Lc 22,60 - Lc 22,60 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:60 eipen de o Petros anthrôpe ouk oida o legeis kai parachrèma eti lalountos autou efônèsen alektôr  60 et ait Petrus homo nescio quod dicis et continuo adhuc illo loquente cantavit gallus  6o Petrus echter zei: “Mens, ik weet niet waarover je spreekt!” En ogenblikkelijk, terwijl hij nog sprak, kraaide een haan.   60 Maar Petrus zeide: Mens, ik weet niet, wat gij zegt. En terstond, als hij nog sprak, kraaide de haan.  [60] Maar Petrus zei: ‘Man, ik weet niet waar je het over hebt!’ Hij had dat nog niet gezegd, of er kraaide een haan.   [60] Maar Petrus zei: ‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ En op datzelfde moment, terwijl hij nog sprak, kraaide er een haan.  60 Maar Petrus zegt: mens, ik weet niet wat je zegt! En plotseling, terwijl hij nog spreekt, kraait er een haan.  60. « Homme, je ne sais ce que tu dis. » Et à l'instant même, comme il parlait encore, un coq chanta, 

King James Bible . [60] And Peter said, Man, I know not what thou sayest. And immediately, while he yet spake, the cock crew.
Luther-Bibel . 60 Petrus aber sprach: Mensch, ich weiß nicht, was du sagst. Und alsbald, während er noch redete, krähte der Hahn.

Tekstuitleg van Lc 22,60 .

1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

4. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

15. act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen (hij riep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (2) : (1) Lc 8,54 . (2) Lc 22,60 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .

Lc 22,61 - Lc 22,61 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:61 kai strafeis o Kurios enebleyen tôi Petrôi kai upemnèsthè o Petros tou rèmatos tou Kuriou ôs eipen autôi oti prin alektora fônèsai sèmeron aparnèsèi me tris   61 et conversus Dominus respexit Petrum et recordatus est Petrus verbi Domini sicut dixit quia priusquam gallus cantet ter me negabis  61 En de Heer keerde zich om (en) hij keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich** hct woord van de Heer, hoe hij gezegd had: “Vóór een haan kraait vandaag zul je me driemaal verloochenen”.  61 En de Heere, Zich omkerende, zag Petrus aan; en Petrus werd indachtig het woord des Heeren, hoe Hij hem gezegd had: Eer de haan zal gekraaid hebben, zult gij Mij driemaal verloochenen.  [61] De Heer keerde zich om en keek Petrus aan, en Petrus herinnerde zich wat de Heer tegen hem had gezegd: ‘Voor de haan vandaag kraait, zul je Me driemaal verloochend hebben.’  [61] De Heer draaide zich om en keek Petrus aan, en toen herinnerde Petrus zich de woorden van de Heer: ‘Nog voor er vannacht een haan heeft gekraaid zul je mij driemaal verloochenen.’  61 De Heer keert zich om en kijkt Petrus aan, en dan herinnert Petrus zich het woord van de Heer, hoe hij tot hem zei: voordat er een haan zal kraaien zul je vandaag mij driemaal verloochenen!   61. et le Seigneur, se retournant, fixa son regard sur Pierre. Et Pierre se ressouvint de la parole du Seigneur, qui lui avait dit : « Avant que le coq ait chanté aujourd'hui, tu m'auras renié trois fois. » 

King James Bible . [61] And the Lord turned, and looked upon Peter. And Peter remembered the word of the Lord, how he had said unto him, Before the cock crow, thou shalt deny me thrice.
Luther-Bibel . 61 Und der Herr wandte sich und sah Petrus an. Und Petrus gedachte an des Herrn Wort, wie er zu ihm gesagt hatte: Ehe heute der Hahn kräht, wirst du mich dreimal verleugnen.

Tekstuitleg van Lc 22,61 .

7. dat. mann. enk. petrô(i) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (1) Lc 22,61 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

11. nom. mann. enk. petros  (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik in het NT : petros (Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros (Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 8,45 . (3) Lc 9,20 . (4) Lc 9,32 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 12,41 . (7) Lc 18,28 . (8) Lc 22,54 . (9) Lc 22,55 . (10) Lc 22,58 . (11) Lc 22,60 . (12) Lc 22,61 . (13) Lc 24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 6,14 . (3) Lc 8,45 . (4) Lc 8,51 . (5) Lc 9,20 . (6) Lc 9,28 . (7) Lc 9,32 . (8) Lc 9,33 . (9) Lc 12,41 . (10) Lc 18,28 . (11) Lc 22,8 . (12) Lc 22,34 . (13) Lc 22,54 . (14) Lc 22,55 . (15) Lc 22,58 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 24,12 .

17. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

22. act. inf. aor. fônèsai (te roepen) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (1) Lc 22,61 . Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .

Lc 22,62 - Lc 22,62 : 334. Verloochening van Petrus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 -- Lc 22,56 - Lc 22,57 - Lc 22,58 - Lc 22,59 - Lc 22,60 - Lc 22,61 - Lc 22,62 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:62 [kai exelthôn exô eklausen pikrôs]   62 et egressus foras Petrus flevit amare   62 En hij ging weg naar buiten (en) weende bitter.  62 En Petrus, naar buiten gaande, weende bitterlijk.  [62] Hij liep naar buiten en schreide bittere tranen.  [62] Hij ging naar buiten en huilde bitter.  62 Hij gaat naar buiten, en eenmaal buiten huilt hij bitter.  62. Et, sortant dehors, il pleura amèrement. 

King James Bible . [62] And Peter went out, and wept bitterly.
Luther-Bibel . 62 Und Petrus ging hinaus und weinte bitterlich.

Tekstuitleg van Lc 22,62 .

2. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van het werkwoord εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,22 . (2) Lc 4,42 . (3) Lc 14,18 . (4) Lc 15,28 . (5) Lc 22,39 . (6) Lc 22,62 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Lc (41) .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. exelthôn  38  17  21        18  21     

3. εξω = exô (buiten) . Taalgebruik in het NT : exô (buiten) . Taalgebruik in Lc : exô (buiten) . Taalgebruik in Hnd : exô (buiten) . Taalgebruik in Hnd : exô (buiten) . Taalgebruik in de Septuaginta : exô (buiten) . LXX (109) . NT (62) . Syn. (28) . Ev. (41) . Lc (10) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 13,25 . (5) Lc 13,28 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 20,15 . (9) Lc 22,62 . (10) Lc 24,50 . Hnd (10) .

exô (buiten)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  163  101  62  10  10  12  11  29  41 

- Hebreeuws . חוּץ = chûts (straat, buiten) . Taalgebruik in Tenakh : chûts (straat, buiten) . הַחוּצָה = hachûtsâh (naar buiten) . en) . Zie : חוּץ = chûts (straat,buiten) . Taalgebruik in Tenakh : chûts (straat, buiten) . Getalwaarde : chet = 8 , waw = 6 , tsade = 18 of 90 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 104 (4 X 26) . Structuur : 8 - 6 - 9 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (16) : (1) Gn 15,5 . (2) Gn 19,17 . (3) Gn 24,29 . (4) Gn 39,12 . (5) Gn 39,13 . (6) Gn 39,15 . (7) Gn 39,18 . (8) Dt 24,11 . (9) Dt 25,5 . (10) Joz 2,19 . (11) Re 12,9 . (12) 1 S 9,26 . (13) 2 S 13,17 . (14) 1 K 8,8 . (15) Ez 34,21 . (16) 2 Kr 5,9 .

2. - 3. εξελθων εξω = exelthôn eksô (uitgegaan naar buiten) . NT (2) :


333. Bespotting van Jezus : Lc 22,63-65 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -- Lc 22,63 - Lc 22,64 - Lc 22,65 -

Lc 22,63 - Lc 22,63 : 333. Bespotting van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -- Lc 22,63 - Lc 22,64 - Lc 22,65 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:63 kai hoi andres oi sunechontes auton enepaizon autôi derontes  63 et viri qui tenebant illum inludebant ei caedentes   En de mannen die hem vasthielden, bespotten hem terwijl ze hem sloegen ;    63 En de mannen, die Jezus hielden, bespotten Hem, en sloegen Hem.   [63] De mannen die Jezus bewaakten, dreven de spot met Hem en sloegen Hem.   [63] De mannen die Jezus gevangenhielden, dreven de spot met hem en geselden hem.  63 ¶ De mannen die hem vasthielden hebben hem bespot en hem slaag gegeven; 64 hem rondom omhullend  63. Les hommes qui le gardaient le bafouaient et le battaient ;

King James Bible . [63] And the men that held Jesus mocked him, and smote him.
Luther-Bibel . 63 Die Männer aber, die Jesus gefangen hielten, verspotteten ihn und schlugen ihn,

Tekstuitleg van Lc 22,63 .

5. sunechô (bijeenhouden, vasthouden) . Verwijzing : sunechô (bijeenhouden, vasthouden) , zie Lc 22,63 .
--- sunechontes . Participium meervoud . Slechts in één vers in de bijbel , nl. Lc 22,63 .

7. empaizô (zijn spel drijven, bespotten) . Verwijzing : empaizô (zijn spel drijven, bespotten) , zie Lc 22,63 . paizô (als een kind handelen, spelen, lachen, schertsen) .
--- enepaizon (zij speelden een spel) . Imperfectum . In twee verzen in de bijbel : (1) Re 16,25 (Samson) . (2) Lc 22,63 .
--- empaixousin (zij zullen slaan) . In twee verzen in de bijbel : (1) Js 33,4 . (2) Mc 10,34 .
--- enepaichthè (hij werd misleid) . Passief aorist derde persoon enkelvoud . Hapax in Mt 2,16 .

9. derô (slaan) . Verwijzing : derô (slaan) , zie Lc 22,63 .

Lc 22,64 - Lc 22,64 : 333. Bespotting van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -- Lc 22,63 - Lc 22,64 - Lc 22,65 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:64 kai perikaluyantes auton epèrôtôn legontes profèteuson tis estin ho paisas se  64 et velaverunt eum et percutiebant faciem eius et interrogabant eum dicentes prophetiza quis est qui te percussit    en nadat ze hem (met een doek) omhuld hadden ondervroegen ze hem : "Profeteer, wie is het die u geslagen heeft?"   64 En als zij Hem overdekt hadden, sloegen zij Hem op het aangezicht, en vraagden Hem, zeggende: Profeteer, wie het is, die U geslagen heeft?  [64] Ze blinddoekten Hem en vroegen: ‘Profeteer nu eens, wie was het die je heeft geslagen?’  [64] Ze blinddoekten hem en zeiden: ‘Profeteer nu maar, wie is het die je geslagen heeft?’   64 hem rondom omhullend hebben ze hem gevraagd, en gezegd: profeteer eens: wie is het die jou bespot? 64. ils lui voilaient le visage et l'interrogeaient en disant : « Fais le prophète ! Qui est-ce qui t'a frappé ? »  

King James Bible . [64] And when they had blindfolded him, they struck him on the face, and asked him, saying, Prophesy, who is it that smote thee?
Luther-Bibel . 64 verdeckten sein Angesicht und fragten: Weissage, wer ist's, der dich schlug?

Tekstuitleg van Lc 22,64 . Het vers Lc 22,64 telt 17 woorden en 96 (2³ X 2³ X 3) letters . De getalwaarde van Lc 22,64 is 14233 (43 X 331) .

4. act. ind. imperf. 3de pers. mv. επηρωτων = epèrôtôn (zij vroegen op) van het werkw. επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) . Taalgebruik in het NT : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in de LXX : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Lc : eperotaô (epi - erôtaô) . OT (3) : (1) Re 1,1 . (2) Hos 4,12 . (3) 2 Mak 7,7 . NT (10) . Mc (6) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . Lc (4) Lc (4) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 3,14 . (3) Lc 8,9 . (4) Lc 22,64 . Een vorm van επερωταω = eperôtaô ( 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen) in de LXX (75) , in het NT (56) , in Mt (8) , in Mc (25) , in Lc (17) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 3,10 . (3) Lc 3,14 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 8,9 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,18 . (8) Lc 17,20 . (9) Lc 18,18 . (10) Lc 18,40 .(11) Lc 20,21 . (12) Lc 20,27 . (13) Lc 20,40 . (14) Lc 21,7 . (15) Lc 22,64 . (16) Lc 23,6 . (17) Lc 23,9 .

1... kai epèrôtôn auton (en zij ondervroegen hem) in Lc (2) : (1) Lc 3,10 . (2) Lc 22,64 (variante) .

5. act. part. praes. nom. mann. en vr. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (37) . Lc 22 (2) : (1) Lc 22,64 . (2) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

8. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Taalgebruik in Hnd : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Taalgebruik in Tenach : hâjâh (zijn) . Lat. esse . D. sein . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,11 . (2) Lc 22,19 . (3) Lc 22,38 . (4) Lc 22,53 . (5) Lc 22,59 . (6) Lc 22,64 .

10. paiô (slaan, treffen) . Verwijzing : paiô (slaan, treffen) , zie Lc 22,64 .

Lc 22,65 - Lc 22,65 : 333. Bespotting van Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 -- Lc 22,63 - Lc 22,64 - Lc 22,65 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:65 kai etera polla blasfèmountes elegon eis auton 65 et alia multa blasphemantes dicebant in eum  En lasterend zeiden ze nog veel andere dingen tegen hem.   65 En vele andere dingen zeiden zij tegen Hem, lasterende.  [65] En ze riepen nog allerlei andere grofheden tegen Hem.  [65] En ze zeiden nog tal van andere lasterlijke dingen tegen hem.  65 En vele andere lasteringen hebben ze tegen hem gezegd.    65. Et ils proféraient contre lui beaucoup d'autres injures. 

King James Bible . [65] And many other things blasphemously spake they against him.
Luther-Bibel . 65 Und noch mit vielen andern Lästerungen schmähten sie ihn.

Tekstuitleg van Lc 22,65 .

332. Jezus voor het Sanhedrin : Lc 22,66-71 - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -

Volgens Lucas werd Jezus gedurende de nacht vastgehouden in het huis van de hogepriester . Hier amuseerden zij die hem vasthielden , zich met Jezus . Zodra het dag was , werd het presbyterium bijeengebracht en een vonnis geveld . Bij Marcus en Matteüs treffen we twee stappen aan . Enerzijds vindt de schuldverklaring plaats tijdens de nacht , anderzijds wordt het vonnis geveld tijdens de dag . Lucas laat het proces van Jezus volgens de wettelijke regels verlopen .

Lc 22,66 - Lc 22,66 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:66 kai ôs egeneto hèmera sunèchthè to presbuterion tou laou , archiereis te kai grammateis kai apègagon auton eis to sunedrion autôn legontes ei su ei o christos eipon èmin  66 et ut factus est dies convenerunt seniores plebis et principes sacerdotum et scribae et duxerunt illum in concilium suum dicentes si tu es Christus dic nobis  En toen het dag werd, vergaderde de raad van de oudsten van het volk, hogepriesters zowel als schriftgeleerden en ze leidden hem weg naar hun Sanhedrin, 66 En als het dag geworden was, vergaderden de ouderlingen des volks, en de overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten Hem in hun raad,   [66] Toen het dag werd, kwam de raad* van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters en schriftgeleerden. Men bracht Jezus voor hun Sanhedrin.  [66] Toen het dag werd, kwam de raad van oudsten van het volk bijeen, hogepriesters zowel als schriftgeleerden, en ze leidden hem voor in hun raadszitting.  66 Zodra het dag wordt verzamelen zich de oudsten van de gemeente, overpriesters en schriftgeleerden, en leiden hem voor hun Hoge Raad.  66. Et quand il fit jour, le conseil des Anciens du peuple s'assembla, grands prêtres et scribes. Ils l'amenèrent dans leur Sanhédrin 

King James Bible . [66] And as soon as it was day, the elders of the people and the chief priests and the scribes came together, and led him into their council, saying,
Luther-Bibel . 66 Und als es Tag wurde, versammelten sich die Ältesten des Volkes, die Hohenpriester und Schriftgelehrten und führten ihn vor ihren Rat

Tekstuitleg van Lc 22,66 . Het vers Lc 22,66 telt 21 (3 X 7) woorden en 113 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Lc 22,66 is 12659 (priemgetal) .

Eenmaal dag geworden werd Jezus voor het Sanhedrin geleid (Lc 22,66) . Dat is ook het geval met de apostelen Petrus en Johannes (Hnd 4,5) . Deze apostelen werden gearresteerd en voorgeleid omdat zij onderrichtten in de naam van Jezus (voorzegd door Jezus in Lc 21,12) .

9. gen. mann. enk. = laou van het zelfst. naamw. λαος = laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in de LXX : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) . Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 . Een vorm van λαος = laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) , in Lc (37) , in Lc 1 (5) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,21 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,77 .

10. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het NT : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . De eerste in de rij van priesters . Een vorm van αρχιερευς = archiereus (hogepriester) in de LXX (44) , in het NT (122) , in Lc (15) : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 22,66.15. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) van het werkw. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren) . Taalgebruik in het NT : apagô (wegleiden, afvoeren) . Taalgebruik in Mc : apagô (wegleiden, afvoeren) . Bijbel (12) . LXX (5) : (1) 1 K 1,38 . (2) Job 24,3 . (3) 2 Kr 36,17 . (4) Jdt 6,14 . (5) Bar 4,16 . NT (7) : (1) Mt 26,57 . (2) Mt 27,2 . (3) Mt 27,31 . (4) Mc 14,53 . (5) Mc 15,16 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,26 . Na zijn arrestatie in de hof van Getsemane werd Jezus weggeleid naar de hogepriester (Mc 14,53) . Na de vrijlating van Barnabas werd Jezus weggeleid om gekruisigd te worden . De soldaten leidden Jezus weg en begonnen met de uitvoering van de straf (Mc 15,16) . Tussen beide wegleidingen ligt het gebeuren vanaf zijn arrestatie tot zijn veroordeling .

19. sunedrion (sanhedrin) . In elf verzen in de bijbel . In één vers in het O.T. . In tien verzen in het NT (1)

Lc 22,67 - Lc 22,67 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:67 eipen de autois ean umin eipô ou mè pisteusète   67 et ait illis si vobis dixero non creditis mihi   zeggend : "Als u de Christus bent, zeg het ons". Hij nu zei hun : "Als ik het u zeg, gelooft u het toch niet ; 67 Zeggende: Zijt Gij de Christus, zeg het ons. En Hij zeide tot hen: Indien Ik het u zeg, gij zult het niet geloven;  [67] Zij zeiden: ‘Als U de Messias bent, zeg ons dat dan.’ Maar Hij zei hun: ‘Als Ik het u zeg, zult u Me niet geloven;  [67] Ze zeiden: ‘Als u de messias bent, zeg het ons dan.’ Maar Jezus antwoordde: ‘Als ik het u zeg, gelooft u mij toch niet.  67 Ze zeggen: als ú de Christus bent, zeg het tot ons; maar hij zegt tot hen: als ik het u zeg gelooft u het niet;  67. et dirent : « Si tu es le Christ, dis-le-nous. » Il leur dit : « Si je vous le dis, vous ne croirez pas,  

King James Bible . [67] Art thou the Christ? tell us. And he said unto them, If I tell you, ye will not believe:
Luther-Bibel . 67 und sprachen: Bist du der Christus, so sage es uns! Er sprach aber zu ihnen: Sage ich's euch, so glaubt ihr's nicht;

Tekstuitleg van Lc 22,67 .

1. act. part. praes. nom. mann. en vr. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (37) . Lc 22 (2) : (1) Lc 22,64 . (2) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

1. - 2. και ειπεν = kai eipen (en hij zei) . NT (140) . Lc 22 (3) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,35 . (3) Lc 22,46 .
- ειπεν δε = eipen de (hij zei echter) . NT (78) . Lc (52) . Lc 22 (4) : (1) Lc 22,31 . (2) Lc 22,52 . (3) Lc 22,60 . (4) Lc 22,67 .

7. act. ind. aor. 3de pers. mv. + act. imperat. aor. 2de pers. enk. eipon (zij zeiden en zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (4) : (1) Lc 11,15 . (2) Lc 20,2 . (3) Lc 22,67 . (4) Lc 24,24 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

9. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) .

Lc 22,68 - Lc 22,68 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:68 ean de erôthsô ou mè apokrithète   68 si autem et interrogavero non respondebitis mihi neque dimittetis  en als ik u iets vraag, antwoordt u toch niet. 68 En indien Ik ook vraag, gij zult Mij niet antwoorden, of loslaten;  [68] als Ik u wat vraag, zult u Me geen antwoord geven.  [68] En als ik een vraag stel, antwoordt u toch niet.   68 en als ik iets vraag antwoordt u niet!– 68. et si je vous interroge, vous ne répondrez pas. 

King James Bible . [68] And if I also ask you, ye will not answer me, nor let me go.
Luther-Bibel . 68 frage ich aber, so antwortet ihr nicht.

Tekstuitleg van Lc 22,68 .

Lc 22,69 - Lc 22,69 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:69 apo tou nun de estai o Uios tou Anthrôpou kathèmenos ek dexiôn tès dunameôs tou theou  69 ex hoc autem erit Filius hominis sedens a dextris virtutis Dei  Van nu af echter zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterzijde van de Kracht van God."  69 Van nu aan zal de Zoon des mensen gezeten zijn aan de rechter hand der kracht Gods.   [69] Van nu af aan zal de Mensenzoon zitten aan Gods machtige rechterhand.’  [69] Maar vanaf nu zal de Mensenzoon gezeten zijn aan de rechterhand van de Almachtige.’   69 maar van nu af zal de mensenzoon gezeten zijn ter rechterhand van God en zijn kracht.  69. Mais désormais le Fils de l'homme siégera à la droite de la Puissance de Dieu ! » 

King James Bible . [69] Hereafter shall the Son of man sit on the right hand of the power of God.
Luther-Bibel . 69 Aber von nun an wird der Menschensohn sitzen zur Rechten der Kraft Gottes.

Tekstuitleg van Lc 22,69 .

12. gen. mv. dexiôn van het bijvoegl. naamw. dexios (rechts) . Taalgebruik in het NT : dexios (rechts) . Taalgebruik in Lc : dexios (rechts) . Lc (4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 . Een vorm van dexios (rechts) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 20,42 . (4) Lc 22,50 . (5) Lc 22,69 . (6) Lc 23,33 . In Lc : 3 vormen van dexios (rechter- , rechts) in 5 hoofdstukken en in 6 verzen .

11. - 12. ek dexiôn (rechts) . NT (22) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . (9) . (10) . (11) . (12) . (13) . (14) . (15) . (16) . (17) . (18) . (19) . (20) . (21) . (22) . Lc (4 / 4) : (1) Lc 1,11 . (2) Lc 20,42 . (3) Lc 22,69 . (4) Lc 23,33 .

10. - 12. Lc 1,11 : estôs ek dexiôn = staande rechts van . Een vorm van kathèmai (neerzitten) + ek dexiôn (rechts) in Lc (2 / 4) : (1) Lc 20,42 . (2) Lc 22,69 .

Lc 22,70 - Lc 22,70 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:70 eipan de pantes SU oun EI o Uios tou theou o de pros autous efè umeis legete oti EGô EIMI  70 dixerunt autem omnes tu ergo es Filius Dei qui ait vos dicitis quia ego sum  Allen nu zeiden: "U bent dus de zoon van God?" Hij nu verklaarde hun : "U zegt dat ik het ben".   70 En zij zeiden allen: Zijt Gij dan de Zoon Gods? En Hij zeide tot hen: Gij zegt, dat Ik het ben.  [70] Toen zei iedereen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij sprak tot hen: ‘U zegt zelf dat Ik het ben.’  [70] Toen zeiden allen: ‘U bent dus de Zoon van God?’ Hij antwoordde: ‘U zegt dat ik het ben.’  70 Dan zeggen ze allen: dus ú bent de Zoon van God?– maar hij valt tegen hen uit: dat zegt gíj, dat ik het ben!  70. Tous dirent alors : « Tu es donc le Fils de Dieu ! » Il leur déclara : « Vous le dites : je le suis. » 

King James Bible . [70] Then said they all, Art thou then the Son of God? And he said unto them, Ye say that I am.
Luther-Bibel . 70 Da sprachen sie alle: Bist du denn Gottes Sohn? Er sprach zu ihnen: Ihr sagt es, ich bin es.

Tekstuitleg van Lc 22,70 .

13. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc 22 (6) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,23 . (3) Lc 22,45 . (4) Lc 22,52 . (5) Lc 22,56 . (6) Lc 22,70 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

  pros  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
  158  11  6 3 8 4 9 7 11 5 4 8 3 8 4 4 3 7 10 101 1 6 7 11 

 

Lc 22,71 - Lc 22,71 : 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 22 - - Lc 22,66 - Lc 22,67 - Lc 22,68 - Lc 22,69 - Lc 22,70 - Lc 22,71 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22:71 oi de eipan ti eti echomen marturias chreian autoi gar èkousamen apo tou stomatos autou   71 at illi dixerunt quid adhuc desideramus testimonium ipsi enim audivimus de ore eius   Zij echter zeiden : "Wat hebben we nog getuigenissen nodig ? Wijzelf hebben het immers uit zijn mond gehoord."   71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van node? Want wij zelven hebben het uit Zijn mond gehoord.   [71] Toen zeiden zij: ‘Waarvoor hebben wij nog een getuigenis nodig? Wij hebben het zelf uit zijn mond gehoord.’  [71] Ze zeiden: ‘Waarvoor hebben we nog getuigenverklaringen nodig? We hebben het immers zelf uit zijn eigen mond gehoord!’  71 Zij zeggen: waarvoor hebben wij nog een getuige nodig?– met eigen oren horen we het toch uit zijn eigen mond?   71. Et ils dirent : « Qu'avons-nous encore besoin de témoignage ? Car nous-mêmes l'avons entendu de sa bouche ! »  

King James Bible . [71] And they said, What need we any further witness? for we ourselves have heard of his own mouth.
Luther-Bibel . 71 Sie aber sprachen: Was bedürfen wir noch eines Zeugnisses? Wir haben's selbst gehört aus seinem Munde.

Tekstuitleg van Lc 22,71 .


 

- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT


- Targum Onkelos


- Griekse tekst - Septuaginta


- Aramees - Peshitta


- Vulgata


- Statenvertaling


- Willibrordvertaling


- De Nieuwe Bijbelvertaling


- De Naardense bijbel


- Bible de Jérusalem


- King James Bible


- Luther Bibel


- Arabisch


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H

- nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (37) . Lc 22 (7) : (1) Lc 22,15 . (2) Lc 22,17 . (3) Lc 22,19 . (4) Lc 22,20 . (5) Lc 22,23 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,42 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

- I - J - K - L

- act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . Taalgebruik in Hnd : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Lc (223) . Lc 22 (18) : (1) Lc 22,10 . (2) Lc 22,15 . (3) Lc 22,17 . (4) Lc 22,25 . (5) Lc 22,33 . (6) Lc 22,34 . (7) Lc 22,35 . (8) Lc 22,36 . (9) Lc 22,38 . (10) Lc 22,40 . (11) Lc 22,46 . (12) Lc 22,48 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 22,52 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 22,60 . (17) Lc 22,61 . (18) Lc 22,67 . Bijbel (3024) . O.T. (2426) . NT (598) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Lc 22 in 17 verzen : (1) Lc 22,1 . (2) Lc 22,11 . (3) Lc 22,16 . (4) Lc 22,18 . (5) Lc 22,19 . (6) Lc 22,20 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,37 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 22,47 . (11) Lc 22,57 . (12) Lc 22,59 . (13) Lc 22,60 . (14) Lc 22,64 . (15) Lc 22,65 . (16) Lc 22,67 . (17) Lc 22,70 ; van ειπον = eipon (ik zei) in Lc 22 in 23 verzen : (1) Lc 22,8 . (2) Lc 22,9 . (3) Lc 22,10 . (4) Lc 22,15 . (5) Lc 22,17 . (6) Lc 22,25 . (7) Lc 22,33 . (8) Lc 22,34 . (9) Lc 22,35 . (10) Lc 22,36 . (11) Lc 22,38 . (12) Lc 22,40 . (13) Lc 22,46 . (14) Lc 22,48 . (15) Lc 22,49 . (16) Lc 22,51 . (17) Lc 22,52 . (18) Lc 22,56 . (19) Lc 22,60 . (20) Lc 22,61 . (21) Lc 22,67 . (22) Lc 22,70 . (23) Lc 22,71 . Totaal : Lc 22 (17 + 23 = 40) . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in het NT (1318) , in de LXX (4610) .

- M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar