LUCASEVANGELIE , DRIEËNTWINTIGSTE HOOFDSTUK , LC 23 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -
- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -
- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -

Overzicht van het Lucasevangelie :  Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,

Tekstuitleg vers per vers : - Lc 23,1 - Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 - Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 - Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - Lc 23,24 - Lc 23,25 - Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 - Lc 23,33 - Lc 23,34 - Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 - Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 - Lc 23,49 - Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -


ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 

- Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Hebreeuws OF modern Hebreeuws (NT) .
- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.greekbible.com/index.php . Griekse tekst - Septuaginta .
- Aramees - Peshitta NT : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Aramees - Peshitta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PUY.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/luka/23.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=66769,66824 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/?p=page&i=66769,66824 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=4609530 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Lukas%2024/bibel/text/lesen/ch/899d58043b75483a5525c5c4b3d191f4/ . Luther Bibel .
- Arabisch : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Arabisch .


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het drieëntwintigste hoofdstuk van het Lucasevangelie :
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 .
338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 .
339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 .
340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig : Lc 23,13-16 .
341. Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 .
342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 .
344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 .
345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 .
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 .
347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 .
348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 .
349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a .


336. Naar Pilatus : Lc 22,66-71; Lc 23,1 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 23 -- taalgebruik -- Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -

Lc 23,1 - Lc 23,1 : 336. Naar Pilatus -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 23 -- taalgebruik -- Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:1 kai anastan apan to plèthos autôn ègagon auton epi ton pilaton  1 et surgens omnis multitudo eorum duxerunt illum ad Pilatum  En hun hele groep stond op (en) ze leidden hem naar Pilatus.   1 En de gehele menigte van hen stond op, en leidde Hem tot Pilatus.   [1] Het hele gezelschap stond op, en men leidde Hem voor aan Pilatus*.   [1] Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus.  1 ¶ Dan staan ze op, heel hun menigte, en leiden hem naar Pilatus.  1. Puis toute l'assemblée se leva, et ils l'amenèrent devant Pilate. 

King James Bible . [1] And the whole multitude of them arose, and led him unto Pilate.
Luther-Bibel . 1 Und die ganze Versammlung stand auf, und sie führten ihn vor Pilatus

Tekstuitleg van Lc 23,1 . Het vers Lc 23,1 telt 11 woorden en 51 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 23,1 is 5031 (3² X 13 X 43) .

2. act. part. aor. nom. onz. enk. = anastan van het werkw. ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in de LXX : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Bijbel (1) : Lc 23,1 . Een vorm van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in de LXX (539) , in het NT (107) . In Lc : 10 vormen van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in 15 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
- act. part. aor. nom. mann. enk. αναστας = anastas (opgestaan) van het werkw. ανιστημι = anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in de LXX : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Lc (11) : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,25 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 6,8 . (5) Lc 11,7 . (6) Lc 11,8 . (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 . (9) Lc 17,19 . (10) Lc 22,45 . (11) Lc 24,12 . Een vorm van ανιστημι = anistèmi (opstaan) in de LXX (539) , in het NT (107) . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .

anistèmi (opstaan) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk  Lc Hnd  
act. part. aor. nom. mann. enk. anastas   74  38  36  11    17         

      1.  2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9.  10.  11.  12.  13.  14.  15. 
  anistèmi Lc Lc 1 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 22 Lc 23 Lc 24
2.  act. part. aor. nom. mann. enk. anastas   11    (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,25 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 6,8 .       (5) Lc 11,7 . (6) Lc 11,8 . (7) Lc 15,18 . (8) Lc 15,20 .   (9) Lc 17,19 .   (10) Lc 22,45 .   (11) Lc 24,12 .        
3.  act. part. aor. nom. + acc. onz. enk. anastan                            (1) Lc 23,1 .    


5. nom. + acc. onz. enk. πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in de LXX : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Hnd : plèthos (menigte, veelheid) . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc . Een vorm van πληθος = plèthos in de LXX (288) , in het NT (31) .

4. - 5. το πληθος = to plèthos (de veelheid) . In Lc in combinatie met ἁπαν = hapan of παν = pan . Lc (4) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 8,37 . (3) Lc 19,37 . (4) Lc 23,1 .

3. - 5. ἁπαν το πληθος = hapan to plèthos (de ganse veelheid) . NT (3) : (1) Lc 8,37 . (2) Lc 19,37 . (3) Lc 23,1 .
- παν το πληθος = pan to plèthos (de ganse veelheid) . NT (3) : (1) Lc 1,10 . (2) Hnd 15,12 . (3) Hnd 25,24 .

7. act. aor. 3de pers. mv. ηγαγον = ègagon (zij leidden) van het werkw. αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in de LXX : agô (leiden, voeren) . Bijbel (39) . LXX (26) . NT (13) : (1) Mt 21,7 . (2) Lc 4,29 . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 19,35 . (5) Lc 22,54 : ηγαγον εις την οικιαν του αρχιερεως = ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = zij leidden naar het huis van de hogepriester . (6) Lc 23,1 : ηγαγον αυτον επι τον πιλατον = ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus . (7) Joh 18,13 : ηγαγον προς ανναν = ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes verzen in Hnd : (1) Hnd 6,12 : και ηγαγον εις το συνεδριον = kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het sanhedrin . (2) Hnd 17,15 . (3) Hnd 17,19 . (4) Hnd 18,12 : και ηγαγον αυτον επι το βημα = kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem tot de rechterstoel . (5) Hnd 20,12 . (6) Hnd 23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden . Een vorm van αγω = agô in de LXX (274) , in het NT (66) , in Lc (13) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,9 . (3) Lc 4,29 . (4) Lc 4,40 . (5) Lc 10,34 . (6) Lc 18,40 . (7) Lc 19,27 . (8) Lc 19,30 . (9) Lc 19,35 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 23,1 . (12) Lc 23,32 . (13) Lc 24,21 .
- Via T.V. zijn vele beelden in ons geheugen gebrand van onschuldige mensen die midden in de nacht van hun bed gelicht worden , opgepakt , afgevoerd of weggeleid worden .

- Variante :

7. - 8. ηγαγeν αυτον = ègagon auton (zij leidden hem) . NT (5) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 10,34 . (3) Lc 23,1 . (4) Joh 1,42 . (5) Hnd 11,26 .

338. Jezus vóór Pilatus : Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -

Lc 23,2 - Lc 23,2 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:2 èrxanto de katègorein autou legontes touton euramen diastrefonta to ethnos èmôn kai kôluonta forous kaisari didonai kai legonta eauton christon basilea einai   2 coeperunt autem accusare illum dicentes hunc invenimus subvertentem gentem nostram et prohibentem tributa dari Caesari et dicentem se Christum regem esse  Ze begonnen hem nu aan te klagen, zeggend: “We hebben bevonden dat deze ons volk misleidt en verhindert belastingen aan de keizer te geven, en van zichzelf zegt Christus, koning te zijn”.  2 En zij begonnen Hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden, dat Deze het volk verkeert, en verbiedt den keizer schattingen te geven, zeggende, dat Hij Zelf Christus, de Koning is.   [2] Daar brachten zij hun beschuldiging tegen Hem in: ‘Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer, en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning.’ 
[2] Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: ‘We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.’ 
2 Ze beginnen hem te beschuldigen door te zeggen: deze man hebben we aangetroffen als iemand die ons volk afvallig maakt en wil verhinderen dat men de keizer belastingen betaalt en van zichzelf zegt een gezalfde, een koning te zijn!  2. Ils se mirent alors à l'accuser, en disant : « Nous avons trouvé cet homme mettant le trouble dans notre nation, empêchant de payer les impôts à César et se disant Christ Roi. » 

King James Bible . [2] And they began to accuse him, saying, We found this fellow perverting the nation, and forbidding to give tribute to Caesar, saying that he himself is Christ a King.
Luther-Bibel . 2 und fingen an, ihn zu verklagen, und sprachen: Wir haben gefunden, dass dieser unser Volk aufhetzt und verbietet, dem Kaiser Steuern zu geben, und spricht, er sei Christus, ein König.

Tekstuitleg van Lc 23,2 .

3. act. inf. praes. katègorein van het werkw. katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het N.T. : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Lc : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Hnd : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Lc (2) : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 23,2 . Een vorm van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .

20. acc. mann. enk. christon van het zelfst. naamw. christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het N.T. : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Taalgebruik in Hnd : christos (Christus) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks christos (Christus) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenach : mâsjach (zalven) . Lc (7) : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . Hnd (10) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 2,26 (+) . (3) Lc 3,15 (+) . (4) Lc 4,41 (+) . (5) Lc 9,20 (+) . (6) Lc 20,41 (+) . (7) Lc 22,67 (+) . (8) Lc 23,2 (-) . (9) Lc 23,35 (+) . (10) Lc 23,39 (+) . (11) Lc 24,26 (+) . (12) Lc 24,46 (+) . In Lc : 2 vormen van christos (gezalfde, Christus) in 12 verzen in 8 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 28 verzen in 16 hoofdstukken . N.T. (517) .

Lc 23,3 - Lc 23,3 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:3 o de pilatos èrôtèsen auton legôn su ei o basileus tôn ioudaiôn o de apokritheis autô efè su legeis   3 Pilatus autem interrogavit eum dicens tu es rex Iudaeorum at ille respondens ait tu dicis  Pilatus nu vroeg hem, zeggend: “Bent u de koning van de Joden?” Hij nu antwoordde hem (en) verklaarde: “U zegt het”.  3 En Pilatus vraagde Hem, zeggende: Zijt Gij de Koning der Joden? En Hij antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.  [3] Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Hij antwoordde hem: ‘U zegt het zelf.’  [3] Pilatus vroeg hem: ‘Bent u de koning van de Joden?’ Jezus antwoordde: ‘U zegt het.’  3 Maar Pilatus vraagt hem en zegt: ú bent de koning van de Judeeërs? Maar als antwoord aan hem brengt hij uit: dat zegt ú!  3. Pilate l'interrogea en disant : « Tu es le roi des Juifs ? » - « Tu le dis », lui répondit-il. 

King James Bible . [3] And Pilate asked him, saying, Art thou the King of the Jews? And he answered him and said, Thou sayest it.
Luther-Bibel . 3 Pilatus aber fragte ihn und sprach: Bist du der Juden König? Er antwortete ihm und sprach: Du sagst es.

Tekstuitleg van Lc 23,3 .

10. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .

Lc 23,4 - Lc 23,4 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:4 o de pilatos eipen pros tous archiereis kai tous ochlous ouden euriskô aition en tô anthrôpô toutô  4 ait autem Pilatus ad principes sacerdotum et turbas nihil invenio causae in hoc homine  4 Pilatus nu zei tegen de hogepriesters en de volksmenigten: “Ik vind niets schuldigs in die mens”.   4 En Pilatus zeide tot de overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen Mens.  [4] Pilatus zei tegen de hogepriesters en de volksmenigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’  [4] Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: ‘Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.’  4 Pilatus zegt tot de overpriesters en de scharen: ik vind geen enkele schuld in deze mens!   4. Pilate dit alors aux grands prêtres et aux foules : « Je ne trouve en cet homme aucun motif de condamnation. »  

King James Bible . [4] Then said Pilate to the chief priests and to the people, I find no fault in this man.
Luther-Bibel . 4 Pilatus sprach zu den Hohenpriestern und zum Volk: Ich finde keine Schuld an diesem Menschen.

Tekstuitleg van Lc 23,4 .

4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 23 (13) : (1) Lc 23,2 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,5 . (4) Lc 23,18 . (5) Lc 23,21 . (6) Lc 23,30 . (7) Lc 23,34 . (8) Lc 23,35 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,39 . (11) Lc 23,42 . (12) Lc 23,43 . (13) Lc 23,47 ; van eipon (ik zei) in Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Totaal : Lc 23 (13 + 6 = 19) .

7. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 23,5 - Lc 23,5 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:5 oi de epischuon legontes oti anaseiei ton laon didaskôn kath olès tès ioudaias kai arxamenos apo tès galilaias eôs ôde 5 at illi invalescebant dicentes commovet populum docens per universam Iudaeam et incipiens a Galilaea usque huc  Zij echter drongen aan, zeggeçid: “Hij ruit het volk op, al lerend door heel Judea heen, en beginnend van Galilea tot hier toe”.   5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, lerende door geheel Judea, begonnen hebbende van Galilea tot hier toe.  [5] Zij hielden echter vol: ‘Hij maakt met zijn leer in heel het Joodse land het volk oproerig, eerst in Galilea, en nu hier ook al.’  [5] Maar ze bleven hardnekkig beweren: ‘In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!’  5 Maar zij hebben met nog meer klem gezegd: hij ruit de gemeente op met zijn onderricht over heel Judea,– in Galilea begonnen en nu tot hier gekomen!  5. Mais eux d'insister en disant : « Il soulève le peuple, enseignant par toute la Judée, depuis la Galilée, où il a commencé, jusqu'ici. » 

King James Bible . [5] And they were the more fierce, saying, He stirreth up the people, teaching throughout all Jewry, beginning from Galilee to this place.
Luther-Bibel . 5 Sie aber wurden noch ungestümer und sprachen: Er wiegelt das Volk auf damit, dass er lehrt hier und dort in ganz Judäa, angefangen von Galiläa bis hierher.

Tekstuitleg van Lc 23,5 .

13. gen. vr. enk. ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het N.T. : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia (Judea) .
Lc (7) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 6,17 . (7) Lc 23,5 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,65 . (3) Lc 2,4 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,44 . (6) Lc 5,17 . (7) Lc 6,17 . (8) Lc 7,17 . (9) Lc 21,21 . (10) Lc 23,5 .

18. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .

339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 - Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -

Lc 23,6 - Lc 23,6 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:6 pilatos de akousas epèrôtèsen ei | [o] | o | anthrôpos galilaios estin   6 Pilatus autem audiens Galilaeam interrogavit si homo Galilaeus esset     6 Als nu Pilatus van Galilea hoorde, vraagde hij, of die Mens een Galileër was?  [6] Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was;  [6] Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam,  6 Pilatus hoort dat en vraagt of de man een Galileeër is,  6. A ces mots, Pilate demanda si l'homme était Galiléen. 

King James Bible . [6] When Pilate heard of Galilee, he asked whether the man were a Galilaean.
Luther-Bibel . 6 Als aber Pilatus das hörte, fragte er, ob der Mensch aus Galiläa wäre.

Tekstuitleg van Lc 23,6 .

7. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Lc (24) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 . (8) Lc 9,25 . (9) Lc 10,30 . (10) Lc 13,19 . (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 . (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 . (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 . (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 . Een vorm van ανθρωπος = anthrôpos (mens) in de LXX (1430) , in het NT (548) , in Lc (83) , in Lc 23 (4) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,6 . (3) Lc 23,14 . (4) Lc 23,47 .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 

    Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1 nom. mann. enk. anthrôpos 24   (1) Lc 2,25 .   (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 .   (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 .   (8) Lc 9,25 (9) Lc 10,30 .     (10) Lc 13,19 .   (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 .       (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 .     (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 .     (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 .      

- Hebreeuws . אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) . Pentateuch (251) . Eerdere Profeten (402) . Latere Profeten (135) . 12 Kleine Profeten (37) . Geschriften (198) .


Lc 23,7 - Lc 23,7 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:7 kai epignous oti ek tès exousias èrôdou estin anepempsen auton pros èrôdèn onta kai auton en ierosolumois en tautais tais èmerais   7 et ut cognovit quod de Herodis potestate esset remisit eum ad Herodem qui et ipse Hierosolymis erat illis diebus    7 En verstaande, dat Hij uit het gebied van Herodes was, zond hij Hem heen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.  [7] en toen hij begreep dat Hij onder Herodes* ressorteerde, stuurde hij Hem door naar Herodes, die op dat moment eveneens in Jeruzalem verbleef.  [7] en toen hij besefte dat hij onder Herodes’ gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. 7 en als hij verneemt dat hij uit het machtsgebied van Herodes is stuurt hij hem naar Herodes, omdat ook die in Jeruzalem is in die dagen.  7. Et s'étant assuré qu'il était de la juridiction d'Hérode, il le renvoya à Hérode qui se trouvait, lui aussi, à Jérusalem en ces jours-là.  

King James Bible . [7] And as soon as he knew that he belonged unto Herod's jurisdiction, he sent him to Herod, who himself also was at Jerusalem at that time.
Luther-Bibel . 7 Und als er vernahm, dass er ein Untertan des Herodes war, sandte er ihn zu Herodes, der in diesen Tagen auch in Jerusalem war.

Tekstuitleg van Lc 23,7 .

7. gen. mann. enk. ἡρῳδου = hèrô(i)dou (van Herodes) van het zelfst. naamw. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 8,3 . (4) Lc 23,7 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .
De naam Herodes omsluit (Lc 1,5 en Lc 3,19) het verhaal van Johannes de Doper . Vanaf Lc 3,21 verschijnt Jezus op de voorgrond .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. mann. enk. hèrô(i)dou  13    13        10  10     

18. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Lc (288) . Lc 1 (25) : (1) Lc 1,1 . (2) Lc 1,5 . (3) Lc 1,6 . (4) Lc 1,7 . (5) Lc 1,8 . (6) Lc 1,17 . (7) Lc 1,18 . (8) Lc 1,21 . (9) Lc 1,22 . (10) Lc 1,25 . (11) Lc 1,26 . (12) Lc 1,31 . (13) Lc 1,36 . (14) Lc 1,39 . (15) Lc 1,41 . (16) Lc 1,42 . (17) Lc 1,44 . (18) Lc 1,51 . (19) Lc 1,59 . (20) Lc 1,65 . (21) Lc 1,66 . (22) Lc 1,75 . (23) Lc 1,78 . (24) Lc 1,79 . (25) Lc 1,80 . Lc 2 (23) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 2,7 . (4) Lc 2,8 . (5) Lc 2,11 . (6) Lc 2,12 . (7) Lc 2,14 . (8) Lc 2,16 . (9) Lc 2,19 . (10) Lc 2,21 . (11) Lc 2,23 . (12) Lc 2,24 . (13) Lc 2,25 . (14) Lc 2,27 . (15) Lc 2,29 . (16) Lc 2,34 . (17) Lc 2,36 . (18) Lc 2,43 . (19) Lc 2,44 . (20) Lc 2,46 . (21) Lc 2,49 . (22) Lc 2,51 . (23) Lc 2,52 .

en (in) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk synopt. ev.
  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

en (in)   Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
288   25  23  10  18  10  12  12  13  14  12  17  13  11  11  13  12  16 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in)

19. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. tautais van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Mc : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 23,7 . (4) Lc 24,18 .

21. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) .
Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 .

Lc 23,8 - Lc 23,8 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:8 o de èrôdès idôn ton ièsoun echarè lian èn gar ex ikanôn chronôn thelôn idein auton dia to akouein peri autou kai èlpizen ti sèmeion idein up autou ginomenon   8 Herodes autem viso Iesu gavisus est valde erat enim cupiens ex multo tempore videre eum eo quod audiret multa de illo et sperabat signum aliquod videre ab eo fieri    8 En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was van over lang begerig geweest Hem te zien, omdat hij veel van Hem hoorde; en hoopte enig teken te zien, dat van Hem gedaan zou worden.  [8] Herodes was erg blij dat hij Jezus te zien kreeg, want hij had Hem allang willen ontmoeten, na wat hij over Hem gehoord had. Hij hoopte Hem een wonder te zien doen. 
[8] Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen 
8 Als Herodes Jezus ziet is hij zeer verheugd,– want hij wilde hem al geruime tijd eens zien door wat hij over hem hoorde, en hij hoopte een of ander teken door hem te zien geschieden.  8. Hérode, en voyant Jésus, fut tout joyeux ; car depuis assez longtemps il désirait le voir, pour ce qu'il entendait dire de lui ; et il espérait lui voir faire quelque miracle. 

King James Bible . [8] And when Herod saw Jesus, he was exceeding glad: for he was desirous to see him of a long season, because he had heard many things of him; and he hoped to have seen some miracle done by him.
Luther-Bibel . 8 Als aber Herodes Jesus sah, freute er sich sehr; denn er hätte ihn längst gerne gesehen; denn er hatte von ihm gehört und hoffte, er würde ein Zeichen von ihm sehen.

Tekstuitleg van Lc 23,8 . Het vers Lc 23,8 telt 29 woorden en 124 (2² X 31) letters . De getalwaarde van Lc 23,8 is 12058 (2 X 6029) .

3. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hèrô(i)dès   24    24        19  19     

Lc 23,8.17. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .

Lc 23,8.25. nom. + acc. onz. enk. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het N.T. : sèmeion (teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion (teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen . Lc (7) : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 23,8 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,25 . (9) Lc 23,8 .

Lc 23,9 - Lc 23,9 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:9 epèrôta de auton en logois ikanois autos de ouden apekrinato autô   9 interrogabat autem illum multis sermonibus at ipse nihil illi respondebat     9 En hij vraagde Hem met vele woorden; doch Hij antwoordde hem niets.  [9] Hij ondervroeg Hem uitvoerig, maar Jezus gaf Hem nergens antwoord op.  [9] Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer.   9 Hij ondervraagt hem met een stroom van woorden, maar hij antwoordt hem níets.  9. Il l'interrogea donc avec force paroles, mais il ne lui répondit rien.  

King James Bible . [9] Then he questioned with him in many words; but he answered him nothing.
Luther-Bibel . 9 Und er fragte ihn viel. Er aber antwortete ihm nichts.

Tekstuitleg van Lc 23,9 .

Lc 23,10 - Lc 23,10 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:10 eistèkeisan de oi archiereis kai oi grammateis eutonôs katègorountes autou   10 stabant etiam principes sacerdotum et scribae constanter accusantes eum     10 En de overpriesters en de Schriftgeleerden stonden, en beschuldigden Hem heftiglijk.   [10] De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen.  [10] De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in.  10 Maar de overpriesters en de schriftgeleerden hebben hem heftig staan beschuldigen.  10. Cependant les grands prêtres et les scribes se tenaient là, l'accusant avec véhémence. 

King James Bible . [10] And the chief priests and scribes stood and vehemently accused him.
Luther-Bibel . 10 Die Hohenpriester aber und Schriftgelehrten standen dabei und verklagten ihn hart.

Tekstuitleg van Lc 23,10 .

  Mc 15,3 Mt 27,12 Lc 23,10
  3 καὶ κατηγόρουν αὐτοῦ οἱ ἀρχιερεῖς πολλά. 12 καὶ ἐν τῷ κατηγορεῖσθαι αὐτὸν ὑπὸ τῶν ἀρχιερέων καὶ πρεσβυτέρων οὐδὲν ἀπεκρίνατο. 10 εἱστήκεισαν δὲ οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς εὐτόνως κατηγοροῦντες αὐτοῦ.

Lc 23,10.4. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 23,10.3. - 7. hoi archiereis kai hoi grammateis (de hogepriesters en de schriftgeleerden) . In negen verzen in de bijbel : (1) Mt 21,15 . ( (// Mc 14,1 // Lc 22,2) . (3) Mc 11,27 . (4) Mc 14,1 (// Mt 26,3 // Lc 22,2) . (5) Lc 19,47 (// Mc 11,18 , zie schema Mc 7,1) . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 20,19 (// Mc 12,12 // Mt 21,46) . (8) Lc 22,2 (// Mc 14,1 // Mt 26,3) . (9) Lc 23,10 .

Lc 23,10.9. act. part. praes. nom. mann. mv. κατηγορουντες = katègorountes (beschudigend) van het werkw. κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het NT : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in de LXX : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Bijbel (1) : Lc 23,10 . Een vorm van κατηγορεω = katègoreô in de LXX (6) , in het NT (22) . Mt (2) : (1) Mt 12,10 . (2) Mt 27,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,4 . Lc (5) : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . Joh (2) : (1) Joh 5,45 . (2) Joh 8,6 . Hnd (9) : (1) Hnd 22,30 . (2) Hnd 24,2 . (3) Hnd 24,8 . (4) Hnd 24,13 . (5) Hnd 24,19 . (6) Hnd 25,5 . (7) Hnd 25,11 . (8) Hnd 25,16 . (9) Hnd 28,19 . Rom (1) : Rom 2,15 . Apk (1) : Apk 12,10 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .


Lc 23,11 - Lc 23,11 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:11 exouthenèsas de auton | | [kai*] | o èrôdès sun tois strateumasin autou kai empaixas peribalôn esthèta lampran anepempsen auton tô pilatô  11 sprevit autem illum Herodes cum exercitu suo et inlusit indutum veste alba et remisit ad Pilatum    11 En Herodes met zijn krijgslieden Hem veracht en bespot hebbende, deed Hem een blinkend kleed aan, en zond Hem weder tot Pilatus.   [11] Ook Herodes en zijn manschappen beledigden Hem en maakten Hem belachelijk door Hem een pronkgewaad aan te doen. Daarna stuurde hij Hem terug naar Pilatus. [11] Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus.  11 Herodes vernedert hem, samen met zijn soldaten, en bespot hem, gooit hem schitterende kleding om en stuurt hem zo terug naar Pilatus.  11. Après l'avoir, ainsi que ses gardes, traité avec mépris et bafoué, Hérode le revêtit d'un habit splendide et le renvoya à Pilate. 

King James Bible . [11] And Herod with his men of war set him at nought, and mocked him, and arrayed him in a gorgeous robe, and sent him again to Pilate.
Luther-Bibel . 11 Aber Herodes mit seinen Soldaten verachtete und verspottete ihn, legte ihm ein weißes Gewand an und sandte ihn zurück zu Pilatus.

Tekstuitleg van Lc 23,11 .

6. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hèrô(i)dès   24    24        19  19     

 

Lc 23,12 - Lc 23,12 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:12 egenonto de filoi ho te Hèrôdès kai ho pilatos en autè tè hèmera met allèlôn proupèrchon gar en echthra ontes pros autous  12 et facti sunt amici Herodes et Pilatus in ipsa die nam antea inimici erant ad invicem    12 En op denzelfde dag werden Pilatus en Herodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen den anderen.   [12] Herodes en Pilatus werden op die dag vrienden van elkaar; tevoren waren ze namelijk vijanden.  [12] Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest.  12 Op die dag worden ze vrienden met elkaar, Herodes en Pilatus; daarvoor immers stonden ze vijandig tegenover elkaar.  12. Et, ce même jour, Hérode et Pilate devinrent deux amis, d'ennemis qu'ils étaient auparavant.  

King James Bible . [12] And the same day Pilate and Herod were made friends together: for before they were at enmity between themselves.
Luther-Bibel . 12 An dem Tag wurden Herodes und Pilatus Freunde; denn vorher waren sie einander Feind.

Tekstuitleg van Lc 23,12 .

6. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hèrô(i)dès   24    24        19  19     

340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig : Lc 23,13-16 - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -

Lc 23,13 - Lc 23,13 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:13 pilatos de sugkalesamenos tous archiereis kai tous archontas kai ton laon  13 Pilatus autem convocatis principibus sacerdotum et magistratibus et plebe    13 En als Pilatus de overpriesters, en de oversten, en het volk bijeengeroepen had, zeide hij tot hen:   13] Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de leiders en het volk bij elkaar  [13] Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich   13 ¶ Pilatus roept de overpriesters, de oversten en de gemeenschap bijeen  13. Ayant convoqué les grands prêtres, les chefs et le peuple, Pilate 

King James Bible . [13] And Pilate, when he had called together the chief priests and the rulers and the people,
Luther-Bibel . 13 Pilatus aber rief die Hohenpriester und die Oberen und das Volk zusammen

Tekstuitleg van Lc 23,13 .

5. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .

Lc 23,14 - Lc 23,14 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:14 eipen pros autous prosènegkate moi ton anthrôpon touton ôs apostrefonta ton laon kai idou egô enôpion umôn anakrinas outhen euron en tô anthrôpô toutô aition ôn katègoreite kat autou  14 dixit ad illos obtulistis mihi hunc hominem quasi avertentem populum et ecce ego coram vobis interrogans nullam causam inveni in homine isto ex his in quibus eum accusatis    14 Gij hebt dezen Mens tot mij gebracht, als een, die het volk afkerig maakt; en ziet, ik heb Hem in uw tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen Mens geen schuld gevonden, van hetgeen daar gij Hem mede beschuldigt;   [14] en zei tegen hen: ‘U hebt deze man bij mij gebracht omdat Hij het volk zou ophitsen. Wel, ik heb de man verhoord in uw bijzijn, en voor uw beschuldigingen tegen Hem heb ik geen enkele grond gevonden;  [14] en zei tegen hen: ‘U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden.  14 en zegt tot hen: u hebt deze mens vóór mij gebracht als iemand die uw gemeente afvallig maakt, en zie, ik heb hem in uw bijzijn verhoord en geen enkele schuld in deze mens gevonden aan alles waarvan u hem beschuldigt;   14. leur dit : « Vous m'avez présenté cet homme comme détournant le peuple, et voici que moi je l'ai interrogé devant vous, et je n'ai trouvé en cet homme aucun motif de condamnation pour ce dont vous l'accusez.  

King James Bible . [14] Said unto them, Ye have brought this man unto me, as one that perverteth the people: and, behold, I, having examined him before you, have found no fault in this man touching those things whereof ye accuse him:
Luther-Bibel . 14 und sprach zu ihnen: Ihr habt diesen Menschen zu mir gebracht als einen, der das Volk aufwiegelt; und siehe, ich habe ihn vor euch verhört und habe an diesem Menschen keine Schuld gefunden, derentwegen ihr ihn anklagt;

Tekstuitleg van Lc 23,14 .

27. act. ind. praes. 2de pers. mv. katègoreite van het werkw. katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het N.T. : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Lc : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Hnd : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Lc (1) Lc 23,14 . Een vorm van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .

Lc 23,15 - Lc 23,15 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:15 all oude èrôdès anepempsen gar auton pros èmas kai idou ouden axion thanatou estin pepragmenon autô 15 sed neque Herodes nam remisi vos ad illum et ecce nihil dignum morte actum est ei     15 Ja, ook Herodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en ziet, er is van Hem niets gedaan, dat des doods waardig is.  [15] en Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Kortom, Hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat.   [15] En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat.  15 en Herodes óók niet, want die heeft hem naar ons teruggestuurd,– zie, niets wat de dood verdient is door hem bedreven!–  15. Hérode non plus d'ailleurs, puisqu'il l'a renvoyé devant nous. Vous le voyez ; cet homme n'a rien fait qui mérite la mort. 

King James Bible . [15] No, nor yet Herod: for I sent you to him; and, lo, nothing worthy of death is done unto him.
Luther-Bibel . 15 Herodes auch nicht, denn er hat ihn uns zurückgesandt. Und siehe, er hat nichts getan, was den Tod verdient.

Tekstuitleg van Lc 23,15 .

3. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het NT : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in de LXX : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (8) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 9,9 . (4) Lc 13,31 . (5) Lc 23,8 . (6) Lc 23,11 . (7) Lc 23,12 . (8) Lc 23,15 . Een vorm van ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes) in het NT (43) , in Lc (12) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 8,3 . (5) Lc 9,7 . (6) Lc 9,9 . (7) Lc 13,31 . (8) Lc 23,7 (hèrô(i)dou en herô(i)dèn) . (9) Lc 23,8 . (10) Lc 23,11 . (11) Lc 23,12 . (12) Lc 23,15 .

  hèrô(i)dès (Herodes)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. mann. enk. hèrô(i)dès   24    24        19  19     

13. gen. mann. enk.  thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .

Lc 23,16 - Lc 23,16 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:16 paideusas oun auton apolusô   16 emendatum ergo illum dimittam    16 Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.   [16] Ik zal Hem daarom laten geselen en dan vrijlaten.’  [16] Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’  16 dus kastijd ik hem en laat hem los!   16. Je le relâcherai donc, après l'avoir châtié. » 

King James Bible . [16] I will therefore chastise him, and release him.
Luther-Bibel . 16 Darum will ich ihn schlagen lassen und losgeben.

Tekstuitleg van Lc 23,16 .


341. Jezus of Barabbas : Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -

Lc 23,17 - Lc 23,17 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:17   17 necesse autem habebat dimittere eis per diem festum unum     17 En hij moest hun op het feest een loslaten.   17 Hij had de verplichting op elk feest er één aan hen los te laten.  [ 17. ]  

King James Bible . [17] (For of necessity he must release one unto them at the feast.)
Luther-Bibel . -

Tekstuitleg van Lc 23,17 .

Lc 23,18 - Lc 23,18 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:18 anekragon de pamplèthei legontes aire touton apoluson de èmin ton barabban  18 exclamavit autem simul universa turba dicens tolle hunc et dimitte nobis Barabban    18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met Dezen, en laat ons Bar-abbas los.   [18] Maar ze schreeuwden in koor: ‘Weg met Hem, laat Barabbas vrij.’  [18] Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: ‘Weg met hem! Laat Barabbas vrij!’  18 Maar zij schreeuwen het uit met man en macht en zeggen: hang hém op en laat Barabbas voor ons los!  18. Mais eux se mirent à pousser des cris tous ensemble : « A mort cet homme ! Et relâche-nous Barabbas. »  

King James Bible . [18] And they cried out all at once, saying, Away with this man, and release unto us Barabbas:
Luther-Bibel . 18 Da schrien sie alle miteinander: Hinweg mit diesem, gib uns Barabbas los!

Tekstuitleg van Lc 23,18 .

Lc 23,19 - Lc 23,19 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:19 ostis èn dia stasin tina genomenèn en tè polei kai fonon blètheis en tè fulakè  19 qui erat propter seditionem quandam factam in civitate et homicidium missus in carcerem     19 Dewelke was om zeker oproer, dat in de stad geschied was, en om een doodslag, in de gevangenis geworpen.  [19] Die was in de gevangenis gezet wegens een oproer in de stad en wegens doodslag.  [19] Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord.   19 Die was wegens een opstand die in de stad was uitgebroken en een moord in de gevangenis gegooid.  19. Ce dernier avait été jeté en prison pour une sédition survenue dans la ville et pour meurtre. 

King James Bible . [19] (Who for a certain sedition made in the city, and for murder, was cast into prison.)
Luther-Bibel . 19 Der war wegen eines Aufruhrs, der in der Stadt geschehen war, und wegen eines Mordes ins Gefängnis geworfen worden.

Tekstuitleg van Lc 23,19 . Het vers Lc 23,19 telt 14 (2 X 7) woorden en 67 letters . De getalwaarde van Lc 23,19 is 5231 .

Lc 23,19.3. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .

Lc 23,20 - Lc 23,20 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:20 palin de o pilatos prosefônèsen autois thelôn apolusai ton ièsoun   20 iterum autem Pilatus locutus est ad illos volens dimittere Iesum    20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.  [20] Maar omdat Pilatus Jezus wilde vrijlaten, sprak hij hen opnieuw toe.   [20] Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten.  20 Maar nog eens verhief Pilatus tegenover hen zijn stem dat hij Jezus wilde loslaten.  20. De nouveau Pilate, qui voulait relâcher Jésus, leur adressa la parole.  

King James Bible . [20] Pilate therefore, willing to release Jesus, spake again to them.
Luther-Bibel . 20 Da redete Pilatus abermals auf sie ein, weil er Jesus losgeben wollte.

Tekstuitleg van Lc 23,20 .

Lc 23,21 - Lc 23,21 : 341. Jezus of Barabbas - verwijzingen - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:21 oi de epefônoun legontes staurou staurou auton  21 at illi succlamabant dicentes crucifige crucifige illum    21 Maar zij riepen daartegen, zeggende: Kruis Hem, kruis Hem!   [21] Maar zij schreeuwden ertegenin: ‘Aan het kruis met Hem, aan het kruis!’  [21] Maar ze schreeuwden het uit: ‘Kruisig hem, kruisig hem!’  21 Maar zij overstemden hem en zeiden: kruisig, kruisig hem!  21. Mais eux répondaient en criant : « Crucifie-le ! crucifie-le ! » 

King James Bible . [21] But they cried, saying, Crucify him, crucify him.
Luther-Bibel . 21 Sie riefen aber: Kreuzige, kreuzige ihn!

Tekstuitleg van Lc 23,21 .

6. - 7. act. imperat. praes. 2de pers. enk. staurou (kruisig) van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (1) Lc 23,21 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 .  (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .  

Lc 23,22 - Lc 23,22 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:22 o de triton eipen pros autous ti gar kakon epoièsen outos ouden aition thanatou euron en autô paideusas oun auton apolusô  22 ille autem tertio dixit ad illos quid enim mali fecit iste nullam causam mortis invenio in eo corripiam ergo illum et dimittam    22 En hij zeide ten derden male tot hen: Wat heeft Deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in Hem gevonden. Zo zal ik Hem dan kastijden en loslaten.  [22] Voor de derde keer zei hij tegen hen: ‘Wat heeft deze man dan voor kwaad gedaan? Ik heb niets kunnen vinden waarop de doodstraf staat; ik zal Hem dus na geseling vrijlaten.’   [22] Voor de derde maal zei hij tegen hen: ‘Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.’  22 Hij zegt de derde keer tot hen: wat voor kwaad heeft deze man toch gedaan?– geen enkele schuld waar de dood op staat vind ik in hem; dus kastijd ik hem en laat hem los!  22. Pour la troisième fois, il leur dit : « Quel mal a donc fait cet homme ? Je n'ai trouvé en lui aucun motif de condamnation à mort ; je le relâcherai donc, après l'avoir châtié. »  

King James Bible . [22] And he said unto them the third time, Why, what evil hath he done? I have found no cause of death in him: I will therefore chastise him, and let him go.
Luther-Bibel . 22 Er aber sprach zum dritten Mal zu ihnen: Was hat denn dieser Böses getan? Ich habe nichts an ihm gefunden, was den Tod verdient; darum will ich ihn schlagen lassen und losgeben.

Tekstuitleg van Lc 23,22 .

11. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

10. act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het NT : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in de LXX : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Lc : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Hnd : poieô (doen, maken) . Bijbel (714) . OT (641) . NT (73) . Lc (14) : (1) Lc 1,49 . (2) Lc 1,51 . (3) Lc 1,68 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 5,29 . (6) Lc 6,3 . (7) Lc 6,10 . (8) Lc 8,8 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 11,40 . (11) Lc 16,8 . (12) Lc 17,9 . (13) Lc 19,18 . (14) Lc 23,22 . Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) , in Lc (88) , Lc 1 (5) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 1,51 . (4) Lc 1,68 . (5) Lc 1,72 . Het Griekse εποιησεν = epoièsen kan de vertaling zijn van het Hebr. עָשָׂה = `âsâh

poieô (doen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen 714 641 73 13 9 14 18 14 4 1    

- Hebreeuws . `-sh-h . (1) act. qal . perf. 3de pers. mann. enk. עָשָׂה = `âshâh (hij maakt) . (2) act. qal part. mann. enk. עֹשֶׂה = `oshèh (makende) . Tenakh (503) . Pentateuch (112) . Eerdere Profeten (161) . Latere Profeten (78) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (133) .
- Lat. facere . Fr. faire . N. doen . D. tun . E. make .

14. gen. mann. enk.  thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .

Lc 23,23 - Lc 23,23 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:23 oi de epekeinto fônais megalais aitoumenoi auton staurôthènai kai katischuon ai fônai autôn  23 at illi instabant vocibus magnis postulantes ut crucifigeretur et invalescebant voces eorum    23 Maar zij hielden aan met groot geroep, eisende, dat Hij zou gekruist worden; en hun en der overpriesteren geroep werd geweldiger.   [23] Maar luidkeels schreeuwend bleven zij eisen dat Hij gekruisigd zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag.  [23] Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit:   23 Maar zij bleven met grote stem eisen dat hij gekruisigd zou worden, en hun stemmen gaven de doorslag.  23. Mais eux insistaient à grands cris, demandant qu'il fût crucifié ; et leurs clameurs gagnaient en violence. 

King James Bible . [23] And they were instant with loud voices, requiring that he might be crucified. And the voices of them and of the chief priests prevailed.
Luther-Bibel . 23 Aber sie setzten ihm zu mit großem Geschrei und forderten, dass er gekreuzigt würde. Und ihr Geschrei nahm überhand.

Tekstuitleg van Lc 23,23 .

3.

8. pass. inf. aor. staurôthènai van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 24,7 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 .  (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .


342. Jezus ter dood veroordeeld : Lc 23,24-25 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 -

Lc 23,24 - Lc 23,24 : 342. Jezus ter dood veroordeeld - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:24 kai pilatos epekrinen genesthai to aitèma autôn  24 et Pilatus adiudicavit fieri petitionem eorum    24 En Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou.   [24] Pilatus besloot hun eis in te willigen.   [24] Pilatus besloot hun eis in te willigen.  24 Pilatus besliste dat zou geschieden wat zij eisten.  24. Et Pilate prononça qu'il fût fait droit à leur demande.  

King James Bible . [24] And Pilate gave sentence that it should be as they required.
Luther-Bibel . 24 Und Pilatus urteilte, dass ihre Bitte erfüllt werde,

Tekstuitleg van Lc 23,24 .

Lc 23,25 - Lc 23,25 : 342. Jezus ter dood veroordeeld - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:25 apelusen de ton dia stasin kai fonon beblèmenon eis fulakèn on ètounto ton de ièsoun paredôken tô thelèmati autôn 25 dimisit autem illis eum qui propter homicidium et seditionem missus fuerat in carcerem quem petebant Iesum vero tradidit voluntati eorum    25 En hij liet hun los dengene, die om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken zij geëist hadden; maar Jezus gaf hij over tot hun wil.  [[25] De man die wegens oproer en doodslag in de gevangenis was gezet, om wie ze hadden gevraagd, liet hij vrij en Jezus leverde hij over aan hun willekeur.  [25] Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur  25 Hij laat los degene die wegens opstand en moord in de gevangenis was geworpen, die zij opeisten, en Jezus geeft hij over aan hun wil.   25. Il relâcha celui qui avait été jeté en prison pour sédition et meurtre, celui qu'ils réclamaient. Quant à Jésus, il le livra à leur bon plaisir. 

King James Bible . [25] And he released unto them him that for sedition and murder was cast into prison, whom they had desired; but he delivered Jesus to their will.
Luther-Bibel . 25 und ließ den los, der wegen Aufruhr und Mord ins Gefängnis geworfen war, um welchen sie baten; aber Jesus übergab er ihrem Willen.

Tekstuitleg van Lc 23,25 . Het vers Lc 23,25 telt 21 (3 X 7) woorden en 103 letters . De getalwaarde van Lc 23,25 is 12096 (2³ X 2³ X 3³ X 7) .

De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .

Lc 23,25.4. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .

- paredôkan (zij leverden over) . Verwijzing : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .

- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .

paradidômi (overleveren)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        

sanhedrin sanhedrin sanhedrin  Judas Pilatus Pilatus Pilatus
Mc 15,1 Mt 27,2 Mt 27,18   Mc 3,19 Mc 15,15  Mt 27,26 Lc 23,25  
kai (en) kai (en) hoti (dat) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) kai (en)  ton de Ièsoun Jezus echter)  
paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus)  paredôken (leverde hij over) ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over)
    hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. tôi thelèmati autôn (aan hun wil)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1-  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25

344. Naar Golgota : Lc 23,26-32 - Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32

Lc 23,26 - Lc 23,26 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:26 kai ôs apègagon auton epilabomenoi simôna tina kurènaion erchomenon ap agrou epethèkan autô ton stauron ferein opisthen tou ièsou  26 et cum ducerent eum adprehenderunt Simonem quendam Cyrenensem venientem de villa et inposuerunt illi crucem portare post Iesum    26 En als zij Hem wegleidden, namen zij een Simon van Cyrene, komende van den akker, en legden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.   [26] Toen ze Hem wegvoerden hielden ze een zekere Simon uit Cyrene* aan, die van zijn akker kwam; hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen.  [26] Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen.  26 ¶ Als ze hem wegvoeren grijpen ze een zekere Simon van Cyrene die van het veld komt en leggen hem het kruis op om dat achter Jezus aan te dragen.  26. Quand ils l'emmenèrent, ils mirent la main sur un certain Simon de Cyrène qui revenait des champs, et le chargèrent de la croix pour la porter derrière Jésus. 

King James Bible . [26] And as they led him away, they laid hold upon one Simon, a Cyrenian, coming out of the country, and on him they laid the cross, that he might bear it after Jesus.
Luther-Bibel . 26 Und als sie ihn abführten, ergriffen sie einen Mann, Simon von Kyrene, der vom Feld kam, und legten das Kreuz auf ihn, dass er's Jesus nachtrüge.

Tekstuitleg van Lc 23,26 .

Lc 23,26.3. act. ind. aor. 3de pers. mv. απηγαγον = apègagon (zij leidden weg) van het werkw. απαγω = apagô (wegleiden, wegvoeren) . Taalgebruik in het NT : apagô (wegleiden, afvoeren) . Taalgebruik in Mc : apagô (wegleiden, afvoeren) . Bijbel (12) . LXX (5) : (1) 1 K 1,38 . (2) Job 24,3 . (3) 2 Kr 36,17 . (4) Jdt 6,14 . (5) Bar 4,16 . NT (7) : (1) Mt 26,57 . (2) Mt 27,2 . (3) Mt 27,31 . (4) Mc 14,53 . (5) Mc 15,16 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,26 . Na zijn arrestatie in de hof van Getsemane werd Jezus weggeleid naar de hogepriester (Mc 14,53) . Na de vrijlating van Barnabas werd Jezus weggeleid om gekruisigd te worden . De soldaten leidden Jezus weg en begonnen met de uitvoering van de straf (Mc 15,16) . Tussen beide wegleidingen ligt het gebeuren vanaf zijn arrestatie tot zijn veroordeling .

6. acc. mann. enk. simôna van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 .  Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 . (9) Lc 24,34 .

Lc 23,27 - Lc 23,27 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:27 èkolouthei de autô polu plèthos tou laou kai gunaikôn ai ekoptonto kai ethrènoun auton  27 sequebatur autem illum multa turba populi et mulierum quae plangebant et lamentabant eum    27 En een grote menigte van volk en van vrouwen volgde Hem, welke ook weenden en Hem beklaagden.  
[27] Een grote massa mensen volgde Hem; er waren vrouwen bij, die om Hem rouwden en treurden. 
[27] Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden.   27 Hem is gevolgd een grote schare van de gemeenschap en wel van vrouwen die zich rouwend op de borst sloegen en hem hebben beklaagd.   27. Une grande masse du peuple le suivait, ainsi que des femmes qui se frappaient la poitrine et se lamentaient sur lui.  

King James Bible . [27] And there followed him a great company of people, and of women, which also bewailed and lamented him.
Luther-Bibel . 27 Es folgte ihm aber eine große Volksmenge und Frauen, die klagten und beweinten ihn.

Tekstuitleg van Lc 23,27 . Het vers Lc 23,27 telt 15 (3 X 5) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Lc 23,27 is 8306 (2 X 4153) .

Lc 23,27.1. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (4) : (1) Lc 5,28 . (2) Lc 18,43 . (3) Lc 22,54 . (4) Lc 23,27 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .

Lc 23,27.5. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het N.T. : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .

4.5. polu plèthos (een grote menigte) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 3,7 . (2) Lc 23,27 . (3) Hnd 14,1 . (4) Hnd 17,4 .
- plèthos tou laou (een menigte volk) . In drie verzen in het N.T. : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 23,27 . (3) Hnd 21,36 .
Bij de kruisweg is een grote menigte volk en vrouwen aanwezig . In Lc 23,35 staat het volk (ho laos) toe te kijken terwijl Jezus aan het kruis hangt . In Lc 23,48 hebben alle menigten ( pantes hoi ochloi) gezien hoe Jezus stierf . Het volk / de menigte(n) was dus getuige van de kruisweg , de kruisiging en het sterven van Jezus .

7. gen. mann. enk. = laou van het zelfst. naamw. λαος = laos (volk) . Taalgebruik in het NT : laos (volk) . Taalgebruik in de LXX : laos (volk) . Taalgebruik in Lc : laos (volk) . Lc (12) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,32 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 19,47 . (8) Lc 20,26 . (9) Lc 20,45 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,27 . (12) Lc 24,19 . Een vorm van λαος = laos (volk) in de LXX (2064) , in het NT (141) , in Lc (37) .

Lc 23,28 - Lc 23,28 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:28 strafeis de pros autas ièsous eipen thugateres ierousalèm mè klaiete ep eme plèn ef eautas klaiete kai epi ta tekna humôn  28 conversus autem ad illas Iesus dixit filiae Hierusalem nolite flere super me sed super vos ipsas flete et super filios vestros    28 En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem! weent niet over Mij, maar weent over uzelven, en over uw kinderen.  [28] Jezus draaide zich om en zei tegen hen: ‘Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om Mij, huil liever om uzelf en uw kinderen.  [28] Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: ‘Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen,  28 Maar Jezus keert zich naar hen om en zegt: dochters van Jeruzalem, weent niet over mij; weent liever over uzelf en over uw kinderen,  28. Mais, se retournant vers elles, Jésus dit : « Filles de Jérusalem, ne pleurez pas sur moi ! pleurez plutôt sur vous-mêmes et sur vos enfants ! 

King James Bible . [28] But Jesus turning unto them said, Daughters of Jerusalem, weep not for me, but weep for yourselves, and for your children.
Luther-Bibel . 28 Jesus aber wandte sich um zu ihnen und sprach: Ihr Töchter von Jerusalem, weint nicht über mich, sondern weint über euch selbst und über eure Kinder.

Tekstuitleg van Lc 23,28 .

6. nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (55) . Lc 23 (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 23,43 . (3) Lc 23,46 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 23 (9) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,20 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 23,26 . (5) Lc 23,28 . (6) Lc 23,34 . (7) Lc 23,42 . (8) Lc 23,46 . (9) Lc 23,52 .

13. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .

12. - 13. ep'eme (op mij, tegen mij) . Lc (3) : (1) Lc 4,18 . (2) Lc 22,53 . (3) Lc 23,28 .

Lc 23,29 - Lc 23,29 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:29 oti idou erchontai èmerai en ais erousin makariai ai steirai kai ai koiliai ai ouk egennèsan kai mastoi oi ouk ethrepsan   29 quoniam ecce venient dies in quibus dicent beatae steriles et ventres qui non genuerunt et ubera quae non lactaverunt     29 Want ziet, er komen dagen, in welke men zeggen zal: Zalig zijn de onvruchtbaren, en de buiken, die niet gebaard hebben, en de borsten, die niet gezoogd hebben.   [29] Want er komen dagen dat men zal zeggen: “Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd.”  [29] want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: “Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd.”  29 omdat er, zie, dagen zullen komen waarop ze zullen zeggen: zalig de onvruchtbaren, de schoten die niet hebben gebaard en de borsten die nooit hebben gevoed!–  29. Car voici venir des jours où l'on dira : Heureuses les femmes stériles, les entrailles qui n'ont pas enfanté, et les seins qui n'ont pas nourri ! 

King James Bible . [29] For, behold, the days are coming, in the which they shall say, Blessed are the barren, and the wombs that never bare, and the paps which never gave suck.
Luther-Bibel . 29 Denn siehe, es wird die Zeit kommen, in der man sagen wird: Selig sind die Unfruchtbaren und die Leiber, die nicht geboren haben, und die Brüste, die nicht genährt haben!

Tekstuitleg van Lc 23,29 .

Lc 23,30 - Lc 23,30 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:30 tote arxontai legein tois oresin pesete ef èmas kai tois bounois kalupsate èmas   30 tunc incipient dicere montibus cadite super nos et collibus operite nos    30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons; en tot de heuvelen: Bedekt ons.   [30] Dan zal men zeggen tegen de bergen: “Val op ons”, en tegen de heuvels: “Bedek ons.”   [30] Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: “Val op ons neer!” en tegen de heuvels: “Bedek ons!”  30 dan zullen ze beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons!, en tot de heuvels: bedekt ons!–  30. Alors on se mettra à dire aux montagnes : Tombez sur nous ! et aux collines : Couvrez-nous !  

King James Bible . [30] Then shall they begin to say to the mountains, Fall on us; and to the hills, Cover us.
Luther-Bibel . 30 Dann werden sie anfangen zu sagen zu den Bergen: Fallt über uns!, und zu den Hügeln: Bedeckt uns!

Tekstuitleg van Lc 23,30 .

1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Lc : tote (dan) . Lc (15) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 11,24 . (4) Lc 11,26 . (5) Lc 13,26. (6) Lc 14,9 . (7) Lc 14,10 . (8) Lc 14,21 . (9) Lc 16,16 . (10) Lc 21,10 . (11) Lc 21,20. (12) Lc 21,21 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 23,30 . (15) Lc 24,45 .

Lc 23,31 - Lc 23,31 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:31 oti ei en | | tô | ugrô xulô tauta poiousin en tô xèrô ti genètai   31 quia si in viridi ligno haec faciunt in arido quid fiet    31 Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?   [31] Want als ze dit doen met het groene hout, wat moet er dan gebeuren met het dorre?’  [31] Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?’  31 want als ze dit doen met het groene hout, het dorre, wat zal daarmee geschieden?  31. Car si l'on traite ainsi le bois vert, qu'adviendra-t-il du sec ? 

King James Bible . [31] For if they do these things in a green tree, what shall be done in the dry?
Luther-Bibel . 31 Denn wenn man das tut am grünen Holz, was wird am dürren werden?

Tekstuitleg van Lc 23,31 .

Lc 23,32 - Lc 23,32 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:32 ègonto de kai eteroi kakourgoi duo sun autô anairethènai   32 ducebantur autem et alii duo nequam cum eo ut interficerentur    32 En er werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid, om met Hem gedood te worden.   [32] Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht.  [32] Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden.  32 ¶ Ze hebben ook twee anderen, echte kwaaddoeners, weggeleid, om met hem terechtgesteld te worden.  » 32. On emmenait encore deux malfaiteurs pour être exécutés avec lui.  

King James Bible . [32] And there were also two other, malefactors, led with him to be put to death. .
Luther-Bibel . 32 Es wurden aber auch andere hingeführt, zwei Übeltäter, dass sie mit ihm hingerichtet würden.

Tekstuitleg van Lc 23,32 .


345. Kruisiging : Lc 23,33-34 - Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 -- Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -

Lc 23,33 - Lc 23,33 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:33 kai ote èlthon epi ton topon ton kaloumenon kranion ekei estaurôsan auton kai tous kakourgous on men ek dexiôn on de ex aristerôn  33 et postquam venerunt in locum qui vocatur Calvariae ibi crucifixerunt eum et latrones unum a dextris et alterum a sinistris    33 En toen zij kwamen op de plaats, genaamd Hoofdschedel plaats, kruisigden zij Hem aldaar, en de kwaaddoeners, den een ter rechter zijde en den ander ter linker zijde.   [33] Toen ze op het zogeheten Schedelveld* kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem.  33] Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links.  33 Wanneer ze komen op de plek genaamd ‘Schedel’ kruisigen ze dáár hem en de twee misdadigers, de een rechts en de ander links van hem.  33. Lorsqu'ils furent arrivés au lieu appelé Crâne, ils l'y crucifièrent ainsi que les malfaiteurs, l'un à droite et l'autre à gauche.  

King James Bible . [33] And when they were come to the place, which is called Calvary, there they crucified him, and the malefactors, one on the right hand, and the other on the left.
Luther-Bibel . 33 Und als sie kamen an die Stätte, die da heißt Schädelstätte, kreuzigten sie ihn dort und die Übeltäter mit ihm, einen zur Rechten und einen zur Linken.

Tekstuitleg van Lc 23,33 .

(3). ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (4) : (1) Lc 2,15 .  (2) Lc 10,30 . (3) Lc 23,33 .  (4) Lc 24,24 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 .  (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 .   (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 .  (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 .  (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 .  (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 .  (17) Lc 22,4 .  (18) Lc 22,13 .  (19) Lc 23,33 .  (20) Lc 24,12 .   (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen .

11. act. ind. aor. 3de pers. mv. estaurôsan van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,33 . (2) Lc 24,20 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 .  (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .

Lc 23,34 - Lc 23,34 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:34 [[o de ièsous elegen pater afes autois ou gar oidasin ti poiousin]] diamerizomenoi de ta imatia autou ebalon | klèron | klèrous |  34 Iesus autem dicebat Pater dimitte illis non enim sciunt quid faciunt dividentes vero vestimenta eius miserunt sortes    34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen. En verdelende Zijn klederen, wierpen zij het lot.   [34] Jezus sprak: ‘Vader, vergeef het hun, want* ze weten niet wat ze doen.’ Ze verdobbelden zijn kleren.   [34] Jezus zei: ‘Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.’* De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen.   34 Maar Jezus heeft gezegd: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen! Om zijn kleren te verdelen werpen ze het lot.  34. Et Jésus disait : « Père, pardonne-leur : ils ne savent ce qu'ils font. » Puis, se partageant ses vêtements, ils tirèrent au sort.  

King James Bible . [34] Then said Jesus, Father, forgive them; for they know not what they do. And they parted his raiment, and cast lots.
Luther-Bibel . 34 Jesus aber sprach: Vater, vergib ihnen; denn sie wissen nicht, was sie tun! Und sie verteilten seine Kleider und warfen das Los darum.

Tekstuitleg van Lc 23,34

1. 2. 3. In Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 wordt het onderwerp Ièsous (Jezus) (Verwijzing : Ièsous (Jezus) , zie Lc 15,11) zevenmaal aangewend :
(1) Lc 22,48 (Ièsous de eipen autôi = Jezus echter zei tot hem - Judas -) .
(2) Lc 22,51 (apokritheis de ho Ièsous eipen = beantwoord echter zei Jezus) .
(3) Lc 22,52 (eipen de Ièsous pros ... = Jezus echter zei tot ...) .
(4) Lc 23,28 (strafeis de pros autas ho Ièsous eipen = gekeerd echter tot hen zei Jezus) .
(5) Lc 23,34 (ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) .
(6) Lc 23,46 (kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus : Vader... ) .
(7) Lc 24,15 (Jezus liep met hen mee) .
In zes verzen is Jezus onderwerp van het werkwoord zeggen ; vijfmaal eipen = hij zei ; eenmaal elegen = hij zei . In vijf van de zes verzen gaat het onderwerp Jezus vooraf aan de werkwoordsvorm van legô = zeggen ; in één vers volgt het onderwerp Jezus op de werkwoordsvorm . In vijf van de zeven verzen wordt het partikel de (echter) gebruikt , in twee verzen het verbindingswoord kai (en) . In vier verzen gaat een participium aorist aan het hoofdwerkwoord vooraf . In drie verzen ervan staat dan het bepalend lidwoord ho bij het onderwerp Ièsous . Lc 23,34 (ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) is iets bijzonders : 1) de werkwoordvorm elegen = hij zei . 2) het gebruik van het bepalend lidwoord bij Ièsous (Jezus) .

5. pater (vader) . Verwijzing : patèr (vader), zie Lc 15,12 . Vocatief . In elf verzen bij Lucas . In vijf verzen richt Jezus zich tot God als 'Vader' :
(1) Lc 10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc 11,2 (het Onzevader) . .
(9) Lc 22,42 (Jezus in Getsemane) .
(10) Lc 23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(11) Lc 23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd worden , zoon van God (Lc 1,35) . Bij de doop (Lc 3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde , in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc 9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene . Luistert naar hem (Lc 9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie . Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God" (Lc 22,70) .

6. Afes (vergeef) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . Imperatief aorist tweede persoon enkelvoud . Deze vorm komt bij Lucas in zes verzen voor : (1) Lc 6,42 . (2) Lc 9,60 . (3) Lc 11,4 . (4) Lc 13,8 . (5) Lc 17,3 . (6) Lc 23,34 , maar zeldzaam in de betekenis van vergeven , wel in de betekenis van sta me toe, ver-ont-schuldig me, laat achter enz.

346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Lc 23,35-43 - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43

Lc 23,35 - Lc 23,35 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:35 kai eistèkei ho laos theôrôn exemuktèrizon de kai oi archontes legontes allous esôsen sôsatô eauton ei houtos estin o christos tou theou ho eklektos 35 et stabat populus expectans et deridebant illum principes cum eis dicentes alios salvos fecit se salvum faciat si hic est Christus Dei electus    35 En het volk stond en zag het aan. En ook de oversten met hen beschimpten Hem, zeggende: Anderen heeft Hij verlost, dat Hij nu Zichzelven verlosse, zo Hij is de Christus, de Uitverkorene Gods.   [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: ‘Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!’  [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: ‘Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!’  35 De gemeente stond daar en zag het aan; ook de oversten lachten om hem en zeiden: anderen heeft hij bevrijd, laat hij nu zichzelf bevrijden!, als hij de Gezalfde van God is, ‘de uitverkorene’!  35. Le peuple se tenait là, à regarder. Les chefs, eux, se moquaient : « Il en a sauvé d'autres, disaient-ils ; qu'il se sauve lui-même, s'il est le Christ de Dieu, l'Élu ! »

King James Bible . [35] And the people stood beholding. And the rulers also with them derided him, saying, He saved others; let him save himself, if he be Christ, the chosen of God.
Luther-Bibel . 35 Und das Volk stand da und sah zu. Aber die Oberen spotteten und sprachen: Er hat andern geholfen; er helfe sich selber, ist er der Christus, der Auserwählte Gottes.

Tekstuileg van Lc 23,35

1. - 5. In vijf woorden wordt de houding van het volk geschetst . Het volk stond erop toe te kijken alsof het naar een theatervoorstelling (theôrôn) of een spektakel (expectans) was gaan kijken . Het keek ernaar en deed niets . Het liet gebeuren . Het stond . Het bewoog niet . Het kwam niet in actie . Het keek . Het volk zei ook niets . Het zei niets tot hun oversten , Jezus of de medegekruisigden . Het volk zweeg .

5. theôrôn (kijkend). Enige vorm bij de synoptici. Verwijzing : theôreô (zien, kijken), zie Mc 16,4 .

6. ekmuktèrizô (uitlachen) . Verwijzing : ekmuktèrizô (uitlachen) , zie Lc 23,35 . Zie ook verwijzing : lâ`ag (bespotten, beschimpen) , zie Ps 2,4
--- exemuktèrizon (zij lachten uit) . Imperfectum derde persoon meervoud . In twee verzen in de bijbel : (1) Lc 16,14 . (2) Lc 23,35 .
--- exemuktèrisan . Aorist . In twee verzen in de bijbel : (1) Ps 22,8 . (2) Ps 35,16 .
--- ekmukturiei (hij lacht uit). Praesens derde persoon enkelvoud. In slechts één vers in de bijbel : Ps 2,4 .
In vijf woorden wordt de houding van de oversten geschetst . De oversten (de hogepriesters , de schriftgeleerden en de priesters) spreken wel . Ze lachen en spotten . Er is een ongelijke strijd : Jezus die hoog aan het kruis hangt , de oversten die beneden onder het kruis staan .
Wat zeggen de oversten? "Anderen heeft hij gered, red uzelf (in het grieks: tweemaal twee woorden : sôzô: redden , vanwaar het zelfstandig naamwoord sôtèr : redder) . Dit staat in schril contrast met wat de engelen aan de herders aankondigen : Lc 2,11 : want is geboren voor u heden de redder , die is Christus de Heer (grieks: christos kurios) . Maar het gaat in beide gevallen om redden (sôzô - sôtèr) . En we merken nog meer gelijkenis:
Lc 2,11 : hos estin christos kurios (die is Christus de Heer)
Lc 23,35 : ei houtos estin christos tou theou , ho eklektos (indien deze is Christus van God, de uitverkorene).
En het doet ook denken aan de ondervraging door de hogepriester : Mc 14,60 : gij zijt de Christus, de zoon van God (su ei ho Christis ho huios tou theou).
Op deze uitlatingen van de oversten zegt Jezus niets .

17. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

Lc 23,36 - Lc 23,36 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:36 enepaixan de autô kai oi stratiôtai proserchomenoi oxos prosferontes autô   36 inludebant autem ei et milites accedentes et acetum offerentes illi    36 En ook de krijgsknechten, tot Hem komende, bespotten Hem, en brachten Hem edik;  [36] Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen   [36] Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan,  36 Ook spotten de soldaten met hem, die erbij kwamen om hem edik aan te bieden;  36. Les soldats aussi se gaussèrent de lui : s'approchant pour lui présenter du vinaigre, 

King James Bible . [36] And the soldiers also mocked him, coming to him, and offering him vinegar,
Luther-Bibel . 36 Es verspotteten ihn auch die Soldaten, traten herzu und brachten ihm Essig

Tekstuitleg van Lc 23,36 .

Lc 23,37 - Lc 23,37 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:37 kai legontes ei su ei o basileus tôn ioudaiôn sôson seauton  37 dicentes si tu es rex Iudaeorum salvum te fac     37 En zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zo verlos Uzelven.   [37] en zeiden: ‘Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!’  [37] terwijl ze zeiden: ‘Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!’  37 ze zeiden: als jíj het bént: de koning der Joden, bevrijd dan jezelf!  37. ils disaient : « Si tu es le roi des Juifs, sauve-toi toi-même ! » 

King James Bible . [37] And saying, If thou be the king of the Jews, save thyself.
Luther-Bibel . 37 und sprachen: Bist du der Juden König, so hilf dir selber!

Tekstuitleg van Lc 23,37 .

7. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .

Lc 23,38 - Lc 23,38 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:38 èn de kai epigrafè ep autô o basileus tôn ioudaiôn outos 38 erat autem et superscriptio inscripta super illum litteris graecis et latinis et hebraicis hic est rex Iudaeorum   38 En er was ook een opschrift boven Hem geschreven, met Griekse, en Romeinse en Hebreeuwse letters: DEZE IS DE KONING DER JODEN.   [38] Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. [38] Boven hem was een opschrift aangebracht: ‘Dit is de koning van de Joden’.   38 Er was ook een opschrift boven hem: de koning der Joden is dit!   38. Il y avait aussi une inscription au-dessus de lui : « Celui-ci est le roi des Juifs. » 

King James Bible . [38] And a superscription also was written over him in letters of Greek, and Latin, and Hebrew, THIS IS THE KING OF THE JEWS.
Luther-Bibel . 38 Es war aber über ihm auch eine Aufschrift: Dies ist der Juden König.

Tekstuitleg van Lc 23,38 .

8. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 .  (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .

11. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

Lc 23,39 - Lc 23,39 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:39 eis de tôn kremasthentôn kakourgôn eblasfèmei auton | | legôn | ouchi su ei o christos sôson seauton kai èmas  unus autem de his qui pendebant latronibus blasphemabat eum dicens si tu es Christus salvum fac temet ipsum et nos     39 En een der kwaaddoeners, die gehangen waren, lasterde Hem, zeggende: Indien Gij de Christus zijt, verlos Uzelven en ons.   [39] Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: ‘Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!’  [39] Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: ‘Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!’  39 Een van de gehangen misdadigers lasterde hem door te zeggen: ben jíj niet de Gezalfde?– bevrijd dan jezelf en ons ook!  39. L'un des malfaiteurs suspendus à la croix l'injuriait : « N'es-tu pas le Christ ? Sauve-toi toi-même, et nous aussi. » 

King James Bible . [39] And one of the malefactors which were hanged railed on him, saying, If thou be Christ, save thyself and us.
Luther-Bibel . 39 Aber einer der Übeltäter, die am Kreuz hingen, lästerte ihn und sprach: Bist du nicht der Christus? Hilf dir selbst und uns!

Tekstuitleg van Lc 23,39 .

Lc 23,40 - Lc 23,40 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:40 apokritheis de o eteros epitimôn autô efè oude fobè su ton theon oti en tô autô krimati ei   40 respondens autem alter increpabat illum dicens neque tu times Deum quod in eadem damnatione es   40 Maar de andere, antwoordende, bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?  [40] Maar de ander wees hem terecht: ‘Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat?  [40] Maar de ander wees hem terecht met de woorden: ‘Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat?  40 Maar de andere gaf antwoord en strafte hem af; hij zei: vrees jij Gód niet nu je in dit oordeel bent?–  40. Mais l'autre, le reprenant, déclara : « Tu n'as même pas crainte de Dieu, alors que tu subis la même peine ! 

King James Bible . [40] But the other answering rebuked him, saying, Dost not thou fear God, seeing thou art in the same condemnation?
Luther-Bibel . 40 Da wies ihn der andere zurecht und sprach: Und du fürchtest dich auch nicht vor Gott, der du doch in gleicher Verdammnis bist?

Tekstuitleg van Lc 23,40 .

Lc 23,41 - Lc 23,41 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:41 kai èmeis men dikaiôs axia gar ôn epraxamen apolambanomen outos de ouden atopon epraxen  41 et nos quidem iuste nam digna factis recipimus hic vero nihil mali gessit    41 En wij toch rechtvaardiglijk; want wij ontvangen straf, waardig hetgeen wij gedaan hebben; maar Deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.  [41] In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.’  [41] Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.’  41 en wij terecht want wij krijgen wat we verdienen voor onze praktijken; maar hij hier heeft niets bijzonders gedaan!   41. Pour nous, c'est justice, nous payons nos actes ; mais lui n'a rien fait de mal. » 

King James Bible . [41] And we indeed justly; for we receive the due reward of our deeds: but this man hath done nothing amiss.
Luther-Bibel . 41 Wir sind es zwar mit Recht, denn wir empfangen, was unsre Taten verdienen; dieser aber hat nichts Unrechtes getan.

Tekstuitleg van Lc 23,41 .

10. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

Lc 23,42 - Lc 23,42 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:42 kai elegen ièsou mnèsthèti mou otan elthès eis tèn basileian sou  42 et dicebat ad Iesum Domine memento mei cum veneris in regnum tuum    42 En hij zeide tot Jezus: Heere, gedenk mijner, als Gij in Uw Koninkrijk zult gekomen zijn.   [42] Daarop zei hij: ‘Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.’  [42] En hij zei: ‘Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.’  42 En hij zei: Jezus, gedenk mij wanneer je aankomt in je koninkrijk!  42. Et il disait : « Jésus, souviens-toi de moi, lorsque tu viendras avec ton royaume. » 

King James Bible . [42] And he said unto Jesus, Lord, remember me when thou comest into thy kingdom.
Luther-Bibel . 42 Und er sprach: Jesus, gedenke an mich, wenn du in dein Reich kommst!

Tekstuitleg van Lc 23,42 .

Lc 23,43 - Lc 23,43 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:43 kai eipen autô amèn soi legô sèmeron met emou esè en tô paradeisô  43 et dixit illi Iesus amen dico tibi hodie mecum eris in paradiso  43 En hij zei hem:
“Voorwaar ik zeg je, vandaag zul je met mij in het paradijs zijn”.
 
43 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, zeg Ik u: Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn.   [43] Hij zei tegen hem: ‘Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.’  [43] Jezus antwoordde: ‘Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.’  43 En hij zegt hem: amen, jou zeg ik, vandaag nog zul je er mét mij zijn, in het paradijs.   43. Et il lui dit : « En vérité, je te le dis, aujourd'hui tu seras avec moi dans le Paradis. »  

King James Bible . [43] And Jesus said unto him, Verily I say unto thee, To day shalt thou be with me in paradise.
Luther-Bibel . 43 Und Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: Heute wirst du mit mir im Paradies sein.

Tekstuitleg van Lc 23,43 .

Lc 23,35: ei houtos estin christos tou theou, ho eklektos (indien deze is Christus van God, de uitverkorene). En het doet ook denken aan de ondervraging door de hogepriester: Mc 14, 60 : gij zijt de Christus, de zoon van God (su ei ho Christis ho huios tou theou).
Op deze uitlatingen van de oversten zegt Jezus niets.
37 De soldaten van de Romeinse procurator Pilatus zeggen al spottend, en de formulering is zeer gelijkend op voorgaande:
de priesters (Lc 23,35): soosatoo seauton, ei houtos estin ho christos tou theou ho eklektos (red uzelf indien deze is de Christus van God, de uitverkorene)
de soldaten (Lc 23,37) ei su ei ho basileus toon Ioudaaioon, seooson seauton (indien gij zijt de koning van de Joden, red uzelf)

Deze zin doet denken aan de ondervraging door Pilatus: Mc 15,2 : su ei ho basileus toon Ioudaaioon (identiek als Lc 23,37): gij zijt de koning van de Joden.

Vanuit het oogpunt van de leiders van het Joodse volk wordt het messiasschap van Jezus ontkend, vanuit het oogpunt van de Romeinse overheerser het koningschap van Jezus, of tenminste een koningschap van aardse macht.
Hoe is dat koningschap van Jezus ingevuld? Het werd een koningschap dat geen bedreiging voor de Romeinse keizer werd, meer nog: beiden zouden met elkaar kunnen samengaan. Jezus zegt: Mijn koningschap is niet van deze wereld; indien mijn koningschap van deze wereld was... Geef aan de keizer wat de keizer toekomt en aan God wat God toekomt.
Het koningschap van Jezus overtreft zelfs dat van de Romeinse keizer, want het is een geestelijk koningschap.
Op deze manier heeft het christendom zich kunnen realiseren, door enerzijds afstand te nemen van het jodendom, door anderzijds de lont uit de spanning tussen twee koninklijke machten te halen door het koninkrijk van Jezus als een geestelijk koninkrijk te interpreteren. Het is ook de weg waardoor aan Jezus grotere macht werd toegekend en de weg openmaakte voor de interpretatie van het zoonschap van God als God zelf.

Bron : ??? De Levende : Lc. 23,47-24,12
Van de hoofdman die getuige was van het sterven van Jezus, vermeldt Lucas dat hij God verheerlijkte door Jezus een tsaddiek, een rechtvaardige te noemen. Uit de mond van een Romein is deze benaming stellig ongewoon, hoewel hij die natuurlijk gebruikt kan hebben zonder de bedoeling er dezelfde ‘technische’ betekenis aan te hechten die in de joodse term tsaddiek ligt opgesloten. Mogelijk is ook dat Lucas deze term kiest als omschrijving van het bij Mattheüs (27 : 54) en Marcus (15: 39) voorkomende ‘Zoon Gods’, dat dan uiteraard in de visie van een Romein geen strikt Messiaanse benaming behoeft te zijn — tenzij deze hoofdman tot de ‘godvrezenden’ behoorde. Daarover geeft de Schrift ons geen uitsluitsel.
De man die in eerste instantie voor de begrafenis van Jezus zorg draagt, is een zekere Jozef, van wie Lucas ons meedeelt dat hij een goed en rechtvaardig man was, die niet had ingestemd met ‘raad en bedrijf’ van het sanhedrin, waarvan hij blijkbaar wel lid was (Lc 23,50, vgl. Mc 15, 43). Lucas tekent hem ook als een volgeling van Jezus door te vermelden dat hij ‘het Koninkrijk Gods verwachtte’. De plaats Arimatea, waarvan deze Jozef afkomstig was, wordt door Lucas (vs. 51) ‘een stad der joden’ genoemd, waarschijnlijk om daarmee aan te geven dat Arimatea in Judea lag (vgl. pag. 36 en de daar genoemde teksten).
De manier waarop Lucas in vs 53 de begrafenis beschrijft, is in overeenstemming met de mededeling van Johannes (19, 40): ‘zoals het bij de joden gebruikelijk is te begraven’.
Van de uit Galilea afkomstige vrouwen, die blijkens vss. 55-56 deze begrafenis wilden voltooien door bijvoeging van ‘specerijen en mirre’, vermeldt Lucas uitdrukkelijk dat ze ‘op de sabbat rustten, naar het gebod’. Ook deze volgelingen van Jezus behoorden dus tot de kring der vrome Israëlieten. Van deze vrouwen worden er in Lc 24,10 drie met name genoemd. Twee van deze namen, Maria Magdalena en Johanna, kwamen bij Lucas reeds eerder voor (8,2-3), terwijl de derde, Maria, de moeder van Jakobus (de jongere), ook door de beide andere synoptici als een der eerste woordgetuigen van de opstanding wordt vermeld. Hun getuigenis vindt echter bij de apostelen geen geloof: ‘deze woorden schenen hun zotteklap’ (24,11). Naar joodse opvatting stonden de apostelen daarmee althans juridisch in hun recht: reeds Josefus vermeldt dat in rechtszaken het getuigenis van vrouwen niet geldig is. Dat gold overigens ook van het getuigenis van engelen. Daarom is het merkwaardig dat Matth. 28,5 de ene jongeling van Mc 16,5 een engel noemt. Opvallend is het echter dat Lucas het aantal jongelingen van Marcus verdubbelt en spreekt van ‘twee mannen in blinkend gewaad’ (Lc 24,4). Volgens het wetsvoorschrift van Dt 19,15 is één getuige niet voldoende: ‘op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak vaststaan’. Dat gold m.n. voor een doodvonnis (Nu 35,30 ; Dt 17,6; He 10,28 ), maar evenzeer voor ‘elke andere ongerechtigheid of zonde’ (Dt 19,15 ). Zowel Jezus als Paulus hebben, in ander verband, naar dit wetsvoorschrift verwezen (Joh 8,17 ; 2 Kor 13,1).
Ook in het opstandingsevangelie gaat het om een zaak van leven of dood: ‘Wat zoekt gij de Levende bij de doden?’ (Lc 24,5 ). Strikt genomen geldt deze uitspraak alleen van God, zoals een joodse midrasj op Ex 5,1 aantoont: ‘Toen Mozes en Aäron in de Naam des HEREN tot Farao kwamen, raadpleegde deze eerst zijn boeken, of hij, temidden van de goden der volken, ook de naam van de God van Israël vinden kon. Daarop zeiden Mozes en Aäron tot hem: ‘Gij dwaas, men pleegt wel de doden onder de levenden te zoeken, maar soms ook de levenden bij de doden? Onze God is een levende God — die andere, waarover gij spreekt, zijn immers dood?’
Opvallend is dat ook in deze midrasj twee getuigen worden genoemd: Mozes en Aäron. Even opvallend is trouwens dat Lucas hier een uitspraak die in de midrasj op God betrekking heeft, toepast op de opgestane Heer.


347. Kruisdood van Jezus : Lc 23,44-48 - Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -

Lc 23,44 - Lc 23,44 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:44 kai èn èdè ôsei ôra ektè kai skotos egeneto ef olèn tèn gèn eôs ôras enatès  44 erat autem fere hora sexta et tenebrae factae sunt in universa terra usque in nonam horam  En het was al ongeveer het zesde uur en er ontstond duisternis over het hele land tot het negende uur, 44 En het was omtrent de zesde ure, en er werd duisternis over de gehele aarde, tot de negende ure toe. [44] Al rond het zesde* uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur.  [44] Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde.  44 ¶ Het is reeds ongeveer het zesde uur als duisternis valt over heel de aarde, tot aan het negende uur,  44. C'était déjà environ la sixième heure quand, le soleil s'éclipsant, l'obscurité se fit sur la terre entière, jusqu'à la neuvième heure.  

King James Bible . [44] And it was about the sixth hour, and there was a darkness over all the earth until the ninth hour.
Luther-Bibel . 44 Und es war schon um die sechste Stunde, und es kam eine Finsternis über das ganze Land bis zur neunten Stunde,

Tekstuitleg van Lc 23,44 .

Mc 15,33 Mt 27,45 Lc 23,44 Am 8,9 
Kai (en) ... de (echter) Kai (en)  kai (en)
genomeès hôras hektès (toen het zes uur werd) Apo ... hektès hôras (vanaf... zes uur) èn èdè hôsei hôra hektè (het was ongeveer zes uur) dusetai ho hèlios mesèmbtias (de middagzon zal ondergaan) 
skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde) skotos egeneto epi pasan tèn gèn (duisternis was er over de ganse aarde) kai skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde)  kai suskotasei epi tès gès en hèmerai to fôs (en het licht zal overdag verduisteren op aarde.)
heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur)  
 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48

14. gen. vr. enk. ὡρας = hôras (uur) van het zelfst. naamw. ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Taalgebruik in de LXX : hôra (uur) . Taalgebruik in Mc : hôra (uur) . Mt (5) : (1) Mt 9,22 . (2) Mt 15,28 . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 24,36 . Mc (4) : Mt 27,45 . (1) Mc 6,35 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 13,32 . (4) Mc 15,33 . Lc (2) : (1) Lc 22,59 . (2) Lc 23,44 . Joh (2) : (1) Joh 12,27 . (2) Joh 19,27 .

  hôra (uur)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  gen. vr. enk. horas            (1) Mc 6,35 .           (2) Mc 11,11 .     (3) Mc 13,32 .     (4) Mc 15,33 .     32  13  19  11  13     

- Ned. : uur . D. : Stunde . E. : hour . Fr. : heure . Grieks : ὡρα = hôra (uur) . Taalgebruik in het NT : hôra (uur) . Latijn : hora .


Lc 23,45 - Lc 23,45 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:45 tou èliou | ekleipontos | eklipontos | eschisthè de to katapetasma tou naou meson 45 et obscuratus est sol et velum templi scissum est medium  daar de zon uitdoofde; het voorhangsel van de tempel werd middendoor gescheurd   45 En de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des tempels scheurde midden door. [45] Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor.  De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden.  45 doordat de zon geen licht meer geeft. Het voorhangsel van het tempelschip scheurt middendoor.   45. Le voile du Sanctuaire se déchira par le milieu, 

King James Bible . [45] And the sun was darkened, and the veil of the temple was rent in the midst.
Luther-Bibel . 45 und die Sonne verlor ihren Schein, und der Vorhang des Tempels riss mitten entzwei.

Tekstuitleg van Lc 23,45 .

2. gen. mann. enk. ἡλιου = hèliou van het zelfst. naamw. ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . (h)èlios (zon) . Taalgebruik in de LXX : hèlios (zon) . Lc (1) : Lc 4,40 .

  hèlios (zon)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. hèlios  3 : (1) Mt 13,43 . (2) Mt 17,2 . (3) Mt 24,29 . 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 .   6 : (1) Mt 24,29 // Mc 13,24 // Lc 21,25 . (2) Mc 1,32 // Lc 4,40 . 73  60  13     
2 gen. mann. enk. hèliou   1 : Mt 13,6 . 1 : Mc 16,2 . 4 : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 23,45 . 6 : (1) Mt 13,6 // Mc 4,6 . 157  143  14     
3 dat. mann. enk. hèliô(i)      1 : Lc 21,25 . 10               
4 acc. mann. enk. hèlion  1 : Mt 5,45 .     50  46             
  totaal 14  290  257  33    12  14  14 

- Hebr. שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (231) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (14) .
- Ned : zon . Arabisch : sams (zon) . Taalgebruik in de Qoran : sams (zon) . D. : Sonne . E. : sun . Fr. : soleil . Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Hebr. : שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Latijn : sol .

gen. mann. enk. (h)èliou (van Elia) van het zelfst. naamw. (h)èlios (zon / Elia) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios (zon) .
Lc (4) : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 23,45 . Een vorm van (h)èlios (zon / Elia) in 5 verzen : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 21,25 . (5) Lc 23,45 .

7. nom. + acc. onz. enk. καταπετασμα = katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) . Taalgebruik in het NT : katapetasma (voorhangsel) . Taalgebruik in de LXX : katapetasma (voorhangsel) . Bijbel (17) : (1) Ex 26,31 . (2) Ex 26,33 . (3) Ex 35,12 . (4) Ex 37,3 . (5) Ex 37,5 . (6) Ex 37,16 . (7) Ex 39,19 . (8) Lv 4,6 . (9) Lv 21,23 . (10) Nu 3,26 . (11) Nu 4,5 . (12) 2 Kr 3,14 . (13) 1 Mak 1,22 . (14) Mt 27,51 . (15) Mc 15,38 . (16) Lc 23,45 . (17) Heb 9,3 .

  katapetasma (voorhangsel , het neergevallene) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. katapetasma 17  13         
gen. onz. enk.   katapetasmatos 21  19                   
dat. onz. enk. katapetasmati                         
  totaal 41  35         

- Lat. velum of velamentum . Fr. voile . E. veil . Ned. voorhangsel . D. Vorhang .

Lc 23,46 - Lc 23,46 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:46 kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou touto de eipôn exepneusen   46 et clamans voce magna Iesus ait Pater in manus tuas commendo spiritum meum et haec dicens exspiravit  46 En Jezus riep met luide stem (en) zei: “Vader, in uw handen vertrouw ik mijn geest toe ”. Toen hij dit gezegd had, blies hij de laatstc adem uit.   46 En Jezus, roepende met grote stemme, zeide: Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest. En als Hij dat gezegd had, gaf Hij den geest. [46] Toen riep Jezus luidkeels: ‘Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.’ Na deze woorden stierf Hij.  [46] En Jezus riep met luide stem: ‘Vader, in uw handen leg ik mijn geest.’ Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit.  46 Zijn stem verheffend met grote stem zegt Jezus: Vader, in jouw handen beveel ik mijn geest! En dat gezegd hebbend, geeft hij de geest.   46. et, jetant un grand cri, Jésus dit : « Père, en tes mains je remets mon esprit. » Ayant dit cela, il expira.

King James Bible . And when Jesus had cried with a loud voice, he said, Father, into thy hands I commend my spirit: and having said thus, he gave up the ghost.
Luther-Bibel (1984) . Und Jesus rief laut: Vater, aich befehle meinen Geist in deine Hände! Und als er das gesagt hatte, verschied er .

Tekstuitleg van Lc 23,46 . Dit vers Lc 23,46 telt 19 woorden , 38 (2 X 19) lettergrepen en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 23,46 is 11414 (2 X 13 X 439) . Hnd 7,60 telt 18 woorden en 38 lettergrepen . De structuur van beide verzen komt met elkaar overeen . Het vers bevat drie nevenschikkende zinnen . De eerste zin leidt het citaat in ; de tweede zin geeft het citaat ; de derde zin vertelt wat er gebeurt na de geciteerde woorden . Het citaat wordt omgeven door een vorm van het werkwoord legô (zeggen) . Het is als 't ware dat Jezus met zijn laatste adem de woorden uitspreekt : "Vader , in uw handen beveel ik mijn geest (to pneuma mou)" . Terwijl Jezus dat zegt laat hij zijn geest los , ademt hij zijn geest uit (exepneusen = hij ademde uit , hij stierf ) .

Lc 23,46 : kai fônèsas fônè megalè o Ièsous eipen pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou touto de eipôn exepneusen .
Mc 15,34 : kai tèi enatèi hôraie boèsen ho Ièsous fônèi megalèi .  
Mc 15,37 : ho de Ièsous afeis fônèn megalèn  exepneusen .
Mt 27,46 : peri de tèn enatèn hôran aneboèsen ho Ièsous fônèi megalèi legôn  .  
Mt 27,50 : ho de Ièsous palin kraksas fônèi megalèi   afèken to pneuma .
Hnd 7,59 : legonta (en zeggend) Kurie Ièsou , dexai to pneuma mou . 
Hnd 7,60 : theis de ta gonata ekraksen fônèi megalèi Kurie mè stèsèis autois  tautèn tèn hamartian kai touto eipôn ekoimèthè .

Lc 23,46.1. kai (en) , zie Lc 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 822 verzen bij Lucas . In eenenveertig verzen in Lc 23 . kai (en) staat bij het begin van het vers Lc 23,46 en verbindt bijgevolg Lc 22,45 met Lc 23,46 .

Lc 23,46.2. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud fônèsas (geroepen) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô (roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen , vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere , pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel : oproep . Cfr tele-foon . Lc (3) :
(1) Lc 16,2 : kai fônèsas auton eipen autôi = en hem geroepen zei hij aan hem . (Een rijk man riep zijn rentmeester bij zich) .
(2) Lc 16,24 : kai autos fônèsas eipen, pater Abraam = en zelf geroepen zei : Vader Abraham... (De rijke riep in het dodenrijk tot vader Abraham) .
(3) Lc 23,46 : kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus : Vader... ) . (Met luide stem riep Jezus, Vader...) .
In de verzen van het Lucasevangelie is het hoofdwerkwoord eipen = hij zei (aorist van het werkwoord legô = zeggen) . Het leidt een citaat in . In één vers nl. Lc 23,46 is Jezus aan het woord .
Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc 8,8 . (2) Lc 8,54 . (3) Lc 14,12 . (4) Lc 16,2 . (5) Lc 16,24 . (6) Lc 19,15 . (7) Lc 22,34 . (8) Lc 22,60 . (9) Lc 22,61 . (10) Lc 23,46 .

Lc 23,46.3. nom. + dat. vr. enk. fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn . Lc (7) (nom. 3 / 7 ; dat. 4 / 7) : (1) Lc 1,44 (nom.). (2) Lc 3,4 (nom.) . (3) Lc 4,33 (dat.) . (4) Lc 8,28 (dat.) . (5) Lc 9,35 (nom.) . (6) Lc 19,37 (dat.) . (7) Lc 23,46 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 .

Lc 23,46.4. nom. + dat. vr. enk. megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (6) (nom. : 1 / 6 ; dat. 5 / 6) : (1) Lc 1,42 (dat.) . (2) Lc 4,33 (dat.) . (3) Lc 8,28 (dat.) . (4) Lc 19,37 (dat.) . (5) Lc 21,23 (nom.) . (6) Lc 23,46 (dat.) . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 23 in 2 verzen : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 23,46

Lc 23,46.3. - 4. fônèi (met - luide - stem) megalèi (fônè(i) 4 / 4 ; megalè(i) 4 / 5) . Het zelfstandig naamwoord is van dezelfde stam als het werkwoord fôneô (roepen) . fônèi megalèi komt bij Lucas in vier verzen voor :
(1) Lc 4,33 : anekraxen fônèi megalèi = en hij schreeuwde het uit met luide stem .
(2) Lc 8,28 : kai fônèi megalèi eipen = en met luide stem zei hij .
(3) Lc 19,37 : ainein ton theon fônèi megalèi = God loven met luide stem .
(4) Lc 23,46 : kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus : Vader... .Het geeft de indruk dat Jezus zijn lot niet lijdzaam ondergaat , maar bewust beleeft . Luid roepen vraagt inspanning , energie . Hij beleeft zijn situatie in tegenwoordigheid van God . Jezus is aan het bidden . Het is een gebed waarbij een Psalm woorden aanreikt waardoor de situatie een verwoorde en geduide situatie wordt .

Lc 23,46.6. nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (55) . Lc 23 (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 23,43 . (3) Lc 23,46 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 23 (9) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,20 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 23,26 . (5) Lc 23,28 . (6) Lc 23,34 . (7) Lc 23,42 . (8) Lc 23,46 . (9) Lc 23,52 .

Lc 23,46.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 23 (13) : (1) Lc 23,2 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,5 . (4) Lc 23,18 . (5) Lc 23,21 . (6) Lc 23,30 . (7) Lc 23,34 . (8) Lc 23,35 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,39 . (11) Lc 23,42 . (12) Lc 23,43 . (13) Lc 23,47 ; van eipon (ik zei) in Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Totaal : Lc 23 (13 + 6 = 19) .

Lc 23,46.5. - 7. ho de ièsous eipen (Jezus echter zei) . Lc (2 . ièsous 2 / 55 ; eipen 2 / 223) : (1) Lc 8,46 . (2) Lc 22,48 . ho ièsous eipen (Jezus zei) . Lc (15 . ièsous 15 / 55 ; eipen 15 / 223) ) : (1) Lc 5,31 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 7,40 . (4) Lc 9,41 . (5) Lc 9,43 . (6) Lc 10,30 . (7) Lc 13,2 . (8) Lc 14,3 . (9) Lc 17,17 . (10) Lc 18,22 . (11) Lc 18,42 . (12) Lc 20,8 . (13) Lc 22,51 . (14) Lc 23,28 . (15) Lc 23,46 .
In Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 wordt het onderwerp Ièsous (Jezus) zevenmaal aangewend . In zes verzen is Jezus onderwerp van het werkwoord zeggen ; vijfmaal eipen = hij zei ; eenmaal elegen = hij zei . In vijf van de zes verzen gaat het onderwerp Jezus vooraf aan de werkwoordsvorm van legô = zeggen ; in één vers volgt het onderwerp Jezus op de werkwoordsvorm . In vijf van de zeven verzen wordt het partikel de (echter) gebruikt , in twee verzen het verbindingswoord kai (en) . In vier verzen gaat een participium aorist aan het hoofdwerkwoord vooraf . In drie verzen ervan staat dan het bepalend lidwoord ho bij het onderwerp Ièsous .

eipen (hij zei) . Verwijzing : legô (zeggen) , zie Lc 15,11 . In 223 verzen bij Lucas . In zes verzen in Lc 23 :
(4) Lc 23,28 : strafeis de pros autas ho Ièsous eipen = gekeerd echter tot hen zei Jezus (Jezus tot de vrouwen) .
(5) Lc 23,43 (Jezus tot één van de misdadigers) .
(6) Lc 23,46 (kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met luide stem zei Jezus : Vader... ) .
- Lc 23,34 (ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) .
- Lc 23,3 : apokritheis autôi efè = hem beantwoord zei hij (Jezus) . Jezus beantwoordde de vraag van Pilatus of hij de koning van de joden is.

Lc 23,46.8. vocatief mann. enk. pater (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het N.T. : patèr (vader) . Taalgebruik in Lc : patèr (vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader . E. father . D. Vater . Lc (11) : (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 . (3) Lc 15,12 . (4) Lc 15,18 . (5) Lc 15,21 . (6) Lc 16,24 (pater Abraam) . (7) Lc 16,27 . (8) Lc 16,30 (pater Abraam) . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 . In vijf verzen richt Jezus zich tot God als 'Vader' : (1) Lc 10,21 . (2) Lc 11,2 . (9) Lc 22,42 . (10) Lc 23,34 . (11) Lc 23,46 . De eerste maal gebruikt Jezus het woord 'vader' in een dankgebed (Lc 10,21) , de laatste maal op het kruis (Lc 23,46) .
(1) Lc 10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc 11,2 (het Onzevader) .
(3) Lc 22,42 (Jezus in Getsemane) .
(4) Lc 23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(5) Lc 23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd worden , zoon van God (Lc 1,35) . Bij de doop (Lc 3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde , in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc 9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene . Luistert naar hem (Lc 9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie . Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God" (Lc 22,70) .
In de aanroeping 'Vader' ligt de kern van het hele evangelie . Deze aanroeping geeft de relatie tussen Jezus en zijn Vader weer . Deze relatie wordt niet in filosofische termen weergegeven . Deze relatie is een mystieke beleving en wordt in 'mystieke' termen weergegeven .
Slechts vijfmaal roept Jezus zijn 'Vader' aan . Het is telkens een gebed . De bundeling van die verschillende gebeden gebeurt in het Onzevader .

Lc 23,46.10 cheiras (handen) . In 392 verzen in de bijbel . In negenenevijftig verzen in het N.T. . In elf verzen bij Lucas .
- cheir (hand) . Verwijzing : jad (hand) , zie Ps 31,6 - cheir (hand) , zie Lc 23,46 . In 142 verzen in de bijbel .
bëjâdëkhâ (in jouw hand) . Het kan ook bëjâdèkhâ (in jouw handen) gevocaliseerd worden . Ps 31,6a spreekt Jezus uit op het kruis (Lc 23,46) . Het is een gebed van overgave aan God . Er is ook enige verwijzing in Hnd 7,59 .
(1) Lc 4,40 : tas cheiras epititheis = de handen opleggend .
(2) Lc 9,44 : mellei paradidosthai eis cheiras anthrôpôn = zal overgeleverd worden in handen van mensen .
(3) Lc 13,13 : kai epethèken autèi tas cheiras = en hij legde haar de handen op .
(4) Lc 13,13 : epiballein ep'auton tas cheiras = op te leggen op hem de handen .
(5) Lc 21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie hun handen opleggen . Zie Mc 14,46 . 3. epebalon (zij legden op) .
(6) Lc 23,53 : ouk exeteinate tas cheiras ep'eme = jullie strekten de handen niet uit op mij .
(7) Lc 23,46 : pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou = Vader , in uw handen beveel ik mijn geest .
(8) Lc 24,7 : hoti dei paradothènai eis cheiras anthrôpôn kai hamartôlôn = dat hij moest overgeleverd worde in handen van mensen en zondaars .
(9) Lc 24,39 : idete tas cheiras mou kai tas podas mou = zie mijn handen en mijn voeten .
(10) Lc 24,40 : edeixen autois tas cheiras kai tas podas = hij toonde hen de handen en de voeten .
(11) Lc 24,50 : eparas tas cheiras autou = zijn handen omhooggeheven .
- genitief enkelvoud cheiros . In 292 verzen in de bijbel . In zesentwintig verzen in het N.T. .
Handen opleggen . Naar iemand een hand uitsteken (om iemand te bemachtigen) . De hand op iemand leggen (overweldigen) . In iemands handen overleveren . In iemands handen neerleggen . Zijn handen en voeten tonen . Zijn handen omhoogheffen om te zegenen .
- epicheireô : de handen slaan aan , aanpakken , ondernemen , beproeven .
--- epecheirèsan (zij beproefden) . Actief aorist derde persoon meervoud . Slechts in Lc 1,1 .

Lc 23,46.12. med. ind. praes. 1ste pers. enk. paratithemai (ik beveel aan) van het werkw. paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) , bij iemand neerleggen , aanbevelen . Taalgebruik in het N.T. : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . Taalgebruik in Lc : paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) . Lc 23 (1) Lc 23,46 . Een vorm van paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 9,16 . (2) Lc 10,8 . (3) Lc 11,6 . (4) Lc 12,48 . (5) Lc 23,46 .
- ´aphëgîd (ik zal toevertrouwen) . Actief hifil imperfectum eerste persoon enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel : Ps 31,6 . Verwijzing : pâqad (omzien) , zie Ex 3,7 . LXX : parathèsomai . Actief ind. futurum eerste persoon enkelvoud .

Lc 23,46.14. nom.+ acc. onz. enk. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Taalgebruik in Hnd : pneuma (geest) . Lc (16) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . Een vorm van pneuma (geest) in de LXX (382) , in het NT (379) , in Lc (36) , in Hnd (70) , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 , in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 . in Lc 1 (7) : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,35 . (4) Lc 1,41 . (5) Lc 1,47 . (6) Lc 1,67 . (7) Lc 1,80 , in Lc 2 (3) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 2,27 , in Lc 3 (4) : (1) Lc 3,6 . (2) Lc 3,13 . (3) Lc 3,17 . (4) Lc 3,22 , in Lc 4 (5) : (1) Lc 4,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,18 . (4) Lc 4,33 . (5) Lc 4,36 . In Lc : X vormen van pneuma (geest)in 36 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van pneuma (geest) in 70 verzen in 20 : 28 hoofdstukken . Een vorm van pneuma (geest) in het NT (379) , in de LXX (382) .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 26,41 . (6) Mt 27,50 . 12 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . 16 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . 34 : (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) / Mc 3,29 // Lc 12,10 . (4) Mc 5,8 // Lc 8,29 . (5) Mt 10,20. // Lc 12,12 . (6) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (7) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 48

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. 11. 12. 13. 14.
  pneuma Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 23 Lc 24
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 16 (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33     (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 .   (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 .   (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 .   
2 gen. enk. pneumatos 6 (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 .     (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 .                      
3 dat. onz. enk. pneumati 8 (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 .          (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 .              
4 nom. + acc. mv. pneumata 2                 (1) Lc 10,20 .   (2) Lc 11,26 .          
5 gen. mv. pneumatôn 3         (1) Lc 6,18 .   (2) Lc 7,21 .   (3) Lc 8,2 .                
6 dat. mv. pneumasi(n) 1       (1) Lc 4,36 .                      
    '35' '5' 

- רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 7,15 . (3) Gn 7,22 . (4) Gn 8,1 . (5) Gn 26,35. (6) Gn 41,38 . (7) Gn 45,27 . (8) Ex 6,9 . (9) Ex 10,13 . (10) Ex 10,19 . (11) Ex 28,3 . (12) Ex 31,3 . (13) Ex 35,31 . (14) Nu 5,14 . (15) Nu 5,30 . (16) Nu 14,24 . (17) Nu 24,2 . (18) Nu 27,18 . (19) Dt 34,9 . Js (28) . Js 1-39 (13) : (1) Js 7,2 . (2) Js 11,2 . (3) Js 17,13 . (4) Js 19,3 . (5) Js 19,14 . (6) Js 25,4 . (7) Js 26,18 . (8) Js 29,10 . (9) Js 29,24 . (10) Js 31,3 . (11) Js 32,2 . (12) Js 32,15 . (13) Js 37,7 . Js 40-66 (15) : (1) Js 40,7 . (2) Js 40,13 . (3) Js 41,29 . (4) Js 54,6 . (5) Js 57,13 . (6) Js 57,15 . (7) Js 57,16 . (8) Js 59,19 . (9) Js 61,1 . (10) Js 61,3 . (11) Js 63,10 . (12) Js 63,11 . (13) Js 63,14 . (14) Js 65,14 . (15) Js 66,2 .
- Lat. spiritus . Fr. esprit . E. spirit . Ned. geest . D. Geist . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) .
- Wat wordt met geest bedoeld ? Wind , adem , levensgeest , mentaliteit ? Komt het uit het innerlijke van de mens dat hem aanzet , drijft , voortstuwt ? Drukt het komen van de geest over de mens de ervaring uit dat iets in de mens aanwezig is dat hij ervaart , beleeft , zonder het zelf geproduceerd te hebben ?

Lc 23,46.13. - 15. to pneuma mou (mijn geest) . In Lc 1,35 zei de engel : Heilige geest zal over jou komen en de kracht van God zal je overschaduwen . Het begin van Jezus' leven heeft met geest te maken . In het verhaal van de vorming van de mens schrijft Gn 2,7 : Hij blies hem de levensadem in de neus : zo werd de mens een levend wezen . Op het einde van zijn leven beveelt Jezus uitdrukkelijk zijn geest aan God aan . Hij geeft zijn geest .

Lc 23,46.16. touto (dit) . In tien verzen in Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 . In acht verzen in Lc 22 .

Lc 23,46.17. de (echter) . In eenendertig verzen in Lc 23 . In Lc 23,44-48 vind je driemaal kai (en) en driemaal de (echter) .

Lc 23,46.18. act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc 9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc 19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem .
(3) Lc 22,8 . Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc 23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus .
(5) Lc 24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn handen en zijn voeten .

Lc 23,46.19. exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) . In drie verzen in de bijbel : (1) Mc 15,37 . (2) Mc 15,39 . (3) Lc 23,46 .
- ekpneô (uitademen, sterven) . Verwijzing : ekpneô (uitademen, sterven) , zie Lc 23,46 .

Lc 23,47 - Lc 23,47 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:47 idôn de o ekatontarchès to genomenon edoxazen ton theon legôn ontôs o anthrôpos outos dikaios èn   47 videns autem centurio quod factum fuerat glorificavit Deum dicens vere hic homo iustus erat   47 Toen nu de honderdman zag wat gebeurd was, verheerlijkte hij God, zeggend: “Werkelijk, deze mens was rechtvaardig!”  47 Als nu de hoofdman over honderd zag, wat er geschied was, verheerlijkte hij God, en zeide: Waarlijk, deze Mens was rechtvaardig.  [47] De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: ‘Waarachtig, die man was een rechtvaardige.’  [47] De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: ‘Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!’   47 Toen de overste over honderd zag wat er geschiedde, heeft hij God verheerlijkt en gezegd: waarlijk, deze mens is een rechtvaardige geweest!  47. Voyant ce qui était arrivé, le centenier glorifiait Dieu, en disant : « Sûrement, cet homme était un juste ! »  

King James Bible . [47] Now when the centurion saw what was done, he glorified God, saying, Certainly this was a righteous man.
Luther-Bibel . 47 Als aber der Hauptmann sah, was da geschah, pries er Gott und sprach: Fürwahr, dieser ist ein frommer Mensch gewesen!

Tekstuitleg van Lc 23,47 . Het vers Lc 23,47 telt 16 (2² X 2²) woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 23,47 is 9423 (3³ X 349) .

1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 23 in 2 verzen : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,47 .

Lc 23,47.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εδοξαζεν = edoxazen (hij / zij verheerlijkte) van het werkw. δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) . Taalgebruik in het NT : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in de LXX : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in Lc : doxazô (verheerlijken) . Bijbel = Lc (2) : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 . Een vorm van δοξαζω = doxazô in de LXX (143) , in het NT (61) , in Mt (4) , in Mc (5) in Lc (zie hieronder) ., in Joh (23) . In Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,20 . (2) Lc 4,15 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6)  Lc 13,13 . (7)  Lc 17,15. (8) Lc 18,43  . (9) Lc 23,47 .

      1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8.
  doxazô    Lc 2 Lc 4 Lc 5 Lc 7 Lc 13 Lc 17 Lc 18 Lc 23
1. act. part. praes. nom. mann. enk. doxazôn       (1) Lc 5,25 .     (2) Lc 17,15 . (3) Lc 18,43 .      
2.   act. part. praes. nom. mann. mv. doxazontes   (1) Lc 2,20 .                
3.   act. ind. imperf. 3de pers. enk. edoxazen           (1) Lc 13,13 .     (2) Lc 23,47 .  
4.   act. ind. imperf. 3de pers. mv. edoxazon       (1) Lc 5,26 . (2) Lc 7,16 .        
5.   pass. part. praes. nom. mann. enk. doxazomenos    (1) Lc 4,15 .              
   

Lc 23,47.9. acc.  mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,12 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (11) Lc 7,29 . (12) Lc 10,27 . (13) Lc 12,21 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (20) Lc 20,37 . (21) Lc 23,40 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , in Lc 23 (4) : (1) Lc 23,35 . (2) Lc 23,40 . (3) Lc 23,47 . (4) Lc 23,51 .

Lc 23,47.7. - 9. Een vorm van δοξαζω = doxazô (verheerlijken, loven) + τον θεον = ton theon (God) : God verheerlijken . Lc (7) . In zes van de zeven gevallen verheerlijkt een genezene of zijn omstaanders God : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 17,15 . (6) Lc 18,43 .In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven (Lc 23,47) . Hnd (3) : (1) Hnd 4,21 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 21,20 . In Lc 2,20 verheerlijken en prijzen de engelen God . God staat bij prijzen alhoewel het bij beide werkwoorden bedoeld is . In Lc 4,15 staat een passiefvorm : 'hij wordt geprezen' door allen . Slechts in één tekst in Lucas is God niet het voorwerp van verheerlijking .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Lc 5,25 Lc 5,26  Lc 7,16   Lc 13,13   Lc 17,15 Lc 18,43  Lc 23,47
  kai ekstasis elaben hapantes (en ontzetting benam allen)   elaben de fobos pantas (vrees echter benam allen)        
doxazôn ton theon (God verheerlijkend) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God)  kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) kai edoxazon ton theon (en zij verheerlijkten God) doxazôn ton theon (God verheerlijkend)  doxazôn ton theon (God verheerlijkend)   edoxazen ton theon (hij verheerlijkte God)
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - 110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17 - 223. Genezing van een kromgebogen vrouw op sabbat : Lc 13,10-17 - 253. Genezing van de tien melaatsen : Lc 17,11-19 - 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Lc 18,35-43 - 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48

God wordt verheerlijkt bij het begin van het leven van Jezus (Lc 2,20) en op het einde ervan (Lc 23,47) . Bij het begin van zijn openbaar leven wordt Jezus door allen verheerlijkt (Lc 4,15) . Na de genezing van een zieke of de opwekking van een dode wordt God verheerlijkt : bij de genezing van een lamme (Lc 5,17-26) , een kromgebogen vrouw ( Lc 13,10-17) , de tien melaatsen ( Lc 17,11-19) de blinde Bartimeüs (Lc 18,35-43) en bij de opwekking van een dode (Lc 7,11-17) .

13. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Lc (24) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 . (8) Lc 9,25 . (9) Lc 10,30 . (10) Lc 13,19 . (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 . (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 . (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 . (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 . Een vorm van ανθρωπος = anthrôpos (mens) in de LXX (1430) , in het NT (548) , in Lc (83) , in Lc 23 (4) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,6 . (3) Lc 23,14 . (4) Lc 23,47 .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 

    Lc  Lc 1 Lc 2 Lc 3 Lc 4 Lc 5 Lc 6 Lc 7 Lc 8 Lc 9 Lc 10 Lc 11 Lc 12 Lc 13 Lc 14 Lc 15 Lc 16 Lc 17 Lc 18 Lc 19 Lc 20 Lc 21 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1 nom. mann. enk. anthrôpos 24   (1) Lc 2,25 .   (2) Lc 4,4 . (3) Lc 4,33 .   (4) Lc 6,6 . (5) Lc 6,45 . (6) Lc 7,8 . (7) Lc 7,34 .   (8) Lc 9,25 (9) Lc 10,30 .     (10) Lc 13,19 .   (11) Lc 14,2 . (12) Lc 14,16 . (13) Lc 14,30 .       (14) Lc 15,4 . (15) Lc 15,11 . (16) Lc 16,1 . (17) Lc 16,19 .     (18) Lc 19,12 . (19) Lc 19,21 . (20) Lc 19,22 . (21) Lc 20,9 .     (22) Lc 22,10 . (23) Lc 23,6 . (24) Lc 23,47 .      

- Hebreeuws . אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) . Pentateuch (251) . Eerdere Profeten (402) . Latere Profeten (135) . 12 Kleine Profeten (37) . Geschriften (198) .

14. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

Lc 23,47.15. nom. mann. enk. dikaios (rechtvaardig) . (rechtvaardig) . Taalgebruik in het N.T. : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (3) : (1) Lc 2,25. (2) Lc 23,47 . (3) Lc 23,50 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .

12. - 15. ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) . Lc (2) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 23,47 .

Lc 23,48 - Lc 23,48 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:48 kai pantes oi sumparagenomenoi ochloi epi tèn theôrian tautèn theôrèsantes ta genomena tuptontes ta stèthè upestrefon  48 et omnis turba eorum qui simul aderant ad spectaculum istud et videbant quae fiebant percutientes pectora sua revertebantur  48 En toen alle voor dit schouwspel samengekomen volksmenigten de dingen die gebeurd waren hadden aanschouwd, keerden ze terug terwijl ze zich op de borst sloegen.   48 En al de scharen, die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen, die geschied waren, keerden wederom, slaande op hun borsten.   [48] Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien.  [48] De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen.  48 En alle scharen die voor dit schouwspel zijn samengestroomd, zijn, toen ze hadden aanschouwd wat geschiedde, zich op de borst slaand teruggekeerd.  48. Et toutes les foules qui s'étaient rassemblées pour ce spectacle, voyant ce qui était arrivé, s'en retournaient en se frappant la poitrine.  

King James Bible . [48] And all the people that came together to that sight, beholding the things which were done, smote their breasts, and returned.
Luther-Bibel . 48 Und als alles Volk, das dabei war und zuschaute, sah, was da geschah, schlugen sie sich an ihre Brust und kehrten wieder um.

Tekstuitleg van Lc 23,48 .

- Duisternis over Golgota door J.P. van de Giessen : CENTRUM VOOR BIJBELONDERZOEK , Postbus 503 , 3900 AM Veenendaal . Tel: 0318-50 30 98 . Fax: 0318-50 31 63 . E-mail : info@studiebijbel.nl . Internet: http://www.studiebijbel.nl . De verschillende theorieën : Zonsverduistering . Meteorieten en Kometen . Sarab of Sirocco Vulkaanuitbarstingen . Maansverduistering . Bovennatuurlijk verschijnsel .

Mc 15,33 Mt 27,45 Lc 23,44 Am 8,9 
Kai (en) ... de (echter) Kai (en)  kai (en)
genomeès hôras hektès (toen het zes uur werd) Apo ... hektès hôras (vanaf... zes uur) èn èdè hôsei hôra hektè (het was ongeveer zes uur) dusetai ho hèlios mesèmbtias (de middagzon zal ondergaan) 
skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde) skotos egeneto epi pasan tèn gèn (duisternis was er over de ganse aarde) kai skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde)  kai suskotasei epi tès gès en hèmerai to fôs (en het licht zal overdag verduisteren op aarde.)
heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur) heôs hôras enatès (tot negen uur)  
 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48  347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 Am 8,1-14 : vierde visioen  

Mc 15,33 // Mt 27,45 // Lc 23,44 . De tekst van de drie evangelisten is ongeveer dezelfde. Het verbindingspartikel ' kai ' (en) in Marcus zwakt Matteüs af tot ' de' (echter). De losse genitief van Marcus (een ondergeschikte tijdszin) ' genomenès hôras ektès ' (toen het zes uur werd) vervanht Matteüs door een tijdsbepaling met het voorzetsel ' apo' (vanaf). Deze constructie kan ingegeven zijn door de tijdsbepaling op het einde van de zin ' hèôs hôras enatès ' (tot negen uur). Matteüs zet het telwoord ' hektès' (zesde) voor het zelfstandig naamwoord ' hôras ' (uur) waardoor ' hektès ' (zesde) vooraan de zin en ' enatès ' achteraan de zin staat en zo het geheel omvat. We vertalen Matteüs : Van zes tot negen was er duisternis over het ganse land.
Lucas zet de ondergeschikte tijdszin om in een nevenschikkende hoofdzin : ' kai ' (en) ... ' kai ' (en). In zijn eerste nevenschikkende zin voegt Lucas twee woordjes toe : ' èdè ' (reeds) en ' hôsei ' (ongeveer).
De tekst van de synoptici alludeert op Am 8,9. De LXX-tekst staat het vervoegde werkwoord in de derde persoon en 'de middagzon' en 'het daglicht' zijn onderw


348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Lc 23,49 - Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -

Lc 23,49 - Lc 23,49 : 348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:49 eistèkeisan de pantes oi gnôstoi autô apo makrothen kai gunaikes ai sunakolouthousai autô apo tès galilaias orôsai tauta  49 stabant autem omnes noti eius a longe et mulieres quae secutae erant eum a Galilaea haec videntes  49 Alle kennissen van hem stonden nu van verre - ook vrouwen die hem samen gevolgd waren vanaf Galilea — naar deze dingen te kijken. 49 En al Zijn bekenden stonden van verre, ook de vrouwen, die Hem te zamen gevolgd waren van Galilea, en zagen dit aan.  [49] Al zijn vrienden bleven uit de verte staan toekijken, ook de vrouwen* die Hem vanuit Galilea waren gevolgd en dit gadesloegen.  [49] Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren.  49 ‘Al zijn bekenden stonden van verre’, ook vrouwen die hem volgden vanaf Galilea, en zagen dit aan.  49. Tous ses amis se tenaient à distance, ainsi que les femmes qui l'accompagnaient depuis la Galilée, et qui regardaient cela. 

King James Bible . [49] And all his acquaintance, and the women that followed him from Galilee, stood afar off, beholding these things
Luther-Bibel . 49 Es standen aber alle seine Bekannten von ferne, auch die Frauen, die ihm aus Galiläa nachgefolgt waren, und sahen das alles.

Tekstuitleg van Lc 23,49 .

In de Hebreeuwse tekst staat het vervoegde werkwoord in de eerste persoon en verwijst naar God . De vertaling luidt : Ik laat de zon ondergaan op de middag en het licht verduisteren over de aarde overdag .

Lc 23,49.10. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 23 in 3 verzen : (1) Lc 23,27 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .

Lc 23,49.16. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .


349. Begrafenis van Jezus : Lc 23,50-56a . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -

Lc 23,50 - Lc 23,50 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:50 kai idou anèr onomati iôsèf bouleutès uparchôn kai anèr agathos kai dikaios   50 et ecce vir nomine Ioseph qui erat decurio vir bonus et iustus  50 En zie, (er was) een man met de naam van Jozef, die raadsheer was en een goed en rechtvaardig man   50 En zie, een man, met name Jozef, zijnde een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,   [50] Nu* was daar een zekere Jozef, een lid van de raad, een goed en rechtvaardig man, [50] Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. 50 ¶ En zie, een man met de naam Jozef, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man,   50. Et voici un homme nommé Joseph, membre du Conseil, homme droit et juste.  

King James Bible . [50] And, behold, there was a man named Joseph, a counseller; and he was a good man, and a just:
Luther-Bibel . 50 Und siehe, da war ein Mann mit Namen Josef, ein Ratsherr, der war ein guter, frommer Mann

Tekstuitleg van Lc 23,50 .

Lc 2,25 kai (en) idou (zie) anthrôpos (een man) hôi onoma (aan wie de naam) Sumeôn (Simeon) kai (en) ho anthrôpos houtos (en die man) dikaios (rechtvaardig) kai (en) eulabès (gewetensvol) prosdechomenos (verwachtende) paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël) (27. kai (en)èlthen (hij ging)eis to hieron (naar de tempel) 7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc 2,21-40) .

Lc 2,25 kai (en )idou (zie) anthrôpos (een man)hôi onoma (aan wie de naam)Sumeôn (Simeon)kai (en)ho anthrôpos houtos (en die man)dikaios (rechtvaardig)kai (en) eulabès (gewetensvol)prosdechomenos (verwachtende)paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël)27. kai (en)èlthen (hij ging)eis to hieron (naar de tempel) 7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc 2,21-40

 

Lc 2,25 Lc 23,50
kai (en ) kai (en )
idou (zie) idou (zie)
anthrôpos (een man) anèr (een man)
hôi onoma (aan wie de naam) onomati (met de naam)
Sumeôn (Simeon) Iôsèf (Jozef)
kai (en) (kai) en  
ho anthrôpos houtos (en die man) anèr (een man)
dikaios (rechtvaardig) agathos (goed)
kai (en) kai (en)
eulabès (gewetensvol) dikaios (rechtvaardig)
prosdechomenos (verwachtende) hos prosedecheto (die verwachtte)
paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël) tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God)
27. kai (en) 52. houtos (deze)
èlthen (hij ging) proselthoon (gegaan zijnde) 
eis to hieron (naar de tempel)  tôi Pilatôi (naar Pilatus) 
7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc 2,21-40 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a

1. kai (en) , zie Lc 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 822 verzen bij Lucas . De vraag rijst wat er nu gaat gebeuren na de dood van Jezus aan het kruis .

2.

3. anèr (man) , zie Lc 5,12 .

4. onomati (met naam) . Verwijzing : onoma (naam) , zie Lc 23,50 .

- onoma (naam) . In vijftien verzen in Lc : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
-- betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma : (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
- onomati (naam) . Datief onzijdig enkelvoud . In zestien verzen in Lc : (1) Lc 1,5 (onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc 1,59 . (3) Lc 1,61 . (4) Lc 5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (5) Lc 9,48 . (6) Lc 9,49 . (7) Lc 10,17 . (8) Lc 10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (9) Lc 13,35 . (10) Lc 16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (11) Lc 19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) . (12) Lc 19,38 . (13) Lc 21,8 . (14) Lc 23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (15) Lc 24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . (16) Lc 24,47 .
In zeven verzen volgt een eigennaam op onomati (met de naam) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 10,38 . (4) Lc 16,20 . (5) Lc 19,2 . (6) Lc 23,50 . (7) Lc 24,18 . In twee verzen staat : kai idou anèr onomati + eigennaam : (1) Lc 19,2 . (2) Lc 23,50 .
In vijfendertig verzen in Hnd : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 3,6 . (3) Hnd 4,7 . (4) Hnd 4,10 . (5) Hnd 4,17 . (6) Hnd 4,18 . (7) Hnd 5,1 . (8) Hnd 5,28 . (9) Hnd 5,34 . (10) Hnd 5,40 . (11) Hnd 8,9 . (12) Hnd 9,10 . (13) Hnd 9,11 . (14) Hnd 9,12 . (15) Hnd 9,27 . (16) Hnd 9,28 . (17) Hnd 9,33 . (18) Hnd 9,36 . (19) Hnd 10,1 . (20) Hnd 10,48 . (21) Hnd 11,28 . (22) Hnd 12,13 . (23) Hnd 15,14 . (24) Hnd 16,1 . (25) Hnd 16,14 . (26) Hnd 16,18 . (27) Hnd 17,34 . (28) Hnd 18,2 . (29) Hnd 18,7 . (30) Hnd 18,24 . (31) Hnd 19,24 . (32) Hnd 20,9 . (33) Hnd 21,10 . (34) Hnd 27,1 . (35) Hnd 28,7 .
--- en tôi onomati (in de naam) . In zesentwintig verzen in het N.T. . Mt (1) . Mc (2) . Lc (1) . Joh (12) . In zes verzen in Hnd : (1) (2) Hnd 3,6 . (2) (4) Hnd 4,10 . (3) (15) Hnd 9,27 . (4) (16) Hnd 9,28 . (5) (20) Hnd 10,48 . (6) (26) Hnd 16,18 . Andere boeken (4) .
-- epi tôi onomati (in de naam van) . In zestien verzen in het N.T. . Mt (2) . Mc (3) . Lc (5) . In zes verzen in Hnd : (1) (1) Hnd 2,38 . (2) (5) Hnd 4,17 . (3) (6) Hnd 4,18 . (4) (8) Hnd 5,28 . (5) (10) Hnd 5,40 . (6) (23) Hnd 15,14 .
--- epi tôi onomati (bij de naam van) Ièsou Christou (Jezus Christus) . Slechts in Hnd 2,38 in het N.T. .
--- epi tôi onomati tou Ièsou (bij de naam van Jezus) . In twee verzen in het N.T. : (1) Hnd 4,18 . (2) Hnd 5,40 .
--- epi tôi onomati toutôi (bij deze naam) . In twee verzen in het N.T. : (1) Hnd 4,17 . (2) Hnd 5,28 .

5. iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het N.T. : iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf (Jozef) .
Lc (8) : (1) Lc 1,27 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,16 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 3,24 . (6) Lc 3,30 . (7) Lc 4,22 . (8) Lc 23,50 .

7. huparchôn (zijnde) . Als copula huparchô (zijn) . Verwijzing : huparchô (zijn) , zie Lc 23,50 . Voorvoegsel hupo onder , onderuit . archô : het hoofd zijn , beginnen , aan het hoofd staan , leiden , commanderen . In tweeëntwintig verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het N.T. . In drie verzen in Lc : (1) Lc 9,48 . (2) Lc 16,23 . (3) Lc 23,50 . In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd 2,30 . (2) Hnd 3,2 . (3) Hnd 7,55 . (4) Hnd 18,24 . (5) Hnd 22,3 .
- huparchonta (bezit) . Iets waarover je macht hebt , bezit , datgene wat onder je staat .
--- nominatief (of accusatief) onzijdig meervoud huparchonta . In veertig verzen in de bijbel . In tweeëndertig verzen in het O.T. . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt 19,21 . (2) Mt 25,14 . (3) Lc 11,21 . (4) Lc 12,33 . (5) Lc 16,1 . (6) Hnd 17,27 . (7) 1 Kor 13,3 . (8) 2 Pe 1,8 .
--- genitief onzijdig meervoud huparchontôn . In vijftien verzen in de bijbel . In tien verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Lc 8,3 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 19,8 . (4) Hnd 4,32 . (5) Heb 10,34 .
--- datief onzijdig meervoud huparchousin . In elf verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt 24,47 . (2) Lc 12,44 . (3) Lc 14,33 .

9. anèr (man) , zie Lc 5,12 . Zie 3.

10. nom. mann. enk. αγαθος = agathos (goed) . Taalgebruik in het NT : agathos (goed) . Taalgebruik in de LXX : agathos (goed) . Bijbel (53) . OT (40) . NT (10) .

- anèr agathos (een goed man) : (1) Lc 23,50 (Jozef van Arimatea) . (2) Hnd 11,24 (Barnabas) .

eulabès : godsvruchtig, vroom, gewetensvol

12. nom. mann. enk. dikaios (rechtvaardig) . (rechtvaardig) . Taalgebruik in het N.T. : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (3) : (1) Lc 2,25. (2) Lc 23,47 . (3) Lc 23,50 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .

Lc 23,51 - Lc 23,51 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:51 outos ouk èn sugkatatetheimenos tè boulè kai tè praxei autôn apo arimathaias poleôs tôn ioudaiôn os prosedecheto tèn basileian tou theou  51 hic non consenserat consilio et actibus eorum ab Arimathia civitate Iudaeae qui expectabat et ipse regnum Dei  rechtvaardig man
51. hij had niet ingestemd met de raad en haar praktijken —van Arimatea, een stad van de Joden, die het Rijk Gods verwachtte.
 
51 (Deze had niet mede bewilligd in hun raad en handel) van Arimathea, een stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte; 
[51] die niet had ingestemd met hun plannen en praktijken. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het koninkrijk van God.
Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. 51 –hij heeft niet meegedaan met hun raad en daad– afkomstig van Arimatea, een stad van de Judeeërs, die het koninkrijk van God verwachtte,  51. Celui-là n'avait pas donné son assentiment au dessein ni à l'acte des autres. Il était d'Arimathie, ville juive, et il attendait le Royaume de Dieu.  

King James Bible . [51] (The same had not consented to the counsel and deed of them;) he was of Arimathaea, a city of the Jews: who also himself waited for the kingdom of God.
Luther-Bibel . 51 und hatte ihren Rat und ihr Handeln nicht gebilligt. Er war aus Arimathäa, einer Stadt der Juden, und awartete auf das Reich Gottes.

Tekstuitleg van Lc 23,51 .

1. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

11. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc

Lc 23,52 - Lc 23,52 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:52 outos proselthôn tô pilatô ètèsato to sôma tou ièsou   52 hic accessit ad Pilatum et petiit corpus Iesu   Deze naderde tot Pilatus (en) vroeg het lichaam van Jezus.   52 Deze ging tot Pilatus, en begeerde het lichaam van Jezus.
[52] Hij vervoegde zich bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. [52] Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus.  52 hij komt bij Pilatus en vraagt het lichaam van Jezus.   52. Il alla trouver Pilate et réclama le corps de Jésus. 

King James Bible . [52] This man went unto Pilate, and begged the body of Jesus.
Luther-Bibel . 52 Der ging zu Pilatus und bat um den Leib Jesu

Tekstuitleg van Lc 23,52 .

1. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc 23,22 . (2) Lc 23,35 . (3) Lc 23,38 . (4) Lc 23,41 . (5) Lc 23,47 . (6) Lc 23,51 . (7) Lc 23,52 .

7. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .

6. - 9. het lichaam van...
- Lc 23,52 : to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc 24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus .
- Lc 23,55 en Lc 24,23 : to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52 is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc 23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd , in Lc 24,3 en Lc 24,23 over het verheerlijkte lichaam .

Lc 23,53 - Lc 23,53 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:53 kai kathelôn enetulixen auto sindoni kai ethèken auton en mnèmati laxeutô ou ouk èn oudeis oupô keimenos  53 et depositum involvit sindone et posuit eum in monumento exciso in quo nondum quisquam positus fuerat  53 En hij nam het af (en) wikkelde het in linnen en legde hem in een grafkamer* uit steen gehouwen* waar nog nooit iemand gelegd was.   53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en legde het in een graf, in een rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.    
[53] Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in linnen en legde Hem in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen, en waarin nog niemand lag. 
[53] Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt.  53 Hij haalt het omlaag en wikkelt het in linnen en legt het in een rotsgraf waar nog nooit iemand heeft gelegen.  53. Il le descendit, le roula dans un linceul et le mit dans une tombe taillée dans le roc, où personne encore n'avait été placé. 

King James Bible . [53] And he took it down, and wrapped it in linen, and laid it in a sepulchre that was hewn in stone, wherein never man before was laid.
Luther-Bibel . 53 und nahm ihn ab, wickelte ihn in ein Leinentuch und legte ihn in ein Felsengrab, in dem noch nie jemand gelegen hatte.

Tekstuitleg van Lc 23,53 . Het vers Lc 23,53 telt 18 (2 X 3²) woorden en 92 (4 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 23,53 is 10272 (2² X 2³ X 3 X 109) . Dit vers heeft 2 hoofdzinnen .

Lc 23,53.1. Het nevenschikkend voegwoord και = kai (en) .

Lc 23,53.2. act. part. aor. nom. mann. enk. καθελων = kathelôn (afgenomen) van het werkw. καθαιρεω = kathaireô (naar beneden nemen, afnemen) . Taalgebruik : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) . Taalgebruik in de LXX : kathaireô (afnemen, naar beneden nemen) . Bijbel (3) : (1) Mc 15,46 . (2) Lc 23,53 . (3) Hnd 13,19 .

Lc 23,53.3. act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. ενετυλιξεν = enetulixen (hij wikkelde in) van het werkw. εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) . Taalgebruik in de Bijbel : entulissô (inwikkelen) . Bijbel (2) : (1) Mt 27,59 . (2) Lc 23,53 . Een vorm van εντυλισσω = entulissô in de LXX (0) , in het NT (3) : (1) Mt 27,59 . (2) Lc 23,53 . (3) Joh 20,7 . Een vorm van het werkw. τυλισσω = tulissô (omwikkelen) komt in de Bijbel niet voor .
- In Lc 2,7 lezen we dezelfde werkwoordvorm als in Lc 23,53 : act. ind. aor. 3de pers. enk. (εσπαργανωσεν = esparganôsen) . In beide verzen heeft de werkwoordvorm 5 lettergrepen (εσπαργανωσεν = esparganôsen ; ενετυλιξεν = enetulixen) en in beide gevallen telt het werkwood 4 lettergrepen (σπαργανοω = sparganoô ; εντυλισσω = entulissô) .
- Het Griekse werkw. εντυλισσω = entulissô (inwikkelen) en het Hebreeuwse werkw. חָתַל = châthal (omwikkelen met windels) hebben 2 medeklinkers gemeenschappelijk : t-l .
- Paralleltekst in Mc : act. ind. aor. 3de pers. enk. ενειλησεν = eneilèsen (hij wikkelde in) van het werkw. ενειλεω = eneileô (inwikkelen) . Taalgebruik : eneileô (inwikkelen) . Een vorm van ενειλεω = eneileô in de LXX (1 : variante lezing in 1 S 21,10 ) , in het NT (1) : Mc 15,46 . Een vorm van het werkw. ειλεω = eileô (oprollen, wikkelen) in LXX (2) : (1) 2 K 2,8 . (2) Js 11,5 , in het NT (0) .
- Hebreeuws NBG Lc 23,53 , Van Cangh (2005) , blz. 415 . prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. וַיַּעֲטֵהוּ = wajja`ätehû (en hij bedekte) van het werkw. עָטָה = `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) . Taalgebruik in Tenakh : `âtâh (zich hullen, omhullen, bedekken) . Getalswaarde : ajin = 16 of 70 , tet = 9 , he = 5 ; totaal : 30 (2 X 3 X 5) OF 84 (2² X 3 X 7) . Structuur : 7 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 3 . Niet in Tenakh .
- Latijn . act. ind. aor. 3de pers. enk. involvit (hij wikkelde in) van het werkw. involvere , involvi , involutum (wentelen, rollen, wikkelen in) . Bijbel (6) : (1) Ex 14,27 . (2) 2 K 2,8 . (3) Mt 27,59 . (4) Mc 15,46 . (5) Lc 2,7 . (6) Lc 23,53 .

Lc 23,53.4. acc. onz. enk. auto (het) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk.

Lc 23,53.5. dat. mann. enk. σινδονι = sindoni van het zelfst. naamw. σινδων = sindôn (linnen weefsel) . Taalgebruik in de Bijbel : sindôn (linnen weefsel) . Bijbel (3) : (1) Mt 27,59 . (2) Mc 15,46 . (3) Lc 23,53 . Een vorm van σινδων = sindôn in de LXX (3) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 , in het NT (6) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. vr. enk. sindoni     1 : Mt 27,59 . 1 : Mc 15,46 . 1 : Lc 23,53 .         3 : (1) Mt 27,59 // Mc 15,46 // Lc 23,53 .    
acc. vr. enk. sindona      3 : (1) Mc 14,51 . (2) Mc 14,52 . (3) Mc 15,46 .              
acc. vr. mv. sindonas  3 : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Spr 31,24 .                        
totaal         6      

- Hebreeuws . סָדִין = sâdîn (onderkleed, linnen hemd) . Taalgebruik in Tenakh : sâdîn (onderkleed, linnen hemd) . Getalwaarde : samekh = 15 of 60 , daleth = 4 , jod = 10 , nun = 14 of 50 ; totaal : 43 OF 124 (2² X 31) . Structuur : 6 - 4 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 7 . Een vorm van סָדִין = sâdîn in Tenakh (4) : (1) Re 14,12 . (2) Re 14,13 . (3) Js 3,23 . (4) Spr 31,24 .
- Latijn . abl. mann. enk. sindone van het zelfst. naamw. sindon , -onis . Bijbel (5) : (1) Mt 27,59 . (2) Mc 14,51 . (3) Mc 14,52 . (4) Mc 15,46 . (5) Lc 23,53 .
- Ned. satijn , zijde . Fr. toile = weefsel van linnen , hennep of katoen , afkomstig uit : Lat. tela (tex-la) , texere = weven (Fr. tiser) . E. linen . D. Leinentuch . Ned. linnen . Lat. linum (vlas) . Gr. lineos . Fr. lin .
- Sommigen denken aan het linnen gewaad van de hogepriester , wanneer hij de dienst in het Allerheiligste verricht .

Lc 23,53.6. Het nevenschikkend voegwoord και = kai (en) . Hiermee begint de 2de nevenschikkende zin van het vers .

Lc 23,53.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. εθηκεν = ethèken (hij legde) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het NT : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in de LXX : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Bijbel (67) . OT (50) . NT (11) : (1) Mt 27,60 . (2) Mc 15,46 . (3) Lc 6,48 . (4) Lc 23,53 . (5) Joh 19,19 . (6) Hnd 4,37 . (7) Hnd 5,2 . (8) Heb 1,2 . (9) 1 Joh 3,16 . (10) Apk 1,17 . (11) Apk 10,2 . Een vorm van τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101) , in Hnd (23) .

Lc 23,53.10. dat. onz. enk. μνηματι = mnèmati van het zelfst. naamw. μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in het NT : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in de LXX : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Bijbel (3) : (1) 2 Kr 16,14 . (2) Lc 23,53 . (3) Hnd 7,16 . Een vorm van μνημα = mnèma in de LXX (20) , in het NT (10) , in Lc (3) : : (1) Lc 8,27 . (2) Lc 23,53 . (3) Lc 24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen . De enkelv.-vorm in Lc 23,53 (en mnèmati = in een graf) en in Lc 24,1 (epi to mnèma = op / naar het graf) . Deze twee teksten verwijzen naar elkaar .
- Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 .  (3) Lc 23,55 .  (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 .  (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 8 verzen . Een laatste rustplaats kan op verschillende wijzen worden gemaakt , die als een zichtbaar teken aan de overledene doet denken . Een graf is de rustplaats van de overledene , het 'grafmonument' een gedenkteken voor de overlevenden . In het Grieks : ταφος = tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .
- μνημα = mnèma (aandenken, gedenkteken) < mnè-ma < μι-μνη-σκομαι = mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in het NT : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in de LXX : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) .
- Hebreeuws NBS + UBS : בְקָבֶר / בַּקֶּבֶר = baqqèbhèr (in een / het graf) < prefix voorzetsel bë + (bepaald lidw.) + zelfst. naamw. . Zie : קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 5 . b-q-b-r : Tenakh (11) : (1) Nu 19,16 . (2) Nu 19,18 . (3) Re 8,32 . (4) Re 16,31 . (5) 2 S 2,32 . (6) 2 S 4,12 . (7) 2 S 17,23 . (8) 2 S 21,14 . (9) 1 K 13,31 . (10) 2 K 13,21 . (11) Ps 88,12 .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . dat. onz. enk. monumento ('in zijn' gedenkteken) van het zelfst. naamw. monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (16) : (1) Gn 23,6 . (2) Nu 17,3 . (3) Mt 27,60 . (4) Mt 28,8 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 15,46 . (7) Mc 16,5 . (8) Mc 16,8 . (9) Lc 23,53 . (10) Lc 24,2 . (11) Lc 24,9 . (12) Joh 11,17 . (13) Joh 12,17 . (14) Joh 20,1 . (15) Joh 20,2 . (16) Hnd 13,29 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνη-μα = mnèma : m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombe / tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβος = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : qabr (graf) .

Lc 23,53.9. -10. εν μνηματι = en mnèmati (in een graf) . Hapax in Lc . εν τῳ μνηματι = en tô(i) mnèmati (in het graf) . Bijbel (2) : (1) 2 Kr 16,14 . (2) Hnd 7,16 . Vergelijk . Lc 8,27 : εν τοις μνημασιν = en tois mnèmasin (in de graven) .
- Een vorm van ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) in de LXX (2) : (1) Gn 50,2 . (2) Gn 50,26 , in het NT (2) : (1) Mt 26,12 . (2) Joh 19,40 . Het φατνη = fatnè (krib, ruif) van Lc 2,12 en ενταφιαζω = entafiazô (voor de begrafenis gereedmaken, balsemen, afleggen, begraven) van Gn 50,2 hebben f-t gemeenschappelijk (φατ = fat- , en ταφ = taf- ) , meer nog : ze vormen een spiegelbeeld (φατν - νταφ) . Bij de geboorte is Maria het personage van de handelingen ; bij de graflegging is een zekere Jozef het personage van de handelingen . Het ingewikkeld zijn van het kind Jezus en van de gestorven Jezus doet denken aan een Egyptische mummie . Jozef 'begroef' zijn vader Jakob . In Lc 23,53 is er sprake vanb een zekere Jozef , misschien de vader van Jezus . Het is niet de zoon , maar misschien de vader die zijn zoon Jezus 'begraaft' . 'Waar nog niemand had gelegen' kan erop wijzen dat het graf bestemd was voor die zekere Jozef , misschien de vader van Jezus . Nu wordt de zoon in het graf van de vader gelegd .

Lc 23,54 - Lc 23,54 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:54 kai èmera èn paraskeuès kai sabbaton epefôsken  54 et dies erat parasceves et sabbatum inlucescebat  54. En het was een voorbereidingsdag
en de sabbat lichtte op.
 
54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.  
[54] Het was voorbereidingsdag* en de sabbat zou zo aanbreken. 
[54] Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken.  54 Het is een dag van voorbereiding, en sabbatslicht is begonnen te schijnen.   54. C'était le jour de la Préparation, et le sabbat commençait à poindre.  

King James Bible . [54] And that day was the preparation, and the sabbath drew on.
Luther-Bibel . 54 Und es war Rüsttag, und der Sabbat brach an.

Tekstuitleg van Lc 23,54 .

Lc 23,55 - Lc 23,55 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:55 katakolouthèsasai de ai gunaikes aitines èsan sunelèluthuiai ek tès galilaias autô etheasanto to mnèmeion kai ôs etethè to sôma autou 55 subsecutae autem mulieres quae cum ipso venerant de Galilaea viderunt monumentum et quemadmodum positum erat corpus eius  55 De vrouwen nu
die met hem meegekomen waren uit Galilea, waren (Jozef) gevolgd (en) bezagen de grafkamer en hoe zijn lichaam werd neergelegd.  
55 En ook de vrouwen, die met Hem gekomen waren uit Galilea, volgden na en aanschouwden het graf, en hoe Zijn lichaam gelegd werd. 
[55] De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd. 
[55] De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus’ lichaam er werd neergelegd.  55 Op de weg omlaag volgden hem de vrouwen die met hem meegekomen zijn uit Galilea, ze aanschouwen het graf en hoe zijn lichaam wordt neergelegd;   55. Cependant les femmes qui étaient venues avec lui de Galilée avaient suivi Joseph ; elles regardèrent le tombeau et comment son corps avait été mis. 

King James Bible . [55] And the women also, which came with him from Galilee, followed after, and beheld the sepulchre, and how his body was laid.
Luther-Bibel . 55 Es folgten aber die Frauen nach, die mit ihm gekommen waren aus Galiläa, und beschauten das Grab und wie sein Leib hineingelegt wurde.

Tekstuitleg van Lc 23,55 . Het vers Lc 23,55 telt 20 (2² X 5) woorden en 112 (2² X 2² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 23,55 is 12012 (2² X 3 X 7 X 11 X 13)

Lc 23,55.4. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 23 in 3 verzen : (1) Lc 23,27 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .

Lc 23,55.6. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan  (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .

Lc 23,55.10. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .

Lc 23,55.14. nom. of acc. onz. enk. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het NT : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Bijbel (21) : (1) Gn 23,6 . (2) Js 22,16 . (3) Ez 39,11 . (4) W 10,7 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,5 . (7) Lc 23,55 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 . (11) Joh 11,31 . (12) Joh 11,38 . (13) Joh 19,41 . (14) Joh 19,42 . (15) Joh 20,1 . (16) Joh 20,3 . (17) Joh 20,4 . (18) Joh 20,6 . (19) Joh 20,8 . (20) Joh 20,11 . (21) Hnd 13,29 . Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37) , in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 .  (3) Lc 23,55 .  (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 .  (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 8 verzen . Een laatste rustplaats kan op verschillende wijzen worden gemaakt , die als een zichtbaar teken aan de overledene doet denken . Een graf is de rustplaats van de overledene , het 'grafmonument' een gedenkteken voor de overlevenden . In het Grieks : ταφος = tafos (graf) van het werkw. θαπτω = thaptô (begraven) . Taalgebruik in het NT : thaptô (begraven) . Taalgebruik in de LXX : thaptô (begraven) . Een vorm van tafos (graf) in de LXX (64) , in het NT (7) .

      1.  2.  3.  
  mnèmeion    Lc 11 Lc 23 Lc 24
1.  nom. + acc. onz. enk. mnèmeion     (1) Lc 23,55 .   (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 .  
2.  gen. onz. enk. mnèmeiou     (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .  
3.   nom. + acc. onz. mv. mnèmeia  (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 .      
  Totaal  5

- Hebreeuws . NBS + UBS : הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats) . Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven) . Taalgebruik in Tenakh : qâbhar (begraven) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal : 41 OF 302 (2 X 151) . Structuur : 1 - 2 - 2 . Niet in Tenakh . Een vorm van q-b-r in Tenakh (22) .
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r .
- Latijn . monumentum (moment, gedenkteken) . Bijbel (27) : (1) Ex 12,14 . (2) Ex 13,9 . (3) Ex 17,14 . (4) Ex 30,16 . (5) Ex 39,7 . (6) Lv 5,12 . (7) Lv 6,8 . (8) Lv 24,7 . (9) Nu 31,54 . (10) Joz 4,7 . (11) 2 S 18,18 . (12) Mc 16,2 . (13) Lc 23,55 . (14) Lc 24,1 . (15) Lc 24,12 . (16) Lc 24,22 . (17) Lc 24,24 . (18) Joh 11,31 . (19) Joh 11,38 . (20) Joh 19,41 . (21) Joh 19,42 . (22) Joh 20,1 . (23) Joh 20,3 . (24) Joh 20,4 . (25) Joh 20,6 . (26) Joh 20,8 . (27) Joh 20,11 .
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion : m-n-m-n . In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt .
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteken) . Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in Tenakh : zâkhar (gedenken) . Tenakh (9) : (1) Ex 17,14 . (2) Ex 39,7 . (3) Lv 23,24 . (4) Nu 5,15 . (5) Nu 17,5 . (6) Nu 31,54 . (7) Mal 3,16 . (8) Pr 1,11 . (9) Pr 2,16 .
- Ned. graf (< graven) . D. Grab . Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus : heuvel ; Gr. τυμβοσ = tumbos) . E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven) . Aramees : קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´ . Arabisch : قَبْر = qabr (graf) . Taalgebruik in de Qoran : qabr (graf) .

Lc 23,55.19. nom. + acc. onz. enk. σωμα = sôma (lichaam) . Taalgebruik in het NT : sôma (lichaam) . Taalgebruik in de Septuaginta : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Hnd : sôma (lichaam) . Bijbel (118) . OT (55) . NT (63) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van σωμα = sôma (lichaam) in de LXX (136) , in het NT (142) , in Lc (11) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen . In Lc : 3 vormen in 6 / 24 hoofdstukken en 11 verzen . In Hnd : 1 vorm in 1 vers in 1 / 28 hoofdstukken .

      1.  2.  3.  4.  5.  6. 
    Lc  Lc 11 Lc 12 Lc 17 Lc 22 Lc 23 Lc 24
1.  nom. + acc. onz. enk. sôma   10  (1) Lc 11,34 .  (2) Lc 11,36 (3) Lc 12,4 .  (4) Lc 12,23 (5) Lc 17,37   (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 .  (8) Lc 23,55 (9) Lc 24,3 .  (10) Lc 24,23 .
2.  gen. onz. enk. sômatos   (1) Lc 11,34 .            
3.   dat. onz. enk. sômati     (1) Lc 12,22 .          
  Totaal   '11' 

- Hebreeuws . בָּשָׂר = bâshâr (vlees, lichaam) . Taalgebruik in Tenakh : bâshâr (vlees, lichaam) . Getalwaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 (17 + 26) OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (66) .
- Lat. corpus . Fr. corps . Ned. lichaam . D. Leib . E. body . Arabisch : بَدَن = badan (lichaam) . Taalgebruik in de Qoran : badan (lichaam) .

18. - 19. το σωμα = to sôma (het lichaam) . NT (53) . Lc (10/10) , zie hoger .

Lc 23,55.18. - 20. het lichaam van...
- Lc 23,52 : to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc 24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus .
- Lc 23,55 en Lc 24,23 : to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52 is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc 23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd , in Lc 24,3 en Lc 24,23 over het verheerlijkte lichaam .

Lc 23,56 - Lc 23,56 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23:56 upostrepsasai de ètoimasan arômata kai mura kai to men sabbaton èsuchasan kata tèn entolèn   56 et revertentes paraverunt aromata et unguenta et sabbato quidem siluerunt secundum mandatum  56. Ze keerden terug (en) bereidden specerijen en mirre. 56 En wedergekeerd zijnde, bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.  
[56] Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar.  [56] Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht, 
[56] Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.  56 dan keren ze om en bereiden geurige kruiden en mirre. Op de zevende dag houden zij rust, overeenkomstig het gebod;   56. Puis elles s'en retournèrent et préparèrent aromates et parfums. Et le sabbat, elles se tinrent en repos, selon le précepte.  

King James Bible . [56] And they returned, and prepared spices and ointments; and rested the sabbath day according to the commandment.
Luther-Bibel . 56 Sie kehrten aber um und bereiteten wohlriechende Öle und Salben. bUnd den Sabbat über ruhten sie nach dem Gesetz.

Tekstuitleg van Lc 23,56 .


- Hebreeuwse tekst OF modern Hebreeuws NT

ויקם כל קהלם ויוליכהו אל פילטוס׃ .1 ויחלו לדבר עליו שטנה לאמר את זה מצאנו מסית את העם ומנע אתו מתת מס אל הקיסר באמרו כי הוא מלך המשיח׃ .2 וישאלהו פילטוס לאמר האתה הוא מלך היהודים ויען אתו ויאמר אתה אמרת׃ .3 ויאמר פילטוס אל ראשי הכהנים ואל המון העם לא מצאתי דבר אשם באיש הזה׃ .4 והם התאמצו לדבר מדיח הוא את העם בלמדו בכל יהודה החל מן הגליל ועד הנה׃ .5 ויהי כשמע פילטוס את שם הגליל וישאל אם הוא איש גלילי׃ .6 וכאשר ידע כי מממשלת הורדוס הוא שלחו אל הורדוס אשר היה גם הוא בירושלים בימים האלה׃ .7 וישמח הורדוס עד מאד כראותו את ישוע כי מימים רבים אוה לראת אתו על כי שמע את שמעו ויקו לראת אות אשר יעשה׃ .8 וירב לשאל אותו והוא לא השיב אתו דבר׃ .9 ויעמדו הכהנים הגדולים והסופרים ויתחזקו לדבר עליו שטנה׃ .10 ויבז אתו הורדוס עם צבאותיו ויהתל בו וילבש אותו בגד זהורית וישלחהו אל פילטוס׃ .11 ביום ההוא נהיו פילטוס והורדוס לאהבים יחדו כי מלפנים איבה היתה בינתם׃ .12 ויקרא פילטוס את ראשי הכהנים ואת השרים ואת העם׃ .13 ויאמר אליהם הבאתם לפני את האיש הזה כמסית את העם והנה אני חקרתיו לעיניכם ולא מצאתי באיש הזה אשמת מאומה מן הדברים אשר אתם טוענים עליו׃ .14 וגם הורדוס לא מצא כי שלחתי אתכם אליו והנה אין בו חטא משפט מות׃ .15 על כן איסרנו ואפטרנו׃ .16 ועליו היה לפטר להם איש אחד בימי החג׃ .17 ויצעקו כל המונם ויאמרו הסר את זה ופטר לנו את בר אבא׃ .18 והוא היה משלך בית האסורים על דבר מרד אשר נהיה בעיר ועל דבר רצח׃ .19 ויסף פילטוס לשאת קולו כי חפץ לפטר את ישוע׃ .20 והמה צעקו אליו לאמר הצלב אותו הצלב׃ .21 ויאמר אליהם פעם שלישית מה אפוא עשה זה רעה כל אשמת מות לא מצאתי בו על כן איסרנו ואפטרנו׃ .22 ויפצרו בו בקול גדול ויבקשו כי יצלב ויחזק קולם וקול הכהנים הגדולים׃ .23 ויגזר פילטוס כי תעשה בקשתם׃ .24 ויפטר להם את המשלך בית האסורים על דבר מרד ורצח את אשר שאלו ואת ישוע מסר לרצונם׃ .25 וכאשר הוליכהו משם ויחזיקו באיש אחד הבא מן השדה ושמו שמעון איש קוריני וישימו עליו את הצלב לשאת אחרי ישוע׃ .26 וילכו אחריו המון עם רב והמון נשים והנה ספדות ומקוננות עליו׃ .27 ויפן ישוע ויאמר אליהן בנות ירושלים אל תבכינה עלי כי אם על נפשכן בכינה ועל בניכן׃ .28 כי הנה ימים באים ואמרו אשרי העקרות ואשרי המעים אשר לא ילדו והשדים אשר לא היניקו׃ .29 אז יחלו לאמר אל ההרים נפלו עלינו ואל הגבעות כסונו׃ .30 כי אם יעשו כזאת בעץ הלח מה יעשה ביבש׃ .31 וגם שנים אחרים אנשי בליעל מוצאים אתו למות׃ .32 ויהי כאשר באו אל המקום הנקרא גלגלתא ויצלבו אתו שם ואת אנשי הבליעל זה לימינו וזה לשמאלו׃ .33 ויאמר ישוע אבי סלח להם כי לא ידעו מה הם עשים ויחלקו בגדיו להם ויפילו גורל׃ .34 והעם עמד שם וראה וילעגו לו השרים לאמר את אחרים הושיע יושע נא את נפשו אם הוא המשיח בחיר האלהים׃ .35 ויהתלו בו אנשי הצבא ויגשו ויביאו לו חמץ׃ .36 ויאמרו אם אתה הוא מלך היהודים הושע את נפשך׃ .37 וגם מכתב היה ממעל לו בכתב יוני ורומי ועברי זה הוא מלך היהודים׃ .38 ואחד מאנשי הבליעל התלוים גדפו לאמר הלא אתה המשיח הושע את עצמך ואתנו׃ .39 ויען האחר ויגער בו לאמר האינך ירא את האלהים בהיותך בעצם הענש הזה׃ .40 והן אנחנו בו כמשפט כי לקחנו כפי מעשינו אבל זה לא עשה מאומה רע׃ .41 ויאמר אל ישוע זכרני נא אדני בבאך במלכותך׃ .42 ויאמר ישוע אליו אמן אמר אני לך כי היום תהיה עמדי בגן עדן׃ .43 ויהי כשעה הששית והנה חשך על כל הארץ עד השעה התשיעית׃ .44 ויחשך השמש ותקרע פרכת ההיכל לשנים קרעים׃ .45 ויקרא ישוע בקול גדול ויאמר אבי בידך אפקיד רוחי ובאמרו זאת נפח נפשו׃ .46 וירא שר המאה את אשר נהיתה ויתן כבוד לאלהים לאמר אכן האיש הזה צדיק היה׃ .47 וכל המון העם אשר התאספו יחד למראה הזה בהביטם אל כל אשר נעשה תופפו על לבביהם וישובו׃ .48 וכל מידעיו עמדו מרחוק וגם הנשים אשר הלכו אתו מן הגליל ועיניהן ראות את אלה׃ .49 והנה איש ושמו יוסף והוא מן היעצים איש טוב וצדיק מן הרמתים עיר היהודים׃ .50 אשר לא הסכים לעצתם ולפעלם ומחכה גם הוא למלכות האלהים׃ .51 ויגש אל פילטוס וישאל ממנו את גוית ישוע׃ .52 ויורד אתה ויכרכה בסדינים וישימה בקבר חצוב בסלע אשר עדן לא הושם בו אדם׃ .53 ויום ערב שבת היה והשבת הגיעה׃ .54 ותלכנה אחריו מן הנשים אשר באו אתו מן הגליל ותחזינה את הקבר ואת אשר הושם בו גויתו׃ .55 ואחרי שובן הכינו סמים ומרקחות ובשבת שבתו כפי המצוה׃ .56


- Griekse tekst - Septuaginta

1Καὶ ἀναστὰν ἅπαν τὸ πλῆθος αὐτῶν ἤγαγον αὐτὸν ἐπὶ τὸν Πιλᾶτον. 2ἤρξαντο δὲ κατηγορεῖν αὐτοῦ λέγοντες, Τοῦτον εὕραμεν διαστρέφοντα τὸ ἔθνος ἡμῶν καὶ κωλύοντα φόρους Καίσαρι διδόναι καὶ λέγοντα ἑαυτὸν Χριστὸν βασιλέα εἶναι. 3 δὲ Πιλᾶτος ἠρώτησεν αὐτὸν λέγων, Σὺ εἶ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων; δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ ἔφη, Σὺ λέγεις. 4 δὲ Πιλᾶτος εἶπεν πρὸς τοὺς ἀρχιερεῖς καὶ τοὺς ὄχλους, Οὐδὲν εὑρίσκω αἴτιον ἐν τῷ ἀνθρώπῳ τούτῳ. 5οἱ δὲ ἐπίσχυον λέγοντες ὅτι Ἀνασείει τὸν λαὸν διδάσκων καθ' ὅλης τῆς Ἰουδαίας, καὶ ἀρξάμενος ἀπὸ τῆς Γαλιλαίας ἕως ὧδε. 6Πιλᾶτος δὲ ἀκούσας ἐπηρώτησεν εἰ ἄνθρωπος Γαλιλαῖός ἐστιν: 7καὶ ἐπιγνοὺς ὅτι ἐκ τῆς ἐξουσίας Ἡρῴδου ἐστὶν ἀνέπεμψεν αὐτὸν πρὸς Ἡρῴδην, ὄντα καὶ αὐτὸν ἐν Ἱεροσολύμοις ἐν ταύταις ταῖς ἡμέραις. 8 δὲ Ἡρῴδης ἰδὼν τὸν Ἰησοῦν ἐχάρη λίαν, ἦν γὰρ ἐξ ἱκανῶν χρόνων θέλων ἰδεῖν αὐτὸν διὰ τὸ ἀκούειν περὶ αὐτοῦ, καὶ ἤλπιζέν τι σημεῖον ἰδεῖν ὑπ' αὐτοῦ γινόμενον. 9ἐπηρώτα δὲ αὐτὸν ἐν λόγοις ἱκανοῖς: αὐτὸς δὲ οὐδὲν ἀπεκρίνατο αὐτῷ. 10εἱστήκεισαν δὲ οἱ ἀρχιερεῖς καὶ οἱ γραμματεῖς εὐτόνως κατηγοροῦντες αὐτοῦ. 11ἐξουθενήσας δὲ αὐτὸν [καὶ] Ἡρῴδης σὺν τοῖς στρατεύμασιν αὐτοῦ καὶ ἐμπαίξας περιβαλὼν ἐσθῆτα λαμπρὰν ἀνέπεμψεν αὐτὸν τῷ Πιλάτῳ. 12ἐγένοντο δὲ φίλοι τε Ἡρῴδης καὶ Πιλᾶτος ἐν αὐτῇ τῇ ἡμέρᾳ μετ' ἀλλήλων: προϋπῆρχον γὰρ ἐν ἔχθρᾳ ὄντες πρὸς αὐτούς. 13Πιλᾶτος δὲ συγκαλεσάμενος τοὺς ἀρχιερεῖς καὶ τοὺς ἄρχοντας καὶ τὸν λαὸν 14εἶπεν πρὸς αὐτούς, Προσηνέγκατέ μοι τὸν ἄνθρωπον τοῦτον ὡς ἀποστρέφοντα τὸν λαόν, καὶ ἰδοὺ ἐγὼ ἐνώπιον ὑμῶν ἀνακρίνας οὐθὲν εὗρον ἐν τῷ ἀνθρώπῳ τούτῳ αἴτιον ὧν κατηγορεῖτε κατ' αὐτοῦ, 15ἀλλ' οὐδὲ Ἡρῴδης: ἀνέπεμψεν γὰρ αὐτὸν πρὸς ἡμᾶς: καὶ ἰδοὺ οὐδὲν ἄξιον θανάτου ἐστὶν πεπραγμένον αὐτῷ. 16παιδεύσας οὖν αὐτὸν ἀπολύσω. 17ἀνέκραγον 18δὲ παμπληθεὶ λέγοντες, Αἶρε τοῦτον, ἀπόλυσον δὲ ἡμῖν τὸν Βαραββᾶν: 19ὅστις ἦν διὰ στάσιν τινὰ γενομένην ἐν τῇ πόλει καὶ φόνον βληθεὶς ἐν τῇ φυλακῇ. 20πάλιν δὲ Πιλᾶτος προσεφώνησεν αὐτοῖς, θέλων ἀπολῦσαι τὸν Ἰησοῦν: 21οἱ δὲ ἐπεφώνουν λέγοντες, Σταύρου, σταύρου αὐτόν. 22 δὲ τρίτον εἶπεν πρὸς αὐτούς, Τί γὰρ κακὸν ἐποίησεν οὗτος; οὐδὲν αἴτιον θανάτου εὗρον ἐν αὐτῷ: παιδεύσας οὖν αὐτὸν ἀπολύσω. 23οἱ δὲ ἐπέκειντο φωναῖς μεγάλαις αἰτούμενοι αὐτὸν σταυρωθῆναι, καὶ κατίσχυον αἱ φωναὶ αὐτῶν. 24καὶ Πιλᾶτος ἐπέκρινεν γενέσθαι τὸ αἴτημα αὐτῶν: 25ἀπέλυσεν δὲ τὸν διὰ στάσιν καὶ φόνον βεβλημένον εἰς φυλακὴν ὃν ᾐτοῦντο, τὸν δὲ Ἰησοῦν παρέδωκεν τῷ θελήματι αὐτῶν. 26Καὶ ὡς ἀπήγαγον αὐτόν, ἐπιλαβόμενοι Σίμωνά τινα Κυρηναῖον ἐρχόμενον ἀπ' ἀγροῦ ἐπέθηκαν αὐτῷ τὸν σταυρὸν φέρειν ὄπισθεν τοῦ Ἰησοῦ. 27Ἠκολούθει δὲ αὐτῷ πολὺ πλῆθος τοῦ λαοῦ καὶ γυναικῶν αἳ ἐκόπτοντο καὶ ἐθρήνουν αὐτόν. 28στραφεὶς δὲ πρὸς αὐτὰς [ὁ] Ἰησοῦς εἶπεν, Θυγατέρες Ἰερουσαλήμ, μὴ κλαίετε ἐπ' ἐμέ: πλὴν ἐφ' ἑαυτὰς κλαίετε καὶ ἐπὶ τὰ τέκνα ὑμῶν, 29ὅτι ἰδοὺ ἔρχονται ἡμέραι ἐν αἷς ἐροῦσιν, Μακάριαι αἱ στεῖραι καὶ αἱ κοιλίαι αἳ οὐκ ἐγέννησαν καὶ μαστοὶ οἳ οὐκ ἔθρεψαν. 30τότε ἄρξονται λέγειν τοῖς ὄρεσιν, Πέσετε ἐφ' ἡμᾶς, καὶ τοῖς βουνοῖς, Καλύψατε ἡμᾶς: 31ὅτι εἰ ἐν τῷ ὑγρῷ ξύλῳ ταῦτα ποιοῦσιν, ἐν τῷ ξηρῷ τί γένηται; 32Ἤγοντο δὲ καὶ ἕτεροι κακοῦργοι δύο σὺν αὐτῷ ἀναιρεθῆναι. 33καὶ ὅτε ἦλθον ἐπὶ τὸν τόπον τὸν καλούμενον Κρανίον, ἐκεῖ ἐσταύρωσαν αὐτὸν καὶ τοὺς κακούργους, ὃν μὲν ἐκ δεξιῶν ὃν δὲ ἐξ ἀριστερῶν. 34[[ὁ δὲ Ἰησοῦς ἔλεγεν, Πάτερ, ἄφες αὐτοῖς, οὐ γὰρ οἴδασιν τί ποιοῦσιν.]] διαμεριζόμενοι δὲ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ ἔβαλον κλήρους. 35καὶ εἱστήκει λαὸς θεωρῶν. ἐξεμυκτήριζον δὲ καὶ οἱ ἄρχοντες λέγοντες, Ἄλλους ἔσωσεν, σωσάτω ἑαυτόν, εἰ οὗτός ἐστιν Χριστὸς τοῦ θεοῦ ἐκλεκτός. 36ἐνέπαιξαν δὲ αὐτῷ καὶ οἱ στρατιῶται προσερχόμενοι, ὄξος προσφέροντες αὐτῷ 37καὶ λέγοντες, Εἰ σὺ εἶ βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων, σῶσον σεαυτόν. 38ἦν δὲ καὶ ἐπιγραφὴ ἐπ' αὐτῷ, βασιλεὺς τῶν Ἰουδαίων οὗτος. 39Εἷς δὲ τῶν κρεμασθέντων κακούργων ἐβλασφήμει αὐτὸν λέγων, Οὐχὶ σὺ εἶ Χριστός; σῶσον σεαυτὸν καὶ ἡμᾶς. 40ἀποκριθεὶς δὲ ἕτερος ἐπιτιμῶν αὐτῷ ἔφη, Οὐδὲ φοβῇ σὺ τὸν θεόν, ὅτι ἐν τῷ αὐτῷ κρίματι εἶ; 41καὶ ἡμεῖς μὲν δικαίως, ἄξια γὰρ ὧν ἐπράξαμεν ἀπολαμβάνομεν: οὗτος δὲ οὐδὲν ἄτοπον ἔπραξεν. 42καὶ ἔλεγεν, Ἰησοῦ, μνήσθητί μου ὅταν ἔλθῃς εἰς τὴν βασιλείαν σου. 43καὶ εἶπεν αὐτῷ, Ἀμήν σοι λέγω, σήμερον μετ' ἐμοῦ ἔσῃ ἐν τῷ παραδείσῳ. 44Καὶ ἦν ἤδη ὡσεὶ ὥρα ἕκτη καὶ σκότος ἐγένετο ἐφ' ὅλην τὴν γῆν ἕως ὥρας ἐνάτης 45τοῦ ἡλίου ἐκλιπόντος, ἐσχίσθη δὲ τὸ καταπέτασμα τοῦ ναοῦ μέσον. 46καὶ φωνήσας φωνῇ μεγάλῃ Ἰησοῦς εἶπεν, Πάτερ, εἰς χεῖράς σου παρατίθεμαι τὸ πνεῦμά μου: τοῦτο δὲ εἰπὼν ἐξέπνευσεν. 47Ἰδὼν δὲ ἑκατοντάρχης τὸ γενόμενον ἐδόξαζεν τὸν θεὸν λέγων, Ὄντως ἄνθρωπος οὗτος δίκαιος ἦν. 48καὶ πάντες οἱ συμπαραγενόμενοι ὄχλοι ἐπὶ τὴν θεωρίαν ταύτην, θεωρήσαντες τὰ γενόμενα, τύπτοντες τὰ στήθη ὑπέστρεφον. 49εἱστήκεισαν δὲ πάντες οἱ γνωστοὶ αὐτῷ ἀπὸ μακρόθεν, καὶ γυναῖκες αἱ συνακολουθοῦσαι αὐτῷ ἀπὸ τῆς Γαλιλαίας, ὁρῶσαι ταῦτα. 50Καὶ ἰδοὺ ἀνὴρ ὀνόματι Ἰωσὴφ βουλευτὴς ὑπάρχων [καὶ] ἀνὴρ ἀγαθὸς καὶ δίκαιος 51οὗτος οὐκ ἦν συγκατατεθειμένος τῇ βουλῇ καὶ τῇ πράξει αὐτῶν ἀπὸ Ἁριμαθαίας πόλεως τῶν Ἰουδαίων, ὃς προσεδέχετο τὴν βασιλείαν τοῦ θεοῦ, 52οὗτος προσελθὼν τῷ Πιλάτῳ ᾐτήσατο τὸ σῶμα τοῦ Ἰησοῦ, 53καὶ καθελὼν ἐνετύλιξεν αὐτὸ σινδόνι, καὶ ἔθηκεν αὐτὸν ἐν μνήματι λαξευτῷ οὗ οὐκ ἦν οὐδεὶς οὔπω κείμενος. 54καὶ ἡμέρα ἦν παρασκευῆς, καὶ σάββατον ἐπέφωσκεν. 55Κατακολουθήσασαι δὲ αἱ γυναῖκες, αἵτινες ἦσαν συνεληλυθυῖαι ἐκ τῆς Γαλιλαίας αὐτῷ, ἐθεάσαντο τὸ μνημεῖον καὶ ὡς ἐτέθη τὸ σῶμα αὐτοῦ, 56ὑποστρέψασαι δὲ ἡτοίμασαν ἀρώματα καὶ μύρα. Καὶ τὸ μὲν σάββατον ἡσύχασαν κατὰ τὴν ἐντολήν,


- Aramees - Peshitta

ܘܩܡܘ ܟܠܗ ܟܢܫܗܘܢ ܘܐܝܬܝܘܗܝ ܠܘܬ ܦܝܠܛܘܤ ܀ .1 ܘܫܪܝܘ ܐܟܠܝܢ ܩܪܨܘܗܝ ܘܐܡܪܝܢ ܠܗܢܐ ܐܫܟܚܢ ܕܡܛܥܐ ܥܡܢ ܘܟܠܐ ܕܟܤܦ ܪܫܐ ܠܩܤܪ ܠܐ ܢܬܠ ܘܐܡܪ ܥܠ ܢܦܫܗ ܕܡܠܟܐ ܗܘ ܡܫܝܚܐ ܀ .2 ܦܝܠܛܘܤ ܕܝܢ ܫܐܠܗ ܘܐܡܪ ܠܗ ܐܢܬ ܗܘ ܡܠܟܐ ܕܝܗܘܕܝܐ ܐܡܪ ܠܗ ܐܢܬ ܐܡܪܬ ܀ .3 ܘܐܡܪ ܦܝܠܛܘܤ ܠܪܒܝ ܟܗܢܐ ܘܠܟܢܫܐ ܐܢܐ ܡܕܡ ܥܠܬܐ ܠܐ ܡܫܟܚ ܐܢܐ ܥܠ ܓܒܪܐ ܗܢܐ ܀ .4 ܗܢܘܢ ܕܝܢ ܡܙܥܩܝܢ ܗܘܘ ܘܐܡܪܝܢ ܕܫܓܫܗ ܠܥܡܢ ܟܕ ܡܠܦ ܒܟܠܗ ܝܗܘܕ ܘܫܪܝ ܡܢ ܓܠܝܠܐ ܘܥܕܡܐ ܠܗܪܟܐ ܀ .5 ܦܝܠܛܘܤ ܕܝܢ ܟܕ ܫܡܥ ܫܡܐ ܕܓܠܝܠܐ ܫܐܠ ܕܐܢ ܓܒܪܐ ܗܘ ܓܠܝܠܝܐ ܀ .6 ܘܟܕ ܝܕܥ ܕܡܢ ܬܚܝܬ ܫܘܠܛܢܐ ܗܘ ܕܗܪܘܕܤ ܫܕܪܗ ܠܘܬܗ ܕܗܪܘܕܤ ܡܛܠ ܕܒܐܘܪܫܠܡ ܗܘܐ ܒܗܢܘܢ ܝܘܡܬܐ ܀ .7 ܗܪܘܕܤ ܕܝܢ ܟܕ ܚܙܝܗܝ ܠܝܫܘܥ ܚܕܝ ܛܒ ܨܒܐ ܗܘܐ ܓܝܪ ܠܡܚܙܝܗ ܡܢ ܙܒܢܐ ܤܓܝܐܐ ܡܛܠ ܕܫܡܥ ܗܘܐ ܥܠܘܗܝ ܤܓܝܐܬܐ ܘܡܤܒܪ ܗܘܐ ܕܡܕܡ ܐܬܐ ܢܚܙܐ ܡܢܗ ܀ .8 ܘܡܠܐ ܤܓܝܐܬܐ ܡܫܐܠ ܗܘܐ ܠܗ ܝܫܘܥ ܕܝܢ ܡܕܡ ܦܬܓܡܐ ܠܐ ܐܬܝܒܗ ܀ .9 ܩܝܡܝܢ ܗܘܘ ܕܝܢ ܪܒܝ ܟܗܢܐ ܘܤܦܪܐ ܘܥܙܝܙܐܝܬ ܐܟܠܝܢ ܗܘܘ ܩܪܨܘܗܝ ܀ .10 ܗܪܘܕܤ ܕܝܢ ܫܛܗ ܗܘ ܘܦܠܚܘܗܝ ܘܟܕ ܡܒܙܚ ܐܠܒܫܗ ܢܚܬܐ ܕܙܚܘܪܝܬܐ ܘܫܕܪܗ ܠܘܬ ܦܝܠܛܘܤ ܀ .11 ܘܒܗܘ ܝܘܡܐ ܗܘܘ ܪܚܡܐ ܦܝܠܛܘܤ ܘܗܪܘܕܤ ܥܡ ܚܕܕܐ ܒܥܠܕܒܒܘܬܐ ܗܘܬ ܓܝܪ ܡܢ ܩܕܝܡ ܒܝܢܬܗܘܢ ܀ .12 ܩܪܐ ܕܝܢ ܦܝܠܛܘܤ ܠܪܒܝ ܟܗܢܐ ܘܠܐܪܟܘܢܐ ܘܠܥܡܐ ܀ .13 ܘܐܡܪ ܠܗܘܢ ܩܪܒܬܘܢ ܠܝ ܓܒܪܐ ܗܢܐ ܐܝܟ ܡܗܦܟ ܥܡܟܘܢ ܘܗܐ ܐܢܐ ܥܩܒܬܗ ܠܥܢܝܟܘܢ ܘܥܠܬܐ ܡܕܡ ܠܐ ܐܫܟܚܬ ܒܓܒܪܐ ܗܢܐ ܡܢ ܟܠ ܕܡܪܫܝܢ ܐܢܬܘܢ ܒܗ ܀ .14 ܐܠܐ ܐܦܠܐ ܗܪܘܕܤ ܫܕܪܬܗ ܓܝܪ ܠܘܬܗ ܘܗܐ ܠܐ ܡܕܡ ܕܫܘܐ ܠܡܘܬܐ ܤܥܝܪ ܠܗ ܀ .15 ܐܪܕܝܘܗܝ ܗܟܝܠ ܘܐܫܒܩܝܘܗܝ ܀ .16 ܥܝܕܐ ܓܝܪ ܐܝܬ ܗܘܐ ܕܢܫܪܐ ܠܗܘܢ ܚܕ ܒܥܕܥܕܐ ܀ .17 ܩܥܘ ܕܝܢ ܟܠܗ ܟܢܫܐ ܘܐܡܪܝܢ ܫܩܘܠܝܗܝ ܠܗܢܐ ܘܫܪܝ ܠܢ ܠܒܪ ܐܒܐ ܀ .18 ܗܘ ܐܝܢܐ ܕܡܛܠ ܐܤܛܤܝܤ ܕܗܘܬ ܒܡܕܝܢܬܐ ܘܩܛܠܐ ܪܡܐ ܗܘܐ ܒܝܬ ܐܤܝܪܐ ܀ .19 ܬܘܒ ܕܝܢ ܡܠܠ ܥܡܗܘܢ ܦܝܠܛܘܤ ܟܕ ܨܒܐ ܕܢܫܪܐ ܠܝܫܘܥ ܀ .20 ܗܢܘܢ ܕܝܢ ܩܥܝܢ ܗܘܘ ܘܐܡܪܝܢ ܙܩܘܦܝܗܝ ܙܩܘܦܝܗܝ ܀ .21 ܗܘ ܕܝܢ ܕܬܠܬ ܙܒܢܝܢ ܐܡܪ ܠܗܘܢ ܡܢܐ ܓܝܪ ܕܒܝܫ ܥܒܕ ܗܢܐ ܡܕܡ ܥܠܬܐ ܕܫܘܝܐ ܠܡܘܬܐ ܠܐ ܐܫܟܚܬ ܒܗ ܐܪܕܝܘܗܝ ܗܟܝܠ ܘܐܫܒܩܝܘܗܝ ܀ .22 ܗܢܘܢ ܕܝܢ ܬܟܒܝܢ ܗܘܘ ܒܩܠܐ ܪܡܐ ܘܫܐܠܝܢ ܗܘܘ ܠܗ ܕܢܙܩܦܘܢܝܗܝ ܘܥܫܢ ܗܘܐ ܩܠܗܘܢ ܕܝܠܗܘܢ ܘܕܪܒܝ ܟܗܢܐ ܀ .23 ܦܝܠܛܘܤ ܕܝܢ ܦܩܕ ܕܬܗܘܐ ܫܐܠܬܗܘܢ ܀ .24 ܘܫܪܐ ܠܗܘܢ ܠܗܘ ܕܡܛܠ ܐܤܛܤܝܤ ܘܩܛܠܐ ܪܡܐ ܗܘܐ ܒܝܬ ܐܤܝܪܐ ܗܘ ܕܫܐܠܘ ܠܝܫܘܥ ܕܝܢ ܐܫܠܡ ܠܨܒܝܢܗܘܢ ܀ .25 ܘܟܕ ܡܘܒܠܝܢ ܠܗ ܐܚܕܘ ܠܫܡܥܘܢ ܩܘܪܝܢܝܐ ܕܐܬܐ ܡܢ ܩܪܝܬܐ ܘܤܡܘ ܥܠܘܗܝ ܙܩܝܦܐ ܕܢܛܥܢ ܒܬܪܗ ܕܝܫܘܥ ܀ .26 ܘܐܬܐ ܗܘܐ ܒܬܪܗ ܤܘܓܐܐ ܕܥܡܐ ܘܢܫܐ ܐܝܠܝܢ ܕܡܪܩܕܢ ܗܘܝ ܘܐܠܝܢ ܥܠܘܗܝ ܀ .27 ܘܐܬܦܢܝ ܝܫܘܥ ܠܘܬܗܝܢ ܘܐܡܪ ܒܢܬ ܐܘܪܫܠܡ ܠܐ ܬܒܟܝܢ ܥܠܝ ܒܪܡ ܥܠ ܢܦܫܟܝܢ ܒܟܝܝܢ ܘܥܠ ܒܢܝܟܝܢ ܀ .28 ܕܗܐ ܐܬܝܢ ܝܘܡܬܐ ܕܒܗܘܢ ܢܐܡܪܘܢ ܛܘܒܝܗܝܢ ܠܥܩܪܬܐ ܘܠܟܪܤܬܐ ܕܠܐ ܝܠܕ ܘܠܬܕܝܐ ܕܠܐ ܐܝܢܩܘ ܀ .29 ܗܝܕܝܢ ܬܫܪܘܢ ܠܡܐܡܪ ܠܛܘܪܐ ܕܦܠܘ ܥܠܝܢ ܘܠܪܡܬܐ ܕܟܤܝܢܢ ܀ .30 ܕܐܢ ܒܩܝܤܐ ܪܛܝܒܐ ܗܠܝܢ ܥܒܕܝܢ ܒܝܒܝܫܐ ܡܢܐ ܢܗܘܐ ܀ .31 ܘܐܬܝܢ ܗܘܘ ܥܡܗ ܬܪܝܢ ܐܚܪܢܝܢ ܥܒܕܝ ܒܝܫܬܐ ܕܢܬܩܛܠܘܢ ܀ .32 ܘܟܕ ܐܬܘ ܠܕܘܟܬܐ ܚܕܐ ܕܡܬܩܪܝܐ ܩܪܩܦܬܐ ܙܩܦܘܗܝ ܬܡܢ ܘܠܗܢܘܢ ܥܒܕܝ ܒܝܫܬܐ ܚܕ ܡܢ ܝܡܝܢܗ ܘܚܕ ܡܢ ܤܡܠܗ ܀ .33 ܗܘ ܕܝܢ ܝܫܘܥ ܐܡܪ ܗܘܐ ܐܒܐ ܫܒܘܩ ܠܗܘܢ ܠܐ ܓܝܪ ܝܕܥܝܢ ܡܢܐ ܥܒܕܝܢ ܘܦܠܓܘ ܢܚܬܘܗܝ ܘܐܪܡܝܘ ܥܠܝܗܘܢ ܦܤܐ ܀ .34 ܩܐܡ ܗܘܐ ܕܝܢ ܥܡܐ ܘܚܙܐ ܘܡܡܝܩܝܢ ܗܘܘ ܒܗ ܐܦ ܐܪܟܘܢܐ ܘܐܡܪܝܢ ܠܐܚܪܢܐ ܐܚܝ ܢܚܐ ܢܦܫܗ ܐܢ ܗܘܝܘ ܡܫܝܚܐ ܓܒܝܗ ܕܐܠܗܐ ܀ .35 ܘܡܒܙܚܝܢ ܗܘܘ ܒܗ ܐܦ ܐܤܛܪܛܝܘܛܐ ܟܕ ܩܪܒܝܢ ܠܘܬܗ ܘܡܩܪܒܝܢ ܠܗ ܚܠܐ ܀ .36 ܘܐܡܪܝܢ ܠܗ ܐܢ ܐܢܬ ܗܘ ܡܠܟܐ ܕܝܗܘܕܝܐ ܐܚܐ ܢܦܫܟ ܀ .37 ܐܝܬ ܗܘܐ ܕܝܢ ܐܦ ܟܬܒܐ ܕܟܬܝܒ ܠܥܠ ܡܢܗ ܝܘܢܐܝܬ ܘܪܗܘܡܐܝܬ ܘܥܒܪܐܝܬ ܗܢܘ ܡܠܟܐ ܕܝܗܘܕܝܐ ܀ .38 ܚܕ ܕܝܢ ܡܢ ܗܢܘܢ ܥܒܕܝ ܒܝܫܬܐ ܕܨܠܝܒܝܢ ܗܘܘ ܥܡܗ ܡܓܕܦ ܗܘܐ ܥܠܘܗܝ ܘܐܡܪ ܐܢ ܐܢܬ ܗܘ ܡܫܝܚܐ ܦܨܐ ܢܦܫܟ ܘܦܨܐ ܐܦ ܠܢ ܀ .39 ܘܟܐܐ ܒܗ ܚܒܪܗ ܘܐܡܪ ܠܗ ܐܦ ܠܐ ܡܢ ܐܠܗܐ ܕܚܠ ܐܢܬ ܕܐܦ ܐܢܬ ܒܗ ܐܢܬ ܒܕܝܢܐ ܀ .40 ܘܚܢܢ ܟܐܢܐܝܬ ܐܝܟ ܕܫܘܝܢ ܗܘܝܢ ܓܝܪ ܘܐܝܟ ܕܥܒܕܢ ܐܬܦܪܥܢ ܗܢܐ ܕܝܢ ܡܕܡ ܕܤܢܐ ܠܐ ܥܒܝܕ ܠܗ ܀ .41 ܘܐܡܪ ܠܝܫܘܥ ܐܬܕܟܪܝܢܝ ܡܪܝ ܡܐ ܕܐܬܐ ܐܢܬ ܒܡܠܟܘܬܟ ܀ .42 ܐܡܪ ܠܗ ܝܫܘܥ ܐܡܝܢ ܐܡܪ ܐܢܐ ܠܟ ܕܝܘܡܢܐ ܥܡܝ ܬܗܘܐ ܒܦܪܕܝܤܐ ܀ .43 ܐܝܬ ܗܘܝ ܕܝܢ ܐܝܟ ܫܥܐ ܫܬ ܘܗܘܐ ܚܫܘܟܐ ܥܠ ܟܠܗ ܐܪܥܐ ܥܕܡܐ ܠܬܫܥ ܫܥܝܢ ܀ .44 ܘܫܡܫܐ ܚܫܟ ܘܐܨܛܪܝ ܐܦܝ ܬܪܥܐ ܕܗܝܟܠܐ ܡܢ ܡܨܥܬܗ ܀ .45 ܘܩܥܐ ܝܫܘܥ ܒܩܠܐ ܪܡܐ ܘܐܡܪ ܐܒܝ ܒܐܝܕܝܟ ܤܐܡ ܐܢܐ ܪܘܚܝ ܗܕܐ ܐܡܪ ܘܫܠܡ ܀ .46 ܟܕ ܚܙܐ ܕܝܢ ܩܢܛܪܘܢܐ ܡܕܡ ܕܗܘܐ ܫܒܚ ܠܐܠܗܐ ܘܐܡܪ ܫܪܝܪܐܝܬ ܗܢܐ ܓܒܪܐ ܙܕܝܩܐ ܗܘܐ ܀ .47 ܘܟܠܗܘܢ ܟܢܫܐ ܐܝܠܝܢ ܕܟܢܝܫܝܢ ܗܘܘ ܠܚܙܬܐ ܗܕܐ ܟܕ ܚܙܘ ܡܕܡ ܕܗܘܐ ܗܦܟܘ ܟܕ ܛܪܦܝܢ ܥܠ ܚܕܝܗܘܢ ܀ .48 ܘܩܝܡܝܢ ܗܘܘ ܡܢ ܪܘܚܩܐ ܟܠܗܘܢ ܝܕܘܥܘܗܝ ܕܝܫܘܥ ܘܢܫܐ ܐܝܠܝܢ ܕܐܬܝ ܗܘܝ ܥܡܗ ܡܢ ܓܠܝܠܐ ܘܚܙܝܢ ܗܘܘ ܗܠܝܢ ܀ .49 ܓܒܪܐ ܕܝܢ ܚܕ ܕܫܡܗ ܝܘܤܦ ܒܘܠܘܛܐ ܡܢ ܪܡܬܐ ܡܕܝܢܬܐ ܕܝܗܘܕ ܓܒܪܐ ܗܘܐ ܛܒܐ ܘܙܕܝܩܐ ܀ .50 ܗܢܐ ܠܐ ܫܠܡ ܗܘܐ ܠܨܒܝܢܗܘܢ ܘܠܤܘܥܪܢܗܘܢ ܘܡܤܟܐ ܗܘܐ ܠܡܠܟܘܬܐ ܕܐܠܗܐ ܀ .51 ܗܢܐ ܩܪܒ ܠܘܬ ܦܝܠܛܘܤ ܘܫܐܠ ܦܓܪܗ ܕܝܫܘܥ ܀ .52 ܘܐܚܬܗ ܘܟܪܟܗ ܒܚܝܨܐ ܕܟܬܢܐ ܘܤܡܗ ܒܒܝܬ ܩܒܘܪܐ ܢܩܝܪܐ ܗܘ ܕܠܐ ܐܢܫ ܥܕܟܝܠ ܐܬܬܤܝܡ ܗܘܐ ܒܗ ܀ .53 ܘܝܘܡܐ ܥܪܘܒܬܐ ܗܘܬ ܘܫܒܬܐ ܢܓܗܐ ܗܘܬ ܀ .54 ܩܪܝܒܢ ܗܘܝ ܕܝܢ ܢܫܐ ܗܠܝܢ ܕܐܬܝ ܥܡܗ ܡܢ ܓܠܝܠܐ ܘܚܙܝܝܗܝ ܠܩܒܪܐ ܘܐܝܟܢܐ ܐܬܬܤܝܡ ܦܓܪܗ ܀ .55 ܘܗܦܟ ܛܝܒ ܗܪܘܡܐ ܘܒܤܡܐ ܘܒܫܒܬܐ ܫܠܝ ܐܝܟ ܕܦܩܝܕ ܀ .56


- Vulgata

23. 1 et surgens omnis multitudo eorum duxerunt illum ad Pilatum 2 coeperunt autem accusare illum dicentes hunc invenimus subvertentem gentem nostram et prohibentem tributa dari Caesari et dicentem se Christum regem esse 3 Pilatus autem interrogavit eum dicens tu es rex Iudaeorum at ille respondens ait tu dicis 4 ait autem Pilatus ad principes sacerdotum et turbas nihil invenio causae in hoc homine 5 at illi invalescebant dicentes commovet populum docens per universam Iudaeam et incipiens a Galilaea usque huc 6 Pilatus autem audiens Galilaeam interrogavit si homo Galilaeus esset 7 et ut cognovit quod de Herodis potestate esset remisit eum ad Herodem qui et ipse Hierosolymis erat illis diebus 8 Herodes autem viso Iesu gavisus est valde erat enim cupiens ex multo tempore videre eum eo quod audiret multa de illo et sperabat signum aliquod videre ab eo fieri 9 interrogabat autem illum multis sermonibus at ipse nihil illi respondebat 10 stabant etiam principes sacerdotum et scribae constanter accusantes eum 11 sprevit autem illum Herodes cum exercitu suo et inlusit indutum veste alba et remisit ad Pilatum 12 et facti sunt amici Herodes et Pilatus in ipsa die nam antea inimici erant ad invicem 13 Pilatus autem convocatis principibus sacerdotum et magistratibus et plebe 14 dixit ad illos obtulistis mihi hunc hominem quasi avertentem populum et ecce ego coram vobis interrogans nullam causam inveni in homine isto ex his in quibus eum accusatis 15 sed neque Herodes nam remisi vos ad illum et ecce nihil dignum morte actum est ei 16 emendatum ergo illum dimittam 17 necesse autem habebat dimittere eis per diem festum unum 18 exclamavit autem simul universa turba dicens tolle hunc et dimitte nobis Barabban 19 qui erat propter seditionem quandam factam in civitate et homicidium missus in carcerem 20 iterum autem Pilatus locutus est ad illos volens dimittere Iesum 21 at illi succlamabant dicentes crucifige crucifige illum 22 ille autem tertio dixit ad illos quid enim mali fecit iste nullam causam mortis invenio in eo corripiam ergo illum et dimittam 23 at illi instabant vocibus magnis postulantes ut crucifigeretur et invalescebant voces eorum 24 et Pilatus adiudicavit fieri petitionem eorum 25 dimisit autem illis eum qui propter homicidium et seditionem missus fuerat in carcerem quem petebant Iesum vero tradidit voluntati eorum 26 et cum ducerent eum adprehenderunt Simonem quendam Cyrenensem venientem de villa et inposuerunt illi crucem portare post Iesum 27 sequebatur autem illum multa turba populi et mulierum quae plangebant et lamentabant eum 28 conversus autem ad illas Iesus dixit filiae Hierusalem nolite flere super me sed super vos ipsas flete et super filios vestros 29 quoniam ecce venient dies in quibus dicent beatae steriles et ventres qui non genuerunt et ubera quae non lactaverunt 30 tunc incipient dicere montibus cadite super nos et collibus operite nos 31 quia si in viridi ligno haec faciunt in arido quid fiet 32 ducebantur autem et alii duo nequam cum eo ut interficerentur 33 et postquam venerunt in locum qui vocatur Calvariae ibi crucifixerunt eum et latrones unum a dextris et alterum a sinistris 34 Iesus autem dicebat Pater dimitte illis non enim sciunt quid faciunt dividentes vero vestimenta eius miserunt sortes 35 et stabat populus expectans et deridebant illum principes cum eis dicentes alios salvos fecit se salvum faciat si hic est Christus Dei electus 36 inludebant autem ei et milites accedentes et acetum offerentes illi 37 dicentes si tu es rex Iudaeorum salvum te fac 38 erat autem et superscriptio inscripta super illum litteris graecis et latinis et hebraicis hic est rex Iudaeorum 39 unus autem de his qui pendebant latronibus blasphemabat eum dicens si tu es Christus salvum fac temet ipsum et nos 40 respondens autem alter increpabat illum dicens neque tu times Deum quod in eadem damnatione es 41 et nos quidem iuste nam digna factis recipimus hic vero nihil mali gessit 42 et dicebat ad Iesum Domine memento mei cum veneris in regnum tuum 43 et dixit illi Iesus amen dico tibi hodie mecum eris in paradiso 44 erat autem fere hora sexta et tenebrae factae sunt in universa terra usque in nonam horam 45 et obscuratus est sol et velum templi scissum est medium 46 et clamans voce magna Iesus ait Pater in manus tuas commendo spiritum meum et haec dicens exspiravit 47 videns autem centurio quod factum fuerat glorificavit Deum dicens vere hic homo iustus erat 48 et omnis turba eorum qui simul aderant ad spectaculum istud et videbant quae fiebant percutientes pectora sua revertebantur 49 stabant autem omnes noti eius a longe et mulieres quae secutae erant eum a Galilaea haec videntes 50 et ecce vir nomine Ioseph qui erat decurio vir bonus et iustus 51 hic non consenserat consilio et actibus eorum ab Arimathia civitate Iudaeae qui expectabat et ipse regnum Dei 52 hic accessit ad Pilatum et petiit corpus Iesu 53 et depositum involvit sindone et posuit eum in monumento exciso in quo nondum quisquam positus fuerat 54 et dies erat parasceves et sabbatum inlucescebat 55 subsecutae autem mulieres quae cum ipso venerant de Galilaea viderunt monumentum et quemadmodum positum erat corpus eius 56 et revertentes paraverunt aromata et unguenta et sabbato quidem siluerunt secundum mandatum


- Statenvertaling


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 23 Jezus voor Pilatus en voor Herodes [1] Het hele gezelschap stond op, en men leidde Hem voor aan Pilatus*. [2] Daar brachten zij hun beschuldiging tegen Hem in: 'Wij hebben vastgesteld dat deze man ons volk opruit; Hij zegt dat ze geen belasting moeten betalen aan de keizer, en Hij geeft zichzelf uit voor de Messias, de koning.' [3] Pilatus vroeg hem: 'Bent u de koning van de Joden?' Hij antwoordde hem: 'U zegt het zelf.' [4] Pilatus zei tegen de hogepriesters en de volksmenigte: 'Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.' [5] Zij hielden echter vol: 'Hij maakt met zijn leer in heel het Joodse land het volk oproerig, eerst in Galilea, en nu hier ook al.' [6] Toen Pilatus dat hoorde, vroeg hij of de man een Galileeër was; [7] en toen hij begreep dat Hij onder Herodes* ressorteerde, stuurde hij Hem door naar Herodes, die op dat moment eveneens in Jeruzalem verbleef. [8] Herodes was erg blij dat hij Jezus te zien kreeg, want hij had Hem allang willen ontmoeten, na wat hij over Hem gehoord had. Hij hoopte Hem een wonder te zien doen. [9] Hij ondervroeg Hem uitvoerig, maar Jezus gaf Hem nergens antwoord op. [10] De hogepriesters en de schriftgeleerden stonden Hem heftig te beschuldigen. [11] Ook Herodes en zijn manschappen beledigden Hem en maakten Hem belachelijk door Hem een pronkgewaad aan te doen. Daarna stuurde hij Hem terug naar Pilatus. [12] Herodes en Pilatus werden op die dag vrienden van elkaar; tevoren waren ze namelijk vijanden. Jezus opnieuw voor Pilatus [13] Daarop riep Pilatus de hogepriesters, de leiders en het volk bij elkaar [14] en zei tegen hen: 'U hebt deze man bij mij gebracht omdat Hij het volk zou ophitsen. Wel, ik heb de man verhoord in uw bijzijn, en voor uw beschuldigingen tegen Hem heb ik geen enkele grond gevonden; [15] en Herodes evenmin, want hij heeft Hem naar ons teruggestuurd. Kortom, Hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. [16] Ik zal Hem daarom laten geselen en dan vrijlaten.'* [18] Maar ze schreeuwden in koor: 'Weg met Hem, laat Barabbas vrij.' [19] Die was in de gevangenis gezet wegens een oproer in de stad en wegens doodslag. [20] Maar omdat Pilatus Jezus wilde vrijlaten, sprak hij hen opnieuw toe. [21] Maar zij schreeuwden ertegenin: 'Aan het kruis met Hem, aan het kruis!' [22] Voor de derde keer zei hij tegen hen: 'Wat heeft deze man dan voor kwaad gedaan? Ik heb niets kunnen vinden waarop de doodstraf staat; ik zal Hem dus na geseling vrijlaten.' [23] Maar luidkeels schreeuwend bleven zij eisen dat Hij gekruisigd zou worden. Hun geschreeuw gaf de doorslag. [24] Pilatus besloot hun eis in te willigen. [25] De man die wegens oproer en doodslag in de gevangenis was gezet, om wie ze hadden gevraagd, liet hij vrij en Jezus leverde hij over aan hun willekeur. Op weg naar het Schedelveld [26] Toen ze Hem wegvoerden hielden ze een zekere Simon uit Cyrene* aan, die van zijn akker kwam; hem lieten ze het kruis achter Jezus aan dragen. [27] Een grote massa mensen volgde Hem; er waren vrouwen bij, die om Hem rouwden en treurden. [28] Jezus draaide zich om en zei tegen hen: 'Vrouwen van Jeruzalem, huil niet om Mij, huil liever om uzelf en uw kinderen. [29] Want er komen dagen dat men zal zeggen: "Gelukkig de onvruchtbare vrouwen, de schoot die niet heeft gebaard en de borsten die niet hebben gezoogd." [30] Dan zal men zeggen tegen de bergen: "Val op ons", en tegen de heuvels: "Bedek ons." [31] Want als ze dit doen met het groene hout, wat moet er dan gebeuren met het dorre?' Jezus aan het kruis [32] Er werden ook nog twee misdadigers weggevoerd om samen met Hem ter dood te worden gebracht. [33] Toen ze op het zogeheten Schedelveld* kwamen, sloegen ze Hem daar aan het kruis, en ook die twee misdadigers, de een rechts en de ander links van Hem. [34] Jezus sprak: 'Vader, vergeef het hun, want* ze weten niet wat ze doen.' Ze verdobbelden zijn kleren. [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders lachten Hem uit en zeiden: 'Anderen heeft Hij gered; laat Hij nu zichzelf redden als Hij de Messias van God is, de uitverkorene!' [36] Ook de soldaten dreven de spot met Hem; ze kwamen Hem wijn brengen [37] en zeiden: 'Ben jij de koning van de Joden? Red dan jezelf!' [38] Boven zijn hoofd hing het opschrift: Dit is de koning van de Joden. [39] Eén van de misdadigers die daar hingen zei smalend tegen Hem: 'Ben jij de Messias? Red dan jezelf en ons erbij!' [40] Maar de ander wees hem terecht: 'Heb zelfs jij geen ontzag voor God, nu jij ook deze straf ondergaat? [41] In ons geval is dat terecht, want wij krijgen ons verdiende loon. Maar Hij heeft niets verkeerds gedaan.' [42] Daarop zei hij: 'Jezus, vergeet mij niet wanneer U in uw koninkrijk komt.' [43] Hij zei tegen hem: 'Ik beloof je, vandaag nog zul je bij Mij zijn in het paradijs.' Jezus' dood [44] Al rond het zesde* uur werd het donker in heel het land, tot het negende uur. [45] Er was een zonsverduistering. Het voorhangsel in de tempel scheurde middendoor. [46] Toen riep Jezus luidkeels: 'Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest.' Na deze woorden stierf Hij. [47] De centurio, die zag wat er gebeurde, verheerlijkte God en zei: 'Waarachtig, die man was een rechtvaardige.' [48] Alle mensen die voor dit schouwspel waren samengestroomd, gingen naar huis; ze sloegen zich van rouw op de borst om wat ze hadden gezien. [49] Al zijn vrienden bleven uit de verte staan toekijken, ook de vrouwen* die Hem vanuit Galilea waren gevolgd en dit gadesloegen. Begrafenis van Jezus [50] Nu* was daar een zekere Jozef, een lid van de raad, een goed en rechtvaardig man, [51] die niet had ingestemd met hun plannen en praktijken. Hij was afkomstig uit de Joodse stad Arimatea en leefde in de verwachting van het koninkrijk van God. [52] Hij vervoegde zich bij Pilatus en vroeg om het lichaam van Jezus. [53] Hij haalde het van het kruis, wikkelde het in linnen en legde Hem in een graf dat in de rotsen was uitgehouwen, en waarin nog niemand lag. [54] Het was voorbereidingsdag* en de sabbat zou zo aanbreken. [55] De vrouwen die met Hem uit Galilea waren meegekomen, waren Jozef gevolgd en zagen het graf en hoe zijn lichaam erin werd neergelegd. [56] Toen gingen ze naar huis en maakten kruiden en balsem klaar. De vrouwen bij het graf; hun getuigenis [56] Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht,


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 23 [1] Ze stonden allen op en leidden hem voor aan Pilatus. [2] Daar brachten ze de volgende beschuldigingen tegen hem in: 'We hebben vastgesteld dat deze man ons volk van het rechte pad afbrengt en de mensen ervan weerhoudt belastingen aan de keizer te betalen en dat hij van zichzelf zegt de messiaanse koning te zijn.' [3] Pilatus vroeg hem: 'Bent u de koning van de Joden?' Jezus antwoordde: 'U zegt het.' [4] Daarop zei Pilatus tegen de hogepriesters en de samengeschoolde menigte: 'Ik vind niets waaraan deze man schuldig is.' [5] Maar ze bleven hardnekkig beweren: 'In heel Judea ruit hij met zijn onderricht het volk op, van Galilea tot hier!' [6] Toen Pilatus dit hoorde, vroeg hij aan Jezus of hij uit Galilea kwam, [7] en toen hij besefte dat hij onder Herodes' gezag viel, stuurde hij hem naar Herodes, die op dat moment in Jeruzalem verbleef. [8] Herodes was bijzonder blij toen hij Jezus zag, want hij wilde hem al heel lang ontmoeten omdat hij veel over hem gehoord had. Bovendien hoopte hij hem een wonder te zien doen. [9] Hij ondervroeg hem uitvoerig, maar Jezus antwoordde hem niet één keer. [10] De hogepriesters en de schriftgeleerden die erbij stonden, brachten zware beschuldigingen tegen hem in. [11] Hierop begonnen Herodes en zijn soldaten Jezus te honen, en ze dreven de spot met hem door hem een pronkgewaad om te hangen. Zo stuurde hij hem terug naar Pilatus. [12] Op die dag werden Herodes en Pilatus vrienden, terwijl ze altijd elkaars vijanden waren geweest. [13] Pilatus riep de hogepriesters en de leiders en het volk bij zich [14] en zei tegen hen: 'U hebt die man voor mij gebracht als iemand die het volk van het rechte pad afbrengt, maar u weet dat ik hem, toen ik hem in uw bijzijn verhoorde, aan geen van de zaken waarvan u hem beticht schuldig heb bevonden. [15] En Herodes evenmin, hij heeft hem immers naar ons teruggestuurd; hij heeft niets gedaan waarop de doodstraf staat. [16] Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.'* [18] Maar ze begonnen met zijn allen luidkeels te schreeuwen: 'Weg met hem! Laat Barabbas vrij!' [19] Deze laatste was gevangengezet wegens een oproer dat in de stad had plaatsgevonden en wegens moord. [20] Pilatus praatte opnieuw op hen in omdat hij Jezus wilde vrijlaten. [21] Maar ze schreeuwden het uit: 'Kruisig hem, kruisig hem!' [22] Voor de derde maal zei hij tegen hen: 'Wat voor kwaad heeft die man dan gedaan? Ik heb niets gevonden waarvoor hij de doodstraf verdient. Dus zal ik hem vrijlaten, nadat ik hem heb laten geselen.' [23] Maar ze bleven luidkeels eisen dat hij gekruisigd zou worden, en met hun geschreeuw wonnen ze het pleit: [24] Pilatus besloot hun eis in te willigen. [25] Hij liet de man gaan die wegens oproer en moord gevangen was gezet en om wiens vrijlating ze hadden gevraagd, en leverde Jezus uit aan hun willekeur. Kruisiging en graflegging [26] Toen Jezus werd weggeleid, hielden de soldaten een zekere Simon van Cyrene aan, die net de stad binnenkwam. Ze legden het kruis op zijn rug en lieten het hem achter Jezus aan dragen. [27] Een grote volksmenigte volgde Jezus, evenals enkele vrouwen die zich op de borst sloegen en over hem weeklaagden. [28] Jezus keerde zich echter naar hen om en zei: 'Dochters van Jeruzalem, huil niet om mij. Huil liever om jezelf en je kinderen, [29] want weet, de tijd zal aanbreken dat men zal zeggen: "Gelukkig wie onvruchtbaar is, gelukkig de moederschoot die niet gebaard heeft en de borst die geen kind heeft gezoogd." [30] Dan zullen de mensen tegen de bergen zeggen: "Val op ons neer!" en tegen de heuvels: "Bedek ons!" [31] Want als dit gebeurt met het jonge hout, wat zal het verdorde hout dan niet te wachten staan?' [32] Samen met Jezus werden nog twee anderen, beiden misdadigers, weggeleid om terechtgesteld te worden. [33] Aangekomen bij de plek die de Schedelplaats heet, werd hij gekruisigd, samen met de twee misdadigers, de een rechts van hem, de ander links. [34] Jezus zei: 'Vader, vergeef hun, want ze weten niet wat ze doen.'* De soldaten verdeelden zijn kleren onder elkaar door erom te dobbelen. [35] Het volk stond toe te kijken. De leiders hoonden hem en zeiden: 'Anderen heeft hij gered; laat hij nu zichzelf redden als hij de messias van God is, zijn uitverkorene!' [36] Ook de soldaten dreven de spot met hem, ze gingen voor hem staan en boden hem zure wijn aan, [37] terwijl ze zeiden: 'Als je de koning van de Joden bent, red jezelf dan!' [38] Boven hem was een opschrift aangebracht: 'Dit is de koning van de Joden'. [39] Een van de gekruisigde misdadigers zei spottend tegen hem: 'Jij bent toch de messias? Red jezelf dan en ons erbij!' [40] Maar de ander wees hem terecht met de woorden: 'Heb jij dan zelfs geen ontzag voor God nu je dezelfde straf ondergaat? [41] Wij hebben onze straf verdiend en worden beloond naar onze daden. Maar die man heeft niets onwettigs gedaan.' [42] En hij zei: 'Jezus, denk aan mij wanneer u in uw koninkrijk komt.' [43] Jezus antwoordde: 'Ik verzeker je: nog vandaag zul je met mij in het paradijs zijn.' [44] Rond het middaguur werd het donker in het hele land omdat de zon verduisterde. De duisternis hield drie uur aan. Toen scheurde het voorhangsel van de tempel doormidden. [46] En Jezus riep met luide stem: 'Vader, in uw handen leg ik mijn geest.' Toen hij dat gezegd had, blies hij de laatste adem uit. [47] De centurio zag wat er gebeurd was en loofde God met de woorden: 'Werkelijk, deze mens was een rechtvaardige!' [48] De mensen die voor het schouwspel samengekomen waren en de gebeurtenissen hadden gadegeslagen, keerden terug naar huis, terwijl ze zich op de borst sloegen. [49] Alle mensen die Jezus gekend hadden waren op een afstand blijven staan, ook de vrouwen die hem vanuit Galilea gevolgd waren en alles hadden zien gebeuren. [50] Er was ook een man die Josef heette en afkomstig was uit de Joodse stad Arimatea. Hij was een raadsheer, een goed en rechtvaardig mens, die de komst van het koninkrijk van God verwachtte en niet had ingestemd met het besluit en de handelwijze van de raad. [52] Hij ging naar Pilatus en vroeg hem om het lichaam van Jezus. [53] Nadat hij het lichaam van het kruis had gehaald, wikkelde hij het in linnen doeken en legde het in een rotsgraf dat nog nooit was gebruikt. [54] Het was de voorbereidingsdag, de sabbat was bijna aangebroken. [55] De vrouwen die met Jezus waren meegereisd uit Galilea, volgden Josef naar het graf om het te bekijken en om te zien hoe Jezus' lichaam er werd neergelegd. [56] Daarna gingen ze naar huis en bereidden ze geurige olie en balsem. Op sabbat namen ze de voorgeschreven rust in acht.


- De Naardense bijbel

23:1 Dan staan ze op, heel hun menigte, en leiden hem naar Pilatus. Lucas 23:2 Ze beginnen hem te beschuldigen door te zeggen: deze man hebben we aangetroffen als iemand die ons volk afvallig maakt en wil verhinderen dat men de keizer belastingen betaalt en van zichzelf zegt een gezalfde, een koning te zijn! 23:3 Maar Pilatus vraagt hem en zegt: ú bent de koning van de Judeeërs? Maar als antwoord aan hem brengt hij uit: dat zegt ú! 23:4 Pilatus zegt tot de overpriesters en de scharen: ik vind geen enkele schuld in deze mens! 23:5 Maar zij hebben met nog meer klem gezegd: hij ruit de gemeente op met zijn onderricht over heel Judea,- in Galilea begonnen en nu tot hier gekomen! 23:6 Pilatus hoort dat en vraagt of de man een Galileeër is, 23:7 en als hij verneemt dat hij uit het machtsgebied van Herodes is stuurt hij hem naar Herodes, omdat ook die in Jeruzalem is in die dagen. 23:8 Als Herodes Jezus ziet is hij zeer verheugd,- want hij wilde hem al geruime tijd eens zien door wat hij over hem hoorde, en hij hoopte een of ander teken door hem te zien geschieden. 23:9 Hij ondervraagt hem met een stroom van woorden, maar hij antwoordt hem níets. 23:10 Maar de overpriesters en de schriftgeleerden hebben hem heftig staan beschuldigen. 23:11 Herodes vernedert hem, samen met zijn soldaten, en bespot hem, gooit hem schitterende kleding om en stuurt hem zo terug naar Pilatus. 23:12 Op die dag worden ze vrienden met elkaar, Herodes en Pilatus; daarvoor immers stonden ze vijandig tegenover elkaar. 23:13 Pilatus roept de overpriesters, de oversten en de gemeenschap bijeen 23:14 en zegt tot hen: u hebt deze mens vóór mij gebracht als iemand die uw gemeente afvallig maakt, en zie, ik heb hem in uw bijzijn verhoord en geen enkele schuld in deze mens gevonden aan alles waarvan u hem beschuldigt; 23:15 en Herodes óók niet, want die heeft hem naar ons teruggestuurd,- zie, niets wat de dood verdient is door hem bedreven!- 23:16 dus kastijd ik hem en laat hem los! 23:17 Hij had de verplichting op elk feest er één aan hen los te laten. 23:18 Maar zij schreeuwen het uit met man en macht en zeggen: hang hém op en laat Barabbas voor ons los! 23:19 Die was wegens een opstand die in de stad was uitgebroken en een moord in de gevangenis gegooid. 23:20 Maar nog eens verhief Pilatus tegenover hen zijn stem dat hij Jezus wilde loslaten. 23:21 Maar zij overstemden hem en zeiden: kruisig, kruisig hem! 23:22 Hij zegt de derde keer tot hen: wat voor kwaad heeft deze man toch gedaan?- geen enkele schuld waar de dood op staat vind ik in hem; dus kastijd ik hem en laat hem los! 23:23 Maar zij bleven met grote stem eisen dat hij gekruisigd zou worden, en hun stemmen gaven de doorslag. 23:24 Pilatus besliste dat zou geschieden wat zij eisten. 23:25 Hij laat los degene die wegens opstand en moord in de gevangenis was geworpen, die zij opeisten, en Jezus geeft hij over aan hun wil. 23:26 Als ze hem wegvoeren grijpen ze een zekere Simon van Cyrene die van het veld komt en leggen hem het kruis op om dat achter Jezus aan te dragen. 23:27 Hem is gevolgd een grote schare van de gemeenschap en wel van vrouwen die zich rouwend op de borst sloegen en hem hebben beklaagd. 23:28 Maar Jezus keert zich naar hen om en zegt: dochters van Jeruzalem, weent niet over mij; weent liever over uzelf en over uw kinderen, 23:29 omdat er, zie, dagen zullen komen waarop ze zullen zeggen: zalig de onvruchtbaren, de schoten die niet hebben gebaard en de borsten die nooit hebben gevoed!- 23:30 dan zullen ze beginnen te zeggen tot de bergen: valt op ons!, en tot de heuvels: bedekt ons!- (Hos. 10,8) 23:31 want als ze dit doen met het groene hout, het dorre, wat zal daarmee geschieden? 23:32 Ze hebben ook twee anderen, echte kwaaddoeners, weggeleid, om met hem terechtgesteld te worden. 23:33 Wanneer ze komen op de plek genaamd 'Schedel' kruisigen ze dáár hem en de twee misdadigers, de een rechts en de ander links van hem. 23:34 Maar Jezus heeft gezegd: Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen! Om zijn kleren te verdelen werpen ze het lot. (Ps. 22,19) 23:35 De gemeente stond daar en zag het aan; ook de oversten lachten om hem en zeiden: anderen heeft hij bevrijd, laat hij nu zichzelf bevrijden!, als hij de Gezalfde van God is, 'de uitverkorene'! 23:36 Ook spotten met hem de soldaten, die erbij kwamen om hem edik aan te bieden; 23:37 ze zeiden: als jíj het bént: de koning der Joden, bevrijd dan jezelf! 23:38 Er was ook een opschrift boven hem: de koning der Joden is dit! 23:39 Een van de gehangen misdadigers lasterde hem door te zeggen: ben jíj niet de Gezalfde?- bevrijd dan jezelf en ons ook! 23:40 Maar de andere gaf antwoord en strafte hem af; hij zei: vrees jij Gód niet nu je in dit oordeel bent?- 23:41 en wij terecht, want wij krijgen wat we verdienen voor onze praktijken; maar hij hier heeft niets gedaan wat misplaatst is! 23:42 En hij zei: Jezus, gedenk mij wanneer je aankomt in je koninkrijk! 23:43 En hij zegt hem: amen, jou zeg ik, vandaag nog zul je er mét mij zijn, in het paradijs. 23:44 Het is reeds ongeveer het zesde uur als duisternis valt over heel de aarde, tot aan het negende uur, 23:45 doordat de zon geen licht meer geeft. Het voorhangsel van het tempelschip scheurt middendoor. 23:46 Zijn stem verheffend met grote stem zegt Jezus: Vader, in jouw handen beveel ik mijn geest! (Ps. 31,6) En dat gezegd hebbend, geeft hij de geest. 23:47 Toen de overste over honderd zag wat er geschiedde, heeft hij God verheerlijkt en gezegd: waarlijk, deze mens is een rechtvaardige geweest! 23:48 En alle scharen die voor dit schouwspel zijn samengestroomd, zijn, toen ze hadden aanschouwd wat geschiedde, zich op de borst slaand teruggekeerd. 23:49 'Al zijn bekenden stonden van verre', (Ps. 38,12) ook vrouwen die hem volgden vanaf Galilea, en zagen dit aan. 23:50 En zie, een man met de naam Jozef, een raadsheer, een goed en rechtvaardig man, 23:51 -hij heeft niet meegedaan met hun raad en daad- afkomstig van Arimatea, een stad van de Judeeërs, die het koninkrijk van God verwachtte, 23:52 hij komt bij Pilatus en vraagt het lichaam van Jezus. 23:53 Hij haalt het omlaag en wikkelt het in linnen en legt het in een rotsgraf waar nog nooit iemand heeft gelegen. 23:54 Het is een dag van voorbereiding, en sabbatslicht is begonnen te schijnen. 23:55 Op de weg omlaag volgen hem de vrouwen die met hem meegekomen zijn uit Galilea, ze aanschouwen het graf en hoe zijn lichaam wordt neergelegd; 23:56 dan keren ze om en bereiden geurige kruiden en mirre. Op de zevende dag houden zij rust, overeenkomstig het gebod;


- Bible de Jérusalem

1. Alors Joseph se jeta sur le visage de son père, le couvrit de larmes et de baisers. 2. Puis Joseph donna aux médecins qui étaient à son service l'ordre d'embaumer son père, et les médecins embaumèrent Israël. 3. Cela dura quarante jours, car telle est la durée de l'embaumement. Les Égyptiens le pleurèrent soixante-dix jours. 4. Quand fut écoulé le temps des pleurs, Joseph parla ainsi au palais de Pharaon : Si vous avez de l'amitié pour moi, veuillez rapporter ceci aux oreilles de Pharaon : 5. mon père m'a fait prêter ce serment : Je vais mourir, m'a-t-il dit, j'ai un tombeau que je me suis creusé au pays de Canaan, c'est là que tu m'enterreras. Qu'on me laisse donc monter pour enterrer mon père, et je reviendrai. 6. Pharaon répondit : Monte et enterre ton père, comme il te l'a fait jurer. 7. Joseph monta enterrer son père, et montèrent avec lui tous les officiers de Pharaon, les dignitaires de son palais et tous les dignitaires du pays d'Égypte, 8. ainsi que toute la famille de Joseph, ses frères et la famille de son père. Ils ne laissèrent en terre de Goshèn que les invalides, le petit et le gros bétail. 9. Avec lui montèrent aussi des chars et des charriers : c'était un cortège très imposant. 10. Étant parvenus jusqu'à Gorèn-ha-Atad, - c'est au-delà du Jourdain, - ils y firent une grande et solennelle lamentation, et Joseph célébra pour son père un deuil de sept jours. 11. Les habitants du pays, les Cananéens, virent le deuil à Gorèn-ha-Atad et ils dirent : Voilà un grand deuil pour les Égyptiens; et c'est pourquoi on a appelé ce lieu Abel-Miçrayim - c'est au-delà du Jourdain. 12. Ses fils agirent à son égard comme il leur avait ordonné 13. et ils le transportèrent au pays de Canaan et l'ensevelirent dans la grotte du champ de Makpéla, qu'Abraham avait acquise d'Éphrôn le Hittite comme possession funéraire, en face de Mambré. 14. Joseph revint alors en Égypte, ainsi que ses frères et tous ceux qui étaient montés avec lui pour enterrer son père. 15. Voyant que leur père était mort, les frères de Joseph se dirent : Si Joseph allait nous traiter en ennemis et nous rendre tout le mal que nous lui avons fait ? 16. Aussi envoyèrent-ils dire à Joseph : Avant de mourir, ton père a exprimé cette volonté : 17. Vous parlerez ainsi à Joseph : Ah ! pardonne à tes frères leur crime et leur péché, tout le mal qu'ils t'ont fait ! Et maintenant, veuille pardonner le crime des serviteurs du Dieu de ton père ! Et Joseph pleura aux paroles qu'ils lui adressaient. 18. Ses frères eux-mêmes vinrent et, se jetant à ses pieds, dirent : Nous voici pour toi comme des esclaves ! 19. Mais Joseph leur répondit : Ne craignez point ! Vais-je me substituer à Dieu ? 20. Le mal que vous aviez dessein de me faire, le dessein de Dieu l'a tourné en bien, afin d'accomplir ce qui se réalise aujourd'hui : sauver la vie à un peuple nombreux. 21. Maintenant, ne craignez point : c'est moi qui vous entretiendrai, ainsi que les personnes à votre charge. Il les consola et leur parla affectueusement. 22. Ainsi Joseph et la famille de son père demeurèrent en Égypte, et Joseph vécut cent dix ans. 23. Joseph vit les arrière-petits-enfants qu'il eut d'Éphraïm, de même les fils de Makir, fils de Manassé, naquirent sur les genoux de Joseph. 24. Enfin Joseph dit à ses frères : Je vais mourir, mais Dieu vous visitera et vous fera remonter de ce pays dans le pays qu'il a promis par serment à Abraham, Isaac et Jacob. 25. Et Joseph fit prêter ce serment aux fils d'Israël : Quand Dieu vous visitera, vous emporterez d'ici mes ossements. 26. Joseph mourut à l'âge de cent dix ans, on l'embauma et on le mit dans un cercueil en Égypte.


- King James Bible

Luke.23 [1] And the whole multitude of them arose, and led him unto Pilate. [2] And they began to accuse him, saying, We found this fellow perverting the nation, and forbidding to give tribute to Caesar, saying that he himself is Christ a King. [3] And Pilate asked him, saying, Art thou the King of the Jews? And he answered him and said, Thou sayest it. [4] Then said Pilate to the chief priests and to the people, I find no fault in this man. [5] And they were the more fierce, saying, He stirreth up the people, teaching throughout all Jewry, beginning from Galilee to this place. [6] When Pilate heard of Galilee, he asked whether the man were a Galilaean. [7] And as soon as he knew that he belonged unto Herod's jurisdiction, he sent him to Herod, who himself also was at Jerusalem at that time. [8] And when Herod saw Jesus, he was exceeding glad: for he was desirous to see him of a long season, because he had heard many things of him; and he hoped to have seen some miracle done by him. [9] Then he questioned with him in many words; but he answered him nothing. [10] And the chief priests and scribes stood and vehemently accused him. [11] And Herod with his men of war set him at nought, and mocked him, and arrayed him in a gorgeous robe, and sent him again to Pilate. [12] And the same day Pilate and Herod were made friends together: for before they were at enmity between themselves. [13] And Pilate, when he had called together the chief priests and the rulers and the people, [14] Said unto them, Ye have brought this man unto me, as one that perverteth the people: and, behold, I, having examined him before you, have found no fault in this man touching those things whereof ye accuse him: [15] No, nor yet Herod: for I sent you to him; and, lo, nothing worthy of death is done unto him. [16] I will therefore chastise him, and release him. [17] (For of necessity he must release one unto them at the feast.) [18] And they cried out all at once, saying, Away with this man, and release unto us Barabbas: [19] (Who for a certain sedition made in the city, and for murder, was cast into prison.) [20] Pilate therefore, willing to release Jesus, spake again to them. [21] But they cried, saying, Crucify him, crucify him. [22] And he said unto them the third time, Why, what evil hath he done? I have found no cause of death in him: I will therefore chastise him, and let him go. [23] And they were instant with loud voices, requiring that he might be crucified. And the voices of them and of the chief priests prevailed. [24] And Pilate gave sentence that it should be as they required. [25] And he released unto them him that for sedition and murder was cast into prison, whom they had desired; but he delivered Jesus to their will. [26] And as they led him away, they laid hold upon one Simon, a Cyrenian, coming out of the country, and on him they laid the cross, that he might bear it after Jesus. [27] And there followed him a great company of people, and of women, which also bewailed and lamented him. [28] But Jesus turning unto them said, Daughters of Jerusalem, weep not for me, but weep for yourselves, and for your children. [29] For, behold, the days are coming, in the which they shall say, Blessed are the barren, and the wombs that never bare, and the paps which never gave suck. [30] Then shall they begin to say to the mountains, Fall on us; and to the hills, Cover us. [31] For if they do these things in a green tree, what shall be done in the dry? [32] And there were also two other, malefactors, led with him to be put to death. [33] And when they were come to the place, which is called Calvary, there they crucified him, and the malefactors, one on the right hand, and the other on the left. [34] Then said Jesus, Father, forgive them; for they know not what they do. And they parted his raiment, and cast lots. [35] And the people stood beholding. And the rulers also with them derided him, saying, He saved others; let him save himself, if he be Christ, the chosen of God. [36] And the soldiers also mocked him, coming to him, and offering him vinegar, [37] And saying, If thou be the king of the Jews, save thyself. [38] And a superscription also was written over him in letters of Greek, and Latin, and Hebrew, THIS IS THE KING OF THE JEWS. [39] And one of the malefactors which were hanged railed on him, saying, If thou be Christ, save thyself and us. [40] But the other answering rebuked him, saying, Dost not thou fear God, seeing thou art in the same condemnation? [41] And we indeed justly; for we receive the due reward of our deeds: but this man hath done nothing amiss. [42] And he said unto Jesus, Lord, remember me when thou comest into thy kingdom. [43] And Jesus said unto him, Verily I say unto thee, To day shalt thou be with me in paradise. [44] And it was about the sixth hour, and there was a darkness over all the earth until the ninth hour. [45] And the sun was darkened, and the veil of the temple was rent in the midst. [46] And when Jesus had cried with a loud voice, he said, Father, into thy hands I commend my spirit: and having said thus, he gave up the ghost. [47] Now when the centurion saw what was done, he glorified God, saying, Certainly this was a righteous man. [48] And all the people that came together to that sight, beholding the things which were done, smote their breasts, and returned. [49] And all his acquaintance, and the women that followed him from Galilee, stood afar off, beholding these things. [50] And, behold, there was a man named Joseph, a counseller; and he was a good man, and a just: [51] (The same had not consented to the counsel and deed of them;) he was of Arimathaea, a city of the Jews: who also himself waited for the kingdom of God. [52] This man went unto Pilate, and begged the body of Jesus. [53] And he took it down, and wrapped it in linen, and laid it in a sepulchre that was hewn in stone, wherein never man before was laid. [54] And that day was the preparation, and the sabbath drew on. [55] And the women also, which came with him from Galilee, followed after, and beheld the sepulchre, and how his body was laid. [56] And they returned, and prepared spices and ointments; and rested the sabbath day according to the commandment.


- Luther Bibel

Jesus vor Pilatus 231Und die ganze Versammlung stand auf, und sie führten ihn vor Pilatus 2und fingen an, ihn zu verklagen, und sprachen: Wir haben gefunden, dass dieser unser Volk aufhetzt und verbietet, dem Kaiser Steuern zu geben, und spricht, er sei Christus, ein König. 3Pilatus aber fragte ihn und sprach: Bist du der Juden König? Er antwortete ihm und sprach: Du sagst es. 4Pilatus sprach zu den Hohenpriestern und zum Volk: Ich finde keine Schuld an diesem Menschen. 5Sie aber wurden noch ungestümer und sprachen: Er wiegelt das Volk auf damit, dass er lehrt hier und dort in ganz Judäa, angefangen von Galiläa bis hierher. Jesus vor Herodes 6Als aber Pilatus das hörte, fragte er, ob der Mensch aus Galiläa wäre. 7Und als er vernahm, dass er ein Untertan des Herodes war, sandte er ihn zu Herodes, der in diesen Tagen auch in Jerusalem war. 8Als aber Herodes Jesus sah, freute er sich sehr; denn er hätte ihn längst gerne gesehen; denn er hatte von ihm gehört und hoffte, er würde ein Zeichen von ihm sehen. 9Und er fragte ihn viel. Er aber antwortete ihm nichts. 10Die Hohenpriester aber und Schriftgelehrten standen dabei und verklagten ihn hart. 11Aber Herodes mit seinen Soldaten verachtete und verspottete ihn, legte ihm ein weißes Gewand an und sandte ihn zurück zu Pilatus. 12An dem Tag wurden Herodes und Pilatus Freunde; denn vorher waren sie einander Feind. Jesu Verurteilung 13Pilatus aber rief die Hohenpriester und die Oberen und das Volk zusammen 14und sprach zu ihnen: Ihr habt diesen Menschen zu mir gebracht als einen, der das Volk aufwiegelt; und siehe, ich habe ihn vor euch verhört und habe an diesem Menschen keine Schuld gefunden, derentwegen ihr ihn anklagt; 15Herodes auch nicht, denn er hat ihn uns zurückgesandt. Und siehe, er hat nichts getan, was den Tod verdient. 16Darum will ich ihn schlagen lassen und losgeben. 17 18Da schrien sie alle miteinander: Hinweg mit diesem, gib uns Barabbas los! 19Der war wegen eines Aufruhrs, der in der Stadt geschehen war, und wegen eines Mordes ins Gefängnis geworfen worden. 20Da redete Pilatus abermals auf sie ein, weil er Jesus losgeben wollte. 21Sie riefen aber: Kreuzige, kreuzige ihn! 22Er aber sprach zum dritten Mal zu ihnen: Was hat denn dieser Böses getan? Ich habe nichts an ihm gefunden, was den Tod verdient; darum will ich ihn schlagen lassen und losgeben. 23Aber sie setzten ihm zu mit großem Geschrei und forderten, dass er gekreuzigt würde. Und ihr Geschrei nahm überhand. 24Und Pilatus urteilte, dass ihre Bitte erfüllt werde, 25und ließ den los, der wegen Aufruhr und Mord ins Gefängnis geworfen war, um welchen sie baten; aber Jesus übergab er ihrem Willen. Jesu Weg nach Golgatha 26Und als sie ihn abführten, ergriffen sie einen Mann, Simon von Kyrene, der vom Feld kam, und legten das Kreuz auf ihn, dass er's Jesus nachtrüge. 27Es folgte ihm aber eine große Volksmenge und Frauen, die klagten und beweinten ihn. 28Jesus aber wandte sich um zu ihnen und sprach: Ihr Töchter von Jerusalem, weint nicht über mich, sondern weint über euch selbst und über eure Kinder. 29Denn siehe, es wird die Zeit kommen, in der man sagen wird: Selig sind die Unfruchtbaren und die Leiber, die nicht geboren haben, und die Brüste, die nicht genährt haben! 30Dann werden sie anfangen zu sagen zu den Bergen: Fallt über uns!, und zu den Hügeln: Bedeckt uns! 31Denn wenn man das tut am grünen Holz, was wird am dürren werden? Jesu Kreuzigung und Tod 32Es wurden aber auch andere hingeführt, zwei Übeltäter, dass sie mit ihm hingerichtet würden. 33Und als sie kamen an die Stätte, die da heißt Schädelstätte, kreuzigten sie ihn dort und die Übeltäter mit ihm, einen zur Rechten und einen zur Linken. 34Jesus aber sprach: Vater, vergib ihnen; denn sie wissen nicht, was sie tun! Und sie verteilten seine Kleider und warfen das Los darum. 35Und das Volk stand da und sah zu. Aber die Oberen spotteten und sprachen: Er hat andern geholfen; er helfe sich selber, ist er der Christus, der Auserwählte Gottes. 36Es verspotteten ihn auch die Soldaten, traten herzu und brachten ihm Essig 37und sprachen: Bist du der Juden König, so hilf dir selber! 38Es war aber über ihm auch eine Aufschrift: Dies ist der Juden König. 39Aber einer der Übeltäter, die am Kreuz hingen, lästerte ihn und sprach: Bist du nicht der Christus? Hilf dir selbst und uns! 40Da wies ihn der andere zurecht und sprach: Und du fürchtest dich auch nicht vor Gott, der du doch in gleicher Verdammnis bist? 41Wir sind es zwar mit Recht, denn wir empfangen, was unsre Taten verdienen; dieser aber hat nichts Unrechtes getan. 42Und er sprach: Jesus, gedenke an mich, wenn du in dein Reich kommst! 43Und Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: Heute wirst du mit mir im Paradies sein. 44Und es war schon um die sechste Stunde, und es kam eine Finsternis über das ganze Land bis zur neunten Stunde, 45und die Sonne verlor ihren Schein, und der Vorhang des Tempels riss mitten entzwei. 46Und Jesus rief laut: Vater, ich befehle meinen Geist in deine Hände! Und als er das gesagt hatte, verschied er. 47Als aber der Hauptmann sah, was da geschah, pries er Gott und sprach: Fürwahr, dieser ist ein frommer Mensch gewesen! 48Und als alles Volk, das dabei war und zuschaute, sah, was da geschah, schlugen sie sich an ihre Brust und kehrten wieder um. 49Es standen aber alle seine Bekannten von ferne, auch die Frauen, die ihm aus Galiläa nachgefolgt waren, und sahen das alles. Jesu Grablegung 50Und siehe, da war ein Mann mit Namen Josef, ein Ratsherr, der war ein guter, frommer Mann 51und hatte ihren Rat und ihr Handeln nicht gebilligt. Er war aus Arimathäa, einer Stadt der Juden, und wartete auf das Reich Gottes. 52Der ging zu Pilatus und bat um den Leib Jesu 53und nahm ihn ab, wickelte ihn in ein Leinentuch und legte ihn in ein Felsengrab, in dem noch nie jemand gelegen hatte. 54Und es war Rüsttag und der Sabbat brach an. 55Es folgten aber die Frauen nach, die mit ihm gekommen waren aus Galiläa, und beschauten das Grab und wie sein Leib hineingelegt wurde. 56Sie kehrten aber um und bereiteten wohlriechende Öle und Salben. Und den Sabbat über ruhten sie nach dem Gesetz.


- Arabisch

فقام كل جمهورهم وجاءوا به الى بيلاطس. .1 وابتدأوا يشتكون عليه قائلين اننا وجدنا هذا يفسد الامة ويمنع ان تعطى جزية لقيصر قائلا انه هو مسيح ملك. .2 فسأله بيلاطس قائلا انت ملك اليهود. فاجابه وقال انت تقول. .3 فقال بيلاطس لرؤساء الكهنة والجموع اني لا اجد علّة في هذا الانسان. .4 فكانوا يشددون قائلين انه يهيج الشعب وهو يعلّم في كل اليهودية مبتدئا من الجليل الى هنا. .5 فلما سمع بيلاطس ذكر الجليل سأل هل الرجل جليلي. .6 وحين علم انه من سلطنة هيرودس ارسله الى هيرودس اذ كان هو ايضا تلك الايام في اورشليم .7 واما هيرودس فلما رأى يسوع فرح جدا لانه كان يريد من زمان طويل ان يراه لسماعه عنه اشياء كثيرة وترجى ان يرى آية تصنع منه. .8 وسأله بكلام كثير فلم يجبه بشيء. .9 ووقف رؤساء الكهنة والكتبة يشتكون عليه باشتداد. .10 فاحتقره هيرودس مع عسكره واستهزأ به والبسه لباسا لامعا ورده الى بيلاطس. .11 فصار بيلاطس وهيرودس صديقين مع بعضهما في ذلك اليوم لانهما كانا من قبل في عداوة بينهما .12 فدعا بيلاطس رؤساء الكهنة والعظماء والشعب .13 وقال لهم. قد قدمتم اليّ هذا الانسان كمن يفسد الشعب. وها انا قد فحصت قدامكم ولم اجد في هذا الانسان علّة مما تشتكون به عليه. .14 ولا هيرودس ايضا. لاني ارسلتكم اليه. وها لا شيء يستحق الموت صنع منه. .15 فانا أؤدبه واطلقه. .16 وكان مضطرا ان يطلق لهم كل عيد واحدا. .17 فصرخوا بجملتهم قائلين خذ هذا واطلق لنا باراباس. .18 وذاك كان قد طرح في السجن لاجل فتنة حدثت في المدينة وقتل. .19 فناداهم ايضا بيلاطس وهو يريد ان يطلق يسوع. .20 فصرخوا قائلين اصلبه اصلبه. .21 فقال لهم ثالثة فاي شر عمل هذا. اني لم اجد فيه علّة للموت. فانا أؤدبه واطلقه. .22 فكانوا يلجّون باصوات عظيمة طالبين ان يصلب. فقويت اصواتهم واصوات رؤساء الكهنة. .23 فحكم بيلاطس ان تكون طلبتهم. .24 فاطلق لهم الذي طرح في السجن لاجل فتنة وقتل الذي طلبوه واسلم يسوع لمشيئتهم .25 ولما مضوا به امسكوا سمعان رجلا قيروانيا كان آتيا من الحقل ووضعوا عليه الصليب ليحمله خلف يسوع. .26 وتبعه جمهور كثير من الشعب والنساء اللواتي كنّ يلطمن ايضا وينحن عليه. .27 فالتفت اليهنّ يسوع وقال. يا بنات اورشليم لا تبكين عليّ بل ابكين على انفسكنّ وعلى اولادكنّ. .28 لانه هوذا ايام تأتي يقولون فيها طوبى للعواقر والبطون التي لم تلد والثدي التي لم ترضع. .29 حينئذ يبتدئون يقولون للجبال اسقطي علينا وللآكام غطينا. .30 لانه ان كانوا بالعود الرطب يفعلون هذا فماذا يكون باليابس. .31 وجاءوا ايضا باثنين آخرين مذنبين ليقتلا معه .32 ولما مضوا به الى الموضع الذي يدعى جمجمة صلبوه هناك مع المذنبين واحدا عن يمينه والآخر عن يساره. .33 فقال يسوع يا ابتاه اغفر لهم لانهم لا يعلمون ماذا يفعلون. واذ اقتسموا ثيابه اقترعوا عليها .34 وكان الشعب واقفين ينظرون. والرؤساء ايضا معهم يسخرون به قائلين خلّص آخرين فليخلّص نفسه ان كان هو المسيح مختار الله. .35 والجند ايضا استهزأوا به وهم يأتون ويقدمون له خلا .36 قائلين ان كنت انت ملك اليهود فخلّص نفسك. .37 وكان عنوان مكتوب فوقه باحرف يونانية ورومانية وعبرانية هذا هو ملك اليهود. .38 وكان واحد من المذنبين المعلقين يجدف عليه قائلا ان كنت انت المسيح فخلّص نفسك وإيانا. .39 فاجاب الآخر وانتهره قائلا أولا انت تخاف الله اذ انت تحت هذا الحكم بعينه. .40 اما نحن فبعدل لاننا ننال استحقاق ما فعلنا. واما هذا فلم يفعل شيئا ليس في محله. .41 ثم قال ليسوع اذكرني يا رب متى جئت في ملكوتك. .42 فقال له يسوع الحق اقول لك انك اليوم تكون معي في الفردوس .43 وكان نحو الساعة السادسة. فكانت ظلمة على الارض كلها الى الساعة التاسعة. .44 واظلمت الشمس وانشقّ حجاب الهيكل من وسطه. .45 ونادى يسوع بصوت عظيم وقال يا ابتاه في يديك استودع روحي. ولما قال هذا اسلم الروح. .46 فلما رأى قائد المئة ما كان مجّد الله قائلا بالحقيقة كان هذا الانسان بارا. .47 وكل الجموع الذين كانوا مجتمعين لهذا المنظر لما ابصروا ما كان رجعوا وهم يقرعون صدورهم. .48 وكان جميع معارفه ونساء كنّ قد تبعنه من الجليل واقفين من بعيد ينظرون ذلك .49 واذا رجل اسمه يوسف وكان مشيرا ورجلا صالحا بارا. .50 هذا لم يكن موافقا لرأيهم وعملهم. وهو من الرامة مدينة لليهود. وكان هو ايضا ينتظر ملكوت الله. .51 هذا تقدم الى بيلاطس وطلب جسد يسوع. .52 وانزله ولفه بكتان ووضعه في قبر منحوت حيث لم يكن احد وضع قط. .53 وكان يوم الاستعداد والسبت يلوح. .54 وتبعته نساء كنّ قد أتين معه من الجليل ونظرن القبر وكيف وضع جسده. .55 فرجعن وأعددن حنوطا واطيابا. وفي السبت استرحن حسب الوصية .56


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar

HET LIJDENSVERHAAL VOLGENS MT / MC en VOLGENS LC

1. Inleiding : Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 .

Het lijdensverhaal volgens Matteüs (Mt 26-27) en Marcus (Mc 14-15) lijken sterker op elkaar dan hun voorgaande hoofdstukken . Lucas daarentegen heeft een heel eigen lijdensverhaal (Lc 22-23) . Opmerkelijk evenwel is dat in Hnd meer parallellen met de lijdensverhalen van Mt en Mc zijn te vinden dan met Lc .

In het lijdensverhaal volgens Mt , Mc en Lc ontbreken de Farizeeën totaal . Nochtans zouden ze een belangrijke fractie van het sanhedrin uitmaken . Volgens sommigen was een rechtsbesluit zonder hen ongeldig .

Matteüs legt de aankondiging van het paasfeest na twee dagen in de mond van Jezus . Mc en Lc doen dat niet . Mt voegt daaraan toe : en dat de Mensenzoon overgeleverd wordt om gekruidigd te worden" . Het sluit aan bij de derde lijdensaankodinging (Mt 20,19) . De zin kan de indruk wekken dat wie Jezus overlevert aan de hogepriesters en schriftgeleerden automatisch verantwoordelijk is voor de kruidiging van Jezus .

Volgens Mt 26,2 komen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in de binnenhof van de hogepriester Kaïafas en plegen ze overleg om Jezus met een list te overmeesteren en te doden . Dit sluit aan bij een voorgaande poging (Mt 21,46) om Jezus te overmeesteren en bij de derde lijdensaankondiging om Jezus te doden (Mt 20,19 // Mc 10,34 // Lc 18,32) . Bij Mc en Lc is er geen sprake van een bijeenkomst , noch van een beraadslaging . Bij Mc is er evenwel sprake om Jezus met een list te overmeesteren en te doden . Zo sluit hij eveneens aan bij de voorgaande poging (Mc 12,12) om Jezus te overmeesteren en te doden . Bij Lc is er nooit sprake van een overmeesteren van Jezus . Volgens Lc verloopt de rechtsprocedure correct . Geen list dus . Bij Lc is er voordien wel sprake om Jezus ten gronde te richten . Volgens Lc zoeken hogepriesters en schriftgeleerden (zoals bij Mc) hoe ze Jezus kunnen doden .

Mt en Mc stemmen met elkaar overeen over de verantwoording van hun besluit : geen opwinding onder het volk tijdens het feest . Volgens Lc is hun besluit ingegegeven door angst voor het volk .

2. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 + Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 . (verraad is een verkeerde vertaling ; eerder : overlevering van Jezus door Judas) .

Bij Mt wekt de zalving van Jezus te Betanië de indruk dat de geldverspilling van de vrouw de aanleiding van Judas zou zijn om naar de hogepriesters te gaan om Jezus over te leveren . Volgens Mt vraagt Judas onmiddellijk geld bij de onderhandeling over de overlevering van Jezus . Waarvoor moet dat geld dienen ? Wil men een nederlaag , de dood en de begrafenis van Jezus vermijden en heeft men meer wapens nodig ? Is het geven van geld aan de armen slechts een dekmantel ? Bij Mc en Lc is er pas later sprake van geld . Bij Lc komen de hogepriesters en de leiders van de tempelwacht overeen om Judas geld te geven , waarmee Judas instemt . Bij Lc is de satan die over Judas kwam , verantwoordelijk voor Judas' gedrag . Daarna zoekt Judas het goede moment om Jezus over te leveren . Bij Lc buiten de volksmenigte om .

3. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 .

De drie synoptici komen sterk met elkaar overeen . De plaats waar het pascha zal gevierd worden , is een geheime plaats . Jezus stuurt twee leerlingen met informatie over de tussenpersoon en vervolgens een soort codewoord voor de bestemmeling . Dan kan er enkel op wijzen dat Jezus gevaar loopt om zich openlijk in de stad te bewegen .

4. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 / Lc 22,21-23 + Instelling van de eucharistie : Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 .

Bij Lc volgt de aanduiding van de verrader pas na het vieren van het pascha . Bij Mt en Mc gebeurt dat ervoor . Het verhaal van de 'eucharistie' komt bij Mt , Mc en Lc sterk met elkaar overeen . Mt vermeldt bij 'bloed van het verbond ... tot vergeving van de zonden' . Bij de wee-klacht van Jezus over Judas staat niet : 'het zou beter zijn voor hem als hij niet geboren was , die mens' . Juist ervoor staat er : 'overeenkomstig wat bepaald is' . Volgens Lc gebeurt alles volgens een vooraf bepaald plan van God . Was Judas niet geboren , dan had het plan van God zich niet kunnen voltrekken .
Stond het leiderschap van Jezus toen reeds in vraag ? Volgens Lc ontstond er na het geredetwist wie Jezus zou overleveren , rivaliteit onder hen wie de grootste was .

5. Heersen is dienen : Lc 22,24-27 ( // Mc 10,41-45 - Mt 20,24-28 ) + Eschatologische functie van de Twaalf : Lc 22,28-30 ( // Mt 19,28 ) .

In het lijdensverhaal van Lc staan hier twee teksten die we bij Mt en Mc op een andere plaats in hun evangelie vinden .

6. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc 22,31-34 ( // Mc 14,29-31 // Mt 26,33-35 ) - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 .

Na de voorspelling van de overlevering door Judas voorspelt Jezus de verloochening van Petrus . Volgens Lc verloochent Petrus Jezus omdat de satan beslag op hem gelegd heeft . Zie Lc 22,31 : 'Simon, Simon, zie de Satan heeft je opgeëist om je te zeven als tarwe.' Bij Mt en Mc volgt de verloochening van Petrus pas na de voorspelling van de ontrouw van de leerlingen . Deze laatste pericope heeft Lc echter niet . Volgens Lc vluchten de leerlingen niet . Bij de overlevering van Jezus door Judas heeft een kort gevecht plaats . Er valt een gewonde . Jezus vindt dat het genoeg is . Hij gaat vrijwillig mee met zijn beslagnemers . Hij laat zijn leerlingen achter .
Jezus kondigt aan dat Petrus hem driemaal zal verloochenen (Lc voegt toe : mij te kennen) voordat een haan eenmaal (Mt en Lc) of tweemaal (Mc) kraait .

7. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc 22,35-38 .

Volgens Lc laten de leerlingen de overlevering van Jezus door Judas niet zomaar gebeuren . Eén van hen slaat het rechteroor van de dienaar van de hogepriester af . Er valt dus een gewonde , bijna een dode . Tenminste één van hen had een zwaard bij . Dat erop ingeslagen wordt , gebeurt met de toestemming van Jezus . Ook de aanwezigheid van zwaarden moet de goedkeuring van Jezus hebben gehad . Dat gebeurt in deze pericope .
Bij Mt en Mc zal Jezus bij de overlevering overmeesterd en afgevoerd worden . De leerlingen zullen vluchten . Dat wordt dan voordien voorspeld . Ook wordt voorspeld dat Hij na zijn verrijzenis zijn leerlingen zal voorgaan naar Galilea . Doordat bij Lc de leerlingen niet vluchten maar dat Jezus hen enkel achterlaat , kan verklaren waarom ze (volgens Lc) na de verrijzenis in Jeruzalem blijven .

8. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 .

Bij Mt en Mc bidt Jezus driemaal tot God en keert hij driemaal tot zijn drie uitverkoren leerlingen terug . Bij Lc nodigt Jezus alle leerlingen uit om te bidden en niet in beproeving te raken . Bij Mt en Mc laat Jezus zijn leerlingen achter met uitzondering van drie met wie hij verderop gaat en aan hen zijn doodsangst uitdrukt en hen vraagt te waken en te bidden . Volgens Mc zegt Jezus in zijn eerste gebed o.a. 'als het mogelijk was , het uur aan hem zou voorbijgaan' . Volgens Lc bidt Jezus dat Gods wil moge geschieden . Daarop werd Jezus gesterkt door een engel , kwam in doodsangst en bad nog vuriger . Dan komt Jezus bij zijn leerlingen terug en zegt : 'Waarom slapen jullie ? Sta op en bid opdat jullie niet in beproeving komen . In Mt en Mc vindt Jezus bij zijn derde terugkeer zijn drie leerlingen slapend . Dan zegt Jezus : Slaap verder en rust . Zie , het uur is gekomen en de Mensenzoon wordt overgeleverd in handen van zondaars . Sta op , laten we gaan ... . De vermelding van de overlevering sluit aan bij de tweede lijdensaankondiging ( Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 ) . Waarom waren de leerlingen ingeslapen ? 'Hun ogen waren bezwaard' (Mt en Mc) , 'van droefheid' (Lc) .

9. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 .

Er zijn nogal wat verschillen tussen Mt / Mc en Lc . Bij Mt / Mc is een beschrijving van de groep beslagleggers en een vermelding van een afgesproken teken . In Mt / Mc spreekt Judas Jezus aan . In Lc spreekt Jezus Judas aan : 'Judas , met een kus lever je de Mensenzoon over ?' In Mt / Mc wordt Jezus onmiddellijk overmeesterd . Bij Lc stelt een leerling aan Jezus voor om erop in te slaan . Dan volgt in de drie evangelies het afhouwen van het oor van de dienaar van de hogepriester . In Mt houdt Jezus een korte toespraak tot de leerling die met het zwaard omging . Lc houdt het kort : 'Laat af . Tot zover.' In Lc wordt de gewonde genezen . Vervolgens houdt Jezus in de drie evangelies een korte toespraak tot de volksmenigte . Bij Mt / Mc vluchten dan de leerlingen . Bij Mc nog een bijzondere vermelding van de vlucht van een jongeling wiens kleed werd gegrepen en naakt wegvluchtte . Bij Lc is er geen vlucht . Nog meer dan in Mt / Mc beheerst Jezus in Lc de situatie .

10. Naar de hogepriester : Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 + Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 + Bespotting van Jezus : Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 .

Volgens Mt / Mc wordt Jezus overmeesterd en naar de hogepriester Kajafas afgevoerd . Daar zijn (Mc : + alle hogepriesters) de schriftgeleerden en de oudsten bijeen . Vooreerst komt het (vals) getuigenverhoor . Daarna volgt de ondervraging door de hogepriester . Op het antwoord van Jezus scheurt de hogepriester zijn kleren ter verontwaardiging van de vermeende godslastering . Daarop wordt Jezus door de vergadering ter dood veroordeeld . Volgens Lc wordt Jezus naar het huis van de hogepriester meegenomen . Daar heeft geen nachtelijke bijeenkomst plaats , geen getuigenverhoor , geen ondervraging van de beschuldigde , geen vonnis . Alleen drijven zij die Jezus vasthouden de spot met hem . Volgens Lc ontkent Petrus driemaal dat hij Jezus kent terwijl hij aan het vuur in de binnenhof van de hogepriester zit . Bij Mt / Mc gebeurt dat terwijl Petrus eerst bij het vuur zit en vervolgens bij het naar buiten gaan . Volgens Mt / Mc herinnert Petrus zich de woorden van Jezus bij het kraaien van een haan . Bij Lc kraait de haan . Daarop keert Jezus zich om naar Petrus en kijkt hem aan Dan herinnert Petrus zich de woorden van Jezus . Volgens de drie evangelisten weende Petrus daarna .

11. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 + Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 .

Volgens Mt / Mc komt het sanhedrin (zonder de Farizeeën) 's morgens bijeen en bevestigt het vonnis over Jezus .Bij Lc komt het sanhedrin 's morgens voor het eerst bijeen en ondervraagt het Jezus (zonder vermelding van de hogepriester) . Het antwoord van Jezus volstaat om hem zonder vonnis naar Pilatus te leiden . Volgens Mt / Mc wordt Jezus geboeid naar Pilatus afgevoerd en leveren zij Jezus aan Pilatus over . Bij Lc is er dus geen afvoeren naar , geen boeien , geen overleveren .

12. Einde van Judas : Mt 27,3-10 .

Volgens Mt volgt dan het einde van Judas . Judas bekent dat hij onschuldig bloed heeft overgeleverd . Met de reeds eerder vermelde dertig zilverstukken wordt een 'bloedakker' gekocht . Had Judas dit niet verwacht ?

13. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 + Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 + Pilatus verklaart Jezus onschuldig : Lc 23,13-16 + Jezus of Barabbas : Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 + Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 .

Bij Mt / Mc wordt Jezus eerst door Pilatus ondervraagd , waarop Jezus kort antwoordt . Daarop volgen de aanklachten van de hogepriesters en een nieuwe ondervraging van Pilatus . Maar Jezus antwoordt helemaal niets . Volgens Lc komen eerst de beschuldigingen , dan de ondervraging door Pilatus en vervolgens een uitspraak : 'Ik vind niets schuldigs in die mens' (Lc 23,5) . Hierop volgt een tweede beschuldiging , die aanleiding geeft om Jezus naar Herodes te sturen . Maar Herodes stuurt Jezus terug naar Pilatus . Dan volgt een uitspraak van Pilatus met een dubbele vrijspraak . Dan volgt het verhaal van de keuze tussen Barabbas en Jezus . Volgens Mt / Mc doet Pilatus zelf het voorstel in de mening dat ze voor Jezus zouden kiezen (tot tweemaal toe) . Dan stelt Pilatus de vraag wat hij met Jezus moet doen , waarop kruisigen als antwoord klinkt . Bij Lc is er geen voorstel voor een keuze tussen Barabbas en Jezus . Men kiest onmiddellijk voor Barabbas tegen Jezus . Pilatus herhaalt nog eens de vrijspraak van Jezus . Op het geroep van kruisigen antwoordt Pilmatus voor de derde maal dat Jezus onschuldig is en hem wil vrijlaten . Het geroep kreeg de overhand . Pilatus liet Barabbas vrij en leverde Jezus over aan hun wil (volgens Mt / Mc : om gekruiigd te worden) .

14. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 + Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 + Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 + Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 + Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a .

Vervolgens wordt Jezus volgens Mt / Mc Jezus door de soldaten bespot . Op weg naar Golgota wordt Simon van Cyrene opgevorderd om het kruis van Jezus te dragen . Lc vermeldt dat een groep vrouwen weeklagen , maar Jezus spreekt hen toe over zichzelf te weeklagen . Volgens de drie evangelisten worden met Jezus twee rovers gekruiigd . Bij Mt / Mc wordt Jezus driemaal bespot : eerst door de voorbijgangers , vervolgens door hogepriesters en schriftgeleerden en tenslotte door de rovers . Bij Lc staat het volk op een vere afstand toe te zien , dat zich op de borst zal slaan na zijn sterven . Volgens Lc wordt Jezus eveneens driemaal bespot : door de oversten , de soldaten en één van de misdadigers . Eén van de misdadigers heeft berouw en krijgt vergeving . Bij Mt / Mc schreeuwt Jezus zijn verlatenheid uit . Bij Lc verwoordt Jezus zijn godsvertrouwen . Bij de drie evangelisten volgt op de dood van Jezus het gelovige getuigenis van de honderdman . Zowel bij de dood als bij de berafenis zijn vrouwen getuigen . Bij Mt volgt tenslotte het verhaal van de wacht bij het graf .

Besluit

Het lijdensverhaal van Mt en Mc stemmen heel sterk overeen . Daarin zijn de hogepriesters en de schriftgeleerden tenvolle verantwoordelijk voor de dood van Jezus . Ze hebben met list Jezus proberen in handen te krijgen . Ze hebben een nachtelijke bijeenkomst belegd in het huis van de hogepriester .Ze hebben getracht om Jezus met valse getuigenissen te laten veroordelen . Ze hebben hem ter dood veroordeeld . Ze hebben het volk naar hun kant overgehaald om voor Barabbas te kiezen en om Jezus te laten kruisigen . Ze hebben de vrijspaak van Pilatus overschreeuwd . Ze hebben Jezus bespot aan het kruis . Het lijdensverhaal van Lc is mild voor de mensen . Wel erkent hij tenvolle dat de hogepriesters , de schriftgeleerden en het volk de overlevering van Jezus tot de dood van Pilatus hebben afgedwongen door hun geschreeuw . Tot driemaal toe verklaarde hij Jezus onschuldig en heeft hij de vrijspraak uitgesproken .

Het is de moeite om het lijdensverhaal volgens Mt / Mc naast dat van Lc te leggen .

Arseen De Kesel . 21 maart 2009