- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Overzicht van het Lucasevangelie : Lc : overzicht , Lc : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Lc : commentaar ,
Overzicht van het Lucasevangelie : Lc 1 , Lc 2 , Lc 3 , Lc 4 , Lc 5 , Lc 6 , Lc 7 , Lc 8 , Lc 9 , Lc 10 , Lc 11 , Lc 12 , Lc 13 , Lc 14 , Lc 15 , Lc 16 , Lc 17 , Lc 18 , Lc 19 , Lc 20 , Lc 21 , Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 ,
| Lc 1 | Lc 2 | Lc 3 | Lc 4 | Lc 5 | Lc 6 | Lc 7 | Lc 8 | Lc 9 | Lc 10 | Lc 11 | Lc 12 | Lc 13 | Lc 14 | Lc 15 | Lc 16 | Lc 17 | Lc 18 | Lc 19 | Lc 20 | Lc 21 | Lc 22 | Lc 23 | Lc 24 | |
Tekstuitleg per perikope - Lc
23,1 - Lc
23,2-5 - Lc
23,6-12 - Lc
23, (17) 18-23 - Lc
23,24-25 - Lc
23,26-32 - Lc
23,33-34 - Lc
23,35-43 - Lc
23,44-48 - Lc
23,49 - Lc
23,50-56a -
Tekstuitleg vers per vers : - Lc
23,1 - Lc
23,2 - Lc
23,3 - Lc
23,4 - Lc
23,5 - Lc
23,6 - Lc
23,7 - Lc
23,8 - Lc
23,9 - Lc
23,10 - Lc
23,11 - Lc
23,12 - Lc
23,13 - Lc
23,14 - Lc
23,15 - Lc
23,16 - Lc
23,17 - Lc
23,18 - Lc
23,19 - Lc
23,20 - Lc
23,21 - Lc
23,22 - Lc
23,23 - Lc
23,24 - Lc
23,25 - Lc
23,26 - Lc
23,27 - Lc
23,28 - Lc
23,29 - Lc
23,30 - Lc
23,31 - Lc
23,32 - Lc
23,33 - Lc
23,34 - Lc
23,35 - Lc
23,36 - Lc
23,37 - Lc
23,38 - Lc
23,39 - Lc
23,40 - Lc
23,41 - Lc
23,42 - Lc
23,43 - Lc
23,44 - Lc
23,45 - Lc
23,46 - Lc
23,47 - Lc
23,48 - Lc
23,49 - Lc
23,50 - Lc
23,51 - Lc
23,52 - Lc
23,53 - Lc
23,54 - Lc
23,55 - Lc
23,56 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Woordenschat
- agathos
(goed) , zie Lc
23,50 .
- agô
(leiden) , zie Lc
23,1 .
- cheir
(hand) , zie Lc
23,46 .
- ekmuktèzô
(uitlachen) , zie Lc
23,35 .
- ekpneô
(uitademen, sterven) , zie Lc
23,46 .
- huparchô
(zijn) , zie Lc
23,50 .
- onoma
(naam) , zie Lc
23,50 .
Bibliografie :
Literatuur
Liturgisch gebruik
Overzicht van de bijbelboeken
-
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het drieëntwintigste hoofdstuk van
het Lucasevangelie :
336. Naar Pilatus : Mc
15,1 - Mt
27,1-2 - Lc
22,66-71 - Lc
23,1 .
338. Jezus vóór Pilatus : Mc
15,2-5 - Mt
27,11-14 - Lc
23,2-5 .
339. Jezus vóór Herodes : Lc
23,6-12 .
340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig : Lc
23,13-16 .
341. Jezus of Barabbas : Mc
15,6-14 - Mt
27,15-23 - Lc
23, (17) 18-23 .
342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc
15,15 - Mt
27,24-26 - Lc
23,24-25 .
344. Naar Golgota : Mc
15,21 - Mt
27,32 - Lc
23,26-32 .
345. Kruisiging : Mc
15,22-26 - Mt
27,33-37 - Lc
23,33-34 .
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc
15,27-32 - Mt
27,38-44 - Lc
23,35-43 .
347. Kruisdood van Jezus : Mc
15,33-39 - Mt
27,45-54 - Lc
23,44-48 .
348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc
15,40-41 - Mt
27,55-56 - Lc
23,49 .
349. Begrafenis van Jezus :
Mc 15,42-47 - Mt
27,57-61 - Lc
23,50-56a .
336. Naar Pilatus : Lc 22,66-71; Lc 23,1 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 23 -- taalgebruik -- Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -
| Lc 23,1 - Lc 23,1 : 336. Naar Pilatus -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- Lc 23 -- taalgebruik -- Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [1] And the whole multitude of them arose, and led him unto
Pilate.
Luther-Bibel . 1 Und die ganze Versammlung stand auf, und sie führten ihn
vor Pilatus
Tekstuitleg van Lc 23,1 .
5. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in
het N.T. : plèthos
(menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos
(menigte, veelheid) .
Lc (8) : (1) Lc
1,10 . (2) Lc
2,13 . (3) Lc
5,6 . (4) Lc
6,17 . (5) Lc
8,37 . (6) Lc
19,37 . (7) Lc
23,1 . (8) Lc
23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .
7. ègagon (zij leidden) . Verwijzing : agô
(leiden) , zie Lc
23,1 . Actief aorist derde persoon meervoud van het werkwoord agô
(leiden , voeren) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren
, ac-tie voeren , handelen . In negenendertig verzen in de
bijbel . In zesentwintig verzen in het O.T. . In dertien verzen in het N.T.
: (1) Mt
21,7 . (2) Lc
4,29 . (3) Lc
4,40 . (4) Lc
19,35 . (5) Lc
22,54 : ègagon eis tèn oikian tou archiereôs = naar
het huis van de hogepriester . (6) Lc
23,1 : ègagon auton epi ton Pilaton = zij leidden hem tot bij Pilatus
. (7) Joh
18,13 : ègagon pros Annan = zij leidden (hem) naar Annas . In zes
verzen in Hnd : (1) Hnd
6,12 : kai ègagon eis to sunedrion = en zij leidden (hem) naar het
sanhedrin . (2) Hnd
17,15 . (3) Hnd
17,19 . (4) Hnd
18,12 : kai ègagon auton epi to bèma = en zij leidden hem
tot de rechterstoel . (5) Hnd
20,12 . (6) Hnd
23,31 . Vaak in de betekenis van : iemand voor het gerecht brengen , voorleiden
.
- agô (leiden) . Verwijzing : agô
(leiden) , zie Lc
23,1 .
--- ègen autous (hij leidde hen) . Slechts in Hnd
5,26 .
- anèchtè (hij werd omhooggevoerd) . In twee verzen in de bijbel
. Slechts in het N.T. : (1) Mt
4,1 . (2) Hnd
18,21 .
-- anachthentes (opgevaren) . Verwijzing : agô
(leiden) , zie Lc
23,1 . Passief aorist participium nominatief mannelijk en vrouwelijk meervoud
van het werkwoord anagô (naar boven leiden / voeren, opvaren) . In drie
verzen in de bijbel . Slechts in Hnd : (1) Hnd
13,13 . (2) Hnd
16,11 . (3) Hnd
27,4 .
--- agagontes (geleid) . Participium aorist nominatief mannelijk meervoud .
In één vers in de bijbel : Hnd
5,27
--- apègagon (zij leidden weg) . In twaalf verzen in de bijbel . In vijf
verzen in het O.T. . In zeven verzen in het N.T. : (1) Mt
26,57 // . (2) Mt
27,2 . (3) Mt
27,31 . (4) Mc
14,53 . (5) Mc
15,16 . (6) Lc
22,66 . (7) Lc
23,26 .
| Mt 26,57 // Mc 14,53 // Lc 22,54 | Mc 14,53 | Lc 22,54 | Lc 22,66 |
| Hoi de kratèsantes (Zij echter overmeesterd) | Kai (en) | Sullabontes de (Meegenomen echter) | |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| apègagon (leidden zij weg) | apègagon (leidden zij weg) | ègagon (leidden zij) ) kai eisègagaon (en leidden binnen) | apègagon (zij leidden weg) |
| ton Ièsoun (Jezus) | auton (hem) | ||
| eis to sunedrion autôn (naar hun sanhedrin) . |
Via T.V. zijn vele beelden in ons geheugen gebrand van onschuldige mensen die
midden in de nacht van hun bed gelicht worden , opgepakt , afgevoerd of weggeleid
worden .
- paragôn (langsvoerend , langsdrijvend) . Zie Mt
9,9 .
338. Jezus vóór Pilatus : Lc 23,2-5 - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 -
| Lc 23,2 - Lc 23,2 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [2] And they began to accuse him, saying, We found this
fellow perverting the nation, and forbidding to give tribute to Caesar, saying
that he himself is Christ a King.
Luther-Bibel . 2 und fingen an, ihn zu verklagen, und sprachen: Wir haben gefunden,
dass dieser unser Volk aufhetzt und verbietet, dem Kaiser Steuern zu geben,
und spricht, er sei Christus, ein König.
Tekstuitleg van Lc 23,2 .
3. act. inf. praes. katègorein van het werkw. katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het N.T. : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Lc : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Hnd : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Lc (2) : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 23,2 . Een vorm van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .
20. acc. mann. enk. christon van het zelfst. naamw. christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het N.T. : christos (Christus) . Taalgebruik in Lc : christos (Christus) . Taalgebruik in Hnd : christos (Christus) . Hebr. mâsjîach (Messias , gezalfde) , in het Grieks christos (Christus) . Zie het werkw. mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenach : mâsjach (zalven) . Lc (7) : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . Hnd (10) . Een vorm van christos (gezalfde, Christus) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 2,26 (+) . (3) Lc 3,15 (+) . (4) Lc 4,41 (+) . (5) Lc 9,20 (+) . (6) Lc 20,41 (+) . (7) Lc 22,67 (+) . (8) Lc 23,2 (-) . (9) Lc 23,35 (+) . (10) Lc 23,39 (+) . (11) Lc 24,26 (+) . (12) Lc 24,46 (+) . In Lc : 2 vormen van christos (gezalfde, Christus) in 12 verzen in 8 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen in 28 verzen in 16 hoofdstukken . N.T. (517) .
| Lc 23,3 - Lc 23,3 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [3] And Pilate asked him, saying, Art thou the King of the
Jews? And he answered him and said, Thou sayest it.
Luther-Bibel . 3 Pilatus aber fragte ihn und sprach: Bist du der Juden König?
Er antwortete ihm und sprach: Du sagst es.
Tekstuitleg van Lc 23,3 .
10. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .
| Lc 23,4 - Lc 23,4 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [4] Then said Pilate to the chief priests and to the people,
I find no fault in this man.
Luther-Bibel . 4 Pilatus sprach zu den Hohenpriestern und zum Volk: Ich finde
keine Schuld an diesem Menschen.
Tekstuitleg van Lc 23,4 .
4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 23 (13) : (1) Lc 23,2 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,5 . (4) Lc 23,18 . (5) Lc 23,21 . (6) Lc 23,30 . (7) Lc 23,34 . (8) Lc 23,35 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,39 . (11) Lc 23,42 . (12) Lc 23,43 . (13) Lc 23,47 ; van eipon (ik zei) in Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Totaal : Lc 23 (13 + 6 = 19) .
7. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
| Lc 23,5 - Lc 23,5 : 338. Jezus vóór Pilatus - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -- Lc 23,2 - Lc 23,3 - Lc 23,4 - Lc 23,5 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [5] And they were the more fierce, saying, He stirreth up
the people, teaching throughout all Jewry, beginning from Galilee to this place.
Luther-Bibel . 5 Sie aber wurden noch ungestümer und sprachen: Er wiegelt
das Volk auf damit, dass er lehrt hier und dort in ganz Judäa, angefangen
von Galiläa bis hierher.
Tekstuitleg van Lc 23,5 .
13. gen. vr. enk. ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ioudaia (Judea)
. Taalgebruik in het N.T. : ioudaia
(Judea) . Taalgebruik in Lc : ioudaia
(Judea) .
Lc (7) : (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,65 . (3) Lc
3,1 . (4) Lc
4,44 . (5) Lc
5,17 . (6) Lc
6,17 . (7) Lc
23,5 . Een vorm van ioudaia (Judea) in Lc in 10 verzen : (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,65 . (3) Lc
2,4 . (4) Lc
3,1 . (5) Lc
4,44 . (6) Lc
5,17 . (7) Lc
6,17 . (8) Lc
7,17 . (9) Lc
21,21 . (10) Lc
23,5 .
18. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .
339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 - Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 -
| Lc 23,6 - Lc 23,6 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [6] When Pilate heard of Galilee, he asked whether the man
were a Galilaean.
Luther-Bibel . 6 Als aber Pilatus das hörte, fragte er, ob der Mensch aus
Galiläa wäre.
Tekstuitleg van Lc 23,6 .
7. nom. mann. enk. anthrôpos anthrôpos (mens) . Taalgebruik in
het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos
(mens) .
Lc (24) : (1) Lc
2,25 . (2) Lc
4,4 . (3) Lc
4,33 . (4) Lc
6,6 . (5) Lc
6,45 . (6) Lc
7,8 . (7) Lc
7,34 . (8) Lc
9,25 . (9) Lc
10,30 . (10) Lc
13,19 . (11) Lc
14,2 . (12) Lc
14,16 . (13) Lc
14,30 . (14) Lc
15,4 . (15) Lc
15,11 . (16) Lc
16,1 . (17) Lc
16,19 . (18) Lc
19,12 . (19) Lc
19,21 . (20) Lc
19,22 . (21) Lc
20,9 . (22) Lc
22,10 . (23) Lc
23,6 . (24) Lc
23,47 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Lc in 83 verzen in Lc 23
in vier verzen : (1) Lc
23,4 . (2) Lc
23,6 . (3) Lc
23,14 . (4) Lc
23,47 .
| Lc 23,7 - Lc 23,7 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [7] And as soon as he knew that he belonged unto Herod's
jurisdiction, he sent him to Herod, who himself also was at Jerusalem at that
time.
Luther-Bibel . 7 Und als er vernahm, dass er ein Untertan des Herodes war, sandte
er ihn zu Herodes, der in diesen Tagen auch in Jerusalem war.
Tekstuitleg van Lc 23,7 .
7. gen. mann. enk. hèrô(i)dou (van Herodes) van het zelfst. naamw. hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in het N.T. : hèrô(i)dès (Herodes) . Taalgebruik in Lc : hèrô(i)dès (Herodes) . Lc (4) : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 3,1 . (3) Lc 8,3 . (4) Lc 23,7 .
19. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. tautais van het aanwijz. voornaamw. houtos
(deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Mc : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (4) : (1) Lc
1,39 . (2) Lc
6,12 . (3) Lc
23,7 . (4) Lc
24,18 .
21. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag)
. Taalgebruik in het N.T. : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera
(dag) .
Lc (18) . (1) Lc
1,5 . (2) Lc
1,7 . (3) Lc
1,18 . (4) Lc
1,25 . (5) Lc
1,39 . (6) Lc
1,75 . (7) Lc
2,1 . (8) Lc
2,36 . (9) Lc
4,2 . (10) Lc
4,25 . (11) Lc
5,35 . (12) Lc
6,12 . (13) Lc
9,36 . (14) Lc
17,26 . (15) Lc
17,28 . (16) Lc
21,23 . (17) Lc
23,7 . (18) Lc
24,18 .
| Lc 23,8 - Lc 23,8 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [8] And when Herod saw Jesus, he was exceeding glad: for
he was desirous to see him of a long season, because he had heard many things
of him; and he hoped to have seen some miracle done by him.
Luther-Bibel . 8 Als aber Herodes Jesus sah, freute er sich sehr; denn er hätte
ihn längst gerne gesehen; denn er hatte von ihm gehört und hoffte,
er würde ein Zeichen von ihm sehen.
Tekstuitleg van Lc 23,8 . Het vers Lc 23,8 telt 29 woorden en 124 (2² X 31) letters . De getalwaarde van Lc 23,8 is 12058 (2 X 6029) .
Lc 23,8.17. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .
Lc 23,8.25. nom. + acc. onz. enk. sèmeion (teken) . Taalgebruik in het N.T. : sèmeion (teken) . Taalgebruik in Lc : sèmeion (teken) . Lat. signum . Fr. signe . E. sign . N. teken . D. Zeichen . Lc (7) : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 23,8 . Een vorm van sèmeion (teken) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,12 . (2) Lc 2,34 . (3) Lc 11,16 . (4) Lc 11,29 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 21,7 . (7) Lc 21,11 . (8) Lc 21,25 . (9) Lc 23,8 .
| Lc 23,9 - Lc 23,9 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [9] Then he questioned with him in many words; but he answered
him nothing.
Luther-Bibel . 9 Und er fragte ihn viel. Er aber antwortete ihm nichts.
Tekstuitleg van Lc 23,9 .
| Lc 23,10 - Lc 23,10 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [10] And the chief priests and scribes stood and vehemently
accused him.
Luther-Bibel . 10 Die Hohenpriester aber und Schriftgelehrten standen dabei
und verklagten ihn hart.
Tekstuitleg van Lc 23,10 .
4. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
9. act. part. praes. nom. mann. mv. katègorountes van het werkw. katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het N.T. : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Lc : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Hnd : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Lc (1) Lc 23,10 . Een vorm van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .
| Lc 23,11 - Lc 23,11 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [11] And Herod with his men of war set him at nought, and
mocked him, and arrayed him in a gorgeous robe, and sent him again to Pilate.
Luther-Bibel . 11 Aber Herodes mit seinen Soldaten verachtete und verspottete
ihn, legte ihm ein weißes Gewand an und sandte ihn zurück zu Pilatus.
Tekstuitleg van Lc 23,11 .
| Lc 23,12 - Lc 23,12 : 339. Jezus vóór Herodes : Lc 23,6-12 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,6 - Lc 23,7 - Lc 23,8 - Lc 23,9 - Lc 23,10 - Lc 23,11 - Lc 23,12 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [12] And the same day Pilate and Herod were made friends
together: for before they were at enmity between themselves.
Luther-Bibel . 12 An dem Tag wurden Herodes und Pilatus Freunde; denn vorher
waren sie einander Feind.
Tekstuitleg van Lc 23,12 .
340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig : Lc 23,13-16 - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 -
| Lc 23,13 - Lc 23,13 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And Pilate, when he had called together the chief priests
and the rulers and the people,
Luther-Bibel . 13 Pilatus aber rief die Hohenpriester und die Oberen und das
Volk zusammen
Tekstuitleg van Lc 23,13 .
5. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
| Lc 23,14 - Lc 23,14 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] Said unto them, Ye have brought this man unto me, as
one that perverteth the people: and, behold, I, having examined him before you,
have found no fault in this man touching those things whereof ye accuse him:
Luther-Bibel . 14 und sprach zu ihnen: Ihr habt diesen Menschen zu mir gebracht
als einen, der das Volk aufwiegelt; und siehe, ich habe ihn vor euch verhört
und habe an diesem Menschen keine Schuld gefunden, derentwegen ihr ihn anklagt;
Tekstuitleg van Lc 23,14 .
27. act. ind. praes. 2de pers. mv. katègoreite van het werkw. katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het N.T. : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Lc : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in Hnd : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Lc (1) Lc 23,14 . Een vorm van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . In Lc : 4 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 3 hoofdstukken in 5 verzen . In Hnd : 7 vormen van katègoreô (iemand van iets beschuldigen) in 4 hoofdstukken in 9 verzen .
| Lc 23,15 - Lc 23,15 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] No, nor yet Herod: for I sent you to him; and, lo,
nothing worthy of death is done unto him.
Luther-Bibel . 15 Herodes auch nicht, denn er hat ihn uns zurückgesandt.
Und siehe, er hat nichts getan, was den Tod verdient.
Tekstuitleg van Lc 23,15 .
13. gen. mann. enk. thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .
| Lc 23,16 - Lc 23,16 : 340. Pilatus verklaart Jezus onschuldig - Lc 23,13-16 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,13 - Lc 23,14 - Lc 23,15 - Lc 23,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] I will therefore chastise him, and release him.
Luther-Bibel . 16 Darum will ich ihn schlagen lassen und losgeben.
Tekstuitleg van Lc 23,16 .
341. Jezus of Barabbas : Lc 23, (17) 18-23 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 -
| Lc 23,17 - Lc 23,17 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [17] (For of necessity he must release one unto them at
the feast.)
Luther-Bibel . -
Tekstuitleg van Lc 23,17 .
| Lc 23,18 - Lc 23,18 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [18] And they cried out all at once, saying, Away with this
man, and release unto us Barabbas:
Luther-Bibel . 18 Da schrien sie alle miteinander: Hinweg mit diesem, gib uns
Barabbas los!
Tekstuitleg van Lc 23,18 .
| Lc 23,19 - Lc 23,19 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [19] (Who for a certain sedition made in the city, and for
murder, was cast into prison.)
Luther-Bibel . 19 Der war wegen eines Aufruhrs, der in der Stadt geschehen war,
und wegen eines Mordes ins Gefängnis geworfen worden.
Tekstuitleg van Lc 23,19 . Het vers Lc 23,19 telt 14 (2 X 7) woorden en 67 letters . De getalwaarde van Lc 23,19 is 5231 .
Lc 23,19.3. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .
| Lc 23,20 - Lc 23,20 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [20] Pilate therefore, willing to release Jesus, spake again
to them.
Luther-Bibel . 20 Da redete Pilatus abermals auf sie ein, weil er Jesus losgeben
wollte.
Tekstuitleg van Lc 23,20 .
| Lc 23,21 - Lc 23,21 : 341. Jezus of Barabbas - verwijzingen - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [21] But they cried, saying, Crucify him, crucify him.
Luther-Bibel . 21 Sie riefen aber: Kreuzige, kreuzige ihn!
Tekstuitleg van Lc 23,21 .
6. - 7. act. imperat. praes. 2de pers. enk. staurou (kruisig) van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (1) Lc 23,21 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
| Lc 23,22 - Lc 23,22 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [22] And he said unto them the third time, Why, what evil
hath he done? I have found no cause of death in him: I will therefore chastise
him, and let him go.
Luther-Bibel . 22 Er aber sprach zum dritten Mal zu ihnen: Was hat denn dieser
Böses getan? Ich habe nichts an ihm gefunden, was den Tod verdient; darum
will ich ihn schlagen lassen und losgeben.
Tekstuitleg van Lc 23,22 .
11. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
14. gen. mann. enk. thanatou van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het N.T. : thanatos (dood) . Taalgebruik in Lc : thanatos (dood) . Taalgebruik in Hnd : thanatos (dood) . Hebr. mâwèth / mâwëthâh (dood) . Taalgebruik in Tenach : mâwèth / mâwëthâh (dood) . Lc (5) : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 9,27 . (3) Lc 23,15 . (4) Lc 23,22 . (5) Lc 24,20 . Een vorm van thanatos (dood) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 1,79 . (2) Lc 2,26 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 22,33 . (5) Lc 23,15 . (6) Lc 23,22 . (7) Lc 24,20 . In Lc : 2 vormen van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van thanatos (dood) in 7 verzen in 6 hoofdstukken .
| Lc 23,23 - Lc 23,23 : 341. Jezus of Barabbas - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 -- Lc 23,17 - Lc 23,18 - Lc 23,19 - Lc 23,20 - Lc 23,21 - Lc 23,22 - Lc 23,23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [23] And they were instant with loud voices, requiring that
he might be crucified. And the voices of them and of the chief priests prevailed.
Luther-Bibel . 23 Aber sie setzten ihm zu mit großem Geschrei und forderten,
dass er gekreuzigt würde. Und ihr Geschrei nahm überhand.
Tekstuitleg van Lc 23,23 .
8. pass. inf. aor. staurôthènai van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 24,7 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
342. Jezus ter dood veroordeeld : Lc 23,24-25 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 -
| Lc 23,24 - Lc 23,24 : 342. Jezus ter dood veroordeeld - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [24] And Pilate gave sentence that it should be as they
required.
Luther-Bibel . 24 Und Pilatus urteilte, dass ihre Bitte erfüllt werde,
Tekstuitleg van Lc 23,24 .
| Lc 23,25 - Lc 23,25 : 342. Jezus ter dood veroordeeld - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -- Lc 23,24 - Lc 23,25 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [25] And he released unto them him that for sedition and
murder was cast into prison, whom they had desired; but he delivered Jesus to
their will.
Luther-Bibel . 25 und ließ den los, der wegen Aufruhr und Mord ins Gefängnis
geworfen war, um welchen sie baten; aber Jesus übergab er ihrem Willen.
Tekstuitleg van Lc 23,25 . Het vers Lc 23,25 telt 21 (3 X 7) woorden en 103 letters . De getalwaarde van Lc 23,25 is 12096 (2³ X 2³ X 3³ X 7) .
De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .
Lc 23,25.4. dia (door, gedurende, na) . Afkorting : di' . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Lc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . Lc (32 + 5 = 37) . Lc 22-24 (5 + 1 = 6) . dia (Lc 22-24 : 5) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,19 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 24,38 . (5) Lc 24,53 . di' (Lc 22-24 :1) Lc 22,22 .
- paredôkan (zij leverden over) . Verwijzing : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .
- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = overleveraar) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .
| paradidômi (overleveren) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken | 82 | 65 | 17 | 3 | 2 | 1 | 2 | 2 | 7 | 6 | 8 | 6 | 1 | |
| act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan | 8 | 2 | 6 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 4 | 5 | 1 |
| sanhedrin | sanhedrin | sanhedrin | Judas | Pilatus | Pilatus | Pilatus |
| Mc 15,1 | Mt 27,2 | Mt 27,18 | Mc 3,19 | Mc 15,15 | Mt 27,26 | Lc 23,25 |
| kai (en) | kai (en) | hoti (dat) | kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) | kai (en) | ton de Ièsoun Jezus echter) | |
| paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) | paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) | dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) | hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) | paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus) | paredôken (leverde hij over) | ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over) |
| hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | tôi thelèmati autôn (aan hun wil) | |||
| 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - | 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1- | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 |
344. Naar Golgota : Lc 23,26-32 - Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32
| Lc 23,26 - Lc 23,26 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [26] And as they led him away, they laid hold upon one Simon,
a Cyrenian, coming out of the country, and on him they laid the cross, that
he might bear it after Jesus.
Luther-Bibel . 26 Und als sie ihn abführten, ergriffen sie einen Mann,
Simon von Kyrene, der vom Feld kam, und legten das Kreuz auf ihn, dass er's
Jesus nachtrüge.
Tekstuitleg van Lc 23,26 .
6. acc. mann. enk. simôna van de eigennaam Simôn (Simon) . Taalgebruik in het N.T. : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mt 10,4 // Mc 3,18 // Lc 6,15 . 3. Simon , de melaatse : Mt 26,6 // Mc 14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mt 27,32 // Mc 15,21 // Lc 23,26 . Lc (5) : (1) Lc 5,4 . (2) Lc 5,10 . (3) Lc 6,14 . (4) Lc 6,15 . (5) Lc 23,26 . Een vorm van Simon (Petrus) in 9 verzen in Lc : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 5,3 . (3) Lc 5,4 . (4) Lc 5,5 . (5) Lc 5,8 . (6) Lc 5,10 . (7) Lc 6,14 . (8) Lc 22,31 . (9) Lc 24,34 .
| Lc 23,27 - Lc 23,27 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [27] And there followed him a great company of people, and
of women, which also bewailed and lamented him.
Luther-Bibel . 27 Es folgte ihm aber eine große Volksmenge und Frauen,
die klagten und beweinten ihn.
Tekstuitleg van Lc 23,27 . Het vers Lc 23,27 telt 15 (3 X 5) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Lc 23,27 is 8306 (2 X 4153) .
Lc 23,27.1. ind. imperf. 3de pers. enk. èkolouthei van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Lc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet . Lc (4) : (1) Lc 5,28 . (2) Lc 18,43 . (3) Lc 22,54 . (4) Lc 23,27 . Een vorm van akoloutheô (volgen) in Lc in 17 verzen : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 5,27 . (3) Lc 5,28 . (4) Lc 7,9 . (5) Lc 9,11 . (6) Lc 9,23 . (7) Lc 9,49 . (8) Lc 9,57 . (9) Lc 9,59 . (10) Lc 9,61 . (11) Lc 18,22 . (12) Lc 18,28 . (13) Lc 18,43 . (14) Lc 22,10 . (15) Lc 22,39 . (16) Lc 22,54 . (17) Lc 23,27 .
Lc 23,27.5. nom. + acc. onz. enk. plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het N.T. : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in Lc : plèthos (menigte, veelheid) . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Dit is de enigste vorm in Lc .
4.5. polu plèthos (een grote menigte) . In vier verzen in het N.T. :
(1) Mc 3,7
. (2) Lc
23,27 . (3) Hnd
14,1 . (4) Hnd
17,4 .
- plèthos tou laou (een menigte volk) . In drie verzen in het N.T. :
(1) Lc
1,10 . (2) Lc
23,27 . (3) Hnd
21,36 .
Bij de kruisweg is een grote menigte volk en vrouwen aanwezig . In Lc
23,35 staat het volk (ho laos) toe te kijken terwijl Jezus aan het kruis
hangt . In Lc
23,48 hebben alle menigten ( pantes hoi ochloi) gezien hoe Jezus stierf
. Het volk / de menigte(n) was dus getuige van de kruisweg , de kruisiging en
het sterven van Jezus .
| Lc 23,28 - Lc 23,28 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [28] But Jesus turning unto them said, Daughters of Jerusalem,
weep not for me, but weep for yourselves, and for your children.
Luther-Bibel . 28 Jesus aber wandte sich um zu ihnen und sprach: Ihr Töchter
von Jerusalem, weint nicht über mich, sondern weint über euch selbst
und über eure Kinder.
Tekstuitleg van Lc 23,28 .
6. nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (55) . Lc 23 (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 23,43 . (3) Lc 23,46 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 23 (9) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,20 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 23,26 . (5) Lc 23,28 . (6) Lc 23,34 . (7) Lc 23,42 . (8) Lc 23,46 . (9) Lc 23,52 .
13. acc. enk. persoonl. voornaamw. 2de pers. enk. eme (mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : persoonlijk voornaamwoord . Lc (7) : (1) Lc 1,43 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 9,48 . (4) Lc 10,16 . (5) Lc 22,53 . (6) Lc 23,28 . (7) Lc 24,39 .
12. - 13. ep'eme (op mij, tegen mij) . Lc (3) : (1) Lc 4,18 . (2) Lc 22,53 . (3) Lc 23,28 .
| Lc 23,29 - Lc 23,29 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [29] For, behold, the days are coming, in the which they
shall say, Blessed are the barren, and the wombs that never bare, and the paps
which never gave suck.
Luther-Bibel . 29 Denn siehe, es wird die Zeit kommen, in der man sagen wird:
Selig sind die Unfruchtbaren und die Leiber, die nicht geboren haben, und die
Brüste, die nicht genährt haben!
Tekstuitleg van Lc 23,29 .
| Lc 23,30 - Lc 23,30 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [30] Then shall they begin to say to the mountains, Fall
on us; and to the hills, Cover us.
Luther-Bibel . 30 Dann werden sie anfangen zu sagen zu den Bergen: Fallt über
uns!, und zu den Hügeln: Bedeckt uns!
Tekstuitleg van Lc 23,30 .
1. tote (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Lc : tote (dan) . Lc (15) : (1) Lc 5,35 . (2) Lc 6,42 . (3) Lc 11,24 . (4) Lc 11,26 . (5) Lc 13,26. (6) Lc 14,9 . (7) Lc 14,10 . (8) Lc 14,21 . (9) Lc 16,16 . (10) Lc 21,10 . (11) Lc 21,20. (12) Lc 21,21 . (13) Lc 21,27 . (14) Lc 23,30 . (15) Lc 24,45 .
| Lc 23,31 - Lc 23,31 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [31] For if they do these things in a green tree, what shall
be done in the dry?
Luther-Bibel . 31 Denn wenn man das tut am grünen Holz, was wird am dürren
werden?
Tekstuitleg van Lc 23,31 .
| Lc 23,32 - Lc 23,32 : 344. Naar Golgota : Mc 15,21 - Mt 27,32 - Lc 23,26-32 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,26 - Lc 23,27 - Lc 23,28 - Lc 23,29 - Lc 23,30 - Lc 23,31 - Lc 23,32 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [32] And there were also two other, malefactors, led with
him to be put to death. .
Luther-Bibel . 32 Es wurden aber auch andere hingeführt, zwei Übeltäter,
dass sie mit ihm hingerichtet würden.
Tekstuitleg van Lc 23,32 .
345. Kruisiging : Lc 23,33-34 - Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 -- Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
| Lc 23,33 - Lc 23,33 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [33] And when they were come to the place, which is called
Calvary, there they crucified him, and the malefactors, one on the right hand,
and the other on the left.
Luther-Bibel . 33 Und als sie kamen an die Stätte, die da heißt Schädelstätte,
kreuzigten sie ihn dort und die Übeltäter mit ihm, einen zur Rechten
und einen zur Linken.
Tekstuitleg van Lc 23,33 .
(3). ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (4) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 10,30 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,24 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 . (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 . (17) Lc 22,4 . (18) Lc 22,13 . (19) Lc 23,33 . (20) Lc 24,12 . (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen .
11. act. ind. aor. 3de pers. mv. estaurôsan van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,33 . (2) Lc 24,20 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
| Lc 23,34 - Lc 23,34 : 345. Kruisiging : Mc 15,22-26 - Mt 27,33-37 - Lc 23,33-34 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,33 - Lc 23,34 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [34] Then said Jesus, Father, forgive them; for they know
not what they do. And they parted his raiment, and cast lots.
Luther-Bibel . 34 Jesus aber sprach: Vater, vergib ihnen; denn sie wissen nicht,
was sie tun! Und sie verteilten seine Kleider und warfen das Los darum.
Tekstuitleg van Lc 23,34
1. 2. 3. In Lc
22 , Lc 23
, Lc 24 wordt
het onderwerp Ièsous (Jezus) (Verwijzing
: Ièsous
(Jezus) , zie Lc
15,11) zevenmaal aangewend :
(1) Lc
22,48 (Ièsous de eipen autôi = Jezus echter zei tot hem - Judas
-) .
(2) Lc
22,51 (apokritheis de ho Ièsous eipen = beantwoord echter zei Jezus)
.
(3) Lc
22,52 (eipen de Ièsous pros ... = Jezus echter zei tot ...) .
(4) Lc
23,28 (strafeis de pros autas ho Ièsous eipen = gekeerd echter tot
hen zei Jezus) .
(5) Lc
23,34 (ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) .
(6) Lc
23,46 (kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met
luide stem zei Jezus : Vader... ) .
(7) Lc
24,15 (Jezus liep met hen mee) .
In zes verzen is Jezus onderwerp van het werkwoord zeggen ; vijfmaal eipen =
hij zei ; eenmaal elegen = hij zei . In vijf van de zes verzen gaat het onderwerp
Jezus vooraf aan de werkwoordsvorm van legô = zeggen ; in één
vers volgt het onderwerp Jezus op de werkwoordsvorm . In vijf van de zeven verzen
wordt het partikel de (echter) gebruikt , in twee verzen het verbindingswoord
kai (en) . In vier verzen gaat een participium aorist aan het hoofdwerkwoord
vooraf . In drie verzen ervan staat dan het bepalend lidwoord ho bij het onderwerp
Ièsous . Lc
23,34 (ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) is
iets bijzonders : 1) de werkwoordvorm elegen = hij zei . 2) het gebruik van
het bepalend lidwoord bij Ièsous (Jezus) .
5. pater (vader) . Verwijzing : patèr
(vader), zie Lc
15,12 . Vocatief . In elf verzen bij Lucas . In vijf verzen richt Jezus
zich tot God als 'Vader' :
(1) Lc
10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc
11,2 (het Onzevader) . .
(9) Lc
22,42 (Jezus in Getsemane) .
(10) Lc
23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(11) Lc
23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd
worden , zoon van God (Lc
1,35) . Bij de doop (Lc
3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde
, in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc
9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene
. Luistert naar hem (Lc
9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie .
Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine
geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis
het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God"
(Lc 22,70)
.
6. Afes (vergeef) . Verwijzing : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) , zie Mt 6,14 . Imperatief aorist tweede persoon enkelvoud . Deze vorm komt bij Lucas in zes verzen voor : (1) Lc 6,42 . (2) Lc 9,60 . (3) Lc 11,4 . (4) Lc 13,8 . (5) Lc 17,3 . (6) Lc 23,34 , maar zeldzaam in de betekenis van vergeven , wel in de betekenis van sta me toe, ver-ont-schuldig me, laat achter enz.
346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Lc 23,35-43 - Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43
| Lc 23,35 - Lc 23,35 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [35] And the people stood beholding. And the rulers also
with them derided him, saying, He saved others; let him save himself, if he
be Christ, the chosen of God.
Luther-Bibel . 35 Und das Volk stand da und sah zu. Aber die Oberen spotteten
und sprachen: Er hat andern geholfen; er helfe sich selber, ist er der Christus,
der Auserwählte Gottes.
Tekstuileg van Lc 23,35
1. - 5. In vijf woorden wordt de houding van het volk geschetst . Het volk stond erop toe te kijken alsof het naar een theatervoorstelling (theôrôn) of een spektakel (expectans) was gaan kijken . Het keek ernaar en deed niets . Het liet gebeuren . Het stond . Het bewoog niet . Het kwam niet in actie . Het keek . Het volk zei ook niets . Het zei niets tot hun oversten , Jezus of de medegekruisigden . Het volk zweeg .
5. theôrôn (kijkend). Enige vorm bij de synoptici. Verwijzing : theôreô (zien, kijken), zie Mc 16,4 .
6. ekmuktèrizô (uitlachen)
. Verwijzing : ekmuktèrizô
(uitlachen) , zie Lc
23,35 . Zie ook verwijzing : lâ`ag
(bespotten, beschimpen) , zie Ps
2,4
--- exemuktèrizon (zij lachten uit) . Imperfectum derde persoon meervoud
. In twee verzen in de bijbel : (1) Lc
16,14 . (2) Lc
23,35 .
--- exemuktèrisan . Aorist . In twee verzen in de bijbel : (1) Ps
22,8 . (2) Ps
35,16 .
--- ekmukturiei (hij lacht uit). Praesens derde persoon enkelvoud. In slechts
één vers in de bijbel : Ps
2,4 .
In vijf woorden wordt de houding van de oversten geschetst . De oversten (de
hogepriesters , de schriftgeleerden en de priesters) spreken wel . Ze lachen
en spotten . Er is een ongelijke strijd : Jezus die hoog aan het kruis hangt
, de oversten die beneden onder het kruis staan .
Wat zeggen de oversten? "Anderen heeft hij gered, red uzelf (in het grieks:
tweemaal twee woorden : sôzô: redden , vanwaar het zelfstandig naamwoord
sôtèr : redder) . Dit staat in schril contrast met wat de engelen
aan de herders aankondigen : Lc
2,11 : want is geboren voor u heden de redder , die is Christus de Heer
(grieks: christos kurios) . Maar het gaat in beide gevallen om redden (sôzô
- sôtèr) . En we merken nog meer gelijkenis:
Lc 2,11
: hos estin christos kurios (die is Christus de Heer)
Lc 23,35
: ei houtos estin christos tou theou , ho eklektos (indien deze is Christus
van God, de uitverkorene).
En het doet ook denken aan de ondervraging door de hogepriester : Mc
14,60 : gij zijt de Christus, de zoon van God (su ei ho Christis ho huios
tou theou).
Op deze uitlatingen van de oversten zegt Jezus niets .
17. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
| Lc 23,36 - Lc 23,36 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [36] And the soldiers also mocked him, coming to him, and
offering him vinegar,
Luther-Bibel . 36 Es verspotteten ihn auch die Soldaten, traten herzu und brachten
ihm Essig
Tekstuitleg van Lc 23,36 .
| Lc 23,37 - Lc 23,37 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [37] And saying, If thou be the king of the Jews, save thyself.
Luther-Bibel . 37 und sprachen: Bist du der Juden König, so hilf dir selber!
Tekstuitleg van Lc 23,37 .
7. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .
| Lc 23,38 - Lc 23,38 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [38] And a superscription also was written over him in letters
of Greek, and Latin, and Hebrew, THIS IS THE KING OF THE JEWS.
Luther-Bibel . 38 Es war aber über ihm auch eine Aufschrift: Dies ist der
Juden König.
Tekstuitleg van Lc 23,38 .
8. nom. mann. enk. basileus (koning) . Taalgebruik in het N.T. : basileus (koning) . Taalgebruik in Lc : basileus (koning) . Lc (5) : (1) Lc 14,31 . (2) Lc 19,38 . (3) Lc 23,3 . (4) Lc 23,37 . (5) Lc 23,38 . Een vorm van basileus (koning) in Lc in 10 (11X) verzen : (1) Lc 1,5 . (2) Lc 10,24 . (3) Lc 14,31 (basileus en baselei) . (4) Lc 19,38 . (5) Lc 21,12 .(6) Lc 22,25 . (7) Lc 23,2 . (8) Lc 23,3 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,38 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en 10 verzen .
11. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
| Lc 23,39 - Lc 23,39 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [39] And one of the malefactors which were hanged railed
on him, saying, If thou be Christ, save thyself and us.
Luther-Bibel . 39 Aber einer der Übeltäter, die am Kreuz hingen, lästerte
ihn und sprach: Bist du nicht der Christus? Hilf dir selbst und uns!
Tekstuitleg van Lc 23,39 .
| Lc 23,40 - Lc 23,40 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [40] But the other answering rebuked him, saying, Dost not
thou fear God, seeing thou art in the same condemnation?
Luther-Bibel . 40 Da wies ihn der andere zurecht und sprach: Und du fürchtest
dich auch nicht vor Gott, der du doch in gleicher Verdammnis bist?
Tekstuitleg van Lc 23,40 .
| Lc 23,41 - Lc 23,41 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [41] And we indeed justly; for we receive the due reward
of our deeds: but this man hath done nothing amiss.
Luther-Bibel . 41 Wir sind es zwar mit Recht, denn wir empfangen, was unsre
Taten verdienen; dieser aber hat nichts Unrechtes getan.
Tekstuitleg van Lc 23,41 .
10. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
| Lc 23,42 - Lc 23,42 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [42] And he said unto Jesus, Lord, remember me when thou
comest into thy kingdom.
Luther-Bibel . 42 Und er sprach: Jesus, gedenke an mich, wenn du in dein Reich
kommst!
Tekstuitleg van Lc 23,42 .
| Lc 23,43 - Lc 23,43 : 346. Bespotting van de gekruisigde Jezus : Mc 15,27-32 - Mt 27,38-44 - Lc 23,35-43 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,35 - Lc 23,36 - Lc 23,37 - Lc 23,38 - Lc 23,39 - Lc 23,40 - Lc 23,41 - Lc 23,42 - Lc 23,43 | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [43] And Jesus said unto him, Verily I say unto thee, To
day shalt thou be with me in paradise.
Luther-Bibel . 43 Und Jesus sprach zu ihm: Wahrlich, ich sage dir: Heute wirst
du mit mir im Paradies sein.
Tekstuitleg van Lc 23,43 .
Lc 23,35: ei houtos estin christos tou theou, ho eklektos (indien deze is Christus van God, de uitverkorene). En het doet ook denken aan de ondervraging door de hogepriester: Mc 14, 60 : gij zijt de Christus, de zoon van God (su ei ho Christis ho huios tou theou).Deze zin doet denken aan de ondervraging door Pilatus: Mc 15,2 : su ei ho basileus toon Ioudaaioon (identiek als Lc 23,37): gij zijt de koning van de Joden.
Vanuit het oogpunt van de leiders van het Joodse volk wordt het messiasschap
van Jezus ontkend, vanuit het oogpunt van de Romeinse overheerser het koningschap
van Jezus, of tenminste een koningschap van aardse macht.
Hoe is dat koningschap van Jezus ingevuld? Het werd een koningschap dat geen
bedreiging voor de Romeinse keizer werd, meer nog: beiden zouden met elkaar
kunnen samengaan. Jezus zegt: Mijn koningschap is niet van deze wereld; indien
mijn koningschap van deze wereld was... Geef aan de keizer wat de keizer toekomt
en aan God wat God toekomt.
Het koningschap van Jezus overtreft zelfs dat van de Romeinse keizer, want het
is een geestelijk koningschap.
Op deze manier heeft het christendom zich kunnen realiseren, door enerzijds
afstand te nemen van het jodendom, door anderzijds de lont uit de spanning tussen
twee koninklijke machten te halen door het koninkrijk van Jezus als een geestelijk
koninkrijk te interpreteren. Het is ook de weg waardoor aan Jezus grotere macht
werd toegekend en de weg openmaakte voor de interpretatie van het zoonschap
van God als God zelf.
Bron : ??? De Levende : Lc. 23,47-24,12
Van de hoofdman die getuige was van het sterven van Jezus, vermeldt Lucas dat
hij God verheerlijkte door Jezus een tsaddiek, een rechtvaardige te noemen.
Uit de mond van een Romein is deze benaming stellig ongewoon, hoewel hij die
natuurlijk gebruikt kan hebben zonder de bedoeling er dezelfde ‘technische’
betekenis aan te hechten die in de joodse term tsaddiek ligt opgesloten. Mogelijk
is ook dat Lucas deze term kiest als omschrijving van het bij Mattheüs
(27 : 54) en Marcus (15: 39) voorkomende ‘Zoon Gods’, dat dan uiteraard
in de visie van een Romein geen strikt Messiaanse benaming behoeft te zijn —
tenzij deze hoofdman tot de ‘godvrezenden’ behoorde. Daarover geeft
de Schrift ons geen uitsluitsel.
De man die in eerste instantie voor de begrafenis van Jezus zorg draagt, is
een zekere Jozef, van wie Lucas ons meedeelt dat hij een goed en rechtvaardig
man was, die niet had ingestemd met ‘raad en bedrijf’ van het sanhedrin,
waarvan hij blijkbaar wel lid was (Lc 23,50, vgl. Mc 15, 43). Lucas tekent hem
ook als een volgeling van Jezus door te vermelden dat hij ‘het Koninkrijk
Gods verwachtte’. De plaats Arimatea, waarvan deze Jozef afkomstig was,
wordt door Lucas (vs. 51) ‘een stad der joden’ genoemd, waarschijnlijk
om daarmee aan te geven dat Arimatea in Judea lag (vgl. pag. 36 en de daar genoemde
teksten).
De manier waarop Lucas in vs 53 de begrafenis beschrijft, is in overeenstemming
met de mededeling van Johannes (19, 40): ‘zoals het bij de joden gebruikelijk
is te begraven’.
Van de uit Galilea afkomstige vrouwen, die blijkens vss. 55-56 deze begrafenis
wilden voltooien door bijvoeging van ‘specerijen en mirre’, vermeldt
Lucas uitdrukkelijk dat ze ‘op de sabbat rustten, naar het gebod’.
Ook deze volgelingen van Jezus behoorden dus tot de kring der vrome Israëlieten.
Van deze vrouwen worden er in Lc 24,10 drie met name genoemd. Twee van deze
namen, Maria Magdalena en Johanna, kwamen bij Lucas reeds eerder voor (8,2-3),
terwijl de derde, Maria, de moeder van Jakobus (de jongere), ook door de beide
andere synoptici als een der eerste woordgetuigen van de opstanding wordt vermeld.
Hun getuigenis vindt echter bij de apostelen geen geloof: ‘deze woorden
schenen hun zotteklap’ (24,11). Naar joodse opvatting stonden de apostelen
daarmee althans juridisch in hun recht: reeds Josefus vermeldt dat in rechtszaken
het getuigenis van vrouwen niet geldig is. Dat gold overigens ook van het getuigenis
van engelen. Daarom is het merkwaardig dat Matth. 28,5 de ene jongeling van
Mc 16,5 een engel noemt. Opvallend is het echter dat Lucas het aantal jongelingen
van Marcus verdubbelt en spreekt van ‘twee mannen in blinkend gewaad’
(Lc 24,4). Volgens het wetsvoorschrift van Dt 19,15 is één getuige
niet voldoende: ‘op de verklaring van twee of drie getuigen zal een zaak
vaststaan’. Dat gold m.n. voor een doodvonnis (Nu 35,30 ; Dt 17,6; He
10,28 ), maar evenzeer voor ‘elke andere ongerechtigheid of zonde’
(Dt 19,15 ). Zowel Jezus als Paulus hebben, in ander verband, naar dit wetsvoorschrift
verwezen (Joh 8,17 ; 2 Kor 13,1).
Ook in het opstandingsevangelie gaat het om een zaak van leven of dood: ‘Wat
zoekt gij de Levende bij de doden?’ (Lc 24,5 ). Strikt genomen geldt deze
uitspraak alleen van God, zoals een joodse midrasj op Ex 5,1 aantoont: ‘Toen
Mozes en Aäron in de Naam des HEREN tot Farao kwamen, raadpleegde deze
eerst zijn boeken, of hij, temidden van de goden der volken, ook de naam van
de God van Israël vinden kon. Daarop zeiden Mozes en Aäron tot hem:
‘Gij dwaas, men pleegt wel de doden onder de levenden te zoeken, maar
soms ook de levenden bij de doden? Onze God is een levende God — die andere,
waarover gij spreekt, zijn immers dood?’
Opvallend is dat ook in deze midrasj twee getuigen worden genoemd: Mozes en
Aäron. Even opvallend is trouwens dat Lucas hier een uitspraak die in de
midrasj op God betrekking heeft, toepast op de opgestane Heer.
347. Kruisdood van Jezus : Lc 23,44-48 - Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a -
| Lc 23,44 - Lc 23,44 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [44] And it was about the sixth hour, and there was a darkness
over all the earth until the ninth hour.
Luther-Bibel . 44 Und es war schon um die sechste Stunde, und es kam eine Finsternis
über das ganze Land bis zur neunten Stunde,
Tekstuitleg van Lc 23,44 .
| Lc 23,45 - Lc 23,45 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [45] And the sun was darkened, and the veil of the temple
was rent in the midst.
Luther-Bibel . 45 und die Sonne verlor ihren Schein, und der Vorhang des Tempels
riss mitten entzwei.
Tekstuitleg van Lc 23,45 .
2. gen. mann. enk. (h)èliou (van Elia) van het zelfst. naamw. (h)èlios
(zon / Elia) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios
(zon) . Taalgebruik in Lc . : hèlios
(zon) .
Lc (4) : (1) Lc
1,17 (Elia) . (2) Lc
4,25 (Elia) . (3) Lc
4,40 . (4) Lc
23,45 . Een vorm van (h)èlios (zon / Elia) in 5 verzen : (1) Lc
1,17 (Elia) . (2) Lc
4,25 (Elia) . (3) Lc
4,40 . (4) Lc
21,25 . (5) Lc
23,45 .
| Lc 23,46 - Lc 23,46 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . And when Jesus had cried with a loud voice, he said, Father,
into thy hands I commend my spirit: and having said thus, he gave up the ghost.
Luther-Bibel (1984) . Und Jesus rief laut: Vater, aich befehle meinen Geist
in deine Hände! Und als er das gesagt hatte, verschied er .
Tekstuitleg van Lc 23,46 . Dit vers Lc 23,46 telt 19 woorden , 38 (2 X 19) lettergrepen en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Lc 23,46 is 11414 (2 X 13 X 439) . Hnd 7,60 telt 18 woorden en 38 lettergrepen . De structuur van beide verzen komt met elkaar overeen . Het vers bevat drie nevenschikkende zinnen . De eerste zin leidt het citaat in ; de tweede zin geeft het citaat ; de derde zin vertelt wat er gebeurt na de geciteerde woorden . Het citaat wordt omgeven door een vorm van het werkwoord legô (zeggen) . Het is als 't ware dat Jezus met zijn laatste adem de woorden uitspreekt : "Vader , in uw handen beveel ik mijn geest (to pneuma mou)" . Terwijl Jezus dat zegt laat hij zijn geest los , ademt hij zijn geest uit (exepneusen = hij ademde uit , hij stierf ) .
Lc 23,46
: kai fônèsas fônè megalè o Ièsous eipen pater eis cheiras sou paratithemai
to pneuma mou touto de eipôn exepneusen .
Mc 15,34
: kai tèi enatèi hôraie boèsen ho Ièsous fônèi
megalèi .
Mc 15,37 :
ho de Ièsous afeis fônèn megalèn exepneusen .
Mt 27,46
: peri de tèn enatèn hôran aneboèsen ho Ièsous
fônèi megalèi legôn .
Mt 27,50 :
ho de Ièsous palin kraksas fônèi megalèi afèken
to pneuma .
Hnd 7,59 :
legonta (en zeggend) Kurie Ièsou , dexai to pneuma mou .
Hnd
7,60 : theis de ta gonata ekraksen fônèi megalèi Kurie
mè stèsèis autois tautèn tèn hamartian
kai touto eipôn ekoimèthè .
Lc 23,46.1. kai (en) , zie Lc 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 822 verzen bij Lucas . In eenenveertig verzen in Lc 23 . kai (en) staat bij het begin van het vers Lc 23,46 en verbindt bijgevolg Lc 22,45 met Lc 23,46 .
Lc 23,46.2.
actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud fônèsas
(geroepen) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in
het N.T. : fôneô
(roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Lc : fôneô
(roepen, schreeuwen) . In het Lat. vertaald door het werkw. vocare = roepen
, vox = stem . Hebr. qârâ . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj
= 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Fr. appeler < Lat. pellere
, pello , pulsum = stoten , slaan , doen klinken . appellare = oproepen ; appel
: oproep . Cfr tele-foon . Lc (3) :
(1) Lc 16,2
: kai fônèsas auton eipen autôi = en hem geroepen zei hij
aan hem . (Een rijk man riep zijn rentmeester bij zich) .
(2) Lc
16,24 : kai autos fônèsas eipen, pater Abraam = en zelf geroepen
zei : Vader Abraham... (De rijke riep in het dodenrijk tot vader Abraham) .
(3) Lc
23,46 : kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met
luide stem zei Jezus : Vader... ) . (Met luide stem riep Jezus, Vader...) .
In de verzen van het Lucasevangelie is het hoofdwerkwoord eipen = hij zei (aorist
van het werkwoord legô = zeggen) . Het leidt een citaat in . In één
vers nl. Lc
23,46 is Jezus aan het woord .
Een vorm van foneô (roepen, schreeuwen) in Lc in 10 verzen : (1) Lc
8,8 . (2) Lc
8,54 . (3) Lc
14,12 . (4) Lc
16,2 . (5) Lc
16,24 . (6) Lc
19,15 . (7) Lc
22,34 . (8) Lc
22,60 . (9) Lc
22,61 . (10) Lc
23,46 .
Lc 23,46.3. nom. + dat. vr. enk. fônè(i) (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Lc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn . Lc (7) (nom. 3 / 7 ; dat. 4 / 7) : (1) Lc 1,44 (nom.). (2) Lc 3,4 (nom.) . (3) Lc 4,33 (dat.) . (4) Lc 8,28 (dat.) . (5) Lc 9,35 (nom.) . (6) Lc 19,37 (dat.) . (7) Lc 23,46 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 3,22. (4) Lc 4,33 . (5) Lc 8,28 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 17,13 . (10) Lc 17,15 . (11) Lc 19,37 . (12) Lc 23,23 . (13) Lc 23,46 .
Lc 23,46.4. nom. + dat. vr. enk. megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamw. megas (groot) . Taalgebruik in het N.T. : megas (groot) . Taalgebruik in Lc : megas (groot) . Lc (6) (nom. : 1 / 6 ; dat. 5 / 6) : (1) Lc 1,42 (dat.) . (2) Lc 4,33 (dat.) . (3) Lc 8,28 (dat.) . (4) Lc 19,37 (dat.) . (5) Lc 21,23 (nom.) . (6) Lc 23,46 (dat.) . Een vorm van megas (groot) in Lc in 25 verzen , in Lc 23 in 2 verzen : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 23,46 .
Lc 23,46.3.
- 4. fônèi (met - luide - stem) megalèi (fônè(i)
4 / 4 ; megalè(i) 4 / 5) . Het zelfstandig naamwoord is van dezelfde
stam als het werkwoord fôneô (roepen) . fônèi megalèi
komt bij Lucas in vier verzen voor :
(1) Lc
4,33 : anekraxen fônèi megalèi = en hij schreeuwde het
uit met luide stem .
(2) Lc
8,28 : kai fônèi megalèi eipen = en met luide stem zei
hij .
(3) Lc
19,37 : ainein ton theon fônèi megalèi = God loven met
luide stem .
(4) Lc
23,46 : kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met
luide stem zei Jezus : Vader... .Het geeft de indruk dat Jezus zijn lot niet
lijdzaam ondergaat , maar bewust beleeft . Luid roepen vraagt inspanning , energie
. Hij beleeft zijn situatie in tegenwoordigheid van God . Jezus is aan het bidden
. Het is een gebed waarbij een Psalm woorden aanreikt waardoor de situatie een
verwoorde en geduide situatie wordt .
Lc 23,46.6. nom. mann. enk. ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (55) . Lc 23 (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 23,43 . (3) Lc 23,46 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 23 (9) : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,20 . (3) Lc 23,25 . (4) Lc 23,26 . (5) Lc 23,28 . (6) Lc 23,34 . (7) Lc 23,42 . (8) Lc 23,46 . (9) Lc 23,52 .
Lc 23,46.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 23 (13) : (1) Lc 23,2 . (2) Lc 23,3 . (3) Lc 23,5 . (4) Lc 23,18 . (5) Lc 23,21 . (6) Lc 23,30 . (7) Lc 23,34 . (8) Lc 23,35 . (9) Lc 23,37 . (10) Lc 23,39 . (11) Lc 23,42 . (12) Lc 23,43 . (13) Lc 23,47 ; van eipon (ik zei) in Lc 23 (6) : (1) Lc 23,4 . (2) Lc 23,14 . (3) Lc 23,22 . (4) Lc 23,28 . (5) Lc 23,43 . (6) Lc 23,46 . Totaal : Lc 23 (13 + 6 = 19) .
Lc 23,46.5.
- 7. ho de ièsous eipen (Jezus echter zei) . Lc (2 . ièsous 2
/ 55 ; eipen 2 / 223) : (1) Lc
8,46 . (2) Lc
22,48 . ho ièsous eipen (Jezus zei) . Lc (15 . ièsous 15 /
55 ; eipen 15 / 223) ) : (1) Lc
5,31 . (2) Lc
7,22 . (3) Lc
7,40 . (4) Lc
9,41 . (5) Lc
9,43 . (6) Lc
10,30 . (7) Lc
13,2 . (8) Lc
14,3 . (9) Lc
17,17 . (10) Lc
18,22 . (11) Lc
18,42 . (12) Lc
20,8 . (13) Lc
22,51 . (14) Lc
23,28 . (15) Lc
23,46 .
In Lc 22 ,
Lc 23 , Lc
24 wordt het onderwerp Ièsous (Jezus) zevenmaal aangewend . In zes
verzen is Jezus onderwerp van het werkwoord zeggen ; vijfmaal eipen = hij zei
; eenmaal elegen = hij zei . In vijf van de zes verzen gaat het onderwerp Jezus
vooraf aan de werkwoordsvorm van legô = zeggen ; in één
vers volgt het onderwerp Jezus op de werkwoordsvorm . In vijf van de zeven verzen
wordt het partikel de (echter) gebruikt , in twee verzen het verbindingswoord
kai (en) . In vier verzen gaat een participium aorist aan het hoofdwerkwoord
vooraf . In drie verzen ervan staat dan het bepalend lidwoord ho bij het onderwerp
Ièsous .
eipen (hij zei) . Verwijzing : legô
(zeggen) , zie Lc
15,11 . In 223 verzen bij Lucas . In zes verzen in Lc
23 :
(4) Lc
23,28 : strafeis de pros autas ho Ièsous eipen = gekeerd echter tot
hen zei Jezus (Jezus tot de vrouwen) .
(5) Lc
23,43 (Jezus tot één van de misdadigers) .
(6) Lc
23,46 (kai fônèsas fônèi megalèi ho Ièsous eipen pater = en geroepen met
luide stem zei Jezus : Vader... ) .
- Lc 23,34
(ho de Ièsous elegen , pater = Jezus echter zei : Vader,) .
- Lc 23,3
: apokritheis autôi efè = hem beantwoord zei hij (Jezus) . Jezus
beantwoordde de vraag van Pilatus of hij de koning van de joden is.
Lc 23,46.8.
vocatief mann. enk. pater (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader)
. Taalgebruik in het N.T. : patèr
(vader) . Taalgebruik in Lc : patèr
(vader) . Hebr. âbh . Lat. pater . Fr. père . Ned. vader .
E. father . D. Vater . Lc (11) : (1) Lc
10,21 . (2) Lc
11,2 . (3) Lc
15,12 . (4) Lc
15,18 . (5) Lc
15,21 . (6) Lc
16,24 (pater Abraam) . (7) Lc
16,27 . (8) Lc
16,30 (pater Abraam) . (9) Lc
22,42 . (10) Lc
23,34 . (11) Lc
23,46 . In vijf verzen richt Jezus zich tot God als 'Vader' : (1) Lc
10,21 . (2) Lc
11,2 . (9) Lc
22,42 . (10) Lc
23,34 . (11) Lc
23,46 . De eerste maal gebruikt Jezus het woord 'vader' in een dankgebed
(Lc 10,21)
, de laatste maal op het kruis (Lc
23,46) .
(1) Lc
10,21 (dankgebed van Jezus) .
(2) Lc 11,2
(het Onzevader) .
(3) Lc
22,42 (Jezus in Getsemane) .
(4) Lc
23,34 (vergevingswoorden bij de kruisiging) .
(5) Lc
23,46 (Jezus' laatste woorden) .
Bij de conceptie zegt de engel tot Maria : Daarom zal het kind heilig genoemd
worden , zoon van God (Lc
1,35) . Bij de doop (Lc
3,21-22) zegt een stem uit de hemel : Gij zijt mijn zoon, mijn welbeminde
, in wie ik welbehagen heb . In het verhaal van de verheerlijking (Lc
9,28-36) zegt een stem uit de wolk : Deze is mijn zoon , de uitverkorene
. Luistert naar hem (Lc
9,35) . Jezus beleeft zijn relatie tot God als een vader-zoon relatie .
Allerlei tegenstanders vermelden het zoonschap van Jezus : de duivel , een onreine
geest . Bij de ondervraging van Jezus door de raad was het doorslaggevend getuigenis
het antwoord van Jezus op de vraag : "U bent dus de zoon van God"
(Lc 22,70)
.
In de aanroeping 'Vader' ligt de kern van het hele evangelie . Deze aanroeping
geeft de relatie tussen Jezus en zijn Vader weer . Deze relatie wordt niet in
filosofische termen weergegeven . Deze relatie is een mystieke beleving en wordt
in 'mystieke' termen weergegeven .
Slechts vijfmaal roept Jezus zijn 'Vader' aan . Het is telkens een gebed . De
bundeling van die verschillende gebeden gebeurt in het Onzevader .
Lc 23,46.10
cheiras (handen) . In 392 verzen in de bijbel . In negenenevijftig verzen in
het N.T. . In elf verzen bij Lucas .
- cheir (hand) . Verwijzing : jad
(hand) , zie Ps
31,6 - cheir
(hand) , zie Lc
23,46 . In 142 verzen in de bijbel .
bëjâdëkhâ (in jouw hand) . Het kan ook bëjâdèkhâ
(in jouw handen) gevocaliseerd worden . Ps
31,6a spreekt Jezus uit op het kruis (Lc
23,46) . Het is een gebed van overgave aan God . Er is ook enige verwijzing
in Hnd
7,59 .
(1) Lc
4,40 : tas cheiras epititheis = de handen opleggend .
(2) Lc
9,44 : mellei paradidosthai eis cheiras anthrôpôn = zal overgeleverd
worden in handen van mensen .
(3) Lc
13,13 : kai epethèken autèi tas cheiras = en hij legde haar
de handen op .
(4) Lc
13,13 : epiballein ep'auton tas cheiras = op te leggen op hem de handen
.
(5) Lc
21,12 : epibalousin ef'humas tas cheiras autôn = zij zullen op jullie
hun handen opleggen . Zie Mc
14,46 . 3. epebalon (zij legden op) .
(6) Lc
23,53 : ouk exeteinate tas cheiras ep'eme = jullie strekten de handen niet
uit op mij .
(7) Lc
23,46 : pater eis cheiras sou paratithemai to pneuma mou = Vader , in uw
handen beveel ik mijn geest .
(8) Lc 24,7
: hoti dei paradothènai eis cheiras anthrôpôn kai hamartôlôn
= dat hij moest overgeleverd worde in handen van mensen en zondaars .
(9) Lc
24,39 : idete tas cheiras mou kai tas podas mou = zie mijn handen en mijn
voeten .
(10) Lc
24,40 : edeixen autois tas cheiras kai tas podas = hij toonde hen de handen
en de voeten .
(11) Lc
24,50 : eparas tas cheiras autou = zijn handen omhooggeheven .
- genitief enkelvoud cheiros . In 292 verzen in de bijbel . In zesentwintig
verzen in het N.T. .
Handen opleggen . Naar iemand een hand uitsteken (om iemand te bemachtigen)
. De hand op iemand leggen (overweldigen) . In iemands handen overleveren .
In iemands handen neerleggen . Zijn handen en voeten tonen . Zijn handen omhoogheffen
om te zegenen .
- epicheireô : de handen slaan aan , aanpakken , ondernemen , beproeven
.
--- epecheirèsan (zij beproefden) . Actief aorist derde persoon meervoud . Slechts
in Lc 1,1
.
Lc 23,46.12.
med. ind. praes. 1ste pers. enk. paratithemai (ik beveel aan) van het werkw.
paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) , bij iemand neerleggen , aanbevelen
. Taalgebruik in het N.T. : paratithèmi
(zetten naast, toevertrouwen) . Taalgebruik in Lc : paratithèmi
(zetten naast, toevertrouwen) . Lc 23 (1) Lc
23,46 . Een vorm van paratithèmi (zetten naast, toevertrouwen) in
Lc in 5 verzen : (1) Lc
9,16 . (2) Lc
10,8 . (3) Lc
11,6 . (4) Lc
12,48 . (5) Lc
23,46 .
- ´aphëgîd (ik zal toevertrouwen) . Actief hifil imperfectum
eerste persoon enkelvoud . Slechts in één vers in de bijbel :
Ps 31,6
. Verwijzing : pâqad
(omzien) , zie Ex
3,7 . LXX : parathèsomai . Actief ind. futurum eerste persoon enkelvoud
.
Lc 23,46.14. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Zelfstandig naamwoord . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Lc : pneuma (geest) . Hebr. rûach . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Lc (16) : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . Een vorm van pneuma (geest) in Lc in 36 verzen , in Lc 23 (1) Lc 23,46 .
Lc 23,46.13. - 15. to pneuma mou (mijn geest) . In Lc 1,35 zei de engel : Heilige geest zal over jou komen en de kracht van God zal je overschaduwen . Het begin van Jezus' leven heeft met geest te maken . In het verhaal van de vorming van de mens schrijft Gn 2,7 : Hij blies hem de levensadem in de neus : zo werd de mens een levend wezen . Op het einde van zijn leven beveelt Jezus uitdrukkelijk zijn geest aan God aan . Hij geeft zijn geest .
Lc 23,46.16. touto (dit) . In tien verzen in Lc 22 , Lc 23 , Lc 24 . In acht verzen in Lc 22 .
Lc 23,46.17. de (echter) . In eenendertig verzen in Lc 23 . In Lc 23,44-48 vind je driemaal kai (en) en driemaal de (echter) .
Lc 23,46.18.
act. part. aor. nom. mann. enk. eipôn (gezegd) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon . In vijf verzen bij Lucas :
(1) Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) .
(2) Lc
19,28 (kai eipôn tauta = en dit gezegd) . Jezus was op weg naar Jeruzalem
.
(3) Lc 22,8
. Bij de zending van Petrus en Johannes gaf Jezus hen een opdracht , die ingeleid
wordt door eipôn (gezegd) .
(4) Lc
23,46 ( touto de eipôn = dit echter gezegd) . Daarop stierf Jezus
.
(5) Lc
24,40 (kai touto eipôn = en dit gezegd) . Daarop toonde Jezus zijn
handen en zijn voeten .
Lc 23,46.19.
exepneusen (hij ademde uit, hij stierf) . In drie verzen in de bijbel : (1)
Mc 15,37
. (2) Mc
15,39 . (3) Lc
23,46 .
- ekpneô (uitademen, sterven)
. Verwijzing : ekpneô
(uitademen, sterven) , zie Lc
23,46 .
| Lc 23,47 - Lc 23,47 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [47] Now when the centurion saw what was done, he glorified
God, saying, Certainly this was a righteous man.
Luther-Bibel . 47 Als aber der Hauptmann sah, was da geschah, pries er Gott
und sprach: Fürwahr, dieser ist ein frommer Mensch gewesen!
Tekstuitleg van Lc 23,47 . Het vers Lc 23,47 telt 16 (2² X 2²) woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Lc 23,47 is 9423 (3³ X 349) .
1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Lc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . Een vorm van het werkw. eiden (hij zag) in Lc in 64 verzen , in Lc 23 in 2 verzen : (1) Lc 23,8 . (2) Lc 23,47 .
Lc 23,47.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edoxazen (hij / zij verheerlijkte) van het werkw. doxazô (verheerlijhen, loven) . Taalgebruik in het N.T. : doxazô (verheerlijken) . Taalgebruik in Lc : doxazô (verheerlijken) . Lc (2) : (1) Lc 13,13 . (2) Lc 23,47 . Een vorm van doxazô (verheerlijhen, loven) in Lc in 9 verzen : (1) Lc 2,20 . (2) Lc 4,15 . (3) Lc 5,25 . (4) Lc 5,26 . (5) Lc 7,16 . (6) Lc 13,13 . (7) Lc 17,15. (8) Lc 18,43 . (9) Lc 23,47 .
Lc 23,47.9. acc. mann. enk. theon van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Lc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (23) . (1) Lc 1,16 . (2) Lc 1,64 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,28 . (6) Lc 4,8 . (7) Lc 4,12 . (8) Lc 5,25 . (9) Lc 5,26 . (10) Lc 7,16 . (11) Lc 7,29 . (12) Lc 10,27 . (13) Lc 12,21 . (14) Lc 13,13 . (15) Lc 17,15 . (16) Lc 18,2 . (17) Lc 18,4 . (18) Lc 18,43 . (19) Lc 19,37 . (20) Lc 20,37 . (21) Lc 23,40 . (22) Lc 23,47 . (23) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (117) , in Lc 23 (4) : (1) Lc 23,35 . (2) Lc 23,40 . (3) Lc 23,47 . (4) Lc 23,51 .
Lc 23,47.7. - 9. Een vorm van doxazô (verheerlijken + ton theon : God verheerlijken . In zes van de zeven gevallen verheerlijkt een genezene of zijn omstaanders God : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 5,26 . (3) Lc 7,16 . (4) Lc 13,13 . (5) Lc 17,15 . (6) Lc 18,43 . (7) Lc 23,47 . In het zevende geval verheerlijkt de honderdman God bij het zien van de wijze waarop Jezus is gestorven (Lc 23,47) .
13. nom. mann. enk. anthrôpos anthrôpos (mens) . Taalgebruik in
het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Lc : anthrôpos
(mens) .
Lc (24) : (1) Lc
2,25 . (2) Lc
4,4 . (3) Lc
4,33 . (4) Lc
6,6 . (5) Lc
6,45 . (6) Lc
7,8 . (7) Lc
7,34 . (8) Lc
9,25 . (9) Lc
10,30 . (10) Lc
13,19 . (11) Lc
14,2 . (12) Lc
14,16 . (13) Lc
14,30 . (14) Lc
15,4 . (15) Lc
15,11 . (16) Lc
16,1 . (17) Lc
16,19 . (18) Lc
19,12 . (19) Lc
19,21 . (20) Lc
19,22 . (21) Lc
20,9 . (22) Lc
22,10 . (23) Lc
23,6 . (24) Lc
23,47 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Lc in 83 verzen , in Lc 23
in vier verzen : (1) Lc
23,4 . (2) Lc
23,6 . (3) Lc
23,14 . (4) Lc
23,47 .
14. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
Lc 23,47.15. nom. mann. enk. dikaios (rechtvaardig) . (rechtvaardig) . Taalgebruik in het N.T. : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (3) : (1) Lc 2,25. (2) Lc 23,47 . (3) Lc 23,50 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .
12. - 15. ho anthrôpos houtos dikaios (die mens - was - rechtvaardig) . Lc (2) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 23,47 .
| Lc 23,48 - Lc 23,48 : 347. Kruisdood van Jezus . Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,44 - Lc 23,45 - Lc 23,46 - Lc 23,47 - Lc 23,48 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 -- Lc 23,49 - Lc 23,50-56a - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [48] And all the people that came together to that sight,
beholding the things which were done, smote their breasts, and returned.
Luther-Bibel . 48 Und als alles Volk, das dabei war und zuschaute, sah, was
da geschah, schlugen sie sich an ihre Brust und kehrten wieder um.
Tekstuitleg van Lc 23,48 .
- Duisternis over Golgota door J.P. van de Giessen : CENTRUM VOOR BIJBELONDERZOEK , Postbus 503 , 3900 AM Veenendaal . Tel: 0318-50 30 98 . Fax: 0318-50 31 63 . E-mail : info@studiebijbel.nl . Internet: http://www.studiebijbel.nl . De verschillende theorieën : Zonsverduistering . Meteorieten en Kometen . Sarab of Sirocco Vulkaanuitbarstingen . Maansverduistering . Bovennatuurlijk verschijnsel .
| Mc 15,33 | Mt 27,45 | Lc 23,44 | Am 8,9 |
| Kai (en) | ... de (echter) | Kai (en) | kai (en) |
| genomeès hôras hektès (toen het zes uur werd) | Apo ... hektès hôras (vanaf... zes uur) | èn èdè hôsei hôra hektè (het was ongeveer zes uur) | dusetai ho hèlios mesèmbtias (de middagzon zal ondergaan) |
| skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde) | skotos egeneto epi pasan tèn gèn (duisternis was er over de ganse aarde) | kai skotos egeneto ef' holèn tèn gèn (duisternis was er over de hele aarde) | kai suskotasei epi tès gès en hèmerai to fôs (en het licht zal overdag verduisteren op aarde.) |
| heôs hôras enatès (tot negen uur) | heôs hôras enatès (tot negen uur) | heôs hôras enatès (tot negen uur) | |
| 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 | 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 | 347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 // Mt 27,45-54 // Lc 23,44-48 | Am 8,1-14 : vierde visioen |
Mc 15,33 // Mt 27,45 // Lc 23,44 . De tekst van de
drie evangelisten is ongeveer dezelfde. Het verbindingspartikel ' kai
' (en) in Marcus zwakt Matteüs af tot ' de' (echter). De losse genitief
van Marcus (een ondergeschikte tijdszin) ' genomenès hôras ektès
' (toen het zes uur werd) vervanht Matteüs door een tijdsbepaling met het
voorzetsel ' apo' (vanaf). Deze constructie kan ingegeven zijn door de tijdsbepaling
op het einde van de zin ' hèôs hôras enatès ' (tot
negen uur). Matteüs zet het telwoord ' hektès' (zesde) voor het
zelfstandig naamwoord ' hôras ' (uur) waardoor ' hektès ' (zesde)
vooraan de zin en ' enatès ' achteraan de zin staat en zo het geheel
omvat. We vertalen Matteüs : Van zes tot negen was er duisternis over het
ganse land.
Lucas zet de ondergeschikte tijdszin om in een nevenschikkende hoofdzin : '
kai ' (en) ... ' kai ' (en). In zijn eerste nevenschikkende zin voegt Lucas
twee woordjes toe : ' èdè ' (reeds) en ' hôsei ' (ongeveer).
De tekst van de synoptici alludeert op Am 8,9. De LXX-tekst staat het vervoegde
werkwoord in de derde persoon en 'de middagzon' en 'het daglicht' zijn onderw
348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Lc 23,49 - Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -
| Lc 23,49 - Lc 23,49 : 348 Vrouwen als getuigen van Jezus'dood : Mc 15,40-41 - Mt 27,55-56 - Lc 23,49 -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [49] And all his acquaintance, and the women that followed
him from Galilee, stood afar off, beholding these things
Luther-Bibel . 49 Es standen aber alle seine Bekannten von ferne, auch die Frauen,
die ihm aus Galiläa nachgefolgt waren, und sahen das alles.
Tekstuitleg van Lc 23,49 .
In de Hebreeuwse tekst staat het vervoegde werkwoord in de eerste persoon en verwijst naar God . De vertaling luidt : Ik laat de zon ondergaan op de middag en het licht verduisteren over de aarde overdag .
Lc 23,49.10. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 23 in 3 verzen : (1) Lc 23,27 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .
Lc 23,49.16. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .
349. Begrafenis van Jezus : Lc 23,50-56a . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a -- bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 -
| Lc 23,50 - Lc 23,50 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [50] And, behold, there was a man named Joseph, a counseller;
and he was a good man, and a just:
Luther-Bibel . 50 Und siehe, da war ein Mann mit Namen Josef, ein Ratsherr,
der war ein guter, frommer Mann
Tekstuitleg van Lc 23,50 .
Lc 2,25
kai (en) idou (zie) anthrôpos (een man) hôi onoma (aan wie de naam)
Sumeôn (Simeon) kai (en) ho anthrôpos houtos (en die man) dikaios
(rechtvaardig) kai (en) eulabès (gewetensvol) prosdechomenos (verwachtende)
paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël) (27. kai
(en)èlthen (hij ging)eis to hieron (naar de tempel) 7. Jezus' besnijdenis
en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc
2,21-40) .
| Lc 2,25 kai (en )idou (zie) anthrôpos (een man)hôi onoma (aan wie de naam)Sumeôn (Simeon)kai (en)ho anthrôpos houtos (en die man)dikaios (rechtvaardig)kai (en) eulabès (gewetensvol)prosdechomenos (verwachtende)paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël)27. kai (en)èlthen (hij ging)eis to hieron (naar de tempel) 7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc 2,21-40 |
| Lc 2,25 | Lc 23,50 |
| kai (en ) | kai (en ) |
| idou (zie) | idou (zie) |
| anthrôpos (een man) | anèr (een man) |
| hôi onoma (aan wie de naam) | onomati (met de naam) |
| Sumeôn (Simeon) | Iôsèf (Jozef) |
| kai (en) | (kai) en |
| ho anthrôpos houtos (en die man) | anèr (een man) |
| dikaios (rechtvaardig) | agathos (goed) |
| kai (en) | kai (en) |
| eulabès (gewetensvol) | dikaios (rechtvaardig) |
| prosdechomenos (verwachtende) | hos prosedecheto (die verwachtte) |
| paraklèsin tou Israèl (de vertroosting van Israël) | tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) |
| 27. kai (en) | 52. houtos (deze) |
| èlthen (hij ging) | proselthoon (gegaan zijnde) |
| eis to hieron (naar de tempel) | tôi Pilatôi (naar Pilatus) |
| 7. Jezus' besnijdenis en opdracht in de tempel . Simeon en Anna : Lc 2,21-40 | 349. Begrafenis van Jezus : Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a |
1. kai (en) , zie Lc 1,2 . Nevenschikkend voegwoord . In 822 verzen bij Lucas . De vraag rijst wat er nu gaat gebeuren na de dood van Jezus aan het kruis .
2.
3. anèr (man) , zie Lc 5,12 .
4. onomati (met naam) . Verwijzing : onoma (naam) , zie Lc 23,50 .
- onoma (naam) . In vijftien verzen in Lc : (1) Lc
1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2)
Lc 1,13
(kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes
noemen) . (3) Lc
1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc
1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5)
Lc 1,31
(kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen)
. (6) Lc
1,49 . (7) Lc
1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) .
(8) Lc
2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam
werd Jezus genoemd) . (9) Lc
2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc
6,22 . (11) Lc
8,30 . (12) Lc
8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13)
Lc 11,2
. (14) Lc
21,17 . (15) Lc
24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
-- betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma : (3) Lc
1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc
1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (9)
Lc 2,25
(hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (12) Lc
8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (15)
Lc 24,13
(hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
- onomati (naam) . Datief onzijdig enkelvoud . In zestien verzen in Lc : (1)
Lc 1,5
(onomati Zacharias = met de naam Zacharia) . (2) Lc
1,59 . (3) Lc
1,61 . (4) Lc
5,27 (onomati Levin = met de naam Levi) . (5) Lc
9,48 . (6) Lc
9,49 . (7) Lc
10,17 . (8) Lc
10,38 (onomati Martha = met de naam Martha) . (9) Lc
13,35 . (10) Lc
16,20 (onomati Lazaros = met de naam Lazarus) . (11) Lc
19,2 (onomati kaloumenos Zakchaios = met de naam genoemd Zacheüs) .
(12) Lc
19,38 . (13) Lc
21,8 . (14) Lc
23,50 (onomati Iôsèf = met de naam Jozef) . (15) Lc
24,18 (onomati Kleopas = met de naam Kleopas) . (16) Lc
24,47 .
In zeven verzen volgt een eigennaam op onomati (met de naam) : (1) Lc
1,5 . (2) Lc
5,27 . (3) Lc
10,38 . (4) Lc
16,20 . (5) Lc
19,2 . (6) Lc
23,50 . (7) Lc
24,18 . In twee verzen staat : kai idou anèr onomati + eigennaam
: (1) Lc
19,2 . (2) Lc
23,50 .
In vijfendertig verzen in Hnd : (1) Hnd
2,38 . (2) Hnd
3,6 . (3) Hnd
4,7 . (4) Hnd
4,10 . (5) Hnd
4,17 . (6) Hnd
4,18 . (7) Hnd
5,1 . (8) Hnd
5,28 . (9) Hnd
5,34 . (10) Hnd
5,40 . (11) Hnd
8,9 . (12) Hnd
9,10 . (13) Hnd
9,11 . (14) Hnd
9,12 . (15) Hnd
9,27 . (16) Hnd
9,28 . (17) Hnd
9,33 . (18) Hnd
9,36 . (19) Hnd
10,1 . (20) Hnd
10,48 . (21) Hnd
11,28 . (22) Hnd
12,13 . (23) Hnd
15,14 . (24) Hnd
16,1 . (25) Hnd
16,14 . (26) Hnd
16,18 . (27) Hnd
17,34 . (28) Hnd
18,2 . (29) Hnd
18,7 . (30) Hnd
18,24 . (31) Hnd
19,24 . (32) Hnd
20,9 . (33) Hnd
21,10 . (34) Hnd
27,1 . (35) Hnd
28,7 .
--- en tôi onomati (in de naam) . In zesentwintig verzen in het N.T. .
Mt (1) . Mc (2) . Lc (1) . Joh (12) . In zes verzen in Hnd : (1) (2) Hnd
3,6 . (2) (4) Hnd
4,10 . (3) (15) Hnd
9,27 . (4) (16) Hnd
9,28 . (5) (20) Hnd
10,48 . (6) (26) Hnd
16,18 . Andere boeken (4) .
-- epi tôi onomati (in de naam van) . In zestien verzen in het N.T. .
Mt (2) . Mc (3) . Lc (5) . In zes verzen in Hnd : (1) (1) Hnd
2,38 . (2) (5) Hnd
4,17 . (3) (6) Hnd
4,18 . (4) (8) Hnd
5,28 . (5) (10) Hnd
5,40 . (6) (23) Hnd
15,14 .
--- epi tôi onomati (bij de naam van) Ièsou Christou (Jezus Christus)
. Slechts in Hnd
2,38 in het N.T. .
--- epi tôi onomati tou Ièsou (bij de naam van Jezus) . In twee
verzen in het N.T. : (1) Hnd
4,18 . (2) Hnd
5,40 .
--- epi tôi onomati toutôi (bij deze naam) . In twee verzen in het
N.T. : (1) Hnd
4,17 . (2) Hnd
5,28 .
5. iôsèf (Jozef) . Taalgebruik in het N.T. : iôsèf
(Jozef) . Taalgebruik in Lc : iôsèf
(Jozef) .
Lc (8) : (1) Lc
1,27 . (2) Lc
2,4 . (3) Lc
2,16 . (4) Lc
3,23 . (5) Lc
3,24 . (6) Lc
3,30 . (7) Lc
4,22 . (8) Lc
23,50 .
7. huparchôn (zijnde) . Als copula huparchô
(zijn) . Verwijzing : huparchô
(zijn) , zie Lc
23,50 . Voorvoegsel hupo onder , onderuit . archô : het hoofd zijn
, beginnen , aan het hoofd staan , leiden , commanderen . In tweeëntwintig
verzen in de bijbel . In zeven verzen in het O.T. . In vijftien verzen in het
N.T. . In drie verzen in Lc : (1) Lc
9,48 . (2) Lc
16,23 . (3) Lc
23,50 . In vijf verzen in Hnd : (1) Hnd
2,30 . (2) Hnd
3,2 . (3) Hnd
7,55 . (4) Hnd
18,24 . (5) Hnd
22,3 .
- huparchonta (bezit) . Iets waarover je macht hebt , bezit , datgene wat onder
je staat .
--- nominatief (of accusatief) onzijdig meervoud huparchonta . In veertig verzen
in de bijbel . In tweeëndertig verzen in het O.T. . In acht verzen in het
N.T. : (1) Mt
19,21 . (2) Mt
25,14 . (3) Lc
11,21 . (4) Lc
12,33 . (5) Lc
16,1 . (6) Hnd
17,27 . (7) 1 Kor 13,3 . (8) 2 Pe 1,8 .
--- genitief onzijdig meervoud huparchontôn . In vijftien verzen in de
bijbel . In tien verzen in het O.T. . In vijf verzen in het N.T. : (1) Lc
8,3 . (2) Lc
12,15 . (3) Lc
19,8 . (4) Hnd
4,32 . (5) Heb 10,34 .
--- datief onzijdig meervoud huparchousin . In elf verzen in de bijbel . In
zeven verzen in het O.T. . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt
24,47 . (2) Lc
12,44 . (3) Lc
14,33 .
9. anèr (man) , zie Lc 5,12 . Zie 3.
10. agathos (goed) . Verwijzing : agathos (goed) , zie Lc 23,50 . In drieënvijftig verzen in de bijbel . In veertig verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . anèr agathos (een goed man) : (1) Lc 23,50 (Jozef van Arimatea) . (2) Hnd 11,24 (Barnabas) .
eulabès : godsvruchtig, vroom, gewetensvol
12. nom. mann. enk. dikaios (rechtvaardig) . (rechtvaardig) . Taalgebruik in het N.T. : dikaios (rechtvaardig) . Taalgebruik in Lc : dikaios (rechtvaardig) . Lc (3) : (1) Lc 2,25. (2) Lc 23,47 . (3) Lc 23,50 . Een vorm van dikaios (rechtvaardig) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 5,32 . (5) Lc 12,57 . (6) Lc 14,14 . (7) Lc 15,7 . (8) Lc 18,9 . (9) Lc 20,20 . (10) Lc 23,47 . (11) Lc 23,50 .
| Lc 23,51 - Lc 23,51 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [51] (The same had not consented to the counsel and deed
of them;) he was of Arimathaea, a city of the Jews: who also himself waited
for the kingdom of God.
Luther-Bibel . 51 und hatte ihren Rat und ihr Handeln nicht gebilligt. Er war
aus Arimathäa, einer Stadt der Juden, und awartete auf das Reich Gottes.
Tekstuitleg van Lc 23,51 .
1. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
11. apo (af, van-weg) . afkoring ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Lc (73 + 32 + 9 = 114) . Lc
| Lc 23,52 - Lc 23,52 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [52] This man went unto Pilate, and begged the body of
Jesus.
Luther-Bibel . 52 Der ging zu Pilatus und bat um den Leib Jesu
Tekstuitleg van Lc 23,52 .
1. nom. mann. enk. houtos (deze) . Aanwijz. voornaamw. . Taalgebruik in het
N.T. : houtos
(deze) . Taalgebruik in Lc : houtos
(deze) .
Lc (39) . Lc 23 (7) : (1) Lc
23,22 . (2) Lc
23,35 . (3) Lc
23,38 . (4) Lc
23,41 . (5) Lc
23,47 . (6) Lc
23,51 . (7) Lc
23,52 .
7. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .
6. - 9. het lichaam van...
- Lc 23,52
: to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc
24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus
.
- Lc 23,55
en Lc 24,23
: to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52
is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc
23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd
, in Lc
24,3 en Lc
24,23 over het verheerlijkte lichaam .
| Lc 23,53 - Lc 23,53 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [53] And he took it down, and wrapped it in linen, and laid
it in a sepulchre that was hewn in stone, wherein never man before was laid.
Luther-Bibel . 53 und nahm ihn ab, wickelte ihn in ein Leinentuch und legte
ihn in ein Felsengrab, in dem noch nie jemand gelegen hatte.
Tekstuitleg van Lc 23,53 .
10. dat. onz. enk. mnèmati van het zelfst. naamw. mnèma (aandenken,
gedenkteken) . Taalgebruik in het N.T. : mnèma
(aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma
(aandenken, gedenkteken) . Een vorm van mnèma (aandenken, gedenkteken)
in Lc in 3 verzen : (1) Lc
8,27 . (2) Lc
23,53 . (3) Lc
24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .De enkelv.-vorm
in Lc 23,53
(en mnèmati = in een graf) en in Lc
24,1 (epi to mnèma = op / naar het graf) . Deze twee teksten verwijzen
naar elkaar .
Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen
: (1) Lc
11,44 . (2) Lc
11,47 . (3) Lc
23,55 . (4) Lc
24,2 . (5) Lc
24,9 . (6) Lc
24,12 . (7) Lc
24,22 . (8) Lc
24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf)
in 3 hoofdstukken en in 8 verzen .
9. -10. en mnèmati (in een graf) . Hapax in Lc . Vergelijk . Lc 8,27 : en tois mnèmasin (in de graven) .
| Lc 23,54 - Lc 23,54 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [54] And that day was the preparation, and the sabbath
drew on.
Luther-Bibel . 54 Und es war Rüsttag, und der Sabbat brach an.
Tekstuitleg van Lc 23,54 .
| Lc 23,55 - Lc 23,55 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [55] And the women also, which came with him from Galilee,
followed after, and beheld the sepulchre, and how his body was laid.
Luther-Bibel . 55 Es folgten aber die Frauen nach, die mit ihm gekommen waren
aus Galiläa, und beschauten das Grab und wie sein Leib hineingelegt wurde.
Tekstuitleg van Lc 23,55 .
4. nom. + voc. vr. mv. gunaikes van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Lc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau . Lc (5) : (1) Lc 8,2 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,22 . (5) Lc 24,24 . Een vorm van gunè (vrouw) in Lc in 37 (38) verzen , in Lc 23 in 3 verzen : (1) Lc 23,27 . (2) Lc 23,49 . (3) Lc 23,55 . In Lc : in 7 vormen van gunè (vrouw) in 17 hoofdstukken in 37 (38) verzen .
6. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
10. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .
14. nom. + acc. onz. enk. mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Lc (4) : (1) Lc 23,55 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
19. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .
18. - 20. het lichaam van...
- Lc 23,52
: to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc
24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus
.
- Lc 23,55
en Lc 24,23
: to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52
is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc
23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd
, in Lc
24,3 en Lc
24,23 over het verheerlijkte lichaam .
| Lc 23,56 - Lc 23,56 : 349. Begrafenis van Jezus . Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - bijbeloverzicht -- Lc (Lucas) -- taalgebruik -- Lc 23 -- Lc 23,50 - Lc 23,51 - Lc 23,52 - Lc 23,53 - Lc 23,54 - Lc 23,55 - Lc 23,56 -- Lc 23 -- Lc 23,1 - Lc 23,2-5 - Lc 23,6-12 - Lc 23, (17) 18-23 - Lc 23,24-25 - Lc 23,26-32 - Lc 23,33-34 - Lc 23,35-43 - Lc 23,44-48 - Lc 23,49 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [56] And they returned, and prepared spices and ointments;
and rested the sabbath day according to the commandment.
Luther-Bibel . 56 Sie kehrten aber um und bereiteten wohlriechende Öle
und Salben. bUnd den Sabbat über ruhten sie nach dem Gesetz.
Tekstuitleg van Lc 23,56 .
HET LIJDENSVERHAAL VOLGENS MT / MC en VOLGENS LC
1. Inleiding : Complot tegen Jezus : Mc 14,1-2 - Mt 26,1-5 - Lc 22,1-2 .
Het lijdensverhaal volgens Matteüs (Mt 26-27) en Marcus (Mc 14-15) lijken sterker op elkaar dan hun voorgaande hoofdstukken . Lucas daarentegen heeft een heel eigen lijdensverhaal (Lc 22-23) . Opmerkelijk evenwel is dat in Hnd meer parallellen met de lijdensverhalen van Mt en Mc zijn te vinden dan met Lc .
In het lijdensverhaal volgens Mt , Mc en Lc ontbreken de Farizeeën totaal . Nochtans zouden ze een belangrijke fractie van het sanhedrin uitmaken . Volgens sommigen was een rechtsbesluit zonder hen ongeldig .
Matteüs legt de aankondiging van het paasfeest na twee dagen in de mond van Jezus . Mc en Lc doen dat niet . Mt voegt daaraan toe : en dat de Mensenzoon overgeleverd wordt om gekruidigd te worden" . Het sluit aan bij de derde lijdensaankodinging (Mt 20,19) . De zin kan de indruk wekken dat wie Jezus overlevert aan de hogepriesters en schriftgeleerden automatisch verantwoordelijk is voor de kruidiging van Jezus .
Volgens Mt 26,2 komen de hogepriesters en de oudsten van het volk bijeen in de binnenhof van de hogepriester Kaïafas en plegen ze overleg om Jezus met een list te overmeesteren en te doden . Dit sluit aan bij een voorgaande poging (Mt 21,46) om Jezus te overmeesteren en bij de derde lijdensaankondiging om Jezus te doden (Mt 20,19 // Mc 10,34 // Lc 18,32) . Bij Mc en Lc is er geen sprake van een bijeenkomst , noch van een beraadslaging . Bij Mc is er evenwel sprake om Jezus met een list te overmeesteren en te doden . Zo sluit hij eveneens aan bij de voorgaande poging (Mc 12,12) om Jezus te overmeesteren en te doden . Bij Lc is er nooit sprake van een overmeesteren van Jezus . Volgens Lc verloopt de rechtsprocedure correct . Geen list dus . Bij Lc is er voordien wel sprake om Jezus ten gronde te richten . Volgens Lc zoeken hogepriesters en schriftgeleerden (zoals bij Mc) hoe ze Jezus kunnen doden .
Mt en Mc stemmen met elkaar overeen over de verantwoording van hun besluit : geen opwinding onder het volk tijdens het feest . Volgens Lc is hun besluit ingegegeven door angst voor het volk .
2. Zalving van Jezus te Betanië : Mc 14,3-9 - Mt 26,6-13 - Lc 7,36-50 + Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 . (verraad is een verkeerde vertaling ; eerder : overlevering van Jezus door Judas) .
Bij Mt wekt de zalving van Jezus te Betanië de indruk dat de geldverspilling van de vrouw de aanleiding van Judas zou zijn om naar de hogepriesters te gaan om Jezus over te leveren . Volgens Mt vraagt Judas onmiddellijk geld bij de onderhandeling over de overlevering van Jezus . Waarvoor moet dat geld dienen ? Wil men een nederlaag , de dood en de begrafenis van Jezus vermijden en heeft men meer wapens nodig ? Is het geven van geld aan de armen slechts een dekmantel ? Bij Mc en Lc is er pas later sprake van geld . Bij Lc komen de hogepriesters en de leiders van de tempelwacht overeen om Judas geld te geven , waarmee Judas instemt . Bij Lc is de satan die over Judas kwam , verantwoordelijk voor Judas' gedrag . Daarna zoekt Judas het goede moment om Jezus over te leveren . Bij Lc buiten de volksmenigte om .
3. Voorbereiding van het paasmaal : Mc 14,12-16 - Mt 26,17-19 - Lc 22,7-13 .
De drie synoptici komen sterk met elkaar overeen . De plaats waar het pascha zal gevierd worden , is een geheime plaats . Jezus stuurt twee leerlingen met informatie over de tussenpersoon en vervolgens een soort codewoord voor de bestemmeling . Dan kan er enkel op wijzen dat Jezus gevaar loopt om zich openlijk in de stad te bewegen .
4. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 / Lc 22,21-23 + Instelling van de eucharistie : Mc 14,22-25 - Mt 26,26-29 - Lc 22,15-20 .
Bij Lc volgt de aanduiding van de verrader pas na het vieren van het pascha
. Bij Mt en Mc gebeurt dat ervoor . Het verhaal van de 'eucharistie' komt bij
Mt , Mc en Lc sterk met elkaar overeen . Mt vermeldt bij 'bloed van het verbond
... tot vergeving van de zonden' . Bij de wee-klacht van Jezus over Judas staat
niet : 'het zou beter zijn voor hem als hij niet geboren was , die mens' . Juist
ervoor staat er : 'overeenkomstig wat bepaald is' . Volgens Lc gebeurt alles
volgens een vooraf bepaald plan van God . Was Judas niet geboren , dan had het
plan van God zich niet kunnen voltrekken .
Stond het leiderschap van Jezus toen reeds in vraag ? Volgens Lc ontstond er
na het geredetwist wie Jezus zou overleveren , rivaliteit onder hen wie de grootste
was .
5. Heersen is dienen : Lc 22,24-27 ( // Mc 10,41-45 - Mt 20,24-28 ) + Eschatologische functie van de Twaalf : Lc 22,28-30 ( // Mt 19,28 ) .
In het lijdensverhaal van Lc staan hier twee teksten die we bij Mt en Mc op een andere plaats in hun evangelie vinden .
6. Voorspelling van Petrus'verloochening : Lc 22,31-34 ( // Mc 14,29-31 // Mt 26,33-35 ) - Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 .
Na de voorspelling van de overlevering door Judas voorspelt Jezus de verloochening
van Petrus . Volgens Lc verloochent Petrus Jezus omdat de satan beslag op hem
gelegd heeft . Zie Lc 22,31 : 'Simon, Simon, zie de Satan heeft je opgeëist
om je te zeven als tarwe.' Bij Mt en Mc volgt de verloochening van Petrus pas
na de voorspelling van de ontrouw van de leerlingen . Deze laatste pericope
heeft Lc echter niet . Volgens Lc vluchten de leerlingen niet . Bij de overlevering
van Jezus door Judas heeft een kort gevecht plaats . Er valt een gewonde . Jezus
vindt dat het genoeg is . Hij gaat vrijwillig mee met zijn beslagnemers . Hij
laat zijn leerlingen achter .
Jezus kondigt aan dat Petrus hem driemaal zal verloochenen (Lc voegt toe : mij
te kennen) voordat een haan eenmaal (Mt en Lc) of tweemaal (Mc) kraait .
7. Verleden en toekomst: de twee zwaarden : Lc 22,35-38 .
Volgens Lc laten de leerlingen de overlevering van Jezus door Judas niet zomaar gebeuren . Eén van hen slaat het rechteroor van de dienaar van de hogepriester af . Er valt dus een gewonde , bijna een dode . Tenminste één van hen had een zwaard bij . Dat erop ingeslagen wordt , gebeurt met de toestemming van Jezus . Ook de aanwezigheid van zwaarden moet de goedkeuring van Jezus hebben gehad . Dat gebeurt in deze pericope .8. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 .
Bij Mt en Mc bidt Jezus driemaal tot God en keert hij driemaal tot zijn drie uitverkoren leerlingen terug . Bij Lc nodigt Jezus alle leerlingen uit om te bidden en niet in beproeving te raken . Bij Mt en Mc laat Jezus zijn leerlingen achter met uitzondering van drie met wie hij verderop gaat en aan hen zijn doodsangst uitdrukt en hen vraagt te waken en te bidden . Volgens Mc zegt Jezus in zijn eerste gebed o.a. 'als het mogelijk was , het uur aan hem zou voorbijgaan' . Volgens Lc bidt Jezus dat Gods wil moge geschieden . Daarop werd Jezus gesterkt door een engel , kwam in doodsangst en bad nog vuriger . Dan komt Jezus bij zijn leerlingen terug en zegt : 'Waarom slapen jullie ? Sta op en bid opdat jullie niet in beproeving komen . In Mt en Mc vindt Jezus bij zijn derde terugkeer zijn drie leerlingen slapend . Dan zegt Jezus : Slaap verder en rust . Zie , het uur is gekomen en de Mensenzoon wordt overgeleverd in handen van zondaars . Sta op , laten we gaan ... . De vermelding van de overlevering sluit aan bij de tweede lijdensaankondiging ( Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 ) . Waarom waren de leerlingen ingeslapen ? 'Hun ogen waren bezwaard' (Mt en Mc) , 'van droefheid' (Lc) .
9. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 .
Er zijn nogal wat verschillen tussen Mt / Mc en Lc . Bij Mt / Mc is een beschrijving van de groep beslagleggers en een vermelding van een afgesproken teken . In Mt / Mc spreekt Judas Jezus aan . In Lc spreekt Jezus Judas aan : 'Judas , met een kus lever je de Mensenzoon over ?' In Mt / Mc wordt Jezus onmiddellijk overmeesterd . Bij Lc stelt een leerling aan Jezus voor om erop in te slaan . Dan volgt in de drie evangelies het afhouwen van het oor van de dienaar van de hogepriester . In Mt houdt Jezus een korte toespraak tot de leerling die met het zwaard omging . Lc houdt het kort : 'Laat af . Tot zover.' In Lc wordt de gewonde genezen . Vervolgens houdt Jezus in de drie evangelies een korte toespraak tot de volksmenigte . Bij Mt / Mc vluchten dan de leerlingen . Bij Mc nog een bijzondere vermelding van de vlucht van een jongeling wiens kleed werd gegrepen en naakt wegvluchtte . Bij Lc is er geen vlucht . Nog meer dan in Mt / Mc beheerst Jezus in Lc de situatie .
10. Naar de hogepriester : Mc 14,53-54 - Mt 26,57-58 - Lc 22,54-55 + Verloochening van Petrus : Mc 14,66-72 - Mt 26,69-75 - Lc 22,56-62 + Bespotting van Jezus : Mc 14,65 - Mt 26,67-68 - Lc 22,63-65 .
Volgens Mt / Mc wordt Jezus overmeesterd en naar de hogepriester Kajafas afgevoerd . Daar zijn (Mc : + alle hogepriesters) de schriftgeleerden en de oudsten bijeen . Vooreerst komt het (vals) getuigenverhoor . Daarna volgt de ondervraging door de hogepriester . Op het antwoord van Jezus scheurt de hogepriester zijn kleren ter verontwaardiging van de vermeende godslastering . Daarop wordt Jezus door de vergadering ter dood veroordeeld . Volgens Lc wordt Jezus naar het huis van de hogep