- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website - Bespreking : Lc 24,1-12 . Lc 24,6 . Lc 24,13-35 .
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible | 11. Luther-Bibel |
Lc 24 behoort tot 2 (tweede cyclus) . Lc 24 telt drieënvijftig verzen . Het hoofdstuk kan in vier perikopen verdeeld worden.
351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Lc 23,56b-24,12 - Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 -Evangelielezing op Pasen
. Nachtwake C : Lc 24,1-12 (Lc
24,1-12) :
Op de eerste dag van de week gingen de vrouwen zeer vroeg in de morgen naar
het graf, met de welriekende kruiden die zij klaar gemaakt hadden. Zij vonden
de steen weggerold van het graf, gingen er binnen maar vonden er het lichaam
van de Heer Jezus niet. Terwijl zij niet wisten wat daarvan te denken stonden
er plotseling twee mannen voor hen in een stralend wit kleed. Toen zij van schrik
bevangen het hoofd naar de grond bogen, vroegen de mannen haar: "Waarom
zoekt ge de levende onder de doden? Hij is niet hier, Hij is verrezen. Herinnert
u hoe Hij nog in Galilea tot u gezegd heeft: De Mensenzoon moet overgeleverd
worden in zondige mensenhanden en Hij moet aan het kruis worden geslagen, maar
op de derde dag zal Hij verrijzen." Zij herinnerden zich zijn woorden en
keerden van het graf terug en ze brachten dit alles over aan de elf en aan al
de anderen. Het waren Maria Magdalena, Johanna en Maria, de moeder van Jakobus;
de andere vrouwen die met hen waren vertelden aan de apostelen hetzelfde. Maar
dat verhaal leek de apostelen beuzelpraat en zij geloofden hen niet. Toch liep
Petrus ijlings naar het graf; hij bukte zich voorover maar zag alleen de zwachtels.
Daarop ging hij terug, verbaasd nadenkend over hetgeen er gebeurd was.
ENKELE GEDACHTEN BIJ HET LEGE GRAFVERHAAL (Lc 24,1-12)
In het verhaal van het lege graf hebben de synoptici gebruik gemaakt van het
verhaal van Jakob bij de put (Gn 29,1-11) . Jakob is gevlucht voor zijn broer
Esau . Op zijn vlucht komt hij bij een waterput waar drie kudden schapen liggen
te wachten om water te krijgen . Daar ontmoet hij Rachel . Hij rolt de steen
weg van de waterput en geeft de schapen van Rachel te drinken . Deze waterput
betekent leven voor de schapen . Bij deze put ontstaat ook een nieuwe toekomst
, want Rachel zal later de vrouw van Jakob worden . In nog twee andere verhalen
gebeurt iets gelijkaardigs . In Gn 24 worden enkele dienaars van Abraham erop
uitgestuurd om een vrouw voor Isaak te zoeken . Bij een waterput ontmoeten zij
Rebekka , die de vrouw van Isaak zal worden . In het N.T. vinden we het verhaal
van Jezus in gesprek met de Samaritaanse vrouw bij de waterput (Joh 4) .In Ex
2,16-22 is Mozes op de vlucht voor de farao van Egypte . Hij ontmoet er bij
de waterput van de kudden de zeven dochters van de priesters Jethro . Met één
van hen zal Mozes later huwen .Het wegrollen van de steen betekent de mogelijkheid
scheppen om water te putten en de dieren te drinken te geven . Het is toegang
krijgen tot de bron van leven . De ontmoeting van Jakob en Rachel is de bron
van toekomst , van elkaar huwen en nageslacht . In vergelijking met de Oud-Testamentische
verhalen gaan de Nieuw-Testamentische verhalen een omgekeerde weg . In het N.T.
wordt de steen voor de deur van het gedenkteken gerold en daarna weggerold .
Het wegrollen van de steen bij het graf betekent de deur naar nieuw leven openen
. Want hoe tegenstrijdig het ook moge klinken , de plaats die beschouwd wordt
als een plaats van de dood is een plaats van leven . Zo zingt een lied : Midden
in de dood is het leven . Vanuit deze gedachten kan het doopsel gezien worden
als een afdalen naar de bron , om eruit op te stijgen als nieuw geborene .Ook
het verhaal van de lamme (Mc 2,1-12) krijgt een diepere betekenis . De vier
dragers van de lamme kunnen niet bij Jezus komen vanwege de menigte . Zij klimmen
op het dak , maken een opening en laten de lamme voor Jezus' voeten neerdalen
, de bron van leven . Na afgedaald te zijn tot de bron van het leven kan de
lamme opstaan . De evangelisten beklemtonen de verandering , het keerpunt .
Bij Marcus en Matteüs ligt de klemtoon van de verandering op het graf als
bron van leven voor het individuele en gemeenschappelijke leven. Lucas wil de
klemtoon van de verandering niet leggen op de situatie van de steen als afsluiting
of ontsluiting van leven . Bij de graflegging spreekt Lucas niet eens over de
steen en bij het lege grafverhaal is zijn vermelding uiterst beperkt (ze zagen
een weggerolde steen). Lucas’ klemtoon ligt op de persoon van Jezus (Hij
leeft ; dit is meer dan : Hij is bron van leven; het ene veronderstelt het andere)
. De verandering is aangekondigd in de lijdensvoorspellingen : op de derde dag
zal hij verrijzen . In drie zitten de drie elementen van verandering : ondergaan
– onder-zijn – op-gaan . De verandering betreft Jezus’ zelf
. Hiermee wijkt Lucas af van Marcus en Matteüs . Zij herinneren aan de
woorden van Jezus dat Hij de leerlingen zou voorgaan naar Galilea . Daar zou
Jezus hen verzamelen.
| Lc 24,1 - Lc 24,1 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond,
gingen zij naar het graf, dragende de specerijen, die zij bereid hadden, en
sommigen met haar.
King James Bible . Now upon the first day of the week, very early in the morning
they came unto the sepulchre, bringing the spices which they had prepared, and
certain others with them.
Luther-Bibel . 1 Aber am ersten Tag der Woche sehr früh kamen sie zum Grab
und trugen bei sich die wohlriechenden Öle, die sie bereitet hatten.
Tekstuitleg van Lc 24,1 . Dit vers Lc 24,1 telt 19 woorden en 89 letters . De getalwaarde van Lc 24,1 is 10069 .
Lc 24,1.1.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bep.lidw. ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11)
Lc 24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling . In vier verzen bij een
plaatsbepaling .
In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tè(i) galilaia(i) : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tè(i) tritè(i) hèmerai : op de derde dag) . In
twee verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
. Het is wel opvallend dat het vers Lc
24,1 begint met een tijdsbepaling . In Lc
23,56b staat ook de tijdsbepaling vooraan . De vrouwen overspannen de tijd
van drie dagen (Lc 23,55-24,1) : ze zien waar ze Jezus hebben neergelegd en
bereidden kruiden . Ze rustten op sabbat . Op de eerste dag gingen ze naar het
aandenken .
Lc 24,1.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week .
Lc 24,1.1. - 2. tè(i) de ... (1) Lc 1,57 . (2) Lc 24,1 . Bij het begin van het vers . Lc 23,56b : kai to men ... en de sabbat enerzijds .
Lc 24,1.3. nom. + dat. vr. enk. mia(i) = op de één (b.v. op dag één) van het telwoord heis , mia , hen (één) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Lc (7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 17,35 . (6) Lc 20,1 . (7) Lc 24,1 . Een vorm van het telwoord heis , mia , hen (één) in Lc in 42 verzen , in Lc 24 in 2 verzen : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,18 .
Lc 24,1.4.
bep.lidw. gen. mv. tôn van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het)
. Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In zes verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,8 . (4) Lc
24,14 . (5) Lc
24,24 . (6) Lc
24,27 .
Lc 24,1.3. - 4. mia(i) tôn) (één van) . Lc (6 / 7) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 8,22 . (4) Lc 13,10 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 24,1 .
Lc 24,1.5. gen. onz. mv. sabbatôn van het zelfst. naamw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het N.T. : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Lc : sabbaton (sabbat) . Lc (2) : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 . Een vorm van sabbaton (sabbat) in Lc in 19 verzen : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 6,1 . (4) Lc 6,2 . (5) Lc 6,5 . (6) Lc 6,6 . (7) Lc 6,7 . (8) Lc 6,9 . (9) Lc 13,10 . (10) Lc 13,14 . (11) Lc 13,15 . (12) Lc 13,16 . (13) Lc 14,1 . (14) Lc 14,3 . (15) Lc 14,5 . (16) Lc 18,12 . (17) Lc 23,54 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,1 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en in 19 verzen .
Lc 24,1.2.
- 5. mia(i) tôn sabbatôn (op de eerste van de week / het wekenfeest)
. In vier verzen in het N.T. : (1) Lc
24,1 . (2)
Joh 20,1 . (3) Joh
20,19 . (4) Hnd
20,7 . Duidt de tijdsaanduiding bij het begin van het vers de eerste dag
van de week of de eerste dag van het Wekenfeest aan ? Ze duidt in ieder geval
een nieuw begin aan . Dat is de ervaring van de eerste volgelingen van Jezus
. Ze hebben met Jezus iets nieuws ervaren en hij staat aan het begin van een
nieuwe beweging . We zijn ook in de week van de ongedesemde broden , uitdrukking
van een nieuw begin . Met het krieken van de ochtend is de overgang - pathein
(lijden , ondergaan) - voorbij .
Lc 24,1.6.
gen. mann. enk. orthrou (des morgens = 's morgens) van het zelfst. naamw. orthros
(ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in het N.T. : orthros
(ochtendschemering, morgen) . Taalgebruik in Lc : orthros
(ochtendschemering, morgen) . Lc (1) Lc
24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.7. bijwoord batheôs van het bijvoegl. naamw. bathus (diep, hoog) . Taalgebruik in het N.T. : bathus (diep, hoog) . Taalgebruik in Lc : bathus (diep, hoog) . Lc (1) Lc 24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.8. epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi (op, bij) . Ned. op . Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,47 .
Lc 24,1.9.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,1.8. - 9. epi to . Lc (10) : (1) Lc 4,9 . (2) Lc 5,19 . (3) Lc 5,27 . (4) Lc 10,34 . (5) Lc 15,4 . (6) Lc 17,35 . (7) Lc 24,1 . (8) Lc 24,12 . (9) Lc 24,22 . (10) Lc 24,24 .
Lc 24,1.10. nom. + acc. onz. enk. mnèma (aandenken) . Taalgebruik in het N.T. : mnèma (aandenken, gedenkteken) . Taalgebruik in Lc : mnèma (aandenken) . Lc (1) Lc 24,1 . Een vorm van mnèma (aandenken) in Lc in 3 verzen : (1) Lc 8,27 . (2) Lc 23,53 . (3) Lc 24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen . De enkelv.-vorm in Lc 23,53 (en mnèmati = in een graf) en in Lc 24,1 (epi to mnèma = op / naar het graf) . Deze twee teksten verwijzen naar elkaar . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,1.8. - 10. epi to mnèma (op / naar het aandenken) . Hapax in Lc . epi to mnèmeion (op / naar het gedenkteken) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
Lc 24,1.11.
ind. aor. 3de pers. mv. èlthon (zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan,
komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) .
Lc (11) : (1) Lc
1,59 . (2) Lc
2,44 . (3) Lc
3,12 . (4) Lc
4,42 . (5) Lc
5,7 . (6) Lc
6,18 . (7) Lc
8,35 . (8) Lc
12,49 . (9) Lc
23,33 . (10) Lc
24,1 . (11) Lc
24,23 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Lc in 98 verzen , in Lc 24
in 2 verzen : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,23 . In Lc : X vormen in 24 hoofdstukken en in 98 verzen .
Lc 24,1.8. - 11. epi to mnèma èlthon (naar het aandenken gingen zij) . Variante lezing : èlthon epi to mnèma (zij gingen naar het aandenken) . Parallelle lezing in Lc 23,56b : hèsuchasan kata tèn entolèn (zij rustten volgens het voorschrift) .
Lc 24,1.12. act. part. praes. nom. vr. mv. ferousai van het werkw. ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het N.T. : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Lc : ferô (voeren, dragen) . Lc (1) Lc 24,1 . Een vorm van ferô (voeren, dragen, brengen) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 15,23 . (3) Lc 23,26 . (4) Lc 24,1 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 4 verzen .
Lc 24,1.13. nom. + acc. onz. mv. ha . Betrekk. voornaamw. hos , hè , ho (die, dat) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (9) : (1) Lc 6,46 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 7,32 . (4) Lc 10,23 . (5) Lc 10,24 . (6) Lc 12,12 . (7) Lc 12,20 . (8) Lc 21,6 . (9) Lc 24,1 .
Lc 24,1.14. act. ind. aor. 3de pers. mv. ètoimasan van het werkw. hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in het N.T. : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Taalgebruik in Lc : hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) . Lc (3) : (1) Lc 22,9 . (2) Lc 23,56 . (3) Lc 24,1 . Een vorm van hetoimazô (gereed maken, voorbereiden) in Lc in 14 verzen : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,76 . (3) Lc 2,31 . (4) Lc 3,4 . (5) Lc 9,52 . (6) Lc 12,20 . (7) Lc 12,47 . (8) Lc 17,8 . (9) Lc 22,8 . (10) Lc 22,9 . (11) Lc 22,12 . (12) Lc 22,13 . (13) Lc 23,56 . (14) Lc 24,1 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en in 14 verzen .
Lc 24,1.15. nom. + acc. onz. mv. arômata van het zelfst. naamw. arôma (welriekend kruid , specerij) . Taalgebruik in het N.T. : arôma (welriekend kruid , specerij) . Taalgebruik in Lc : arôma (welriekend kruid , specerij) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,1 . Dit is de enigste vorm in Lc .
Lc 24,1.14. - 15. hètoimasan arômata (zij bereidden welriekende kruiden) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,1 . In Lc 23,56 bereidden de vrouwen de kruiden , in Lc 24,1 droegen ze de kruiden mee wanneer ze naar het aandenken gingen . De twee verzen volgen op elkaar en sluiten bij elkaar aan .
| Lc 24,2 - Lc 24,2 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf
King James Bible . [2] And they found the stone rolled away from the sepulchre.
Luther-Bibel . 2 Sie fanden aber den Stein weggewälzt von dem Grab
Tekstuitleg van Lc 24,2 . Het vers Lc 24,2 telt 8 (2³) woorden en 44 (2² X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,2 is 3818 (2 X 23 X 83) .
Lc 24,2.1. act. ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. heuron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . In 14 verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 45 verzen , . in Lc 24 in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 . In Lc : 17 vormen in 18 hoofdstukken en 45 verzen .
Lc 24,2.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Hetzelfde onderwerp als in Lc
24,1 . De vrouwen hadden wellicht niet verwacht dat de steen zou weggerold
zijn . Er is dus een bepaalde tegenstelling , vandaar de (echter) .
Lc 24,2.3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
Lc 24,2.4. acc. mann. enk. lithon van het zelfst. naamw. lithos (steen) . Taalgebruik in het N.T. : lithos (steen) . Taalgebruik in Lc : lithos (steen) . Lc (5) : (1) Lc 4,11 . (2) Lc 19,44 . (3) Lc 20,17 . (4) Lc 20,18 . (5) Lc 24,2 . Een vorm van lithos (steen) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 3,8 . (2) Lc 4,3 . (3) Lc 4,11 . (4) Lc 11,11 . (5) Lc 17,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 19,44 . (8) Lc 20,17 . (9) Lc 20,18 . (10) Lc 21,5 . (11) Lc 21,6 . (12) Lc 22,41 . (13) Lc 24,2 . In Lc : 7 vormen in 9 hoofdstukken en 13 verzen .
Lc 24,2.5. pass. part. perf. nom. mann. enk. apokekulismenon (weggerold) van het werkw. apokuliô (afrollen, wegrollen) . Taalgebruik in het N.T. : apokuliô (wegrollen) . Taalgebruik in Lc : apokuliô (wegrollen) . Hebr. gâlal . Ned. rollen . apo (af) en epi (op) . Lc (1) Lc 24,2 . Dit is de enigste vorm in Lc . apo- ... apo (afgerold af ... weggerold .. weg van) .
Lc 24,2.6. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,2.7. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bep. lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamw. il-lum , il-lam) . Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,3 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,9 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,35 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,49 .
Lc 24,2.8.
gen. onz. enk. mnèmeiou van het zelfst. naamw. mnèmeion (monument,
gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion
(monument, gedenkteken, graf) . Lc (2) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,9 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc
in 8 verzen : (1) Lc
11,44 . (2) Lc
11,47 . (3) Lc
23,55 . (4) Lc
24,2 . (5) Lc
24,9 . (6) Lc
24,12 . (7) Lc
24,22 . (8) Lc
24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf)
in 3 hoofdstukken en in 8 verzen .
Een vorm van mnèma (aandenken) in Lc in 3 verzen : (1) Lc
8,27 . (2) Lc
23,53 . (3) Lc
24,1 . In Lc : 3 vormen in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,2.6. - 8. apo tou mnèmeiou (weg van het aandenken) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .
| Lc 24,3 - Lc 24,3 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . . 3 En ingegaan zijnde, vonden zij het lichaam van den Heere
Jezus niet.
King James Bible . [3] And they entered in, and found not the body of the Lord
Jesus.
Luther-Bibel . 3 und gingen hinein und fanden den Leib des Herrn Jesus nicht.
Tekstuitleg van Lc 24,3 . Het vers Lc 24,3 telt 9 (3²) woorden en 42 (2 X 3 X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,3 is 6535 (5 X 1307) .
Lc 24,3.1. part. aor. nom. vr. mv. eiselthousai (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. intro-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Lc (1) Lc 24,3 . Een vorm van eiserchomai (binnengaan) in Lc in 47 verzen , in Lc 24 in 3 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,26 . (3) Lc 24,29 . In Lc : 16 vormen in 17 hoofdstukken en in 47 verzen .
Lc 24,3.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week . Hetzelfde onderwerp als in Lc
24,1 . De vrouwen hadden wellicht ook niet verwacht dat zij het lichaam
van Jezus niet zouden vinden . Er is dus een bepaalde tegenstelling , vandaar
de (echter) .
Lc 24,3.3. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,3.4. actief ind. aorist eerste persoon enkelvoud of derde persoon meervoud euron (ik vond of zij vonden) van het werkw. heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het N.T. : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in Lc : heuriskô (vinden) . In veertien verzen bij Lc : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 47 verzen . Een vorm van heuriskô (vinden) in Lc in 5 verzen : 4 + Lc 24,23 . In Lc : 17 vormen in 18 hoofdstukken en 45 verzen .
Lc 24,3.3.
- 4. mè heurontes (niet gevonden) . (1) Lc
2,12 . (1) Lc
2,45 . (1) Lc
2,46 . mè heurousai (niet gevonden) : Lc
24,23 .
mè (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) . Lc (4)
: (1) Lc
2,45 . (2) Lc
5,19 . (3) Lc
11,24 . (4) Lc
24,23 . ouch (niet) + een vorm van het werkw. heuriskô (vinden) .
Lc (5) : (1) Lc
13,6 . (2) Lc
13,7 . (3) Lc
17,18 . (4) Lc
19,48 . (5) Lc
24,3 .
Lc 24,3.5.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Lc 24,3.6. nom. + acc. onz. enk. sôma (lichaam) . Taalgebruik in het N.T. : sôma (lichaam) . Taalgebruik in Lc : sôma (lichaam) . Lc (10) : (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,23 . (5) Lc 17,37 . (6) Lc 22,19 . (7) Lc 23,52 . (8) Lc 23,55 . (9) Lc 24,3 . (10) Lc 24,23 . Een vorm van sôma (lichaam) in Lc (11) . (1) Lc 11,34 . (2) Lc 11,36 . (3) Lc 12,4 . (4) Lc 12,22 . (5) Lc 12,23 . (6) Lc 17,37 . (7) Lc 22,19 . (8) Lc 23,52 . (9) Lc 23,55 . (10) Lc 24,3 . (11) Lc 24,23 . In Lc : 3 vormen in 6 hoofdstukken en 11 verzen .
Lc 24,3.4. - 6. Een vorm van hert werkw. heuriskô (vinden) en het zelfst. naamw. sôma (lichaam) in Lc (2) : (1) Lc 24,3 : ouch heuron to sôma tou kuriou ièsou (zij vonden niet het lichaam van de Heer Jezus) . (2) Lc 24,23 : mè heurousai to sôma autou (niet gevonden zijn lichaam) .
Lc 24,3.7.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,3.8. gen. mann. enk. kuriou (van de heer) van het zelfst. naamw. kurios (heer) . Taalgebruik in het N.T. : kurios (heer) . Taalgebruik in Lc : kurios (heer) . Hebr. JHWH of ´ädonaj . Lat. dominus . Lc (26) . Lc 24 (1) Lc 24,3 . Een vorm van kurios (heer) in Lc (99) , in Lc 24 in 2 verzen : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,34 . In Lc : een vorm van kurios (heer) in het enkelv. in 5 vormen , in 20 hoofdstukken en in 99 verzen .
Lc 24,3.9. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . In Lc : 3 vormen in 19 hoofdstukken en in 87 verzen .
Lc 24,3.8. - 9. kuriou Ièsou (van de Heer Jezus) . Slechts in één vers in de evangelies : Lc 24,3 .
5. - 9. het lichaam van...
- Lc 23,52
: to sôma tou ièsou = het lichaam van Jezus . - Lc
24,3 : to sôma tou kuriou ièsou = het lichaam van de Heer Jezus
.
- Lc 23,55
en Lc 24,23
: to sôma autou = zijn lichaam .
In Lc 23,52
is er sprake over het gestorven lichaam van Jezus aan het kruis , in Lc
23,55 over het gestorven lichaam van Jezus dat in een graf wordt gelegd
, in Lc
24,3 en Lc
24,23 over het verheerlijkte lichaam .
| Lc 24,4 - Lc 24,4 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En het geschiedde, als zij daarover twijfelmoedig waren,
zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende klederen.
King James Bible . [4] And it came to pass, as they were much perplexed thereabout,
behold, two men stood by them in shining garments:
Luther-Bibel . 4 Und als sie darüber bekümmert waren, siehe, da traten
zu ihnen zwei Männer mit glänzenden Kleidern.
Tekstanalyse van Lc 24,4 . Het vers Lc 24,4 telt 17 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Lc 24,4 is 10486 ( 2 X 7² X 107) .
Lc 24,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,4.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) . In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,4.3.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,4.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,30 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,47 . (6) Lc 24,51 . (7) Lc 24,53 .
Lc 24,4.1.
- 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9)
: (1) Lc
1,8 . (2) Lc
2,6 . (3) Lc
3,21 . (4) Lc
5,1 . (5) Lc
8,40 . (6) Lc
9,51 . (7) Lc
10,38 . (8) Lc
11,27 . (9) Lc
18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc
(14) : (1) Lc
5,12 . (2) Lc
8,1 . (3) Lc
9,18 . (4) Lc
9,29 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
11,1 . (7) Lc
14,1 . (8) Lc
17,11 . (9) Lc
17,14 . (10) Lc
19,15 . (11) Lc
24,4 . (12) Lc
24,15 . (13) Lc
24,30 . (14) Lc
24,51 .
De zinsconstructie van Lc
1,8 vinden we terug in Lc
24,4 . Deze zinsconstructie staat opnieuw bij het begin van de verandering
van begin- naar eindsituatie . Het staat dus aan een overgang . Opmerkelijk
in beide verhalen is wel dat er daarna sprake is van "hemelse figuren"
.
Lc 24,4.5. pass. inf. praes. aporeisthai van het werkw. aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn, in verlegenheid, in twijfel zijn) . Taalgebruik in het N.T. : aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) . Taalgebruik in Lc : aporeô (zonder doortocht, zonder uitweg zijn) . Lc (1) Lc 24,4 .
Lc 24,4.6. pers. voornaamw. acc. vr. mv. autas (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 24,4 . (3) Lc 24,5 .
Lc 24,4.7. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
Lc 24,4.8. aanwijz. voornaamw. gen. mann. + onz. enk. toutou van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (7) : (1) Lc 2,17 . (2) Lc 9,45 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 16,8 . (5) Lc 20,34 . (6) Lc 22,51 . (7) Lc 22,4 .
Lc 24,4.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,4.10. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Taalgebruik in Hnd : idou (zie) . Lc (55) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 . Hnd (23) .
9. - 10. kai idou (en zie) . Lc (27 / 55) . Lc 24 (3 / 3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 .
Lc 24,4.11. nom. + voc. mann. mv. andres van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Lc : anèr (man) . Taalgebruik in Hnd : anèr (man) . Lc (8) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 7,20 . (3) Lc 9,14 . (4) Lc 9,30 . (5) Lc 11,32 . (6) Lc 17,12 . (7) Lc 22,63 . (8) Lc 24,4 . Een vorm van anèr (man) in Lc (26) , in Lc 24 (2) : (8) Lc 24,4 . (9) Lc 24,19 . In Lc : 7 vormen van anèr (man) in 15 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : 9 vormen van anèr (man) in 26 hoofdstukken en in 99 verzen .
Lc 24,4.12. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,4.9. - 12. kai idou andres (en zie mannen) : (1) Lc 5,18 . (2) Lc 9,30 . (3) Lc 24,4 : kai idou andres duo = en zie twee mannen . (4) Hnd 1,10 : kai idou andres duo = en zie twee mannen . (5) Hnd 10,17 : kai idou hoi andres (en zie de mannen) .
Lc 24,4.13. ind. aor. 3de p. mv. epestèsan (zij stonden bij) van het werkw. efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in het N.T. : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Lc : efistèmi (staan bij) . Taalgebruik in Hnd : efistèmi (staan bij) . Lc (2) : (1) Lc 20,1 . (2) Lc 24,4 . Een vorm van efistèmi (staan bij) in Lc in 7 verzen : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 4,39 . (4) Lc 10,40 . (5) Lc 20,1 . (6) Lc 21,34 . (7) Lc 24,4 . In Lc : 5 vormen in 6 hoofdstukken en in 7 verzen . In Hnd : 6 vormen van efistèmi (staan bij) in 9 hoofdstukken en in 11 verzen .
Lc 24,4.11. - 13. - Lc 24,4 : duo andres epestèsan (twee mannen stonden bij) . - Hnd 11,11 : treis andres epestèsan (drie mannen stonden bij) .
14. autais
15. en
16. esthèti . esthès (kleed, kleding) . 2 M 11,8 : en leukèi esthèti (in wit licht) . Lc 24,4 : en esthèti astraptousèi (in een schitterend kleed) . Hnd 10,30 : en esthèto lamprai (in stralend kleed) . Jak 2,2 : en esthèto lamprai (in stralend kleed) . In vier verzen in het N.T.
17. astraptô (bliksemen, stralen)
. Verwijzing : astraptô
(bliksemen, stralen) , zie Lc
24,4 .
- astraptousèi . Participium praesens datief vrouwelijk enkelvoud . Slechts
in Lc 24,4
: en esthèti astraptousèi = in schitterend kleed . Omwille van
de beschrijving van hun kleding kunnen de twee mannen slechts hemelse figuren
zijn . In het werkwoord astraptô (stralen) zit het woord astèr
(ster) . Het is een hemellichaam dat flikkert, fonkelt, schittert, straalt (str
... stralen - ster ) . De twee mannen in het verhaal van de verheerlijking van
Jezus (Lc
9,28-36) zijn Mozes en Elia .
- astraptousa . Participium praesens nominatief vrouwelijk enkelvoud . Slechts
in Lc 17,24
. In dit vers vergelijkt Lucas de komst van de mensenzoon met een bliksem die
flitst en de hemel van de ene naar de andere kant verlicht . In Hnd
9,3 wordt gezegd dat een licht uit de hemel hem omstraalde . Hier wordt
het werkwoord peri-astraptô (rondom - stralen / bliksemen . Paulus wordt
'neer'gebliksemd .
- astrapè (bliksem, straal, licht) . In acht verzen in de bijbel . In
vier verzen in het O.T. : (1) Ez 1,13 . (2) Zach
9,14 . (3) Si 32,10 . (4) Ba 6,60 . In vier verzen in het N.T. : (1) Mt
24,27 // Lc
17,24 . (2) Mt
28,3 . (3) Lc
11,36 . (4) Lc
17,24 // Mt
24,27 .
| Lc 24,5 - Lc 24,5 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En als zij zeer bevreesd werden, en het aangezicht naar
de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den Levende bij de doden?
King James Bible . [5] And as they were afraid, and bowed down their faces to
the earth, they said unto them, Why seek ye the living among the dead?
Luther-Bibel . 5 Sie aber erschraken und neigten ihr Angesicht zur Erde. Da
sprachen die zu ihnen: Was sucht ihr den Lebenden bei den Toten?
Tekstuitleg van Lc 24,5 . Het vers Lc 24,5 telt 21 (3 X 7) woorden en 98 (2² X 2² X 3) letters . De getalwaarde van Lc 24,5 is 14826 (2 X 3 X 7 X 353) .
Lc 24,5.1. gen. mann. mv. emfobôn van het bijvoegl. naamw. emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in het N.T. : emfobos (bevreesd) . Taalgebruik in Lc : emfobos (bevreesd) . Lc (1) Lc 24,5 . Een vorm van emfobos (bevreesd) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,37 . In Lc : 2 vormen in 1 hoofdstuk en in 2 verzen .
Lc 24,5.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Wellicht hebben we met de constructie van men (Lc
23,56b) ... de (Lc
24,1) te maken ; enerzijds : op sabbat rustten ze ; anderzijds : op de eerste
dag van de week . De vrouwen reageren met vrees op de verschijning van de twee
mannen .
Lc 24,5.3. part. aor. gen. mv. genomenôn van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Lc (1) Lc 24,5 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 . In Lc : X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 130 verzen .
Lc 24,5.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,5.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. nom. + acc. onz. mv. prosôpa van het zelfst. naamw. prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in Lc : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lc (1) Lc 24,5 .
Lc 24,5.9. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
14. pers. voornaamw. acc. vr. mv. autas (hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (3) : (1) Lc 23,28 . (2) Lc 24,4 . (3) Lc 24,5 .
Lc 24,5.15. nom. + acc. onz. enk. ti van het voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? deze , dat ! Lc (66) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,38 . (3) Lc 24,41 .
Lc 24,5.16. act. ind. praes. + imperat. praes. 2de pers. mv. zèteite van het werkw. zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het N.T. : zèteô (zoeken) . Taaalgebruik in Lc : zèteô (zoeken) . Hebr. bâqasj . dârasj < midrasj . Ned. zoeken . Lat. quaerere . Fr. chercher (ch / q - r) . E. search . D. suchen . D. zoeken . Lc (4) : (1) Lc 11,9 . (2) Lc 12,29 . (3) Lc 12,31 . (4) Lc 24,5 . Een vorm van zèteô (zoeken) in Lc in 26 verzen . In Lc : 14 vormen van zèteô (zoeken) in 13 / 24 hoofdstukken en in 26 verzen . In Hnd : X vormen van zèteô (zoeken) in 7 / 28 hoofdstukken en in 10 verzen .
Lc 24,5.17.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de
- het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,5 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,21 . (5) Lc
24,26 . (6) Lc
24,30 . (7) Lc
24,45 . (8) Lc
24,46 . (9) Lc
24,51 . (10) Lc
24,53 .
Lc 24,5.19. meta (met , na) . Afkorting : met' of meth' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . - Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) . - Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after . Lc (37 + 21 + 4 = 62) . Lc (2 + 1 + 1 = 4) . meta (2) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,52 . met' (1) Lc 24,30 . meth' (1) Lc 24,29 .
Lc 24,5.20. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
21. gen. mv. nekrôn van het bijvoegl. naamw. nekros (dode) . Taalgebruik in het N.T. : nekros (dode) . Taalgebruik in Lc : nekros (dode) . Taalgebruik in Hnd : nekros (dode) . Hebr. mth (67) . mwth (123) . L. mori : sterven ; mors , mortis : de dood ; mortuus : dode; cfr. mortuarium : dodenhuisje . Lc (7) : (1) Lc 9,7 . (2) Lc 16,30 . (3) Lc 16,31 . (4) Lc 20,35 . (5) Lc 20,38 . (6) Lc 24,5 . (7) Lc 24,46 . In Lc : 5 vormen van nekros (dode) in 6 hoofdstukken en in 13 verzen . In Hnd : X vormen van nekros (dode) in 12 hoofdstukken en in 17 verzen .
20. - 21. tôn nekrôn . N.T. (16) . Lc (1) Lc 24,5 .
19. - 21. meta tôn nekrôn (bij de doden) . In het N.T. slechts in Lc 24,5 .
| Lc 24,6 - Lc 24,6 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 Hij is hier niet, maar Hij is opgestaan. Gedenkt, hoe Hij
tot u gesproken heeft, als Hij nog in Galilea was,
King James Bible . [6] He is not here, but is risen: remember how he spake unto
you when he was yet in Galilee,
Luther-Bibel . 6 Er ist nicht hier, er ist auferstanden. Gedenkt daran, wie
er euch gesagt hat, als er noch in Galiläa war:
Tekstuitleg van Lc 24,6 . Het vers Lc 24,6 telt 14 (2 X 7) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Lc 24,6 is 6141 (2 X 23 X 89) .
Bespreking van dit vers in Lc 24,6 . Het vers Lc 24,6 telt 14 (2 X 7) woorden en 61 (3 X 17) letters . De getalwaarde van Lc 24,6 is 6141 (2 X 23 X 89) .
Lc 24,6.1. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,6.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (96) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 .
Lc 24,6.3. hôde (hier) . Taalgebruik in het N.T. : hôde (hier) . Taalgebruik in Lc : hôde (hier) . Lc (15) : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 9,12 . (3) Lc 9,33 . (4) Lc 9,41 . (5) Lc 11,31 . (6) Lc 11,32 . (7) Lc 14,21 . (8) Lc 15,17 . (9) Lc 16,25 . (10) Lc 17,21 . (11) Lc 17,23 . (12) Lc 19,27 . (13) Lc 22,38 . (14) Lc 23,5 . (15) Lc 24,6 .
Lc 24,6.5.
pass. ind. aor. 3de pers. enk. ègerthè (hij werd opgewekt) van
het werkw. egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken . Lc (4) : (1) Lc
7,16 . (2) Lc
9,7 . (3) Lc
24,6 . (4) Lc
24,34 . Een vorm van egeirô (opwekken) in Lc in 18 verzen :
(1) Lc
1,69 . (2) Lc
3,8 . (3) Lc
5,23 . (4) Lc
5,24 . (5) Lc
6,8 . (6) Lc
7,14 . (7) Lc
7,16 . (8) Lc
7,22 . (9) Lc
8,54 . (10) Lc
9,7 . (11) Lc
9,22 . (12) Lc
11,8 . (13) Lc
11,31 . (14) Lc
13,25 . (15) Lc
20,37 . (16) Lc
21,10 . (17) Lc
24,6 . (18) Lc
24,34 . In Lc : 10 vormen in 12 hoofdstukken en in 18 verzen .
Lc 24,6.6. imperat. aor. 2de pers.mv. mnèsthète (herinner je) van het werkwoord mimnèskomai (gedenken, zich herinneren) . Taalgebruik in het N.T. : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Hnd : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc (1) Lc 24,6 . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . In Hnd : 2 vormen van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in 2 hoofdstukken en in 2 verzen . Hebr. eventueel act. qal. imperat. 2de pers. mv. zihkërû (herinnert jullie) , zie : Taalgebruik in Tenach : zâkhar (gedenken) .
Lc 24,6.7. hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het N.T. : hôs (zoals) . Taalgebruik in Lc : hôs (zoals) . Lc (49) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,32 . (3) Lc 24,35 .
Lc 24,6.8. actief indicatief aorist derde persoon enkelvoud elalèsen (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Lc : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Hnd : laleô (lallen, spreken, praten) . Lc (5) : (1) Lc 1,55 . (2) Lc 1,70 . (3) Lc 2,50 . (4) Lc 11,14 . (5) Lc 24,6 . Hnd (8) . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Lc in 31 verzen . In 5 verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,32 . (4) Lc 24,36 . (5) Lc 24,44 . In Lc : 17 vormen in 12 / 24 hoofdstukken en in 31 verzen . In Hnd : 23 vormen van laleô (lallen, spreken, praten) in 23 / 28 hoofdstukken en in 60 verzen .
11. betrekk. voornaamw. gen. mann. + onz. mv. hôn van het betrekk. voornaamw. hos , hè , ho OF part. praes. nom. mann. enk. ôn van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Lc : betrekkelijk voornaamwoord . Lc (17) : (1) Lc 1,4 . (2) Lc 1,20 . (3) Lc 3,19 . (4) Lc 3,23 . (5) Lc 5,9 . (6) Lc 6,34 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 11,23 . (9) Lc 12,3 . (10) Lc 13,1 . (11) Lc 15,16 . (12) Lc 19,37 . (13) Lc 19,44 . (14) Lc 23,14 . (15) Lc 23,41 . (16) Lc 24,6 . (17) Lc 24,44 .
Lc 24,6.12.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,6.13.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
. In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tèi galilaiai : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tèi tritèi hèmerai : op de derde dag) . In twee
verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
.
14. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Lc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) . Lc (10) : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 3,1 . (4) Lc 4,31 . (5) Lc 5,17 . (6) Lc 8,26 . (7) Lc 17,11 . (8) Lc 23,5 . (9) Lc 23,49 . (10) Lc 23,55 . Een vorm van Galilaia (Galilea) in Lc in 13 verzen : (1) Lc 1,26 . (2) Lc 2,4 . (3) Lc 2,39 . (4) Lc 3,1 . (5) Lc 4,14 . (6) Lc 4,31 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 8,26 . (9) Lc 17,11 . (10) Lc 23,5 . (11) Lc 23,49 . (12) Lc 23,55 . (13) Lc 24,6 . Een variante in Lc 4,44 . In Lc : 3 vormen van Galilaia (Galilea) in 9 hoofdstukken en in 13 (14) verzen .
| Lc 24,7 - Lc 24,7 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 Zeggende: De Zoon des mensen moet overgeleverd worden in
de handen der zondige mensen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wederopstaan.
King James Bible . [7] Saying, The Son of man must be delivered into the hands
of sinful men, and be crucified, and the third day rise again.
Luther-Bibel . 7 Der Menschensohn muss überantwortet werden in die Hände
der Sünder und gekreuzigt werden und am dritten Tage auferstehen.
Tekstuitleg van Lc 24,7 . Het vers Lc 24,7 telt 19 woorden en 107 letters . De getalwaarde van Lc 24,7 is 13766 (2 X 6883) .
1. legôn (zeggend) . In zevenenveertig verzen in Lc . In één vers in Lc 24 (een eerder citaat van Jezus wordt aangehaald) .
2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton van het bepaald lidw. ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (191) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,7 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,30 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,46 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,53 .
4. bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
6. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Lc : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Hnd : hoti (dat, omdat) . Hebr. kî . Taalgebruik in Tenach : kî (want) . Lat. quia . Fr. parce que / que . Lc (160) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,29 . (4) Lc 24,34 . (5) Lc 24,39 . (6) Lc 24,44 . (7) Lc 24,46 .
Lc 24,7.7. act. ind. praes. 3de pers. enk. dei (hij / het moet) . Taalgebruik in het N.T. : dei (moet) . Taalgebruik in Lc : dei (moet) . Taalgebruik in Hnd : dei (moet) . Lc (12) : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 12,12 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,33 . (7) Lc 17,25 . (8) Lc 19,5 . (9) Lc 21,9 . (10) Lc 22,37 . (11) Lc 24,7 . (12) Lc 24,44 . Een vorm van dei (hij / het moet) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 2,49 . (2) Lc 4,43 . (3) Lc 9,22 . (4) Lc 11,42 . (5) Lc 12,12 . (6) Lc 13,14 . (7) Lc 13,16 . (8) Lc 13,33 . (9) Lc 15,32 . (10) Lc 17,25 . (11) (1) Lc 18,1 . (12) Lc 19,5 . (13) Lc 21,9 . (14) Lc 22,7 . (15) Lc 22,37 . (16) Lc 24,7 . (17) Lc 24,26 . (18) Lc 24,44 . In Lc : 3 vormen van dei (hij / het moet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 18 verzen . In Hnd : 4 vormen van dei (hij / het moet) in 18 / 28 hoofdstukken en in 24 verzen .
6. 7. dei (moet) . Verwijzing : deô
(moeten) , zie Mt
16,21 . In twaalf verzen bij Lucas :
(11) Lc
24,7 : legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat
de mensenzoon moet . (verschijning aan de vrouwen) .
- hoti dei (dat moet) . hoti leidt een voorwerpszin in . Het wordt voorafgegaan
door allerlei werkwoordvormen van verschillende werkwoorden met de betekenis
van zeggen . In acht verzen in het N.T. : (1) Mt
16,21 (// Mc
8,31 // Lc
9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (2) Mc
8,31 (// Mt
16,21 // Lc
9,22) (eerste lijdensvoorspelling) . (3) Lc
9,22 ( // Mc
8,31 // Mt
16,21) (eerste lijdensvoorspelling) . (4) Lc
24,7 . (5) Lc
24,44 . In vier van de acht teksten wordt de mensenzoon (ton huion tou anthrôpou)
uitdrukkelijk vermeld : (2) Mc
8,31 . (3) Lc
9,22 . (4) Lc
24,7 . (6) Joh
12,34 .
- De gelijkenis tussen Lc
9,22 (eerste lijdensvoorspelling) en Lc
24,7 (verschijning van Jezus aan de vrouwen) is groot :
--- Lc
9,22 : : eipôn hoti dei ton huion tou anthrôpou polla pathein
= zeggende dat de mensenzoon veel zal moeten lijden (eerste lijdensvoorspelling)
.
--- Lc 24,7
: legôn ton huion tou anthrôpou hoti dei = zeggende dat de mensenzoon
moet . (verschijning aan de vrouwen) .
In deze beide verzen volgt op het werkwoord dei drie nevenschikkende infinitiefzinnen
.
9. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
10. acc. vr. mv. cheiras van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Lc : cheir (hand) . Taalgebruik in Hnd : cheir (hand) . Hebr. jad (hand) . Taalgebruik in Tenach : jad (hand) . Ned. hand . D. Hand . E. hand . Lat. manus . Fr. main . Lc 11) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 9,44 . (3) Lc 13,13 . (4) Lc 20,19 . (5) Lc 21,12 . (6) Lc 22,53 . (7) Lc 23,46 . (8) Lc 24,7 . (9) Lc 24,39 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,50 . Een vorm van cheir (hand) in Lc in 25 verzen , in Lc 24 (4) . In Lc : 8 vormen van cheir (hand) in 25 verzen in 14 / 24 hoofdstukken . In Hnd : X vormen van cheir (hand) in 45 verzen in 21 / 28 hoofdstukken .
Lc 24,7.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
14. pass. inf. aor. staurôthènai van het werkw. stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in het N.T. : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Lc : stauroô (kruisigen) . Taalgebruik in Hnd : stauroô (kruisigen) . Lat. crucifigere (crux - kruis ) . Fr. crucifier . Ned. kruisigen (k-r-) . Lc (2) : (1) Lc 23,23 . (2) Lc 24,7 . Een vorm van stauroô (kruisigen) in Lc in 5 verzen : (1) Lc 23,21 . (2) Lc 23,23 . (3) Lc 23,33 . (4) Lc 24,7 . (5) Lc 24,20 . In Lc : 3 vormen van stauroô (kruisigen) in 5 verzen in 2 / 24 hoofdstukken . In Hnd : 1 vorm van stauroô (kruisigen) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
Lc 24,7.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,7.16.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
. In drie verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 (tèi galilaiai : In Galilea) . (3) Lc
24,7 (tèi tritèi hèmerai : op de derde dag) . In twee
verzen voor een tijdsbepaling , in één vers voor een plaatsbepaling
.
Lc 24,7.17. dat. vr. enk. tritè(i) ( - op de - derde) van het telwoord treis (drie) . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . Taalgebruik in Hnd : telwoorden . Lc (6) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 12,38 . (3) Lc 13,32 . (4) Lc 18,33 . (5) Lc 24,7 . (6) Lc 24,46 .
Lc 24,7.18. nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in de Septuaginta : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Een vorm van hèmera (dag) in de LXX (2567) , in het NT (388) , in Lc (82) , in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,29 . (6) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen . Lat. dies . Ned. dag . D. Tag . E. day . F. jour < Lat. diurnum . Cfr journaal . Arabisch : dag (jaum) . Taalgebruik in de Qoran : dag (jaum) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenakh : jôm (dag) . Getalwaarde : jod = 10 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 29 OF 56 (2³ X 7) . Structuur : 1 - 6 - 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (76) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (24) . Geschriften (53) .
| hèmera (dag) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 854 | 750 | 104 | 13 | 3 | 27 | 17 | 12 | 28 | 4 | 43 | 60 |
Lc 24,7.16. - 18. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag . NT (10) . Mt (3) : (1) Mt 16,21 . (2) Mt 17,23 . (3) Mt 20,19 . Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Hnd (1) Hnd 10,40 . Verder : 1 Kor 15,4 . tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) (op de dag , de derde) . NT (2) : (1) Lc 18,32 . (2) Joh 2,1 . Hebr. bajjôm hasjsjëlîsjî (op de derde dag) , zie Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lc 18,33 : tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag .
Lc 24,7.19. inf. aor. anastènai van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Lc : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Hnd : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc 9,22 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,46 . Een vorm van anistèmi (opstaan) in Lc (29) , in Lc 9 (3) : (1) Lc 9,8 . (2) Lc 9,19 . (3) Lc 9,22 . In Lc : 10 vormen van anistèmi (opstaan) in 15 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : X vormen van anistèmi (opstaan) in 17 / 28 hoofdstukken en in 34 verzen .
16. - 19. tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in
combinatie met een vorm van anistèmi (opstaan) . Lc (3) : (1) Lc
9,22 (variante) . (2) Lc
24,7 . (3) Lc
24,46 . Hos 6,2 : bajjôm hasjsjëlîsjî jëqimenû
(op de derde dag zal hij ons doen opstaan) . jëqimenû : hifil imperfectum
3de pers. enk. ) + nû : suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. LXX : en
tè èmera tè tritè anastèsometha (op de derde dag zullen wij 'opgewekt' worden)
. Lc 18,33
: tè(i) hèmera(i) tè(i) tritè(i) = op de derde dag
zal hij 'opgewekt' worden . De lezing van Lc
18,33 benadert de LXX van Hos 6,2 het sterkst .
- tè(i) tritè(i) hèmera(i) = op de derde dag in combinatie
met een vorm van egeirô (opwekken) . Lc (1) Lc
9,22 . Hnd (1) Hnd
10,40 .
| Lc 24,8 - Lc 24,8 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En zij werden indachtig Zijner woorden.
King James Bible . [8] And they remembered his words,
Luther-Bibel . 8 Und sie gedachten an seine Worte.
Tekstuitleg van Lc 24,8 . Het vers Lc 24,8 telt 5 woorden en 28 (2² X 7) letters . De getalwaarde van Lc 24,8 is 4222 (2 X 2111) .
Lc 24,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,8.2. ind. aor. 3de pers. mv. emnèsthèsan (zij herinnerden zich) van het werkw. mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in het N.T. : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Taalgebruik in Lc : mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) . Lc (1) Lc 24,8 . Een vorm van mimnèskomai (zich herinneren, gedenken) in Lc in 6 verzen : (1) Lc 1,54 . (2) Lc 1,72 . (3) Lc 16,25 . (4) Lc 23,42 . (5) Lc 24,6 . (6) Lc 24,8 . In Lc : 4 vormen in 4 hoofdstukken en in 6 verzen . Dit is een verwijzing naar Lc 24,6 .
Lc 24,8.3. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
Lc 24,8.4. gen. onz. mv. rèmatôn van het zelfst. naamw. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Lc (1) Lc 24,8 . Een vorm van rèma (woord, uitspraak) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .
5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. autou van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Hnd. : voornaamwoord autos . Lc (220) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,8 . (2) Lc 24,23 . (3) Lc 24,26 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,50 . Hnd (118) .
| Lc 24,9 - Lc 24,9 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij al
deze dingen aan de elven, en aan al de anderen.
King James Bible . [9] And returned from the sepulchre, and told all these things
unto the eleven, and to all the rest.
Luther-Bibel . 9 Und sie gingen wieder weg vom Grab und verkündigten das
alles den elf Jüngern und den andern allen.
Tekstuitleg van Lc
24,9 . Het vers Lc
24,9 telt 14 (2 X 7) woorden en 77 (7 X 11) letters . De getalwaarde van
Lc 24,9
is 7304 (2³ X 11 X 83) .
Lc 24,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,9.2. act. part. aor. nom. vr. mv. hupostrepsasai (teruggekeerd) van het werkw. hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in het N.T. : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Taalgebruik in Lc : hupostrefô (omkeren, terugkeren) . Lc (2) : (1) Lc 23,56 . (2) Lc 24,9 . Een vorm van hupostrefô (omkeren, terugkeren) in Lc in 21 verzen : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,20 . (3) Lc 2,43 . (4) Lc 2,45 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 4,14 . (7) Lc 7,10 . (8) Lc 8,37 . (9) Lc 8,39 . (10) Lc 8,40 . (11) Lc 9,10 . (12) Lc 10,17 . (13) Lc 11,24 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 17,18 . (16) Lc 19,12 . (17) Lc 23,48 . (18) Lc 23,56 . (19) Lc 24,9 . (20) Lc 24,33 . (21) Lc 24,52 . In Lc : 9 vormen in 12 hoofdstukken en 21 verzen .
Lc 24,9.3. apo (af, van-weg) . afkoring ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,9.4.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,9.5. gen. onz. enk. mnèmeiou van het zelfst. naamw. mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
Lc 24,9.3. - 5. apo tou mnèmeiou (weg van het graf) . Lc (2) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 .
Lc 24,9.6. act. ind. aor. 3de pers. mv.apèggeilan van het werkw. apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in het N.T. : apaggellô (af-kondigen) . Taalgebruik in Lc : apaggellô (af-kondigen) . Lc (6) : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 8,34 . (3) Lc 8,36 . (4) Lc 9,36 . (5) Lc 18,37 . (6) Lc 24,9 . Een vorm van apaggellô (af-kondigen) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 7,18 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 8,20 . (4) Lc 8,34 . (5) Lc 8,36 . (6) Lc 8,47 . (7) Lc 9,36 . (8) Lc 13,1 . (9) Lc 14,21 . (10) Lc 18,37 . (11) Lc 24,9 . In Lc : 5 vormen in 7 hoofdstukken en in 11 verzen .
Lc 24,9.7. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
9. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc (2) : (1) Lc
24,9 . (2) Lc
24,44 .
Lc 24,9.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
13. dat onz. mv. tois van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (65) . Lc (2) : (1) Lc
24,9 . (2) Lc
24,44 .
| Lc 24,10 - Lc 24,10 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En deze waren Maria Magdalena, en Johanna, en Maria, de
moeder van Jakobus, en de andere met haar, die dit tot de apostelen zeiden.
King James Bible . [10] It was Mary Magdalene, and Joanna, and Mary the mother
of James, and other women that were with them, which told these things unto
the apostles.
Luther-Bibel . 10 Es waren aber Maria von Magdala und Johanna und Maria, des
Jakobus Mutter, und die andern mit ihnen; die sagten das den Aposteln.
Tekstuitleg van Lc 24,10 . Het vers Lc 24,10 telt 21 (3 X 7) woorden en 96 (2² X 2³ X 3) letters . De getalwaarde van Lc 24,10 is 8824 (2³ X 1103) .
Lc 24,10.1. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 24,10.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . Een opsomming van de vrouwen wordt gegeven .
6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
15. sun (met) . Taalgebruik in het N.T. : sun (met) . Taalgebruik in Lc : sun (met) . Taalgebruik in Hnd : sun (met) . Hebr. bë (in, met) . Taalgebruik in Tenach : bë (in, met) . Lat. cum . Ned. met . D. mit . E. with . Fr. avec < apud - hoc . Lc (23) : (1) Lc 1,56 . (2) Lc 2,5 . (3) Lc 2,13 . (4) Lc 5,9 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 7,6 . (7) Lc 7,12 . (8) Lc 8,1 . (9) Lc 8,38 . (10) Lc 8,51 . (11) Lc 9,32 . (12) Lc 19,23 . (13) Lc 20,1 . (14) Lc 22,14 . (15) Lc 22,56 . (16) Lc 23,11 . (17) Lc 23,32 . (18) Lc 24,10 . (19) Lc 24,21 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,29 . (22) Lc 24,33 . (23) Lc 24,44 . Hnd (49) .
18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
21. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
| Lc 24,11 - Lc 24,11 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En haar woorden schenen voor hen als ijdel geklap, en
zij geloofden haar niet.
King James Bible . [11] And their words seemed to them as idle tales, and they
believed them not.
Luther-Bibel . 11 Und es erschienen ihnen diese Worte, als wär's Geschwätz,
und sie glaubten ihnen nicht.
Tekstuitleg van Lc 24,11 . Het vers Lc 24,11 telt 12 (2² X 3) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van Lc 24,11 is 9248 (2² X 2³ X 17²) .
Lc 24,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,11.3. enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in het N.T. : enôpion (voor het aangezicht van) . Taalgebruik in Lc : enôpion (voor het aangezicht van) . In Lc in 19 verzen : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,17 . (3) Lc 1,19 . (4) Lc 1,76 . (5) Lc 4,7 . (6) Lc 5,18 . (7) Lc 5,25 . (8) Lc 8,47 . (9) Lc 12,6 . (10) Lc 12,9 . (11) Lc 13,26 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 15,18 . (15) Lc 15,21 . (16) Lc 16,15 . (17) Lc 23,14 . (18) Lc 24,11 . (19) Lc 24,43 .
Lc 24,11.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,11.3. - 4. enôpion autou (voor het aangezicht van hem / voor zijn aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,75 . (3) Lc 5,18 . enôpion autôn (voor het aangezicht van hen / voor hun aangezicht) . Lc (3) : (1) Lc 5,25 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,43 .
Lc 24,11.8. nom. + acc. onz. rèmata van het zelfst. naamw. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Lc : rèma (woord, uitspraak) . Lc (5) : (1) Lc 1,65 . (2) Lc 2,19 . (3) Lc 2,51 . (4) Lc 7,1 . (5) Lc 24,11 . Een vorm van rèma (woord, uitspraak) in Lc in 18 verzen : (1) Lc 1,37 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 1,65 . (4) Lc 2,15 . (5) Lc 2,17 . (6) Lc 2,19 . (7) Lc 2,29 . (8) Lc 2,50 . (9) Lc 2,51 . (10) Lc 3,2 . (11) Lc 5,5 . (12) Lc 7,1 . (13) Lc 9,45 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 20,26 . (16) Lc 22,61 . (17) Lc 24,8 . (18) Lc 24,11 .
9. nom. + acc. onz. mv. tauta van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (46) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,11 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,26 . (6) Lc 24,36 .
Lc 24,11.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
| Lc 24,12 - Lc 24,12 : 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,1 - Lc 24,2 - Lc 24,3 - Lc 24,4 - Lc 24,5 - Lc 24,6 - Lc 24,7 - Lc 24,8 - Lc 24,9 - Lc 24,10 - Lc 24,11 - Lc 24,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 Doch Petrus opstaande, liep tot het graf, en nederbukkende,
zag hij de linnen doeken, liggende alleen, en ging weg, zich verwonderende bij
zichzelven van hetgeen geschied was.
King James Bible . [12] Then arose Peter, and ran unto the sepulchre; and stooping
down, he beheld the linen clothes laid by themselves, and departed, wondering
in himself at that which was come to pass.
Luther-Bibel .12 Petrus aber stand auf und lief zum Grab und bückte sich
hinein und sah nur die Leinentücher und ging davon und wunderte sich über
das, was geschehen war.
Tekstuitleg van Lc 24,12 . Het vers Lc 24,12 telt 22 (2 X 11) woorden en 109 letters . De getalwaarde van Lc 24,12 is 8518 (2 X 4259) .
Lc 24,12.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,2 . (3) Lc
24,3 . (4) Lc
24,5 . (5) Lc
24,10 . (6) Lc
24,12 . De apostelen reageren met ongeloof op het bericht van de vrouwen
. Petrus echter gaat naar het graf kijken .
Lc 24,12.3.
nom. mann. enk. petros (Petrus) van de eigennaam petros (Petrus) . Taalgebruik
in het N.T. : petros
(Petrus) . Taalgebruik in Lc : petros
(Petrus) .
Lc (13) : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
8,45 . (3) Lc
9,20 . (4) Lc
9,32 . (5) Lc
9,33 . (6) Lc
12,41 . (7) Lc
18,28 . (8) Lc
22,54 . (9) Lc
22,55 . (10) Lc
22,58 . (11) Lc
22,60 . (12) Lc
22,61 . (13) Lc
24,12 . Een vorm van petros (Petrus) in Lc in 18 verzen : (1) Lc
5,8 . (2) Lc
6,14 . (3) Lc
8,45 . (4) Lc
8,51 . (5) Lc
9,20 . (6) Lc
9,28 . (7) Lc
9,32 . (8) Lc
9,33 . (9) Lc
12,41 . (10) Lc
18,28 . (11) Lc
22,8 . (12) Lc
22,34 . (13) Lc
22,54 . (14) Lc
22,55 . (15) Lc
22,58 . (16) Lc
22,60 . (17) Lc
22,61 . (18) Lc
24,12 .
Lc 24,12.6.
epi (op, bij) . Afkortingen : ep' en ef' . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Lc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Lc (104 + 25 + 20 = 149) . Lc 24 (6) . epi (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,12 . (3) Lc
24,22 . (4) Lc
24,24 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,47 .
Lc 24,12.7.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
8. nom. + acc. onz. enk. mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in het N.T. : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Taalgebruik in Lc : mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) . Lc (4) : (1) Lc 23,55 . (2) Lc 24,12 . (3) Lc 24,22 . (4) Lc 24,24 . Een vorm van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in Lc in 8 verzen : (1) Lc 11,44 . (2) Lc 11,47 . (3) Lc 23,55 . (4) Lc 24,2 . (5) Lc 24,9 . (6) Lc 24,12 . (7) Lc 24,22 . (8) Lc 24,24 . In Lc : 3 vormen van mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in 3 hoofdstukken en in 3 verzen .
6. - 8. epi to mnèmeion (op / naar het graf) . Lc (3) : (1) Lc 24,12 . (2) Lc 24,22 . (3) Lc 24,24 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
16. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Lc : aperchomai (weggaan) . Lc (6) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 5,13 . (4) Lc 5,25 . (5) Lc 8,39 . (6) Lc 24,12 . Een vorm van aperchomai (weggaan) in Lc (21) : (1) Lc 1,23 . (2) Lc 1,38 . (3) Lc 2,15 . (4) Lc 5,13 . (5) Lc 5,14 . (6) Lc 5,25 . (7) Lc 7,24 . (8) Lc 8,31 . (9) Lc 8,37 . (10) Lc 8,39 . (11) Lc 9,57 . (12) Lc 9,59 . (13) Lc 9,60 . (14) Lc 10,30 . (15) Lc 17,23 . (16) Lc 19,32 . (17) Lc 22,4 . (18) Lc 22,13 . (19) Lc 23,33 . (20) Lc 24,12 . (21) Lc 24,24 . In Lc : 10 vormen van aperchomai (weggaan) in 12 hoofdstukken en in 21 verzen .
17. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,12.20.
bepaald lidw. nom. + acc. onz. enk. to . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (181) . Lc 24 (6) : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,12 . (4) Lc
24,22 . (5) Lc
24,23 . (6) Lc
24,24 .
Evangelie van de 3de
(derde) paaszondag A : Lc
24,13-35 :
In die tijd waren er twee van de leerlingen van Jezus op weg naar een dorp dat
Emmaüs heette en dat ruim elf kilometer van Jeruzalem lag. Zij spraken
met elkaar over alles wat was voorgevallen. Terwijl zij zo aan het praten waren
en van gedachten wisselden, kwam Jezus zelf op hen toe en Hij liep met hen mee.
Maar hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen. Hij vroeg hun: "Wat is
dat voor een gesprek dat gij onderweg met elkaar voert?" Met een bedrukt
gezicht bleven ze staan. Een van hen, die Kléopas heette, nam het woord
en sprak tot Hem: "Zijt Gij dan de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat
Gij niet weet wat daar dezer dagen gebeurd is?" Hij vroeg hun: "Wat
dan?" Ze antwoordden Hem: "Dat met Jezus de Nazarener, een man die
profeet was, machtig in daad en woord in het oog van God en van heel het volk;
hoe onze hogepriesters en overheidspersonen Hem hebben overgeleverd om Hem ter
dood te laten veroordelen en hoe zij Hem aan het kruis hebben geslagen. En wij
leefden in de hoop, dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen!
Maar met dit al is het reeds de derde dag sinds die dingen gebeurd zijn. Wel
hebben een paar vrouwen uit ons midden ons in de war gebracht; ze waren in de
vroegte naar het graf geweest, maar hadden zijn lichaam niet gevonden, en kwamen
zeggen, dat zij ook nog een verschijning van engelen hadden gehad, die verklaarden
dat Hij weer leefde. Daarop zijn enkelen van de onzen naar het graf gegaan en
bevonden het zoals de vrouwen gezegd hadden, maar Hem zagen ze niet." Nu
sprak Hij tot hen: "O onverstandigen, die zo traag van hart zijt in het
geloof aan alles wat de profeten gezegd hebben! Moest de Messias dat alles niet
lijden om in zijn glorie binnen te gaan?" Beginnend met Mozes verklaarde
Hij uit al de profeten wat in al de Schriften op Hem betrekking had. Zo kwamen
ze bij het dorp waar ze heengingen, maar Hij deed alsof Hij verder moest gaan.
Zij drongen bij Hem aan: "Blijf bij ons, want het wordt al avond en de
dag loopt ten einde". Toen ging Hij binnen om bij hen te blijven. Terwijl
Hij met hen aanlag nam Hij het brood, sprak de zegen uit, brak het en reikte
het hun toe. Nu gingen hun ogen open en zij herkenden Hem, maar Hij verdween
uit hun gezicht. Toen zeiden ze tot elkaar: "Brandde ons hart niet in ons,
zoals Hij onderweg met ons sprak en ons de Schriften ontsloot?" Ze stonden
onmiddellijk op en keerden naar Jeruzalem terug. Daar vonden ze de elf met de
mensen van hun groep bijeen. Deze verklaarden: "De Heer is waarlijk verrezen,
Hij is aan Simon verschenen." En zij van hun kant vertelden wat er onderweg
gebeurd was en hoe Hij door hen herkend werd aan het breken van het brood.
| Lc 24,13 - Lc 24,13 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En zie, twee van hen gingen op denzelfden dag naar een
vlek, dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;
King James Bible . [13] And, behold, two of them went that same day to a village
called Emmaus, which was from Jerusalem about threescore furlongs.
Luther-Bibel . 13 Und siehe, zwei von ihnen gingen an demselben Tage in ein
Dorf, das war von Jerusalem etwa zwei Wegstunden entfernt; dessen Name ist Emmaus.
Tekstuitleg van Lc 24,13 . Het vers telt 21 (3 X 7) woorden en 108 (2² X 3³) letters . De getalwaarde van Lc 24,13 is 11279 .
Lc 24,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,13.2. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Lc : idou (zie) . Taalgebruik in Hnd : idou (zie) . Lc (55) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 . Hnd (23) .
Lc 24,13.1. - 2. kai idou (en zie) . Lc (27 / 55) . Lc 24 (3 / 3) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,49 .
Lc 24,13.3. duo (twee) . Telwoord . Taalgebruik in het NT : telwoorden . Taalgebruik in Lc : telwoorden . F. deux . E. two . D. zwei . Lc (25) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,13.1. - 3. kai idou duo (en zie twee) . Lc (2) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,13 .
Lc 24,13.5. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,13.6.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
7. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 .
Lc 24,13.8.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) van het bepaald lidwoord ho , hè
, to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (119) . In elf verzen in Lc
24 : (1) Lc
24,1 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,13 . (5) Lc
24,25 . (6) Lc
24,32 . (7) Lc
24,33 . (8) Lc
24,35 . (9) Lc
24,38 . (10) Lc
24,46 . (11) Lc
24,49 . In zes verzen bij een tijdsbepaling , in vier verzen bij een plaatsbepaling
.
Lc 24,13.10. act. ind. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Lc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Lc (22) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 2,8 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,25 . (6) Lc 4,27 . (7) Lc 5,10 . (8) Lc 5,17 . (9) Lc 5,29 . (10) Lc 7,41 . (11) Lc 8,2 . (12) Lc 8,40 . (13) Lc 9,14 . (14) Lc 9,30 . (15) Lc 9,32 . (16) Lc 14,1 . (17) Lc 15,1 . (18) Lc 20,29 . (19) Lc 23,55 . (20) Lc 24,10 . (21) Lc 24,13 . (22) Lc 24,53 .
Lc 24,13.11.
part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi (zich op weg begevende) van het werkw.
poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) . Taalgebruik in het N.T. : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Lc : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Taalgebruik in Hnd : poreuomai
(zich op weg begeven, op weg gaan) . Hebr. hâlakh (gaan) < halacha
: http://nl.wikipedia.org/wiki/Halacha
. Taalgebruik in Tenach : hâlakh
(gaan) . Hebr. por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord
poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats
. Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord
behoort tot de groep van varen . Lc (3) : (1) Lc
1,6 . (2) Lc
8,14 . (3) Lc
24,13 . Een vorm van poreuomai (zich op weg begeven , op weg gaan) in Lc
(48) , in Lc 24 (2) : (1) Lc
24,13 . (2) Lc
24,28 . In Lc : 19 vormen van poreuomai (zich op weg begeven , op weg
gaan) in 18 / 24 hoofdstukken en in 48 verzen . In Hnd : X vormen van poreuomai
(zich op weg begeven , op weg gaan) in 21 / 28 hoofdstukken en in 39 verzen
. N.T. (150) .
Aan het èsan poreuomenoi (zij waren op weg naar) van Lc
24,13 correspondeert hupestrepsan (zij keerden terug) van Lc
24,33 .
Lc 24,13.12. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,13.17. apo (af, van-weg) . afkorting ap' en af' . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Lc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel . Lc (73 + 32 + 9 = 114) .Lc 24 (6 + 2 + 1 = 9) . apo . Lc (73) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,2 . (2) Lc 24,9 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,41 . (6) Lc 24,47 . ap' . Lc (32) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,31 . (2) Lc 24,51 . af' . Lc (9) . Lc 24 (1) Lc 24,21 .
Lc 24,13.18. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) : (1) Lc 2,25 . (2) Lc 2,38 . (3) Lc 2,41 . (4) Lc 2,43 . (5) Lc 2,45 . (6) Lc 4,9 . (7) Lc 5,17 . (8) Lc 6,17 . (9) Lc 9,31 . (10) Lc 9,51 . (11) Lc 9,53 . (12) Lc 10,30 . (13) Lc 13,4 . (14) Lc 13,33 . (15) Lc 13,34 . (16) Lc 17,11 . (17) Lc 18,31 . (18) Lc 19,11 . (19) Lc 21,20 . (20) Lc 21,24 . (21) Lc 23,28 . (22) Lc 24,13 . (23) Lc 24,18 . (24) Lc 24,33 . (25) Lc 24,47 . (26) Lc 24,52 . Een vorm van hierosoluma (Jeruzalem) in Lc in 4 verzen : (1) Lc 2,22 . (2) Lc 13,22 . (3) Lc 19,28 . (4) Lc 23,7 .
Lc 24,13.17. - 18. apo hierousalèm (van Jeruzalem weg) . N.T. (5) . Lc (3) : (12) Lc 10,30 . (22) Lc 24,13 . (25) Lc 24,47 . Hnd (1) Hnd 8,26 .
Lc 24,13.21. nom. + acc. onz. enk. : onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T. : onoma (naam) . Taalgebruik in Lc : onoma (naam) . Stam : N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name . Lc (15) : (1) Lc 1,5 (kai to onoma autès Elisabet = en haar naam was Elisabet) . (2) Lc 1,13 (kai kaleseis to onoma autou Iôannèn = en je zult zijn naam Johannes noemen) . (3) Lc 1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (4) Lc 1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (5) Lc 1,31 (kai kaleseis to onoma autou Ièsoun = en je zult zijn naam Jezus noemen) . (6) Lc 1,49 . (7) Lc 1,63 (Iôannès estin onoma autou = Johannes is zijn naam) . (8) Lc 2,21 (kai eklèthè to onoma autou Ièsous (en zijn naam werd Jezus genoemd) . (9) Lc 2,25 (hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (10) Lc 6,22 . (11) Lc 8,30 . (12) Lc 8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (13) Lc 11,2 . (14) Lc 21,17 . (15) Lc 24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Een vorm van onoma (naam) in Lc in 33 verzen .
Lc 24,13.20.
- 21. betrekkelijk voornaamwoord datief enkelvoud + onoma (naam) in Lc (5) :
(1) Lc
1,26 (hè(i) onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc
1,27 (hô(i) onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (3)
Lc 2,25
(hô(i) onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (4) Lc
8,41 (hô(i) onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) . (5)
Lc 24,13
(hè(i) onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) .
Betrekk. voornaamw. datief vrouw. enk. in Lc in 2 verzen : (1) Lc
1,26 (hèi onoma Nazareth = aan wie de naam Nazareth) . (2) Lc
24,13 (hèi onoma Emmaous = aan wie de naam Emmaüs) . Het betreft
twee dorpen : Nazareth en Emmaüs , het eerste en het laatste dorp in Lc
. De andere drie verzen zijn samengesteld uit het betrekk. voornaamw. datief
mann. enk. + een persoonsnaam (Jozef , Simeon en Jaïrus) : (1) Lc
1,27 (hôi onoma Iôsèf = aan wie de naam Jozef) . (2)
Lc 2,25
(hôi onoma Sumeôn = aan wie de naam Simeon) . (3) Lc
8,41 (hôi onoma Iaïros = aan wie de naam Jaïrus) .
| Lc 24,14 - Lc 24,14 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 En zij spraken samen onder elkander van al deze dingen,
die er gebeurd waren.
King James Bible . [14] And they talked together of all these things which had
happened.
Luther-Bibel . 14 Und sie redeten miteinander von allen diesen Geschichten.
Tekstuitleg van Lc 24,14 . Het vers Lc 24,14 telt 10 (2 X 5) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Lc 24,14 is 9874 (2 X 4937) .
Lc 24,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,14.2. nom. mann. mv. autoi (zij) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (19) : (1) Lc 2,50 . (2) Lc 6,11 . (3) Lc 9,36 . (4) Lc 11,4 . (5) Lc 11,19 . (6) Lc 11,46 . (7) Lc 11,48 . (8) Lc 11,52 . (9) Lc 13,4 . (10) Lc 14,1 . (11) Lc 14,12 . (12) Lc 16,28 . (13) Lc 17,13 . (14) Lc 18,34 . (15) Lc 22,23 . (16) Lc 22,71 . (17) Lc 24,14 . (18) Lc 24,35 . (19) Lc 24,52 .
Lc 24,14.3. act. ind. imperf. 3de pers. mv. hômiloun van het werkw. homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in het N.T. : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in Lc : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Taalgebruik in het N.T. : homileô (omgaan, zich onderhouden met) . Lc (1) Lc 24,14 . Een vorm van homileô (omgaan, zich onderhouden met) in Lc in 2 verzen : (1) Lc 24,14 . (2) Lc 24,15 . In Lc : 2 vormen van homileô (omgaan, zich onderhouden met) in 2 verzen in 2 hoofdstukken . In Hnd : 2 vormen van (omgaan, zich onderhouden met) in 2 verzen in 2 hoofdstukken .
Lc 24,14.4. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,14.5. acc. mann. mv. allèlous van het voornaamw. allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 12,1 . (6) Lc 20,14 . (7) Lc 24,14 . (8) Lc 24,17 . (9) Lc 24,32 . Een vorm van allèloi (elkander, elkaar) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 7,32 . (5) Lc 8,25 . (6) Lc 12,1 . (7) Lc 20,14 . (8) Lc 23,12 . (9) Lc 24,14 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,32 . In Lc : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 11 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,14.4. - 5. pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 .
Lc 24,14.6. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
Lc 24,14.7. gen. mv. pantôn van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (17) : (1) Lc 1,71 . (2) Lc 2,31 . (3) Lc 3,15 . (4) Lc 3,19 . (5) Lc 4,15 . (6) Lc 4,20 . (7) Lc 7,18 . (8) Lc 7,35 . (9) Lc 8,45 . (10) Lc 9,43 . (11) Lc 11,50 . (12) Lc 14,10 . (13) Lc 21,3 . (14) Lc 21,12 . (15) Lc 21,17 . (16) Lc 24,14 . (17) Lc 24,27 .
Lc 24,14.6. - 7. peri pantôn (over allen / alles) . N.T. (15) . Lc (3) : (1) Lc 3,19 . (2) Lc 7,18 . (3) Lc 24,14 . Hnd (4) .
Lc 24,14.8. bepaald lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. tôn van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (119) . In zes verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,8 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,27 .
| Lc 24,15 - Lc 24,15 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En het geschiedde, terwijl zij samen spraken, en elkander
ondervraagden, dat Jezus Zelf bij hen kwam, en met hen ging.
King James Bible . [15] And it came to pass, that, while they communed together
and reasoned, Jesus himself drew near, and went with them.
Luther-Bibel . 15 Und es geschah, als sie so redeten und sich miteinander besprachen,
da nahte sich Jesus selbst und ging mit ihnen.
Tekstuitleg van Lc 24,15 . Het vers Lc 24,15 telt 15 (3 X 5) woorden en 79 letters . De getalwaarde van Lc 24,15 is 9279 (3² X 1031) .
Lc 24,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,15.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,15.3. en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Lc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in . Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,6 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,27 . (8) Lc 24,30 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,35 . (11) Lc 24,36 . (12) Lc 24,38 . (13) Lc 24,44 . (14) Lc 24,49 . (15) Lc 24,51 . (16) Lc 24,53 .
Lc 24,15.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. tô(i) van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (154) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,30 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,47 . (6) Lc 24,51 . (7) Lc 24,53 .
Lc 24,15.1. - 4. egeneto de en tô(i) = het gebeurde echter tijdens het ... Lc (9) : (1) Lc 1,8 . (2) Lc 2,6 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 5,1 . (5) Lc 8,40 . (6) Lc 9,51 . (7) Lc 10,38 . (8) Lc 11,27 . (9) Lc 18,35 . kai egeneto en tô(i) = en het gebeurde tijdens het ... Lc (14) : (1) Lc 5,12 . (2) Lc 8,1 . (3) Lc 9,18 . (4) Lc 9,29 . (5) Lc 9,33 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 17,11 . (9) Lc 17,14 . (10) Lc 19,15 . (11) Lc 24,4 . (12) Lc 24,15 . (13) Lc 24,30 . (14) Lc 24,51 .
Lc 24,15.6. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,15.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,15.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
10. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (45) . Lc 24 (7) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,21 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,28 . (5) Lc 24,31 . (6) Lc 24,36 . (7) Lc 24,39 .
14. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
| Lc 24,16 - Lc 24,16 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En hun ogen werden gehouden, dat zij Hem niet kenden.
King James Bible . [16] But their eyes were holden that they should not know
him.
Luther-Bibel . 16 Aber ihre Augen wurden gehalten, dass sie ihn nicht erkannten.
Tekstuitleg van Lc 24,16 . Het vers Lc 24,16 telt 9 (3²) woorden en 46 (2 X 23) letters . De getalwaarde van Lc 24,16 is 6334 (2 X 3167) .
Lc 24,16.1. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,16.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
3. nom. mann. mv. ofthalmoi (ogen) van het zelfst. naamw. ofthalmos (oog) . Taalgebruik in het N.T. : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Lc : ofthalmos (oog) . Taalgebruik in Hnd : ofthalmos (oog) . Hebr. ajin (oog, bron) . Taalgebruik in Tenach : ajin (oog, bron) . Lat. oculus . Fr. oeil (yeux) . E. eye . Ned. oog . D. Aug . Lc (5) : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 10,23 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,31 . Hnd (-) . Een vorm van ofthalmos (oog) in Lc in 12 verzen : (1) Lc 2,30 . (2) Lc 4,20 . (3) Lc 6,20 . (4) Lc 6,41 . (5) Lc 6,42 . (6) Lc 10,23 . (7) Lc 11,34 . (8) Lc 16,23 . (9) Lc 18,13 . (10) Lc 19,42 .(11) Lc 24,16 . (12) Lc 24,31 . In Lc : 6 vormen van ofthalmos (oog) in 12 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van ofthalmos (oog) in 6 verzen in 4 hoofdstukken .
Lc 24,16.4. gen. mv.autôn van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (94) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,11 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,16 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,36 . (8) Lc 24,41 . (9) Lc 24,43 . (10) Lc 24,45 . (11) Lc 24,51 .
Lc 24,16.6.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,16.7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Lc : mè (niet) . Lc (123) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,23 .
Lc 24,16.9. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
| Lc 24,17 - Lc 24,17 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En Hij zeide tot hen: Wat redenen zijn dit, die gij, wandelende,
onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?
King James Bible . [17] And he said unto them, What manner of communications
are these that ye have one to another, as ye walk, and are sad?
Luther-Bibel . 17 Er sprach aber zu ihnen: Was sind das für Dinge, die
ihr miteinander verhandelt unterwegs? Da blieben sie traurig stehen.
Tekstuitleg van Lc 24,17 . Het vers Lc 24,17 telt 16 (2² X 2²) woorden en 88 (2³ X 11) letters . De getalwaarde van Lc 24,17 is 10062 (2 X 3² X 13 X 43) .
Lc 24,17.1. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,17.2.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,17.3. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,17.1. - 3. eipen de pros (hij zei echter tot) . Lc (17) : (1) Lc 1,13 . (2) Lc 7,50 . (3) Lc 9,13 . (4) Lc 9,14 . (5) Lc 9,59 . (6) Lc 9,62 . (7) Lc 12,15 . (8) Lc 12,22 . (9) Lc 13,7 . (10) Lc 15,3 . (11) Lc 17,1 . (12) Lc 17,22 . (13) Lc 18,9 . (14) Lc 19,9 . (15) Lc 20,41 . (16) Lc 24,17 . (17) Lc 24,44 .
Lc 24,17.4. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (83) . Lc 24 (6) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,25 . (4) Lc 24,44 . (5) Lc 24,50 . (6) Lc 24,51 .
Lc 24,17.1. - 4. eipen de pros autous (hij echter zei tot hen) . Lc (6) : (1) Lc 9,13 . (2) Lc 12,15 . (3) Lc 15,3 . (4) Lc 20,41 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,44 . Hnd (1) .
Lc 24,17.5. nom. mann. + vr. mv. tines van het voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Hnd : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets . Hebr. mî (wie) . Taalgebruik in Tenach : mî (wie) . Ned. wie , wat , welke . E. who , what . D. Was . Fr. qui , quel . Lc (12) : (1) Lc 6,2 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 9,27 . (4) Lc 11,15 . (5) Lc 13,1 . (6) Lc 13,31 . (7) Lc 19,39 . (8) Lc 20,27 . (9) Lc 20,39 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,22 . (12) Lc 24,24 . Hnd (16) .
Lc 24,17.6. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,17.7. nom. mann. mv. logoi van het zelfst. naamw. logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Lc : logos (woord) . Taalgebruik in Hnd. : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (3) : (1) Lc 21,33 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,44 . Een vorm van logos (woord) in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,44 . In Lc : 8 vormen van logos (woord) in 17 / 24 hoofdstukken en in 33 verzen . In Hnd : 8 vormen van logos (woord) in 20 / 28 hoofdstukken en in 65 verzen .
Lc 24,17.8. nom. mann. mv. houtoi van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Lc (10) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 8,14 . (3) Lc 8,15 . (4) Lc 8,21 . (5) Lc 13,2 . (6) Lc 19,40 . (7) Lc 20,47 . (8) Lc 21,4 . (9) Lc 24,17 . (10) Lc 24,44 . Hnd (14) .
Lc 24,17.6. - 8. deze woorden . Lc 24,17 : hoi logoi houtoi . Lc 24,44 : houtoi hoi logoi .
Lc 24,17.11. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,17.12. acc. mann. mv. allèlous van het voornaamw. allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in het N.T. : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Lc : allèloi (elkander, elkaar) . Taalgebruik in Hnd : allèloi (elkander, elkaar) . Lc (9) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 12,1 . (6) Lc 20,14 . (7) Lc 24,14 . (8) Lc 24,17 . (9) Lc 24,32 . Een vorm van allèloi (elkander, elkaar) in Lc in 11 verzen : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 7,32 . (5) Lc 8,25 . (6) Lc 12,1 . (7) Lc 20,14 . (8) Lc 23,12 . (9) Lc 24,14 . (10) Lc 24,17 . (11) Lc 24,32 . In Lc : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 11 verzen in 9 hoofdstukken . In Hnd : 3 vormen van allèloi (elkander, elkaar) in 8 verzen in 7 hoofdstukken .
Lc 24,17.11. - 12. pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 . pros allèlous (tot elkander) . Lc (7) : (1) Lc 2,15 . (2) Lc 4,36 . (3) Lc 6,11 . (4) Lc 8,25 . (5) Lc 24,14 . (6) Lc 24,17 . (7) Lc 24,32 .
Lc 24,17.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
| Lc 24,18 - Lc 24,18 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En de een, wiens naam was Kleopas, antwoordende, zeide
tot Hem: Zijt Gij alleen een vreemdeling te Jeruzalem, en weet niet de dingen,
die deze dagen daarin geschied zijn?
King James Bible . [18] And the one of them, whose name was Cleopas, answering
said unto him, Art thou only a stranger in Jerusalem, and hast not known the
things which are come to pass therein these days?
Luther-Bibel . 18 Und der eine, mit Namen Kleopas, antwortete und sprach zu
ihm: Bist du der Einzige unter den Fremden in Jerusalem, der nicht weiß,
was in diesen Tagen dort geschehen ist?
Tekstuitleg van Lc 24,18 .
Lc 24,18.2. de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Lc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . In twintig verzen in Lc 24 . In zes verzen in Lc 23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,21 . (6) Lc 24,24 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,37 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,42 . (12) Lc 24,44 . (13) Lc 24,49 . (14) Lc 24,50 .
Lc 24,18.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Lc (210) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,7 . (3) Lc 24,13 . (4) Lc 24,18 . (5) Lc 24,20 . (6) Lc 24,26 . (7) Lc 24,28 . (8) Lc 24,33 . (9) Lc 24,47 . (10) Lc 24,51 . (11) Lc 24,52 .
Lc 24,18.6. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
Lc 24,18.7. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Lc : pros (naar, bij) . Lc (158) . Lc 24 (11) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,14 . (5) Lc 24,17 . (6) Lc 24,18 . (7) Lc 24,25 . (8) Lc 24,29 . (9) Lc 24,32 . (10) Lc 24,44 . (11) Lc 24,50 .
Lc 24,18.8. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
Lc 24,18.12. hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in het N.T. : hierousalèm (Jeruzalem) . Taalgebruik in Lc : hierousalèm (Jeruzalem) . Lc (26) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 . (4) Lc 24,47 . (5) Lc 24,52 .
Lc 24,18.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,18.14. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Lc : ou - ouk - ouch (niet) . Lc (84 + 92 + 7 = 183) . Lc 24 (3 + 4 + 1 = 8) . ou . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,21 . (2) Lc 24,28 . (3) Lc 24,49 . ouk . Lc (4) : (1) Lc 24,6 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,24 . (4) Lc 24,39 . ouch . Lc 24 (1) Lc 24,3 .
Lc 24,18.18.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,18.19. pers. voornaamw. nom. + dat. vr. enk. autè(i) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (43) . Lc 24 (3) : (1) Lc 24,13 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,33 .
Lc 24,18.20.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,18.21. bepaald lidw. dat. vr. mv. tais van het bepaald lidwoord ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (33) . Lc 24 (2) : (1) Lc 24,18 . (2) Lc 24,27 .
Lc 24,18.22. dat. vr. mv. hèmerais van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Lc : hèmera (dag) . Taalgebruik in Hnd : hèmera (dag) . Hebr. jôm (dag) . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) . Lc (18) . (1) Lc 1,5 . (2) Lc 1,7 . (3) Lc 1,18 . (4) Lc 1,25 . (5) Lc 1,39 . (6) Lc 1,75 . (7) Lc 2,1 . (8) Lc 2,36 . (9) Lc 4,2 . (10) Lc 4,25 . (11) Lc 5,35 . (12) Lc 6,12 . (13) Lc 9,36 . (14) Lc 17,26 . (15) Lc 17,28 . (16) Lc 21,23 . (17) Lc 23,7 . (18) Lc 24,18 . Een vorm van hèmera (dag) in Lc (82) , in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,13 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,29 . (6) Lc 24,46 . In Lc : 6 vormen van hèmera (dag) in 22 / 24 hoofdstukken en in 78 verzen . In Hnd : 6 vormen van hèmera (dag) in 25 / 28 hoofdstukken en in 91 verzen .
Lc 24,18.23. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. tautais van het aanwijz. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (deze) . Taalgebruik in Lc : houtos (deze) . Taalgebruik in Hnd : houtos (deze) . Lc (4) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 23,7 . (4) Lc 24,18 . Hnd (3) : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 6,1 . (3) Hnd 11,27 .
Lc 24,18.20. - 23. en tais hèmerais tautais (in deze dagen) . Lc (3) : (1) Lc 1,39 . (2) Lc 6,12 . (3) Lc 24,18 . In bredere contekst . (1) Lc 1,39 : anastasa de mariam en tais hèmerais tautais eporeuthè eis tèn oreinèn (Maria echter opgestaan in deze dagen begaf zich op weg naar het gebergte) . (2) Lc 6,12 : egeneto de en tais hèmerais tautais exèlthen eis to horos (het gebeurde echter in deze dagen . Hnd (3) : (1) Hnd 1,15 . (2) Hnd 6,1 (en de ....) . (3) Hnd 11,27 (en tautais de ...) . Hij ging uit naar de berg) . Hebr. bajjâmim hâ´ellèh (in deze dagen) : Zach 8,9 en Zach 8,15 . Taalgebruik in Tenach : jôm (dag) .
| Lc 24,19 - Lc 24,19 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En Hij zeide tot hen: Welke? En zij zeiden tot Hem: De
dingen aangaande Jezus den Nazarener, Welke een Profeet was, krachtig in werken
en woorden, voor God en al het volk.
King James Bible . [19] And he said unto them, What things? And they said unto
him, Concerning Jesus of Nazareth, which was a prophet mighty in deed and word
before God and all the people:
Luther-Bibel . 19 Und er sprach zu ihnen: Was denn? Sie aber sprachen zu ihm:
Das mit Jesus von Nazareth, der ein Prophet war, mächtig in Taten und Worten
vor Gott und allem Volk;
Tekstuitleg van Lc 24,19 . Het vers Lc 24,19 telt 29 woorden en 129 (3 X 43) letters . De getalwaarde van Lc 24,19 is 15399 (3² X 29 X 59) .
Lc 24,19.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Lc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Lc (223) . Lc 24 (8) : (1) Lc 24,17 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,25 . (5) Lc 24,38 . (6) Lc 24,41 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,46 . Lc 24 (6 + 12 = 18) . Een vorm van legô (zeggen) in Lc 24 (6) : (1) Lc 24,7 . (2) Lc 24,10 . (3) Lc 24,23 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,34 . (6) Lc 24,36 ; van eipon (ik zei) in Lc 24 (12) : (1) Lc 24,5 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,18 . (4) Lc 24,19 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,32 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,40 . (10) Lc 24,41 . (11) Lc 24,44 . (12) Lc 24,46 .
3. dat. mann. en onz. mv.autois van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord autos . Lc (89) . Lc 24 (12) : (1) Lc 24,15 . (2) Lc 24,19 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,29 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,33 . (7) Lc 24,35 . (8) Lc 24,36 . (9) Lc 24,38 . (10) Lc 24,40 . (11) Lc 24,41 . (12) Lc 24,46 .
1. - 3. kai eipen autois (en hij zei hen) . Lc (9) : (1) Lc 2,10 . (2) Lc 9,48 . (3) Lc 13,22 . (4) Lc 16,15 . (5) Lc 22,35 . (6) Lc 22,46 . (7) Lc 24,19 . (8) Lc 24,38 . (9) Lc 24,46 .
5. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,19.6.
de (echter) , afkorting d' . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Lc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
In twintig verzen in Lc
24 . In zes verzen in Lc
23,56b-24,12 . Lc 24,13-53 (14) : (1) Lc
24,16 . (2) Lc
24,17 . (3) Lc
24,18 . (4) Lc
24,19 . (5) Lc
24,21 . (6) Lc
24,24 . (7) Lc
24,31 . (8) Lc
24,36 . (9) Lc
24,37 . (10) Lc
24,41 . (11) Lc
24,42 . (12) Lc
24,44 . (13) Lc
24,49 . (14) Lc
24,50 .
Lc 24,19.10. peri (omwille van, over) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Lc : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Hnd : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Lc (43) . Lc 24 (5) : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,27 . (5) Lc 24,44 .
9. - 10. ta peri (dat over) . Lc (2) : (1) Lc 24,19 : ta peri Ièsou tou Nazaraiou = dat over Jezus de Nazarener (Emmaüsverhaal) . (2) Lc 24,27 . Hnd (12) .
Lc 24,19.11. voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou (Jezus) van de eigennaam ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Lc (18) : (1) Lc 3,21 . (2) Lc 3,29 . (3) Lc 4,34 . (4) Lc 5,8 . (5) Lc 5,19 . (6) Lc 6,11 . (7) Lc 7,3 . (8) Lc 8,28 . (9) Lc 8,35 . (10) Lc 8,41 . (11) Lc 17,13 . (12) Lc 18,38 . (13) Lc 22,47 . (14) Lc 23,26 . (15) Lc 23,42 . (16) Lc 23,52 . (17) Lc 24,3 . (18) Lc 24,19 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Lc in 87 verzen , in Lc 24 (3) : (1) Lc 24,3 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . In Lc : 3 vormen in 19 hoofdstukken en in 87 verzen .
Lc 24,19.12.
bep. lidw. gen. mann. en onz. enk. tou van het bepaald lidw. ho - hè
- to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Lc (272) . Lc 24 (11) : (1) Lc
24,2 . (2) Lc
24,3 . (3) Lc
24,7 . (4) Lc
24,9 . (5) Lc
24,16 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,25 . (8) Lc
24,29 . (9) Lc
24,35 . (10) Lc
24,45 . (11) Lc
24,49 .
Lc 24,19.15. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Lc : ginomai (worden) . Het duidt vaak een tijdsaanduiding aan (in die dagen, in de dagen van...) : een gelijk-tijdigheid (terwijl hij het priesterschap uitoefende) , een voor-tijdigheid of een na-tijdigheid . Soms heeft het ook de betekenis van zijn (er was eens... ) zoals vele verhalen bij ons beginnen . Lc (69) .In zeven verzen in Lc 24 : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,15 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,30 . (6) Lc 24,31 . (7) Lc 24,51 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Lc 24 in 12 verzen : (1) Lc 24,4 . (2) Lc 24,5 . (3) Lc 24,12 . (4) Lc 24,15 . (5) Lc 24,18 . (6) Lc 24,19 . (7) Lc 24,21 . (8) Lc 24,22 . (9) Lc 24,30 . (10) Lc 24,31 . (11) Lc 24,37 . (12) Lc 24,51 .
Lc 24,19.17. nom. mann. enk. profètès (profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès (profeet) . Taalgebruik in Lc : profètès (profeet) . Taalgebruik in Hnd : profètès (profeet) . Taalgebruik in Tenach : nâbhî´(profeet) . Hebr. nâbhî´(profeet) . Gr. profètès < pro - fè - tès (fèmi : spreken) . pro-fèmi (voor zich uitspreken) . Lc (7) : (1) Lc 1,76 . (2) Lc 4,24 . (3) Lc 7,16 . (4) Lc 7,39 . (5) Lc 9,8 . (6) Lc 9,19 . (7) Lc 24,19 . Hnd (4) . Een vorm van profètès (profeet) in Lc in 29 verzen , in Lc 24 (4) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,25 . (3) Lc 24,27 . (4) Lc 24,44 . In Lc : 7 vormen van profètès (profeet) in 13 / 24 hoofdstukken en in 29 verzen . In Hnd : 6 vormen van profètès (profeet) in 12 / 28 hoofdstukken en in 30 verzen .
Lc 24,19.19.
en (in, met) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Lc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en / dans . Ned. in .
Lc (288) . Lc 24 (16) : (1) Lc
24,4 . (2) Lc
24,6 . (3) Lc
24,13 . (4) Lc
24,15 . (5) Lc
24,18 . (6) Lc
24,19 . (7) Lc
24,27 . (8) Lc
24,30 . (9) Lc
24,32 . (10) Lc
24,35 . (11) Lc
24,36 . (12) Lc
24,38 . (13) Lc
24,44 . (14) Lc
24,49 . (15) Lc
24,51 . (16) Lc
24,53 .
Lc 24,19.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.23. enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in het N.T. : enantion (tegenover, in de ogen van) . Taalgebruik in Lc : enantion (tegenover, in de ogen van) . Lc (3) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 20,26 . (3) Lc 24,19 . enanti (tegenover) . Taalgebruik in het N.T. : enanti (tegenover) . Taalgebruik in Lc : enanti (tegenover) . Lc (1) Lc 1,8 .
Lc 24,19.25. gen. mann. enk. theou van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . vloek dju . Lc (70) . Lc 24 (1) Lc 24,53 . Een vorm van theos (God) in Lc (115) , in Lc 24 (2) : (1) Lc 24,19 . (2) Lc 24,53 . In Lc : 4 vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 115 verzen .
Lc 24,19.23. - 25. enantion tou theou (tegenover God) . Lc (2) : (1) Lc 1,6 . (2) Lc 24,19 . enanti tou theou (tegenover God) . Lc (1) Lc 1,8 .
Lc 24,19.26. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
Lc 24,19.27. gen. mann. + onz. enk. pantos van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Lc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Lc (4) : (1) Lc 8,47 . (2) Lc 20,45 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,53 . Een vorm van pas (ieder, elk, alles) in Lc 24 (9) : (1) Lc 24,9 . (2) Lc 24,14 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,21 . (5) Lc 24,25 . (6) Lc 24,27 . (7) Lc 24,44 . (8) Lc 24,47 . (9) Lc 24,53 .
| Lc 24,20 - Lc 24,20 : 354. Verschijning aan twee leerlingen op weg naar Emmaüs : Lc 24,13-35 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Lc (Lucas) -- Lc 24,13 - Lc 24,14 - Lc 24,15 - Lc 24,16 - Lc 24,17 - Lc 24,18 - Lc 24,19 - Lc 24,20 - Lc 24,21 - Lc 24,22 - Lc 24,23 - Lc 24,24 - Lc 24,25 - Lc 24,26 - Lc 24,27 - Lc 24,28 - Lc 24,29 - Lc 24,30 - Lc 24,31 - Lc 24,32 - Lc 24,33 - Lc 24,34 - Lc 24,35 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En hoe onze overpriesters en oversten Denzelven overgeleverd
hebben tot het oordeel des doods, en Hem gekruisigd hebben.
King James Bible . [20] And how the chief priests and our rulers delivered him
to be condemned to death, and have crucified him.
Luther-Bibel . 20 wie ihn unsre Hohenpriester und Oberen zur Todesstrafe überantwortet
und gekreuzigt haben.
Tekstuitleg van Lc 24,20 .
Lc 24,20.3. De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .
Lc 24,20.4. pers. voornaamw. 3de pers. enk. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos (hij - hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Lc. : voornaamwoord autos . Lc (184) . Lc 24 (10) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,18 . (3) Lc 24,20 . (4) Lc 24,23 . (5) Lc 24,24 . (6) Lc 24,29 . (7) Lc 24,30 . (8) Lc 24,31 . (9) Lc 24,51 . (10) Lc 24,52 .
5. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .
Lc 24,20.6. nom. + acc. mann. mv. archiereis van het zelfst. naamw. archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in het N.T. : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Lc : archiereus (hogepriester) . Taalgebruik in Hnd : archiereus (hogepriester) . De eerste in de rij van priesters . Lc (10) : (1) Lc 19,47 . (2) Lc 20,1 . (3) Lc 20,19 . (4) Lc 22,2 . (5) Lc 22,52 . (6) Lc 22,66 . (7) Lc 23,4 . (8) Lc 23,10 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 24,20 . Een vorm van archiereus (hogepriester) in Lc in 15 verzen : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 9,22 . (3) Lc 19,47 . (4) Lc 20,1 . (5) Lc 20,19 . (6) Lc 22,2 . (7) Lc 22,4 . (8) Lc 22,50 . (9) Lc 22,52 . (10) Lc 22,54 . (11) Lc 22,66 . (12) Lc 23,4 . (13) Lc 23,10 . (14) Lc 23,13 . (15) Lc 24,20 . In Lc : 4 vormen van archiereus (hogepriester) in 15 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 7 vormen van archiereus (hogepriester) in 10 hoofdstukken in 23 verzen .
Lc 24,20.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Lc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Lc (822 / 1151) . Lc 24 (+ 45 / 53 . - 8 / 53 : (1) Lc 24,1 . (2) Lc 24,2 . (3) Lc 24,3 . (4) Lc 24,6 . (5) Lc 24,16 . (6) Lc 24,42 . (7) Lc 24,45 . (8) Lc 24,48 .)
8. nom. mann. mv. hoi van het bep. lidw. ho , hè , to (de - het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Hnd : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Lc (165) . Lc 24 (9) : (1) Lc 24,16 . (2) Lc 24,17 . (3) Lc 24,19 . (4) Lc 24,20 . (5) Lc 24,23 . (6) Lc 24,25 . (7) Lc 24,31 . (8) Lc 24,42 . (9) Lc 24,44 . Hnd (147) .