MARCUSEVANGELIE : EERSTE HOOFDSTUK , MC 1 -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) --
Zie naar de websites : Mc 1,1-8 . Mc 1, 9-15 . Mc 1,16-20 . Mc 1,21-28 . Mc 1,32-45 .

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Tekstuitleg per pericope : Mc 1,1-6 , Mc 1,7-8 , Mc 1,9-11 , Mc 1,12-13 , Mc 1,14-15 , Mc 1,16-20 , Mc 1,21 , Mc 1,22 , Mc 1,23-28 , Mc 1,29-31 , Mc 1,32-34 , Mc 1,35-38 , Mc 1,39 , Mc 1,40-45
Tekstuitleg vers per vers : Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45


http://scripturetext.com/            
1. LXX , Griekse tekst NT   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@telenet.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm .
- STARTPAGINA -- BIJ DE HAND -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
OF (met aanvullingen) : - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : - Arabisch , allochtonen , Aramees , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering , Grieks , Hebreeuws ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , Latijn , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen .


Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

- Mc 1,1-8 : 2de (tweede) zondag van de advent B .
Mc 1,7-11: B-cyclus, feest van het doopsel van Jezus
Mc 1,12-15 : 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B .
Mc 1,14-20: B-cyclus, 3de zondag door het jaar
Mc 1,21-28: B-cyclus, 4de zondag door het jaar
Mc 1,29-39: B-cyclus, 5de zondag door het jaar
- Mc 1,40-45 : 6de (zesde) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V -W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie :
13. Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -
18. Doop van Jezus - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 -
23. Roeping van de eerste leerlingen - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 -
24. Jezus leert en geneest - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 -
54. Slot van de bergrede - Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 -
55. Uitdrijving van een demon - Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 -
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder - Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -
59. Genezingen en exorcismen - Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 -
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -
61. Prediking in de synagogen - Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 -
63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -


Mc 1,1-15

- Mc 1,1 : titel
- Mc 1,2-8 : Johannes de Doper
-- Mc 1,2-3: profetie
---- 2a : inleiding op het citaat van Jesaja
---- 2b : Eliatekst: aankondiging van een bode
---- 3 : Jesajatekst: aankondiging en opdracht tot
-- Mc 1,4-5 : voorbereiding
---- 4 : optreden van Johannes: vervulling, aanwezigheid van de bode
---- 5 : reactie; daadwerkelijke voorbereiding
-- Mc : 1,6
-- Mc : 1,7-8
-- Mc 1,9-15
---- Mc 1,9-11
------ Mc 1,9
------ Mc 10-11
---- Mc 1,12-13
---- Mc 1,14-15

13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -

Mc 1,2 b Mc 1,2 c Mc 1,3 Mc 1,7 Mc 1,8 - Mc 1,8a Mc 1,8 - Mc 1,8b
idou (zie) hos (die)     egô (ik) autos de (hij echter)
apostellô (ik zend) kataskeuasei (zal bereiden) hetoimasate (bereidt) erchetai (zal komen) ebaptisa (heb gedoopt) baptisei (zal dopen)
ton aggelon mou (mijn engel) ton hodon sou (uw weg) tèn hodon kuriou (de weg van de Heer) ho ischuteros mou (de sterkere dan mij ) humas (je) humas (je)
pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)     opisô mou (na mij) hudati (met water) pneumati hagiôi (met heilige geest)
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -

Evangelie van de 2de (tweede) zondag van de advent B . Mc 1,1-8 . Taalgebruik : Mc 1,1-8 .

Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maak zijn paden recht. Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek van Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: "Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest."

Mc 1,1-6 - Mc 1,7-8 horen bij elkaar. Na bijbelcitaten wordt de vervulling ervan door Johannes de Doper gegeven . Mc 1,2 - Mc 1,3 en Mc 1,6 omsluiten elkaar . Mc 1,7 - Mc 1,8 gaat de komst van Jezus onmiddellijk vooraf .


Mc 1,1 - Mc 1,1 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou  initium evangelii Iesu Christi Filii Dei   Begin van het evangelie van Jezus Christus (zoon van God)  Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.  Begin* van de goede boodschap* van Jezus Christus*, Zoon van God*.   Het begin van het evangelie van Jezus Christus, Zoon van God.* Begin van de aankondiging van Jezus Christus.  Mc 1:1- Commencement de l'Évangile de Jésus Christ, Fils de Dieu.  

Statenvertaling . 1 Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van God.
King James Bible . [1] The beginning of the gospel of Jesus Christ, the Son of God;
Luther-Bibel . 1 Dies ist der Anfang des Evangeliums von Jesus Christus, dem Sohn Gottes.

Tekstuitleg van Mc 1,1 . Dit vers Mc 1,1 .telt 8 woorden (2 X 2 X 2 X 5) woorden en 40 (2 X 2 X 2 X 5) letters . Door het feit dat de zin geen werkwoord bevat , komt hij over als een titel . Het is een boekopschrift . Het is een geloofsbelijdenis : de goede boodschap dat Jezus de Christus is , zoon van God . Jezus heeft dit nooit expliciet over zichzelf gezegd . Het zijn gelovigen die dat over Jezus zeggen . Charles Vergeer in zijn boek 'Een nameloze . Jezus de Nazarener' (Nijmegen / Amsterdam , Sun , 1997 ; voortaan Vergeer) ziet 2 verhaallijnen : de verhaalllijn van de gezalfde , die wijst op de gezalfde koning en zo op het koningschap en de verhaallijn van de zoon van God .
De titel geeft ook het gezichtspunt aan waaruit dit evangelie geschreven wordt . Paulus had Jezus ervaren als de Levende , als de Christus , als zoon van God . Daardoor kregen de joodse termen van Christus en zoon van God een 'transcendent' karakter . Na zijn dood had God Jezus opgewekt uit de doden , had hem gezalfd tot koning van het koninkrijk van God en had hem aangesteld tot zoon van God . Paulus had bijna uitsluitend belangstelling voor de 'verrezen' Heer en niet voor het aardse leven van Jezus . Vanuit dat gezichtspunt bekijkt de evangelist Marcus het aardse leven van Jezus . Hij laat zien dat Jezus vanaf zijn aantreden de gezalfde en zoon van God is . Deze christelijke visie verschilt van de joodse kijk op Jezus . Joden keken uit naar de gezalfde , de messias en ook in het Oude Testament wordt een mens soms zoon van God genoemd , maar het blijft binnenaards , immanent .

Mc 1,1.1. αρχη = archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in de LXX : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè (begin, heerschappij) . Mc (2) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 13,8 .

archè (begin) bijbel  LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev. P. A. b.
nom. + dat enk. archè(i) 82 70                     12 1 2 1 2 1 2 3 4 6 2  
Totaal   373  312                      61  11  28  14 25 17  11 

- Zie ook het werkw. αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in de LXX : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Een vorm van αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) in de LXX (123) , in het NT (85) .

archomai (beginnen, aanvangen) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br.
inf. pr.             1 : Mc 10,42 .             11 9          
ind. aor. 3de p. enk. èrxato 18 1 : (1) Mc 1,45 .   1 : (2) Mc 4,1 . 1 : (3) Mc 5,20 . 3 : (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . 2 : (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . 3 : (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . 1 : (12) Mc 11,15 . 1 : (13) Mc 12,1 . 1 : (14) Mc 13,5 . 3 : (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . (18) Mc 15,8 . 1 : (18) Mc 15,8 . 76 35 41 7 18 11 1 4  
ind. aor. 3de p. mv. èrxanto 8   1 : 8 : (1) Mc 2,23 .   1 : (2) Mc 5,17 . 1 : (3) Mc 6,55 . 1 : (4) Mc 8,11 . 1 : (5) Mc 10,41 .       2 : (6) Mc 14,19 . (7) Mc 14,65 . 1 : (8) Mc 15,18 . 37 18 19 2 8 8   1  
totaal  27  1 5 2 124  62  62  27  19 

a is de eerste letter van het alfabet . In het Hebreeuws komt de aleph slechts voor met een klinker . De bijbel (Gn 1,1) begint met de letter b in het woord בְּרֵאשִׁית = bëresjît (in het begin) . De evangelist Marcus begint zijn evangelie met het optreden van Johannes de Doper in de woestijn . Nadat Johannes werd overgeleverd , begint Jezus zijn optreden in Galilea . De evangelisten Matteüs en Lucas verleggen dit begin . Zij vatten hun evangelie aan met de conceptie en de geboorte van Johannes en Jezus en komen zo terecht bij hun ouders : Zacharia en Elisabeth , Jozef en Maria . Hierdoor maken zij een link met de vorige generatie van Johannes en Jezus . Zij breiden dit nog uit door de toevoeging van een stamboom , die Matteüs laat teruggaan tot Abraham en Lucas tot Adam . De evangelist Johannes verlegt het begin bij God . Hij begint zijn evangelie met εν αρχῃ = en archèi (in het begin) zoals Genesis begon met בְּרֵאשִׁית = bëresjît (in het begin) . Met dit woord maakt Marcus een link met het begin van de schepping .
Begin roept ook de idee van einde op . Het boek van de Openbaring spreekt van Alfa en Omega . De evangelist Matteüs eindigt zijn evangelie met de woorden 'tot aan de voleinding van de wereldtijd" .
In Mc 1,45 is het de eerste keer dat Marcus ηρξατο = èrxato (hij begon) gebruikt . Het gebruik ervan in het laatste vers van dit hoofdstuk roept de idee van een inclusio (omarming, omsluiting) met het αρχη = archè (begin) van vers 1 op . Dit eerste hoofdstuk zou dus een begin / aanvang van de boodschap van Jezus geven . In Mc 1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik zullen we vinden in Mc 5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen heiden . Zo krijgen we twee getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus . Een derde maal komt de infinitief κηρυσσειν = kèrussein (getuigen) voor in Mc 3,14 waar de leerlingen geroepen worden om gezonden te worden om te getuigen . Het zijn deze maal de leerlingen die getuigen zullen zijn . De realisatie van deze roeping gebeurt in Mc 6,12 , na de zending door Jezus .
- Hebreeuws . רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin) . Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 , aleph = 1 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) OF 501 (3 X 167) . Structuur : 2 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (148) . Pentateuch (51) . Eerdere Profeten (32) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (33) .
Waarin bestaat dit getuigenis . In Mc 1,14 is er sprake van het verkondigen van het evangelie van God en in Mc 1,1 : begin van het evangelie : Jezus is de Messias (Christus) . Het getuigenis of de verkondiging van de genezene zou kunnen zijn : Jezus is de Messias (Christus) . Zo omsluit Mc 1,45 nog mooier Mc 1 . In het evangelie is het getuigenis van Jezus als de Messias (Christus) voorbehouden voor Petrus .
- Hebreeuws : - חָלַל = châlal (beginnen) . Taalgebruik in Tenakh : châlal (beginnen) . Getalswaarde : chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17) . Structuur : 8 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 3 .
- Ned. : beginnen (be-gin-nen ; -gin- vinden we in het Griekse = ginomai (worden) . D. : anfangen . E. : begin . Fr. : commencer . Grieks : αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) .
- Ned. : begin . D. : Anfang . E. : beginning . Fr. : commencement . Grieks : αρχη = archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het NT : archè (begin, heerschappij) . Hebreeuws : רֹאשׁ = ro´sj (hoofd, top, begin) . Taalgebruik in Tenakh : ro´sj (hoofd, top, begin) . Lat. : principium , initium (in-ire : ingaan, binnengaan) .

Mc 1,1.2. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
4. gen. m. + onz. enk. tou 116  8 6 6 5 11 6 7 6 7 9 3 10 6 13 7 6 8480  6542  1938  234  116  272  196  269  673  178  622  818 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,1.3. gen. onz. enk. ευαγγελιου = euaggeliou (van het evangelie) van het zelfst. naamw. ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in de Septuaginta : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion (evangelie) . Mc (3) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 10,29 . In Mc 1 een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) in 3 verzen : (1) Mc 1,1 (gen. enk. ευαγγελιου = euaggeliou) . (2) Mc 1,14 (acc. enk. ευαγγελιον = euaggelion) . (3) Mc 1,15 (dat. enk. ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) . Het is een term die veelvuldig door Paulus wordt gebruikt .

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 4 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mt 26,13 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 .     1 : Hnd 20,24 . 31 1 : Apk 14,6 . 8 : (1) Mt 4,23// (Mc 1,14) // Mt 9,35 .(2) Mt 24,14 // Mt 26,13 // Mc 14,9 . (3) Mt 26,13 // Mc 14,9 . 8
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22   3 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 10,29 .     1 : Hnd 15,7 . 18   3 3
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12   1 : Mc 1,15 .       11   1 1
Totaal  76 1 75 4 8     2 60 1 12 12

euaggelion (evangelie) Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Film 1 Pe P.  A.b 
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 31 7 : (1) Rom 1,1 . (2) Rom 1,16 . (3) Rom 2,16 . (4) Rom 11,28 . (5) Rom 15,16 . (6) Rom 15,19 . (7) Rom 16,25 . 4 : (1) 1 Kor 9,14 . (2) 1 Kor 9,18 . (3) 1 Kor 9,23 . (4) 1 Kor 15,1 . 5 : (1) 2 Kor 2,12 . (2) 2 Kor 4,3 . (3) 2 Kor 9,13 . (4) 2 Kor 11,4 . (5) 2 Kor 11,7 . 5 : (1) Gal 1,6 . (2) Gal 1,7 . (3) Gal 1,11 . (4) Gal 2,2 . (5) Gal 2,7 . 1 : Ef 1,13 . 2 : (1) Fil 1,5 . (2) Fil 2,22 .   5 : (1) 1 Tes 1,5 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,4 . (4) 1 Tes 2,8 . (5) 1 Tes 2,9 .   1 : 1 Tim 1,11 . 1 : 2 Tim 2,8 .     31   
gen. onz. enk. euaggeliou   18   2 : (1) 1 Kor 4,15 . (2) 1 Kor 9,14 . 1 : 2 Kor 4,4 . 2 : (1) Gal 2,5 . (2) Gal 2,14 . 3 : (1) Ef 3,6 . (2) Ef 6,15 . (3) Ef 6,19 . 5 : (1) Fil 1,7 . (2) Fil 1,12 . (3) Fil 1,16 . (4) Fil 1,27 . (5) Fil 4,15 . 2 : (1) Kol 1,5 . (2) Kol 1,23 .   1 : 2 Tes 2,14 .   : 2 Tim 1,10 . 1 : Film 1,13 .   18   
dat. onz. enk. euaggeliôi 11 2 : (1) Rom 1,9 . (2) Rom 10,16 . 2 : (1) 1 Kor 9,12 . (2) 1 Kor 9,18 . 2 : (1) 2 Kor 8,18 . (2) 2 Kor 10,14 .     1 : Fil 4,3 .   1 : 1 Tes 3,2 . 1 : 2 Tes 1,8 .   1 : 2 Tim 1,8 .   1 : 1 Pe 4,17 . 10 
Totaal  60 59  

- Zie het werkw. ευαγγελιζω = euaggelizô (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in het NT : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Taalgebruik in de LXX : euaggelizomai (goede boodschap brengen) . Een vorm van ευαγγελιζω = euaggelizô (goede boodschap brengen) , in de LXX (23) , in het NT (54) , in Mt (1) , in Mc (0) , in Lc (10) , in Hnd (15) , in Br. (21) .
- Zie b.v. het Hebreeuwse werkw. בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Getalwaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 .
- eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel .
- In Marcus en Brieven gaat de voorkeur uit naar het zelfst. naamw. ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) , in Lucas en Handelingen naar het werkw. ευαγγελιζω = euaggelizô (goede boodschap brengen) .
- Bibliografie
-- Babut Jean-Marc , Pour lire Marc . Mots et thèmes . Paris , Du Cerf , 2004 ; p. 21-29 .

Mc 1,1.2. - 3. του ευαγγελιου = tou euaggeliou (van het evangelie) . NT (22/22) . Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. του = tou , dat. τῳ = tô(i) , acc. το = to .
In twee complementaire zinnen in Mc 1,14-15 komt het woord ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal voor . Maar de inhoud van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap - evangelie) verschilt van die in Mc 1,1 . In de zin κηρυσσων το ευαγγελιον = kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede boodschap) (Mc 1,14) is Jezus onderwerp van de verkondiging van de goede boodschap van God . Deze boodschap wordt in Mc 1,15 omschreven en betreft de nabije komst van het koninkrijk van God . Het einde van Mc 1,15 is een oproep om in die goede boodschap te geloven : πιστευετε εν τῳ ευαγγελιῳ = pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc 1,1 en Mc 1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) voor , nl. Mc 16,15 : κηρυξατε το ευαγγελιον = kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) . In Mc 16,15 zendt Jezus zijn leerlingen om de goede boodschap te verkondigen . De toehoorder steunt voor de keuze om te geloven en gered te worden of om niet te geloven en verdoemd te worden .

Mc 1,1.4. gen. mann. enk. ιησου = Ièsou (Jezus) van het zelfst. naamw. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc 1 (1) : Mc 1,1 . In Mc 1 komt een vorm van de naam ιησους = Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) . In Mc en Lc wordt de naam Jezus relatief weinig gebruikt . In de evangelies wordt de naam Christus zeer weinig gebruikt , maar des te overvloediger in de Brieven .

  Ièsous (Jezus)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 4 2 1 0 1 1 2 2 3 0 0 0 5 0 0 1 5 0 0 0 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 348  35  313  25 13 18 18 32 196 29 17 11 14 18 19 5 12 10 10 11 4 5 4 2 9 7 4 1 0 4 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 163  39  124  15 11 14 26 27 31 6 2 4 2 1 1 1 2 0 0 1 0 1 5 0 0 0 0 3 1 1 0 40 66
  totaal 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 36 23 17 17 19 21 7 16 12 13 12 4 6 14 2 9 8 9 4 1 5 12 318 556

Vergelijking met Christus :

Christos  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  syn. ev. Hnd  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud 
nom. Christos 118 8 110 8 5 5 15 18 33 4 73 14 18 2 9 6 4 4   1 3       6   2 1 3      

voc. Christe

1   1 1 0 0 0 1 1 0                                            
gen. Christou 251 11 240 5 2 0 1 7 8 11 214 27 24 30 15 20 17 11 6 7 8 5 4 4 6 2 14 6 2 2   4
dat. Christô(i) 107 5 102 0 0 0 0     0 102 16  12  16  11             
acc. Christon 78 14 64 2 0 7 2 9 11 10 43                
totaal 555 38 517 16 7 12 18 35 53 25 432 65  61  44  36  46  37  25  10  10  14  13  12  21   

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

- Hebreeuws . יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) . Jozua was degene die het volk van Israël het land binnenleidde .
- יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Taalgebruik in Tenakh : jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) . Getalwaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 47 OF 380 (2² X 5 X 19) . Structuur : 1 - 3 - 7 . De getalwaarde van de elementen is telkens 2 . Grieks . σῳζω = sôzô (redden, verlossen) . Taalgebruik in het NT : sôzô (redden) . Taalgebruik in de LXX : sôzô (redden) . L. salvator (salvare - salus) . Fr. sauver - saveur . Ned. b.v. salie (een heilbrengend kruid) . E. saviour . Ned. heiland . D. Heiland . Arabisch : = najada (redden, helpen) . Taalgebruik in de Qoran : najada (redden, helpen) . Hebr. מוֹשִׁיעַ = môsjî`a (de reddende) act. part. hifil nom. mann. enk. van het werkw. יָשַׁע = jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) , is heel nauw verwant wat letters betreft : מָשַׁח = mâsjach (zalven) . (מָשִׁיחַ =mâsjîach = gezalfde, messias, G. χριστος = christos = Christus) . Een vorm van σῳζω = sôzô (redden) in de LXX (363) , in het NT (106) , in Mc (15) .
- In Mc komt zesmaal de genitief ιησου = Ièsou voor . Het kan een subjectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van : de goede boodschap die Jezus verkondigt . Het kan een objectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van: de goede boodschap over Jezus . In Mc 1,14 verkondigt Jezus de boodschap van God . In Mc 16,15 gaat het over Jezus en hoort de verrijzenis tot de boodschap .

Mc 1,1.3. - 4. ευαγγελιου ιησου = euaggeliou ièsou (van het evangelie van Jezus) . Mc 1,1 .
- variante lezing : του ευαγγελιου (του) χριστου = tou euaggeliou tou christou (van het evangelie van Christus) . NT (2) : (1) Mc 1,1 . (2) Fil 1,27 . In Lc 4,18 lezen we : εχρισεν με ευαγγελισασθαι = echrisen me euaggelisasthai (hij zalfde me over de goede boodschap te brengen) . In Lc 4,18 citeert Lucas de LXX van Js 61,1 . Hier vinden we een combinatie van zalven (Christus betekent gezalfde) en de goede boodschap brengen . Lc 4,18 maakt deel uit van het optreden van Jezus in Nazaret .
- του ευγγελιου της δοξης του χριστου = tou euaggeliou tès doksès tou christou (van het evangelie van van de heerlijkheid van Christus) .

- το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (het evangelie van God) . NT (4) : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 . του θεου ευαγγελιον = theou to euaggelion (evangelie van God) in 2 Kor 11,7 .
- ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) . NT (1) : Rom 1,1 .
- το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) . NT (10) : (1) Rom 1,16 . (2) Rom 15,19 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 2,12 . (5) 2 Kor 9,13 . (6) Gal 1,7 . (8) 1 Tes 2,2 . (9) 1 Tes 2,8 . (10) 1 Tes 2,9 .
- το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . NT (4) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) . .

- τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = tôi euaggeliôi tou christou (aan het evangelie van Christus) . NT (1) : 1 Kor 9,12 .
- τῳ ευαγγελιῳ του κυριου ἡμων ιησου = tôi euaggeliôi tou kuriou hèmôn ièsou (aan het evangelie van onze Heer Jezus) . 2 Tes 1,8 .
- τῳ του θεου ευαγγελιῳ = tô(i) tou theou euaggeliô(i) (aan het evangelie van God) . 1 Pe 4,17 .

- εν τῳ ευαγγελιῳ = en tô(i) euaggeliô(i) (in het evangelie) . NT (7/12) : (1) Mc 1,15 . (2) Rom 1,9 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 8,18 . (5) 2 Kor 10,14 . (6) Fil 4,3 . (7) 1 Tes 3,2 .
- εν τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = en tôi euaggeliôi tou christou (in het evangelie van Christus) . NT (2) : (1) 2 Kor 10,14 . (2) 1 Tes 3,2 .
- εν τῳ ευαγγελιῳ του υἱου αυτου = en tôi euaggeliôi tou huiou autou (in het evangelie van zijn zoon) . Rom 1,9 .

Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) + (...) του χριστου : NT (13) : (1) Mc 1,1 . (2) Rom 1,16 . (3) Rom 15,19 . (4) 1 Kor 9,12 . (5) 1 Kor 9,18 . (6) 2 Kor 2,12 . (7) 2 Kor 4,4 . (8) 2 Kor 9,13 . (9) Gal 1,7 . (10) Fil 1,27 . (11) 1 Tes 2,2 . (12) 1 Tes 2,8 . (13) 1 Tes 2,9 .
- Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) + (του) θεου = (tou) theou ( van God) of variatie van deze lezing (2 Kor 11,7 en 1 Pe 4,17) . NT (4) : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 .
- Andere : NT (6) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) . (5) Rom 1,9 . (6) 2 Tes 1,8 .

Mc 1,1.5. gen. mann. enk. χριστου = christou (van Christus) van het zelfst. naamw. χριστος = christos (gezalfde, Christus) . Taalgebruik in het NT : christos (Christus) . Taalgebruik in de LXX : christos (Christus) . Een vorm van χριστος = christos (gezalfde, Christus) in het OT (50) , in het NT (529) . Het Griekse woord χριστος = christos (Christus) is de vertaling van het Hebreeuwse massiach (gezalfde, messias). Jezus was zijn geboortenaam, Christus is een bijnaam om hem als de messias aan te duiden . In de BRieven wordt de term Christus veelvuldig gebruikt . Het is niet omdat de term Christus zo weinig voorkomt in de evangelies , dat de visie van Paulus niet overheersend zou zijn .

Christos  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  syn. ev. Hnd  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud 
nom. Christos 118 8 110 8 5 5 15 18 33 4 73 14 18 2 9 6 4 4   1 3       6   2 1 3      

voc. Christe

1   1 1 0 0 0 1 1 0                                            
gen. Christou 251 11 240 5 2 0 1 7 8 11 214 27 24 30 15 20 17 11 6 7 8 5 4 4 6 2 14 6 2 2   4
dat. Christô(i) 107 5 102 0 0 0 0     0 102 16  12  16  11             
acc. Christon 78 14 64 2 0 7 2 9 11 10 43                
totaal 555 38 517 16 7 12 18 35 53 25 432 65  61  44  36  46  37  25  10  10  14  13  12  21   

christos (Christus)  Met (+) of zonder lidw. (-) . NT  Mt  Mc Lc  syn. ev.
nom. christos 110 8 : (1) Mt 1,16 (-) . (2) Mt 2,4 (+) . (3) Mt 16,16 (+) . (4) Mt 16,20 (+) . (5) Mt 23,10 (+) . (6) Mt 24,5 (+) . (7) Mt 24,23 (+) . (8) Mt 27,63 (+) . 5 : (1) Mc 8,29 . (2) Mc 12,35 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 14,61 (+) . (5) Mc 15,32 . 5 : (1) Lc 2,11 (-) . (2) Lc 3,15 (+) . (3) Lc 22,67 (+) . (4) Lc 23,35 (+) . (5) Lc 23,39 (+) . 18 : (1) Mt 16,16 // Mc 8,29 // Lc 9,20 . (2) Mt 24,23 // Mc 13,21 . (3) Mt 27,63 // Mc 14,61 // Lc 22,67 . (4) Mc 15,32 // Lc 23,35 . 33
voc. christe 1 1 : Mt 26,68 . 0 0 1 1
gen. christou 240 5 : (1) Mt 1,1 (-) . (2) Mt 1,17 (+) . (3) Mt 1,18 (+) . (4) Mt 11,2 (+) . (5) Mt 22,42 (+) . 2 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 9,41 . 0 7 : (1) Mt 22,42 // Mc 12,35 // Lc 20,41 . 8
dat. christô(i) 102 0 0 0    
acc. christon 64 2 : (1) Mt 27,17 (+) . (2) Mt 27,22 (+) . 0 7 : : (1) Lc 2,26 (+) . (2) Lc 4,41 (+) . (3) Lc 9,20 (+) . (4) Lc 20,41 (+) . (5) Lc 23,2 (-) . (6) Lc 24,26 (+) . (7) Lc 24,46 (+) . 9 : 11
Totaal   517 16 7 12 35 53

- Hebreeuws . מָשִׁיחַ = mâsjîach (messias , gezalfde) . Zie het werkw. מָשַׁח = mâsjach (zalven) . Taalgebruik in Tenakh : mâsjach (zalven) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , sjin = 20 of 200 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 248 (2³ X 31) . Structuur : 4 - 2 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . m-sj-j-ch . Tenakh (11) : (1) 1 S 24,7 . (2) 1 S 24,11 . (3) 1 S 26,16 . (4) 2 S 1,14 . (5) 2 S 1,16 . (6) 2 S 1,21 . (7) 2 S 19,22 . (8) 2 S 23,1 . (9) Kl 4,20 . (10) Da 9,25 . (11) Da 9,26 .
- Zie ook het Griekse werkw. χριω = chriô (zalven) . Taalgebruik in het NT : chriô (zalven) . Taalgebruik in de LXX : chriô (zalven) . Taalgebruik in Lc : chriô (zalven) . Een vorm van χριω = chriô in de LXX (79) , in het NT (5) : (1) Lc 4,18 . (2) Hnd 4,27 . (3) Hnd 10,38 . (4) 2 Kor 1,21 . (5) Heb 1,9 .

Mc 1,1.4. - 5. ιησου χριστου = Ièsou Christou (Jezus Christus) . NT (146) . Slechts in vier verzen in de evangelies : (1) Mt 1,1 . (2) Mt 1,18 . (3) Mc 1,1 . (4) Joh 1,17 . Hnd (11) . Brieven (125) . Apk (6) . We hebben reeds gewezen op de gelijkenissen tussen de 2 woorden in het Hebreeuws . Het is opvallend dat in de Brieven de namen van Jezus en Christuis zo sterk aan elkaar gelinkt zijn .

Christos  bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  syn. ev. Hnd  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Apk
een vorm van Ièsous Christos     178 3 1 0 2     16   23 15 10 8 11 9 3 8 10 6 6 4 3 3 2 8 7 8 2   4 6
een vorm van Christos Ièsous     74             4   10 6 1 8 8 11 3 2   7 8   3 1   2            
totaal     252 3 1 0 2     20   33 21 11 16 19 20 6 10 10 13 14 4 6 3 2 10 7 8 2   4 6
totaal een vorm van Ièsous 1115  223  892  150 81 87 238     69 255 36 23 17 17 19 21 7 16 12 13 12 4 6 14 2 9 8 9 4 1 5 12
totaal een vorm van Christos 555 38 517 16 7 12 18 35 53 25 432 65  61  44  36  46  37  25  10  10  14  13  12  21     
                                                                   

nom. Ièsous Christos

    16 1           1     2 2 1   1   1 1 1 1     1     1   1   1  
nom Christos Ièsous     1             1                                              
                                                                   

voc. Ièsou Christe

                                                                 
                                                                   
gen. Issou Christou     140 2 1 0 1 3 4 9  

21

10 8 7 10 7 3 7 8 5 4 4 3 2 2 8 6 3 1   3 6
gen. Christou Ièsou     6                         1 3         1 1                    
                                                                   
dat. Ièsou Christô(i)     1                                 1                          
dat. Christô(i) Ièsou     52                 8 6   6 7 8 2 2   3 7   1     2            
                                                                   
acc. Ièsoun Christon     15       1     6   2 3     1 1         1   1 1                
acc. Christon Ièsoun     9             3   2   1 2     1                              
totaal                                                                  

Mc 1,1.6. gen. mann. enk. υἰου = huiou (zoon) van het zelfst. naamw. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (1) . (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . In Mc 1,11 (nom. huios) . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . (2) Mc 1,11 (nom. υἰος = huios) . Een vorm van het woord υἰος = huios (zoon) in het enk. komt in Mc niet zo veek voor .

  huios (zoon)  enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 nom. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 . 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
2 voc. enk. huie 3       1 : Mc 5,7 * .       2 : (1) Mc 10,47 *** . (2) Mc 10,48 *** .         149 140 9 1 3 3   1 1   7 7
3 gen. enk. huiou 1 1 : Mc 1,1 * .                       343 308 35 8 1 4 3   19   13 16
4 dat. enk. huiôi              1 : (1) Mc 8,31** .   2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.   109 95 14 3   1 5   5   4 9
5 acc. enk. huion 6           1 : (1) Mc 8,31** .   2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.   365 285 80 15 6 15 17 3 21 3 36 53
  totaal 29 2  1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul.  Ap. br. 
nom. enk. huios 885 732 153 19                          13 
voc. enk. huie 149 140 9                                          
gen. enk. huiou 343 308 35 19                              12 
dat. enk. huiôi  109 95 14                                      
acc. enk. huion 365 285 80 21                              12 
totaal 1851 1560 291 65            17  20      40  25 

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) . Gn (85) . Gn 21 (7) : (1) Gn 21,2 . (2) Gn 21,4 . (3) Gn 21,5 . (4) Gn 21,7 . (5) Gn 21,9 . (6) Gn 21,10 . (7) Gn 21,13 .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .

Mc 1,1.7. gen. mann. enk. θεου = theou (van God) van het zelfst. naamw. θεος = theos (God) . Taalgebruik in het NT : theos (God) . Taalgebruik in de LXX : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Een vorm van θεος = theos (God) in de LXX (3984) , in het NT (1314) . In 4 verzen in Mc , en wel telkens een genitief : (1) Mc 1,1 : huiou theou = van een zoon van een God . (2) Mc 1,14 : to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God . (3) Mc 1,15 : hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God . (4) Mc 1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .

  theos (God)  Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. Paul. Ap. br.
1 nom. enk. theos ( God)   1 : Mc 2,7               2 : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,18 .     3 : (1) Mc 12,26 . (2) Mc 12,27. (3) Mc 12,29 . 1 : Mc 13,19 .   1 : Mc 15,34 .   1686  1399  287  15  17  58  163  20  29 46 143 20
2 gen. enk.  theou (van God) 31  4 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,24 . 1 : Mc 2,26 . (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 . 1 : Mc 5,7 .   3 : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 .   1 : Mc 8,33 . 2 : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,47 . 5 : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 . 1 : Mc 11,22 . 4 : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,24 . (4) Mc 12,34 .   1 : Mc 14,25 . 2 : (1) Mc 15,39 . (2) Mc 15,43 . 1 : Mc 16,19 . 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67
3 dat.  enk. theô(i) (aan God)                   1 : Mc 10,27 .   1 :  Mc 12,17 .         433  279  154  13  110  13  14 18 97  13 
4 acc.  enk. theon (God)   1 : Mc 2,12 .     1 : Mc 5,7 .             1 : Mc 12,30 .         496  354  142  23  12  30  62  33 45 43 19
  Totaal   44    1 4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

  theos (God)  Br. Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  Paul. Ap. br.
1 nom. mann. enk. theos 163  32  30  18    22  11        143 20
2 gen. mann. enk.  theou 360   71  46  33  15  20  10  14  15  15  29  20  29  293 67
3 dat.  mann. enk. theô(i) 110  27  14  12        97  13 
4 acc.  mann. enk. theon 62  14              43 19
  Totaal   695 144  93  70   30  31  23  20  35  17  21  13  12  65  15  36  52  4 576  119 

- Hebreeuws . אֱלֹהִים = ´èlohîm (God) . Taalgebruik in Tenakh : ´èlohîm (God) . Getalwaarde : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; he = 5 ; jod = 10 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 41 of 86 (2 X 43) . Structuur : 1 - 3 -5 -1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (635) . Pentateuch (207) . Eerdere Profeten (118) . Latere Profeten (39) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (253) .
- L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . D. Gott . E. God . Ned. God . Arabisch : اَللە = ´allah (Allah) . Taalgebruik in de Qoran : ´allah (Allah) .
- Marcus evenals Matteüs gebruiken het woord God relatief weinig , in tegenstelling tot Lucas , de Handelingen maar vooral de Brieven . Als in Marcus het woord God gebruikt wordt is het meestal in de genitief (van God) en behoort God tot een zaak , een persoon of een gebeuren .

Mc 1,1.6. - 7. υἰου θεου = huiou theou (zoon van God) . Hapax in Mc . Deze woorden komen slechts in bepaalde handschriften voor en zouden een toevoeging kunnen zijn . Met het zoonschap van God geeft Marcus de 2de verhaallijn aan . Deze verhaallijn kent 7 stappen : (1) de titel . (2) de doop . (3) de verklaring van de onreine geesten . (4) de aanspreking van Jezus door de man met een onreine geest . (5) de transfiguratie . (6) de vraag van de hogepriester bij de ondervraging van Jezus . (7) de geloofsbelijdenis van de honderdman .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou , huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus :Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -


huios tou theou (zoon van God) NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk Br. Gal Ef  Heb 1 Joh syn.  ev.  Paul.  Ap. br. 
nom. enk. huios tou theou 25 5 2 5 7 1 1         4 12 19   4
voc. enk. huie tou theou 3 1 1 1                 3 3    
gen. enk. huiou tou theou 6   1   2       1 1   1 (2x) 1 3 2 1
dat. enk. huiôi tou theou 1                   1       1  
acc. enk. huion tou theou 6       1 1         3 1 1 1 3 1
totaal 41 6 4 6 10 2 1   1 1 4 6 17 26 6 7

Deze titelbenamingen zijn citaten , die worden ingeleid :
(2) Mc 1,11 : kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er was een stem uit de hemel . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen .
(3) Mc 1,24 : kai anekraxen legôn = en hij krijste met hoge stem zeggende .
(4) Mc 3,11 : kai ekrazon legontes hoti = en zij krijsten zeggende dat
(5) Mc 5,7 : kai kraxas fônè(i) megalè(i) legei = en 'hij krijste' met luide stem 'en' hij zegt .
(6) Mc 9,7 : kai fônè egeneto ek tès nefelès = en er was een stem uit de wolk . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen .
(7) Mc 14,61 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem .
(8) Mc 15,39 : eipen = hij zei .


Mc 1,2 - Mc 1,2 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kathôs gegraptai en tôi Hèsaiai tôi profètèi, Idou apostellô ton aggelon mou pro prosôpou sou, hos kataskeuasei tèn hodon sou  sicut scriptum est in Esaia propheta ecce mitto angelum meum ante faciem tuam qui praeparabit viam tuam  Zoals geschreven staat in Jesaja, de profeet: Zie, ik zend mijn engel vóór je aangezicht, die je weg zal voorbereiden.   Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen;  Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, Ik zend mijn bode voor U uit, om uw weg te banen;   [2] Het staat geschreven bij de profeet Jesaja: ‘Let op, ik zend mijn bode voor je uit, hij zal een weg voor je banen.  Zoals geschreven staat bij de profeet Jesaja: ‘zie, ik zend mijn aankondiger voor uw aanschijn uit, die uw weg gereed zal maken;  Mc 1:2- Selon qu'il est écrit dans Isaïe le prophète : Voici que j'envoie mon messager en avant de toi pour préparer ta route.

Statenvertaling . 2 Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
King James Bible . [2] As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger before thy face, which shall prepare thy way before thee.
Luther-Bibel . 2 Wie geschrieben steht im Propheten Jesaja: »Siehe, ich sende meinen Boten vor dir her, der deinen Weg bereiten soll.«

Tekstuitleg van Mc 1,2 . Het vers Mc 1,2 telt 21 (3 X 7) woorden en 105 (3 X 7 X 5) letters ; verhouding : 1 op 5 . De getalswaarde van Mc 1,2 is 13911 (3 X 4637) . Woorden 1-7 vormen de inleiding op het citaat .

Mc 1,2.1. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : kathôs (zoals) . Ex (1) : Ex 34,1 . Js (0) .

kathôs (zoals)

bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  405 / 368 /216 / 189 12 75 41 25 36 4 1 0 3 4 179 3 8 17 31 11 109 - 28  59 

 

Mt Mc Lc syn. ev.
kathôs (zoals) bij syn.  3 : (1) Mt 21,6 . (2) Mt 26,24 . (3) Mt 28,6 . 8 : (1) Mc 1,2 (gegraptai) . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 9,13 (gegraptai) . (4) Mc 11,6 (eipen) . (5) Mc 14,16 (eipen) . (6) Mc 14,21 (gegraptai) . (7) Mc 15,8 . (8) Mc 16,7 (eipen) . 17 : (1) Lc 1,2 . (2) Lc 1,55 . (3) Lc 1,70 . (4) Lc 2,20 . (5) Lc 2,23 . (6) Lc 5,14 . (7) Lc 6,31 . (8) Lc 6,36 . (9) Lc 11,1 . (10) Lc 11,30 . (11) Lc 17,26 . (12) Lc 17,28 . (13) Lc 19,32 . (14) Lc 22,13 . (15) Lc 22,29 . (16) Lc 24,24 . (17) Lc 24,39 . 28 : (1) Mt 26,24 // Mc 14,21 . 59 

- Hebreeuws . כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die) OF persoonsnaam אָשֶׁר = ´âsjer (Aser) . Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) . Getalswaarde : aleph = 1 , sjin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 42 (2 X 3 X 7) of 501 (3 X 167) . Structuur : 1 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- כּמוֹ = këmô (zoals) . Taalgebruik in Tenakh : këmô (zoals) . Getalwaarde : kaph = 12 of 30 , mem , 13 of 40 , waw = 6 ; totaal : 31 OF 76 (4 X 19) . Tenakh (52) . Pentateuch (2) . Eerdere Profeten (0) . Latere Profeten (9) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (33) . Pentateuch (2) : (1) Ex 15,5. (2) Ex 15,8 .
- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon . Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Hebreeuws : כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) .

Er is enige gelijkenis tussen Mc 1,2 en Mc 16,7 . In Mc 1,2 : Zie ik zend mijn engel voor je aangezicht uit ; in Mc 16,7 : dat hij jullie zal voorgaan naar Galilea . In Mc 1,2 : zoals geschreven is in het boek van de profeet Jesaja ; in Mc 16,7 : zoals hij jullie gezegd heeft . Tussen beide verzen wordt het leven van Jezus beschreven . Alles wat voorafgaat aan Mc 1,2 is op Jezus gericht , en bij wat na Mc 16,7 volgt , is Jezus de voorganger .

Bij Marcus : In acht verzen . In drie verzen wordt kathôs (zoals) gevolgd door gegraptai (er werd geschreven) , in drie verzen door eipen (hij zei) . Het voegwoord kathôs (zoals) leidt een ondergeschikte zin in die volgt op een hoofdzin . Is dat ook zo in Mc 1,2 . Zo ja , dan begint Marcus aldus : begin van de goede boodschap van Jezus Christus zoals ... . euaggeliou (van de goede boodschap) en christou (van Christus) zou dan aansluiten bij Js 61,1 . In de andere evangelisten vinden we eveneens een taalgebruik naar Js 61 . Lc citeert Js 61,1 tijdens het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret . Mt begint zijn zaligsprekingen met de armen .

Mc 1,2.2. pass. nifal perf. 3de pers. enk. γεγραπται = gegraptai (er werd geschreven) van het werkwoord γραφω = grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . Taalgebruik in de LXX : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Bijbel (89) . Niet in de Pentateuch . Mc (7) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 11,17 . (6) Mc 14,16 . (7) Mc 14,21 . Een vorm van γραφω = grafô (schrijven) in de LXX (304) , in het NT (190) .

  grafô (schrijven) bijbel LXX Pentateuch Eerdere Profeten Latere Profeten 12 Kleine Profeten Geschriften Gn Ex Lv Nu Dt NT Mc Mc 1 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
3 pass. perf. 3de p. enk. gegraptai 89 22 / 20 0 8 1 0 11 0 0 0 0 0 67 7 (1) Mc 1,2 .   (2) Mc 7,6 .   (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 .     (5) Mc 11,17 .     (6) Mc 14,16 . (7) Mc 14,21 .   89 22 67 9 7 9 2 5 33 2 25 27
  totaal  160                        80  10  160  80  80  10  12  36  31  36 

- Hebreeuws : סָפַר = sâphar (schrijven, griften, cijferen) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) . Getalswaarde : samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 52 (2 X 26) OF 340 (20 X 17) . Structuur : 6 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . s-p-r . Tenakh (120) . Zie ook : כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , thaw = 22 of 400 , beth = 2 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . k - th- b . Tenakh (19) .
- pass. nifal perf. 3de pers. mann. enk. נִכְתַּב = nikhëthabh (er werd geschreven) van het werkw. כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Niet in Tenakh . Mc 1,2 .
- Ned. : schrijven ( s - ch=g of k - p = b = f = v . Arabisch : كَتَبَ = kataba (schrijven) . Taalgebruik in de Qoran : kataba (schrijven) . D. : schreiben . E. : write . Fr. : écrire . Grieks : γραφω = grafô (schrijven) . Taalgebruik in het NT : grafô (schrijven) . סָפַר = sâphar (schrijven, griften, cijferen) . Taalgebruik in Tenakh : sâphar (schrijven, griften, cijferen) EN כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Latijn : s

Mc 1,2.1. - 2. καθως γεγραπται = kathôs gegraptai (zoals er werd geschreven) . LXX (6) . NT (24) . Mc (3) : (1) Mc 1,2 (variante lezing) . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 14,21 .
- ὡς γεγραπται = hôs gegraptai (zoals er werd geschreven) . LXX (3) : (1) 2 Kr 35,12 . (2) Ezr 20,35 (B) . (3) Ezr 20,37 (B) . NT (4) : (1) Mc 1,2 (sommige lezingen) . (2) Mc 7,6 . (3) Lc 3,4 . (4) 1 Kor 10,7 .
-- כַּכָּתוּב = kakâthûbh (zoals het geschrevene) < prefix voorzetsel van vergelijking kë + passief qal partic. mann. enk. van het werkw. כָּתַב= kâthabh (schrijven) . Taalgebruik in Tenakh : kâthabh (schrijven) . Getalswaarde : kaph = 12 of 30 , thaw = 22 of 400 , beth = 2 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 342 (2 X 3² X 19) . Structuur : 3 - 4 - 2 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (16) : (1) Joz 8,31 . (2) 1 K 2,3 . (3) 2 K 14,6 . (4) 2 K 23,21 . (5) Ezr 3,2 . (6) Ezr 3,4 . (7) Neh 8,15 . (8) Neh 10,35 . (9) Neh 10,37 . (10) 2 Kr 23,18 . (11) 2 Kr 25,4 . (12) 2 Kr 30,5 . (13) 2 Kr 30,18 . (14) 2 Kr 31,3 . (15) 2 Kr 35,12 . (16) 2 Kr 35,26 .
- καθως ειπεν = kathôs eipen (zoals hij zei) . LXX (7) . NT (7) . Er zijn verschillende variante lezingen . o.a. in (1) Mc 11,6 . (2) Mc 14,16 . (3 ) Mc 16,7 . (4) Hnd 7,42 .
-- כַּאֲשֶׁר דִּבֶּר = ka´äsjèr dibbèr (zoals hij sprak) . Tenakh (59) .
Het voegwoord καθως = kathôs (zoals) leidt een ondergeschikte zin in die volgt op een hoofdzin . Is dat ook zo in Mc 1,2 ? Zo ja , dan begint Marcus aldus : begin van de goede boodschap van Jezus Christus zoals ... . ευαγγελιου = euaggeliou (van de goede boodschap) en χριστου = christou (van Christus) zou dan aansluiten bij Js 61,1 . Bij de andere evangelisten vinden we eveneens een taalgebruik naar Js 61 . Lc citeert Js 61,1 tijdens het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret .

Mc 1,2.3.. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .

Mc 1,2.2. - 3. γεγραπται εν = gegraptai en (er werd geschreven in) . LXX (13) : (1) Joz 9,2 . (2) 1 K 8,53 . (3) 1 K 11,41 . (4) 1 K 20,11 . (5) 1 K 22,39 . (6) 2 K 14,6 . (7) 2 Kr 23,18 . (8) 2 Kr 32,32 . (9) 2 Kr 35,12 . (10) Ezr 5,7 (B) . (11) Ezr 20,35 (B) . (12) Ezr 20,37 (B) . (13) Est 10,2 . NT (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Lc 2,23 . (3) Lc 3,4 . (4) Hnd 7,42 (sommige lezingen) .

Mc 1,2.1. - 3. καθως γεγραπται εν = kathôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) . LXX (2) : (1) 2 K 14,6 . (2) 2 Kr 23,18 . NT (2) : (1) Lc 2,23 . (2) Hnd 7,42 (sommige lezingen) .
- ὡς γεγραπται εν = hôs gegraptai en (zoals er werd geschreven in) . LXX (3) : (1) 2 Kr 35,12 . (2) Ezr 20,35 (B) . (3) Ezr 20,37 (B) . NT (2) : (1) Mc 1,2 (sommige lezingen) . (2) Lc 3,4 .

Mc 1,2.4. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,19 . (5) Mc 1,20 . (6) Mc 1,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,2.1. - 4. καθως γεγραπται εν τῳ = kathôs gegraptai en tô(j) (zoals er werd geschreven in de / het) . LXX (0) . NT (0) .
- ὡς γεγραπται εν τῳ = hôs gegraptai en tô(j) (zoals er werd geschreven in de / het) . LXX (2) : (1) Ezr 20,35 (B) . (2) Ezr 20,37 (B) .

Mc 1,2.5. dat. mann. enk. ησαιᾳ = èsaia(i) (Jesaja) van het zelfst. naamw. ησαιας = èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in het NT : èsaias (Jesaja) . Taalgebruik in de LXX : èsaias (Jesaja) . Bijbel = NT (1) : Mc 1,2 .
- יְשַׁעְיָהוּ = jësja`ëjâhû (Jesaja) < jësja` (redding) + jâhû (JHWH) = redding is JHWH / JHWH is redding . Profeet (rond 740) . Taalgebruik in Tenakh : jësja`ëjâhû (Jesaja) . Getalswaarde : jod = 10 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 , he = 5 , waw = 6 ; totaal : 68 (2² X 17) OF 401 (priemgetal) . Structuur : 1 - 3 - 7 - 1 - 5 - 6 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (32) . Js (16) : (1) Js 1,1 . (2) Js 2,1 . (3) Js 7,3 . (4) Js 13,1 . (5) Js 20,2 . (6) Js 20,3 . (7) Js 37,2 . (8) Js 37,5 . (9) Js 37,6 . (10) Js 37,21 . (11) Js 38,1 . (12) Js 38,4 . (13) Js 38,21 . (14) Js 39,3 . (15) Js 39,5 . (16) Js 39,8 . Andere boeken (16) : (1) 2 K 19,2 . (2) 2 K 19,5 . (3) 2 K 19,6 . (4) 2 K 19,20 . (5) 2 K 20,1 . (6) 2 K 20,4 . (7) 2 K 20,7 . (8) 2 K 20,8 . (9) 2 K 20,9 . (10) 2 K 20,11 . (11) 2 K 20,14 . (12) 2 K 20,16 . (13) 2 K 20,19 . (14) 1 Kr 25,15 . (15) 2 Kr 26,22 . (16) 2 Kr 32,32 .
- Een vorm van jâsja` (redden, bevrijden, verlossen) in Js (20) , van jesja` / jèsja` (hulp, heil, redding) in Js (5) , van jësjû`âh / jësjû`âthâh (redding, verlossing) in Js (18) .

Mc 1,2.6. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,19 . (5) Mc 1,20 . (6) Mc 1,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,2.7. dat. mann. enk. προφητῃ = profètè(i) van het zelfst. naamw. προφητης = profètès (profeet) . Taalgebruik in het NT : profètès (profeet) . Taalgebruik in de LXX : profètès (profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès (profeet) . Bijbel (7) : (1) Jr 51,59 . (2) Ez 14,10 . (3) Hos 12,14 . (4) Neh 6,14 . (5) 2 Kr 16,10 . (6) 2 Kr 20,20 . (7) Mc 1,2 . Een vorm van προφητης = profètès (profeet) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,2  . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 6,15 (2 vormen) . (4) Mc 8,28 . (5) Mc .

  profètès (profeet)

Mc 

Mc 1 Mc 6 Mc 8 Mc 11 bijbel  OT NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.  P. A. b.
3 dat. enk. profètèi Mc 1,2                       
  Totaal 6 439 297 142 36 6 29 14 30 20 7 71 85 16 4

- Hebreeuws : נָבִיא = nâbhî´ (profeet) . Taalgebruik in Tenakh : nâbhî´(profeet) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , aleph = 1 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . Structuur : 5 - 2 - 1 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (28) . Pentateuch (5) . Eerdere Profeten (8) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (4) . Geschriften (6) . Dt (4) : (1) Dt 13,2 . (2) Dt 18,15 . (3) Dt 18,18 . (4) Dt 34,10 . Eerdere Profeten . Re (1) : Re 6,8 . 1 S (1) : 1 S 9,7 . In Koningen (6) : (1) 1 K 13,18 . (2) 1 K 18,22 . (3) 1 K 20,13 . (4) 1 K 22,7 . (5) 2 K 3,11 . (6) 2 K 5,8 . Js (0) .

Mc 1,2.6. - 7. τῳ προφητῃ = tô(j) profètè(i) (de profeet) . Bijbel = OT (4) : (1) 2 Kr 16,10 . (2) Ezr 16,14 (B) . (3) Jr 28,59 . (4) Ez 14,10 . NT (1) : Mc 1,2 .
- הַנָּבִיא = hannâbhî´( de profeet) . Tenakh (111) . Pentateuch (3) : (1) Dt 13,4 . (2) Dt 18,20 . (3) Dt 18,22 . Eerdere Profeten (38) . Re (2) . 1 S (4) . 1 K (21) . 2 K (11) . 2 K (11) : (1) 2 K 5,3 . (2) 2 K 5,13 . (3) 2 K 6,12 . (4) 2 K 9,1 . (5) 2 K 9,4 . (6) 2 K 14- ,25 . (7) 2 K 19,2 . (8) 2 K 20,1. (9) 2 K 20,11 . (10) 2 K 20,14 . (11) 2 K 23,18 . Latere Profeten (44) . Js (3) : (1) Js 37,2 . (2) Js 38,1 . (3) Js 39,3 .

Mc 1,2.4. - 7. τῳ ησαιᾳ τῳ προφητῃ = tô(i) èsaia(i) tô(i) profètè(i) (Jesaja, de profeet) .
- יְשַׁעְיָהוּ נָבִיא = jësja`ëjâhû hannâbhî´ (Jesaja, de profeet) . Tenakh (4) : (1) 2 K 19,2 . (2) 2 K 20,11 . (3) 2 K 20,14 . (4) Js 39,3 .
- יְשַׁעְיָהוּ בֶּן אָמוֹץ הַנָּבִיא = jësja`ëjâhû bèn ´âmôts hannabhî ´ (Jesaja, zoon van Amots, de profeet) . Tenakh (5) : (1) 2 K 19,20 . (2) Js 37,2 . (3) Js 38,1 . (8) 2 Kr 26,22 . (9) 2 Kr 32,32 .

Mc 1,2.1. - 7. καθως γεγραπται εν τῳ ησαιᾳ τῳ προφητῃ = kathôs gegraptai en tô(i) èsaia(i) tô(i) profètè(i) (zoals er geschreven werd in Jesaja, de profeet) . Deze inleiding op het citaat kent het citaat aan Jesaja toe . Maar er is eveneeens een citaat uit het boek Exodus en één uit het boek van de profeet Maleachi . Jesaja is de hoofdfiguur . In Jesaja is een verwijzing naar Tenakh . De tekst van Tenakh krijgt een concrete invulling in het boek van de profeet Maleachi .

--------------------------------------------------------------------------------------

Mc 1,2.8. ιδου = idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Taalgebruik in LXX : idou (zie) . Taalgebruik in Mc : idou (zie) . Mc (7) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 4,3 .  (4) Mc 10,28 . (5) Mc 10,33 . (6) Mc 14,41 . (7) Mc 14,42 .   Telkens in een citaat bij het begin ervan (5) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 4,3 .  (4) Mc 10,28 . (5) Mc 10,33 of in het midden ervan : (1) Mc 14,41 . (2) Mc 14,42 . In de 7 verzen waarin Marcus ιδου = i idou (zie) gebruikt, wordt het in geen enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint met i .

idou   Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 10 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  (1) Mc 1,2 .   (2) Mc 3,32 .   (3) Mc 4,3 .   (4) Mc 10,28 . (5) Mc 10,33 .   (6) Mc 14,41 . (7) Mc 14,42 .   1229  1037  192  59  55 23  19  25  121  125 

- Hebreeuws : הֶנֵּה = hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Getalswaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 60 (2² X 3 X 5) . Structuur : 5 - 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (495) . Pentateuch (96) . Eerdere Profeten (153) . Latere Profeten (140) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (77) . Ex (21) .
- הִנְנִי = hinnënî (zie ik; zie hier ben ik) < hinneh + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mann. enk. . Ga naar : הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Jesaja : hen / hinneh (zie) . Getalwaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 19 OF 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (177) . Pentateuch (22) . Eerdere Profeten (23) . Latere Profeten (112) . 12 Kleine Profeten (17) . Geschriften (3) . Gn (12) : (1) Gn 6,17 . (2) Gn 9,9 . (3) Gn 22,1 . (4) Gn 22,7 . (5) Gn 22,11 . (6) Gn 27,1 . (7) Gn 27,18 . (8) Gn 31,11 . (9) Gn 37,13 . (10) Gn 41,17 . (11) Gn 46,2 . (12) Gn 48,4 . Ex (8) .
- Ned. : zie . D. : Siehe . E. : behold. Fr. : voici < vois ici . Grieks : ιδου = idou (zie) . Taalgebruik in het NT : idou (zie) . Hebreeuws : הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Lat. : ecce .

Mc 1,2.9. act. ind.praes. 1ste pers. enk. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het NT : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in de LXX : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in Mc : apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) .

apostellô (afsturen) . bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev. P. A. b.
ind. pr. 1ste p. enk. apostellô 20  12  3 : (1) Mt 10,16 . (2) Mt 11,10 . (3) Mt 23,34 . 1 : Mc 1,2 . 3 : (1) Lc 7,27 . (2) Lc 10,3 . (3) Lc 24,49 .   1 : Hnd 26,17 .     7 : (1) Mt 10,16 // Lc 10,3 . (2) Mt 11,10 // Mc 1,2 // Lc 7,27 .    

Ex 23,20 Hebr. Mal 3,1 Hebr. Mal 3,23 Hebr. Ex 23,20 Grieks Mal 3,1 Grieks Mal 3,22 Grieks Mc 1,2 Mt 11,10 Lc 7,27
hinneh (zie) hinnij (zie)
hinneh (zie) kai idou (en zie) idou (zie) kai idou (en zie) idou (zie) idou (zie) idou (zie)
'ânokhi (ik)
'ânokhi (ik) egô (ik) egô (ik) egô (ik)   egô (ik)  
sjoleach (zend) soleah (ik zend) sjoleach (zend) apostellô (zend) eksapostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend) apostellô (zend)
malë´âkh (een bode) mal'âkhi (mijn bode) malë´âkh (een bode) ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode)
ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode) ton aggelon mou (mijn bode)
lëphanè(j)kha (voor uw aangezicht)

pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)

pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) pro prosôpou sou (voor uw aangezicht)


lâkhèm (naar u)

humin (tot u)   
 
    eth elijjâh hannâb'i' (de profeet)     Hlian tèn Thesbitèn (Elia de Thesbiet)      
  upinnâh (en bereidt) dèrèch (de weg) lephana(j) (voor zijn aangezicht) liphânâh (voor zijn aangezicht)    kai epiblepsetai hodon (de weg) pro prosôpou mou (voor mijn aangezicht)        

Ex 21,1 - 23,33 (Ex 23) : het verbondsboek
  Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer Mal 3,22-24 : over de toekomst Ex 21,1 - 23,33 (Ex 23 ) : het verbondsboek   Mal 2,17-3,5 : de dag van de Heer Mal 3,22-24 : over de toekomst 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  88. Jezus'getuigenis over Johannes de Doper Mt 11,7-13 // Lc 7,24-28    88. Jezus'getuigenis over Johannes de Doper Mt 11,7-13 // Lc 7,24-28 

απο-στελλω = apo-stellô : af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden . Een vorm van αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) , in de LXX (691) (Lust J. ... Greek-English Lexicon of the Septuagint , Stuttgart , 2003) , in het NT (131) (Morgenthaler Robert , Statistik...) . Volgens diezelfde auteurs komt een vorm van αποστολος = apostolos in de Septuaginta niet voor , in het NT (79) . In de evangelies komt αποστολος = apostolos (apostel) slechts 9X voor , 1X in Mt , Mc , Joh en 6X in Lc .
'De inzet met een complex citaat op naam van de profeet Jesaja is meer dan een incident , verbonden met de persoon van Johannes de Doper . Het evangelie van Jezus de Gezalfde is geschreven in de traditie van de profeten , die zich op hun beurt beriepen op de Torah . Zodoende moet het citaat wel een verwijzing naar een woord uit de Torah bevatten . Ex 23,20 wordt erin herkend . Dat is een cruciale tekst in de verbondssluiting die klinkt op de vijftigste paasdag in de tweede jaargang van de torahlezing . Ook binnen de Torah bevat deze tekst een verwijzing , namelijk naar Ex 14,19 waar de beslissende wending van het Paasfeest verkondigd wordt ." (Monshouwer , Markus , 1989 , p.38) . Ex 23,20 (NV) [20] Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb . Ex 14,19 (NV) [19] De engel van God , die steeds voor het leger van de Israëlieten uit was gegaan , stelde zich nu achter hen op . Ook de wolkkolom die eerst voor hen uit ging stelde zich achter hen op .
- De evangelisten gebruiken uiterst karig een vorm van het woord αποστολος = apostolos . De evangelies werden geschreven tussen 71 (Marcus) - 80 - 85 (Lucas - Matteüs) - 95 n. chr. (Johannes) . Hoe is het veelvuldig gebruik in de brieven van Paulus te verklaren ? Welke brieven ? De authentieke ? Later onder de naam van Paulus geschreven brieven ?
Volgens Muraoka T. , A Greek - Hebrew / Aramaic two-way Index to the Septuagint (Leuven , Peeters , 2010 , blz. 16) is een vorm van het werkw. αποστελλω = apostellô in de LXX een vertaling van een 15-tal Hebreeuwse werkw. werkw. . Hierbij zijn de Aramese werkw. nëchat , sjëlach , tûb en tërad .
- שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond) . (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend) . (3) act. qal part. mann. enk. שֹׁלֵחַ = sjoleach (zendende) : Ex 23,20 .

Mc 1,2.10. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 1,2.11. acc. mann. enk. αγγελον = aggelon van het zelfst. naamw. αγγελος = aggelos (engel) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in de LXX : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Een vorm van αγγελος = aggelos in de LXX (350) , in het NT (175) , in Mc (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 8,38 . (4) Mc 12,25 .  (5) Mc 13,27 .  (6) Mc 13,32 . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .

aggelos (engel) bijbel  OT NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
acc. mann. enk. aggelon 57 35 22 1 : Mt 11,10 . 1 : Mc 1,2 . 3 : (1) Lc 1,18 . (2) Lc 1,34 . (3) Lc 7,27 .   4 2 11 5 : (1) Mt 11,10 // Mc 1,2 // Lc 7,27 . 5
Totaal   440 267 173 20 6 25 3 21 32 66 51 54

- מַלְאַך = malë´akh (engel) . Taalgebruik in Tenakh : malë´akh (engel) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , aleph = 1 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 37 OF 91 . Structuur : 4 - 3 - 1 - 2 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (64) . Pentateuch (23) . Eerdere Profeten (25) . Latere Profeten (2) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (7) . Gn (8) : (1) Gn 16,7 . (2) Gn 16,9 . (3) Gn 16,10 . (4) Gn 16,11 . (5) Gn 21,17 . (6) Gn 22,11 . (7) Gn 22,15 . (8) Gn 31,11 . Ex (4) : (1) Ex 3,2 . (2) Ex 14,19 . (3) Ex 23,20 . (4) Ex 33,2 . Re (18) : (1) Re 2,1 . (2) Re 2,4 . (3) Re 5,23 . (4) Re 6,11 . (5) Re 6,12 . (6) Re 6,20 . (7) Re 6,21 . (8) Re 6,22 . (9) Re 13,3 . (10) Re 13,6 . (11) Re 13,9 . (12) Re 13,13 . (13) Re 13,15 . (14) Re 13,16 . (15) Re 13,17 . (16) Re 13,18 . (17) Re 13,20 . (18) Re 13,21 .
- Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . E. angel . D. Engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Arabisch : مَلَك = malak (engel) . Taalgebruik in de Qoran : malak (engel) . Qoran (11)

Mc 1,2.12. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

10. - 12. τον αγγελον μου = ton aggelon mou (mijn engel) . LXX (3) : (1)

Mc 1,2.13. προ = pro (voor) . pro (voor) . Taalgebruik in het NT : pro (voor) . pro (voor) . Taalgebruik in de LXX : pro (voor) . Taalgebruik in Mc : pro (voor) .

pro (voor) bijbel OT NT Mt Mc Lc syn.  Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P..  A. b.. 
  260  213  47  5 : (1) Mt 5,12 . (2) Mt 6,8 . (3) Mt 8,29 . (4) Mt 11,10 . (5) Mt 24,38 . 1  : Mc 1,2 . 7 : (1) Lc 2,21 . (2) Lc 7,27 . (3) Lc 9,52 . (4) Lc 10,1 . (5) Lc 11,38 . (6) Lc 21,12 . (7) Lc 22,15 . 13 : (1) Mt 11,10 // Mc 1,2 // Lc 7,27 . 18    13  22  13 

- p - r -> Ned. : v - r (pro -> voor) . D. : vor . Eng. : before . Fr. : avant (uit ab : vanaf en ante : voor , van te voren = voor-af) . Grieks : προ = pro (voor) . pro (voor) . Taalgebruik in het NT : pro (voor) . pro (voor) . Lat. : ante . In Mc komt dit voorzetsel slechts hier voor en dan nog in een citaat . Tegenover opisô . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après (ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned. achter .

Mc 1,2.14. genitief onzijdig enkelvoud προσωπου = prosôpou van het zelfstand. naamw. προσωπον = prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het NT : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in de LXX. : prosôpon (aangezicht) . Mc (1) : Mc 1,2 . nom. + acc. onz. enk. prosôpon (aangezicht) : (1) Mc 12,14 .  (2) Mc 14,65 . Een vorm van prosôpon (aangezicht) in de LXX (1297) , in het NT (74)

prosôpon   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. prosôpon  569  528  41    15  18  18  13 
gen. onz. enk. prosôpou  535  517  18   
dat. onz. enk. prosôpôi   41  347                  
totaal 1145  1392  66 12    11  25  24  24  22 

prosôpon (aangezicht)   Mt Mc Lc syn. 
nom. + acc. onz. enk. prosôpon  8 : (1) Mt 6,17 . (2) Mt 16,3 . (3) Mt 17,2 . (4) Mt 17,6 . (5) Mt 18,10 . (6) Mt 22,16 . (7) Mt 26,39 . (8) Mt 26,67 . 2 : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 14,65 . 8 : (1) Lc 2,31 . (2) Lc 5,12 . (3) Lc 9,51 . (4) Lc 9,53 . (5) Lc 12,56 . (6) Lc 17,16 . (7) Lc 20,21 . (8) Lc 21,35 . 18 : (1) Mt 16,3 // Lc 12,56 . (2) Mt 17,2 // Lc 9,29 . (3) Mt 22,16 // Mc 12,14 // Lc 20,21 . (4) Mt 26,67 // Mc 14,65 .
gen. onz. enk. prosôpou  1 : Mt 11,10 . 1 : Mc 1,2 . 4 : (1) Lc 7,27 . (2) Lc 9,29 . (3) Lc 9,52 . (4) Lc 10,1 . 6 : (1) Mt 11,10 // Mc 1,2 // Lc 7,27 .
totaal 12  24 

- pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : prosôpou (van het aangezicht) . zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Lat. facies . Fr. la face . E. face . D. Angesicht .

Mc 1,2.15. gen. mann. enk. σου = sou (van jou) . Zie συ = su (jij) . Persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,44 .

  pers. vnw. 2de pers. enk.   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
gen. enk. sou  27  2 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,44 . 3 : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 . 1 : Mc 3,32 .   3 : (1) Mc 5,19 . (2) Mc 5,34 . (3) Mc 5,35. 1 : Mc 6,18 .   3 : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,29 .   5 : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 . 3 : (1) Mc 10,19 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,52 . 1 : Mc 11,14 . 3 : (1) Mc 12,30 . (2) Mc 12,31 . (3) Mc 12,36 .   1 : Mc 14,60 . 1 : Mc 15,4 . 3947  3602  345  71  27               
  totaal 84  10  10    17          84               

14. - 15. פָּנֶיךָ = pânèjkhâ (uw aangezicht) < stat. constr. mann. mv. + suffix pers. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (73) . Pentateuch (8) . Eerdere Profeten (4) . Latere Profeten (17) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (41) . Ps (32) : (1) Ps 4,7 . (2) Ps 9,20 . (3) Ps 13,2 . (4) Ps 16,11 ...

13. - 15. προ προσωπου σου = pro prosôpou sou (voor jouw aangezicht) . LXX (38) . NT (3) : (1) Mt 11,10 . (2) Mc 1,2 . (3) Lc 7,27 .
- Het kan de vertaling zijn van het Hebreeuwse לְפנֶיךָ = lëphânè()khâ (naar jouw aangezicht) < prefix voorzetsel lë + zelfst. naamw. stat. construct. mann. mv. + bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie פָּנִים= panîm (gezicht, aangezicht) . Taalgebruik in Tenakh : panîm (gezicht, aangezicht) . Getalwaarde : pe = 17 of 80 , nun = 14 of 50 , mem = 13 of 40 ; totaal : 44 (4 X 11) OF 170 . Structuur : 8 - 5 - 4 . De som van de elementen is 8 . Tenakh (103) .

Mc 1,2.16. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het NT : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord .
Mc (25) : (1) Mc 1,2 .   (2) Mc 3,19 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .  (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .  (8) Mc 5,3 .  (9) Mc 6,11 .   (10) Mc 8,35 . (11) Mc 8,38 .  (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .  (22) Mc 11,23 .   (23) Mc 13,2 .   (24) Mc 15,23 . (25) Mc 15,43 .

Mc 1,2.17. act. ind. fut. 3de pers. enk. κατασκευασει = kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) . Bijbel =NT (3) : (1) Mt 11,10 . (2) Mc 1,2 . (3) Lc 7,27 . Een vorm van κατασκευαζω = kataskeuazô (uitrusten, optuigen, inrichten, bouwen, maken) in de LXX (28) , in het NT (11) , in Mc (1) .

Mc 1,2.18. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

Mc 1,2.19. acc. vr. enk. ὁδον = hodon (weg) van het zelfst. naamw. ὁδος = hodos (weg) . Taalgebruik in het ΝΤ : hodos (weg) . Taalgebruik in de LXX : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) . Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14 . Mc 1,2 - Mc 1,3 kondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het OT . In 4 verzen in Mc is ὁδον = hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 . (4) Mc 12,14 . In 6 verzen in Mc wordt ὁδον = hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel .

  hodos (weg)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 dat. vr. enk. hodô(i)           (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .   (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .   (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .       176  154  22      17  17   
4 acc. vr. enk. hodon   10  (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .   (3) Mc 2,23 .   (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .   (6) Mc 6,8 .       (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .   (9) Mc 11,8 .   (10) Mc 12,14 .   281  230  51  10  10  12    29  32 
  totaal 16  876  776  100  21  16  20  20  17         

- Ned. : weg . D. : Weg . E. : way . Fr. : chemin . Grieks : ὁδος = hodos (weg) . Taalgebruik in het ΝΤ : hodos (weg) . Hebreeuws : דֶרֶך = dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) . Taalgebruik in Tenakh : dèrèkh (weg, wijze, levenswijze) . Latijn : via .

Mc 1,2.18. - 19. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 .  (2) Mc 6,8 .  (3) Mc 10,17 .

Mc 1,2.20. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,44 .

Betekenis van Mc 1,2
Na de titel in Mc 1,1 begint Marcus zijn evangelie met een bijbelcitaat dat in Johannes de Doper zijn vervulling krijgt . Een bepaalde formule leidt het citaat in . Het gaat om wat in de wet of de profeten geschreven staat .
Door zijn evangelie met een citaat uit de wet en de profeten aan te vatten geeft de evangelist Marcus te kennen dat Johannes de Doper en Jezus in die zin moeten geïnterpreteerd worden . Ze handelen in de lijn van de wet en de profeten . Er is nog meer . In Mc 1,15 zegt Jezus : = peplèrôtai ho kairos (tot volheid is gekomen de gunstige tijd) . Jezus zal de volheid van de wet en de profeten brengen .



Mc 1,3 - Mc 1,3 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
fônè boôntos en tèi erèmôi, Hetoimasate tèn hodon kuriou, eutheias poieite tas tribous autou   vox clamantis in deserto parate viam Domini rectas facite semitas eius   stem van een roepende in de woestijn: bereid de weg van de Heer, maak recht zijn paden.  een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht.  een stem roept in de woestijn: Bereid de weg van de Heer, maak zijn paden recht,   Luid klinkt een stem in de woestijn: Maak de weg van de Heer gereed, maak recht zijn paden! de stem van een die roept in de woestijn: bereidt de weg van de Heer, maakt zijn paden recht! Mc 1:3- Voix de celui qui crie dans le désert : Préparez le chemin du Seigneur, rendez droits ses sentiers,  

Statenvertaling . 3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt Zijn paden recht.
King James Bible .[3] The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye the way of the Lord, make his paths straight.
Luther-Bibel . 3 »Es ist eine Stimme eines Predigers in der Wüste: Bereitet den Weg des Herrn, macht seine Steige eben!« (Maleachi 3,1; Jesaja 40,3):

Tekstuitleg van Mc 1,3 . Dit vers Mc 1,3 telt 14 (2 X7) woorden en 74 (2 X 37) letters .

Mc 1,3.1. nom. + dat. vr. enk. φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep)  . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in de LXX : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) .

fônè (stem, roep)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. fônè   6 : (1) Mt 2,18 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 3,17 . (4) Mt 17,5 . (5) Mt 27,46 . (6) Mt 27,50 . 6 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 5,7 . (5) Mc 9,7 . (6) Mc 15,34 . 7 : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . 19 : (1) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (2) Mt 3,17 // Mc 1,11 // Lc 3,22 . (3) Mt 17,5 // Mc 9,7 // Lc 9,35 . (4) Mt 27,46 // Mc 15,34 . (5) Mt 27,50 // Mc 15,37 // Lc 23,46 . (6) Mc 5,7 // Lc 8,28 . 242  180  62  12  23  19  23     
gen. vr. enk. fônès       1: Lc 17,15 . 210  187  23     
acc. vr. enk. fônèn   1 : Mt 12,19 . 1 : Mc 15,37 . 4 : (1) Lc 3,22. (2) Lc 9,36 . (3) Lc 11,27 . (4) Lc 17,13 . 182  146  36  12  11 
totaal 12  26  634  513  121  12  15  26  13  41  26  41     

Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .

Mc 1,3.3. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat.

Mc 1,3.4. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i) = in de woestijn : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . Verder in (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,22 . (6) Mc 1,23 .

Mc 1,3.5. dat. vr. enk. ερημῳ = erèmô(i) ( in de woestijn) van het zelfst. naamw. ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in de LXX : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Mc (3) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 , Een vorm van ερημος = erèmos (woestijn) in zes verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 . In Mc 1,3 wordt Js geciteerd . In Mc 1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de Doper , in Mc 1,12 en Mc 1,13 in de persoon van Jezus .

  erèmos (woestijn)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. enk. erèmos   32  28  2 : (1) Mt 14,15 . (2) Mt 23,38 . 1 : Mc 6,35 .     1 : Hnd 8,26 .     3 : (1) Mt 14,15 // Mc 6,35 .    
2 gen. enk. erèmou  54  52        1 : Joh 11,54 .   1 : Gal 4,27      
3 dat. enk. erèmô(i)  169  145  24  3 : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 24,26 . 3 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . 5 : (1) Lc 3,2 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,1 . (4) Lc 9,12 . (5) Lc 15,4 . 4 : (1) Joh 1,23 . (2) Joh 3,14 . (3) Joh 6,31 . (4) Joh 6,49 . 6 : (1) Hnd 7,30 . (2) Hnd 7,36 . (3) Hnd 7,38 . (4) Hnd 7,42 . (5) Hnd 7,44 . (6) Hnd 13,18 . 3 : (1) 1 Kor 10,5 . (2) Heb 3,8 . (3) Heb 3,17 .   11: (1) Mt 3,1 // Mc 1,4 // Lc 3,2 . (2) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (3) Mc 1,13 // Lc 4,1 15 :  
4 acc. enk. erèmon  107  94  13  3 : (1) Mt 4,1 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 14,13 . 4 : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 . (3) Mc 6,31 . (4) Mc 6,32 . 2 : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 7,24 .   1 : Hnd 21,38 .   3 : (1) Apk 12,6 . (2) Apk 12,14 . (3) Apk 17,3 . 9 : (1) Mt 4,1 // Mc 1,12 // Lc 4,1 . (2) Mt 11,7 // Lc 7,24 . (3) Mt 14,13 // Mc 6,32 .    
5 nom. mv. erèmoi                          
6 gen. mv. erèmôn                          
7 dat. mv.  erèmois   1 : Mc 1,45 . 2 : (1) Lc 1,80 . (2) Lc 5,16 .         3 : (1) Mc 1,45 // Lc 5,16 .    
8 acc. mv. erèmous  10      1 : Lc 8,29 .            
  totaal 387  340  47  10  27  32   

1. 2. 3. 4. 1. 1. 2. 3.
Mc 1,12 Mc 1,35 Mc 6,31 Mc 6,32 Mc 6,35 Mc 1,3 Mc 1,4 Mc 1,13
kai euthus (en onmiddellijk kai (en) deute (welaan) kai (en)     egeneto (trad op) kai (en)
to pneuma (de geest)   humeis autoi (jullie zelf)     fônè boôntos (een stem van een roepende) Iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper)  
auton ekballei (werpt hem uit) apèlthen (hij ging weg) kat'idian (bij jezelf) apèlthen (hij ging weg) en tôi ploiôi (in de boot - per boot)       èn ( hij was)
eis tèn erèmon (naar de woestijn) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) erèmos estin ho topos (eenzaam is de plaats) en tèi erèmôi (in de woestijn) en tèi erèmôi (in de woestijn) en tèi erèmôi (in de woestijn)
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 . 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 .

150 Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop : Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 .

150. Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop : Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11 . 151. Eerste broodvermenigvuldiging : Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a . 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 . 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 . 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 .

Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten . صَحْراء  

Mc 1,3.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

8. acc. vr. enk. ὁδον = hodon (weg) van het zelfst. naamw. ὁδος = hodos (weg) . Taalgebruik in het ΝΤ : hodos (weg) . Taalgebruik in de LXX : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) . Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14 . Mc 1,2 - Mc 1,3 kondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het OT . In 4 verzen in Mc is ὁδον = hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 . (4) Mc 12,14 . In 6 verzen in Mc wordt ὁδον = hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel .

  hodos (weg)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
3 dat. vr. enk. hodô(i)           (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .   (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .   (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .       176  154  22      17  17   
4 acc. vr. enk. hodon   10  (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .   (3) Mc 2,23 .   (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .   (6) Mc 6,8 .       (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .   (9) Mc 11,8 .   (10) Mc 12,14 .   281  230  51  10  10  12    29  32 
  totaal 16  876  776  100  21  16  20  20  17         

Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg. E. way . D. Weg .

Mc 1,3.7. - 8. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 .  (2) Mc 6,8 .  (3) Mc 10,17 .

Mc 1,3.12. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,39 .

Mc 1,3.14. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .


Mc 1,4 - Mc 1,4 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
egeneto Iôannès ho baptizôn en tèi erèmôi kai kèrussôn baptisma metanoias eis afesin hamartiôn   fuit Iohannes in deserto baptizans et praedicans ------------------------------- baptismum paenitentiae in remissionem peccatorum  kwam Johannes de Doper in de woestijn en verkondigde een doopsel van bekering tot vergeving van zonden.   Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden.  zo trad Johannes* op. Hij doopte in de woestijn en verkondigde een doop van bekering* tot vergeving van zonden.  Dit gebeurde toen Johannes de Doper naar de woestijn ging* en de mensen opriep zich te laten dopen en tot inkeer te komen, om zo vergeving van zonden te verkrijgen.  geschiedde het dat Johannes de Doper in de woestijn een doop van omkeer predikte tot vergeving van zonden.  4. Jean le Baptiste fut dans le désert, proclamant un baptême de repentir pour la rémission des péchés. 

Statenvertaling . 4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden.
King James Bible . John did baptize in the wilderness, and preach the baptism of repentance for the remission of sins.
Luther-Bibel . 4 Johannes der Täufer war in der Wüste und predigte die Taufe der Buße zur Vergebung der Sünden.

Tekstanalyse van Mc 1,4 . Dit vers Mc 1,4 telt 13 woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 1,4 is 9546 (2 X 2 X 3 X 37 X 43) . Mc 1,2-6 verhaalt het optreden van Johannes de Doper . De evangelist Marcus begint in Mc 1,2-3 met een citaat van een Jesajatekst om dan in Mc 1,4 over te gaan op de vervulling van die profetie in de persoon van Johannes . In Mc 1,4 is er voor het eerst sprake over Johannes . De zin begint met egeneto (het gebeurde) gevolgd door het onderwerp Johannes de Doper .

Mc 1,4.1. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus .

In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . Beide teksten beginnen met egeneto (het gebeurde) . In het ene geval (Mc 1,4) om het begin van Johannes de Doper aan te duiden , in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus . Johannes treedt op in Judea en de Jordaan . Jezus komt van Galilea , van de stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen . Na de gevangenneming van Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14) .
- Mc 1,4 : egeneto iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper trad op) .
- Mc 1,9 : kai egeneto (en het gebeurde) .
STAP VOOR STAP ! Eerst Johannes de Doper , dan Jezus .

Mc 1,4.2. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. Iôannèn) .

Mc 1,4.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .
Ofwel zijn baptizôn (dopende) ... kai kèrussôn (en verkondigend) twee nevenschikkende particpiazinnen en staat het bepaald lidwoord ho (de) er teveel ofwel staat ho baptizôn als bijstelling bij Iôannès en staat kai (en) er teveel .

Mc 1,4.4. actief participium nominatief mannelijk enkelvoud baptizôn (dopende of doper) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . Gebruikt als bijstelling (voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho : de dopende = de doper) in (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .

Mc 1,4.2. - 4. Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . Mc (15) : (1) Mc 1,4 (Iôannès ho baptizôn = Johannes de dopende of Johannes de doper). (2) Mc 1,6 (kleding en voeding) . (3) Mc 1,9 (ebaptisthè ... hupo Ioannou = hij werd gedoopt door Johannes) . (4) Mc 1,14 (overlevering) . (5) Mc 2,18 (mathètai Iôannou = leerlingen van Johannes vasten) . (6) Mc 6,14 Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . (7) Mc 6,16 (onthoofde Johannes) . (8) Mc 6,17 (de gevangen Johannes) . (9) Mc 6,18 (Johannes tot Herodes) . (10) Mc 6,20 (Herodes vreesde Johannes) . (11) Mc 6,24 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (12) Mc 6,25 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (13) Mc 8,28 (de mensen zeggen Iôannèn ton baptistèn = Johannes de doper) . . (14) Mc 11,30 (to baptisma to Iôannou = het doopsel dat van Johannes) . (15) Mc 11,32 (een profeet) . In zeven verzen in Mc wordt Johannes in verband met de doop gebracht . In zeven verzen wordt de relatie gelegd tussen Johannes en dopen : (1) Mc 1,4 . (3) Mc 1,9 . (6) Mc 6,14 . (11) Mc 6,24 . (12) Mc 6,25 . (13) Mc 8,28 . (14) Mc 11,30 . (15) Mc 11,32 . In Mc 6,24 en Mc 6,25 staat de genitiefvorm baptizontos van baptizôn .

Mc 1,4.5. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat.

Mc 1,4.6. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i) = in de woestijn : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . Verder in (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,22 . (6) Mc 1,23 .

Mc 1,4.7. datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .
In Mc 1,3 wordt Js geciteerd . In Mc 1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de Doper , in Mc 1,12 en Mc 1,13 in de persoon van Jezus .

Mc 1,4.5. - 7. en tè erèmô(i) = in de woestijn . Hebr. bammidëbar (in de woestijn) : in 138 verzen . Mc (3) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- Mc 1,3 . Citaat uit het O.T. . Voorzegging .
- Mc 1,4 : vervulling in de voorloper Johannes de Doper .
- Mc 1,13 : vervulling in de persoon van Jezus .
STAP VOOR STAP !

Mc 1,4.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,4.9. act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô (verkondigen) . Bijbel (13) : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 9,35 . (4) Mc 1,4 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,39 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . (11) Hnd 20,25 . (12) Hnd 28,31 . (13) Rom 2,21 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in de LXX (32) , in het NT (61) , in Mc (14) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,38 . (5) Mc 1,39 . (6) Mc 1,45 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 5,20 . (9) Mc 6,12 . (10) Mc 7,36 . (11) Mc 13,10 . (12) Mc 14,9 . (13) Mc 16,15 . (14) Mc 16,20 . In de LXX kan κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16
1 ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. kèrussôn 3 (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,39              
2 inf. pr. kèrussein 3 (1) Mc 1,45 .   (2) Mc 3,14 . (3) Mc 5,20          
3 ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen 1 (1) Mc 1,7 .                
4 ind. imp. 3de p. mv. ekèrusson 1         (1) Mc 7,36 .        
5 ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan  2       (1) Mc 6,12       (2) Mc 16,20 .
6 imperat. aor. 2de p. mv. kèruxate 1               (1) Mc 16,15 .
7 act. conj. aor. 1ste pers. enk. 1 (1) Mc 1,38 .                
8 inf. pass. aor. kèruchthènai            (1) Mc 13,10 .    
9 pass. conj. aor. 3de pers. enk. kèruchthè 1             (1) Mc 14,9 .  
  Totaal 14
  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16

In Mc 1,4 en Mc 1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn een object : Mc 1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc 1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc 1,14 en Mc 1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
- Ned. : prediken , verkondigen . D. : predigen . E. : to preach . E. : to preach . Gr. : κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : praedicare .

Mc 1,4.8. - 9. και κηρυσσων = kai kèrussôn (en verkondigend) . NT (3) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mc 1,4 .
- και ην κηρυσσων = kai èn kèrussôn (en hij was verkondigend) . NT (2) : (1) Mc 1,39 . (2) Lc 4,44 .
- Hebreeuws : וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´(en hij riep, hij heet, hij noemde) < waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (209) . Pentateuch (90) . Eerdere Profeten (81) . Latere Profeten (12) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (25) .
- Hebreeuws : prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel lë + act. inf. construct. ??לִקְרֹא (en om te verkondigen) . Niet in Tenakh .

In Mc 1,4 en Mc 1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn een object : Mc 1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc 1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc 1,14 en Mc 1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,4 . (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,14 . (1) Mc 1,38 . (3) Mc 1,39 . (1) Mc 1,45 .
In Mc 1,4 trad Johannes de doper verkondigend op . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14 : èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn (ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39 : kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn Galilaian (en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !

Mc 1,4.10. nom. + acc. onz. enk. βαπτισμα = baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het NT : baptisma (doopsel) . Taalgebruik in de LXX : baptisma (doopsel) . NT (17) : (1) Mt 3,7 . (2) Mt 21,25 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 10,38 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,30 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 7,29 . (9) Lc 12,50 . (10) Lc 20,4 . (11) Hnd 10,37 . (12) Hnd 13,24 . (13) Hnd 18,25 . (14) Hnd 19,3 . (15) Hnd 19,4 . (16) Ef 4,5 . (17) 1 Pe 3,21 .
- gen. onz. enk. = baptismatos (van het doopsel) . Bijbel = NT (2) : (1) Hnd 1,22 . (2) Rom 6,4 .

baptisma (doopsel) bijbel  OT  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. + acc. onz. enk. baptisma 17   17 2 4 4   5 2   10 10
gen. enk. baptismatos 2   2         1 1      
Totaal   19   19 2 4 4   6 3   10 10

- Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .

Mc 1,4.9. - 10. κηρυσσων βαπτισμα = kèrussôn baptisma (verkondigend een doopsel) . NT (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Lc 3,3 . Een vorm van ... κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) en βαπτισμα = baptisma (doopsel) in : (1) Hnd 10,37 . (2) Hnd 13,24 .

Mc 1,4.11. gen. vr. enk. μετανοιας = metanoias (van bekering) van het zelfst. naamw. μετανοια = metanoia (bekering) . Taalgebruik in het NT : metanoia (bekering) . Taalgebruik in de LXX : metanoia (bekering) .

metanoia (omkering)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. metanoia                             
gen. vr. enk. metanoias  12  2 : (1) W 12,10 . (2) Sir 44,16 . 10  1 : Mt 3,8 . 1 : Mc 1,4 . 3 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 3,8 . (3) Lc 15,7 .   3 : (1) Hnd 13,24 . (2) Hnd 19,4 . (3) Hnd 26,20 . 2 : (1) Heb 6,1 . (2) Heb 12,17 .    
acc. vr. enk. metanoian   15  3 : (1) Spr 14,15 . (2) W 11,23 . (3) W 12,19 . 12  1 : Mc 3,11 .   2 : (1) Lc 5,32 . (2) Lc 24,47 .   3 : (1) Hnd 5,31 . (2) Hnd 11,18 . (3) Hnd 20,21 . 6 : (1) Rom 2,4 . (2) 2 Kor 7,9 . (3) 2 Kor 7,10 . (4) 2 Tim 2,25 . (5) Heb 6,6 . (6) 2 Pe 3,9 .  
totaal 27  22     

Zie ook het werkw. μετανοεω = metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in het NT : metanoeô (bekeren) . Taalgebruik in de LXX : metanoeô (bekeren) . Een vorm van μετανοεω = metanoeô in de LXX (24) , in het NT (34) , in Mc (2) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 6,12 .

Mc 1,4.10. - 11. βαπτισμα μετανοιας = baptisma metanoias (doopsel van bekering) . NT (4) : (1) Mc 1,4 . (2) Lc 3,3 . (3) Hnd 13,24 . (4) Hnd 19,4 .

Mc 1,4.9. - 11. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας = kèrussôn baptisma metanoias (verkondigend een doopsel van bekering) . NT (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Lc 3,3 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) en βαπτισμα μετανοιας = baptisma metanoias (doopsel van bekering) in : (1) Hnd 13,24 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) en het zelfst. naamw. μετανοια = metanoia (bekering) of het werkw. μετανοεω = metanoeô (bekeren) in (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 6,12 .

Mc 1,4.12. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . D. nach . E. for .

11. - 12. μετανοιας εις = metanoias eis (van bekering tot) . NT (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Lc 3,3 .

Mc 1,4.13. acc. vr. enk. αφεσιν = afesin van het zelfst. naamw. αφεσις = afesis (vergeving) . Taalgebruik in het NT : afesis (vergeving) . Taalgebruik in de LXX : afesis (vergeving) . Bijbel (25) : (1) Ex 18,2 . (2) Ex 23,11 . (3) Lv 16,26 . (4) Lv 25,10 . (5) Lv 27,18 . (6) Dt 15,1 . (7) Dt 15,3 . (8) Js 61,1 . (9) Jr 34,8 . (10) Jr 34,15 . (11) Jr 34,17 . (12) Est 2,18 . (13) Jdt 11,14 . (14) 1 Mak 13,34 . (15) Mt 26,28 . (16) Mc 1,4 . (17) Mc 3,29 . (18) Lc 3,3 . (19) Lc 24,47 . (20) Hnd 2,38 . (21) Hnd 5,31 . (22) Hnd 10,43 . (23) Hnd 26,18 . (24) Ef 1,7 . (25) Kol 1,14 . Een vorm van αφεσις = afesis in de LXX (50) , in het NT (17) .

αφεσις = afesis (af-lating) bijbel OT NT ev.  Mt Mc Lc Hnd Br.
nom vr. enk. afesis 5 2 3         1 : Hnd 13,38 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
gen. vr. enk. afeseôs 21 21              
dat. vr. enk.: afesei 8 6     2 : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 4,18 .    
acc. vr. enk. afesin 26 14 12 1 : Mt 26,28 . 2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 3,29 . 3 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 24,47 . 4 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 2 : (1) Ef 1,7 . (2) Kol 1,14 .
totaal 60 44 17   1 2 5 5 4

- In 9 verzen in combinatie met ἁμαρτιων = hamartiôn (van zonden) , vandaar : zondenvergeving . Niet in (1) Mc 3,29 . (2) Lc 4,18 . (3) Ef 1,7 (vergeving van overtredingen) .
- Fr. par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) .

13. - 14. εις αφεσιν = eis afesin (tot vergeving) . NT (4) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .
- εν αφεσει = en afesei (door vergeving) . NT (2) : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 4,18 .

Mc 1,4.14. gen. vr. mv. ἁμαρτιων = hamartiôn (van de zonden) van het zelfstandig naamwoord ἁμαρτια = hamartia (zonde) . Bijbel (85) . OT (53) . NT (32) : (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . (3) Mc 1,4 . (4) Lc 1,77 . (5) Lc 3,3 . (6) Lc 24,47 . (7) Hnd 2,38 . (8) Hnd 5,31 . (9) Hnd 10,43 . (10) Hnd 13,38 . (11) Hnd 26,18 . Andere boeken NT (21) . Een vorm van in de LXX (545) , in het NT (173) .

Mc 1,4.12. - 14. εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = eis afesin (tôn) hamartiôn (tot vergeving van (de) zonden) . Bijbel (4) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .
- εν αφεσει ἁμαρτιων = en afesei hamartiôn (door vergeving van zonden) . NT (1) : (1) Lc 1,77 .

afesis  NT Mt Mc Lc Hnd Br.
afesis hamartiôn 1       1 : Hnd 13,38 NIET : 2 : (1) Heb 9,2 . (2) Heb 10,18
afesei hamartiôn     1 : (1) Lc 1,77 . NIET : (2) Lc 4,18 .    
afesin (tôn) hamartiôn 9 1 : Mt 26,28 . 1 : (1) Mc 1,4 . NIET : (2) Mc 3,29 .

1 : (1) Lc 3,3 . (3) Lc 24,47 . NIET : (2) Lc 4,18 .

1 : (1) Hnd 2,38 . (2) Hnd 5,31 . (3) Hnd 10,43 . (4) Hnd 26,18 . 1 : (2) Kol 1,14 . NIET : (1) Ef 1,7 .
totaal 11 1 1 3 5 1
en afesei hamartiôn     1 : (1) Lc 1,77 . NIET : (2) Lc 4,18 .    
eis afesin (tôn) hamartiôn (tot vergeving van zonden) 1 : Mt 26,28 . (1) Mc 1,4 . 1 : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 24,47 . (1) Hnd 2,38 .  

10. - 14. κηρυσσων βαπτισμα μετανοιας εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = kèrussôn baptisma metanoias eis afesin (tôn) hamartiôn (verkondigend een doopsel van bekering tot vergeving van (de) zonden) . NT (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Lc 3,3 .


Mc 1,5 - Mc 1,5 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai exeporeueto pros auton pasa hè Ioudaia chôra kai hoi Hierosolumitai pantes, kai ebaptizonto hup'autou en tôi Iordanèi potamôi exomologoumenoi tas hamartias autôn   ad illum omnis Iudaeae regio et Hierosolymitae universi et baptizabantur ab illo in Iordane flumine confitentes peccata sua   En de hele Judese landsstreek trok naar hem uit en alle Jeruzalemmers, en ze werden door hem gedoopt in de rivier de Jordaan terwijl ze hun zonden beleden.   Heel de landstreek Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden.  Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit. Ze lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, en beleden hun zonden.  Alle inwoners van Judea en Jeruzalem stroomden toe en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl ze hun zonden beleden.  Tot hem liep uit heel de landstreek Judea en de Jeruzalemmers allemaal, en zij lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, onder belijdenis van hun zonden.  Mc 1:5- Et s'en allaient vers lui tout le pays de Judée et tous les habitants de Jérusalem, et ils se faisaient baptiser par lui dans les eaux du Jourdain, en confessant leurs péchés.  

Statenvertaling . 5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem; en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.
King James Bible . [5] And there went out unto him all the land of Judaea, and they of Jerusalem, and were all baptized of him in the river of Jordan, confessing their sins.
Luther-Bibel . 5 Und es ging zu ihm hinaus das ganze jüdische Land und alle Leute von Jerusalem und ließen sich von ihm taufen im Jordan und bekannten ihre Sünden.

Tekstuitleg van Mc 1,5 . Het vers Mc 1,5 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 135 (3 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,5 is 15676 (2 X 2 X 3919) . Mc 1,5 beschrijft de reactie op het optreden van Johannes de Doper . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . Het onderwerp van de tweede zin heeft een participiumzin . De opbouw van de twee nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Eerst het nevenschikkend voegwoord kai (en) , vervolgens het vervoegd werkwoord . De beide werkwoorden staan in de imperfectumvorm (onvoltooid verleden tijd) . Het ene in het enkelvoud (omwille van de beklemtoning van de totaliteit) , het andere in het meervoud . Het onderwerp in beide zinnen is hetzelfde . Na het werkwoord volgt een bepaling waarvan de actor Johannes de Doper is : pros auton (naar hem) en hup'autou (door hem) .
Het onderwerp van de eerste zin is tweeledig ; het eerste deel ervan staat in het enkelvoud pasa hè Ioudaia chôra (de hele Judese streek) , het tweede deel in het meervoud hoi Hierosolumitai pantes (alle Jeruzalemmers) . Het eerste deel van het onderwerp begint met een vorm van pas (heel, geheel, al) , het tweede deel eindigt ermee : een chiastische (kruisvormige) structuur . Daarenboven is er een zekere tegenstelling tussen de streek / het platteland (enkelvoud en onpersoonlijk) en de stad - de inwoners van Jeruzalem (meervoud) ; de twee groepen vullen elkaar aan en vormen de totaliteit van de bevolking . Wij zouden zeggen : stad en platteland , hier gebeurt het omgekeerde : platteland en stad .
Het werkwoord van deze zin met dubbelvoudig onderwerp staat vooraan de zin en wel in het enkelvoud . Het staat bovendien in de imperfectumvorm . Het werkwoord is samengesteld uit het voorzetsel ek (uit) en poreuomai (gaan, trekken) . Het ek (uit) suggereert een plaatsverandering . De plaats vanwaar is duidelijk : het platteland Judea en de stad Jeruzalem . De plaats waarnaar (pros : naar) ze trekken is niet expliciet vermeld in de eerste nevenschikkende zin ; ze trekken naar hem (Johannes de Doper) . Uit de tweede nevenschikkende zin wordt het duidelijk waarnaar ze getrokken zijn nl. de Jordaanrivier waar Johannes de Doper aan het dopen is . In Mc 1,4 was reeds vermeld dat Johannes optrad in de woestijn . Dat roept het beeld op van dorheid , zand , eenzaamheid . In Mc 1,5 is Johannes aan de Jordaan , een grillige rivier met een sterk verval ; geen plek om er te wonen ; een eenzame plek . Het werkwoord poreuomai of een samengesteld werkwoord ervan wordt in het Marcusevangelie vaak gebruikt en wijst op een op weg gaan .
Het onderwerp van de tweede zin is hetzelfde als dat van de eerste zin . Het werkwoord staat evenwel in het meervoud en de participiumzin bij het onderwerp staat eveneens in het meervoud . Daarenboven staat het werkwoord in de imperfectumvorm .

Mc 1,5.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,5.2. ind. imperf. 3de pers. enk. εξεπορευετο = exeporeueto (hij begaf zich op weg naar buiten) van het werkw. εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het NT : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in de LXX : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . LXX (18) . Pentateuch (4) : (1) Gn 24,15 . (2) Gn 24,45 . (3) Ex 33,7 . (4) Ex 33,11 . NT (3) : (1) Mt 3,5 . (2) Mc 1,5 . (3) Lc 4,37 . Een vorm van εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in de LXX (172) , in het NT (33) , in Mt (5) , in Mc (11) , in Lc (3) , in Joh (2) , in Hnd (3) . In Mc (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 6,11  . (3) Mc 7,15  . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 . (6) Mc 7,21 . (7) Mc 7,23  . (8) Mc 10,17 . (9) Mc 10,46 . (10) Mc 11,19 . (11) Mc 13,1   . Een vorm van εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) vergezeld van εκ = ek (4) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 13,1 , van εξω = exô (1) : Mc 11,19 , van -θεν = -then (2) : (1) Mc 6,11 . (2) Mc 7,21 .
- Ned. : p of ph = f -> v + r . Het woord behoort tot de groep van varen . Mnd. . voort . Ofries : forda . Oeng. : ford . D. : fahren . Grieks : πορος = poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. : por-tus : haven .
- Zie verder :
-- Taalgebruik in Mc : poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan) .
-- Taalgebruik in Mc : eisporeuomai (zich op weg begeven) .

  ekporeuomai (zich op weg begeven uit)   Mc Mc 1 Mc 6 Mc 7 Mc 10 Mc 11 Mc 13 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Apk syn.  ev. 
ind. praes. 3de pers. enk. ekporeuetai     (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,23         24  17     
ind. praes. 3de pers. mv. ekporeuontai       (1) Mc 7,21       12  10       
part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou         (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46   (3) Mc 13,1        
part. praes. nom. + acc. onz. enk. ekporeuomenon       (1) Mc 7,20       12     
part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi     (1) Mc 6,11           12  11         
part. praes. nom. + acc. onz. mv. ekporeuomena       (1) Mc 7,15              
ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto  (1) Mc 1,5           21  18     
ind. imperf. 3de pers. mv. exeporeuonto          (1) Mc 11,19          
  totaal 11  102  79  23  11  15  16 

Mc 1,5.1. - 2. και εξεπορευετο = exeporeueto (en hij begaf zich op weg naar buiten) . LXX (4) : (1) 1 S 18,13 . (2) 1 K 22,35 . (3) Jdt 12,7 . (4) Da 7,10 . NT (2) : (1) Mc 1,5 . (2) Lc 4,37 .

Mc 1,5.3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 1,32 . (4) Mc 1,33 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 1,45 .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

Mc 1,5.2. - 3. εξεπορευετο προς = exeporeueto (hij begaf zich op weg naar buiten naar hem) . OT (0) . NT (2) : (1) Mt 3,5 . (2) Mc 1,5 .

Mc 1,5.4. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,5.3. - 4. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . LXX (369) . NT (105) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 . Naar Johannes de Doper : (1) Mc 1,5 .

Mc 1,5.6. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .

10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,36 .

De opbouw van de twee nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Dat gebeurt eveneens (maar niet op zo'n mooie wijze) in Mc 1,9 dat verhaalt dat Jezus naar Johannes komt en door hem wordt gedoopt . Evenals Mc 1,5 bestaat Mc 1,9 uit twee nevenschikkende zinnen . De vervoegde werkwoorden in Mc 1,5 staan in het imperfectum , die van Mc 1,9 in de aorist .

14. pass. imperf. 3de pers. mv. εβαπτιζοντο = ebaptizonto (zij werden gedoopt) van het werkw. βαπτιζω = baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in de LXX : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) .

baptizô (dopen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. baptizei 3 1 2       2 : (1) Joh 3,26 . (2) Joh 4,1 .       2
ind. pr. 2de p. enk. baptizeis  1   1       1 : Joh 1,25 .       1
ind. pr. 1ste p. enk. baptizô 3   3 1 : Mt 3,11 .   1 : Lc 3,16 . 1 : Joh 1,26 .     2 3
ind imp. 3de p. enk. ebaptizen 2   2       2 : (1) Joh 3,22 . (2) Joh 4,2 .       2
ind. fut. 3de p. enk. baptisei 3   3 1 : Mt 3,11 . 1 : Mc 1,8 . 1 : Lc 3,16 .       3 3
part. pr. nom. mann. enk. baptizôn  7   7   2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .   5 : (1) Joh 1,28 . (2) Joh 1,31 . (3) Joh 1,33 (Jezus) . (4) Joh 3,23 . (5) Joh 10,40 .     2 7
act. part. praes. gen. mann. enk. baptizontos 1   1   1         1 1
part. pr. nom. mann. mv. baptizontes 1   1 1 : Mt 28,19 .           1 1
ind. aor. 3de p. enk. ebaptisen           4 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 .      
ind. aor. 1ste p. enk. ebaptisa     1 : (1) Mc 1,8 .       2 : (1) 1 Kor 1,14 . (2) 1 Kor 1,16 .
pass. imperf. 3de pers. mv. ebaptizonto 5   5 1 : Mt 3,6 . 1 : Mc 1,5 .   1 : Joh 3,23 . 2 : (1) Hnd 8,12 . (2) Hnd 18,8 .   2 3
inf. pr. baptizein 2   2       1 : Joh 1,33 .   1 : 1 Kor 1,17 .   1
pass. aor. 3de p. enk. ebaptisthè 5   5   1 : Mc 1,9 .   1 : Lc 11,38 .   3 : (1) Hnd 9,18 . (2) Hnd 16,15 . (3) Hnd 16,33 .   2 2
pass. aor. 3de p. mv. ebaptisthèsan           2 : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 19,5 1 :  1 Kor 10,2 .    
pass. fut. 2de p. mv. baptisthèsesthe     1 : Mc 10,39 .     2 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 11,16 .  
pass. conj. aor. 3de pers. mv. baptisôntai 1   1   1         1 1
pass. part. aor. nom. mann. enk. baptistheis   1 : Mt 3,16 . 1 : Mc 16,16 .     1 : Hnd 8,13 .  
pass. inf. aor. baptisthènai 10   10  2 : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . 1 : Mc 10,38 . 4 : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 .   3 : (1) Hnd 8,36 . (2) Hnd 10,47 . (3) Hnd 10,48 .  
Andere vormen                      
Totaal  60 1 59 7 11 7 13 20 4 25 38

- Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .

Mc 1,5.16. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

Mc 1,5.17. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat.

Mc 1,5.18. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,19 . (5) Mc 1,20 . (6) Mc 1,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

22. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,39 .

24. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .

Mc 1,6 - Mc 1,6 13. : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èn ho Iôannès endedumenos trichas kamèlou kai zônèn dermatinèn peri tèn osfun autou, kai esthiôn akridas kai meli agrion   et erat Iohannes vestitus pilis cameli et zona pellicia circa lumbos eius et lucustas et mel silvestre edebat  En Johannes was gekleed met kameelharen en met een leren gordel om zijn lenden en hij at sprinkhanen en wilde honing.   Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing.  Johannes ging gekleed* in kameelhaar en had een leren gordel om zijn middel, en hij leefde van sprinkhanen en wilde honing.  Johannes droeg een ruwe mantel van kameelhaar met een leren gordel; hij leefde van sprinkhanen en wilde honing.  Deze Johannes was iemand, gehuld in kamelenharen met een leren gordel om zijn middel, en die sprinkhanen at en wilde honing.  Mc 1:6- Jean était vêtu d'une peau de chameau et mangeait des sauterelles et du miel sauvage.  

Statenvertaling . 6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
King James Bible . [6] And John was clothed with camel's hair, and with a girdle of a skin about his loins; and he did eat locusts and wild honey;
Luther-Bibel . 6 Johannes aber trug ein Gewand aus Kamelhaaren und einen ledernen Gürtel um seine Lenden und aß Heuschrecken und wilden Honig

Tekstuitleg van Mc 1,6 .

Mc 1,6.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 .

Mc 1,6.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

Mc 1,6.4. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. Iôannèn) .

5. endedumenos (zich aangekleed met) van het werkwoord enduomai (zich iets aantrekken, zich aankleden met, 'aanhebben') . Participium perfectum nominatief mannelijk enkelvoud . In drie verzen in het O.T. en in Mc 1,6 .
(1) Zach 3,3 : kai Ièsous èn endedumenos himata rupara (en Josua had zich aangekleed met vuile kleren) .
(2) Da 6,4 : kai Danièl èn endedumenos porfuran (en Daniël had zich aangekleed met purper) .
(3) Da 10,5 : kai idou anthrôpos heis endedumenos bussina kai tèn osfun autou periezôsmenos bussinôi (en zie één man was gekleed in linnen kleren en had zi jn lenden omgord met een gouden gordel) .

enduô (leggen op, inkleden) bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.   A. b.  
pass. part. perf. nom. mann. enk. endedumenos                  
Andere vormen                              
Totaal                            

Enduma (kleed). Zelfstandig naamwoord. In 6 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het het O.T., in 4 verzen bij Matteüs.
- thrix (haar), genitief trichos. Trichas : accusatief meervoud. In 12 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 2 verzen in het NT Trichôn (van de haren). Genitief meervoud. In 4 verzen in de bijbel; in 2 verzen in het O.T., in 2 verzen in het NT Trichinèn (haren) . Bijvoeglijk naamwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud, van trichinos (haren) zie Zach 13,4 : kai endusontai derrin trichinèn (en zij zich aankleden met een haren 'vel'.
- kamèlou (kamelen - van een kameel) Genitief enkelvoud. In 6 verzen; in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het NT. In de bijbel is slechts hier sprake van het zich kleden met een kameelharen kleed.
- Zônè (gordel). In 7 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het O.T., in het NT Zônèn . Accusatief enkelvoud. In 11 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het O.T., in 5 verzen in het NT Periezôsmenos (omgord). Passief participium perfectum nominatief mannelijk enkelvoud van het werkwoord perizôzô (?) (omgorden). Het komt in 6 verzen in het O.T. voor.
- dermatinèn (leren). Bijvoeglijk naamwoord. Accusatief vrouwelijk enkelvoud. Het komt slechts in 3 verzen in de bijbel voor; in 2 K 1,8 en in de parallelteksten Mt 3,4 en Mc 1,6 . (1) 2 K 1,8 : anèr drasus kai zônèn dermatinèn periezôsmenos tèn osfun autou (en met een leren gordel had hij zijn lenden omgord). (2) + (3) Mt en Mc hebben een identitieke tekst vanaf kai zônèn (en een gordel), overgenomen van 2 K 1,8 met weglating van ezôsmenos ('om'-gord).

14. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

- akridas (sprinkhanen). Accusatief meervoud, van het zelfstandig naamwoord akris - akridos (sprinkhaan). Deze vorm komt slechts voor in Js 33,4 en Mc 1,6 .
- meli (honing) . In 51 verzen in de bijbel; in 47 verzen in het O.T., in 4 verzen in het NT
Ofschoon Mc 1,6 geen expliciet citaat is, is het duidelijk dat 2 K 1,8 aan de bron van Mc 1,6 ligt. In Mc 1,6 wordt de levenswijze van Johannes (kleding - eerste het kleed en dan de gordel - en voeding) gegeven. In 2 K 1,8 wordt uitdrukkelijk gezegd dat het om Elia gaat. Ook de citaten van Maleachi in Mc 1,2-3 laten duidelijk verstaan dat het om Elia gaat. Aldus omsluiten Mc 1,2-3 en Mc 1,6 elkaar.

Mc 1,6 Mt 3,4 2 K 1,8
kai (en) Autos de ho Iooannijs (Zelf echter Johannes)  
ijn (was) eichen ('droeg')  
ho Iooannijs (Johannes)   anijr (een man)
endedumenos (gekleed) to enduma autou (zijn kleed) dasus (behaard)
trichos kamijlou (haren van een kameel) apo trichoon kamijlou (uit haren van een kameel)  
kai (en) kai (en) kai (en)

zoonijn (gordel)

zoonijn

zoonijn (gordel)

dermatinijn (lederen) dermatinijn dermatinijn (lederen)
peri (rond) peri (rond) periezoosmenos (omgordende)
tijn osfun (zijn lenden) tijn osfun autou (zijn lenden) tijn osfun (zijn lenden)
kai (en)   kai eipen : IJliou ho thesbitijs houtos estii (en hij zei : Elia de Thesbiet is die (man)
esthoon (etende) hij de trofij ijn autou (zijn voedsel echter)  
kai meli agrion (wilde honing) kai meli agrion (wilde honing)  
akridas akrides  
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6  2 K 1,1-18 : Elia voorspelt Achazja's dood

dasus : harig, dichtbebost, dicht,



16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 -

Mc 1,7 - Mc 1,7 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai ekèrussen legôn, Erchetai ho ischuteros mou opisô mou, ou ouk eimi hikanos kupsas lusai ton himanta tôn hupodèmatôn autou.   et praedicabat dicens venit fortior me post me cuius non sum dignus procumbens solvere corrigiam calciamentorum eius En hij verkondigde, zeggend: "Hij die sterker is dan ik komt na mij, van wie ik niet waardig ben neerbukkend de riem van zijn schoeisels los te maken.   Hij predikte:Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Hij predikte: Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken.  Hij kondigde aan: ‘Na mij komt iemand die krachtiger is dan ik; ik ben te min om mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken.  Hij verkondigde: Na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om me voor hem te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken.   Hij predikte en zei: op komst is hij die sterker is dan ik, na mij; ik ben niet eens goed genoeg om te bukken en de riemen van zijn onderbindsels los te maken;  Mc 1:7- Et il proclamait : " Vient derrière moi celui qui est plus fort que moi, dont je ne suis pas digne, en me courbant, de délier la courroie de ses sandales.  

Statenvertaling . 7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te ontbinden.
King James Bible .[7] And preached, saying, There cometh one mightier than I after me, the latchet of whose shoes I am not worthy to stoop down and unloose.
Luther-Bibel . 7 und predigte und sprach: Es kommt einer nach mir, der ist stärker als ich; und ich bin nicht wert, dass ich mich vor ihm bücke und die Riemen seiner Schuhe löse.

Tekstuitleg van Mc 1,7 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...

2. ekèrussen (hij verkondigde) . Taalgebruik : kèrussô (verkondigen) . Hebr. qârâ´(roepen) of râwâ`(luid schreeuwen) . Actief indicatief imperfectum 3de pers. enk. In vier verzen in de bijbel : (1) Est 6,11 . (2) Mc 1,7 . (3) Hnd 8,5 . (4) Hnd 9,20 . De imperfecta in Mc 1,5 ( kai exeporeueto = en het ging op weg uit ... kai ebaptizonto = en zij werden gedoopt) , Mc 1,6 (kai èn = en hij was) . Ze omsluiten het egeneto (het gebeurde) van Mc 1,5 en kai egeneto = en het gebeurde) van Mc 1,9 . De imperfecta geven een tijdsduur aan ; de leerlingen van Johannes bleven het werk van Johannes de doper verder zetten . Dat was nog zo op het moment dat Marcus zijn evangelie schreef . Hiermee is ook de rol tussen de leerlingen van Johannes en die van Jezus duidelijker omschreven .
In de pericope Mc 1,1-15 komt driemaal een vorm van het werkwoord kèrussô (verkondigen) voor : (1) Mc 1,4 (kèrussôn = verkondigend) . (2) Mc 1,7 (ekèrussen = hij verkondigde) . (3) Mc 1,14 (kèrussôn = verkondigend) . In Mc 1,4 volgt een lijdend voorwerp . In Mc 1,7 wordt Johannes de doper geciteerd , dat ingeleid wordt door legôn (zeggend) . In Mc 1,14 volgt eerst een lijdend voorwerp en vervolgens een citaat van Jezus , dat ingeleid wordt door kai legôn = en zeggend (Mc 1,15 ) .

kèrussô (verkondigen) bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen          
Totaal (bij benadering)   65  18  47  12    11    29  29 

3. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 .

4. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) .
Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 .. (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

5. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

6

. ischuteros (krachtiger) . Taalgebruik : ischus (kracht) . ischuroteros (sterker) . In zes verzen in de bijbel . OT (2) . NT (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .

ischus (kracht)  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
totaal 301  291  10       

7. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in NT : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .

8. opisô (achter)  . Taalgebruik in het NT : opisô (achter) . Taalgebruik in Mc : opisô (achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après (ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned. achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 8,34 . (6) Mc 13,16 .

10. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos (die) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc 1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc 1,22 .

11. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos (die) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc 1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc 1,22 .

16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

18. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20 .


Mc 1,8 - Mc 1,8: 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag van de advent B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
egô ebaptisa humas hudati, autos de baptisei humas en pneumati hagiôi   ego baptizavi vos aqua ille vero baptizabit vos Spiritu Sancto   Ik heb u gedoopt met water, hij echter zal u dopen met heilige Geest.   Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met de heilige Geest. Ik heb u gedoopt met water, maar Hij zal u dopen in heilige Geest.  Ik heb jullie gedoopt met water, maar hij zal jullie dopen met de heilige Geest.  ik heb u gedoopt met water, maar hij zal u dopen met heilige Geest!  Mc 1:8- Moi, je vous ai baptisés avec de l'eau, mais lui vous baptisera avec l'Esprit Saint. "  

Statenvertaling . 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen met den Heiligen Geest.
King James Bible . [8] I indeed have baptized you with water: but he shall baptize you with the Holy Ghost.
Luther-Bibel . 8 Ich taufe euch mit Wasser; aber er wird euch mit dem Heiligen Geist taufen.

Tekstuitleg van Mc 1,8 . Variante lezingen . Volgens Marcus maakt Johannes de Doper zelf een onderscheid tussen zichzelf en Jezus . Dat onderscheid bestaat in het soort doopsel : het ene met water , het andere met heilige geest .
Mc 1,8 bestaat uit twee delen , mooi parallel opgebouwd : onderwerp - werkwoord - lijdend voorwerp - bepaling van middel . Laten we hagiô(i) op het einde van het tweede versdeel buiten beschouwing , dan tellen beide versdelen elk elf lettergrepen ;
- onderwerp egô = ik (2) , autos = hij (2) ,
- licht tegenstellend partikel in het tweede versdeel de = echter (1) ,
- werkwoordvorm : ebaptisa = ik doopte (4) , baptisei = hij zal dopen (3) . In het tweede versdeel telt de werkwoordvorm een lettergreep minder , maar dit wordt gecompenseerd door het eenlettergrepige artikel de = echter .
- Het lijdend voorwerp is een persoonlijk voornaamwoord 2de pers. mv. . In het Hebr. wordt dit voornaamwoord aan het vervoegde werkwoord gehecht . In Mc 1,8 staat het onmiddellijk na het vervoegde werkwoord : ebaptisen humas (hij doopte jullie) - baptisei humas (hij zal jullie dopen) .
- bepaling van middel : hudati = met water (3) , pneumati = met geest (3) . Beide woorden tellen drie lettergrepen en eindigen elk op -ti .

Tweeheid : Johannes de Doper en Jezus . Water en geest .

In volgende tabel worden acht teksten bij elkaar geplaatst : (1) Mc 1,8 . (2) Mt 3,11. (3)  Lc 3,16 . (4) Joh 1,26 .(5) Hnd 1,5  . (6) Hnd 8,38 . (7) Hnd 11,16 . (8) Hnd 19,4 .

1. Mc 1,8 egô (ik)       ebaptisa (doopte) humas (jullie) hudati (met water)  
    autos (hij) de (echter)     baptisei (zal dopen) humas (jullie) pneumati hagiôi (met heilige geest)  
2. Mt 3,11 egô (ik) men (enerzijds) humas (jullie)   baptizô (doop)   en hudati (met water) eis metanoian (tot bekering)
    autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
3. Lc 3,16 egô (ik) men  (enerzijds)   hudati (met water) baptizô (doop) humas (jullie)    
    autos (hij)   humas (jullie)   baptisei (zal dopen)   en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur)  
4. Joh 1,26 egô (ik)       baptizô (doop)   en hudati (met water)  
5. Hnd 1,5 (hoti) Iôannès (want) (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen (doopte)   hudati (met water)  
    humeis (jullie) de (echter)   en pneumati (met geest) baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   hagiôi (heilige)  
6. Hnd 8,38 (kai) (en)       ebaptisen (doopte) auton (hem)    
7. Hnd 11,16 Iôannès (Johannes) men (enerzijds)     ebaptisen(doopte)   hudati (met water)  
    humeis (jullie) de (echter)     baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden)   en pneumati hagiôi (met heilige geest)  
8. Hnd 19,4 Iôannès (Johannes)       ebaptisen baptisma (doopte een doopsel)     metanoias (van bekering)

Mc 1,8.1. persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Mc (14) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .

egô (ik) . persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) . Mc (14) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .

pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. enk. egô  (1) Mc 1,8 .         (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 .     (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .     1553  1234  319  28  14  21  123  42  80  11  63  186     

Mc 1,8.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. εβαπτισα = ebaptisa (ik doopte) van het werkw. βαπτιζω = baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in de LXX : baptizô (dopen) . NT (3) : (1) Mc 1,8 . (2) 1 Kor 1,14 . (3) 1 Kor 1,16 . Het is toch opvallend dat Johannes , die hier een getuigenis geeft , spreekt in de verleden tijd . In de parallelteksten bij de andere evangelisten staat de tegenwoordige tijd βαπτιζω = baptizô (ik doop) . Een vorm van βαπτιζω = baptizô (dopen) in OT (4) : (1) 2 K 5,14 . (2) Js 21,4 . (3) Jdt 12,7 . (4) Sir 35,25 . Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 .  (2) Mc 1,5 .   (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 .  (5) Mc 6,14 .  (6) Mc 6,24 .  (7) Mc 7,4 .  (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16 . Mt (7) . Lc (10) . Joh (13) . Hnd (21) . Br. (13) .

baptizô (dopen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. baptizei 3 1 2       2 : (1) Joh 3,26 . (2) Joh 4,1 .       2
ind. pr. 2de p. enk. baptizeis  1   1       1 : Joh 1,25 .       1
ind. pr. 1ste p. enk. baptizô 3   3 1 : Mt 3,11 .   1 : Lc 3,16 . 1 : Joh 1,26 .     2 3
ind imp. 3de p. enk. ebaptizen 2   2       2 : (1) Joh 3,22 . (2) Joh 4,2 .       2
ind. fut. 3de p. enk. baptisei 3   3 1 : Mt 3,11 . 1 : Mc 1,8 . 1 : Lc 3,16 .       3 3
part. pr. nom. mann. enk. baptizôn  7   7   2 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .   5 : (1) Joh 1,28 . (2) Joh 1,31 . (3) Joh 1,33 (Jezus) . (4) Joh 3,23 . (5) Joh 10,40 .     2 7
act. part. praes. gen. mann. enk. baptizontos 1   1   1         1 1
part. pr. nom. mann. mv. baptizontes 1   1 1 : Mt 28,19 .           1 1
ind. aor. 3de p. enk. ebaptisen           4 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 8,38 . (3) Hnd 11,16 . (4) Hnd 19,4 .      
ind. aor. 1ste p. enk. ebaptisa     1 : (1) Mc 1,8 .       2 : (1) 1 Kor 1,14 . (2) 1 Kor 1,16 .
pass. imperf. 3de pers. mv. ebaptizonto 5   5 1 : Mt 3,6 . 1 : Mc 1,5 .   1 : Joh 3,23 . 2 : (1) Hnd 8,12 . (2) Hnd 18,8 .   2 3
inf. pr. baptizein 2   2       1 : Joh 1,33 .   1 : 1 Kor 1,17 .   1
pass. aor. 3de p. enk. ebaptisthè 5   5   1 : Mc 1,9 .   1 : Lc 11,38 .   3 : (1) Hnd 9,18 . (2) Hnd 16,15 . (3) Hnd 16,33 .   2 2
pass. aor. 3de p. mv. ebaptisthèsan           2 : (1) Hnd 2,41 . (2) Hnd 19,5 1 :  1 Kor 10,2 .    
pass. fut. 2de p. mv. baptisthèsesthe     1 : Mc 10,39 .     2 : (1) Hnd 1,5 . (2) Hnd 11,16 .  
pass. conj. aor. 3de pers. mv. baptisôntai 1   1   1         1 1
pass. part. aor. nom. mann. enk. baptistheis   1 : Mt 3,16 . 1 : Mc 16,16 .     1 : Hnd 8,13 .  
pass. inf. aor. baptisthènai 10   10  2 : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 3,14 . 1 : Mc 10,38 . 4 : (1) Lc 3,7 . (2) Lc 3,12 . (3) Lc 3,21 . (4) Lc 12,50 .   3 : (1) Hnd 8,36 . (2) Hnd 10,47 . (3) Hnd 10,48 .  
Andere vormen                      
Totaal  60 1 59 7 11 7 13 20 4 25 38

- Ned. : do- p-en (zie het Hebreeuws tâbal) , doop-s-el , do-m-pe-l- en . D. : taufen . E. : baptize . Fr. : bapt- ê - me . Grieks : βαπτιζω = baptizô (dopen) (metathesis van t-b?) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Hebreeuws : טָבַל = tâbhal (dopen, zich dompelen) . Taalgebruik in Tenakh : tâbhal (dopen, zich dompelen) . Latijn : baptizare .

Mc 1,8.3. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 . Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 1,8.4. dat. onz. enk. hudati (met water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau . Mc (1) : Mc 1,8 . Een vorm van hudör (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,10 .  (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,41 .  (5) Mc 14,13 .

Mc 1,8.5. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (15) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,38 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,17 . (8) Mc 6,45 . (9) Mc 6,47 . (10) Mc 8,29 . (11) Mc 12,36 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 14,15 . (14) Mc 14,44 . (15) Mc 15,43 .

Mc 1,8.6. de (echter) . Afkorting d' .. Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc 1,14 begint het optreden van Jezus .

Mc 1,8.7. act. ind. fut. 3de pers. enk. baptisei (hij zal dopen) . Taalgebruik : baptisma (doopsel) . Actief futurum 3de pers. enk. Hierin komen de paral van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc 1,8 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 .  (2) Mc 1,5 .   (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 .  (5) Mc 6,14 .  (6) Mc 6,24 .  (7) Mc 7,4 .  (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16

Mc 1,8.8. persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 1,8.9. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat.

Mc 1,8.10. dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (7) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 . In 23 verzen in Mc : pneuma (geest) . In 4 verzen een heilige geest , in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of onzuiver . (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) .  (2) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (6) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (7) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (8) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (10) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (14) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (16) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) .(17) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (19b) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . (23) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .

Mc 1,8.11. dat. mann. + onz. enk. hagiô(i) van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios (heilig) .
Mc (2) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 12,36 . Een vorm van hagios (heilig) in Mc (7) : (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van God) . (3) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (4) Mc 6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig en heilig man) . (5) Mc 8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) .  (7) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) .

Mc 1,8.10. - 11. In vier verzen in Mc is een vorm van hagios (heilig) met een vorm van pneuma (geest) :
(1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) .
(2) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) .
(3) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) .  
(4) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) .


 


18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -

De inleiding bereikt zijn hoogtepunt . Het hoofdpersonage van het verhaal (Jezus) wordt geïntroduceerd : Hij is zoon van God . Daarmee is zijn positie bepaald .

Mc 1,9 - Mc 1,9 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai egeneto en ekeinais tais hèmerais èlthen Ièsous apo Nazaret tès Galilaias kai ebaptisthè eis ton Iordanèn hupo Iôannou et factum est in diebus illis venit Iesus a Nazareth Galilaeae et baptizatus est in Iordane ab Iohanne  En het gebeurde in die dagen dat Jezus uit Nazret van Galilea kwam en door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.   In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in Galilea en liet Zich in de Jordaan door Johannes dopen.   In die dagen kwam Jezus uit Nazaret in Galilea en Hij liet zich in de Jordaan dopen door Johannes.  In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.   En het geschiedt in die dagen dat hij komt: Jezus, uit Nazaret in Galilea, en dat hij zich laat dopen, in de Jordaan, door Johannes.  Mc 1:9- Et il advint qu'en ces jours-là Jésus vint de Nazareth de Galilée, et il fut baptisé dans le Jourdain par Jean.

Statenvertaling . 9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
King James Bible . [9] And it came to pass in those days, that Jesus came from Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.
Luther-Bibel . 9 Und es begab sich zu der Zeit, dass Jesus aus Nazareth in Galiläa kam und ließ sich taufen von Johannes im Jordan.

Tekstuitleg van Mc 1,9 . Het vers Mc 1,9 telt 19 woorden en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,9 is 7313 (71 X 103) . Jezus verliet Nazaret en Galilea en ging naar Judea . Er is een lange geschiedenis waarbij Judea in het zuiden en Galilea in het noorden hun eigen weg gingen . Een nationale staat die David (1010 - ongeveer 972) tot stand had gebracht en onder zijn zoon Salomo (ongeveer 972-933) tot volle bloei was gekomen , werd in 933 gesplitst in een Noordrijk met Samaria als hoofdstad en een Zuidrijk met Jeruzalem als hoofdstad . Na de val van Samaria in 721 voor Christus verplaatsten de Assyriërs onderdanige volkeren van locatie , waardoor in het Noordrijk een vermenging van volkeren ontstond en geen zuiver etnisch ras meer aanwezig was . Dat was een doorn in het oog van het Zuidrijk , waardoor de ‘Samaritanen’ een negatieve bijklank kregen . Uit bezorgdheid voor de religieuze integriteit behandelde het Zuiden hun Noorderburen racistisch .
Rond de eeuwwisseling weken heel wat joden (inwoners uit Judea) uit lijfsbehoud naar Galilea uit . Wellicht vormden ze er joodse gemeenschappen met hun synagogen en hun eigen gebruiken. Ook de ouders van Jezus waren uitgeweken . Ze vonden er een veilig onderkomen , asiel . Jezus behoorde tot de tweede generatie asielzoekers . Hoe was de verhouding tot de autochtone bevolking , de 'Samaritanen' ?
Jezus bracht tot nu toe zijn leven door in Galilea , één van de deelgebieden van de Romeinse provincie Palestina . Hij woonde in het dorp Nazaret . Hij is een jood in de diaspora.
De evangelist Marcus vertelt ons niet hoe Jezus op de hoogte kwam van de joodse vernieuwingsbeweging van Johannes de Doper in Judea . Wellicht was hij niet de enige die hierover hoorde en niet de enige die ernaartoe trok .
Jezus ging naar Judea , naar de roots van zijn ouders en de roots van zijn godsdienst . Hij werd aangetrokken door Johannes de Doper en liet zich dopen .

Mc 1,4 Mc 1,5 Mc 1,9
egeneto ("trad op") kai (en)  kai (en) egeneto ... (het gebeurde)
  exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem) èlthen (ging) 
Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende) ... pasa hè Ioudaia chôra kai hoi Hierosolumitai pantes (heel het Judese gebied en alle Jeruzalemmers) Ièsous (Jezus) 
en tèi erèmôi (in de woestijn) kèrussôn (verkondigende)   apo Nazareth tès Galilaias (van Nazaret van Galilea)
baptisma metanoias (het doopsel van bekering) kai ebaptizonto (en zij werden gedoopt) hup'autou (door hem) en tôi Iordanèi potamôi (in de stroom, de Jordaan) kai ebaptisthè (en hij werd gedoopt)  eis tèn Iordanèn (in de Jordaan) hupo Iôannou (door Johannes) 
  hup'autou (door hem) hupo Iôannou (door Johannes) 
eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende de zonden van hen) kai euthus anabainôn ek tou hudatos (en terstond opstijgend uit het water)
Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - De doop van Jezus - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -

Mc 1,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,9.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 .

Mc 1,9.3. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

Mc 1,9.4. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) .
Mc (4) : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 1,9.5. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 1,9.6. dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
(1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 23 verzen , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 .  

Mc 1,9.3. - 6. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 1,9.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 * .  (3) Mc 1,39 * . (4) Mc 4,4 . (5)  Mc 5,33 . (6) Mc 7,31 * . (7) Mc 8,10 * . (8) Mc 10,45 / Mc 10,46 *. (9) Mc 10,50 . (10)  Mc 11,13 . (11) Mc 14,3 . (12) Mc 14,41 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

In Mc 1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc 1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc 1,39 naar heel Galilea .

Mc 1,9.8. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc (4) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) .

7. - 8. Er is een link tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . In beide verzen staat het onderwerp op de tweede plaats in de zin na het vervoegd werkwoord . In Mc 1,4 wordt Johannes in het evangelie voor het eerst vermeld , in Mc 1,9 wordt Jezus voor het eerst vermeld . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,4 : εγενετο ιωαννης = egeneto iôannès (Johannes was) .
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen ièsous (kwam Jezus) .

Mc 1,9 en Mc 1,14 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους = èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .

Mc 1,9.9. apo (af, van-weg) . afkorting ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12 = 45) . Mc (1 + 1 = 2) . (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,42 .

Mc 1,9.10. Nazaret komt slechts in Mc 1,9 bij Marcus voor .

Mc 1,9.11. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc 1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc 1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc 1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc 1,31 (tès cheiros = de hand) .

Mc 1,9.12. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc 6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter van Herodes .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc 3,7 . Verder : Mc 1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) .
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc 9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc 15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 . Verder : (1) Mc 1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc 7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc 1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) .

Mc 1,9.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,9.14. mediaal of pass. aor. 3de pers. enk. ebaptisthè (hij werd gedoopt , hij dompelde zich onder) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc 1,9 . Een vorm van het werkw. baptizô (dopen) in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,8 .(2 vormen) . (4) Mc 1,9 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 .  (2) Mc 1,5 .   (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 .  (5) Mc 6,14 .  (6) Mc 6,24 .  (7) Mc 7,4 .  (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16

Mc 1,9.15. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,9.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

Mc 1,9.17. acc. vr. enk. iordanèn (Jordaan) van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het NT : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Mc : iordanès (Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 . Een vorm van iordanès (Jordaan) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 10,1 .

Mc 1,9.15. - 17. - eis tèn iordanèn (naar de Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 .
- en tè iordanè(i) (in de Jordaan) . Mc (1) Mc 1,5 .
- peran tou iordanou (aan de overzijde van de Jordaan) . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 10,1 .

Mc 1,9.18. hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het NT : hupo (door) . Taalgebruik in Mc : hupo (door) .
Mc (8 + 3 = 11) . hupo in Mc (8) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 2,3 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,32 . (6) Mc 5,26 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 13,13 . hup' in Mc (3) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 5,4 . (3) Mc 16,11 .

Mc 1,9.19. gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 . (5) Mc 11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. Iôannèn) .

Mc 1,10 - Mc 1,10 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai euthus anabainôn ek tou hudatos eiden schizomenous tous ouranous kai to pneuma hôs peristeran katabainon eis auton.   ascendens de aqua vidit apertos caelos et Spiritum tamquam columbam descendentem et manentem in ipso   En toen hij terstond opsteeg uit het water, zag hij dat de hemelen opengescheurd werden en de Geest als een duif afdaalde in hem. En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op Zich neerdalen.   Meteen toen Hij uit het water* kwam, zag Hij de hemel openbreken en de Geest als een duif op zich neerkomen.  Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen,  En meteen als hij opklimt uit het water ziet hij de hemelen scheuren en de Geest op hem neerdalen als een duif.  Mc 1:10- Et aussitôt, remontant de l'eau, il vit les cieux se déchirer et l'Esprit comme une colombe descendre vers lui,  

Statenvertaling . 10 En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.
King James Bible . [10] And straightway coming up out of the water, he saw the heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:
Luther-Bibel . 10 Und alsbald, als er aus dem Wasser stieg, sah er, dass sich der Himmel auftat und der Geist wie eine Taube herabkam auf ihn.

Tekstanalyse van Mc 1,10 . Het vers Mc 1,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,10 is 12502 (2 X 7 X 19 X 47) . Mc 1,10 bestaat uit één samengestelde zin . Aan het hoofdwerkwoord gaat een participiumzin vooraf , die het onderwerp nadert bepaalt . Op het hoofdwerkwoord volgen twee participiumzinnen als lijdend voorwerp . Deze twee participiumzinnen zijn kruisgewijze opgebouwd . Eerste participiumzin : particpium - zelfstandig naamwoord . Tweede participiumzin : zelfstandig naamwoord - participium . De drie participia staan in de tegenwoordige tijd . Het is wel opmerkelijk dat bij het begin van de zin het participium anabainôn (opklimmend) staat en op het einde van de zin het tegengestelde particpium katabainon (neerdalend) . Concentrische opbouw !

Mc 1,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,10.2. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) .

euthus / eutheôs   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  40  11          55  50  40        47  50 
eutheôs                                     47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal                                       102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

- ευθυς = euthus . Bij Mc in 40 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- ευθεως = eutheôs . Bij Mc in één vers : Mc 7,35 .
- In Mc 1 komt in 11 verzen ευθυς = euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

Mc 1,10.3. actief participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud anabainôn (opstijgend) van het werkwoord anabainô (beklimmen, opstijgen) . Taalgebruik in het NT : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Gedoopt worden is afdalen in het water en eruit opstijgen . Anabainôn (opstijdend) komt overeen met het Hebreeuwse `oleh . Mc (1) : Mc 1,10 . Een vorm van anabainô (beklimmen, opklimmen) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 .  (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .  (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .

Mc 1,10.4. ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .

Mc 1,10.5. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,10.6. gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau .
Mc (3) : (1) Mc 1,10 .  (2) Mc 9,41 .  (3) Mc 14,13 .  Een vorm van hudôr (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,10 .  (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,41 .  (5) Mc 14,13 .  

Mc 1,10.7. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 . Een vorm van eidon (ik zag) in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Zien veronderstelt een object of een objectzin . In de objectzin staat het werkwoord in de accusatief (als onderwerp) . Maar in Mc 1,10 bij het werkwoord 'zien' wordt geen voorwerpzin gebruikt . Het object staat in de accusatief en het werkwoord komt in geslacht en getal overeen met het object , zo vertalen we echter : hij zag de hemel openscheuren (we zeggen ook niet: wij zagen de hemel open te scheuren) en de geest als een duif naar hem neerdalen . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag) wordt in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor in Mc 6,34 (hij ziet de menigte zonder herder) .

Mc 1,10.3. 7. part. aor. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij zag) (5 / 5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .

Mc 1,10.8. pass. part. praes. acc. mann. mv. schizomenous van het werkw. schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Taalgebruik in Mc : schizô (scheuren) . Mc (1) : Mc 1,10 . Een tweede vorm van schizô (scheuren) in Mc in Mc 15,38 .

Mc 1,10.9. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,32 .

Mc 1,10.10. acc. mann. mv. ouranous van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .

Mc 1,10.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,10.12. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(108) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

Mc 1,10.13. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . Een vorm van pneuma (geest) in Mc in 23 verzen . : In 4 verzen een heilige geest , in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of onzuiver . (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) .  (2) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (6) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (7) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (8) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (10) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (14) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (16) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) .(17) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (19b) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . (23) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .

Mc 1,10.14. hôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs (zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,31 . (6) Mc 4,36 . (7) Mc 5,13 . (8) Mc 6,15 . (9) Mc 6,34 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 8,9 . (12) Mc 8,24 . (13) Mc 9,21 . (14) Mc 10,1 . (15) Mc 10,15 . (16) Mc 12,25 . (17) Mc 12,31 . (18) Mc 12,33 . (19) Mc 13,34 . (20) Mc 14,48 . (21) Mc 14,72 .

Mc 1,10.15. acc. vr. enk. peristeran van het zelfst. naamw. peristera (duif) . Taalgebruik in het NT : peristera (duif) . Taalgebruik in Mc : peristera (duif) .
Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van peristera (duif) in Mc in 2 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 11,15 .

Mc 1,10.16. act. part. praes. nom. + acc. onz.  enk. katabainon van het werkw. katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het NT : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Lc : katabainô (neerdalen, afdalen) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van katabainô (neerdalen, afdalen) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 9,9 . (4) Mc 13,15 . (5) Mc 15,30 . (6) Mc 15,32 .

Mc 1,10.17. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,10.18. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

Mc 1,11 - Mc 1,11 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai egeneto fônè ek tôn ouranôn, Su ei ho huios mou ho agapètos, en soi eudokèsa  et vox facta est de caelis tu es Filius meus dilectus in te conplacui   En een stem kwam uit de hemelen: "Jij bent mijn geliefde zoon, in jou heb ik m'n welbehagen gesteld."  En er kwam een stem uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, mijn welgeliefde; in U heb Ik welbehagen.  En er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent* mijn geliefde Zoon*, in wie Ik vreugde vind.’   en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’  En er geschiedt een stem uit de hemelen: ‘jij bent mijn zoon, mijn meest geliefde, in jou is mijn welbehagen!’  Mc 1:11- et une voix vint des cieux : " Tu es mon Fils bien-aimé, tu as toute ma faveur. "

Statenvertaling . 11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
King James Bible . [11] And there came a voice from heaven, saying, Thou art my beloved Son, in whom I am well pleased.
Luther-Bibel . 11 Und da geschah eine Stimme vom Himmel: Du bist mein lieber Sohn, an dir habe ich Wohlgefallen.

Tekstuitleg van Mc 1,11 . Dit vers Mc 1,11 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 1,11 is 8654 (2 X 4327) . De hemelse stem . Er is geen werkw.legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen , zo ook in Mc 9,7 .

Mc 1,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,11.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus .

Mc 1,11.3. fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Mc in 7 verzen : 6 + 1 : Mc 15,37 (acc. enk. fônèn) .

Mc 1,11.4. ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .ek of ex in Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .

Mc 1,11.1. - 4. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .

Mc 1,11.5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20 .

Mc 1,11.6. gen. mann. mv. ouranôn (van de hemelen) van het zelfst. nw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) : Mc 1,11 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .

Mc 1,11.4. - 6. ek tôn ouranôn = uit de hemelen . Hapax in Mc .

Mc 1,11.1. - 6. Wordt het onderscheid tussen Johannes de Doper , de wegbereider , en Jezus getypeerd door de zinnen die volgen op hun inleiding :
- Mc 1,11 : kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er was een stem uit de hemel .
- Mc 1,3 : fônè boôntos en tè(i) erèmô(i) = een stem van een roepende in de woestijn .
Johannes de Doper wordt als wegbereider aangekondigd door een schriftcitaat , Jezus wordt door een goddelijke openbaring geïnitieerd , waarbij een stem de identiteit van Jezus verklaart .

Mc 1,11.7. persoonl. voornaamw. 2de pers. nom. enk. συ = su (jij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .

  pers. vnw. 2de pers. enk.   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. enk. su                        981  820  161  17  25  53  17  36  51  104 

Mc 1,11.8. act. ind. pr. 2de pers. enk. ει = ei van het werkw. ειμι = eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in de LXX : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .

ei Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  42  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241 

Mc 1,11.7. - 8. συ ει = su ei (jij bent, gij zijt) . NT (49) . Mt (6) . Mc (5 / 9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,61 . (5) Mc 15,2 . Lc (11) .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc 1,11) : συ ει = su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht op de toehoorders , vandaar : οὑτος εστιν = houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal : οὑτος ὁ ανθρωπος ... ην = houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc 15,39 valt op de aanwezigheid van ὁ ανθρωπος = ho anthrôpos = deze mens en de verleden tijd van het werkw. nl. ην = èn = hij was .

Mc 1,11.9. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 1,11.10. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (19) . Mc (19) Mc 1,11 . (2) Mc 2,10 ** . (3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3 . (6) Mc 8,38 ** . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,31 ** . (10) Mc 10,33 ** . (11) Mc 10,45 ** . (12) Mc 10,46 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 13,32 . (16) Mc 14,21 ** . (17) Mc 14,41 ** . (18) Mc 14,61 . (19) Mc 15,39 . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . (2) Mc 1,11 (nom. υἰος = huios) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  mv. bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.
totaal 2499 2432 67 14 4 10 2 11 23 3 28 30  23   

  huios (zoon)  enk. . ** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 .
2 voc. enk. huie 3       1 : Mc 5,7 * .       2 : (1) Mc 10,47 *** . (2) Mc 10,48 *** .        
3 gen. enk. huiou 1 1 : Mc 1,1 * .                      
5 acc. enk. huion 6           1 : (1) Mc 8,31** .   2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.  
  totaal 29 2 ** 2 

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .

Mc 1,11.9. - 10. ὁ υἰος = ho huios (de zoon) . Een vorm van het lidw. met een vorm van υἰος = huios (zoon) in het NT (242) , in Mc (25) . Niet in (1) Mc 1,1 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 10,48 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,37 . (7) Mc 15,39 .

Mc 1,11.11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 1,11.10 - 11. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) . NT (12) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) Hnd 13,33 . (9) Heb 1,5 . (10) Heb 5,5 . (11) 1 Pe 5,13 . (12) 2 Pe 1,17

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou , huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus :Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

9. - 11. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) . NT (9) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) 1 Pe 5,13 . (9) 2 Pe 1,17 .

9. - 13. ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) . NT (7) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) 2 Pe 1,17 .

Mc 1,11.14. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans.
In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

Mc 1,11.15. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .



20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - zie ook Joh 1,19-34 -

Evangelielezing 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B : Mc 1,12-15 (Taalgebruik : Mc 1,12-15) .
In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap. Hij zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap."

In Mc 1,9-11 werd het hoofdpersonage (Jezus) geïntroduceerd . In Mc 1,12-13 wordt de tegenstander van God (de satan) geïntroduceerd . Jezus wordt aan een test onderworpen . Die test houdt verband met zijn godservaring . De plaats van de test is de woestijn , een plaats die herinneringen oproept aan Mozes . In de woestijn verbleef Mozes en het volk van God gedurende veertig jaar . De woestijn is ook de plaats waar Jezus alleen is . Het is de plaats waar hij moet kiezen tussen God of satan . De woestijn is de testplaats .
De elementen van de twee verhalen (zoonschap en beproeving : Mc 1,9-11 , Mc 1,12-13) lopen als een rode draad door het hele evangelie om te eindigen in de veroordeling van Jezus omwille van zijn zoonschap van God en in de beproeving van het kruis van waarop Jezus roept : “Mijn God , mijn God , waarom hebt U mij verlaten .” Doopsel en verblijf in de woestijn geven de twee aspecten van de relatie tot God aan : Godsverbondenheid en verlatenheid door God .


Mc 1,12 - Mc 1,12 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon  et statim Spiritus expellit eum in desertum  En terstond dreef de Geest hem uit naar de woestijn.   Terstond dreef de Geest Jezus naar de woestijn.  De Geest dreef Hem weg, recht de woestijn in.  Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in.  En meteen drijft de Geest hem uit, de woestijn in.  Et aussitôt, l'Esprit le pousse au désert. 

Persoonlijke vertaling : en de geest werpt hem buiten rechtstreeks / zonder omwegen naar de woestijn .
Statenvertaling . 12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
King James Bible . And immediately the Spirit driveth him into the wilderness.
Luther-Bibel . Und alsbald trieb ihn der Geist in die Wüste;

Mc 1,12 Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon 
Mt 4,1 tote ho Ièsous anèchthè eis tèn erèmon hupo tou pneumatos
Lc 4,1 kai ègeneto en tô pneumati en tè erèmô

Tekstuitleg van Mc 1,12 . Dit vers Mc 1,12 bestaat uit 9 woorden ( 2 - 4 - 3 ) en 16 lettergrepen ( 3 - 3 - 2 - 3 - 5 ) . De getalwaarde van Mc 1,12 is 3761 (priemgetal) . De achtste en de zestiende lettergreep eindigen op -on . Woordvolgorde van de zin : nevenschikkend voegwoord - bijwoord - onderwerp - lijdend voorwerp - werkwoord - plaatsbepaling . Bij ek-ballei (hij werpt buiten) zouden we een bepaling met ek- (uit, buiten) verwachten . Onmiddellijk na ekballei (hij werpt buiten) volgt de plaatsbepaling eis... (naar) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and .

Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . In Mc 1,12-13 komt 4X het verbindingswoordje kai (en) voor ; 1X in Mc 1,12 en 3X in Mc 1,13 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

2. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) .

euthus / eutheôs bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  55  50  40        47  50 
eutheôs 47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal   102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
40  11         

- Bij Mc in 40 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- Bij Mc in één vers eutheôs : Mc 7,35 .

euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

4. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

3. - 4. to pneuma (de geest) . Taalgebruik : to pneuma (de geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 . Het komt bij Marcus in twaalf verzen voor . De band tussen de geest en Jezus wordt verbeeld in het verhaal van het doopsel (Mc 1,10) . In Mc 1,10 bestaat het gedeelte over de geest uit 8 woorden en 16 lettergrepen ; in Mc 1,12 bestaat het gedeelte over de geest uit 9 woorden en 16 lettergrepen . In Mc 1,10 wordt Jezus met de geest vervuld en ervaart hij de relatie van God tot hem als een relatie van een vader tot zijn zoon . Na deze diepe ervaring wordt Jezus aan een test onderworpen . Ons Nederlands woordgebruik helpt ons het woordgebruik van Marcus te begrijpen . Marcus zegt dat de geest hem uitwerpt naar ... om ; Marcus gebruikt het werkwoord uitwerpen (ekballô), wij gebruiken onderwerpen . Marcus (Mc 1,13) gebruikt èn ... peirazomenos (was onderzoekend , testend , beproevend = werd getest / beproefd) . Wij gebruiken woorden als testen , toetsen , proefwerken maken , tentamens / examens afleggen .

6. ekballei (hij gooit eruit ; hij werpt buiten) van het werkwoord ekballô (buitenwerpen, buitengooien) . In negen verzen in de bijbel , slechts in het NT . Deze vorm van het werkwoord ekballô (buitenwerpen) komt bij Marcus slechts in twee verzen voor . Het komt nog voor in Mc 3,22 : hoti en archonti tôn daimoniôn ekballei ta daimonia / dat hij krachtens de vorst van de duivels werpt hij de duivels uit , waar gezegd wordt dat Jezus in het bezit is van Beëlzebub en in zijn naam de duivels uitdrijft . Meestal wordt dit werkwoord gebruikt om een duiveluitdrijving te beschrijven . Jezus werpt een onzuivere geest uit .
De zin komt wat bevreemdend over . Wil de evangelist Marcus het onderscheid tussen Johannes de Doper en Jezus beklemtonen door Jezus uit de kring van Johannes de Doper te gooien ? Johannes doopt met water in de Jordaan . Jezus wordt de woestijn ingestuurd waar hij getest wordt . Het werkwoord doet ook denken aan het verhaal van Jona die na drie dagen door de vis werd uitgespuwd . De koppeling van de rivier de Jordaan en de woestijn doet denken aan de doortocht door de Rode Zee en de tocht door de woestijn door de Hebreeën onder leiding van Mozes .
- ekballein (buitenwerpen, buitengooien) . Infinitief . In zes verzen in de bijbel , slechts in het NT . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 3,15 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 11,15 . In Mc 3,23 : pôs dunatai satanas satanan ekballein (hoe kan satan de satan buitengooien) . In de zending van de twaalf (Mc 3,15) zegt Jezus : kai echein exousian ekballein ta daimonia (en macht te hebben de duivels buiten te gooien) . In Mc 11,15 wordt ekballein (buitengooien, buitenwerpen) gebruikt bij de zuivering van de tempel.

Bijbeldeskundigen spreken vaak over het gebruik van het praesens historicum door de synoptici . De evangelist Marcus zou een tegenwoordige tijd gebruiken waar wij normalerwijze een verleden tijd zouden gebruiken . Misschien is er meer te ontdekken . Misschien zit er een systematiek in het gebruik van het praesens . Daarom zullen we hier de zinnen met het praesens bij elkaar zetten . Zie het gebruik van het praesens wanneer Jezus en zijn leerlingen of soms Jezus zelf naar een bepaalde plaats gaan / gaat . Deze teksten vormen een geheel van teksten. Zie erchontai (zij gaan) in twaalf verzen bij Marcus , zie Mc 11,1 .

7. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

9. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .
In Mc 1,3 wordt Js geciteerd . In Mc 1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de Doper , in Mc 1,12 en Mc 1,13 in de persoon van Jezus .

7. - 9. eis tèn erèmon : naar de woestijn) . Mc (1) : Mc 1,12 .

Mc 1,13 - Mc 1,13 . Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èn en tèi erèmôi tessarakonta hèmeras peirazomenos hupo tou satana, kai èn meta tôn thèriôn kai hoi aggelou dièkonoun autôi, et erat in deserto quadraginta diebus et quadraginta noctibus et temptabatur a Satana eratque cum bestiis et angeli ministrabant illi 

En hij was in de woestijn veertig dagen, terwijl hij op de proef gesteld werd door de Satan; en hij was met de beesten en de engelen bedienden hem.  

Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten.  Hij bleef in de woestijn, veertig dagen, op de proef gesteld* door de satan*. Hij was in gezelschap van de wilde dieren, en de engelen stonden Hem ten dienste. Veertig d