MARCUSEVANGELIE : EERSTE HOOFDSTUK , MC 1 -- TAALGEBRUIK
-- COMMENTAAR
-
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1
-
- Mc
1,1-8 -- Mc
1,12-15 -
- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het Marcusevangelie : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Tekstuitleg per pericope : Mc
1,1-6 , Mc
1,7-8 , Mc
1,9-11 , Mc
1,12-13 , Mc
1,14-15 , Mc
1,16-20 , Mc
1,21 , Mc
1,22 , Mc
1,23-28 , Mc
1,29-31 , Mc
1,32-34 , Mc
1,35-38 , Mc
1,39 , Mc
1,40-45
Tekstuitleg vers per vers : Mc
1,1 - Mc
1,2 - Mc
1,3 - Mc
1,4 - Mc
1,5 - Mc
1,6 - Mc
1,7 - Mc
1,8 - Mc
1,9 - Mc
1,10 - Mc
1,11 - Mc
1,12 - Mc
1,13 - Mc
1,14 - Mc
1,15 - Mc
1,16 - Mc
1,17 - Mc
1,18 - Mc
1,19 - Mc
1,20 - Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23 - Mc
1,24 - Mc
1,25 - Mc
1,26 - Mc
1,27 - Mc
1,28 - Mc
1,29 - Mc
1,30 - Mc
1,31 - Mc
1,32 - Mc
1,33 - Mc
1,34 - Mc
1,35 - Mc
1,36 - Mc
1,37 - Mc
1,38 - Mc
1,39 - Mc
1,40 - Mc
1,41 - Mc
1,42 - Mc
1,43 - Mc
1,44 - Mc
1,45
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://scripturetext.com/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc
1,1-8 : 2de
(tweede) zondag van de advent B .
Mc 1,7-11: B-cyclus, feest van het doopsel van Jezus
Mc 1,12-15
: 1ste
(eerste zondag in de veertigdagentijd B .
Mc 1,14-20: B-cyclus, 3de zondag door het jaar
Mc 1,21-28: B-cyclus, 4de zondag door het jaar
Mc 1,29-39: B-cyclus, 5de zondag door het jaar
- Mc
1,40-45 : 6de
(zesde) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
-W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
13. Optreden van Johannes de Doper - Mc
1,1-6 - Mt
3,1-6 - Lc
3,1-6 -
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan Mc
1,7-8 - Mt
3,11-12 - Lc
3,15-17 -
18. Doop van Jezus - Mc
1,9-11 - Mt
3,13-17 - Lc
3,21-22 -
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld - Mc
1,12-13 - Mt
4,1-11 - Lc
4,1-13 -
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc
1,14-15 - Mt
4,12-17 - Lc
4,14-15 -
23. Roeping van de eerste leerlingen - Mc
1,16-20 - Mt
4,18-22 -
24. Jezus leert en geneest - Mc
1,21 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 - Lc
4,31 -
54. Slot van de bergrede - Mc
1,22 - Mt
7,28-29 - Lc
4,32 -
55. Uitdrijving van een demon - Mc
1,23-28 - Lc
4,33-37 -
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder - Mc
1,29-31 - Mt
8,14-15 - Lc
4,38-39 -
59. Genezingen en exorcismen - Mc
1,32-34 - Mt
8,16-17 - Lc
4,40-41 -
60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm - Mc
1,35-38 - Lc
4,42-43 -
61. Prediking in de synagogen - Mc
1,39 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 - Lc
4,44 -
63. Genezing van een melaatse - Mc
1,40-45 - Mt
8,2-4 - Lc
5,12-16 -
- Mc 1,1 : titel
- Mc 1,2-8 : Johannes de Doper
-- Mc 1,2-3: profetie
---- 2a : inleiding op het citaat van Jesaja
---- 2b : Eliatekst: aankondiging van een bode
---- 3 : Jesajatekst: aankondiging en opdracht tot
-- Mc 1,4-5 : voorbereiding
---- 4 : optreden van Johannes: vervulling, aanwezigheid van de bode
---- 5 : reactie; daadwerkelijke voorbereiding
-- Mc : 1,6
-- Mc : 1,7-8
-- Mc 1,9-15
---- Mc 1,9-11
------ Mc 1,9
------ Mc 10-11
---- Mc 1,12-13
---- Mc 1,14-15
13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6
- Mc 1,1-6
- Mt 3,1-6
- Lc 3,1-6
-
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 1 --
Mc 1,1
- Mc 1,2
- Mc 1,3
- Mc 1,4
- Mc 1,5
- Mc 1,6 -
| Mc 1,2 b | Mc 1,2 c | Mc 1,3 | Mc 1,7 | Mc 1,8 - Mc 1,8a | Mc 1,8 - Mc 1,8b |
| idou (zie) | hos (die) | egô (ik) | autos de (hij echter) | ||
| apostellô (ik zend) | kataskeuasei (zal bereiden) | hetoimasate (bereidt) | erchetai (zal komen) | ebaptisa (heb gedoopt) | baptisei (zal dopen) |
| ton aggelon mou (mijn engel) | ton hodon sou (uw weg) | tèn hodon kuriou (de weg van de Heer) | ho ischuteros mou (de sterkere dan mij ) | humas (je) | humas (je) |
| pro prosôpou sou (voor uw aangezicht) | opisô mou (na mij) | hudati (met water) | pneumati hagiôi (met heilige geest) | ||
| 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - | 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 - |
Evangelie van de 2de (tweede) zondag van de advent B . Mc 1,1-8 . Taalgebruik : Mc 1,1-8 .
Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de zoon van God. Zoals er geschreven staat bij de profeet Jesaja: Zie, ik zend mijn bode voor u uit die voor u de weg zal banen; een stem van iemand die roept in de woestijn: Bereidt de weg van de Heer, maak zijn paden recht. Zo trad Johannes op in de woestijn en doopte; hij preekte een doopsel van bekering tot vergiffenis van de zonden. Heel de landstreek van Judea en alle inwoners van Jeruzalem trokken naar hem uit, en lieten zich door hem dopen in de rivier de Jordaan, terwijl zij hun zonden beleden. Johannes ging gekleed in kameelhaar met een leren gordel om zijn lendenen; hij at sprinkhanen en wilde honing. Hij predikte: "Na mij komt die sterker is dan ik, en ik ben niet waardig mij te bukken en de riem van zijn sandalen los te maken. Ik heb u gedoopt met water maar Hij zal u dopen met de heilige Geest."
Mc 1,1-6 - Mc 1,7-8 horen bij elkaar. Na bijbelcitaten wordt de vervulling ervan door Johannes de Doper gegeven . Mc 1,2 - Mc 1,3 en Mc 1,6 omsluiten elkaar . Mc 1,7 - Mc 1,8 gaat de komst van Jezus onmiddellijk vooraf .
| Mc 1,1 - Mc 1,1 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 Het begin des Evangelies van JEZUS CHRISTUS, den Zoon van
God.
King James Bible . [1] The beginning of the gospel of Jesus Christ, the Son
of God;
Luther-Bibel . 1 Dies ist der Anfang des Evangeliums von Jesus Christus, dem
Sohn Gottes.
Tekstuitleg van Mc 1,1 . Dit vers Mc 1,1 .telt 8 woorden (2 X 2 X 2 X 5) woorden en 40 (2 X 2 X 2 X 5) letters . Door het feit dat de zin geen werkwoord bevat , komt hij over als een titel . Het is een boekopschrift .
Mc 1,1.1.
archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het N.T. : archè
(begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè
(begin, heerschappij) . Mc (2) : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
13,8 .
a is de eerste letter van het alfabet . In het Hebreeuws komt de aleph slechts
voor met een klinker . De bijbel (Gn
1,1) begint met de letter b in het woord bëresjît (in het begin)
. De evangelist Marcus begint zijn evangelie met het optreden van Johannes de
Doper in de woestijn . Nadat Johannes werd overgeleverd , begint Jezus zijn
optreden in Galilea . De evangelisten Matteüs en Lucas verleggen dit begin
. Zij vatten hun evangelie aan met de conceptie en de geboorte van Johannes
en Jezus en komen zo terecht bij hun ouders : Zacharia en Elisabeth , Jozef
en Maria . Hierdoor maken zij een link met de vorige generatie van Johannes
en Jezus . Zij breiden dit nog uit door de toevoeging van een stamboom , die
Matteüs laat teruggaan tot Abraham en Lucas tot Adam . De evangelist Johannes
verlegt het begin bij God . Hij begint zijn evangelie met en archèi (in
het begin) zoals Genesis begon met bëresjît (in het begin) . Met
dit woord maakt Marcus een link met het begin van de schepping .
Begin roept ook de idee van einde op . Het boek van de Openbaring spreekt van
Alfa en Omega . De evangelist Matteüs eindigt zijn evangelie met de woorden
'tot aan de voleinding van de wereldtijd" .
In Mc
1,45 is het de eerste keer dat Marcus èrxato (hij begon) gebruikt
. Het gebruik ervan in het laatste vers van dit hoofdstuk roept de idee van
een inclusio (omarming, omsluiting) met het archè (begin) van vers 1
op . Dit eerste hoofdstuk zou dus een begin / aanvang van de boodschap van Jezus
geven . In Mc
1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik
zullen we vinden in Mc
5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen heiden . Zo krijgen we twee
getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus
. Een derde maal komt de infinitief kèrussein (getuigen) voor in Mc
3,14 waar de leerlingen geroepen worden om gezonden te worden om te getuigen
. Het zijn deze maal de leerlingen die getuigen zullen zijn . De realisatie
van deze roeping gebeurt in Mc
6,12 , na de zending door Jezus .
Waarin bestaat dit getuigenis . In Mc 1,14 is er sprake van het verkondigen
van het evangelie van God en in Mc 1,1 : begin van het evangelie : Jezus is
de Messias (Christus) . Het getuigenis of de verkondiging van de genezene zou
kunnen zijn : Jezus is de Messias (Christus) . Zo omsluit Mc
1,45 nog mooier Mc 1 . In het evangelie is het getuigenis van Jezus als
de Messias (Christus) voorbehouden voor Petrus .
Mc 1,1.2.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,1.3.
genitief onzijdig enkelvoud euaggeliou (van het evangelie) van het zelfst. naamw.
euaggelion . Taalgebruik in het N.T. : euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel .
Mc (3) : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
8,35 . (3) Mc
10,29 .
In Mc 1 een vorm van euaggelion (goede boodschap) in drie verzen : (1) Mc
1,1 (gen. euaggeliou) . (2) Mc
1,14 (acc. euaggelion) . (3) Mc
1,15 (dat. euaggeliô(i) .
Mc 1,1.2.
- 3. tou euaggeliou (van het evangelie) . Een vorm van euaggelion
(goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt
voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc.
to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
Mc 1,1.4.
gen. mann. enk. Ièsou (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc 1 (1) : Mc
1,1 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
In Mc komt zesmaal de genitief Ièsou voor . Het kan een subjectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van : de goede boodschap die Jezus verkondigt . Het kan een objectsgenitief zijn en heeft dan de betekenis van: de goede boodschap over Jezus . In Mc 1,1-15 wordt Jezus driemaal met zijn naam vernoemd . In Mc 1,14 verkondigt Jezus de boodschap van God . In Mc 16,15 gaat het over Jezus en hoort de verrijzenis tot de boodschap .
5. christou (van Christus) . Taalgebruik : christos (Christus) . Het Griekse woord christos (Christus) is de vertaling van het Hebreeuwse massiach (gezalfde, messias). Jezus was zijn geboortenaam, Christus is een bijnaam om hem als de messias aan te duiden .
Mc 1,1.6. gen. mann. enk. huiou (zoon) van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Mc (1) . (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . In Mc 1,11 (nom. huios) . huiou theou (zoon van God) . Deze woorden komen slechts in bepaalde handschriften voor en zouden een toevoeging kunnen zijn .
Mc 1,1.7. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . In vier verzen in Mc 1 , en wel telkens een genitief : (1) Mc 1,1 : huiou theou = van een zoon van een God . (2) Mc 1,14 : to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God . (3) Mc 1,15 : hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God . (4) Mc 1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .
Mc 1,1.6.
- 7. huiou theou (een zoon van een God) . Hapax in Mc .
Verdere titelbenamingen van Jezus :
(2) Mc
1,11 : su ei ho huios mou ho agapètos = jij bent de zoon van mij
de beminde .
(3) Mc
1,24 : ho hagios tou theou = de heilige van de God .
(4) Mc
3,11 : su ei ho huios tou theou = jij bent de zoon van de God .
(5) Mc
5,7 : Ièsou , huie tou theou = Jezus , zoon van de God .
(6) Mc
9,7 : outos estin ho huios mou ho agapètos = deze is de zoon van
mij de beminde .
(7) Mc
14,61 : su ei ho christos ho huios tou eulogètou = jij bent de messias
, de zoon van de gezegende .
(8) Mc
15,39 : houtos ho anthrôpos huios theou èn = deze mens was
een zoon van een God .
Deze titelbenamingen zijn citaten , die worden ingeleid :
(2) Mc
1,11 : kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er
was een stem uit de hemel . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat
aan te kondigen .
(3) Mc
1,24 : kai anekraxen legôn = en hij krijste met hoge stem zeggende
.
(4) Mc
3,11 : kai ekrazon legontes hoti = en zij krijsten zeggende dat
(5) Mc
5,7 : kai kraxas fônè(i) megalè(i) legei = en 'hij krijste'
met luide stem 'en' hij zegt .
(6) Mc
9,7 : kai fônè egeneto ek tès nefelès = en er
was een stem uit de wolk . Er is geen werkw. legô (zeggen) om het citaat
aan te kondigen .
(7) Mc
14,61 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem .
(8) Mc
15,39 : eipen = hij zei .
| Mc 1,2 - Mc 1,2 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 Gelijk geschreven is in de profeten: Ziet, Ik zend Mijn
engel voor Uw aangezicht, die Uw weg voor U heen bereiden zal.
King James Bible . [2] As it is written in the prophets, Behold, I send my messenger
before thy face, which shall prepare thy way before thee.
Luther-Bibel . 2 Wie geschrieben steht im Propheten Jesaja: »Siehe, ich sende
meinen Boten vor dir her, der deinen Weg bereiten soll.«
Tekstuitleg van Mc 1,2 .
Mc 1,2.1.
kathôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : kathôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : kathôs
(zoals) .
Mc (8) : (1) Mc
1,2 (gegraptai) . (2) Mc
4,33 . (3) Mc
9,13 (gegraptai) . (4) Mc
11,6 (eipen) . (5) Mc
14,16 (eipen) . (6) Mc
14,21 (gegraptai) . (7) Mc
15,8 . (8) Mc
16,7 (eipen) . 3X : + gegraptai . 3X : + eipen . 2X : andere .
Er is enige gelijkenis tussen Mc 1,2 en Mc 16,7 . In Mc 1,2 : Zie ik zend mijn engel voor je aangezicht uit ; in Mc 16,7 : dat hij jullie zal voorgaan naar Galilea . In Mc 1,2 : zoals geschreven is in het boek van de profeet Jesaja ; in Mc 16,7 : zoals hij jullie gezegd heeft . Tussen beide verzen wordt het leven van Jezus beschreven . Alles wat voorafgaat aan Mc 1,2 is op Jezus gericht , en bij wat na Mc 16,7 volgt , is Jezus de voorganger . Zo wordt reeds gesuggereerd dat Jezus de centrale figuur van de geschiedenis is .
Bij Marcus : In acht verzen . In drie verzen wordt kathôs (zoals) gevolgd door gegraptai (er werd geschreven) , in drie verzen door eipen (hij zei) . Het voegwoord kathôs (zoals) leidt een ondergeschikte zin in die volgt op een hoofdzin . Is dat ook zo in Mc 1,2 . Zo ja , dan begint Marcus aldus : begin van de goede boodschap van Jezus Christus zoals ... . euaggeliou (van de goede boodschap) en christou (van Christus) zou dan aansluiten bij Js 61,1 . In de andere evangelisten vinden we eveneens een taalgebruik naar Js 61 . Lc citeert Js 61,1 tijdens het optreden van Jezus in de synagoge van Nazaret . Mt begint zijn zaligsprekingen met de armen .
Mc 1,2.2.
passief indicatief perfectum derde persoon enkelvoud gegraptai (er werd geschreven)
van het werkwoord grafô (schrijven, grif-fen) . Lat. scribere . Fr. écrire
. Taalgebruik in het N.T. : grafô
(schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô
(schrijven) .
Mc (7) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
7,6 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
11,17 . (6) Mc
14,16 . (7) Mc
14,21 .
Mc 1,2.3..
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,2.4.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
7. dat. mann. enk. profètè(i) van het zelfst. naamw. profètès
(profeet) . Taalgebruik in het N.T. : profètès
(profeet) . Taalgebruik in Mc : profètès
(profeet) .
Mc (1) Mc
1,2.. Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen :
(1) Mc
1,2 . (2) Mc
6,4 . (3) Mc
6,15 (2 vormen) . (4) Mc
8,28 . (5) Mc
11,32 .
8. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou
(zie) . Taalgebruik in Mc : idou
(zie) . In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen
enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i;
zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen .
Mc (7) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 . (6) Mc
14,41 . (7) Mc
14,42 . Telkens in een citaat bij het begin ervan (5) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 of in het midden ervan : (1) Mc
14,41 . (2) Mc
14,42 .
Mc 1,2.9.
apostellô (afsturen, zenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô
(afsturen, wegsturen , afzenden) . Taalgebruik in het N.T. : apostellô
(afsturen, wegsturen , afzenden) . apo-stellô : af- , weg- , sturen
, wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden .
'De inzet met een complex citaat op naam van de profeet Jesaja is meer dan een
incident , verbonden met de persoon van Johannes de Doper . Het evangelie van
Jezus de Gezalfde is geschreven in de traditie van de profeten , die zich op
hun beurt beriepen op de Torah . Zodoende moet het citaat wel een verwijzing
naar een woord uit de Torah bevatten . Ex
23,20 wordt erin herkend . Dat is een cruciale tekst in de verbondssluiting
die klinkt op de vijftigste paasdag in de tweede jaargang van de torahlezing
. Ook binnen de Torah bevat deze tekst een verwijzing , namelijk naar Ex 14,19
waar de beslissende wending van het Paasfeest verkondigd wordt ." (Monshouwer
, Markus , 1989 , p.38) . Ex
23,20 (NV) [20] Ik stuur een engel voor jullie uit om je op je tocht te
beschermen en je naar de plaats te brengen die ik voor jullie bestemd heb .
Ex 14,19 (NV) [19] De engel van God , die steeds voor het leger van de Israëlieten
uit was gegaan , stelde zich nu achter hen op . Ook de wolkkolom die eerst voor
hen uit ging stelde zich achter hen op .
Mc 1,2.10.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,2.11.
acc. mann. enk. aggelon van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper)
. Taalgebruik in het N.T. : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (1) Mc
1,2 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
8,38 . (4) Mc
12,25 . (5) Mc
13,27 . (6) Mc
13,32 .
Mc 1,2.12. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
Mc 1,2.13. pro (voor) . Taalgebruik in het N.T. : pro (voor) . Taalgebruik in Mc : pro (voor) . p - r -> Ned. v - r (pro -> voor) . Eng. before . D. vor . Lat. ante . Fr. avant (uit ab : vanaf en ante : voor , van te voren = voor-af) . Eng. before . D. vor . Mc (1) : Mc 1,2 . In Mc komt dit voorzetsel slechts hier voor en dan nog in een citaat . In het Fr. vertaald door en avant de (voorafgaand aan) .
Mc 1,2.14. genitief onzijdig enkelvoud prosôpou van het zelfstand. naamw. prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . Taalgebruik in het N.T. : prosôpon (aangezicht) . pros : naar , bij (aan-) , ôpon , zie optie , optieken enz ... op- : prosôpou (van het aangezicht) . Taalgebruik : prosôpon (aangezicht) . zien . aangezicht , waarnaar je kijkt . Of : pro -s -opon , waaruit het Latijnse per- son -a (doorheen -klinken) , wat wijst op een masker waardoor men sprak . Mc (1) : Mc 1,2 . nom. + acc. onz. enk. prosôpon (aangezicht) : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 14,65 .
Mc 1,2.15.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,44 .
Mc 1,2.16.
nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk
voornaamwoord .
Mc (25) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,19 . (3) Mc
3,29 . (4) Mc
3,35 . (5) Mc
4,9 . (6) Mc
4,25 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
5,3 . (9) Mc
6,11 . (10) Mc
8,35 . (11) Mc
8,38 . (12) Mc
9,37 . (13) Mc
9,39 . (14) Mc
9,40 . (15) Mc
9,41 . (16) Mc
9,42 . (17) Mc
10,11 . (18) Mc
10,15 . (19) Mc
10,29 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,44 . (22) Mc
11,23 . (23) Mc
13,2 . (24) Mc
15,23 . (25) Mc
15,43 .
Mc 1,2.17. act. ind. fut. 3de pers. enk. kataskeuasei (hij zal uitrusten, inrichten) .
Mc 1,2.18.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,2.19.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg.
E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,2
- Mc 1,3
kondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het O.T. .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel
.
Mc 1,2.18. - 19. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 6,8 . (3) Mc 10,17 .
Mc 1,2.20.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,44 .
Betekenis van Mc
1,2
Na de titel in Mc
1,1 begint Marcus zijn evangelie met een bijbelcitaat dat in Johannes de
Doper zijn vervulling krijgt . Een bepaalde formule leidt het citaat in . Het
gaat om wat in de wet of de profeten geschreven staat .
Door zijn evangelie met een citaat uit de wet en de profeten aan te vatten geeft
de evangelist Marcus te kennen dat Johannes de Doper en Jezus in die zin moeten
geïnterpreteerd worden . Ze handelen in de lijn van de wet en de profeten
. Er is nog meer . In Mc
1,15 zegt Jezus : peplèrôtai ho kairos (tot volheid is gekomen
de gunstige tijd) . Jezus zal de volheid van de wet en de profeten brengen .
| Mc 1,3 - Mc 1,3 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des
Heeren, maakt Zijn paden recht.
King James Bible .[3] The voice of one crying in the wilderness, Prepare ye
the way of the Lord, make his paths straight.
Luther-Bibel . 3 »Es ist eine Stimme eines Predigers in der Wüste: Bereitet
den Weg des Herrn, macht seine Steige eben!« (Maleachi 3,1; Jesaja 40,3):
Tekstuitleg van Mc 1,3 . Dit vers Mc 1,3 telt 14 (2 X7) woorden en 74 (2 X 37) letters .
Mc 1,3.1.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) .
Mc 1,3.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,3.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,3.5.
erèmô(i) = in de woestijn . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Datief vrouwelijk enk. . Hebr. chârëbâh (chrbh
: 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh
(Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos
: kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus
: verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is
eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht
, gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
Een vorm van erèmos (woestijn) in zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 ,
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 ,
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc 1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
Mc 1,3.7.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
8. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik
in het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg.
E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,2
- Mc 1,3
aankondigen een 'weg'bereider aan via een citaat uit het O.T. .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel
.
Mc 1,3.8.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
Mc 1,3.7. - 8. tèn hodon (de weg) . hodon (weg) voorafgegaan door het bep. lidw. tèn (de weg) . Mc (7 / 10) . Niet in : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 6,8 . (3) Mc 10,17 .
Mc 1,3.12.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
Mc 1,3.14.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (13) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc
1,7 . (5) Mc
1,19 . (6) Mc
1,20 . (7) Mc
1,22 . (8) Mc
1,25 . (9) Mc
1,26 . (10) Mc
1,28 . (11) Mc
1,36 . (12) Mc
1,41 . (13) Mc
1,42 .
| Mc 1,4 - Mc 1,4 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 Johannes was dopende in de woestijn, en predikende den
doop der bekering tot vergeving der zonden.
King James Bible . John did baptize in the wilderness, and preach the baptism
of repentance for the remission of sins.
Luther-Bibel . 4 Johannes der Täufer war in der Wüste und predigte
die Taufe der Buße zur Vergebung der Sünden.
Tekstanalyse van Mc 1,4 . Dit vers Mc 1,4 telt 13 woorden en 78 (2 X 3 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 1,4 is 9546 (2 X 2 X 3 X 37 X 43) . Mc 1,2-6 verhaalt het optreden van Johannes de Doper . De evangelist Marcus begint in Mc 1,2-3 met een citaat van een Jesajatekst om dan in Mc 1,4 over te gaan op de vervulling van die profetie in de persoon van Johannes . In Mc 1,4 is er voor het eerst sprake over Johannes . De zin begint met egeneto (het gebeurde) gevolgd door het onderwerp Johannes de Doper .
Mc 1,4.1.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in
5 verzen : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . (4) Mc
1,17 . (5) Mc
1,32 . In Mc
1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc
1,9 is dat Jezus .
In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . Beide teksten
beginnen met egeneto (het gebeurde) . In het ene geval (Mc 1,4) om het begin
van Johannes de Doper aan te duiden , in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus
. Johannes treedt op in Judea en de Jordaan . Jezus komt van Galilea , van de
stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen . Na de gevangenneming van
Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14) .
- Mc 1,4
: egeneto iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper trad op)
.
- Mc 1,9
: kai egeneto (en het gebeurde) .
STAP VOOR STAP ! Eerst Johannes de Doper , dan Jezus .
Mc 1,4.2.
nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc
6,14 . (4) Mc
6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
Mc 1,4.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Ofwel zijn baptizôn (dopende) ... kai kèrussôn (en verkondigend)
twee nevenschikkende particpiazinnen en staat het bepaald lidwoord ho (de) er
teveel ofwel staat ho baptizôn als bijstelling bij Iôannès
en staat kai (en) er teveel .
Mc 1,4.4. actief participium nominatief mannelijk enkelvoud baptizôn (dopende of doper) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . Gebruikt als bijstelling (voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho : de dopende = de doper) in (1) Mc 1,4 . (2) Mc 6,14 .
Mc 1,4.2. - 4. Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . Mc (15) : (1) Mc 1,4 (Iôannès ho baptizôn = Johannes de dopende of Johannes de doper). (2) Mc 1,6 (kleding en voeding) . (3) Mc 1,9 (ebaptisthè ... hupo Ioannou = hij werd gedoopt door Johannes) . (4) Mc 1,14 (overlevering) . (5) Mc 2,18 (mathètai Iôannou = leerlingen van Johannes vasten) . (6) Mc 6,14 Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper) . (7) Mc 6,16 (onthoofde Johannes) . (8) Mc 6,17 (de gevangen Johannes) . (9) Mc 6,18 (Johannes tot Herodes) . (10) Mc 6,20 (Herodes vreesde Johannes) . (11) Mc 6,24 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (12) Mc 6,25 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper) . (13) Mc 8,28 (de mensen zeggen Iôannèn ton baptistèn = Johannes de doper) . . (14) Mc 11,30 (to baptisma to Iôannou = het doopsel dat van Johannes) . (15) Mc 11,32 (een profeet) . In zeven verzen in Mc wordt Johannes in verband met de doop gebracht . In zeven verzen wordt de relatie gelegd tussen Johannes en dopen : (1) Mc 1,4 . (3) Mc 1,9 . (6) Mc 6,14 . (11) Mc 6,24 . (12) Mc 6,25 . (13) Mc 8,28 . (14) Mc 11,30 . (15) Mc 11,32 . In Mc 6,24 en Mc 6,25 staat de genitiefvorm baptizontos van baptizôn .
Mc 1,4.5.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,4.6.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
Mc 1,4.7.
datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het zelfst.
naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
Mc 1,4.5.
- 7. en tè erèmô(i) = in de woestijn . Hebr. bammidëbar
(in de woestijn) : in 138 verzen . Mc (3) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- Mc 1,3
. Citaat uit het O.T. . Voorzegging .
- Mc 1,4
: vervulling in de voorloper Johannes de Doper .
- Mc 1,13
: vervulling in de persoon van Jezus .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,4.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,4.9.
act. part. praes. nom. mann. enk. kèrussôn (verkondigend) van het
werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,39 . In Mc
1,4 en Mc
1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn
een object : Mc
1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc
1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc
1,14 en Mc
1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc 1 (6) : (1)
Mc 1,4
. (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,14 . (1) Mc
1,38 . (3) Mc
1,39 . (1) Mc
1,45 .
In Mc 1,4
trad Johannes de doper verkondigend op . In Mc
1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn
(ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39
: kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn Galilaian
(en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !
10. nom. + acc. onz. enk. baptisma (doopsel) . Taalgebruik in het N.T. : baptisma
(doopsel) . Taalgebruik in Mc : baptisma
(doopsel) .
Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
10,38 . (3) Mc
10,39 . (4) Mc
11,30 .
Mc 1,4.12.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,4.13. acc. vr. enk. afesin (vergeving) van het zelfst. naamw. afesis (aflating, vergeving) . Taalgebruik in het N.T. : afesis (vergeving) . Taalgebruik in Mc : afesis (vergeving) . par-donner (pardon) : ver-geven , door : over -geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) . Mc (2) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 3,29 .
Mc 1,4.14. genitief vrouwelijk meervoud hamartiôn (van zonden) van het zelfstandig naamwoord hamartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (1) : Mc 1,4 .
Mc 1,4.12. - 14. eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) . Mc (1) : Mc 1,4 .
Duality
- In Mc is er een zekere overeenkomst tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . Beide teksten
beginnen met egeneto (het gebeurde) . In het ene geval (Mc 1,4) om het begin
van Johannes de Doper aan te duiden , in het andere geval (Mc 1,9) dat van Jezus
. Johannes treedt op in Judea en de Jordaan . Jezus komt van Galilea , van de
stad Nazaret om zich door Johannes te laten dopen . Na de gevangenneming van
Johannes de Doper zal Jezus naar Galilea teruggaan (Mc 1,14) .
- Mc 1,4
: egeneto iôannès ho baptizôn (Johannes de Doper trad op)
.
- Mc 1,9
: kai egeneto (en het gebeurde) .
| Mc 1,5 - Mc 1,5 : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En al het Joodse land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem;
en werden allen van hem gedoopt in de rivier de Jordaan, belijdende hun zonden.
King James Bible . [5] And there went out unto him all the land of Judaea, and
they of Jerusalem, and were all baptized of him in the river of Jordan, confessing
their sins.
Luther-Bibel . 5 Und es ging zu ihm hinaus das ganze jüdische Land und alle
Leute von Jerusalem und ließen sich von ihm taufen im Jordan und bekannten ihre
Sünden.
Tekstuitleg van Mc
1,5 . Het
vers Mc
1,5 telt 24 (2 X 2 X 2 X 3) woorden en 135 (3 X 3 X 3 X 5) letters . De
getalwaarde van Mc
1,5 is 15676 (2 X 2 X 3919) . Mc 1,5 beschrijft de reactie op het optreden
van Johannes de Doper . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . Het
onderwerp van de tweede zin heeft een participiumzin . De opbouw van de twee
nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Eerst het nevenschikkend voegwoord
kai (en) , vervolgens het vervoegd werkwoord . De beide werkwoorden staan in
de imperfectumvorm (onvoltooid verleden tijd) . Het ene in het enkelvoud (omwille
van de beklemtoning van de totaliteit) , het andere in het meervoud . Het onderwerp
in beide zinnen is hetzelfde . Na het werkwoord volgt een bepaling waarvan de
actor Johannes de Doper is : pros auton (naar hem) en hup'autou (door hem) .
Het onderwerp van de eerste zin is tweeledig ; het eerste deel ervan staat in
het enkelvoud pasa hè Ioudaia chôra (de hele Judese streek) , het
tweede deel in het meervoud hoi Hierosolumitai pantes (alle Jeruzalemmers) .
Het eerste deel van het onderwerp begint met een vorm van pas (heel, geheel,
al) , het tweede deel eindigt ermee : een chiastische (kruisvormige) structuur
. Daarenboven is er een zekere tegenstelling tussen de streek / het platteland
(enkelvoud en onpersoonlijk) en de stad - de inwoners van Jeruzalem (meervoud)
; de twee groepen vullen elkaar aan en vormen de totaliteit van de bevolking
. Wij zouden zeggen : stad en platteland , hier gebeurt het omgekeerde : platteland
en stad .
Het werkwoord van deze zin met dubbelvoudig onderwerp staat vooraan de zin en
wel in het enkelvoud . Het staat bovendien in de imperfectumvorm . Het werkwoord
is samengesteld uit het voorzetsel ek (uit) en poreuomai (gaan, trekken) . Het
ek (uit) suggereert een plaatsverandering . De plaats vanwaar is duidelijk :
het platteland Judea en de stad Jeruzalem . De plaats waarnaar (pros : naar)
ze trekken is niet expliciet vermeld in de eerste nevenschikkende zin ; ze trekken
naar hem (Johannes de Doper) . Uit de tweede nevenschikkende zin wordt het duidelijk
waarnaar ze getrokken zijn nl. de Jordaanrivier waar Johannes de Doper aan het
dopen is . In Mc 1,4 was reeds vermeld dat Johannes optrad in de woestijn .
Dat roept het beeld op van dorheid , zand , eenzaamheid . In Mc 1,5 is Johannes
aan de Jordaan , een grillige rivier met een sterk verval ; geen plek om er
te wonen ; een eenzame plek . Het werkwoord poreuomai of een samengesteld werkwoord
ervan wordt in het Marcusevangelie vaak gebruikt en wijst op een op weg gaan
.
Het onderwerp van de tweede zin is hetzelfde als dat van de eerste zin . Het
werkwoord staat evenwel in het meervoud en de participiumzin bij het onderwerp
staat eveneens in het meervoud . Daarenboven staat het werkwoord in de imperfectumvorm
.
Mc 1,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...
Mc 1,5.2.
ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto (en hij begaf zich op weg naar buiten)
van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T.
: ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mt : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig
naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare
plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het
woord behoort tot de groep van varen .
Mc (1) Mc
1,5 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Mc in 11 verzen
: (1) Mc
1,5 . (2) Mc
6,11 . (3) Mc
7,15 . (4) Mc
7,19 . (5) Mc
7,20 . (6) Mc
7,21 . (7) Mc
7,23 . (8) Mc
10,17 . (9) Mc
10,46 . (10) Mc
11,19 . (11) Mc
13,1 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) vergezeld
van ek (4) : (1) Mc
7,15 . (2) Mc
7,20 . (3) Mc
7,21 . (4) Mc
13,1 , van exô (1) : Mc
11,19 , van -then (2) : (1) Mc
6,11 . (2) Mc
7,21 .
Mc 1,5.3.
pros (naar) + accusatief , meestal bij personen . Taalgebruik in het N.T. :
pros
(naar, bij) .
Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .. Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 * . (2) Mc
1,27 . (3) Mc
1,32 * . (4) Mc
1,33 . (5) Mc
1,40 * . (6) Mc
1,45 * .
Mc 1,5.3.
- 4. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) .
Naar Johannes de Doper : (1) Mc
1,5 : exeporeueto pros auton pasa hè Ioudaia chôra kai hoi
Hierosolumitai pantes (de hele Juda-streek en alle Jeruzalemmers trokken uit
naar hem = Johannes de Doper) .
Mc 1,5.6.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,28 . (4) Mc
1,30 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,42 .
10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
De opbouw van de twee nevenschikkende zinnen verloopt parallel . Dat gebeurt eveneens (maar niet op zo'n mooie wijze) in Mc 1,9 dat verhaalt dat Jezus naar Johannes komt en door hem wordt gedoopt . Evenals Mc 1,5 bestaat Mc 1,9 uit twee nevenschikkende zinnen . De vervoegde werkwoorden in Mc 1,5 staan in het imperfectum , die van Mc 1,9 in de aorist .
Mc 1,5.14.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos .
Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (13) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc
1,7 . (5) Mc
1,19 . (6) Mc
1,20 . (7) Mc
1,22 . (8) Mc
1,25 . (9) Mc
1,26 . (10) Mc
1,28 . (11) Mc
1,36 . (12) Mc
1,41 . (13) Mc
1,42 .
Mc 1,5.17.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,5.18.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
22. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,38 . (4) Mc
1,39 .
24. voornaamw. gen. mv. autôn van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,20 . (3) Mc
1,23 . (4) Mc
1,39 .
| Mc 1,6 - Mc 1,6 13. : Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met een lederen
gordel om zijn lenden, en at sprinkhanen en wilde honig.
King James Bible . [6] And John was clothed with camel's hair, and with a girdle
of a skin about his loins; and he did eat locusts and wild honey;
Luther-Bibel . 6 Johannes aber trug ein Gewand aus Kamelhaaren und einen ledernen
Gürtel um seine Lenden und aß Heuschrecken und wilden Honig
Tekstuitleg van Mc 1,6 .
Mc 1,6.2.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,6.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,6.4.
nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (4) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc
6,14 . (4) Mc
6,18 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
5. endedumenos (zich aangekleed met) van het werkwoord enduomai (zich iets
aantrekken, zich aankleden met, 'aanhebben') . Participium perfectum nominatief
mannelijk enkelvoud . In drie verzen in het O.T. en in Mc 1,6
.
(1) Zach 3,3 : kai Ièsous èn endedumenos himata rupara (en Josua
had zich aangekleed met vuile kleren) .
(2) Da 6,4 : kai Danièl èn endedumenos porfuran (en Daniël
had zich aangekleed met purper) .
(3) Da 10,5 : kai idou anthrôpos heis endedumenos bussina kai tèn
osfun autou periezôsmenos bussinôi (en zie één man
was gekleed in linnen kleren en had zi jn lenden omgord met een gouden gordel)
.
| enduô (leggen op, inkleden) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| pass. part. perf. nom. mann. enk. endedumenos | 4 | 3 | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| Andere vormen | ||||||||||||||
| Totaal |
Enduma (kleed). Zelfstandig naamwoord. In 6 verzen in de bijbel; in 2 verzen
in het het O.T., in 4 verzen bij Matteüs.
- thrix (haar), genitief trichos. Trichas : accusatief meervoud.
In 12 verzen in de bijbel; in 10 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.
Trichôn (van de haren). Genitief meervoud. In 4 verzen in de bijbel; in
2 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T. Trichinèn (haren) . Bijvoeglijk
naamwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud, van trichinos (haren) zie Zach 13,4
: kai endusontai derrin trichinèn (en zij zich aankleden met een haren
'vel'.
- kamèlou (kamelen - van een kameel) Genitief enkelvoud.
In 6 verzen; in 4 verzen in het O.T., in 2 verzen in het N.T.. In de bijbel
is slechts hier sprake van het zich kleden met een kameelharen kleed.
- Zônè (gordel). In 7 verzen in de bijbel; in
6 verzen in het O.T., in het N.T. Zônèn . Accusatief enkelvoud.
In 11 verzen in de bijbel; in 6 verzen in het O.T., in 5 verzen in het N.T.
Periezôsmenos (omgord). Passief participium perfectum nominatief mannelijk
enkelvoud van het werkwoord perizôzô (?) (omgorden). Het komt in
6 verzen in het O.T. voor.
- dermatinèn (leren). Bijvoeglijk naamwoord. Accusatief
vrouwelijk enkelvoud. Het komt slechts in 3 verzen in de bijbel voor; in 2 K
1,8 en in de parallelteksten Mt
3,4 en Mc 1,6 . (1) 2 K 1,8 : anèr drasus kai
zônèn dermatinèn periezôsmenos tèn osfun autou
(en met een leren gordel had hij zijn lenden omgord). (2) + (3) Mt en Mc hebben
een identitieke tekst vanaf kai zônèn (en een gordel), overgenomen
van 2 K 1,8 met weglating van ezôsmenos ('om'-gord).
14. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .
- akridas (sprinkhanen). Accusatief meervoud, van het zelfstandig
naamwoord akris - akridos (sprinkhaan). Deze vorm komt slechts voor in Js 33,4
en Mc 1,6 .
- meli (honing) . In 51 verzen in de bijbel; in 47 verzen in
het O.T., in 4 verzen in het N.T.
Ofschoon Mc 1,6 geen expliciet citaat is, is het duidelijk
dat 2 K 1,8 aan de bron van Mc 1,6 ligt. In Mc
1,6 wordt de levenswijze van Johannes (kleding - eerste het kleed en dan
de gordel - en voeding) gegeven. In 2 K 1,8 wordt uitdrukkelijk gezegd dat het
om Elia gaat. Ook de citaten van Maleachi in Mc 1,2-3 laten duidelijk verstaan
dat het om Elia gaat. Aldus omsluiten Mc 1,2-3 en Mc 1,6 elkaar.
| Mc 1,6 | Mt 3,4 | 2 K 1,8 |
| kai (en) | Autos de ho Iooannijs (Zelf echter Johannes) | |
| ijn (was) | eichen ('droeg') | |
| ho Iooannijs (Johannes) | anijr (een man) | |
| endedumenos (gekleed) | to enduma autou (zijn kleed) | dasus (behaard) |
| trichos kamijlou (haren van een kameel) | apo trichoon kamijlou (uit haren van een kameel) | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) |
zoonijn (gordel) |
zoonijn |
zoonijn (gordel) |
| dermatinijn (lederen) | dermatinijn | dermatinijn (lederen) |
| peri (rond) | peri (rond) | periezoosmenos (omgordende) |
| tijn osfun (zijn lenden) | tijn osfun autou (zijn lenden) | tijn osfun (zijn lenden) |
| kai (en) | kai eipen : IJliou ho thesbitijs houtos estii (en hij zei : Elia de Thesbiet is die (man) | |
| esthoon (etende) | hij de trofij ijn autou (zijn voedsel echter) | |
| kai meli agrion (wilde honing) | kai meli agrion (wilde honing) | |
| akridas | akrides | |
| 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 | 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6 | 2 K 1,1-18 : Elia voorspelt Achazja's dood |
dasus : harig, dichtbebost, dicht,
16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan : Mc 1,7-8 - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 -
| Mc 1,7 - Mc 1,7 : 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En hij predikte, zeggende: Na mij komt, Die sterker is
dan ik, Wien ik niet waardig ben, nederbukkende, den riem Zijner schoenen te
ontbinden.
King James Bible .[7] And preached, saying, There cometh one mightier than I
after me, the latchet of whose shoes I am not worthy to stoop down and unloose.
Luther-Bibel . 7 und predigte und sprach: Es kommt einer nach mir, der ist stärker
als ich; und ich bin nicht wert, dass ich mich vor ihm bücke und die Riemen
seiner Schuhe löse.
Tekstuitleg van Mc 1,7 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en...
2. ekèrussen (hij verkondigde) . Taalgebruik : kèrussô
(verkondigen) . Hebr. qârâ´(roepen) of râwâ`(luid
schreeuwen) . Actief indicatief imperfectum 3de pers. enk. In vier verzen in
de bijbel : (1) Est
6,11 . (2) Mc
1,7 . (3) Hnd
8,5 . (4) Hnd
9,20 . De imperfecta in Mc
1,5 ( kai exeporeueto = en het ging op weg uit ... kai ebaptizonto = en
zij werden gedoopt) , Mc
1,6 (kai èn = en hij was) . Ze omsluiten het egeneto (het gebeurde)
van Mc
1,5 en kai egeneto = en het gebeurde) van Mc
1,9 . De imperfecta geven een tijdsduur aan ; de leerlingen van Johannes
bleven het werk van Johannes de doper verder zetten . Dat was nog zo op het
moment dat Marcus zijn evangelie schreef . Hiermee is ook de rol tussen de leerlingen
van Johannes en die van Jezus duidelijker omschreven .
In de pericope Mc 1,1-15 komt driemaal een vorm van het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor : (1) Mc
1,4 (kèrussôn = verkondigend) . (2) Mc
1,7 (ekèrussen = hij verkondigde) . (3) Mc
1,14 (kèrussôn = verkondigend) . In Mc
1,4 volgt een lijdend voorwerp . In Mc
1,7 wordt Johannes de doper geciteerd , dat ingeleid wordt door legôn
(zeggend) . In Mc
1,14 volgt eerst een lijdend voorwerp en vervolgens een citaat van Jezus
, dat ingeleid wordt door kai legôn = en zeggend (Mc
1,15 ) .
| kèrussô (verkondigen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1 | |||||
| Totaal (bij benadering) | 65 | 18 | 47 | 8 | 12 | 9 | 7 | 11 | 29 | 29 |
3. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,40 . (6) Mc
5,23 . (7) Mc
8,15 . (8) Mc
8,26 . (9) Mc
8,27 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
12,6 . (12) Mc
12,26 . (13) Mc
14,44 . (14) Mc
14,60 . (15) Mc
14,68 . (16) Mc
15,4 . (17) Mc
15,9 . (18) Mc
15,36 .
4. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt)
van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai
(gaan, komen) .
Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
4,21 . (7) Mc
5,22 . (8) Mc
6,1 . (9) Mc
6,48 . (10) Mc
10,1 . (11) Mc
13,35 . (12) Mc
14,17 . (13) Mc
14,37 . (14) Mc
14,41 . (15) Mc
14,66 . (16 ) Mc
15,36 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 .. (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 .
5. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
. ischuteros (krachtiger) . Taalgebruik : ischus (kracht) . ischuroteros (sterker) . In zes verzen in de bijbel . OT (2) . NT (4) : (1) . (2) . (3) . (4) .
| ischus (kracht) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| totaal | 301 | 291 | 10 | 2 | 1 | 5 | 2 | 3 | 3 | 3 | 2 |
7. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
8. opisô (achter) . Taalgebruik in het N.T. : opisô
(achter) . Taalgebruik in Mc : opisô
(achter) . Voorzetsel . Lat. post (uit primere , prestum ?) Fr. après
(ad prestum) . Hebr. ´acher (101) en ´achärej (294) . Ned.
achter .
In zes verzen in Mc : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,17 . (3) Mc
1,20 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
8,34 . (6) Mc
13,16 .
10. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos
(die) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc
1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc
1,22 .
11. betrekk. voornaamw. gen. mann. enk. hou van het betrekk. voornaamw. hos
(die) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 1 (4) : ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc
1,7 . ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,34 . ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc
1,22 .
16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
18. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20 .
| Mc 1,8 - Mc 1,8: 16. Johannes de Doper kondigt de Messias aan - Mc 1,7-8 - Mt 3,11-12 - Lc 3,15-17 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,7 - Mc 1,8 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar Hij zal u dopen
met den Heiligen Geest.
King James Bible . [8] I indeed have baptized you with water: but he shall baptize
you with the Holy Ghost.
Luther-Bibel . 8 Ich taufe euch mit Wasser; aber er wird euch mit dem Heiligen
Geist taufen.
Tekstuitleg van Mc
1,8 . Variante lezingen . Volgens Marcus maakt Johannes de Doper zelf een
onderscheid tussen zichzelf en Jezus . Dat onderscheid bestaat in het soort
doopsel : het ene met water , het andere met heilige geest .
Mc 1,8
bestaat uit twee delen , mooi parallel opgebouwd : onderwerp - werkwoord - lijdend
voorwerp - bepaling van middel . Laten we hagiô(i) op het einde van het
tweede versdeel buiten beschouwing , dan tellen beide versdelen elk elf lettergrepen
;
- onderwerp egô = ik (2) , autos = hij (2) ,
- licht tegenstellend partikel in het tweede versdeel de = echter (1) ,
- werkwoordvorm : ebaptisa = ik doopte (4) , baptisei = hij zal dopen (3) .
In het tweede versdeel telt de werkwoordvorm een lettergreep minder , maar dit
wordt gecompenseerd door het eenlettergrepige artikel de = echter .
- Het lijdend voorwerp is een persoonlijk voornaamwoord 2de pers. mv. . In het
Hebr. wordt dit voornaamwoord aan het vervoegde werkwoord gehecht . In Mc
1,8 staat het onmiddellijk na het vervoegde werkwoord : ebaptisen humas
(hij doopte jullie) - baptisei humas (hij zal jullie dopen) .
- bepaling van middel : hudati = met water (3) , pneumati = met geest (3) .
Beide woorden tellen drie lettergrepen en eindigen elk op -ti .
Tweeheid : Johannes de Doper en Jezus . Water en geest .
In volgende tabel worden acht teksten bij elkaar geplaatst : (1) Mc 1,8 . (2) Mt 3,11. (3) Lc 3,16 . (4) Joh 1,26 .(5) Hnd 1,5 . (6) Hnd 8,38 . (7) Hnd 11,16 . (8) Hnd 19,4 .
| 1. | Mc 1,8 | egô (ik) | ebaptisa (doopte) | humas (jullie) | hudati (met water) | ||||
| autos (hij) | de (echter) | baptisei (zal dopen) | humas (jullie) | pneumati hagiôi (met heilige geest) | |||||
| 2. | Mt 3,11 | egô (ik) | men (enerzijds) | humas (jullie) | baptizô (doop) | en hudati (met water) | eis metanoian (tot bekering) | ||
| autos (hij) | humas (jullie) | baptisei (zal dopen) | en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur) | ||||||
| 3. | Lc 3,16 | egô (ik) | men (enerzijds) | hudati (met water) | baptizô (doop) | humas (jullie) | |||
| autos (hij) | humas (jullie) | baptisei (zal dopen) | en pneumati hagiôi kai puri (met heilige geest en vuur) | ||||||
| 4. | Joh 1,26 | egô (ik) | baptizô (doop) | en hudati (met water) | |||||
| 5. | Hnd 1,5 | (hoti) Iôannès (want) (Johannes) | men (enerzijds) | ebaptisen (doopte) | hudati (met water) | ||||
| humeis (jullie) | de (echter) | en pneumati (met geest) | baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden) | hagiôi (heilige) | |||||
| 6. | Hnd 8,38 | (kai) (en) | ebaptisen (doopte) | auton (hem) | |||||
| 7. | Hnd 11,16 | Iôannès (Johannes) | men (enerzijds) | ebaptisen(doopte) | hudati (met water) | ||||
| humeis (jullie) | de (echter) | baptisthèsesthe (zullen gedoopt worden) | en pneumati hagiôi (met heilige geest) | ||||||
| 8. | Hnd 19,4 | Iôannès (Johannes) | ebaptisen baptisma (doopte een doopsel) | metanoias (van bekering) |
Mc 1,8.1. egô (ik) . persoonl. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Lat. ego . Ned. : ik . Fr. je . Hebr. ´ânî (653) en ´ânokhî (276) , samen (929) . Mc (14) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,50 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,26 . (9) Mc 13,6 . (10) Mc 14,19 . (11) Mc 14,29 . (12) Mc 14,36 . (13) Mc 14,58 . (14) Mc 14,62 .
Mc 1,8.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ebaptisa (ik doopte) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me . Deze werkwoordvorm komt nog slechts tweemaal voor in 1 Kor : (1) 1 Kor 1,14 . (2) 1 Kor 1,16 . Het is toch opvallend dat Johannes , die hier een getuigenis geeft , spreekt in de verleden tijd . In de parallelteksten bij de andere evangelisten staat de tegenwoordige tijd baptizô (ik doop) . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 . (5) Mc 6,14 . (6) Mc 6,24 . (7) Mc 7,4 . (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16 .
Mc 1,8.3.
persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 . Mc (13) : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 .(3) Mc
6,11 . (4) Mc
9,19 . (5) Mc
9,41 . (6): Mc
11,29 . (7) Mc
13,5 . (8) Mc
13,9 . (9) Mc
13,11 . (10) Mc
13,36 . (11) Mc
14,28 . (12) Mc
14,49 . (13) Mc
16,7 .
Mc 1,8.4. dat. onz. enk. hudati (met water) . Taalgebruik in het N.T. : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau . Mc (1) : Mc 1,8 . Een vorm van hudör (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 14,13 .
Mc 1,8.5.
pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (15) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
2,25 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
4,27 . (5) Mc
4,38 . (6) Mc
5,40 . (7) Mc
6,17 . (8) Mc
6,45 . (9) Mc
6,47 . (10) Mc
8,29 . (11) Mc
12,36 . (12) Mc
12,37 . (13) Mc
14,15 . (14) Mc
14,44 . (15) Mc
15,43 .
Mc 1,8.6.
de (echter) . Afkorting d' .. Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte
tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin
aan te duiden .
Mc (149 + 2 = 151) . In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 . In Mc
1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus
de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc
1,14 begint het optreden van Jezus .
Mc 1,8.7.
act. ind. fut. 3de pers. enk. baptisei (hij zal dopen) . Taalgebruik : baptisma
(doopsel) . Actief futurum 3de pers. enk. Hierin komen de paral van het
werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het N.T. : baptizô
(dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô
(dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc
1,8 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1)
Mc 1,4
. (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 (twee vormen) . (4) Mc
1,9 . (5) Mc
6,14 . (6) Mc
6,24 . (7) Mc
7,4 . (8) Mc
10,38 (twee vormen) . (9) Mc
10,39 (twee vormen) . (10) Mc
16,16 .
Mc 1,8.8.
persoonl. voornaamw. acc. mann. mv. humas (jullie, u) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
In twee verzen in Mc 1 : Mc (13) : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 .(3) Mc
6,11 . (4) Mc
9,19 . (5) Mc
9,41 . (6): Mc
11,29 . (7) Mc
13,5 . (8) Mc
13,9 . (9) Mc
13,11 . (10) Mc
13,36 . (11) Mc
14,28 . (12) Mc
14,49 . (13) Mc
16,7 .
Mc 1,8.9.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,8.10.
dat. onz. enk. pneumati van het zelfst. naamw. pneuma (geest) . Taalgebruik
in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (7) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,23 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
5,2 . (5) Mc
8,12 . (6) Mc
9,25 . (7) Mc
12,36 . In 23 verzen in Mc : pneuma (geest) . In 4 verzen een heilige geest
, in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of
onzuiver . (1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) . (2) Mc
1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc
1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc
1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi
= een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc
1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere
geest) . (6) Mc
1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan
de onzuivere geesten) . (7) Mc
2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest)
. (8) Mc
3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere
geesten) . (9) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) . (10) Mc
3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest)
. (11) Mc
5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi
= een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc
5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13)
Mc 5,13
(nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten)
. (14) Mc
6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn
tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc
7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest)
. (16) Mc
8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest)
.(17) Mc
9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc
9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc
9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest)
. (19b) Mc
9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi
akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc
9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi
akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
. (23) Mc
14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .
Mc 1,8.11.
dat. mann. + onz. enk. hagiô(i) van het bijvoegl. naamw. hagios (heilig)
. Taalgebruik in het N.T. : hagios
(heilig) . Taalgebruik in Mc : hagios
(heilig) .
Mc (2) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
12,36 . Een vorm van hagios (heilig) in Mc (7) : (1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) . (2) Mc
1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van
God) . (3) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) . (4) Mc
6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig
en heilig man) . (5) Mc
8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn
hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) . (7) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
.
Mc 1,8.10.
- 11. In vier verzen in Mc is een vorm van hagios (heilig) met een vorm van
pneuma (geest) :
(1) Mc
1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi
= met heilige geest) .
(2) Mc
3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion
= tegen de heilige geest.) .
(3) Mc
12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi
hagiôi = door de heilige geest) .
(4) Mc
13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest)
.
18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
De inleiding bereikt zijn hoogtepunt . Het hoofdpersonage van het verhaal (Jezus) wordt geïntroduceerd : Hij is zoon van God . Daarmee is zijn positie bepaald .
| Mc 1,9 - Mc 1,9 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van
Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
King James Bible . [9] And it came to pass in those days, that Jesus came from
Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.
Luther-Bibel . 9 Und es begab sich zu der Zeit, dass Jesus aus Nazareth in Galiläa
kam und ließ sich taufen von Johannes im Jordan.
Tekstuitleg van Mc 1,9 . Het vers Mc 1,9 telt 19 woorden en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,9 is 7313 (71 X 103) .
Jezus verliet Nazaret en Galilea en ging naar Judea . Er is een lange geschiedenis
waarbij Judea in het zuiden en Galilea in het noorden hun eigen weg gingen .
Een nationale staat die David (1010 - ongeveer 972) tot stand had gebracht en
onder zijn zoon Salomo (ongeveer 972-933) tot volle bloei was gekomen , werd
in 933 gesplitst in een Noordrijk met Samaria als hoofdstad en een Zuidrijk
met Jeruzalem als hoofdstad . Na de val van Samaria in 721 voor Christus verplaatsten
de Assyriërs onderdanige volkeren van locatie , waardoor in het Noordrijk
een vermenging van volkeren ontstond en geen zuiver etnisch ras meer aanwezig
was . Dat was een doorn in het oog van het Zuidrijk , waardoor de ‘Samaritanen’
een negatieve bijklank kregen . Uit bezorgdheid voor de religieuze integriteit
behandelde het Zuiden hun Noorderburen racistisch .
Rond de eeuwwisseling weken heel wat joden (inwoners uit Judea) uit lijfsbehoud
naar Galilea uit . Wellicht vormden ze er joodse gemeenschappen met hun synagogen
en hun eigen gebruiken. Ook de ouders van Jezus waren uitgeweken . Ze vonden
er een veilig onderkomen , asiel . Jezus behoorde tot de tweede generatie asielzoekers
. Hoe was de verhouding tot de autochtone bevolking , de 'Samaritanen' ?
Jezus bracht tot nu toe zijn leven door in Galilea , één van de
deelgebieden van de Romeinse provincie Palestina . Hij woonde in het dorp Nazaret
. Hij is een jood in de diaspora.
De evangelist Marcus vertelt ons niet hoe Jezus op de hoogte kwam van de joodse
vernieuwingsbeweging van Johannes de Doper in Judea . Wellicht was hij niet
de enige die hierover hoorde en niet de enige die ernaartoe trok .
Jezus ging naar Judea , naar de roots van zijn ouders en de roots van zijn godsdienst
. Hij werd aangetrokken door Johannes de Doper en liet zich dopen .
| Mc 1,4 | Mc 1,5 | Mc 1,9 |
| egeneto ("trad op") | kai (en) | kai (en) egeneto ... (het gebeurde) |
| exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem) | èlthen (ging) | |
| Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende) ... | pasa hè Ioudaia chôra kai hoi Hierosolumitai pantes (heel het Judese gebied en alle Jeruzalemmers) | Ièsous (Jezus) |
| en tèi erèmôi (in de woestijn) kèrussôn (verkondigende) | apo Nazareth tès Galilaias (van Nazaret van Galilea) | |
| baptisma metanoias (het doopsel van bekering) | kai ebaptizonto (en zij werden gedoopt) hup'autou (door hem) en tôi Iordanèi potamôi (in de stroom, de Jordaan) | kai ebaptisthè (en hij werd gedoopt) eis tèn Iordanèn (in de Jordaan) hupo Iôannou (door Johannes) |
| hup'autou (door hem) | hupo Iôannou (door Johannes) | |
| eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) | eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende de zonden van hen) | kai euthus anabainôn ek tou hudatos (en terstond opstijgend uit het water) |
| Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - | De doop van Jezus - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - |
Mc 1,9.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,9.2.
ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden,
gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . In Mc
1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc
1,9 is dat Jezus . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Mc 1 in 5
verzen : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,11 . (4) Mc
1,17 . (5) Mc
1,32 .
Mc 1,9.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,9.4.
aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw.
ekeinos (die) . Taalgebruik in het N.T. : ekeinos
(die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos
(die) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc
8,1 . (3) Mc
13,17 . (4) Mc
13,24 .
Mc 1,9.5.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de
/ het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
6,56 . (5) Mc
8,1 . (6) Mc
12,38 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,17 . (9) Mc
13,24 . (10) Mc
16,18 .
Mc 1,9.6.
dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag)
. Taalgebruik in het N.T. : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera
(dag) .
(1) Mc 1,9
(kai egeneto ...) . (2) Mc
8,1 . (3) Mc
13,17 . (4) Mc
13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera
(dag) in Mc in 23 verzen , in Mc 1 (2) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,13 .
Mc 1,9.3. - 6. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .
Mc 1,9.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) . . Taalgebruik in het
N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 * . (3) Mc
1,39 * . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
5,33 . (6) Mc
7,31 * . (7) Mc
8,10 * .
(8) Mc
10,45 / Mc
10,46 *. (9) Mc
10,50 . (10) Mc
11,13 . (11) Mc
14,3 . (12) Mc
14,41 . * (+ eis = naar) .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 . In Mc
1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc
1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc
1,39 naar heel Galilea .
Mc 1,9.8.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
7. - 8. Mc
1,9 en Mc
1,14 zijn aan elkaar gelinkt .
- Mc 1,9
: èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .
Mc 1,9.9.
apo (af, van-weg) . afkorting ap' . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12 = 45) . Mc (1 + 1 = 2) . (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,42 .
Mc 1,9.10. Nazaret komt slechts in Mc 1,9 bij Marcus voor .
Mc 1,9.11.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,9.12.
gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc
6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter
van Herodes .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc
3,7 . Verder : Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
.
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc
9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc
15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc
1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van
Galilea) .
Mc 1,9.13.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,9.14.
mediaal of pass. aor. 3de pers. enk. ebaptisthè (hij werd gedoopt , hij
dompelde zich onder) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het
N.T. : baptizô
(dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô
(dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc
1,9 . Een vorm van het werkw. baptizô (dopen) in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 .(2 vormen) . (4) Mc
1,9 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen :
(1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,8 (twee vormen) . (4) Mc
1,9 . (5) Mc
6,14 . (6) Mc
6,24 . (7) Mc
7,4 . (8) Mc
10,38 (twee vormen) . (9) Mc
10,39 (twee vormen) . (10) Mc
16,16 .
Mc 1,9.15. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,9.16.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,9.17. acc. vr. enk. iordanèn (Jordaan) van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het N.T. : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Mc : iordanès (Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 . Een vorm van iordanès (Jordaan) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 10,1 .
Mc 1,9.15.
- 17. - eis tèn iordanèn (naar de Jordaan) . Mc (1) Mc
1,9 .
- en tè iordanè(i) (in de Jordaan) . Mc (1) Mc
1,5 .
- peran tou iordanou (aan de overzijde van de Jordaan) . Mc (2) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
10,1 .
Mc 1,9.18.
hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het N.T. : hupo
(door) . Taalgebruik in Mc : hupo
(door) .
Mc (8 + 3 = 11) . hupo in Mc (8) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
2,3 . (4) Mc
4,21 . (5) Mc
4,32 . (6) Mc
5,26 . (7) Mc
8,31 . (8) Mc
13,13 . hup' in Mc (3) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
5,4 . (3) Mc
16,11 .
Mc 1,9.19.
gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
6,24 . (4) Mc
6,25 . (5) Mc
11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
| Mc 1,10 - Mc 1,10 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de
hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.
King James Bible . [10] And straightway coming up out of the water, he saw the
heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:
Luther-Bibel . 10 Und alsbald, als er aus dem Wasser stieg, sah er, dass sich
der Himmel auftat und der Geist wie eine Taube herabkam auf ihn.
Tekstanalyse van Mc 1,10 . Het vers Mc 1,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,10 is 12502 (2 X 7 X 19 X 47) . Mc 1,10 bestaat uit één samengestelde zin . Aan het hoofdwerkwoord gaat een participiumzin vooraf , die het onderwerp nadert bepaalt . Op het hoofdwerkwoord volgen twee participiumzinnen als lijdend voorwerp . Deze twee participiumzinnen zijn kruisgewijze opgebouwd . Eerste participiumzin : particpium - zelfstandig naamwoord . Tweede participiumzin : zelfstandig naamwoord - participium . De drie participia staan in de tegenwoordige tijd . Het is wel opmerkelijk dat bij het begin van de zin het participium anabainôn (opklimmend) staat en op het einde van de zin het tegengestelde particpium katabainon (neerdalend) . Concentrische opbouw !
Mc 1,10.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,10.2.
euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct,
zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus
(onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken)
.
Mc (40) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,18 . (4) Mc
1,20 . (5) Mc
1,21 . (6) Mc
1,23 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,30 . (10) Mc
1,42 . (11) Mc
1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding
tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op
een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers
zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er
lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Mc 1,10.3. actief participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud anabainôn (opstijgend) van het werkwoord anabainô (beklimmen, opstijgen) . Taalgebruik in het N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Gedoopt worden is afdalen in het water en eruit opstijgen . Anabainôn (opstijdend) komt overeen met het Hebreeuwse `oleh . Mc (1) : Mc 1,10 . Een vorm van anabainô (beklimmen, opklimmen) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .
Mc 1,10.4.
ek (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek
(uit) . Taalgebruik in Mc : ek
(uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,11 . (3) Mc
1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,25 . (2) Mc
1,26 .
Mc 1,10.5.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,10.6.
gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water) .
Taalgebruik in het N.T. : hudôr
(water) . Taalgebruik in Mc : hudôr
(water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau .
Mc (3) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
9,41 . (3) Mc
14,13 . Een vorm van hudôr (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,10 . (3) Mc
9,22 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
14,13 .
Mc 1,10.7.
ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 . Een vorm van eidon (ik zag) in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Zien veronderstelt een object of een objectzin . In de objectzin staat het werkwoord
in de accusatief (als onderwerp) . Maar in Mc
1,10 bij het werkwoord 'zien' wordt geen voorwerpzin gebruikt . Het object
staat in de accusatief en het werkwoord komt in geslacht en getal overeen met
het object , zo vertalen we echter : hij zag de hemel openscheuren (we zeggen
ook niet: wij zagen de hemel open te scheuren) en de geest als een duif naar
hem neerdalen . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag)
wordt in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor
in Mc 6,34
(hij ziet de menigte zonder herder) .
Mc 1,10.3. 7. part. aor. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij zag) (5 / 5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .
Mc 1,10.8. pass. part. praes. acc. mann. mv. schizomenous van het werkw. schizô (scheuren) . Taalgebruik in het N.T. : schizô (scheuren) . Taalgebruik in Mc : schizô (scheuren) . Mc (1) : Mc 1,10 . Een tweede vorm van schizô (scheuren) in Mc in Mc 15,38 .
Mc 1,10.9.
bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,32 .
Mc 1,10.10. acc. mann. mv. ouranous van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .
Mc 1,10.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,10.12.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(108) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,10.13. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . Een vorm van pneuma (geest) in Mc in 23 verzen . : In 4 verzen een heilige geest , in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of onzuiver . (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (6) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (7) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (8) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (10) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (14) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (16) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) .(17) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (19b) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . (23) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .
Mc 1,10.14.
hôs (zoals) . Taalgebruik in het N.T. : hôs
(zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs
(zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,22 . (3) Mc
4,26 . (4) Mc
4,27 . (5) Mc
4,31 . (6) Mc
4,36 . (7) Mc
5,13 . (8) Mc
6,15 . (9) Mc
6,34 . (10) Mc
7,6 . (11) Mc
8,9 . (12) Mc
8,24 . (13) Mc
9,21 . (14) Mc
10,1 . (15) Mc
10,15 . (16) Mc
12,25 . (17) Mc
12,31 . (18) Mc
12,33 . (19) Mc
13,34 . (20) Mc
14,48 . (21) Mc
14,72 .
Mc 1,10.15.
acc. vr. enk. peristeran van het zelfst. naamw. peristera (duif) . Taalgebruik
in het N.T. : peristera
(duif) . Taalgebruik in Mc : peristera
(duif) .
Mc (1) Mc
1,10 . Een vorm van peristera (duif) in Mc in 2 verzen : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
11,15 .
Mc 1,10.16.
act. part. praes. nom. + acc. onz. enk. katabainon van het werkw. katabainô
(neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het N.T. : katabainô
(neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Lc : katabainô
(neerdalen, afdalen) .
Mc (1) Mc
1,10 . Een vorm van katabainô (neerdalen, afdalen) in Mc in 6 verzen
: (1) Mc
1,10 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
9,9 . (4) Mc
13,15 . (5) Mc
15,30 . (6) Mc
15,32 .
Mc 1,10.17. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .
Mc 1,10.18. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .
| Mc 1,11 - Mc 1,11 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn
geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
King James Bible . [11] And there came a voice from heaven, saying, Thou art
my beloved Son, in whom I am well pleased.
Luther-Bibel . 11 Und da geschah eine Stimme vom Himmel: Du bist mein lieber
Sohn, an dir habe ich Wohlgefallen.
Tekstuitleg van Mc 1,11 . Dit vers Mc 1,11 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 1,11 is 8654 (2 X 4327) . De hemelse stem . Er is geen werkw.legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen , zo ook in Mc 9,7 .
Mc 1,11.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
Mc 1,11.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus .
Mc 1,11.3.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Mc in 7 verzen
: 6 + 1 : Mc
15,37 (acc. enk. fônèn) .
Mc 1,11.4. ek (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .ek of ex in Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .
Mc 1,11.1. - 4. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .
Mc 1,11.5.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 1 (4) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,11 . (3) Mc
1,13 . (4) Mc
1,20 .
Mc 1,11.6. gen. mann. mv. ouranôn (van de hemelen) van het zelfst. nw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het N.T. : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) : Mc 1,11 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .
Mc 1,11.4. - 6. ek tôn ouranôn = uit de hemelen . Hapax in Mc .
Mc 1,11.1.
- 6. Wordt het onderscheid tussen Johannes de Doper , de wegbereider , en Jezus
getypeerd door de zinnen die volgen op hun inleiding :
- Mc 1,11
: kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er was een stem
uit de hemel .
- Mc 1,3
: fônè boôntos en tè(i) erèmô(i) = een
stem van een roepende in de woestijn .
Johannes de Doper wordt als wegbereider aangekondigd door een schriftcitaat
, Jezus wordt door een goddelijke openbaring geïnitieerd , waarbij een
stem de identiteit van Jezus verklaart .
Mc 1,11.7. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .
8. act. . ind. praes. 2de pers. enk. ei van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .
Mc 1,11.7.
- 8. su ei (jij bent, gij zijt) . Mc (5 / 9) : (1) Mc
1,11 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
14,61 . (5) Mc
15,2 .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc
1,11) : su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht
op toehoorders , vandaar : houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het
Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal
: houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc
15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden
tijd van het werkw. nl. èn = hij was .
Mc 1,11.9.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,11.10.
nom. mann. enk. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) .Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils . Mc (19) . Mc (19) Mc
1,11 . (2) Mc
2,10 ** . (3) Mc
2,28 **. (4) Mc
3,11 * . (5) Mc
6,3 . (6) Mc
8,38 ** . (7) Mc
9,7 . (8) Mc
9,9 ** . (9) Mc
9,31 ** . (10) Mc
10,33 ** . (11) Mc
10,45 ** . (12) Mc
10,46 . (13) Mc
12,35 . (14) Mc
12,37 . (15) Mc
13,32 . (16) Mc
14,21 ** . (17) Mc
14,41 ** . (18) Mc
14,61 . (19) Mc
15,39 . Een vorm van huios
(zoon) in Mc in 33 verzen , Mc 1 (2) : (1) Mc
1,1 (gen. huiou) . (2) Mc
1,11 (nom. huios) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin
zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus
heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt
in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen
ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .
Mc 1,11.11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc (34) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .
Mc 1,11.9.
- 11. ho huios mou (mijn zoon) . Mc (2) : (1) Mc
1,11 . (2) Mc
9,7 .
Merk volgende gelijkenissen op :
- Mc 1,11
: su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon .
- Mc 3,11
: su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God .
- Mc 8,29
= Mc 14,61
: su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2
: su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden
.
Mc 1,11.14.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans.
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,11.15. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - zie ook Joh 1,19-34 -
Evangelielezing 1ste
(eerste zondag in de veertigdagentijd B : Mc 1,12-15
(Taalgebruik : Mc
1,12-15) .
In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij
in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij
verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes
was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap.
Hij zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft
in de Blijde Boodschap."
In Mc
1,9-11 werd het hoofdpersonage (Jezus) geïntroduceerd . In Mc
1,12-13 wordt de tegenstander van God (de satan) geïntroduceerd .
Jezus wordt aan een test onderworpen . Die test houdt verband met zijn godservaring
. De plaats van de test is de woestijn , een plaats die herinneringen oproept
aan Mozes . In de woestijn verbleef Mozes en het volk van God gedurende veertig
jaar in de woestijn . De woestijn is ook de plaats waar Jezus alleen is .
Het is de plaats waar hij moet kiezen tussen God of satan . De woestijn is
de testplaats .
De elementen van de twee verhalen (zoonschap en beproeving : Mc
1,9-11 , Mc
1,12-13) lopen als een rode draad door het hele evangelie om te eindigen
in de veroordeling van Jezus omwille van zijn zoonschap van God en in de beproeving
van het kruis van waarop Jezus roept : “Mijn God , mijn God , waarom
hebt U mij verlaten .” Doopsel en verblijf in de woestijn geven de twee
aspecten van de relatie tot God aan : Godsverbondenheid en verlatenheid door
God .
| Mc 1,12 - Mc 1,12 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : en de geest werpt hem buiten rechtstreeks / zonder
omwegen naar de woestijn .
Statenvertaling . 12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
King James Bible . And immediately the Spirit driveth him into the wilderness.
Luther-Bibel . Und alsbald trieb ihn der Geist in die Wüste;
| Mc 1,12 | Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon |
| Mt 4,1 | tote ho Ièsous anèchthè eis tèn erèmon hupo tou pneumatos |
| Lc 4,1 | kai ègeneto en tô pneumati en tè erèmô |
Tekstuitleg van Mc 1,12 . Dit vers Mc 1,12 bestaat uit 9 woorden ( 2 - 4 - 3 ) en 16 lettergrepen ( 3 - 3 - 2 - 3 - 5 ) . De getalwaarde van Mc 1,12 is 3761 (priemgetal) . De achtste en de zestiende lettergreep eindigen op -on . Woordvolgorde van de zin : nevenschikkend voegwoord - bijwoord - onderwerp - lijdend voorwerp - werkwoord - plaatsbepaling . Bij ek-ballei (hij werpt buiten) zouden we een bepaling met ek- (uit, buiten) verwachten . Onmiddellijk na ekballei (hij werpt buiten) volgt de plaatsbepaling eis... (naar) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . In Mc 1,12-13 komt 4X het verbindingswoordje kai (en) voor ; 1X in Mc 1,12 en 3X in Mc 1,13 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
2. euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het N.T. : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
4. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,26 . (4) Mc
3,29 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
5,8 . (7) Mc
7,25 . (8) Mc
9,17 . (9) Mc
9,20 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
13,11 . (12) Mc
14,38 .
3. - 4. to pneuma (de geest) . Taalgebruik : to pneuma (de geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 . Het komt bij Marcus in twaalf verzen voor . De band tussen de geest en Jezus wordt verbeeld in het verhaal van het doopsel (Mc 1,10) . In Mc 1,10 bestaat het gedeelte over de geest uit 8 woorden en 16 lettergrepen ; in Mc 1,12 bestaat het gedeelte over de geest uit 9 woorden en 16 lettergrepen . In Mc 1,10 wordt Jezus met de geest vervuld en ervaart hij de relatie van God tot hem als een relatie van een vader tot zijn zoon . Na deze diepe ervaring wordt Jezus aan een test onderworpen . Ons Nederlands woordgebruik helpt ons het woordgebruik van Marcus te begrijpen . Marcus zegt dat de geest hem uitwerpt naar ... om ; Marcus gebruikt het werkwoord uitwerpen (ekballô), wij gebruiken onderwerpen . Marcus (Mc 1,13) gebruikt èn ... peirazomenos (was onderzoekend , testend , beproevend = werd getest / beproefd) . Wij gebruiken woorden als testen , toetsen , proefwerken maken , tentamens / examens afleggen .
6. ekballei (hij gooit eruit ; hij werpt buiten) van het werkwoord ekballô
(buitenwerpen, buitengooien) . In negen verzen in de bijbel , slechts in het
N.T. . Deze vorm van het werkwoord ekballô (buitenwerpen) komt bij Marcus
slechts in twee verzen voor . Het komt nog voor in Mc
3,22 : hoti en archonti tôn daimoniôn ekballei ta daimonia
/ dat hij krachtens de vorst van de duivels werpt hij de duivels uit , waar
gezegd wordt dat Jezus in het bezit is van Beëlzebub en in zijn naam
de duivels uitdrijft . Meestal wordt dit werkwoord gebruikt om een duiveluitdrijving
te beschrijven . Jezus werpt een onzuivere geest uit .
De zin komt wat bevreemdend over . Wil de evangelist Marcus het onderscheid
tussen Johannes de Doper en Jezus beklemtonen door Jezus uit de kring van
Johannes de Doper te gooien ? Johannes doopt met water in de Jordaan . Jezus
wordt de woestijn ingestuurd waar hij getest wordt . Het werkwoord doet ook
denken aan het verhaal van Jona die na drie dagen door de vis werd uitgespuwd
. De koppeling van de rivier de Jordaan en de woestijn doet denken aan de
doortocht door de Rode Zee en de tocht door de woestijn door de Hebreeën
onder leiding van Mozes .
- ekballein (buitenwerpen, buitengooien) . Infinitief . In zes verzen in de
bijbel , slechts in het N.T. . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc
3,15 . (2) Mc
3,23 . (3) Mc
11,15 . In Mc
3,23 : pôs dunatai satanas satanan ekballein (hoe kan satan de satan
buitengooien) . In de zending van de twaalf (Mc
3,15) zegt Jezus : kai echein exousian ekballein ta daimonia (en macht
te hebben de duivels buiten te gooien) . In Mc
11,15 wordt ekballein (buitengooien, buitenwerpen) gebruikt bij de zuivering
van de tempel.
Bijbeldeskundigen spreken vaak over het gebruik van het praesens historicum door de synoptici . De evangelist Marcus zou een tegenwoordige tijd gebruiken waar wij normalerwijze een verleden tijd zouden gebruiken . Misschien is er meer te ontdekken . Misschien zit er een systematiek in het gebruik van het praesens . Daarom zullen we hier de zinnen met het praesens bij elkaar zetten . Zie het gebruik van het praesens wanneer Jezus en zijn leerlingen of soms Jezus zelf naar een bepaalde plaats gaan / gaat . Deze teksten vormen een geheel van teksten. Zie erchontai (zij gaan) in twaalf verzen bij Marcus , zie Mc 11,1 .
7. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In
13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
9. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van het
zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
7. - 9. eis tèn erèmon : naar de woestijn) . Mc (1) : Mc 1,12 .
| Mc 1,13 - Mc 1,13 . Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling : en hij werd in de woestijn gedurende 40 dagen getest
door de satan en hij was met de wilde dieren, en de engelen dienden hem.
Statenvertaling . 13 En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht
van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.
King James Bible . And he was there in the wilderness forty days, tempted of
Satan; and was with the wild beasts; and the angels ministered unto him.
Luther-Bibel . und er war in der Wüste vierzig Tage und wurde versucht
von dem Satan und war bei den wilden Tieren, und die Engel dienten ihm.
Tekstanalyse van Mc 1,13 . Dit vers Mc 1,13 telt 22 (2 X 11) woorden , 106 (2 X 53) letters en 45 (3 X 3 X 5) lettergrepen . De getalwaarde van Mc 1,13 is 10566 (2 X 3 X 3 X 587) . Mc 1,13 bestaat uit drie nevenschikkende zinnen , telkens ingeleid door het nevenschikkend voegwoord kai (en) .
Mc 1,13.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 .
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Taalgebruik : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,6 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,23 . (5) Mc
1,33 . (6) Mc
1,45 .
Mc 1,13.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,13.4.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i)
= in de woestijn : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 . Verder in (4) Mc
1,16 . (5) Mc
1,22 . (6) Mc
1,23 .
5. datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het
zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het N.T. : erèmos
(woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos
(woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn)
(39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten)
. désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen
, aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is
verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1
: (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc
1,13 . (5) Mc
1,35 . (6) Mc
1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc
1,3 . (2) Mc
1,4 . (3) Mc
1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc
1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc
1,45 .
In Mc 1,3
wordt Js geciteerd . In Mc
1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de
Doper , in Mc
1,12 en Mc
1,13 in de persoon van Jezus .
3. - 5. en tèi erèmôi (in de woestijn) . Taalgebruik : erèmos (woestijn, eenzaam) , Mc 1,12 . Datief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
De sterke gelijkenis tussen enerzijds Marcus en anderzijds Exodus schetst het beeld van Mozes en de nieuwe Mozes . Zoals Mozes in de woestijn heeft verbleven , zo ook Jezus .
| Mc 1,13 | Ex 34,28 | Ex 24,18 |
| kai (en) èn (hij was) | wajëhi - kai (en) èn (hij was) | wajëhi Mosjèh - kai (en Mozes) èn (hij was) |
| en tèi erèmôi (in de woestijn) | sjâm `im adonaj - ekei (daar) Môusès (Mozes) enantion kuriou (tegenover de Heer) | ekei (daar) bâhâr - en tôi horei (op de berg) |
| tesserakonta hèmeras (veertig dagen) | ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten) | ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten) |
| 7 woorden - 15 lettergrepen | lèhèm lo´ ' âhal ûmaîm lo' sjâthâh - arton ouk efagen kai hudôr ouk epien (brood at hij niet en water dronk hij niet) | |
| 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - | De nieuwe stenen platen : Ex 34,1-35 - | Het verbond : Ex 24,1-18 - |
7.
-- hèmeras tinas (bepaalde / enkele dagen) . Taalgebruik : hèmera
(dag) , zie Mc
1,13 . In vier verzen in het N.T. , enkel in Hnd : (1) Hnd
9,19 . (2) Hnd
10,48 . (3) Hnd
16,12 . (4) Hnd
24,24 .
- hèmera (dag) . Nominatief of datief (hèmerai)
enkelvoud .
| hèmera (dag) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. en dat. vr. enk. hèmera(i) | 854 | 750 | 104 | 13 | 3 | 26 | 17 | 12 | 46 | 4 | 42 | 59 | ||
| gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras | 799 | 586 | 124 | 13 | 11 | 14 | 8 | 40 | 34 | 12 | 38 | 46 | ||
| acc. vr. enk. hèmeran | 266 | 210 | 56 | 4 | 2 | 7 | 3 | 19 | 20 | 1 | 13 | 16 | ||
| gen. vr. mv. hèmerôn | 206 | 184 | 22 | 3 | 2 | 4 | 1 | 8 | 3 | 1 | 9 | 10 | 2 | 1 |
| dat. vr. mv. hèmerais | 228 | 180 | 48 | 6 | 5 | 18 | 2 | 10 | 4 | 3 | 29 | 31 | ||
| totaal |
8. pass. part. praes. nom. man. enk. peirazomenos (bekoord) van het werkw.
peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het N.T. : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare
(proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh
.
Mc (1) : (1) Mc
1,13 . Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc :
(1) Mc
1,13 . (2) Mc
8,11 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
12,15 .
Mc 1,13.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und . In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,15 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,24 . (8) Mc 1,44
11. gen. mann. enk. satana (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) .
Taalgebruik in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (1) : (1) Mc
1,13 . Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
Mc 1,13.12.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,13.14.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
Mc 1,13.15. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20
Mc 1,13.17.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
18. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,5 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
1,22 . (4) Mc
1,36 .
19. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper)
. Taalgebruik in het N.T. : aggelos
(engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos
(engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager
uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (3) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
12,25 . (3) Mc
13,32 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,13 . (3) Mc
8,38 . (4) Mc
12,25 . (5) Mc
13,27 . (6) Mc
13,32 .
21. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
1,18 . (3) Mc
1,25 . (4) Mc
1,27 . (5) Mc
1,30 . (6) Mc
1,37 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,41 . (9) Mc
1,43 . (10) Mc
1,44 .
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 -
Herodias neemt het niet dat Herodes de levieten wordt gelezen door de profeet uit de woestijn , Johannes de Doper . Wellicht heeft zij erop aangedrongen om hem gevangen te zetten . Hij is een lastpost tussen hun liefdesavontuur ; zij en koning Herodes . Werd er een prijs beloofd aan wie hem zou uitleveren ? Wellicht iemand uit de intieme kring van Johannes speelt zijn meester in handen van Herodes . De groep leerlingen van Johannes de Doper vlucht verschrikt weg .
Jezus gaat naar Galilea terug nadat Johannes is overgeleverd en in handen van koning Herodes komt . De overlevering van Johannes kondigt reeds aan wat later met Jezus zal gebeuren . Jezus zal overgeleverd worden door iemand van zijn intieme kring , de twaalf ; hij levert Jezus over aan de hogepriesters en de oudsten , die hem vervolgens overleveren aan Pilatus , die hem tenslotte laat kruisigen . Meningsverschillen worden wellicht verabsoluteerd en leiden tot een extreme houding die ertoe leidt dat Johannes de Doper , en later Jezus , worden overgeleverd om uit de weg te worden geruimd . Een wettelijke weg wordt gezocht om tegenstanders te liquideren .
| Mc 1,14 - Mc 1,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea,
predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
King James Bible . Now after that John was put in prison, Jesus came into
Galilee, preaching the gospel of the kingdom of God,
Luther-Bibel . 14 Nachdem aber Johannes gefangen gesetzt war, kam Jesus nach
Galiläa und predigte das Evangelium Gottes
Tekstanalyse van Mc 1,14 . Dit vers Mc 1,14 telt 19 woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,14 is 9163 (7 X 7 X 11 X 17) .
Mc 1,14.1.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc
1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc
1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc
1,29 (meta + gen. : met) .
Mc 1,14.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte
tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin
aan te duiden .
In vijf verzen in Mc
1 : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,30 . (4) Mc
1,32 . (5) Mc
1,45 . In Mc
1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus
de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc
1,14 begint het optreden van Jezus .
Mc 1,14.1. - 2. meta de (na echter) . Mc (2) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 16,12 . Telkens met acc. . Na Johannes de Doper komt Jezus .
Mc 1,14.3.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,14.1.
- 3. meta de to . Mc (1) Mc
1,14 . meta to . Mc (2) : (1) Mc
14,28 . (2) Mc
16,19 . Vermits Mc 16,9-20 als een latere toevoeging wordt beschouwd , resten
nog Mc
1,14 en Mc
14,28 . Ze zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: meta de to paradothènai ton Iôannèn = na echter het overgeleverd
zijn van Johannes .
- Mc 14,28
: meta to egerthènai me = na het opgewekt zijn van mij .
De overlevering gebeurde in het verleden , de opwekking moet nog in de toekomst
plaatsvinden . Toch staat in beide verzen een pass. inf. aor. . Deze twee verzen
omvatten het hele openbaar leven van Jezus .
Mc 1,14.4.
passief infinitief aorist paradothènai (overgeleverd zijn) van het werkw.
paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in het N.T. : paradidômi
(overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi
(overleveren) .
Mc (1) Mc
1,14 . Dit thema speelt in het hele evangelie een belangrijke rol . Het
bevat twee aspecten . Enerzijds is er de overlevering die tot de dood leidt
. (Zo kan het niet langer blijven doorgaan.) Johannes de Doper wordt overgeleverd
. Jezus wordt overgeleverd en ook de leerlingen van Jezus worden overgeleverd
. De overlevering gebeurt door iemand uit de intieme kring : huisgenoten , familiekring
, leerlingengroep . Het is het gevolg van een onoverbrugbaar meningsverschil
. Innerlijke verscheurdheid , met gevolg : prooi voor de vijand , de Romeinen
. Verscheurdheid omtrent geweldloosheid of gewelddadig verzet . Anderzijds is
er de overlevering die tot leven leidt (de traditio) .
Mc 1,14.5.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,7 . (3) Mc
1,9 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,16 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,20 . (8) Mc
1,45 .
Mc 1,14.6.
acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. :
Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Johannes de Doper : Mc (6) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
6,16 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,20 . (5) Mc
8,28 . (6) Mc
11,32 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès)
. (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn) .
1. - 6. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: meta de to paradothènai ton iôannèn (nadat echter Johannes
werd overgeleverd) .
- Mc 14,28
: alla meta to egerthènai me (maar nadat ik werd opgewekt) .
Mc 1,14.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. èlthen (hij ging) . . Taalgebruik in het
N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 * . (3) Mc
1,39 * . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
5,33 . (6) Mc
7,31 * . (7) Mc
8,10 * .
(8) Mc
10,45 / Mc
10,46 *. (9) Mc
10,50 . (10) Mc
11,13 . (11) Mc
14,3 . (12) Mc
14,41 .
Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 1 (8) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,14 . (4) Mc
1,24 . (5) Mc
1,29 . (6) Mc
1,39 . (7) Mc
1,40 . (8) Mc
1,45 .
In Mc 1,9
gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc
1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc
1,39 naar heel Galilea .
Mc 1,14.8.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,14.9.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (4) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,17 . (4) Mc
1,25 .
In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc
1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc
1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc
1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc
1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc
1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc
1,25 (nom. Ièsous) .
Mc 1,14.7.
- 9. Mc
1,9 en Mc
1,14 zijn aan elkaar gelinkt .
- Mc 1,9
: èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .
Mc 1,14.10.
eis (naar, tot) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . D. nach .
E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,9 . (3) Mc
1,10 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,21 . (7) Mc
1,28 . (8) Mc
1,29 . (9) Mc
1,35 . (10) Mc
1,38 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,44 . (13) Mc
1,45 .
Mc 1,14.11.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,14.12.
acc. vr. enk. Galilaian (Galilea) . Taalgebruik in N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) .
eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
Mc 1 : (1) Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
. (2) Mc
1,14 (acc. : eis tèn galilaian = naar Galilea) . (3) Mc
1,16 (gen. : para tèn thalassan tès Galilaias = langs het
meer van Galilea) . (4) Mc
1,28 (gen. : eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (5) Mc
1,39 (acc. : eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea)
.
(1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea) .
Verdere verzen in Mc 1 omsluiten verschillende verhalen : Mc
1,14 , Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) en Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea)
Jezus ging naar Galilea . In feite ging Jezus terug naar Galilea , want in
Mc 1,9
is er de eerste keer sprake over Jezus die van Nazaret in Galilea naar Judea
ging . Hoelang Jezus in Judea is gebleven , weten we niet . Wel kennen we de
aanleiding waarom Jezus naar Galilea ging , namelijk de uitlevering van Johannes
(de Doper) . Uit het vervolg van het evangelie weten we dat de gevangenneming
het signaal was om uit te wijken - voor dreigend gevaar . Wellicht moeten we
dit voortdurend voor ogen houden wanneer Jezus van de ene naar de andere plaats
ging : het gevaar dreigde . Mc
3,7 gebruikt het woord uitwijken wegens gevaar (Grieks : anachôreô)
, terwijl het bij Matteüs met deze betekenis veelvuldig voorkomt .
In Mc
14,28 kondigt Jezus bij zijn afscheid aan dat hij na zijn opwekking zijn
leerlingen zal voorgaan naar Galilea . Jezus haalt hierbij een schrifttekst
aan : 'Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid' . De aansporing
om naar Galilea te gaan in Mc
16,7 houdt in dat hij er de verstrooide leerlingen zal verzamelen .
Mc 1,14.10. - 12. eis tèn galilaian (naar Galilea) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking : eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) .
Mc 1,14.13.
act. part. praes. nom. mann. enk. kèrussôn (verkondigend) van het
werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,14 . (3) Mc
1,39 . In Mc
1,4 en Mc
1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn
een object : Mc
1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc
1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc
1,14 en Mc
1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
Een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) in Mc 1 (6) : (1)
Mc 1,4
. (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,14 . (1) Mc
1,38 . (3) Mc
1,39 . (1) Mc
1,45 .
Mc 1,14.14.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,14 (acc.) (2X) . (4) Mc
1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het
zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc
1,10 (acc.) . (2) Mc
1,12 (nom.) . (3) Mc
1,26 (nom.) .
Mc 1,14.15.
accusatief onzijdig enkelvoud euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in het N.T.
: euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel .
Mc (4) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
13,10 . (3) Mc
14,9 . (4) Mc
16,15 . De acc. onz. enk. euaggelion (evangelie) is telkens lijdend voorwerp
van een vorm van het werkw. kèrussô (verkondigen) .
In Mc 1 een vorm van euaggelion (goede boodschap) in drie verzen : (1) Mc
1,1 (gen. euaggeliou) . (2) Mc
1,14 (acc. euaggelion) . (3) Mc
1,15 (dat. euaggeliô(i) .
In Mc 1,4
trad Johannes de doper verkondigend op . In Mc
1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14
: èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian kèrussôn
(ging Jezus naar Galilea verkondigend) .
- Mc 1,39
: kai èlthen kèrussôn ... eis holèn tèn Galilaian
(en hij ging verkondigend ... naar heel Galilea) .
STAP VOOR STAP !
Mc 1,14.14.
- 15. to euaggelion (het evangelie) . Een vorm van euaggelion
(goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt
voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc.
to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
Mc 1,14.16.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. :the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,10 . (3) Mc
1,13 . (4) Mc
1,14 . (5) Mc
1,15 . (6) Mc
1,19 . (7) Mc
1,24 . (8) Mc
1,44 .
In Mc
1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea naar Judea . Hij liet zich dopen,
ging in de leer bij Johannes en was wellicht een leerling van Johannes. Jezus
week uit naar Galilea bij de gevangenneming van Johannes. Jezus voelde zich
eveneens bedreigd. Hij heeft dus wellicht behoord tot de kring van Johannes.
Wanneer Jezus naar Galilea terugging, was hij een ander mens. Hij wilde de
blijde boodschap van God verder verkondigen, omdat Johannes de Doper het niet
meer kon. We treffen in Mc
14,28 dezelfde zinsconstructie als in Mc
1,14 aan. Bij Mc
14,28 hoort Mc
16,7 . Na de dood van Jezus gingen de leerlingen naar Galilea, zoals Jezus
het toendertijd gedaan heeft. Het is alsof de geschiedenis zich herhaalt.
Zo hebben we hier een samenhang tussen het begin en het einde van het evangelie.
Aan Mc
14,28 gaat een bijbelcitaat vooraf : "Ik zal de herder slaan en de
schapen zullen verstrooid worden." Het wordt duidelijk wat Jezus bedoelde
met de zin: "Nadat ik ben verrezen, zal ik je voorgaan naar Galilea."
Jezus zal er zijn verstrooide leerlingen verzamelen. Dat heeft Jezus wellicht
ook gedaan wanneer hij na de gevangenneming van Johannes naar Galilea ging.
Het is opvallend dat Jezus naar Galilea ging en leerlingen riep. Wellicht
is hij begonnen met de verstrooide leerlingen van Johannes de Doper te verzamelen,
te hergroeperen.
Het terugkeren van Jezus naar Galilea mag niet geïnterpreteerd worden als een gaan naar huis , als een terug opnemen van zijn vroegere taak . Jezus gaat ook niet naar Nazaret (volgens Marcus) . In Mc 1,9 zegt Marcus dat Jezus van Nazaret van Galilea kwam . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea en in Mc 1,21 naar Kafarnaüm . Er is een concentrische of een chiastische structuur: Nazaret - Galilea - Galilea - Kafarnaüm . Jezus ging terug en ging doen wat in het verlengde van Johannes de Doper lag . Jezus ging terug om leraar te zijn en verzamelde rond zich leerlingen . Het lijkt erop dat Jezus de plaats van Johannes ging innemen . Het eerste wat Jezus deed bij zijn terugkeer, was naar het meer van Galilea gaan om leerlingen rond zich te verzamelen . Dan ging hij naar Kafarnaüm , niet naar Nazaret, en ging er onderwijzen .
In het hele Marcusevangelie is er een zekere dubbelzinnigheid te bespeuren . Enerzijds wilde Jezus de blijde boodschap verkondigen en zieken genezen , en anderzijds (althans tot Mc 8,27 ) was hij op zijn hoede voor gevaar . Zelfs vanaf zijn eerste optreden in de synagoge van Kafarnaüm legde hij het zwijgen op aan de man met een onreine geest . Jezus vreesde de tegenstand en de mogelijkheid hetzelfde lot als Johannes de Doper te ondergaan . Het wijken hoeft niet persé negatief geïnterpreteerd te worden . Jezus kon ook vrezen dat een vroegtijdige gevangenis een einde kon stellen aan het werk van Johannes de Doper en van de voortzetting door Hem .
"Ik zal je voorgaan naar Galilea" zei Jezus vooraleer hij in Jeruzalem de kruisdood zou sterven . De leerlingen van Jezus wisten dat Johannes de Doper was gevangen genomen en hadden meegemaakt dat hij werd gedood . Maar het werk van Johannes de Doper was verder gegaan . Daartoe had Jezus het initiatief genomen . Hij was naar Galilea gegaan , leerlingen rond zich verzameld en het Rijk Gods verkondigd . De dood van Jezus hoefde niet het einde te zijn . Via de verhalen van Elia en Elisa verwoordden de evangelisten het heengaan van Jezus naar God en de zending van zijn geest over de apostelen . Het teruggaan van de leerlingen naar Galilea kan dus wijzen op een voortzetting van het werk van Jezus . Niet het optreden van Johannes de Doper en zijn boodschap stonden centraal , voortaan stonden het lijden en de dood van Jezus en zijn boodschap centraal .
| Mc 1,15 - Mc 1,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods
nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
King James Bible . And saying, The time is fulfilled, and the kingdom of God
is at hand: repent ye, and believe the gospel.
Luther-Bibel . 15 und sprach: Die Zeit ist erfüllt und das Reich Gottes
ist herbeigekommen. Tut Buße und glaubt an das Evangelium!
Tekstuitleg van Mc 1,15 . Dit vers Mc 1,15 telt 18 (2 X 3 X 3) en 91 letters . De getalwaarde van Mc 1,15 is 9389 (41 X 229) .
Mc 1,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en .
Mc 1,15.2.
act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het
werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,15 . (3) Mc
1,24 . (4) Mc
1,25 . (5) Mc
1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord
legô (zeggen) gebruikt .
Mc 1,15.3. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .
1. - 2. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .
Mc 1,15.5.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc
1,4 . (2) Mc
1,6 . (3) Mc
1,7 . (4) Mc
1,11 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,15 . (7) Mc
1,17 . (8) Mc
1,24 . (9) Mc
1,25 . (10) Mc
1,31 . (11) Mc
1,32 . (12) Mc
1,45 .
Mc 1,15.6. nom. mann. enk. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het N.T. : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment) . Mc (3) (1) Mc 1,15 . (2) Mc 11,13 . (3) Mc 13,33 .
Mc 1,15.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc
1 niet in vijf verzen : (1) Mc
1,1 . (2) Mc
1,2 . (3) Mc
1,3 . (4) Mc
1,8 . (5) Mc
1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen
we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met
Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze
verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van
een verhalende tekst : en ... en ... en .
Mc 1,15.8. act. ind. perf. 3de pers. enk. èggiken van het werkw. eggizô (naderen) . Taalgebruik in het N.T. : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) . Mc (2) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 14,42 .
Mc 1,15.9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .
Mc 1,15.10.
nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia
(koninkrijk) .
Mc (7) : (1) Mc
1,15 (nom.) . (2) Mc
3,24 (nom.) . (3) Mc
4,26 (nom.) . (4) Mc
10,14 (nom.) . (5) Mc
11,10 (nom.) . (6) Mc
13,8 (nom.) . (7) Mc
14,25 (dat.) .
Mc 1,15.11.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc
1,1 (onz.) . (2) Mc
1,10 (mann.) . (3) Mc
1,13 (mann.) . (4) Mc
1,14 (mann.) . (5) Mc
1,15 (mann.) . (6) Mc
1,19 (mann.) . (7) Mc
1,24 (mann.) . (8) Mc
1,44 (mann.) .
Mc 1,15.9. - 12. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 10,14 (nom.) .
Mc 1,15.16.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,4 . (4) Mc
1,5 . (5) Mc
1,8 . (6) Mc
1,9 . (7) Mc
1,11 . (8) Mc
1,13 . (9) Mc
1,15 . (10) Mc
1,16 . (11) Mc
1,19 . (12) Mc
1,20 . (13) Mc
1,23 .
Mc 1,15.17.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,5 . (3) Mc
1,15 . (4) Mc
1,19 . (5) Mc
1,20 . (6) Mc
1,44 .
Mc 1,15.18.
dat. onz. enk. euaggeliô(i) van het zelfst. naamw. euaggelion (goede boodschap)
. Taalgebruik in het N.T. : euaggelion
(evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion
(evangelie) . eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile
. D. Evangelium . E. gospel . Mc (1) : Mc
1,15 .
Mc 1,1
zegt : begin van de blijde boodschap van Jezus Christus , zoon van God . In
Mc 1,15
luidt de blijde boodschap : ... het koninkrijk van God is nabij .
Mc 1,15.17.
- 18. Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat.
(1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen.
(tou) , dat. tô(i) , acc. to .
In twee complementaire zinnen in Mc
1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal
voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede
boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft
in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc
1,1 en Mc
1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord
euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô
(verkondigen) voor , nl. Mc
16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .
23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mc 1,16-20 - Mt 4,18-22 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20
- ABOGUNRIN, S.O. “The Three Variant Accounts of Peter’s Call: A Critical and Theological Examination of the Texts”, New Testament Studies: An International Journal of Studiorum Novi Testament Societas, Cambridge, University Press, Vol. 31, 1985, pp.587-602. Zie websites : http://www.uiartsfaculty.net/cv/showcv.php?id=196 . http://www.ui.edu.ng/SOKAbogunrin .
structuur van de pericope
De pericope bestaat uit vijf verzen . De pericope bestaat uit een dubbel - parallel - verhaal : Mc 1,16-18 en Mc 1,19-20 .
| 1. Jezus | 2. leerlingen | 3. Jezus | 4. de leerlingen |
| Mc 1,16 - Mc 1,17 | Mc 1,18 | Mc 1,19 - Mc 1,20 | Mc 1,19 - Mc 1,20 |
| Mc 1,16 - Mc 1,16 - 23. Roeping van de eerste leerlingen : Mc 1,16-20 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En wandelende bij de Galilese zee, zag Hij Simon en Andreas,
zijn broeder, werpende het net in de zee (want zij waren vissers);
King James Bible . [16] Now as he walked by the sea of Galilee, he saw Simon
and Andrew his brother casting a net into the sea: for they were fishers.
Luther-Bibel . 16 Als er aber am Galiläischen Meer entlangging, sah er Simon
und Andreas, Simons Bruder, wie sie ihre Netze ins Meer warfen; denn sie waren
Fischer.
Hebr. tekst . mëphârëshîm (piel part. mv. phârash)
miphërashîm (zelfst. nw. mv. miphërash : netten) bajjâm
(bë - ha -jâm : in de zee) .
Terwijl hij langs het meer van Galilea wandelde = tijdens zijn wandeling langs
het meer van Galilea
Tekstanalyse van Mc
1,16 . Dit vers Mc
1,16 telt 22 (2 X 11) woorden en 120 (2 X 2 X 2 X 3 X 5) letters . De getalwaarde
van Mc
1,16 is 10325 (5 X 5 X 59) . De participiumzin : zeven woorden . Drie woorden
beginnen met t (th) ; drie woorden eindigen op n , twee op s ; vijf woorden
hebben een a in de eerste lettergreep . In de LXX worden uit het Hebreeuws twee
werkwoorden (imperfecta consecutiva : elkaar opvolgende werkwoorden) in dezelfde
tijd en voorafgegaan met het verbindingsteken waw (en) vertaald door een participiumzin
, gevolgd door een hoofdzin . De opbouw van Mc 1,16-18 en Mc 1,19-20 verloopt
sterk parallel . Het gaat telkens om de roeping van twee broers .
Mt 4,18
telt 29 woorden en 157 letters . 14 / 29 woorden zijn gemeenschappelijk met
Mc (14 / 22) .
Mc 1,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . In de pericope Mc 1,16-20 komt het nevenschikkend voegwoord kai (en) 10X voor ; 7X bij het begin van een nevenschikkende zin , 3X als verbinding tussen zinsdelen . kai (en) staat telkens bij het begin van de vijf verzen . In drie gevallen is er verandering van personage . kai (en) bij het begin van de pericope , kan in dit geval vermits er geen verandering van personage is . Men zou ook de (echter) kunnen gebruiken omdat hetzelfde personage zich tot andere personen richt .
Mc 1,16.2.
participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend,
langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik
in het N.T. : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren
, ac-tie voeren , handelen . Mc (2) : (1) Mc
1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc
2,14 (roeping van Levi) . STAP VOOR STAP ! Een vorm van paragô (langsdrijven,
langsgaan) in Mc in 3 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
15,21 .
Het roepingsverhaal begint met het gaan van Jezus , weergegeven door een deelwoord(zin)
. In Mc
1,16 en Mc
2,14 is dat het tegenwoordig deelwoord paragôn (langsvoerend) , in
Mc 1,19
het verleden deelwoord probas
Mc 1,16.3.
para (langs) . Taalgebruik in Mc : para
(langs) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs) .
Mc (11) . (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
12,2 . (10) Mc
12,11 . (11) Mc
14,43 . In Mc
1,16 gaat het werkw. paragô (langsleiden) vooraf . We hebben hier
te maken met een samengesteld werkwoord , gevolgd door hetzelfde voorzetsel
.
- para + gen. (vanwege) : (1) Mc
10,27 . (2) Mc
12,2 . (3) Mc
12,11 . (4 Mc
14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc
4,4 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,21 .
Mc 1,16.4.
bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. :
the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord
il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In twaalf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
1,6 . (4) Mc
1,12 . (5) Mc
1,14 . (6) Mc
1,16 . (7) Mc
1,21 . (8) Mc
1,28 . (9) Mc
1,29 . (10) Mc
1,33 . (11) Mc
1,39 . (12) Mc
1,41 .
Mc 1,16.5.
acc. vr. enk. thalassan van het zelfst. naamw. thalassa (zee, meer) . Taalgebruik
in het N.T. : thalassa
(zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa
(zee) .
Mc (9) (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 . In Mc 1 zijn er twee vormen van thalassa : (1) Mc
1,16 (dat. thalassh(i) . (2) Mc
1,16 (acc. thalassan) . Een vorm van thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen
(18X) : (1) Mc
1,16 (2 vormen) . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
4,2 . (6) Mc
4,39 . (7) Mc
4,41 . (8) Mc
5,1 . (9) Mc
5,13 (2 vormen) . (10) Mc
5,21 . (11) Mc
6,47 . (12) Mc
6,48 . (13) Mc
6,49 . (14) Mc
7,31 . (15) Mc
9,42 . (16) Mc
11,23 .
Mc 1,16.4. - 5. tèn thalassan (de zee) . Accusatief vr. enk bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord . Mc (9 / 9) .
Mc 1,16.3. - 5. para tèn thalassan (langs de zee) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 : palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) . STAP VOOR STAP ! . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,13 .
Mc 1,16.6.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc
1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc
1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc
1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc
1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc
1,31 (tès cheiros = de hand) .
Mc 1,16.7.
gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik
in het N.T. : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia
(Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia
(Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie
met een voorzetsel , niet in Mc
6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc
6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter
van Herodes) .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc
3,7 . Verder : Mc
1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea)
.
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc
9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc
15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . N.T. (16) . Mc (3) : (1) Mc
1,14 . (2) Mc
14,28 . (3) Mc
16,7 . Verder : (1) Mc
1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias
= naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc
1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc
7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van
Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc
1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van
Galilea) .
Mc 1,16.3. - 7. para tèn thalassan tès Galilaias (langs de zee van Galillea) . In drie verzen in het N.T. . Mt (2) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 15,29 . Mc (1) : Mc 1,16
Mc 1,16.8.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag) wordt
in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor in Mc
6,34 (hij ziet de menigte zonder herder) . Een vorm van eiden (hij zag)
in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Mc 1,16.2.
8. paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) : (1) Mc
1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan
tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij
. (2) Mc
2,14 . STAP VOOR STAP !
verbindingswoord kai (en) + part. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij
zag) (5 / 5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 .
Mc 1,16.9.
acc. mann. enk. Simôna (Simon) van het zelfst. naamw. Simôn (Simon)
. Taalgebruik in het N.T. : Simôn
(Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn
(Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de
zeloot : Mc
3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc
14,3 . 4. Simon van Cyrene : Mc
15,21 .
Een vorm van Simôn (Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc
1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc
1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc
1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc
1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc
1,36 (nom. Simon) . Een vorm van Simon Petrus in Mc in 6 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
1,29 . (3) Mc
1,30 . (4)