18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -

De inleiding bereikt zijn hoogtepunt . Het hoofdpersonage van het verhaal (Jezus) wordt geïntroduceerd : Hij is zoon van God . Daarmee is zijn positie bepaald .

Mc 1,9 - Mc 1,9 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai egeneto en ekeinais tais hèmerais èlthen Ièsous apo Nazaret tès Galilaias kai ebaptisthè eis ton Iordanèn hupo Iôannou et factum est in diebus illis venit Iesus a Nazareth Galilaeae et baptizatus est in Iordane ab Iohanne  En het gebeurde in die dagen dat Jezus uit Nazret van Galilea kwam en door Johannes in de Jordaan gedoopt werd.   In die tijd vertrok Jezus uit Nazaret in Galilea en liet Zich in de Jordaan door Johannes dopen.   In die dagen kwam Jezus uit Nazaret in Galilea en Hij liet zich in de Jordaan dopen door Johannes.  In die tijd kwam Jezus vanuit Nazaret, dat in Galilea ligt, naar de Jordaan om zich door Johannes te laten dopen.   En het geschiedt in die dagen dat hij komt: Jezus, uit Nazaret in Galilea, en dat hij zich laat dopen, in de Jordaan, door Johannes.  Mc 1:9- Et il advint qu'en ces jours-là Jésus vint de Nazareth de Galilée, et il fut baptisé dans le Jourdain par Jean.

Statenvertaling . 9 En het geschiedde in diezelfde dagen, dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galilea, en werd van Johannes gedoopt in de Jordaan.
King James Bible . [9] And it came to pass in those days, that Jesus came from Nazareth of Galilee, and was baptized of John in Jordan.
Luther-Bibel . 9 Und es begab sich zu der Zeit, dass Jesus aus Nazareth in Galiläa kam und ließ sich taufen von Johannes im Jordan.

Tekstuitleg van Mc 1,9 . Het vers Mc 1,9 telt 19 woorden en 100 (2 X 2 X 5 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 1,9 is 7313 (71 X 103) . Jezus verliet Nazaret en Galilea en ging naar Judea . Er is een lange geschiedenis waarbij Judea in het zuiden en Galilea in het noorden hun eigen weg gingen . Een nationale staat die David (1010 - ongeveer 972) tot stand had gebracht en onder zijn zoon Salomo (ongeveer 972-933) tot volle bloei was gekomen , werd in 933 gesplitst in een Noordrijk met Samaria als hoofdstad en een Zuidrijk met Jeruzalem als hoofdstad . Na de val van Samaria in 721 voor Christus verplaatsten de Assyriërs onderdanige volkeren van locatie , waardoor in het Noordrijk een vermenging van volkeren ontstond en geen zuiver etnisch ras meer aanwezig was . Dat was een doorn in het oog van het Zuidrijk , waardoor de ‘Samaritanen’ een negatieve bijklank kregen . Uit bezorgdheid voor de religieuze integriteit behandelde het Zuiden hun Noorderburen racistisch .
Rond de eeuwwisseling weken heel wat joden (inwoners uit Judea) uit lijfsbehoud naar Galilea uit . Wellicht vormden ze er joodse gemeenschappen met hun synagogen en hun eigen gebruiken. Ook de ouders van Jezus waren uitgeweken . Ze vonden er een veilig onderkomen , asiel . Jezus behoorde tot de tweede generatie asielzoekers . Hoe was de verhouding tot de autochtone bevolking , de 'Samaritanen' ?
Jezus bracht tot nu toe zijn leven door in Galilea , één van de deelgebieden van de Romeinse provincie Palestina . Hij woonde in het dorp Nazaret . Hij is een jood in de diaspora.
De evangelist Marcus vertelt ons niet hoe Jezus op de hoogte kwam van de joodse vernieuwingsbeweging van Johannes de Doper in Judea . Wellicht was hij niet de enige die hierover hoorde en niet de enige die ernaartoe trok .
Jezus ging naar Judea , naar de roots van zijn ouders en de roots van zijn godsdienst . Hij werd aangetrokken door Johannes de Doper en liet zich dopen .

Mc 1,4 Mc 1,5 Mc 1,9
egeneto ("trad op") kai (en)  kai (en) egeneto ... (het gebeurde)
  exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem) èlthen (ging) 
Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende) ... pasa hè Ioudaia chôra kai hoi Hierosolumitai pantes (heel het Judese gebied en alle Jeruzalemmers) Ièsous (Jezus) 
en tèi erèmôi (in de woestijn) kèrussôn (verkondigende)   apo Nazareth tès Galilaias (van Nazaret van Galilea)
baptisma metanoias (het doopsel van bekering) kai ebaptizonto (en zij werden gedoopt) hup'autou (door hem) en tôi Iordanèi potamôi (in de stroom, de Jordaan) kai ebaptisthè (en hij werd gedoopt)  eis tèn Iordanèn (in de Jordaan) hupo Iôannou (door Johannes) 
  hup'autou (door hem) hupo Iôannou (door Johannes) 
eis afesin hamartiôn (tot vergeving van zonden) eksomologoumenoi tas hamartias autôn (belijdende de zonden van hen) kai euthus anabainôn ek tou hudatos (en terstond opstijgend uit het water)
Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - Optreden van Johannes de Doper - Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - De doop van Jezus - Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -

Mc 1,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,9.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) .
In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 .

Mc 1,9.3. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

Mc 1,9.4. aanwijz. voornaamw. dat. vr. mv. ekeinais (die) van het aanwijz. voornaamw. ekeinos (die) . Taalgebruik in het NT : ekeinos (die) . Taalgebruik in Mc : ekeinos (die) .
Mc (4) : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 1,9.5. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 1,9.6. dat vr. enk. hèmerais (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het NT : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
(1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 . (5) en trisin hèmerais (in drie dagen) . Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 23 verzen , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 .  

Mc 1,9.3. - 6. en ekeinais tais hèmerais (in díe dagen) . Bij Marcus staat telkens en ekeinais tais hèmerais : (1) Mc 1,9 (kai egeneto ...) . (2) Mc 8,1 . (3) Mc 13,17 . (4) Mc 13,24 .

Mc 1,9.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 * .  (3) Mc 1,39 * . (4) Mc 4,4 . (5)  Mc 5,33 . (6) Mc 7,31 * . (7) Mc 8,10 * . (8) Mc 10,45 / Mc 10,46 *. (9) Mc 10,50 . (10)  Mc 11,13 . (11) Mc 14,3 . (12) Mc 14,41 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

In Mc 1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc 1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc 1,39 naar heel Galilea .

Mc 1,9.8. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc (4) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) .

7. - 8. Er is een link tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . In beide verzen staat het onderwerp op de tweede plaats in de zin na het vervoegd werkwoord . In Mc 1,4 wordt Johannes in het evangelie voor het eerst vermeld , in Mc 1,9 wordt Jezus voor het eerst vermeld . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,4 : εγενετο ιωαννης = egeneto iôannès (Johannes was) .
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen ièsous (kwam Jezus) .

Mc 1,9 en Mc 1,14 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους = èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .

Mc 1,9.9. apo (af, van-weg) . afkorting ap' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33 + 12 = 45) . Mc (1 + 1 = 2) . (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,42 .

Mc 1,9.10. Nazaret komt slechts in Mc 1,9 bij Marcus voor .

Mc 1,9.11. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc 1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc 1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc 1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc 1,31 (tès cheiros = de hand) .

Mc 1,9.12. gen. vr. enk. Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Synoptici : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc 6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter van Herodes .
- apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . Mc (1) Mc 3,7 . Verder : Mc 1,9 (gen. : apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) .
- dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) Mc 9,30 .
- en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) . Mc (1) Mc 15,41 .
- eis tèn Galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 . Verder : (1) Mc 1,28 (eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) . (3) Mc 7,31 (eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- para ... tès Galilaias (langs ... van Galilea) : (1) Mc 1,16 (para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) .

Mc 1,9.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,9.14. mediaal of pass. aor. 3de pers. enk. ebaptisthè (hij werd gedoopt , hij dompelde zich onder) van het werkw. baptizô (dopen) . Taalgebruik in het NT : baptizô (dopen) . Taalgebruik in Mc : baptizô (dopen) . Stam Hebr. tâbhal : t - b - . Ned. : do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en . Gr. baptizô , baptis-ma . Fr. bapt- ê - me .
Mc (1) : Mc 1,9 . Een vorm van het werkw. baptizô (dopen) in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,8 .(2 vormen) . (4) Mc 1,9 . Een vorm van baptizô (dopen) in Mc in 10 (13X) verzen : (1) Mc 1,4 .  (2) Mc 1,5 .   (3) Mc 1,8 (twee vormen) . (4) Mc 1,9 .  (5) Mc 6,14 .  (6) Mc 6,24 .  (7) Mc 7,4 .  (8) Mc 10,38 (twee vormen) . (9) Mc 10,39 (twee vormen) . (10) Mc 16,16

Mc 1,9.15. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,9.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

Mc 1,9.17. acc. vr. enk. iordanèn (Jordaan) van het zelfst. naamw. iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in het NT : iordanès (Jordaan) . Taalgebruik in Mc : iordanès (Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 . Een vorm van iordanès (Jordaan) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 10,1 .

Mc 1,9.15. - 17. - eis tèn iordanèn (naar de Jordaan) . Mc (1) Mc 1,9 .
- en tè iordanè(i) (in de Jordaan) . Mc (1) Mc 1,5 .
- peran tou iordanou (aan de overzijde van de Jordaan) . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 10,1 .

Mc 1,9.18. hupo (door) . Afkortingen : hup' en huf' . Taalgebruik in het NT : hupo (door) . Taalgebruik in Mc : hupo (door) .
Mc (8 + 3 = 11) . hupo in Mc (8) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 2,3 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,32 . (6) Mc 5,26 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 13,13 . hup' in Mc (3) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 5,4 . (3) Mc 16,11 .

Mc 1,9.19. gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Johannes de Doper : Mc (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 . (5) Mc 11,30 .
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. Iôannèn) .

Mc 1,10 - Mc 1,10 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai euthus anabainôn ek tou hudatos eiden schizomenous tous ouranous kai to pneuma hôs peristeran katabainon eis auton.   ascendens de aqua vidit apertos caelos et Spiritum tamquam columbam descendentem et manentem in ipso   En toen hij terstond opsteeg uit het water, zag hij dat de hemelen opengescheurd werden en de Geest als een duif afdaalde in hem. En op hetzelfde ogenblik dat Hij uit het water opsteeg, zag Hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op Zich neerdalen.   Meteen toen Hij uit het water* kwam, zag Hij de hemel openbreken en de Geest als een duif op zich neerkomen.  Op het moment dat hij uit het water omhoogkwam, zag hij de hemel openscheuren en de Geest als een duif op zich neerdalen,  En meteen als hij opklimt uit het water ziet hij de hemelen scheuren en de Geest op hem neerdalen als een duif.  Mc 1:10- Et aussitôt, remontant de l'eau, il vit les cieux se déchirer et l'Esprit comme une colombe descendre vers lui,  

Statenvertaling . 10 En terstond, als Hij uit het water opklom, zag Hij de hemelen opengaan, en den Geest, gelijk een duif, op Hem nederdalen.
King James Bible . [10] And straightway coming up out of the water, he saw the heavens opened, and the Spirit like a dove descending upon him:
Luther-Bibel . 10 Und alsbald, als er aus dem Wasser stieg, sah er, dass sich der Himmel auftat und der Geist wie eine Taube herabkam auf ihn.

Tekstanalyse van Mc 1,10 . Het vers Mc 1,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,10 is 12502 (2 X 7 X 19 X 47) . Mc 1,10 bestaat uit één samengestelde zin . Aan het hoofdwerkwoord gaat een participiumzin vooraf , die het onderwerp nadert bepaalt . Op het hoofdwerkwoord volgen twee participiumzinnen als lijdend voorwerp . Deze twee participiumzinnen zijn kruisgewijze opgebouwd . Eerste participiumzin : particpium - zelfstandig naamwoord . Tweede participiumzin : zelfstandig naamwoord - participium . De drie participia staan in de tegenwoordige tijd . Het is wel opmerkelijk dat bij het begin van de zin het participium anabainôn (opklimmend) staat en op het einde van de zin het tegengestelde particpium katabainon (neerdalend) . Concentrische opbouw !

Mc 1,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,10.2. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) .

euthus / eutheôs   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  40  11          55  50  40        47  50 
eutheôs                                     47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal                                       102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

- ευθυς = euthus . Bij Mc in 40 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- ευθεως = eutheôs . Bij Mc in één vers : Mc 7,35 .
- In Mc 1 komt in 11 verzen ευθυς = euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

Mc 1,10.3. actief participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud anabainôn (opstijgend) van het werkwoord anabainô (beklimmen, opstijgen) . Taalgebruik in het NT : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Gedoopt worden is afdalen in het water en eruit opstijgen . Anabainôn (opstijdend) komt overeen met het Hebreeuwse `oleh . Mc (1) : Mc 1,10 . Een vorm van anabainô (beklimmen, opklimmen) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 .  (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .  (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .

Mc 1,10.4. ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .

Mc 1,10.5. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,10.6. gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het NT : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau .
Mc (3) : (1) Mc 1,10 .  (2) Mc 9,41 .  (3) Mc 14,13 .  Een vorm van hudôr (water) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,10 .  (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,41 .  (5) Mc 14,13 .  

Mc 1,10.7. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 . Een vorm van eidon (ik zag) in Mc in 44 verzen , in Mc 1 (3) .
Zien veronderstelt een object of een objectzin . In de objectzin staat het werkwoord in de accusatief (als onderwerp) . Maar in Mc 1,10 bij het werkwoord 'zien' wordt geen voorwerpzin gebruikt . Het object staat in de accusatief en het werkwoord komt in geslacht en getal overeen met het object , zo vertalen we echter : hij zag de hemel openscheuren (we zeggen ook niet: wij zagen de hemel open te scheuren) en de geest als een duif naar hem neerdalen . Telkens is Jezus onderwerp . De werkwoordvorm eiden (hij zag) wordt in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema . Een 5de maal komt het voor in Mc 6,34 (hij ziet de menigte zonder herder) .

Mc 1,10.3. 7. part. aor. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij zag) (5 / 5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .

Mc 1,10.8. pass. part. praes. acc. mann. mv. schizomenous van het werkw. schizô (scheuren) . Taalgebruik in het NT : schizô (scheuren) . Taalgebruik in Mc : schizô (scheuren) . Mc (1) : Mc 1,10 . Een tweede vorm van schizô (scheuren) in Mc in Mc 15,38 .

Mc 1,10.9. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,32 .

Mc 1,10.10. acc. mann. mv. ouranous van het zelfst. naamw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .

Mc 1,10.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,10.12. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(108) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

Mc 1,10.13. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . Een vorm van pneuma (geest) in Mc in 23 verzen . : In 4 verzen een heilige geest , in 11 verzen een onzuivere geest . In 8 verzen zonder de bepaling heilig of onzuiver . (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) .  (2) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) (3) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (4) Mc 1,23 (dat onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (5) Mc 1,26 (nom. onz. enk. akatharton in : to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (6) Mc 1,27 (dat. onz. mv. akathartois in : tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) . (7) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (8) Mc 3,11 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (9) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (10) Mc 3,30 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (11) Mc 5,2 (dat. onz. enk. akathartôi in : anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (12) Mc 5,8 (voc. onz. enk. to pneuma to akatharton = de onzuivere geest) . (13) Mc 5,13 (nom. onz. mv. akatharta in : ta pneumata ta akatharta = de onzuivere geesten) . (14) Mc 6,7 (gen. onz. mv. akathartôn in : exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn = macht over de onzuivere geesten) . (15) Mc 7,25 (acc. onz. enk. akatharton in : pneuma akatharton = een onzuivere geest) . (16) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) .(17) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) . (18) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (19a) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (19b) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (20) Mc 9,25 (dat. m. + onz. enk. akathartô(i) in : tôi pneumati tôi akathartô(i) = aan de onzuivere geest) . (21) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) . (22) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) . (23) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .

Mc 1,10.14. hôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in Mc : hôs (zoals) . Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) .
Mc (21) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,31 . (6) Mc 4,36 . (7) Mc 5,13 . (8) Mc 6,15 . (9) Mc 6,34 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 8,9 . (12) Mc 8,24 . (13) Mc 9,21 . (14) Mc 10,1 . (15) Mc 10,15 . (16) Mc 12,25 . (17) Mc 12,31 . (18) Mc 12,33 . (19) Mc 13,34 . (20) Mc 14,48 . (21) Mc 14,72 .

Mc 1,10.15. acc. vr. enk. peristeran van het zelfst. naamw. peristera (duif) . Taalgebruik in het NT : peristera (duif) . Taalgebruik in Mc : peristera (duif) .
Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van peristera (duif) in Mc in 2 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 11,15 .

Mc 1,10.16. act. part. praes. nom. + acc. onz.  enk. katabainon van het werkw. katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in het NT : katabainô (neerdalen, afdalen) . Taalgebruik in Lc : katabainô (neerdalen, afdalen) . Mc (1) Mc 1,10 . Een vorm van katabainô (neerdalen, afdalen) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 9,9 . (4) Mc 13,15 . (5) Mc 15,30 . (6) Mc 15,32 .

Mc 1,10.17. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In Mc (151) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,10.18. acc. mann. enk. auton (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

Mc 1,11 - Mc 1,11 : 18. Doop van Jezus : Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Doopsel van Jezus Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai egeneto fônè ek tôn ouranôn, Su ei ho huios mou ho agapètos, en soi eudokèsa  et vox facta est de caelis tu es Filius meus dilectus in te conplacui   En een stem kwam uit de hemelen: "Jij bent mijn geliefde zoon, in jou heb ik m'n welbehagen gesteld."  En er kwam een stem uit de hemel: Gij zijt mijn Zoon, mijn welgeliefde; in U heb Ik welbehagen.  En er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent* mijn geliefde Zoon*, in wie Ik vreugde vind.’   en er klonk een stem uit de hemel: ‘Jij bent mijn geliefde Zoon, in jou vind ik vreugde.’  En er geschiedt een stem uit de hemelen: ‘jij bent mijn zoon, mijn meest geliefde, in jou is mijn welbehagen!’  Mc 1:11- et une voix vint des cieux : " Tu es mon Fils bien-aimé, tu as toute ma faveur. "

Statenvertaling . 11 En er geschiedde een stem uit de hemelen: Gij zijt Mijn geliefde Zoon, in Denwelken Ik Mijn welbehagen heb!
King James Bible . [11] And there came a voice from heaven, saying, Thou art my beloved Son, in whom I am well pleased.
Luther-Bibel . 11 Und da geschah eine Stimme vom Himmel: Du bist mein lieber Sohn, an dir habe ich Wohlgefallen.

Tekstuitleg van Mc 1,11 . Dit vers Mc 1,11 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 1,11 is 8654 (2 X 4327) . De hemelse stem . Er is geen werkw.legô (zeggen) om het citaat aan te kondigen , zo ook in Mc 9,7 .

Mc 1,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,11.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het NT : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . In drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . Een vorm van ginomai (worden, gebeuren) in 52 verzen , in Mc 1 in 5 verzen : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 . (5) Mc 1,32 . In Mc 1,4 treedt Johannes de Doper voor het eerst op , in Mc 1,9 is dat Jezus .

Mc 1,11.3. fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) . Een vorm van fônè (stem, roep) in Mc in 7 verzen : 6 + 1 : Mc 15,37 (acc. enk. fônèn) .

Mc 1,11.4. ek (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .ek of ex in Mc (38 + 20 = 58) . De vorm ek (uit) in drie verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,29 ; ex (uit) in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 .

Mc 1,11.1. - 4. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .

Mc 1,11.5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20 .

Mc 1,11.6. gen. mann. mv. ouranôn (van de hemelen) van het zelfst. nw. ouranos (hemel) . Taalgebruik in het NT : ouranos (hemel) . Taalgebruik in Mc : ouranos (hemel) . Mc (1) : Mc 1,11 . Een vorm van ouranos (hemel) in Mc in 18 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 6,41 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 8,11 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 11,25 . (9) Mc 11,26 . (10) Mc 11,30 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,25 . (13) Mc 13,25 . (14) Mc 13,27 . (15) Mc 13,31 . (16) Mc 13,32 . (17) Mc 14,62 . (18) Mc 16,19 .

Mc 1,11.4. - 6. ek tôn ouranôn = uit de hemelen . Hapax in Mc .

Mc 1,11.1. - 6. Wordt het onderscheid tussen Johannes de Doper , de wegbereider , en Jezus getypeerd door de zinnen die volgen op hun inleiding :
- Mc 1,11 : kai fônè egeneto ek tôn ouranôn = en er was een stem uit de hemel .
- Mc 1,3 : fônè boôntos en tè(i) erèmô(i) = een stem van een roepende in de woestijn .
Johannes de Doper wordt als wegbereider aangekondigd door een schriftcitaat , Jezus wordt door een goddelijke openbaring geïnitieerd , waarbij een stem de identiteit van Jezus verklaart .

Mc 1,11.7. persoonl. voornaamw. 2de pers. nom. enk. συ = su (jij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .

  pers. vnw. 2de pers. enk.   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. enk. su                        981  820  161  17  25  53  17  36  51  104 

Mc 1,11.8. act. ind. pr. 2de pers. enk. ει = ei van het werkw. ειμι = eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in de LXX : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .

ei Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  42  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241 

Mc 1,11.7. - 8. συ ει = su ei (jij bent, gij zijt) . NT (49) . Mt (6) . Mc (5 / 9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,61 . (5) Mc 15,2 . Lc (11) .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc 1,11) : συ ει = su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht op de toehoorders , vandaar : οὑτος εστιν = houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal : οὑτος ὁ ανθρωπος ... ην = houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc 15,39 valt op de aanwezigheid van ὁ ανθρωπος = ho anthrôpos = deze mens en de verleden tijd van het werkw. nl. ην = èn = hij was .

Mc 1,11.9. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 1,11.10. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (19) . Mc (19) Mc 1,11 . (2) Mc 2,10 ** . (3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3 . (6) Mc 8,38 ** . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,31 ** . (10) Mc 10,33 ** . (11) Mc 10,45 ** . (12) Mc 10,46 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 13,32 . (16) Mc 14,21 ** . (17) Mc 14,41 ** . (18) Mc 14,61 . (19) Mc 15,39 . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) , in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,1 (gen. huiou) . (2) Mc 1,11 (nom. υἰος = huios) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  mv. bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.
totaal 2499 2432 67 14 4 10 2 11 23 3 28 30  23   

  huios (zoon)  enk. . ** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 .
2 voc. enk. huie 3       1 : Mc 5,7 * .       2 : (1) Mc 10,47 *** . (2) Mc 10,48 *** .        
3 gen. enk. huiou 1 1 : Mc 1,1 * .                      
5 acc. enk. huion 6           1 : (1) Mc 8,31** .   2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.  
  totaal 29 2 ** 2 

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen . Bij het eerste optreden van Jezus heeft reeds een confrontatie plaats . Jezus , vervuld van heilige geest , komt in het aangezicht te staan van een onreine geest die hem zegt : wat is er tussen ons en u , Jezus van Nazaret . Ik weet wie u bent , de heilige van God .

Mc 1,11.9. - 10. ὁ υἰος = ho huios (de zoon) . Een vorm van het lidw. met een vorm van υἰος = huios (zoon) in het NT (242) , in Mc (25) . Niet in (1) Mc 1,1 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 10,48 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,37 . (7) Mc 15,39 .

Mc 1,11.11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 1,11.10 - 11. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) . NT (12) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) Hnd 13,33 . (9) Heb 1,5 . (10) Heb 5,5 . (11) 1 Pe 5,13 . (12) 2 Pe 1,17

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou , huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus :Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

9. - 11. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) . NT (9) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) 1 Pe 5,13 . (9) 2 Pe 1,17 .

9. - 13. ὁ υἰος μου ὁ αγαπητος = ho huios mou ho agapètos (de zoon van mij = mijn zoon, mijn beminde) . NT (7) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) 2 Pe 1,17 .

Mc 1,11.14. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans.
In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

Mc 1,11.15. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .



20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 - zie ook Joh 1,19-34 -

Evangelielezing 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B : Mc 1,12-15 (Taalgebruik : Mc 1,12-15) .
In die tijd dreef de Geest Jezus naar de woestijn. Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten. Nadat Johannes was gevangen genomen ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap. Hij zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap."

In Mc 1,9-11 werd het hoofdpersonage (Jezus) geïntroduceerd . In Mc 1,12-13 wordt de tegenstander van God (de satan) geïntroduceerd . Jezus wordt aan een test onderworpen . Die test houdt verband met zijn godservaring . De plaats van de test is de woestijn , een plaats die herinneringen oproept aan Mozes . In de woestijn verbleef Mozes en het volk van God gedurende veertig jaar . De woestijn is ook de plaats waar Jezus alleen is . Het is de plaats waar hij moet kiezen tussen God of satan . De woestijn is de testplaats .
De elementen van de twee verhalen (zoonschap en beproeving : Mc 1,9-11 , Mc 1,12-13) lopen als een rode draad door het hele evangelie om te eindigen in de veroordeling van Jezus omwille van zijn zoonschap van God en in de beproeving van het kruis van waarop Jezus roept : “Mijn God , mijn God , waarom hebt U mij verlaten .” Doopsel en verblijf in de woestijn geven de twee aspecten van de relatie tot God aan : Godsverbondenheid en verlatenheid door God .


Mc 1,12 - Mc 1,12 : 20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon  et statim Spiritus expellit eum in desertum  En terstond dreef de Geest hem uit naar de woestijn.   Terstond dreef de Geest Jezus naar de woestijn.  De Geest dreef Hem weg, recht de woestijn in.  Meteen daarna dreef de Geest hem de woestijn in.  En meteen drijft de Geest hem uit, de woestijn in.  Et aussitôt, l'Esprit le pousse au désert. 

Persoonlijke vertaling : en de geest werpt hem buiten rechtstreeks / zonder omwegen naar de woestijn .
Statenvertaling . 12 En terstond dreef Hem de Geest uit in de woestijn.
King James Bible . And immediately the Spirit driveth him into the wilderness.
Luther-Bibel . Und alsbald trieb ihn der Geist in die Wüste;

Mc 1,12 Kai euthus to pneuma auton ekballei eis tèn erèmon 
Mt 4,1 tote ho Ièsous anèchthè eis tèn erèmon hupo tou pneumatos
Lc 4,1 kai ègeneto en tô pneumati en tè erèmô

Tekstuitleg van Mc 1,12 . Dit vers Mc 1,12 bestaat uit 9 woorden ( 2 - 4 - 3 ) en 16 lettergrepen ( 3 - 3 - 2 - 3 - 5 ) . De getalwaarde van Mc 1,12 is 3761 (priemgetal) . De achtste en de zestiende lettergreep eindigen op -on . Woordvolgorde van de zin : nevenschikkend voegwoord - bijwoord - onderwerp - lijdend voorwerp - werkwoord - plaatsbepaling . Bij ek-ballei (hij werpt buiten) zouden we een bepaling met ek- (uit, buiten) verwachten . Onmiddellijk na ekballei (hij werpt buiten) volgt de plaatsbepaling eis... (naar) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and .

Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . In Mc 1,12-13 komt 4X het verbindingswoordje kai (en) voor ; 1X in Mc 1,12 en 3X in Mc 1,13 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

2. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) .

euthus / eutheôs bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  55  50  40        47  50 
eutheôs 47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal   102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
40  11         

- Bij Mc in 40 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- Bij Mc in één vers eutheôs : Mc 7,35 .

euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

4. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

3. - 4. to pneuma (de geest) . Taalgebruik : to pneuma (de geest) , zie Lc 4,1 . Zie ook : Mc 1,10 . Het komt bij Marcus in twaalf verzen voor . De band tussen de geest en Jezus wordt verbeeld in het verhaal van het doopsel (Mc 1,10) . In Mc 1,10 bestaat het gedeelte over de geest uit 8 woorden en 16 lettergrepen ; in Mc 1,12 bestaat het gedeelte over de geest uit 9 woorden en 16 lettergrepen . In Mc 1,10 wordt Jezus met de geest vervuld en ervaart hij de relatie van God tot hem als een relatie van een vader tot zijn zoon . Na deze diepe ervaring wordt Jezus aan een test onderworpen . Ons Nederlands woordgebruik helpt ons het woordgebruik van Marcus te begrijpen . Marcus zegt dat de geest hem uitwerpt naar ... om ; Marcus gebruikt het werkwoord uitwerpen (ekballô), wij gebruiken onderwerpen . Marcus (Mc 1,13) gebruikt èn ... peirazomenos (was onderzoekend , testend , beproevend = werd getest / beproefd) . Wij gebruiken woorden als testen , toetsen , proefwerken maken , tentamens / examens afleggen .

6. ekballei (hij gooit eruit ; hij werpt buiten) van het werkwoord ekballô (buitenwerpen, buitengooien) . In negen verzen in de bijbel , slechts in het NT . Deze vorm van het werkwoord ekballô (buitenwerpen) komt bij Marcus slechts in twee verzen voor . Het komt nog voor in Mc 3,22 : hoti en archonti tôn daimoniôn ekballei ta daimonia / dat hij krachtens de vorst van de duivels werpt hij de duivels uit , waar gezegd wordt dat Jezus in het bezit is van Beëlzebub en in zijn naam de duivels uitdrijft . Meestal wordt dit werkwoord gebruikt om een duiveluitdrijving te beschrijven . Jezus werpt een onzuivere geest uit .
De zin komt wat bevreemdend over . Wil de evangelist Marcus het onderscheid tussen Johannes de Doper en Jezus beklemtonen door Jezus uit de kring van Johannes de Doper te gooien ? Johannes doopt met water in de Jordaan . Jezus wordt de woestijn ingestuurd waar hij getest wordt . Het werkwoord doet ook denken aan het verhaal van Jona die na drie dagen door de vis werd uitgespuwd . De koppeling van de rivier de Jordaan en de woestijn doet denken aan de doortocht door de Rode Zee en de tocht door de woestijn door de Hebreeën onder leiding van Mozes .
- ekballein (buitenwerpen, buitengooien) . Infinitief . In zes verzen in de bijbel , slechts in het NT . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 3,15 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 11,15 . In Mc 3,23 : pôs dunatai satanas satanan ekballein (hoe kan satan de satan buitengooien) . In de zending van de twaalf (Mc 3,15) zegt Jezus : kai echein exousian ekballein ta daimonia (en macht te hebben de duivels buiten te gooien) . In Mc 11,15 wordt ekballein (buitengooien, buitenwerpen) gebruikt bij de zuivering van de tempel.

Bijbeldeskundigen spreken vaak over het gebruik van het praesens historicum door de synoptici . De evangelist Marcus zou een tegenwoordige tijd gebruiken waar wij normalerwijze een verleden tijd zouden gebruiken . Misschien is er meer te ontdekken . Misschien zit er een systematiek in het gebruik van het praesens . Daarom zullen we hier de zinnen met het praesens bij elkaar zetten . Zie het gebruik van het praesens wanneer Jezus en zijn leerlingen of soms Jezus zelf naar een bepaalde plaats gaan / gaat . Deze teksten vormen een geheel van teksten. Zie erchontai (zij gaan) in twaalf verzen bij Marcus , zie Mc 11,1 .

7. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

9. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .
In Mc 1,3 wordt Js geciteerd . In Mc 1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de Doper , in Mc 1,12 en Mc 1,13 in de persoon van Jezus .

7. - 9. eis tèn erèmon : naar de woestijn) . Mc (1) : Mc 1,12 .

Mc 1,13 - Mc 1,13 . Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc 1,12 - Mc 1,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èn en tèi erèmôi tessarakonta hèmeras peirazomenos hupo tou satana, kai èn meta tôn thèriôn kai hoi aggelou dièkonoun autôi, et erat in deserto quadraginta diebus et quadraginta noctibus et temptabatur a Satana eratque cum bestiis et angeli ministrabant illi 

En hij was in de woestijn veertig dagen, terwijl hij op de proef gesteld werd door de Satan; en hij was met de beesten en de engelen bedienden hem.  

Veertig dagen bracht Hij in de woestijn door, terwijl Hij door de satan op de proef werd gesteld. Hij verbleef bij de wilde dieren en de engelen bewezen Hem hun diensten.  Hij bleef in de woestijn, veertig dagen, op de proef gesteld* door de satan*. Hij was in gezelschap van de wilde dieren, en de engelen stonden Hem ten dienste. Veertig dagen bleef hij in de woestijn, waar hij door Satan op de proef werd gesteld. Hij leefde er te midden van de wilde dieren, en engelen zorgden voor hem.  Hij wordt in de woestijn veertig dagen lang beproefd door de satan, en is daar bij de wilde dieren, maar ook hebben de aankondigengelen hem bediend.  Et il était dans le désert durant quarante jours, tenté par Satan. Et il était avec les bêtes sauvages, et les anges le servaient.

Persoonlijke vertaling : en hij werd in de woestijn gedurende 40 dagen getest door de satan en hij was met de wilde dieren, en de engelen dienden hem. 
Statenvertaling . 13 En Hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan; en was bij de wilde gedierten; en de engelen dienden Hem.
King James Bible . And he was there in the wilderness forty days, tempted of Satan; and was with the wild beasts; and the angels ministered unto him.
Luther-Bibel . und er war in der Wüste vierzig Tage und wurde versucht von dem Satan und war bei den wilden Tieren, und die Engel dienten ihm.

Tekstanalyse van Mc 1,13 . Dit vers Mc 1,13 telt 22 (2 X 11) woorden , 106 (2 X 53) letters en 45 (3 X 3 X 5) lettergrepen . De getalwaarde van Mc 1,13 is 10566 (2 X 3 X 3 X 587) . Mc 1,13 bestaat uit drie nevenschikkende zinnen , telkens ingeleid door het nevenschikkend voegwoord kai (en) .

Mc 1,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 .

Mc 1,13.3. en (in) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

Mc 1,13.4. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In zes verzen in Mc 1 . In de drie verzen en tè(i) erèmô(i) = in de woestijn : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . Verder in (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,22 . (6) Mc 1,23 .

5. datief vrouwelijk enk. erèmô(i) = in de woestijn , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .
In Mc 1,3 wordt Js geciteerd . In Mc 1,4 krijgt het bijbelcitaat zijn vervulling in de persoon van Johannes de Doper , in Mc 1,12 en Mc 1,13 in de persoon van Jezus .

3. - 5. en tèi erèmôi (in de woestijn) . Taalgebruik : erèmos (woestijn, eenzaam) , Mc 1,12 . Datief vrouwelijk enkelvoud . In drie verzen bij Marcus : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .

De sterke gelijkenis tussen enerzijds Marcus en anderzijds Exodus schetst het beeld van Mozes en de nieuwe Mozes . Zoals Mozes in de woestijn heeft verbleven , zo ook Jezus .

Mc 1,13 Ex 34,28 Ex 24,18
kai (en) èn (hij was) wajëhi - kai (en) èn (hij was) wajëhi Mosjèh - kai (en Mozes) èn (hij was)
en tèi erèmôi (in de woestijn) sjâm `im adonaj - ekei (daar) Môusès (Mozes) enantion kuriou (tegenover de Heer) ekei (daar) bâhâr - en tôi horei (op de berg)
tesserakonta hèmeras (veertig dagen) ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten) ´arëbâ`îm jôm we´arëbâ`îm lâjëlâh - tessarakonta hèmeras kai tessarakonta nuktas (40 dagen en 40 nachten)
7 woorden - 15 lettergrepen lèhèm lo´ ' âhal ûmaîm lo' sjâthâh - arton ouk efagen kai hudôr ouk epien (brood at hij niet en water dronk hij niet)  
20. Jezus door de Satan op de proef gesteld : Mc 1,12-13 - Mt 4,1-11 - Lc 4,1-13 - De nieuwe stenen platen : Ex 34,1-35 - Het verbond : Ex 24,1-18 -

7.
-- hèmeras tinas (bepaalde / enkele dagen) . Taalgebruik : hèmera (dag) , zie Mc 1,13 . In vier verzen in het NT , enkel in Hnd : (1) Hnd 9,19 . (2) Hnd 10,48 . (3) Hnd 16,12 . (4) Hnd 24,24 .

- hèmera (dag) . Nominatief of datief (hèmerai) enkelvoud .

hèmera (dag)  bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. en dat. vr. enk. hèmera(i)  854  750  104  13  26  17  12  46  42  59     
gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras  799  586  124  13  11  14  40  34  12  38  46     
acc. vr. enk. hèmeran   266  210  56  19  20  13  16     
gen. vr. mv. hèmerôn  206  184  22  10 
dat. vr. mv. hèmerais   228  180  48  18  10  29  31     
totaal                            

8. pass. part. praes. nom. man. enk. peirazomenos (bekoord) van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het NT : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare (proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh .
Mc (1) : (1) Mc 1,13 .  Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 .  (2) Mc 8,11 . (3) Mc 10,2 .  (4) Mc 12,15 .  

Mc 1,13.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und . In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,15 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,24 . (8) Mc 1,44

11. gen. mann. enk. satana (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) . Taalgebruik in het NT : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) .
Mc (1) : (1) Mc 1,13 . Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 8,33 .

Mc 1,13.12. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,13.14. meta (met , na) . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc 1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc 1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc 1,29 (meta + gen. : met) .

Mc 1,13.15. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,20

Mc 1,13.17. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

18. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,36 .

19. nom. mann. mv. aggeloi van het zelfst. naamw. aggelos (engel, boodschapper) . Taalgebruik in het NT : aggelos (engel) . Taalgebruik in Mc : aggelos (engel) . Stam : n - g - l . L. angelus . Fr. ange . N. engel . Fr. un messager uit L. mittere (zenden) , missus = gezonden . Hebr. malë´akh .
Mc (3) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 12,25 .  (3) Mc 13,32 . Een vorm van aggelos (engel, boodschapper) in Mc (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 8,38 . (4) Mc 12,25 .  (5) Mc 13,27 .  (6) Mc 13,32 .

21. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .


21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 -

Herodias neemt het niet dat Herodes de levieten wordt gelezen door de profeet uit de woestijn , Johannes de Doper . Wellicht heeft zij erop aangedrongen om hem gevangen te zetten . Hij is een lastpost tussen hun liefdesavontuur ; zij en koning Herodes . Werd er een prijs beloofd aan wie hem zou uitleveren ? Wellicht iemand uit de intieme kring van Johannes speelt zijn meester in handen van Herodes . De groep leerlingen van Johannes de Doper vlucht verschrikt weg .

Jezus gaat naar Galilea terug nadat Johannes is overgeleverd en in handen van koning Herodes komt . De overlevering van Johannes kondigt reeds aan wat later met Jezus zal gebeuren . Jezus zal overgeleverd worden door iemand van zijn intieme kring , de twaalf ; hij levert Jezus over aan de hogepriesters en de oudsten , die hem vervolgens overleveren aan Pilatus , die hem tenslotte laat kruisigen . Meningsverschillen worden wellicht verabsoluteerd en leiden tot een extreme houding die ertoe leidt dat Johannes de Doper , en later Jezus , worden overgeleverd om uit de weg te worden geruimd . Een wettelijke weg wordt gezocht om tegenstanders te liquideren .

Mc 1,14 - Mc 1,14 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Meta de to paradothènai ton Iôannèn èlthen ho Ièsous eis tèn Galilaian kèrussôn to euaggelion tou theou   postquam autem traditus est Iohannes venit Iesus in Galilaeam praedicans evangelium regni Dei   Nadat nu Johannes overgeleverd was, ging Jezus naar Galilea (en) verkondigde het evangelie van God.   Nadat Johannes was gevangen genomen, ging Jezus naar Galilea en verkondigde Gods Blijde Boodschap.  Maar nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea de goede boodschap* van God verkondigen   Nadat Johannes gevangen was genomen, ging Jezus naar Galilea, waar hij Gods goede nieuws verkondigde.  Nadat Johannes is overgeleverd en Jezus is aangekomen in Galilea, predikt hij de aankondiging van God  14. Après que Jean eut été livré, Jésus vint en Galilée, proclamant l'Évangile de Dieu et disant : 

Statenvertaling . 14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galilea, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods.
King James Bible . Now after that John was put in prison, Jesus came into Galilee, preaching the gospel of the kingdom of God,
Luther-Bibel . 14 Nachdem aber Johannes gefangen gesetzt war, kam Jesus nach Galiläa und predigte das Evangelium Gottes

>
       
       

Tekstanalyse van Mc 1,14 . Dit vers Mc 1,14 telt 19 woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,14 is 9163 (7 X 7 X 11 X 17) .

Mc 1,14.1. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,13 (meta + gen. : met) . (2) Mc 1,14 (meta + acc. : na) . (3) Mc 1,20 (meta + gen. : met) . (4) Mc 1,29 (meta + gen. : met) .

  meta (na, met)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
1 meta  34  4 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16 . 2 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 1 : Mc 4,16 .     1 : Mc 6,25 . 3 : (1) Mc 8,10 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 8,38 .   2 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .   2 : (1) Mc 10,30 . (2) Mc 10,34 .   1 : Mc 11,11 . 2 : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .   10 : (1) Mc 14,1 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,17 . (4) Mc 14,28 . (5) Mc 14,43 . (6) Mc 14,48 . (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62 . (9) Mc 14,67 . (10) Mc 14,70 .   3 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,7 . (3) Mc 15,31 .   2 : (1) Mc 16,12 . (2) Mc 16,19 .  
2 met'  16 1 : Mc 1,36 . 2 : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .   2 : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 . .   1 : Mc 4,36 . 4 : (1) Mc 5,18 . (2) Mc 5,24 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50 .           4 : (1) Mc 14,18 . (2) Mc 14,20 . (3) Mc 14,33 . (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50 .
3 meth' 3             1 : Mc 8,14 1 : Mc 9,8 .         1 : Mc 14,7 .    
  totaal  53 4 15 

-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .

Mc 1,14.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,8 werden Johannes de Doper en Jezus met elkaar vergeleken , waarbij Jezus de belangrijkste persoon is . Vanaf Mc 1,14 begint het optreden van Jezus .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 1,14.1. - 2. μετα δε = meta de (na echter) . NT (21) . Mt (3) : (1) Mt 1,12 . (2) Mt 25,19 . (3) Mt 26,32 . Mc (2) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 16,12 . Lc (3) : (1) Lc 1,24 . (2) Lc 10,1 . (3) Lc 18,4 . Joh (2) : (1) Joh 4,43 . (2) Joh 19,38 . Hnd (9) : (1) Hnd 13,15 . (2) Hnd 15,13 . (3) Hnd 15,36 . (4) Hnd 18,1 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 21,15 . (7) Hnd 24,1 . (8) Hnd 24,24 . (9) Hnd 28,11 . Br. (2) : (1) Heb 9,3 . (2) Heb 9,27 . Telkens met acc. . Na Johannes de Doper komt Jezus .
- δε μετα = de meta (echter na) . NT (9) : (1) Mt 20,2 . (2) Mt 24,29 . (3) Lc 9,28 . (4) Joh 13,7 . (5) Joh 18,18 . (6) Hnd 28,17 . (7) 2 Kor 8,18 . (8) Gal 4,25 . (9) Heb 7,21 .
- και μετα = kai meta (en na / met) . NT (21) : (1) Mc 14,70 . (2) Mc 15,28 . (3) Lc 5,27 . (4) Lc 12,4 . (5) Lc 17,8 . (6) Lc 22,37 . (7) Lc 22,58 . (8) Joh 11,11 . (9) Joh 13,27 . (10) Hnd 7,7 . (11) Hnd 13,17 . (12) Hnd 13,20 . (13) Hnd 28,13 . (14) 1 Joh 1,3 . (15) Apk 7,1 . (16) Apk 11,11 . (17) Apk 18,1 . (18) Apk 19,1 . (19) Apk 19,19 . (20) Apk 19,20 . (21) Apk 20,3 .
- και μετ' = kai met' (en na / met) . NT (6) : (1) Mt 26,47 . (2) Mc 14,43 . (3) Lc 15,13 . (4) Joh 19,18 . (5) Apk 14,1 . (6) Apk 15,5 .
- και μεθ' = kai meth' (en na) . NT (4) : (1) Mt 17,1 . (2) Mc 9,2 . (3) Joh 20,26 . (4) 2 Joh 1,2 .

Mc 1,14.3. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,14.1. - 3. μετα δε το = meta de to . NT (5) : (1) Mt 26,32 . (2) Mc 1,14 . (3) Hnd 15,13 . (4) Hnd 20,1 . (5) Heb 9,3 . Telkens met een infinitief .
- μετα το = meta to . NT (13) : (1) Mc 14,28 . (2) Mc 16,19 . (3) Lc 12,5 . (4) Lc 22,20 . (5) Joh 13,27 . (6) Hnd 1,3 . (7) Hnd 7,4 . (8) Hnd 10,37 . (9) Hnd 10,41 . (10) Hnd 12,4 . (11) Hnd 19,21 . (12) 1 Kor 11,25 . (13) Heb 10,26 . Niet met een infinitief in (1) Hnd 10,37 . (2) Hnd 12,4 .
- και μετα το = kai meta to (en na) . NT (1) : Joh 13,27 .

Mc (2) : μετα (δε) το = meta (de) to . (1) Mc 14,28 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,19 . Vermits Mc 16,9-20 als een latere toevoeging wordt beschouwd , resten nog Mc 1,14 en Mc 14,28 . Ze zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP !
- Mc 1,14 : μετα δε το παραδοθηναι τον ιωαννην = meta de to paradothènai ton Iôannèn (na echter het overgeleverd zijn van Johannes) .
- Mc 14,28 : μετα το εγερθηναι με = meta to egerthènai me (na het opgewekt zijn van mij) .
De overlevering gebeurde in het verleden , de opwekking moet nog in de toekomst plaatsvinden . Toch staat in beide verzen een pass. inf. aor. . Deze twee verzen omvatten het hele openbaar leven van Jezus .

Mc 1,14.4. passief infinitief aorist παραδοθηναι = paradothènai (overgeleverd zijn) van het werkw. παραδιδωμι = paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in het NT : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in de LXX : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Bijbel (3) : (1) Js 23,7 . (2) Mc 1,14 . (3) Lc 24,7 . Een vorm van παραδιδωμι = paradidômi (overleveren) in de LXX (277) , in het NT (120) , in Mc (21) . In de LXX kan παραδιδωμι = paradidômi (overleveren) de vertaling van 28 verschillende Hebreeuwse (werk)woorden zijn .
- Johannes de Doper kondigt een sterkere aan (Mc 1,7-8) . Dan volgt de doop van Jezus in de Jordaan door Johannes (Mc 1,.9-10) . We mogen veronderstellen dat Johannes aan de Jordaan blijft . Jezus gaat naar de woestijn . Gelukkig maar dat Johannes de Doper en Jezus zich op een verschillende plek bevinden wanneer Johannes de Doper wordt overgeleverd . Anders was Jezus wellicht ook overgeleverd .

  paradidômi (overleveren)   Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
13 pass. inf. aor.  paradothènai (1) Mc 1,14 .                   3            
  Totaal  23  9                          

1. 2. 6. 7. 5. 3. 4.
Mc 1,14 Mc 3,19 Mc 14,42 Mc 14,44 Mc 14,18 Mc 14,10 Mc 14,11
meta de (Nadat echter) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) idou (zie)   amèn legô humin hoti heis ex humôn (voorwaar ik zeg je dat één uit jullie) hina (opdat) kai ezètei  (en hij zocht)
paradothènai (Johannes werd overgeleverd) ton Iôannèn hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) ho paradidous me (die mij overlevert)  èggiken (is nabij) dedôken de ho paradidous auton sussèmon (hem echter overleverend heeft hij een teken gegeven) paradôsei me (mij zal overleveren) auton paradoi autois (hij hem aan hen zou overleveren) pôs auton eukairôs paradôi (hoe hij hem op een geschikt moment zou overleveren)
21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 330. Gevangenneming van Jezus : Mc 14,43-52 - Mt 26,47-56 - Lc 22,47-53 - 321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 - 319. Verraad van Judas : Mc 14,10-11 - Mt 26,14-16 - Lc 22,3-6 -

            sanhedrin  Pilatus
bijbelplaats   Mc 14,21 Mc 14,41 Mc 9,31  Mc 10,33  Mc 10,33 - Mc 10,34 Mc 15,2 Mc 15,15 
 Jezus ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) kai ho huios tou anthrôpou (en de mensenzoon)   kai (en) kai (en)
wordt overgeleverd paradidotai (wordt overgeleverd)   paradidotai (wordt overgeleverd) paradothèsetai (zal overgeleverd worden) kai paradôsousin auton (en zij zullen hem overleveren) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus)
tot   eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) eis cheiras hamartôlôn (in handen van zondaars) kai katakrinousin auton thanatôi (en zullen veroordelen hem ter dood) ... kai apoktenousin (en doden)   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.
  321. Aanduiding van de verrader : Mc 14,17-21 - Mt 26,20-25 - Lc 22,14 - 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - 171. Tweede lijdensvoorspelling :Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -  342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

Het thema van de overlevering speelt in het hele evangelie een belangrijke rol . Het bevat twee aspecten . Enerzijds is er de overlevering die tot de dood leidt . (Zo kan het niet langer blijven doorgaan.) . Johannes de Doper wordt overgeleverd . Jezus wordt overgeleverd en ook de leerlingen van Jezus worden overgeleverd . De overlevering gebeurt door iemand uit de intieme kring : huisgenoten , familiekring , leerlingengroep . Het is het gevolg van een onoverbrugbaar meningsverschil . Innerlijke verscheurdheid , met gevolg : prooi voor de vijand , de Romeinen . Verscheurdheid omtrent geweldloosheid of gewelddadig verzet . Anderzijds is er de overlevering die tot leven leidt (de traditio) .
- Het verhaal over de overlevering van Johannes de Doper blijft vaag . We komen niet te weten door wie Johannes werd overgeleverd en aan wie . Maar na de overlevering komt Jezus wel in beweging . Hij gaat naar Galilea .

Mc 1,14.5. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,14.6. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn (Johannes) van het zelfst. naamw. ιωαννης = Jôannès (Johannes) . Taalgebruik in het NT : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Johannes de Doper : Mc (6) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,20 . (5) Mc 8,28 . (6) Mc 11,32 . ;
Een vorm van ιωαννης = Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15) : (1) Mc 1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès) . (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès) . (3) Mc 1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou) . (4) Mc 1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn) . (5) Mc 2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou) . (6) Mc 6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès) . (7) Mc 6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn) . (8) Mc 6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn) . (9) Mc 6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès) . (10) Mc 6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn) . (11) Mc 6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou) . (12) Mc 6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou) . (13) Mc 8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn) . (14) Mc 11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou) . (15) Mc 11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn) .
- Hebr. : jôchanan . Ned. : Johan . D. : Johannes . E. : John . Fr. : Jean .

Mc 1,14.1. - 6. STAP VOOR STAP ! (Mc 1,14 -> Mc 14,28 -> Mc 16,6 . Een stap bij het begin naar een stap naar het einde .
- Mc 1,14 : μετα δε το παραδοθηναι τον ιωαννην = meta de to paradothènai ton iôannèn (nadat echter Johannes werd overgeleverd) .
- Mc 14,28 : αλλα μετα το εγερθηναι με = alla meta to egerthènai me (maar na het opgewekt zijn van mij) .
- De 2 zinsdelen zijn op gelijke wijze opgebouwd . In beide versdelen gaat het om een tijdsbepaling gevormd door het voorzetsel μετα = meta (na) en gevolgd door een verzelfstandigde infinitiefzin . Een tegenstelling , zwak in Mc 1,14 (δε = de (echter) , sterk in Mc 14,28 (αλλα = alla (maar) , maar er zijn tekstvarianten . In beide versdelen staat de infinitief in de pass. aor . Na de infinitief volgt een acc. die het onderwerp van de infinitiefzin aangeeft . Johannes werd geschetst als een voorganger , Jezus als iemand die na hem komt . Met deze tijdszin wordt de periode van Johannes afgesloten . In Mc 14,28 kondigt Jezus zijn verrijzenis aan . In Mc 16,1-8 wordt de verrijzenis verhaald . In Mc 16,6 lezen we : ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) . Tussen Mc 1,14b en Mc 15,47 staat het 'openbaar' leven van Jezus geschreven . Zoals Johannes zal ook Jezus overgeleverd worden . In Mc 6,16 is Herodes van mening dat Johannes werd opgewekt . In Mc 16,6 zegt de jongeling dat Jezus werd opgewekt .

Gelijkaardige zinsconstructie vinden we ook in :
- Mt 26,32 // Mc 14,28 : μετα δε το εγερθηναι με = meta de to egerthènai me (na het opgewekt zijn echter van mij) .
- Hnd 15,13 : μετα δε το σιγησαι αυτους = meta de to sigèsai autous (nadat ze echter zwegen) .

Mc 1,14.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 * .  (3) Mc 1,39 * . (4) Mc 4,4 . (5)  Mc 5,33 . (6) Mc 7,31 * . (7) Mc 8,10 * . (8) Mc 10,45 / Mc 10,46 *. (9) Mc 10,50 . (10)  Mc 11,13 . (11) Mc 14,3 . (12) Mc 14,41 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

In Mc 1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc 1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc 1,39 naar heel Galilea .

Mc 1,14.8. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,14.9. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc (4) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . De naam Jezus staat in de titel van het Marcusevangelie . In het verhaal duikt de naam Jezus pas op bij zijn doop door Johannes de Doper (Mc 1,9) . De naam van Jezus wordt verondersteld bij de beproeving van Jezus (Mc 1,12-13) . De naamsvermelding komt er wel wanneer Jezus naar Galilea gaat na de overlevering van Johannes de Doper . Pas in Mc 6,17 vernemen we dat Johannes in handen van Herodes was gevallen . Na de overlevering van Johannes gaat Jezus naar Galilea . Dat zal de plek zijn waar hij actief zal zijn . Zijn plek van activiteit zal verschuiven naar het meer van Galilea (Mc 3,7) , nadat Farizeeën en Herodianen een raadsbesluit gaven om Jezus uit de weg te ruimen . Bij deze koerswijziging wordt de naam van Jezus uitdrukkelijk vermeld . Dan is het wachten tot Mc 5,6 om de naam van Jezus te horen .
- In Mc 1,9 duikt Jezus in het verhaal op . Er staat nog geen bepaald lidwoord bij de naam Jezus . In Mc 1,14 is dat wel het geval . Jezus is gekend .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 .   3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 . 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
  totaal 81 6 5 1   8 2 1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) .
- In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) .

Mc 1,14.7. - 9. ηλθεν ὁ ιησους = èlthen ho ièsous (kwam Jezus) . NT (5) : (1) Mc 1,14 . (2) Joh 3,22 . (3) Joh 4,46 . (4) Joh 20,19 . (5) Joh 20,24 .
- ηλθεν ιησους = èlthen ièsous (kwam Jezus) . NT (1) : Mc 1,9 .
- Vermits ηλθεν (ὁ) ιησους = èlthen (ho) ièsous (kwam Jezus) slechts in Mc 1,9 en Mc 1,14 kunnen beide verzen aan elkaar gelinkt zijn . We zien dat in de beide pericopen een omgekeerde beweging wordt gedaan . In Mc 1,9 komt Jezus van Galilea , in Mc 1,14 gaat Jezus naar Galilea .

Mc 1,14.10. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 1,14.11. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,14.10. - 11. εις την = eis tèn (naar de) . NT (299) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,21 . (4) Mc 1,29 .

Mc 1,14.12. acc. vr. enk. γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea) . γαλιλαια = galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) .

  Galilaia (Galilea)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
1 nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)               1 : Mc 15,41   20  13   
2 gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 .  (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 .   (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,31 (7) Mc 9,30       40  36  10  25  33 
3 acc. vr. enk. Galilaian   (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,39 .           (3) Mc 14,28 .     (4) Mc 16,7 . 25  8 17    11  17 
  totaal  12  85  25  60  16  12  13  16  41  57 
  apo tès Galilaias (vanaf Galilea)  1 : (1) Mc 1,9 . (1) Mc 3,7 .             10       
  dia tès galilaias (door Galilea)         1 : Mc 9,30 .                          
  eis tèn Galilaian (naar Galilea)   (1) Mc 1,14 . En : Mc 1,28 . En :  Mc 1,39 .     En : Mc 7,31 .     (2) Mc 14,28   (3) Mc 16,7 . 16       
  en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) 1             1 : Mc 15,41   16  10  1      
      Mc 1,16 .                                    

- Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) .

Mc 1,14.10. - 12. In Mc 1 wordt Galilea veelvuldg gebruikt :
(1) Mc 1,9 (gen. : απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) .
(2) Mc 1,14 (acc. : εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian = naar Galilea) .
(3) Mc 1,16 (gen. : παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας = para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) .
(4) Mc 1,28 (gen. : εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) .
(5) Mc 1,39 (acc. : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) .
(1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea) . Verdere verzen in Mc 1 omsluiten verschillende verhalen : Mc 1,14 , Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) en Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) ..

εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) . Verder : (1) Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 7,31 (εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- Na de tijdsbepaling waarin gezegd wordt dat Johannes werd overgeleverd , komt de handeling van Jezus ; hij ging naar Galilea (Mc 1,14) . Terwijl Jezus en zijn leerlingen naar de Olijfberg gingen , sprak Jezus zijn leerlingen voor een laatste maal toe . Hij zegt hen dat ze verstrooid zullen worden maar dat hij hen na zijn verrijzenis zal voorgaan naar Galilea (Mc 14,28) . In Mc 16,6 zegt de jongeling dat Jezus is verrezen . In Mc 16,7 zegt de jongeling bovendien dat Jezus hen gezegd heeft dat hij hen zal voorgaan naar Galilea . Verondersteld wordt dat Jezus hen opnieuw zal verzamelen in Galilea .

Mc 1,14.7. - 12. .Mc 1,14 en Mc 1,39 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους εις την γαλιλαιαν = èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian (ging Jezus naar Galilea) .
- Mc 1,39 : και ηλθεν ... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging naar heel Galilea) .

In Mc 1 wordt Galilea veelvuldg gebruikt : : (1) Mc 1,9 (gen. : απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) . (2) Mc 1,14 (acc. : εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian = naar Galilea) . (3) Mc 1,16 (gen. : παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας = para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) . (4) Mc 1,28 (gen. : εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (5) Mc 1,39 (acc. : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) .
(1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea) . Verdere verzen in Mc 1 omsluiten verschillende verhalen : Mc 1,14 , Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) en Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) .

Jezus ging naar Galilea . In feite ging Jezus terug naar Galilea , want in Mc 1,9 is er de eerste keer sprake over Jezus die van Nazaret in Galilea naar Judea ging . Hoelang Jezus in Judea is gebleven , weten we niet . Wel kennen we de aanleiding waarom Jezus naar Galilea ging , namelijk de uitlevering van Johannes (de Doper) . Uit het vervolg van het evangelie weten we dat de gevangenneming het signaal was om uit te wijken - voor dreigend gevaar . Wellicht moeten we dit voortdurend voor ogen houden wanneer Jezus van de ene naar de andere plaats ging : het gevaar dreigde . Mc 3,7 gebruikt het woord uitwijken wegens gevaar (Grieks : anachôreô) , terwijl het bij Matteüs met deze betekenis veelvuldig voorkomt .
In Mc 14,28 kondigt Jezus bij zijn afscheid aan dat hij na zijn opwekking zijn leerlingen zal voorgaan naar Galilea . Jezus haalt hierbij een schrifttekst aan : 'Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid' . De aansporing om naar Galilea te gaan in Mc 16,7 houdt in dat hij er de verstrooide leerlingen zal verzamelen .

Mc 1,14.13. act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Lc : kèrussô (verkondigen) . Bijbel (13) : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 9,35 . (4) Mc 1,4 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,39 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . (11) Hnd 20,25 . (12) Hnd 28,31 . (13) Rom 2,21 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in de LXX (32) , in het NT (61) , in Lc (9) : (1) Lc 3,3 . (2) Lc 4,18 . (3) Lc 4,19 . (4) Lc 4,44 . (5) Lc 8,1 . (6) Lc 8,39 . (7) Lc 9,2 . (8) Lc 12,3 . (9) Lc 24,47 . In Lc : 5 vormen van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in 9 verzen in 6 hoofdstukken . In Hnd : 6 vormen van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in 8 verzen in 7 hoofdstukken . In de LXX kan κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16
1 ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. kèrussôn 3 (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,39              
2 inf. pr. kèrussein 3 (1) Mc 1,45 .   (2) Mc 3,14 . (3) Mc 5,20          
3 ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen 1 (1) Mc 1,7 .                
4 ind. imp. 3de p. mv. ekèrusson 1         (1) Mc 7,36 .        
5 ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan  2       (1) Mc 6,12       (2) Mc 16,20 .
6 imperat. aor. 2de p. mv. kèruxate 1               (1) Mc 16,15 .
7 act. conj. aor. 1ste pers. enk. 1 (1) Mc 1,38 .                
8 inf. pass. aor. kèruchthènai            (1) Mc 13,10 .    
9 pass. conj. aor. 3de pers. enk. kèruchthè 1             (1) Mc 14,9 .  
  Totaal 14
  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Lat. praedicare . Fr. proclamer . Ned. verkondigen . prediken . E. to preach . D. predigen .

7. - 13. Er is een link tussen Mc 1,4 en Mc 1,9 . In beide verzen staat het onderwerp op de tweede plaats in de zin na het vervoegd werkwoord . In Mc 1,4 wordt Johannes in het evangelie voor het eerst vermeld , in Mc 1,9 wordt Jezus voor het eerst vermeld . In Mc 1,4 en Mc 1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn een object : Mc 1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc 1,14 (de goede boodschap van God) . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,4 : εγενετο ιωαννης = egeneto iôannès (Johannes was) .
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen ièsous (kwam Jezus) .

Mc 1,9 en Mc 1,14 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,9 : ηλθεν ιησους = èlthen Ièsous (kwam Jezus) . Hapax in Mc .
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους = èlthen ho Ièsous (kwam Jezus) . Met lidwoord . Hapax in Mc .

Mc 1,14 en Mc 1,39 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους εις την γαλιλαιαν = èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian (ging Jezus naar Galilea) .
- Mc 1,39 : και ηλθεν ... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging naar heel Galilea) .

De linken worden nog verder uitgewerkt :
- Mc 1,4 : εγενετο ιωαννης ... κηρυσσων = egeneto iôannès ... kèrussôn (Johannes was ... verkondigend) .
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους ... κηρυσσων ... = èlthen ho Ièsous ... kèrussôn (kwam Jezus ... verkondigend) .
- Mc 1,39 : : και ηλθεν κηρυσσων ... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen kèrussôn ... eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging verkondigend naar heel Galilea) .

Mc 1,14.14. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

13. - 14. κηρυσσων το = kèrussôn to (verkonfigend het) . NT (3) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mc 1,4 .

Mc 1,14.15. nom + acc. onz. enk. ευαγγελιον = euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in de Septuaginta : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion (evangelie) . Mc (4) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 . De acc. onz. enk. ευαγγελιον = euaggelion (evangelie) is telkens lijdend voorwerp van een vorm van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) .
In Mc 1 een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) in 3 verzen : (1) Mc 1,1 (gen. enk. ευαγγελιου = euaggeliou) . (2) Mc 1,14 (acc. enk. ευαγγελιον = euaggelion) . (3) Mc 1,15 (dat. enk. ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) .

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 4 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mt 26,13 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 .     1 31 1 8 : (1) Mt 24,14 // Mt 26,13 // Mc 14,9 . 8
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22   3 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 10,29 .     1 18   3 3
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12   1 : Mc 1,15 .       11   1 1
Totaal  76 1 75 4 8     2 60 1 12 12

- eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel .

Mc 1,14.14. - 15. το ευαγγελιον = to euaggelion (het evangelie) . NT (36) . Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. του = tou , dat. τῳ = tô(i) , acc. το = to .
In twee complementaire zinnen in Mc 1,14-15 komt het woord ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal voor .
- De zin κηρυσσων το ευαγγελιον = kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede boodschap) correspondeert met
- pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc 1,1 en Mc 1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô (verkondigen) voor , nl. Mc 16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .

Mc 1,14.16. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. :the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In acht verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,15 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,24 . (8) Mc 1,44 .

14. - 16. το ευαγγελιον του = to euaggelion tou (het evangelie van de) . NT (10) : (1) Rom 1,16 . (2) Rom 15,16 . (3) Rom 15,19 . (4) 1 Kor 9,18 . (5) 2 Kor 2,12 . (6) 2 Kor 9,13 . (7) Gal 1,7 . (8) 1 Tes 2,2 . (9) 1 Tes 2,8 . (10) 1 Tes 2,9 .
- το ευαγγελιον της = to euaggelion tès (het evangelie van de) . NT (8) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) . (5) Hnd 20,24 . (6) Gal 2,7 . (7) Ef 1,13 . (8) 1 Tim 1,11 .

14. - 17. το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (het evangelie van God) . NT (10) : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 . του θεου ευαγγελιον = theou to euaggelion (evangelie van God) in 2 Kor 11,7 .
- ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) . NT (1) : Rom 1,1 .
- το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) . NT (10) : (1) Rom 1,16 . (2) Rom 15,19 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 2,12 . (5) 2 Kor 9,13 . (6) Gal 1,7 . (8) 1 Tes 2,2 . (9) 1 Tes 2,8 . (10) 1 Tes 2,9 .
- το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . NT (4) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) .

In Mc 1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea naar Judea . Hij liet zich dopen, ging in de leer bij Johannes en was wellicht een leerling van Johannes. Jezus week uit naar Galilea bij de gevangenneming van Johannes. Jezus voelde zich eveneens bedreigd. Hij heeft dus wellicht behoord tot de kring van Johannes.
Wanneer Jezus naar Galilea terugging, was hij een ander mens. Hij wilde de blijde boodschap van God verder verkondigen, omdat Johannes de Doper het niet meer kon. We treffen in Mc 14,28 dezelfde zinsconstructie als in Mc 1,14 aan. Bij Mc 14,28 hoort Mc 16,7 . Na de dood van Jezus gingen de leerlingen naar Galilea, zoals Jezus het toendertijd gedaan heeft. Het is alsof de geschiedenis zich herhaalt. Zo hebben we hier een samenhang tussen het begin en het einde van het evangelie.
Aan Mc 14,28 gaat een bijbelcitaat vooraf : "Ik zal de herder slaan en de schapen zullen verstrooid worden." Het wordt duidelijk wat Jezus bedoelde met de zin: "Nadat ik ben verrezen, zal ik je voorgaan naar Galilea." Jezus zal er zijn verstrooide leerlingen verzamelen. Dat heeft Jezus wellicht ook gedaan wanneer hij na de gevangenneming van Johannes naar Galilea ging. Het is opvallend dat Jezus naar Galilea ging en leerlingen riep. Wellicht is hij begonnen met de verstrooide leerlingen van Johannes de Doper te verzamelen, te hergroeperen.

Het terugkeren van Jezus naar Galilea mag niet geïnterpreteerd worden als een gaan naar huis , als een terug opnemen van zijn vroegere taak . Jezus gaat ook niet naar Nazaret (volgens Marcus) . In Mc 1,9 zegt Marcus dat Jezus van Nazaret van Galilea kwam . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea en in Mc 1,21 naar Kafarnaüm . Er is een concentrische of een chiastische structuur: Nazaret - Galilea - Galilea - Kafarnaüm . Jezus ging terug en ging doen wat in het verlengde van Johannes de Doper lag . Jezus ging terug om leraar te zijn en verzamelde rond zich leerlingen . Het lijkt erop dat Jezus de plaats van Johannes ging innemen . Het eerste wat Jezus deed bij zijn terugkeer, was naar het meer van Galilea gaan om leerlingen rond zich te verzamelen . Dan ging hij naar Kafarnaüm , niet naar Nazaret, en ging er onderwijzen .

In het hele Marcusevangelie is er een zekere dubbelzinnigheid te bespeuren . Enerzijds wilde Jezus de blijde boodschap verkondigen en zieken genezen , en anderzijds (althans tot Mc 8,27 ) was hij op zijn hoede voor gevaar . Zelfs vanaf zijn eerste optreden in de synagoge van Kafarnaüm legde hij het zwijgen op aan de man met een onreine geest . Jezus vreesde de tegenstand en de mogelijkheid hetzelfde lot als Johannes de Doper te ondergaan . Het wijken hoeft niet persé negatief geïnterpreteerd te worden . Jezus kon ook vrezen dat een vroegtijdige gevangenis een einde kon stellen aan het werk van Johannes de Doper en van de voortzetting door Hem .

"Ik zal je voorgaan naar Galilea" zei Jezus vooraleer hij in Jeruzalem de kruisdood zou sterven . De leerlingen van Jezus wisten dat Johannes de Doper was gevangen genomen en hadden meegemaakt dat hij werd gedood . Maar het werk van Johannes de Doper was verder gegaan . Daartoe had Jezus het initiatief genomen . Hij was naar Galilea gegaan , leerlingen rond zich verzameld en het Rijk Gods verkondigd . De dood van Jezus hoefde niet het einde te zijn . Via de verhalen van Elia en Elisa verwoordden de evangelisten het heengaan van Jezus naar God en de zending van zijn geest over de apostelen . Het teruggaan van de leerlingen naar Galilea kan dus wijzen op een voortzetting van het werk van Jezus . Niet het optreden van Johannes de Doper en zijn boodschap stonden centraal , voortaan stonden het lijden en de dood van Jezus en zijn boodschap centraal .

Mc 1,15 - Mc 1,15 : 21. Begin van Jezus'optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,14 - Mc 1,15 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 1ste (eerste zondag in de veertigdagentijd B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai legôn hoti peplèrôtai ho kairos kai èggiken hè basileia tou theou metanoeite kai pisteuete en tôi euaggeliôi   et dicens quoniam impletum est tempus et adpropinquavit regnum Dei paenitemini et credite evangelio   zeggend: "De tijd is vervuld en nabijgekomen is het Rijk Gods; bekeer u en geloof in het evangelie."  Hij zei: "De tijd is vervuld en het Rijk Gods is nabij; bekeert u en gelooft in de Blijde Boodschap."  en zei: ‘De tijd is rijp en het koninkrijk van God is ophanden. Bekeer u! Heb geloof in de goede boodschap.’  Dit was wat hij zei: ‘De tijd is aangebroken, het koninkrijk van God is nabij: kom tot inkeer en hecht geloof aan dit goede nieuws.’  en zegt hij: de tijd is vervuld, en genaderd is het koningschap van God! bekeert u, en gelooft en hebt vertrouwen in deze aankondiging!  15. « Le temps est accompli et le Royaume de Dieu est tout proche : repentez-vous et croyez à l'Évangile. »

Statenvertaling . 15 En zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen; bekeert u, en gelooft het Evangelie.
King James Bible . And saying, The time is fulfilled, and the kingdom of God is at hand: repent ye, and believe the gospel.
Luther-Bibel . 15 und sprach: Die Zeit ist erfüllt und das Reich Gottes ist herbeigekommen. Tut Buße und glaubt an das Evangelium!

Tekstuitleg van Mc 1,15 . Dit vers Mc 1,15 telt 18 (2 X 3 X 3) en 91 letters . De getalwaarde van Mc 1,15 is 9389 (41 X 229) .

Mc 1,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en .

Mc 1,15.2. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt .

Mc 1,15.3. hoti (dat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .

1. - 2. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .

Mc 1,15.5. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

Mc 1,15.6. nom. mann. enk. kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in het NT : kairos (gunstig moment) . Taalgebruik in Mc : kairos (gunstig moment) . Mc (3) (1) Mc 1,15 . (2) Mc 11,13 . (3) Mc 13,33 .

Mc 1,15.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Al deze verzen situeren zich in de pericope Mc 1,1-15 . Mc 1,1 kunnen we beschouwen als een titel . In Mc 1,2-3 worden bijbelteksten geciteerd . Met Mc 1,4 begint het eigenlijke verhaal . Er resten nog negen verzen . Al deze verzen beginnen met kai (en) . Daardoor krijgt de pericope het karakter van een verhalende tekst : en ... en ... en .

Mc 1,15.8. act. ind. perf. 3de pers. enk. èggiken van het werkw. eggizô (naderen) . Taalgebruik in het NT : eggizô (naderen) . Taalgebruik in Mc : eggizô (naderen) . Mc (2) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 14,42 .

Mc 1,15.9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .

Mc 1,15.10. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het NT : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) .
Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .

Mc 1,15.11. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,15.9. - 12. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 10,14 (nom.) .

Mc 1,15.15. act. ind. praes. 2de pers. mv. + act. imperat. praes. 2de pers. mv. πιστευετε = pisteuete (jullie geloven / gelooft) van het werkw. πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in het NT : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Taalgebruik in de LXX : pisteuô (geloven, vertrouwen) . Bijbel (20) : (1) 2 Kr 32,15 . (2) Mt 9,28 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 11,24 . (5) Mc 13,21 . (6) Joh 3,12 . (7) Joh 5,38 . (8) Joh 5,47 . (9) Joh 6,36 . (10) Joh 8,45 . (11) Joh 8,46 . (12) Joh 10,25 . (13) Joh 10,26 . (14) Joh 10,37 . (15) Joh 10,38 . (16) Joh 12,36 . (17) Joh 14,1 . (18) Joh 14,11 . (19) Joh 16,31 . (20) 1 Joh 4,1 . Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) in de LXX (88) , in het NT (241) , in Mt (11) , in Mc (14) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,36 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,42 . (6) Mc 11,23 . (7) Mc 11,24 . (8) Mc 11,31 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 15,32 . (11) Mc 16,13 . (12) Mc 16,14 . (13) Mc 16,16 . (14) Mc 16,17 , in Lc (9) , in Joh (98) , in Hnd (54) . In de LXX kan πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) de vertaling van 4 Hebreeuwse werkw. zijn .

Mc 1,15.16. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi (in) .

Mc 1,15.15. - 16. Een vorm van πιστευω = pisteuô (geloven, vertrouwen) met het voorzetsel εν = en (in, tijdens) : (1) Mc 1,15 . (2) Ef 1,13 .

Mc 1,15.17. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,19 . (5) Mc 1,20 . (6) Mc 1,44 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,15.18. dat. onz. enk. ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) van het zelfst. naamw. ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) . Taalgebruik in het NT : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in de Septuaginta : euaggelion (evangelie) . Taalgebruik in Mc : euaggelion (evangelie) . NT (12) : (1) Mc 1,15 . (2) Rom 1,9 . (3) Rom 10,16 . (4) 1 Kor 9,12 . (5) 1 Kor 9,18 . (6) 2 Kor 8,18 . (7) 2 Kor 10,14 . (8) Fil 4,3 . (9) 1 Tes 3,2 . (10) 2 Tes 1,8 . (11) 2 Tim 1,8 . (12) 1 Pe 4,17 .
In Mc 1 een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) in 3 verzen : (1) Mc 1,1 (gen. enk. ευαγγελιου = euaggeliou) . (2) Mc 1,14 (acc. enk. ευαγγελιον = euaggelion) . (3) Mc 1,15 (dat. enk. ευαγγελιῳ = euaggeliô(i) .

euaggelion (evangelie) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.  
nom. + acc. onz. enk. euaggelion 41   41 4 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mt 26,13 . 4 : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 13,10 . (3) Mc 14,9 . (4) Mc 16,15 .     1 31 1 8 : (1) Mt 24,14 // Mt 26,13 // Mc 14,9 . 8
gen. onz. enk. euaggeliou   22   22   3 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 10,29 .     1 18   3 3
dat. onz. enk. euaggeliôi 13 1 12   1 : Mc 1,15 .       11   1 1
Totaal  76 1 75 4 8     2 60 1 12 12

- Zie b.v. het Hebreeuwse לְבַשֵּׂר = lëbhashsher (om de goede boodschap te brengen) < prefix voorzetsel lë + act. piël inf. van het werkw. בָשַׂר = bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Taalgebruik in Tenakh : bâshar (een goede boodschap brengen, berichten) . Getalwaarde : beth = 2 , shin = 21 of 300 , resj = 20 of 200 ; totaal : 43 OF 502 (2 X 251) . Structuur : 2 - 3 - 2 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (3) : (1) 1 S 31,9 . (2) Js 61,1 . (3) 1 Kr 10,9 .
- eu-aggelion = goede boodschap . Lat. evangelium . Fr. évangile . D. Evangelium . E. gospel .

17. - 18. τῳ ευαγγελιῳ = tô(i) euaggeliô(i) . NT (11/12; 12/12) : (1) Mc 1,15 . (2) Rom 1,9 . (3) Rom 10,16 . (4) 1 Kor 9,12 . (5) 1 Kor 9,18 . (6) 2 Kor 8,18 . (7) 2 Kor 10,14 . (8) Fil 4,3 . (9) 1 Tes 3,2 . (10) 2 Tes 1,8 . (11) 2 Tim 1,8 . Met de genitiefbepaling ertussen 1 Pe 4,17 .

16. - 18. - το ευαγγελιον του θεου = to euaggelion tou theou (het evangelie van God) . NT (4) : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 . του θεου ευαγγελιον = theou to euaggelion (evangelie van God) in 2 Kor 11,7 .
- ευαγγελιον θεου = euaggelion theou (het evangelie van God) . NT (1) : Rom 1,1 .
- το ευαγγελιον του χριστου = to euaggelion tou (het evangelie van Christus) . NT (10) : (1) Rom 1,16 . (2) Rom 15,19 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 2,12 . (5) 2 Kor 9,13 . (6) Gal 1,7 . (8) 1 Tes 2,2 . (9) 1 Tes 2,8 . (10) 1 Tes 2,9 .
- το ευαγγελιον της βασιλειας = to euaggelion tès basileias (het evangelie van het koninkrijk) . NT (4) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) .

- ευαγγελιου ιησου = euaggeliou ièsou (van het evangelie van Jezus) . Mc 1,1 .
- του ευαγγελιου (του) χριστου = (tou) euaggeliou tou christou (van het evangelie van Christus) . NT (2) : (1) Mc 1,1 . (2) Fil 1,27 .
- του ευαγγελιου της δοξης του χριστου = tou euaggeliou tès doksès tou christou (van het evangelie van Christus) . NT (1) : 2 Kor 4,4 .

- εν τῳ ευαγγελιῳ = en tô(i) euaggeliô(i) (in het evangelie) . NT (7/12) : (1) Mc 1,15 . (2) Rom 1,9 . (3) 1 Kor 9,18 . (4) 2 Kor 8,18 . (5) 2 Kor 10,14 . (6) Fil 4,3 . (7) 1 Tes 3,2 .
- εν τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = en tôi euaggeliôi tou christou (in het evangelie van Christus) . NT (2) : (1) 2 Kor 10,14 . (2) 1 Tes 3,2 .
- εν τῳ ευαγγελιῳ του υἱου αυτου = en tôi euaggeliôi tou huiou autou (in het evangelie van zijn zoon) . Rom 1,9 .

- τῳ ευαγγελιῳ του χριστου = tôi euaggeliôi tou christou (aan het evangelie van Christus) . NT (1) : 1 Kor 9,12 .
- τῳ ευαγγελιῳ του κυριου ἡμων ιησου = tôi euaggeliôi tou kuriou hèmôn ièsou (aan het evangelie van onze Heer Jezus) . 2 Tes 1,8 .
- τῳ του θεου ευαγγελιῳ = tô(i) tou theou euaggeliô(i) (aan het evangelie van God) . 1 Pe 4,17 .

Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) + (...) του χριστου : NT (13) : (1) Mc 1,1 . (2) Rom 1,16 . (3) Rom 15,19 . (4) 1 Kor 9,12 . (5) 1 Kor 9,18 . (6) 2 Kor 2,12 . (7) 2 Kor 4,4 . (8) 2 Kor 9,13 . (9) Gal 1,7 . (10) Fil 1,27 . (11) 1 Tes 2,2 . (12) 1 Tes 2,8 . (13) 1 Tes 2,9 .
- Een vorm van ευαγγελιον = euaggelion (goede boodschap) + (του) θεου = (tou) theou ( van God) of variatie van deze lezing (2 Kor 11,7 en 1 Pe 4,17) . NT (4) : (1) Rom 15,16 . (2) 1 Tes 2,2 . (3) 1 Tes 2,8 . (4) 1 Tes 2,9 .
- Andere : NT (6) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 9,35 . (3) Mt 24,14 . (4) Mc 1,14 (variante lezing) . (5) Rom 1,9 . (6) 2 Tes 1,8 .

Mc 1,15.17. - 18. Een vorm van euaggelion (goede boodschap) in Mc (8) ; gen. (3) , dat. (1) , acc. (4) . Elke vorm wordt voorafgegaan door het bepaald lidwood : gen. (tou) , dat. tô(i) , acc. to .
In twee complementaire zinnen in Mc 1,14-15 komt het woord euaggelion (goede boodschap - evangelie) tweemaal voor . De zin kèrussôn to euaggelion ... (verkondigend de goede boodschap) correspondeert met pisteutete en tôi euaggeliôi (gelooft in de goede boodschap) . Zo omsluit Mc 1,1 en Mc 1,14-15 elkaar . Ook in de slotverzen van het Marcusevangelie komt het woord euaggelion (goede boodschap) gecombineerd met het werkwoord kèrussô (verkondigen) voor , nl. Mc 16,15 : kèruksate to euaggelion (verkondigt de goede boodschap) .