24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -

  Mc 1,21 Mc 1,22 Mc 1,23 Mc 1,24 Mc 1,25 Mc 1,26 Mc 1,27 Mc 1,28  
woorden  13  18  13  18  11  14  24  13  124 (4 X 31) . Mc 1,21 + Mc 1,22 : 31 . Mt 1,23-28 : 93 (3 X 31) .

In het Marcusevangelie kunnen we verschillende soorten teksten ontdekken . Enerzijds heb je teksten die beginnen met het verbindingswoordje kai (en) , anderzijds zinnen met het woordje de (echter) dat in de zin steeds op de tweede plaats staat . Deze twee woordjes hebben de versindeler beïnvloed .

In het Marcusevangelie wordt heel vaak een dubbel niveau gehanteerd : enerzijds het niveau van Jezus met zijn leerlingen , anderzijds het niveau van de leerlingen (en Jezus) na de verrijzenis van Jezus . Deze twee niveau 's lopen zeer vaak door elkaar . Zo is (de verrezen) Jezus en zijn leerlingen dikwijls op weg . Dat wordt vaak verwoord in de tegenwoordige tijd . Dat gebeurt vaak in verband met steden . Ze lijken op pleisterplaatsen , bedevaartplaatsen . Ook wordt het woord volgen dikwijls aangewend . Zo is Jezus dan de weg . Jezus is de te volgen weg . Wellicht moeten we hier denken aan het Hebreeuwse werkwoord halach (gaan) . Halacha betekent levenswandel en wordt beschreven in de commentaren op de Thora .

Het zal langzaam duidelijk worden dat Mc 1,14-15 en Mc 1,39 het geheel van Mc 1,16-38 omsluit . Mc 1,21-38 geeft het beeld van Jezus van zijn verblijf van vierentwintig uur in Kafarnaüm .
Vooreerst zijn er de tijdsaanduidingen in :
- Mc 1,21 : tois sabbasin (op sabbat) ,
- Mc 1,32 : opsias de genomenès , hote edusen ho hèlios (toen het echter avond werd, toen de zon onderging = 's avonds bij zonsondergang)
en Mc 1,35 : prôi ennucha lian ('s morgens vroeg, diep in de nacht) .
Vervolgens geven de plaatsaanduidingen structuur aan de tekst :
- Mc 1,21 : eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) ,
- Mc 1,23 : en tèi sunagôgèi (in de synagoge) ,
- Mc 1,29 : ek tès sunagôgès (uit de synagoge) .
Verdere plaatsaanduidingen zijn dan het huis (Mc 1,29) , aan de deur van het huis (Mc 1,32) en een eenzame plaats (Mc 1,35) . De riching van bestemming wordt met eis (naar) aangeduid , de richting van vertrek met ek (uit) . De handeling , uitgedrukt door het werkwoord , versterkt soms het gezichtspunt van vertrek of bestemming :
- Mc 1,21 : eiselthôn eis... (binnengegaan in) ,
- Mc 1,29 : ek... exelthontes (uit... uitgegaan) ,
- Mc 1,35 : exèlthen kai apèlthen eis (hij ging het huis uit en hij ging weg naar...) . We hebben telkens te maken met een samengesteld werkwoord , dat bestaat uit een voorvoegsel en een vorm van het werkwoord erchomai (gaan) .

  Mc 1,21 Mc 1,23 Mc 1,29 Mc 1,29 Mc 1,32 Mc 1,35 Mc 1,35
voegwoord en bijwoord euthus (terstond) kai euthus (en terstond) kai euthus (en terstond) kai euthus (en terstond)     kai (en)  kai (en) 
tijdsaanduiding tois sabbasin (op sabbat)       opsias de genomenès, hote edusen ho hèlios ('s avonds bij zonsondergang) prôi ennucha lian ( vroeg, diep in de nacht)  
werkwoord eiselthôn (binnengegaan) èn (was er)   èlthon (gingen zij) 33. kai èn holè hè polis episunègmenè pros tèn thuran (en was de hele stad verzameld bij de deur)   apèlthen ( hij ging weg)
voorzetsel eis (in) en (in) ek (uit) eis (naar)     eis (naar) 
bepaling van plaats tèn sunagôgèn (de synagoge) tèi sunagôgèi autôn (hun synagoge) tès sunagôgès (hun synagoge) ekselthontes (buitengegaan) tèn oikian Simônos... (het huis van Simon...)   anastas eksèlthen (na zijn opstaan ging hij het huis uit)   erèmon topon (een eenzame plaats)
   24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 -  55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 -
 58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -
 58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39 -  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 -  60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm :Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -
  60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -

Mc 1,21-28 beschrijft de tweevoudige activiteit van Jezus : enerzijds zijn leeractiviteit , anderzijds zijn wonderdadig optreden .

Op verschillende wijzen kunnen we het begin van Jezus'optreden interpreteren . Gewoonlijk lezen we het vanuit onze eigen situatie : Jezus vangt zijn goddelijk plan aan , predikt de blijde boodschap , spoort aan tot 'evangelisch' leven en belooft een leven na de dood in volle vriendschap met God . Hierbij moet dan de strijd aangegaan worden met de duivel en het kwade .

We zullen het vele malen aantreffen . De activiteit van Jezus wordt onder een tweevoudig aspect belicht : woord- en daadactiviteit . In Mc 1,21-38 is de woordactiviteit niet uitgewerkt , wel de daadactiviteit die dan nog verder uitgewerkt wordt onder zijn twee aspecten : genezen en duivels uitdrijven . We merken nu dat de woordactiviteit bij het begin en op het einde van Mc 1,21-38 ter sprake komt . Plaatsen we de teksten naast elkaar (Mc 1,21 en Mc 1,38) , dan zien we gelijkenissen.
Het werkwoord kèrussô (verkondigen) in Mc 1,38 komen we voor de tweede maal in het Marcusevangelie met betrekking tot Jezus tegen . Dat herinnert ons aan Mc 1,14 waarin Jezus' optreden in Galilea begint . Zo kunnen we ook de zin eis touto eksèlthon (daartoe ben ik uitgetrokken) beter begrijpen . Het is Jezus'taak op vele plaatsen te verkondigen . Zo duidt Mc 1,21-38 het tweevoudig aspect van de woordactiviteit van Jezus aan : enerzijds onderwijs (didaskô : onderwijzen , leren ; Mc 1,21) en anderzijds verkondiging (kèrussô : verkondigen ; Mc 1,38 , Mc 1,14) . Zo omsluit Mc 1,21 en Mc 1,38 het geheel van Mc 1,21-38 . Mc 1,38 legt reeds een link naar Mc 1,14 en omsluit zo Mc 1,14-38 . Mc 1,39 zal dat eveneens doen maar tevens een link leggen naar wat komt .

  Mc 1,14 Mc 1,21b Mc 1,21a Mc 1,38
voegwoord kai (en) ... kai (en)... kai (en) kai legei autois (en hij zegt aan hen)
werkwoord èlthen ('Jezus' ging)  eiselthôn (binnengegaan) eisporeuontai (zij begeven zich op weg) agômen (laten wij gaan)
onderwerp ho Ièsous (Jezus)       
bepaling van plaats eis tèn Galilaian (naar Galilea)  eis tèn sunagôgèn (in de synagoge) eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) allachou eis tas echomenas kômopoleis (naar elders naar de naburige dorpsstadjes)
  kèrussôn (verkondigende)   edidasken (onderwees hij)   hina kai ekei kèruksô (opdat ik ook daar zal verkondigen)
        eis touto gar eksèlthon (daartoe immers ben ik uitgegaan)
  Begin van Jezus' optreden in Galilea  - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15 - Jezus leert en geneest - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - Jezus leert en geneest - Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -

Mc 1,21 - Mc 1,21 - 24. Jezus leert en geneest - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 4zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
 Kai eisporeuontai eis Kafarnaoum kai euthus tois sabbasin eiselthôn eis tèn sunagôgèn edidasken et ingrediuntur Capharnaum et statim sabbatis ingressus synagogam docebat eos   En ze traden bin-nen in Kafarnaüm. En terstond op de sabbat ging hij binnen in de synagoge (en) leerde. Zij kwamen in Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Hij naar de synagoge waar Hij als leraar optrad.  Ze trokken naar Kafarnaüm. De eerste de beste sabbat ging Hij naar de synagoge en gaf er onderricht.  Ze gingen op weg naar Kafarnaüm, en op de eerstvolgende sabbat ging Jezus naar de synagoge en onderwees er de mensen.  Zij trekken Kafarnaoem binnen; en meteen is hij op de sabbatdagen de synagoge binnengekomen en onderricht gaan geven. 21. Ils pénètrent à Capharnaüm. Et aussitôt, le jour du sabbat, étant entré dans la synagogue, il enseignait.

Statenvertaling . 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
King James Bible . And they went into Capernaum; and straightway on the sabbath day he entered into the synagogue, and taught.
Luther-Bibel . 21. Ils pénètrent à Capharnaüm. Et aussitôt, le jour du sabbat, étant entré dans la synagogue, il enseignait.
Persoonlijke vertaling : En zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm en direct op sabbat naar de synagoge gegaan leraarde hij .

Tekstanalyse van Mc 1,21 . Dit vers Mc 1,21 telt 13 woorden en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 1,21 is 8256 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 3 X 43) . Vers 21 bestaat uit twee nevenschikkende zinnen . De eerste zin bevat 4 woorden en 11 lettergepen , de tweede zin uit 9 woorden en 20 lettergrepen . Totaal : 13 woorden en 31 lettergrepen . Beide nevenschikkende zinnen beginnen met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . In beide zinnen staat een werkwoord met het voorvoegsel eis- en wordt het werkwoord gevolgd door het voorzetsel eis (naar) + plaatsbepaling . De tweede nevenschikkende zin bestaat uit 9 woorden ; drie ervan eindigen op -s en vijf op -n . Aldus is de zin : kai ( en ) , tweemaal -s , tweemaal -n , eenmaal -s , driemaal -n .

Mc 1,21 Kai (en) eisporeuontai (zij begeven zich op weg) eis (naar) Kafarnaoum (Kafarnaüm) kai... (en) eiselthôn (binnengegaan) eis (naar) tèn sunagôgèn (de synagoge)
Mc 11,15 Kai (en) erchontai (zij gaan) eis (naar) Hierosoluma (Jeruzalem) Kai (en) eiselthôn (binnengegaan) eis (naar) to hieron (de tempel)

Tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 bestaat een opmerkelijke overeenkomst . In beide gevallen wordt het gaan naar de stad vermeld en vervolgens het binnengaan in het plaatselijk heiligdom ; respectievelijk Kafarnaüm en Jeruzalem , synagoge en tempel . In Mc 1 gaat het om de eerste stad , in Mc 11 om de laatste stad waar Jezus verblijft .

Mc 1,21.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . Door het voegwoord wordt de vorige pericope met deze verbonden . Het maakt ook deel uit van een reeks και 's = kai's in deze pericope waardoor deze een verhalende tekst wordt .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) .E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) .

Mc 1,21.2. indicatief praesens 3de persoon meervoud van het werkw. eisporeuontai (zij trekken naartoe, zij begeven zich op weg naar) van het werkw. eisporeuomai (zich op weg begeven naar) . eis + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen . Met het meervoud zijn Jezus en zijn leerlingen die Jezus in Mc 1,16-20 heeft geroepen , bedoeld .
Mc (1) Mc 1,21 . Een vorm van eisporeuomai (zich op weg begeven) in Mc in 8 verzen : (1) Mc 1,21 *. (2) Mc 4,19 . (3) Mc 5,40 . (4) Mc 6,56 *. (5) Mc 7,15 *. (6) Mc 7,18 *.  (7) Mc 7,19 *.  (8) Mc 11,2 *.
Na het voegwoord staat het werkwoord in de tegenwoordige tijd . In Mc 1,21 is het een werkwoord met het voorvoegsel eis- (naar) . Hierna volgt het voorzetsel eis (naar) met de plaatsbepaling . De tegenwoordige tijd van het werkwoord erchomai (gaan) + voorzetsel eis (naar + plaatsbepaling) legt blijkbaar linken met andere pericopen en vormt een netwerk van plaatsen waarnaar gegaan wordt . Dit vers hoort blijkbaar bij dit netwerk ofschoon het werkwoord eisporeuomai (zich op weg begeven naar) gebruikt wordt . Het evangelie van Marcus zouden we wel eens kunnen typeren als het evangelie van 'het op weg gaan' of van de weg .
In Mc 11,1 zouden we erchontai (zij gaan) in plaats van het voor Mc hapaxvorm eggizousin (zij naderen) verwachten . Dat is niet het geval . Zoals dat ook niet het geval was in Mc 1,21 , waar we eisporeuontai (zij begeven zich op weg naar) lezen :
- Mc 1,21 : kai eisporeuontai eis Kafarnanaoum = en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm .
- Mc 11,1 : kai hote eggizousin eis Hierosoluma = en dan naderen zij tot Jeruzalem .

Mc 1,21.3. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Mc (151) . Mc 1 (13) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 1,21.4. καφαρναυμ = kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het NT : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

Kafarnaoum (Kafarnaüm)   bijbel NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
  16  16  4 : (1) Mt 4,13 . (2) Mt 8,5 . (3) Mt 11,23 . (4) Mt 17,24 3 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 . 4 : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 7,1 . (4) Lc 10,15 5 : (1) Joh 2,12 . (2) Joh 4,46 . (3) Joh 6,17 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 6,59 . 11 : (1) Mt 4,13 // Mc 1,21 // Lc 4,31 . (2) Mt 11,23 // Lc 10,15 . 16 : (1) Mt 8,5 // Mc 2,1 // Lc 7,1 // Joh 4,46 .
12 : eis kafarnaoum       3 . niet in Mt 11,23 . 3 .   3 . Lc 4,23 eis tèn kafarnaoum . niet in Lc 10,15 3 . en kafarnaoum in (1) Joh 4,46 .  (2) Joh 6,59 . niet in : (1) Mt 11,23 // Lc 10,15 .  

- Hebreeuws : כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur : 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- כֹּפֶר = kophèr (losgeld, zoengeld) . Zie het werkw. כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur : 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (7) : (1) Ex 21,30 . (2) Ex 30,12 . (3) 1 S 6,18 . (4) Job 36,18 . (5) Spr 6,35 . (6) Spr 13,8 . (7) Spr 21,18 .
- נָחַם = nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . Structuur : 5 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 .
- De eerste stad waar Jezus tijdens zijn openbaar leven verblijft , is Kafarnaüm . De laatste stad is Jeruzalem . Bij een tweede vermelding van de beide steden wordt een werkw. van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) gebruikt :
- Mc 2,1 : και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum = en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm .
- Mc 11,11 : και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis Hierosoluma = en hij ging binnen in Jeruzalem .

Mc 1,21.3. - 4. εις καφαρναυμ = eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . NT (12/16) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

1. - 4. καφαρναυμ = Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel εις = eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope . Aan het voorzetsel εις = eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf , in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel εισ- = eis (naar) . De zinnen beginnen telkens met het voegwoord και = kai (en) .
In Mc 1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc 9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea . In Mc 2,1 verwijst παλιν εις καφαρναυμ = palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 .
- Mc 1,21 . και εισπορευονται εις καφαρναυμ = kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 2,1 . και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Mc 9,33 . και ελθων εις καφαρναυμ = kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .

Mc 1,21.5. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Nevenschikkend voegwoord van de tweede nevenschikkende zin van Mc 1,21 .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,21.6. euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Het is de 5de maal dat Marcus het gebruikt . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 .

Mc 1,21.7. bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud tois van het bep. lidw. ho , hè to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Slechts in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,27 .

Mc 1,21.8. dat. onz. mv. σαββασιν = sabbasin (op sabbat) van het zelfst. naamw. σαββατον = sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het NT : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in de LXX : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Mc : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . In negen verzen gaat een bepaald lidwoord aan een vorm van σαββατον = sabbaton (sabbat) vooraf ; niet in Mc 6,2 . en Mc 16,9 . In tien verzen gaat hieraan (lidwoord + zelfstandig naamwoord) geen voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf , behalve in Mc 2,23 .

  sabbaton (sabbat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
6a. dat. onz. mv. sabbatois 7 7 0                      
6b dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
  totaal 181 116 65  10  11  20  12  10    41  53   

    Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
1 nom. + acc. onz. enk. sabbaton  1 : Mt 12,5 . 1 : Mc 2,27 . 2 : (1) Lc 23,54 . (2) Lc 23,56 5 : (1) Joh 5,9 . (2) Joh 5,10 . (3) Joh 5,18 . (4) Joh 9,14 . (5) Joh 9,16 .
2 gen. onz.  enk. sabbatou 1 : Mt 12,8 . 4 : (1) Mc 2,28 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 16,1 . (4) Mc 16,9 . 5 : (1) Lc 6,5 . (2) Lc 13,14 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 14,5 . (5) Lc 18,12 1 : Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,8 // Mc 2,28 // Lc 6,5 . (2) Mc 6,2 // Lc 4,16 . 11 
3 dat. onz. enk. sabbatô(i)  2 : (1) Mt 12,2 . (2) Mt 24,20 .   8 : (1) Lc 6,1 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 6,7 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,15 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 14,3 . 4 : (1) Joh 5,16 . (2) Joh 7,22 . (3) Joh 7,23 . (4) Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,2 // Mc 2,24 // Lc 6,2 . 14 
5 gen. onz. mv. sabbatôn  1 : Mt 28,1 . 1 : Mc 16,2 . 2 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 2 : (1) Joh 20,19 . (2) Joh 20,19 4 : 6 : (1) Mt 24,20 // Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1
6 dat. onz. mv. sabbasin  5 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,5 . (3) Mt 12,10 . (4) Mt 12,11 . (5) Mt 12,12 5 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . 3 : (1) Lc 4,31 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 13,10 .   13 : (1) Mt 12,1 // Mc 2,23 // Lc 6,1 . (2) Mt 12,10 // Mc 3,2 // Lc 6,7 . (3) Mt 12,12 // Mc 3,4 // Lc 6,9 . (4) Mc 1,21 // Lc 4,31 . 13 
  totaal 10  11  20  12  41  53 

- Bl.-Debr. (Grammatik... 52) dat. onz. mv. σαββατοις = sabbatois (2de verbuiging, zie = dôron) en σαββασιν = sabbasin (3de verbuiging, zie = sôma) .
- Hebreeuws : הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (39) . Pentateuch (15) : (1) Ex 16,29 . (2) Ex 20,8 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 31,14 . (5) Ex 31,15 . (6) Ex 31,16 . (7) Ex 35,3 . (8) Lv 23,11 . (9) Lv 23,15 . (10) Lv 23,16 . (11) Lv 24,8 . (12) Nu 15,32 . (13) Nu 28,9 . (14) Dt 5,12 . (15) Dt 5,15 .
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Stat. constructus . Tenakh (11) : (1) Ex 16,23 . (2) Ex 31,15 . (3) Ex 35,2 . (4) Lv 16,31 . (5) Lv 23,3 . (6) Lv 23,32 . (7) Lv 25,4 . (8) Lv 25,6 . (9) Nu 28,10 . (10) Neh 9,14 . (11) 1 Kr 9,32 .
- Het Griekse woord σαββατον = sabbaton (sabbat) is een transcriptie van het Hebreeuwse woord met suffixuitgang - ον = on . Het onz. mv. , eindigend op -ata heeft wellicht de 3de verbuiging in de hand gewerkt zoals sômata ... sômasin .

Mc 1,21.9. part. 2de aor. nom. mann. enk. εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) van het werkw, εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Bijbel (33) . LXX (13) . ΝΤ (20) : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 22,11 . (3) Mt 26,58 . (4) Mc 1,21 . (5) Mc 2,1 . (6) Mc 3,27 . (7) Mc 5,39 . (8) Mc 7,24 . (9) Mc 11,15 . (10) Lc 1,9 . (11) Lc 1,28 . (12) Lc 7,36 . (13) Lc 11,37 . (14) Lc 19,1 . (15) Lc . (16) Hnd 18,19 . (17) Hnd 19,8 . (18) Hnd 23,16 . (19) Hnd 28,8 . (20) Heb 4,10 . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30) .
- In de 2de aor. is de stam ελθ = elth anders dan die van het praesens ερχ = erch . De 2de aor. wordt gevormd door de zuivere stam + uitgang van het imperfectum (voor wat de indicatief betreft) , en door de zuivere stam + uitgang van het praesens (voor wat de andere wijzen betreft) . Het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) is mediaal . De 2de aor. ηλθον = èlthon (ik kwam) is actief . Aoristaugment is e ; e + e werd è (η) . In werkwoorden samengesteld met een voorzetsel , wordt het augment achter het voorzetsel ingelast . Part. wordt verbogen volgens de gemengde (1ste en 3de) verbuiging : - ων = -ôn -> -οντ- = -ont- .

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  33  13  20     15  15   

In dit vers wordt de plaatsbepaling van richting (εις = eis... naar...) versterkt in het vervoegd werkwoord : εισελθων = eiselthôn (naartoegegaan) . Eerder werd εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) in Mc 1,21 gebruikt om de synagoge binnen te gaan ; in Mc 2,1 echter om de stad Kafarnaüm binnen te gaan . και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) linkt aan και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging naar buiten) (Mc 2,13) . Het verhaal Mc 2,1-12 speelt zich in huis af . Het is een tweede verhaal dat zich 'in huis' afspeelt ; er gebeurt telkens een wonderverhaal (Mc 1,29-31 en Mc 2,1-12) .

>
1 Mc 1,21 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn (binnengegaan in de synagoge) Mc 1,29 a Kai euthus ek tès sunagôgès exelthontes (en onmiddellijk uit de synagoge uitgegaan) Mc 1,29 b èlthon eis tèn oikian ... (gingen zij naar het huis van . Mc 1,35 a : Kai prôi ennucha lian anastas exèlthen (en zeer vroeg 's nachts opgestaan ging hij naar buiten) . Mc 1,35 b : kai apèlthen eis erèmon topon (en ging weg naar een eenzame plaats) .
2 Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) . ... èkousthè hoti en oikôi estin (er werd gefluisterd dat hij thuis was) . Mc 2,13 :  Kai exèlthen (en hij ging naar buiten) .      
  Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij binnenging in het huis van God) .        
Mc 3,1  : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) . Mc 3,6  kai exelthontes hoi Farisaioi (en de Farizeeën buitengegaan) .      
  Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou (in het huis van de sterke binnengegaan) eiselthôn .        
5 (4) Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . Mc 5,38 : kai erchontai eis ton oikon... (en zij gaan naar.... ) . Mc 6,1 : Kai exèlthen ekeithen (en hij ging naar buiten vandaar) . Mc 6,1 : kai erchetai eis tèn patrida autou (en hij gaat naar zijn vaderstad) .    
7 Mc 7,17 : Kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij het huis was binnengegaan) . Mc 7,24 a : Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou (Vandaar echter opgestaan ging hij weg naar de bergen van Tyrus) . Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) . Mc 7,31 1a : Kai palin exelthôn ek tôn horiôn Turou (en opnieuw naar buiten gegaan uit de bergen van Tyrus) . Mc 7,31 b : Mc 7,31b èlthen dia Sidônos... (ging hij via Sidon) .
Mc 9,28  : Kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij een huis was binnengegaan) . Mc 9,30 a : Kakeithen exelthontes (en vandaar buitengegaan)   Mc 9,30  b : pareporeuonto dia tès Galilaias (begaf hij zich zijdelings door Galilea op weg) .  
10  Mc 10,10 : kai eis tèn oikian (en thuis) . Mc 10,17  : Kai ekporeuomenou autou eis hodon (en terwijl hij zich naar buiten op weg begaf) .      
11 Mc 11,11 a : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) . Mc 11,11  b : exèlthen eis Bèthanian meta tôn dôdeka (ging hij naar buiten naar Betanië met de twaalf) .      
  Mc 11,15 a : Kai erchontai eis Hierosoluma (en zij gaan naar Jeruzalem) .   Mc 11,15 b : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) . Mc 11,19 ... exeporeuonto exô tès pôleôs (trokken zij weg uit de stad) .  
15 Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .        

- Sommige vertalers in het Hebreeuws gebruiken de qatalvorm van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord ´ab (vader) . Tenakh (264) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (94) . Latere Profeten (56) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (47) .
- Ned. : binnengaan . D. : eingehen . E. : to enter . F. : entrer . Grieks : εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : intro-ire (binnengaan) .

part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn (binnengegaan) van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Het hoofdwerkwoord edidasken (hij leerde) staat in het imperfectum . Er is dus een verschil in werkwoordtijd met de voorgaande nevenschikkende zin . Daarenboven is er ook een verschil in getal . Voorgaande nevenschikkende zin stond in het meervoud , Mc 1,21b in het enkelvoud .

Mc 1,21.10. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 1 (13) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

9. - 10.
- εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . NT (21) . Mt (3) . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (7) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . Joh (3) : (1) Joh 13,27 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . Hnd (4) : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 11,8 . (3) Hnd 14,20 . (4) Hnd 18,7 .

Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .

- Mc 1,21 : και ... εισελθων εις την συναγωγην = kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
- Mc 3,1 : και εισηλθεν παλιν εις την συναγωγην = kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .

(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

Mc 1,21.11. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,21.12. acc. vr. enk. συναγωγην = sunagôgèn (synagoge) van het zelfst. naamw. συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 . Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4) : (1) Mc 1,21 (acc. συναγωγην = sunagôgèn) . (2) Mc 1,23 (dat. συναγωγῃ = sunagôgè(i) . (3) Mc 1,29 (gen. συναγωγης = sunagôgès) . (1) Mc 1,39 (acc. συναγωγας = sunagôgas) .
- Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc (8) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 1,29 . (4) Mc 1,39 . (5) Mc 3,1 . (6) Mc 6,2 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,9 . Slechts in 1 vers wordt een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) niet voorafgegaan door een lidwoord : Mc 13,9 .

sunagôgè (synagoge)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. vr. enk. sunagôgèn     62  50  12       
totaal   261  205  56  15  19  32  34     

sunagôgè (synagoge)  NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev.  Hnd Br. Apk
acc. vr. enk. sunagôgèn   12  1 : Mt 12,9 . 2 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 . 3 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 7,5 .   6 : (1) Mt 12,9 // Mc 3,1 // Lc 6,6 . (2) Mc 1,21 // Lc 4,16 . 5 : (1) Hnd 13,14 . (2) Hnd 14,1 . (3) Hnd 17,10 . (4) Hnd 18,19 . (5) Hnd 19,8 . 1 : Jak 2,2 .  
eis (tèn) sunagôgèn 11 (- 1) 2 (niet in  Lc 7,5 )        

Mc 1,21.9. - 12. εισελθων εις την συναγωγην = eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge binnengegaan) (Mc 1,21) linkt aan ek tès sunagôgès exelthontes (de synagoge uitgegaan) (Mc 1,29) . Chiastische structuur . Mc 1,21b-28 speelt zich af in de synagoge . Eiselthôn (binnengegaan) in Mc 2,1 linkt aan kai exèlthen (en hij ging naar buiten) (Mc 2,13) . Het verhaal Mc 2,1-12 speelt zich in huis af .

.Mc 1,21.10-12. een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (ingaan in) + eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 .
- Mc 1,21 : και ... εισελθων εις την συναγωγην = kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
- Mc 3,1 : και εισηλθεν παλιν εις την συναγωγην = kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
STAP VOOR STAP !

In het eerste synogagogeverhaal drijft Jezus een onreine geest uit . In het tweede synagogeverhaal houden Farizeeën hem in het oog of hij op sabbat zou genezen . Na de genezing door Jezus gaan de Farizeeën naar buiten om samen met de Herodianen een besluit te geven om hem uit de weg te ruimen . Bij het derde bezoek aan de synagoge (Mc 6,1-6) geloven veel toehoorders niet .

Mc 1,21.13. act. ind. imperf. 3de pers. enk. εδιδασκεν = edidasken (en hij onderrichtte) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in de LXX : didaskô (leren) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . Lc (2) : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (17), in Joh (6) .

didaskô (leren, onderrichten) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 15 1 : Neh 8,8 . 14 2 : (1) Mt 5,2 . (2) Mt 13,54 . 6 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . 2 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 5,3 . 2 : (1) Joh 7,14 . (2) Joh 8,2 . 1 : Hnd 18,25 .   1 : Apk 2,14 . 10 : (1) Lc 5,3 //Mc 4,2 . 12

- Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .
- De eerste maal onderrichtte Jezus in de synagoge van Kafarnaüm , waarnaar hij was gegaan (Mc 1,21) . In Mc 2,13 onderricht Jezus langs het meer , nadat de hele menigte naar hem was gekomen . Niet alleen de plaats van onderricht verschilt , maar ook de inhoud van het onderricht aan zee is rijker dan dat in de synagoge van Kafarnaüm . Er is heel wat gebeurd tussen het eerste en het tweede onderricht . .

Palestina was een Romeinse provincie . Op religieus vlak konden de joden zich niet schikken naar de Romeinse bevelen . Ook op economisch gebied hadden de joden het moeilijk . De situatie riep de periode van de Maccabeeën in herinnering . De Maccabeeën hadden zich verzet tegen de overheersing van de Seleuciden en hadden de onafhankelijkheid verworven . Misschien kon het ook nu lukken . Het verzet tegen de vijand was gekaderd in een religieuze wereldbeschouwing . De God van de joden zou heersen en een einde stellen aan de heerschappij van de vijand . In dat kader komt de prediking van "het koninkrijk van God is nabij" . Het betekent zoveel als : het wachten is ten einde , het startschot van het verzet wordt gegeven , de opstand is begonnen . Zo'n leer moet wel huivering verwekken en vervullen met vrees . Het eerste wonderverhaal (uitdrijving van de onreine geest) maakt ook duidelijk dat de strijd tussen goed en kwaad is begonnen . Wie zich verzet , wordt als een onreine geest , een duivel aanzien , want niet akkoord gaan , zich verzetten , betekende zoveel als zich verzetten tegen God . Het initiatief van Jezus verspreidt zich als een lopend vuurtje , eerst in de stad Kafarnaüm , dan in de andere steden , dan op de eenzame plekken . Uiteindelijk stromen de mensen naar Jezus op eenzame plekken , de plaats waar het verzet en de opstand verder wordt voorbereid .

De overeenkomsten tussen Mc 1,21 en Mc 11,15 zijn niet te ontkennen . Beide beginnen met een zelfstandige zin in de tegenwoordige tijd , die een plaatsbepaling aanduidt . Vervolgens wordt hij gevolgd door een tweede nevenschikkende zin die begint met een participiumzin ; in beide : eiselthôn eis (binnengegaan in) . Kafarnaüm was de eerste stad van Jezus' optreden , Jeruzalem de laatste . In Kafarnaüm ging hij naar de plaats van bijeenkomst , de synagoge , in Jeruzalem de tempel . In de synagoge leerde Jezus en dreef een boze geest uit . In de tempel wierp hij de kooplieden buiten en leerde hij . Begin en einde worden aan elkaar gehecht . Ook de reactie van het volk op de leer is gelijkaardig - Mc 1,22 - Mc 11,18-19 -.

Mc 1,21 : kai euthus eisporeuontai eis Kafarnaoum (en onmiddellijk begeven ze zich op weg naar Kafarnaüm) Mc 1,21 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn (binnengegaan in de synagoge)
Mc 11,15a : kai erchontai eis Hierosoluma (en zij gaan naar Jeruzalem) - Mc 11,15-17 Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) - Mc 11,15-17 Mc 11,19 ... exeporeuonto exô tès pôleôs (trokken zij weg uit de stad) - Mc 11,18-19 -


54. Slot van de bergrede : Mc 1,22 - Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -

Mc 1,22 - Mc 1,22 : 54. Slot van de bergrede : - Mc 1,22 - Mt 7,28-29 - Lc 4,32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:22 kai exeplèssonto epi tèi didachèi autou èn gar didaskôn autous ôs exousian echôn kai ouch ôs oi grammateis  22 et stupebant super doctrina eius erat enim docens eos quasi potestatem habens et non sicut scribae   En ze waren verbouwereerd van zijn leer; hij leerde hen immers als iemand die macht heeft en niet als de schriftgeleerden  22 De mensen waren buiten zichzelf van verbazing over zijn leer, want Hij onderrichtte hen niet zoals de schriftgeleerden maar als iemand die gezag bezit.   [22] Ze waren geestdriftig over zijn leer, want Hij onderrichtte hen als iemand met gezag, en niet als de schriftgeleerden*.  [22] Ze waren diep onder de indruk van zijn onderricht, want hij sprak hen toe als iemand met gezag, niet zoals de schriftgeleerden.  22 Ze hebben versteld gestaan over zijn onderricht, want hij heeft hen onderricht als iemand met volmacht, en niet zoals de schriftgeleerden.   22. Et ils étaient frappés de son enseignement, car il les enseignait comme ayant autorité, et non pas comme les scribes.

King James Bible . [22] And they were astonished at his doctrine: for he taught them as one that had authority, and not as the scribes.
Luther-Bibel . 22 Und sie entsetzten sich über seine Lehre; denn er lehrte mit Vollmacht und nicht wie die Schriftgelehrten.

>
  Mc 1,22 Mt 7,28 Lc 4,32
  1:22 kai exeplèssonto epi tèi didachèi autou èn gar didaskôn autous ôs exousian echôn kai ouch ôs oi grammateis  7:28 kai egeneto ote etelesen o ièsous tous logous toutous exeplèssonto oi ochloi epi tè didachè autou  7:29 èn gar didaskôn autous ôs exousian echôn kai ouch ôs oi grammateis autôn   4:32 kai exeplèssonto epi tè didachè autou oti en exousia èn o logos autou  

Tekstuitleg van Mc 1,22 . Dit vers Mc 1,22 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Mc 1,22 is 12084 (2 X 2 X 3 X 19 X 53) . Mc 1,22b = Mt 7,29 .

Mc 1,22.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,22.2. med. / pass. imperf. 3de pers. mv. εξεπλησσοντο = exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf) van het werkw. εκπλησσομαι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) . Overlopen van . Taalgebruik in het NT : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Taalgebruik in de LXX : ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) . Bijbel = NT (9) . Mt (3) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 19,25 . (3) Mt 22,33 . Mc (4) :  (1) Mc 1,22 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 10,26 . Lc (2) : (1) Lc 4,32 . (2) Lc 9,43 . Een vorm van εκπλησσομαι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing , vreugde , bewondering) in de LXX (1) : 2 Mak 7,12 . NT (13) . Mt (4) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 13,54 . (3) Mt 19,25 . (4) Mt 22,33 . Mc (5) :  (1) Mc 1,22 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 10,26 . (5) Mc 11,18 . Lc (3) : (1) Lc 2,48 . (2) Lc 4,32 . (3) Lc 9,43 . Hnd (1) : Hnd 13,12 . Parallellen ; (1) Mc 1,22 // (Mt 7,28) // Lc 4,32 . (2) Mc 6,2 // Mt 13,54 . (3) Mc 10,26 // Mt 19,25 .
- Het voorzetsel opf het voegwoord is εκ = ek wanneer er een medeklinker volgt , εξ = eks wanneer er een klinker volgt (grammatica's ? wel vermeld in sommige woordenboeken) .

  ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto                

- pass. imperf. 3de pers. enk. εξεπλησσeτο = exeplèsseto . Bijbel = Mc (1) : Mc 11,18 .
De toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing over de leer van Jezus . Omdat hij leerde op (eigen) gezag en niet zoals de schriftgeleerden (op gezag van de schrift) . In Mc 11,18 wordt deze verbazing een reden voor de hogepriesters en de schriftgeleerden om het volk te vrezen .
In Mc 6,2 treedt Jezus op in de synagoge zoals dat ook het geval was in Mc 1,22 . In Mc 1,22 wordt het gezag van de leer van Jezus volmondig erkend . In Mc 6,2 zijn velen verwonderd , maar zij stellen zich toch vragen . Vanwaar komt hem dat toe ? In Mc 10,26 lopen de leerlingen over van ongeloof : en wie kan er gered worden ? Na de tempelreiniging nemen in Mc 11,18 de hogepriesters en de schriftgeleerden het besluit om Jezus uit de weg te ruimen van de Farizeeën en de Herodianen die dat advies uitbrachten na het conflict tijdens het synagogebezoek (Mc 3,6) .

Mc 1,22.1. - 2. και εξεπλησσοντο = kai exeplèssonto (en zij waren buiten zichzelf) . Bijbel (2) : (1) Mc 1,22 . (2) Lc 4,32 .

Mc 1,22.3. επι = epi (op, bij) . Afkortingen : επ' = ep' en εφ' = ef' . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in de LXX : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Mc (51 + 14 + 6 = 71) , in Mc 1 (1 + 1 = 2) : επι = epi in Mc 1,22 en επ' = ep' in Mc 1,45 .

epi (op, bij)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
epi 51  1   4540  3946 594  91  51  104  22  120  117 89  246  268 
ep 14  1             1320  1179  141  13  14  25  13  24  30  22  52  65 
ef                          430  348  82  10  20  17  25  36  37 
Totaal   71  10  6290  5473  817  114  71  149  36  161  172  114  334  370 

- Ned. : op , naar, bij . D. : bei . E. : at . Fr. : à . Lat. : ad .

Mc 1,22.2. - 3. εξεπλησσοντο επι = exeplèssonto epi (zij waren buiten zichzelf over) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 22,33 . (2) Mc 1,22 . (3) Lc 4,32 .

Mc 1,22.4. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,22 . (6) Mc 1,23 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
7. dat. vr. enk. tè(i) 3381  2631  750  94  55  119  64  122  264  32  268  332 
  Totaal   54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,22.3. - 4. επι τῃ = tè(i) (de) . NT (36) . Mc (4) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 4,38 . (4) Mc 11,18 .

Mc 1,22.5. dat. vr. enk. διδαχῃ = didachè(i) van het zelfst. naamw. διδαχη = didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het NT : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in de LXX : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Bijbel = NT (13) . Mt (2) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 22,33 . Mc (4) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 12,38 . Lc (1) : Lc 4,32 . Joh (1) : Joh 7,16 . Hnd (2) : (1) Hnd 2,42 . (2) Hnd 13,12 . Verder : (1) 1 Kor 14,6 . (2) 2 Tim 4,2 . (3) 2 Joh 1,9 .

didachè (lering, onderrichting)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. didachè(i)  15    15 (2 + 13) 5 (1 + 4) 3 (1 + 2)  
gen. vr. enk.  didachès          
acc. vr. enk. didachèn               
totaal 29  28  12 

Mc 1,22.4. - 5. τῃ διδαχῃ = tè(i) didachè(i) (de lering, de onderrichting) . Bijbel = NT (10) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 22,33 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 4,2 . (5) Mc 11,18 . (6) Mc 12,38 . (7) Lc 4,32 . (8) Hnd 2,42 . (9) Hnd 13,12 . (10) 2 Joh 1,9 .

Mc 1,22.3. - 5. επι τῃ διδαχῃ = epi tè(i) didachè(i) (over de leer) . Bijbel = NT (6) : Mc (2) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 22,33 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 4,32 . (6) Hnd 13,12 .
- εν τῃ διδαχῃ = en tè(i) didachè(i) (in / tijdens de leer) . Bijbel = NT (3) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 12,38 . (3) 2 Joh 1,9 .

Mc 1,22.6. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,22.3. - 6. επι τῃ διδαχῃ αυτου = epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Bijbel = NT (5) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 22,33 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 4,32 .
- εν τῃ διδαχῃ αυτου = en tè(i) didachè(i) autou (in / tijdens zijn leer) . Bijbel = NT (2) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 12,38 .

Mc 1,22.2. - 6. εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (zij waren buiten zichzelf over zijn leer) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 22,33 . (2) Mc 1,22 . (3) Lc 4,32 .
- εξεπλησσeτο επι τῃ διδαχῃ αυτου = exeplèsseto epi tè(i) didachè(i) autou (hij was buiten zichzelf over zijn leer) . Bijbel = NT (1) : Mc 11,18 .

Mc 1,22.1. - 6. και εξεπλησσοντο επι τῃ διδαχῃ αυτου = kai exeplèssonto epi tè(i) didachè(i) autou (en zij waren buiten zichzelf over zijn leer) . Bijbel = NT (2) : (1) Mc 1,22 . (2) Lc 4,32 .

Mc 1,22.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Mc 1 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn  OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν 1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

Mc 1,22.8. γαρ = gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in de LXX : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Mc (63) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 1,38 .

gar (want)   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  
  3 1 3 2 3 8 4 4 7 4 3 5 6 6 2 63  2289  1299  990  123  63  92  61  73  563  15  278  339 

- Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat ) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal : 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5) . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (3849) . Pentateuch (884) . Eerdere Profeten (726) . Latere Profeten (841) . 12 Kleine Profeten (241) . Geschriften (1157) .
- Ned. : want . D. : denn . Fr. : car . Hebreeuws : כִּי = kî (want, omdat) . Taalgebruik in Tenakh : kî (want, omdat) . Lat. enim .

Mc 1,22.7. - 8. ην γαρ = èn gar (want hij / zij was) . LXX (16) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 5,42 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 10,22 . (5) Mc 16,4 .

Mc 1,22.9. act. part. praes. nom. mann. enk. διδασκων = didaskôn (onderrichtend) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in de NT : didaskô (leren) . Taalgebruik in de LXX : didaskô (leren) . Bijbel (32) . OT (9) . NT (23) . Mt (4) : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 9,35 . (4) Mt 26,55 . Mc (4) : (1) Mc 1,22 .  (2) Mc 6,6 . (3) Mc 12,35 . (4) Mc 14,49 . Lc (7) : (1) Lc 4,31 . (2) Lc 5,17 . (3) Lc 13,10 . (4) Lc 13,22 . (5) Lc 19,47 . (6) Lc 21,37 . (7) Lc 23,5 . Joh (3) : (1) Joh 6,59 . (2) Joh 7,28 . (3) Joh 8,20 . Hnd (3) : (1) Hnd 18,11 . (2) Hnd 21,28 . (3) Hnd 28,31 . Br. (2) : (1) Rom 2,21 . (2) Rom 12,7 . Parallellen : (1) Mc 1,21 - Mc 1,22 // Lc 4,31 . (2) Lc 5,17 , zie : Mc 1,21 - Mc 1,22 // Lc 4,31 . (3) (Mc 6,6) // Lc 13,22 . Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (15) : : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 5,3 . (4) Lc 5,17 . (5) Lc 6,6 . (6) Lc 11,1 . (7) Lc 12,12 . (8) Lc 13,10 . (9) Lc 13,22 . (10) Lc 13,26 . (11) Lc 19,47 . (12) Lc 20,1 . (13) Lc 20,21 . (14) Lc 21,37 . (15) Lc 23,5 . In Joh (6) .

  didaskô (leren, onderrichten) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 act. ind. pr. 2de p.enk. didaskeis 1                   (1) Mc 12,14 .   6   6 1 1 1 1 1 1  
2 ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken 6 (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13   .(3) Mc 4,2       (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17     15 1 14 2 6 2 2 1   1 10 12
3 act. inf. pr. didaskein 4     (1) Mc 4,1 .   (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 .     (4) Mc 8,31           15 2 13 1 4 1 1 4 2  
4 part. pr. nom. m. enk.didaskôn 4 (1) Mc 1,22     (1) Mc 6,6 .             (1) Mc 12,35 (1) Mc 14,49 32 9 23 4 4 7 3 3 2   15  18 
5 part. pr. nom mv. didaskontes 1         Mc 7,7              9 1 8 1 1     3 3  
6 ind. aor. 3de p. mv. edidaxan 1       (1) Mc 6,30 .                 3 2 1   1          
  totaal  17  109  29  80  12  17  12  14  15  4 49 

- Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .

Mc 1,22.7. 9. èn ... didaskôn (hij was onderrichtende) . Omschrijvende constructie .

Mc 1,22.10. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (40) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,22 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
8 acc. mann. mv. autous  40      1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 

Mc 1,22.9. - 10. διδασκων αυτους = didaskôn autous (hen onderrichtend) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 7,29 . (2) Mc 1,22 . (3) Lc 4,31 .

Mc 1,22.11. ὡς = hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : hôs (zoals) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,22 .

(hôs (zoals)  Mc Mc 1 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  21  1956  1514  442  33  21  49  30  62  189  58  103  133 

- Hebreeuws . כַאֲשֻׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- In het Latijn komt sicut (zoals) in Matteüs voor als vertaling van ωσπερ = hôsper (zoals) , maar eveneens van ς = hôs (Mt : 33) ; sicut in Mt (48) , in Mt 6 (7) : (1) Mt 6,2 . (2) Mt 6,5 . (3) Mt 6,7 . (4) Mt 6,10 . (5) Mt 6,12 . (6) Mt 6,16 . (7) Mt 6,29 .
- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon . Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Hebreeuws : כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) .

Mc 1,22.12. acc. vr. enk. εξουσιαν = exousian (macht, gezag) van het zelfst. naamw. εξουσια = exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in de LXX : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Da (9) : (1) Da 3,30 . (2) Da 4,15 . (3) Da 4,29 . (4) Da 5,4 . (5) Da 5,16 . (6) Da 5,29 . (7) Da 6,4 . (8) Da 7,26 . (9) Da 7,27 . 1 Mak (6) : (1) 1 Mak 1,13 . (2) 1 Mak 10,6 . (3) 1 Mak 10,8 . (4) 1 Mak 10,32 . (5) 1 Mak 10,35 . (6) 1 Mak 11,58 . 2 Mak (3) . Sir (5) . Mt (6) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 8,9 . (3) Mt 9,6 . (4) Mt 9,8 . (5) Mt 10,1 . (6) Mt 21,23 . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 . Lc (8) : Lc (8) : (1) Lc 4,6 . (2) Lc 5,24 . (3) Lc 7,8 . (4) Lc 9,1 . (5) Lc 10,19 . (6) Lc 12,5 . (7) Lc 19,17 . (8) Lc 20,2 . Een vorm van in de LXX (79) , in het NT (102) . Een vorm van εξουσια = exousia (gezag, macht) kan de vertaling van 8 Hebreeuwse woorden zijn . In de LXX komt vooral een vorm van εξουσια = exousia (gezag, macht) voor in Da en vervolgens in de 2 boeken Mak . In het NT vallen op : de Br. van Paulus , Apk en Lc .

  exousia (gezag, macht)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 6 Mc 11 Mc 12 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat vr. enk. exousia(i)           3 : (1) Mc 11,27 . (2) Mc 11,29 . (3) Mc 11,33 .     39  10  29    13  13 
acc. vr. enk. exousian   (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 .   (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 .   (5) Mc 6,7 .   (6) Mc 11,28 .   (7) Mc 12,34 . 82  29  53  11  12  21  27  11   
  totaal 10  145  46  99  10  10  16  30  20  36  42  29   

Tijdens zijn leven bezat Jezus bepaalde gaven en talenten. Sommigen zagen in hem de messias, de christus. Ze pasten op hem allerlei bijbelteksten uit het Oude Testament toe die betrekking hadden op zijn leven maar ook erna. Zo werd hem allerlei macht toegedicht. Hij kreeg koninklijke en goddelijke trekken om tenslotte in de plaats van God op te treden. Het eigenaardige is wel dat Jezus tijdens zijn leven alle machtsdenken heeft geweerd. De eerste christenen hebben blijkbaar Jezus alle macht toegekend nadat hij gestorven was.

Mc 1,22.13. part. praes. nom. mann. enk. εχων = echôn (hebbende) van het werkw. εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in de LXX . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Lc . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Mc (3) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 10,22 . Lc (12) : (1) Lc 3,11 . (2) Lc 4,33 . (3) Lc 7,2 . (4) Lc 7,8 . (5) Lc 8,8 . (6) Lc 8,27 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 15,4 . (9) Lc 17,7 . (10) Lc 19,17 . (11) Lc 20,28 . (12) Lc 22,36 . Een vorm van εχω = echô (hebben, bezitten) in de LXX (497) , in het NT (705) , in Mc (69) , in Lc (77) , in Hnd (44) .

echô (hebben, bezitten)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
 part. pr. nom. mann. enk. echôn (1) Mc 1,22 .     (2) Mc 3,1 .               (3) Mc 10,22 .               114  32  82  10  12  18  32  25  30  15 

- Ned. : hebben . D. : haben . E. : have . Fr. : avoir . Grieks : εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Lat. : habere .

Mc 1,22.12. - 13. εχειν εξουσιαν = echein exousian (om macht te hebben) . Bijbel (1) : Mc 3,15 .
- εξουσιαν εχειν = exousian echein (om macht te hebben) . Bijbel (2) : (1) Da 4,17 . (2) 1 Kor 11,10 .
- εχων εξουσιαν = echôn exousian (macht hebbende) . Bijbel (2) : (1) Da 6,4 . (2) Apk 14,18 .
- εξουσιαν εχων = exousian echôn (macht, gezag hebbende) . Bijbel = NT (4) : (1) Mt 7,29 . (2) Mt 8,9 . (3) Mc 1,22 . (4) Lc 19,17 .

Mc 1,22.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,22.15. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) OF betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (οὑ = hou) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in de LXX : ou - ouk - ouch (niet) . Mc 1 (4) : ου = ou (niet of van wie) in Mc 1 (1) : Mc 1,7 . ουκ = ouk (niet) in Mc 1 (2) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,34 . ουχ = ouch (niet) in Mc 1 (1) : Mc 1,22 .
- ου = ou voor een medeklinker , ουκ = ouk voor een klinker en ουχ = ouch voor een klinker met aanblazing .

ou (niet)  bijbel Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ou   3068    2321  747  97  42  84  113  68  313  30  223  336 
ouk  3499  2752  747  93  66  92  137  56  274  29  251  388 
ouch  452                      351  101  20  49  20  40 
Totaal  7019 4 7 5 10 3 8 7 7 11 6 5 9 10 15 4 3 5424 1595 197 114 183 270 132 636 63 494 764

- Hebreeuws . לֹא = lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) . De getalwaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2 . Tenakh (2767) . Pentateuch (801) . Eerdere Profeten (456) . Latere Profeten (611) . 12 Kleine Profeten (150) . Geschriften (749) . Structuur : 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 .
- Ned. : niet . D. : nicht . E. : not . Fr. : ne... pas . Grieks : ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT : ou - ouk - ouch (niet) . Hebreeuws . לֹא = lo´(niet) . Taalgebruik in Tenakh : lo´(niet) . Latijn : non .

Mc 1,22.14. - 15. και ουχ = kai ouch (en niet) . LXX (126) . NT (16) . Mc (2) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 14,55 .

Mc 1,22.16. ὡς = hôs (zoals, zodra) . Taalgebruik in het NT : hôs (zoals) . Taalgebruik in de LXX : hôs (zoals) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,22 .

(hôs (zoals)  Mc Mc 1 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  21  1956  1514  442  33  21  49  30  62  189  58  103  133 

- Hebreeuws . כַאֲשֻׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + . Tenakh (488) . Pentateuch (202) . Eerdere Profeten (68) . Latere Profeten (68) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (56) .
- In het Latijn komt sicut (zoals) in Matteüs voor als vertaling van ωσπερ = hôsper (zoals) , maar eveneens van ς = hôs (Mt : 33) ; sicut in Mt (48) , in Mt 6 (7) : (1) Mt 6,2 . (2) Mt 6,5 . (3) Mt 6,7 . (4) Mt 6,10 . (5) Mt 6,12 . (6) Mt 6,16 . (7) Mt 6,29 .
- Ned. : zoals . Arabisch : كَما = kamâ (zoals) . Taalgebruik in de Qoran : kamâ (zoals) . D. : wie . E. : as . Fr. : selon . Gr. καθως = kathôs (zoals) . Taalgebruik in het NT : kathôs (zoals) . Hebreeuws : כַאֲשֶׁר = ka´äsjèr (zoals) < prefix kë + אֲשֶׁר = ´äsjèr (die). Taalgebruik in Tenakh : ´äsjèr (die) .

Mc 1,22.15. - 16. ουχ ὡς = ouch hôs (niet zoals) . LXX (26) . NT (9) . Mc (1) : Mc 1,22 .

Mc 1,22.14. - 16. και ουχ ὡς = kai ouch hôs (en niet zoals) . LXX (6) . NT (3) : (1) Mt 7,29 . (2) Mc 1,22 . (3) Rom 5,16 .

Mc 1,22.17. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,36 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
10. nom. m. mv. hoi 101 4 8 5 3 7 5 5 4 14 5 7 5 11 10   4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

Mc 1,22.18. nom. mann. mv. γραμματεις = grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in de LXX : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mt (14) : (1) Mt 2,4 . (2) Mt 7,29 . (3) Mt 15,1 . (4) Mt 17,10 . (5) Mt 21,15 . (6) Mt 23,2 . (7) Mt 23,13 . (8) Mt 23,15 . (9) Mt 23,23 . (10) Mt 23,25 . (11) Mt 23,27 . (12) Mt 23,29 . (13) Mt 23,34 . (14) Mt 26,57 . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Lc (11) : (1) Lc 5,21 * . (2) Lc 5,30 * . (3) Lc 6,7 * . (4) Lc 11,53 * . (5) Lc 15,2 * . (6) Lc 19,47 . (7) Lc 20,1 . (8) Lc 20,19 . (9) Lc 22,2 . (10) Lc 22,66 . (11) Lc 23,10 .

  grammateus (schriftgeleerde) Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel  OT NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. 
1 nom. + voc. enk. grammateus 1                 (1) Mc 12,32 .       29 24 5 2 1     1 1
5 nom. + voc. + acc. mv. grammateis 11 (1) Mc 1,22 .   (2) Mc 2,16 .   (3) Mc 3,22 .   (4) Mc 7,5 .     (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 .     (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 .   (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .     61 22 39 14 11 11 1 2  
6 gen. mv. grammateôn 8   (1) Mc 2,6 .     (2) Mc 7,1 .   (3) Mc 8,31 .         (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 .   (6) Mc 14,43 .   (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .   20 3 17 5 8 3   1  
7 dat. mv. grammateusin 1             (1) Mc 10,33 .           5 3 2 1 1        
  Totaal   21 140 77 63 22 21 14 1 3 1

Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45



55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -

  1. (een man) 2. (Jezus) 3. (de onreine geest) 4. (allen) 5. (het gerucht)
  Mc 1,23 - Mc 1,24 Mc 1,25 Mc 1,26

Mc 1,27

Mc 1,28
 nevenschikkend voegwoord kai (en) .... kai (en)  kai (en) kai (en) .... kai (en)
werkwoord  èn (was) .... epetimèsen autôi (hij droeg op - beval hem) sparaxan auton (hem latende stuiptrekken) ethambèthèsan (werden met verbazing geslagen) exèlthen (ging uit)
onderwerp  anthrôpos (een mens) ho Ièsous (Jezus) to pneuma to akatharton (de onreine geest) hapantes (allen) hè akoè autou (het gerucht over hem)
 aantal woorden (92 = 4 X 23) 13 + 18 (14 + 17) = 31 11 (van 32 tot 42) 14 (van 43 tot 56) 23 (van 57 tot 79) 13 (van 80 tot 92)
aantal lettergrepen (198) 28 + 33 (30 + 31 ) = 61 24 (van 62 tot 85) 29 (van 86 tot 114) 56 (van 115 tot 170) 28 (van 171 tot 198)

Toen de tekst werd geconstrueerd , was er nog geen nummering van hoofdstukken en verzen . Er moeten evenwel aanwijzingen in de tekst zijn die hem leesbaar maken . De indeling in verzen is wellicht bepaald door de verandering van personage (vijf personages) : Mc 1,23 - Mc 1,24 : een man met een onreine geest ; Mc 1,25 : Jezus ; Mc 1,26 : de onreine geest ; Mc 1,27 : allen ; Mc 1,28 : het gerucht . Uit het tellen van de woorden en lettergrepen komen voorlopig geen bijzonderheden naar boven . Of toch? Mc 1,23-26 (het eigenlijke wonderverhaal) telt 56 woorden en 114 of (56 X 2) + 2 lettergrepen . V.27 telt 56 lettergrepen en v.28 telt 28 (of 56 : 2 = 28 ) lettergrepen .

Het voegwoord = kai (en) wordt veelvuldig gebruikt . Wat Mc 1,23-28 betreft :
- Bij het begin van de zinnen met verandering van personage staat telkens het nevenschikkend voegwoord (vijfmaal) .
- Binnen het onderdeel van een personage komen ook nevenschikkende zinnen voor : v. 23 : = kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) ; v.25 : = kai exelthe (en ga uit) ; v.27 : = kai ... epitassei kai hupakousin (en ... hij legt op en zij gehoorzamen) (viermaal) .
- Ook treffen we het voegwoord aan als verbinding tussen twee participia (v.26) : = sparaxan... kai fônèsan (stuipgetrokken en geroepen)(eenmaal) .
In totaal komt = kai (en) elfmaal voor in deze pericope .

Op het nevenschikkend voegwoord = kai (en) volgt dan de werkwoordvorm , die meestal in de aorist (verleden tijd) staat . Dan volgt het onderwerp .

Elke directe rede (driemaal) wordt voorafgegaan door het tegenwoordig deelwoord van het werkwoord legô : zeggen .

Mc 1,23 - Mc 1,24 Mc 1,25 Mc 1,27
23b. kai (en) kai (en) hôste (zodat)
anekraxen epetimèsen (hij droeg op / hij beval) suzètein (overlegden)
  autôi (aan hem)  
  ho Ièsous (Jezus) autous (zij)
24. legôn (zeggende) legôn (zeggende) legontas (zeggende)

Het wonderverhaal op zich is kort . Er is een man die bezeten is en het uitschreeuwt naar Jezus (situatie) . Jezus gebiedt de onreine geest te zwijgen en uit hem weg te gaan (bevel) . De onreine geest schreeuwt met luide stem en gaat uit hem weg (uitwerking - genezing) .
We zien dat er een chiastische (kruisvormige) opbouw is.

Mc 1,23 Mc 1,25 Mc 1,26
anthrôpos en pneumati akathartôi (een mens met een onzuivere geest    
kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) fimôthèti (zwijg) kai fônèsan fônèi megalèi (- de onreine geest - geroepen met luide stem )
  kai exelthe ex autou (en ga uit hem uit) exèlthen ex autou (ging uit hem uit)

Ik heb hoofdpijn , buikpijn . Ik heb het aan mijn maag , lever enz . Ziek-zijn en pijn drukken we veelal uit met hebben . We hebben dan iets dat we beter niet zouden hebben en we willen dat soort hebben zo vlug mogelijk kwijt zijn . Dat soort hebben legt beslag op ons , heeft ons in zijn greep . Het lijkt dan alsof een bepaalde persoon macht over ons heeft . In de bijbel lijkt het dan dat een andere persoon soms macht heeft over ons en dat de machtiger persoon door een woord of een handeling de lagere , ziekmakende macht kan gebieden weg te gaan , uit te drijven enz . In Mc 1,40-45 is er sprake van iemand die een onreine geest heeft . Jezus heeft echter macht over die onreine geest en is in staat die onreine geest uit te drijven .
Het eerste wonderverhaal is dat van de uitdrijving van een onreine geest . In het verhaal is duidelijk dat de komst van Jezus een confrontatie inhoudt tussen Jezus , die met heilige geest vervuld is , en de onreine geest . Deze laatste weet dat zijn macht ten einde loopt met de komst van Jezus . Voor de genezen man begint een nieuw leven . Er heeft dus een omkering , verandering plaats gehad .
Een nieuwtestamentisch wonderhaal lijkt iets weg te hebben van een hokus pokus . Wanneer je over de gepaste genezingsformule beschikt , kan je een ander genezen . Eén woord of handeling blijken te volstaan om iemand te genezen .

Na het onderricht van Jezus heeft reeds onmiddellijk een confrontatie plaats tussen Jezus en een man met een onreine geest , die in de synagoge aanwezig is . Het verhaal roept het doopverhaal op (Mc 1,9-11 ) , waarin Jezus heilige geest ontving en waarin een stem tot hem zei : gij zijt mijn zoon . Dat de man met de onreine geest Jezus op deze wijze herkent , zou kunnen betekenen dat hij Jezus heeft gekend toen Jezus een leerling van Johannes de Doper was . De twee geesten (de reine en de onreine) staan tegenover elkaar . Jezus staat in dienst van God en wordt zoon van God genoemd , de onreine geest staat niet in dienst van ???. Met welke bedoelingen kwam hij naar de synagoge ? Jezus heeft als leerling van Johannes leren weerstaan aan onzuivere geest . Hij is hen machtig . Hij kan een mens met een onreine geest de baas ; hij kan die mens ervan verlossen . Jezus wil niet dat een mens met een onreine geest hem zou bekend maken , want die mens heeft slechte bedoelingen . Jezus is naar Galilea gekomen om het werk van Johannes de Doper verder te zetten . Die taak kan door de kwade bedoelingen van een man met een onreine geest in gevaar komen .

Wat is er tussen jou en mij? Hoe kan je kwaad , oorlog overwinnen , de wapens tot zwijgen brengen , vrede stichten , de tweeheid tot eenheid brengen ?

Bij het verschijnen van een goddelijk wezen of bij een wonderdadig gebeuren , waarin het goddelijke tot uiting komt , reageren de aanwezigen vaak met verwondering , angst , vrees . Dat is het geval bij engelverschijningen , de verrijzenis , de gedaanteverandering en bij vele wonderen .


Mc 1,23 - Mc 1,23 - 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- Lc 4,33-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:23 kai euthus èn en tèi sunagôgèi autôn anthrôpos en pneumati akathartôi kai anekraxen  23 et erat in synagoga eorum homo in spiritu inmundo et exclamavit  En terstond was in hun synagoge een man met een onreine geest en hij schreeuwde het uit,  23 Er bevond zich in hun synagoge juist een man die in de macht was van een onreine geest en luid begon te schreeuwen:   [23] En meteen begon er in hun synagoge iemand die in de greep was van een onreine geest, luid te krijsen:  [23] Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde:  23 ¶ Meteen is er in hun synagoge een mens, behept met een onreine geest, die krijst   23. Et aussitôt il y avait dans leur synagogue un homme possédé d'un esprit impur, qui cria 

King James Bible . [23] And there was in their synagogue a man with an unclean spirit; and he cried out,
Luther-Bibel . 23 Und alsbald war in ihrer Synagoge ein Mensch, besessen von einem unreinen Geist ; der schrie:

Mc 1,23 Lc 4,33 .
1:23 kai euthus èn en tèi sunagôgèi autôn anthrôpos en pneumati akathartôi kai anekraxen  4:33 kai en tè sunagôgè èn anthrôpos echôn pneuma daimoniou akathartou kai anekraxen fônè megalè  

Tekstuitleg van Mc 1,23 . Dit vers Mc 1,23 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 62 (2 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 1,23 is 7254 (2 X 2 X 3 X 13 X 31)

Mc 1,23.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage . Door het voegwoord wordt de vorige pericope met deze verbonden . Het maakt ook deel uit van een reeks και 's = kai's in deze pericope waardoor deze een verhalende tekst wordt .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) .E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) .

Mc 1,23.2. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) .

euthus / eutheôs   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  40  11          55  50  40        47  50 
eutheôs                                     47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal                                       102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

- Van Cangh (2005, p. 68) : "Les témoins A C D W Θ 0135 f13 latt sy omettent ευθυς = euthus .
- ευθυς = euthus . Mc (40) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- ευθεως = eutheôs . Mc (1) : Mc 7,35 .
- In Mc 1 komt in 11 verzen ευθυς = euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .
Onmiddellijk op de prediking van Jezus volgt de reactie van de persoon met een onreine geest . De prediking ging over de nabije komst van het koninkrijk Gods en over het kairos-moment . Het ogenblik is aangebroken om het koninkrijk van God in realiteit om te zetten . Dat is natuurlijk bedreigend voor wie de status quo wil behouden . Er zijn vanzelfsprekend zeer verschillende interpretaties mogelijk . Eén van die benadertingen is de politieke . De Romeinen bezetten het land Palestina . Hij is aanwezig als een onreine geest . Hij hoort niet in Palestina thuis . Met de aankondiging van het koninkrijk Gods wordt ook de bezettingsmacht bedreigd . Zoals een man met een onreine geest niet past in een synagoge , zo past de Romeinse bezetter niet in het heilige Palestina . Zoals de onreine geest tot zwijgen wordt gebrachrt en buitengeworpen , zo zal de bezetter tot stilstand worden gebracht en buitengeworpen . Er is O.a. ook een spirituele (en individuele) interpretatie mogelijk . In een persoon is er een voortdurende strijd aanwezig tussen God en de onreine geest , tussen goed en kwaad .
- Hebreeuws Van Cangh (2005, p.86) . הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie) . Taalgebruik in Tenakh : hen / hinneh (zie) . Getalwaarde : he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal : 19 OF 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (495) . Pentateuch (96) . Eerdere Profeten (153) . Latere Profeten (140) . 12 Kleine Profeten (29) . Geschriften (77) .

Mc 1,23.1. - 2. και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk) . Hebr. וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie) . Tenakh (347) . Pentateuch (114) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (70) . 12 Kleine Profeten (16) . Geschriften (36) .

Mc 1,23.3. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn  OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν 1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Van Cangh (2005, p.68) : persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. הוּא = hû´ (hij, d.i.) . Taalgebruik in Tenakh : hû´(hij, d.i.) . Getalwaarde : he = 5 , waw = 6 , aleph = 1 ; totaal : 12 (2² X 3) . Structuur : 5 - 6 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (919) . Pentateuch (394) . Eerdere Profeten (169) . Latere Profeten (96) . 12 Kleine Profeten (42) . Geschriften (218) .
- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- werkw. zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

Mc 1,23.1. 3. και ην = kai èn (en hij was) . NT (37) . Mc (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 4,38 . (3) Mc 5,21 . (4) Mc 10,32 . (5) Mc 14,54 . (6) Mc 15,26 .

Mc 1,23.4. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : en . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Hebreeuws : בְּ = bë . Latijn : in .

Mc 1,23.3. - 4. ην εν = èn en (hij was in) . NT (19) . Mc (3) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 4,36 . (3) Mc 15,41 .

Mc 1,23.1. 3. - 4. και ην εν = kai èn en (en hij was in) . NT (3) : (1) Mc 1,23 . (2) Lc 1,80 . (3) Apk 10,10 .

Mc 1,23.5. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . Verder in (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,22 . (6) Mc 1,23 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
7. dat. vr. enk. tè(i) 3381  2631  750  94  55  119  64  122  264  32  268  332 
  Totaal   54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,23.4. - 5. εν τῃ = en tè(i) . NT (366) . Mc (55) . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 . (4) Mc 1,16 . (5) Mc 1,23 .

Mc 1,23.6. dat. vr. enk. συναγωγῃ = sunagôgè(i) (in de synagoge) van het zelfst. naamw. συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . NT (14) : Mt 13,54 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 6,2 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 4,33 . (7) Joh 6,59 . (8) Joh 18,20 . (9) Hnd 17,1 . (10) Hnd 17,17 . (11) Hnd 18,4 . (12) Hnd 18,7 . (13) Hnd 18,26 . (14) Apk 2,9 .
Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4) : (1) Mc 1,21 (acc. συναγωγην = sunagôgèn) . (2) (1) Mc 1,23 (dat. συναγωγῃ = sunagôgè(i) . (3) Mc 1,29 (gen. συναγωγης = sunagôgès) . (1) Mc 1,39 (acc. συναγωγας = sunagôgas) .

sunagôgè (synagoge)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i)     102  88  14       
totaal   261  205  56  15  19  32  34     

In de LXX is συναγωγη = sunagôgè voor het merendeel de vertaling van `edâh , in mindere mate van qâhal , en in drie verzen van ´âsaph : (1) Ex 23,16 (bë´âsëpëkhâ (in jouw samenkomst) = εν τῃ συναγωγῃ = en tè sunagôgèi) . (2) Ex 34,22 (wechag hâ´âsîph en het feest van de samenkomst = ἑορτην συναγωγης = heortèn sunagôgès) .

sunagôgè (synagoge)  NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev.  Hnd Br. Apk
nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i) 14  1 : Mt 13,54 . 2 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 6,2 . 3 : (1) Lc 4,20 . (2) Lc 4,28 . (3) Lc 4,33 . 2 : (1) Joh 6,59 . (2) Joh 18,20 . 6 : (1) Mt 13,54 // Mc 6,2 // Lc 4,16 . (2) Mc 1,23 // Lc 4,33 . 5 : (1) Hnd 17,1 . (2) Hnd 17,17 . (3) Hnd 18,4 . (4) Hnd 18,7 . (5) Hnd 18,26 .   1 : Apk 2,9 .
gen. vr. enk. sunagôgès     1 : Mc 1,29 . 2 : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 8,41 .   3 : (1) Mc 1,29 // Lc 4,38 . 2 : (1) Hnd 6,9 . (2) Hnd 13,43 .   1 : Apk 3,9 .
acc. vr. enk. sunagôgèn   12  1 : Mt 12,9 . 2 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 . 3 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 7,5 .   6 : (1) Mt 12,9 // Mc 3,1 // Lc 6,6 . (2) Mc 1,21 // Lc 4,16 . 5 : (1) Hnd 13,14 . (2) Hnd 14,1 . (3) Hnd 17,10 . (4) Hnd 18,19 . (5) Hnd 19,8 . 1 : Jak 2,2 .  
gen. vr. mv. sunagôgôn      1 : Lc 13,10 .        
dat. vr. mv. sunagôgais  15  7 : (1) Mt 4,23 . (2) Mt 6,2 . (3) Mt 6,5 . (4) Mt 9,35 . (5) Mt 10,17 . (6) Mt 23,6 . (7)Mt 23,34 . 1 : Mc 12,39 . 3 : (1) Lc 4,15 . (2) Lc 11,43 . (3) Lc 20,46 .   11 : (1) Mt 4,23 // Mc 1,39 // Lc 4,44 . (2) Mt 10,17 // Mc 13,9 // Lc 21,12 . (3) Mt 23,6 // Mc 12,39 // Lc 20,46 . 11  4 : (1) Hnd 9,20 . (2) : Hnd 13,5 . (3) Hnd 15,21 . (4) Hnd 24,12 .    
acc. vr. mv.  sunagôgas   2 : (1) Mc 1,39 . (2) Mc 13,9 . 3 : (1) Lc 4,44 . (2) Lc 12,11 . (3) Lc 21,12 .   3 : (1) Hnd 9,2 . (2) Hnd 22,19 . (3) Hnd 26,11 .    
totaal 56  15  32  34  19 
en tè(i) sunagôgè(i)  11 (-3)              niet in : (1) Hnd 17,1 (nom) . (2) Hnd 18,7 (dat) .   niet in Apk 2,9 (nom) .  
ek tès sunagôgès 5 (- 1)      

niet in Lc 8,41 .  

           
eis (tèn) sunagôgèn 11 (- 1) 2 (niet in  Lc 7,5 )        
en tais sunagôgais 17 (+ 2)   +  Mc 13,9 . + Lc 4,44 .              

Mc 1,23.4. - 6. εν τῃ συναγωγῃ = en tè(i) sunagôgè(i) (in de synagoge) . OT (6) : (1) Ex 23,16 . (2) Nu 26,9 . (3) Nu 27,3 . (4) Nu 31,16 . (5) Joz 22,17 . (6) Ps 105,18 . NT (11) : (1) Mt 13,54 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 6,2 . (4) Lc 4,20 . (5) Lc 4,28 . (6) Lc 4,33 . (7) Joh 18,20 . (8) Hnd 17,17 . (9) Hnd 18,4 . (10) Hnd 18,7 . (11) Hnd 18,26

Mc 1,23.1. - 6. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,23 : και ευθυς ην εν τῃ συναγωγῃ = kai euthus èn en tè(i) sunagôgè(i) (en onmiddellijk was er in de synagoge) . Slechts in Mc 1,23 .
- Mc 3,1 : και ην εκει = kai èn ekei (en er was daar) . NT (4) : (1) Mt 2,15 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 3,1 . (4) Lc 6,6 .
Zie ook : Mc 1,13 : και ην εν τῃ ερημῳ = kai èn en tè(i) erèmô(i) (en hij was in de woestijn) .
en : Mc 5,11 : ην δε εκει προς τῳ ὁρει = èn de ekei pros tô(i) horei (hij was echter bij de berg) . ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) . Bijbel (5) . OT (1) : Gn 41,12 . NT (4) : (1) Mt 27,61 . (2) Mc 5,11 . (3) Lc 8,32 . (4) Joh 4,6 .

Mc 1,23.7. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .

  autoi (mv.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 gen. mv.autôn  37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

4. - 7. εν τῃ συναγωγῃ αυτων = en tè(i) sunagôgè(i) autôn (in hun synagoge) . Bijbel (3) . OT (1) : Ps 105,18 . NT (2) : (1) Mt 13,54 . (2) Mc 1,23 .

Mc 1,23.8. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 
  Totaal   1760 1233 527 108 53 94 57  45  145  25  255  312

  anthrôpos (mens) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. enk. anthrôpos 14 (1) Mc 1,23 .   (2) Mc 2,27 .   (3) Mc 3,1 .   (4) Mc 4,26 .   (5) Mc 5,2 .   (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37   (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 .     (10) Mc 12,1 .   (11) Mc 13,34 .   (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 .   (14) Mc 15,39 .  
  Totaal   53 10 

- Hebreeuws . אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) .

- Mc 1,23 : και ευθυς ην ... ανθρωπος = kai euthus èn ... anthrôpos (en onmiddellijk was er ... een mens) . Slechts in Mc 1,23 .
- Mc 3,1 : και ην εκει ανθρωπος = kai èn ekei anthrôpos (en er was daar een mens) . NT (2) : (1) Mc 3,1 . (2) Lc 6,6 .

Mc 1,23.9. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Hebr. בְּ = bë . Fr. en . Ned. in . E. in . D. in . Fr. dans . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi .

Mc 1,23.8. - 9. ανθρωπος εν = anthrôpos en (een mens in / een mens met) . NT (7) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Lc 2,25 . (4) Joh 7,23 . (5) Hnd 19,16 . (6) Gal 6,1 . (7) 1 Pe 3,4 .

Mc 1,23.10. dat. onz. enk. πνευματι = pneumati van het zelfst. naamw. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Mc (7) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
3 dat. enk. pneumati 124 37 87 4 7 : 8 5 10 49 4 19 24
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
dat. enk. pneumati 4 : (1) Mt 3,11. (2) Mt 5,3 . (3) Mt 12,28 . (4) Mt 22,43 . 7 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 . 8 : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . 19 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . (2) Mc 9,25 // Lc 9,42 . 24
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Taalgebruik in Rechters : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) .
- Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .

Mc 1,23.10. - 11. εν πνευάτι = en pneumati (met een geest) . NT (35) . Mc (3) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 5,2 .
- Hebreeuws : בָרוּחַ / בְרוּחַ= bërûach / bârûach (in een geest van / in de geest van) < prefix voorzetsel bë + eventeel het bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Tenakh (10) : (1) Ex 14,21 . (2) 1 K 19,11 . (3) Js 4,4 . (4) Ez 11,24 . (5) Ez 37,1 . (6) Ps 48,8 . (7) Spr 15,4 . (8) Job 15,30 . (9) Pr 8,8 . (10) 1 Kr 28,12 .

Mc 1,23.11. dat. mann. + onz. enk. ακαθαρῳ = akatharô(i) : (met een) onzuivere (geest) van het bijvoegl. naamw. ακαθαρος = akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in het NT : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in de LXX : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Mc : akatharos (onzuiver) . Mc (3) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 .

  akatharos (onzuiver) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 bijbel  OT  NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 3 (1) Mc 1,23 .     (2) Mc 5,2 .       (3) Mc 9,25 .   11 6 5   3 2        
  Totaal   11 169 139 30 2 11 6   5 3 3 19  19 

  akatharos (onzuiver) NT  Mt  Mc   Lc  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 5   3 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2: (1) Lc 8,29 . (2) Lc 9,42 . 5 : Mc 9,25 // Lc 9,42 .
  Totaal   30 2 11 6 19  19 

- Hebreeuws . bijvoegl. naamw. vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (8) : (1) Lv 5,2 . (2) Lv 7,21 . (3) Lv 11,6 . (4) Lv 15,25 . (5) Lv 15,33 . (6) Lv 27,11 . (7) Joz 22,19 . (8) Am 7,17 .
In het NT komt een vorm van ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het meest bij Mc voor . Bij Mc is het telkens verbonden met 'onzuivere geest' . In het Nederlands gaat het bijvoeglijk naamwoord vooraf aan het zelfstandig naamwoord , in het Grieks bij Mc in deze verzen volgt het bijvoeglijk naamwoord ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . (1) Mc 1,23 (dat onz. enk. = akathartôi in : = anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (2) Mc 1,26 (nom. onz. enk. = akatharton in : = to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (3) Mc 1,27 (dat. onz. mv. = akathartois in : = tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) .
- Van Cangh (2005, p.68) : "A l'adjectif, l'hébreu préfère le génitif de qualité . Voir par exemple Zach 13,2" . טֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (3) : (1) Nu 5,19 . (2) Re 13,7 . (3) Re 13,14 . הַטֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naam. . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Zach 13,2 . (2) 2 Kr 29,16 .

Mc 1,23.10. - 11. πνευματι ακαθαρῳ = pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) , steeds in de formulering van : εν πνευματι ακαθαρῳ = en pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .
- Hebreeuws , zie Zach 13,2 : רוּח הַטֻּמְאָה = rûach hattumë´âh (geest van de onreinheid = de onreine geest) .
- τῳ πνευματι τῳ ακαθαρῳ = tô(i) pneumati tô(i) akatharô(i) (aan de onreine geest) . Bijbel (3) : (1) Mc 9,25 . (2) Lc 8,29 . (3) Lc 9,42 .

Mc 1,23.9. - 11. εν πνευματι ακαθαρῳ = en pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .

Mc 1,23.8. - 11. ανθρωπος εν πνευματι ακαθαρῳ = anthrôpos en pneumati akatharthô(i) ( een mens met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .

Mc 1,23.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Hebr. : וְ = wë (en) . Lat : et . Fr. : et . Ned. : en . E. : and . D. und . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) .

Mc 1,23.13. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεκραξεν = anekraxen (hij schreeuwde het uit) van het werkw. ανακραζω = anakrazô (uitschreeuwen, oproepen) . Taalgebruik in het NT : anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in de LXX : anakrazô (uitschreeuwen) . Taalgebruik in Mc : anakrazô (uitschreeuwen) . Bijbel (5) : (1) 1 S 4,5 . (2) 1 K 22,22 . (3) 1 Mak 2,27 . (4) Mc 1,23 . (5) Lc 4,33 .
- Enkele werkw. op -ζω = -dzô hebben een werkwoordsstam op een gutturaal o.a. ανακραζω = anakradzô (uitschreeuwen) , stam : κραγ- = krag- .

Mc 1,23.12. -13. και ανεκραξεν = kai anekraxen (en hij schreeuwde het uit) . Mc 1,24 : λεγψν τι ἡμιν και σοι ιησου = legôn ti hèmin kai soi Ièsou (wat is er tussen ons en jou , Jezus) .
Mc 5,7 : και κραξας φωνῃ μεγαλῃ λεγει τι εμοι και σοι ιησου = kai kraxas fônè(i) megalè(i) legei ti emoi kai soi Ièsou (en geschreeuwd met luide stem zegt hij : wat is er tussen mij en jou , Jezus) .

Samengevat Mc 1,23 . Mc 1,23.legt een band met de andere optredens van Jezus in de synagoge (Mc 3,1 en Mc 6,2) . Ook linkt Mc 1,23 met Mc 5,1-20 want in beide verhalen gaat het om een ontmoeting van Jezus met een onzuivere geest . In Mc 1,23 bevindt de onzuivere geest zich in de synagoge , in Mc 5,5 komt de onzuivere geest uit de graven .
De onzuivere geest hoort niet thuis in de synagoge , zoals de kopers en verkopers niet thuis horen in de tempel . Heidens gebied en graven worden als onrein beschouwd . De komst van Jezus in dat gebied kan een kwelling voor dat gebied betekenen .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45

Mc 1,24 - Mc 1,24 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- Lc 4,33-37 -- Lc 4,33-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:24 legôn ti èmin kai soi ièsou nazarène èlthes apolesai èmas oida se tis ei o agios tou theou 24 dicens quid nobis et tibi Iesu Nazarene venisti perdere nos scio qui sis Sanctus Dei  zeggend: "Wat is er tussen ons en u, Jezus de Nazarener? Komt u om ons te vernietigen? Ik weet wie u bent, de heilige van God!"  24 "Jezus van Nazaret, wat hebt Gij met ons te maken? Ge zijt gekomen om ons in het verderf te storten. Ik weet wie Gij zijt: de Heilige Gods."  [24] ‘Wat wilt U van ons, Jezus van Nazaret? Bent U gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie U bent: de Heilige van God!’  [24] ‘Wat hebben wij met jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie je bent, de heilige van God.’   24 en zegt: wat is er tussen ons en jou, Jezus Nazarener!– ben je gekomen om ons te vernietigen?– ik wéét wie je bent: de heilige van God!   24. en disant : « Que nous veux-tu, Jésus le Nazarénien ? Es-tu venu pour nous perdre ? Je sais qui tu es : le Saint de Dieu. »  

King James Bible . [24] Saying, Let us alone; what have we to do with thee, thou Jesus of Nazareth? art thou come to destroy us? I know thee who thou art, the Holy One of God.
Luther-Bibel . 24 Was willst du von uns, Jesus von Nazareth? Du bist gekommen, uns zu vernichten. Ich weiß, wer du bist: der Heilige Gottes!

Tekstuitleg van Mc 1,24 . Dit vers Mc 1,24 telt 19 woorden en 73 letters . De getalwaarde van Mc 1,24 is 5854 (2 X 2927) .

Mc 1,24.1. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .Mc (18) . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord λεγω = legô (zeggen) gebruikt .

  legô (zeggen) T.T. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 

Mc 1,24.2. vragend of onbepaald voornaamw. nom. + acc. onz. enk.τι = ti (wat) van het voornaamwoord τις = tis . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Mc : voornaamwoord tis . Taalgebruik in Lc : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een , iets .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + acc. onz. enk. ti  1132  617  415  62  60  66  57  60  102  188  245     

- Hebreeuws . מַה / מָה / מֶה = mah / mâh / mèh (wat?) . Taalgebruik in Tenakh : mah / mâh (wat?) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , he = 5 ; totaal : 18 (2 X 3²) OF 45 (3² X 5) . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (424) . Pentateuch (74) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (59) . 12 Kleine Profeten (39) . Geschriften (141) .

Mc 1,24.3. pers. voornaamw. dat. mv. ἡμιν = hèmin (ons) van het pers. voornaamw. ἡμεις = hèmeis . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

  èmeis (wij) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev.   Br Rom 1 Kor  2 Kor  Gal Ef  Fil  Kol  1 Tes  2 Tes  1 Tim  2 Tim Tit Film Heb Jak 1 Pe 2 Pe 1 Joh 2 Joh  3 Joh  Jud  P. A.  
3 dat. mv. hèmin  470  310  160  103 34 90 84 32 5 227 63  64           14      43  21 
  totaal 2484  1693  791  224 69 205 219 116 11 498  179  478  55  47  96  20  27  13  43  21  15  29  23  36  393  85 

- Hebreeuws . לָנו = lânû (voor ons) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 1ste pers. mv. . Tenakh (219) . Pentateuch (61) . Eerdere Profeten (62) . Latere Profeten (33) . 12 Kleine Profeten (7) . Geschriften (56) .

Mc 1,24.2. - 3. מַה לָּנוּ = mah lânû (wat aan ons) . Tenakh (2) : (1) 1 K 12,16 . (2) 2 Kr 10,16 .
מַה לִי = mah lî (wat voor mij) . Tenakh (7) : (1) Re 11,12 . (2) 2 S 16,10 . (3) 2 S 19,23 . (4) 1 K 17,18 . (5) 2 K 3,13 . (6) Hos 14,9 . (7) 2 Kr 35,21 .

Mc 1,24.4. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,24.5. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. σοι = soi (aan u) . Zie συ = su (jij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 .

  pers. vnw. 2de pers. enk.   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
dat. enk.  soi 21  2 : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 1,24 . 2 : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,18 .   1 : Mc 4,38 .   4 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,41 . 3 : (1) Mc 6,18 . (2) Mc 6,22 . (3) Mc 6,23 .     2 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,25 . 2 : (1) Mc 10,28 . (2) Mc 10,51 . 1 : Mc 11,28 . 1 : Mc 12,14 .   3 : (1) Mc 14,30 . (2) Mc 14,31 . (3) Mc 14,36 .   1310  1112  198  44  21  44  27  20  31  11  109  136 

- Hebreeuws . l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. לֵךְ = lekh (ga) . Zie hâlakh (gaan) . Taalgebruik in Tenach : hâlakh (gaan) . Getalwaarde : he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal : 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11) . Structuur : 5 - 3 - 2 . Tenakh (827 . Pentateuch (276) . Eerdere Profeten (188) . Latere Profeten (147) . 12 Kleine Profeten (30) . Geschriften (186) .

Mc 1,24.3. - 5.
- Hebreeuws . מַה לִי וָלָךְ = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) . Tenakh (3) : (1) Re 11,12 . (2) 1 K 17,18 . (3) 2 K 3,13 . (4) 2 Kr 35,21 .
- מַה לִי וְלָכֶם = mah lî wâlâkh (wat voor mij en voor jou) . Tenakh (2) : (1) 2 S 16,10 . (2) 2 S 19,23 .
- מַה לָּכֶם = mah lâkhèm (wat voor jullie?) . Tenakh (3) : (1) Joz 22,24 . (2) Js 3,15 . (3) Ez 18,2 .
- Opmerkelijke teksten . Re 11,12 : Jefta stuurde gezanten naar de koning van de Ammonieten met de vraag: ‘Wat bezielt u om mij op mijn eigen grondgebied aan te vallen?’ [
-- 1 K 17,18 : Toen zei de vrouw tegen Elia: ‘Wat heb ik u misdaan, godsman? Bent u soms naar me toe gekomen om mijn zonden aan het licht te brengen en mijn zoon te doden?’

Mc 1,24.6. voc. mann. enk. ièsou (Jezus) van de eigennaam ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . In Mc 1 komt in zes verzen de naam Jezus voor . In vier verzen in de nominatief : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . In één vers in de vocatief : Mc 1,24 . In één vers in de genitief : Mc 1,1 . De vocatief Ièsou komt in drie verzen in Mc voor : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 10,47 .
- Zelfst. naamw. verbogen naar het zelfst. naamw. van de 2de verbuiging = nous (gedachte) .
- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) .

Mc 1,24.9. act. inf. aor. απολεσαι = apolesai van het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) . Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in de LXX : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Bijbel (31) . OT (24) . NT (7) : (1) Mt 2,13 en (2) Mt 10,28 // Lc 12,5 . (3) Mc 1,24 // Lc 4,34 . (4) Lc 4,34 // Mc 1,24 . (5) Lc 6,9 // Mc 3,4 . (6) Lc 19,47 // Mc 11,18 . (7) Jak 4,12 . Een vorm van απολλυμι = apollumi in de LXX (378) , in het NT (90) , in Mt (19) , in Mc (10) .
- Werkwoorden op -μι = -mi . 2de reeks : zie δεικνυμι = deiknumi (tonen) . Medeklinkerstammen met praesenssuffix -νυ- = -nu- . Met een stam op een liquida : l , m , n , r . απολλυμι = apollumi (te gronde richten) < ap-ol-nu-mi (απ-ον-νυ-μι . Zie

  apollumi (verderven, verdoemen)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 12 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
1 ind. praes. 3de pers. enk. apollutai     1 : Mc 2,22 .                      
2 ind. praes. 1ste pers. mv. apollumetha        1 : Mc 4,38 .                    
3 ind. fut. 3de pers. enk. apolesei           (1) Mc 8,35 (2X) .       Mc 12,9  10         
4 ind. aor. apolesai   1 : Mc 1,24 .                 31  24     
5 ind. aor. 3de pers. enk. apolesè(i)             (1) Mc 9,22 . (2) Mc 9,41     16    8      
6 conj. aor. 3de pers. mv. apolesôsin       (1) Mc 3,6 .       (2) Mc 11,18 .              
  totaal 1 (2X)   1 68  36  32  10  10  29  30 

- In de LXX kan een vorm van απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden) de vertaling van 42 verschillende Hebreeuws (werk)woorden zijn . act. hifil stat. constr. הַאֲבִיד = ha´äbhîd (om te verdelgen) van het werkw. אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Getalwaarde van אָבַד =´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) is : aleph = 1 , beth = 2 , daleth = 4 ; totaal : 7 . Structuur : 1 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (1) : 2 K 10,19 ( לְמַעַן הַאֲבִיד = lëma`an ha´äbhîd (om te verdelgen) . Van Cangh : לְהַאֲבִיד = lëha´abhîd (om te verdelgen) .
- In verschillende situaties wordt het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen, ten gronde richten, doden) :
(1) Jezus komt om de onreine geest te verdelgen .
(2) Jezus komt om wat aan het verloren gaan is te zoeken opdat het zou herleven .
(3) Farizeeën en schriftgeleerden zoeken Jezus te doden .
- ap- + ollumi < ol-numi . Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr. perdition . Ned. verderf , verdoemenis .
De confrontatie en de strijd tussen Jezus , vol van heilige geest , en de onreine geest (ook demonen of duivels genoemd) is begonnen . De onreine geest weet dat Jezus hen wil vernietigen . De confrontatie en strijd wordt wederzijds wanneer in Mc 3,6 de farizeeën en de Herodianen besluiten om Jezus te vernietigen . In : Mc 4,38 .richten de leerlingen zich tot Jezus met de vraag 'Raakt het je niet dat wij vergaan' . En in Mc 11,18 zoeken de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus kunnen vernietigen .
De levensbedreiding van Jezus begint reeds in Mc 1,14 , wanneer Johannes de Doper wordt overgeleverd . Jezus wijkt uit naar Galilea , naar Kafarnaüm , aan het meer van Galilea , waar uitwijkmogelijkheden zijn . Maar zelfs in de synagoge van Kafarnaüm is er tegenstand en is hij niet volledig veilig .

11. act. ind. perf. 1ste pers. enk. οιδα = oida (ik weet) van het werkw. ειδεναι = eidenai (weten) . Een perfectum van een defectief werkw. .

13. act. ind. praes. 2de pers. enk. ει = ei (jij bent) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) .

Mc 1,24.15. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

Mc 1,24.16. nom. mann. enk. ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Taalgebruik in de Septuaginta : hagios (heilig) . Heilig wordt in Mc in verband gebracht met Johannes de Doper ( Mc 6,20 ) , Jezus (Mc 1,24) , (de) geest ( 4 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 12,36 . (4) Mc 13,11 ) , engelen (Mc 13,11) . In de vier teksten met 'heilige geest' volgt het bijvoeglijk naamwoord ἁγιος = hagios (heilig) op het zelfstandig naamwoord πνευμα = pneuma (geest) .

hagios (heilig) bijbel  OT. NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
nom. m. enk. hagios 64 53 11   1 1 1   3 5 2 3
Totaal   892 684 208 8 7 19 4 50 100 20 34 37

hagios (heilig) Mt  Mc   Lc  syn. ev.
nom. mann. enk. hagios   1 : Mc 1,24 . 1 : Lc 4,34 . 2 : (1) Mc 1,24 // Lc 4,34 . 3
nom. + acc. onz. enk. hagion 1 : Mt 7,6 . 3 : (1) Mc 3,29 . (2) Mc 6,20 . (3) Mc 13,11 . 8 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,49 . (3) Lc 2,23 . (4) Lc 2,25 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 11,13 . (7) Lc 12,10 . (8) Lc 12,12 . 12 : (1) Mt 12,32 // Mc 3,29 // Lc 12,10 . 14
gen. mann. + onz. enk. hagiou 4 : (1) Mt 1,18 . (2) Mt 1,20 . (3) Mt 12,32 . (4) Mt 28,19 .   5 : (1) Lc 1,15 . (2) Lc 1,41 . (3) Lc 1,67 . (4) Lc 2,26 . (5) Lc 4,1 . 9 9
gen. vr. enk. + acc. vr. mv. hagias     1 : Lc 1,72 .  
dat. m. + onz. enk. hagiô(i) 2 : (1) Mt 3,11 . (2) Mt 24,15 . 2 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 12,36 . 2 : (1) Lc 3,16 . (2) Lc 10,21 . 6 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . 7
gen. mann. + vr. + onz. mv. hagiôn 1 : Mt 27,52 . 1 : Mc 8,38 . 2 : (1) Lc 1,70 . (2) Lc 9,26 . 4 : (1) Mc 8,38 // Lc 9,26 . 4
Totaal   8 7 19 34 37

Een vorm van ἁγιος = hagios (heilig) in Mc (7) : (1) Mc 1,8 (voorzetsel en = met + dat. mann. enk. hagiôi in : pneumati hagiôi = met heilige geest) . (2) Mc 1,24 (nom. mann. enk. hagios : in : ho hagios tou theou = de heilige van God) . (3) Mc 3,29 (voorzetsel eis + acc. onz. enk hagion in : eis to pneuma to hagion = tegen de heilige geest.) . (4) Mc 6,20 (acc. mann. enk. hagion in : andra dikaion kai hagion = een rechtvaardig en heilig man) . (5) Mc 8,38 (gen. mann. mv. hagiôn in : meta tôn aggelôn tôn hagiôn = met de heilige engelen) . (6) Mc 12,36 (dat. mann. enk. hagiôi in : en tôi pneumati tôi hagiôi = door de heilige geest) .  (7) Mc 13,11 (nom. onz. enk. hagion in : to pneuma to hagion = de heilige geest) .
- קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) . Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , daleth = 4 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 ; totaal : 50 OF 410 (2 X 5 X 41) . Structuur : 1 - 4 - 6 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (53) . Pentateuch (13) . Eerdere Profeten (3) . Latere Profeten (25) . 12 Kleine Profeten (1) . Geschriften (11) .
- Ned. : heilig . Arabisch : qadîsj (heilig) . D. : heilig . E. : holy . Fr. : saint . Gr. : ἁγιος = hagios (heilig) . Taalgebruik in het NT : hagios (heilig) . Hebreeuws : קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig) . Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj . Taalgebruik in Tenakh : qâdôsj (heilig) . Latijn : sanctus .

Mc 1,24.17. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,24.15. - 18. ὁ ἁγιος του θεου = ho hagios tou theou (de heilige van God) . NT (2) : Mc 1,24 // Lc 4,34 . De benaming werd gegeven aan de hogepriester Aäron (zie Ps 106,16) .
- קָדוֹשׁ יהוה = qâdôsj JHWH (heilig is JHWH) . Tenakh (2) : (1) Js 6,3 . (2) Ps 99,9 .
- קְדוֹשׁ יהוה = qëdôsj JHWH (de heilige van God) . Tenakh (1) : (1) Ps 106,16 ; LXX : τον ἁγιον του θεου = ton hagion tou theou (de heilige Gods) . In deze Psalm wordt Aäron de heilige van God genoemd .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .


Mc 1,25 - Mc 1,25 - 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai epetimèsen autôi ho Ièsous legôn fimôthèti kai exelthe ex autou  25 et comminatus est ei Iesus dicens obmutesce et exi de homine En Jezus berispte hem, zeggend: "Wees stil en ga van hem uit".   25 Jezus voegde hem toe: " Zwijg stil en ga uit hem weg." [25] Jezus strafte hem af: ‘Houd uw mond* en ga uit hem weg.’ [25] Jezus sprak hem streng toe en zei: ‘Zwijg en ga uit hem weg!’ 25 Jezus straft hem af en zegt: zwijg jij, en ga uit hem weg! 25. Et Jésus le menaça en disant : « Tais-toi et sors de lui. » 

King James Bible . [25] And Jesus rebuked him, saying, Hold thy peace, and come out of him.
Luther-Bibel . 25 Und Jesus bedrohte ihn und sprach: Verstumme und fahre aus von ihm!

Tekstuitleg van Mc 1,25 . Het vers Mc 1,25 telt 11 woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 1,25 is 7149 (3 X 2383) .

Mc 1,25.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Er is verandering van personage .

Mc 1,25.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. επετιμησεν = epetimèsen (hij deed een beroep op 'hun' eer , hij droeg op , hij beval) van het werkw. επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het NT : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX : epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel επι = epi (aan bij, op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt op het werkwoord steeds een datief . Bijbel (16) . LXX (2) : (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . NT (14) : (1) Mt 8,26 . (2) Mt 12,16 ( // Mc 3,12 ) . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 20,31 . (5) Mc 1,25 ( // Mt 8,26 ) . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 8,30 . (8) Mc 8,33 . (9) Mc 9,25 ( // Mt 17,18 ) . (10) Lc 4,35 . (11) Lc 4,39 . (12) Lc 8,24 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,55 . Een vorm van επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) in de LXX (11) , in het NT (29) , in Mc (9) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 8,30 . (5) Mc 8,32 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,13 . (9) Mc 10,48 . In de LXX kan het Griekse werkwoord επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) de vertaling zijn van 3 verschillende Hebreeuwse werkwoorden .
- De kenletter σ = s geeft act. en mediaal aor. weer . De stamletter α = a wordt verlengd tot η = è . Vandaar : επετιμησεν = epetimèsen (hij beval) .

  epitimaô (opleggen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 8 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Br. syn. ev.  
1 ind imp. 3de p. enk. epetima 1   (1) Mc 3,12 .           1   1   1     1 1
2 ind. imp. 3de p. mv. epetimôn 1           (1) Mc 10,48 .   3   3   1 2   3 3
3 inf. pr. epitiman       (1) Mc 8,32 .            
5 ind. aor. 3de p. enk. mv. epitèmèsen 5 (1) Mc 1,25 .     (2) Mc 4,39 .   (3) Mc 8,30 . (4) Mc 8,33 .   (5) Mc 9,25   16 2 14 4 5 5   14 14
6 act. ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan 1           (1) Mc 10,13 . 2   2 1 1     2 2
    9 33 4 29 6 9 12 2 27 27

- wa consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) van het werkw. גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Taalgebruik in Tenakh : gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Getalwaarde : ghimel = 3 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 273 (3 X 7 X 13) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . Een vorm van het werkw. גָעַר = gâ`ar in 13 verzen in Tenakh .

Mc 1,25.3. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,25.2. - 3. επετιμησεν αυτῳ = epetimèsen autô(i) (hij beval hem) . Bijbel (4) : (1) Gn 37,10 . (2) Mt 17,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Lc 4,35 . § 111 Philo (Greek) (Somn 2.111) .
- επετιμησεν αυτοις = epetimèsen autois (hij deed een beroep op hun eer) . Bijbel = NT (4) : (1) Mt 12,16 . (2) Mt 20,31 . (3) Mc 8,30 . (4) Lc 9,55 .

Mc 1,25.4. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,25.5. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen ; in Mc 1 in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) .
- In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. ιησου = Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. ιησους = Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. ιησους = Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. ιησους = Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. ιησου = Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. ιησους = Ièsous) .

Mc 1,25.1. - 5. και επετιμησεν αυτῳ ὁ ιησους = kai epetimèsen autô(i) ho ièsous (en Jezus beval hem) . Bijbel (3) : (1) Mt 17,18 . (2) Mc 1,25 . (3) Lc 4,35 .

Mc 1,25.6. act. participium praesens nominatief mann. enk. legôn (zeggend) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .In Mc 1 in vijf verzen : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . Bij het citeren van iemand wordt meestal een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt .

Mc 1,25.7. passief imperat. aor. 2de pers. enk. φιμωθητι = fimôthèti (wees gemuilkorfd) van het werkw. φιμοω = fimoô (muilkorven, mond snoeren) . Taalgebruik in het NT : fimoô (muilkorven, mond snoeren) . Taalgebruik in de LXX : fimoô (muilkorven, mond snoeren) . NT (2) : (1) Mc 1,25 . (2) Lc 4,35 .
- De stamletter = o wordt verlengd tot ô ; thè geeft de aor.pass. weer , -τι = -ti de 2de pers. enk. imperat. : de tweede aangeblazen θ = th wordt door dissimilatie niet aangeblazen , vandaar -τι = -ti .

Mc 1,25.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

9. imperat. 2de aor. 2de pers enk. exelthe (ga uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc (3) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 5,8 . (3) Mc 9,25 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,29 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 . .

10. εκ = ek of εξ = ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Taalgebruik in de Septuaginta : ek (uit) . Mc 5 (2 + 1) : (1) Mc 5,2 . (2) Mc 5,8 . εξ = ex (uit) : Mc 5,30 .

ek (uit)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ek  38         2814 2239 575 46 38 46 112 58 175 100 130  242 
ex  20              1168 941  227  28  20  37  28  24  84  85  113 
Totaal   58          3982  3180  802  74  58  83  140  82  259  106  215   355

- Ned. : uit . D. : aus . E. : out . Fr. : de . Grieks : εκ = ek of εξ = ex (uit) . Taalgebruik in het NT : ek (uit) . Latijn : ex .

Mc 1,25.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

10. - 11.


Mc 1,26 - Mc 1,26 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 4zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai sparaxan auton to pneuma to akatharton kai fônèsan fônèi megalèi exèlthen ex autou et discerpens eum spiritus inmundus et exclamans voce magna exivit ab eo En de onreine geest sleurde hem heen en weer en riep met luiide stem (en) ging van hem uit.  De onreine geest schudde hem heen en weer, gaf nog een luide schreeuw en ging uit hem weg.  En de onreine geest schudde hem door elkaar en onder enorm geschreeuw ging hij uit hem weg.  De onreine geest deed de man stuiptrekken en verliet hem met een luide schreeuw.  De onreine geest laat hem stuiptrekken en schreeuwend met groot geschreeuw gaat hij uit hem weg.  26. Et le secouant violemment, l'esprit impur cria d'une voix forte et sortit de lui. 

Statenvertaling . 26 En de onreine geest, hem scheurende, en roepende met een grote stem, ging uit van hem.
King James Bible . [26] And when the unclean spirit had torn him, and cried with a loud voice, he came out of him.
Luther-Bibel . 26 Und der unreine Geist riss ihn und schrie laut und fuhr aus von ihm.

Tekstuitleg van Mc 1,26 . Het vers Mc 1,26 telt 7 woorden en 28 (2 X 2 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 1,26 is 6344 (2 X 2 X 2 X 13 X 61) .

  Mc 1,26 - Lc 4,33
  kai sparaxan auton to pneuma to akatharton kai fônèsan fônèi megalèi exèlthen ex autou - kai en tè sunagôgè èn anthrôpos echôn pneuma daimoniou akathartou kai anekraxen fônè megalè

Mc 1,26.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,26.2. act. part. aor. nom + acc. onz. enk. σπαραξαν = sparaxan (stuiptrekkend) van het werkw. σπαρασσω = sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in het NT : sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Taalgebruik in de LXX : sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) . Stam : sparasJ (halfklinker) -> sparassô . Bijbel (1) : Mc 1,26 . Een vorm van σπαρασσω = sparassô (door elkaar schudden, stuiptrekken) in de LXX (4) , in het NT (3) : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 9,26 . (3) Lc 9,39 .
- verbuiging van het part. . Voor het mann. en het onz. wordt de 3de verbuiging gevolgd .

Mc 1,26.3. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,26.4. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,14 (acc.) . (4) Mc 1,26 (nom.) . In drie verzen is het bep. lidw. to (het) verbonden met het zelfst. naamw. pneuma (geest) : (1) Mc 1,10 (acc.) . (2) Mc 1,12 (nom.) . (3) Mc 1,26 (nom.) .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,26.5. nom.+ acc. onz. enk. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 26,41 . (6) Mt 27,50 . 12 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . 16 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . 34 : (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) / Mc 3,29 // Lc 12,10 . (4) Mc 5,8 // Lc 8,29 . (5) Mt 10,20. // Lc 12,12 . (6) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (7) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 48
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Taalgebruik in Rechters : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) .
- Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .

Mc 1,26.4. - 5. το πνευμα = to pneuma (de geest) . NT (93) . Mc (9/12) . Niet in : (1) Mc 3,30 . (2) Mc 7,25 . (3) Mc 9,17 .
- Hebreeuws . הָרוּחַ = hârûach (de wind, de geest) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (14) : (1) Nu 11,17 . (2) Nu 11,25 . (3) Nu 11,26 . (4) 1 K 19,11 . (5) 1 K 22,21 . (6) Ez 1,12 . (7) Ez 1,20 . (8) Ez 37,9 . (9) Ez 37,10 . (10) Hos 9,7 . (11) Pr 1,6 . (12) Pr 8,8 . (13) Pr 11,5 . (14) 2 Kr 18,20 .

Mc 1,26.7. nom. en acc. onz. enk. ακαθαρτον = akatharton (onzuiver) van het bijvoegl. naamw. ακαθαρος = akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in het NT : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in de LXX : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Mc : akatharos (onzuiver) . Zie hieronder . Verder : (1) Hnd 10,14 . (2) Hnd 10,28 . (3) Hnd 11,8 .

  akatharos (onzuiver) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 bijbel  OT  NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
3 nom. + acc. onz. enk. akatharton 4 (1) Mc 1,26 .   (2) Mc 3,30 .   (3) Mc 5,8 .     (4) Mc 7,25 .     37 28 9 1 4 1   3    
  Totaal   11 169 139 30 2 11 6   5 3 3 19  19 

  akatharos (onzuiver) NT  Mt  Mc   Lc  syn. ev.
3 nom. + acc. onz. enk. akatharton 9 1: Mt 12,43 . 4 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 3,30 . (3) Mc 5,8 . (4) Mc 7,25 . 1 : Lc 11,24 . 6 : (1) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) Mc 5,8 // Lc 8,29 .
  Totaal   30 2 11 6 19  19 

- Hebreeuws . bijvoegl. naamw. vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (8) : (1) Lv 5,2 . (2) Lv 7,21 . (3) Lv 11,6 . (4) Lv 15,25 . (5) Lv 15,33 . (6) Lv 27,11 . (7) Joz 22,19 . (8) Am 7,17 .

Geest (zonder de bepaling heilig of onzuiver) : (1) Mc 1,10 (acc. enk. to pneuma = de geest) . (2) Mc 1,12 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (3) Mc 2,8 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (4) Mc 8,12 (dat. enk. pneumati in : tôi pneumati autou = met zijn geest) . (5) Mc 9,17 (acc. enk. pneuma alalon = een niet-sprekende geest) .(6) Mc 9,20 (nom. enk. to pneuma = de geest) . (7) Mc 9,25 (to alalon kai kôfon pneuma = de niet-sprekende en dove geest) . (8) Mc 14,38 (to men pneuma = de geest is evenwel gewillig) .

Mc 1,26.6. - 7. το ακαθαρτον = to akatharton (de onzuivere) . NT (4) : (1) Mt 12,43 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 5,8 . (4) Lc 11,24 .
- Hebreeuws . הַטְּמֵאָה = hattëme´âh (de onreine) < prefix bepaald lidw. ha + vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) van het bijvoegl. naamw. mann. enk. טָמֵא = tâme´ (onrein, bevlekt) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Lv 27,27 . (2) Nu 18,15 .

Mc 1,26.4. - 7. το πνευμα το ακαθαρτον = to pneuma to akatharton (de onzuivere geest) . NT (2) : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 5,8 .
- το ακαθαρτον πνευμα = to akatharton pneuma (de onzuivere geest) . NT (2) : (1) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (2) Lc 11,24 // Mt 12,43 .

Mc 1,26.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : e

9. van het werkw. φωνεω = foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het NT : fôneô (roepen, schreeuwen) .

Mc 1,26.10. nom. + dat. vr. enk. φωνη / φωνῃ = fônè(i) (stem, roep)  . Taalgebruik in het NT : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in de LXX : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) .

fônè (stem, roep)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. fônè   6 : (1) Mt 2,18 . (2) Mt 3,3 . (3) Mt 3,17 . (4) Mt 17,5 . (5) Mt 27,46 . (6) Mt 27,50 . 6 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,11 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 5,7 . (5) Mc 9,7 . (6) Mc 15,34 . 7 : (1) Lc 1,44 . (2) Lc 3,4 . (3) Lc 4,33 . (4) Lc 8,28 . (5) Lc 9,35 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,46 . 19 : (1) Mt 3,3 // Mc 1,3 // Lc 3,4 . (2) Mt 3,17 // Mc 1,11 // Lc 3,22 . (3) Mt 17,5 // Mc 9,7 // Lc 9,35 . (4) Mt 27,46 // Mc 15,34 . (5) Mt 27,50 // Mc 15,37 // Lc 23,46 . (6) Mc 5,7 // Lc 8,28 . 242  180  62  12  23  19  23     
totaal 12  26  634  513  121  12  15  26  13  41  26  41     

11. nom. + dat. vr. enk. μεγαλη / μεγαλῃ = megalè(i) (groot) van het bijvoegl. naamwoord μεγας = megas (groot) . Taalgebruik in het NT : megas (groot) . Taalgebruik in de LXX : megas (groot) . Taalgebruik in Mc : megas (groot) . Mc (7) : (1) Mc 1,26 (dat.) . (2) Mc 4,37 (nom.) . (3) Mc 4,39 (nom.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 5,11 (nom.) . (6) Mc 5,42 (dat.) . (7) Mc 15,34 (dat.) .

  megas (groot) enk.   Mc Mc 1 Mc 4 Mc 5 Mc 10 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. megalè(i)   (1) Mc 1,26 (2) Mc 4,37 . (3) Mc 4,39 .   (4) Mc 5,7 . (5) Mc 5,11 . (6) Mc 5,42 .       (7) Mc 15,34 .     237  171  66  12  27  21  24   
  totaal 11          11                   

10. - 11. φωνῃ μεγαλῃ = fônè(i) megalè(i) (met luide stem) . LXX (47) . NT (26) . Mt (2) : (1) Mt 27,46 . (2) Mt 27,50 . Mc (3) : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 15,34 . Lc (4) : (1) Lc 4,33 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 19,17 . (4) Lc 23,45 . Joh (1) : Joh 11,43 . Hnd (3) : (1) Hnd 7,57 . (2) Hnd 7,60 . (3) Hnd 16,28 .

Mc 1,26.12.   ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,29 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 . In Lc (41) .
- Uit-gaan kan betekenen : van een besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   232  165  67  11  19  11  25  44     

    Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 14 Mc 16 syn. 
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen  11  3 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . 2 : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13   1 : Mc 4,3 .   1 : Mc 6,1 .   1 : Mc 8,27 . 1 : Mc 9,26 . 1 : Mc 11,11 . 1 : Mc 14,68 .   25 

Mc 1,26.14. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 


Mc 1,27 - Mc 1,27 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:27 kai ethambèthèsan apantes ôste suzètein | autous | pros eautous | legontas ti estin touto didachè kainè kat exousian kai tois pneumasin tois akathartois epitassei kai upakouousin autô   27 et mirati sunt omnes ita ut conquirerent inter se dicentes quidnam est hoc quae doctrina haec nova quia in potestate et spiritibus inmundis imperat et oboediunt ei En allen waren verbijsterd zodat ze met elkaar redetwistten, zeggend: Wat is dit? Een nieuwe leer met macht en aan onreine geesten gebiedt hij, en ze gehoorzamen hem.   27 Allen stonden zo verbaasd dat ze onder elkaar vroegen: "Wat betekent dat toch? Een nieuwe leer met gezag! Hij geeft bevel aan de onreine geesten en ze gehoorzamen Hem." [27] Ontzetting greep allen aan, zodat ze zich samen afvroegen: ‘Wat is dat toch? Een nieuwe leer, met gezag! Zelfs de onreine geesten geeft Hij bevelen, en ze luisteren naar Hem.’   [27] Iedereen was zo verbijsterd dat ze tegen elkaar zeiden: ‘Wat is dit allemaal? Een nieuwe leer met groot gezag! Zelfs als hij onreine geesten een bevel geeft, wordt hij gehoorzaamd.’  27 Allen zijn zó verbaasd dat zij bijna ruzie krijgen; ze zeggen: wat is dit?– een nieuw onderricht, met volmacht!, en beveelt hij de onreine geesten iets, dan gehoorzamen ze hem!   27. Et ils furent tous effrayés, de sorte qu'ils se demandaient entre eux : « Qu'est cela ? Un enseignement nouveau, donné d'autorité ! Même aux esprits impurs, il commande et ils lui obéissent ! » 

King James Bible . [27] And they were all amazed, insomuch that they questioned among themselves, saying, What thing is this? what new doctrine is this? for with authority commandeth he even the unclean spirits, and they do obey him.
Luther-Bibel . 27 Und sie entsetzten sich alle, sodass sie sich untereinander befragten und sprachen: Was ist das? Eine neue Lehre in Vollmacht! Er gebietet auch den unreinen Geistern und sie gehorchen ihm!

Mc 1,27 Lc 4,36
1:27 kai ethambèthèsan apantes ôste suzètein | autous | pros eautous | legontas ti estin touto didachè kainè kat exousian kai tois pneumasin tois akathartois epitassei kai upakouousin autô   4:36 kai egeneto thambos epi pantas kai sunelaloun pros allèlous legontes tis o logos outos oti en exousia kai dunamei epitassei tois akathartois pneumasin kai exerchontai

Tekstuitleg van Mc 1,27 . Dit vers Mc 1,27 telt 29 woorden en 152 (2 X 2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,27 is 17921 (priemgetal) .

Mc 1,27.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,27.2. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εθαμβηθησαν = ethambèthèsan (zij waren verbijsterd) van het werkw. θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik in het NT : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in de LXX : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Taalgebruik in Mc : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) . Mc (1) Mc 1,27 . Een vorm van θαμβεομαι = thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) in de LXX (5) : (1) Re 9,4 (A) . (2) 1 S 14,15 . (3) 2 S 22,5 . (4) 2 K 7,15 . (5) Da 8,17 (Th) , in het NT (3) = Mc : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,32 . Een vorm van het Griekse werkw. θαμβεω = thambeô kan de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse werkwoorden zijn . Dit werkw. werd niet door de andere evangelisten gebruikt .
- pass. ind. aor. 3de pers. mv. εξεθαμβηθησαν = exethambèthèsan (zij waren met ontzetting / verbijstering geslagen) van het werkw. het werkw. εκθαμβεομαι = ekthambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 16,5 . Een vorm van εκθαμβεομαι = ekthambeomai in de LXX (1) : Sir 30,9 , in het NT (4) : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 14,33 . (3) Mc 16,5 . (4) Mc 16,6 .
- In Lucas : θαμβος = thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in het NT : thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in de LXX : thambos (ontzetting, verbazing) . Taalgebruik in Lc : thambos (ontzetting, verbazing) . Een vorm van θαμβος = thambos in de LXX (6) : (1) 1 S 26,12 . (2) Ez 7,18 . (3) Hl 3,8 . (4) Hl 6,4 . (5) Hl 6,10 . (6) Pr 12,5 . in het NT (3) : Lc 4,36 . (2) Lc 5,9 . (3) Hnd 3,10 . In de LXX is θαμβος = thambos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden .
- ind. aor. 3de pers. mv. εφοβηθησαν = efobèthèsan (zij vreesden) van het werkw. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in het NT : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in de LXX : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Lc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Bijbel (49) . OT (35) . NT (14) : Mt (4) : (1) Mt 9,8 . (2) Mt 17,6 . (3) Mt 21,46 . (4) Mt 27,54 . Mc (3) : (1) Mc 4,41 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 12,12 . Lc (4) : (1) Lc 2,9 . (2) Lc 8,35 . (3) Lc 9,34 . (4) Lc 20,19 . Joh (1) : Joh 6,19 . Hnd (1) : Hnd 16,38 .
- De nieuwe leer is dat het koninkrijk van God nabij is en dat het goede moment gekomen is . In de synagoge van Kafarnaüm wordt die leer verkondigd . Er is in de synagoge een persoon met een onreine geest . Hij zou niet in de synagoge thuis horen . Er is iemand die bezeten is . Hij roert zich . Hij zet een grote mond op (hij heeft een grote 'muile') . Hij spert zijn muil open om te verslinden . Jezus muilkorft hem . Hij legt hem het zwijgen op . Daarenboven drijft Jezus de onreine geest uit . Daarmee wordt het duidelijk dat het koninkrijk van God gekomen is . Dat wekt ontzetting en verbijstering bij de aanwezigen . De strijd is ingezet . De oorlog is verklaard . Niet het zwaard heeft hier overwonnen , maar het woord .
- Bij het grafverhaal (Mc 16,1-8) heeft het omgekeerde plaats . In de onreine plaats , het graf , zit een jongeman in een wit gewaad . Die hoort in feite niet thuis in een graf . Daarenboven verkondigt hij dat Jezus verrezen is . Met Jezus , messias en zoon van God , is het koninkrijk van God gekomen . Die Jezus gedood hebben , hebben slechts in schijn overwonnen . De Romeinen , die de tempel van Jeruzalem hebben platgebrand en de stad hebben verwoest , behaalden slechts een schijnbare overwinning . De echte overwinnaar is Jezus . Hij staat rechtop . Dat wekt verbijstering . De strijd is nog niet ten einde . Het verzet is niet opgegeven . De 'oorlog' woedt nog ondanks de 'pax Romana' . Maar de echte overwinnaar is gekend . Het lot is beslecht . Jezus is de overwinnaar .

Mc 1,27.3. nom. mann. mv. ἁπαντες = hapantes van het bijvoegl. naamw. ἁπας = hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in het NT : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in de LXX : hapas (ieder, allen, alles) . Taalgebruik in Mc : hapas (ieder, allen, alles) . Bijbel (13) . LXX (2) . NT (11) . Mc (2) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 11,32 . Lc (2) : (1) Lc 4,40 . (2) Lc 21,15 . Een vorm van ἁπας = hapas (ieder, allen, alles) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 8,25 . (3) Mc 11,32 . (4) Mc 16,15 .

4. ὡste = hôste (zodat) . Taalgebruik in het NT : hôste (zodat) . Taalgebruik in de LXX : hôste (zodat) . Taalgebruik in Mc : hôste (zodat) . Mc (13) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 2,2 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,28 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,20 .  (8) Mc 4,1 . (9) Mc 4,32 . (10) Mc 4,37 .  (11) Mc 9,26 . (12) Mc 10,8 . (13) Mc 15,5 .

5. = suzèteô (samen zoeken , overleggen, discussiëren) .

hôste ( zodat )  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 9 Mc 10 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  13  (1) Mc 1,27 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 2,2 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,28 .   (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,20 .   (8) Mc 4,1 . (9) Mc 4,32 . (10) Mc 4,37 .   (11) Mc 9,26 .   (12) Mc 10,8 .   (13) Mc 15,5 .   222  139  83  15  13  42    32  33  40 

Mc 1,27.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

Voor het eerst in het Marcusevangelie komen we een reactie van de aanwezigen op het optreden van Jezus tegen.
epitassô : opdragen, bevelen

 Mc 1,27 // Lc 4,36  Lc 4,36 // Mc 1,27 Mc 4,41 // Mt 8,27 // Lc 8,25  Lc 8,25 // Mc 4,41 // Mt 8,27
 kai (en) kai (en)  kai (en)  
ethambijthijsan (waren verbaasd) egeneto thambos (er was verbazing) efobijthijsan fobon megan (zij werden door een grote vrees bevangen)  

 fobijthentes de ethaumasan (bevreesd echter waren zij verwonderd)

 hapantes (allen) epi pantas (over allen)    
 27. hooste (zodat) kai (en) 41.  kai (en)  
suzijtein   sunelaloun (spraken samen) elegon (zeiden)  25. legontes (zeggende)
autous (zij)  pros allijlous (tot elkaar)  pros allijlous (tot elkaar)  pros allijlous (tot elkaar) 
legontas (zeggende)  legontes (zeggende)    
ti (wat)  tis (wat) tis (wie) tis (wie)
estin (is)       
touto (dit)  ho logos houtos (is dit woord - gebeuren ara houtos estin (derhalve deze is)  ara houtos estin (derhalve deze is) 
  hoti en eksousiai en dunamei (omdat in macht en kracht    
kai tois pneumasi tois akathartous (en aan de onreine geesten)  epitassei tois akathartois pneumasin (hij beveelt aan de onreine geesten) hoti kai ho anemos kai hij thalassei    
epitassei (draagt hij op)       
kai (en)   kai (en)    
hupakousin (zij gehoorzamen)  ekserchontai  (zij gaan uit) hupakouei (gehoorzaamt)   
autooi (hem)     autooi (hem)   
 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37  55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37  142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25  142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 // (Mt 8,23-27) // Lc 8,22-25

hôste(zodat) + indicatief : om een feitelijk gevolg aan te duiden. Taalgebruik : hôste (zodat), zie Mc 1,27 .

 1. 2.  3.  4.  5.  6.  7.  8.  9. 
Mc 1,27 Mc 1,45 Mc 2,2 Mc 2,12 Mc 2,28 Mc 3,10 Mc 4,1 Mc 4,32 Mc 4,37
hôste (zodat) hôste (zodat) hôste (zodat) hôste (zodat) hôste (zodat) hôste (zodat) hôste (zodat)    
   mèketi (niet meer)  mèketi (niet meer)            
  auton dunasthai hij kon)   chôrein (komen)      mè dunasthai autous (zij niet konden)      
   fanerôs (openlijk)  mède ta pros tèn thuran (zelfs niet bij de deur)      mède arton fagein (zelfs geen brood eten)      
suzètein pros heautous (zij redetwistten onder elkaar) eis polin eiselthein (in de stad binnengaan)              
                 

vergelijking van Mc 1,27 en Mc 4,41 met Lc 4,36


suzèteô = sunzèteô : samen zoeken , overleggen, discussiëren
hôste(zodat) + indicatief : om een feitelijk gevolg aan te duiden. Taalgebruik : hôste (zodat), zie Mc 1,27 . In een gelijkaardige context gebruikt Mc 4,41 twee nevenschikkende zinnen. Dat doet Lucas hier reeds. Lucas maakt van de ondergeschikte zin van eventueel gevolg een nevenschikkende zin : kai (en) . In de infinitiefzin van Marcus staat het onderwerp (autous = zij) in de accusatief; legontas (zeggende) is een bijstelling bij autous (zij) en staat dus eveneens in de accusatief; legontas = zeggende : leidt de directe vraag in. Lucas heeft het werkwoord in het imperfectum staan. Het autous = zij (Marcus) , het onderwerp van de infinitiefzin, kan bij Lucas wegvallen. Lucas gebruikt een werkwoord eveneens samengesteld met sun : nl. sunlaleô : samen-praten . Legontes = zeggende, bijstelling bij het onderwerp, leidt de directe vraag in.
Onder invloed van Jon 1,10 bestaat de reactie uit een geweldige vrees : efobèthèsan fobon megan ( en zij werden bevreesd met een grote vrees).

  Mc 1,27     Lc 4,36   Mc 4,41
  kai (en)   kai (en) eerste van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en kai (en)
  ethambèthèsan (waren verbaasd)   egeneto thambos (er was verbazing)   efobèthèsan fobon megan (zij werden door een grote vrees bevangen)  
  hapantes (allen)   epi pantas (over allen)    
hôste + infinitief om het mogelijk gevolg aan te duiden 27. hôste (zodat)   kai (en) tweede van de twee nevenschikkende zinnen, ingeleid door kai = en 41.  kai (en)
suzèteô = sun-zèteô suzètein  (zij samen zochten) een werkwoord met de samenstelling met sun- samen sunelaloun (spraken samen) werkwoord, in de imperfectumvorm (O.V.T.) elegon (zeiden) 
onderwerp van de infinitiefzin in de accusatief autous (zij)    pros allèlous (tot elkaar)  nadere bepaling bij het werkwoord (voorzetsel pros= tot + accusatief) pros allèlous (tot elkaar) 
  legontas (zeggende)  bijstelling bij het onderwerp; het leidt de directe vraagzin in. legontes (zeggende)    
  55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37    55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37    142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25  

55.5.2. De vraag

 

Mc 1,27.9. vragend en onbepaald voornaamw. nom. en acc. onz. enk. τι = ti (wat) van het τις = tis (wie, die, een) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord tis . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord tis .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
mann. + vr. nom. enk. tis   24    (1) Mc 2,7 .             2 : (1) Mc 8,4 . (2) Mc 8,34 .   3 : (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .                 824 467  357  24  24  72  50  40  156  15  120  170     
nom. onz. enk. ti  60  2 : (1) Mc 1,24 (2) Mc 1,27 6 : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .   6 : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,36 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,51 . 1132  617  415  62  60  66  57  60  102  188  245     

Mc 1,27.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de Septuaginta : eimi (zijn) . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192) .

eimi (zijn) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
estin  69  (1) : (4) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,28 (4) : (3) : (2) : (6) : 6 : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .   (0) (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .   (7) (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,40 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,47 .   (0) (11) : (3) : (7) : (4) : (1) : 2371  1558  813  114  69  96  147  66  296  25         

- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

Mc 1,27.9. - 10. τι εστιν = ti estin (wat is?) . LXX (40) . NT (20) . Mc (4) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 5,14 . (4) Mc 9,10 .

Mc 1,27.11. nom. en acc. onz. enk. τουτο = touto (dit) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Mc (15) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 1,38 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 5,43 . (5) Mc 6,14 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 11,3 . (9) Mc 11,24 . (10) Mc 12,24 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,5 . (13) Mc 14,22 . (14) Mc 14,24 . (15) Mc 14,36 .
- Ned. : deze , dat / dit . D. : der - die - das . E. : this - that . Fr. : ceci . Lat. : hic - haec - hoc .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. + acc. onz. enk. touto  1103  898  305  31  15  37  50 29            

9. - 11. τι εστιν τουτο = ti estin touto (wat is dit?) . Bijbel (3) . LXX (1) : Ex 16,15 . NT (2) : (1) Mc 1,27 . (2) Joh 16,17 .

12. nom. vr. enk. διδαχη = didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het NT : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in de LXX : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) . Bijbel = NT (13) . Mt (2) : (1) Mt 7,28 . (2) Mt 22,33 . Mc (4) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 12,38 . Lc (1) : Lc 4,32 . Joh (1) : Joh 7,16 . Hnd (2) : (1) Hnd 2,42 . (2) Hnd 13,12 . Verder : (1) 1 Kor 14,6 . (2) 2 Tim 4,2 . (3) 2 Joh 1,9 .

didachè (lering, onderrichting)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. didachè(i)  15    15 (2 + 13) 5 (1 + 4) 3 (1 + 2)  
gen. vr. enk.  didachès          
acc. vr. enk. didachèn               
totaal 29  28  12 

Mc 1,27.15. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het NT : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

Mc 1,27.16. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

Mc 1,27.17. tois . Bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud . Taalgebruik : bepaald lidwoord. Slechts in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,27 (2X) .

lidw. mv. bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
dat. m. + onz. mv. tois 2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17  208  244 

bep. lidw. tois dat mann. + onz. mv.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
47  2 5 4 3 2 6 2 2 1 4 3 2 2 3   6

Mc 1,27.19. tois . Bepaald lidwoord datief onzijdig meervoud . Taalgebruik : bepaald lidwoord. Slechts in twee verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,27 .

lidw. mv. bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
dat. m. + onz. mv. tois 2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17  208  244 

bep. lidw. tois dat mann. + onz. mv.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
47  2 5 4 3 2 6 2 2 1 4 3 2 2 3   6

Mc 1,27.21. act. ind. praes. 3de pers. enk. επιτασσει = epitassei (hij beveelt) van het werkw. επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in het NT : epitassô (opdragen, bevelen) . Taalgebruik in de LXX : epitassô (opdragen, bevelen) . Bijbel = NT (3) : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . (2) Lc 4,36 // Mc 1,27 . (3) Lc 8,25 . Een vorm van επιτασσω = epitassô in de LXX (38) , in het NT (10) , in Mc (4) : (1) Mc 1,27 // Lc 4,36 . (2) Mc 6,27 . (3) Mc 6,39 . (4) Mc 9,25 , in Lc (4) : (1) Lc 4,36 // Mc 1,27 . (2) Lc 8,25 . (3) Lc 8,31 . (4) Lc 14,22 . Verder : (1) Hnd 23,2 . (2) Film 1,8 . In de LXX kan een vorm van επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) de vertaling van 11 Hebreeuwse woorden zijn .
- act. piël part. mann. enk. מְצַוֶּה = mëtsawwâh (bevelende) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) . Taalgebruik in Tenakh : tsâwâh (opdragen) . Getalwaarde : tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal : 29 OF 101 (priemgetal) . Structuur : 9 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (14) : (1) Nu 32,25 . (2) Dt 4,2 (2X) . (3) Dt 11,13 . (4) Dt 11,22 . (5) Dt 11,27 . (6) Dt 11,28 . (7) Dt 12,11 . (8) Dt 13,1 . (9) Dt 27,1 . (10) Dt 27,4 . (11) Dt 28,14 . (12) Jr 34,22 . (13) Am 6,11 . (14) Am 9,9 . NBG en UBS : Mc 1,27 . Een vorm van צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ) in Tenakh (471) .

Mc 1,27.22. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

Mc 1,27.24. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .

Mc 1,28 - Mc 1,28 -- 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 4zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai exèlthen hè akoè autou euthus pantachou eis holèn tèn perichôron tès Galilaias   et processit rumor eius statim in omnem regionem Galilaeae  En terstond ging zijn roep overal uit door de hele omgeving van Galilea  Snel verspreidde zijn faam zich naar alle kanten over heel de streek van Galilea.  Als een lopend vuurtje ging zijn faam rond in heel Galilea.  Het nieuws over Jezus verspreidde zich algauw overal in Galilea.  En dit ongehoorde over hem verspreidt zich meteen overal heen, heel het ommeland van Galilea in.  28. Et sa renommée se répandit aussitôt partout, dans la région de Galilée.

Statenvertaling . 28 En Zijn gerucht ging terstond uit, in het gehele omliggende land van Galilea.
King James Bible . [28] And immediately his fame spread abroad throughout all the region round about Galilee.
Luther-Bibel . 28 Und die Kunde von ihm erscholl alsbald überall im ganzen galiläischen Land.

Tekstuitleg van Mc 1,28 . Na de reactie van het volk op het optreden van Jezus volgt dat Jezus meer bekend wordt doordat de mensen verder vertellen wat ze hebben meegemaakt . Soms vraagt Jezus om te zwijgen . Reeds na het eerste optreden van Jezus in de synagoge (Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23-28) is er sprake van de faam van Jezus : En het gerucht verspreidde zich over heel de omgeving van Galilea (Mc 1,28) . Dit vers bereidt reeds Mc 1,32 voor waarin verteld wordt dat na de sabbat alle zieken naar Jezus worden gebracht . Mensen hebben het dus doorverteld .
Mc 1,28 bestaat uit dertien woorden en achtentwintig lettergrepen . Volgorde van de zinsdelen : nevenschikkend voegwoord , werkwoord in de aoristvorm , onderwerp , bijwoord van tijd , bijwoord van plaats , plaatsbepaling .

Mc 1,28 kai exèlthen hè akoè autou euthus pantachou eis holèn tèn perichôron tès Galilaias  (en 'nieuws' over hem ging terstond overal uit naar de omstreek van Galilea) .
Mt 4,24 kai apèlthen hè akoè autou eis olèn tèn surian (en het 'nieuws' over hem ging weg naar heel Syrië) .
Mt 9,26 kai exèlthen hè fèmè autè eis holèn tèn gèn ekeinèn  (en deze faam ging uit naar heel dat land) .
Lc 4,14 kai fèmè exèlthen kath olès tès perichôrou peri autou  (en faam ging uit over heel de omstreek / om-geving rond hem) .
Lc 4,37 kai exeporeueto èchos peri autou eis panta topon tès perichôrou (en weerklank over hem trok uit naar elke plaats van de omstreek / om-geving) .

 

Mc 1,28 // Lc 4,37 Lc 4,37 // Mc 1,28 Mc 1,45 // Lc 5,15 Mt 9,31  Lc 5,15 // Mc 1,45  Lc 7,17   Lc 7,17 (b) Lc 4,14  Mt 4,24  Mt 28,11
kai (en) kai (en) ho de ekselthoon ijrksato ... (hij echter zich verwijderd hebbende van hem begon hij...)  hoi de ekselthontes (zij echter zich verwijderd hebbende van hem)   kai (en)    kai (en)  kai (en)  
eksijlthen (ging uit) ekseporeueto (ging uit) diafiujmizein (bekend maken) diefijmijsan (maakten bekend)   diijrcheto de mallon (verspreidde zich echter meer) eksijlthen (ging uit)    fijmij eksijlthen (faam ging uit) apijlthen (verspreidde zich)   
hij     auton (hem)   ho (het)  ho (het)     hij  
akoij (het gehoor - gerucht) ijchos (weerklank) ton logon (het gebeuren)   logos (woord)  logos houtos (dit woord - gebeuren)      akoij (het gehoor - gerucht)  
autou (over hem) peri autou (over hem)     peri autou (over hem)    peri autou (over hem)   autou (over hem)  
euthus (onmiddellijk)            kai (en)      
pantachou (overal)                  
eis (naar) eis (naar    en (in)    en (in)   kath' (over) eis (naar)  
holijn (geheel) panta topon (elke plaats)   holiji (geheel)    holiji (geheel)  pasiji (geheel)  holijs (geheel)  holijn (geheel)  
tijn perichooron (de omgeving) tijs perichoorou (van de omgeving)   tiji giji ekeiniji (dat land)    tiji Ioudaiai (Judea)  tiji perichoorooi (de omgeving)  tijs perichoorou (de omgeving)    tijn Surian (Syrië)  
tijs Galilaias (van Galilea)                  
               peri autou (over hem)    
 55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37  55. Uitdrijving van een demon : Mc 1,23-28 // Lc 4,33-37  63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16  72. Genezing van twee blinden : Mt 9,27-31 // (Mc 10,46-52 // (Mt 20,29-34) // (Lc 18,35-43)  63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 // (Mt 8,2-4) // Lc 5,12-16  110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17  110. De zoon van de weduwe van Naïn : Lc 7,11-17  21. Begin van Jezus'optreden in Galilea : Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15  24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 // Mt 4,23-25; 5,1-2 // Lc 4,31  

ekselthoon (letterlijk: uitgegaan zijnde) : er is geen sprake van een plaats waarbinnen hij is gegaan . Hij is dus niet uitgegaan ; hij heeft zich van Jezus verwijderd .
diafijmizoo : bekend maken (zie fijmij : woord, mededeling, roem, faam)

Mc 1,28.1. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und.
Mc (555) . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

Mc 1,28.2. ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Lc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Lc (41) . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,29 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   232  165  67  11  19  11  25  44     

Mc 1,28.3. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc (76) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .

Mc 1,28.4. nom. vr. enk. akoè (gerucht, gehoor) . Taalgebruik in het NT : akoè (gerucht, gehoor) . Taalgebruik in Mc : akoè (gerucht, gehoor) .
Mc (1) Mc 1,28 . Een vorm van akoè (gerucht, gehoor) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 7,35 . (3) Mc 13,7 .

Mc 1,28.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

Mc 1,28.6. ευθυς = euthus (tijd : onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats : rechtstreeks , direct , zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in de LXX : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) .

euthus / eutheôs bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
euthus  55  50  40        47  50 
eutheôs 47 11 36 13 1 6 3 9 3 1 20 23
totaal   102 16 86 18 41 8 6 9 3 1 67 73

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
40  11         

- Bij Mc in 40 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . (12) Mc 2,8 . (13) Mc 2,12 . (14) Mc 3,6 . (15) Mc 4,5 . (16) Mc 4,15 . (17) Mc 4,16 . (18) Mc 4,17 . (19) Mc 4,29 . (20) Mc 5,2 . (21) Mc 5,29 . (22) Mc 5,30 . (23) Mc 5,42 . (24) Mc 6,25 . (25) Mc 6,27 . (26) Mc 6,45 . (27) Mc 6,50 . (28) Mc 6,54 . (29) Mc 7,25 . (30) Mc 8,10 . (31) Mc 9,15 . (32) Mc 9,20 . (33) Mc 9,24 . (34) Mc 10,52 . (35) Mc 11,2 . (36) Mc 11,3 . (37) Mc 14,43 . (38) Mc 14,45 . (39) Mc 14,72 . (40) Mc 15,1 .
- Bij Mc in één vers eutheôs : Mc 7,35 .

euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

7. πανταχου = pantachou (overal) .

Mc 1,28.8. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,28.12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
In vijf verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,9 (tès Galilaias = van Galilea) . (2) Mc 1,16 (tès Galilaias = van Galilea) . (3) Mc 1,28 (tès Galilaias = van Galilea) . (4) Mc 1,29 (tès sunagôgès = van de synagoge) . (5) Mc 1,31 (tès cheiros = de hand) .