Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 -

Bij de bespreking van Mc 1,21 hebben we het geheel van Mc 1,14-39 bekeken . Ik raad je aan de tekst aldaar te lezen en zo een zicht op dit geheel te krijgen .

Een tekst heeft een bepaald ritme . Uit een zekere nieuwsgierigheid tellen we het aantal woorden en lettergrepen en laten de resultaten op ons afkomen . Aantal woorden . Mc 1,32 : 7 + 7 + 3 = 17 . Mc 1,33 : 9 . Mc 1,34 : 7 + 4 + 9 = 20 . Totaal : 17 + 9 + 20 = 46 . Aantal lettergrepen . Mc 1,32 : 17 + 14 + 8 = 39 . Mc 1,33 : 17. Mc 1,34 : 18 + 11 + 19 = 48 . Totaal : 39 + 17 + 48 = 106 .

Wat kan de versindeling van Mc 1,32-34 bepaald hebben ? Wellicht de verandering van personage . In Mc 1,32 zijn het de bewoners van Kafarnaüm , in Mc 1,33 de hele stad , in Mc 1,34 Jezus . In Mc 1,32 staat het partikel de (echter) , in Mc 1,33 en Mc 1,34 begint de zin met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Mc 1,34 bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen , die elk met het nevenschikkend voegwoord kai (en) beginnen , en in deze zinnen is het onderwerp telkens hij (Jezus) .

Vanuit de kontekst van Mc 1,32-34 moet heel wat nader bepaald worden in vers 32 . Zo wordt het onderwerp van eferon (zij droegen) verondersteld ; uit de context vullen we dan in dat het bewoners van Kafarnaüm zijn . Bij auton (hem) van de bepaling pros auton (naar hem) wordt verondersteld dat het Jezus is . Het lijdend voorwerp bestaat uit een dubbele groep : degenen die er slecht aan toe waren en de duivelbezetenen ; deze dubbele groep wordt voorafgegaan door pantas (alle) en slaat op beide groepen .

Voor het eerst in het Marcusevangelie worden zieken naar Jezus gebracht . Het is begrijpelijk dat het niet gebeurt op sabbat . Tot nu toe heeft het optreden van Jezus zich beperkt tot de sabbat . Maar de sabbat heeft niet de verhoopte genezing en bevrijding gebracht . Daarom gingen de mensen met hun zieken en bezetenen naar Jezus die hen genas en de duivels uitdreef .

Deze pericope ligt dus in het verlengde van Mc 1,23-28 en Mc 1,29-31 . Mc 1,32-34 is een summarium (samenvatting) . De korte pericope bestaat uit drie delen :
Mc 1,32 : het aanbrengen van de dubbelvoudige soort zieken ;
Mc 1,33 : het samenstromen van de stad bij de deur ;
Mc 1,34 : de dubbele genezingsactiviteit van Jezus .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
 

Mc 1,32 - Mc 1,32 - 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
opsias de genomenès, hote edusen ho hèlios, eferon pros auton pantas tous kakôs echontas kai tous daimonizomenous vespere autem facto cum occidisset sol adferebant ad eum omnes male habentes et daemonia habentes  Toen het nu avond werd en de zon onderging, brachten allen tot hem die er slecht aan toe waren, en de bezetenen;   32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren. ’s Avonds, toen de zon* was ondergegaan, brachten ze allen bij Hem die ziek waren en die van demonen te lijden hadden.   ’s Avonds laat, toen de zon al was ondergegaan, brachten de mensen alle zieken en bezetenen naar hem toe;   Als het later wordt, wanneer de zon zakt, brengen ze tot hem allen die er kwalijk aan toe zijn en die door demonen bezeten zijn;  32. Le soir venu, quand fut couché le soleil, on lui apportait tous les malades et les démoniaques,

King James Bible . And at even, when the sun did set, they brought unto him all that were diseased, and them that were possessed with devils.
Luther-Bibel . 32 Am Abend aber, als die Sonne untergegangen war, brachten sie zu ihm alle Kranken und Besessenen.

>
  Mc 1,32 Mt 8,16 Lc 4,40
  opsias de genomenès, hote edusen ho hèlios, eferon pros auton pantas tous kakôs echontas kai tous daimonizomenous opsias de genomenès prosènegkan autô daimonizomenous pollous kai exebalen ta pneumata logô kai pantas tous kakôs echontas etherapeusen   dunontos de tou èliou apantes osoi eichon asthenountas nosois poikilais ègagon autous pros auton o de eni ekastô autôn tas cheiras epititheis etherapeuen autous 

Mc 1,32 opsias de genomenès, hote edusen ho hèlios,   eferon pros auton pantas tous kakôs echontas kai tous daimonizomenous  
Mt 8,16 opsias de genomenès       prosènegkan autô daimonizomenous pollous kai exebalen ta pneumata logô kai pantas tous kakôs echontas etherapeusen
Lc 4,40   dunontos de tou èliou apantes osoi eichon asthenountas nosois poikilais   ègagon autous pros auton   o de eni ekastô autôn tas cheiras epititheis etherapeuen autous

Tekstanalyse van Mc 1,32 . Dit vers Mc 1,32 telt 17 woorden en 87 letters . De getalwaarde van Mc 1,32 is 10491 (3 X 13 X 269) . Losse genitief van tijd , bijzin van tijd , hoofdzin (hoofdwerkwoord , voorzetsel pros /naar + accusatief , lijdend voorwerp) .

Mc 1,32.1. gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zelfst. naamw. οψια = opsia (avond) . Taalgebruik in het NT : opsia (avond) . Taalgebruik in de LXX : opsia (avond) . Taalgebruik in Mc : opsia (avond) . Bijbel = NT (14) . Mt (7) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 16,2 . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 . (7) Mt 27,57 . Mc (6) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . Joh (1) : Joh 20,19 . Synoptici : 1) Mt 8,16 // Mc 1,32 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,47 . (3) Mt 26,20 // Mc 14,17 . (4) Mt 27,57 // Mc 15,42 . Synoptici : (1) Mc 1,32 // Mt 8,16 . (2) Mc 6,47 // Mt 14,23 . (3) Mc 14,17 // Mt 26,20 . (4) Mc 15,42 // Mt 27,57 . In Lucas komt geen vorm van het woord οψια = opsia (avond) voor . Bij Marcus komt het in 6 verhalen voor : (1) de avond na de sabbat in Kafarnaüm (Mc 1,32) . (2) bij de storm (Mc 4,35) . (3) bij het wandelen op het meer (Mc 6,47) . (4) de avond na de intrede in Jerusalem (Mc 11,11) . (5) het laatste avondmaal (Mc 14,17) . (6) de begrafenis van Jezus (Mc 15,42) .

opsia (avond)   bijbel OT NT Mt Mc Joh syn.  ev. 
nom. + dat. mann. enk. opsia(i) (avond)  1 : Jdt 13,1     1 : Joh 6,16 .  
gen. mann. enk. opsias ('s avonds)  14    14  7 : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 16,2 . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 . (7) Mt 27,57 . 6 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . 1 : Joh 20,19 . 13 : (1) Mt 8,16 // Mc 1,32 . (2) Mt 14,23 // Mc 6,47 . (3) Mt 26,20 // Mc 14,17 . (4) Mt 27,57 // Mc 15,42   14 
acc. mann. enk. opsian              
totaal 16  15  13  15 
opsias... genomenès       7   5 :  (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 15,42 . Niet in (4) Mc 11,11 .      

- ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Taalgebruik in de LXX : hespera (avond) . Een vorm van ἑσπερα = hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3) .
- Hebreeuws . עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond) . Getalwaarde : ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17) . Structuur : 7 - 2 - 2 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (48) . Pentateuch (20) . Eerdere Profeten (2) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (18) . Gn (10) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 . (7) Gn 8,11 . (8) Gn 24,11 . (9) Gn 24,63 . (10) Gn 44,32 .
- Ned. : avond . Arabisch : مَسَاء = masâ´ (avond) . Taalgebruik in de Qoran : masâ´ (avond) . Aramees : רְמַשׁ / רַמְשָׁא = rëmasj / ramësjâ' . D. : Abend . E. evening . Fr. : le soir . Gr. : οψια = opsia (avond) . Taalgebruik in het NT : opsia (avond) EN : ἑσπερα = hespera (avond) . Taalgebruik in het NT : hespera (avond) . Hebr. : עֶרֶב = `èrèbh (avond) . Taalgebruik in Tenakh : `èrèbh (avond . Italiaans : alla sera . Lat. : vesper (gen. : vesperi) . Spaans : la tarde . Syrisch : ramcho .
- Ned. : traag . Lat. : tardus (langzaam, traag) . Fr. : tard . Il se fait tard (het wordt laat) .
- Ned. : laat . comparatief : later . Lat. : lassus (moe, traag) , zie het werkw. lassare (vermoeien) .
- Lat. : bijvoegl. naamw. serus (laat) . Fr. : le soir (de avond) .
- Door het neerdalen en het ondergaan van de zon wordt het avond . Het is hét symbool van overgang . Na het ondergaan van de zon wordt het duister . Dan begint de nacht . Hiermee begint bij de Joden het volgende etmaal . De laatste zonsondergang heeft plaats op het einde van de zesde dag . De avond van Mc 14,17 is misschien het einde van de vijfde dag of het begin van de zesde dag .
- De avond wijst vooruit naar het laatste avondmaal en de begrafenis van Jezus . Maar het herinnert tegelijkertijd aan belangrijke joodse gebeurtenissen en gebruiken : de avond van het eten van ongedesemd brood en van de tocht door de rietzee . De avond bundelt de overgang van de slavernij naar de vrijheid , naar de onderlinge solidariteit , naar de overgang van leven naar dood .
Pas na zonsondergang (οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès , hote edusen ho hèlios : toen het echter avond was geworden , toen was ondergegaan de zon) of korter en krachtiger ('s avonds , na zonsondergang) kwamen de bewoners van Kafarnaüm met hun zieken en duivelbezetenen naar Jezus . Het is alsof ze gewacht hebben tot zonsondergang om tot deze actie over te gaan . Het suggereert dat het een ongeoorloofde activiteit tijdens de sabbat zou geweest zijn en dat wie het zou gedaan hebben , de voorschriften van de sabbat zou hebben overtreden . Tijdens de sabbat waren er mensen ziek en bezeten . Pas op de eerste dag van de week kunnen ze genezen en bevrijd worden door Jezus .

Mc 1,32.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 1,32.1. - 2. οψιας δε = opsias de ('s avonds echter) . Bijbel = NT (7) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 20,8 . (5) Mt 26,20 . (6) Mt 27,57 . (7) Mc 1,32 . Parallelteksten : Mc 1,32 .// Mt 8,16 .
- και οψιας = kai opsias (en 's avonds) . Bijbel = NT : (1) Mc 6,47 . (2) Mc 14,17 . Parallelteksten : Mc 6,47 // Mt 14,23 . Mc 14,17 // Mt 26,20 .
- Hebr. : וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond) . Tenakh (1) : Ps 65,9 .

Mc 1,32.3. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γιγνομαι = gignomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in de LXX : gignomai (worden) . Taalgebruik in het NT : gignomai (worden) . Taalgebruik in Mc : gignomai (worden) . Mt (9) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 13,21 . (3) Mt 14,15 . (4) Mt 14,23 . (5) Mt 16,2 . (6) Mt 20,8 . (7) Mt 27,1 . (8) Mt 26,20 . (9) Mt 27,57 . Mc (9) . (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,17 . (3) Mc 4,35 . (4) Mc 6,21 . (5) Mc 6,35 . (6) Mc 6,47 . (7) Mc 14,17 . (8) Mc 15,33 . (9) Mc 15,42 . Lc (2) : (1) Lc 4,42 . (2) Lc 6,48 . Joh (1) : Joh 21,4 . Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667) .
- Bayens , 130 , p.97 . Onregelmatige werkw. . Het praes. kreeg reduplicatie gn-/ gen -> gi-gnomai . Aor. egenomèn .

  ginomai (worden, gebeuren)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
  part. aor. gen. vr. enk. genomenès  41  33  11    20  21 

- Hebreeuws . prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) . In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren) .

Mc 1,32.1. - 3. οψιας γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden) . NT (12) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 16,2 . (5) Mt 20,8 . (6) Mt 26,20 . (7) Mt 27,57 . (8) Mc 1,32 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 6,47 . (11) Mc 14,17 . (12) Mc 15,42 .
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden) . NT (7) : (1) Mt 8,16 . (2) Mt 14,15 . (3) Mt 14,23 . (4) Mt 20,8 . (5) Mt 26,20 . (6) Mt 27,57 . (7) Mc 1,32 .
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden) . NT (2) : (1) Mc 6,47 . (2) Mc 14,17 .
- και ... οψιας γενομενης = kai ... opsias genomenès (en ... nadat het avond was geworden) . NT (2) : (1) Mc 4,35 . (2) Mc 15,42 .
- Hebr. : וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond) . Tenakh (6) : (1) Gn 1,5 . (2) Gn 1,8 . (3) Gn 1,13 . (4) Gn 1,19 . (5) Gn 1,23 . (6) Gn 1,31 .

      1.   3. 6..    
Mc 1,21 Mc 6,2 Mc 16,2 Mc 1,32 Mc 6,35 Mc 6,47 Mc 15,42 Mc 1,35 Mc 16,2
  kai genomenou (en) kai diagenomenou (en) opsias ('s avonds) kai èdè hôras pollès (en al laat) kai opsias (en 's avonds) kai èdè opsias (en al 's avonds) kai prôi ennucha lian (en vroeg, diep in de na cht) kai lian prôi (en zeer vroeg)
tois sabbasin (op sabbatdagen) sabbatou (op sabbat) tou sabbatou (na de sabbat) de genomenès (echter), genomenès genomenès genomenès   en tèi miai tôn sabbatôn (op de eerste van de weken)
      hote edusen ho hèlios (na zonsondergang)         anateilantos tou hèliou (na zonsopgang)
24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31 .   145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 .   151. Eerste broodvermenigvuldiging : Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a   152. Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33  349. Begrafenis van Jezus - Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm : Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis : Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 

Tijdens de sabbat waren er mensen ziek en bezeten . Pas op de eerste dag van de week kunnen ze genezen en bevrijd worden door Jezus .
Mc 16,1 vertoont gelijkenis met Mc 1,32 vermits het in beide gevallen gaat om het einde van de sabbat . In Mc 16,1 gaan vrouwen welruikende oliën kopen om het lichaam van Jezus te balsemen . Ze willen hem behouden voor bederf en de gevolgen ervan . In Mc 1,32-34 worden zieken aangebracht om genezen te worden .

Mc 1,32.4. ὁτε = hote (toen) . Taalgebruik in het NT : hote (toen) . Taalgebruik in de LXX : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .  

hote (toen)  Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 11 Mc 14 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
hote  (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .    (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .         220  118  102  12  12  12  21  10  22  13  36  47  20 

- Ned. : wanneer . D. : wenn . E. : when . Fr. : quand . Gr. : ὁτε = hote (toen) . Taalgebruik in het NT : hote (toen) . Lat. : quando .

Mc 1,32.5. act. ind. aor. 3de pers. mann. enk. εδυ / εδυσεν = edu (hij ging onder) van het werkw. δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in het NT : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . Taalgebruik in de LXX : dunô = duô (onderdompelen, ondergaan) . Bijbel (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . Een vorm van het werkw. δυνω / δυω = dunô / duô (onderdompelen, ondergaan) in de LXX (26) , in het NT (2) : (1) Mc 1,32 . (2) Lc 4,40 .
- Van der Vorst , nr. 177-178 , p.88-89 . Een athematische aorist .

hote edusen ho hèlios : nadat de zonneschijn was gedoofd (hetzelfde aantal lettergrepen als de Griekse tekst) = toen de zon was ondergegaan = na zonsondergang .

Mc 1,32.6. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 1,32.7. ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . (h)èlios (zon) . Taalgebruik in de LXX : hèlios (zon) . Mc (3) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 .

  hèlios (zon)  Mt Mc Lc syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. mann. enk. hèlios  3 : (1) Mt 13,43 . (2) Mt 17,2 . (3) Mt 24,29 . 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 .   6 : (1) Mt 24,29 // Mc 13,24 // Lc 21,25 . (2) Mc 1,32 // Lc 4,40 . 73  60  13     
2 gen. mann. enk. hèliou   1 : Mt 13,6 . 1 : Mc 16,2 . 4 : (1) Lc 1,17 (Elia) . (2) Lc 4,25 (Elia) . (3) Lc 4,40 . (4) Lc 23,45 . 6 : (1) Mt 13,6 // Mc 4,6 . 157  143  14     
3 dat. mann. enk. hèliô(i)      1 : Lc 21,25 . 10               
4 acc. mann. enk. hèlion  1 : Mt 5,45 .     50  46             
  totaal 14  290  257  33    12  14  14 

- Hebr. שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 . De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (50) . Pentateuch (3) . Eerdere Profeten (231) . Latere Profeten (6) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (14) .
- Ned : zon . Arabisch : sams (zon) . Taalgebruik in de Qoran : sams (zon) . D. : Sonne . E. : sun . Fr. : soleil . Grieks : ἡλιος = hèlios (zon) . Taalgebruik in het NT : hèlios (zon) . Hebr. : שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Latijn : sol .
Een vorm van ἡλιος = hèlios (zon) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 . (4) Mc 16,2 .
(1) Mc 1,32 : hote edusen ho hèlios (toen de zon was ondergegaan) . Na zonsondergang na de eerste sabbatdag van Jezus'optreden .
(2) Mc 4,6 : kai hote aneteilen ho hèlios : en toen de zon was opgegaan = na zonsopgang . Deze zin komt voor in de parabel van de zaaier .
(3) Mc 13,24 : ho hèlios skotisthèsetai (de zon zal verduisterd worden) .
(4) Mc 16,2 : anateilantos tou hèliou (nadat de zon was opgegaan) .

Mc 1,32.6. - 7. ὁ ἡλιος = ho hèlios (de zon) . LXX (53) . NT (14) . Syn. () : (1) Mt 13,43 . (2) Mt 17,2 . (3) Mt 24,29 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 13,24 . (6) Lc 23,45 .
- Hebr. הַשֶּׁמֶשׁ= hasjsjèmèsj (de zon) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. שֶׁמֶשׁ = sjèmèsj (de zon) . Taalgebruik in Tenakh : sjèmèsj (zon) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 ; mem = 13 of 40 ; totaal : 55 (5 X 11) OF 640 (2² X 2³ X 2³ X 5²) . Structuur : 3 - 4 - 3 .De som van de elementen is telkens 1 . Tenakh (86) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (22) . Latere Profeten (3) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (37) .

Mc 1,32.8. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εφερον = eferon (zij droegen) van het werkw. φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in de LXX : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô (voeren, dragen) . Een vorm van φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) in de LXX (290) , in het NT (68) .

  ferô (voeren, dragen) .   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. eferon  17  13           

  ferô (voeren, dragen) .   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 12 Mc 15
act. ind. praes. 3de pers. mv. ferousin         (1) Mc 7,32 (2) Mc 8,22   (3) Mc 11,7 .   (4) Mc 15,22 .
act. part. praes. nom. mann. mv. ferontes     (1) Mc 2,3 .                
act. ind. imperf. 3de pers. enk. eferen      (1) Mc 4,8 .              
act. ind. imperf. 3de pers. mv. eferon  (1) Mc 1,32                  
act. ind. praes. 2de pers. mv. ferete               (1) Mc 9,19 . (2) Mc 11,2 . (3) Mc 12,15 .  
act. ind. aor. 3de pers. enk. ènegken        (1) Mc 6,28 .            
act. ind. aor. 1ste pers. enk. ènegka              (1) Mc 9,17 .      
act. ind. aor. 3de pers. mv. ènegkan              (1) Mc 9,20 .     (2) Mc 12,16 .  
act. inf. aor. enegkai        (1) Mc 6,27              
  totaal 15 

Mc 1,32.9. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 1,32 . (4) Mc 1,33 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 1,45 . Hier wordt het voor de 3de gebruikt .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

Mc 1,32.10. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. autos   15              654  490  164  12  15  45  18  17  49  72  90 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,32.9. - 10. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . LXX (369) . NT (105) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (52) . Mc 1 (2) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,32 .

Mc 1,32.15. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .


- Mc 1,33 - Mc 1,33 -- 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai èn holè hè polis episunègmenè pros tèn thuran et erat omnis civitas congregata ad ianuam  en de hele stad was verzameld bij de deur.  Heel de stad stroomde voor de deur samen.   Heel de stad was samengestroomd voor de deur.  alle inwoners van de stad hadden zich bij de deur van het huis verzameld.  heel de stad stroomt samen
bij de deur. 
Mc 1:33- et la ville entière était rassemblée devant la porte.

King James Bible . [33] And all the city was gathered together at the door.
Luther-Bibel . 33 Und die ganze Stadt war versammelt vor der Tür.

>
       
       

Tekstuitleg van Mc 1,33 . Dit vers Mc 1,33 telt 9 (3 X 3) woorden, 17 lettergrepen en 38 (2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,33 is 2822 (2 X 17 X 83) . De hele stad stroomt samen .

Mc 1,33.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .
- Er is verandering van personage .

Mc 1,33.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 .

Mc 1,33.3. nom. vr. enk. ὁλη = holè (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel) . Taalgebruik in het ΝΤ : holos (heel) . Taalgebruik in de LXX : holos (heel) . Taalgebruik in Mc : holos (heel) . Een vorm van ὁλος = holos (heel) in Mc 1 (3) : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 1,33 . (3) Mc 1,39 .  

  holos (heel)  Mc Mc 1 Mc 6 Mc 8 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. holè(i)   1 : Mc 1,33 .             66  48  18   
nom. + acc. onz.  + acc. mann. enk. holon     (1) Mc 8,36 .   (1) Mc 12,44 .   2 : (1) Mc 14,9 . (2) Mc 14,54 .   (1) Mc 15,1 .   53  20  33    19  21 
gen. vr. enk. holès         2 : (1) Mc 12,20 . (2) Mc 12,33 .     42  29  13       
acc. vr. enk. holèn   2 : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 1,39 .   (1) Mc 6,55 .         2 : (1) Mc 15,16 . (2) Mc 15,33 .   105  85  20    12  12   
  totaal 13  305  207  98  20  13  14  21  21  47  51     

Mc 1,33.4. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .

Mc 1,33.5. nom. vr. enk. polis (stad) . Taalgebruik in het NT : polis (stad) . Taalgebruik in Mc : polis (stad) .
In Mc slechts in Mc 1,33 . Een vorm van polis (stad) in Mc in 8 verzen : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 1,45 .  (3) Mc 5,14 . (4) Mc 6,33 . (5) Mc 6,56 . (6) Mc 11,19 . (7) Mc 14,13 . (8) Mc 14,16 .

Mc 1,33.3. - 5. holè hè polis (de hele stad) : (1) Mc 1,33 . Tot nu toe had Jezus de synagoge bezocht en was hij in het huis van de schoonmoeder van Simon . Nu stroomt de hele stad samen bij de deur van het huis van Simon . De kring verbreedt zich .

6. pass. part. perf. nom. vr. enk. episunègmenè (verzamelde) van het werkw. episunagô : bijeenbrengen .

7. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 1,32 . (4) Mc 1,33 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 1,45 . Hier wordt het voor de 3de gebruikt .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

8. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 1,33.9. acc. vr. enk. θυραν = thuran van het zelfst. naamw. θυρα = thura (deur) . Taalgebruik in het NT : thura (deur) . Taalgebruik in de LXX : thura (deur) .

  thura ( deur )  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 11 Mc 13 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
2 gen. vr. enk. + acc. vr. mv. thuras            (1) Mc 16,3 .   98  90       
3 acc. vr. enk. thuran   (1) Mc 1,33 (2) Mc 2,2 (3) Mc 11,4 .     (4) Mc 15,46   72  60  12    6    
6 dat. vr. mv. thurais        (1) Mc 13,29 .       11               
  totaal 241  204  37  10  13  20 


- Lat. ianua (de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan , zie de maand januari) . Fr. porte < Lat. pota cfr. fores ( buiten ) . Mc (4) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 15,46 . (1) Mc 1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld bij de deur) . (2) Mc 2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3) Mc 11,4 (gebonden bij de deur) . (4) Mc 15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou (hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken) . Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd . Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .

Mc 1,33.7. - 9. προς την θυραν = pros tèn thuran (bij de deur) . NT : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Hnd 3,2 .

Er zijn plotseling verbanden die voorheen niet werden gezien . Om water te putten moet Jakob de steen wegrollen . Om water te putten , moet hij een 'emmer' naar beneden laten om water te putten . In Mt 28,2 is de gelijkenis met Gn 29,10 overduidelijk . Als we de twee verhalen naast elkaar leggen , dan zou het kunnen dat de deur van het gedenkteken niet aan de zijkant , maar bovenaan is en dat de steen boven het graf wordt bij- en weggerold . Dan gaat men ook niet langszij het graf binnen , maar van boven via b.v. trapjes naar beneden . In het verhaal van de lamme laten vier mannen de draagberrie met de man naar beneden zakken voor de voeten van Jezus . Het roept het beeld op van een begrafenis , waarbij vier mannen de doodskist in de kuil van de aarde (uitgegraven) neerlaten . In het verhaal van de schoonmoeder van Petrus lag de schoonmoeder met koorts te bed . Het geeft een beeld van een dode die ligt . Jezus wekt haar op . Het huis waarin eerst ziekte en dood was , wordt een huis van leven . De mensen brengen al hun zieken naar het huis van de levende . Het is zoals het lied verwoordt : Midden in de dood zijn wij in het leven .

 


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

Mc 1,34 - Mc 1,34 -- 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai etherapeusen pollous kakôs echtontas poikilais vosois kai daimonia polla exebalen kai ouk èfien lalein ta daimonia, hoti èideisan auton  multos qui vexabantur variis languoribus et daemonia multa eiciebat et non sinebat loqui ea quoniam sciebant eum  En hij genas velen die er slecht aan toe waren door allerlei ziekten (getroffen), en veel demonen wierp hij uit.   Velen die aan allerhande ziekten leden genas Hij en Hij dreef tal van geesten uit, maar Hij liet niet toe dat de boze geesten spraken, omdat zij Hem kenden. Hij genas vele zieken van allerlei kwalen, en Hij dreef veel demonen uit; Hij stond de demonen niet toe te spreken, omdat ze wisten wie Hij was.  Hij genas vele zieken van allerlei kwalen en hij dreef veel demonen uit, maar stond ze niet toe om iets te zeggen, want ze wisten wie hij was.  Hij geneest vélen die er kwalijk aan toe zijn door allerlei ziektes, en werpt vele demonen uit, en laat niet toe dat de demonen uitspreken dat zij van hem weten  Mc 1:34- Et il guérit beaucoup de malades atteints de divers maux, et il chassa beaucoup de démons. Et il ne laissait pas parler les démons, parce qu'ils savaient qui il était.  

King James Bible . [34] And he healed many that were sick of divers diseases, and cast out many devils; and suffered not the devils to speak, because they knew him.
Luther-Bibel . 34 Und er half vielen Kranken, die mit mancherlei Gebrechen beladen waren, und trieb viele böse Geister aus und ließ die Geister nicht reden; denn sie kannten ihn.

>
       
       

Tekstuitleg van Mc 1,34 . Dit vers Mc 1,34 telt 20 woorden . Het vers bestaat uit 4 nevenschikkende zinnen . Drie ervan beginnen met kai (en) , één met het redegevend voegwoord hoti (omdat) . In dit vers wordt de dubbele daadactiviteit van Jezus gegeven : zieken genezen en duivels uitwerpen .

1. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

Mc 1,34a : de daadactiviteit van Jezus

Waardoor kan de volgorde van de beide groepen bepaald zijn? De groep zieken sluit aan bij het verhaal van de genezing van de schoonmoeder van Petrus ( Mc 1,29-31) en de groep duivelbezetenen sluit dan aan bij het verhaal van de uitdrijving van de onreine geest (Mc 1,23-28). Zo krijgen we dan een abb'a' structuur (een chiastische of kruisvormige). De vermelding van de duivelbezetenen als tweede groep zou kunnen te maken hebben met de verdere uitwerking van deze groep bij de daadactiviteit van Jezus in Mc 1,34.
In Mc 1,23-28 was er wel sprake van een onreine geest, die uitgedreven werd, maar hier is voor het eerst sprake van een duivelbezetene. In Mc 1,12-13 maakte Jezus kennis met de satan, toen hij door hem op de proef werd gesteld tijdens zijn verblijf van veertig dagen in de woestijn. Samengevat komt de tegenstander van Jezus onder verschillende benamingen voor : pneuma akatharton (een onreine geest), ho satanas (de satan), daimonizomenos (een duivelbezetene) waarin het woordje daimonion (duivel) zit.

In  Mc 1,34 beschrijft Marcus de tweevoudige daadactiviteit van Jezus: zieken genezen en duivels uitdrijven. Marcus geeft dat weer in een chiastische (kruisvormige) zinstructuur: een werkwoord vooraan en een werkwoord achteraan en tussenin de lijdende voorwerpen. Het woordje 'veel' (pollous in het eerste deel, polla in het tweede deel) staat het dichtst bij het werkwoord. Bij velen van al degenen die aangebracht worden, is de daadactiviteit van Jezus effectief. In Mc 1,34 zijn de woordjes pollous (vele) en polla (vele) opmerkelijk, vergeleken met het pantas (allen) van Mc 1,32.
De termen om de daadactiviteit van Jezus aan te duiden, zoals therapeuô (genezen) en daimonia ekballô (duivels uitdrijven) komen we hier voor het eerst in het Marcusevangelie tegen, alhoewel in Mc 1,23-28 een onreine geest werd uitgedreven en in Mc 1,29-31 de schoonmoeder van Petrus werd 'genezen'.
Is de toevoeging poikiliois vosois (door allerlei ziekten) reeds een onrechtstreekse Taalgebruik naar de Jesajatekst Jes 53,4.11 die door Matteüs in Mt 8,17 uitdrukkelijk wordt geciteerd? Volgens Matteüs is de daadactiviteit de vervulling van wat de profeten reeds hadden aangekondigd.

Mc 1,32 - Lc 4,40-41 Mc 1,32 Mc 1,34     Mc 1,34 Mt 8,16         Mt 8,17
eferon (zij droegen)           prosènegkan (zij brachten)          
pros auton (bij hem)           autooi (hem)          
    kai (en)     kai (en)   kai (en) kai (en)      
    etherapeusen (hij genas) 1. 3. daimonia (duivels)   exebalen (hij wierp buiten)   1    
pantas (allen)   pollous (velen) 2. 2. polla (vele)     pantas (allen) 2    
tous kakôs echontas (die er slecht aan toe waren) kai daimonidzomenous (en duivelbezetenen) kakoos echontas (die er slecht aan toe waren) 3. 1. exebalen (wierp hij buiten) daimonidzomenous pollous (vele duivelbezetenen) ta pneumata logooi (de geesten met het woord) tous kakôs echontas (die er slecht aan toe waren) 3  
    poikilais nosois (door allerlei ziekten)           etherapeusen (genas)   1 autos tas astheneias hijmôn elaben kai tas nosous ebastasen (hij zelf heeft onze zwakheden opgenomen en de ziekten gedrzagen
 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41- Mc 1,32-34 - - Mt 8,16-17 - - Lc 4,40-41 -  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41     59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41  59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41 59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41     59. Genezingen en exorcismen : Mc 1,32-34 // Mt 8,16-17 // Lc 4,40-41

poikilos : bont, gevarieerd, verschillend
nosos : ziekte
astheneia : krachteloosheid, zwakte
bastadzoo : dragen (van leed)
malakia : zwakheid, ziekelijkheid

3. acc. mann. mv. πολλους = pollous (velen) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) . Mc (6) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,10 . (3) Mc 6,13 . (4) Mc 9,26 . (5) Mc 12,5 . (6) Mc 13,6 .

  polus (veel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
15  acc. mann. mv. pollous  68  45  23      15       

N. : veel . D. : viel . E. many . Fr. : nombreux (tal-rijk) . Lat. : multus . Gr. : πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Hebr. : רַב = rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) .

6. ποικιλος = poikilos (gevarieerd, verschillend) . Taalgebruik in het NT : poikilos (gevarieerd, verschillend) . Taalgebruik in de LXX : poikilos (gevarieerd, verschillend) .

7. dat. vr. mv. νοσοις = nosois (ziekten) van het zelfst. naamw. νοσος = nosos (ziekte, kwaal) .

8. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

9. nom + acc. onz. mv. daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. daimonion (demon) . Taalgebruik in het NT : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Een vorm van daimonion (demon) in Mc  (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X). (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .  

11. act. ind. aor. 3de pers. enk. exebalen (hij wierp uit) van het werkw. ekballô (uitwerpen, uitgooien) . Taalgebruik in het NT : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,39 . (4) Mc 1,43 .

9. 11. Een vorm van daimonion (demon) (9 / 13) met een vorm van ekballô (uitwerpen) in (9 / 18) verzen : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 16,9 . (9) Mc 16,17 . Met ekerchomai (uitgaan) in 2 : (1) Mc 7,29 . (2) Mc 7,30 . Andere context : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,22 .

12. kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

14. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηφιει = èfiei (hij liet toe) van het werkw. af-ièmi .

16. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) van het bepaald lidwoord ho - hè - to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,18 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 1,34 . (4) Mc 1,39 .

17. nom. + acc. onz. mv. daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. daimonion (demon) . Taalgebruik in het NT : daimonion (demon) . Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Mc (8) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . Een vorm van daimonion (demon) in Mc  (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .

18. hoti (dat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .

19. act. plusquamperf. 3de pers. mv. è(j)deisan (zij kenden) . Zie :


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm .
- Mc 1,35-38 -
- Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 -

Dit verhaal behoort nog tot de vierentwintiguren van het optreden van Jezus . Hiervoor moet ik verwijzen naar Mc 1,21 waar de verhalencyclus van Mc 1,21-38 werd besproken en waar de samenhang van de verschillende pericopen via tijds- en plaatsbepalingen duidelijk wordt .

1. Jezus 2. Simon en de zijnen     3. Jezus
Mc 1,35 Mc 1,36 Mc 1,37 Mc 1,37 Mc 1,38
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
exèlthen kai apèlthen (hij ging het huis en de stad uit) katediôxen (liep achterna) heuron (zij vonden) legousin (zij zeiden) legei (hij zei)
eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) auton (hem) auton (hem) autôi (hem) autois (hen)
  Simôn kai hoi met'autou (Simon en degenen met hem)      

Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

Mc 1,35 - Mc 1,35 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai prôï ennucha lian anastas exèlthen kai apèlthen eis erèmon topon kakei prosèucheto et diluculo valde surgens egressus abiit in desertum locum ibique orabat En vroeg, diep in de nacht, stond hij op (en) ging buiten en ging heen naar een woeste plaats en daar bad hij.   Vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats, waar Hij bleef bidden.   En in alle vroegte, het was nog nacht, stond Hij op, ging naar buiten naar een eenzame plaats en bleef daar bidden*.  Vroeg in de ochtend, toen het nog helemaal donker was, stond hij op, ging naar buiten en liep naar een eenzame plek om daar te bidden.  Heel vroeg, als het nog nacht is staat hij op, gaat de stad uit en gaat naar een plek in de woestijn; daar bad hij altijd.  Mc 1:35- Le matin, bien avant le jour, il se leva, sortit et s'en alla dans un lieu désert, et là il priait.

King James Bible . [35] And in the morning, rising up a great while before day, he went out, and departed into a solitary place, and there prayed.
Luther-Bibel . 35 Und am Morgen, noch vor Tage, stand er auf und ging hinaus. Und er ging an eine einsame Stätte und betete dort.

>
       
       

Tekstanalyse van Mc 1,35 . Het vers Mc 1,35 telt 13 woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 1,35 is 6368 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 199) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

2. prôi ('s morgens) . Taalgebruik in het NT : prôï (vroeg) . Taalgebruik in Mc : prôï (vroeg) .
Mc (6) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 11,20 . (3) Mc 13,35 . (4) Mc 15,1 . (5) Mc 16,2 . (6) Mc 16,9 . De eerste maal is het in Mc 1,35 , de 5de maal in Mc 16,2 . In drie gevallen staat het nogal vooraan in de zin en de pericope . Mc 1,35 : kai prôï ennucha lian (en zeer vroeg , (nog) 's nachts) anastas (opgestaan) . De sabbatdag is voorbij (Mc 1,21-34) . Mc 16,2 : kai lian prôï (en zeer vroeg) tèi mia(i) tôn sabbatôn (op de eerste dag van het wekenfeest / de week). Mc 16,9 : anastas de prôi prôtèi sabbatou (vroeg opgestaan echter) op de eerste dag van de week .

1. - 2. kai prôi (en 's morgens) . Mc (2) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 11,20 .

3. ennucha (in de nacht = des nachts = 's nachts) . Een hapaxlegomenon (slechts éénmaal gebruikt) in de bijbel : Mc 1,35 .

4. lian (zeer) , zie Mc 1,35 .
Zowel in Mc 1,35 als in Mc 16,2 staat lian (zeer) in de omgeving van de tijdsbepaling (enkel in deze twee van de vier malen wordt het bij een tijdsbepaling gebruikt) . Lian (zeer) wordt in zesentwintig verzen in de bijbel gebruikt . In veertien verzen in het O.T. . In twaalf verzen in het NT . Het is vaak de vertaling van het Hebreeuwse me´od (dat in 274 verzen in de Tenach voorkomt en meestal door het Griekse sfodra vertaald wordt ) . In vier verzen bij Matteüs : (1) Mt 2,16 (een zin die zeer sterke gelijkenis vertoont met Lc 23,8 ) . (2) Mt 4,8 . (3) Mt 8,28 . (4) Mt 27,14 . In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 6,51 . (3) Mc 9,3 . (4) Mc 16,2 . Slechts in één vers bij Lucas : Lc 23,8 .

5. act. part. aor. nom. mann. enk. anastas (opgestaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het NT : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) . Hebr. qûm (opstaan) . Taalgebruik in Tenach : qûm (opstaan) . Mc (6) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 .

6.  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Het is de derde maal dat deze vorm gebruikt wordt . De eerste maal was het bij het uitgaan van de onreine geest (Mc 1,26) , de tweede maal bij de verspreiding van de weerklank over Jezus (Mc 1,28) . Nu gaat Jezus voor de eerste maal het huis uit , nadat hij en zijn leerlingen naar het huis van Petrus en zijn metgezellen was gegaan (Mc 1,29) . Jezus heeft dus na het bezoek aan de synagoge (Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23-28) de sabbatdag , de avond en de nacht verder doorgebracht in het huis .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,29 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

8. ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in het NT : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai (weggaan) .
Mc (9) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 1,42 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 5,24 . (5) Mc 6,46 . (6) Mc 7,24 . (7) Mc 8,13 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 14,10 .  Vaak heeft weg-gaan ook de betekenis van afstand nemen van , en wordt er een keuze gemaakt .

9. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

10. accusatief vrouwelijk enk. erèmon = woestijn , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .

13. ind. imp. 3de p. enk. prosèucheto van het werkw. proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in het NT : proseuchomai (bidden) . Taalgebruik in Mc : proseuchomai (bidden) .
Mc (2) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 14,35 .
- Mc 1,35 : kai apèlthen eis erèmon topon kakei prosèucheto (en hij ging weg naar een eenzame plaats en daar bad hij) .
- Mc 6,46 : apèlthen eis to oros proseuxasthai (ging hij weg naar de berg om te bidden) .
STAP VOOR STAP !


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,36 - Mc 1,36 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:36 kai katediôxen auton simôn kai oi met autou   36 et persecutus est eum Simon et qui cum illo erant     36 En Simon, en die met hem waren, zijn Hem nagevolgd.  . [36] Simon en zijn metgezellen gingen Hem achterna,  [36] Maar Simon en de anderen die bij hem waren, gingen hem vlug achterna,  35 Heel vroeg, als het nog nacht is, staat hij op, gaat de stad uit en gaat naar een plek in de woestijn; daar bad hij altijd. 36 Simon en die bij hem zijn volgen hem,  Mc 1:36- Simon et ses compagnons le poursuivirent  

Statenvertaling .
King James Bible . [36] And Simon and they that were with him followed after him.
Luther-Bibel . 36 Simon aber und die bei ihm waren, eilten ihm nach.

>
       
       

Tekstuitleg van Mc 1,36 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

4. nom. mann. enk. Simôn (Simon) van het zelfst. naamw. Simôn (Simon) . Taalgebruik in het NT : Simôn (Simon) . Taalgebruik in Mc : Simôn (Simon) . 1. Simon = Petrus . 2. Simon , de Kananeeër of Simon , de zeloot : Mc 3,18 . 3. Simon , de melaatse : Mc 14,3 .  4. Simon van Cyrene : Mc 15,21
Een vorm van Simôn (Simon) in Mc 1 (5) : (1) Mc 1,16 (acc. Simôna) . (2) Mc 1,16 (gen. Simônos) . (3) Mc 1,29 (gen. Simônos) . (4) Mc 1,30 (gen. Simônos) . (5) Mc 1,36 (nom. Simon) .

katadiôkô : vervolgen, achterna lopen,

Zoals de meeste pericopen van Mc 1,1-45 begint ook deze pericope met het koppelwoord kai (en) en wordt de vertelling verder gezet door en... en... en...

Dan volgt de tijdsaanduiding. In Mc 1,21 gaan heel wat woorden vooraf aan de tijdsaanduiding tois sabbasin (op sabbat). Aan het hoofd staat de zin : kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij gaan naar Kafarnaüm). Hieronder valt Mc 1,21-34. Mc 1,35-38 heeft niet meer in de stad plaats, maar op een eenzame plaats. Eksijlthen (hij ging naar buiten) kunnen we interpreteren als : "hij ging het huis uit" , tegengesteld aan Mc 1,29 : ijlthon eis tijn oikon (zij gingen naar het huis), als "hij ging de stad uit", tegengesteld aan hogergenoemd Mc 1,21. Kai euthus (en terstond) staat aan het begin van de pericopen Mc 1,23-28 en Mc 1,29-31 en in Mc 1,21b, waar het telkens in onmiddellijk verband met de plaatsbepaling synagoge staat. Zo staat tois sabbasin (op sabbat) in feite vooraan de zin. Ook in de pericope Mc 1,32-34 staat de tijdsbepaling vooraan: opsias de genomenijs, hote edusen ho hijlios ('maar' toen het late avond was geworden, toen was ondergegaan de zon). De tijdsbepaling prooi ('s morgens vroeg) van Mc 1,35 staat tegenover opsias (de late avond) van Mc 1,32.

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,36 .

8. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,37 - Mc 1,37 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:37 kai euron auton kai legousin autô oti pantes zètousin se  37 et cum invenissent eum dixerunt ei quia omnes quaerunt te     37 En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.   [37] en ze vonden Hem en zeiden tegen Hem: ‘Iedereen zoekt U.’  [37] en toen ze hem gevonden hadden zeiden ze tegen hem: ‘Iedereen is naar u op zoek!’  37 en als ze hem vinden, zeggen ze tot hem: allemaal zoeken ze u!   Mc 1:37- et, l'ayant trouvé, ils lui disent : " Tout le monde te cherche. "  

Statenvertaling .
King James Bible . [37] And when they had found him, they said unto him, All men seek for thee.
Luther-Bibel . 37 Und als sie ihn fanden, sprachen sie zu ihm: Jedermann sucht dich.

>
       
       

Tekstuitleg van Mc 1,37 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,37.2. act. ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. εὑρον = heuron (ik vond of zij vonden) van het werkw. εὑρισκω = heuriskô (vinden) . Taalgebruik in het NT : heuriskô (vinden) . Taalgebruik in de Septuaginta : heuriskô (vinden) . Bijbel (92) . OT (60) . Pentateuch (9) : (1) Gn 11,2 . (2) Gn 18,3 . (3) Gn 26,19 . (4) Gn 30,27 . (5) Gn 33,15 . (6) Gn 38,22 . (7) Gn 50,4 . (8) Ex 16,27 . (9) Nu 15,32 . Ps (5) : (1) Ps 69,21 . (2) Ps 77,6 . (3) Ps 89,21 . (4) Ps 107,4 . (5) Ps 116,3 . NT (32) . Mt (4) : (1) Mt 8,10 . (2) Mt 22,10 . (3) Mt 26,60 . (4) Mt 27,32 . Mc (3) : (1) Mc 1,37 . (2) Mc 11,4 . (3) Mc 14,16 . Lc (14) : (1) Lc 2,46 . (2) Lc 7,9 . (3) Lc 7,10 . (4) Lc 8,35 . (5) Lc 15,6 . (6) Lc 15,9 . (7) Lc 19,32 . (8) Lc 22,13 . (9) Lc 23,13 . (10) Lc 23,22 . (11) Lc 24,2 . (12) Lc 24,3 . (13) Lc 24,24 . (14) Lc 24,33 . Hnd (11) : (1) Hnd 5,10 . (2) Hnd 5,22 . (3) Hnd 13,6 . (4) Hnd 13,22 . (5) Hnd 17,23 . (6) Hnd 19,19 . (7) Hnd 23,29 . (8) Hnd 24,12 . (9) Hnd 24,18 . (10) Hnd 24,20 . (11) Hnd 27,28 . Een vorm van εὑρισκω = heuriskô (vinden) in de LXX (613) , in het NT (176) , in Lc (45) . In Lc : 17 vormen in 18 / 24 hoofdstukken en 45 verzen . In Hnd : X vormen in 17 hoofdstukken en 33 verzen . In de LXX kan een vorm van εὑρισκω = heuriskô (vinden) de vertaling van 20 verschillende Hebreeuwse (werk)woorden zijn .
- Bayens (1963 , nr. 134) . De werkwoordstam wordt in het praesens versterkt door -sk of -isk . De aor. heeft 2 vormen .

4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 .
Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 ..

6. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .

7. hoti (dat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in .

Mc 1,37.9. act. ind. praes. 3de pers. mv. ζητουσιν = zètousin (zij zoeken) van het werkw. ζητεω = zèteô (zoeken) . Taalgebruik in het NT : zèteô (zoeken) . Taalgebruik in de LXX : zèteô (zoeken) . NT (8) : (1) Mc 1,37 . (2) Mc 3,32 . (3) Joh 7,25 . (4) Rom 2,7 . (5) Rom 10,20 . (6) Rom 11,3 . (7) 1 Kor 1,22 . (8) Fil 2,21 .
- Bayrens (1963 , nr.81 : ποιεω = poieô ) ; poiousin < ποι-ε-ουσιν = poi-e-ousin (zij doen) .

zèteô (zoeken) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br Apk syn. ev.
act. ind. praes. 3de pers. mv. zètousin 12 4 8   2   1   5      

Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,38 - Mc 1,38 : 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm. - Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 1 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:38 kai legei autois agômen allachou eis tas echomenas kômopoleis ina kai ekei kèruxô eis touto gar exèlthon 38 et ait illis eamus in proximos vicos et civitates ut et ibi praedicem ad hoc enim veni    38 En Hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gaan, opdat Ik ook daar predike; want daartoe ben Ik uitgegaan.   [38] Hij zei hun: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen in de buurt, zodat Ik ook daar kan verkondigen. Want met dat doel ben Ik weggegaan.’   [38] Toen zei hij: ‘Laten we ergens anders heen gaan, naar de dorpen hier in de omtrek, zodat ik ook daar het goede nieuws kan brengen. Daarvoor ben ik immers op weg gegaan.’  38 En hij zegt tot hen: laten we ergens anders heengaan, naar de stadjes en dorpen dichtbij, dan kan ik ook dáár prediken;   Mc 1:38- Il leur dit : " Allons ailleurs, dans les bourgs voisins, afin que j'y prêche aussi, car c'est pour cela que je suis sorti. "

King James Bible . [38] And he said unto them, Let us go into the next towns, that I may preach there also: for therefore came I forth.
Luther-Bibel . 38 Und er sprach zu ihnen: Lasst uns anderswohin gehen, in die nächsten Städte, dass ich auch dort predige; denn dazu bin ich gekommen.

>
  Mc 1,38   Lc 4,43
  kai legei autois agômen allachou eis tas echomenas kômopoleis ina kai ekei kèruxô eis touto gar exèlthon   o de eipen pros autous oti kai tais eterais polesin euaggelisasthai me dei tèn basileian tou theou oti epi touto apestalèn 

Tekstuitleg van Mc 1,38 .

Mc 1,38.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in : Mc 1 (5) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,38.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  legô : act. ind. praes. Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .   1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

Mc 1,38.1. - 2. και λεγει = kai legei (en hij zegt) . OT (11) . NT (37) . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 6,50 .  (6) Mc 7,18 . (7) Mc 9,35 .  (8) Mc 10,11 . (9) Mc 11,2 . (10) Mc 12,16 . (11) Mc 14,13 .

Mc 1,38.3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 1,31 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,44 .

Mc 1,38.1. - 3. και λεγει αυτοις = kai legei autois (en hij zegt hen) . LXX (2) . NT (23) . Mc (10) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 6,50 .  (5) Mc 7,18 . (6) Mc 9,35 .  (7) Mc 10,11 . (8) Mc 11,2 . (9) Mc 12,16 . (10) Mc 14,13 .

Mc 1,38.4. act. conjunct. praes. 1ste pers. mv. αγωμεν = agômen (laten wij gaan) van het werkw. αγω = agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in het NT : agô (leiden, voeren) . Taalgebruik in de LXX : agô (leiden, voeren) . Bijbel (7) : (1) Mt 26,46 . (2) Mc 1,38 . (3) Mc 14,42 . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen . Een vorm van αγω = agô in de LXX (274) , in het NT (66) .
- Bayens (1963 , nr. 75, 3 : "In de conjunctief wordt de themavocaal verlengd.")

Mc 1,38.6. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,38.7. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,39 .

hina (opdat). In 59 verzen bij Marcus, zie Mc 1,38 : Mc 1,35-38 -

Mc 1,38.11. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in : Mc 1 (5) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,38.12. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het NT : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

16. gar (want) . Taalgebruik in het NT : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 1,22 . (3) Mc 1,38 .

61. Prediking in de synagogen . Mc 1,39 - Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -

Er is een duidelijke link tussen Mc 1,39 en Mc 1,14 . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea . In Mc 1,39 ging hij naar geheel Galilea . Zowel in Mc 1,14 als in Mc 1,39 wordt het onderwerp van de hoofdzin nader bepaald door een ondergeschikte bijzin . Waarom plaatste Marcus 'kèrussôn ' (verkondigende) in Mc 1,39 onmiddellijk na het werkwoord èlthen (hij kwam) . Wellicht heeft Marcus hier een chiastische (kruisvormige) structuur gebruikt : het ene werkwoord (kèrussôn : verkondigende) vooraan en het andere werkwoord (ekballôn : uitwerpende) achteraan. Marcus wil de totale activiteit van Jezus aanduiden. Die bestaat in verkondiging (woord) en in het uitdrijven van duivels (daad). Onder de woordactiviteit hadden we bij de bepaling eis tas sunagôgas autôn (in hun synagogen) het werkwoord didaskôn (onderwijzende) verwacht . Onder de daadactiviteit of het handelen van Jezus hadden we ook nog het genezen van zieken verwacht . In Mc 1,34 wordt de daadactiviteit van Jezus onder de twee aspecten aangegeven . Ook in Mc 1,34 vinden we een chiastische (kruisvormige) structuur .

De tweevoudige activiteit van Jezus (woord en daad) treffen we aan in Mc 1,21-28 . Daar is sprake van onderwijs en uitdrijving van een onreine geest . Tot nu toe heeft Jezus enkel de synagoge van Kafarnaüm bezocht . In Mc 1,39 ging Jezus ook naar andere synagogen in Galilea . Zo omsluit Mc 1,39 een geheel van Mc 1,14-38 en bereidt het het volgende voor . Het is een overgangsvers in de ware betekenis van het woord .

Er is enige dissonantie te bespeuren . De plaatsbepalingen horen bij èlthen (hij ging) maar dan komt kai daimonia ekballôn (en duivels uitdrijvende) achternahinken. De plaatsbepalingen horen bij kèrussôn (verkondigende) maar dan hadden we bij eis tas sunagôgas autôn (in hun synagogen) eerder didaskôn (onderwijzende) verwacht .

We weten wel dat Mc 1,14 linken heeft met Mc 1,9 en Mc 1,4 . In Mc 1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea en liet hij zich door Johannes de Doper dopen . Het is de eerste vermelding van Jezus'optreden in het Marcusevangelie . In Mc 1,4 vinden we de eerste vermelding van het optreden van Johannes de Doper . Zo ziet de keten eruit : het optreden van Johannes de Doper (Mc 1,4) - Jezus ging naar Johannes in de Jordaan (Mc 1,9) - Jezus ging naar Galilea (Mc 1,14) - Jezus trekt in Galilea rond (Mc 1,39) .

We stellen echter ook een concentrische cirkel vast : in de binnenste kern de drie wonderverhalen : de uitdrijving van de onreine geest (Mc 1,23-28) , de genezing van Jezus'schoonmoeder (Mc 1,29-31) en genezing van vele zieken en exorcismen (Mc 1,32-34) . Tussen de binnenste en de buitenste kring, nl. de middelste kring, staan de twee verhalen over onderwijs (Mc 1,21-22) en verkondiging (Mc 1,34-38). De buitenste kring wordt bepaald door de teksten Mc 1,14-15 en Mc 1,39.


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,39 - Mc 1,39 : 61. Prediking in de synagogen - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
1:39 kai èlthen kèrussôn eis tas sunagôgas autôn eis olèn tèn galilaian kai ta daimonia ekballôn   39 et erat praedicans in synagogis eorum et omni Galilaea et daemonia eiciens   en hij kwam, verkondigde in hun synagogen in heel Galilea en wierp de demonen uit .   39 En Hij predikte in hun synagogen, door geheel Galilea, en wierp de duivelen uit.   [39] En Hij ging in heel Galilea in hun synagogen verkondigen en dreef de demonen uit.  [39] In heel Galilea bracht hij het nieuws in de synagogen en dreef hij demonen uit.   39 want dáárvoor ben ik er op uitgegaan! Al predikend in hun synagogen komt hij in heel Galilea, terwijl hij ook de demonen uitdrijft.  Mc 1:39- Et il s'en alla à travers toute la Galilée, prêchant dans leurs synagogues et chassant les démons.

King James Bible . [39] And he preached in their synagogues throughout all Galilee, and cast out devils.
Luther-Bibel . 39 Und er kam und predigte in ihren Synagogen in ganz Galiläa und trieb die bösen Geister aus.
Persoonlijke vertaling . Hij ging verkondigen naar hun synagogen naar heel Galilea en de duivels uitwerpen .

>
  Mc 1,39 Mt 4,23 Lc 4,44
  kai èlthen kèrussôn eis tas sunagôgas autôn eis olèn tèn galilaian kai ta daimonia ekballôn   kai periègen en olè tè galilaia didaskôn en tais sunagôgais autôn kai kèrussôn to euaggelion tès basileias kai therapeuôn pasan noson kai pasan malakian en tô laô kai èn kèrussôn eis tas sunagôgas tès ioudaias 

Tekstuitleg van Mc 1,39 . Het vers Mc 1,39 telt 15 (3 X 5) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Mc 1,39 is 7975 (5 X 5 X 11 X 29) . De komst van Jezus omvat een dubbele activiteit . In Mc 1,39 wordt de woord- en daadactiviteit van Jezus gegeven . De particpia kèrussôn (verkondigend) en ekballôn (uitgooiend) omvatten het hele vers . De woordactiviteit van Jezus bestaat uit onderrichten en verkondigen . Hier is enkel sprake van verkondigen , wellicht omwille van de parallel met Mc 1,14 : èlthen ho ièsous eis tèn galilaian kèrussôn (Jezus ging naar Galilea verkondigen) . De daadactiviteit van Jezus bestaat uit zieken genezen en onreine geesten uitdrijven . In Mc 1,39 is er enkel sprake van duivels uitgooien , wellicht in aansluiting bij Mc 1,23-28 .

Mc 1,39.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in : Mc 1 (5) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,39.2. act. ind. aor. 3de pers. enk. ηλθεν = èlthen (hij kwam) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 * .  (3) Mc 1,39 * . (4) Mc 4,4 . (5)  Mc 5,33 . (6) Mc 7,31 * . (7) Mc 8,10 * . (8) Mc 10,45 / Mc 10,46 *. (9) Mc 10,50 . (10)  Mc 11,13 . (11) Mc 14,3 . (12) Mc 14,41 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

- בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) .
- In Mc 1,9 gaat Jezus van Nazaret van Galilea , in Mc 1,14 gaat Jezus naar Galilea , in Mc 1,39 naar heel Galilea .

Mc 1,39.1. - 2. και ηλθεν = kai èlthen (en hij kwam / ging) . NT (24) . Mc (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 6,1 . (4) Mc 9,7 . (5) Mc 9,33 .
- ηλθεν δε = èlthen de (hij kwam / ging echter) . NT (3) : (1) Lc 22,7 . (2) Joh 19,39 . (3) Hnd 7,11 .
- Hebreeuws : prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

OF VARIANTE LEZING .

Mc 1,39.1. - 2. ην δε = èn de (hij was echter) . NT (46) . Mc (6) : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 5,11 . (3) Mc 7,26 . (4) Mc 14,1 . (5) Mc 15,7 . (6) Mc 15,25 .
- και ην = kai èn (en hij was) . NT (46) . Mc (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 1,39 . (4) Mc 3,1 . (5) Mc 4,38 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 14,54 . (9) Mc 15,26 . (10) Mc 15,41 .
- Hebreeuws . wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) . De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31 . 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld) .Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (784) . Pentateuch (181) . Eerdere Profeten (339) . Latere Profeten (116) . 12 Kleine Profeten (22) . Geschriften (126) .

Mc 1,39.3. act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. κηρυσσων = kèrussôn (verkondigend) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô (verkondigen) . Bijbel (13) : (1) Mt 3,1 . (2) Mt 4,23 . (3) Mt 9,35 . (4) Mc 1,4 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,39 . (7) Lc 3,3 . (8) Lc 4,44 . (9) Lc 8,1 . (10) Lc 8,39 . (11) Hnd 20,25 . (12) Hnd 28,31 . (13) Rom 2,21 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in de LXX (32) , in het NT (61) , in Mc (14) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,38 . (5) Mc 1,39 . (6) Mc 1,45 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 5,20 . (9) Mc 6,12 . (10) Mc 7,36 . (11) Mc 13,10 . (12) Mc 14,9 . (13) Mc 16,15 . (14) Mc 16,20 . In de LXX kan κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16
1 ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. kèrussôn 3 (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,39              
  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16

In Mc 1,4 en Mc 1,14 is het onderwerp Johannes de Doper en Jezus en volgt op kèrussôn een object : Mc 1,4 (een doopsel van bekering tot vergeving van zonden) , Mc 1,14 (de goede boodschap van God) . In Mc 1,14 en Mc 1,39 ging Jezus naar (heel) Galilea , verkondigend .
- Hebreeuws : prefix voorzetsel lë + act. qal inf. constr. (om te roepen) לִקְרֹא van het werkw. . קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal : 40 of 301 . Structuur : 1 - 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (20) . In de LXX wordt dit Hebreeuwse werkw. meestal vertaald door een vorm van het Griekse werkw. καλεω = kaleô (roepen) , in Js 61,1 door act. inf. aor. κηρυξαι = kèruksai (om te verkondigen) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) .
- Ned. : roepen . Arabisch : قَالَ = qâla (zeggen) . Taalgebruik in de Qoran : qâla (zeggen) . Aramees : קְרָא =qërâ´ (roepen) . D. : rufen . E. : to call . Fr. : appeler (Lat. . appellare - pellere : pousser , dringen ; aandringen , oproepen) . Grieks : καλεω = kaleô (roepen, noemen) . Taalgebruik in het NT : kaleô (roepen) . κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Hebreeuws : קָרָא = qârâ´ (roepen, heten) . Taalgebruik in Tenakh : qârâ´ (roepen, heten) . Lat. : vocare (vox = stem) . l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar ; het zijn lingualen . Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws : קוֹל = qôl (stem, roep) . Taalgebruik in Tenakh : qôl (stem) .
- Ned. : verkondigen (< verconden) , vertellen . D. : erzählen . E. : to recount , to tell . Fr. : compter en conter , (ra)conter . Italiaans : racontare . Lat. : computare . Spaans : contar .

In Mc 1,4 trad Johannes de Doper verkondigend op . In Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea verkondigend . STAP VOOR STAP !

De linken worden verder uitgewerkt :
- Mc 1,4 : εγενετο ιωαννης ... κηρυσσων = egeneto iôannès ... kèrussôn (Johannes was ... verkondigend) .
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους ... κηρυσσων ... = èlthen ho Ièsous ... kèrussôn (kwam Jezus ... verkondigend) .
- Mc 1,39 : και ηλθεν κηρυσσων ... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen kèrussôn ... eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging verkondigend naar heel Galilea) .

Mc 1,39.2. - 3. ηλθεν κηρυσσων ... και ... = èlthen kèrussôn ... kai ... ekballôn (hij kwam verkondigend ... en ... uitgooiend) . Wij zouden vertalen : hij kwam verkondigen ... en uitgooien) .

Mc 1,39.4. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Gr. : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. in / ad .

Variante lezing : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . In Mc 1 (13) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,4 . (4) Mc 1,5 . (5) Mc 1,8 . (6) Mc 1,9 . (7) Mc 1,11 . (8) Mc 1,13 . (9) Mc 1,15 . (10) Mc 1,16 . (11) Mc 1,19 . (12) Mc 1,20 . (13) Mc 1,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .

Mc 1,39.5. bep. lidw. acc. vr. mv. τας = tas (de) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,39 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
17. acc. vr. enk. tas 27        1987  1674  313  36  27  42  19  57  96  36     
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Variante lezing : bepaald lidw. dat. vr. mv. ταις = tais van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord .Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
15. dat. vr. mv. tais 10                    980  799  181  21  10  33  24  66  23  64  68 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,39.6. acc. vr. mv. συναγωγας = sunagôgas van het zelfst. naamw. συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,39 . (2) Mc 13,9 .
Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc in 8 verzen : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 1,29 . (4) Mc 1,39 . (5) Mc 3,1 . (6) Mc 6,2 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,9 . In Mc 1 (4) : (1) Mc 1,21 (acc. sunagôgèn) . (2) (1) Mc 1,23 (dat. sunagôgè(i) . (3) Mc 1,29 (gen. sunagôgès) . (1) Mc 1,39 (acc. συναγωγας = sunagôgas) .

sunagôgè (synagoge)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. vr. mv.  sunagôgas   14             
totaal   261  205  56  15  19  32  34     

sunagôgè (synagoge)  NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev.  Hnd Br. Apk
eis tas sunagôgas                    

- Hebreeuws : q-h-l . Taalgebruik in Tenakh : q-h-l . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , he = 5 , lamed = 11 of 20 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 125 (5³) . Structuur : 1 - 5 - 2 . De som van de elementen is telkens 8 . (1) act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. קָהַל = qâhal (verzamelen, zich verzamelen) . (2) zelfst. naamw. קָהָל = qâhâl (verzameling, vergadering, gemeente, menigte) .
- כָנַס = kânas (verzamelen) . Taalgebruik in Tenakh : kânas (verzamelen) . Cfr. knesseth .

Mc 1,39.4. - 6. Mc 1,39 verruimt het optreden van Jezus . εις τας συναγωγας = eis tas sunagôgas (naar de synagogen) sluit aan bij εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Kafarnaum in Mc 1,21 .

Mc 1,39.7. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 1,23 . (4) Mc 1,39 .

  autoi (mv.) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6. gen. mv.autôn  3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 
  totaal  7770  6306  1464  250  196  285  155  269  200  109  731  886 

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 gen. mv.autôn  37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

Mc 1,39.8. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Gr. : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. in / ad .

Mc 1,39.9. acc. vr. enk. ὁλην = holèn (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel) . Taalgebruik in het ΝΤ : holos (heel) . Taalgebruik in de LXX : holos (heel) . Taalgebruik in Mc : holos (heel) .

  holos (heel)  Mc Mc 1 Mc 6 Mc 8 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + dat. vr. enk. holè(i)   1 : Mc 1,33 .             66  48  18   
nom. + acc. onz.  + acc. mann. enk. holon     (1) Mc 8,36 .   (1) Mc 12,44 .   2 : (1) Mc 14,9 . (2) Mc 14,54 .   (1) Mc 15,1 .   53  20  33    19  21 
gen. vr. enk. holès         2 : (1) Mc 12,20 . (2) Mc 12,33 .     42  29  13       
acc. vr. enk. holèn   2 : (1) Mc 1,28 . (2) Mc 1,39 .   (1) Mc 6,55 .         2 : (1) Mc 15,16 . (2) Mc 15,33 .   105  85  20    12  12   
  totaal 13  305  207  98  20  13  14  21  21  47  51     

- εις ὁλην = eis holèn (naar heel) . LXX (2) : (1) Nu 32,15 . (2) 1 K 14,23 . NT (4) : (1) Mt 4,24 . (2) Mt 9,26 . (3) Mt 14,35 . (4) Mc 1,28 . Variante lezing : Mc 1,39 . In al deze verzen gevolgd door het bepaald lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) .

Mc 1,39.10. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,39.11. acc. vr. enk. γαλιλαιαν = Galilaian (Galilea) . γαλιλαια = galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) .

  Galilaia (Galilea)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
3 acc. vr. enk. Galilaian   (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,39 .           (3) Mc 14,28 .     (4) Mc 16,7 . 25  8 17    11  17 

- Hebreeuws : גָלַל = gâlal (rollen, wentelen) . Taalgebruik : gâlal (rollen, wentelen) . Getalwaarde : gimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 27 (3³) OF 63 (3² X 7) . Structuur : 3 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 9 .
- גַּל = gal (steenhoop, wel) . mann. mv. גַּלִּים = gallîm (golven, baren) .
- Golgotha (schedelplaats) .
Een vorm van γαλιλαια = Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc 6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter van Herodias) .

Mc 1,39.10. - 11. την γαλιλαιαν = tèn galilaian (Galilea) . Bijbel (15) . OT (5) . NT (10) .

Mc 1,39.9. - 11. ὁλην την γαλιλαιαν = holèn tèn galilaian (heel Galilea) . Bijbel = NT (2) : (1) Mt 4,23 . (2) Mc 1,39 .

- εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) . Verder : (1) Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 7,31 (εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- Na de tijdsbepaling waarin gezegd wordt dat Johannes werd overgeleverd , komt de handeling van Jezus ; hij ging naar Galilea (Mc 1,14) . Terwijl Jezus en zijn leerlingen naar de Olijfberg gingen , sprak Jezus zijn leerlingen voor een laatste maal toe . Hij zegt hen dat ze verstrooid zullen worden maar dat hij hen na zijn verrijzenis zal voorgaan naar Galilea (Mc 14,28) . In Mc 16,6 zegt de jongeling dat Jezus is verrezen . In Mc 16,7 zegt de jongeling bovendien dat Jezus hen gezegd heeft dat hij hen zal voorgaan naar Galilea . Verondersteld wordt dat Jezus hen opnieuw zal verzamelen in Galilea .

Mc 1,39.1. - 2. 8. - 11. .Mc 1,14 en Mc 1,39 zijn aan elkaar gelinkt . STAP VOOR STAP :
- Mc 1,14 : ηλθεν ὁ ιησους εις την γαλιλαιαν = èlthen ho Ièsous eis tèn galilaian (ging Jezus naar Galilea) .
- Mc 1,39 : και ηλθεν ... εις την ὁλην την γαλιλαιαν = kai èlthen eis tèn holèn tèn Galilaian (en hij ging naar heel Galilea) .

In Mc 1 wordt Galilea veelvuldg gebruikt :
(1) Mc 1,9 (gen. : απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) .
(2) Mc 1,14 (acc. : εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian = naar Galilea) .
(3) Mc 1,16 (gen. : παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας = para tèn thalassan tès Galilaias = langs het meer van Galilea) .
(4) Mc 1,28 (gen. : εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) .
(5) Mc 1,39 (acc. : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) .
(1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 omsluiten het Mcevangelie (het gaan en het voorgaan naar Galilea) . Verdere verzen in Mc 1 omsluiten verschillende verhalen : Mc 1,14 , Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) en Mc 1,39 (eis holèn tèn galilaian = naar heel Galilea) ..

Mc 1,39.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in : Mc 1 (5) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 1,39.13. nom. en acc. onz. mv. τα = ta (de) . Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) . Mc (47) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,18 . (2) Mc 1,19 . (3) Mc 1,34 . (4) Mc 1,39 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
12. nom. + acc. onz. mv. ta 47  2   2   4361  3647  714  97  47  98  69  77  254  72     
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,39.14. nom. + acc. onz. mv. δαιμονια = daimonia (demonen) van het zelfst. naamw. δαιμονιον = daimonion (demon) . Taalgebruik in het NT : daimonion (demon) . Taalgebruik in de LXX : daimonion (demon) .Taalgebruik in Mc : daimonion (demon) . Mc (8) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . Een vorm van δαιμονιον = daimonion (demon) in Mc  (11 verzen , 13X) : (1) Mc 1,34 (2X) . (2) Mc 1,39 . (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 (2X) . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,29 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 9,38 . (10) Mc 16,9 . (11) Mc 16,17 .

  daimonion (demon) Mt  Mc  Lc  syn. ev. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
3 nom. + acc. mv. daimonia

6 : (1) Mt 7,22 . (2)Mt 9,34 . (3) Mt 10,8 . (4) Mt 12,24 . (5) Mt 12,27 . (6) Mt 12,28 .

8 : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 16,9 . (8) Mc 16,17 . 15 : (1) Lc 4,41 . (2) Lc 8,2 . (3) Lc 8,27 . (4) Lc 8,30 . (5) Lc 8,33 . (6) Lc 8,35 . (7) Lc 8,38 . (8) Lc 9,1 . (9) Lc 9,49. (10) Lc 10,17 . (11) Lc 11,15 . (12) Lc 11,18 . (13) Lc 11,19 . (14) Lc 11,20 . (15) Lc 13,32 . 29 : (1) Mc 1,34 // Lc 4,41 . (2) Mc 9,38 // Lc 9,49 . (3) Mt 12,24 // Mc 3,22 // Lc 11,15 . (4) Mt 12,27 // Lc 11,19 . (5) Mt 12,28 // Lc 11,20 . 29 34 3 31 6 8 15     1 1 29 29
  Totaal   11 12 23 46 52 77 16 61 11 12 23 6 1 5 3 46 52

- Een demon is blijkbaar een kwade macht die een mens "bezet" houdt . Die kwade macht staat tegenover Jezus .

Mc 1,39.15. act. part. pr. nom. mann. enk. εκβαλλων = ekballôn (uitwerpend) van het werkw. εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen)  . Taalgebruik in het NT : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in de LXX : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Mc (1) Mc 1,39 . (2) Lc 11,14 . Een vorm van εκβαλλω = ekballô (uitwerpen, uitvallen) in Mc (18) , in Mc (4) : (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,39 . (4) Mc 1,43 .
- act. part. aor. nom. mann. enk. εκβαλων = ekbalôn (uitgeworpen) . Bijbel (4) : (1) Job 31,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Lc 10,35 . (4) Hnd 9,40 .

  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
12  act. part. aor. ekbalôn              

  ekballô (uitwerpen, uitvallen)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 11 Mc 16
12  act. part. aor. ekbalôn       1 : Mc 5,40 .          

Mc 1,39.14. - 15. Een vorm van δαιμονιον = daimonion (demon) (9 / 13) met een vorm van εκβαλλω = ekballô (uitwerpen) in (9 / 18) verzen : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,39. (3) Mc 3,15 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 6,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 16,9 . (9) Mc 16,17 . Met ekserchomai (uitgaan) in 2 : (1) Mc 7,29 . (2) Mc 7,30 . Andere context : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 3,22 .
- Ned. : vallen . D. : Fallen . E. : to fall . Grieks : βαλλω = ballô (werpen, gooien, vallen) . Taalgebruik in het NT : ballô (werpen, gooien) .
- Er wordt een uitval gedaan tegen de demonen die mensen in de val houden . Ze zijn in de val gelopen , ze zijn gevangen , bezeten , bezet en moeten uit de val bevrijd worden .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

63. Genezing van een melaatse .
- Mc 1,40-45 -
- Mc 1,40-45 - Mt 8,1-4 - Lc 5,12-16 -
- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -
- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -

Evangelie op de 6de (zesde) zondag door het b-jaar : Mc 1,40-45 .

In die tijd kwam er eens een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: "Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen." Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: "Ik wil, word rein." Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd. Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem: "Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren." Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

Het eerste deel van het Marcusevangelie bestaat uit drie secties :
eerste sectie : Mc 1,14-3,19 (verhaalstof) ,
tweede sectie : Mc 3,23-29 en Mc 4,1-34 (redevoering) ,
derde sectie : Mc 4,35-6,34 (verhaalstof) .
De eerste sectie bestaat uit twee samenvattende paragraafjes over Jezus en zijn leerlingen (Mc 1,14-20 en Mc 3,7-19) . Mc 1,21-39 schetst de eerste dag van Jezus’optreden . Mc 1,40-45 is een intermezzo , een overgangsverhaal .

In het artikel “Een lepralijder wordt gereinigd” in Catechetische Informatie (jg. 20 , 1992 , nr.5 , p.27-36) geeft Wilfried Rossel een overzicht van de vijfentwintig evangelische genezingsverhalen en nog vijf andere wonderverhalen ; negen genezingen in eigenlijke zin ; drie dodenopwekkingen , zeven legitimatiewonderen , zeven duiveluitdrijvingen .
Er zijn achtenveertig verhalen en vijftien andere; in totaal : drieënzestig . Matteüs : 14 + 4 = achttien . Marcus : 13 + 4 = zeventien . Lucas : 17 + 3 = twintig . Johannes : 4 + 4 = acht .

Een wonderverhaal heeft een bepaalde structuur :
a. De toestand van een zieke .
b. Het beroep van de zieke op de genezer .
c. Het woord en / of het gebaar van de genezer .
d. De genezing en de reactie van de genezene .
e. Reactie van de omstaanders .

Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 is een genezingsverhaal . Bij de genezing krijgen we de indruk met een uitdrijving van een onreine geest te maken te hebben.
In de evangelies komen zes duiveluitdrijvingen voor (of dertien verhalen).
1. De bezetenen van Gerasa / Gadara : Mt 8,28-34 - Mc 5,1-20 - Lc 8,26-39
2. Het epileptisch kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a
3. Een blinde en spraakgestoorde bezetene : Mt 12,22-37 // Lc 11,14-23
4. De dochter van de Kananese : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28
5. De bezetene van Kafarnaüm : Mc 1,23-28 - Lc 4,33-37
6. Een spraakgestoorde bezetene : Mt 9,32-34 - Mt 12,22-23 - Mc 3,22-27 - Lc 11,14

In Mc 1,40-45 wordt Jezus geen enkele keer genoemd .

In Mc 1,35-38 is er voor het eerst sprake dat Jezus in Galilea naar een eenzame plek gaat om te bidden . Naar eenzame plekken zijn ook de melaatsen verwezen . Een melaatse gaat daar naar Jezus toe die hem geneest (Mc 1,40-45) . Het 'werkveld' van Jezus verbreedt zich voortdurend . Eerst in de synagoge in Kafarnaüm (Mc 1,21-28) , dan in de synagogen over geheel Galilea (Mc 1,39) , nu ook op de eenzame plekken , buiten steden en dorpen . Dat een melaatse naar Jezus toegaat , maakt duidelijk dat het nieuws over Jezus zich tot op de eenzame plekken verspreid heeft .

Het is wel opmerkelijk dat in dit verhaal geen enkele maal de naam Jezus wordt genoemd .

De Marcustekst bevat elfmaal het verbindingswoordje kai (en) en eenmaal het partikel de (echter) . Mc 1,40-45 telt zes verzen . Van de zes verzen beginnen vijf verzen met kai (en) en één vers met de (echter) op de tweede plaats , zie de vertaling van Denaux-Vervenne . Andere vertalingen laten meestal het “en” bij het begin van een vers weg . Het is nochtans eigen aan het mondeling vertellen : en… en… en…

Wanneer iemand geciteerd wordt , wordt dat citaat meestal ingeleid door een vorm van het werkwoord zeggen (legô) . Enkele inleidingen op de directe rede in Mc 1,40-45 , staan in de onvoltooid tegenwoordige tijd van het werkwoord legô (zeggen) .

Mc 1,40 : de melaatse Mc 1,41 : 'Jezus' Mc 1,44 : 'Jezus' Mc 1,45 de melaatse
kai (en) kai (en) kai (en) ho de... (hij echter)
erchetai (hij gaat) ...      
legôn (zeggende) legei (hij zegt) legei (hij zegt) èrxato kèrussein... (begon te verkondigen)
autôi aan hem) autôi (aan hem) autôi (aan hem)  
+ directe rede (toch ingeleid door hoti : dat) + directe rede + directe rede  
63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -      

In Mc 1,40-45 worden verschillende werkwoordtijden door elkaar gebruikt : tegenwoordige tijd , onvoltooid verleden tijd , voltooid verleden tijd . De vertalingen geven een onvoltooid verleden tijd .

In Mc 1,40-45 staan zeven deelwoorden ; twee tegenwoordig , vijf verleden deelwoord . Het zijn ondergeschikte deelwoordzinnen bij het onderwerp van de hoofdzin . De vertaling Denaux-Vervenne vertaalt de ene keer met deelwoorden , andere keren met nevenschikkende zinnen . De NBV gebruikt geen deelwoordzinnen .

Betekenis van Mc 1,40-45

Omwille van de besmettelijkheid van de melaatsheid moesten de melaatsen buiten de stad wonen en moesten zij hun nabijheid aankondigen zodat gezonde mensen zich in veiligheid konden brengen . In het verhaal van Mc 1,40-45 komt een melaatse naar Jezus toe . Jezus raakte hem aan . Normalerwijze mag je verwachten dat het aanraken van een melaatse de besmettelijkheid aan de gezonde zou doorgeven . In dit verhaal is het omgekeerd . De gezonde Jezus wordt niet besmet ; integendeel , hij geneest de melaatse . Het effect ervan is dat de melaatse er zodanig over vertelt in de stad dat Jezus niet meer openbaar in de stad kan komen . Jezus verkiest op eenzame plaatsen te verblijven - wellicht ook plaatsen waar de melaatsen verblijven . Van overal komen ze dan naar Jezus toe .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,40 - Mc 1,40 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
40 kai erchetai pros auton lepros parakalôn auton kai gonupetôn auton kai legôn autô oti ean thelès dunasai me katharisai  40. et venit ad eum leprosus deprecans eum et genu flexo dixit si vis potes me mundare  En een melaatse kwam tot hem, hem smekend (en knielend) en hem zeggend: "Als u wilt, kunt u me reinigen".   40 Er kwam een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: "Als Gij wilt, kunt Gij mij reinigen."   [40] Er kwam een melaatse op Hem af, die om hulp vroeg. Hij viel op zijn knieën en zei: ‘Als U wilt, kunt U me rein maken.’  [40] Er kwam iemand naar hem toe die aan huidvraat leed; hij smeekte hem om hulp en zei, terwijl hij op zijn knieën viel: ‘Als u wilt, kunt u mij rein maken.’ 40 ¶ Er komt tot hem een melaatse, die hem te hulp roept en terwijl hij een knieval maakt tot hem zegt: als u het wílt kúnt u het: mij rein maken!   40. Un lépreux vient à lui, le supplie et, s'agenouillant, lui dit : « Si tu le veux, tu peux me purifier. » 

Statenvertaling . 40 En tot Hem kwam een melaatse, biddende Hem, en vallende voor Hem op de knieën, en tot Hem zeggende: Indien Gij wilt, Gij kunt mij reinigen.
King James Bible . [40] And there came a leper to him, beseeching him, and kneeling down to him, and saying unto him, If thou wilt, thou canst make me clean.
Luther-Bibel . 40 Und es kam zu ihm ein Aussätziger, der bat ihn, kniete nieder und sprach zu ihm: Willst du, so kannst du mich reinigen.
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . In die tijd kwam er eens een melaatse bij Jezus die op zijn knieën viel en Hem smeekte: "Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen."

  Mc 1,40 Mt 8,2 Lc 5,12
  kai erchetai pros auton lepros parakalôn auton kai gonupetôn auton kai legôn autô oti ean thelès dunasai me katharisai  Kai idou lepros proselthôn prosekunei autôi legôn Kurie, ean thelèis dunasai me katharasai kai idou anèr plèrès lepras 5:12 kai egeneto en tô einai auton en mia tôn poleôn kai idou anèr plèrès lepras idôn de ton ièsoun pesôn epi prosôpon edeèthè autou legôn kurie ean thelès dunasai me katharisai  

Tekstuitleg van Mc 1,40 . Dit vers Mc 1,40 telt 19 woorden , 39 (3 X 13) lettergrepen en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 1,40 is 11513 (29 X 397) . 2 hoofdzinnen , 4 ondergeschikte zinnen , waarvan 3 participiazinnen (nevengeschikt) . Het is opvallend dat het hoofdwerkwoord vooraan de zin staat en gevolgd wordt door drie particpia . Parakalôn (ter hulp roepend) en gonupetôn (knievallend - kniebuigend) komen in deze participiumvorm slechts hier in het Marcusevangelie voor .

Het is de eerste maal in dit evangelie dat een zieke zelf naar Jezus gaat en dan nog wel een melaatse . Het verhaal eindigt dat zij (wellicht de melaatsen , zieken enz.) van overal naar hem komen . Wellicht bevindt de melaatse zich op een eenzame plaats . In Mc 1,45 wordt gezegd dat Jezus op eenzame plekken was en dat ze van overal naar hem gingen . Er heeft dus een verruiming plaats .

Mc 1,40 .1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et ..

Mc 1,40 .2. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , Mt (111) , Mc (86) , Lc (100) , Joh (156) , Hnd (54) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .
In Mc 1,40 komt een zieke naar Jezus . In Mc 5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. enk. erchetai 130 42 88 13 16 11 37 1 7 40  77 

- Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) .
- Ned. : gaan . D. : gehen . E. : go . Grieks : ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : ire . vadere (Fr. je vais , il va) . ambulare (Fr. nous allons , vous allez) .

Mc 1,40 .1. - 2. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) . NT (11) . Mt (2) : (1) Mt 8,9 . (2) Mt 26,40 . Mc (6) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,31 . (4) Mc 5,22 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,41 . Lc (2) : (1) Lc 7,8 . (2) Lc 14,27 . Joh (2) : (1) Joh 11,29 . (2) Joh 20,2 .
- Hebreeuws : prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

Mc 1,40 .3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 1,32 . (4) Mc 1,33 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 1,45 . Hier wordt het voor de vijfde maal gebruikt . Voor het eerst wordt ερχεται = erchetai in combinatie met pros auton (hij gaat naar hem) gebruikt .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      

Mc 1,40 .2. - 3. ερχεται προς = erchetai pros (hij gaat naar) . NT (10) . (1) Mt 26,40 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 6,48 . (4) Lc 14,26 . (5) Joh 3,20 . (6) Joh 6,5 . (7) Joh 11,29 . (8) Joh 14,6 . (9) Joh 20,2 . (10) 2 Joh 1,10 .
-

Mc 1,40 .1. - 3. και ερχεται προς = kai erchetai pros (en hij gaat naar) . Bijbel (4) : (1) Mt 26,40 . (2) Mc 1,40 . (3) Joh 11,29 . (4) Joh 20,2 .

Mc 1,40 .4. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,40 .3. - 4. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . LXX (369) . NT (105) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 1,40 .1. - 4. : και ερχεται προς αυτον = kai erchetai pros auton (en hij gaat naar hem) . Bijbel = NT (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Joh 11,29 . Mc 1,40 vormt een inclusio met het slot van deze pericope in Mc 1,45 : = kai èrchonto (imperf. 3de pers. mv.) = pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .

Mc 1,40 .5. nom. mann. enk. λεπρος = lepros (melaatse) . Taalgebruik in het NT : lepros (melaatse) . Taalgebruik in de LXX : lepros (melaatse) . Taalgebruik in Mc : lepros (melaatse) . Bijbel (8) : (1) Lv 13,44 . (2) Lv 13,45 . (3) 2 S 3,29 . (4) 2 Kr 26,20 . (5) 2 Kr 26,21 . (6) 2 Kr 26,21 . (7) Mt 8,2 . (8) Mc 1,40 . Een vorm van λεπρος = lepros in de Bijbel (21) , in de LXX (12) , in het NT (9) , in Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) : Mc 14,3 , in Lc (3) : (1) Lc 4,27 . (2) Lc 7,22 . (3) Lc 17,12 .

Mc 1,40 .6. act. part. praes.  nom. mann. enk. παρακαλων = parakalôn (ter hulp roepend) van het werkw. παρακαλεω = parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen, aandringen) . Taalgebruik in het NT : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in de LXX : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in Mc : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Bijbel (19) : (1) Js 51,12 . (2) Js 51,18 . (3) Job 29,25 . (4) Kl 1,2 . (5) Kl 1,9 . (6) Kl 1,16 . (7) Kl 1,17 . (8) Kl 1,21 . (9) Pr 4,1 . (10) 1 Mak 5,53 . (11) Mt 8,5 . (12) Mc 1,40 . (13) Lc 3,18 . (14) Hnd 16,9 . (15) Rom 12,8 . (16) 2 Kor 1,4 . (17) 2 Kor 7,6 . (18) 1 Pe 5,12 . (19) Jud 1,3 .
Mc (1) : Mc 1,40 . Een vorm van παρακαλεω = parakaleô (ter hulp roepen, aandringen) in Mc (9) wordt telkens gevolgd door αυτον = auton (hem) waarmee Jezus is bedoeld .

  parakaleô (bijroepen, troosten) Mc Mc 1 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 bijbel OT NT Mt Mc Lc Hnd Br. syn. ev.
3 part. pr.  nom. m. + vr. enk. parakalôn 1 (1) Mc 1,40 .           19 10 9 1 1 1 1 5 3
  Totaal 70  29  41  10  11  20  20 

- Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen .

Mc 1,40.7. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 1,40.6. - 7. παρακαλων αυτον = parakalôn auton (hem ter hulp roepend) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 8,5 . (2) Mc 1,40 . (3) Hnd 16,9 .

Mc 1,40 .8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

6. - 8. παρακαλων αυτον και = parakalôn auton kai (hem ter hulp roepend en) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 8,5 . (2) Mc 1,40 . (3) Hnd 16,9 .

Mc 1,40 .9. act. part. praes. nom. mann. enk. γονυπετων = gonupetôn (knievallend) van het werkw. γονυπετεω = gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het NT : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in de LXX : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in Mc : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Bijbel (2) : (1) Mt 17,14 . (2) Mc 1,40 . Een andere vorm in Mc : act. part. aor. nom. mann. enk. γονυπετησας = gonupetèsas (op de knie gevallen) : Mc 10,17 .

Mc 1,40 .10. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et ..

Mc 1,40 .11. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc (18) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 1 (10) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) , in Mc 1 (1) .

legô (zeggen) tegenwoordige tijd bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 

Mc 1,40.6. - 8. 10. - 11. παρακαλων αυτον και (...) λεγων = parakalôn auton kai (...) legôn (hem ter hulp roepend en zeggend) . Bijbel = NT (3) : (1) Mt 8,5 . (2) Mc 1,40 . (3) Hnd 16,9 .

Mc 1,40 .12. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 . In Mc 1 in 5 verzen met een vorm van legô . 1. legousin autô(i) = zij zeggen hem : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 1,37 . 2. legôn autô(i) = zeggend zegt hem : (1) Mc 1,40 . 3. legei autô(i) = hij zegt hem : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 .

Mc 1,40.11. - 12. legôn autô(i) = zeggend hem . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 9,25 . In Mc 1,40 leidt het de smeekbede van de melaatse in , in Mc 9,25 de uitdrijvingswoorden van de onreine geest door Jezus . legôn autois = zeggend hen : Mc 8,27 .

Mc 1,40 .13. hoti (dat) . Taalgebruik in het NT : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 1 (4) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 1,34 . (3) Mc 1,37 . (4) Mc 1,40 . hoti (dat) leidt de objectzin in . Dan volgt het citaat in de directe rede .

Mc 1,40.11. - 13. legôn autô(i) hoti = zeggend hem dat . Slechts in Mc 1,40 . legôn hoti = zeggend dat : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 5,23 . (3) Mc 12,6 .

Mc 1,40 .10. - 13. een vorm van parakaleô , gevolgd door een vorm van legô (zeggen) + hoti (dat) + directe rede .
- Mc 1,40 : parakalôn auton (hem ter hulp roepend) ... kai legôn autô(i) (en hem zeggend dat) + directe rede ..
- Mc 5,12 : kai parekalesan auton legontes (en zij drongen bij hem erop aan zeggende) + directe rede .
- Mc 5,23 : kai parakalei auton (en hij roept hem ter hulp) ... legôn hoti (zeggende dat) + directe rede .
In Mc 1,40 en Mc 5,23 gaat het om een verzoek aan Jezus om genezing . In Mc 5,12 gaat het om een verzoek van de onzuivere geest legioen om in de varkens te mogen gaan .

Mc 1,40 .14. ean (indien) . Taalgebruik in het NT : ean (indien) . Taalgebruik in Mc : ean (indien) .
Mc (32) . Mc 1 (1) : Mc 1,40 .

Mc 1,40 .15. act. conj. praes. 2de pers. enk. θελῃς = thelè(i)s (jij wil) van het werkw. θελω = thelô (willen) . Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in de LXX : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,22 . Een vorm van θελω = thelô (willen) in 23 verzen . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . D. willen . E. will .

  thelô (willen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s  12                 

Mc 1,40 .14. - 15. ean thelè(i)s (indien je wil) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,22 .

Mc 1,40.16. dep. of pass. ind. praes. 2de pers. enk. δυνασαι = dunasai (jij kunt) van het (hulp-) werkw. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Bijbel (13) . OT (6) . NT (7) . Een vorm van δυναμαι = dunamai (kunnen) in de LXX (332) , in het NT (209) , in Mt (27) , in Mc () , in Lc (26) .

Mc 1,40.18. act. inf. aor. καθαρισαι = katharisai (om te reinigen) καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in het NT : katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in de LXX : katharizô (schoon maken, reinigen) . Bijbel (15) . LXX (12) . NT (3) :

We stellen een opmerkelijke overeenkomst vast tussen Mc 1,40 en Mc 5,22 .
Mc 1,40 kai (en) erchetai (komt) pros auton (bij hem) lepros (een melaatse) parakalôn (vragend) kai (en) gonupetôn  (knielend) legôn (zeggende) autôi (hem)
Mc 5,22 kai (en)erchetai (komt) heis tôn archisunagôgôn, onomati Iairos (iemand van de synagogeoversten, met de naam Jaïrus) kai idôn auton (en hem gezien  piptei pros tous podas autou (valt hij bij zijn voeten) kai parakalei auton polla (en roept hem dringend te hulp) legôn (zeggende) .

Eenmaligheid

- nom. mann. enk. lepros (melaatse) . Mc (1) : Mc 1,40 .
- act. part. pr.  nom. m. + vr. enk. parakalôn (ter hulp roepend) van het werkw. parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen, aandringen) . Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen . Mc (1) : Mc 1,40 .
- act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (knievallend) van het werkw. gonupeteô (op zijn knie vallen) . Mc (1) : Mc 1,40 .

Duality

- erchetai pros (hij gaat naar) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,48 .
- act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s (jij wil) van het werkw. thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,22 .
- ean thelè(i)s (indien je wil) . Mc (2) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 6,22 .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,41 - Mc 1,41 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
41 (o de ièsous OF kai) splagchnistheis ekteinas tèn cheira èpsato autou kai legei autô thelô katharisthti   41. Iesus autem misertus eius extendit manum suam et tangens eum ait illi volo mundare   En hij kreeg medelijden, strekte zijn hand uit (en) raakte aan en zei hem : "Ik wil, word rein".  41 Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: "Ik wil, word rein."  [41] Diep ontroerd stak Hij zijn hand uit en raakte hem aan. ‘Ik wil het, word rein’, zei Hij.   [41] Jezus kreeg medelijden, stak zijn hand uit, raakte hem aan en zei: ‘Ik wil het, word rein.’   41 Diep geroerd strekt hij zijn hand uit, grijpt hem vast en zegt tot hem: ik wíl dat, wórd rein!   41. Ému de compassion, il étendit la main, le toucha et lui dit : « Je le veux, sois purifié. » 

Statenvertaling . 41 En Jezus, met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit, en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd!
King James Bible . [41] And Jesus, moved with compassion, put forth his hand, and touched him, and saith unto him, I will; be thou clean.
Luther-Bibel . 41 Und es jammerte ihn und er streckte die Hand aus, rührte ihn an und sprach zu ihm: Ich will's tun; sei rein!
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . Door medelijden bewogen stak Hij de hand uit, raakte hem aan en sprak tot hem: "Ik wil, word rein."

>
  Mc 1,41 Mt 8,3 Lc 5,13
  (o de ièsous OF kai) splagchnistheis ekteinas tèn cheira èpsato autou kai legei autô thelô katharisthti kai ekteinas tèn cheira èpsato autou legôn thelô katharisthèti kai eutheôs ekatharisthè autou è lepra  kai ekteinas tèn cheira èpsato autou legôn thelô katharisthèti kai eutheôs è lepra apèlthen ap autou 

Tekstuitleg van Mc 1,41 . Dit vers Mc 1,41 telt 14 (2 X 7) woorden , X lettergrepen en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 1,41 is 9387 (3 X 3 X 7 X 149) .

Mc 1,41.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

OF : bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

- de (echter) . Afkorting d' . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 .

- nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) .
Mc (57) . In Mc 1 komt een vorm van de naam Jezus in slechts zes verzen voor : (1) Mc 1,1 (gen. Ièsou) . (2) Mc 1,9 (nom. Ièsous) . (3) Mc 1,14 (nom. Ièsous) . (4) Mc 1,17 (nom. Ièsous) . (5) Mc 1,24 (voc. Ièsou) . (6) Mc 1,25 (nom. Ièsous) .Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,9 (nom.) . (3) Mc 1,14 (nom.) . (4) Mc 1,17 (nom.) . (5) Mc 1,24 . (6) Mc 1,25 (nom.) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .

Mc 1,41.2. pass. part. aor. nom. mann. enk. σπλαγχνισθεις = splagchnistheis (door medelijden bewogen) van het werkw. σπλαγχνιζομαι = splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Taalgebruik in Mc : splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Bijbel (4) : Mc (2) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 9,22 . Een vorm van σπλαγχνιζομαι = splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) in Mc (4) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 6,34 . (3) Mc 8,2 . (4) Mc 9,22

Mc 1,41.3. act. part. aor. nom. mann. enk. ekteinas van het werkw. ekteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het NT : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) .
- Bayens (1963, 103,5) . De stam ten (?) .
- In Mc slechts in Mc 1,41 . De hand uitstrekken komt voor in : (1) Mc 1,41 (ekteinas tèn cheira autou = zijn hand uitgestrekt) . (2) Mc 3,5 (ekteinon tèn cheira = strek de hand uit) . Zie ook Mc 3,5 (exeteinen = hij strekte uit) .

Mc 1,41.4. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (12) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,16 . (7) Mc 1,21 . (8) Mc 1,28 . (9) Mc 1,29 . (10) Mc 1,33 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,41 .

Mc 1,41.5. cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

Mc 1,41.4. - 5. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. : tèn cheira (de hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .
In Mc 1,41 (zijn hand uitstrekken) en in Mc 7,32 (de hand opleggen) wordt de genezende kracht van de hand van Jezus uitgedrukt .
In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

Mc 1,41.6. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

Mc 1,41.7. med. ind. aor. 3de pers. enk. ἡψατο = hèpsato (hij greep vast; hij raakte aan) van het werkw. ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het NT : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in de LXX : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 5,27 . (3) Mc 5,30 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 7,33 .  Een vorm van ἁπτω = haptô (aanraken) in Mc (11) .
- Bayens (1963 , nr.96 nota en 1 : "De praesensstam wordt dikwijls versterkt met τ = t." " Iedere labiaal + σ = s , wordt ψ = ps ".

  haptô (vastgrijpen, aanraken)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 10 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc syn.  ev. 
1 act. ind.  aor. 3de pers. enk. hèpsato (1) Mc 1,41   (2) Mc 5,27 . (3) Mc 5,30 . (4) Mc 5,31 .     (5) Mc 7,33 .       35  20  15  15  15 
  totaal 11  64  40  24  11  24  24 

- Er heeft iets eigenaardigs plaats . Normaal maakt het aanraken van een onreine onrein . Bij Jezus vindt iets anders plaats . Door zijn aanraken wordt de onreine rein , genezen .

Mc 1,41.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,41.9. act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .  

Mc 1,41.10. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .

Mc 1,41.9. - 10. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 1,41.8. - 10. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 1,41.11. act. ind. praes. 1ste pers. enk.  thelô (ik wil) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het NT : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (2) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 6,25 . Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen in Mc . Tegenover de genezende wil van Jezus (Mc 1,41) staat de doodswil van de dochter van Herodias die het hoofd van Johannes de Doper vraagt .

Duality

- ind. aor. nom. mann. enk. splagchnistheis (zich ontfermd) van het werkw. splagchnizomai (zich ontfermen, medelijden hebben) . Mc (2) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 9,22 .
- act. ind. praes. 1ste pers. enk.  thelô (ik wil) van het werkw. thelô (willen) . Mc (2) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 6,25 .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,42 - Mc 1,42 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
42 kai eipontos autou eutheôs apèlthen ap autou è lepra kai ekatharisthè  42. et cum dixisset statim discessit ab eo lepra et mundatus est  En terstond ging de melaatsheid van hem heen en hij werd gereinigd.  42 Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.  [42] Meteen verdween zijn melaatsheid, en hij werd rein.   [42] En meteen verdween zijn huidvraat en hij was rein. 42 Meteen gaat de melaatsheid van hem weg en wordt hij gereinigd.  42. Et aussitôt la lèpre le quitta et il fut purifié. 

Statenvertaling . 42 En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.
King James Bible . [42] And as soon as he had spoken, immediately the leprosy departed from him, and he was cleansed.
Luther-Bibel . 42 Und sogleich wich der Aussatz von ihm und er wurde rein.
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . Terstond verdween de melaatsheid en was hij gereinigd.

>
  Mc 1,42 Mt 8,3 Lc 5,13  
  kai eipontos autou eutheôs apèlthen ap autou è lepra kai ekatharisthè kai eutheôs ekatharisthè autou è lepra 

kai eutheôs è lepra apèlthen ap autou 

 

Tekstuitleg van Mc 1,42 .

Mc 1,42.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,42.2. euthus (tijd: onmiddellijk, dadelijk, terstond; plaats : rechtstreeks, direct, zonder omwegen) . Taalgebruik in het NT : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . Taalgebruik in Mc : euthus (onmiddellijk , rechtstreeks) . euthunô (recht houden , recht maken) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,18 . (4) Mc 1,20 . (5) Mc 1,21 . (6) Mc 1,23 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,30 . (10) Mc 1,42 . (11) Mc 1,43 . In Mc 1 komt in 11 verzen euthus voor . Dat is veel in verhouding tot de andere hoofdstukken . Dat geeft iets onrustigs . Dikwijls duidt het op een onmiddellijke reactie . In een aantal verzen is de structuur van het vers zeer gelijkaardig opgebouwd . Het marcusevangelie heeft iets ongeduldigs . Er lijkt haast bij het optreden van Jezus te bestaan .

Mc 1,42.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem = zijn) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (13) : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,6 . (4) Mc 1,7 . (5) Mc 1,19 . (6) Mc 1,20 . (7) Mc 1,22 . (8) Mc 1,25 . (9) Mc 1,26 . (10) Mc 1,28 . (11) Mc 1,36 . (12) Mc 1,41 . (13) Mc 1,42 .

Mc 1,42.6. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,30 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,42 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
2. nom. vr. enk. hè 76 4860 3762  1098  151  76 143  117  83  443  85  370  487 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 1,42.9. nom. vr. enk. λεπρα = lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in het NT : lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in de LXX : lepra (melaatsheid) . Taalgebruik in Mc : lepra (melaatsheid) . Bijbel (19) : (1) Lv 13,8 . (2) Lv 13,11 . (3) Lv 13,12 . (4) Lv 13,13 . (5) Lv 13,15 . (6) Lv 13,20 . (7) Lv 13,25 . (8) Lv 13,30 . (9) Lv 13,42 . (10) Lv 13,51 . (11) Lv 13,52 . (12) Lv 13,57 . (13) Lv 14,44 . (14) Lv 22,4 . (15) 2 K 5,27 . (16) 2 Kr 26,19 . (17) Mt 8,3 . (18) Mc 1,42 . (19) Lc 5,13 .
- צָרָעַת = tsâra`ath (melaatsheid) . Taalgebruik in Tenakh : tsâra`ath (melaatsheid) . Bijbel (20) : (1) Lv 13,2 . (2) Lv 13,3 . (3) Lv 13,8 . (4) Lv 13,9 . (5) Lv 13,11 . (6) Lv 13,15 . (7) Lv 13,20 . (8) Lv 13,25 . (9) Lv 13,27 . (10) Lv 13,30 . (11) Lv 13,42 . (12) Lv 13,43 . (13) Lv 13,47 . (14) Lv 13,49 . (15) Lv 13,51 . (16) Lv 13,52 . (17) Lv 13,59 . (18) Lv 14,32 . (19) Lv 14,34 . (20) Lv 14,44 .

8. - 9. ἡ λεπρα = hè lepra (de melaatsheid) . Bijbel (6) : (1) Lv 13,12 . (2) 2 K 5,27 . (3) 2 Kr 26,19 . (4) Mt 8,3 . (5) Mc 1,42 . (6) Lc 5,13 .

Mc 1,42.11. pass. ind. aor. 3de pers. enk. εκαθαρισθη = ekatharisthè (hij werd gereinigd) van het werkw. καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in het NT : katharizô (schoon maken, reinigen) . Taalgebruik in de LXX : katharizô (schoon maken, reinigen) . LXX (3) : (1) Nu 12,15 (een vorm van ´âsaph = verzamelen, terugtrekken) . (2) 2 K 5,14 . (3) Jdt 16,18 (reiniging van het volk) . NT (3) : (1) Mt 8,3 . (2) Mc 1,42 . (3) Lc 4,27 . In de 3 verzen van het NT heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid . In Lc 4,27 is er sprake van de genezing van Naäman door de profeet Elisja .
- De meervoudsvorm pass. ind. aor. 3de pers. mv. εκαθαρισθησαν = ekatharisthèsan (zij werden gereinigd) komt in de bijbel 4X voor : (1) Ezr 6,20 . (2) Neh 12,30. (3) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 ; met betrekking tot de reiniging van melaatsen 2X : (1) Lc 17,14 . (4) Lc 17,17 . Een vorm van καθαριζω = katharizô (schoon maken, reinigen) in de LXX (125) , in het NT (31) .

    Mc Mc 1 Mc 7 bijbel OT NT Mt Mc Lc syn.  ev. 
act. inf. aor. katharisai   (1) Mc 1,40 .     15  12  3  
act. part. praes. nom. mann. enk. katharizôn     (1) Mc 7,19 .    
pass. ind. aor. 3de pers. enk. ekatharisthè   1   (1) Mc 1,42 .    
pass. imperat. aor. 2de pers. enk.  katharisthèti (1) Mc 1,41 .    
  Totaal   28  17  11  11  11 

- Hebreeuws : prefix voegwoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּטְהָר = wajjitëhâr (en hij werd rein) van het werkw. טָהַר = tâhâr (rein zijn, rein worden) . Taalgebruik in Tenakh : tâhâr (rein zijn, rein worden) . Getalwaarde : tet = 9 , he = 5 , resj = 20 of 200 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 214 (2 X 107) . De som van de elementen is telkens 7 . Tenach (2) : (1) 2 K 5,14 . (2) 2 Kr 34,5 . In 2 K 5,14 heeft het betrekking op de reiniging van melaatsheid , in 2 Kr 34,5 op de reiniging van het volk .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,43 - Mc 1,43 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
43 kai embrimèsamenos autô eutheôs exebalen auton  43. et comminatus ei statim eiecit illum   En hij snauwde hem aan (en) zond hem terstond weg. 43 Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem:  [43] Bars stuurde Hij hem meteen weg,   [43] Jezus stuurde hem weg met de ernstige waarschuwing: 43 Dan valt hij hard tegen hem uit en jaagt hem meteen weg,   43. Et le rudoyant, il le chassa aussitôt,  

Statenvertaling . 43 En als Hij hem strengelijk verboden had, deed Hij hem terstond van Zich gaan;
King James Bible . [43] And he straitly charged him, and forthwith sent him away;
Luther-Bibel . 43 Und Jesus drohte ihm und trieb ihn als bald von sich
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . Terwijl Hij hem wegstuurde vermaande Hij hem met klem:

>
  Mc 1,43    
  kai embrimèsamenos autô eutheôs exebalen auton     

Tekstuitleg van Mc 1,43 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

2. embrimaomai (in iets snuiven, diep bewogen zijn, toornen, nadrukkelijk gelasten) .

3. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .

Mc 1,44 - Mc 1,44 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -

Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
44 kai legei autôi hora mèdeni mèden eipès all' hupage seauton deixon tôi ierei kai prosenegke peri tou katharismou sou ha prosetaxen Môusès eis marturion autois   44. et dicit ei vide nemini dixeris sed vade ostende te principi sacerdotum et offer pro emundatione tua quae praecepit Moses in testimonium illis   en hij zei hem: Zie dat je aan niemand iets zegt, maar ga heen, toon jezelf  aan de priester en breng voor je reiniging aan wat Mozes verordend heeft tot getuigenis voor hen.   44 "Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren."  [44] met de woorden: ‘Zorg dat u er met niemand* over praat, maar ga u aan de priester* laten zien en breng als offer voor uw reiniging wat Mozes voorgeschreven heeft; dat zal hun het bewijs leveren.’   [44] ‘Denk erom dat u tegen niemand iets zegt, maar ga u aan de priester laten zien en breng het reinigingsoffer dat Mozes heeft voorgeschreven, als getuigenis voor de mensen.’   44 hij zegt tot hem: zie toe dat je aan niemand iets zegt, nee wegwezen, ‘toon je aan de priester’ en offer voor je reiniging wat Mozes heeft opgedragen, hun tot getuigenis.  44. et lui dit : « Garde-toi de rien dire à personne ; mais va te montrer au prêtre et offre pour ta purification ce qu'a prescrit Moïse : ce leur sera une attestation. » 

Statenvertaling . 44 En zeide tot hem: Zie, dat gij niemand iets zegt; maar ga heen en vertoon uzelven den priester, en offer voor uw reiniging, hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.
King James Bible . [44] And saith unto him, See thou say nothing to any man: but go thy way, shew thyself to the priest, and offer for thy cleansing those things which Moses commanded, for a testimony unto them.
Luther-Bibel . 44 und sprach zu ihm: Sieh zu, dass du niemandem etwas sagst; sondern geh hin und zeige dich dem Priester und opfere für deine Reinigung, was Mose geboten hat, ihnen zum Zeugnis.
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . "Zorg ervoor dat ge aan niemand iets zegt, maar ga u laten zien aan de priester en offer voor uw reiniging wat Mozes heeft voorgeschreven, om ze het bewijs te leveren."

>
  Mc 1,44 Mt 8,4 Lc 5,14
  kai legei autôi hora mèdeni mèden eipès all' hupage seauton deixon tôi ierei kai prosenegke peri tou katharismou sou ha prosetaxen Môusès eis marturion autois kai legei autô o ièsous ora mèdeni eipès alla upage seauton deixon tô ierei kai prosenegkon to dôron o prosetaxen môusès eis marturion autois   

Tekstuitleg van Mc 1,44 . Het vers Mc 1,44 telt 25 (5 X 5) woorden en 128 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 1,44 is 12710 (2 X 5 X 31 X 41) .

Mc 1,44.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,44.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 1 (3) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .  

Mc 1,44.3. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (10) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,18 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 1,27 . (5) Mc 1,30 . (6) Mc 1,37 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,41 . (9) Mc 1,43 . (10) Mc 1,44 .

Mc 1,44.2. - 3. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 1,44.1. - 3. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

4. act. imperat. 2de pers. enk. hora (zie)
- Bayens (1963 , 80) .

Mc 1,44.5. dat. mann. enk. μηδενι = mèdeni (aan niemand) van het onbepaald voornaamw. μηδεις = mèdeis (niemand) < mè-d-eis : niet één , niet iemand . Taalgebruik in het NT : mèdeis (niemand) . Taalgebruik in de LXX : mèdeis (niemand) . LXX (2) : (1) Ps 81,15 . (2) Tob 4,15 . Mt (3) : (1) Mt 8,4 . (2) Mt 16,20 . (3) Mt 17,9 . Mc (4) : (1) Mc 1,44 ( // Mt 8,4 ) . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 ( // Mt 16,20 ). (4) Mc 9,9 ( // Mt 17,9 ) .

  mèdeis (niemand)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. mann. + onz. enk. mèdeni  23  21      10  10 

Mc 1,44.1. - 7.
- Mc 1,44 : kai legei autô(i) hora mèdeni mèden eipè(i)s (en hij zegt hem , zie , dat gij aan niemand niets zegt) . Zwijggebod na de negezing van de lamme op een eenzame plaats .
- Mc 7,36 : kai diesteilato autois hina mèdeni legôsin (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden zeggen) . Het zwijggegbod na de genezing van een doofstomme .
- Mc 8,30 : kai epetimèsen autois hina mèdeni legôsin (en hij droeg hen op dat zij aan niemand zouden zeggen) . Het zwijggebod na de genezing van een blinde .
- Mc 9,9 : diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden verhalen wat zij hadden gezien) . Het zwijggebod na de verheerlijking op de berg .

Mc 1,44.9. act. imperat.  praes. 2de pers. enk. hupage (ga weg, vertrek) van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het NT : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô (onder iets brengen, weggaan) .
Mc (8) : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,52 .

11. act. ind. aor. 3de pers. enk. deikson van het werkw.
- Bayens (1963, 121) .

Mc 1,44.12. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (6) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,5 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,19 . (5) Mc 1,20 . (6) Mc 1,44 .

13.

Mc 1,44.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 1 . Van de 45 verzen in Mc 1 niet in 5 verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

15. act. imperat. 2de aor. 2de pers. enk. prosenegke van het werkw. prosfeô .
- Bayens (1963, nr.136) .

Mc 1,44.17. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 1 (8) : (1) Mc 1,1 (onz.) . (2) Mc 1,10 (mann.) . (3) Mc 1,13 (mann.) . (4) Mc 1,14 (mann.) . (5) Mc 1,15 (mann.) . (6) Mc 1,19 (mann.) . (7) Mc 1,24 (mann.) . (8) Mc 1,44 (mann.) .

Mc 1,44.22. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het NT : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc 1,44 .  (2) Mc 7,10 .  (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,4 .  (5) Mc 12,19 .

Mc 1,44.23. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for . In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,44.25. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (4) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 1,31 . (3) Mc 1,38 . (4) Mc 1,44 .

Betekenis van Mc 1,44

Het is de eerste maal in het Marcusevangelie dat Jezus vraagt om het aan niemand te zeggen . In dit verband spreekt men van het 'Messiasgeheim' . Jezus wil niet dat ze hem als messias belijden ofschoon hij weet dat hij het is en dat sommigen beseffen dat hij het is . Ik vermoed dat Jezus beducht is voor het gevaar dat hij bij bekendwording kan lopen . Hij is immers bij de gevangenneming van Johannes naar Galilea uitgeweken . Hij beseft dat het verkondigen van de boodschap het gevaar inhoudt om gevangen te worden genomen . Omtrent dit thema vind je meer informatie bij Mc 1,14 . In Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 zien we dat het gebod tot stilzwijgen gelinkt is aan het uitwijken van Jezus wegens levensgevaar .


Mc 1,1 - Mc 1,2 - Mc 1,3 - Mc 1,4 - Mc 1,5 - Mc 1,6 - Mc 1,7 - Mc 1,8 - Mc 1,9 - Mc 1,10 - Mc 1,11 - Mc 1,12 - Mc 1,13 - Mc 1,14 - Mc 1,15 - Mc 1,16 - Mc 1,17 - Mc 1,18 - Mc 1,19 - Mc 1,20 - Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23 - Mc 1,24 - Mc 1,25 - Mc 1,26 - Mc 1,27 - Mc 1,28 - Mc 1,29 - Mc 1,30 - Mc 1,31 - Mc 1,32 - Mc 1,33 - Mc 1,34 - Mc 1,35 - Mc 1,36 - Mc 1,37 - Mc 1,38 - Mc 1,39 - Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 .
Mc 1,45 - Mc 1,45 - 63. Genezing van een melaatse - Mc 1,40-45 -- Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 1 -- taalgebruik -- Mc 1,40 - Mc 1,41 - Mc 1,42 - Mc 1,43 - Mc 1,44 - Mc 1,45 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 6zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
45 o de exelthôn èrxato kèrussein polla kai diafèmizein ton logon ôste mèketi auton dunasthai fanerôs eis polin eiselthein all exô en erèmois topois èn kai èrchonto pros auton pantothen 45. at ille egressus coepit praedicare et diffamare sermonem ita ut iam non posset manifeste in civitatem introire sed foris in desertis locis esse et conveniebant ad eum undique   Hij echter ging weg (en) begon ijverig te verkondigen en het woord bekend te maken zodat hij niet meer openbaar in een stad kon binnengaan, maar hij was buiten op woeste plaatsen. En ze kwamen van overal naar hem.   45 Eenmaal vertrokken begon de man overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.  [45] Maar eenmaal vertrokken, begon hij volop te verkondigen en dit verhaal rond te vertellen, zodat Jezus niet meer openlijk in een stad kon komen, maar buiten bleef op eenzame plaatsen. En ze kwamen overal vandaan naar Hem toe.  [45] Maar toen de man vertrokken was, ging hij overal breeduit rondvertellen wat er gebeurd was, met als gevolg dat Jezus niet langer openlijk in een stad kon verschijnen, maar op eenzame plaatsen buiten de steden moest blijven. Toch bleven de mensen van alle kanten naar hem toe komen.  45 Maar nauwelijks weggegaan begint hij het meeste uit te bazuinen en aan het gesprokene ruchtbaarheid te geven, zodat hij niet meer openlijk een stad kan binnenkomen, maar daarbuiten moet blijven op plekken in de woestijn; toch zijn zij naar hem toe blijven komen, van overal.   45. Mais lui, une fois parti, se mit à proclamer hautement et à divulguer la nouvelle, de sorte que Jésus ne pouvait plus entrer ouvertement dans une ville, mais il se tenait dehors, dans des lieux déserts ; et l'on venait à lui de toutes parts.  

Statenvertaling . 45 Maar hij uitgegaan zijnde, begon vele dingen te verkondigen, en dat woord te verbreiden, alzo dat Hij niet meer openbaar in de stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen; en zij kwamen tot Hem van alle kanten.
King James Bible . [45] But he went out, and began to publish it much, and to blaze abroad the matter, insomuch that Jesus could no more openly enter into the city, but was without in desert places: and they came to him from every quarter.
Luther-Bibel . 45 Er aber ging fort und fing an, viel davon zu reden und die Geschichte bekannt zu machen, sodass Jesus hinfort nicht mehr öffentlich in eine Stadt gehen konnte; sondern er war draußen an einsamen Orten; doch sie kamen zu ihm von allen Enden.
- 6de (zesde) zondag door het b-jaar . Eenmaal vertrokken begon de man zijn verhaal overal in het openbaar te vertellen en ruchtbaarheid aan de zaak te geven, met het gevolg dat Jezus niet meer openlijk in de stad kon komen, maar buiten op eenzame plaatsen verbleef. Toch kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe.

>
  Mc 1,45    
  o de exelthôn èrxato kèrussein polla kai diafèmizein ton logon ôste mèketi auton dunasthai fanerôs eis polin eiselthein all exô en erèmois topois èn kai èrchonto pros auton pantothen    

Tekstuitleg van Mc 1,45 . Dit vers Mc 1,45 telt 29 woorden en 151 (priemgetal) letters . De getalwaarde van Mc 1,45 is 15587 (11 X 13 X 109) .

Bibliografie : Website : http://cat.inist.fr/?aModele=afficheN&cpsidt=12057963 .

Mc 1,45.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 1 (11) : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,6 . (3) Mc 1,7 . (4) Mc 1,11 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,15 . (7) Mc 1,17 . (8) Mc 1,24 . (9) Mc 1,25 . (10) Mc 1,31 . (11) Mc 1,32 . (12) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 1,45.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,44 legde Jezus aan de genezen melaatse een spreekverbod op . Maar die begon veelvuldig te verkondigen .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 1,45.1. - 2. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489) .

Mc 1,45.3. act. part. aor. nom. mann. enk. εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Mc (3) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 6,34 . (3) Mc 7,31 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38) , in Mc 1 (6) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 1,26 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 1,29 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven . In Mc 1,45 is er geen sprake van een plaats waaruit hij is gegaan . Hij is dus niet uitgegaan ; hij heeft zich van Jezus verwijderd . Of je zou het zo kunnen interpreteren . De woestijn is de plaats waarbinnen de melaatse zich bevindt . Door de genezing van Jezus kan de genezen melaatse die woestijnplaats uitgaan en kan hij de stad binnengaan . Statenvertaling : uitgegaan zijnde . KJB : he went out . Andere vertalingen hebben de betekenis van weggaan , vertrekken .
In Mc 1,45 is het de genezen melaatse , in de andere twee verzen is het Jezus . In Mc 6,34 stapt Jezus uit de boot , in Mc 7,31 verlaat Jezus het huis en de bergen van Tyrus .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. exelthôn  38  17  21        18  21     

    Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 14 Mc 16 syn. 
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen  11  3 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . 2 : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13   1 : Mc 4,3 .   1 : Mc 6,1 .   1 : Mc 8,27 . 1 : Mc 9,26 . 1 : Mc 11,11 . 1 : Mc 14,68 .   25 
ind. aor. 2de pers. mv. exèlthate                      1 : Mc 14,48 .  
  ind. aor. 1ste eprs. enk. + 3de pers. mv. exèlthon 5 (1) Mc 1,38 .   (2) Mc 3,21 .         (3) Mc 8,11 .     (4) Mc 14,16 . (5) Mc 14,26 .    
imperat. aor. 2de pers enk. exelthe  1 : Mc 1,25 .       1 : Mc 5,8 .       1 : Mc 9,25 .      
conj. aor. 2de perrs. mv. exelthète             1 : Mc 6,10 .            
perf. aor. 3de pers. enk exelèluthen              1 : Mc 7,29 .            
part. aor. nom. mann. enk. exelthôn   1 : Mc 1,45 .         1 : Mc 6,34 . 1 : Mc 7,31 .           18 
part. aor. nom. vr. enk. exelthousa             1 : Mc 6,24 .            
part. aor. gen. mann. enk.  exelthontos          1 : Mc 5,2              
part. aor. nom. + acc. onz. mv.  exelthonta         1 : Mc 5,13 .              
10  part. aor. acc. vr. enk. exelthousan           1 : Mc 5,30 .              
11  part. aor.  nom. mann. mv. exelthontes   1 : Mc 1,29 .   1 : Mc 3,6 .     1 : Mc 6,12 .     1 : Mc 9,30 .     1 : Mc 16,20 . 11 
12  part. aor. nom. vr. mv. exelthousai                         1 : Mc 16,8 .
13  part. aor. gen. mv. exelthontôn              1 : Mc 6,54 .       1 : Mc 11,12 .    
14  part. perf. acc. onz. enk. exelèluthos              1 : Mc 7,30 .          
  totaal 38  96 
    Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 14 Mc 16 syn. 

Mc 1,45.1. - 3. of 2. - 3. ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het NT .
- και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) . LXX (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . NT (8) : (1) Mt 14,14 . (2) Mt 15,21 . (3) Mt 20,3 . (4) Mt 24,1 . (5) Mt 26,75 . (6) Mc 6,34 . (7) Lc 22,39 . (8) Hnd 12,9 .
- In Mc 7,31 : και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . παλιν = palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) .

Mc 1,38 Mc 1,45 Mc 6,12 Mc 16,20
c. eis touto gar exèlthon (want daarvoor ben ik uitgegaan) ho de exelthôn (hij echter uitgegaan) kai exelthontes (en uitgegaan) ekeinoi de (deze echter) exelthontes (uitgegaan)
b. hina kai ekei kèruxô (opdat ik ook daar zou verkondigen) èrxato kèrussein (begon te verkondigen) ekèruxan (verkondigden zij) ekèruxan (verkondigden)
  polla (vele dingen) hina metanoôsin (opdat zij zouden omkeren) pantachou (overal)
61. Prediking in de synagogen : Mc 1,39 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,44  63. Genezing van een melaatse : Mc 1,40-45 - Mt 8,2-4 - Lc 5,12-16   147. Zending van de twaalf : Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6   357. Het langere Marcusslot : Mc 16,9-20 

Mc 1,45.4. ind. aor. 3de pers. enk. ηρξατο = èrxato (hij begon) van het werkw. αρχομαι = archomai (beginnen) . Taalgebruik in het NT : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in de LXX : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Mc (18) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . (12) Mc 11,15 . (13) Mc 12,1 . (14) Mc 13,5 . (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . 18) Mc 15,8 .

archomai (beginnen, aanvangen) Mt Mc  Lc syn. Mc Mc 1

Mc 2

Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br.
ind. aor. 3de p. enk. èrxato 7 : (1) Mt 4,17 . (2) Mt 11,7 . (3) Mt 11,20 . (4) Mt 16,21 . (5) Mt 16,22 . (6) Mt 26,37 . (7) Mt 26,74 . 18 : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . (12) Mc 11,15 . (13) Mc 12,1 . (14) Mc 13,5 . (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . (18) Mc 15,8 . (1) Lc 4,21 .  (2) Lc 7,15 . (3) Lc 7,24 . (4) Lc 7,38 . (5) Lc 9,12 . (6) Lc 11,29 . (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30 . (9) Lc 15,14 . (10) Lc 19,45 . (11) Lc 20,9 . (1) Mt 11,7 // Lc 7,24 . (2) Mt 16,21 // Mc 8,31 . (3) Mt 16,22 // Mc 8,32 . (4) Mt 26,37 // Mc 14,33 . (5) Mt 26,74 // Mc 14,71 . (6) Mc 11,15 // Lc 19,45 . (7) Mc 12,1 // Lc 20,9 . 18 1 : (1) Mc 1,45 .   1 : Mc 4,1 . 1 : (3) Mc 5,20 . 3 : (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . 2 : (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . 3 : (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . 1 : (12) Mc 11,15 . 1 : (13) Mc 12,1 . 1 : (14) Mc 13,5 . 3 : (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . (18) Mc 15,8 . 1 : (18) Mc 15,8 . 76 35 41 7 18 11 1 4  

In Mc 1,45 is het de eerste keer dat Marcus ηρξατο = èrxato (hij begon) gebruikt . Het gebruik ervan in het laatste vers van dit hoofdstuk roept de idee van een inclusio (omarming, omsluiting) met het αρχη = archè (begin) van vers 1 op . Dit eerste hoofdstuk zou dus een begin / aanvang van de boodschap van Jezus geven . In Mc 1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik zullen we vinden in Mc 5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen heiden . Zo krijgen we twee getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus .

Mc 1,45.5. act. inf. praes. κηρυσσειν = kèrussein (verkondigen) van het werkw. κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in de LXX : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô (verkondigen) . Bijbel = NT (6) : (1) Mt 4,17 . (2) Mt 11,1 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 3,14 . (5) Mc 5,20 . (6) Lc 9,2 . Een vorm van κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) in de LXX (32) , in het NT (61) , in Mc (14) . In de LXX kan κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse woorden zijn .

  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16
1 ind. part. pr.  nom. m. + vr. enk. kèrussôn 3 (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,39              
2 inf. pr. kèrussein 3 (1) Mc 1,45 .   (2) Mc 3,14 . (3) Mc 5,20          
3 ind. imperf. 3de p. enk. ekèrussen 1 (1) Mc 1,7 .                
4 ind. imp. 3de p. mv. ekèrusson 1         (1) Mc 7,36 .        
5 ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan  2       (1) Mc 6,12       (2) Mc 16,20 .
6 imperat. aor. 2de p. mv. kèruxate 1               (1) Mc 16,15 .
7 act. conj. aor. 1ste pers. enk. 1 (1) Mc 1,38 .                
8 inf. pass. aor. kèruchthènai            (1) Mc 13,10 .    
9 pass. conj. aor. 3de pers. enk. kèruchthè 1             (1) Mc 14,9 .  
  Totaal 14
  kèrussô (verkondigen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Ned. : prediken , verkondigen . D. : predigen . E. : to preach . Gr. : κηρυσσω = kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het NT : kèrussô (verkondigen) . Lat. : praedicare .

Waarin bestaat het getuigenis . In Mc 1,14 is er sprake van het verkondigen van het evangelie van God en in Mc 1,1 : begin van het evangelie : Jezus is de Messias (Christus) . Het getuigenis of de verkondiging van de genezene zou kunnen zijn : Jezus is de Messias (Christus) . Zo omsluit Mc 1,45 nog mooier Mc 1 . In het evangelie is het getuigenis van Jezus als de Messias (Christus) voorbehouden voor Petrus .

Mc 1,45.4. - 5. ηρξατο κηρυσσειν = èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 1,45 . (3) Mc 5,20 . STAP VOOR STAP ! In Mc 1,45 gaat het om een getuigenis van een genezen jood . Eenzelfde gebruik vinden we in Mc 5,20 , maar daar gaat het dan om een genezen niet-jood . Zo krijgen we twee getuigen : een jood en een heiden ; ze getuigen over hun genezing door Jezus .
- ηρξατο διδασκειν = èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) . Bijbel = NT (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 .

Mc 1,45.6. nom. en acc. onz. mv. πολλα = polla (vele) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .

polus (veel)     Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. onz. mv. polla    (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,45 .     (3) Mc 3,12 .   (4) Mc 4,2 .   (5) Mc 5,10 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 5,26 . (8) Mc 5,38 . (9) Mc 5,43 .   (10) Mc 6,13 . (11) Mc 6,20 . (12) Mc 6,23 . (13) Mc 6,34 .   (14) Mc 7,4 . (15) Mc 7,13 .   (16) Mc 8,31 .   (17) Mc 9,12 . (18) Mc 9,26 .   (19) Mc 10,22 .     (20) Mc 12,41 .       (21) Mc 15,3 .     193  130  63  21  14  34  42     

- N. : veel < Grieks : polus ; p -> v . Arabisch : كثير = kathir (veel) . D. : viel . E. : many . Fr. : nombreux (tal-rijk) . Gr. : πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Hebr. : רַב + Aramees = rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) . Lat. : multus .

Mc 1,45.7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

8.

Mc 1,45.9. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 1 (8) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,9 . (4) Mc 1,14 . (5) Mc 1,16 . (6) Mc 1,19 . (7) Mc 1,20 . (8) Mc 1,45 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : de . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) .

Mc 1,45.10. acc. mann. enk. λογον = logon van het zelfst. naamw. λογος = logos (woord) . Taalgebruik in het NT : logos (woord) . Taalgebruik in de LXX : logos (woord) . Mc (18) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 4,14 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,16 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,18 . (8) Mc 4,19 . (9) Mc 4,20 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 5,36 . (12) Mc 7,13 . (13) Mc 7,29 . (14) Mc 8,32 . (15) Mc 9,10 . (16) Mc 11,29 . (17) Mc 14,39 . (18) Mc 16,20 .

  logos (woord) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
4 acc. enk. logon 18             347 220 127 17 18 10 14 31 30 7 45  59 
  Totaal   24                                 1393  1071  322 31 24 32 38 65 114 18 87  125 

Mc 1,45.12. mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het NT : mèketi (niet meer) . niet nog . F. ne ... plus .
Mc (4) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 11,14 .

Mc 1,45.13. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen .
Mc (6) : 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.  

14. inf. praes. δυνασθαι = dunasthai (te kunnen) van het werkw. δυναμαι = dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het NT : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in de LXX : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Bijbel (17) . LXX (9) . NT (8) . Mc (3) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 4,32 .

Mc 1,45.16. eis (naar, tot) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in / ad . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Ned. naar . E. for .
In 13 verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,4 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,10 . (4) Mc 1,12 . (5) Mc 1,14 . (6) Mc 1,21 . (7) Mc 1,28 . (8) Mc 1,29 . (9) Mc 1,35 . (10) Mc 1,38 . (11) Mc 1,39 . (12) Mc 1,44 . (13) Mc 1,45 .

Mc 1,45.18. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Mc (6) : 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.

Mc 1,45.21. ep' (op, bij) , afkoring van epi . Taalgebruik in het NT : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Het voorzetsel epi in Mc 1,22 en ep' in Mc 1,45 .

Mc 1,45.22. datief vrouwelijk mv. erèmois = eenzaam , van het zelfst. naamw. erèmos (woestijn , eenzaam) . Taalgebruik in het NT : erèmos (woestijn) . Taalgebruik in Mc. : erèmos (woestijn) . Hebr. chârëbâh (chrbh : 11) , mv. chârâbhôth (chrbwth : 14) . De berg chorebhâh (Choreb) . hammidëbar (de woestijn) (39) . Cfr. heremiet < herèmitos : kluizenaar (claustrum : gesloten) . désert < Latijnse de-sertus : verlaten ; serere , sertum : aaneenrijgen , aaneenschakelen . Een plaats is eenzaam om tot rust te komen . Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood . Een weg is verlaten .
In 6 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (woestijn) voor in Mc 1 : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,13 . (5) Mc 1,35 . (6) Mc 1,45 .
- dat. vr. enk. erèmô(i) in drie verzen : (1) Mc 1,3 . (2) Mc 1,4 . (3) Mc 1,13 .
- acc. vr. enk. erèmon in (1) Mc 1,12 . (2) Mc 1,35 .
- en erèmois (eenzame plaatsen) in Mc 1,45 .

erèmois (op eenzame plaatsen) . Wat een evolutie in Mc 1,21-45 ! Op sabbat . Mc 1,21-28 speelt zich af in de synagoge van Kafarnaüm , Mc 1,29-31 in het huis van de schoonmoeder van Petrus . ’s Avonds na de sabbat . Mc 1,32-34 aan de deur van het huis van de schoonmoeder van Petrus . ’s Anderendaags ’s morgens na de sabbat . In Mc 1,35-38 is Jezus naar een eenzame plek gegaan om te bidden . De leerlingen zoeken hem op , maar Jezus zegt hen dat hij naar elders naar de steden en dorpen moet gaan . In Mc 1,39 gaat hij dan naar de synagogen in heel Galilea . In Mc 1,45 komen de mensen zelf van overal naar hem toe en wel op een eenzame plaats . En wellicht was de melaatse de eerste persoon die op Jezus toekwam op een eenzame plaats .

Mc 1,45.24. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn (hij was) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
In zes verzen in Mc 1 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 1,22 . (4) Mc 1,23 . (5) Mc 1,33 . (6) Mc 1,45 .

Mc 1,45.25. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et ..

2. ind. imperf. 3de pers. mv. = èrchonto (zij gingen, zij kwamen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc 1 (8) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,9 . (3) Mc 1,14 . (4) Mc 1,24 . (5) Mc 1,29 . (6) Mc 1,39 . (7) Mc 1,40 . (8) Mc 1,45 .

  erchomai (gaan, komen) : bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
8 ind. imp. 3de p. mv. èrchonto 15 9 6   1   4 1    

3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 1 (6) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 1,32 . (4) Mc 1,33 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 1,45 . Hier wordt het voor de vijfde maal gebruikt . Voor het eerst wordt ερχεται = erchetai in combinatie met pros auton (hij gaat naar hem) gebruikt .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

4. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 1 (11) : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 1,10 . (3) Mc 1,12 . (4) Mc 1,26 . (5) Mc 1,32 . (6) Mc 1,34 . (7) Mc 1,36 . (8) Mc 1,37 . (9) Mc 1,40 . (10) Mc 1,43 . (11) Mc 1,45 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. autos   15              654  490  164  12  15  45  18  17  49  72  90 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

3. - 4. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . LXX (369) . NT (105) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

1. - 4. :Mc 1,40 vormt een inclusio met het slot van deze pericope in Mc 1,45 : kai èrchonto (imperf. 3de pers. mv.) pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .

kai (en) . Taalgebruik in het NT : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de vijfenveertig verzen in Mc 1 niet in vijf verzen : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,2 . (3) Mc 1,3 . (4) Mc 1,8 . (5) Mc 1,14 .

Mc 1,45.26. ind. imperf. 3de pers. mv. èrchonto (zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan) . Deze vorm komt in Mc slechts hier in Mc 1,45 voor . De ind. imperf. 3de pers. enk. komt in Mc slechts in Mc 2,13 voor . Vergelijk :
- Mc 1,45 : kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
STAP VOOR STAP !

 

Mc 1,45.29. pantothen (van overal) . Taalgebruik in het NT : pantothen (van overal) . Taalgebruik in Mc : pantothen (van overal) . Mc (1) Mc 1,45 . In Mc 1 wordt beklemtoond hoe het optreden van Jezus naar allen gaat en hoe het allen in beweging brengt . Pasas (allen die er slecht aan toe waren) : (1) Mc 1,32 . Pantothen (van overal) in Mc 1,45 . Holè (de hele stad) in Mc 1,33 . Holèn (heel Galilea) in Mc 1,39 .
Mc 1 wil alomvattend zijn : man en vrouw , in de synagoge en erbuiten , in steden en dorpen , in geheel Galilea , in en buiten de stad . Impliciet is er reeds een verwijzing naar jood en heiden .