- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,
Overzicht : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Tekstuitleg per pericope - Mc
2,1-12 - Mc
2,13-14 - Mc
2,15-17 - Mc
2,18-22 - Mc
2,23-28 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc
2,1 - Mc
2,2 - Mc
2,3 - Mc
2,4 - Mc
2,5 - Mc
2,6 - Mc
2,7 - Mc
2,8 - Mc
2,9 - Mc
2,10 - Mc
2,11 - Mc
2,12 - Mc
2,13 - Mc
2,14 - Mc
2,15 - Mc
2,16 - Mc
2,17 - Mc
2,18 - Mc
2,19 - Mc
2,20 - Mc
2,21 - Mc
2,22 - Mc
2,23 - Mc
2,24 - Mc
2,25 - Mc
2,26 - Mc
2,27 - Mc
2,28 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| Van Oyen Geert : (1) - (2) - (3) - (4) - |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het tweede hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
67. Genezing van de lamme : Mc
2,1-12 - Lc
5,17-26 - Mt
9,1-8
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc
2,13-14 - Mt
9,9 - Lc
5,27-28
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc
2,15-17 - Mt
9,10-13 - Lc
5,29-32
70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc
2,18-22 - Mt
9,14-17 - Lc
5,33-39
94. Aren uittrekken op sabbat : Mc
2,23-28 - Mt
12,1-8 - Lc
6,1-5
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. |
| Mc 2,8 | Mc 2,17 | Mc 2,19 | Mc 2,25 | Mc 3,4 |
| kai euthus (en omiddellijk) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| epignous (onderkend) | akousas (gehoord) | |||
| ho Ièsous (Jezus) | ho Ièsous (Jezus) | |||
| legei (zegt) | legei (zegt) | eipen (zei) | legei (hij zegt) | legei (hij zegt) |
| autois (aan hen) | autois (aan hen) | autois (aan hen) | autois (aan hen) | autois (aan hen) |
| hi Ièsous (Jezus) | ||||
| 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 - | 69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 - | 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe :Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 - | 94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 - | 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - |
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Het verhaal van de genezing van de lamme speelt zich af in een huis waar Jezus
zo omstuwd wordt door zoveel volk dat sommigen die buiten staan , niet tot bij
Jezus kunnen geraken . In Mc
2,1-12 wordt de oplossing bedacht om een lamme via het dak tot bij Jezus
te brengen .
Vergeving is een belangrijk element in een gemeenschap , in een menselijke samenleving
. Het is een bindmiddel tussen de leden . Zonden en tekortkomingen kunnen een
persoon of een gemeenschap verlammen , stilleggen , geen vooruitgang doen maken
. Een gemeenschap kan iemand vergeven of uit de gemeenschap sluiten . Legt de
gemeenschap te sterk de nadruk op zuiverheid , dan bestaat de kans dat zij voor
uitsluiting opteert . Brengt ze echter begrip op voor menselijke zwakheid en
tekortkoming , dan bestaat de kans dat ze opteert voor barmhartigheid en vergeving
.
| 1. men | 2. velen | 3. Jezus | 4. de dragers | 5. Jezus | 6. schriftgeleerden | 7. Jezus | 8. de lamme |
| Mc 2,1 | Mc 2,2 | Mc 2,2 | Mc 2,3 - Mc 2,4 | Mc 2,5 | Mc 2,6 - Mc 2,7 | Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 | Mc 2,12 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | de (echter) | kai (en) | kai (en) |
8 scènes , 7X verandering van personage . Slechts 1 scène vangt
aan met de (echter) , de andere scènes beginnen met kai (en) . In de
hele pericope komt 15X kai (en) voor , slechts 2X de (echter) .
De pericope is opgebouwd volgens het sandwich-model : (Mc 2,1-2 : summarium)
Mc 2,3-5a / Mc 2,5b-9a / Mc 2,9b-12 . Het middengedeelte wordt omsloten door
de zin : legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) (Mc5a2
, Mc 2,9b) . De buitenste delen (Mc 2,3-5a en Mc 2,9b-12) bevatten het genezingsverhaal
van de lamme , het binnenste deel (Mc 2,5b-9a) geeft de stilzwijgende discussie
rond de zondenvergeving .
| Mc 2,1 - Mc 2,1 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen;
en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
King James Bible . And again he entered
into Capernaum after some days; and it was noised that he was in the house.
Luther-Bibel . 1 Und nach einigen Tagen ging er wieder nach Kapernaum; und es
wurde bekannt, dass er im Hause war.
Tekstanalyse van Mc 2,1 . Dit vers Mc 2,1 telt 13 woorden , 25 lettergrepen en 62 (2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 2,1 is 4594 (2 X 2297) . Er is één hoofdzin , een participiumzin bij het onderwerp en een objectzin .
Mc 2,1.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,1.2.
actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan)
van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
5,39 . (5) Mc
7,24 . (6) Mc
11,15 .
Eerder werd eiselthôn (binnengegaan) in Mc
1,21 gebruikt om de synagoge binnen te gaan ; hier echter om de stad Kafarnaüm
binnen te gaan . kai eiselthôn (en binnengegaan) linkt aan kai exèlthen
(en hij ging naar buiten) (
Mc 2,13 ) . Het verhaal Mc
2,1-12 speelt zich in huis af . Het is een tweede verhaal dat zich 'in huis'
afspeelt ; er gebeurt telkens een wonderverhaal (Mc
1,29-31 en Mc
2,1-12) .
Mc 2,1.3.
palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin
(opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin
(opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc 2 (2) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,13 .
Het woordje palin (opnieuw) komt hier voor de eerste maal voor , maar zal in
de volgende hoofdstukken nog meer voorkomen . In Mc
2,1 verwijst het naar Mc
1,21 : "En zij gaan op weg naar Kafarnaüm" . In Mc
1,21 wordt het werkwoord "op weg gaan naar" (Grieks : eisporeuomai) gebruikt
, in Mc
2,1 : "naar-gaan" (eiserchomai : naar-gaan) , een variante van het vorige
. Een stad wordt binnengegaan , evenals een synagoge of een huis . In onze beide
gevallen wordt een werkwoord gebruikt met een voorvoegsel naar (Grieks : eis-
) , en de stad is Kafarnaüm . De constructie "naar-gegaan naar" ( Grieks:
eiselthôn eis... ) vonden we reeds in Mc
1,21 : en onmiddellijk op sabbat naar-gegaan naar de synagoge .
Als in Mc
2,1 uitdrukkelijk een link wordt gelegd met Mc
1,21 , maakt het ons attent om naar verdere verbanden te zoeken . In Mc
2,1-12 speelt het verhaal zich niet af in de synagoge , maar in het huis . Het
woord synagoge : plaats van samenkomst , is afgeleid van samenkomst en verwijst
naar het werkwoord sunagô : samenkomen , gezamenlijk ageren / handelen
, samenstromen . In Mc
2,1 wordt dat werkwoord gebruikt : "kai sunèchthèsan polloi
= en velen waren samengekomen" . Dan voert Jezus het woord , en daarna heeft
een wondergebeuren plaats .
In beide verhalen komen we eenzelfde structuur tegen : een plaatsverandering
- een samenkomst van het volk - Jezus' optreden in woord en daad .
Mc 2,1.4.
eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
2 (5) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,7 ( heis = één ) . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,22 . (5) Mc
2,26 .
Mc 2,1.2.
4. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
11,15 .
(1) Mc
1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en
... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc
2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
(3) Mc
3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van
de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39
: eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc
7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc
11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .
Mc 2,1.5.
kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het N.T. : kafarnaoum
(Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum
(Kafarnaüm) . Khofèr (losgeld, verzoengeld) komt in de Hebreeuwse
bijbel in 14 verzen voor .
Mc (3) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
9,33 . In Mc
2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar eis
Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) van Mc
1,21 .
De eerste stad waar Jezus tijdens zijn openbaar leven verblijft , is Kafarnaüm
. De laatste stad is Jeruzalem . Bij een tweede vermelding van de beide steden
wordt een werkw. van eiserchomai (binnengaan) gebruikt :
- Mc 2,1
: kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum = en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm
.
- Mc 11,11
: kai eisèlthen eis Hierosoluma = en hij ging binnen in Jeruzalem .
Mc
2,1.4. - 5. eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
9,33 .
Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel
eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope .
Aan het voorzetsel eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf , in twee
verzen een werkwoord met het voorvoegsel eis (naar) . De zinnen beginnen telkens
met het verbindend voegwoord kai (en) .
In Mc
1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc
9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste
pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea . In
Mc 2,1
verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc
1,21 .
- Mc 1,21
. Kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm)
.
- Mc 2,1
. Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
- Mc 9,33
. Kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP !
Mc 2,1.6.
voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia
(door) . Taalgebruik in Mc : dia
(door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
dia in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc
2,1 .
Mc 2,1.7.
genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera
(dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera
(dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera
(dag) .
Mc (2) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
14,58 : dia triôn hèmerôn (na drie dagen) . In die context
vinden we ook : èkousamen... hoti : wij hebben gehoord... dat hij na
drie dagen...
Mc 2,1.8. pass. aor. 3de pers. enk. èkousthè (er werd gehoord) van het werkwoord akouô ( horen ) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare ( het oor lenen aan , toehoren , aanhoren ) -> écouter . Hebr. sjâmâ` . Mc (1) : Mc 2,1 .
Mc 2,1.9.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc 2,1.10.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
Mc 2,1.11.
datief mannelijk enk. oikô(i) (in huis) van het zelfstandig naamw. oikos
(huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia
(huis) . Taalgebruik in Mc : oikia
(huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere
: blijven , verblijven ) . Mc (1) : Mc
2,1 .
Een vorm van oikia (huis) en oikos (huis) in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,1 (dat. en oikô(i) = in huis) . (2) Mc
2,11 (acc. eis ton oikon = naar het huis) . (3) Mc
2,15 (en tè(i) oikia(i) = in het huis) . (2) Mc
2,26 (acc. eis ton oikon = naar het huis) .
In het eerste huis , in Mc
1,29 gaan Jezus en zijn leerlingen naar het huis van Simon en Andreas .
Daar geneest Jezus de schoonmoeder van Simon , die ziel te bed lag . In het
tweede huis , in Mc
2,1 vergeeft een lamme zijn zonden en geneest de lamme , die op een draagberrie
lag . In het derde huis , in Mc
3,20 , zegt Jezus wie zijn ware familieleden zijn en zijn schriftgeleerden
uit Jeruzalem gekomen die beweren dat hij door de duivel bezeten is .
10. - 11. en oikôi (in huis) . Bij Marcus slechts in Mc 2,1 . Het is een tweede verhaal dat zich 'in een huis' afspeelt ; er gebeurt een genezing (Mc 2,1-12) . Na het bezoek aan de synagoge ging Jezus en zijn leerlingen naar het huis van de schoonmoeder van Simon . We bevinden ons dus in Kafarnaüm . Evenals in Mc 1,29 is Jezus in Kafarnaüm en in een huis .
Mc 2,1.12.
ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik
in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc 2 (4) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,19 . (4) Mc
2,28 .
9. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 2,1
: hoti en oikô(i) estin (dat hij in huis is) .
- Mc 9,33
: en tè(i) oikia(i) genomenos (nadat hij in het huis was) .
| Mc 2,2 - Mc 2,2 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs
de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het
woord tot hen.
King James Bible . [2] And straightway many were gathered together, insomuch
that there was no room to receive them, no, not so much as about the door: and
he preached the word unto them.
Luther-Bibel . 2 Und es versammelten sich viele, sodass sie nicht Raum hatten,
auch nicht draußen vor der Tür; und er sagte ihnen das Wort.
Tekstuileg van Mc 2,2 . Het vers Mc 2,2 telt 17 woorden en 82 (2 X 41) letters . De getalwaarde van Mc 2,2 is 9981 (3 X 3 X 1109) .
Mc 2,2.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,2.2.
mediaal. aor. 3de pers. mv. sunèchtèsan (zij verzamelden
zich) van het werkw. sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in
het N.T. : sunagô
(samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in Mc : sunagô
(samendrijven, verzamelen) .
Deze vorm in Mc slechts in Mc
2,2 .
Een vorm van sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
4,1 . (3) Mc
5,21 . (4) Mc
6,30 . (5) Mc
7,1 .
(1) Mc
2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. sunèchthèsan = zij verzamelden
zich) .
(2) Mc 4,1
(med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc
5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv. sunèchthè = het
verzamelde zich) .
(4) Mc
6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1
(med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .
Mc 2,2.3.
nom. mann. mv. polloi (velen) . Taalgebruik in het N.T. : polus
(veel) . Taalgebruik in Mc. : polus
(veel) .
Mc (12) (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,15 . (3) Mc
5,9 . (4) Mc
6,2 . (5) Mc
6,31 . (6) Mc
6,33 . (7) Mc
10,31 . (8) Mc
10,48 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,41 . (11) Mc
13,6 . (12) Mc
14,56 . Vanwaar ze komen , wordt hier niet gezegd . Het is de
tweede maal dat Marcus melding maakt van het samenstromen van het volk .
Mc 2,2.4.
hôste (zodat) . Taalgebruik in het N.T. : hôste
(zodat) . Taalgebruik in Mc : hôste
(zodat) .
Mc (13) : (1) Mc
1,27 . (2) Mc
1,45 . (3) Mc
2,2 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,28 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,20 . (8) Mc
4,1 . (9) Mc
4,32 . (10) Mc
4,37 . (11) Mc
9,26 . (12) Mc
10,8 . (13) Mc
15,5 .
5. mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het N.T. : mèketi (niet meer) . niet nog . F. ne ... plus . Mc (4) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 11,14 . hôste mèketi (zodat hij / zij niet meer) .
Mc 2,2.9.
voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .
Mc (3) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,3 * . (3) Mc
2,13 * .
Mc 2,2.10.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,13 .
Mc 2,2.11.
thuran ( deur ) . Accusatief vrouwelijk enk. . Taalgebruik in het N.T. : thura
(deur) . Taalgebruik in Mc : thura
(deur) . Lat. ianua ( de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan
, zie de maand januari ) . Fr. porte < Lat. porta cfr. fores ( buiten ) .
Mc (4) : (1) Mc
1,33 . (2) Mc
2,2 . (3) Mc
11,4 . (4) Mc
15,46 . (1) Mc
1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld
bij de deur) . (2) Mc
2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3)
Mc 11,4
(gebonden bij de deur) . (4) Mc
15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou
(hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken) . Het is toch
merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd . Een
deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn
bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .
Mc 2,2.9. - 11. pros tèn thuran ( bij de deur) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Hnd 3,2 . In Mc 1,33 .verzamelde de hele stad zich bij de deur van het huis waarin Jezus zich bevond . In Mc 2,2 stromen zoveel mensen bijeen dat men niet meer bij de deur kan komen . Dat kan zowel van binnen uit als van buiten uit het geval zijn . Er is evolutie en gradatie . In Mc 3,20 is het samenstromen van het volk zo intens dat Jezus en zijn leerlingen niet eens de tijd krijgen om te eten .
Mc 2,2.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
13. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei (hij sprak) van het werkw. laleô
(lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô
(lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô
(lallen, spreken, praten) .
Mc (6) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
4,33 . (3) Mc
4,34 . (4) Mc
7,35 . (5) Mc
8,32 . (6) Mc
14,31 . Nog een vorm in Mc 2 : act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij
spreekt) : Mc
2,7 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Mc in 19 verzen
.
In deze 6 verzen komt autois (aan hen) voor bij een vorm van laleô (spreken)
en legô (zeggen) .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1)
Mc 2,10
. (2) Mc
2,5 .
- Mc 2,8
: kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt
Jezus ... zegt hen .Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt
hen .
- Mc 2,14
: kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc
2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .
Mc 2,2.14. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .
13. - 14. elalei autois (hij sprak tot hen) . Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 4,34 .
Mc 2,2.15.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc (124) . Mc 2 (9) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,11 . (5) Mc
2,12 . (6) Mc
2,14 . (7) Mc
2,19 . (8) Mc
2,26 . (9) Mc
2,27 .
| Mc 2,3 - Mc 2,3 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte,
die van vier gedragen werd.
King James Bible . [3] And they come unto him, bringing one sick of the palsy,
which was borne of four.
Luther-Bibel . 3 Und es kamen einige zu ihm, die brachten einen Gelähmten, von
vieren getragen.
Tekstuitleg van Mc 2,3 . Het vers Mc 2,3 telt 9 (3²) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 2,3 is 7332 (2² X 3 X 13 X 47) .
Mc 2,3.1.
kai ( en ) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,3.2.
erchontai ( zij gaan ) . Indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud
van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) .
In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
8,22 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
11,15 . (9) Mc
11,27 . (10) Mc
12,18 . (11) Mc
14,32 . (12) . Mc
16,2 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,20 .
In zes verzen gaat Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats : (1) Mc
5,38 . (2) Mc
8,22 . (3) Mc
10,46 . (4) Mc
11,15 . (5) Mc
11,27 . (6) Mc
14,32 . In één vers : erchontai ( zij nl. de vrouwen , gaan
) + epi ( naar , bij ) voorzetsel van plaats + plaatsbepaling : Mc
16,2 . In de vijf overige verzen gaan bepaalde groepen mensen naar Jezus
: (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
5,15 . (4) Mc
5,35 . (5) Mc
12,18 .
In Mc 2,3
zijn de dragers van de lamme onderwerp . Het is het enige vers in Mc in deze
werkwoordtijd waarin zieken (of zijn / hun helpers) naar Jezus gaan om genezen
te worden . Vergelijk met :
- Mc 1,40
: kai erchetai pros auton lepros = en een melaatse gaat naar hem .
- Mc 2,3
: kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon = en zij gaan dragend naar
hem de lamme .
Mc 2,3.3. act. part. praes. nom. mann. mv. ferontes (dragende) van het werkw. ferrô (dragen, voeren) .
Mc 2,3.1. - 2. kai erchontai (en zij gaan) . Bij Mc in elf van de twaalf verzen waarin erchontai (zij gaan) voorkomt , niet in Mc 5,35 .
Mc 2,3.4. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .
Mc 2,3.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
Mc 2,3.6.
acc. mann. enk. paralutikon (lamme) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme)
. Taalgebruik in het N.T. : paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos
(lamme) . para (langs , terzijde) . luô ( losmaken , vrijmaken , vrijlaten
) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos
: vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz. paraluô : ter
zijde losmaken , verlammen .
Mc (1) : Mc
2,3 . In Mc
2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc
2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc
2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc
2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc
2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc
2,10 (dat. enk. paralutikôi) .
| Mc 2,4 - Mc 2,4 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten
zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken
neder, daar de geraakte op lag.
King James Bible . [4] And when they could not come nigh unto him for the press,
they uncovered the roof where he was: and when they had broken it up, they let
down the bed wherein the sick of the palsy lay.
Luther-Bibel . 4 Und da sie ihn nicht zu ihm bringen konnten wegen der Menge,
deckten sie das Dach auf, wo er war, machten ein Loch und ließen das Bett herunter,
auf dem der Gelähmte lag.
Tekstuitleg van Mc 2,4 . Het vers Mc 2,4 telt 23 woorden en 124 (2 X 2 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 2,4 is 13822 (2 X 6911) .
Mc 2,4.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,4.2.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,7 . (3) Mc
2,19 . (4) Mc
2,21 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,26 .
Mc 2,4.5.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,26 .
Mc 2,4.6. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .
Mc 2,4.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .
Mc 2,4.8. acc. mann. enk. ochlon (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 6,34 . (6) Mc 6,45 . (7) Mc 7,14 . (8) Mc 8,2 . (9) Mc 8,34 . (10) Mc 9,14 . (11) Mc 11,32 . (12) Mc 12,12 . (13) Mc 15,11 . Voor het eerst brengt Mc de menigte ter sprake , slechts terloops . Een vorm van ochlos (menigte) in Mc in 36 verzen , in Mc 2 in 2 verzen : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,13 .
Mc 2,4.6. - 8. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte . In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren . STAP VOOR STAP .
Mc 2,4.9. apestegasan ( zij ont-dek (dak) ten ) . Act. ind. aor. 3de pers. enk. Het werkwoord apostegazô < apo : ont- + stegè : dak (dekken , bedekken : kaluptô) : ont-daken , het dak ont-dekken . Slechts 1X in de bijbel gebruikt .
Mc 2,4.10.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,13 .
Mc 2,4.11. stegèn ( dak ) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stegè : dak . Lat. tegere , tectum : dekken , bedekken . Tectum : bedekking , dak . Fr. toit . Bijbel (4) . O.T. (1) Gn 8,13 . N.T. (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 . Gr. kalup-tô . Lat. cooperire , operimentum . Fr. couvrir , couverture . Hebr. kâsâh : bedekken . mikhësèk : deksel . In een aantal teksten in Ex. wordt mikhësèk : deksel gebruikt om het deksel van de ark aan te duiden
Mc 2,4.9. - 11. apestegasan tèn stegèn ( zij ont-dekten het dak ) . Paroniem (Een stamverwant woord . Woorden die van dezelfde wortel zijn afgeleid en daarmee ten dele in klank overeenkomen) . Hapax in de bijbel .
Mc 2,4.12.
hopou (waar) . Onbepaald voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : hopou
(waar) . Taalgebruik in Mc : hopou
(waar) .
Mc (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,15 . (4) Mc
5,40 . (5) Mc
6,10 . (6) Mc
6,55 . (7) Mc
6,56 . (8) Mc
9,18 . (9) Mc
9,48 . (10) Mc
13,14 . (11) Mc
14,9 . (12) Mc
14,14 . (13) Mc
16,6 .
Mc 2,4.13. exoruxantes ( uitgegraven ) < ex (uit) + orussô of oruttô : graven (Fr. creuser) . Hebr. châthar .
Mc 2,4.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,4.18.
krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton
(bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton
(bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie
< beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) .
In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,12 . In Mc
2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc
2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme
. In Mc
2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In
Mc 2,12
draagt de genezene daadwerkelijk het bed .
Mc 2,4.19.
hopou (waar) . Onbepaald voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : hopou
(waar) . Taalgebruik in Mc : hopou
(waar) .
Mc (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,15 . (4) Mc
5,40 . (5) Mc
6,10 . (6) Mc
6,55 . (7) Mc
6,56 . (8) Mc
9,18 . (9) Mc
9,48 . (10) Mc
13,14 . (11) Mc
14,9 . (12) Mc
14,14 . (13) Mc
16,6 .
Mc 2,4.20.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (13 van de 28 verzen) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24 . (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,4.21.
nom. mann. enk. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos
(lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten)
. Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos
: vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
In Mc
2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc
2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc
2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc
2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc
2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc
2,10 (dat. enk. paralutikôi) .
Mc 2,4.22.
ind. imperf. 3de pers. mann. + vr. enk. katekeito (hij / zij lag neer) van het
werkw. katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het N.T. : katakeimai
(neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai
(neerliggen) .
Mc (2) : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
2,4 . In Mc
1,30 ligt de schoonmoeder van Simon met koorts te bed . Het is tijdelijk
, omdat ze koorts heeft . In Mc
2,4 ligt een lamme op het bed . Deze situatie van op het bed neerliggen
is permament omdat hij lam is . Beide genezingsverhalen hebben plaats in een
huis in Kafarnaüm .
STAP VOOR STAP ! Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
14,3 .
Mc 2,4.19.
- 22.
- Mc 2,4
: hopou èn (waar hij = Jezus) was . En : hopou ho paralutikos katekeito
= waarop de lamme lag .
- Mc 5,40
: hopou èn to paidion = waar het kind was .
In Mc 2,4
wordt het bed waarop de lamme lag op de plaats waar Jezus was neergelaten .
In Mc
5,40 begeeft Jezus zich naar binnen waar het kind was . In Mc
2,4 wordt de lamme door vier gedragen in de hoop dat Jezus hem zal genezen
. In Mc
5,40 is het kind gestorven . Alle hoop was opgegeven .
| Mc 2,5 // Mt 9,2 - Mc 2,5 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon,
uw zonden zijn u vergeven.
King James Bible . [5] When Jesus saw their faith, he said unto the sick of
the palsy, Son, thy sins be forgiven thee.
Luther-Bibel . 5 Als nun Jesus ihren Glauben sah, sprach er zu dem Gelähmten:
Mein Sohn, deine Sünden sind dir vergeben.
Tekstuitleg van Mc 2,5 . Het vers Mc 2,5 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 2,5 is 10891 .
Mc 2,5.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,5.2. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) .
Mc 2,5.1. - 2. deelzin idôn (gezien) , beginnend met kai (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .
Mc 2,5.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,5.4.
eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het
N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier
verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô
( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de
hoofdzin vooraf :
(1) Mc
2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i)
= en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc
2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk
opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt
aan hen .
(4) Mc
2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .
Mc 2,5.1. - 4. kai idôn ho ièsous (en Jezus gezien) : Mc 2,5 . kai ho ièsous idôn (en Jezus , gezien) : Mc 12,34 . idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . Nog éénmaal komt idôn de (gezien echter) voor in Mc 15,39 : idôn de ho kenturiôn (gezien echter de centurio) .
Mc 2,5.5.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,13 .
Mc 2,5.6.
acc. vr. enk. pistin (geloof, vertrouwen) van het zelfst. naamw. pistis (geloof,
vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis
(geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis
(geloof) . Mc (3) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
4,40 . (3) Mc
11,22 .
nom. vr. enk. pistis (geloof, vertrouwen) . Mc (2) : (1) Mc
5,34 . (2) Mc
10,52 .
- Mc 4,40
: oupô echete pistin (heb je nog geen geloof) . Mc
11,22 : echete pistin theou (heb geloof in God) .
Uit de verhalen van Mc
12,34 (lamme) , Mc
5,34 (bloedvloeiende vrouw) en Mc
10,52 (blinde) blijkt hoe grote inspanningen de zieke of zijn omgeving doet
om genezen te worden . Geduld , doorzettingsvermogen , de vaste wil kenmerken
dit geloof .
Mc 2,5.7. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .
Mc 2,5.2.
- 7. In Mc wordt idôn (gezien) gevolgd in 11 / 12 door een lijdend voorwerp
. Dit is een bepaling (8 / 12) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
5,6 . (3) Mc
5,22 . (4) Mc
6,48 . (5) Mc
8,33 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
11,13 . (8) Mc
12,28 of een voorwerpszin , ingeleid door hoti (dat) (3 / 12) : (1) Mc
9,25 . (2) Mc
12,34 . (3) Mc
15,39 . Niet in Mc
10,14 . idôn auton (hem gezien) in Mc (3) : (3) Mc
5,22 : idôn (Jaïrus) auton (Jezus) . (6) Mc
9,20 : idôn (de onreine geest) auton (Jezus) . (2) Mc
12,34 : idôn (Jezus) auton (een schriftgeleerde) . Maar er is nog
meer op te merken :
- Mc 5,6
: kai idôn (bezetene) ton ièsoun apo makrothen (en gezien Jezus
van verre) . Mc
11,13 : kai idôn sukèn apo makrothen (en gezien (Jezus) een
vijgeboom van verre) .
- Mc 9,25
: idôn de ho ièsous hoti (Jezus echter gezien dat) . Mc
15,39 : idôn de ho kenturiôn ... hoti (gezien echter de centurio
... dat) .
- Mc 12,28
: idôn hoti kalôs apekrithè autois = gezien (een schriftgeleerde)
dat hij (Jezus) hen goed antwoordde . Mc
12,34 : kai ho ièsous idôn auton hoti nounechôs apekrithè
(en Jezus hem gezien dat hij wijs antwoordde) .
Mc 2,5.8.
actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T.
: legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (6) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8. (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
2,17 . (6) Mc
2,25 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 12 verzen en van eipon
(ik zei) in 2 verzen .
Mc 2,5.9.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,10 . (5) Mc
2,15 .
Mc 2,5.8.
- 9. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,10 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
5,36 . (6) Mc
9,5 . (7) Mc
14,37 .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1)
Mc 2,10
. (2) Mc
2,5 .
- legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) :
(1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 .
- legei tô(i) archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste
: Mc 5,36
.
- Mc 9,5
: kai apokritheis ho petros legei tô ièsou (en Petrus geantwoord
zegt aan Jezus) . Mc
14,37 : kai legei tô petrô = en hij (Jezus) zegt aan Petrus .
Mc 2,5.10.
dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos
(lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten)
. Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos
: vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,10 . In Mc
2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc
2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc
2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc
2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc
2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc
2,10 (dat. enk. paralutikôi) . In Mc slechts in Mc 2 .
Mc 2,5.8. - 10. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
Mc 2,5.11.
nom. + voc. + acc. onz. enk. teknon (kind) . Taalgebruik in het N.T. : teknon
(kind) . Taalgebruik in Mc : teknon
(kind) .
Mc (2) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
13,12 .
Mc 2,5.13.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,9 . (5) Mc
2,11 .
Mc 2,5.14.
Mc 2,5.15. nom vr. mv. hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. hamùartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 .
| Mc 2,6 - Mc 2,6 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten
in hun harten:
King James Bible . [6] But there were certain of the scribes sitting there,
and reasoning in their hearts,
Luther-Bibel . 6 Es saßen da aber einige Schriftgelehrte und dachten in ihren
Herzen:
Tekstuitleg van Mc 2,6 . Het vers Mc 2,6 telt 13 woorden en 73 letters . De getalwaarde van Mc 2,6 is 6450 (2 X 3 X 5 X 5 X 43) .
Mc 2,6.1.
imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik
in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (16) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
4,1 . (6) Mc
6,31 . (7) Mc
6,34 . (8) Mc
6,44 . (9) Mc
8,9 . (10) Mc
9,4 . (11) : Mc
10,32 . (12) Mc
12,20 . (13) (1) Mc
14,4 . (14) Mc
14,40 . (15) Mc
14,56 . (16) Mc
15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) :
(1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
9,4 . (4) Mc
10,32 . (5) Mc
14,4 . (6) Mc
14,40 . (7) Mc
15,40 .Omschrijvende formule in Mc
2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende
en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . De omschrijvende formule
vinden we ook in Mc
2,18 : èsan ... nèsteuontes = ze waren vastende = ze waren
bezig met vasten .
Mc 2,6.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,10 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,20 . (5) Mc
2,21 . (6) Mc
2,22 .
Mc 2,6.1. - 2. hèsan de (zij waren echter) . Mc (5) . In 4 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 14,4 . (4) Mc 15,40 + Mc 8,9
Mc 2,6.3.
onbepaald voornaamw. nom. mann. mv. tines (enkele, sommige) van het onbepaald
voornaamw. tis (een bepaalde) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (9) . Mc 2 (1) : Mc
2,6 .
Mc 2,6.4.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,23 .
Mc 2,6.5.
gen. mann. mv. grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus
(schriftgeleerde) .
Mc (8) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
7,1 . (3) Mc
8,31 . (4) Mc
12,28 . (5) Mc
12,38 . (6) Mc
14,43 . (7) Mc
15,1 . (8) Mc
15,31 .
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw.
grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
9,11 . (6) Mc
9,14 . (7) Mc
11,18 . (8) Mc
11,27 . (9) Mc
12,35 . (10) Mc
14,1 . (11) Mc
14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc
9,14 .
In Mc 2,6
treden enkele schriftgeleerden voor het eerst op in het kader van zondenvergeving
. In Mc
3,22 treden de schriftgeleerden als groep op ; ze komen uit Jeruzalem .
In Mc
9,14 discussiëren schriftgeleerden met leerlingen van Jezus bij een
duiveluitdrijving . In Jeruzalem (vanaf Mc 11) treden ze vaak in gezelschap
van andere groepen op .
Mc 2,6.3. - 5. tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .
Mc 2,6.6.
ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei
(daar) . Taalgebruik in Mc : ekei
(daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc
1,38 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
3,1 . (4) Mc
5,11 . (5) Mc
6,5 . (6) Mc
6,10 . (7) Mc
6,33 . (8) Mc
11,5 . (9) Mc
13,21 . (10) Mc
14,15 . (11) Mc
16,7 .
Mc 2,6.7.
part. praes. nom. mann. mv. kathèmenoi (zittende) van het werkw.
kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het N.T.
: kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) .
Mc (1) : Mc
2,6 . Omschrijvende formule in Mc
2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende
en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . Een vorm van kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) in Mc in 11 verzen .
Mc 2,6.8.
kai ( en ) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 . Er is verandering van personage .
Mc 2,6.10.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
Mc 2,6.11.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de
/ het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
6,56 . (5) Mc
8,1 . (6) Mc
12,38 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,17 . (9) Mc
13,24 . (10) Mc
16,18 .
Mc 2,6.13. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .
| Mc 2,7 - Mc 2,7 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden
vergeven, dan alleen God?
King James Bible . Why doth this man thus speak blasphemies? who can forgive
sins but God only?
Luther-Bibel . 7 Wie redet der so? Er lästert Gott! Wer kann Sünden
vergeben als Gott allein?
Tekstuitleg van Mc 2,7 . Dit vers Mc 2,7 telt 14 (2 X 7) woorden en 63 (7 X 9) letters . De getalwaarde van Mc 2,7 is 7126 (2 X 7 X 509) .
Mc 2,7.1.
voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,25 .
Mc 2,7.2.
nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc (12) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
3,35 . (3) Mc
4,41 . (4) Mc
6,3 . (5) Mc
6,16 . (6) Mc
7,6 . (7) Mc
9,7 . (8) Mc
12,7 . (9) Mc
12,10 . (10) Mc
13,13 . (11) Mc
14,69 . (12) Mc
15,39 .
Mc 2,7.3.
houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(zo) . Taalgebruik in Mc : houtos
(zo) .
Mc (10) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,12 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
7,18 . (6) Mc
9,3 . (7) Mc
10,43 . (8) Mc
13,29 . (9) Mc
14,59 . (10) Mc
14,59 .
Mc 2,7.4.
act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij spreekt) van het werkw. laleô
(lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô
(lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô
(lallen, spreken, praten) .
Mc (2) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
11,23 .
Mc 2,7.5.
actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud blasfèmei (hij lastert
God) van het werkwoord blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken
, God lasteren) . Taalgebruik in het N.T. : blasfèmeô
(lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô
(lasteren, godslasteren) .
Mc (1) : Mc
2,7 . Een vorm van blasfèmeô (lasteren, godslasteren) in 4
verzen in Mc : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
3,28 . (3) Mc
3,29 . (4) Mc
15,29 .
Mc 2,7.6. voornaamw. nom. mann. + vr. enk. tis (wie, iemand) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een . Mc (24) . Mc 2 (1) : Mc 2,7 .
7. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 . (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 . (10) Mc 10,26 . (11) Mc 15,31 .
Mc 2,7.9.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc 2,7.11.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,7 . (3) Mc
2,19 . (4) Mc
2,21 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,26 .
Mc 2,7.12.
voornaamw. nom. mann. enk. heis (ene) OF eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T.
: eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,7 ( heis = één ) . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,22 . (5) Mc
2,26 .
13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
10. - 14. ei mè heis ho theos (tenzij de ene God) . Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 10,18 .
| Mc 2,8 - Mc 2,8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo
in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw
harten?
King James Bible . [8] And immediately when Jesus perceived in his spirit that
they so reasoned within themselves, he said unto them, Why reason ye these things
in your hearts?
Luther-Bibel . 8 Und Jesus erkannte sogleich in seinem Geist, dass sie so bei
sich selbst dachten, und sprach zu ihnen: Was denkt ihr solches in euren Herzen?
Tekstuitleg van Mc 2,8 . Het vers Mc 2,8 telt 22 (2 X 11) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Mc 2,8 is 15149 .
Mc 2,8.1. kai ( en ) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 /678) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . Er is verandering van personage .
Mc 2,8.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,8.5.
eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. :
Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier
verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô
( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de
hoofdzin vooraf :
(1) Mc
2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i)
= en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc
2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk
opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt
aan hen .
(4) Mc
2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .
Mc 2,8.6.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,10 . (5) Mc
2,15 .
Mc 2,8.9.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc 2,8.10.
houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(zo) . Taalgebruik in Mc : houtos
(zo) .
Mc (10) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,12 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
7,18 . (6) Mc
9,3 . (7) Mc
10,43 . (8) Mc
13,29 . (9) Mc
14,59 . (10) Mc
14,59 .
Mc 2,8.12.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
Mc 2,8.14.
actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T.
: legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (6) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8. (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
2,17 . (6) Mc
2,25 .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1)
Mc 2,10
. (2) Mc
2,5 .
- Mc 2,8
: kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt
Jezus ... zegt hen .Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt
hen .
- Mc 2,14
: kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc
2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .
Mc 2,8.15.
voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,25 . (6) Mc
2,27 .
- elalei autois (hij sprak tot hen) : Mc
2,2 .
- legei autois (hij zegt hen) : (1) Mc
2,8 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,25 .
- elegen autois (hij zei hen) : Mc
2,27 .
- Mc 2,19
: kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .
Mc 2,8.16.
voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,25 .
Mc 2,8.19.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
Mc 2,8.20.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de
/ het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
6,56 . (5) Mc
8,1 . (6) Mc
12,38 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,17 . (9) Mc
13,24 . (10) Mc
16,18 .
| Mc 2,9 - Mc 2,9 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn
u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
King James Bible . [9] Whether is it easier to say to the sick of the palsy,
Thy sins be forgiven thee; or to say, Arise, and take up thy bed, and walk?
Luther-Bibel . 9 Was ist leichter, zu dem Gelähmten zu sagen: Dir sind deine
Sünden vergeben, oder zu sagen: Steh auf, nimm dein Bett und geh umher?
Tekstuitleg van Mc 2,9 . Het vers Mc 2,9 telt 20 (2X 2 X 5) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Mc 2,9 is 11030 (2 X 5 X 1103) .
Mc 2,9.1.
voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,25 .
Mc 2,9.5.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,10 . (5) Mc
2,15 .
Mc 2,9.6.
dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos
(lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten)
. Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos
: vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,10 . In Mc
2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc
2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc
2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc
2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc
2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc
2,10 (dat. enk. paralutikôi) .
Mc 2,9.8.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,9 . (5) Mc
2,11 .
10. nom vr. mv. hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. hamùartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 .
Mc 2,9.13.
act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. Taalgebruik in het
N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken . Mc (5) : (1) Mc
2,9 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
5,41 . (5) Mc
10,49 .
Mc 2,9.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,9.15.
act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron (neem) van het werkw. airô (nemen)
. Taalgebruik in het N.T. : airô
(nemen) . Taalgebruik in Mc : airô
(nemen) .
Mc (2) : (1) Mc
2,9 . (2) Mc
2,11 .
Mc 2,9.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .
Mc 2,9.17.
krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton
(bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton
(bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie
< beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) .
In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,12 . In Mc
2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc
2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme
. In Mc
2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In
Mc 2,12
draagt de genezene daadwerkelijk het bed .
Mc 2,9.18.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,9 . (5) Mc
2,11 .
Mc 2,9.15. - 18. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving .
Mc 2,9.19.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
| Mc 2,10 - Mc 2,10 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht
heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
King James Bible . [10] But that ye may know that the Son of man hath power
on earth to forgive sins, (he saith to the sick of the palsy,)
Luther-Bibel . 10 Damit ihr aber wisst, dass der Menschensohn Vollmacht hat,
Sünden zu vergeben auf Erden - sprach er zu dem Gelähmten:
Tekstuitleg van Mc 2,10 . Het vers Mc 2,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 2,10 is 10187 (61 X 167) .
- Mc
2,10 - Mc
2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt
tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41
: legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg
je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Enkel in deze twee verzen in Mc komt de formule soi legô = ik zeg je ,
voor .
Mc 2,10.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,10 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,20 . (5) Mc
2,21 . (6) Mc
2,22 .
Mc 2,10.4.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc 2,10.5. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .
7. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,10.9.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,10 (mann.) . (2) Mc
2,14 (mann.) . (3) Mc
2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc
2,26 (mann.) . (6) Mc
2,28 (mann.) .
Mc 2,10.10.
gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (16) : (1) Mc
2,10 . (2) Mc
2,28 . (3) Mc
5,8 . (4) Mc
7,15 . (5) Mc
7,20 . (6) Mc
8,31 . (7) Mc
8,38 . (8) Mc
9,9 . (9) Mc
9,12 . (10) Mc
9,31 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,45 . (13) Mc
13,26 . (14) Mc
14,21 . (15) Mc
14,41 . (16) Mc
14,62 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen .
8. - 10. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 . (3) Mc 8,31 . (4) Mc 8,38 . (5) Mc 9,9 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 . (10) Mc 13,26 . (11) Mc 14,21 (2X) . (12) Mc 14,41 . (13) Mc 14,62 .
Mc 2,10.13.
epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,10 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,21 . (4) Mc
2,26 .
Mc 2,10.16. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .
Mc 2,10.17.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,10 . (5) Mc
2,15 .
Mc 2,10.16. - 17. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .
Mc 2,10.18.
dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos
(lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos
(lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten)
. Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos
: vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,10 . In Mc
2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc
2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc
2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc
2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc
2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc
2,10 (dat. enk. paralutikôi) .
16. - 18. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 .
| Mc 2,11 - Mc 2,11 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar
uw huis.
King James Bible . [11] I say unto thee, Arise, and take up thy bed, and go
thy way into thine house.
Luther-Bibel . 11 Ich sage dir, steh auf, nimm dein Bett und geh heim!
Tekstuitleg van Mc 2,11 . Het vers Mc 2,11 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Mc 2,11 is 5185 (5 X 17 X 61) .
Mc 2,11.1.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. :
persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (21) . Mc 2 (2) : (1) Mc
2,11 . (2) Mc
2,18 .
Mc 2,11.2.
act. ind. pr. 1ste pers. enk. legô van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (19) . Mc 2 (1) : Mc
2,11 .
Mc 2,11.1. - 2. soi legô (aan jou zeg ik) . Bij Mc slechts in de 2 verzen : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 5,41 .
Mc 2,11.3.
act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. egeirô (opwekken)
. Taalgebruik in het N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken .
Mc (5) : (1) Mc
2,9 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
5,41 . (5) Mc
10,49 . In Mc
2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken vergeleken met zondenvergeving
. UITNODIGING in Mc
2,9 en herhaald in Mc
2,11 . UITVOERING in Mc
2,12 .
Mc 2,11.1.
- 3.
- Mc 2,10
- Mc 2,11
: legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de
lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41
: legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg
je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Mc 2,11.4.
act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron (neem) van het werkw. airô (nemen)
. Taalgebruik in het N.T. : airô
(nemen) . Taalgebruik in Mc : airô
(nemen) .
Mc (2) : (1) Mc
2,9 . (2) Mc
2,11 .
Mc 2,11.5.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,11 . (5) Mc
2,12 . (6) Mc
2,14 . (7) Mc
2,19 . (8) Mc
2,26 . (9) Mc
2,27 .
Mc 2,11.6.
krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton
(bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton
(bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie
< beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) .
In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,12 . In Mc
2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc
2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme
. In Mc
2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In
Mc 2,12
draagt de genezene daadwerkelijk het bed .
Mc 2,11.7.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,9 . (5) Mc
2,11 .
Mc 2,11.4. - 6. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving . UITNODIGING . UITVOERING in Mc 2,12 .
Mc 2,11.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,11.9.
act. imperat. praes. 2de pers. enk. hupage (ga weg, vertrek) van het werkw.
hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô
(onder iets brengen, weggaan) .
Mc (8) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
5,19 . (4) Mc
5,34 . (5) Mc
7,29 . (6) Mc
8,33 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,52 . Een vorm van hupagô (onder iets brengen, weggaan) in 15 verzen
in Mc . In deze 8 verzen is het telkens een woord van Jezus . In 6 verzen is
dit woord gericht tot de genezene : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
5,19 . (4) Mc
5,34 . (5) Mc
7,29 . (6) Mc
10,52 . In Mc
8,33 is het gericht tot Petrus , in Mc
10,21 tot de rijke man .
Mc 2,11.10.
eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,7 ( heis = één ) . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,22 . (5) Mc
2,26 .
Mc 2,11.11.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,11 . (5) Mc
2,12 . (6) Mc
2,14 . (7) Mc
2,19 . (8) Mc
2,26 . (9) Mc
2,27 .
Mc 2,11.12.
acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik
in het N.T. : oikia
(huis) . Taalgebruik in Mc : oikia
(huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere
: blijven , verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus .
Mc (10) : (1) Mc
2,11 . (2) Mc
3,20 . (3) Mc
2,26 . (4) Mc
5,19 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
7,17 . (7) Mc
7,30 . (8) Mc
8,3 . (9) Mc
8,26 . (10) Mc
9,28 .
Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk.
zelfst. naamw. oikon (huis) :
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc
2,11 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
5,19 . (4) Mc
5,38 . (5) Mc
7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder
het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc
3,20 . (2) Mc
7,17 . (3) Mc
8,3 . (4) Mc
8,26 . (5) Mc
9,28 .
Mc 2,11.13.
pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,9 . (5) Mc
2,11 .
Mc 2,11.9.
- 13.
- Mc 2,11
: hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19
: hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .
Duality
- soi legô (aan jou zeg ik) . Bij Mc slechts in de 2 verzen : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 5,41 .
- Mc
2,10 - Mc
2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt
tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41
: legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg
je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
- Mc
2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme)
.
- Mc 5,19
: hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .
| Mc 2,12 - Mc 2,12 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -- | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende,
ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten
God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
King James Bible . [12] And immediately he arose, took up the bed, and went
forth before them all; insomuch that they were all amazed, and glorified God,
saying, We never saw it on this fashion.
Luther-Bibel . 12 Und er stand auf, nahm sein Bett und ging alsbald hinaus vor
aller Augen, sodass sie sich alle entsetzten und Gott priesen und sprachen:
Wir haben so etwas noch nie gesehen.
Tekstuitleg van Mc 2,12 . .
Het wondergebeuren en de reactie van het volk verwoordt Marcus in één lange en grote samengestelde zin. De hoofdzin is : exèlthen emprosthen pantôn (hij ging naar buiten van in het bijzijn van allen). De reactie van het volk wordt weergegeven door een dubbele gevolgzin. De drie woorden van de hoofdzin eindigen op -n. Het eerste woord begint met ex- , het tweede met em-. De eerste twee woorden eindigen op -then.
Mc 2,12.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,12.3.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,12.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .
Mc 2,12.7.
krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton
(bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton
(bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie
< beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) .
In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,9 . (3) Mc
2,11 . (4) Mc
2,12 . In Mc
2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc
2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme
. In Mc
2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In
Mc 2,12
draagt de genezene daadwerkelijk het bed .
Mc 2,12.8.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw.
exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 2 (2) : (1) Mc
2,12 . (2) Mc
2,13 .
Mc 2,12.11. hôste (zodat) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,12 . (3) Mc 2,28 .
| hôste ( zodat ) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 222 | 139 | 83 | 15 | 13 | 4 | 1 | 8 | 42 | 32 | 33 | 40 | 2 |
Mc 2,12.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc
2,12.19. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc
2,12.20. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(zo) . Taalgebruik in Mc : houtos
(zo) .
Mc (10) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,12 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
7,18 . (6) Mc
9,3 . (7) Mc
10,43 . (8) Mc
13,29 . (9) Mc
14,59 . (10) Mc
14,59 .
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
| Mc 2,13 - Mc 2,13 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare
kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
King James Bible . And he went forth again by the sea side; and all the multitude
resorted unto him, and he taught them.
Luther-Bibel . 13 Und er ging wieder hinaus an den See; und alles Volk kam zu
ihm und er lehrte sie.
Tekstuitleg van Mc
2,13 . Dit vers Mc
2,13 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde
van Mc
2,13 is 6758 (2 X 31 X 109) .
Mc 2,13
bestaat uit drie delen . Het eerste deel is een over-gangs- vers (van de ene
naar de andere plaats) . Het tweede deel beschrijft het samenkomen van het volk
. Marcus gebruikt een variatie van werkwoorden om het samenkomen rond Jezus
uit te drukken . Het derde deel geeft de activiteit van Jezus aan .
Dit vers
Mc 2,13
is een summarium . Het bestaat uit drie nevenschikkende zinnen (6 - 7 - 3 =
16 woorden ; 12 - 11 - 7 = 30 lettergrepen) , telkens ingeleid door het verbindend
voegwoord kai (en) . Het onderwerp van de eerste en de derde zin is Jezus ,
van de tweede zin de menigte .
Mc 2,13a : vier van de zes woorden eindigen op -n . Twee op elkaar volgende
woorden beginnen met pa- .
Voor de tweede maal spelen de verhalen zich af rond Kafarnaüm : Mc
2,1-12 en het meer van Galilea : Mc
2,13-14 . Jezus verblijft thuis in Kafarnaüm en geneest er een lamme
. Daarna gaat hij naar buiten om langs het meer van Galilea te gaan . Daar geeft
hij onderricht en roept Levi . De verhalen rond Kafarnaüm en het meer van
Galilea verlopen in het eerste hoofdstuk omgekeerd . Eerst roept Jezus langs
het meer van Galilea vier leerlingen : Mc
1,16-20 . Dan gaat hij naar Kafarnaüm : Mc
1,21 . Hij treedt er op in de synagoge : hij onderricht : Mc
1,22 en geneest een man met een onreine geest : Mc
1,23-28 . Daarna gaat hij naar het huis van Simon Petrus : Mc
1,29-31 . Met het verhaal van de roeping van Levi wordt een nieuw personage
ingebracht nl. de tollenaars . Jezus kiest partij voor hen en daardoor zal er
een spanning tussen hem en de Farizeeën ontstaan : Mc
2,15-17 .
De roeping van Levi hoort thuis in het verzamelen van de leerlingen door Jezus
. De volgende en volledige stap zal de roeping van de twaalf op de berg zijn
(Mc 3,13-19) .
In Mc 2,13-14 wordt de roeping van Levi verteld zoals in Mc 1,16-20 de roeping van Petrus en Andreas , Jakobus en Johannes wordt verhaald . Er is vooruitgang in het soort mensen dat geroepen wordt . In Mc 2,14 wordt een tollenaar geroepen , iemand die tol heft van de joden voor de Romeinen .
Mc 2,13.1.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai
(en) in 555 verzen voor .
Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen
: (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 . In de pericope Mc
2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc
2,13 en driemaal in Mc
2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Mc 2,13.2.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 . Het is de vijfde maal dat deze vorm gebruikt wordt . Samen met zijn
leerlingen ging Jezus de synagoge uit (Mc
1,29) en ging hij alleen het huis uit (Mc
1,35) . Het is de tweede maal dat Jezus het huis uitgaat ; hiervoor wordt
exèlthen (hij ging naar buiten) gebruikt . Meer nog . Bij het begin van
Mc 2,1
staat kai eiselthôn palin eis kafarnaoum (en binnengaande opnieuw in Kafarnaüm)
, bij het begin van Mc
2,13 : kai exèlthen (en hij ging naar buiten) , en wel langs het
meer . Jezus ging dus uit Kafarnaüm . Mc 1,16-20 / 21-28 en Mc 2,1-12 /
Mc 2,13-14 vormen een A B - B' A' structuur .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 2 (2) : (1) Mc
2,12 . (2) Mc
2,13 .
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging naar buiten) verwijst
naar eiselthôn (binnengegaan, Mc
2,1) .
Mc 2,13.3.
palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) . STAP VOOR STAP
! Taalgebruik in het N.T. : palin
(opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin
(opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 2 (2) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,13 . De verwijzing zit in het woord of de uitdrukking die onmiddellijk
volgt . Hier verwijst het naar para tèn thalassan (langs de zee) van
Mc 1,16
. Er gebeurt hier meer dan in Mc
1,16 , waar Jezus langskomt en leerlingen roept . In Mc 1,16-20 is er het
meer met zijn vissers en visnetherstellers . In Mc 2,13-14 gaat het om het tolhuis
aan het meer .
Mc 2,13.4.
para (langs) . Taalgebruik in Mc : para
(langs) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs) .
Mc 2 (1) : Mc
2,13 . Geen werkw. par-agô (langsleiden) in Mc
2,13 , wel in Mc
2,14 .
Mc (11) . (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
12,2 . (10) Mc
12,11 . (11) Mc
14,43 .
- para + gen. (4) (vanwege) : (1) Mc
10,27 . (2) Mc
12,2 . (3) Mc
12,11 . (4 Mc
14,43 .
- para + acc. (7) + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1)
Mc 4,4
. (2) Mc
4,15 . (3) Mc
10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,21 .
Mc 2,13.5.
bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc. : bepaald
lidwoord . Ned. de . E. the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (<
lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,5 . (4) Mc
2,13 .
Mc 2,13.6.
accusatief vrouwelijk enkelvoud thalassan (meer, zee) . Taalgebruik in het N.T.
: thalassa
(zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa
(zee) .
Mc (9) (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 .
Mc 2,13.5. - 6. tèn thalassan (het meer, de zee) . Accusatief vr. enk bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord . Mc 9 / 9 .
Mc 2,13.3.
- 5. para tèn thalassan (langs de zee / meer) . Mc (4) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
5,21 .
(1) Mc
1,16 en (2) Mc
2,13 staan in het teken van de roeping van leerlingen . (3) Mc
4,1 en (4) Mc
5,21 leiden de woord- en daadactiviteit van Jezus in .
(1) Mc
1,16 : Kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias
(en langsvoerend langs het meer van Galilea) . Deze zin staat bij het begin
van de pericope
(2) Mc
2,13 : Kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging
buiten opnieuw langs de zee) . Deze zin staat bij het begin van de pericope
.
(3) Mc 4,1
: Kai palin èrxato didaskein para tèn thalassan (en opnieuw begon
hij te leraren langs het meer) . Deze zin staat bij het begin van de pericope
.
(4) Mc
5,21 : kai èn para tèn thalassan (en hij was langs de zee)
. De zin staat bij het begin van de pericope .
Mc 2,13.1. - 6. kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging buiten opnieuw langs het meer) . We zouden de indruk kunnen krijgen dat het huis langs het meer lag . Het huis uitgaan betekende aan het meer komen . Maar in Mc 2,1 ging Jezus naar Kafarnaüm en was hij enige dagen thuis vooraleer velen het doorhadden . Het huis van Mc 2,1 lag dus in de stad . In Mc 1,16-20 ging Jezus langs het meer en in Mc 1,21 ging hij naar Kafarnaüm . Jezus ging dus uit Kafarnaüm en ging langs het meer . Marcus geeft dus een verkorte versie .
Mc 2,13.7.
kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai
(en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen
: (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 . In de pericope Mc
2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc
2,13 en driemaal in Mc
2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Voor het eerst in Mc stroomt de menigte samen naar Jezus . Het gebruik van de
imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus
een voortdurend karakter heeft .
Mc 2,13.8.
nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas
(ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder
.
Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos
(de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc
2,13 . (2) Mc
4,1 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc
9,49 .
Mc 2,13.9.
bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,13.10. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Er is hier (Mc 2,13) voor het eerst uitdrukkelijk sprake van ochlos (menigte) . In Mc 2,4 kwam de menigte slechts terloops ter sprake . Een vorm van ochlos (menigte) in Mc in 36 verzen , in Mc 2 in 2 verzen : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,13 . Zoals vaak volgt op een verhaal met het volk een verhaal in een huis . Hier is dat het geval in Mc 2,15 .
Mc 2,13.8. - 10. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .
Mc 2,13.11. ind. imperf. 3de pers. enk. èrcheto (hij ging) van erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . In deze vorm in Mc slechts in Mc 2,13 .
Mc 2,13.12.
voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .
Mc 2 (3) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,3 * . (3) Mc
2,13 * .
Mc 2,13.13.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Verwijzing in het N.T. : voornaamwoord
autos . Verwijzing in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (4) : (1) Mc
2,3 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,23 .
Mc 2,13.12.
- 13. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14)) : (1)
Mc 1,32
. (2) Mc
1,40 . (3) Mc
1,45 . (4) Mc
2,3 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
3,8 . (7) Mc
3,13 . (8) Mc
3,31 . (9) Mc
4,1 . (10) Mc
7,1 . (11) Mc
9,20 . (12) Mc
10,1 . (13) Mc
12,13 . (14) Mc
12,18 . De menigte stroomt naar Jezus toe : (1) Mc
2,13 . (2) Mc
4,1 .
Vergelijk :
- Mc 1,45
: kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal)
.
- Mc 2,13
: kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem)
.
STAP VOOR STAP !
- Mc
2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging
naar hem) .
- Mc 4,1
: kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke menigte stroomt
naar hem bijeen) .
STAP VOOR STAP !
Mc 2,13.14. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Mc 2,13.15.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) . Taalgebruik
in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,2 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,1 . (6) Mc
11,17 .
De eerste maal onderrichtte Jezus in de synagoge van Kafarnaüm , waarnaar
hij was gegaan (Mc
1,21) . Nu onderricht Jezus langs het meer , nadat de hele menigte naar
hem was gekomen .
Mc 2,13.16.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 2 (1) : Mc
2,13 .
Mc 2,13.15. - 16. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2) . STAP VOOR STAP !
Mc 2,13.7.
- 16.
- Mc 2,13
: kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous (en de hele
menigte kwam naar hem en hij onderrichtte hen) .
- Mc 10,1
: kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin
edidasken autous (en opnieuw menigten begeven zich samen op weg naar hem
en als gewoonlijk onderrichtte hij hen) .
STAP VOOR STAP !
In Mc
2,13 begint Jezus voor het eerst te onderrichten langs het meer van Galilea
. In Mc
10,1 gaat Jezus naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan
. De periode van Galilea is vanaf hier helemaal achter de rug . Opnieuw begeven
menigten zich samen op weg naar hem . Voor de eerste en enige keer komen we
in Mc
10,1 het mv. ochloi (menigten) tegen . Wellicht zijn het nu menigten uit
Judea (of misschien ook uit Galilea) . Maar die menigten verzamelen zich rond
Jezus in een nieuw gebied , nl. in Judea aan de overkant van de Jordaan .
| Mc 2,14 - Mc 2,14 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 - | ||||||||||||||||
|
Bible de Jérusalem . 14. En passant, il vit Lévi, le fils d'Alphée,
assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » Et,
se levant, il le suivit.
Statenvertaling . 14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alfeüs zitten
in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
King James Bible . And as he passed by, he
saw Levi the son of Alphaeus sitting at the receipt of custom, and said unto
him, Follow me. And he arose and followed him.
Luther-Bibel . 14 Und als er vorüberging, sah er Levi, den Sohn des Alphäus,
am Zoll sitzen und sprach zu ihm: Folge mir nach! Und er stand auf und folgte
ihm nach.
Tekstuitleg van Mc 2,14 . Dit vers Mc 2,14 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 2,14 is 11315 (5 X 31 X 73) .
Mc 2,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Mc 2,14.2.
participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend,
langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik
in het N.T. : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô
(langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren
, ac-tie voeren , handelen .
Mc (2) : (1) Mc
1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc
2,14 (roeping van Levi) . STAP VOOR STAP ! Een vorm van paragô (langsdrijven,
langsgaan) in Mc in 3 verzen : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
15,21 .
Mc 2,14.3.
ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,16 . (3) Mc
1,19 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
6,34 .
Mc 2,14.2.
- 3. paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc
1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan
tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij
.
(2) Mc
2,14 (roeping van Levi) : kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij)
.
Mc 2,14.4. acc. mann. enk. leuin (Levi) van de eigennaam leui (Levi) . Taalgebruik in het N.T. : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) . Mc (1) : Mc 2,14 .
Mc 2,14.5.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc
2 (9) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,11 . (5) Mc
2,12 . (6) Mc
2,14 . (7) Mc
2,19 . (8) Mc
2,26 . (9) Mc
2,27 .
Mc 2,14.6.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc
2 (6) : (1) Mc
2,10 (mann.) . (2) Mc
2,14 (mann.) . (3) Mc
2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc
2,26 (mann.) . (6) Mc
2,28 (mann.) .
Mc 2,14.7.
gen. mann. enk. alfaiou (Alfeüs) van de eigennaam leui (Levi) . Taalgebruik
in het N.T. : leui
(Levi) . Taalgebruik in Mc : leui
(Levi) .
Mc (2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
3,18 .
5 - 7. ton tou alfaiou (die van Alfeüs = de zoon van Alfeüs) . Mc
(2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
3,18 . In Mc
2,14 is het Levi , in Mc
3,18 Jakobus . Deze Jakobus wordt onderscheiden van iakôbon , ton
tou zebedaiou = Jakobus, die van Zebedeüs OF Jakobus , de zoon van Zebedeüs
(Mc 1,19)
.
Mc 2,14.8.
participium praesens accusatief mannelijk enkelvoud kathèmenon (zittend)
van het werkwoord kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik
in het N.T. : kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai
(zich zetten, gaan zitten, zitten) .
In vier verzen bij Marcus : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
5,15 . (3) Mc
14,62 . (4) Mc
16,5 .
- Mc 2,14
: eiden Leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion (hij zal
Levi , die van Alfeüs , zittend op / bij het tolhuis) .
- Mc 5,15
: theôrousin ton daimonizomenon kathèmenon himatismenon (zij bekijken
de duivelbezetene zittend gekleed) .
- Mc 14,62
: opsesthe ton uion tou anthrôpou ek dexiôn kathèmenon (jullie zullen de mensenzoon
zien zittend rechts van) .
- Mc 16,5
: eidon neaniskon kathèmenon en tois dexiois peribeblèmenos stolèn
leukèn (zij zagen een jongeling zittend aan de rechterkant omgekleed
met een wit kleed) .
In deze 4 teksten wordt een persoon gezien die zit .
Mc 2,14.9.
epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,10 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,21 . (4) Mc
2,26 .
Mc 2,14.10.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (108) . Mc 2 (3) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
2,21 . (3) Mc
2,27 .
Mc 2,14.11. acc. onz. enk. telônion (tolhuis) . Taalgebruik in het N.T. : telônion (tolhuis) . Taalgebruik in Mc : telônion (tolhuis) . Mc (1) : Mc 2,14 .
Mc 2,14.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de 678 verzen in Mc komt kai
(en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen
: (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 . In de pericope Mc
2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc
2,13 en driemaal in Mc
2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Mc 2,14.13. act. ind. praesens 3de pers. enk. legei ( hij zegt ) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .
Mc 2,14.14.
voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,26 .
13. - 14. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .
12. - 14. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .
Mc 2,14.15.
act. ind. pr. 3de p. enk. + act. imperat. pr. 2de p. enk. akolouthei (volg)
van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô
(volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô
(volgen) . Ned. acoliet .
Mc (2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
10,21 .
Mc 2,14.16.
pers. voornaamw. 1ste pers. dat. enk. moi (aan mij) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
5,9 . (3) Mc
6,25 . (4) Mc
8,2 . (5) Mc
8,34 . (6) Mc
10,21 . (7) Mc
11,29 . (8) Mc
11,30 . (9) Mc
12,15 .
Mc 2,14.15. - 16. akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 . Bij een andere vorm van akoloutheô (volgen) : Mc 8,34 . De uitnodiging tot volgen is gericht tot de tollenaar Levi en de rijke jongeling . In Mc 8,34 is de uitnodiging gericht tot al wie Jezus wil volgen ; het vers schetst enkele voorwaarden .
Mc 2,14.17.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de 678 verzen in Mc komt kai
(en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen
: (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 . In de pericope Mc
2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc
2,13 en driemaal in Mc
2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Mc 2,14.18.
part. aor. nom. mann. enk. anastas van het werkw. anistèmi (opstaan)
. Taalgebruik in het N.T. : anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi
(opstaan) . In de LXX is anastas vaak de vertaling van een vorm van het
werkwoord q(w)um (staan, opstaan).
In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
7,24 . (4) Mc
10,1 . (5) Mc
14,60 . (6) Mc
16,9 .
- Mc 1,35
Kai prôi ennucha lian anastas (en 's morgens vroeg, nog in de nacht, opgestaan).
We zien hier de link tussen prôi ('s morgens vroeg ) en anastas (opgestaan).
Reeds sluimert de gedachte van de opstanding door.
- Mc 2,14
: kathèmenon epi to telônion (gezeten bij het tolhuis) - anastas
(opgestaan) .
- Mc 7,24
: Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan)
- Mc 10,1
: Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan)
- Mc
14,60 : kai anastas ho archiereus (en opgestaan de hogepriester) .
- Mc 16,9
: anastas de prôï prôtèi sabbatou (opgestaan 's morgens
op de eerste van de week) .
Mc 2,14.19.
act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw.
akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô
(volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô
(volgen) . Ned. acoliet .
Mc (3) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
3,7 . (3) Mc
14,54 . In Mc
2,14 gaat de tollenaar Levi in op de uitnodiging om Jezus te volgen .
Mc 2,14.20.
voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,26 .
19. - 20. èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 14,54 .
Eenmaligheid
- acc. mann. enk. leuin (Levi) van de eigennaam leui (Levi) . Mc (1) : Mc
2,14 .
- acc. onz. enk. telônion (tolhuis) . Mc (1) : Mc
2,14 .
Duality
- participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend,
langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Mc (2)
: (1) Mc
1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc
2,14 (roeping van Levi) .
- paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc
1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan
tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij
.
(2) Mc
2,14 (roeping van Levi) : kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij)
.
- act. ind. pr. 3de p. enk. + act. imperat. pr. 2de p. enk. akolouthei
(volg) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Mc (2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
10,21 .
- akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
10,21 .
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 -
| Mc 2,15 - Mc 2,15 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat
ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want
zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
King James Bible . [15] And it came to pass, that, as Jesus sat at meat in his
house, many publicans and sinners sat also together with Jesus and his disciples:
for there were many, and they followed him.
Luther-Bibel . 15 Und es begab sich, dass er zu Tisch saß in seinem Hause, da
setzten sich viele Zöllner und Sünder zu Tisch mit Jesus und seinen Jüngern;
denn es waren viele, die ihm nachfolgten.
Tekstuitleg van Mc 2,15 .
Mc 2,15.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,15.3.
inf. praes. katakeisthai (neerliggen) van het werkw. katakeimai (neerliggen)
. Taalgebruik in het N.T. : katakeimai
(neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai
(neerliggen) .
Mc (1) : Mc
2,15 . Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc
1,30 . (2) Mc
2,4 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
14,3 .
Mc 2,15.5.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
Mc 2,15.6.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (2) : (1) Mc
2,15 . (2) Mc
2,20 .
Mc 2,15.5. - 7. Mc . In 4 / 5 : en tè(i) oikia(i) = in het huis : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 14,3 .
Mc 2,15.3.
- 8.
- Mc 2,15
: katakeisthai auton en tè(i) oikia(i) autou (dat hij 'aan'ligt in diens
huis) .
- Mc 14,3
: en tè(i) oikia(i) simônos tou leprou katakeimenou autou (terwijl
hij aanligt in het huis van Simon de melaatse).
STAP VOOR STAP !
In Mc
2,15 ligt Jezus aan in het huis van een tollenaar , in Mc
14,3 in het huis van Simon de melaatse .
Mc 2,15.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,15.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,15.15.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,10 . (5) Mc
2,15 .
Mc 2,15.21. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc (16) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,15 . (3) Mc 2,18 .
Mc 2,15.26.
voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,26 .
| Mc 2,16 - Mc 2,16 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten
met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij
met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
King James Bible . [16] And when the scribes and Pharisees saw him eat with
publicans and sinners, they said unto his disciples, How is it that he eateth
and drinketh with publicans and sinners?
Luther-Bibel . 16 Und als die Schriftgelehrten unter den Pharisäern sahen, dass
er mit den Sündern und Zöllnern aß, sprachen sie zu seinen Jüngern: Isst er
mit den Zöllnern und Sündern?
Tekstuitleg van Mc 2,16 . Het vers Mc 2,16 telt 28 (2 X 2 X 7) woorden en 143 (11 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 2,16 is 18895 (5 X 3779) .
Mc 2,16.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,16.2.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,16.3.
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw.
grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus
(schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
9,11 . (6) Mc
9,14 . (7) Mc
11,18 . (8) Mc
11,27 . (9) Mc
12,35 . (10) Mc
14,1 . (11) Mc
14,53 .
Mc 2,16.4.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (4) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,23 .
Mc 2,16.5.
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Taalgebruik in het
N.T. : Pharisaioi
(Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi
(Farizeeën) .
Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Mc (8) : (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
7,1 . (5) Mc
7,3 . (6) Mc
7,5 . (7) Mc
8,11 . (8) Mc
10,2 .
Mc 2,16.2.
- 5. hoi grammateis tôn farisaiôn (de schriftgeleerden van de Farizeeën)
. Er waren dus schriftgeleerden onder de Farizeeën . Welke groep schriftgeleerden
in Mc 2,6
vermeld zijn , is niet duidelijk . In Mc
2,6 als in Mc
7,1 komen we tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden)
tegen . In Mc
7,1 worden ze vermeld naast de Farizeeën . In Mc
7,5 lezen we : de Farizeeën en de schriftgeleerden . Als we schriftgeleerden
lezen , is wellicht de groep bedoeld naast de Farizeeën , ofschoon er onder
de Farizeeën ook schriftgeleerden waren . We hebben dus met twee groepen
te maken die elkaar gedeeltelijk overlappen .
De schriftgeleerden zijn erbij vanaf het begin tot het einde , vanaf Mc
2,6 tot Mc
15,31 .
Mc 2,16.6.
act. part. aor. nom. mann. mv. idontes (gezien) . Taalgebruik in het N.T. :
eiden
(hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden
(hij zag) .
Mc (5) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
5,16 . (3) Mc
6,49 . (4) Mc
7,2 . (5) Mc
9,15 .
Mc 2,16.7.
hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
Mc 2,16.8.
act. ind. praes. 3de pers. enk. esthiei van het werkw. esthiô (eten)
. Taalgebruik in het N.T. : esthiô
(eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô
(eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (1) Mc
2,16 (2X) .
9. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16) . Mc 2 (1 + 2) . meta : Mc 2 (1) : Mc
2,16 . met' : Mc 2 (2) : (1) Mc
2,19 . (2) Mc
2,25 .
10. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,23 .
11. gen. mann. mv. hamartôlôn (zondaars) van het zelfst. naamw. hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in het N.T. : hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in Mc : hamartôlos (zondaar) . Mc (2) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 14,41 .
Mc 2,16.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
13. gen. mann. mv. telônôn (tollenaars) van het zelfst. naamw. telônès (tollenaar) . Taalgebruik in het N.T. : telônès (tollenaar) . Taalgebruik in Mc : telônès (tollenaar) . Mc (1) : Mc 2,16 .
14. act. ind. imperf. 3de pers. mv. elegon (zij zeiden) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in
Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
4,41 (pros allèlous = tot elkaar) . (7) Mc
5,31 . (8) Mc
6,14 . (9) Mc
6,15 . (10) Mc
6,35 . (11) Mc
11,5 . (12) Mc
11,28 . (13) Mc
14,2 . (14) Mc
14,31 . (15) Mc
14,70 . (16) Mc
15,31 . (17) Mc
15,35 (pros heautas = tot zichzelf) . (18) Mc
16,3 .
15.
Mc 2,16.18.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
20. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,23 .
Mc 2,16.22.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
24. act. ind. praes. 3de pers. enk. esthiei van het werkw. esthiô
(eten) . Taalgebruik in het N.T. : esthiô
(eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô
(eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (1) Mc
2,16 (2X) .
| Mc 2,17 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn,
hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen,
om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
King James Bible . [17] When Jesus heard it, he saith unto them, They that are
whole have no need of the physician, but they that are sick: I came not to call
the righteous, but sinners to repentance.
Luther-Bibel . 17 Als das Jesus hörte, sprach er zu ihnen: Die Starken bedürfen
keines Arztes, sondern die Kranken. Ich bin gekommen, die Sünder zu rufen und
nicht die Gerechten.
Tekstuitleg van Mc 2,17 .
Mc 2,17.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
Mc 2,17.4.
eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het
N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier
verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô
( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de
hoofdzin vooraf :
(1) Mc
2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i)
= en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc
2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk
opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt
aan hen .
(4) Mc
2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .
Mc 2,17.5.
actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T.
: legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (6) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8. (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,14 . (5) Mc
2,17 . (6) Mc
2,25 .
Mc 2,17.6. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .
Mc 2,17.1.
- 6.
- Mc 2,17
: kai akousas ho ièsous legei autois (en gehoord zegt Jezus hen) .
- Mc 8,17
: kai gnous ho ièsous legei autois (en geweten zegt Jezus hen) .
Mc 2,17.7.
hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,16 . (6) Mc
2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .
8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc
2,27 .
Mc 2,17.11.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,17.15.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
17. act. part. praes. nom. mann. + vr. mv. echontes (hebbende) echô
(hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô
(hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô
(hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
8,18 . (3) Mc
10,23 .
18. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc
2,27 .
19. Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,20 .
70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 -
| Mc 2,18 - Mc 2,18 - 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En de discipelen van Johannes en der Farizeën vastten;
en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en
der Farizeën, en Uw discipelen vasten niet?
King James Bible . [18] And the disciples of John and of the Pharisees used
to fast: and they come and say unto him, Why do the disciples of John and of
the Pharisees fast, but thy disciples fast not?
Luther-Bibel . 18 Und die Jünger des Johannes und die Pharisäer fasteten viel;
und es kamen einige, die sprachen zu ihm: Warum fasten die Jünger des Johannes
und die Jünger der Pharisäer, und deine Jünger fasten nicht?
Tekstuitleg van Mc
2,18 . Het vers Mc
2,18 telt 30 (2 X 3 X 5) woorden en 153 (1 + 2 + ... + 17 OF 1³ + 5³
+ 3³) . De getalwaarde van Mc
2,18 is 19750 (2 X 5 X 5 X 5 X 79) . Over het vasten . Het is het enigste
vers waarin leerlingen van Johannes (want Johannes zit in de gevangenis) en
de Farizeeën samen optreden . Hun vasten is een uiting van hun ascese .
In Mc
2,16 maakten de schriftgeleerden van de Farizeeën een opmerking over
het eten van Jezus met zondaars en tollenaars . In Mc
2,18 maken de Farizeeën de opmerking dat zijn leerlingen (eten en )
niet vasten . Ze gedragen zich dus niet zoals van hen verwacht wordt ; ze behoorden
toch eerder tot de leerlingen van Johannes de Doper en ze zijn toch leerlingen
van de rabbi Jezus .
In Mc wordt tweemaal de waarom-vraag gesteld . In beide gevallen gedragen zijn
leerlingen zich niet zoals van hen verwacht wordt ; ze vasten niet zoals de
leerlingen van Johannes de Doper en de leerlingen van de Farizeeën (Mc
2,18) en ze wassen hun handen niet bij het eten wat indruist tegen de traditie
van de ouderen (Mc
7,5) .
Mc 2,18.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,18.2.
imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik
in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (16) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
4,1 . (6) Mc
6,31 . (7) Mc
6,34 . (8) Mc
6,44 . (9) Mc
8,9 . (10) Mc
9,4 . (11) : Mc
10,32 . (12) Mc
12,20 . (13) (1) Mc
14,4 . (14) Mc
14,40 . (15) Mc
14,56 . (16) Mc
15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) :
(1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
9,4 . (4) Mc
10,32 . (5) Mc
14,4 . (6) Mc
14,40 . (7) Mc
15,40 . In Mc
2,18 : èsan ... nèsteuontes (zij waren ... vastende)
Mc 2,18.1. - 2. kai èsan (en zij waren) . Mc (3) . In 2 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 9,4 + Mc 6,44 .
Mc 2,18.3.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,18.4.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,15 (dat.) . (2) Mc
2,16 (dat) . (3) Mc
2,18 (nom.) . (4) Mc
2,23 (nom.) .
Mc 2,18.5.
gen. mann. enk. Iôannou van de eigennaam Iôannès (Johannes)
. Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc 2 (5) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
6,24 . (4) Mc
6,25 . (5) Mc
11,30 .
In Mc
2,18 komen de leerlingen van Johannes de Doper ter sprake bij het onderhouden
van een vasten . In Mc
6,29 kwamen hoi mathètai autou = zijn leerlingen het lijk van Johannes
halen om het te begraven nadat Herodes Johannes had laten onthoofden .
Mc 2,18.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,18.7.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,18.8.
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi
(Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi
(Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
7,1 . (5) Mc
7,3 . (6) Mc
7,5 . (7) Mc
8,11 . (8) Mc
10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
Mc 2,18.9.
act. part. praes. nom. mann. mv. nèsteuontes (vastende) van het
werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô
(vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast .
D. fasten .
Mc (1) : Mc
2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc
2,18 (3X) . (2) Mc
2,19 (2X) . Omschrijving : èsan ... nèsteuontes (zij waren
... vastende) .
Mc 2,18.10.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,18.11. indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,20 .
Mc 2,18.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,18.13.
ind. pr. 3de pers. mv. legousin van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (16) . Mc 2 (1) : Mc
2,18 .
Mc 2,18.14.
voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,26 .
Mc 2,18.15.
voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia
(door) . Taalgebruik in Mc : dia
(door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
dia in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc
2,1 .
Mc 2,18.16.
voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,9 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
2,24 . (6) Mc
2,25 .
Mc 2,18.15.
- 16. dia ti (omwille van wat ? omwille van dat of waarom ? daarom) . Mc (3)
: (1) Mc
2,18 . (2) Mc
7,5 . (3) Mc
11,31 .
In Mc
2,18 vragen de leerlingen van Johannes de Doper en de Farizeeën waarom
zijn leerlingen niet vasten terwijl zij wel vasten . In Mc
7,5 vragen de Farizeeën en de schriftgeleerden waarom zijn leerlingen
met ongewassen handen eten tegen de traditie van de ouderen in .
Mc 2,18.17.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,18.18.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,15 (dat.) . (2) Mc
2,16 (dat) . (3) Mc
2,18 (nom.) . (4) Mc
2,23 (nom.) .
Mc 2,18.19.
gen. mann. enk. Iôannou van de eigennaam Iôannès (Johannes)
. Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc 2 (5) : (1) Mc
1,9 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
6,24 . (4) Mc
6,25 . (5) Mc
11,30 .
Mc 2,18.20.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
Mc 2,18.21.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,18.22.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,15 (dat.) . (2) Mc
2,16 (dat) . (3) Mc
2,18 (nom.) . (4) Mc
2,23 (nom.) .
Mc 2,18.23.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,23 .
Mc 2,18.24.
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Taalgebruik in het
N.T. : Pharisaioi
(Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi
(Farizeeën) .
Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Mc (8) : (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
7,1 . (5) Mc
7,3 . (6) Mc
7,5 . (7) Mc
8,11 . (8) Mc
10,2 .
Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
Mc 2,18.25.
act. ind. praes. 3de pers. mv. nèsteuousin (zij vasten) van het
werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô
(vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast .
D. fasten .
Mc (1) : Mc
2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 (2X) .
Mc 2,18.15. - 25. In 1.- 9. wordt een feit vermeld . In 15. - 25. wordt dat feit herhaald , maar gaat Mc een stapje verder : waarom vasten jouw leerlingen niet ? De vraag wordt gesteld , niet om de diepere betekenis van het vasten te leren kennen , maar om de praktijk dat de enen vasten en de anderen niet .
Mc 2,18.26.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,18.27.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,10 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,20 . (5) Mc
2,21 . (6) Mc
2,22 .
Mc 2,18.28. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,18 .
Mc 2,18.29.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc
2,15 (dat.) . (2) Mc
2,16 (dat) . (3) Mc
2,18 (nom.) . (4) Mc
2,23 (nom.) .
Mc 2,18.30.
ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc
2,27 .
Mc 2,18.31.
act. ind. praes. 3de pers. mv. nèsteuousin (zij vasten) van het
werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô
(vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast .
D. fasten .
Mc (1) : Mc
2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 (2X) .
Mc 2,18.1.
- 31. 1. - 15. De Farizeeën en de schriftgeleerden vraagen aan Jezus waarom
zijn leerlingen met ongewassen handen eten (Mc
7,5) . In Mc
2,18 vragen (zeggen) de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waarom
de enen vasten en zijn leerlingen niet . Bij het vasten gaat het om een gedrag
bij bepaalde groepen , bij het eten met gewassen handen gaat het om een overlevering
van de ouderen . Gradatie dus .
- Mc 2,18
: ... hoi farisaioi ... legousin autô(i) dia ti ... hoi ... soi mathètai
ou ... (... de Farizeeën zeggen hem : "waarom 'jouw' leerlingen niet
...)
- Mc 7,5
: kai eperôtôsin auton hoi farisaioi ... dia ti ou ... hoi mathètai
sou ... (en de Farizeeën ... vragen hem 'uit' : waarom jouw leerlingen
niet ...)
| Mc 2,19 - Mc 2,19 -70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen
vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij
zich hebben, kunnen zij niet vasten.
King James Bible . [19] And Jesus said unto them, Can the children of the bridechamber
fast, while the bridegroom is with them? as long as they have the bridegroom
with them, they cannot fast.
Luther-Bibel . 19 Und Jesus sprach zu ihnen: Wie können die Hochzeitsgäste fasten,
während der Bräutigam bei ihnen ist? Solange der Bräutigam bei ihnen ist, können
sie nicht fasten.
Tekstuitleg van Mc 2,19 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,10 .
2. act. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56). Mc 2 (1) : Mc
2,19 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 12 verzen en van eipon
(ik zei) in 2 verzen .
3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc
2,2 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,25 . (6) Mc
2,27 .
4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
5. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T.
: Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc
2,5 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,17 . (4) Mc
2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier
verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô
( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de
hoofdzin vooraf :
(1) Mc
2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i)
= en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc
2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk
opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc
2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt
aan hen .
(4) Mc
2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .
1. - 5. kai eipen autois ho Ièsous (en Jezus zei hen) . Mc (2) : (1)
Mc 1,17
. (2) Mc
2,19 . In Mc
1,17 riep Jezus zijn eerste leerlingen : Simon en Andreas . In Mc
2,19 geeft Jezus antwoord op de opmerking dat zijn leerlingen niet vasten
.
Na de vraag van de Farizeeën aan Jezus over het gedrag van zijn leerlingen
, geeft Jezus antwoord . De inleiding op dat antwoord wordt op een gelijkaardige
wijze gegeven :
- Mc 2,19
: kai eipen autois ho ièsous (en Jezus zei hen) .
- Mc 7,6
: ho de eipen autois (hij echter zei hen) .
6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,7 . (3) Mc
2,19 . (4) Mc
2,21 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,26 .
8. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,17 . (3) Mc
2,18 . (4) Mc
2,19 . (5) Mc
2,22 . (6) Mc
2,23 . (7) Mc
2,24 . (8) Mc
2,25 .
Mc 2,19.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .
12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc
2,1 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,8 . (4) Mc
2,15 . (5) Mc
2,19 . (6) Mc
2,20 . (7) Mc
2,23 .
14. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc
2,4 . (2) Mc
2,5 . (3) Mc
2,7 . (4) Mc
2,8 . (5) Mc
2,10 . (6) Mc
2,13 . (7) Mc
2,17 . (8) Mc
2,19 . (9) Mc
2,20 . (10) Mc
2,22 . (11) Mc
2,24. (12) Mc
2,27 . (13) Mc
2,28 .
16. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16) . Mc 2 (1 + 2) . meta : Mc 2 (1) : Mc
2,16 . met' : Mc 2 (2) : (1) Mc
2,19 . (2) Mc
2,25 .
17. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .
19. act. inf. praes. nèsteuein (vasten) van het werkw. nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô
(vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast .
D. fasten .
Mc (1) : Mc
2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 (2X) .
Mc 2,19.23. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .
26. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .
27. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc
2,17 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc
2,27 .
29. act. inf. praes. nèsteuein (vasten) van het werkw. nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô
(vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô
(vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast .
D. fasten .
Mc (1) : Mc
2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
2,19 (2X) .
| Mc 2,20 - Mc 2,20 -70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - | |||
|