MARCUSEVANGELIE : TWEEDE HOOFDSTUK , MC 2 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -
- Mc 2,1-12 - Mc 2,13-14 - Mc 2,15-17 - Mc 2,18-22 - Mc 2,23-28 -- Mc 2,23-3,6
-

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : co1314mmentaar ,

Overzicht : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Tekstuitleg per pericope - Mc 2,1-12 - Mc 2,13-14 - Mc 2,15-17 - Mc 2,18-22 - Mc 2,23-28 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc Mc 2,13-14 2,28 -

- Afzonderlijke webpagina's : Mc 2,13-14 - Mc 2,13 - Mc 2,14 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             
            Van Oyen Geert : (1) - (2) - (3) - (4) -
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik

Mc 2,1-12: B-cyclus, 7de zondag door het jaar
Mc 2,18-22: B-cyclus, 8ste zondag door het jaar
- Mc 2,23-3,6 : 9de (negende) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken: - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het tweede hoofdstuk van het Marcusevangelie :
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32
70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39
94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5

1. 2. 3. 4.  5.
Mc 2,8 Mc 2,17 Mc 2,19 Mc 2,25 Mc 3,4
kai euthus (en omiddellijk) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
epignous (onderkend) akousas (gehoord)      
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)      
legei (zegt) legei (zegt) eipen (zei) legei (hij zegt) legei (hij zegt)
autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen)
    hi Ièsous (Jezus)    
 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe :Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -  94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14

67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -

Het verhaal van de genezing van de lamme speelt zich af in een huis waar Jezus zo omstuwd wordt door zoveel volk dat sommigen die buiten staan , niet tot bij Jezus kunnen geraken . In Mc 2,1-12 wordt de oplossing bedacht om een lamme via het dak tot bij Jezus te brengen .
Vergeving is een belangrijk element in een gemeenschap , in een menselijke samenleving . Het is een bindmiddel tussen de leden . Zonden en tekortkomingen kunnen een persoon of een gemeenschap verlammen , stilleggen , geen vooruitgang doen maken . Een gemeenschap kan iemand vergeven of uit de gemeenschap sluiten . Legt de gemeenschap te sterk de nadruk op zuiverheid , dan bestaat de kans dat zij voor uitsluiting opteert . Brengt ze echter begrip op voor menselijke zwakheid en tekortkoming , dan bestaat de kans dat ze opteert voor barmhartigheid en vergeving .

1. men 2. velen 3. Jezus 4. de dragers 5. Jezus 6. schriftgeleerden 7. Jezus 8. de lamme
Mc 2,1 Mc 2,2 Mc 2,2 Mc 2,3 - Mc 2,4 Mc 2,5 Mc 2,6 - Mc 2,7 Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 Mc 2,12
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) de (echter) kai (en) kai (en)

8 scènes , 7X verandering van personage . Slechts 1 scène vangt aan met δε = de (echter) , de andere scènes beginnen met και = kai (en) . In de hele pericope komt 15X και = kai (en) voor , slechts 2X δε = de (echter) .
De pericope is opgebouwd volgens het sandwich-model : (Mc 2,1-2 : summarium) Mc 2,3-5a / Mc 2,5b-9a / Mc 2,9b-12 . Het middengedeelte wordt omsloten door de zin : legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) (Mc5a2 , Mc 2,9b) . De buitenste delen (Mc 2,3-5a en Mc 2,9b-12) bevatten het genezingsverhaal van de lamme , het binnenste deel (Mc 2,5b-9a) geeft de stilzwijgende discussie rond de zondenvergeving .

Mc 2,1 - Mc 2,1 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum di'hèmerôn akousthè hoti en oikôi estin. et iterum intravit Capharnaum post dies En toen hij na enige dagen weer binnenkwam in Kafarnaüm hoorden ze dat hij thuis was.  Toen Hij enige dagen later in Kafarnaüm was teruggekeerd, en men hoorde dat Hij thuis was,  Toen Hij enkele dagen later weer in Kafarnaüm kwam, hoorde men dat Hij thuis was.   Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was.  Als hij Kafarnaoem weer binnenkomt na dagen is te horen: hij is in huis!; 1. Comme il était entré de nouveau à Capharnaüm, après quelque temps on apprit qu'il était à la maison.

Statenvertaling . 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
King James Bible . And again he entered into Capernaum after some days; and it was noised that he was in the house.
Luther-Bibel . 1 Und nach einigen Tagen ging er wieder nach Kapernaum; und es wurde bekannt, dass er im Hause war.

>
  Mc 2,1 Mt 9,1 Lc 5,17
  1Καὶ εἰσελθὼν πάλιν εἰς Καφαρναοὺμ δι' ἡμερῶν ἠκούσθη ὅτι ἐν οἴκῳ ἐστίν. 1Καὶ ἐμβὰς εἰς πλοῖον διεπέρασεν καὶ ἦλθεν εἰς τὴν ἰδίαν πόλιν. 17Καὶ ἐγένετο ἐν μιᾷ τῶν ἡμερῶν καὶ αὐτὸς ἦν διδάσκων, καὶ ἦσαν καθήμενοι Φαρισαῖοι καὶ νομοδιδάσκαλοι οἳ ἦσαν ἐληλυθότες ἐκ πάσης κώμης τῆς Γαλιλαίας καὶ Ἰουδαίας καὶ Ἰερουσαλήμ: καὶ δύναμις κυρίου ἦν εἰς τὸ ἰᾶσθαι αὐτόν.

Tekstanalyse van Mc 2,1 . Dit vers Mc 2,1 telt 13 woorden , 25 lettergrepen en 62 (2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 2,1 is 4594 (2 X 2297) . Er is één hoofdzin , een participiumzin bij het onderwerp en een objectzin .

Mc 2,1.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,1.2. part. aor. nom. mann. enk. εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) van het werkw, εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . ΝΤ (20) : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 22,11 . (3) Mt 26,58 . (4) Mc 1,21 . (5) Mc 2,1 . (6) Mc 3,27 . (7) Mc 5,39 . (8) Mc 7,24 . (9) Mc 11,15 . (10) Lc 1,9 . (11) Lc 1,28 . (12) Lc 7,36 . (13) Lc 11,37 . (14) Lc 19,1 . (15) Lc 19,45 . (16) Hnd 18,19 . (17) Hnd 19,8 . (18) Hnd 23,16 . (19) Hnd 28,8 . (20) Heb 4,10 . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30) .

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. eiselthôn  33  13  20     15  15   

In dit vers wordt de plaatsbepaling van richting (εις = eis... naar...) versterkt in het vervoegd werkwoord : εισελθων = eiselthôn (naartoegegaan) . Eerder werd εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) in Mc 1,21 gebruikt om de synagoge binnen te gaan ; in Mc 2,1 echter om de stad Kafarnaüm binnen te gaan . και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) linkt aan και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging naar buiten) (Mc 2,13) . Het verhaal Mc 2,1-12 speelt zich in huis af . Het is een tweede verhaal dat zich 'in huis' afspeelt ; er gebeurt telkens een wonderverhaal (Mc 1,29-31 en Mc 2,1-12) .
- In de 2de aor. is de stam ελθ = elth anders dan die van het praesens ερχ = erch . De 2de aor. wordt gevormd door de zuivere stam + uitgang van het imperfectum (voor wat de indicatief betreft) , en door de zuivere stam + uitgang van het praesens (voor wat de andere wijzen betreft) . Het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) is mediaal . De 2de aor. ηλθον = èlthon (ik kwam) is actief . Aoristaugment is e ; e + e werd è (η) . In werkwoorden samengesteld met een voorzetsel , wordt het augment achter het voorzetsel ingelast . Part. wordt verbogen volgens de gemengde (1ste en 3de) verbuiging : - ων = -ôn -> -οντ- = -ont- .

>
1 Mc 1,21 : eiselthôn eis tèn sunagôgèn (binnengegaan in de synagoge) Mc 1,29 a Kai euthus ek tès sunagôgès exelthontes (en onmiddellijk uit de synagoge uitgegaan) Mc 1,29 b èlthon eis tèn oikian ... (gingen zij naar het huis van . Mc 1,35 a : Kai prôi ennucha lian anastas exèlthen (en zeer vroeg 's nachts opgestaan ging hij naar buiten) . Mc 1,35 b : kai apèlthen eis erèmon topon (en ging weg naar een eenzame plaats) .
2 Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) . ... èkousthè hoti en oikôi estin (er werd gefluisterd dat hij thuis was) . Mc 2,13 :  Kai exèlthen (en hij ging naar buiten) .      
  Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij binnenging in het huis van God) .        
Mc 3,1  : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) . Mc 3,6  kai exelthontes hoi Farisaioi (en de Farizeeën buitengegaan) .      
  Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou (in het huis van de sterke binnengegaan) eiselthôn .        
5 (4) Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . Mc 5,38 : kai erchontai eis ton oikon... (en zij gaan naar.... ) . Mc 6,1 : Kai exèlthen ekeithen (en hij ging naar buiten vandaar) . Mc 6,1 : kai erchetai eis tèn patrida autou (en hij gaat naar zijn vaderstad) .    
7 Mc 7,17 : Kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij het huis was binnengegaan) . Mc 7,24 a : Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou (Vandaar echter opgestaan ging hij weg naar de bergen van Tyrus) . Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) . Mc 7,31 1a : Kai palin exelthôn ek tôn horiôn Turou (en opnieuw naar buiten gegaan uit de bergen van Tyrus) . Mc 7,31 b : Mc 7,31b èlthen dia Sidônos... (ging hij via Sidon) .
Mc 9,28  : Kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij een huis was binnengegaan) . Mc 9,30 a : Kakeithen exelthontes (en vandaar buitengegaan)   Mc 9,30  b : pareporeuonto dia tès Galilaias (begaf hij zich zijdelings door Galilea op weg) .  
10  Mc 10,10 : kai eis tèn oikian (en thuis) . Mc 10,17  : Kai ekporeuomenou autou eis hodon (en terwijl hij zich naar buiten op weg begaf) .      
11 Mc 11,11 a : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) . Mc 11,11  b : exèlthen eis Bèthanian meta tôn dôdeka (ging hij naar buiten naar Betanië met de twaalf) .      
  Mc 11,15 a : Kai erchontai eis Hierosoluma (en zij gaan naar Jeruzalem) .   Mc 11,15 b : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) . Mc 11,19 ... exeporeuonto exô tès pôleôs (trokken zij weg uit de stad) .  
15 Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .        

- Sommige vertalers in het Hebreeuws gebruiken de qatalvorm van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord ´ab (vader) . Tenakh (264) . Pentateuch (58) . Eerdere Profeten (94) . Latere Profeten (56) . 12 Kleine Profeten (9) . Geschriften (47) .
- Ned. : binnengaan . D. : eingehen . E. : to enter . F. : entrer . Grieks : εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Hebreeuws : בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Lat. : intro-ire (binnengaan) .

Variante lezing : ind. aor. 3de pers. enk. εισηλθεν = eisèlthen (hij ging binnen) van het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Lc : eiserchomai . Mt (4) : (1) Mt 2,21 . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (5) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 . Lc (12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 . Joh (7) : (1) Joh 13,27 . (2) Joh 18,1 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . (5) Joh 20,5 . (6) Joh 20,6 . (7) Joh 20,8 . Hnd (10) : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 9,17 . (5) Hnd 10,24 . (6) Hnd 10,27 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 . (9) Hnd 17,2 . (10) Hnd 18,7 . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30) , in Lc (50) .

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen  227  164  43  12  10  21  28     

Mc 2,1.1. - 2. και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . NT (10) . Mt (1) : (1) Mt 21,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 24,29 . Joh (2) : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 20,6 . Hnd (1) : (2) Hnd 3,8 . (2) Hnd 9,17 .
- εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . NT (2) : (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .
- και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) . ΝΤ (8) : (1) Mt 26,58 . (2) Mc 5,39 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 11,15 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 7,36 . (7) Lc 19,1 . (8) Hnd 23,16 .
- εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) . ΝΤ (4) : (1) Mt 22,11 . (2) Lc 11,37 . (3) Hnd 19,8 . Variante lezing : Lc 8,51 .
- In het Hebreeuws kan dit Griekse verleden deelwoord beter weergegeven worden door een verbum consecutivum , een wajjiqtolvorm . Hebreeuws : prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

Mc 2,1.3. παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 .

palin (opnieuw)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  2 : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . 2 : (3) Mc 3,1 . (4) Mc 3,20 . 1 : (5) Mc 4,1 . 1 : Mc 5,21 . 2 : (7) Mc 7,14 . (8) Mc 7,31 . 3 : (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,13 . (11) Mc 8,25 .   4 : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 . 2 : (16) Mc 11,3 . (17) Mc 11,27 1 : (18) Mc 12,4 . 5 : (19) Mc 14,39 . (20) Mc 14,40 . (21) Mc 14,61 . (22) Mc 14,69 . (23) Mc 14,70 . 3 : (24) Mc 15,4 . (25) Mc 15,12 . (26) Mc 15,13 .   206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     1 : Mc 4,1 .   1 : Mc 7,31 .       1 : Mc 12,4 . 2 : (1) Mc 14,39 . (2) Mc 14,40 .       30 1 5 1 8 3 12   8 16

Het woordje παλιν = palin (opnieuw) komt hier voor de eerste maal voor , maar zal in de volgende hoofdstukken nog meer voorkomen . In Mc 2,1 verwijst het naar Mc 1,21 : "En zij gaan op weg naar Kafarnaüm" . In Mc 1,21 wordt het werkwoord "op weg gaan naar" (Grieks : eisporeuomai) gebruikt , in Mc 2,1 : "naar-gaan" (eiserchomai : naar-gaan) , een variante van het vorige . Een stad wordt binnengegaan , evenals een synagoge of een huis . In onze beide gevallen wordt een werkwoord gebruikt met een voorvoegsel naar (Grieks : eis- ) , en de stad is Kafarnaüm . De constructie "naar-gegaan naar" ( Grieks: eiselthôn eis... ) vonden we reeds in Mc 1,21 : en onmiddellijk op sabbat naar-gegaan naar de synagoge .
Als in Mc 2,1 uitdrukkelijk een link wordt gelegd met Mc 1,21 , maakt het ons attent om naar verdere verbanden te zoeken . In Mc 2,1-12 speelt het verhaal zich niet af in de synagoge , maar in het huis . Het woord synagoge : plaats van samenkomst , is afgeleid van samenkomst en verwijst naar het werkwoord sunagô : samenkomen , gezamenlijk ageren / handelen , samenstromen . In Mc 2,1 wordt dat werkwoord gebruikt : "kai sunèchthèsan polloi = en velen waren samengekomen" . Dan voert Jezus het woord , en daarna heeft een wondergebeuren plaats .
In beide verhalen komen we eenzelfde structuur tegen : een plaatsverandering - een samenkomst van het volk - Jezus' optreden in woord en daad .

Mc 2,1.4. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 2,1.2. 4. εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . NT (21) . Mt (3) . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (7) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . Joh (3) : (1) Joh 13,27 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . Hnd (4) : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 11,8 . (3) Hnd 14,20 . (4) Hnd 18,7 .
- εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .

Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) + εις = eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

1. - 2. 4. και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis (en hij ging naar - binnen naar ) . NT (4) . (1) Mc 11,11 . (2) Lc 1,40 . (3) Joh 19,9 . (4) Joh 20,6 . (5) Hnd 9,17 .
- εισηλθεν δε εις = eisèlthen de eis (hij ging echter - naar - binnen naar) . NT (0) .
- και εισελθων εις = kai eiselthôn eis (en binnengegaan naar) . ΝΤ (4) : (1) Mc 7,24 . (2) Lc 7,36 . (3) Lc 19,1 . (4) Hnd 23,16 .
- εισελθων δε εις = eiselthôn de eis (binnengegaan echter naar) . ΝΤ (2) : (1) Hnd 19,8 . Variante lezing : Lc 8,51 .
- Bemerking . In deze opsomming zijn niet de verzen opgenomen waar de uitdrukking onderbroken wordt .

Mc 2,1.5. καφαρναυμ = kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het NT : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

Kafarnaoum (Kafarnaüm)   bijbel NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
  16  16  4 : (1) Mt 4,13 . (2) Mt 8,5 . (3) Mt 11,23 . (4) Mt 17,24 3 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 . 4 : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 7,1 . (4) Lc 10,15 5 : (1) Joh 2,12 . (2) Joh 4,46 . (3) Joh 6,17 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 6,59 . 11 : (1) Mt 4,13 // Mc 1,21 // Lc 4,31 . (2) Mt 11,23 // Lc 10,15 . 16 : (1) Mt 8,5 // Mc 2,1 // Lc 7,1 // Joh 4,46 .
12 : eis kafarnaoum       3 . niet in Mt 11,23 . 3 .   3 . Lc 4,23 eis tèn kafarnaoum . niet in Lc 10,15 3 . en kafarnaoum in (1) Joh 4,46 .  (2) Joh 6,59 . niet in : (1) Mt 11,23 // Lc 10,15 .  

- Hebreeuws : כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur : 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- כֹּפֶר = kophèr (losgeld, zoengeld) . Zie het werkw. כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh : kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , pe = 17 of 80 , resj = 20 of 200 ; totaal : 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur : 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (7) : (1) Ex 21,30 . (2) Ex 30,12 . (3) 1 S 6,18 . (4) Job 36,18 . (5) Spr 6,35 . (6) Spr 13,8 . (7) Spr 21,18 .
- נָחַם = nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh : nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , chet = 8 , mem = 13 of 40 : totaal : 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . Structuur : 5 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 .

Mc 2,1.4. - 5. εις καφαρναυμ = eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . NT (12/16) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

Mc 2,1.3. - 5. In Mc 2,1 verwijst παλιν εις καφαρναυμ = palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar εις καφαρναυμ = eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) van Mc 1,21 .
De eerste stad waar Jezus tijdens zijn openbaar leven verblijft , is Kafarnaüm . De laatste stad is Jeruzalem . Bij een tweede vermelding van de beide steden wordt een vorm van het werkw. van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) gebruikt :
- Mc 2,1 : kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum = en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm .
- Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma = en hij ging binnen in Jeruzalem .

Mc 2,1.1. - 5. Mc 2,1 . και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel εις = eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope . Aan het voorzetsel εις = eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf , in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel εισ- = eis (naar) . De zinnen beginnen telkens met het voegwoord και = kai (en) .
In Mc 1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc 9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea . In Mc 2,1 verwijst παλιν εις καφαρναυμ = palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 .
- Mc 1,21 . και εισπορευονται εις καφαρναυμ = kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 2,1 . και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Mc 9,33 . και ελθων εις καφαρναυμ = kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP !

Mc 2,1.6. voorzetsel δια = dia (door, omwille van, na) . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in de LXX : dia (door) . δια = dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . δι' = di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

dia (door)  Mc Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
dia  29  (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . (1) Mc 3,9 3 : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,17 . 2  : (1) Mc 5,4 . (2) Mc 5,5 . 5 : (1) Mc 6,2 . (2) Mc 6,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,17 . (5) Mc 6,26 . 3 : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,31 . 1 : Mc 9,30 . 1 : Mc 10,25 . 3 : (1) Mc 11,16 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,31 . 1 : Mc 12,24 . 2  : (1) Mc 13,13 . (2) Mc 13,20 . 1 : Mc 14,58 .   1 : Mc 15,10 . 1 : Mc 16,20 . 1419  938  481  51  29  32  44  62  248  15  112  156 
di'  2 (1) : Mc 2,1 .                       1 : Mc 14,21 .     310 174 136 6 2 5 13 11 99   13  26 
totaal  31 2 1729 1112 617 57 31 37 57 73 347 15 125  182 

- L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .

Mc 2,1.7. genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) . Mc (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 14,58 : dia triôn hèmerôn (na drie dagen) . In die context vinden we ook : èkousamen... hoti : wij hebben gehoord... dat hij na drie dagen...

Mc 2,1.8. pass. aor. 3de pers. enk. ηκουσθη = èkousthè (er werd gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Bijbel (20) . LXX (16) . NT (4) .

Oor en horen zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare ( het oor lenen aan , toehoren , aanhoren ) -> écouter . Hebr. sjâmâ` . Mc (1) : Mc 2,1 .

Mc 2,1.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,1.10. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .

Mc 2,1.11. datief mannelijk enk. oikô(i) (in huis) van het zelfstandig naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Mc (1) : Mc 2,1 .
Een vorm van oikia (huis) en oikos (huis) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,1 (dat. en oikô(i) = in huis) . (2) Mc 2,11 (acc. eis ton oikon = naar het huis) . (3) Mc 2,15 (en tè(i) oikia(i) = in het huis) . (2) Mc 2,26 (acc. eis ton oikon = naar het huis) .
In het eerste huis , in Mc 1,29 gaan Jezus en zijn leerlingen naar het huis van Simon en Andreas . Daar geneest Jezus de schoonmoeder van Simon , die ziel te bed lag . In het tweede huis , in Mc 2,1 vergeeft een lamme zijn zonden en geneest de lamme , die op een draagberrie lag . In het derde huis , in Mc 3,20 , zegt Jezus wie zijn ware familieleden zijn en zijn schriftgeleerden uit Jeruzalem gekomen die beweren dat hij door de duivel bezeten is .

10. - 11. en oikôi (in huis) . Bij Marcus slechts in Mc 2,1 . Het is een tweede verhaal dat zich 'in een huis' afspeelt ; er gebeurt een genezing (Mc 2,1-12) . Na het bezoek aan de synagoge ging Jezus en zijn leerlingen naar het huis van de schoonmoeder van Simon . We bevinden ons dus in Kafarnaüm . Evenals in Mc 1,29 is Jezus in Kafarnaüm en in een huis .

Mc 2,1.12. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 2 (4) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,28 .

9. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 2,1 : hoti en oikô(i) estin (dat hij in huis is) .
- Mc 9,33 : en tè(i) oikia(i) genomenos (nadat hij in het huis was) .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,2 - Mc 2,2 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai sunèchthèsan polloi, hôste mèketi chôrein mède ta pros tèn thuran, kai elalei autois ton logon et auditum est quod in domo esset et convenerunt multi ita ut non caperet neque ad ianuam et loquebatur eis verbum   En velen kwamen samen zodat er geen plaats meer was, zelfs niet bij de deur, en hij sprak tot hen het woord.  2 stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde. [2] Er liepen zoveel mensen te hoop dat ze zelfs niet meer bij de deur konden komen, en Hij sprak hen toe.   [2] Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap. 2 Zovelen stromen er samen dat er zelfs voor de deur geen ruimte meer is, en toen heeft hij tot hen zijn woord gesproken.   2. Et beaucoup se rassemblèrent, en sorte qu'il n'y avait plus de place, même devant la porte, et il leur annonçait la Parole. 

Statenvertaling . 2 En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
King James Bible . [2] And straightway many were gathered together, insomuch that there was no room to receive them, no, not so much as about the door: and he preached the word unto them.
Luther-Bibel . 2 Und es versammelten sich viele, sodass sie nicht Raum hatten, auch nicht draußen vor der Tür; und er sagte ihnen das Wort.

>
    Mt 9,2  
  2καὶ συνήχθησαν πολλοὶ ὥστε μηκέτι χωρεῖν μηδὲ τὰ πρὸς τὴν θύραν, καὶ ἐλάλει αὐτοῖς τὸν λόγον. 2καὶ ἰδοὺ προσέφερον αὐτῷ παραλυτικὸν ἐπὶ κλίνης βεβλημένον.  

Tekstuileg van Mc 2,2 . Het vers Mc 2,2 telt 17 woorden en 82 (2 X 41) letters . De getalwaarde van Mc 2,2 is 9981 (3 X 3 X 1109) .

Mc 2,2.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,2.2. mediaal. aor. 3de pers. mv.  συνηχθησαν = sunèchtèsan (zij verzamelden zich) van het werkw. συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in het NT : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in Mc : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Bijbel (57) . LXX (48) . NT (9) : (1) Mt 13,2 . (2) Mt 22,34 . (3) Mt 26,3 . (4) Mt 26,57 . (5) Mt 27,62 . (6) Mc 2,2 . (7) Hnd 4,26 . (8) Hnd 4,27 . (9) Hnd 15,6 . Een vorm van συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) in de LXX (377) , in het NT (59) . Een vorm van συναγω = sunagô is 127 X vertaling van ´âsaph , 73 X van qâbhatz , 8 X van qâhal . Nog 47 andere Hebreeuwse woorden worden met συναγω = sunagô weergegeven .

  sunagô (verzamelen)   Mc 2 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pr. 3de pers. enk. sunagetai    (1) Mc 4,1 .                        
pr. 3de pers. mv. sunagontai        (1) Mc 6,30 (2) Mc 7,1 .     2              
med. aor. 3de pers. enk. sunèchthè      (1) Mc 5,21 .       12    1        
med. aor. 3de pers. mv.  sunèchtèsan (1) Mc 2,2 .           57  48  5 1            
  totaal 106  85  21      14  15     

Een vorm van συναγω = sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,21 . (4) Mc 6,30 . (5) Mc 7,1 .
(1) Mc 2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. συνηχθησαν = sunèchthèsan = zij verzamelden zich) .
(2) Mc 4,1 (med. ind. praes. 3de pers. enk. συναγεται = sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc 5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv.  συνηχθη = sunèchthè = het verzamelde zich) .
(4) Mc 6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. συναγονται = sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1 (med. ind. praes. 3de pers. mv. συναγονται = sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .

Mc 2,2.3. nom. mann. mv. πολλοι = polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Bijbel (163) . OT (86) . NT (77) . Mc (12) (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,15 .  (3) Mc 5,9 .  (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,31 . (6) Mc 6,33 .  (7) Mc 10,31 . (8) Mc 10,48 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,41 .  (11) Mc 13,6 .  (12) Mc 14,56 .  Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353) .
- Vanwaar ze komen , wordt hier niet gezegd . Het is de tweede maal dat Marcus melding maakt van het samenstromen van het volk .

  polus (veel)   Mc Mc 2 Mc 5 Mc 6 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14   polus (veel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. mv. polloi  12  (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,15 .   (3) Mc 5,9 .   (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,31 . (6) Mc 6,33 .   (7) Mc 10,31 . (8) Mc 10,48 .   (9) Mc 11,8 .   (10) Mc 12,41 .   (11) Mc 13,6 .   (12) Mc 14,56 .   nom. mann. mv. polloi  163  86  77  16  12  15  18  36  51     

- N. : veel < Grieks : polus ; p -> v . Arabisch : كثير = kathir (veel) . D. : viel . E. many . Fr. : nombreux (tal-rijk) . Gr. : πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Hebr. : רַב + Aramees = rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) . Lat. : multus .

Mc 2,2.2. - 3.
- Mc 2,2 : συνηχθησαν πολλοι = sunèchtèsan polloi (velen verzamelden zich) .
- Mc 5,21 : συνηχθη οχλος πολυς =  sunèchthè ochlos polus = verzamelde zich een grote menigte .
- Mc 4,1 : και συναγεται προς αυτον οχλος πλειστος = kai sunagetai pros auton ochlos pleistos = en een zeer grote menigte verzamelde zich bij hem .
In Mc 4,1 verzamelde zich een zeer grote menigte bij Jezus langs de rechteroever van het meer van Galilea . In Mc 5,21 verzamelde zich een grote menigte (opnieuw) aan de rechteroever van het meer nadat Jezus (en zijn leerlingen) was teruggekomen van een oversteken naar de andere oever .

Mc 2,2.4. hôste (zodat) . Taalgebruik in het N.T. : hôste (zodat) . Taalgebruik in Mc : hôste (zodat) .
Mc (13) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 2,2 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,28 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,20 .  (8) Mc 4,1 . (9) Mc 4,32 . (10) Mc 4,37 .  (11) Mc 9,26 . (12) Mc 10,8 . (13) Mc 15,5 .

5. mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het N.T. : mèketi (niet meer) . niet nog . F. ne ... plus . Mc (4) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 11,14 . hôste mèketi (zodat hij / zij niet meer) .

Mc 2,2.9. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) .
Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

Mc 2,2.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,2.11. thuran ( deur ) . Accusatief vrouwelijk enk. . Taalgebruik in het N.T. : thura (deur) . Taalgebruik in Mc : thura (deur) . Lat. ianua ( de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan , zie de maand januari ) . Fr. porte < Lat. porta cfr. fores ( buiten ) .
Mc (4) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 15,46 . (1) Mc 1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld bij de deur) . (2) Mc 2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3) Mc 11,4 (gebonden bij de deur) . (4) Mc 15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou (hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken) . Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd . Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .

Mc 2,2.9. - 11. pros tèn thuran ( bij de deur) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Hnd 3,2 . In Mc 1,33 .verzamelde de hele stad zich bij de deur van het huis waarin Jezus zich bevond . In Mc 2,2 stromen zoveel mensen bijeen dat men niet meer bij de deur kan komen . Dat kan zowel van binnen uit als van buiten uit het geval zijn . Er is evolutie en gradatie . In Mc 3,20 is het samenstromen van het volk zo intens dat Jezus en zijn leerlingen niet eens de tijd krijgen om te eten .

Mc 2,2.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

13. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Mc (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 7,35 .  (5) Mc 8,32 .  (6) Mc 14,31 . Nog een vorm in Mc 2 : act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij spreekt) : Mc 2,7 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Mc in 19 verzen .
In deze 6 verzen komt autois (aan hen) voor bij een vorm van laleô (spreken) en legô (zeggen) .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
- Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt Jezus ... zegt hen .Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt hen .
- Mc 2,14 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc 2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .

Mc 2,2.14. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .

13. - 14. elalei autois (hij sprak tot hen) . Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 4,34 .  

Mc 2,2.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc (124) . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,3 - Mc 2,3 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon airomenon hupo tessarôn   et venerunt ferentes ad eum paralyticum qui a quattuor portabatur  En ze kwamen bij hem een lamme brengen die door vier (mannen) gedragen werd.  3 Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd. [3] Ze kwamen een verlamde bij Hem brengen, door vier man gedragen. [3] Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 3 Er komen er die een verlamde tot hem willen brengen, gedragen door vier man. 3. On vient lui apporter un paralytique, soulevé par quatre hommes.

Statenvertaling . 3 En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.
King James Bible . [3] And they come unto him, bringing one sick of the palsy, which was borne of four.
Luther-Bibel . 3 Und es kamen einige zu ihm, die brachten einen Gelähmten, von vieren getragen.

>
  Mc 2,3   Lc 5,18  
  kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon airomenon hupo tessarôn / 3καὶ ἔρχονται φέροντες πρὸς αὐτὸν παραλυτικὸν αἰρόμενον ὑπὸ τεσσάρων.   18καὶ ἰδοὺ ἄνδρες φέροντες ἐπὶ κλίνης ἄνθρωπον ὃς ἦν παραλελυμένος, καὶ ἐζήτουν αὐτὸν εἰσενεγκεῖν καὶ θεῖναι [αὐτὸν] ἐνώπιον αὐτοῦ.  

Tekstuitleg van Mc 2,3 . Het vers Mc 2,3 telt 9 (3²) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 2,3 is 7332 (2² X 3 X 13 X 47) .

Mc 2,3.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,3.2. ind. praes. 3de pers. mv. ερχονται = erchontai (zij gaan) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Bijbel (65) . OT (47) . NT (18) . Mt (2) : (1) Mt 7,15 . (2) Mt 25,11 . Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) Mc 16,2 . Lc (1) Lc 23,29 . Joh (1) : Joh 3,26 . Br. (2) : (1) 1 Kor 15,35 . (2) Heb 8,8 .

erchomai (gaan, komen) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. pr. 3de p. mv. erchontai 65 47 18  12      15  16 

In zes verzen in Mc gaat Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats : (1) Mc 5,38 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 11,15 . (5) Mc 11,27 . (6) Mc 14,32 . In één vers : erchontai ( zij nl. de vrouwen , gaan ) + epi ( naar , bij ) voorzetsel van plaats + plaatsbepaling : Mc 16,2 . In de vijf overige verzen in Mc gaan bepaalde groepen mensen naar Jezus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 12,18 .
In Mc 2,3 zijn de dragers van de lamme onderwerp . Het is het enige vers in Mc in deze werkwoordtijd waarin zieken (of zijn / hun helpers) naar Jezus gaan om genezen te worden . Vergelijk met :
- Mc 1,40 : kai erchetai pros auton lepros = en een melaatse gaat naar hem .
- Mc 2,3 : kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon = en zij gaan dragend naar hem de lamme .

Mc 2,3.3. act. part. praes. nom. mann. mv. φεροντες = ferontes (dragende) van het werkw. φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in de LXX : ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô (voeren, dragen) . Bijbel (12) : (1) Joz 6,13 . (2) Js 52,11 . (3) Js 60,6 . (4) Jr 17,26 . (5) Ez 27,24 . (6) Neh 10,32 . (7) Neh 13,16 . (8) 1 Kr 18,2 . (9) Mc 2,3 . (10) Lc 5,18 . (11) Hnd 5,16 . (12) Heb 13,13 . Een vorm van φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) in de LXX (290) , in het NT (68) . In de LXX kan een vorm van φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) de vertaling van 31 Hebreeuwse (werk)woorden zijn .

  ferô (voeren, dragen) .   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 4 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 12 Mc 15
act. part. praes. nom. mann. mv. ferontes     (1) Mc 2,3 .                
  totaal 15 

- Ned. : dragen . D. : tragen . Lat. : trahere (trekken) . Van Dale (EWB 1993 :"De betekenis heeft zich ontwikkeld van lmasten voorttrekken via opladen tot dragen") . Spaans : traer .
- Grieks : φερω = ferô (voeren, dragen, brengen) . Taalgebruik in het NT : ferô (voeren, dragen) . Lat. : ferre . por-tare (f / p) . Frans : porter . Italiaans : portare . Ned. : bre-n-gen (p / b) . D. : bringen . E. : to bring .

Mc 2,3.1. - 2. και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan) . LXX (17) . NT (9) = Mc (9) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 3,20 / Mc 3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan) . (4) Mc 5,15 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,18 . (10) Mc 14,32 .
- Hebreeuws . prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ = wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (195) . Pentateuch (47) . Eerdere Profeten

Mc 2,3.3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

- ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . OF ontkenning עַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) .
- إلي = ´ilâ (naar) . Taalgebruik in de Qoran : ´ilâ (naar) .

Mc 2,3.2. - 3. ερχονται προς = erchontai pros (zij gaan naar) . Bijbel (8) . OT (3) : (1) 1 S 28,8 . (2) 1 K 11,18 . (3) Ez 33,31 . NT (5) . Mt (1) : Mt 7,15 . Mc (3) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 11,27 . Joh (1) : Joh 3,26 .

Mc 2,3.1. - 3. και ερχονται προς = kai erchontai pros (en zij gaan naar) . Bijbel (4) . LXX (2) : (1) 1 S 28,8 . (2) 1 K 11,18 . NT (2) = Mc (2) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 5,15 .

4. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,23 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 2,3.3. - 4. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . LXX (369) . Naar Jezus . NT (105) . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

2. - 4. ερχονται προς αυτον = erchontai pros auton (zij gaan naar hem) . Bijbel (3) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 11,27 . (3) Joh 3,26 .

Mc 2,3.7. acc. mann. enk. παραλυτικον = paralutikon (lamme) van het zelfst. naamw. παραλυτικος = paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het NT : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . Bijbel (2) : (1) Mt 9,2 // Mc 2,3 . (2) Mc 2,3 // Mt .
- παρα = para (langs , terzijde) en λυω = luô ( losmaken , vrijmaken , vrijlaten ) ; zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz. . παραλυω = paraluô ; ter zijde losmaken , verlammen . Paralutikos (lamme) heeft blijkbaar iets met los- , vrij te maken . Naast degenen die vrij zijn , zijn er mensen die gebonden (aan hun bed) zijn . Naast degenen die vrij konden gaan en staan , waren er degenen die dat niet konden en "onvrij , lam" waren) . Naast de Olympische spelen zijn er de parolympics die voor "minder valiieden" worden georganiseerd . In Joh 11,40 is de tot leven gewekte Lazarus aan handen en voeten gebonden en Jezus geeft de opdracht en los te maken en hem te laten gaan

paralutikos (lamme) bijbel  OT NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
acc. enk. : paralutikon 2   2 (1) Mt 9,2 . (1) Mc 2,3          
Totaal   10   10 5 5          

In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos 5X voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) ; in Mt 9,1-8 4X



- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,4 - Mc 2,4 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai mè dunamenoi prosevegkai autôi dia ton ochlon apestegasan tèn stegèn hopou èn, kai exoruxantes chalôsai ton krabaton hopou ho paralutikos katekeito eum illi prae turba nudaverunt tectum ubi erat et patefacientes submiserunt grabattum in quo paralyticus iacebat   En doordat ze (hem) niet konden + aanbrengen + bij hem, vanwege de volksmenigte, braken ze het dak open (boven de plaats) waar hij was; en na een opening gemaakt te hebben lieten ze de baar neer waarop de lamme neerlag.   4 Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken.   [4] Omdat ze de man niet bij Hem konden krijgen vanwege de menigte, haalden ze de dakbedekking* weg boven zijn hoofd, en toen ze een opening gemaakt hadden, lieten ze het bed waar de verlamde op lag, zakken.   [4] Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.    4 Omdat ze vanwege de schare hem niet naar hem toe kunnen brengen, halen ze de bedekking van het platte dak af daar waar hij is; ze graven een gat uit en laten de mat waarop de verlamde ligt neer. 4. Et comme ils ne pouvaient pas le lui présenter à cause de la foule, ils découvrirent la terrasse au-dessus de l'endroit où il se trouvait et, ayant creusé un trou, ils font descendre le grabat où gisait le paralytique. 

Statenvertaling . 4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.
King James Bible . [4] And when they could not come nigh unto him for the press, they uncovered the roof where he was: and when they had broken it up, they let down the bed wherein the sick of the palsy lay.
Luther-Bibel . 4 Und da sie ihn nicht zu ihm bringen konnten wegen der Menge, deckten sie das Dach auf, wo er war, machten ein Loch und ließen das Bett herunter, auf dem der Gelähmte lag.

>
  Mc 2,4   Lc 5,19
  kai mè dunamenoi prosevegkai autôi dia ton ochlon apestegasan tèn stegèn hopou èn, kai exoruxantes chalôsai ton krabaton hopou ho paralutikos katekeito / 4καὶ μὴ δυνάμενοι προσενέγκαι αὐτῷ διὰ τὸν ὄχλον ἀπεστέγασαν τὴν στέγην ὅπου ἦν, καὶ ἐξορύξαντες χαλῶσι τὸν κράβαττον ὅπου παραλυτικὸς κατέκειτο.   5:19 kai mè eurontes poias eisenegkôsin auton dia ton ochlon anabantes epi to dôma dia tôn keramôn kathèkan auton sun tô klinidiô eis to meson emprosthen tou ièsou / 19καὶ μὴ εὑρόντες ποίας εἰσενέγκωσιν αὐτὸν διὰ τὸν ὄχλον ἀναβάντες ἐπὶ τὸ δῶμα διὰ τῶν κεράμων καθῆκαν αὐτὸν σὺν τῷ κλινιδίῳ εἰς τὸ μέσον ἔμπροσθεν τοῦ Ἰησοῦ.

Tekstuitleg van Mc 2,4 . Het vers Mc 2,4 telt 23 woorden en 124 (2 X 2 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 2,4 is 13822 (2 X 6911) .

Mc 2,4.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,4.2. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,7 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,4.5. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,4.6. δια = dia (door, omwille van, na) . Taalgebruik in NT : dia (door) . Taalgebruik in de LXX : dia (door) . δια = dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . δι' = di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

dia (door)  Mc Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7aqx, Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
dia  29  (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . (1) Mc 3,9 3 : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,17 . 2  : (1) Mc 5,4 . (2) Mc 5,5 . 5 : (1) Mc 6,2 . (2) Mc 6,6 . (3) Mc 6,14 . (4) Mc 6,17 . (5) Mc 6,26 . 3 : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,31 . 1 : Mc 9,30 . 1 : Mc 10,25 . 3 : (1) Mc 11,16 . (2) Mc 11,24 . (3) Mc 11,31 . 1 : Mc 12,24 . 2  : (1) Mc 13,13 . (2) Mc 13,20 . 1 : Mc 14,58 .   1 : Mc 15,10 . 1 : Mc 16,20 . 1419  938  481  51  29  32  44  62  248  15  112  156 
di'  2 (1) : Mc 2,1 .                       1 : Mc 14,21 .     310 174 136 6 2 5 13 11 99   13  26 
totaal  31 2 1729 1112 617 57 31 37 57 73 347 15 125  182 

- L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .

Mc 2,4.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,4.8. acc. mann. enk. ochlon (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 6,34 . (6) Mc 6,45 . (7) Mc 7,14 . (8) Mc 8,2 . (9) Mc 8,34 . (10) Mc 9,14 . (11) Mc 11,32 . (12) Mc 12,12 . (13) Mc 15,11 . Voor het eerst brengt Mc de menigte ter sprake , slechts terloops . Een vorm van ochlos (menigte) in Mc in 36 verzen , in Mc 2 in 2 verzen : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,13 .

Mc 2,4.6. - 8. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte . In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren . STAP VOOR STAP .

Mc 2,4.9. act. ind. aor. 3de pers. mv. απεστεγασαν = apestegasan (zij ont-dek (dak) ten) van het werkw. αποστεγαζω = apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) . Taalgebruik in het NT : apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) . Bijbel (1) : Mc 2,4 . Een vorm van αποστεγαζω = apostegadzô (het dak eraf nemen, ontdakken) in de Bijbel (1) : Mc 2,4 .
- Zie ook het werkw. στεγαζω = stegadzô (bedekken, bedakken) . Taalgebruik in het NT : stegadzô (bedekken, bedakken) . Taalgebruik in de LXX : stegadzô (bedekken, bedakken) . Een vorm van het werkw. στεγαζω = stegadzô (bedekken, bedakken) in de LXX (5) : (1) 2 Kr 34,11 . (2) Ps 104,3 . (3) Neh 2,8 . (4) Neh 3,3 . (5) Neh 3,6 . In het NT (0) .
- Zie eveneens het werkw. στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken) . Taalgebruik in het NT : stegô (dekken, bedekken, bedakken) . Taalgebruik in de LXX : stegô (dekken, bedekken, bedakken) . Een vorm van στεγω = stegô (dekken, bedekken, bedakken) in de LXX (1) : Sir 8,17 . In het NT (4) : (1) 1 Kor 9,12 . (2) 1 Kor 13,7 . (3) 1 Tes 3,1 . (4) 1 Tes 3,5 .
- Zie ook het zelfst. naamw. στεγη = stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in het NT : stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in de LXX : stegè (dak, deksel) . Een vorm van στεγη = stegè (dak, deksel) in de LXX (2) : (1) Gn 8,13 . (2) Ez 40,43 . In het NT (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 .
- Hebreeuws : de stam van het werkw. כָּסָה = kâsâh (bedekken) . Taalgebruik in Tenakh : kâsâh (bedekken) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , samekh = 15 of 60 , he = 5 ; totaal : 31 OF 85 (5 X 17) . Structuur : 2 - 6 - 5 . De som van de elementen is telkens 4 .
- Zie ook : קָרָה = qârâh (1. ontmoeten, treffen, overkomen. 2. ov erdekken, een zoldering maken) . Taalgebruik in Tenakh : qârâh (ontmoeten, treffen, overkomen) . Getalswaarde : qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , he = 5 ; totaal : 44 OF 305 (5 X 61) . Structuur : 1 - 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 8 .
- Ned. : dak . D. : das Dach . Fr. : toit (< Lat. : tectum) . Gr. : στεγη = stegè (dak, deksel) . Taalgebruik in het NT : stegè (dak, deksel) . Lat. : tegere (tectum) (dekken, bedekken, bedakken) .

Mc 2,4.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,4.11. stegèn ( dak ) . accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stegè : dak . Lat. tegere , tectum : dekken , bedekken . Tectum : bedekking , dak . Fr. toit . Bijbel (4) . O.T. (1) Gn 8,13 . N.T. (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 .

Gr. kalup-tô . Lat. cooperire , operimentum . Fr. couvrir , couverture . Hebr. kâsâh : bedekken . mikhësèk : deksel . In een aantal teksten in Ex. wordt mikhësèk : deksel gebruikt om het deksel van de ark aan te duiden

Mc 2,4.9. - 11. apestegasan tèn stegèn ( zij ont-dekten het dak ) . Paroniem (Een stamverwant woord . Woorden die van dezelfde wortel zijn afgeleid en daarmee ten dele in klank overeenkomen) . Hapax in de bijbel .

Mc 2,4.12. hopou (waar) . Onbepaald voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : hopou (waar) . Taalgebruik in Mc : hopou (waar) .
Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 5,40 . (5) Mc 6,10 . (6) Mc 6,55 . (7) Mc 6,56 . (8) Mc 9,18 . (9) Mc 9,48 . (10) Mc 13,14 . (11) Mc 14,9 . (12) Mc 14,14 . (13) Mc 16,6 .

Mc 2,4.13. exoruxantes ( uitgegraven ) < ex (uit) + orussô of oruttô : graven (Fr. creuser) van het werkw. = exorussô (uitgraven, een opening maken) . Hebr. châthar .

Mc 2,4.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,4.18. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,4.19. ὁπου = hopou (waar) . Taalgebruik in het NT : hopou (waar) . Taalgebruik in de LXX : hopou (waar) . Taalgebruik in Mc : hopou (waar) . Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 5,40 . (5) Mc 6,10 . (6) Mc 6,55 . (7) Mc 6,56 . (8) Mc 9,18 . (9) Mc 9,48 . (10) Mc 13,14 . (11) Mc 14,9 . (12) Mc 14,14 . (13) Mc 16,6 . Lc (5) : (1) Lc 9,57 . (2) Lc 12,33 . (3) Lc 12,34 . (4) Lc 17,37 . (5) Lc 22,11 .

  hopou (waar) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    90  14  76  11  13  29  29  58     

Mc 2,4.20. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (13 van de 28 verzen) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24 . (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,4.21. nom. mann. enk. παραλυτικος = paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het NT : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . Bijbel (2) : (1) Mt 8,6 . (2) Mc 2,4 .
- παρα = para (langs , terzijde) en λυω = luô ( losmaken , vrijmaken , vrijlaten ) ; zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz. . παραλυω = paraluô ; ter zijde losmaken , verlammen .

paralutikos (lamme) bijbel  OT NT Mt  Mc   Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk 
nom. enk. : paralutikos 2   2 (1) Mt 8,6 . (1) Mc 2,4 . Lc 5,18 : paralelumenos (verlamde)   Hnd 9,33 : paralelumenos (verlamde)    
gen. enk. : paralutikou                    
dat. enk. : paralutikôi 5   5 2 : (1) Mt 9,2 . (2) Mt 9,6 3 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . Lc 5,24 : paralelumenôi (aan de verlamde)        
acc. enk. : paralutikon 2   2 (1) Mt 9,2 . (1) Mc 2,3          
nom. mv. : paralutikoi               Hnd 8,7 : paralelumenoi (verlamden)    
acc. mv. : paralutikous 1 Dt 32,36 : paralelumenous (verlamden) 1 1            
Totaal   10   10 5 5          

- In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos 5X voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) ; in Mt 9,1-8 4X

20. - 21. ὁ παραλυτικος = ho paralutikos (de lamme) . Bijbel (1) : Mc 2,4 .

Mc 2,4.22. ind. imperf. 3de pers. enk. = katekeito (hij / zij lag neer) van het werkw. κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het NT : katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in de LXX : katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai (neerliggen) . Bijbel (6) : (1) Jdt 13,15 . (2) W 17,7 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 2,4 . (5) Lc 5,25 . (6) Joh 5,3 . Een vorm van κατακειμαι = katakeimai (neerliggen) in de LXX (4) : (1) Spr 6,9 . (2) Spr 23,34 . (3) Jdt 13,15 . (4) W 17,7 ; in het NT (12) , in Mc (4) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 14,3 .

  katakeimai (neerliggen)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
ind. imperf. 3de pers enk. katekeito    2 : (1) Mc 1,30 .   (2) Mc 2,4 .     6   2 :          
part. praes. gen. mann. enk. katakeimenou      (1) Mc 14,3 .                    
inf. praes. katakeisthai    (1) Mc 2,15 .                    
  Totaal  4            

In Mc 1,30 ligt de schoonmoeder van Simon met koorts te bed . Het is tijdelijk , omdat ze koorts heeft . In Mc 2,4 ligt een lamme op het bed . Deze situatie van op het bed neerliggen is permament omdat hij lam is . Beide genezingsverhalen hebben plaats in een huis in Kafarnaüm .

 

ind. imperf. 3de pers. mann. + vr. enk. katekeito (hij / zij lag neer) van het werkw. katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het N.T. : katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai (neerliggen) .
Mc (2) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . In Mc 1,30 ligt de schoonmoeder van Simon met koorts te bed . Het is tijdelijk , omdat ze koorts heeft . In Mc 2,4 ligt een lamme op het bed . Deze situatie van op het bed neerliggen is permament omdat hij lam is . Beide genezingsverhalen hebben plaats in een huis in Kafarnaüm .
STAP VOOR STAP ! Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 14,3 .

Mc 2,4.19. - 22.
- Mc 2,4 : hopou èn (waar hij = Jezus) was . En : hopou ho paralutikos katekeito = waarop de lamme lag .
- Mc 5,40 : hopou èn to paidion = waar het kind was .
In Mc 2,4 wordt het bed waarop de lamme lag op de plaats waar Jezus was neergelaten . In Mc 5,40 begeeft Jezus zich naar binnen waar het kind was . In Mc 2,4 wordt de lamme door vier gedragen in de hoop dat Jezus hem zal genezen . In Mc 5,40 is het kind gestorven . Alle hoop was opgegeven .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,5 // Mt 9,2 - Mc 2,5 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai idôn ho Ièsous tèn pistin autôn legei tôi paralutikôi teknon afientai sou hoi hamartiai cum vidisset autem Iesus fidem illorum ait paralytico fili dimittuntur tibi peccata   En toen Jezus hun geloof zag, zei hij aan de lamme: "Kind, je zonden worden vergeven".   5 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: "Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven." [5] Bij het zien van hun vertrouwen* zei Jezus tegen de verlamde*: Vriend, uw zonden worden u vergeven. [5] Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: Vriend, uw zonden worden u vergeven.   5 Als Jezus dat vertrouwen van hen aanziet, zegt hij tot de verlamde: kind, jou worden je zonden vergeven! 5. Jésus, voyant leur foi, dit au paralytique : « Mon enfant, tes péchés sont remis. »

Statenvertaling . 5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.
King James Bible . [5] When Jesus saw their faith, he said unto the sick of the palsy, Son, thy sins be forgiven thee.
Luther-Bibel . 5 Als nun Jesus ihren Glauben sah, sprach er zu dem Gelähmten: Mein Sohn, deine Sünden sind dir vergeben.

>
      Lc 5,20
  5καὶ ἰδὼν Ἰησοῦς τὴν πίστιν αὐτῶν λέγει τῷ παραλυτικῷ, Τέκνον, ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι. καὶ ἰδὼν Ἰησοῦς τὴν πίστιν αὐτῶν εἶπεν τῷ παραλυτικῷ, Θάρσει, τέκνον: ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι. 20καὶ ἰδὼν τὴν πίστιν αὐτῶν εἶπεν, Ἄνθρωπε, ἀφέωνταί σοι αἱ ἁμαρτίαι σου.

Tekstuitleg van Mc 2,5 . Het vers Mc 2,5 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 2,5 is 10891 .

Mc 2,5.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,5.2. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .

  zien  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  106  45  61  12  12  20  12  44  47   

Mc 2,5.1. - 2. και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .
- ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .

Mc 2,5.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,5.4. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,5.1. - 4. και ιδων ὁ ιησους = kai idôn ho ièsous (en Jezus gezien) : Mc 2,5 . kai ho ièsous idôn (en Jezus , gezien) : Mc 12,34 . idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . Nog éénmaal komt idôn de (gezien echter) voor in Mc 15,39 : idôn de ho kenturiôn (gezien echter de centurio) .

Mc 2,5.5. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,5.6. acc. vr. enk. pistin (geloof, vertrouwen) van het zelfst. naamw. pistis (geloof, vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis (geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis (geloof) . Mc (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 4,40 . (3) Mc 11,22 .  
nom. vr. enk. pistis (geloof, vertrouwen) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 .  (2) Mc 10,52
- Mc 4,40 : oupô echete pistin (heb je nog geen geloof) . Mc 11,22 : echete pistin theou (heb geloof in God) .
Uit de verhalen van Mc 12,34 (lamme) , Mc 5,34 (bloedvloeiende vrouw) en Mc 10,52 (blinde) blijkt hoe grote inspanningen de zieke of zijn omgeving doet om genezen te worden . Geduld , doorzettingsvermogen , de vaste wil kenmerken dit geloof .

Mc 2,5.7. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

Mc 2,5.2. - 7. In Mc wordt idôn (gezien) gevolgd in 11 / 12 door een lijdend voorwerp . Dit is een bepaling (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,28 of een voorwerpszin , ingeleid door hoti (dat) (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 15,39 . Niet in Mc 10,14 . idôn auton (hem gezien) in Mc (3) : (3) Mc 5,22 : idôn (Jaïrus) auton (Jezus) . (6) Mc 9,20 : idôn (de onreine geest) auton (Jezus) . (2) Mc 12,34 : idôn (Jezus) auton (een schriftgeleerde) . Maar er is nog meer op te merken :
- Mc 5,6 : kai idôn (bezetene) ton ièsoun apo makrothen (en gezien Jezus van verre) . Mc 11,13 : kai idôn sukèn apo makrothen (en gezien (Jezus) een vijgeboom van verre) .
- Mc 9,25 : idôn de ho ièsous hoti (Jezus echter gezien dat) . Mc 15,39 : idôn de ho kenturiôn ... hoti (gezien echter de centurio ... dat) .
- Mc 12,28 : idôn hoti kalôs apekrithè autois = gezien (een schriftgeleerde) dat hij (Jezus) hen goed antwoordde . Mc 12,34 : kai ho ièsous idôn auton hoti nounechôs apekrithè (en Jezus hem gezien dat hij wijs antwoordde) .

Mc 2,5.8. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Een vorm van λεγω = llegô (zeggen) in Mc 2 in 12 verzen en van ειπον = eipon (ik zei) in 2 verzen .

  legô : act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

Mc 2,5.9. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,5.8. - 9. λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mt (3) : (1) Mt 9,6 . (2) Mt 12,13 . (3) Mt 26,40 . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 . Niet in Lc .
- λεγει τῳ παραλυτικῳ = paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Bijbel = NT (3) . Mt (1) : Mt 9,6 . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 .
- λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Bijbel = NT (3) . Mt (1) : Mt 12,13 . Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .
- λεγει τῳ αρχισυναργωγῳ = archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste : Mc 5,36 .
- Mc 9,5 :και αποκριθεις ὁ πετρος λεγει τῳ ιησου = kai apokritheis ho petros legei tô ièsou (en Petrus geantwoord zegt aan Jezus) . Eveneens : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 21,21 .
- Mc 14,37 : και λεγει τῳ πετρῳ = kai legei tô petrô = en hij (Jezus) zegt aan Petrus . Evenzo : Mt 26,40 .

Mc 2,5.10. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) . In Mc slechts in Mc 2 .

Mc 2,5.8. - 10. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .

Mc 2,5.11. nom. + voc. + acc. onz. enk. teknon (kind) . Taalgebruik in het N.T. : teknon (kind) . Taalgebruik in Mc : teknon (kind) .
Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 13,12 .

Mc 2,5.12. pass. ind. perf. 3de pers. mv. αφεωνται = afeôntai (zij zijn vergeven) van het werkw. αφιημι = afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Bijbel (6) : (1) Lc 5,20 . (2) Lc 5,23 . (3) Lc 7,47 . (4) Lc 7,48 . (5) Joh 20,23 . (6) 1 Joh 2,12 . Variante lezing in : . Mc 2,5 en Mc 2,9 .
- pass. ind. praes. 3de pers. mv. αφιενται = afientai (zij worden vergeven) van het werkw. αφιημι = afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Bijbel (4) : Mc 2,5 // Mt 9,2 en Mc 2,9 // Mt 9,5 .

Mc 2,5.13. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

12. - 13. αφεωνται σοι = afeôntai soi (zij zijn vergeven aan jou) . Bijbel (3) : (1) Lc 5,20 . (2) Lc 5,23 . Variante lezing in Mc 2,5 // Mt 9,2 en Mc 2,9 // Mt 9,5 . In dezelfde verzen : αφεωνται σοι αἱ ἁμαρτιαι = afeôntai soi hai hamartiai (zij zijn vergeven aan jou de zonden) .

Mc 2,5.14.

Mc 2,5.15. nom vr. mv. ἁμαρτιαι = hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. ἁμαρτια = hamartia (zonde) . Taalgebruik in het NT : hamartia (zonde) . Taalgebruik in de LXX : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) .

hamartia (zonde)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom + dat. enk. hamartia(i) 81 51 30 1 : Mt 12,31 .     2   27  
gen enk. + acc. mv. hamartias 270 216 54 2 : (1) Mt 3,6 . (2) Mt 9,6 . 3 : (1) Mc 1,5  . (2) Mc 2,7 .  (2) Mc 2,10 . 4 : (1) Lc 5,21 . (2) Lc 5,24 . (3) Lc 7,49 . (4) Lc 11,4 . 6 2 37   9 15
acc. enk. hamartian 91 65 26       6 1 19     6
nom mv. hamartiai 35 23 12 2 : (1) Mt 9,2 . (2) Mt 9,5 . 2 : 1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . 4 : (1) Lc 5,20 . (2) Lc 5,23 . (3) Lc 7,47 . (4) Lc 7,48 .     3 1 8 8
gen mv. hamartiôn 85 53 32 2 : (1) Mt 1,21 . (2) Mt 26,28 . 1 : Mc 1,4 . 3 : (1) Lc 1,77 . (2) Lc 3,3 . (3) Lc 24,47 .   5 : 20 1 6 6
dat. mv. hamartiais 54 46 8       2   5 1   2
totaal 616 454 162 7 6 11 16 8 111 3 24 40

Mc 2,5.12. - 15. De combinatie van een vorm van werkw. / zelfst. naamw. vergeven en zonde .
- αφεωνται σοι = afeôntai soi (zij zijn vergeven aan jou) . Bijbel (6) : (1) Lc 5,20 . (2) Lc 5,23 . Variante lezing in Mc 2,5 // Mt 9,2 en Mc 2,9 // Mt 9,5 . In dezelfde verzen : αφεωνται σοι αἱ ἁμαρτιαι = afeôntai soi hai hamartiai (zij zijn vergeven aan jou de zonden) .
- εις αφεσιν (των) ἁμαρτιων = eis afesin (tôn) hamartiôn (tot vergeving van (de) zonden) . Bijbel (4) : (1) Mt 26,28 . (2) Mc 1,4 . (3) Lc 3,3 . (4) Hnd 2,38 .
- εν αφεσει ἁμαρτιων = en afesei hamartiôn (door vergeving van zonden) . NT (1) : (1) Lc 1,77 .
- Zonde niet in combinatie met vergeven . Mc (1) : (1) Mc 1,5 // Mt 3,6 . Mt (2) : (1) Mt 1,21 . (2) Mt 3,6 // Mc 1,5 . Slechts in 3 van de 24 verzen in de synoptici staat geen combinatie van vergeven en zonde ; 1X i.v.m. hij zal verlossen van de zonden (Mt 1,21) en 2X i.v.m. zonden belijden : (1) Mc 1,5 // Mt 3,6 . In al de verzen in de synoptici heeft het te maken met de verlossing van de last van de zonden .

Vooral Marcus en Matteüs zijn voorzichtig in het gebruik van het woord zondaar . Vaak wordt aan Jezus het verwijt gemaakt dat hij eet met zondaars .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  nom. mann. enk. hamartôlos 35 26 9     3 : (1) Lc 5,8 . (2) Lc 7,37 . (3) Lc 7,39 . 3   3   3 6 2 1
  dat. mann. enk. harmartôlô(i) 14 9 5   1 : (10) Mc 8,38 . 4 : (11) Lc 15,7 . (12) Lc 15,10 . (13) Lc 18,13 . (14) Lc 19,7 .         5 5    
  acc. mann. enk. hamartôlon 7 6 1           1          
  nom. mann. mv. hamartôloi   35 23 12 1 : (1) Mt 9,10 . 1 : (2) Mc 2,15 . 5 : (3) Lc 6,32 . (4) Lc 6,33 . (5) Lc 6,34 . (6) Lc 13,2 . (7) Lc 15,1 .     5   7 7    
  gen. mann. mv. hamartôlôn   48  36  12  3 : (1) Mt 9,11 . (2) Mt 11,19 . (3) Mt 26,45 . 2 : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 14,41 . 3 : (1) Lc 5,30 . (2) Lc 7,34 . (3) Lc 24,7 .      
  dat. mann. mv. hamartolois 6 4 2     1 : Lc 6,34 .     1          
  acc. mann. mv. harmartolous 20 15 5 1 : Mt 9,13 . 1 : Mc 2,17 . 2 : (1) Lc 5,32 . (2) Lc 15,2 .     1   4 4    
    165 119 46 5 5 17 4   14   27 31    

- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,6 - Mc 2,6 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 èsan de tines tôn grammateôn ekei kathèmenoi kai dialogizomenoi en tais kardiais autôn  erant autem illic quidam de scribis sedentes et cogitantes in cordibus suis  6 Nu waren enkelen van de schriftgeleerden daar gezeten en aan het overleggen in hun harten:  6 Er zaten enkele schriftgeleerden bij
en dezen zeiden bij zichzelf:
[6] Nu zaten daar een paar schriftgeleerden die hun bedenkingen hadden:   [6] Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 6 Maar er zijn daar enkele schriftgeleerden gezeten, en die in hun harten denken: 6. Or, il y avait là, dans l'assistance, quelques scribes qui pensaient dans leurs cœurs :

Statenvertaling . 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:
King James Bible . [6] But there were certain of the scribes sitting there, and reasoning in their hearts,
Luther-Bibel . 6 Es saßen da aber einige Schriftgelehrte und dachten in ihren Herzen:

>
      Lc 5,21 - Lc 5,22 -
  6ἦσαν δέ τινες τῶν γραμματέων ἐκεῖ καθήμενοι καὶ διαλογιζόμενοι ἐν ταῖς καρδίαις αὐτῶν, 3καὶ ἰδού τινες τῶν γραμματέων εἶπαν ἐν ἑαυτοῖς, Οὗτος βλασφημεῖ. 21καὶ ἤρξαντο διαλογίζεσθαι οἱ γραμματεῖς καὶ οἱ Φαρισαῖοι λέγοντες,

Tekstuitleg van Mc 2,6 . Het vers Mc 2,6 telt 13 woorden en 73 letters . De getalwaarde van Mc 2,6 is 6450 (2 X 3 X 5 X 5 X 43) .

Mc 2,6.1. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (16) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 .  (5) Mc 4,1 .  (6) Mc 6,31 . (7) Mc 6,34 . (8) Mc 6,44 .  (9) Mc 8,9 . (10) Mc 9,4 . (11) : Mc 10,32 .  (12) Mc 12,20 .  (13) (1) Mc 14,4 . (14) Mc 14,40 . (15) Mc 14,56 . (16) Mc 15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,18 .  (3) Mc 9,4 . (4) Mc 10,32 . (5) Mc 14,4 . (6) Mc 14,40 . (7) Mc 15,40 .Omschrijvende formule in Mc 2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . De omschrijvende formule vinden we ook in Mc 2,18 : èsan ... nèsteuontes = ze waren vastende = ze waren bezig met vasten .

Mc 2,6.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 2,21 . (6) Mc 2,22 .

Mc 2,6.1. - 2. hèsan de (zij waren echter) . Mc (5) . In 4 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 14,4 . (4) Mc 15,40 + Mc 8,9

Mc 2,6.3. onbepaald voornaamw. nom. mann. mv. tines (enkele, sommige) van het onbepaald voornaamw. tis (een bepaalde) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (9) . Mc 2 (1) : Mc 2,6 .

Mc 2,6.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 90  4 10  13  5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,6.5. gen. mann. mv. grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (8) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  (3) Mc 8,31 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 . (6) Mc 14,43 .  (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc 9,14 .
In Mc 2,6 treden enkele schriftgeleerden voor het eerst op in het kader van zondenvergeving . In Mc 3,22 treden de schriftgeleerden als groep op ; ze komen uit Jeruzalem . In Mc 9,14 discussiëren schriftgeleerden met leerlingen van Jezus bij een duiveluitdrijving . In Jeruzalem (vanaf Mc 11) treden ze vaak in gezelschap van andere groepen op .

Mc 2,6.3. - 5. tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  

Mc 2,6.6. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

Mc 2,6.7. part. praes. nom. mann. mv. kathèmenoi  (zittende) van het werkw. kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) .
Mc (1) : Mc 2,6 . Omschrijvende formule in Mc 2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . Een vorm van kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) in Mc in 11 verzen .

Mc 2,6.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,6.10. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .

Mc 2,6.11. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

12.

Mc 2,6.13. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

 


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,7 - Mc 2,7 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 ti outos outôs lalei blasfèmias tis dunatai afienai amartias ei mè eis o theos  quid hic sic loquitur blasphemat quis potest dimittere peccata nisi solus Deus   7 Waarom spreekt deze zo? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven behalve de ene God?"  7 "Wat zegt die man daar?
Hij spreekt godslasterlijk !
Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?"
[7] ‘Hoe kan die man zoiets zeggen? Hij lastert God. Wie anders dan de enige God kan zonden vergeven?’ [7] Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 7 wat spreekt hij daar zomaar uit?, hij lastert!–  wie is bij machte zonden te vergeven dan alleen God? 7. « Comment celui-là parle-t-il ainsi ? Il blasphème ! Qui peut remettre les péchés, sinon Dieu seul ? » 

Statenvertaling . 7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?
King James Bible . Why doth this man thus speak blasphemies? who can forgive sins but God only?
Luther-Bibel . 7 Wie redet der so? Er lästert Gott! Wer kann Sünden vergeben als Gott allein?

>
       
  7Τί οὗτος οὕτως λαλεῖ; βλασφημεῖ: τίς δύναται ἀφιέναι ἁμαρτίας εἰ μὴ εἷς θεός;   Τίς ἐστιν οὗτος ὃς λαλεῖ βλασφημίας; τίς δύναται ἁμαρτίας ἀφεῖναι εἰ μὴ μόνος θεός;

Tekstuitleg van Mc 2,7 . Dit vers Mc 2,7 telt 14 (2 X 7) woorden en 63 (7 X 9) letters . De getalwaarde van Mc 2,7 is 7126 (2 X 7 X 509) .

Mc 2,7.1. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,7.2. aanwijz. voornaamw. nom. mann. enk. οὑτος = houtos (deze) . Taalgebruik in het NT : houtos (deze) . Taalgebruik in de LXX : houtos (deze) . Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  houtos (deze)  531  345  186  32  12  39  48  35  21  83  131     

- Ned. : deze , dat / dit . D. : der - die - das . E. : this - that . Fr. : ceci . Ned. deze , dat / dit . Lat. : hic - haec - hoc .

Mc 2,7.3. οὑτως = houtôs (op die wijze, zo) . Taalgebruik in het NT : houtos (zo) . Taalgebruik in de LXX : houtos (zo) . Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 . Lc (21) : (1) Lc 1,25 . (2) Lc 2,48 . (3) Lc 9,15 . (4) Lc 10,21 . (5) Lc 11,30 . (6) Lc 12,21 . (7) Lc 12,28 . (8) Lc 12,38 . (9) Lc 12,43 . (10) Lc 12,54 . (11) Lc 14,33 . (12) Lc 15,7 . (13) Lc 15,10 . (14) Lc 17,10 . (15) Lc 17,24 . (16) Lc 17,26 . (17) Lc 19,31 . (18) Lc 21,31 . (19) Lc 22,26 . (20) Lc 24,24 . (21) Lc 24,46 .

houtôs (zo)   Mc Mc 2 Mc 4 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  10  (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .   (4) Mc 4,26 .   (5) Mc 7,18 .   (6) Mc 9,3 .   (7) Mc 10,43 .   (8) Mc 13,29 .   (9) Mc 14,59 .   (10) Mc 15,39 . 907  708  199  32  10  21  14  26  90  63  77 

- Hebreeuws . כֵן = khen (zo) . Taalgebruik in Tenakh : khen (zo) . Getalwaarde : kaph = 11 of 20 , nun = 14 of 50 ; totaal : 25 (5²) OF 70 (2 X 5 X 7) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (514) . Pentateuch (156) . Eerdere Profeten (109) . Latere Profeten (109) . 12 Kleine Profeten (25) . Geschriften (115) .
- Lat. sic . Ned. zo . D. so . E. thus . Fr. ainsi < ains - si . ains (ante) -> antius sic .

Mc 2,7.2. - 3. οὑτος οὑτως = houtos houtôs (deze zo) . Bijbel (3) . LXX (2) : (1) 1 K 22,20 . (2) 2 Kr 18,19 . NT (1) : Mc 2,7 .

Mc 2,7.4. act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij spreekt) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 11,23 .

Mc 2,7.5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud blasfèmei (hij lastert God) van het werkwoord blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) . Taalgebruik in het N.T. : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) .
Mc (1) : Mc 2,7 . Een vorm van blasfèmeô (lasteren, godslasteren) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,28 .  (3) Mc 3,29 .  (4) Mc 15,29 .

Mc 2,7.6. voornaamw. nom. mann. + vr. enk. tis (wie, iemand) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een . Mc (24) . Mc 2 (1) : Mc 2,7 .

7. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 .  

8. inf. praes. αφιεναι = afienai (te vergeven) van het werkw. αφιημι = afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (weg-laten, af-laten, vergeven, kwijtschelden, los-laten , ver-laten) . Bijbel (9) . LXX (3) . NT (6) : (1) Mt 9,6 . (2) Mt 23,23 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,10 . (5) Lc 5,24 . (6) 1 Kor 7,11 .

Mc 2,7.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,7.11. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,7 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,7.12. voornaamw. nom. mann. enk. heis (ene) OF eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

10. - 14. ei mè heis ho theos (tenzij de ene God) . Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 10,18 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,8 - Mc 2,8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 kai euthus epignous ho ièsous tô pneumati autou oti outôs dialogizontai en eautois eipen autois ti tauta dialogizesthe en tais kardiais umôn  quo statim cognito Iesus spiritu suo quia sic cogitarent intra se dicit illis quid ista cogitatis in cordibus vestris  8 En terstond begreep Jezus in zijn geest dat ze zo overlegden in zichzelf (en) zei hun: Waarom overlegt u deze dingen in uw harten?  8 Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden en Hij zei hun: "Wat redeneert gij toch bij uzelf?    [8] Jezus doorzag meteen dat ze deze bezwaren hadden en zei tegen hen: ‘Waarom hebt u eigenlijk bezwaren?   [8] Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 8 En meteen beseft Jezus met zijn geest
dat zij zó bij zichzelf denken, en zegt tot hen: waarom denkt u dat allemaal < in uw harten?
8. Et aussitôt, percevant par son esprit qu'ils pensaient ainsi en eux-mêmes, Jésus leur dit : « Pourquoi de telles pensées dans vos cœurs ? 

Statenvertaling . 8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
King James Bible . [8] And immediately when Jesus perceived in his spirit that they so reasoned within themselves, he said unto them, Why reason ye these things in your hearts?
Luther-Bibel . 8 Und Jesus erkannte sogleich in seinem Geist, dass sie so bei sich selbst dachten, und sprach zu ihnen: Was denkt ihr solches in euren Herzen?

>
    Mt 9,4  
  8καὶ εὐθὺς ἐπιγνοὺς Ἰησοῦς τῷ πνεύματι αὐτοῦ ὅτι οὕτως διαλογίζονται ἐν ἑαυτοῖς λέγει αὐτοῖς, Τί ταῦτα διαλογίζεσθε ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν; 4καὶ ἰδὼν Ἰησοῦς τὰς ἐνθυμήσεις αὐτῶν εἶπεν, Ἱνατί ἐνθυμεῖσθε πονηρὰ ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν; 22ἐπιγνοὺς δὲ Ἰησοῦς τοὺς διαλογισμοὺς αὐτῶν ἀποκριθεὶς εἶπεν πρὸς αὐτούς, Τί διαλογίζεσθε ἐν ταῖς καρδίαις ὑμῶν;

Tekstuitleg van Mc 2,8 . Het vers Mc 2,8 telt 22 (2 X 11) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Mc 2,8 is 15149 .

Mc 2,8.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,8.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,8.5. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,8.6. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

8. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 2,15 . (3) Mc 2,16 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,23 . (6) Mc 2,25 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 2,8.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,8.10. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

Mc 2,8.12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,8.14. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
- Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt Jezus ... zegt hen .Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt hen .
- Mc 2,14 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc 2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .

Mc 2,8.15. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .
- elalei autois (hij sprak tot hen) : Mc 2,2 .
- legei autois (hij zegt hen) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,25 .
- elegen autois (hij zei hen) : Mc 2,27 .
- Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,8.16. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,8.19. εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned. : in . Arabisch : فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran : fi . D. : in . E. : in . Fr. : dans . Grieks : εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT : en (in) . Hebreeuws : בְּ = bë . Lat. : in .

Mc 2,8.20. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,9 - Mc 2,9 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 ti estin eukopôteron eipein tô paralutikô afeôntai soi ai amartiai è eipein egeirai kai aron sou ton krabbaton kai peripatei  quid est facilius dicere paralytico dimittuntur tibi peccata an dicere surge et tolle grabattum tuum et ambula  9 Wat is gemakkelijker, te zeggen aan de lamme je zonden zijn vergeven, of te zeggen sta op en neem je baar op en wandel?  9 Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed en loop?   [9] Wat is eenvoudiger? Tegen de verlamde zeggen: “Uw zonden worden vergeven”, of zeggen: “Sta op en pak uw bed en loop?”    [9] Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”?      9 wat is gemakkelijker, tot die verlamde zeggen: jou worden je zonden vergeven!, of zeggen: waak op, neem je mat op en wandel?& 9. Quel est le plus facile, de dire au paralytique : Tes péchés sont remis, ou de dire : Lève-toi, prends ton grabat et marche ? 

Statenvertaling . 9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
King James Bible . [9] Whether is it easier to say to the sick of the palsy, Thy sins be forgiven thee; or to say, Arise, and take up thy bed, and walk?
Luther-Bibel . 9 Was ist leichter, zu dem Gelähmten zu sagen: Dir sind deine Sünden vergeben, oder zu sagen: Steh auf, nimm dein Bett und geh umher?

>
    Mt 9,5 Lc 5,23
  9τί ἐστιν εὐκοπώτερον, εἰπεῖν τῷ παραλυτικῷ, Ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι, εἰπεῖν, Ἔγειρε καὶ ἆρον τὸν κράβαττόν σου καὶ περιπάτει; 5τί γάρ ἐστιν εὐκοπώτερον, εἰπεῖν, Ἀφίενταί σου αἱ ἁμαρτίαι, εἰπεῖν, Ἔγειρε καὶ περιπάτει; 23τί ἐστιν εὐκοπώτερον, εἰπεῖν, Ἀφέωνταί σοι αἱ ἁμαρτίαι σου, εἰπεῖν, Ἔγειρε καὶ περιπάτει;

Tekstuitleg van Mc 2,9 . Het vers Mc 2,9 telt 20 (2X 2 X 5) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Mc 2,9 is 11030 (2 X 5 X 1103) .

Mc 2,9.1. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,9.5. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,9.6. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

Mc 2,9.8. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

10. nom vr. mv. hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. hamùartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 .

Mc 2,9.13. act. imperat. 2de pers enk. εγειρε = egeire (sta op) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49 . Synoptisch : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . Verder : (1) Hnd 3,6 . (2) Ef 5,14 . (3) Apk 11,1 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 3,3 .     (4) Mc 5,41 .       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31 .             (2) Mc 9,27 .            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26 .        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42 .    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27 .                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8 .      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22 .      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12 .         (2) Mc 6,16 .             (3) Mc 16,6 .  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14 .              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14 .  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Hebreeuws . קוּם = qûm (opstaan) . (1) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. (2) act. qal inf. constr. (3) passief qal part. . Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (46) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (7) . Dezelfde structuur : ´ûd (brandend hout) . Een vorm van קוּם = qûm (opstaan) (627) .

Mc 2,9.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,9.15. act. imperat. aor. 2de pers. enk. αρον = aron (neem) van het werkw. αιρω = airô (nemen) . Taalgebruik in het NT : airô (nemen) . Taalgebruik in de LXX : airô (nemen) . Taalgebruik in Mc : airô (nemen) . Bijbel (16) . LXX (7) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . NT (9) : (1) Mt 9,6 . (2) Mt 17,27 . (3) Mt 20,14 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 . (6) Joh 5,8 . (7) Joh 5,11 . (8) Joh 5,12 . (9) Joh 19,15 .
- act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. שָׂא = shâ´ (neem, draag, vergeef, sla op) van het werkw. נָשָׂא = nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Taalgebruik in Tenakh : nâshâ´ (dragen, opnemen, verheffen) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , shin = 21 of 300 , aleph = 1 ; totaal : 36 (2² X 3²) OF 351 (3³ X 13) . Structuur : 5 - 3 - 1 . De som van de elementen is telkens 9 . נָשָׂא = nâshâ´ wordt gebruikt in uitdrukkingen als de ogen opslaan , zijn stem verheffen , zijn voeten opheffen (= voortgaan) , zijn handen omhoogheffen . Tenakh (17) .

Mc 2,9.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,9.17. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) .

Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,9.18. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,9.15. - 18. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving .

Mc 2,9.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,10 - Mc 2,10 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 ina de eidète oti exousian ecei o uios tou anthrôpou afienai epi tès gès amartias legei tô paralutikô   ut autem sciatis quia potestatem habet Filius hominis in terra dimittendi peccata ait paralytico   10 Opdat u nu weet dat de Mensenzoon macht heeft om zonden te vergeven op aarde - hij zei aan de lamme  10 Welnu, opdat ge zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, - sprak Hij tot de lamme -    [10] Maar opdat u weet dat de Mensenzoon* bevoegd is om op aarde zonden te vergeven ’, zei Hij, nu tegen de verlamde: [10] Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 10 maar opdat ge zult weten dat de mensenzoon volmacht heeft om op de aarde zonden te vergeven,& zegt hij tot de verlamde: ; 10. Eh bien ! pour que vous sachiez que le Fils de l'homme a le pouvoir de remettre les péchés sur la terre, 

Statenvertaling . 10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
King James Bible . [10] But that ye may know that the Son of man hath power on earth to forgive sins, (he saith to the sick of the palsy,)
Luther-Bibel . 10 Damit ihr aber wisst, dass der Menschensohn Vollmacht hat, Sünden zu vergeben auf Erden - sprach er zu dem Gelähmten:

>
    Mt 9,6 Lc 5,24
  10ἵνα δὲ εἰδῆτε ὅτι ἐξουσίαν ἔχει υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἀφιέναι ἁμαρτίας ἐπὶ τῆς γῆς λέγει τῷ παραλυτικῷ, 6ἵνα δὲ εἰδῆτε ὅτι ἐξουσίαν ἔχει υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐπὶ τῆς γῆς ἀφιέναι ἁμαρτίας τότε λέγει τῷ παραλυτικῷ, 24ἵνα δὲ εἰδῆτε ὅτι υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐξουσίαν ἔχει ἐπὶ τῆς γῆς ἀφιέναι ἁμαρτίας εἶπεν τῷ παραλελυμένῳ,

Tekstuitleg van Mc 2,10 . Het vers Mc 2,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 2,10 is 10187 (61 X 167) .

- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Enkel in deze twee verzen in Mc komt de formule soi legô = ik zeg je , voor .

Mc 2,10.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 2,21 . (6) Mc 2,22 .

Mc 2,10.4. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,10.5. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

7. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

 

Mc 2,10.9. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .

Mc 2,10.10. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (16) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 .   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31 .  (7) Mc 8,38 . (8) Mc 9,9 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,31 .  (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,45 .   (13) Mc 13,26 .  (14) Mc 14,21 . (15) Mc 14,41 . (16) Mc 14,62 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen .

8. - 10. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 . (3) Mc 8,31 .  (4) Mc 8,38 . (5) Mc 9,9 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 9,31 .  (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .   (10) Mc 13,26 .  (11) Mc 14,21 (2X) . (12) Mc 14,41 . (13) Mc 14,62 .

Mc 2,10.13. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,21 . (4) Mc 2,26 .

Mc 2,10.16. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,10.17. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,10.16. - 17. λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mt (3) : (1) Mt 9,6 . (2) Mt 12,13 . (3) Mt 26,40 . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 2,10.18. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

16. - 18. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,11 - Mc 2,11 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 soi legô egeire kai aron ton krabbaton sou kai hupage eis ton oikon sou  tibi dico surge tolle grabattum tuum et vade in domum tuam   11 Ik zeg je, sta op, neem je baar op en ga heen naar je huis.  11 Ik zeg u, sta op, neem uw bed en ga naar huis."  [11] ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ [11] ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 11 tot jou zeg ik: waak op, neem je mat op en ga heen naar je huis! 11. je te l'ordonne, dit-il au paralytique, lève-toi, prends ton grabat et va-t'en chez toi. »  

Statenvertaling . 11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
King James Bible . [11] I say unto thee, Arise, and take up thy bed, and go thy way into thine house.
Luther-Bibel . 11 Ich sage dir, steh auf, nimm dein Bett und geh heim!

>
       
  11Σοὶ λέγω, ἔγειρε ἆρον τὸν κράβαττόν σου καὶ ὕπαγε εἰς τὸν οἶκόν σου. Ἐγερθεὶς ἆρόν σου τὴν κλίνην καὶ ὕπαγε εἰς τὸν οἶκόν σου. Σοὶ λέγω, ἔγειρε καὶ ἄρας τὸ κλινίδιόν σου πορεύου εἰς τὸν οἶκόν σου.

Tekstuitleg van Mc 2,11 . Het vers Mc 2,11 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Mc 2,11 is 5185 (5 X 17 X 61) .

Mc 2,11.1. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (21) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,18 .

Mc 2,11.2. act. ind. pr. 1ste pers. enk. legô van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (19) . Mc 2 (1) : Mc 2,11 .

Mc 2,11.1. - 2. σοι λεγει = soi legô (aan jou zeg ik) . Bijbel (6) . OT (1) : Spr 31,2 . NT (5) : (1) Mt 16,18 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,41 . (4) Lc 5,24 . (5) Lc 7,14 .

Mc 2,11.3. act. imperat. 2de pers enk. εγειρε = egeire (sta op) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49 . Synoptisch : (1) Mc 2,9 (// Mt 9,5 // Lc 5,23) . (2) Mc 2,11 (// Lc 5,24 // Joh 5,8 ) . (3) Mc 3,3 (// Lc 6,8 ) . (4) Mc 5,41 (// Lc 8,54 ) . (5) Mc 10,49 . Verder : (1) Hnd 3,6 . (2) Ef 5,14 . (3) Apk 11,1 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken vergeleken met zondenvergeving . UITNODIGING in Mc 2,9 en herhaald in Mc 2,11 . UITVOERING in Mc 2,12 .Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 3,3 .     (4) Mc 5,41 .       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31 .             (2) Mc 9,27 .            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26 .        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42 .    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27 .                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8 .      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22 .      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12 .         (2) Mc 6,16 .             (3) Mc 16,6 .  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14 .              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14 .  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Hebreeuws . קוּם = qûm (opstaan) . (1) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. (2) act. qal inf. constr. (3) passief qal part. . Taalgebruik in Tenakh : qûm (opstaan) . Getalwaarde : qoph = 19 of 100 , waw = 6 , mem = 13 of 40 ; totaal : 38 (2 X 19) OF 146 (2 X 73) . Structuur : 100 - 6 - 40 OF 1 - 6 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (46) . Pentateuch (12) . Eerdere Profeten (17) . Latere Profeten (5) . 12 Kleine Profeten (5) . Geschriften (7) . Dezelfde structuur : ´ûd (brandend hout) . Een vorm van קוּם = qûm (opstaan) (627) .

Mc 2,11.1. - 3.
- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .

4. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,11.4. act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron (neem) van het werkw. airô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : airô (nemen) . Taalgebruik in Mc : airô (nemen) .
Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .

Mc 2,11.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,11.6. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,11.7. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,11.4. - 6. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving . UITNODIGING . UITVOERING in Mc 2,12 .

Mc 2,11.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,11.9. act. imperat.  praes. 2de pers. enk. ὑπαγει = hupage (ga weg, vertrek) van het werkw. ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het ΝΤ : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in de LXX : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Mc (8) : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,52 . Een vorm van ὑπαγω = hupagô (onder iets brengen, weggaan) in de LXX (6) , in het NT (79) , in Mc (15) . In deze 8 verzen is het telkens een woord van Jezus . In 6 verzen is dit woord gericht tot de genezene : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 10,52 . In Mc 8,33 is het gericht tot Petrus , in Mc 10,21 tot de rijke man .

  hupagô (weggaan)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 14 Mc 16 bijbel ΝΤ Mt Mc Lc Joh Br. Apk syn.  ev.  A. b. 
act. imperat.  praes. 2de pers. enk. hupage (1) Mc 1,44 .   (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 .     (5) Mc 7,29 .   (6) Mc 8,33 .   (7) Mc 10,21 .  (8) Mc 10,52 .       24  24  11      19  23   
  totaal 15  51  51  19  15  36  44 

Mc 2,11.10. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 2,11.11. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
8. acc. m. + onz. enk. ton 124  8 9 5 11 10 7 13 6 9 5 4 7 2 12 11 5 6202  4880  1322  167  124  191  197  244 338  61  482  679 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,11.12. acc. mann. enk. οικον = oikon van het zelfst. naamw. οικος = oikos (huis) . Taalgebruik in het NT : oikos (huis) . Taalgebruik in de Septuaginta : oikos (huis) . Een vorm van οικος = oikos in de LXX (2062) , in het NT (112) . Mc (10) : (1).Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,30 . (8) Mc 8,3 . (9) Mc 8,26 . (10) Mc 9,28 .

  oikos (huis)   Mc Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. mann. enk. oikon   10  2 : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 .   1 : Mc 3,20 .   2 : (1) Mc 5,19 . (2) Mc 5,38 .   2 : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,30 .   2 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,26 .   1 : Mc 9,28 .     592  536  56  10  19  11  10  33  35  10   
  totaal 12  1818  1708  110  12  32  25  28         

- acc. vr.enk. οικιαν = oikian (huis) van het zelfst. naamw. οικια = oikia (huis) . Taalgebruik in het NT : oikia (huis) . Taalgebruik in de LXX : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Taalgebruik in Lc : oikia (huis) . Een vorm van οικια = oikia (huis) in de LXX (268) , in het NT (94) , in Mc (16) , in Lc (25) , in Hnd (12) .

oikia (huis)  Mt Mc Lc syn. 
acc. vr. enk. oikian   11 : (1) Mt 2,11 . (2) Mt 7,24 . (3) Mt 7,26 . (4) Mt 8,14 . (5) Mt 9,23 . (6) Mt 9,28 . (7) Mt 10,12 . (8) Mt 12,29 . (9) Mt 13,36 . (10) Mt 17,25 . (11) Mt 24,43 . 7 : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 6,10 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 13,34.   12 : (1) Lc 4,38 . (2) Lc 6,48 . (3) Lc 6,49 . (4) Lc 7,44 . (5) Lc 8,51 . (6) Lc 9,4 . (7) Lc 10,5 . (8) Lc 10,7 . (9) Lc 15,8 . (10) Lc 18,29 . (11) Lc 22,10 . (12) Lc 22,54 . 30 : (1) Mt 7,24 // Lc 6,48 . (2) Mt 7,26 // Lc 6,49 . (3) Mt 8,14 // Mc 1,29 // Lc 4,38 . (4) Mt 12,29 // Mc 3,27 . (5) Mc 6,10 // Lc 9,4 . (6) Mc 10,29 // Lc 18,29 // Mt 19,29 .

acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Zie het zelfst. naamw. Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Mc (10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 2,26 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,30 . (8) Mc 8,3 . (9) Mc 8,26 . (10) Mc 9,28 .

  oikos (huis)   Mc Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. mann. enk. oikon   10  2 : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 .   1 : Mc 3,20 .   2 : (1) Mc 5,19 . (2) Mc 5,38 .   2 : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,30 .   2 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,26 .   1 : Mc 9,28 .     592  536  56  10  19  11  10  33  35  10   
  totaal 12  1818  1708  110  12  32  25  28         

Ned. : huis . D. : Haus . E. : house . fr. : maison (mansus - manere : blijven , verblijven) .
Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) :
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,38 . (5) Mc 7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 .

Mc 2,11.13. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,11.9. - 13.
- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .

Duality

- soi legô (aan jou zeg ik) . Bij Mc slechts in de 2 verzen : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 5,41 .

- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .

- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 2,12 - Mc 2,12 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 kai ègerthè kai euthus aras ton krabbaton exèlthen emprosthen pantôn ôste existasthai pantas kai doxazein ton theon legontas oti oudepote outôs eidomen   surrexit et sublato grabatto abiit coram omnibus ita ut admirarentur omnes et honorificarent Deum dicentes quia numquam sic vidimus   12 En hij stond op en terstond nam hij de baar op (en) ging weg voor allen, zodat allen buiten zichzeif waren en God verheerlijkten, zeggend: Zo iets hebben we nog nooit gezien".  12 Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: "Zoiets hebben wij nog nooit gezien.
 
[12] En hij stond op, pakte meteen zijn bed en ging weg voor het oog van iedereen, zodat ze allemaal verrukt waren en God verheerlijkten. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’, zeiden ze.    [12] Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.     12 Hij waakt op, neemt meteen zijn mat op en gaat voor aller aanschijn naar buiten, zodat allen buiten zichzelf zijn en God verheerlijken, zeggend: zoiets hebben wij nog nooit gezien! 12. Il se leva et aussitôt, prenant son grabat, il sortit devant tout le monde, de sorte que tous étaient stupéfaits et glorifiaient Dieu en disant : « Jamais nous n'avons rien vu de pareil. »

Statenvertaling . 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
King James Bible . [12] And immediately he arose, took up the bed, and went forth before them all; insomuch that they were all amazed, and glorified God, saying, We never saw it on this fashion.
Luther-Bibel . 12 Und er stand auf, nahm sein Bett und ging alsbald hinaus vor aller Augen, sodass sie sich alle entsetzten und Gott priesen und sprachen: Wir haben so etwas noch nie gesehen.

>
  Mc 2,12 Mt 9,7 - Mt 9,8 Lc 5,25 - Lc 5,26
  12καὶ ἠγέρθη καὶ εὐθὺς ἄρας τὸν κράβαττον ἐξῆλθεν ἔμπροσθεν πάντων, ὥστε ἐξίστασθαι πάντας καὶ δοξάζειν τὸν θεὸν λέγοντας ὅτι Οὕτως οὐδέποτε εἴδομεν. 7καὶ ἐγερθεὶς ἀπῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ. 8 ἰδόντες δὲ οἱ ὄχλοι ἐφοβήθησαν καὶ ἐδόξασαν τὸν θεὸν τὸν δόντα ἐξουσίαν τοιαύτην τοῖς ἀνθρώποις. 25καὶ παραχρῆμα ἀναστὰς ἐνώπιον αὐτῶν, ἄρας ἐφ' κατέκειτο, ἀπῆλθεν εἰς τὸν οἶκον αὐτοῦ δοξάζων τὸν θεόν. 26καὶ ἔκστασις ἔλαβεν ἅπαντας καὶ ἐδόξαζον τὸν θεόν, καὶ ἐπλήσθησαν φόβου λέγοντες ὅτι Εἴδομεν παράδοξα σήμερον.

Tekstuitleg van Mc 2,12 . .

Het wondergebeuren en de reactie van het volk verwoordt Marcus in één lange en grote samengestelde zin. De hoofdzin is : exèlthen emprosthen pantôn (hij ging naar buiten van in het bijzijn van allen). De reactie van het volk wordt weergegeven door een dubbele gevolgzin. De drie woorden van de hoofdzin eindigen op -n. Het eerste woord begint met ex- , het tweede met em-. De eerste twee woorden eindigen op -then.

Mc 2,12.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

2. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het NT : egeirô (wekken) . Taalgebruik in de LXX : egeirô (wekken) . Bijbel (23) . OT (5) : (1) Gn 41,4 . (2) Gn 41,7 . (3) 2 K 4,31 . (4) 2 Kr 21,9 . (5) 2 Kr 22,10 . NT (18) . Mt (8) : (1) Mt 8,15 . (2) Mt 9,25 . (3) Mt 14,2 . (4) Mt 27,64 . (5) Mt 28,6 . (6) Mt 28,7 . Mc (3) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 16,6 . Lc (4) : (1) Lc 7,16 . (2) Lc 9,7 . (3) Lc 24,6 . (4) Lc 24,34 . Joh (2) : (1) Joh 2,22 . (2) Joh 11,29 . Hnd (1) : Hnd 9,8 . Br (2) : (1) Rom 4,25 . (4) Rom 6,4 . Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19) .

  egeirô (wekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16
ind. pr. 3de p. mv. egeirousin       (1) Mc 4,38                
imp. 2de p. enk. egeire 5   (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .   (3) Mc 3,3 .     (4) Mc 5,41 .       (5) Mc 10,49        
ind imp. 3de p. enk. ègeiren (1) Mc 1,31 .             (2) Mc 9,27 .            
pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai 1                 (1) Mc 12,26 .        
pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe                       (1) Mc 14,42 .    
pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai        (1) Mc 4,27 .                  
pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai                     (1) Mc 13,8 .      
pas. fut. 3de p. mv.  egerthèsontai                   (1) Mc 13,22 .      
pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè   (1) Mc 2,12 .         (2) Mc 6,16 .             (3) Mc 16,6 .  
10 

pas. inf. aor. egerthènai 

                    (1) Mc 14,28 .  
11 pas. perf. 3de pers. enk. egègertai            (1) Mc 6,14 .              
12  pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon                         (1) Mc 16,14 .  
  Totaal  19 
  egeirô (opwekken) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16

- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . Lat. resurgere . Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum) : richten (rechtop), leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .

Mc 2,12.3. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

 

Mc 2,12.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,12.7. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,12.8.  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 2 (2) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13 .

Mc 2,12.11. hôste (zodat) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,12 . (3) Mc 2,28 .

hôste ( zodat )  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  222  139  83  15  13  42    32  33  40 

Mc 2,12.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,12.19. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,12.20. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


 


- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -

Mc 2,13 - Mc 2,13 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai exèlthen palin para tèn thalassan kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous et egressus est rursus ad mare omnisque turba veniebat ad eum et docebat eos   En hij ging weer uit langs de zee en de hele volksmassa kwam bij hem, en hij leerde hen.   13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.  Hij ging naar buiten en liep weer langs het meer. Al het volk kwam naar Hem toe, en Hij gaf hun onderricht.  Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmassa kwam naar hem toe, en hij onderwees hen.   Hij gaat weer de stad uit, de zee langs; heel de schare is tot hem gekomen en hij geeft hen onderricht.  13. Il sortit de nouveau au bord de la mer, et toute la foule venait à lui et il les enseignait.

Statenvertaling . 13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
King James Bible . And he went forth again by the sea side; and all the multitude resorted unto him, and he taught them.
Luther-Bibel . 13 Und er ging wieder hinaus an den See; und alles Volk kam zu ihm und er lehrte sie.

>
  Mc 2,13 Mt 9,9 Lc 5,27
  Kai exèlthen palin para tèn thalassan kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous - kai meta tauta exèlthen

Tekstuitleg van Mc 2,13 . Dit vers Mc 2,13 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Mc 2,13 is 6758 (2 X 31 X 109) .
Mc 2,13 bestaat uit drie delen . Het eerste deel is een over-gangs- vers (van de ene naar de andere plaats) . Het tweede deel beschrijft het samenkomen van het volk . Marcus gebruikt een variatie van werkwoorden om het samenkomen rond Jezus uit te drukken . Het derde deel geeft de activiteit van Jezus aan .
Dit vers Mc 2,13 is een summarium . Het bestaat uit drie nevenschikkende zinnen (6 - 7 - 3 = 16 woorden ; 12 - 11 - 7 = 30 lettergrepen) , telkens ingeleid door het verbindend voegwoord και = kai (en) . Het onderwerp van de eerste en de derde zin is Jezus , van de tweede zin de massa .
Mc 2,13a : vier van de zes woorden eindigen op -n . Twee op elkaar volgende woorden beginnen met pa- .

Voor de tweede maal spelen de verhalen zich af rond Kafarnaüm : Mc 2,1-12 en het meer van Galilea : Mc 2,13-14 . Jezus verblijft thuis in Kafarnaüm en geneest er een lamme . Daarna gaat hij naar buiten om langs het meer van Galilea te gaan . Daar geeft hij onderricht en roept Levi . De verhalen rond Kafarnaüm en het meer van Galilea verlopen in het eerste hoofdstuk omgekeerd . Eerst roept Jezus langs het meer van Galilea vier leerlingen : Mc 1,16-20 . Dan gaat hij naar Kafarnaüm : Mc 1,21 . Hij treedt er op in de synagoge : hij onderricht : Mc 1,22 en geneest een man met een onreine geest : Mc 1,23-28 . Daarna gaat hij naar het huis van Simon Petrus : Mc 1,29-31 . Met het verhaal van de roeping van Levi wordt een nieuw personage ingebracht , nl. de tollenaars . Jezus kiest partij voor hen en daardoor zal er een spanning tussen hem en de Farizeeën ontstaan : Mc 2,15-17 .
De roeping van Levi hoort thuis in het verzamelen van de leerlingen door Jezus . De volgende en volledige stap zal de roeping van de twaalf op de berg zijn (Mc 3,13-19) .

In Mc 2,13-14 wordt de roeping van Levi verteld zoals in Mc 1,16-20 de roeping van Petrus en Andreas , Jakobus en Johannes wordt verhaald . Er is vooruitgang in het soort mensen dat geroepen wordt . In Mc 2,14 wordt een tollenaar geroepen , iemand die tol heft van de joden voor de Romeinen . Wellicht is het een leviet die de tienden van de andere stammen int . Zo zijn de levieten collaborateurs van de Romeinen geworden .

Mc 2,13.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,13.2. ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het NT : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in de LXX : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Mt (6) : (1) Mt 8,34 . (2) Mt 9,26 . (3) Mt 13,3 . (4) Mt 17,18 . (5) Mt 20,1 . (6) Mt 21,17 . Mc (11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Lc (8) : (1) Lc 2,1 . (2) Lc 4,14 . (3) Lc 4,35 . (4) Lc 5,27 . (5) Lc 7,17 . (6) Lc 8,5 . (7) Lc 8,35 . (8) Lc 17,29 . Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38) .
- Uit-gaan kan betekenen : van een besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
- Het is de vijfde maal dat deze vorm in Mc gebruikt wordt . Samen met zijn leerlingen ging Jezus de synagoge uit (Mc 1,29) en ging hij alleen het huis uit (Mc 1,35) . Het is de tweede maal dat Jezus het huis uitgaat ; hiervoor wordt εξηλθεν = exèlthen (hij ging naar buiten) gebruikt . Meer nog . Bij het begin van Mc 2,1 staat kai eiselthôn palin eis kafarnaoum (en binnengaande opnieuw in Kafarnaüm) , bij het begin van Mc 2,13 : και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging naar buiten) , en wel langs het meer . Jezus ging dus uit Kafarnaüm . Mc 1,16-20 / 21-28 en Mc 2,1-12 / Mc 2,13-14 vormen een A B - B' A' structuur .

  exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan)  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 14 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   3 : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . 2 : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13   1 : Mc 4,3 .   1 : Mc 6,1 .   1 : Mc 8,27 . 1 : Mc 9,26 . 1 : Mc 11,11 . 1 : Mc 14,68 .   232  165  67  11  19  11  25  44     
  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen   232  165  67  11  19  11  25  44     

- Latijn : act. part. aor. nom. mann. enk. egressus (uitgeschreden) van het werkw. egredi (uitschrijden) . Bijbel (181) . Mc (6) .

Mc 2,13.1. - 2. και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit) . NT (18) : (1) Mt 9,26 . (2) Mt 17,18 . (3) Mc 2,13 .  (4) Mc 6,1 .  (5) Mc 8,27 . (6) Mc 14,68 . (7) Lc 7,17 . enz.
- εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit) . Bijbel = NT (1) : Lc 8,35 .
- ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het NT .
- και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan) . LXX (8) : (1) . (2) . (3) . (4) . (5) . (6) . (7) . (8) . NT (8) : (1) Mt 14,14 . (2) Mt 15,21 . (3) Mt 20,3 . (4) Mt 24,1 . (5) Mt 26,75 . (6) Mc 6,34 . (7) Lc 22,39 . (8) Hnd 12,9 .
- Hebreeuws : וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consecutivum en qal actief imperfectum derde persoon mann. enk. van het werkw. יָצָא = jâtsa´ (uitgaan, uittrekken) . Taalgebruik in Tenakh : jâtsâ´ (uitgaan, uittrekken) . Getalswaarde : jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph = 1 ; totaal : 29 (priemgetal) OF 101 priemgetal . Structuur : 1 - 9 - 1 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (191) . Pentateuch (55) . Eerdere Profeten (76) . Latere Profeten (21) . 12 Kleine Profeten (6) . Geschriften (33) .

Mc 2,13.3. παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . De verwijzing zit in het woord of de uitdrukking die onmiddellijk volgt . In Mc 2,13 verwijst het naar παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) van Mc 1,16 . Er gebeurt hier meer dan in Mc 1,16 , waar Jezus langskomt en leerlingen roept . In Mc 1,16-20 is er het meer met zijn vissers en visnetherstellers . In Mc 2,13-14 gaat het om het tolhuis aan het meer . Het roepen van een tollenaar veronderstelt vergeving van zonden ; dat wordt in Mc 2,1-12 verhaald .

palin (opnieuw)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  2 : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . 2 : (3) Mc 3,1 . (4) Mc 3,20 . 1 : (5) Mc 4,1 . 1 : Mc 5,21 . 2 : (7) Mc 7,14 . (8) Mc 7,31 . 3 : (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,13 . (11) Mc 8,25 .   4 : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 . 2 : (16) Mc 11,3 . (17) Mc 11,27 1 : (18) Mc 12,4 . 5 : (19) Mc 14,39 . (20) Mc 14,40 . (21) Mc 14,61 . (22) Mc 14,69 . (23) Mc 14,70 . 3 : (24) Mc 15,4 . (25) Mc 15,12 . (26) Mc 15,13 .   206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     1 : Mc 4,1 .   1 : Mc 7,31 .       1 : Mc 12,4 . 2 : (1) Mc 14,39 . (2) Mc 14,40 .       30 1 5 1 8 3 12   8 16

Mc 2,13.2. - 3. εξηλθεν παλιν = exèlthen palin (hij ging opnieuw uit) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .

Mc 2,13.1. - 3. και εξηλθεν παλιν = kai exèlthen palin (en hij ging opnieuw uit) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .
- In Mc 7,31 : και παλιν εξελθων = kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . παλιν = palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) .

Mc 2,13.4. παρα = para . Afkorting . παρ' = par' (langs, vanwege) . Taalgebruik in het NT : para (langs) . Taalgebruik in de LXX : para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 . Geen werkw. παρ-αγω = par-agô (langsleiden) in Mc 2,13 , wel in Mc 2,14 .

para  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 8 Mc 10 Mc 12 Mc 14 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
para  11  1 : Mc 1,16 . 1 : Mc 2,13 .   3 : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,15 . 1 : Mc 5,21 .   2 : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,11 . 1 : Mc 14,43 .   677  553  124  13  11  20  21  18  40  44  65     
par'      1 : Mc 3,21 .   1 : Mc 5,26 . 1 : Mc 8,11 .       1 : Mc 16,9 . 238  178  60  10  10  22  16  26  21 
totaal 15  915  731  184  17  15  28  31  28  62  60  91     

- παρα = para + gen. (vanwege) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- παρα = para + acc. + plaatsbepaling (3X : την ὁδον = tèn hodon (langs de weg) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X : την θαλασσαν = tèn thalassan (langs het meer) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,21 .

Mc 2,13.3. - 4. παλιν παρα = palin para (opnieuw langs) . Bijbel (1) : Mc 2,13 .

Mc 2,13.5. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,13.4. - 5. παρα την = para tèn (langs de) . LXX (36) . NT (19) . Mc (5) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 10,46 .

Mc 2,13.6. acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X) : (1) Mc 1,16 (2 vormen) . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 4,2 . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 4,41 . (8) Mc 5,1 . (9) Mc 5,13 (2 vormen) . (10) Mc 5,21 . (11) Mc 6,47 . (12) Mc 6,48 . (13) Mc 6,49 . (14) Mc 7,31 . (15) Mc 9,42 . (16) Mc 11,23 .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
4 acc. vr. enk. thalassan  185  145  31  33  12  39  23  40  10  19  21   
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

4 acc. vr. enk. thalassan  40  9 : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 8,32 . (3) Mt 13,1 . (4) Mt 13,47 . (5) Mt 14,25 . (6) Mt 15,29 . (7) Mt 17,27 . (8) Mt 21,21 . (9) Mt 23,15 . 9 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . 1 : Lc 17,2 . 2 : (1) Joh 6,16 . (2) Joh 21,7 .   (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 8,32 // Mc 5,13 . (3) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (4) Mt 14,25 // Mc 6,48 . (5) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 21,21 // Mc 11,23 .
  totaal 87  15  15  18  18   

Mc 2,13.5. - 6. την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) . NT (37/40) . Mt (9) . Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Lc (1) . Joh (2) . Hnd (6) . Apk (10) . Niet in drie verzen : (1) Hnd 10,6 . (2) Hnd 10,32 . (3) Heb 11,29 .

Mc 2,13.4. - 5. παρα την θαλασσαν = para tèn thalassan (langs de zee) . OT (5) : (1) Ex 14,9 . (2) Joz 5,1 . (3) 1 S 13,5 . (4) 1 K 2,35 . (5) 1 K 5,9 . NT (7) . Mt (3) : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 13,1 . (3) Mt 15,29 . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . Parallellen : (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 13,1 // Mc 4,1 .
- Hebreeuws : עַל הַיָּם = `al hajjâm (langs / op de zee) . Tenakh (14) .

Mc 2,13.3. - 5. Mc 2,13 : παλιν παρα την θαλασσαν = palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) verwijst naar Mc 1,16 .

(1) Mc 1,16 en (2) Mc 2,13 staan in het teken van de roeping van leerlingen . (3) Mc 4,1 en (4) Mc 5,21 leiden de woord- en daadactiviteit van Jezus in .
(1) Mc 1,16 : παρα την θαλασσαν της γαλιλαιας = kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias (en langsvoerend langs het meer van Galilea) . Deze zin staat bij het begin van de pericope
(2) Mc 2,13 : και εξηλθεν παρα την θαλασσαν = kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging buiten opnieuw langs de zee) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(3) Mc 4,1 : παρα την θαλασσανπαλιν ηρξατο διδασκειν παρα την θαλασσαν = kai palin èrxato didaskein para tèn thalassan (en opnieuw begon hij te leraren langs het meer) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(4) Mc 5,21 : και ην παρα την θαλασσαν = kai èn para tèn thalassan (en hij was langs de zee) . De zin staat bij het begin van de pericope .

Mc 2,13.7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .Voor het eerst in Mc stroomt de massa samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 2,13.8. nom. mann. enk. πας = pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in de LXX : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ὁ οχλος ho ochlos (de massa) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt , nl. Mc 9,49 .

  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1 nom. m. enk. pas 5 nom. m. enk. pas 5   (1) Mc 2,13 .   (2) Mc 4,1 .       (3) Mc 9,15 . (4) 9,49 .   (5) Mc 11,18 .     636 544 92 12 5 16 15  32  33  48 
  pas (al) Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel  O.T.  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.

- Ned. : ieder , elk . Fr. : tout . Hebr. : kol . Lat. : omnis .

Mc 2,13.7. - 8. και πας = kai pas (en ieder / elk) . NT (28) . Mc (2) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 .

Mc 2,13.9. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 2,13.8. - 9. πας ὁ = pas ho (ieder, elk, alles) . NT (59) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 .

Mc 2,13.10. nom. mann. enk. οχλος = ochlos (massa) . Taalgebruik in het NT : ochlos (massa) . Taalgebruik in de LXX : ochlos (massa) . Taalgebruik in Mc : ochlos (massa) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc οχλος = ochlos (massa) in het enk . Mt (6) : (1) Mt 9,35 . (2) Mt 13,2 . (3) Mt 20,29 . (4) Mt 20,31 . (5) Mt 21,8 . (6) Mt 26,47 . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . Lc (9) : (1) Lc 5,29 . (2) Lc 6,17 . (3) Lc 6,19 . (4) Lc 7,11 . (5) Lc 7,12 . (6) Lc 8,40 . (7) Lc 9,37 . (8) Lc 13,17 . (9) Lc 22,47 . Joh (12) : (1) Joh 6,2 . (2) Joh 6,5 . (3) Joh 6,22 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 7,20 . (6) Joh 7,49 . (7) Joh 12,9 . (8) Joh 12,12 . (9) Joh 12,17 . (10) Joh 12,18 . (11) Joh 12,29 . (12) Joh 12,34 . In deze gevallen is οχλος = ochlos (massa) onderwerp . Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174) , in Hnd (22) . Joh (12) . In de LXX is οχλος = ochlos de vertaling van 9 Hebreeuwse woorden .
- Er is hier (Mc 2,13) voor het eerst uitdrukkelijk sprake van οχλος = ochlos (massa) . In Mc 2,4 kwam de massa slechts terloops ter sprake .

  ochlos (massa)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 15 syn.  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. ochlos  (1) Mc 2,13 .   2 : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 3,32 .   (1) Mc 4,1 .   2 : (1) Mc 5,21 . (2) Mc 5,24a - Mc 5,24b .         2 : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 9,25 .     (1) Mc 11,18 3 : (1) Mc 12,37 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .   (1) Mc 15,8 .     28  49  45  13  12  28  40 
  totaal enk. en mv.   212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

Mc 2,13.9. - 10. ὁ οχλος = ho ochlos (de massa) . Bijbel (23) . LXX (2) : (1) 2 S 15,22 . (2) ? . NT (21) . Mt (2) : (1) Mt 9,25 . (2) Mt 13,2 . Mc (6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Mc 12,41 . (6) Mc 15,8 . Lc (2) : (1) Lc 8,40 . (2) Lc 13,17 . Joh (10) : (1) Joh 6,22 . (2) Joh 6,24 . (3) Joh 7,20 . (4) Joh 7,49 . (5) Joh 12,9 . (6) Joh 12,12 . (7) Joh 12,17 . (8) Joh 12,18 . ('9') Joh 12,29 . (10) Joh 12,34 . Hnd (1) : Hnd 16,22 .

Mc 2,13.8. - 10. πας ὁ οχλος = pas ho ochlos (de hele massa) . LXX (1) : 2 S 15,22 . NT (7) . (1) Mt 13,2 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 13,17 .
- πολυς οχλος = polus ochlos (een talrijke massa) . NT (2) : (1) Mc 12,37 . (2) Joh 6,5 .
- ὁ πολυς οχλος = ho polus ochlos (de talrijke massa) . NT (1) : (1) Mc 12,37 .
- οχλος πολυς = ochlos polus (een grote massa) . NT (12) : (1) Mt 20,29 . (2) Mt 26,47 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . (5) Mc 5,24 . (6) Mc 14,43 . (7) Lc 7,11 . (8) Lc 9,37 . (9) Joh 6,2 . (10) Joh 12,9 . (11) Joh 12,12 . (12) Apk 7,9 .

Mc 2,13.7. - 10. και (...) πας ὁ οχλος = kai pas ho ochlos (en de hele massa) . NT (6) : (1) Mt 13,2 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . (5) Lc 6,19 . (6) Lc 13,17 .
- και ὁ πολυς οχλος = kai ho polus ochlos (en de talrijke massa) . Nt (1) : (1) Mc 12,37 .
- ὁ δε (...) οχλος = ho de ochlos (de massa echter) . Nt (2) : (1) Mt 20,31 . (2) Mt 21,8 .

Mc 2,13.11. ind. imperf. 3de pers. enk. ηρχετο = èrcheto (hij ging) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . In deze vorm in Mc slechts in Mc 2,13 .

  erchomai (gaan, komen) : bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
7 ind imp. 3de p. enk. èrcheto 22 18   1 1      

Mc 2,13.12. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

- Hebreeuws . ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . OF ontkenning עַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .
- Arabisch . إلي = ´ilâ (naar) . Taalgebruik in de Qoran : ´ilâ (naar) .

Mc 2,13.13. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,23 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 2,13.12. - 13. προς αυτον = pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 . De massa stroomt naar Jezus toe : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 .
Vergelijk :
- Mc 1,45 : και ηρχοντο προς αυτον παντοθεν = kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .
- Mc 2,13 : και πας ὁ οχλος ηρχετο προς αυτον = kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
STAP VOOR STAP !
- Mc 2,13 : και πας ὁ οχλος ηρχετο προς αυτον = kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
- Mc 4,1 : και συναγεται προς αυτον οχλος πλειστος = kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke massa stroomt naar hem bijeen) .

Mc 2,13.14. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt και = kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3