MARCUSEVANGELIE : TWEEDE HOOFDSTUK , MC 2 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -
- Mc 2,1-12 - Mc 2,13-14 - Mc 2,15-17 - Mc 2,18-22 - Mc 2,23-28 -- Mc 2,23-3,6
-

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het N.T. : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Overzicht : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16 ,

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Tekstuitleg per pericope - Mc 2,1-12 - Mc 2,13-14 - Mc 2,15-17 - Mc 2,18-22 - Mc 2,23-28 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 - Mc 2,13 - Mc 2,14 - Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 - Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 - Mc 2,23 - Mc 2,24 - Mc 2,25 - Mc 2,26 - Mc 2,27 - Mc 2,28 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             
            Van Oyen Geert : (1) - (2) - (3) - (4) -
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik

Mc 2,1-12: B-cyclus, 7de zondag door het jaar
Mc 2,18-22: B-cyclus, 8ste zondag door het jaar
- Mc 2,23-3,6 : 9de (negende) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het tweede hoofdstuk van het Marcusevangelie :
67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8
68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28
69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32
70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39
94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5

1. 2. 3. 4.  5.
Mc 2,8 Mc 2,17 Mc 2,19 Mc 2,25 Mc 3,4
kai euthus (en omiddellijk) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
epignous (onderkend) akousas (gehoord)      
ho Ièsous (Jezus) ho Ièsous (Jezus)      
legei (zegt) legei (zegt) eipen (zei) legei (hij zegt) legei (hij zegt)
autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen) autois (aan hen)
    hi Ièsous (Jezus)    
 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -  69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -  70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe :Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -  94. Aren uittrekken op sabbat : Mc 2,23-28 - Mt 12,1-8 - Lc 6,1-5 -  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14

67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -

Het verhaal van de genezing van de lamme speelt zich af in een huis waar Jezus zo omstuwd wordt door zoveel volk dat sommigen die buiten staan , niet tot bij Jezus kunnen geraken . In Mc 2,1-12 wordt de oplossing bedacht om een lamme via het dak tot bij Jezus te brengen .
Vergeving is een belangrijk element in een gemeenschap , in een menselijke samenleving . Het is een bindmiddel tussen de leden . Zonden en tekortkomingen kunnen een persoon of een gemeenschap verlammen , stilleggen , geen vooruitgang doen maken . Een gemeenschap kan iemand vergeven of uit de gemeenschap sluiten . Legt de gemeenschap te sterk de nadruk op zuiverheid , dan bestaat de kans dat zij voor uitsluiting opteert . Brengt ze echter begrip op voor menselijke zwakheid en tekortkoming , dan bestaat de kans dat ze opteert voor barmhartigheid en vergeving .

1. men 2. velen 3. Jezus 4. de dragers 5. Jezus 6. schriftgeleerden 7. Jezus 8. de lamme
Mc 2,1 Mc 2,2 Mc 2,2 Mc 2,3 - Mc 2,4 Mc 2,5 Mc 2,6 - Mc 2,7 Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 Mc 2,12
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) de (echter) kai (en) kai (en)

8 scènes , 7X verandering van personage . Slechts 1 scène vangt aan met de (echter) , de andere scènes beginnen met kai (en) . In de hele pericope komt 15X kai (en) voor , slechts 2X de (echter) .
De pericope is opgebouwd volgens het sandwich-model : (Mc 2,1-2 : summarium) Mc 2,3-5a / Mc 2,5b-9a / Mc 2,9b-12 . Het middengedeelte wordt omsloten door de zin : legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) (Mc5a2 , Mc 2,9b) . De buitenste delen (Mc 2,3-5a en Mc 2,9b-12) bevatten het genezingsverhaal van de lamme , het binnenste deel (Mc 2,5b-9a) geeft de stilzwijgende discussie rond de zondenvergeving .

Mc 2,1 - Mc 2,1 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum di'hèmerôn akousthè hoti en oikôi estin. et iterum intravit Capharnaum post dies En toen hij na enige dagen weer binnenkwam in Kafarnaüm hoorden ze dat hij thuis was.  Toen Hij enige dagen later in Kafarnaüm was teruggekeerd, en men hoorde dat Hij thuis was,  Toen Hij enkele dagen later weer in Kafarnaüm kwam, hoorde men dat Hij thuis was.   Toen hij enkele dagen later terugkwam in Kafarnaüm, werd bekend dat hij weer thuis was.  Als hij Kafarnaoem weer binnenkomt na dagen is te horen: hij is in huis!; 1. Comme il était entré de nouveau à Capharnaüm, après quelque temps on apprit qu'il était à la maison.

Statenvertaling . 1 En na sommige dagen is Hij wederom binnen Kapernaum gekomen; en het werd gehoord, dat Hij in huis was.
King James Bible . And again he entered into Capernaum after some days; and it was noised that he was in the house.
Luther-Bibel . 1 Und nach einigen Tagen ging er wieder nach Kapernaum; und es wurde bekannt, dass er im Hause war.

Tekstanalyse van Mc 2,1 . Dit vers Mc 2,1 telt 13 woorden , 25 lettergrepen en 62 (2 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 2,1 is 4594 (2 X 2297) . Er is één hoofdzin , een participiumzin bij het onderwerp en een objectzin .

Mc 2,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,1.2. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 .
Eerder werd eiselthôn (binnengegaan) in Mc 1,21 gebruikt om de synagoge binnen te gaan ; hier echter om de stad Kafarnaüm binnen te gaan . kai eiselthôn (en binnengegaan) linkt aan kai exèlthen (en hij ging naar buiten) ( Mc 2,13 ) . Het verhaal Mc 2,1-12 speelt zich in huis af . Het is een tweede verhaal dat zich 'in huis' afspeelt ; er gebeurt telkens een wonderverhaal (Mc 1,29-31 en Mc 2,1-12) .

Mc 2,1.3. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc 2 (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 .
Het woordje palin (opnieuw) komt hier voor de eerste maal voor , maar zal in de volgende hoofdstukken nog meer voorkomen . In Mc 2,1 verwijst het naar Mc 1,21 : "En zij gaan op weg naar Kafarnaüm" . In Mc 1,21 wordt het werkwoord "op weg gaan naar" (Grieks : eisporeuomai) gebruikt , in Mc 2,1 : "naar-gaan" (eiserchomai : naar-gaan) , een variante van het vorige . Een stad wordt binnengegaan , evenals een synagoge of een huis . In onze beide gevallen wordt een werkwoord gebruikt met een voorvoegsel naar (Grieks : eis- ) , en de stad is Kafarnaüm . De constructie "naar-gegaan naar" ( Grieks: eiselthôn eis... ) vonden we reeds in Mc 1,21 : en onmiddellijk op sabbat naar-gegaan naar de synagoge .
Als in Mc 2,1 uitdrukkelijk een link wordt gelegd met Mc 1,21 , maakt het ons attent om naar verdere verbanden te zoeken . In Mc 2,1-12 speelt het verhaal zich niet af in de synagoge , maar in het huis . Het woord synagoge : plaats van samenkomst , is afgeleid van samenkomst en verwijst naar het werkwoord sunagô : samenkomen , gezamenlijk ageren / handelen , samenstromen . In Mc 2,1 wordt dat werkwoord gebruikt : "kai sunèchthèsan polloi = en velen waren samengekomen" . Dan voert Jezus het woord , en daarna heeft een wondergebeuren plaats .
In beide verhalen komen we eenzelfde structuur tegen : een plaatsverandering - een samenkomst van het volk - Jezus' optreden in woord en daad .

Mc 2,1.4. eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

Mc 2,1.2. 4. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

Mc 2,1.5. kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het N.T. : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Khofèr (losgeld, verzoengeld) komt in de Hebreeuwse bijbel in 14 verzen voor .
Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 . In Mc 2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) van Mc 1,21 .
De eerste stad waar Jezus tijdens zijn openbaar leven verblijft , is Kafarnaüm . De laatste stad is Jeruzalem . Bij een tweede vermelding van de beide steden wordt een werkw. van eiserchomai (binnengaan) gebruikt :
- Mc 2,1 : kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum = en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm .
- Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma = en hij ging binnen in Jeruzalem .

Mc 2,1.4. - 5. eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .
Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope . Aan het voorzetsel eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf , in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel eis (naar) . De zinnen beginnen telkens met het verbindend voegwoord kai (en) .
In Mc 1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc 9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea . In Mc 2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 .
- Mc 1,21 . Kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 2,1 . Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Mc 9,33 . Kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP !

Mc 2,1.6. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

Mc 2,1.7. genitief vrouwelijk meervoud hèmerôn van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) .
Mc (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 14,58 : dia triôn hèmerôn (na drie dagen) . In die context vinden we ook : èkousamen... hoti : wij hebben gehoord... dat hij na drie dagen...

Mc 2,1.8. pass. aor. 3de pers. enk. èkousthè (er werd gehoord) van het werkwoord akouô ( horen ) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare ( het oor lenen aan , toehoren , aanhoren ) -> écouter . Hebr. sjâmâ` . Mc (1) : Mc 2,1 .

Mc 2,1.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,1.10. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,1.11. datief mannelijk enk. oikô(i) (in huis) van het zelfstandig naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Mc (1) : Mc 2,1 .
Een vorm van oikia (huis) en oikos (huis) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,1 (dat. en oikô(i) = in huis) . (2) Mc 2,11 (acc. eis ton oikon = naar het huis) . (3) Mc 2,15 (en tè(i) oikia(i) = in het huis) . (2) Mc 2,26 (acc. eis ton oikon = naar het huis) .
In het eerste huis , in Mc 1,29 gaan Jezus en zijn leerlingen naar het huis van Simon en Andreas . Daar geneest Jezus de schoonmoeder van Simon , die ziel te bed lag . In het tweede huis , in Mc 2,1 vergeeft een lamme zijn zonden en geneest de lamme , die op een draagberrie lag . In het derde huis , in Mc 3,20 , zegt Jezus wie zijn ware familieleden zijn en zijn schriftgeleerden uit Jeruzalem gekomen die beweren dat hij door de duivel bezeten is .

10. - 11. en oikôi (in huis) . Bij Marcus slechts in Mc 2,1 . Het is een tweede verhaal dat zich 'in een huis' afspeelt ; er gebeurt een genezing (Mc 2,1-12) . Na het bezoek aan de synagoge ging Jezus en zijn leerlingen naar het huis van de schoonmoeder van Simon . We bevinden ons dus in Kafarnaüm . Evenals in Mc 1,29 is Jezus in Kafarnaüm en in een huis .

Mc 2,1.12. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 2 (4) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,28 .

9. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 2,1 : hoti en oikô(i) estin (dat hij in huis is) .
- Mc 9,33 : en tè(i) oikia(i) genomenos (nadat hij in het huis was) .

Mc 2,2 - Mc 2,2 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai sunèchthèsan polloi, hôste mèketi chôrein mède ta pros tèn thuran, kai elalei autois ton logon et auditum est quod in domo esset et convenerunt multi ita ut non caperet neque ad ianuam et loquebatur eis verbum   En velen kwamen samen zodat er geen plaats meer was, zelfs niet bij de deur, en hij sprak tot hen het woord.  2 stroomden de mensen in zulk een aantal samen, dat zelfs de ruimte vóór de deur geen plaats meer bood, toen Hij hun zijn leer verkondigde. [2] Er liepen zoveel mensen te hoop dat ze zelfs niet meer bij de deur konden komen, en Hij sprak hen toe.   [2] Er stroomden zo veel mensen toe dat er zelfs voor de deur geen plaats meer was, en hij verkondigde hun de heilsboodschap. 2 Zovelen stromen er samen dat er zelfs voor de deur geen ruimte meer is, en toen heeft hij tot hen zijn woord gesproken.   2. Et beaucoup se rassemblèrent, en sorte qu'il n'y avait plus de place, même devant la porte, et il leur annonçait la Parole. 

Statenvertaling . 2 En terstond vergaderden daar velen, alzo dat ook zelfs de plaatsen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en Hij sprak het woord tot hen.
King James Bible . [2] And straightway many were gathered together, insomuch that there was no room to receive them, no, not so much as about the door: and he preached the word unto them.
Luther-Bibel . 2 Und es versammelten sich viele, sodass sie nicht Raum hatten, auch nicht draußen vor der Tür; und er sagte ihnen das Wort.

Tekstuileg van Mc 2,2 . Het vers Mc 2,2 telt 17 woorden en 82 (2 X 41) letters . De getalwaarde van Mc 2,2 is 9981 (3 X 3 X 1109) .

Mc 2,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,2.2. mediaal. aor. 3de pers. mv.  sunèchtèsan (zij verzamelden zich) van het werkw. sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in het N.T. : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in Mc : sunagô (samendrijven, verzamelen) .
Deze vorm in Mc slechts in Mc 2,2 .
Een vorm van sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,21 . (4) Mc 6,30 . (5) Mc 7,1 .
(1) Mc 2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. sunèchthèsan = zij verzamelden zich) .
(2) Mc 4,1 (med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc 5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv.  sunèchthè = het verzamelde zich) .
(4) Mc 6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .

Mc 2,2.3. nom. mann. mv. polloi (velen) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Mc. : polus (veel) .
Mc (12) (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,15 .  (3) Mc 5,9 .  (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,31 . (6) Mc 6,33 .  (7) Mc 10,31 . (8) Mc 10,48 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,41 .  (11) Mc 13,6 .  (12) Mc 14,56 .   Vanwaar ze komen , wordt hier niet gezegd . Het is de tweede maal dat Marcus melding maakt van het samenstromen van het volk .

Mc 2,2.4. hôste (zodat) . Taalgebruik in het N.T. : hôste (zodat) . Taalgebruik in Mc : hôste (zodat) .
Mc (13) : (1) Mc 1,27 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 2,2 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,28 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,20 .  (8) Mc 4,1 . (9) Mc 4,32 . (10) Mc 4,37 .  (11) Mc 9,26 . (12) Mc 10,8 . (13) Mc 15,5 .

5. mèketi (niet meer) . Taalgebruik in het N.T. : mèketi (niet meer) . niet nog . F. ne ... plus . Mc (4) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 11,14 . hôste mèketi (zodat hij / zij niet meer) .

Mc 2,2.9. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) .
Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

Mc 2,2.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,2.11. thuran ( deur ) . Accusatief vrouwelijk enk. . Taalgebruik in het N.T. : thura (deur) . Taalgebruik in Mc : thura (deur) . Lat. ianua ( de god Janus had twee gezichten : vooraan , achteraan , zie de maand januari ) . Fr. porte < Lat. porta cfr. fores ( buiten ) .
Mc (4) : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Mc 15,46 . (1) Mc 1,33 (episunègmenè pros tèn thuran = zich bijeenverzameld bij de deur) . (2) Mc 2,2 (pros tèn thuran = zelfs niet bij de deur konden komen). (3) Mc 11,4 (gebonden bij de deur) . (4) Mc 15,46 (prosekulisen ton lithon epi tèn thuran tou mnèmeiou (hij rolde de steen naartoe naar de deur van het gedenkteken) . Het is toch merkwaardig dat de opening (de ingang) van het graf deur wordt genoemd . Een deur heeft de functie om in- en uit te gaan. Dat kan toch niet het geval zijn bij een graf . Normalerwijze dient de steen toch om af te sluiten .

Mc 2,2.9. - 11. pros tèn thuran ( bij de deur) . In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 1,33 . (2) Mc 2,2 . (3) Mc 11,4 . (4) Hnd 3,2 . In Mc 1,33 .verzamelde de hele stad zich bij de deur van het huis waarin Jezus zich bevond . In Mc 2,2 stromen zoveel mensen bijeen dat men niet meer bij de deur kan komen . Dat kan zowel van binnen uit als van buiten uit het geval zijn . Er is evolutie en gradatie . In Mc 3,20 is het samenstromen van het volk zo intens dat Jezus en zijn leerlingen niet eens de tijd krijgen om te eten .

Mc 2,2.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

13. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elalei (hij sprak) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Mc (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 4,34 .  (4) Mc 7,35 .  (5) Mc 8,32 .  (6) Mc 14,31 . Nog een vorm in Mc 2 : act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij spreekt) : Mc 2,7 . Een vorm van laleô (lallen, spreken, praten) in Mc in 19 verzen .
In deze 6 verzen komt autois (aan hen) voor bij een vorm van laleô (spreken) en legô (zeggen) .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
- Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt Jezus ... zegt hen .Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt hen .
- Mc 2,14 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc 2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .

Mc 2,2.14. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .

13. - 14. elalei autois (hij sprak tot hen) . Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,33 . (3) Mc 4,34 .  

Mc 2,2.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc (124) . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,3 - Mc 2,3 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon airomenon hupo tessarôn   et venerunt ferentes ad eum paralyticum qui a quattuor portabatur  En ze kwamen bij hem een lamme brengen die door vier (mannen) gedragen werd.  3 Men kwam een lamme bij Hem brengen, die door vier mannen gedragen werd. [3] Ze kwamen een verlamde bij Hem brengen, door vier man gedragen. [3] Er werd ook een verlamde bij hem gebracht, die door vier mensen gedragen werd. 3 Er komen er die een verlamde tot hem willen brengen, gedragen door vier man. 3. On vient lui apporter un paralytique, soulevé par quatre hommes.

Statenvertaling . 3 En er kwamen sommigen tot Hem, brengende een geraakte, die van vier gedragen werd.
King James Bible . [3] And they come unto him, bringing one sick of the palsy, which was borne of four.
Luther-Bibel . 3 Und es kamen einige zu ihm, die brachten einen Gelähmten, von vieren getragen.

Tekstuitleg van Mc 2,3 . Het vers Mc 2,3 telt 9 (3²) woorden en 59 letters . De getalwaarde van Mc 2,3 is 7332 (2² X 3 X 13 X 47) .

Mc 2,3.1. kai ( en ) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,3.2. erchontai ( zij gaan ) . Indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) .
In 12 verzen bij Marcus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,20 .
In zes verzen gaat Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats : (1) Mc 5,38 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 11,15 . (5) Mc 11,27 . (6) Mc 14,32 . In één vers : erchontai ( zij nl. de vrouwen , gaan ) + epi ( naar , bij ) voorzetsel van plaats + plaatsbepaling : Mc 16,2 . In de vijf overige verzen gaan bepaalde groepen mensen naar Jezus : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 12,18 .
In Mc 2,3 zijn de dragers van de lamme onderwerp . Het is het enige vers in Mc in deze werkwoordtijd waarin zieken (of zijn / hun helpers) naar Jezus gaan om genezen te worden . Vergelijk met :
- Mc 1,40 : kai erchetai pros auton lepros = en een melaatse gaat naar hem .
- Mc 2,3 : kai erchontai ferontes pros auton ton paralutikon = en zij gaan dragend naar hem de lamme .

Mc 2,3.3. act. part. praes. nom. mann. mv. ferontes (dragende) van het werkw. ferrô (dragen, voeren) .

Mc 2,3.1. - 2. kai erchontai (en zij gaan) . Bij Mc in elf van de twaalf verzen waarin erchontai (zij gaan) voorkomt , niet in Mc 5,35 .

Mc 2,3.4. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Mc (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

Mc 2,3.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 2,3.6. acc. mann. enk. paralutikon (lamme) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô ( losmaken , vrijmaken , vrijlaten ) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz. paraluô : ter zijde losmaken , verlammen .
Mc (1) : Mc 2,3 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

Mc 2,4 - Mc 2,4 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai mè dunamenoi prosevegkai autôi dia ton ochlon apestegasan tèn stegèn hopou èn, kai exoruxantes chalôsai ton krabaton hopou ho paralutikos katekeito eum illi prae turba nudaverunt tectum ubi erat et patefacientes submiserunt grabattum in quo paralyticus iacebat   En doordat ze (hem) niet konden + aanbrengen + bij hem, vanwege de volksmenigte, braken ze het dak open (boven de plaats) waar hij was; en na een opening gemaakt te hebben lieten ze de baar neer waarop de lamme neerlag.   4 Omdat zij wegens de menigte geen mogelijkheid zagen hem dicht bij Jezus te brengen, legden ze het dak bloot boven de plaats waar Hij zich bevond, maakten er een opening in en lieten het bed waarop de lamme uitgestrekt lag, zakken.   [4] Omdat ze de man niet bij Hem konden krijgen vanwege de menigte, haalden ze de dakbedekking* weg boven zijn hoofd, en toen ze een opening gemaakt hadden, lieten ze het bed waar de verlamde op lag, zakken.   [4] Omdat ze zich niet door de menigte konden wringen, haalden ze een stuk van het dak weg boven de plaats waar Jezus zat, en toen ze een opening hadden gemaakt, lieten ze de verlamde op zijn draagbed naar beneden zakken.    4 Omdat ze vanwege de schare hem niet naar hem toe kunnen brengen, halen ze de bedekking van het platte dak af daar waar hij is; ze graven een gat uit en laten de mat waarop de verlamde ligt neer. 4. Et comme ils ne pouvaient pas le lui présenter à cause de la foule, ils découvrirent la terrasse au-dessus de l'endroit où il se trouvait et, ayant creusé un trou, ils font descendre le grabat où gisait le paralytique. 

Statenvertaling . 4 En niet kunnende tot Hem genaken, overmits de schare, ontdekten zij het dak, waar Hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder, daar de geraakte op lag.
King James Bible . [4] And when they could not come nigh unto him for the press, they uncovered the roof where he was: and when they had broken it up, they let down the bed wherein the sick of the palsy lay.
Luther-Bibel . 4 Und da sie ihn nicht zu ihm bringen konnten wegen der Menge, deckten sie das Dach auf, wo er war, machten ein Loch und ließen das Bett herunter, auf dem der Gelähmte lag.

Tekstuitleg van Mc 2,4 . Het vers Mc 2,4 telt 23 woorden en 124 (2 X 2 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 2,4 is 13822 (2 X 6911) .

Mc 2,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,4.2. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,7 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,4.5. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,4.6. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

Mc 2,4.7. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,4.8. acc. mann. enk. ochlon (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 6,34 . (6) Mc 6,45 . (7) Mc 7,14 . (8) Mc 8,2 . (9) Mc 8,34 . (10) Mc 9,14 . (11) Mc 11,32 . (12) Mc 12,12 . (13) Mc 15,11 . Voor het eerst brengt Mc de menigte ter sprake , slechts terloops . Een vorm van ochlos (menigte) in Mc in 36 verzen , in Mc 2 in 2 verzen : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,13 .

Mc 2,4.6. - 8. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte . In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren . STAP VOOR STAP .

Mc 2,4.9. apestegasan ( zij ont-dek (dak) ten ) . Act. ind. aor. 3de pers. enk. Het werkwoord apostegazô < apo : ont- + stegè : dak (dekken , bedekken : kaluptô) : ont-daken , het dak ont-dekken . Slechts 1X in de bijbel gebruikt .

Mc 2,4.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,4.11. stegèn ( dak ) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het zelfstandig naamwoord stegè : dak . Lat. tegere , tectum : dekken , bedekken . Tectum : bedekking , dak . Fr. toit . Bijbel (4) . O.T. (1) Gn 8,13 . N.T. (3) : (1) Mt 8,8 . (2) Mc 2,4 . (3) Lc 7,6 . Gr. kalup-tô . Lat. cooperire , operimentum . Fr. couvrir , couverture . Hebr. kâsâh : bedekken . mikhësèk : deksel . In een aantal teksten in Ex. wordt mikhësèk : deksel gebruikt om het deksel van de ark aan te duiden

Mc 2,4.9. - 11. apestegasan tèn stegèn ( zij ont-dekten het dak ) . Paroniem (Een stamverwant woord . Woorden die van dezelfde wortel zijn afgeleid en daarmee ten dele in klank overeenkomen) . Hapax in de bijbel .

Mc 2,4.12. hopou (waar) . Onbepaald voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : hopou (waar) . Taalgebruik in Mc : hopou (waar) .
Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 5,40 . (5) Mc 6,10 . (6) Mc 6,55 . (7) Mc 6,56 . (8) Mc 9,18 . (9) Mc 9,48 . (10) Mc 13,14 . (11) Mc 14,9 . (12) Mc 14,14 . (13) Mc 16,6 .

Mc 2,4.13. exoruxantes ( uitgegraven ) < ex (uit) + orussô of oruttô : graven (Fr. creuser) . Hebr. châthar .

Mc 2,4.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,4.18. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,4.19. hopou (waar) . Onbepaald voornaamw. . Taalgebruik in het N.T. : hopou (waar) . Taalgebruik in Mc : hopou (waar) .
Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,15 . (4) Mc 5,40 . (5) Mc 6,10 . (6) Mc 6,55 . (7) Mc 6,56 . (8) Mc 9,18 . (9) Mc 9,48 . (10) Mc 13,14 . (11) Mc 14,9 . (12) Mc 14,14 . (13) Mc 16,6 .

Mc 2,4.20. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (13 van de 28 verzen) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24 . (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,4.21. nom. mann. enk. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

Mc 2,4.22. ind. imperf. 3de pers. mann. + vr. enk. katekeito (hij / zij lag neer) van het werkw. katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het N.T. : katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai (neerliggen) .
Mc (2) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . In Mc 1,30 ligt de schoonmoeder van Simon met koorts te bed . Het is tijdelijk , omdat ze koorts heeft . In Mc 2,4 ligt een lamme op het bed . Deze situatie van op het bed neerliggen is permament omdat hij lam is . Beide genezingsverhalen hebben plaats in een huis in Kafarnaüm .
STAP VOOR STAP ! Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 14,3 .

Mc 2,4.19. - 22.
- Mc 2,4 : hopou èn (waar hij = Jezus) was . En : hopou ho paralutikos katekeito = waarop de lamme lag .
- Mc 5,40 : hopou èn to paidion = waar het kind was .
In Mc 2,4 wordt het bed waarop de lamme lag op de plaats waar Jezus was neergelaten . In Mc 5,40 begeeft Jezus zich naar binnen waar het kind was . In Mc 2,4 wordt de lamme door vier gedragen in de hoop dat Jezus hem zal genezen . In Mc 5,40 is het kind gestorven . Alle hoop was opgegeven .

Mc 2,5 // Mt 9,2 - Mc 2,5 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai idôn ho Ièsous tèn pistin autôn legei tôi paralutikôi teknon afientai sou hoi hamartiai cum vidisset autem Iesus fidem illorum ait paralytico fili dimittuntur tibi peccata   En toen Jezus hun geloof zag, zei hij aan de lamme: "Kind, je zonden worden vergeven".   5 Toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de lamme: "Mijn zoon, uw zonden zijn u vergeven." [5] Bij het zien van hun vertrouwen* zei Jezus tegen de verlamde*: Vriend, uw zonden worden u vergeven. [5] Bij het zien van hun geloof zei Jezus tegen de verlamde: Vriend, uw zonden worden u vergeven.   5 Als Jezus dat vertrouwen van hen aanziet, zegt hij tot de verlamde: kind, jou worden je zonden vergeven! 5. Jésus, voyant leur foi, dit au paralytique : « Mon enfant, tes péchés sont remis. »

Statenvertaling . 5 En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.
King James Bible . [5] When Jesus saw their faith, he said unto the sick of the palsy, Son, thy sins be forgiven thee.
Luther-Bibel . 5 Als nun Jesus ihren Glauben sah, sprach er zu dem Gelähmten: Mein Sohn, deine Sünden sind dir vergeben.

Tekstuitleg van Mc 2,5 . Het vers Mc 2,5 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 2,5 is 10891 .

Mc 2,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,5.2. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) van het werkw. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) .

Mc 2,5.1. - 2. deelzin idôn (gezien) , beginnend met kai (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .

Mc 2,5.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,5.4. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,5.1. - 4. kai idôn ho ièsous (en Jezus gezien) : Mc 2,5 . kai ho ièsous idôn (en Jezus , gezien) : Mc 12,34 . idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . Nog éénmaal komt idôn de (gezien echter) voor in Mc 15,39 : idôn de ho kenturiôn (gezien echter de centurio) .

Mc 2,5.5. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,5.6. acc. vr. enk. pistin (geloof, vertrouwen) van het zelfst. naamw. pistis (geloof, vertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : pistis (geloof) . Taalgebruik in Mc : pistis (geloof) . Mc (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 4,40 . (3) Mc 11,22 .  
nom. vr. enk. pistis (geloof, vertrouwen) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 .  (2) Mc 10,52
- Mc 4,40 : oupô echete pistin (heb je nog geen geloof) . Mc 11,22 : echete pistin theou (heb geloof in God) .
Uit de verhalen van Mc 12,34 (lamme) , Mc 5,34 (bloedvloeiende vrouw) en Mc 10,52 (blinde) blijkt hoe grote inspanningen de zieke of zijn omgeving doet om genezen te worden . Geduld , doorzettingsvermogen , de vaste wil kenmerken dit geloof .

Mc 2,5.7. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

Mc 2,5.2. - 7. In Mc wordt idôn (gezien) gevolgd in 11 / 12 door een lijdend voorwerp . Dit is een bepaling (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,28 of een voorwerpszin , ingeleid door hoti (dat) (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 15,39 . Niet in Mc 10,14 . idôn auton (hem gezien) in Mc (3) : (3) Mc 5,22 : idôn (Jaïrus) auton (Jezus) . (6) Mc 9,20 : idôn (de onreine geest) auton (Jezus) . (2) Mc 12,34 : idôn (Jezus) auton (een schriftgeleerde) . Maar er is nog meer op te merken :
- Mc 5,6 : kai idôn (bezetene) ton ièsoun apo makrothen (en gezien Jezus van verre) . Mc 11,13 : kai idôn sukèn apo makrothen (en gezien (Jezus) een vijgeboom van verre) .
- Mc 9,25 : idôn de ho ièsous hoti (Jezus echter gezien dat) . Mc 15,39 : idôn de ho kenturiôn ... hoti (gezien echter de centurio ... dat) .
- Mc 12,28 : idôn hoti kalôs apekrithè autois = gezien (een schriftgeleerde) dat hij (Jezus) hen goed antwoordde . Mc 12,34 : kai ho ièsous idôn auton hoti nounechôs apekrithè (en Jezus hem gezien dat hij wijs antwoordde) .

Mc 2,5.8. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 12 verzen en van eipon (ik zei) in 2 verzen .

Mc 2,5.9. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,5.8. - 9. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
- legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .
- legei tô(i) archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste : Mc 5,36 .
- Mc 9,5 : kai apokritheis ho petros legei tô ièsou (en Petrus geantwoord zegt aan Jezus) . Mc 14,37 : kai legei tô petrô = en hij (Jezus) zegt aan Petrus .

Mc 2,5.10. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) . In Mc slechts in Mc 2 .

Mc 2,5.8. - 10. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .

Mc 2,5.11. nom. + voc. + acc. onz. enk. teknon (kind) . Taalgebruik in het N.T. : teknon (kind) . Taalgebruik in Mc : teknon (kind) .
Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 13,12 .

Mc 2,5.13. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,5.14.

Mc 2,5.15. nom vr. mv. hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. hamùartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 .

Mc 2,6 - Mc 2,6 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
6 èsan de tines tôn grammateôn ekei kathèmenoi kai dialogizomenoi en tais kardiais autôn  erant autem illic quidam de scribis sedentes et cogitantes in cordibus suis  6 Nu waren enkelen van de schriftgeleerden daar gezeten en aan het overleggen in hun harten:  6 Er zaten enkele schriftgeleerden bij
en dezen zeiden bij zichzelf:
[6] Nu zaten daar een paar schriftgeleerden die hun bedenkingen hadden:   [6] Er zaten ook een paar schriftgeleerden tussen de mensen, en die dachten bij zichzelf: 6 Maar er zijn daar enkele schriftgeleerden gezeten, en die in hun harten denken: 6. Or, il y avait là, dans l'assistance, quelques scribes qui pensaient dans leurs cœurs :

Statenvertaling . 6 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hun harten:
King James Bible . [6] But there were certain of the scribes sitting there, and reasoning in their hearts,
Luther-Bibel . 6 Es saßen da aber einige Schriftgelehrte und dachten in ihren Herzen:

Tekstuitleg van Mc 2,6 . Het vers Mc 2,6 telt 13 woorden en 73 letters . De getalwaarde van Mc 2,6 is 6450 (2 X 3 X 5 X 5 X 43) .

Mc 2,6.1. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (16) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 .  (5) Mc 4,1 .  (6) Mc 6,31 . (7) Mc 6,34 . (8) Mc 6,44 .  (9) Mc 8,9 . (10) Mc 9,4 . (11) : Mc 10,32 .  (12) Mc 12,20 .  (13) (1) Mc 14,4 . (14) Mc 14,40 . (15) Mc 14,56 . (16) Mc 15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,18 .  (3) Mc 9,4 . (4) Mc 10,32 . (5) Mc 14,4 . (6) Mc 14,40 . (7) Mc 15,40 .Omschrijvende formule in Mc 2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . De omschrijvende formule vinden we ook in Mc 2,18 : èsan ... nèsteuontes = ze waren vastende = ze waren bezig met vasten .

Mc 2,6.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 2,21 . (6) Mc 2,22 .

Mc 2,6.1. - 2. hèsan de (zij waren echter) . Mc (5) . In 4 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 14,4 . (4) Mc 15,40 + Mc 8,9

Mc 2,6.3. onbepaald voornaamw. nom. mann. mv. tines (enkele, sommige) van het onbepaald voornaamw. tis (een bepaalde) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (9) . Mc 2 (1) : Mc 2,6 .

Mc 2,6.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

Mc 2,6.5. gen. mann. mv. grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (8) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  (3) Mc 8,31 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 . (6) Mc 14,43 .  (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .
nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc 9,14 .
In Mc 2,6 treden enkele schriftgeleerden voor het eerst op in het kader van zondenvergeving . In Mc 3,22 treden de schriftgeleerden als groep op ; ze komen uit Jeruzalem . In Mc 9,14 discussiëren schriftgeleerden met leerlingen van Jezus bij een duiveluitdrijving . In Jeruzalem (vanaf Mc 11) treden ze vaak in gezelschap van andere groepen op .

Mc 2,6.3. - 5. tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  

Mc 2,6.6. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

Mc 2,6.7. part. praes. nom. mann. mv. kathèmenoi  (zittende) van het werkw. kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) .
Mc (1) : Mc 2,6 . Omschrijvende formule in Mc 2,6 : èsan ... kathèmenoi kai dialogizomenoi = ze waren zittende en overleggende = ze zaten bij zichzelf te overleggen . Een vorm van kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) in Mc in 11 verzen .

Mc 2,6.8. kai ( en ) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . Er is verandering van personage .

Mc 2,6.10. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,6.11. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 2,6.13. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

Mc 2,7 - Mc 2,7 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 ti outos outôs lalei blasfèmias tis dunatai afienai amartias ei mè eis o theos  quid hic sic loquitur blasphemat quis potest dimittere peccata nisi solus Deus   7 Waarom spreekt deze zo? Hij lastert God. Wie kan zonden vergeven behalve de ene God?"  7 "Wat zegt die man daar?
Hij spreekt godslasterlijk !
Wie anders kan er zonden vergeven dan God alleen?"
[7] ‘Hoe kan die man zoiets zeggen? Hij lastert God. Wie anders dan de enige God kan zonden vergeven?’ [7] Hoe durft hij dat te zeggen? Hij slaat godslasterlijke taal uit: alleen God kan immers zonden vergeven! 7 wat spreekt hij daar zomaar uit?, hij lastert!–  wie is bij machte zonden te vergeven dan alleen God? 7. « Comment celui-là parle-t-il ainsi ? Il blasphème ! Qui peut remettre les péchés, sinon Dieu seul ? » 

Statenvertaling . 7 Wat spreekt Deze aldus gods lasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan alleen God?
King James Bible . Why doth this man thus speak blasphemies? who can forgive sins but God only?
Luther-Bibel . 7 Wie redet der so? Er lästert Gott! Wer kann Sünden vergeben als Gott allein?

Tekstuitleg van Mc 2,7 . Dit vers Mc 2,7 telt 14 (2 X 7) woorden en 63 (7 X 9) letters . De getalwaarde van Mc 2,7 is 7126 (2 X 7 X 509) .

Mc 2,7.1. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,7.2. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

Mc 2,7.3. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

Mc 2,7.4. act. ind. praes. 3de pers. enk. lalei (hij spreekt) van het werkw. laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in het N.T. : laleô (lallen, spreken, praten) . Taalgebruik in Mc : laleô (lallen, spreken, praten) .
Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 11,23 .

Mc 2,7.5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud blasfèmei (hij lastert God) van het werkwoord blasfèmeô (godslasterlijke taal spreken , God lasteren) . Taalgebruik in het N.T. : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) . Taalgebruik in Mc : blasfèmeô (lasteren, godslasteren) .
Mc (1) : Mc 2,7 . Een vorm van blasfèmeô (lasteren, godslasteren) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,28 .  (3) Mc 3,29 .  (4) Mc 15,29 .

Mc 2,7.6. voornaamw. nom. mann. + vr. enk. tis (wie, iemand) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een . Mc (24) . Mc 2 (1) : Mc 2,7 .

7. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 .  

Mc 2,7.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,7.11. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,7 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,7.12. voornaamw. nom. mann. enk. heis (ene) OF eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

10. - 14. ei mè heis ho theos (tenzij de ene God) . Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 10,18 .

Mc 2,8 - Mc 2,8 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 kai euthus epignous ho ièsous tô pneumati autou oti outôs dialogizontai en eautois eipen autois ti tauta dialogizesthe en tais kardiais umôn  quo statim cognito Iesus spiritu suo quia sic cogitarent intra se dicit illis quid ista cogitatis in cordibus vestris  8 En terstond begreep Jezus in zijn geest dat ze zo overlegden in zichzelf (en) zei hun: Waarom overlegt u deze dingen in uw harten?  8 Uit zichzelf wist Jezus aanstonds dat zij zo redeneerden en Hij zei hun: "Wat redeneert gij toch bij uzelf?    [8] Jezus doorzag meteen dat ze deze bezwaren hadden en zei tegen hen: ‘Waarom hebt u eigenlijk bezwaren?   [8] Jezus had meteen door wat ze dachten en dus zei hij: ‘Waarom denkt u zoiets? 8 En meteen beseft Jezus met zijn geest
dat zij zó bij zichzelf denken, en zegt tot hen: waarom denkt u dat allemaal < in uw harten?
8. Et aussitôt, percevant par son esprit qu'ils pensaient ainsi en eux-mêmes, Jésus leur dit : « Pourquoi de telles pensées dans vos cœurs ? 

Statenvertaling . 8 En Jezus, terstond in Zijn geest bekennende, dat zij alzo in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uw harten?
King James Bible . [8] And immediately when Jesus perceived in his spirit that they so reasoned within themselves, he said unto them, Why reason ye these things in your hearts?
Luther-Bibel . 8 Und Jesus erkannte sogleich in seinem Geist, dass sie so bei sich selbst dachten, und sprach zu ihnen: Was denkt ihr solches in euren Herzen?

Tekstuitleg van Mc 2,8 . Het vers Mc 2,8 telt 22 (2 X 11) woorden en 118 (2 X 59) letters . De getalwaarde van Mc 2,8 is 15149 .

Mc 2,8.1. kai ( en ) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 /678) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . Er is verandering van personage .

Mc 2,8.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,8.5. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,8.6. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,8.9. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,8.10. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

Mc 2,8.12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,8.14. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .
- legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,5 .
- Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt Jezus ... zegt hen .Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord Jezus zegt hen .
- Mc 2,14 : kai legei autô(i) = en hij zegt hem . Mc 2,25 : kai legei autois (en hij zegt hen) .

Mc 2,8.15. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (117) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .
- elalei autois (hij sprak tot hen) : Mc 2,2 .
- legei autois (hij zegt hen) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,25 .
- elegen autois (hij zei hen) : Mc 2,27 .
- Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,8.16. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,8.19. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,8.20. bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de / het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (10) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 6,56 . (5) Mc 8,1 . (6) Mc 12,38 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,17 . (9) Mc 13,24 . (10) Mc 16,18 .

Mc 2,9 - Mc 2,9 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 ti estin eukopôteron eipein tô paralutikô afeôntai soi ai amartiai è eipein egeirai kai aron sou ton krabbaton kai peripatei  quid est facilius dicere paralytico dimittuntur tibi peccata an dicere surge et tolle grabattum tuum et ambula  9 Wat is gemakkelijker, te zeggen aan de lamme je zonden zijn vergeven, of te zeggen sta op en neem je baar op en wandel?  9 Wat is gemakkelijker, tot de lamme te zeggen: Uw zonden zijn u vergeven, of: Sta op, neem uw bed en loop?   [9] Wat is eenvoudiger? Tegen de verlamde zeggen: “Uw zonden worden vergeven”, of zeggen: “Sta op en pak uw bed en loop?”    [9] Wat is gemakkelijker, tegen een verlamde zeggen: “Uw zonden worden u vergeven” of: “Sta op, pak uw bed en loop”?      9 wat is gemakkelijker, tot die verlamde zeggen: jou worden je zonden vergeven!, of zeggen: waak op, neem je mat op en wandel?& 9. Quel est le plus facile, de dire au paralytique : Tes péchés sont remis, ou de dire : Lève-toi, prends ton grabat et marche ? 

Statenvertaling . 9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw beddeken op, en wandel?
King James Bible . [9] Whether is it easier to say to the sick of the palsy, Thy sins be forgiven thee; or to say, Arise, and take up thy bed, and walk?
Luther-Bibel . 9 Was ist leichter, zu dem Gelähmten zu sagen: Dir sind deine Sünden vergeben, oder zu sagen: Steh auf, nimm dein Bett und geh umher?

Tekstuitleg van Mc 2,9 . Het vers Mc 2,9 telt 20 (2X 2 X 5) woorden en 107 letters . De getalwaarde van Mc 2,9 is 11030 (2 X 5 X 1103) .

Mc 2,9.1. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,9.5. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,9.6. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

Mc 2,9.8. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

10. nom vr. mv. hamartiai (zonden) van het zelfst. naamw. hamùartia (zonde) . Taalgebruik in het N.T. : hamartia (zonde) . Taalgebruik in Mc : hamartia (zonde) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 .

Mc 2,9.13. act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken . Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49

Mc 2,9.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,9.15. act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron (neem) van het werkw. airô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : airô (nemen) . Taalgebruik in Mc : airô (nemen) .
Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .

Mc 2,9.16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,9.17. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,9.18. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,9.15. - 18. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving .

Mc 2,9.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,10 - Mc 2,10 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 ina de eidète oti exousian ecei o uios tou anthrôpou afienai epi tès gès amartias legei tô paralutikô   ut autem sciatis quia potestatem habet Filius hominis in terra dimittendi peccata ait paralytico   10 Opdat u nu weet dat de Mensenzoon macht heeft om zonden te vergeven op aarde - hij zei aan de lamme  10 Welnu, opdat ge zult weten dat de Mensenzoon macht heeft op aarde zonden te vergeven, - sprak Hij tot de lamme -    [10] Maar opdat u weet dat de Mensenzoon* bevoegd is om op aarde zonden te vergeven ’, zei Hij, nu tegen de verlamde: [10] Ik zal u laten zien dat de Mensenzoon volmacht heeft om op aarde zonden te vergeven.’ Toen zei hij tegen de verlamde: 10 maar opdat ge zult weten dat de mensenzoon volmacht heeft om op de aarde zonden te vergeven,& zegt hij tot de verlamde: ; 10. Eh bien ! pour que vous sachiez que le Fils de l'homme a le pouvoir de remettre les péchés sur la terre, 

Statenvertaling . 10 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot den geraakte):
King James Bible . [10] But that ye may know that the Son of man hath power on earth to forgive sins, (he saith to the sick of the palsy,)
Luther-Bibel . 10 Damit ihr aber wisst, dass der Menschensohn Vollmacht hat, Sünden zu vergeben auf Erden - sprach er zu dem Gelähmten:

Tekstuitleg van Mc 2,10 . Het vers Mc 2,10 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 2,10 is 10187 (61 X 167) .

- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .
Enkel in deze twee verzen in Mc komt de formule soi legô = ik zeg je , voor .

Mc 2,10.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 2,21 . (6) Mc 2,22 .

Mc 2,10.4. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,10.5. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) . Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

7. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

 

Mc 2,10.9. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .

Mc 2,10.10. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (16) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 .   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31 .  (7) Mc 8,38 . (8) Mc 9,9 . (9) Mc 9,12 . (10) Mc 9,31 .  (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,45 .   (13) Mc 13,26 .  (14) Mc 14,21 . (15) Mc 14,41 . (16) Mc 14,62 . Een vorm van anthrôpos (mens) in Mc in 53 verzen .

8. - 10. Een vorm van huios tou anthrôpou (mensenzoon) in 13 (14X) verzen : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,28 . (3) Mc 8,31 .  (4) Mc 8,38 . (5) Mc 9,9 . (6) Mc 9,12 . (7) Mc 9,31 .  (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .   (10) Mc 13,26 .  (11) Mc 14,21 (2X) . (12) Mc 14,41 . (13) Mc 14,62 .

Mc 2,10.13. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,21 . (4) Mc 2,26 .

Mc 2,10.16. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,10.17. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,10.16. - 17. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 2,10.18. dat. mann. enk. paralutikôi (melaatse) van het zelfst. naamw. paralutikos (lamme) . Taalgebruik in het N.T. : paralutikos (lamme) . Taalgebruik in Mc : paralutikos (lamme) . para (langs , terzijde) . luô (losmaken , vrijmaken , vrijlaten) . Zie b.v. het woordelement los- in los-maken . Het Ned. achtervoegsel - loos : vrij van , zonder ; zie b.v. smaakloos , mateloos enz.
Mc (5) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,10 . In Mc 2,1-12 komt een vorm van paralutikos vijfmaal voor : (1) Mc 2,3 (acc. enk. paralutikon) . (1) Mc 2,4 (nom. enk. paralutikos) . (1) Mc 2,5 (dat. enk. paralutikôi) . (2) Mc 2,9 (dat. enk. paralutikôi) . (3) Mc 2,10 (dat. enk. paralutikôi) .

16. - 18. legei tô(i) paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,11 - Mc 2,11 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 soi legô egeire kai aron ton krabbaton sou kai hupage eis ton oikon sou  tibi dico surge tolle grabattum tuum et vade in domum tuam   11 Ik zeg je, sta op, neem je baar op en ga heen naar je huis.  11 Ik zeg u, sta op, neem uw bed en ga naar huis."  [11] ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ [11] ‘Ik zeg u, sta op, pak uw bed en ga naar huis.’ 11 tot jou zeg ik: waak op, neem je mat op en ga heen naar je huis! 11. je te l'ordonne, dit-il au paralytique, lève-toi, prends ton grabat et va-t'en chez toi. »  

Statenvertaling . 11 Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.
King James Bible . [11] I say unto thee, Arise, and take up thy bed, and go thy way into thine house.
Luther-Bibel . 11 Ich sage dir, steh auf, nimm dein Bett und geh heim!

Tekstuitleg van Mc 2,11 . Het vers Mc 2,11 telt 14 (2 X 7) woorden en 58 (2 X 29) letters . De getalwaarde van Mc 2,11 is 5185 (5 X 17 X 61) .

Mc 2,11.1. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (21) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,18 .

Mc 2,11.2. act. ind. pr. 1ste pers. enk. legô van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (19) . Mc 2 (1) : Mc 2,11 .

Mc 2,11.1. - 2. soi legô (aan jou zeg ik) . Bij Mc slechts in de 2 verzen : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 5,41 .

Mc 2,11.3. act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. egeirô (opwekken) . Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49 .  In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken vergeleken met zondenvergeving . UITNODIGING in Mc 2,9 en herhaald in Mc 2,11 . UITVOERING in Mc 2,12 .

Mc 2,11.1. - 3.
- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .

Mc 2,11.4. act. imperat. aor. 2de pers. enk. aron (neem) van het werkw. airô (nemen) . Taalgebruik in het N.T. : airô (nemen) . Taalgebruik in Mc : airô (nemen) .
Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .

Mc 2,11.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,11.6. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,11.7. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,11.4. - 6. aron ton krabatton sou (neem je bed) . Mc (2) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 . In Mc 2,9 wordt de uitnodiging om op te wekken , het bed op te nemen en rond te gaan vergeleken met zondenvergeving . UITNODIGING . UITVOERING in Mc 2,12 .

Mc 2,11.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,11.9. act. imperat.  praes. 2de pers. enk. hupage (ga weg, vertrek) van het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in het N.T. : hupagô (onder iets brengen, weggaan) . Taalgebruik in Mc : hupagô (onder iets brengen, weggaan) .
Mc (8) : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,52 . Een vorm van hupagô (onder iets brengen, weggaan) in 15 verzen in Mc . In deze 8 verzen is het telkens een woord van Jezus . In 6 verzen is dit woord gericht tot de genezene : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 2,11 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 10,52 . In Mc 8,33 is het gericht tot Petrus , in Mc 10,21 tot de rijke man .

Mc 2,11.10. eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 2 (5) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,7 ( heis = één ) . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,22 . (5) Mc 2,26 .

Mc 2,11.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,11.12. acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus .
Mc (10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 2,26 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,30 . (8) Mc 8,3 . (9) Mc 8,26 . (10) Mc 9,28 .
Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) :
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,38 . (5) Mc 7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 .

Mc 2,11.13. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 2 (3) : (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,9 . (5) Mc 2,11 .

Mc 2,11.9. - 13.
- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .

Duality

- soi legô (aan jou zeg ik) . Bij Mc slechts in de 2 verzen : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 5,41 .

- Mc 2,10 - Mc 2,11 : legei tôi paralutikôi , soi legô egeire = hij zegt tot de lamme : ik zeg je , wek op (genezing van een lamme) .
- Mc 5,41 : legei autèi ... soi legô egeire = hij zegt tot haar : ik zeg je , wek op (opwekking van het dochtertje van Jaïrus) .

- Mc 2,11 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een lamme) .
- Mc 5,19 : hupage eis ton oikon sou = ga naar huis (genezing van een bezetene) .

Mc 2,12 - Mc 2,12 - 67. Genezing van de lamme : Mc 2,1-12 - Lc 5,17-26 - Mt 9,1-8 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,1 - Mc 2,2 - Mc 2,3 - Mc 2,4 - Mc 2,5 - Mc 2,6 - Mc 2,7 - Mc 2,8 - Mc 2,9 - Mc 2,10 - Mc 2,11 - Mc 2,12 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 7zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 kai ègerthè kai euthus aras ton krabbaton exèlthen emprosthen pantôn ôste existasthai pantas kai doxazein ton theon legontas oti oudepote outôs eidomen   surrexit et sublato grabatto abiit coram omnibus ita ut admirarentur omnes et honorificarent Deum dicentes quia numquam sic vidimus   12 En hij stond op en terstond nam hij de baar op (en) ging weg voor allen, zodat allen buiten zichzeif waren en God verheerlijkten, zeggend: Zo iets hebben we nog nooit gezien".  12 Hij stond op, nam zijn bed en voor aller ogen ging hij onmiddellijk naar buiten. Iedereen stond er versteld van, en ze verheerlijkten God en zeiden: "Zoiets hebben wij nog nooit gezien.
 
[12] En hij stond op, pakte meteen zijn bed en ging weg voor het oog van iedereen, zodat ze allemaal verrukt waren en God verheerlijkten. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien’, zeiden ze.    [12] Meteen stond hij op, pakte zijn bed en ging weg; allen die dit zagen, stonden versteld en loofden God. ‘Zoiets hebben we nog nooit gezien,’ zeiden ze.     12 Hij waakt op, neemt meteen zijn mat op en gaat voor aller aanschijn naar buiten, zodat allen buiten zichzelf zijn en God verheerlijken, zeggend: zoiets hebben wij nog nooit gezien! 12. Il se leva et aussitôt, prenant son grabat, il sortit devant tout le monde, de sorte que tous étaient stupéfaits et glorifiaient Dieu en disant : « Jamais nous n'avons rien vu de pareil. »

Statenvertaling . 12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!
King James Bible . [12] And immediately he arose, took up the bed, and went forth before them all; insomuch that they were all amazed, and glorified God, saying, We never saw it on this fashion.
Luther-Bibel . 12 Und er stand auf, nahm sein Bett und ging alsbald hinaus vor aller Augen, sodass sie sich alle entsetzten und Gott priesen und sprachen: Wir haben so etwas noch nie gesehen.

Tekstuitleg van Mc 2,12 . .

Het wondergebeuren en de reactie van het volk verwoordt Marcus in één lange en grote samengestelde zin. De hoofdzin is : exèlthen emprosthen pantôn (hij ging naar buiten van in het bijzijn van allen). De reactie van het volk wordt weergegeven door een dubbele gevolgzin. De drie woorden van de hoofdzin eindigen op -n. Het eerste woord begint met ex- , het tweede met em-. De eerste twee woorden eindigen op -then.

Mc 2,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,12.3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,12.6. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,12.7. krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in het N.T. : krabatton (bed, draagbaar) . Taalgebruik in Mc : krabatton (bed, draagbaar) . Lat. grabattum . Fr. grabat . Ned. draagbaar , berrie < beran , baren : dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren) . In het Hebr. omgezet : qarëfîtâ´ .
Mc (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,9 . (3) Mc 2,11 . (4) Mc 2,12 . In Mc 2,4 ligt de lamme op het bed . In Mc 2,9 wordt het vergeven van de lamme vergeleken met het genezen van de lamme . In Mc 2,11 wordt de lamme uitgenodigd om op te staan en het bed te dragen . In Mc 2,12 draagt de genezene daadwerkelijk het bed .

Mc 2,12.8.  ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 2 (2) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13 .

Mc 2,12.11. hôste (zodat) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,12 . (3) Mc 2,28 .

hôste ( zodat )  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  222  139  83  15  13  42    32  33  40 

Mc 2,12.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,12.19. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,12.20. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

68. Roeping van Levi / Matteüs : Mc 2,13-14 - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -

Mc 2,13 - Mc 2,13 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai exèlthen palin para tèn thalassan kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous et egressus est rursus ad mare omnisque turba veniebat ad eum et docebat eos   En hij ging weer uit langs de zee en de hele volksmenigte kwam bij hem, en hij leerde hen.   13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.  Hij ging naar buiten en liep weer langs het meer. Al het volk kwam naar Hem toe, en Hij gaf hun onderricht.  Jezus vertrok en ging weer naar het meer. Een grote mensenmenigte kwam naar hem toe, en hij onderwees hen.   Hij gaat weer de stad uit, de zee langs; heel de schare is tot hem gekomen en hij geeft hen onderricht.  13. Il sortit de nouveau au bord de la mer, et toute la foule venait à lui et il les enseignait.

Statenvertaling . 13 En Hij ging wederom uit naar de zee; en de gehele schare kwam tot Hem, en Hij leerde hen.
King James Bible . And he went forth again by the sea side; and all the multitude resorted unto him, and he taught them.
Luther-Bibel . 13 Und er ging wieder hinaus an den See; und alles Volk kam zu ihm und er lehrte sie.

Tekstuitleg van Mc 2,13 . Dit vers Mc 2,13 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 74 (2 X 37) letters . De getalwaarde van Mc 2,13 is 6758 (2 X 31 X 109) .
Mc 2,13 bestaat uit drie delen . Het eerste deel is een over-gangs- vers (van de ene naar de andere plaats) . Het tweede deel beschrijft het samenkomen van het volk . Marcus gebruikt een variatie van werkwoorden om het samenkomen rond Jezus uit te drukken . Het derde deel geeft de activiteit van Jezus aan .
Dit vers Mc 2,13 is een summarium . Het bestaat uit drie nevenschikkende zinnen (6 - 7 - 3 = 16 woorden ; 12 - 11 - 7 = 30 lettergrepen) , telkens ingeleid door het verbindend voegwoord kai (en) . Het onderwerp van de eerste en de derde zin is Jezus , van de tweede zin de menigte .
Mc 2,13a : vier van de zes woorden eindigen op -n . Twee op elkaar volgende woorden beginnen met pa- .

Voor de tweede maal spelen de verhalen zich af rond Kafarnaüm : Mc 2,1-12 en het meer van Galilea : Mc 2,13-14 . Jezus verblijft thuis in Kafarnaüm en geneest er een lamme . Daarna gaat hij naar buiten om langs het meer van Galilea te gaan . Daar geeft hij onderricht en roept Levi . De verhalen rond Kafarnaüm en het meer van Galilea verlopen in het eerste hoofdstuk omgekeerd . Eerst roept Jezus langs het meer van Galilea vier leerlingen : Mc 1,16-20 . Dan gaat hij naar Kafarnaüm : Mc 1,21 . Hij treedt er op in de synagoge : hij onderricht : Mc 1,22 en geneest een man met een onreine geest : Mc 1,23-28 . Daarna gaat hij naar het huis van Simon Petrus : Mc 1,29-31 . Met het verhaal van de roeping van Levi wordt een nieuw personage ingebracht nl. de tollenaars . Jezus kiest partij voor hen en daardoor zal er een spanning tussen hem en de Farizeeën ontstaan : Mc 2,15-17 .
De roeping van Levi hoort thuis in het verzamelen van de leerlingen door Jezus . De volgende en volledige stap zal de roeping van de twaalf op de berg zijn (Mc 3,13-19) .

In Mc 2,13-14 wordt de roeping van Levi verteld zoals in Mc 1,16-20 de roeping van Petrus en Andreas , Jakobus en Johannes wordt verhaald . Er is vooruitgang in het soort mensen dat geroepen wordt . In Mc 2,14 wordt een tollenaar geroepen , iemand die tol heft van de joden voor de Romeinen .

Mc 2,13.1. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor .
Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

Mc 2,13.2. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Het is de vijfde maal dat deze vorm gebruikt wordt . Samen met zijn leerlingen ging Jezus de synagoge uit (Mc 1,29) en ging hij alleen het huis uit (Mc 1,35) . Het is de tweede maal dat Jezus het huis uitgaat ; hiervoor wordt exèlthen (hij ging naar buiten) gebruikt . Meer nog . Bij het begin van Mc 2,1 staat kai eiselthôn palin eis kafarnaoum (en binnengaande opnieuw in Kafarnaüm) , bij het begin van Mc 2,13 : kai exèlthen (en hij ging naar buiten) , en wel langs het meer . Jezus ging dus uit Kafarnaüm . Mc 1,16-20 / 21-28 en Mc 2,1-12 / Mc 2,13-14 vormen een A B - B' A' structuur .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 2 (2) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 2,13 .
 ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging naar buiten) verwijst naar eiselthôn (binnengegaan, Mc 2,1) .

Mc 2,13.3. palin (opnieuw) para tèn thalassan (langs het meer) . STAP VOOR STAP ! Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . De verwijzing zit in het woord of de uitdrukking die onmiddellijk volgt . Hier verwijst het naar para tèn thalassan (langs de zee) van Mc 1,16 . Er gebeurt hier meer dan in Mc 1,16 , waar Jezus langskomt en leerlingen roept . In Mc 1,16-20 is er het meer met zijn vissers en visnetherstellers . In Mc 2,13-14 gaat het om het tolhuis aan het meer .

Mc 2,13.4. para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) .
Mc 2 (1) : Mc 2,13 . Geen werkw. par-agô (langsleiden) in Mc 2,13 , wel in Mc 2,14 .
Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 .
- para + gen. (4) (vanwege) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- para + acc. (7) + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,21 .

Mc 2,13.5. bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc. : bepaald lidwoord . Ned. de . E. the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . In vier verzen in Mc 2 : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,5 . (4) Mc 2,13 .

Mc 2,13.6. accusatief vrouwelijk enkelvoud thalassan (meer, zee) . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .

Mc 2,13.5. - 6. tèn thalassan (het meer, de zee) . Accusatief vr. enk bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord . Mc 9 / 9 .

Mc 2,13.3. - 5. para tèn thalassan (langs de zee / meer) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .
(1) Mc 1,16 en (2) Mc 2,13 staan in het teken van de roeping van leerlingen . (3) Mc 4,1 en (4) Mc 5,21 leiden de woord- en daadactiviteit van Jezus in .
(1) Mc 1,16 : Kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias (en langsvoerend langs het meer van Galilea) . Deze zin staat bij het begin van de pericope
(2) Mc 2,13 : Kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging buiten opnieuw langs de zee) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(3) Mc 4,1 : Kai palin èrxato didaskein para tèn thalassan (en opnieuw begon hij te leraren langs het meer) . Deze zin staat bij het begin van de pericope .
(4) Mc 5,21 : kai èn para tèn thalassan (en hij was langs de zee) . De zin staat bij het begin van de pericope .

Mc 2,13.1. - 6. kai exèlthen palin para tèn thalassan (en hij ging buiten opnieuw langs het meer) . We zouden de indruk kunnen krijgen dat het huis langs het meer lag . Het huis uitgaan betekende aan het meer komen . Maar in Mc 2,1 ging Jezus naar Kafarnaüm en was hij enige dagen thuis vooraleer velen het doorhadden . Het huis van Mc 2,1 lag dus in de stad . In Mc 1,16-20 ging Jezus langs het meer en in Mc 1,21 ging hij naar Kafarnaüm . Jezus ging dus uit Kafarnaüm en ging langs het meer . Marcus geeft dus een verkorte versie .

Mc 2,13.7. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .
Voor het eerst in Mc stroomt de menigte samen naar Jezus . Het gebruik van de imperfectumvorm laat aanvoelen dat het samenstromen van het volk naar Jezus een voortdurend karakter heeft .

Mc 2,13.8. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .

Mc 2,13.9. bepaald lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,13.10. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Er is hier (Mc 2,13) voor het eerst uitdrukkelijk sprake van ochlos (menigte) . In Mc 2,4 kwam de menigte slechts terloops ter sprake . Een vorm van ochlos (menigte) in Mc in 36 verzen , in Mc 2 in 2 verzen : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,13 . Zoals vaak volgt op een verhaal met het volk een verhaal in een huis . Hier is dat het geval in Mc 2,15 .

Mc 2,13.8. - 10. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .

Mc 2,13.11. ind. imperf. 3de pers. enk. èrcheto (hij ging) van erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . In deze vorm in Mc slechts in Mc 2,13 .

Mc 2,13.12. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) .
Mc 2 (3) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,3 * . (3) Mc 2,13 * .

Mc 2,13.13. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Verwijzing in het N.T. : voornaamwoord autos . Verwijzing in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (4) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,23 .

Mc 2,13.12. - 13. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 . De menigte stroomt naar Jezus toe : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 .
Vergelijk :
- Mc 1,45 : kai èrchonto pros auton pantothen (en zij gingen naar hem van overal) .
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
STAP VOOR STAP !
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
- Mc 4,1 : kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke menigte stroomt naar hem bijeen) .
STAP VOOR STAP !

Mc 2,13.14. kai (en) . Taalgebruik in het N.T. : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

Mc 2,13.15. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .
De eerste maal onderrichtte Jezus in de synagoge van Kafarnaüm , waarnaar hij was gegaan (Mc 1,21) . Nu onderricht Jezus langs het meer , nadat de hele menigte naar hem was gekomen .

Mc 2,13.16. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc 2 (1) : Mc 2,13 .

Mc 2,13.15. - 16. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2) . STAP VOOR STAP !

Mc 2,13.7. - 16.
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous (en de hele menigte kwam naar hem en hij onderrichtte hen) .
- Mc 10,1 : kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin edidasken autous (en opnieuw menigten begeven zich samen op weg naar hem en als gewoonlijk onderrichtte hij hen) .
STAP VOOR STAP !
In Mc 2,13 begint Jezus voor het eerst te onderrichten langs het meer van Galilea . In Mc 10,1 gaat Jezus naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan . De periode van Galilea is vanaf hier helemaal achter de rug . Opnieuw begeven menigten zich samen op weg naar hem . Voor de eerste en enige keer komen we in Mc 10,1 het mv. ochloi (menigten) tegen . Wellicht zijn het nu menigten uit Judea (of misschien ook uit Galilea) . Maar die menigten verzamelen zich rond Jezus in een nieuw gebied , nl. in Judea aan de overkant van de Jordaan .

Mc 2,14 - Mc 2,14 : 68. Roeping van Levi / Matteüs - Mc 2,13-14 - Mt 9,9 - Lc 5,27-28 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,13 - Mc 2,14 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2:14 kai paragôn eiden leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion kai legei autô akolouthei moi kai anastas èkolouthèsen autô   et cum praeteriret vidit Levin Alphei sedentem ad teloneum et ait illi sequere me et surgens secutus est eum  En toen hij langsging , zag hij Levi , (de zoon) van Alfeüs , zittend bij het tolhuis , en hij zei hem : "Volg mij" . En hij stond op (en) volgde hem .     [14] In het voorbijgaan zag hij Levi* van Alfeüs bij het tolkantoor zitten, en zei hem: ‘Volg Mij.’ Hij stond op en volgde Hem [14] Toen hij langs het meer liep, zag hij Levi, de zoon van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zei tegen hem: ‘Volg mij.’ Levi stond op en volgde hem. 14 In het voorbijgaan ziet hij Levi, die van Alfeüs, bij het tolhuis zitten, en hij zegt tot hem: volg mij! Hij staat op en volgt hem. 14. En passant, il vit Lévi, le fils d'Alphée, assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » Et, se levant, il le suivit. 

Bible de Jérusalem . 14. En passant, il vit Lévi, le fils d'Alphée, assis au bureau de la douane, et il lui dit : « Suis-moi. » Et, se levant, il le suivit.

Statenvertaling . 14 En voorbijgaande zag Hij Levi, den zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg Mij. En hij opstaande, volgde Hem.
King James Bible . And as he passed by, he saw Levi the son of Alphaeus sitting at the receipt of custom, and said unto him, Follow me. And he arose and followed him.
Luther-Bibel . 14 Und als er vorüberging, sah er Levi, den Sohn des Alphäus, am Zoll sitzen und sprach zu ihm: Folge mir nach! Und er stand auf und folgte ihm nach.

Tekstuitleg van Mc 2,14 . Dit vers Mc 2,14 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 2,14 is 11315 (5 X 31 X 73) .

Mc 2,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

Mc 2,14.2. participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend, langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in het N.T. : paragô (langsdrijven, langsgaan) . Taalgebruik in Mc : paragô (langsdrijven, langsgaan) . In het Nederlands kennen we het werkwoord ageren , ac-tie voeren , handelen .
Mc (2) : (1) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc 2,14 (roeping van Levi) . STAP VOOR STAP ! Een vorm van paragô (langsdrijven, langsgaan) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 15,21 .

Mc 2,14.3. ind. aor. 3de pers. enk. eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir .
Mc (5) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,19 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 6,34 .

Mc 2,14.2. - 3. paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc 1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij .
(2) Mc 2,14 (roeping van Levi) : kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij) .

Mc 2,14.4. acc. mann. enk. leuin (Levi) van de eigennaam leui (Levi) . Taalgebruik in het N.T. : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) . Mc (1) : Mc 2,14 .

Mc 2,14.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

Mc 2,14.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .

Mc 2,14.7. gen. mann. enk. alfaiou  (Alfeüs) van de eigennaam leui (Levi) . Taalgebruik in het N.T. : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) .
Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 .

5 - 7. ton tou alfaiou (die van Alfeüs = de zoon van Alfeüs) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 . In Mc 2,14 is het Levi , in Mc 3,18 Jakobus . Deze Jakobus wordt onderscheiden van iakôbon , ton tou zebedaiou = Jakobus, die van Zebedeüs OF Jakobus , de zoon van Zebedeüs (Mc 1,19) .

Mc 2,14.8. participium praesens accusatief mannelijk enkelvoud kathèmenon (zittend) van het werkwoord kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) . Taalgebruik in Mc : kathèmai (zich zetten, gaan zitten, zitten) .
In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 5,15 . (3) Mc 14,62 . (4) Mc 16,5 .
- Mc 2,14 : eiden Leuin ton tou alfaiou kathèmenon epi to telônion (hij zal Levi , die van Alfeüs , zittend op / bij het tolhuis) .
- Mc 5,15 : theôrousin ton daimonizomenon kathèmenon himatismenon (zij bekijken de duivelbezetene zittend gekleed) .
- Mc 14,62 : opsesthe ton uion tou anthrôpou ek dexiôn kathèmenon (jullie zullen de mensenzoon zien zittend rechts van) .
- Mc 16,5 : eidon neaniskon kathèmenon en tois dexiois peribeblèmenos  stolèn leukèn (zij zagen een jongeling zittend aan de rechterkant omgekleed met een wit kleed) .
In deze 4 teksten wordt een persoon gezien die zit .

Mc 2,14.9. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,10 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,21 . (4) Mc 2,26 .

Mc 2,14.10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (108) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 2,21 . (3) Mc 2,27 .

Mc 2,14.11. acc. onz. enk. telônion (tolhuis) . Taalgebruik in het N.T. : telônion (tolhuis) . Taalgebruik in Mc : telônion (tolhuis) . Mc (1) : Mc 2,14 .

Mc 2,14.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

Mc 2,14.13. act. ind. praesens 3de pers. enk. legei ( hij zegt ) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,14.14. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

13. - 14. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

12. - 14. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 2,14.15. act. ind. pr. 3de p. enk.  + act. imperat. pr. 2de p. enk. akolouthei (volg) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet .
Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21

Mc 2,14.16. pers. voornaamw. 1ste pers. dat. enk. moi (aan mij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 6,25 . (4) Mc 8,2 . (5) Mc 8,34 . (6) Mc 10,21 . (7) Mc 11,29 . (8) Mc 11,30 . (9) Mc 12,15 .

Mc 2,14.15. - 16. akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 . Bij een andere vorm van akoloutheô (volgen) : Mc 8,34 . De uitnodiging tot volgen is gericht tot de tollenaar Levi en de rijke jongeling . In Mc 8,34 is de uitnodiging gericht tot al wie Jezus wil volgen ; het vers schetst enkele voorwaarden .

Mc 2,14.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de 678 verzen in Mc komt kai (en) in 555 verzen voor . Van de achtentwintig verzen in Mc 2 niet in twee verzen : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 . In de pericope Mc 2,13-14 komt kai (en) zesmaal voor ; driemaal in Mc 2,13 en driemaal in Mc 2,14 . Het leidt telkens een nevenschikkende zin in .

Mc 2,14.18. part. aor. nom. mann. enk. anastas van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) . In de LXX is anastas vaak de vertaling van een vorm van het werkwoord q(w)um (staan, opstaan).
In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 .
- Mc 1,35 Kai prôi ennucha lian anastas (en 's morgens vroeg, nog in de nacht, opgestaan). We zien hier de link tussen prôi ('s morgens vroeg ) en anastas (opgestaan). Reeds sluimert de gedachte van de opstanding door.
- Mc 2,14 : kathèmenon epi to telônion (gezeten bij het tolhuis) - anastas (opgestaan) .
- Mc 7,24 : Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan)
- Mc 10,1 : Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan)
- Mc 14,60 : kai anastas ho archiereus (en opgestaan de hogepriester) .
- Mc 16,9 : anastas de prôï prôtèi sabbatou (opgestaan 's morgens op de eerste van de week) .

Mc 2,14.19. act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet .
Mc (3) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 14,54 .  In Mc 2,14 gaat de tollenaar Levi in op de uitnodiging om Jezus te volgen .

Mc 2,14.20. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

19. - 20. èkolouthèsen autô(i) (hij volgde hem) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 14,54 .

Eenmaligheid

- acc. mann. enk. leuin (Levi) van de eigennaam leui (Levi) . Mc (1) : Mc 2,14 .
- acc. onz. enk. telônion (tolhuis) . Mc (1) : Mc 2,14 .

Duality

- participium praesens nominatief mannelijk enkelvoud paragôn (langsdrijvend, langsvoerend) van het werkw. paragô (langsdrijven, langsgaan) . Mc (2) : (1) Mc 1,16 (roeping van Petrus en Andreas) . (2) Mc 2,14 (roeping van Levi) .
- paragôn ... eiden (langsvoerend ... zag hij) : Mc (2) :
(1) Mc 1,16 (roeping van de leerlingen) : kai paragôn para tèn thalassan tès Galilaias eiden = en langsvoerend langs de zee van Galilea zag hij .
(2) Mc 2,14 (roeping van Levi) : kai paragôn eiden (en langsvoerend zag hij) .
- act. ind. pr. 3de p. enk.  + act. imperat. pr. 2de p. enk. akolouthei (volg) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 .
- akolouthei moi (volg mij) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 10,21 .

69. Jezus eet met tollenaars en zondaars : Mc 2,15-17 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 -

Mc 2,15 - Mc 2,15 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai ginetai katakeisthai auton en tèi oikiai autou, kai polloi telônai kai hamartôloi sunanekeinto tôi Ièsou kai tois mathètais autou èsan gar polloi kai èkolouthoun autôi et factum est cum accumberet in domo illius multi publicani et peccatores simul discumbebant cum Iesu et discipulis eius erant enim multi qui et sequebantur eum En het gebeurde dat hij (aan tafel) was gaan liggen in zijn huis, en talrijke tollenaars en zondaars lagen mee aan met Jezus en zijn leerlingen; ze waren immers talrijk en ze volgden hem.     Bij een maaltijd in zijn huis waren er vele tollenaars* en zondaars samen met Jezus en zijn leerlingen aan tafel. Het waren er veel en ze volgden Hem.   Op een keer was hij bij Levi thuis uitgenodigd voor een maaltijd, samen met zijn leerlingen en een groot aantal tollenaars en zondaars, want velen van hen volgden hem.  En het geschiedt als hij in zijn huis aanligt, dat vele tollenaren en zondaars méé aanliggen met Jezus en zijn leerlingen; want het zijn er velen die hem volgen  15. Alors qu'il était à table dans sa maison, beaucoup de publicains et de pécheurs se trouvaient à table avec Jésus et ses disciples : car il y en avait beaucoup qui le suivaient.  

Statenvertaling . 15 En het geschiedde, als Hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en Zijn discipelen; want zij waren velen, en waren Hem gevolgd.
King James Bible . [15] And it came to pass, that, as Jesus sat at meat in his house, many publicans and sinners sat also together with Jesus and his disciples: for there were many, and they followed him.
Luther-Bibel . 15 Und es begab sich, dass er zu Tisch saß in seinem Hause, da setzten sich viele Zöllner und Sünder zu Tisch mit Jesus und seinen Jüngern; denn es waren viele, die ihm nachfolgten.

Tekstuitleg van Mc 2,15 .

Mc 2,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,15.3. inf. praes. katakeisthai (neerliggen) van het werkw. katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in het N.T. : katakeimai (neerliggen) . Taalgebruik in Mc : katakeimai (neerliggen) .
Mc (1) : Mc 2,15 . Een vorm van katakeimai (neerliggen) in Mc (4) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 14,3 .

Mc 2,15.5. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

Mc 2,15.6. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (2) : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 2,20 .

Mc 2,15.5. - 7. Mc . In 4 / 5 : en tè(i) oikia(i) = in het huis : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 14,3 .

Mc 2,15.3. - 8.
- Mc 2,15 : katakeisthai auton en tè(i) oikia(i) autou (dat hij 'aan'ligt in diens huis) .
- Mc 14,3 : en tè(i) oikia(i) simônos tou leprou katakeimenou autou (terwijl hij aanligt in het huis van Simon de melaatse).
STAP VOOR STAP !
In Mc 2,15 ligt Jezus aan in het huis van een tollenaar , in Mc 14,3 in het huis van Simon de melaatse .

Mc 2,15.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,15.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,15.15. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 2 (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,10 . (5) Mc 2,15 .

Mc 2,15.21. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc (16) . Mc 2 (3) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,15 . (3) Mc 2,18 .

Mc 2,15.26. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,16 - Mc 2,16 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2:16 kai oi grammateis tôn farisaiôn idontes* oti esthiei meta tôn amartôlôn kai telônôn elegon tois mathètais autou oti meta tôn telônôn kai amartôlôn esthiei cum
peccatoribus et publicanis dicebant discipulis eius quare cum publicanis et peccatoribus manducat et bibit magister vester  
    [16] Toen de schriftgeleerden van de farizeeën* zagen dat Hij met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Waarom eet Hij met tollenaars en zondaars?’ [16] Toen de Farizeese schriftgeleerden zagen dat hij samen met zondaars en tollenaars at, zeiden ze tegen zijn leerlingen: ‘Eet hij met tollenaars en zondaars?’ 16 Als de schriftgeleerden en de farizeeërs zien dat hij eet met de zondaars en tollenaren zeggen ze tot zijn leerlingen: hij eet met de tollenaren en zondaars!  16. Les scribes des Pharisiens, le voyant manger avec les pécheurs et les publicains, disaient à ses disciples : « Quoi ? Il mange avec les publicains et les pécheurs ? »  

Statenvertaling . 16 En de Schriftgeleerden en de Farizeën, ziende Hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot Zijn discipelen: Wat is het, dat Hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?
King James Bible . [16] And when the scribes and Pharisees saw him eat with publicans and sinners, they said unto his disciples, How is it that he eateth and drinketh with publicans and sinners?
Luther-Bibel . 16 Und als die Schriftgelehrten unter den Pharisäern sahen, dass er mit den Sündern und Zöllnern aß, sprachen sie zu seinen Jüngern: Isst er mit den Zöllnern und Sündern?

Tekstuitleg van Mc 2,16 . Het vers Mc 2,16 telt 28 (2 X 2 X 7) woorden en 143 (11 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 2,16 is 18895 (5 X 3779) .

Mc 2,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,16.2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,16.3. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 2,16.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

Mc 2,16.5. gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .

Mc 2,16.2. - 5. hoi grammateis tôn farisaiôn (de schriftgeleerden van de Farizeeën) . Er waren dus schriftgeleerden onder de Farizeeën . Welke groep schriftgeleerden in Mc 2,6 vermeld zijn , is niet duidelijk . In Mc 2,6 als in Mc 7,1 komen we tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden) tegen . In Mc 7,1 worden ze vermeld naast de Farizeeën . In Mc 7,5 lezen we : de Farizeeën en de schriftgeleerden . Als we schriftgeleerden lezen , is wellicht de groep bedoeld naast de Farizeeën , ofschoon er onder de Farizeeën ook schriftgeleerden waren . We hebben dus met twee groepen te maken die elkaar gedeeltelijk overlappen .
De schriftgeleerden zijn erbij vanaf het begin tot het einde , vanaf Mc 2,6 tot Mc 15,31 .

Mc 2,16.6. act. part. aor. nom. mann. mv. idontes (gezien) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) .
Mc (5) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 5,16 . (3) Mc 6,49 . (4) Mc 7,2 . (5) Mc 9,15 .

Mc 2,16.7. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

Mc 2,16.8. act. ind. praes. 3de pers. enk. esthiei  van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het N.T. : esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (1) Mc 2,16 (2X) .

9. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16) . Mc 2 (1 + 2) . meta : Mc 2 (1) : Mc 2,16 . met' : Mc 2 (2) : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .

10. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

11. gen. mann. mv. hamartôlôn (zondaars) van het zelfst. naamw. hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in het N.T. : hamartôlos (zondaar) . Taalgebruik in Mc : hamartôlos (zondaar) . Mc (2) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 14,41 .

Mc 2,16.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

13. gen. mann. mv. telônôn (tollenaars) van het zelfst. naamw. telônès (tollenaar) . Taalgebruik in het N.T. : telônès (tollenaar) . Taalgebruik in Mc : telônès (tollenaar) . Mc (1) : Mc 2,16 .

14. act. ind. imperf. 3de pers. mv. elegon (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (18) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar) . (7) Mc 5,31 . (8) Mc 6,14 . (9) Mc 6,15 . (10) Mc 6,35 . (11) Mc 11,5 . (12) Mc 11,28 . (13) Mc 14,2 . (14) Mc 14,31 . (15) Mc 14,70 . (16) Mc 15,31 . (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf) . (18) Mc 16,3 .

15.

Mc 2,16.18. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

20. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

Mc 2,16.22. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

24. act. ind. praes. 3de pers. enk. esthiei  van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het N.T. : esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (1) Mc 2,16 (2X) .

Mc 2,17 -- Mc 2,15-17 - Mt 9,10-13 - Lc 5,29-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,15 - Mc 2,16 - Mc 2,17 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis (Liturgische lezing) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2:17 kai akousas o ièsous legei autois [oti] ou chreian echousin oi ischuontes iatrou all oi kakôs echontes ouk èlthon kalesai dikaious alla amartôlous    hoc audito Iesus
ait illis non necesse habent sani medicum sed qui male habent non enim veni vocare iustos sed peccatores 
    [17] Jezus hoorde dat en zei hun: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieke wel. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’   [17] Jezus hoorde dit en zei tegen hen: ‘Gezonde mensen hebben geen dokter nodig, maar zieken wel; ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.’   17 Jezus hoort dat en zegt tot hen: die gezond zijn hebben geen dokter nodig, maar wie er slecht aan toe zijn wél!– ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen maar zondaars!  17. Jésus, qui avait entendu, leur dit : « Ce ne sont pas les gens bien portants qui ont besoin de médecin, mais les malades. Je ne suis pas venu appeler les justes, mais les pécheurs. » 

Statenvertaling . 17 En Jezus, dat horende, zeide tot hen: Die gezond zijn, hebben den medicijnmeester niet van node, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekering.
King James Bible . [17] When Jesus heard it, he saith unto them, They that are whole have no need of the physician, but they that are sick: I came not to call the righteous, but sinners to repentance.
Luther-Bibel . 17 Als das Jesus hörte, sprach er zu ihnen: Die Starken bedürfen keines Arztes, sondern die Kranken. Ich bin gekommen, die Sünder zu rufen und nicht die Gerechten.

Tekstuitleg van Mc 2,17 .

Mc 2,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

Mc 2,17.4. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

Mc 2,17.5. actief ind. praesens 3de pers. enk.. legei (hij zegt) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (6) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,17.6. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .

Mc 2,17.1. - 6.
- Mc 2,17 : kai akousas ho ièsous legei autois (en gehoord zegt Jezus hen) .
- Mc 8,17 : kai gnous ho ièsous legei autois (en geweten zegt Jezus hen) .

Mc 2,17.7. hoti ( dat ) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,16 . (6) Mc 2,17 . Het leidt telkens een voorwerpszin in .

8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc 2,27 .

Mc 2,17.11. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,17.15. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

17. act.  part. praes. nom. mann. + vr. mv. echontes (hebbende) echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (3) : (1) Mc 2,17 .  (2) Mc 8,18 .   (3) Mc 10,23 .  

18. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc 2,27 .

19. Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,20 .

70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe : Mc 2,18-22 - Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 -

Mc 2,18 - Mc 2,18 - 70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 8zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai èsan hoi mathètai Iôannou kai hoi Farisaioi nèsteuontes, kai erchontai kai legousin autôi, dia tí hoi mathètai Iôannou kai hoi mathètai tôn Farisaiôn nèsteuousin, hoi de soi mathètai ou nèsteuousin;  et erant discipuli Iohannis et Pharisaei ieiunantes et veniunt et dicunt illi cur discipuli Iohannis et Pharisaeorum ieiunant tui autem discipuli non ieiunant   En de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waren aan het vasten, en ze kwamen en zeiden hem: "Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën, uw leerlingen echter vasten niet?"  18 Toen de leerlingen van Johannes en de Farizeeën eens een vastendag hielden, kwam men Jezus vragen: "Waarom vasten de leerlingen van Johannes en die van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?" [18] De leerlingen van Johannes en de farizeeën waren aan het vasten. Men kwam Hem zeggen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeën wel, maar doen uw leerlingen dat niet?’  [18] De leerlingen van Johannes en de Farizeeën hadden de gewoonte regelmatig te vasten. Er kwamen mensen naar Jezus toe, die hem vroegen: ‘Waarom vasten de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de Farizeeën wel, maar uw leerlingen niet?’ 18 De leerlingen van Johannes, en de farizeeërs, waren aan het vasten. Dan komen er en zeggen tot hem: waarom is het zo dat de leerlingen van Johannes en de leerlingen van de farizeeërs vasten, en vasten uw leerlingen niet? 18. Les disciples de Jean et les Pharisiens étaient en train de jeûner, et on vient lui dire : « Pourquoi les disciples de Jean et les disciples des Pharisiens jeûnent-ils, et tes disciples ne jeûnent-ils pas ? »

Statenvertaling . 18 En de discipelen van Johannes en der Farizeën vastten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en der Farizeën, en Uw discipelen vasten niet?
King James Bible . [18] And the disciples of John and of the Pharisees used to fast: and they come and say unto him, Why do the disciples of John and of the Pharisees fast, but thy disciples fast not?
Luther-Bibel . 18 Und die Jünger des Johannes und die Pharisäer fasteten viel; und es kamen einige, die sprachen zu ihm: Warum fasten die Jünger des Johannes und die Jünger der Pharisäer, und deine Jünger fasten nicht?

Tekstuitleg van Mc 2,18 . Het vers Mc 2,18 telt 30 (2 X 3 X 5) woorden en 153 (1 + 2 + ... + 17 OF 1³ + 5³ + 3³) . De getalwaarde van Mc 2,18 is 19750 (2 X 5 X 5 X 5 X 79) . Over het vasten . Het is het enigste vers waarin leerlingen van Johannes (want Johannes zit in de gevangenis) en de Farizeeën samen optreden . Hun vasten is een uiting van hun ascese . In Mc 2,16 maakten de schriftgeleerden van de Farizeeën een opmerking over het eten van Jezus met zondaars en tollenaars . In Mc 2,18 maken de Farizeeën de opmerking dat zijn leerlingen (eten en ) niet vasten . Ze gedragen zich dus niet zoals van hen verwacht wordt ; ze behoorden toch eerder tot de leerlingen van Johannes de Doper en ze zijn toch leerlingen van de rabbi Jezus .
In Mc wordt tweemaal de waarom-vraag gesteld . In beide gevallen gedragen zijn leerlingen zich niet zoals van hen verwacht wordt ; ze vasten niet zoals de leerlingen van Johannes de Doper en de leerlingen van de Farizeeën (Mc 2,18) en ze wassen hun handen niet bij het eten wat indruist tegen de traditie van de ouderen (Mc 7,5) .

Mc 2,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,18.2. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (16) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 .  (5) Mc 4,1 .  (6) Mc 6,31 . (7) Mc 6,34 . (8) Mc 6,44 .  (9) Mc 8,9 . (10) Mc 9,4 . (11) : Mc 10,32 .  (12) Mc 12,20 .  (13) (1) Mc 14,4 . (14) Mc 14,40 . (15) Mc 14,56 . (16) Mc 15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,18 .  (3) Mc 9,4 . (4) Mc 10,32 . (5) Mc 14,4 . (6) Mc 14,40 . (7) Mc 15,40 . In Mc 2,18 : èsan ... nèsteuontes (zij waren ... vastende)

Mc 2,18.1. - 2. kai èsan (en zij waren) . Mc (3) . In 2 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 9,4 + Mc 6,44 .

Mc 2,18.3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,18.4. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,15 (dat.) . (2) Mc 2,16 (dat) . (3) Mc 2,18 (nom.) . (4) Mc 2,23 (nom.) .

Mc 2,18.5. gen. mann. enk. Iôannou van de eigennaam Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc 2 (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 .  (5) Mc 11,30 .
In Mc 2,18 komen de leerlingen van Johannes de Doper ter sprake bij het onderhouden van een vasten . In Mc 6,29 kwamen hoi mathètai autou = zijn leerlingen het lijk van Johannes halen om het te begraven nadat Herodes Johannes had laten onthoofden .

Mc 2,18.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,18.7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,18.8. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

Mc 2,18.9. act. part. praes. nom. mann. mv. nèsteuontes (vastende) van het werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast . D. fasten .
Mc (1) : Mc 2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc 2,18 (3X) . (2) Mc 2,19 (2X) . Omschrijving : èsan ... nèsteuontes (zij waren ... vastende) .

Mc 2,18.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,18.11. indicatief tegenwoordige tijd derde persoon meervoud erchontai (zij gaan) van het werkwoord erchomai ( gaan , komen ) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (12) : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 5,15 . (4) Mc 5,35 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 8,22 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 11,15 . (9) Mc 11,27 . (10) Mc 12,18 . (11) Mc 14,32 . (12) . Mc 16,2 . Een vorm van erchomai (gaan, komen) in Mc 2 in 5 verzen : (1) Mc 2,3 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,20 .

Mc 2,18.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,18.13. ind. pr. 3de pers. mv.  legousin van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (16) . Mc 2 (1) : Mc 2,18 .

Mc 2,18.14. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,26 .

Mc 2,18.15. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in het N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
dia in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,23 . (4) Mc 2,27 . di' in Mc 2 (1) : Mc 2,1 .

Mc 2,18.16. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ti (wat, dat) van het voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,18 . (5) Mc 2,24 . (6) Mc 2,25 .

Mc 2,18.15. - 16. dia ti (omwille van wat ? omwille van dat of waarom ? daarom) . Mc (3) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 11,31 .
In Mc 2,18 vragen de leerlingen van Johannes de Doper en de Farizeeën waarom zijn leerlingen niet vasten terwijl zij wel vasten . In Mc 7,5 vragen de Farizeeën en de schriftgeleerden waarom zijn leerlingen met ongewassen handen eten tegen de traditie van de ouderen in .

Mc 2,18.17. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,18.18. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,15 (dat.) . (2) Mc 2,16 (dat) . (3) Mc 2,18 (nom.) . (4) Mc 2,23 (nom.) .

Mc 2,18.19. gen. mann. enk. Iôannou van de eigennaam Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc 2 (5) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 6,24 . (4) Mc 6,25 .  (5) Mc 11,30 .

Mc 2,18.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

Mc 2,18.21. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,18.22. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,15 (dat.) . (2) Mc 2,16 (dat) . (3) Mc 2,18 (nom.) . (4) Mc 2,23 (nom.) .

Mc 2,18.23. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (90) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,23 .

Mc 2,18.24. gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

Mc 2,18.25. act. ind. praes. 3de pers. mv. nèsteuousin (zij vasten)  van het werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast . D. fasten .
Mc (1) : Mc 2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 (2X) .

Mc 2,18.15. - 25. In 1.- 9. wordt een feit vermeld . In 15. - 25. wordt dat feit herhaald , maar gaat Mc een stapje verder : waarom vasten jouw leerlingen niet ? De vraag wordt gesteld , niet om de diepere betekenis van het vasten te leren kennen , maar om de praktijk dat de enen vasten en de anderen niet .

Mc 2,18.26. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,18.27. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 2,21 . (6) Mc 2,22 .

Mc 2,18.28. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. soi (aan u) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (21) . Mc 2 (2) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,18 .

Mc 2,18.29. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 2 (4) : (1) Mc 2,15 (dat.) . (2) Mc 2,16 (dat) . (3) Mc 2,18 (nom.) . (4) Mc 2,23 (nom.) .

Mc 2,18.30. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc 2,27 .

Mc 2,18.31. act. ind. praes. 3de pers. mv. nèsteuousin (zij vasten)  van het werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast . D. fasten .
Mc (1) : Mc 2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 (2X) .

Mc 2,18.1. - 31. 1. - 15. De Farizeeën en de schriftgeleerden vraagen aan Jezus waarom zijn leerlingen met ongewassen handen eten (Mc 7,5) . In Mc 2,18 vragen (zeggen) de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waarom de enen vasten en zijn leerlingen niet . Bij het vasten gaat het om een gedrag bij bepaalde groepen , bij het eten met gewassen handen gaat het om een overlevering van de ouderen . Gradatie dus .
- Mc 2,18 : ... hoi farisaioi ... legousin autô(i) dia ti ... hoi ... soi mathètai ou ... (... de Farizeeën zeggen hem : "waarom 'jouw' leerlingen niet ...)
- Mc 7,5 : kai eperôtôsin auton hoi farisaioi ... dia ti ou ... hoi mathètai sou ... (en de Farizeeën ... vragen hem 'uit' : waarom jouw leerlingen niet ...)

Mc 2,19 - Mc 2,19 -70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 8zdhj (B) Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
2:19 kai eipen autois o ièsous mè dunantai oi uioi tou numfônos en ô o numfios met autôn estin nèsteuein oson chronon echousin ton numfion met autôn ou dunantai nèsteuein  numquid possunt filii nuptiarum quamdiu sponsus cum illis est ieiunare quanto tempore habent secum sponsum non possunt ieiunare  En Jezus zei hun: "Kunnen de bruilofstgasten vasten terwijl de bruidegom met hen is? Zolang ze de bruidegom met zich hebben, kunnen ze niet vasten.  19 Jezus sprak tot hen: "Kunnen dan de vrienden van de bruidegom vasten, zolang de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom in hun midden hebben, kunnen ze niet vasten. [19] Jezus zei hun: ‘Kunnen bruiloftsgasten soms vasten zolang de bruidegom bij hen is? Zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten. [19] Jezus antwoordde: ‘Bruiloftsgasten kunnen toch niet vasten zolang de bruidegom bij hen is? Nee, zolang ze de bruidegom bij zich hebben, kunnen ze niet vasten.  19 Jezus zegt tot hen: de bruiloftskinderen kunnen toch niet, terwijl de bruidegom bij hen is, vasten? al de tijd dat zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten! 19. Jésus leur dit : « Les compagnons de l'époux peuvent-ils jeûner pendant que l'époux est avec eux ? Tant qu'ils ont l'époux avec eux, ils ne peuvent pas jeûner.  

Statenvertaling . 19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten, terwijl de Bruidegom bij hen is? Zo langen tijd zij den Bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.
King James Bible . [19] And Jesus said unto them, Can the children of the bridechamber fast, while the bridegroom is with them? as long as they have the bridegroom with them, they cannot fast.
Luther-Bibel . 19 Und Jesus sprach zu ihnen: Wie können die Hochzeitsgäste fasten, während der Bräutigam bei ihnen ist? Solange der Bräutigam bei ihnen ist, können sie nicht fasten.

Tekstuitleg van Mc 2,19 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw ( verbindingshaak ) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 2 : niet in : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

2. act. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56). Mc 2 (1) : Mc 2,19 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc in 12 verzen en van eipon (ik zei) in 2 verzen .

3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 2 (6) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 2,27 .

4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

5. eigennaam nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . Bij de eigennaam staat telkens het bepaald lidwoord . In de vier verzen is Jezus onderwerp in een hoofdzin met een werkwoordvorm van legô ( zeggen ) . In drie verzen gaat een deelwoordzin (met Ièsous) aan de hoofdzin vooraf :
(1) Mc 2,5 : kai idôn ho Ièsous ... legei tô(i) paralutikô(i) = en de Jezus gezien ... zegt aan de lamme .
(2) Mc 2,8 : kai euthus epignous ho Ièsous ... legei autois = en onmiddellijk opgemerkt de Jezus ...
(3) Mc 2,17 : kai akousas ho Ièsous legei autois = en gehoord de Jezus zegt aan hen .
(4) Mc 2,19 : kai eipen autois ho Ièsous = en zei aan hen de Jezus .

1. - 5. kai eipen autois ho Ièsous (en Jezus zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 2,19 . In Mc 1,17 riep Jezus zijn eerste leerlingen : Simon en Andreas . In Mc 2,19 geeft Jezus antwoord op de opmerking dat zijn leerlingen niet vasten .
Na de vraag van de Farizeeën aan Jezus over het gedrag van zijn leerlingen , geeft Jezus antwoord . De inleiding op dat antwoord wordt op een gelijkaardige wijze gegeven :
- Mc 2,19 : kai eipen autois ho ièsous (en Jezus zei hen) .
- Mc 7,6 : ho de eipen autois (hij echter zei hen) .

6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc (67) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,7 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,21 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,26 .

8. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 2 (8) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,17 . (3) Mc 2,18 . (4) Mc 2,19 . (5) Mc 2,22 . (6) Mc 2,23 . (7) Mc 2,24 . (8) Mc 2,25 .

Mc 2,19.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 2 (6) : (1) Mc 2,10 (mann.) . (2) Mc 2,14 (mann.) . (3) Mc 2,19 (mann.) . (4) . (5) Mc 2,26 (mann.) . (6) Mc 2,28 (mann.) .

12. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 2 (7) : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 2,15 . (5) Mc 2,19 . (6) Mc 2,20 . (7) Mc 2,23 .

14. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 2 (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 2,7 . (4) Mc 2,8 . (5) Mc 2,10 . (6) Mc 2,13 . (7) Mc 2,17 . (8) Mc 2,19 . (9) Mc 2,20 . (10) Mc 2,22 . (11) Mc 2,24. (12) Mc 2,27 . (13) Mc 2,28 .

16. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34 + 16) . Mc 2 (1 + 2) . meta : Mc 2 (1) : Mc 2,16 . met' : Mc 2 (2) : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .

17. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

19. act. inf. praes. nèsteuein (vasten)  van het werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast . D. fasten .
Mc (1) : Mc 2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 (2X) .

Mc 2,19.23. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 2 (9) : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 2,4 . (3) Mc 2,9 . (4) Mc 2,11 . (5) Mc 2,12 . (6) Mc 2,14 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 2,26 . (9) Mc 2,27 .

26. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 2 (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,19 . (4) Mc 2,20 .

27. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 2 (7) : ou (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 . ouk (niet) in Mc 2 (3) : (1) Mc 2,17 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 2,26 . ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc 2,27 .

29. act. inf. praes. nèsteuein (vasten)  van het werkw. nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in het N.T. : nèsteuô (vasten) . Taalgebruik in Mc : nèsteuô (vasten) . Lat. jejunare . Fr. jeûner . Ned. vasten . E. to fast . D. fasten .
Mc (1) : Mc 2,18 . Een vorm van nèsteuô (vasten) in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 2,19 (2X) .

Mc 2,20 - Mc 2,20 -70. Vraag over het vasten. Het oude en het nieuwe -- Mc 2,18-22 - Mt 9,14-17 - Lc 5,33-39 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 2 -- taalgebruik -- Mc 2,18 - Mc 2,19 - Mc 2,20 - Mc 2,21 - Mc 2,22 -
Griekse tekst Vulgaat