MARCUSEVANGELIE DERDE HOOFDSTUK
-
Een vlot commentaar vind je op de webpagina Mc 3 commentaar .
- Op deze webpagina vind je een gedetailleerde uitleg .

MC 3 -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -
- Mc 3,1-6 -- Mc 3,7-12 -- Mc 3,13-19 -- Mc 3,20-21 -- Mc 3,22-27 -- Mc 3,28-30 -- Mc 3,31-35 -- Mc 3,20-35 -
- Onderaan de bladzijde vind je een grammaticale analyse .

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Tekstuitleg per pericope - Mc 3,1-6 -- Mc 3,7-12 -- Mc 3,13-19 -- Mc 3,20-21 -- Mc 3,22-27 -- Mc 3,28-30 -- Mc 3,31-35 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -


             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 .
- proskaleô (bij zich roepen), zie Mc 3,23 en Mc 3,13 .
Bibliografie

Literatuur .
Liturgisch gebruik

- 9de (negende) zondag door het b-jaar .
- Mc 3,20-35 : 10de (tiende) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken: - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie :
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -
97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -
116. Onbegrip van Jezus'verwanten : Mc 3,20-21 -
118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -
119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -
123. Jezus'ware verwanten : Mc 3,31-35 - Mt 12,46-50 - Lc 8,19-21 -

 


- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -

- Lohse, Eduard. “Jesu Worte über den Sabbat.” IN: Judentum, Urchristentum, Kirche: Festschrift für Joachim Jeremias. Hrsg. Von Walter Eltester. Berlin, A. Töpelmann, 1960, p.79-89 . Eduard Lohse is a prominent name in German New Testament exegesis. Born in 1924, after a career as a biblical scholar, having taught in Kiel and Göttingen, he was also rector and pro-rector of the University of Göttingen 1969-1971 during some of the most difficult years of German university history. He became a Bishop of the Evangelisch-Lutherische Kirche Hannover (one of the larger German Lutheran churches) in 1971, succeeding Hanns Lilje. This position he held until his retirement in 1988. In later years he once again taught at many universities all over the world. From 1988 to 1996 he was also President of the United Bible Societies. A short autobiographical statement of his has recently been published in Eve-Marie Becker, ed., Neutestamentliche Wissenschaft: Autobiographische Essays aus der Evangelischen Theologie (Tübingen: Francke, 2003), 9.17.

Om de directe rede in te leiden gebruikt Marcus het werkwoord λεγω = legô (zeggen) . In dit verhaal staat het telkens in de onvoltooid tegenwoordige tijd . De woordvolgorde van de zin is : eventueel het nevenschikkend voegwoord και = kai (en) , het werkwoord , de bestemmeling (de man , de Farizeeën samen met de Herodianen) .

Mc 3,3 Mc 3,4 Mc 3,5
kai (en) kai (en)  
legei (hij zegt) legei (hij zegt) legei (hij zegt)
tôi anthrôpôi (aan de mens) autois (aan hen) tôi anthrôpôi (aan de mens)
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -    

De indeler van de verzen heeft zich hoofdzakelijk laten leiden door de wisseling van de personages of door de wisseling van de bestemmeling bij eenzelfde personage . Uitzondering hierop vormen de twee nevenschikkende zinnen (Mc 3,5c) waar de gehandicapte uitvoert wat Jezus gebiedt en genezen wordt . Ook de voorstelling van de man in Mc 3,1b geeft geen aanleiding tot een nieuw vers . Zo wordt de versindeling bepaald door de twee actoren : Jezus , de gehandicapte man en de tegenstanders van Jezus . Ook de reactie van de tegenstanders in Mc 3,4c geeft geen aanleiding tot een nieuw vers . Het valt echter op dat hier het zachte partikel δε = de (echter) wordt gebruikt en in alle andere gevallen het nevenschikkend voegwoord και = kai (en) nl. 9X telkens als verbindend voegwoord van een nevenschikkende zin . Van deze 9 gevallen staan er 6 bij het begin van een vers ; in het begin van deze 6 verzen is het voegwoord και = kai (en) gevolgd door een werkwoordvorm .
Na και = kai (en) of δε = de (echter) staat het vervoegd werkwoord of het werkwoord in de participiumvorm nominatief als bijstelling bij het onderwerp van de hoofdzin .
De werkwoordvormen zijn tegenwoordige tijd (indicatief en participium praesens) en verschillende vormen van verleden tijd (imperfectum en aorist) .
Deze pericope had 9 verzen mogen tellen .
In deze pericope is de gehandicapte slechts 1X actief : nl. bij het uitstrekken van zijn hand (Mc 3,5c1) . Door de versindeling valt de man helemaal in de plooien van het verhaal en wordt de tegenstelling tussen Jezus enerzijds en de Farizeeën en Herodianen anderzijds nog versterkt . In het verhaal is de situatie van de man aanleiding tot een twist tussen Jezus en zijn tegenstanders .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Mc 3,1a (Jezus) Mc 3,1 (de gehandicapte) Mc 3,2 (tegenstanders) Mc 3,3 (Jezus tot de gehandicapte) Mc 3,4 (Jezus tot de tegenstanders) Mc 3,4 Mc 3,5 (Jezus tot de gehandicapte) Mc 3,5c1 Mc 3,5c2 Mc 3,6 (de tegenstanders)
Kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) oi de (zij echter) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
eisèlthen (hij ging naar) èn ekei (daar was een mens) anthrôpos paretèroun (zij sloegen gade) legei (hij zegt) legei (hij zegt) esiôpôn (zwegen) periblexamenos (om zich heen gekeken) autous (naar hen) ... legei (zegt hij) exeteinen (hij strekte uit) apekatestathè hè cheir autou (en zijn hand werd hersteld) exelthontes hoi Farisaioi ... meta tôn Hèrôdiôn (de Farizeeën samen met de Herodianen naar buiten gaand ) sumboulion edidoun (pleegden overleg)
    auton (hem) tôi anthrôpôi (aan de mens) autois (aan hen)   tôi anthrôpôi (aan de mens)     kat'autou (tegen hem)  

Een wonderverhaal en een twistgesprek tussen Jezus en zijn tegenstanders werden met elkaar verweven . Het wonderverhaal kan losgeweekt worden uit het geheel . Tussen de hand en de eigenschap van de hand staat het werkwoord echô (hebben) . Tegenover exèrammenèn echôn tèn cheira (verschrompeld hebbende de hand) staat in Mc 3,5d2 : kai katestathè hè cheir autou (en werd hersteld zijn hand) : een inclusio .

Mc 3,1b Mc 3,5a. Mc 3,5b Mc 3,5d1 Mc 3,5d2
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
èn (er was) legei (hij zegt)    
ekei (daar)      
anthrôpos (een man) tôi anthrôpôi (aan de man) tôi    
exèrammenèn (verschrompeld) tèn chiera (de hand)   katestathè (werd hersteld)
echôn (hebbende) echonti (hebbende)    
tèn cheira (de hand) xèran (verschrompeld)   hè cheir autou (zijn hand)
  Mc 3,5b ekteinon (strek uit) exeteinen (en hij strekte ze uit)  
  tèn cheira (de hand)     

Mc 3,1-6 is alternerend opgebouwd : Mc 3,1 - Mc 3,3 - Mc 3,5 en Mc 3,2 - Mc 3,4 - Mc 3,6 .

Mc 3,1 - Mc 3,1 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn. kai èn ekei anthrôpos exèrammenèn echôn tèn cheira   et introivit iterum synagogam et erat ibi homo habens manum aridam  En hij kwam weer binnen in de synagoge. En er was daar een man die de hand verdord had.  1 Op een andere keer ging Hij naar de synagoge, waar een man aanwezig was met een verschrompelde hand. Hij kwam weer in de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.   Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.  Weer gaat hij de synagoge binnen. Er is daar een mens wiens rechterhand is uitgedroogd; 1. Il entra de nouveau dans une synagogue, et il y avait là un homme qui avait la main desséchée. 

Statenvertaling . 1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.
King James Bible . [1] And he entered again into the synagogue; and there was a man there which had a withered hand.
Luther-Bibel . 1 Und er ging abermals in die Synagoge. Und es war dort ein Mensch, der hatte eine verdorrte Hand.

>
  Mc 3,1   Lc 6,6
  Kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn. kai èn ekei anthrôpos exèrammenèn echôn tèn cheira     6:6 egeneto de en eterô sabbatô eiselthein auton eis tèn sunagôgèn kai didaskein kai èn anthrôpos ekei kai è cheir autou è dexia èn xèra  

Tekstuitleg van Mc 3,1 . Dit vers Mc 3,1 telt 14 (2 X 7) woorden , 29 lettergrepen en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 3,1 is 6892 (2 X 2 X 1723) . Dit vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen , verbonden door het nevenschikkend voegwoord και = kai (en) .

Mc 3,1.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 3,1.2. ind. aor. 3de pers. enk. εισηλθεν = eisèlthen (hij ging naar) van het werkwoord εισερχομαι = eiserchomai (gaan naar, binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . NT (43) . Mt (4) : (1) Mt 2,21 . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (5) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 . Lc (12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 . Joh (7) : (1) Joh 13,27 . (2) Joh 18,1 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . (5) Joh 20,5 . (6) Joh 20,6 . (7) Joh 20,8 . Hnd (10) : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 9,17 . (5) Hnd 10,24 . (6) Hnd 10,27 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 . (9) Hnd 17,2 . (10) Hnd 18,7 . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30) .

  eiserchomai (binnengaan) aor.   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen  227  164  43  12  10  21  28     

In Mc is in 3 / 5 Jezus onderwerp : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . In Mc 2,26 is David onderwerp , in Mc 15,43 Jozef van Armatea .
Hier betreft het een binnengaan in een synagoge . Dit verhaal omsluit de verhalenreeks Mc1,21-3,6 waarbij het eerste en het laatste verhaal zich afspeelt in de synagoge . εισηλθεν = eisèlthen (hij ging binnen) linkt Mc 3,1 met εισελθων εις την συναγωγην = eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge binnengegaan) van Mc 1,21 . Het linkt Mc 3,1 ook met εξελθοντες = exelthontes (buitengegaan) van Mc 3,6 .
In Mc 3,1 ging Jezus naar de synagoge , in Mc 11,11 naar de tempel . Parallelle opbouw van de twee zinnen .

>
Mc 3,1  : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) . Mc 3,6  kai exelthontes hoi Farisaioi (en de Farizeeën buitengegaan) .      

Mc 3,1.1. - 2. και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . NT (10) . Mt (1) : (1) Mt 21,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 24,29 . Joh (2) : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 20,6 . Hnd (1) : (2) Hnd 3,8 . (2) Hnd 9,17 .
- εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . NT (2) : (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .
- και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) . ΝΤ (8) : (1) Mt 26,58 . (2) Mc 5,39 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 11,15 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 7,36 . (7) Lc 19,1 . (8) Hnd 23,16 .
- εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) . ΝΤ (4) : (1) Mt 22,11 . (2) Lc 11,37 . (3) Hnd 19,8 . Variante lezing : Lc 8,51 .
- In het Hebreeuws kan dit Griekse verleden deelwoord beter weergegeven worden door een verbum consecutivum , een wajjiqtolvorm . Hebreeuws : prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

Mc 3,1.3. παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Taalgebruik in de LXX : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Voor de derde maal in Mc gebruikt . εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 3,1 verwijst naar εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 1,21 . Het is de tweede maal dat Mc uitdrukkelijk vermeldt dat Jezus een synagoge bezoekt . Een derde maal zal het in Nazaret zijn .

palin (opnieuw)   Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
  2 : (1) Mc 2,1 . (2) Mc 2,13 . 2 : (3) Mc 3,1 . (4) Mc 3,20 . 1 : (5) Mc 4,1 . 1 : Mc 5,21 . 2 : (7) Mc 7,14 . (8) Mc 7,31 . 3 : (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,13 . (11) Mc 8,25 .   4 : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 . 2 : (16) Mc 11,3 . (17) Mc 11,27 1 : (18) Mc 12,4 . 5 : (19) Mc 14,39 . (20) Mc 14,40 . (21) Mc 14,61 . (22) Mc 14,69 . (23) Mc 14,70 . 3 : (24) Mc 15,4 . (25) Mc 15,12 . (26) Mc 15,13 .   206 70 136 16 26 26 45 5 16 2 68  113 
kai palin (en opnieuw)     1 : Mc 4,1 .   1 : Mc 7,31 .       1 : Mc 12,4 . 2 : (1) Mc 14,39 . (2) Mc 14,40 .       30 1 5 1 8 3 12   8 16

- Ned. : opnieuw . D. : abermals . E. : again . Fr. : de nouveau .Grieks : παλιν = palin (opnieuw) . Taalgebruik in het NT : palin (opnieuw) . Lat.: iterum .

Mc 3,1.4. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 3,1.3. - 4. παλιν εις = palin eis (opnieuw naar) . NT (8) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 5,21 . (3) Mc 8,13 . (4) Mc 11,27 . (5) Joh 4,3 . (6) Joh 4,46 . (7) Joh 6,15 . (8) Rom 8,15 . In het oog springt Mc 3,1 en Mc 11,27 . In Mc 3,1 ging Jezus naar de synagoge ; in Mc 11,27 gaan Jezus en zijn leerlingen naar Jeruzalem . Mc 3,1 gebruikt een vorm van het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (gaan naar, binnengaan) , Mc 11,27 een vorm van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen) .

2. 4. εισηλθεν εις = eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . NT (21) . Mt (3) . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Lc (7) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . Joh (3) : (1) Joh 13,27 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . Hnd (4) : (1) Hnd 9,17 . (2) Hnd 11,8 . (3) Hnd 14,20 . (4) Hnd 18,7 .
- εισελθων εις = eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
- We zien dus een beklemtoning van het werkwoord door het voorvoegsel εισ = eis... gevolgd door het voorzetsel van richting εις = eis (naar) .
(1) Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in het huis van God) .
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .

1.-2. 4. και εισηλθεν εις = kai eisèlthen eis (en hij ging naar - binnen naar ) . NT (4) . (1) Mc 11,11 . (2) Lc 1,40 . (3) Joh 19,9 . (4) Joh 20,6 . (5) Hnd 9,17 .
- εισηλθεν δε εις = eisèlthen de eis (hij ging echter - naar - binnen naar) . NT (0) .
- και εισελθων εις = kai eiselthôn eis (en binnengegaan naar) . ΝΤ (4) : (1) Mc 7,24 . (2) Lc 7,36 . (3) Lc 19,1 . (4) Hnd 23,16 .
- εισελθων δε εις = eiselthôn de eis (binnengegaan echter naar) . ΝΤ (2) : (1) Hnd 19,8 . Variante lezing : Lc 8,51 .
- Bemerking . In deze opsomming zijn niet de verzen opgenomen waar de uitdrukking onderbroken wordt .

Vooral :
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .

Mc 3,1.5. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

4. - 5. εις την = eis tèn (naar de) . NT (299) . Mc 3 (1) : Mc 3,1 .

Mc 3,1.6. acc. vr. enk. συναγωγην = sunagôgèn (synagoge) van het zelfst. naamw. συναγωγη = sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het NT : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in de LXX : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 .
- Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc (8) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 1,29 . (4) Mc 1,39 . (5) Mc 3,1 . (6) Mc 6,2 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,9 . Slechts in 1 vers wordt een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) niet voorafgegaan van een lidwoord : Mc 13,9 .

sunagôgè (synagoge)    bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
acc. vr. enk. sunagôgèn     62  50  12       
totaal   261  205  56  15  19  32  34     

sunagôgè (synagoge)  NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev.  Hnd Br. Apk
acc. vr. enk. sunagôgèn   12  1 : Mt 12,9 . 2 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 . 3 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 7,5 .   6 : (1) Mt 12,9 // Mc 3,1 // Lc 6,6 . (2) Mc 1,21 // Lc 4,16 . 5 : (1) Hnd 13,14 . (2) Hnd 14,1 . (3) Hnd 17,10 . (4) Hnd 18,19 . (5) Hnd 19,8 . 1 : Jak 2,2 .  
totaal 56  15  32  34  19 
eis (tèn) sunagôgèn 11 (- 1) 2 (niet in  Lc 7,5 )        

Mc 3,1.4. - 6. εις την συναγωγην = eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 .
- Mc 1,21 : και ... εισελθων εις την συναγωγην = kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
- Mc 3,1 : και εισηλθεν παλιν εις την συναγωγην = kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
STAP VOOR STAP !

1. - 6. Vooral :
(2) Mc 3,1 : και εισηλθεν παλιν εις την συναγωγην = kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .

Mc 3,1.7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 . Tweede nevenschikkende hoofdzin in dit vers .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,1.8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Taalgebruik in de LXX : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Mc 3 (1) : Mc 3,1 . Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192) .

  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn  OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν 1506  1120  386  24  38  79  92  63  71  19  141  233     

- Hebreeuws . act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Getalwaarde : he = 5 , jod = 10 ; totaal : 20 (2² X 5) . Structuur : 5 - 1 - 5 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (332) . Pentateuch (52) . Eerdere Profeten (111) . Latere Profeten (87) . 12 Kleine Profeten (14) . Geschriften (67) .
- werkw. Ned. : zijn . Arabisch : كانَ = kâna (zijn) . Taalgebruik in de Qoran : kâna (zijn) . D. : sein . E. : to be . E. : to be . Grieks : ειμι = eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT : eimi (zijn) . Hebreeuws : הָיָה = hâjâh (zijn) . Taalgebruik in Tenakh : hâjâh (zijn) . Lat. : esse .

Mc 3,1.9. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

7. - 9. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,23 : και ευθυς ην εν τῃ συναγωγῃ = kai euthus èn en tè(i) sunagôgè(i) (en onmiddellijk was er in de synagoge) . Slechts in Mc 1,23 .
- Mc 3,1 : και ην εκει = kai èn ekei (en er was daar) . NT (4) : (1) Mt 2,15 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 3,1 . (4) Lc 6,6 .
Zie ook : Mc 1,13 : και ην εν τῃ ερημῳ = kai èn en tè(i) erèmô(i) (en hij was in de woestijn) .
en : Mc 5,11 : ην δε εκει προς τῳ ὁρει = èn de ekei pros tô(i) horei (hij was echter bij de berg) . ην δε εκει = èn de ekei (hij echter was daar) . Bijbel (5) . OT (1) : Gn 41,12 . NT (4) : (1) Mt 27,61 . (2) Mc 5,11 . (3) Lc 8,32 . (4) Joh 4,6 .

Mc 3,1.10. nom. mann. enk. ανθρωπος = anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in de LXX : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Bijbel (512) . OT (394) . NT (118) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

  anthrôpos (mens) bijbel  OT NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. anthrôpos 512 394 118 21 14 24 21  10  27  59  80 
  Totaal   1760 1233 527 108 53 94 57  45  145  25  255  312

  anthrôpos (mens) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. enk. anthrôpos 14 (1) Mc 1,23 .   (2) Mc 2,27 .   (3) Mc 3,1 .   (4) Mc 4,26 .   (5) Mc 5,2 .   (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37   (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 .     (10) Mc 12,1 .   (11) Mc 13,34 .   (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 .   (14) Mc 15,39 .  
3 gen. enk. anthrôpou 15   2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.      (1) Mc 5,8 .   (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 .   (1) Mc 8,31** .  (2) Mc 8,38 ** . (1) Mc 9,9 ** . (2) Mc 9,12 **. (3) Mc 9,31 ** .   (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** .      (1) Mc 13,26 **.   (1) Mc 14,21 **. (2) Mc 14,41 **.    
4 dat. enk. anthrôpôi 3     2 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .                   (3) Mc 14,21 .    
5 acc. enk. anthrôpon 7   (1) Mc 2,27 .         (2) Mc 7,15 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,23 .   (6) Mc 8,36 .             (7) Mc 14,71 .    
6 nom. + voc. mv. anthrôpoi 1             (1) Mc 8,27 .              
7 gen. mann. mv. anthrôpôn 11 (1) Mc 1,17 .     (2) Mc 3,28 .       (3) Mc 7,7 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 7,21 .   (6) Mc 8,33 .   (7) Mc 9,31 .     (8) Mc 11,2 . (9) Mc 11,30 . (10) Mc 11,32 .   (11) Mc 12,14 .        
8 dat. mv. anthrôpois 1                 (1) Mc 10,27 .            
9 acc. mv. anthrôpous 1             (1) Mc 8,24 .              
  Totaal   53 10 

- Hebreeuws . אִישׁ = ´îsj (man, ieder) . Taalgebruik in Tenakh : ´îsj (man) . Getalwaarde : aleph = 1, jod = 10, sjin = 21 of 300 ; totaal : 32 (2² X 2³) of 311 (priemgetal) . Structuur : 1 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (1023) .

Mc 3,1.11. pass. perf. part. acc. vr. enk. εξηραμμενην = exèrammenèn (verschrompeld) van het werkw. ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in het NT : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in de LXX : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in Mc : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,20 . Een verdorde hand is een hand waaruit het bloed / leven is weggetrokken en bijgevolg dood en levenloos is . Dit staat in tegenstelling met een gestrekte hand . Een vorm van ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) in de LXX (57) , in het NT (15) , in Mc (6) .
- In Mc 1,23 was een mens met een onreine geest in de synagoge , in Mc 3,1 is het een mens die een verdorde hand heeft . In Mc 1,23 gaat het om iemand met een geestelijke onreinheid , in Mc 3,1 om iemand met een lichamelijke onreinheid . Maar waarom bevinden ze zich in de synagoge ? Horen ze daar wel thuis ?

  xèrainô (verschrompelen, dor worden)  Mc Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 9 Mc 11 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Br. Apk syn.  ev.  A. b. 
pass. ind. praes. 3de pers. enk. xèrainetai        (1) Mc 9,18 .                
pass. ind. aor. 3de pers. enk. exèranthè    (1) Mc 4,6 .   (2) Mc 5,29 .       26  16  10 
pass. ind. perfect. 3de pers. enk. exèrantai          (1) Mc 11,21 .                
pass. part. perf. acc. vr. enk. exèrammenèn (1) Mc 3,1 .         (2) Mc 11,20 .                
  Totaal   1 32  18  14  10  11 

- pass. ind. aor. 3de pers. enk. exèranthè (hij werd verdord) van het werkw. ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor w orden) . Taalgebruik in het NT : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in de LXX : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in Mc : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Bijbel (26) . LXX (16) . NT (10) : (1) Mt 13,6 . (2) Mt 21,19 . (3) Mt 21,20 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 5,29 . (6) Lc 8,6 . (7) Joh 15,6 . (8) 1 Pe 1,24 . (9) Apk 14,15 . (10) Apk 16,12 . Een vorm van ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) in de LXX (57) , in het NT (15) , in Mc (6) .

Mc 3,1.12. part. praes. nom. mann. enk. εχων = echôn (hebbende) van het werkw. εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in de LXX . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Lc . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Mc (3) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 10,22 . Lc (12) : (1) Lc 3,11 . (2) Lc 4,33 . (3) Lc 7,2 . (4) Lc 7,8 . (5) Lc 8,8 . (6) Lc 8,27 . (7) Lc 14,35 . (8) Lc 15,4 . (9) Lc 17,7 . (10) Lc 19,17 . (11) Lc 20,28 . (12) Lc 22,36 . Een vorm van εχω = echô (hebben, bezitten) in de LXX (497) , in het NT (705) , in Mc (69) , in Lc (77) , in Hnd (44) .

echô (hebben, bezitten)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
 part. pr. nom. mann. enk. echôn (1) Mc 1,22 .     (2) Mc 3,1 .               (3) Mc 10,22 .               114  32  82  10  12  18  32  25  30  15 

- Ned. : hebben . D. : haben . E. : have . Fr. : avoir . Grieks : εχω = echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT . Lat. : habere .

Mc 3,1.13. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,1.14. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

13. - 14. την χειρα = tèn cheira (de hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .


- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,2 - Mc 3,2 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai paretèroun auton ei tois sabbasin therapeusei auton, hina katègorèsôsin autou 2 et observabant eum si sabbatis curaret ut accusarent illum en ze sloegen hem gade of hij hem op de sabbat zou genezen opdat ze hem zouden (kunnen) aanklagen. 2 Zij hielden Hem in het oog om te zien of Hij hem op sabbat zou genezen, met de bedoeling Hem daarvan te beschuldigen. [2] Ze letten op Hem om te zien of Hij hem op sabbat zou genezen, om Hem te kunnen aanbrengen. [2] Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. 2 en ze hielden hem al in de gaten of hij hem op een van de sabbatten zou genezen, zodat zij hem konden aanklagen. 2. Et ils l'épiaient pour voir s'il allait le guérir, le jour du sabbat, afin de l'accuser. 

Statenvertaling . 2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
King James Bible . [2] And they watched him, whether he would heal him on the sabbath day; that they might accuse him.
Luther-Bibel . 2 Und sie lauerten darauf, ob er auch am Sabbat ihn heilen würde, damit sie ihn verklagen könnten.

>
  Mc 3,2   Lc 6,7
  kai paretèroun auton ei tois sabbasin therapeusei auton, hina katègorèsôsin autou   6:7 paretèrounto de auton oi grammateis kai oi farisaioi ei en tô sabbatô therapeuei ina eurôsin katègorein autou 

Tekstuitleg van Mc 3,2 .

Mc 3,2.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,2.2. act. ind. imperf. 3de pers. mv. παρετηρουν = paretèroun (zij hielden in het oog, zij hielden hem bij) van het werkwoord παρατηρεω = para-tèreô : bijhouden, opvolgen, schaduwen . Dit werkwoord wordt slechts 1X gebruikt bij Marcus . In deze vorm komt het in de bijbel enkel hier voor . Het werkwoord heeft een voorvoegsel para (bij, naast) . Wellicht daarom staat de bepaling auton (hem) onmiddellijk na het werkwoord , zoals dat veelal gebeurt met bepalingen bij werkwoorden met een voorvoegsel .

Mc 3,2.3. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 3,2.4. act. ind. pr. 2de pers. enk. ει = ei van het werkw. ειμι = eimi (zijn) en ει = ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het NT : ei . Taalgebruik in de LXX : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .

ei Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  42  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241 

Mc 3,2.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord.

Mc 3,2.6. Zelfstandig nw. dat. onz. mv. sabbatois (op sabbat) van het zelfstandig nw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . tois sabbasin (op sabbat) staat in Mc 3,2 , evenals in Mc 3,4 vooraan de zin om de klemtoon erop te leggen .

dat. vr. mv. σαββασιν = sabbasin van het zelfst. naamw. σαββατον = sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het NT : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in de LXX : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Mc : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Lc : sabbaton (sabbat) .

  sabbaton (sabbat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
6 dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
  totaal 174  109  65  10  11  20  12  10    41  53   

    Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
1 nom. + acc. onz. enk. sabbaton  1 : Mt 12,5 . 1 : Mc 2,27 . 2 : (1) Lc 23,54 . (2) Lc 23,56 5 : (1) Joh 5,9 . (2) Joh 5,10 . (3) Joh 5,18 . (4) Joh 9,14 . (5) Joh 9,16 .
2 gen. onz.  enk. sabbatou 1 : Mt 12,8 . 4 : (1) Mc 2,28 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 16,1 . (4) Mc 16,9 . 5 : (1) Lc 6,5 . (2) Lc 13,14 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 14,5 . (5) Lc 18,12 1 : Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,8 // Mc 2,28 // Lc 6,5 . (2) Mc 6,2 // Lc 4,16 . 11 
3 dat. onz. enk. sabbatô(i)  2 : (1) Mt 12,2 . (2) Mt 24,20 .   8 : (1) Lc 6,1 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 6,7 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,15 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 14,3 . 4 : (1) Joh 5,16 . (2) Joh 7,22 . (3) Joh 7,23 . (4) Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,2 // Mc 2,24 // Lc 6,2 . 14 
5 gen. onz. mv. sabbatôn  1 : Mt 28,1 . 1 : Mc 16,2 . 2 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 2 : (1) Joh 20,19 . (2) Joh 20,19 4 : 6 : (1) Mt 24,20 // Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1
6 dat. onz. mv. sabbasin  5 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,5 . (3) Mt 12,10 . (4) Mt 12,11 . (5) Mt 12,12 5 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . 3 : (1) Lc 4,31 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 13,10 .   13 : (1) Mt 12,1 // Mc 2,23 // Lc 6,1 . (2) Mt 12,10 // Mc 3,2 // Lc 6,7 . (3) Mt 12,12 // Mc 3,4 // Lc 6,9 . (4) Mc 1,21 // Lc 4,31 . 13 
  totaal 10  11  20  12  41  53 

 

- katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Bij Marcus, zie Mc 7,1 . Conjunctief aorist katègorèsôsin (zij zouden aanklagen) 3de persoon meervoud : Mc 3,2 en Mt 12,10 . Waarvan ze Jezus willen beschuldigen, staat in de vorige bijzin : of hij op sabbat zou genezen.
- zèteô (zoeken). Bij Marcus, zie Mc 7,1 .


- κατηγορησαν = katègorèsôsin : act. conjunct. aor. 3de pers. meervoud van het werkwoord κατηγορεω = katègoreô : tegen iemand spreken, tegen iemand (kata + genitief) iets (accusatief) inbrengen, iemand van iets aanklagen, iemand van iets beschuldigen. In deze vorm in 2 verzen in de bijbel : Mc 3,2 en Mt 12,10 in een identieke zin : hina katègorèsôsin autou (opdat zij hem zouden aanklagen).

Mc 3,2.8. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 3,2.9. ἱνα = hina (opdat, zodat) . Voegwoord . Taalgebruik in het NT : hina (opdat) . Taalgebruik in de LXX : hina (opdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,10 . (4) Mc 3,12 . (5) Mc 3,14 .

hina (opdat)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  59  1 : Mc 1,38 . 1 : Mc 2,10 . 5 : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,10 . (4) Mc 3,12 . (5) Mc 3,14 . 1144  522  620  39  59  46  132  15  292  37  144  276  232  44 

Mc 3,2.10. act. conjunct. aor. 3de pers. mv. κατηγορησωσιν = katègorèsôsin (zij zouden beschulldigen) van het werkw. κατηγορεω = katègoreô (tegenspreken, iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in het NT : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Taalgebruik in de LXX : katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Bijbel (2) : (1) Mt 12,10 . (2) Mc 3,2 . Een vorm van κατηγορεω = katègoreô in de LXX (6) , in het NT (22) . Mt (2) : (1) Mt 12,10 . (2) Mt 27,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 15,3 . (3) Mc 15,4 . Lc (5) : (1) Lc 6,7 . (2) Lc 11,54 . (3) Lc 23,2 . (4) Lc 23,10 . (5) Lc 23,14 . Joh (2) : (1) Joh 5,45 . (2) Joh 8,6 . Hnd (9) : (1) Hnd 22,30 . (2) Hnd 24,2 . (3) Hnd 24,8 . (4) Hnd 24,13 . (5) Hnd 24,19 . (6) Hnd 25,5 . (7) Hnd 25,11 . (8) Hnd 25,16 . (9) Hnd 28,19 . Rom (1) : Rom 2,15 . Apk (1) : Apk 12,10 .

           
Mc 3,2 Mc 3,6 Mc 12,12 - Mc 12,13 Mc 15,1 Mc 15,3 Mc 15,4
kai ekselthontes (naar buiten gegaan)  kai afentes auton apèlthon (en hem achtergelaten gingen weg) kai euthus (en terstond) prôi ('s morgens)    
  hoi Farisaioi euthus meta tôn Hèrôdianôn (de Farizeeën terstond met de Herodianen)   kai apostellousin pros auton tinas tôn Farisaiôn kai tôn Hèrodianôn (en zij zenden naar hem sommige Farizeeën en Herodianen) sumboulion hetoimasantes (een besluit genomen)    
paretèroun auton... (zij hielden hem in het oog) sumboulion edidoun (namen het besluit) kat'autou (tegen hem)   hoi archiereis meta tôn presbuterôn kai grammateôn kai holon to sunedrion (de hogepriesters samen met de priesters en schriftgeleerden en heel het sanhedrin)    
hina (opdat) hopôs (opdat)   hina (opdat)      
  auton (hem)  auton (hem)       
katègorèsôsin autou (zij hem zouden beschuldigen) apolesôsin  (zij zouden ombrengen) agreusôsin logôi (zij met het woord zouden vangen)     kai katègoroun autou hoi archiereis polla (en de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen) ide posa sou katègorousin (zie van zovele dingen beschuldigen zij u)
 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -
 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -
  338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -

Mc 3,2.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,3 -Mc 3,3 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai legei tôi anthrôpôi tôi tèn cheira echonti xèran egeire eis to meson 3 et ait homini habenti manum aridam surge in medium En hij zei aan de man die de verdorde hand had: "Sta op in het midden." 3 Hij zei nu tot de man met de verschrompelde hand:
"Kom in het midden staan."
[3] Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom eens naar voren.’ [3] Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ 3 Hij zegt tot de mens met de dorre hand: waak op, naar het midden hier! 3. Il dit à l'homme qui avait la main sèche : « Lève-toi, là, au milieu. » 

Statenvertaling . 3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
King James Bible . [3] And he saith unto the man which had the withered hand, Stand forth.
Luther-Bibel . 3 Und er sprach zu dem Menschen mit der verdorrten Hand: Tritt hervor!

>
  Mc 3,3   Lc 6,8
  kai legei tôi anthrôpôi tôi tèn cheira echonti xèran egeire eis to meson   6:8 autos de èdei tous dialogismous autôn eipen de tô andri tô xèran echonti tèn cheira egeire kai stèthi eis to meson kai anastas estè 

Tekstuitleg van Mc 3,3 . Dit vers Mc 3,3 telt 13 woorden , 23 lettergrepen en 64 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 3,3 is 7714 (2 X 7 X 19 X 29) . Het vers bestaat uit twee hoofdzinnen . De tweede zin citeert woorden van Jezus (4 woorden , 7 lettergrepen) .

Mc 3,3.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,3.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  legô : act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

ind. pr. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 3 in 12 verzen .

1. - 2. και λεγει = kai legei (en hij zegt) . OT (11) . NT (37) . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 6,50 .  (6) Mc 7,18 . (7) Mc 9,35 .  (8) Mc 10,11 . (9) Mc 11,2 . (10) Mc 12,16 . (11) Mc 14,13 .

Mc 3,3.3. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,3.2. - 3. λεγει τῳ = legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mt (3) : (1) Mt 9,6 . (2) Mt 12,13 . (3) Mt 26,40 . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 . Niet in Lc .
- λεγει τῳ παραλυτικῳ = paralutikô(i) (hij zegt aan de lamme) . Bijbel = NT (3) . Mt (1) : Mt 9,6 . Mc (2) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 .
- λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Bijbel = NT (3) . Mt (1) : Mt 12,13 . Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .
- λεγει τῳ αρχισυναργωγῳ = archisunagôgô(i) (hij zegt tot de synagogeoverste : Mc 5,36 .
- Mc 9,5 :και αποκριθεις ὁ πετρος λεγει τῳ ιησου = kai apokritheis ho petros legei tô ièsou (en Petrus geantwoord zegt aan Jezus) . Eveneens : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 21,21 .
- Mc 14,37 : και λεγει τῳ πετρῳ = kai legei tô petrô = en hij (Jezus) zegt aan Petrus . Evenzo : Mt 26,40 .

Mc 3,3.1. - 3. και λεγει τῳ = kai legei tô(i) (en hij zegt aan de) . NT (5) : (1) Mt 26,40 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 14,37 . (4) Joh 12,22 . (5) Joh 19,9 .

Mc 3,3.4. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 14,21 .  Een vorm van anthrôpos (mens) in 53 verzen .

Mc 3,3.2. - 4. λεγει τῳ ανθρωπῳ = anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Bijbel = NT (3) . Mt (1) : Mt 12,13 . Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .
Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) (voeten en handen) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .

Mc 3,3.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,3.6. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,3.7. acc. vr. enk. ξηραν = xèran  (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. ξηρος = xèros (droog, dor) . Taalgebruik in het NT : xèros (droog, dor) . Taalgebruik in de LXX : xèros (droog, dor) . Taalgebruik in Mc : xèros (droog, dor) . Bijbel (14) . LXX (10) . NT (4) : (1) Mt 12,10 . (2) Mt 23,15 . (3) Mc 3,3 . (4) Lc 6,8 . Verwant pass. part. perf. acc. vr. enk. εξηραμμενην = exèrammenèn (verschrompeld) van het werkw. ξηραινω = xèrainô (verschrompelen, dor worden) : Mc 3,1 . Een vorm van ξηρος = xèros (droog, dor) in de LXX (42) , in het NT (8) , in Mc (1) .

Mc 3,3.8. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

Mc 3,3.6. 8. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. tèn : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) . In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

Mc 3,3.9. act. part. praes. dat. mann. enk. echonti (hebbende) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (1) : Mc 3,3 .

Mc 3,3.10. act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. egeirô . Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49 . Een vorm van egeirô (wekken) in Mc in 19 verzen .

Mc 3,3.11. εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Taalgebruik in de LXX : eis (naar) . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned. : naar . D. : nach . E. : for . Fr. : vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) / à . Grieks : εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT : eis (naar) . Lat. : in / ad .

Mc 3,3.12. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,3.13. acc. onz. enk. meson  van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het N.T. : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Mc : mesos (zich in het midden bevindend) .
Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 7,31 . (3) Mc 14,60 .

Mc 3,3.11. - 13. eis to meson (in het midden) : Mc 3,3 . eis meson (naar een midden) : Mc 14,60 . In Mc 3,3 wordt een vorm van egeirô (wekken) , in Mc 14,60 een vorm van anistèmi (opstaan) gebruikt : egeire wek , sta op) en anastas (opgestaan) . Wat heeft de man met de verschrompelde hand te maken met de hogepriester ? In Mc 3,4 stelt Jezus aan de farizeeën de vraag of het toegaten is op sabbat goed of kwaad te doen , een leven te redden of verloren te laten gaan . De genezing van de man zal ertoe leiden dat de Farizeeën met de Herodianen het advies zullen geven Jezus om te brengen . In Mc 14,61 stelt de hogepriester de vraag naar de identiteit van Jezus : ben je de Christus , de zoon van de gezegende . Het antwoord van Jezus in Mc 14,62 zal leiden tot zij veroordeling tot de dood (Mc 14,64) . We staan hier dus in een situatie waarin een man wordt genezen (Mc 3,5) en Jezus ter dood wordt veroordeeld (Mc 14,64) . Jezus redt een man , de hogepriester laat Jezus ter dood veroordelen .
Is de hogepriester soms een gehandicapte man , die zijn hand niet kan uitsteken naar Jezus om door hem genezen te worden . Zijn de rollen in Mc 14,55-64 in vergelijking met Mc 3,1-6 nu omgekeerd . De Farizeeën lagen op de loer om Jezus te kunnen beschuldigen (Mc 3,2) en zwegen op de vraag van Jezus (Mc 3,4) . In Mc 14,55-64 zwijgt op de vraag van de hogepriester of hij niet antwoordt op de getuigenissen .

Eénmaligheid

- acc. vr. enk xèran  (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. xèros (droog, dor) . Mc (1) : Mc 3,3 .

Duality

- legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .


- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,4 - Mc 3,4 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 kai legei autois exestin tois sabbasin agathon poièsai agathopoièsai è kakopoièsai psuchèn sôsai è apokteinai oi de esiôpôn 4 et dicit eis licet sabbatis bene facere an male animam salvam facere an perdere at illi tacebant En hij zei hun : "Is het toegestaan om op de sabbat iets goeds te doen veeleer dan kwaad te doen een leven te redden veeleer dan te doden?" Zij echter zwegen. 4 Daarop stelde Hij hun de vraag: "Is het niet eerder geoorloofd op sabbat goed te doen dan kwaad, iemand te redden dan te doden?" Maar zij zwegen. [4] Hij zei hun: ‘Mag men op sabbat goed doen of kwaad, een leven redden of doden?’ Maar ze hulden zich in zwijgen. [4] Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. 4 En hij zegt tot hen: mag dat, op een van de sabbatten goed doen? of kwaad doen!– een levende ziel redden of doden? Maar zij zwijgen. 4. Et il leur dit : « Est-il permis, le jour du sabbat, de faire du bien plutôt que de faire du mal, de sauver une vie plutôt que de la tuer ? » Mais eux se taisaient. 

Statenvertaling . 4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
King James Bible . [4] And he saith unto them, Is it lawful to do good on the sabbath days, or to do evil? to save life, or to kill? But they held their peace.
Luther-Bibel . 4 Und er sprach zu ihnen: Soll man am Sabbat Gutes tun oder Böses tun, Leben erhalten oder töten? Sie aber schwiegen still.

>
  Mc 3,4   Lc 6,9
  4 kai legei autois exestin tois sabbasin agathon poièsai agathopoièsai è kakopoièsai psuchèn sôsai è apokteinai oi de esiôpôn   6:9 eipen de | [o] | o | ièsous pros autous eperôtô umas ei exestin tô sabbatô agathopoièsai è kakopoièsai psuchèn sôsai è apolesai 

Tekstuitleg van Mc 3,4 . Het vers Mc 3,4 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 88 (2 X 2 X 2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 3,4 is 9210 (2 X 4 X 5 X 307) .

Mc 3,4.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,4.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  legô : act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

Mc 3,4.3. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,23 . (5) Mc 3,33 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 3,4.4. εξεστιν = exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het NT : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in de LXX : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) . Mc (6) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,4 . (4) Mc 6,18 . (5) Mc 10,2 . (6) Mc 12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 12,14 .

exestin   Mc Mc 2 Mc 3 Mc 6 Mc 10 Mc 12 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P. 
  (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 .   (3) Mc 3,4 .   (4) Mc 6,18 .   (5) Mc 10,2 .   (6) Mc 12,14  27  26  19  21 

Mc 3,4.5. dat. mann. en onz. mv. τοις = tois . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
14. dat. m. + onz. mv. tois 47  2 5 3 2 6 2 2 1 4 3 2 2 3   6 2715  2179  536  96  47  65  36  82  193  17  208  244 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- Nederl. : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

6. dat. onz. mv. σαββασιν = sabbasin (op sabbat) van het zelfst. naamw. σαββατον = sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in het NT : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in de LXX : sabbaton (sabbat) . Taalgebruik in Mc : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . In negen verzen gaat een bepaald lidwoord aan een vorm van σαββατον = sabbaton (sabbat) vooraf ; niet in Mc 6,2 . en Mc 16,9 . In tien verzen gaat hieraan (lidwoord + zelfstandig naamwoord) geen voorzetsel van tijd (en = in, op) vooraf , behalve in Mc 2,23 .

  sabbaton (sabbat)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
6a. dat. onz. mv. sabbatois 7 7 0                      
6b dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
  totaal 181 116 65  10  11  20  12  10    41  53   

    Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
1 nom. + acc. onz. enk. sabbaton  1 : Mt 12,5 . 1 : Mc 2,27 . 2 : (1) Lc 23,54 . (2) Lc 23,56 5 : (1) Joh 5,9 . (2) Joh 5,10 . (3) Joh 5,18 . (4) Joh 9,14 . (5) Joh 9,16 .
2 gen. onz.  enk. sabbatou 1 : Mt 12,8 . 4 : (1) Mc 2,28 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 16,1 . (4) Mc 16,9 . 5 : (1) Lc 6,5 . (2) Lc 13,14 . (3) Lc 13,16 . (4) Lc 14,5 . (5) Lc 18,12 1 : Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,8 // Mc 2,28 // Lc 6,5 . (2) Mc 6,2 // Lc 4,16 . 11 
3 dat. onz. enk. sabbatô(i)  2 : (1) Mt 12,2 . (2) Mt 24,20 .   8 : (1) Lc 6,1 . (2) Lc 6,6 . (3) Lc 6,7 . (4) Lc 6,9 . (5) Lc 13,14 . (6) Lc 13,15 . (7) Lc 14,1 . (8) Lc 14,3 . 4 : (1) Joh 5,16 . (2) Joh 7,22 . (3) Joh 7,23 . (4) Joh 19,31 . 10 : (1) Mt 12,2 // Mc 2,24 // Lc 6,2 . 14 
5 gen. onz. mv. sabbatôn  1 : Mt 28,1 . 1 : Mc 16,2 . 2 : (1) Lc 4,16 . (2) Lc 24,1 2 : (1) Joh 20,19 . (2) Joh 20,19 4 : 6 : (1) Mt 24,20 // Mc 16,2 (// Lc 24,1 // Joh 20,1
6 dat. onz. mv. sabbasin  5 : (1) Mt 12,1 . (2) Mt 12,5 . (3) Mt 12,10 . (4) Mt 12,11 . (5) Mt 12,12 5 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . 3 : (1) Lc 4,31 . (2) Lc 6,2 . (3) Lc 13,10 .   13 : (1) Mt 12,1 // Mc 2,23 // Lc 6,1 . (2) Mt 12,10 // Mc 3,2 // Lc 6,7 . (3) Mt 12,12 // Mc 3,4 // Lc 6,9 . (4) Mc 1,21 // Lc 4,31 . 13 
  totaal 10  11  20  12  41  53 

- Bl.-Debr. (Grammatik... 52) dat. onz. mv. σαββατοις = sabbatois (2de verbuiging, zie = dôron) en σαββασιν = sabbasin (3de verbuiging, zie = sôma) .
- Hebreeuws : הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw. . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 .Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (39) . Pentateuch (15) : (1) Ex 16,29 . (2) Ex 20,8 . (3) Ex 20,11 . (4) Ex 31,14 . (5) Ex 31,15 . (6) Ex 31,16 . (7) Ex 35,3 . (8) Lv 23,11 . (9) Lv 23,15 . (10) Lv 23,16 . (11) Lv 24,8 . (12) Nu 15,32 . (13) Nu 28,9 . (14) Dt 5,12 . (15) Dt 5,15 .
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat) . Zie : sj-b-th . Taalgebruik in Tenakh : sj-b-th . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 45 (5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13) . Structuur : 3 - 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 9 . Stat. constructus . Tenakh (11) : (1) Ex 16,23 . (2) Ex 31,15 . (3) Ex 35,2 . (4) Lv 16,31 . (5) Lv 23,3 . (6) Lv 23,32 . (7) Lv 25,4 . (8) Lv 25,6 . (9) Nu 28,10 . (10) Neh 9,14 . (11) 1 Kr 9,32 .
- Het Griekse woord σαββατον = sabbaton (sabbat) is een transcriptie van het Hebreeuwse woord met suffixuitgang - ον = on . Het onz. mv. , eindigend op -ata heeft wellicht de 3de verbuiging in de hand gewerkt zoals sômata ... sômasin .

Mc 3,4.9. è (of) . Vergelijkend voegwoord .

11. acc. vr. enk. psuchèn van het zelfst. naamw. psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het N.T. : psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in Mc : psuchè (adem, geest, leven) .
Mc (4) : (1) Mc 3,4 .  (2) Mc 8,35 . (3) Mc 8,36 . (4) Mc 10,45 .

12. act. inf. aor. sôsai (redden) van het werkw. sôzô (redden) . Taalgebruik in het N.T. : sôzô (redden) . Taalgebruik in Mc : sôzô (redden) . Hebr. jâsj`â (redden) . Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 15,31 .

11. - 12. Mc 3,4 : psychèn sôsai (een leven redden) . Mc 8,35 : tèn psuchèn autou sôsai (zijn leven redden) .
Aansluitend bij Mc 3,4 staat Mc 15,31 : allous esôsen , seauton ou dunatai sôsai (anderen redde hij , zichzelf kan hij niet redden) .

Mc 3,4.13. è (of) . Vergelijkend voegwoord .

Mc 3,4.15. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
10. nom. m. mv. hoi 101 4 8 5 3 7 5 5 4 14 5 7 5 11 10   4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

16. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 1 (5) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,30 . (4) Mc 1,32 . (5) Mc 1,45 . In Mc 1,44 legde Jezus aan de genezen melaatse een spreekverbod op . Maar die begon veelvuldig te verkondigen .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1
                                   
de  149 + 2   10  23  13  23  20 
d'  d'     1         1                

15. - 16 : οἱ δε = hoi de (zij echter) . LXX (215) . NT (175) . Mc (30) . Mc 3 (1) : (1) Mc 3,4 .

17. act. ind. imperf. 3de pers. mv. εσιωπων = esiôpôn (zij zwegen) van het werkw. σιωπαω = siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in het NT : siôpaô (zwijgen) . Taalgebruik in de LXX : siôpaô (zwijgen) .Taalgebruik in Mc : siôpaô (zwijgen) . Bijbel = NT (2) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 . Een vorm van σιωπαω = siôpaô (zwijgen) in de LXX (36) , in het NT (10) , in Mc (5) .

  siôpaô (zwijgen)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  act. ind. imperf. 3de pers. enk. esiôpa     1 : Mt 26,63 . 1 : Mc 14,61 .                
  act. ind. imperf. 3de pers. mv. esiôpôn       2 : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 .                
  act. imperat. praes. 2de pers. enk. siôpa   1 : Dt 27,9 .   1 : Mc 4,39 .              
  act. conj. aor. 3de pers. enk. siôpèsè(i)       1 : Mc 10,48 .              

- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,5 -Mc 3,5 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 kai periblepsamenos autous met orgès sullupoumenos epi tè pôrôsei tès kardias autôn legei tô anthrôpô ekteinon tèn cheira kai exeteinen kai apekatestathè è cheir autou 5 et circumspiciens eos cum ira contristatus super caecitatem cordis eorum dicit homini extende manum tuam et extendit et restituta est manus illi En hij keek rond naar hen, met toorn, bedroefd over de verblinding van hun hart (en) zei aan die mens: "Strek je hand uit". En hij strekte die uit en zijn hand werd hersteld. 5 Toen liet Hij toornig, maar tegelijkertijd bedroefd om de verstoktheid van hun hart, zijn blik rondgaan en zei tot de man: "Steek uw hand uit." Hij stak zijn hand uit en deze was weer gezond. [5] Hij keek hen stuk voor stuk aan, kwaad, en verdrietig om hun versteende hart*, en tegen de man zei Hij: ‘Strek uw hand.’ Dat deed hij, en zijn hand herstelde zich. [5] Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. 5 Met toorn kijkt hij hen in het rond aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zegt tot die mens: strek je hand uit! Als hij hem uitstrekt herstelt zijn hand zich helemaal; 5. Promenant alors sur eux un regard de colère, navré de l'endurcissement de leur cœur, il dit à l'homme : « Étends la main. » Il l'étendit et sa main fut remise en état. 

Statenvertaling . 5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
King James Bible . [5] And when he had looked round about on them with anger, being grieved for the hardness of their hearts, he saith unto the man, Stretch forth thine hand. And he stretched it out: and his hand was restored whole as the other.
Luther-Bibel . 5 Und er sah sie ringsum an mit Zorn und war betrübt über ihr verstocktes Herz und sprach zu dem Menschen: Strecke deine Hand aus! Und er streckte sie aus; und seine Hand wurde gesund.

>
  Mc 3,5   Lc 6,10
  5 kai periblepsamenos autous met orgès sullupoumenos epi tè pôrôsei tès kardias autôn legei tô anthrôpô ekteinon tèn cheira kai exeteinen kai apekatestathè è cheir autou   6:10 kai periblepsamenos pantas autous eipen autô ekteinon tèn cheira sou o de epoièsen kai apekatestathè è cheir autou 

Tekstuitleg van Mc 3,5 . Het vers telt 30 (2 X 3 X 5) woorden , X lettergrepen en 155 (5 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 3,5 is 20560 (2 X 2 X 2 X 2 X 5 X 257) .

Mc 3,5.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,5.2. med. part. aor. nom. mann. enk. περιβλεψαμενος = periblepsamenos (rond zich gekeken / nadat hij had rondgekeken) van het werkw. περιβλεπω = periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het NT : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô (rondkijken) . In 4 / 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 11,11 . In 3 / 4 volgt λεγει = legei (hij zegt) als hoofdwerkw. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 , εξηλθεν = exèlthen (hij ging naar buiten) in Mc 11,11 . In Mc 3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (εξελθοντες = exelthontes = buitengegaan) om te besluiten Jezus te doden . In Mc 11,11 ging Jezus naar buiten ( εξηλθεν = exèlthen = hij ging naar buiten) om 's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt zich af in de synagoge , het andere in de tempel . In 2 verzen : (1) Mc 3,34 . (2) Mc 10,23 richt Jezus zich tot zijn leerlingen .
- In Mc 3,5 kijkt Jezus rond omdat de Farizeeën niet reageren op zijn vraag , maar blijven zwijgen . Hij is boos en droevig tegelijk . In Mc 3,34 kijkt hij rond zich naar 'zijn huisgenoten' en noemt hen zijn vader , moeder, broer, zus .
- Een vorm van περιβλεπω = periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 9,8 .  (5) Mc 10,23 . (6) Mc 11,11 . In 2 / 6 staat een vorm van eiden (hij zag) in relatie tot een vorm van περιβλεπω = periblepô (rondkijken) : (3) Mc 5,32 ( + ιδειν = idein : hij keek rond zich om te zien). (4) Mc 9,8 (ουκετι ουδεν ειδον = ouketi ouden eidon : zij zagen hoegenaamd niets meer) .
In 5 / 6 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 .  (4) Mc 10,23 . (5) Mc 11,11 . Slechts in Mc 10,23 wordt Jezus uitdrukkelijk vermeld . In Mc 9,8 zijn drie leerlingen onderwerp .
In de 6 verzen in Mc gaat het verbindingswoord και = kai (en) vooraf aan een vorm van περιβλεπω = periblepô (rondkijken) .
In 3 / 6 volgt een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (6) Mc 11,11 . en 1 / 6 een infinitiefzin : (3) Mc 5,32 .

  periblepô  Mc Mc 3 Mc 5 Mc 9 Mc 10 Mc 11 bijbel OT NT Mt Mc Lc syn.  ev. 
ind. imperf. 3de pers. enk. perieblepeto    (1) Mc 5,32 .              
part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos   (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 .       (3) Mc 10,23 .   (4) Mc 11,11 .    
part. aor. nom. mann. mv. periblepsamenoi       (1) Mc 9,8 .             
  Totaal             

Mc 3,5.1. - 2. και περιβλεψαμενος = kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken) in de 4 verzen . In 3 verzen wordt het gevolgd door een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 11,11 . In 3 verzen is legei (hij zegt) het .

Mc 3,5.3. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Mc (40) . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,23 . Lijdend voorwerp bij periblepsamenos (rond zich gekeken) . In Mc 3,5 is het nog niet duidelijk wie met autous (hen) bedoeld is . Uit Mc 3,6 wordt het duidelijk dat het Farizeeën zijn .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
8 acc. mann. mv. autous  40      1991  1652  339  46  40  83  18  95  32  25  169  187 

Mc 3,5.4. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Mc (50 - 34 - 16) . μετα = meta : Mc 3 (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . μετ' = met' (2) : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 .

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  34  4 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16 . 2 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 1 : Mc 4,16 .     1 : Mc 6,25 . 3 : (1) Mc 8,10 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 8,38 .   2 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .   2 : (1) Mc 10,30 . (2) Mc 10,34 .   1 : Mc 11,11 . 2 : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .   10 : (1) Mc 14,1 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,17 . (4) Mc 14,28 . (5) Mc 14,43 . (6) Mc 14,48 . (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62 . (9) Mc 14,67 . (10) Mc 14,70 .   3 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,7 . (3) Mc 15,31 .   2 : (1) Mc 16,12 . (2) Mc 16,19 .   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16 1 : Mc 1,36 . 2 : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .   2 : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 . .   1 : Mc 4,36 . 4 : (1) Mc 5,18 . (2) Mc 5,24 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50 .           4 : (1) Mc 14,18 . (2) Mc 14,20 . (3) Mc 14,33 . (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50 . 737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3             1 : Mc 8,14 1 : Mc 9,8 .         1 : Mc 14,7 .     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 4 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .

meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
Mc (50 - 34 - 16) . meta : Mc 3 (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . met' (2) : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 .

Mc 3,5.5. gen. vr. enk. orgès van het zelfst. naamw. orgè (toorn) . Taalgebruik in het N.T. : orgè (toorn) . Taalgebruik in Mc : orgè (toorn) . Mc (1) Mc 3,5 .

Mc 3,5.6. med. part. praes. nom. mann. enk. συλλυπουμενος = sullupoumenos (diep bedroefd) van het werkw. συλλυπεομαι = sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in het NT : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . Taalgebruik in de LXX : sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) . NT (1) : Mc 3,5 . Een vorm van συλλυπεομαι = sullupeomai (med. refl.: zich mee bedroeven, zich diep bedroeven, medelijden hebben) in de Bijbel (3) . LXX (2) : (1) Js 51,19 . (2) Ps 68,21 . NT (1) : Mc 3,5 .

Mc 3,5.9. dat. vr. enk. πωρωσει = pôrôsei van het zelfst. naamw. πωρωσις = pôrôsis (verharding) . Taalgebruik in het NT : pôrôsis (verharding) . Taalgebruik in de LXX : pôrôsis (verharding) . Bijbel (1) : Mc 3,5 . Een vorm van πωρωσις = pôrôsis (verharding) in de Bijbel (3) . LXX (0) . NT (3) : (1) Mc 3,5 . (2) Rom 11,25 . (3) Ef 4,18 .

Mc 3,5.12. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (37) . Mc 3 (1) : Mc 3,5 .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
6 gen. mv.autôn  37      3701  3203  498  93  37  94  31  87  91  65  224  255 

Mc 3,5.13. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

  legô : act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

Mc 3,5.14. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,5.13. - 14. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 3,5.15. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 14,21 .

Mc 3,5.13. - 15. legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (3 woorden en 6 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .

Mc 3,5.16. act. imperat. aor. 2de pers. enk. εκτεινον = ekteinon (strek uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . Bijbel (15) . LXX (12) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 8,1 . (4) Ex 8,12 . (5) Ex 9,22 . (6) Ex 10,12 . (7) Ex 10,21 . (8) Ex 14,16 . (9) Ex 14,26 . (10) Joz 8,18 . (11) Sir 7,32 . (12) Sir 14,13 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 . De hand uitstrekken komt in het NT voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
- n-t-h : Tenakh (35) . 1. act. qal perf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (hij strekte uit) . 2. act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. נְטֵה = nëteh (strek uit) van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 5 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 .
- Ned. : uitstrekken . Fr. : étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Grieks : εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n . Lat. : extendere .

Mc 3,5.17. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,5.18. acc. vr. enk. χειρα = cheira (hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

  cheir (hand) bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br. Apk syn. ev.
4 acc. enk. cheira 295 265 30 8 5 5 3 4 1 18 21
  Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16  77  92 

Mc 3,5.17. - 18. de acc. vr. enk. χειρα = cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. την = tèn : την χειρα = tèn cheira (de hand) . LXX (195) . NT (28) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) . In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

16. - 17. την χειρα αυτου = tèn cheira autou (zijn hand) . LXX (195) . NT (28) .
- την χειρα σου = tèn cheira sou (jouw hand) . LXX (47) . NT (6) .
- יָדֶךָ = jâdèkhâ (jouw hand) < zelfst. naamw. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. . Zie : יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Getalwaarde : jod = 10 . daleth = 4 . Totaal 14 (2 X 7) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (92) . Pentateuch (37) .

16. - 18. - εκτεινον την χειρα = ekteinon tèn cheira (strek de hand uit) . LXX (9) : (1) Ex 4,4 . (2) Ex 7,19 . (3) Ex 9,22 . (4) Ex 10,12 . (5) Ex 10,21 . (6) Ex 14,16 . (7) Ex 14,26 . (8) Joz 8,18 . (9) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc . (3) Lc 6,10 .
- εκτεινον την χειρα σου = ekteinon tèn cheira sou (strek je hand uit) . LXX (7) : (1) Ex 7,19 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 10,21 . (4) Ex 14,16 . (5) Ex 14,26 . (6) Joz 8,18 . (7) Sir 7,32 . NT (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 .
- נְטֵה אֶת יָדְךָ = nëteh ´èth jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (3) : (1) Ex 8,1 . (2) Ex 9,22 . (3) Ex 14,26 .
- וּנְטֵה אֶת יָדְךָ = ûnëteh ´èth jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 14,16 .
- נְטֵה יָדְךָ = nëteh jâdëkhâ (strek je hand uit) . Tenakh (2) : (1) Ex 10,12 . (2) Ex 10,21 .
- וּנְטֵה יָדְךָ = ûnëteh jâdëkhâ (en strek je hand uit) . Tenakh (1) : Ex 7,19 .
- In de Hebreeuwse bijbel krijgt Mozes 7X het bevel om ofwel hijzelf ofwel Aäron zijn hand uit te strekken . In 5 gevallen zal er een plaag volgen ; (1) Ex 7,19 (1ste plaag : water verandezrt in bloed) ; (2) Ex 8,1 (2de plaag : kikkers) ; (3) Ex 9,22 (7de plaag : hagel) ; (4) Ex 10,12 (8ste plaag : sprinkhanen) ; (5) Ex 10,12 (9de plaag duisternis) . In 2 gevallen het te maken met de doortocht doo Rode zee ; (1) Ex 14,16 (aan de ene zijde van de zee) ; (2) Ex 14,26 (aan de andere van de zee) . De hand uitstrekken brengt ongeluk en geluk .

Mc 3,5.19. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,5.20. act. ind. aor. 3de pers. enk. εξετεινεν = exeteinen (hij strekte uit) van het werkw. εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in de LXX : ekteinô (strekken, uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . Bijbel (41) . LXX (39) . Pentateuch (8) : (1) Gn 22,10 . (2) Ex 8,2 . (3) Ex 8,13 . (4) Ex 9,23 . (5) Ex 10,22 . (6) Ex 14,21 . (7) Ex 14,27 . (8) Ex 40,19 . NT (2) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 .
- וַיֵּט = wajjet (en hij spande) < prefix waw consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. נָטַה = nâtah (uitstrekken, neigen, zich wenden) . Taalgebruik in Tenakh : nâtâh (uitstrekken, neigen, zich wenden) Getalwaarde : nun = 14 of 50 , tet = 9, he = 5; totaal : 28 (2² X 7) OF 64 (2³ X 2³) . Structuur : 5 - 9 - 5 . De som van de elementen is telkens 1 . Lettinga 12, 2012, 60b1) . w-j-t : Tenakh : (1) Gn 12,8 . (2) Gn 35,21 . (3) Gn 38,1 . (4) Gn 38,16 . (5) Gn 39,21 . (6) Gn 49,15 . (7) Ex 8,2 . (8) Ex 8,13 . (9) Ex 9,23 . (10) Ex 10,13 . (11) Ex 10,22 . (12) Ex 14,21 . (13) Ex 14,27 . (14) Nu 20,21 .
- (1) וַיִּשְׁךַח = wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. . (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden) . Taalgebruik in Tenakh : sjâlach (zenden) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal : 41 OF 338 (2 X 13²) . Structuur : 3 - 3 - 8 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (212) . Pentateuch (32) . Eerdere Profeten (128) . Latere Profeten (14) . 12 Kleine Profeten (3) . Geschriften (35) . Joz (8) : (1) Joz 2,1 . (2) Joz 2,3 . (3) Joz 7,2 . (4) Joz 7,22 . (5) Joz 10,3 . (6) Joz 11,1 . (7) Joz 24,9 . (8) Joz 24,28 . Re (14) : (1) Re 2,6 . (2) Re 3,18 . (3) Re 3,21 . (4) Re 6,8 . (5) Re 6,21 . (6) Re 9,23 . (7) Re 9,31 . (8) Re 11,12 . (9) Re 11,14 . (10) Re 11,17 . (11) Re 11,19 . (12) Re 11,38 . (13) Re 15,5 . (14) Re 15,15 . 2 K (33) . 2 K 23 (2) : (1) 2 K 23,1 . (2) 2 K 23,16 .
- Ned. : uitstrekken . Fr. : étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Grieks : εκτεινω = ekteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in het NT : ekteinô (strekken, uitstrekken) ; ek- t-n . Lat. : extendere .

19. - 20. και εξετεινεν = kai exeteinen (en hij strekte uit) .
- εξετεινεν δε = exeteinen de

- εξετεινεν ααρων την χειρα = exeteinen aarôn tèn cheira (Aäron strekte de hand uit) . Tenakh (1) : Ex 8,2 .
- εξετεινεν μωυσης την χειρα = exeteinen môusès tèn cheira (Mozes strekte de hand uit) . Tenakh (4) : (1) Ex 9,23 . (2). Ex 10,22 . (3) Ex 14,21 . (4) Ex 14,27 .
- וַיֵּט אַהֱרֹן אֶת יָדוֹ = wajjet ´aharon (en Aäron strekte uit) . Tenakh (2) : (1) Ex 8,2 . (2) Ex 8,13 .
- וַיֵּט מֹשֶׁה אֶת יָדוֹ = wajjet mosjèh (en Mozes strekte uit) . Tenakh (5) : (1) Ex 9,23 . (2) Ex 10,13 . (3) Ex 10,22 . (4) Ex 14,21 . (5) Ex 14,27 .
- In de LXX wordt het Hebreeuwse 'zijn hand ' vertaald in het Griekse 'de hand' .

- Mc 3,5.21. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

22. pass. ind. aor. 3de pers. enk. απεκατεσταθη = apekatestathè (hij werd genezen) van het werkw. αποκαθιστημι = apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) . Taalgebruik in het NT : apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) . Taalgebruik in de LXX : apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) . Bijbel (3) : (1) Mt 12,13 . (2) Mc 3,5 . (3) Lc 6,10 . Een vorm van αποκαθιστημι = apokathistimi (weer in zijn oude toestand herstellen, genezen) in de Bijbel (57) , LXX (49) , NT (8) .

Mc 3,5.23. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Lc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 3 (7) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 3,25 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 3,32 . (6) Mc 3,33 . (7) Mc 3,34 .

  lidw. enk. bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
2. nom. vr. enk. hè 4860 3762  1098  151  76 143  117  83  443  85  370  487 
  Totaal   54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,5.24. nom. vr. enk. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc (2) : (1) Mc 3,5 .  (2) Mc 9,43 .  

Mc 3,5.25. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,6 - Mc 3,6 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 --
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou hopôs auton apolesôsin 6 exeuntes autem statim Pharisaei cum Herodianis consilium faciebant adversus eum quomodo eum perderent  En de Farizeeën gingen terstond weg met de Herodianen (en) troffen een besluit tegen hem hoe ze hem zouden ombrengen.   6 De Farizeeën gingen naar buiten en aanstonds smeedden zij met de Herodianen plannen om Hem uit de weg te ruimen.   [6] En eenmaal buiten beraamden de farizeeën samen met de herodianen* meteen plannen tegen Hem om Hem uit de weg te ruimen.  [6] De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.  6 toen de farizeeërs buiten zijn gekomen hebben ze meteen zich met de herodianen over hem beraden hoe ze hem zouden kunnen ombrengen.  6. Étant sortis, les Pharisiens tenaient aussitôt conseil avec les Hérodiens contre lui, en vue de le perdre. 

Statenvertaling . 6 En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodeanen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.
King James Bible . [6] And the Pharisees went forth, and straightway took counsel with the Herodians against him, how they might destroy him.
Luther-Bibel . 6 Und die Pharisäer gingen hinaus und hielten alsbald Rat über ihn mit den Anhängern des Herodes, wie sie ihn umbrächten.

>
  Mc 3,6 Mt 12,14 Lc 6,11
  kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou hopôs auton apolesôsin exelthontes de hoi Farisaioi sumboulion elabon kat'autou hopôs auton apolesôsin  6:11 autoi de eplèsthèsan anoias kai dielaloun pros allèlous ti an poièsaien tô ièsou 

Tekstuitleg van Mc 3,6 . Het vers Mc 3,6 telt 15 (3 X 5) woorden en 90 (2 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde is 13311 (3 X 3 X 3 X 17 X 29) .

Mc 3,6 kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou (En buitengegaan de Farizeeën onmiddelijk met de Herodianen een besluit gaven tegen hem, hoe ze hem zouden doden) hopôs auton apolesôsin (hoe ze hem zouden doden) (= Mt 12,14)
Mc 11,18 kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis , (en hoorden de hogepriesters en de schriftgeleerden) kai ezètoun pôs auton apolesôsin (en zij zochten hoe ze hem zouden doden)

De confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders is compleet . Die confrontatie was al uitgesproken bij Jezus' eerste optreden in Mc 1,24 : zijt gij gekomen om ons te vernietigen ? Mc 1,21 - 3,6 vormen een geheel . Begin en einde speelt zich af in de synagoge . In beide gevallen is er sprake van vernietigen .
In Mc 11,18 zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus zouden doden . De beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden wordt versterkt door het besluit van de hogepriesters en de schriftgeleerden . Van vrije groeperingen tot de hoogste instanties . Van partijdigheid tot het hoogste gezag en een fundamentele verantwoording . In Mc 11,18 is de gelijkenis met Ex 2,15 groot .

De Farizeeën zijn blijkbaar goed op de hoogte hoe ze iemand uit de weg kunnen ruimen . Ze sluiten onmiddellijk een pact met de Herodianen . Wellicht hebben ze ervaring ; misschien zijn zij het die Johannes de Doper in handen van Herodes hebben gespeeld . In Mc 12,13 zenden de hogepriesters en de schriftgeleerden enkele Farizeeën en Herodianen naar Jezus om hem te strikken met een uitspraak . Zij nemen het initiatief . In Mc 3,1-6 schaduwen de Farizeeën nog Jezus . In Mc 12,13 staan beide groepen in dienst van de hogepriesters en de schriftgeleerden . En de vraag is listig , want een verkeerd woord in één van de richtingen kan een aanklacht veroorzaken . In Mc 12,13 is er voor het laatst sprake van Farizeeën . De bijzin van Mc 12,13 gelijkt sterk op de bijzin van Mc 3,2 : hina + conjunctief.

In Mc 3,6 nemen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus om te brengen . Bij de veroordeling van Jezus in Mc 15,1 is er van hen geen sprake ; zij hebben wel de aanzet gegeven om Jezus voor het geestelijke en wereldlijke gezag ter dood te laten veroordelen . Door het woordgebruik tussen Mc 3,1-6 en Mc 15,1 - Mc 15,2-5 nl. katègoreô (tegen iemand iets inbrengen ; iemand van iets beschuldigen) en sumboulion (het besluit) om Jezus ter dood te veroordelen is het verband tussen beide pericopen duidelijk .

Mc 3,6.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,6.2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Mc (5) : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 . De Farizeeën bevonden zich in de synagoge en gaan de synagoge uit .

Mc 3,6.3. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
10. nom. m. mv. hoi 101 4 8 5 3 7 5 5 4 14 5 7 5 11 10   4230 3257 973 196 101 165 125 147 169 70 462  587 
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,6.4. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

5. euthus

Mc 3,6.6. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Mc (50 - 34 - 16) . μετα = meta : Mc 3 (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . μετ' = met' (2) : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 .

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  34  4 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16 . 2 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 1 : Mc 4,16 .     1 : Mc 6,25 . 3 : (1) Mc 8,10 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 8,38 .   2 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .   2 : (1) Mc 10,30 . (2) Mc 10,34 .   1 : Mc 11,11 . 2 : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .   10 : (1) Mc 14,1 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,17 . (4) Mc 14,28 . (5) Mc 14,43 . (6) Mc 14,48 . (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62 . (9) Mc 14,67 . (10) Mc 14,70 .   3 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,7 . (3) Mc 15,31 .   2 : (1) Mc 16,12 . (2) Mc 16,19 .   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16 1 : Mc 1,36 . 2 : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .   2 : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 . .   1 : Mc 4,36 . 4 : (1) Mc 5,18 . (2) Mc 5,24 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50 .           4 : (1) Mc 14,18 . (2) Mc 14,20 . (3) Mc 14,33 . (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50 . 737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3             1 : Mc 8,14 1 : Mc 9,8 .         1 : Mc 14,7 .     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 4 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .

Mc 3,6.7. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 90  4 10  13  5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,6.9. συμβουλιον = sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in het NT : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in de LXX : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in Mc. : sumboulion (raadsbesluit) . Bijbel = NT : (1) Mt 12,14 // Mc 3,6 . (2) Mt 22,15 . (3) Mt 27,1 // Mc 15,1 . (4) Mt 27,7 . (5) Mt 28,12 . (6) Mc 3,6 // Mt 12,14 . (7) Mc 15,1 // Mt 27,1 .

  sumboulion (raadsbesluit)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
                   

           
Mc 3,2 Mc 3,6 Mc 12,12 - Mc 12,13 Mc 15,1 Mc 15,3 Mc 15,4
kai ekselthontes (naar buiten gegaan)  kai afentes auton apèlthon (en hem achtergelaten gingen weg) kai euthus (en terstond) prôi ('s morgens)    
  hoi Farisaioi euthus meta tôn Hèrôdianôn (de Farizeeën terstond met de Herodianen)   kai apostellousin pros auton tinas tôn Farisaiôn kai tôn Hèrodianôn (en zij zenden naar hem sommige Farizeeën en Herodianen) sumboulion hetoimasantes (een besluit genomen)    
paretèroun auton... (zij hielden hem in het oog) sumboulion edidoun (namen het besluit) kat'autou (tegen hem)   hoi archiereis meta tôn presbuterôn kai grammateôn kai holon to sunedrion (de hogepriesters samen met de priesters en schriftgeleerden en heel het sanhedrin)    
hina (opdat) hopôs (zodat)   hina (opdat)      
  auton (hem)  auton (hem)       
katègorèsôsin autou (zij hem zouden beschuldigen) apolesôsin  (zij zouden ombrengen) agreusôsin logôi (zij met het woord zouden vangen)     kai katègoroun autou hoi archiereis polla (en de hogepriesters beschuldigden hem van vele dingen) ide posa sou katègorousin (zie van zovele dingen beschuldigen zij u)
 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -   95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -  290. Vraag van de Farizeeën over de belasting aan de keizer : Mc 12,13-17 - Mt 22,15-22 - Lc 20,20-26 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 -
 338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -
  338. Jezus vóór Pilatus : Mc 15,2-5 - Mt 27,11-14 - Lc 23,2-5 -

 

acc. onz. enk. sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in N.T. : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in Mc. : sumboulion (raadsbesluit) . Mc (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 15,1 . Vergelijk beide :
- (1) Mc 3,6 : hoi farisaioi euthus meta tôn èrôdianôn sumboulion edidoun (de Farizeeën onmiddellijk met de Herodianen gaven het raadsbesluit) .
- (2) Mc 15,1 : sumboulion poièsantes hoi archiereis ... (de hogepriesters samen met de oudsten en de schriftgeleerden en het hele sanhedrin het raadsbesluit genomen) .
De Farizeeën en de Herodianen lijken vergaderd en besloten te hebben om een raadsbesluit te geven / voor te stellen . De hogepriesters ... en het hele sanhedrin , bij wie de macht ligt , nemen het besluit (dat de Farizeeën en de Herodianen hadden voorgesteld) .

10. act. ind. imperf. 3de pers. mv. edidoun zij gaven) van het werkw. didômi (geven) .

11. kat' (tegen) van het voorzetsel kata (tegen) .

Mc 3,6.12. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 3,6.13. ὁπως = hopôs (zodat) . Taalgebruik in het ΝΤ : hopôs (opdat) . Taalgebruik in de LXX : hopôs (opdat) . Taalgebruik in Mc : hopôs (opdat) . In Mc slechts in Mc 3,6 .

hopôs (opdat)  bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  258  206  52  17  14  12    25  26 

Mc 3,6.14. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 3,6.13. - 14. ὁπως αυτον = hopôs auton (zodat hem) . Bijbel (5) : (1) Mt 12,14 . (2) Mt 22,15 . (3) Mt 26,59 . (4) Mc 3,6 . (5) Hnd 9,24 .
- πως αυτον = pôs auton (hoe hem) . Bijbel (3) : (1) Mc 11,18 . (2) Mc 14,1 . (3) Lc 22,4 .

Mc 3,6.15. act. conjunctief aor. 3de pers. mv. απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) van het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) . Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in de LXX : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Taalgebruik in Mc : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . Bijbel (5) . LXX (1) : Dt 28,22 . NT (4) . Mt (2) : (1) Mt 12,14 // Mc 3,6 : De Farizeeën gingen naar buiten en namen het besluit tegen Jezus opdat zij hem zouden doden . (2) Mt 27,20 : Jezus echter zouden zij doden . Mc (2) : (3) Mc 3,6 // Mt 12,14 . (4) Mc 11,18 // Lc 19,47 (ezètoun auton apolesai = zij zochten hem te doden) . Een vorm van απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) in de LXX () , in het NT () , in Mt (90) , in Mt (19) , in Mc (10) , in Lc (27) , in Joh (10) .

  apollumi (verderven, verdoemen)  Mc Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 8 Mc 9 Mc 11 Mc 12 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Br. syn.  ev.  P. 
1 ind. praes. 3de pers. enk. apollutai     1 : Mc 2,22 .                    
2 ind. praes. 1ste pers. mv. apollumetha        1 : Mc 4,38 .                  
3 ind. fut. 3de pers. enk. apolesei           (1) Mc 8,35 (2X) .       Mc 12,9  10       
4 ind. aor. apolesai   1 : Mc 1,24 .                 31  24     
5 ind. aor. 3de pers. enk. apolesè(i)             (1) Mc 9,22 . (2) Mc 9,41     16    8    
6 conj. aor. 3de pers. mv. apolesôsin       (1) Mc 3,6 .       (2) Mc 11,18 .            
  totaal 1 (2X)   1 68  36  32  10  10  29  30 

- Ned. : verderven , verdoemen . Arabisch : أَباَدَ = ´abâda (vernietigen) . Taalgebruik in de Qoran : ´abâda (vernietigen) . D. : vernichten . E. : destroy . Fr. : perdre . Grieks : απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) < ap- + ollumi < ol-numi . Taalgebruik in het NT : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Hebreeuws : אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Taalgebruik in Tenakh : ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Lat. : perdere .
- In de LXX komt deze werkwoordvorm slechts in Dt 28,22 . Het is het hoofdstuk van de vervloekingen . Door allerlei kwalen zullen de vervloekten omkomen . In Dt 28,22 is het Griekse απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord אָבַד = ´âbhad (verdwijnen, verloren gaan) . Wat maakt de vergelijking van Dt 28,22 en Mc 11,18 zo interessant . De tempelreiniging wordt omkaderd door het verhaal van de verdorde vijgeboom . In Dt 28 gaat het o.a. over vervloeking . De vervloeking volgt omdat JHWH werd verlaten (Dt 28,21) . Zouden we mogen zeggen dat de hogepriesters en de schriftgeleerden zich van JHWH hebben afgekeerd , vervloeking over zich brengen en de ondergang tegemoet gaan ? In Mc 3,1-6 is een man met een verdorde hand . Door die hand kan hij zijn hand niet uitstrekken om te zegenen . Zo krijgen we verhalen die naar elkaar verwijzen . Misschien wordt het nu ook duidelijk waarom Marcus voor de werkwoordvorm απολεσωσιν = apolesôsin (zij zouden doden) van het werkw. απολλυμι = apollumi (verderven, verdoemen) koos .
- We hebben 2 verhalen die elkaar omsluiten (inclusio) : Mc 1,23-28 en Mc 3,1-6 . Beide verhalen spelen zich af in de synagoge . In Mc 1,23-28 is er een man met een onreine geest die roept : "Wat hebben wij met elkaar gemeen . Ik weet wie je bent . Jij bent gekomen om ons te vernietigen" . In Mc 3,1-6 besluiten Farizeeën en Herodianen om Jezus te vernietigen . In beide teksten staan 2 partijen tegenover elkaar . Ze staan elkaar naar het leven .

Mc 3,6.13. - 15.
(1) Mc 3,6 // Mt 12,14 : ὁπως αυτον απολεσωσιν = hopôs auton apolesôsin (hoedat / opdat zij hem zouden doden) .
(2) Mc 11,18 : πως αυτον απολεσωσιν = pôs auton apolesôsin ( hoe zij hem zouden doden) .
- Door de bijna letterlijke overeenkomst van de 2 teksten is een verband tussen beide teksten voor de hand liggend . In Mc 3,6 wordt dat besluit genomen na de genezing op sabbat van een man met een verdorde hand . In Mc 11,18 gebeurt het nadat Jezus de tempel heeft gereinigd . Het verhaal van dee tempelreiniging maakt het middenstuk van het sandwichmodel uit (Mc 11,12-26) . De sandwich zelf is het verhaal van de verdorde vijgeboom . "Verdord" is het thema zowel in Mc 3,1-6 als in Mc 11,12-26 .


- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -



Verhaalkundig mag men veronderstellen dat de personages in een volgend verhaal op de hoogte zijn van wat eraan voorafgaat . Het verhaal van de man met een dorre hand is het vijfde en laatste verhaal (Mc 3,1-6) van de vijf strijdgesprekken tussen Jezus en tegenstanders (Mc 2,1-3,6) . Het verhaal speelt zich af in de synagoge (van Kafarnaüm) . Het is dezelfde plek waar Jezus zijn 'opernbaar leven' begon , er onderrichtte en een onreine geest uit een man uitdreef (Mc 1,21-28) . Deze twee verhalen lijken een geheel van verhalen (Mc 1,21-3,6) te omarmen . Op de heilige plaats als de synagoge is er blijkbaar onreinheid aanwezig : een mens met een onreine geest , een mens met een verschrompelde hand .

De wijze waarop Jezus naar de stad Kafarnaüm gaat en de synagoge binnengaat (Mc 1,21) gelijkt zeer sterk op de wijze waarop hij naar Jeruzalem gaat en de tempel binnengaat (Mc 11,15) . Zo mogen we de man met een onreine geest vergelijken met de marktsituatie van de tempel (Mc 11,15) . De eigenlijke bedoeling van de joodse godsdienst ligt onder een dikke laag stof van geld en macht . De reactie van de hogepriesters en de schriftgeleerden (Mc 11,18) komt sterk overeen met de reactie van de Farizeeën en de Herodianen (Mc 3,6) . In beide gevallen gaat het om het uitschakelen van Jezus . Wanneer Jezus en zijn leerlingen 's avonds de stad Jeruzalem uitgaan , merken zij op dat de vijgeboom , die Jezus 's morgens vervloekte , tot op de wortel verdord was (Mc 11,20) . De gelijkenis met de man met de verdorde hand kan niet treffender zijn . De mens met de verdorde hand en de verdorde vijgeboom liggen in elkaars lijn .
Een mens met een verdorde hand kan zijn hand niet uitstrekken om de zegen uit te spreken . Als er geen zegen is , is er ook geen toekomst . Zo zijn de mens met de verdorde hand en de verdorde vijgeboom beelden van de toestand waarin het volk zich bevindt . De schriftgeleerden van de Farizeeën pleiten voor een status quo . Wie gezondigd heeft , valt uit de boot . Daar kan geen mens iets aan doen . Dat behoort God toe . Jezus doorbreekt dat denken . De mensenzoon (hoe je hem ook beschouwt) kan zonden vergeven . Een nieuwe gemeenschap , een messiaanse , kan opgebouwd worden . Zo kan een gemeenschap op weg gaan , de last van het verleden dragen zonder eronder gebukt te gaan , zo kan een dorre en levenloze gemeenschap weer de hand strekken , zegenen en toekomst koesteren . Voeten en handen kunnen weer tot leven komen .
De Farizeeën willen een status quo . Dat kan hen een religieus superioriteitsgevoel geven . Schriftgeleerden en hogepriesters willen een status quo . Dat verzekert hen van de nodige tienden , een economische dominatie die zich ook vertaalt in religieuze en politieke macht . Ook de koning wil een status quo . Dat verzekert hem zijn baan die de Romeinen hem schonken . Met de zondenvergeving wordt het status quo doorbroken . Tollenaars en zondaars voelen zich geroepen en volgen Jezus . Zij laten hun beroep als belastingen- en tiendeninners in de steek . Belastingen werden niet meer geïnd . Dat moet de heersende klasse van priesters , koningen en keizer pijn doen . Dat is het ondergraven van het economische en politieke bestel .
Het verhaal speelt zich af op sabbat . Het zou een dag van gelukzaligheid kunnen zijn , maar blijkbaar is het een dag van doffe ellende en uitzichtloosheid .
Het beeld van de verdorde hand roept het beeld op van de dorre beenderen die tot leven komen uit het boek Ezechiël . De uitgestrekte hand roept het beeld op van de zegen van de hogerpiester met uitgestrekte hand . De mens met de verdorde hand is beeld van de situatie van het volk en mischien ook wel van de hogepriester wiens hand in feite een verdorde hand is , wiens 'zegen' geen toekomst geeft .
De man moet in het midden komen staan . Het is een beeld dat uitdrukt dat het volk zich bevindt tussen Jezus en zijn tegenstanders . Het volk moet gewekt , wakker gemaakt worden , niet versuft neerliggen en bij de pakken blijven zitten . Het gaat om toekomst of ondergang , leven of dood . Welke kant zal het met het volk uitgaan en welke richting zullen zijn leiders nemen ? De farizeeën houden Jezus nauwlettend in het oog want zij weten wat er op het spel staat . Zij zien geen heil in de messiaanse boodschap en de messiaanse gemeenschap . Zij stellen voor om Jezus uit te schakelen .
Jezus is kwaad om zoveel starheid van de Farizeeën . De tegenstelling tussen Jezus en de Farizeeën is groot . Jezus brengt leven en toekomst . De Farizeeën kiezen voor de dood van Jezus .


96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -.

Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) Mc 6,32 Mc 7,24
Kai (en) meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd) Kai ho Ièsous...  (En Jezus...)
Kai (en) Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde)
èlthen (ging hij) anechôrèsen (week uit) apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) apèlthen (ging hij weg)
eis tèn Galilaian (naar Galilea) pros tèn thalassan (bij het meer) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus)


kat'idian (op henzelf)
 
Bbegin van Jezus' optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15
Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a
Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28

Mc 3,7 - Mc 3,7 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 kai o ièsous meta tôn mathètôn autou anechôrèsen pros tèn thalassan kai polu plèthos apo tès galilaias èkolouthèsen kai apo tès ioudaias 7 et Iesus cum discipulis suis secessit ad mare et multa turba a Galilaea et Iudaea secuta est eum 7 En Jezus trok zich met zijn leerlingen terug nan de zee, en een grote menigte uit Galilea [volgde (hem)]; In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg in de richting van het meer, maar een grote volksmenigte uit Galilea ging Hem achterna. Er kwamen ook vele mensen uit Judea, [7] Jezus week met zijn leerlingen uit in de richting van het meer. Een grote menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea [7] Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 7 En Jezus neemt met zijn leerlingen de wijk naar de zee; en vanuit Galilea volgt hem een grote menigte; ook vanuit Judea, 7. Jésus avec ses disciples se retira vers la mer et une grande multitude le suivit de la Galilée ; et de la Judée, 

Statenvertaling . 7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea,
King James Bible . [7] But Jesus withdrew himself with his disciples to the sea: and a great multitude from Galilee followed him, and from Judaea,
Luther-Bibel . 7 Aber Jesus entwich mit seinen Jüngern an den See und eine große Menge aus Galiläa folgte ihm; auch aus Judäa

>
  Mc 3,7 Mt 12,15 Lc 6,17
  7 kai o ièsous meta tôn mathètôn autou anechôrèsen pros tèn thalassan kai polu plèthos apo tès galilaias èkolouthèsen kai apo tès ioudaias 12:15 o de ièsous gnous anechôrèsen ekeithen kai èkolouthèsan autô | | [ochloi*] | polloi kai etherapeusen autous pantas 17Καὶ καταβὰς μετ' αὐτῶν ἔστη ἐπὶ τόπου πεδινοῦ, καὶ ὄχλος πολὺς μαθητῶν αὐτοῦ, καὶ πλῆθος πολὺ τοῦ λαοῦ ἀπὸ πάσης τῆς Ἰουδαίας καὶ Ἰερουσαλὴμ καὶ τῆς παραλίου Τύρου καὶ Σιδῶνος,

Tekstuitleg van Mc 3,7 . Dit vers Mc 3,7 telt 23 woorden , 46 (2 X 23) lettergrepen en 115 (5 X 23) letters. De getalswaarde van Mc 3,7 is 13699 (7 X 19 X 103) . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende hoofdzinnen . De ene zin is een overgangsvers (van de ene plaats naar de andere) , de tweede zin handelt over het samenstromen van het volk .

Mc 3,7.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .
- De vorige pericope (Mc 3,1-6) wordt verbonden met de volgende pericope (Mc 3,7-12) . Het plan om Jezus uit de weg te ruimen gaat vooraf aan het uitwijken van Jezus naar het meer . We mogen dus een verband tussen beide leggen .

Mc 3,7.2. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,7.1. - 2. δε ὁ = de ho (echter de) . Mc (8) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 6,16 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 14,44 . (7) Mc 15,7 . (8) Mc 15,39 . δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw. . NT (584) .
- ὁ δε = ho de (hij echter) . Mc () : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,27 . (8) Mc 6,37 . (9) Mc 6,38 . (10) Mc 7,6 . (11) Mc 7,27 . (12) Mc 8,33 . (13) Mc 9,12 . (14) Mc 9,19 . (15) Mc 9,21 . (16) Mc 9,23 . (17) Mc 9,27 . (18) Mc 9,39 . (19) Mc 10,3 . (20) Mc 10,18 . (21) Mc 10,20 . (22) Mc 10,21 . (23) Mc 10,22 . (24) Mc 10,24 . (25) Mc 10,36 . (26) Mc 10,38 . (27) Mc 10,42 . (28) Mc 10,48 . (29) Mc 10,50 . (30) Mc 10,51 . (31) Mc 10,52 . enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter) . NT (698) .
- και ὁ = kai ho (en de) . Mc 10 (17) : (1) Mc 2,22 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,27 . (4) Mc 4,41 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 11,33 . (8) Mc 12,20 . (9) Mc 12,21 . (10) Mc 12,26 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 13,2 . (14) Mc 13,16 . (15) Mc 14,9 . (16) Mc 14,10 . (17) Mc 14,54 . και = kai + een vorm van het bep. lidw. . NT (1489) .

Mc 3,7.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Mc 3 (1) : Mc 3,7 . Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen ; In Mc 3 slechts éénmaal een vorm van Ièsous , nl. in Mc 3,7 . Het valt op dat het onderwerp vooraan staat . Het valt toch op dat de naam Jezus in het Marcusevangelie zo weinig voorkomt . In Mc 3 slechts 1X en in Mc 4 zelfs helemaal niet .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 .   3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 . 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 .
  totaal 81 6 5 1   8 2 1 8 18

Ièsous (Jezus)  Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
nom. mann. enk. Ièsous 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
totaal 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

- יְהוֹשֻׁעַ = jëhôsju`a (Jozua) . Taalgebruik in Tenakh : jëhôsju`a (Jozua) . Getalswaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 , ajin = 16 of 70 ; totaal : 58 (2 X 29) OF 391 (17 X 23) . Structuur : 1 - 5 - 6 - 3 - 7 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (177) . Pentateuch (16) . Eerdere Profeten (152) . Joz (142) . Re (6) . 1 S (2) . 1 K (1) . 2 K (1) .
- De naam Jezus staat vooraan Mc 3,7 . Tegenover de Farizeeën en de Herodianen (Mc 3,6) staat Jezus (Mc 3,7) .

Mc 3,7.2. - 3. ὁ ιησους = ho ièsous (Jezus) . Mc (44) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,17 . (3) Mc 1,25 . (4) Mc 2,5 . (5) Mc 2,8 . (6) Mc 2,17 . (7) Mc 2,19 . (8) Mc 3,7 . (9) Mc 5,13 . (10) Mc 5,20 . (11) Mc 5,30 . (12) Mc 6,4 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 8,1 . (15) Mc 8,17 . (16) Mc 8,27 . (17) Mc 9,2 . (18) Mc 9,25.. (19) Mc 10,5 . (20) Mc 10,14 . (21) Mc 10,23 . (22) Mc 10,27 . (23) Mc 10,29 . (24) Mc 10,32 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,51 . (27) Mc 11,6 . (28) Mc 11,11 . (29) Mc 11,14 . (30) Mc 11,15 . (31) Mc 11,33 . (32) Mc 12,17 . (33) Mc 12,24 . (34) Mc 12,34 . (35) Mc 12,35 . (36) Mc 12,41 . (37) Mc 13,2 .(38) Mc 14,18 . (39) Mc 14,22 . (40) Mc 14,27 . (41) Mc 14,30 . (42) Mc 14,48 . (43) Mc 14,72 . (44) Mc 15,34 .

Mc 3,7.1. - 3. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) . NT (39) . Mt (18) . Mc (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,29 . Lc (9) : (1) Lc 5,22 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 9,41 . (4) Lc 9,42 . (5) Lc 10,30 . (6) Lc 17,17 . (7) Lc 18,40 . (8) Lc 22,51 . (9) Lc 22,52 .
- και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) . NT (7) . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 . Lc (2) : (1) Lc 18,42 . (2) Lc 20,8 . Joh (1) : Joh 2,2 .
- ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) . NT (62) . Mc (21/37) : (1) Mc 1,41 (variante lezing) . (2) Mc 5,19 (variante lezing) . (3) Mc 5,36 . (4) Mc 7,27 (variante lezing) . (5) Mc 9,23 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,39 . (8) Mc 10,18 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,38 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,42 . (14) Mc 10,52 . (15) Mc 11,29 . (16) Mc 12,29 . (17) Mc 13,5 . (18) Mc 14,6 . (19) Mc 14,62 . (20) Mc 15,5 . (21) Mc 15,37 . Lc (8) : (1) Lc 7,6 . (2) Lc 8,46 . (3) Lc 8,50 . (4) Lc 9,47 . (5) Lc 18,16 . (6) Lc 22,48 . (7) Lc 23,25 . (8) Lc 23,34 .

Mc 3,7.4. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Mc (34 + 16 + 3) . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 .

meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13
meta  34  4 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16 . 2 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 1 : Mc 4,16 .     1 : Mc 6,25 . 3 : (1) Mc 8,10 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 8,38 .   2 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .   2 : (1) Mc 10,30 . (2) Mc 10,34 .   1 : Mc 11,11 . 2 : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .  
met'  16 1 : Mc 1,36 . 2 : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .   2 : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 . .   1 : Mc 4,36 . 4 : (1) Mc 5,18 . (2) Mc 5,24 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50 .          
meth' 3             1 : Mc 8,14 1 : Mc 9,8 .        
totaal  53 4

  meta (na, met)   Mc Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  34  10 : (1) Mc 14,1 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,17 . (4) Mc 14,28 . (5) Mc 14,43 . (6) Mc 14,48 . (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62 . (9) Mc 14,67 . (10) Mc 14,70 .   3 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,7 . (3) Mc 15,31 .   2 : (1) Mc 16,12 . (2) Mc 16,19 .   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16 4 : (1) Mc 14,18 . (2) Mc 14,20 . (3) Mc 14,33 . (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50 . 737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3 1 : Mc 14,7 .     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

-- Ned. : met (Gr. με-τα = me-ta = met die dingen) . D. : mit . E. : with . Fr. : avec (< apud hoc : met dat) . Grieks : μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Lat. : cum .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .

Mc 3,7.5. bepaald. lidw. gen. mann. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
13. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn 90  4 10  13  5178  4144  1034  178  90  119  98  166  267  116     

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,7.6. gen. mann. mv. μαθητων == mathètôn (van leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT : mathètès (leerling) . Taalgebruik in de LXX : mathètès (leerling) . Mc (8) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 . (6) Mc 13,1 . (7) Mc 14,13 . (8) Mc 14,14 . Lc (7) : (1) Lc 6,17 . (2) Lc 7,18 . 3) Lc 9,40 . (4) Lc 11,1 . (5) Lc 19,29 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 22,11 . Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262) .

  mathètès (leerling) bijbel  OT  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
6 gen. mv. mathètôn 45   45 3 8 7 18 9     18  36 
  Totaal   256   256 71 43 37 77 28     151  228 

- תַלְמִיד = talëmîd (leerling) . Zie het werkw. לָמַד = lâmad (leren, onderrichten) . Taalgebruik in Tenakh : lâmad (leren, onderrichten) . Getalwaarde : lamed = 12 of 30 ; mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal : 29 of 74 (2 X 37) . Structuur : 3 - 4 - 4 . De som van de elementen is telkens 2 . Tenakh (1) : 1 Kr 25,8 .

Mc 3,7.4. - 6. μετα των μαθητων = meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . NT (8) : Mt (1) : Mt 26,18 . Mc (3) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 8,10 . (3) Mc 14,14 . Lc (1) : Lc 22,11 . Joh (3) : (1) Joh 6,3 . (2) Joh 11,54 . (3) Joh 18,2 .

Mc 3,7.7. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 3,7.6. - 7. μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen) . NT (22) : (1) Mt 10,1 . (2) Mt 12,49 . (3) Mt 14,22 . (4) Mt 15,32 . (5) Mt 16,13 . (6) Mt 26,45 .. (7) Mc 6,45 . (8) Mc 8,1 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 8,33 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 12,43 . (13) Lc 5,30 . (14) Lc 6,13 . (15) Lc 6,20 .  (16) Lc 9,1 (variante lezing) . (17) Lc 9,14 . (18) Lc 9,43 . (19) Lc 11,1 . (20) Lc 12,1 . (21) Lc 12,22 .  (22) Lc 16,1 . Mt (6) . Mc (6) . Lc (10) .
- μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen) . NT (58) . Mt (19) . Mc (13) . Lc (7) . Joh (19) .
- μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen) . NT (27) . Mt (2) . Mc (7) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 . (6) Mc 13,1 . (7) Mc 14,13 . Lc (4) . Joh (14) .
- μαθηταις αυτου = mathètais autou (aan zijn leerlingen) . NT (29) . Mt (14) . Mc (10) . Lc (1) . Joh (4) .
- Totalen . NT (136) . Mt (41) . Mc (36) . Lc (22) . Joh (37) .

Mc 3,7.4. - 7. μετα των μαθητων αυτου = meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) . NT (5) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 8,10 . Joh (3) : (1) Joh 6,3 . (2) Joh 11,54 . (3) Joh 18,2 .

Mc 3,7.2. - 7. Jezus met zijn leerlingen . De uitdrukkelijke vermelding van de naam Jezus gevolgd door μετα των μαθητων αυτου = meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) komt in het NT slechts 2X voor : (1) Mc 3,7 . (2) Joh 18,2 . In Joh 18,2 lezen we : Judas kende de plaats waar Jezus dikwijls met zijn leerlingen verzamelde . In Mc 3,7 is er dreiging van buitenaf , nl. van de Farizeeën en de Herodianen . In de volgende pericope zullen we terloops vernemen dat de dreiging ook van binnenuit komt .
- Marcus houdt van tweevoud ; in Mc 3,6 : de Farizeeën met de Herodianen . In Mc 3,7 : Jezus met zijn leerlingen .

Mc 3,7.8. act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεχωρησεν = anechôrèsen (hij week uit) van het werkw. αναχωρεω = anachôreô (uitwijken) . Taalgebruik in het NT : anachôreô (uitwijken) . Taalgebruik in de LXX : anachôreô (uitwijken) . Bijbel (15) . LXX (6) : (1) Ex 2,15 . (2) Joz 8,15 . (3) Re 4,17 . (4) 1 S 19,10 . (5) Jr 4,29 . (6) Hos 12,13 . NT (9) : (1) Mt 2,14 . (2) Mt 2,22 . (3) Mt 4,12 . (4) Mt 12,15 . (5) Mt 14,13 . (6) Mt 15,21 . (7) Mt 27,5 . (8) Mc 3,7 . (9) Joh 6,15 . Een vorm van αναχωρεω = anachôreô (uitwijken) in de LXX (14) , in het NT (14) , in Mt (10) , in Mc (1) , in Joh (1) , in Hnd (2) .
- Jezus wijkt uit naar de zee . Het is een afdalen . Nochthans gebruikt Mc een werkw. met ανα- = ana- naar boven , hogerop ; χωριον = chôrion is een streek , plaats . Het betekent dus naar een hogere plaats gaan . De betekenis van uitwijken komt dan voort uit het idee van de bergen opzoeken als veiligheidsoord . We zeggen : de zee of het meer opvaren . Op zee gaan heeft de idee van gaan naar de horizon , naar boven gaan . Beter vertaald zou dus zijn : hij verplaatste zich hogerop in de nabijheid van het meer .
- Van Cangh (2005, 108) : hithpaël perf. 3de pers. mann. enk. הִתְרַחֵק = hithëracheq (hij week uit, hij trok zich terug) van het werkw. רָחַק = râchaq (ver zijn, zich verwijderen) . Taalgebruik in Tenakh : râchaq (ver zijn, zich verwijderen) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , chet = 8 , qof = 19 of 100 ; totaal : 47 OF 308 (2² X 7 X 11) . Structuur : 2 - 8 - 1 . De som van de elementen is telkens 4 . Van Cangh verwijst naar Jastrow (1903, 1469) . Jezus hield zich verre van Farizeeën en Herodianen . De kloof tussen hen en Jezus met zijn leerlingen wordt groter .
- Na de overlevering van Johannes de Doper ging Jezus naar Galilea (Mc 1,14) . In Mc 3,7 wijkt Jezus uit . Uitwijken is sterker dan gaan . In Mc 3,6 is immers gezegd dat Farizeeën en Herodianen Jezus willen uitschakelen . In Ex 2,15 wijkt Mozes uit omdat de Farao hem wil doden omwille van de moord op een Egyptenaar . Werd de keuze van Marcus voor het werkw. αναχωρεω = anachôreô (uitwijken) bepaald door het verhaal van Mozes ?

Mc 3,7.9. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Meestal bij personen . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,31 . Hier wordt het voor de vijfde maal gebruikt . Voor het eerst wordt ερχεται= erchetai in combinatie met προς αυτον = pros auton (hij gaat naar hem) gebruikt . Misschien betekent het hier niet louter 'naar' , maar 'in de nabijheid van' .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352 

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
    62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

Mc 3,7.10. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
9. acc. vr. enk. tèn 109  12 4 5 9 9 11 10 4 5 11 5 6 3 7 6 2 6161  4889  1272  180  109  149  121  198  404  111  438  559 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,7.11. acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het NT : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in de LXX : thalassa (zee meer) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . In Mc 1 zijn er twee vormen van θαλασσα = thalassa : (1) Mc 1,16 (dat. θαλασσῃ = thalassè(i) . (2) Mc 1,16 (acc. θαλασσαν = thalassan) . Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X) : (1) Mc 1,16 (2 vormen) . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 4,2 . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 4,41 . (8) Mc 5,1 . (9) Mc 5,13 (2 vormen) . (10) Mc 5,21 . (11) Mc 6,47 . (12) Mc 6,48 . (13) Mc 6,49 . (14) Mc 7,31 . (15) Mc 9,42 . (16) Mc 11,23 .

  thalassa (zee)   bijbel OT Pentateuch Vroege prof. 12 kl. prof. Grote prof. Hagiografen dt. -can. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1 nom. vr. enk. thalassa 49  43  11  15             
2 gen. vr. enk. thalassès  176  148  33  24  13  36  24  18  28  14 
3 dat. vr. enk. thalassè(i)   36  23  13     
4 acc. vr. enk. thalassan  185  145  31  33  12  39  23  40  10  19  21   
  totaal 446  359  70  69  34  91  67  28  87  15  18  10  24  36  45 

  thalassa (zee)   NT Mt Mt Mc Mc Lc Lc Joh Joh  //
1 nom. vr. enk. thalassa  1 : Mt 8,27 . 1 : Mc 4,41 .     1 : Joh 6,18 . 1 : Mt 8,27 // Mc 4,41 .  
2 gen. vr. enk. thalassès  28  3 : (1) Mt 4,15 . (2) Mt 14,26 . (3) Mt 18,6 . 4 : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 6,47 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 6,49 . 1 : Lc 21,25 . 6  : (1) Joh 6,1 . (2) Joh 6,17 . (3) Joh 6,19 . (4) Joh 6,22 . (5) Joh 6,25 . (6) Joh 21,1 . 2 : (1)  Mt 14,26 // Mc 6,49 . (2) Mt 18,6 // Mc 9,42 // Lc 17,2 .
3 dat. vr. enk. thalassè(i)   13  2 : (1) Mt 8,24 . (2) Mt 8,26 . 4 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 . 1 : Lc 17,6 .     (1) Mt 8,26 //  Mc 4,39 .
4 acc. vr. enk. thalassan  40  9 : (1) Mt 4,18 . (2) Mt 8,32 . (3) Mt 13,1 . (4) Mt 13,47 . (5) Mt 14,25 . (6) Mt 15,29 . (7) Mt 17,27 . (8) Mt 21,21 . (9) Mt 23,15 . 9 : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . 1 : Lc 17,2 . 2 : (1) Joh 6,16 . (2) Joh 21,7 .   (1)  Mt 4,18 // Mc 1,16 . (2) Mt 8,32 // Mc 5,13 . (3) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (4) Mt 14,25 // Mc 6,48 . (5) Mt 15,29 // Mc 7,31 . (5) Mt 21,21 // Mc 11,23 .
  totaal 87  15  15  18  18   

- Hebreeuws : יָם = jâm (zee, meer, stroom) . Taalgebruik in Tenakh : jâm (zee, meer, stroom) . Getalwaarde : jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal : 23 OF 50 (2 X 5²) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- Langs het meer van Galilea werden leerlingen geroepen (Mc 1,16-20 ; Mc 2,13-14) . Nu wijkt Jezus uit naar het meer uit veiligheid . Opvallend is het gebruik van het voorzetsel προς = pros (naar, bij) , dat meestal bij personen gebruikt wordt . Het lijkt alsof het meer een veilige persoon is om naar toe te gaan . Het meer op zich is ook een onveilige plek . Daarin huizen ook demonen .

Mc 3,7.10. - 11. την θαλασσαν = tèn thalassan (de zee, het meer) . NT (37/40) . Mt (9) . Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 . Lc (1) . Joh (2) . Hnd (6) . Apk (10) . Niet in drie verzen : (1) Hnd 10,6 . (2) Hnd . (3) Heb 11,29 .
- הַּיָּם = hajjâm (de zee) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. יָם = jam . Tenakh (127) . Pentateuch (28) . Eerdere Profeten (19) . Latere Profeten (36) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (25) .

Mc 3,7.9. - 11. προς την θαλασσαν = pros tèn thalassan (naar de zee, het meer) . NT (3) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 7,31 .

Mc 3,7.1. - 11. Na de overlevering van Johannes (Mc 1,9) ging Jezus vanuit de woestijn naar Galilea . In Mc 3,7 wijkt Jezus uit naar het meer nadat de Farizeeën en de Herodianen een plan hebben gesmeed om Jezus uit de weg te ruimen .

Mc 3,7.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,7.13. nom. onz. enk. πολυ = polu (veel, talrijk) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Taalgebruik in de LXX : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) . Mc (3) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . (3) Mc 12,27 .

  polus (veel)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom. + voc. + acc. onz. + voc. mann. enk.  polu 90 69 21 0 3 5 0 5 7 1 8 8 5 2

- N. : veel . D. : viel . E. many . Fr. : nombreux (tal-rijk) . Lat. : multus . Gr. : πολυς = polus (veel) . Taalgebruik in het NT : polus (veel) . Hebr. : רַב = rab (veel, talrijk, groot) . Taalgebruik in Tenakh : rab (veel, talrijk, groot) .

Mc 3,7.14. nom. + acc. onz. enk. πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in de LXX : plèthos (menigte, veelheid) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . Lc (8) : (1) Lc 1,10 . (2) Lc 2,13 . (3) Lc 5,6 . (4) Lc 6,17 . (5) Lc 8,37 . (6) Lc 19,37 . (7) Lc 23,1 . (8) Lc 23,27 . Joh (1) : Joh 5,3 . Hnd (12) : (1) Hnd 2,6 . (2) Hnd 5,16 . (3) Hnd 6,2 . (4) Hnd 14,1 . (5) Hnd 14,4 . (6) Hnd 15,12 . (7) Hnd 15,30 . (8) Hnd 17,4 . (9) Hnd 21,36 . (10) Hnd 23,7 . (11) Hnd 25,24 . (12) Hnd 28,3 . Jac (1) : Jak 5,20 . 1 Pe (1) : 1 Pe 4,8 . Een vorm van πληθος = plèthos in de LXX (288) , in het NT (31) , in Mc (2) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . In de LXX is πληθος = plèthos de vertaling van 17 verschillende Hebreeuwse woorden .
- Ned.: menigte , veelheid . D. : die Menge . E. : multitude . Fr. multitude . Grieks : πληθος = plèthos (menigte, veelheid) . Taalgebruik in het NT : plèthos (menigte, veelheid) . Lat. : multitudo .

Mc 3,7.13. - 14. πολυ πληθος = polu plèthos (tarijke menigte, veelheid) . Bijbel (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Lc 23,27 . (3) Hnd 14,1 . (4) Hnd 17,4 .
- πληθος πολυ = plèthos polu (tarijke menigte, veelheid) . Bijbel (4) : (1) Mc 3,8 . (2) Lc 5,6 . (3) Lc 6,17 . (4) Joh 5,3 .
- We hebben met een spiegeluitdrukking te maken . Twee staan tegenover elkaar ; mannelijk , vrouwelijk ; samen een totaliteit .
- In plèthos zit ook het woord polus (veel) . We zouden kunnen vertalen : mass's massa's .

Mc 3,7.15. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in de LXX : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14
apo 33 1 :  Mc 1,9 .   3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,22 .   5 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,17 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,35 . 2 :   (1) Mc 6,33 . (2) Mc 6,43 4  : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 . 3 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 8,15   2 :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 . 2   (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 . 3 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 . 1 : Mc 13,28 . 1 : Mc 14,54 .
ap'  12  1 : Mc 1,42 . 2   (1) Mc 2,20 . (2) Mc 2,21 .   1 : Mc 4,25 .     2   (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,6 .           2   (1) Mc 13,19 . (2) Mc 13,27 . 2   (1) Mc 14,35. (2) Mc 14,36.
totaal   45   

  Mc Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
apo 33 5  : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,40 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 . 1 : Mc 16,8 . 2984 2544 440 82 33 73 19 93 115 25 188  207 
ap'  12  2   (1) Mc 15,21 . (2) Mc 15,38 .   567  445  122  22  12  32  15  12  26  66  81 
totaal   45  3734 3130  604  105  45  114  40  111 160  29   264 304 

- מִן = min (uit) . Taalgebruik in Tenakh : min (uit) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 27 (3³) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (645) . Pentateuch (195) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (62) . 12 Kleine Profeten (21) . Geschriften (221) .

Mc 3,7.16. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (3) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,8

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,7.17. gen. vr. enk. γαλιλαιας = Galilaias (Galilea) van de plaatsnaam γαλιλαια = galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het NT : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in de LXX : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) . LXX (4) : (1) Joz 12,13 . (2) 1 Mak 5,14 . (3) 1 Mak 5,23 . (4) 1 K 10,30 . Een vorm van γαλιλαια = Galilaia (Galilea) in het NT (63) , in Mc (12) . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) . In Mc 6,21 staat het in verband met Herodes (het verjaardagsfeest van de dochter van Herodes) .

  Galilaia (Galilea)  Mc Mc 1 Mc 3 Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd syn.  ev. 
1 nom. + dat. vr. enk. Galilaia(i)               1 : Mc 15,41   20  13   
2 gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 .  (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 .   (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,31 (7) Mc 9,30       40  36  10  25  33 
3 acc. vr. enk. Galilaian   (1) Mc 1,14 . (2) Mc 1,39 .           (3) Mc 14,28 .     (4) Mc 16,7 . 25  8 17    11  17 
  totaal  12  85  25  60  16  12  13  16  41  57 
  apo tès Galilaias (vanaf Galilea)  1 : (1) Mc 1,9 . (1) Mc 3,7 .             10       
  dia tès galilaias (door Galilea)         1 : Mc 9,30 .                          
  eis tèn Galilaian (naar Galilea)   (1) Mc 1,14 . En : Mc 1,28 . En :  Mc 1,39 .     En : Mc 7,31 .     (2) Mc 14,28   (3) Mc 16,7 . 16       
  en tè(i) Galilaia(i) (in Galilea) 1             1 : Mc 15,41   16  10  1      
      Mc 1,16 .                                    

Mc 3,7.15. - 17. απο της γαλιλαιας = apo tès Galilaias (vanaf Galilea) . NT (10) . Mt (4) : (1) Mt 3,13 . (2) Mt 4,25 . (3) Mt 19,1 . (4) Mt 27,55 . Mc (1) Mc 3,7 . Lc (3) : (1) Lc 2,4 . (2) Lc 23,5 . (3) Lc 23,49 . Hnd (2) : (2) Hnd 10,37 . (3) Hnd 13,31 .
- απο ναζαρετ της γαλιλαιας = apo nazaret tès Galilaias = van Nazaret van Galilea) . Bijbel (2) : (1) Mc 1,9 . (2) Mt 21,11 .
- εις την γαλιλαιαν = eis tèn galilaian (naar Galilea) . NT (16) . Mc (3) : (1) Mc 1,14 . (2) Mc 14,28 . (3) Mc 16,7 en 1X in de uitdrukking : εις την ὁλην την γαλιλαιαν = eis tèn holèn tèn Galilaian (naar heel Galilea) (Mc 1,39) . Verder : (1) Mc 1,28 (εις ὁλην την περιχωρον της γαλιλαιας = eis holèn tèn perichôron tès galilaias = naar de hele omgeving van Galilea) . (2) Mc 7,31 (εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = eis tèn thalassan tès Galilaias = naar het meer van Galilea) .
- In Mc 1,5 wordt gezegd dat de hele landstreek van Judea en alle Jeruzalemmers naar Johannes de Doper uittrokken . Ook uit Galilea gingen er mensen naar Johannes , zoals Jezus (Mc 1,9) . Jezus kwam uit Nazaret van Galilea . Wanneer Jezus naar het meer uitwijkt , gaat een grote menigte uit Galilea , de onmiddellijke regio , naar Jezus . De toestroom naar Jezus was al groot , maar nu nog groter ; het is als 't ware dat heel Palestina en nog meer naar Jezus toestroomt , ditmaal niet weg van de tempel , maar wel weg van de synagogen en van hun leermeesters , rabbis en Farizeeën . De grote menigte hongert naar een woord dat hen aanspreekt .
- Zeven plaatsen worden genoemd ( 5 + 2) . Er wordt een beweging gemaakt van ter plaatse (Galilea) , naar het Zuiden (Judea , Jeruzalem , Idumea) , naar het Oosten (over de Jordaan) , naar het Noorden (Tyrus en Sidon) . Het is een beweging in tegenwijzerzin .

Mc 3,7.18. Variante lezing : act. ind. aor. 3de pers. enk. ηκολουθησεν = èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw. ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in de LXX : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) , Mt (25) , Mc (18) , Lc (17) , Joh (19) , Hnd (4) . In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn .

  akoloutheô (volgen)  Mc Mc 1  Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 14 Mc 15 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
  act. ind. aor. 3de pers. enk. èkolouthèsen   (1) Mc 2,14 .   (1) Mc 3,7 .               (1) Mc 14,54 .          

- Hebr. : gaan achter ; הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) .
- Ned . : volgen . Arabisch : تَبِعَ = tabi`a (volgen) . Taalgebruik in de Qoran : tabi`a (volgen) . D. : folgen . E. : to follow . Fr. suivre . Grieks : ακολουθεω = akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het NT : akoloutheô (volgen) . Hebr. : הָלַך אַחֲרָיו = hâlakh ´achärâ(j)w (gaan achter = volgen) . Taalgebruik in Tenakh : hâlakh (gaan) en Taalgebruik in Tenakh : ´achäre(j) (achter) . Lat. : sequi - secutus .

Mc 3,7.19. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,7.20. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in de LXX : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14
apo 33 1 :  Mc 1,9 .   3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,22 .   5 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,17 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,35 . 2 :   (1) Mc 6,33 . (2) Mc 6,43 4  : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 . 3 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 8,15   2 :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 . 2   (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 . 3 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 . 1 : Mc 13,28 . 1 : Mc 14,54 .
ap'  12  1 : Mc 1,42 . 2   (1) Mc 2,20 . (2) Mc 2,21 .   1 : Mc 4,25 .     2   (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,6 .           2   (1) Mc 13,19 . (2) Mc 13,27 . 2   (1) Mc 14,35. (2) Mc 14,36.
totaal   45   

  Mc Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
apo 33 5  : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,40 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 . 1 : Mc 16,8 . 2984 2544 440 82 33 73 19 93 115 25 188  207 
ap'  12  2   (1) Mc 15,21 . (2) Mc 15,38 .   567  445  122  22  12  32  15  12  26  66  81 
totaal   45  3734 3130  604  105  45  114  40  111 160  29   264 304 

- מִן = min (uit) . Taalgebruik in Tenakh : min (uit) . Getalwaarde : mem = 13 of 40 , nun = 14 of 50 ; totaal : 27 (3³) OF 90 (2 X 3² X 5) . Structuur : 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 9 . Tenakh (645) . Pentateuch (195) . Eerdere Profeten (146) . Latere Profeten (62) . 12 Kleine Profeten (21) . Geschriften (221) .

Mc 3,7.21. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (3) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,8

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 3,7.22. gen. vr. enk. ιουδαιας = ioudaias (van Judea) van het zelfst. naamw. ιουδαια = ioudaia (Judea) . Taalgebruik in het NT : ioudaia (Judea) . Taalgebruik in de LXX : ioudaia (Judea) . Een vorm van ιουδαια = ioudaia (Judea) in het NT (44) .

  ioudaia (Judea)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
1.   nom. vr. enk. ioudaia(i)  42  30  12  2 : (1) Mc 1,5 . (2) Mc 13,14 .    
2.  gen. vr. enk. ioudaias   74  47  27  2 : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 10,1 .  § 15  17   
  totaal 145  98  47  10  14    22  29   

- Hebreeuws . יְהוּדָה = jëhûdâh (Juda) . Taalgebruik in Tenakh : jëhûdâh (Juda) . Getalwaarde : jod = 10 , he = 5 , waw = 6 , daleth = 4 ; totaal : 32 (2² X 2³) . Structuur : 1 - 5 - 4 - 5 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (633) . Pentateuch (40) . Eerdere Profeten (178) . Latere Profeten (190) . 12 Kleine Profeten (53) .

Mc 3,7.20. - 22. απο της ιουδαιας = apo tès ioudaias (vanaf Judea) . Bijbel (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Hnd 12,19 . (3) Hnd 15,1 . (4) Hnd 21,10 . (5) Hnd 28,21 .


- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -- bijbeloverzicht -- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


Mc 3,8 - Mc 3,8 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 kai apo ierosolumôn kai apo tès idoumaias kai peran tou iordanou kai peri turon kai sidôna plèthos polu akouontes osa epoiei èlthon pros auton 8 et ab Hierosolymis et ab Idumea et trans Iordanen et qui circa Tyrum et Sidonem multitudo magna audientes quae faciebat venerunt ad eum 8 en uit Judea en uit Jeruzalem en uit Idumea en van de overkant van de Jordaan,, en van rondom Tyrus en Sidon, kwam een grote menigte naar hem, die gehoord had al wat hij deed. Jeruzalem, Iduméa, uit het Overjordaanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem, omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed. [8] en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan, en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwam een grote menigte. Toen ze hoorden wat Hij allemaal deed, kwamen ze naar Hem toe. [8] en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 8 vanuit Jeruzalem, en vanuit Idumea, de overzij van de Jordaan en van rondom Tyrus en Sidon,– een grote menigte: als ze horen wat hij doet komen ze tot hem. 8. de Jérusalem, de l'Idumée, de la Transjordane, des environs de Tyr et de Sidon, une grande multitude, ayant entendu tout ce qu'il faisait, vint à lui. 

Statenvertaling . 8 en van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
King James Bible . [8] And from Jerusalem, and from Idumaea, and from beyond Jordan; and they about Tyre and Sidon, a great multitude, when they had heard what great things he did, came unto him.
Luther-Bibel . 8 und Jerusalem, aus Idumäa und von jenseits des Jordans und aus der Umgebung von Tyrus und Sidon kam eine große Menge zu ihm, die von seinen Taten gehört hatte.

>
  Mc 3,8   Lc 6,17
  8 kai apo ierosolumôn kai apo tès idoumaias kai peran tou iordanou kai peri turon kai sidôna plèthos polu akouontes osa epoiei èlthon pros auton   6:17 kai katabas met autôn estè epi topou pedinou kai ochlos polus mathètôn autou kai plèthos polu tou laou apo pasès tès ioudaias kai ierousalèm kai tès paraliou turou kai sidônos 

Tekstuitleg van Mc 3,8 . Het vers Mc 3,8 telt 25 woorden en 120 letters . De getalswaarde van Mc 3,8 is 11560 (2³ X 5 X 17²) . Het eerste deel van Mc 3,8 behoort nog tot de tweede zin van Mc 3,7 . In dit versdeel komt 5X και = kai (en) voor om zinsdelen met elkaar te verbinden .

Mc 3,8.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,8.2. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in de LXX : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
apo 33 1 :  Mc 1,9 .   3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,22 .   5 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,17 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,35 . 2 :   (1) Mc 6,33 . (2) Mc 6,43 4  : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 . 3 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 8,15   2 :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 . 2   (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 . 3 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 . 1 : Mc 13,28 . 1 : Mc 14,54 . 5  : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,40 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 . 1 : Mc 16,8 . 2984 2544 440 82 33 73 19 93 115 25 188  207 
ap'  12  1 : Mc 1,42 . 2   (1) Mc 2,20 . (2) Mc 2,21 .   1 : Mc 4,25 .     2   (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,6 .           2   (1) Mc 13,19 . (2) Mc 13,27 . 2   (1) Mc 14,35. (2) Mc 14,36. 2   (1) Mc 15,21 . (2) Mc 15,38 .   567  445  122  22  12  32  15  12  26  66  81 
totaal   45    3734 3130  604  105  45  114  40  111 160  29   264 304 

Mc 3,8.3. ἱεροσολυμα = hierosoluma (Jeruzalem) . Taalgebruik in het NT : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in de LXX : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .

  Hierosoluma (Jeruzalem)   Mc 3 Mc 7 Mc 10 Mc 11 Mc 15 bijbel ΟΤ ΝΤ Mt Mc Lc Joh Hnd Br. syn.  ev.  P. 
nom. + acc. onz. mv. hierosoluma     2  : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . 4 : (1)Mc 11,1 . (2) Mc 11,11 . (3) Mc 11,15 . (4) Mc 11,27 . 1 : Mc 15,41 .   53  16  37  11  19  23 
gen. onz. mv. hierosolumôn  2 : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,22 . 1 : Mc 7,1 .       17 6 11 2 3   2 4   5 7  
  totaal 97  35  62  11  10  12  22  25  37 

- ἱεροσολυμα = Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel απο = apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door εις = eis (naar) + acc. (Hierosoluma) .
-- απο ἱεροσολυμων = apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Bijbel . LXX (4) . NT (7) . Mt (1) Mt 15,1 . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 . Hnd (3) : (1) Hnd 1,4 . (2) Hnd 11,27 . (3) Hnd 25,7 .
-- εις ἱεροσολυμα = eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 3,8.4. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat.: et .

Mc 3,8.5. απο = apo (af, van-weg) ; afkorτing απ' = ap' en αφ' = af' . Taalgebruik in het NT : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in de LXX : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .

  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
apo 33 1 :  Mc 1,9 .   3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 . (3) Mc 3,22 .   5 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,17 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 5,34 . (5) Mc 5,35 . 2 :   (1) Mc 6,33 . (2) Mc 6,43 4  : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 . 3 : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,11 . (3) Mc 8,15   2 :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 . 2   (1) Mc 11,12 . (2) Mc 11,13 . 3 : (1) Mc 12,2 . (2) Mc 12,34 . (3) Mc 12,38 . 1 : Mc 13,28 . 1 : Mc 14,54 . 5  : (1) Mc 15,30 . (2) Mc 15,32 . (3) Mc 15,40 . (4) Mc 15,43 . (5) Mc 15,45 . 1 : Mc 16,8 . 2984 2544 440 82 33 73 19 93 115 25 188  207 
ap'  12  1 : Mc 1,42 . 2   (1) Mc 2,20 . (2) Mc 2,21 .   1 : Mc 4,25 .     2   (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,6 .           2   (1) Mc 13,19 . (2) Mc 13,27 . 2   (1) Mc 14,35. (2) Mc 14,36. 2   (1) Mc 15,21 . (2) Mc 15,38 .   567  445  122  22  12  32  15  12  26  66  81 
totaal   45    3734 3130  604  105  45  114  40  111 160  29   264 304 

6. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (3) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,8

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

7. gen. vr. enk. ιδυμαιας = idumaias (van Idumea) van het zelfst. naamw. ιδυμαια = idumaia (Idumea) . Taalgebruik in het NT : idumaia (Idumea) . Taalgebruik in de LXX : idumaia (Idumea) . Bijbel (19) . LXX (18) . NT = Mc (1) : Mc 3,8 .

Mc 3,8.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Niet