MARCUSEVANGELIE DERDE HOOFDSTUK , MC 3 -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -
- Mc 3,1-6 -- Mc 3,7-12 -- Mc 3,13-19 -- Mc 3,20-21 -- Mc 3,22-27 -- Mc 3,28-30 -- Mc 3,31-35 -- Mc 3,20-35 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Tekstuitleg per pericope - Mc 3,1-6 -- Mc 3,7-12 -- Mc 3,13-19 -- Mc 3,20-21 -- Mc 3,22-27 -- Mc 3,28-30 -- Mc 3,31-35 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - Mc 3,20 - Mc 3,21 - Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - Mc 3,31 - Mc 3,32 - Mc 3,33 - Mc 3,34 - Mc 3,35 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible   11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 .
- proskaleô (bij zich roepen), zie Mc 3,23 en Mc 3,13 .
Bibliografie

Literatuur .
Liturgisch gebruik

- 9de (negende) zondag door het b-jaar .
- Mc 3,20-35 : 10de (tiende) zondag door het b-jaar .
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie :
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -
97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -
116. Onbegrip van Jezus'verwanten : Mc 3,20-21 -
118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -
119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -
123. Jezus'ware verwanten : Mc 3,31-35 - Mt 12,46-50 - Lc 8,19-21 -

 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -

- Lohse, Eduard. “Jesu Worte über den Sabbat.” IN: Jusentum, Urchristentum, Kirche: Festschrift für Joachim Jeremias. Hrsg. Von Walter Eltester. Berlin, A. Töpelmann, 1960, p.79-89 . Eduard Lohse is a prominent name in German New Testament exegesis. Born in 1924, after a career as a biblical scholar, having taught in Kiel and Göttingen, he was also rector and pro-rector of the University of Göttingen 1969.971 during some of the most difficult years of German university history. He became a Bishop of the Evangelisch-Lutherische Kirche Hannover (one of the larger German Lutheran churches) in 1971, succeeding Hanns Lilje. This position he held until his retirement in 1988. In later years he once again taught at many universities all over the world. From 1988 to 1996 he was also President of the United Bible Societies. A short autobiographical statement of his has recently been published in Eve-Marie Becker, ed., Neutestamentliche Wissenschaft: Autobiographische Essays aus der Evangelischen Theologie (Tübingen: Francke, 2003), 9.17.

Om de directe rede in te leiden gebruikt Marcus het werkwoord legô (zeggen) . In dit verhaal staat het telkens in de onvoltooid tegenwoordige tijd . De woordvolgorde van de zin is : eventueel het nevenschikkend voegwoord kai (en) , het werkwoord , de bestemmeling (de man , de Farizeeën samen met de Herodianen) .

Mc 3,3 Mc 3,4 Mc 3,5
kai (en) kai (en)  
legei (hij zegt) legei (hij zegt) legei (hij zegt)
tôi anthrôpôi (aan de mens) autois (aan hen) tôi anthrôpôi (aan de mens)
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 -    

De indeler van de verzen heeft zich hoofdzakelijk laten leiden door de wisseling van de personages of door de wisseling van de bestemmeling bij eenzelfde personage . Uitzondering hierop vormen de twee nevenschikkende zinnen (Mc 3,5c) waar de gehandicapte uitvoert wat Jezus gebiedt en genezen wordt . Ook de voorstelling van de man in Mc 3,1b gaf geen aanleiding tot een nieuw vers . Zo werd de versindeling bepaald door de twee actoren : Jezus en zijn tegenstanders . Ook de reactie van de tegenstanders in Mc 3,4c gaf geen aanleiding tot een nieuw vers . Het valt echter op dat hier het zachte partikel de (echter) wordt gebruikt en in alle andere gevallen het nevenschikkend voegwoord kai (en) nl. 9X telkens als verbindend voegwoord van een nevenschikkende zin . Van deze 9 gevallen staan er 6 bij het begin van een vers .
Na kai (en) of de (echter) staat het vervoegd werkwoord of het werkwoord in de participiumvorm nominatief als bijstelling bij het onderwerp van de hoofdzin .
De werkwoordvormen zijn tegenwoordige tijd (indicatief en participium praesens) en verschillende vormen van verleden tijd (imperfectum en aorist) .
Deze pericope had 9 verzen mogen tellen .
In deze pericope is de gehandicapte slechts 1X actief : nl. bij het uitstrekken van zijn hand (Mc 3,5c1) . Door de versindeling valt de man helemaal in de plooien van het verhaal en wordt de tegenstelling tussen Jezus enerzijds en de Farizeeën en Herodianen anderzijds nog versterkt . In het verhaal is de situatie van de man aanleiding tot een twist tussen Jezus en zijn tegenstanders .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Mc 3,1a (Jezus) Mc 3,1 (de gehandicapte) Mc 3,2 (tegenstanders) Mc 3,3 (Jezus tot de gehandicapte) Mc 3,4 (Jezus tot de tegenstanders) Mc 3,4 Mc 3,5 (Jezus tot de gehandicapte) Mc 3,5c1 Mc 3,5c2 Mc 3,6 (de tegenstanders)
Kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) oi de (zij echter) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
eisèlthen (hij ging naar) èn ekei (daar was een mens) anthrôpos paretèroun (zij sloegen gade) legei (hij zegt) legei (hij zegt) esiôpôn (zwegen) periblexamenos (om zich heen gekeken) autous (naar hen) ... legei (zegt hij) exeteinen (hij strekte uit) apekatestathè hè cheir autou (en zijn hand werd hersteld) exelthontes hoi Farisaioi ... meta tôn Hèrôdiôn (de Farizeeën samen met de Herodianen naar buiten gaand ) sumboulion edidoun (pleegden overleg)
    auton (hem) tôi anthrôpôi (aan de mens) autois (aan hen)   tôi anthrôpôi (aan de mens)     kat'autou (tegen hem)  

Een wonderverhaal en een twistgesprek tussen Jezus en zijn tegenstanders werden met elkaar verweven . Het wonderverhaal kan losgeweekt worden uit het geheel . Iedere zin wordt ingeleid door het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Dan volgt het vervoegd werkwoord in verschillende vormen (imperfectum , praesens , aorist) . Tussen de hand en de eigenschap van de hand staat het werkwoord echô (hebben) . Tegenover exèrammenèn echôn tèn cheira (verschrompeld hebbende de hand) staat in Mc 3,5d2 : kai katestathè hè cheir autou (en werd hersteld zijn hand) : een inclusio .

Mc 3,1b Mc 3,5a. Mc 3,5b Mc 3,5d1 Mc 3,5d2
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en)
èn (er was) legei (hij zegt)    
ekei (daar)      
anthrôpos (een man) tôi anthrôpôi (aan de man) tôi    
exèrammenèn (verschrompeld) tèn chiera (de hand)   katestathè (werd hersteld)
echôn (hebbende) echonti (hebbende)    
tèn cheira (de hand) xèran (verschrompeld)   hè cheir autou (zijn hand)
  Mc 3,5b ekteinon (strek uit) exeteinen (en hij strekte ze uit)  
  tèn cheira (de hand)     

Mc 3,1-6 is alternerend opgebouwd : Mc 3,1 - Mc 3,3 - Mc 3,5 en Mc 3,2 - Mc 3,4 - Mc 3,6 .

Mc 3,1 - Mc 3,1 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn. kai èn ekei anthrôpos exèrammenèn echôn tèn cheira   et introivit iterum synagogam et erat ibi homo habens manum aridam  En hij kwam weer binnen in de synagoge. En er was daar een man die de hand verdord had.  1 Op een andere keer ging Hij naar de synagoge, waar een man aanwezig was met een verschrompelde hand. Hij kwam weer in de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.   Weer ging hij naar de synagoge. Daar was iemand met een verschrompelde hand.  Weer gaat hij de synagoge binnen. Er is daar een mens wiens rechterhand is uitgedroogd; 1. Il entra de nouveau dans une synagogue, et il y avait là un homme qui avait la main desséchée. 

Statenvertaling . 1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens, hebbende een verdorde hand.
King James Bible . [1] And he entered again into the synagogue; and there was a man there which had a withered hand.
Luther-Bibel . 1 Und er ging abermals in die Synagoge. Und es war dort ein Mensch, der hatte eine verdorrte Hand.

Tekstuitleg van Mc 3,1 . Dit vers Mc 3,1 telt 14 (2 X 7) woorden , 29 lettergrepen en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 3,1 is 6892 (2 X 2 X 1723) . Dit vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen , verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) .

Mc 3,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,1.2. ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging naar) van het werkwoord eiserchomai (gaan naar, binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) .
In vijf verzen bij Mc : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 . In 3 / 5 is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . In Mc 2,26 is David onderwerp , in Mc 15,43 Jozef van Armatea .
Hier betreft het een binnengaan in een synagoge . Dit verhaal omsluit de verhalenreeks Mc1,21-3,6 waarbij het eerste en het laatste verhaal zich afspeelt in de synagoge . Eisèlthen (hij ging binnen) linkt Mc 3,1 met eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge binnengegaan) van Mc 1,21 . Het linkt Mc 3,1 ook met exelthontes (buitengegaan) van Mc 3,6 .
In Mc 3,1 ging Jezus naar de synagoge , in Mc 11,11 naar de tempel . Parallelle opbouw van de twee zinnen .

Mc 3,1.1. - 2. kai (...) eisèlthen (en) (...) hij ging binnen) . Mc (3 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen (en hij ging naar binnen) in Mc (2 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .

Mc 3,1.3. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw . D. abermals . Voor de derde maal in Mc gebruikt . Eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 3,1 verwijst naar eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 1,21 . Het is de tweede maal dat Mc uitdrukkelijk vermeldt dat Jezus een synagoge bezoekt . Een derde maal zal het in Nazaret zijn .

Mc 3,1.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

Mc 3,1.2. 4. eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc (4) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Niet in Mc 15,43 . We zien dus een beklemtoning van het werkwoord door het voorvoegsel eis... gevolgd door het voorzetsel van richting eis (naar) .
(1) Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in het huis van God) .
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .

Vooral :
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .

Mc 3,1.5. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,1.6. sunagogèn (naar de synagoge) . Zelfstandig naamwoord acc. vr. enk. van sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè (synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in 8 verzen in Mc : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 1,29 . (4) Mc 1,39 . (5) Mc 3,1 . (6) Mc 6,2 . (7) Mc 12,39 . (8) Mc 13,9 . Slechts in 1 vers wordt een vorm van sunagôgè (synagoge) niet voorafgegaan van een lidwoord : Mc 13,9 . In de andere 7 verzen is er dus sprake van de synagoge(n) . Het zelfst. naamw. sunagôgè (synagoge) wordt in Mc steeds bij een voorzetsel gebruikt (naar, in, uit) .

Mc 3,1.4. - 6. eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Mc (2) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 3,1 .
- Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
- Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
STAP VOOR STAP !

1. - 6. Vooral :
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .

Mc 3,1.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 . Tweede nevenschikkende hoofdzin in dit vers .

Mc 3,1.8. ind. imperf. 3de pers. mann. enk. èn (hij was) van het werkwoord eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . D. sein . E. to be .
Mc 3 (1) : Mc 3,1 .

Mc 3,1.9. ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei (daar) . Taalgebruik in Mc : ekei (daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 5,11 . (5) Mc 6,5 . (6) Mc 6,10 . (7) Mc 6,33 . (8) Mc 11,5 . (9) Mc 13,21 . (10) Mc 14,15 . (11) Mc 16,7 .

7. - 9. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,23 : kai euthus èn en tè(i) sunagôgè(i) (er onmiddellijk was er in de synagoge) .
- Mc 3,1 : kai èn ekei (en er was daar) .
Zie ook : Mc 1,13 : kai èn en tè(i) erèmô(i) (en hij was in de woestijn) .
en : Mc 5,11 : èn de ekei pros tô(i) horei (er was echter bij de berg) .

Mc 3,1.10. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

Mc 3,1.11. exèrammenèn (verschrompeld) . Pass. perf. part. acc. vr. enk. van het werkw. xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in het N.T. : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in Mc : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Mc (2) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,20 . xèros : droog , dor geworden .

Mc 3,1.12. part. pr. nom. mann. enk. echôn van het werkwoord echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : echô (hebben, bezitten) . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (3) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 10,22 .

Mc 3,1.13. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,1.14. cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

Mc 3,1.13. - 14. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. : tèn cheira (de hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

Mc 3,2 - Mc 3,2 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai paretèroun auton ei tois sabbasin therapeusei auton, hina katègorèsôsin autou 2 et observabant eum si sabbatis curaret ut accusarent illum en ze sloegen hem gade of hij hem op de sabbat zou genezen opdat ze hem zouden (kunnen) aanklagen. 2 Zij hielden Hem in het oog om te zien of Hij hem op sabbat zou genezen, met de bedoeling Hem daarvan te beschuldigen. [2] Ze letten op Hem om te zien of Hij hem op sabbat zou genezen, om Hem te kunnen aanbrengen. [2] Ze letten op hem om te zien of hij die op sabbat zou genezen, zodat ze hem zouden kunnen aanklagen. 2 en ze hielden hem al in de gaten of hij hem op een van de sabbatten zou genezen, zodat zij hem konden aanklagen. 2. Et ils l'épiaient pour voir s'il allait le guérir, le jour du sabbat, afin de l'accuser. 

Statenvertaling . 2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
King James Bible . [2] And they watched him, whether he would heal him on the sabbath day; that they might accuse him.
Luther-Bibel . 2 Und sie lauerten darauf, ob er auch am Sabbat ihn heilen würde, damit sie ihn verklagen könnten.

Tekstuitleg van Mc 3,2 .

Mc 3,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,2.2. Actief imperfectum 3de persoon meervoud paretèroun (zij hielden in het oog, zij hielden hem bij) van het werkwoord para-tèreô : bijhouden, opvolgen, schaduwen . Dit werkwoord wordt slechts 1X gebruikt bij Marcus . In deze vorm komt het in de bijbel enkel hier voor . Het werkwoord heeft een voorvoegsel para (bij, naast) . Wellicht daarom staat de bepaling auton (hem) onmiddellijk na het werkwoord , zoals dat veelal gebeurt met bepalingen bij werkwoorden met een voorvoegsel .

Mc 3,2.3. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

4. ei (je bent of : indien, of): act. ind. pr. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .

ei (je bent of indien)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  1337  802  535  66  42  64  69  38  234  22  172  241     

5. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .

6. Zelfstandig nw. dat. onz. mv. sabbatois (op sabbat) van het zelfstandig nw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . tois sabbasin (op sabbat) staat in Mc 3,2 , evenals in Mc 3,4 vooraan de zin om de klemtoon erop te leggen .

sabbaton (sabbat)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
totaal 174  109  65  10  11  20  12  10    41  53   

 

- katègoreô (iemand van iets beschuldigen) . Bij Marcus, zie Mc 7,1 . Conjunctief aorist katègorèsôsin (zij zouden aanklagen) 3de persoon meervoud : Mc 3,2 en Mt 12,10 . Waarvan ze Jezus willen beschuldigen, staat in de vorige bijzin : of hij op sabbat zou genezen.
- zèteô (zoeken). Bij Marcus, zie Mc 7,1 .


katègorèsôsin : conjunctief aorist 3de persoon meervoud van het werkwoord katègoreô : tegen iemand spreken, tegen iemand (kata + genitief) iets (accusatief) inbrengen, iemand van iets aanklagen, iemand van iets beschuldigen. In deze vorm in 2 verzen in de bijbel : Mc 3,2 en, Mt 12,10 in een identieke zin : hina katègorèsôsin autou (opdat zij hem zouden aanklagen).

8. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in Mc 3 : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

11. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 . pers. vnw. gen. mann. enk. autou (hem beschuldigen) .

Mc 3,3 -Mc 3,3 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai legei tôi anthrôpôi tôi tèn cheira echonti xèran egeire eis to meson 3 et ait homini habenti manum aridam surge in medium En hij zei aan de man die de verdorde hand had: "Sta op in het midden." 3 Hij zei nu tot de man met de verschrompelde hand:
"Kom in het midden staan."
[3] Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom eens naar voren.’ [3] Hij zei tegen de man met de verschrompelde hand: ‘Kom in het midden staan.’ 3 Hij zegt tot de mens met de dorre hand: waak op, naar het midden hier! 3. Il dit à l'homme qui avait la main sèche : « Lève-toi, là, au milieu. » 

Statenvertaling . 3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta op in het midden.
King James Bible . [3] And he saith unto the man which had the withered hand, Stand forth.
Luther-Bibel . 3 Und er sprach zu dem Menschen mit der verdorrten Hand: Tritt hervor!

Tekstuitleg van Mc 3,3 . Dit vers Mc 3,3 telt 13 woorden , 23 lettergrepen en 64 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 3,3 is 7714 (2 X 7 X 19 X 29) . Het vers bestaat uit twee hoofdzinnen . De tweede zin citeert woorden van Jezus (4 woorden , 7 lettergrepen) . .

Mc 3,3.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,3.2. ind. pr. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 3 in 12 verzen .

Mc 3,3.3. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) .Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

Mc 3,3.2. - 3. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 3,3.1. - 3. kai legei tô(i) (en hij zegt aan de) . Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 14,37 .

Mc 3,3.4. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 14,21 .  Een vorm van anthrôpos (mens) in 53 verzen .

Mc 3,3.2. - 4. legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 .
Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) (voeten en handen) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .

Mc 3,3.5. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

Mc 3,3.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,3.7. acc. vr. enk xèran  (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. xèros (droog, dor) . Taalgebruik in het N.T. : xèros (droog, dor) . Taalgebruik in Mc : xèros (droog, dor) . Mc (1) : Mc 3,3 . Verwant pass. part. perf. acc. vr. enk. exèrammenèn (verschrompeld) van het werkw. xèrainô (verschrompelen, dor worden) : Mc 3,1 .

Mc 3,3.8. acc. vr. enk. cheira (hand) van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

Mc 3,3.6. 8. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. tèn : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) . In Mc 1,41 en Mc 3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô = uitstrekken) .

Mc 3,3.9. act. part. praes. dat. mann. enk. echonti (hebbende) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (1) : Mc 3,3 .

Mc 3,3.10. act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. egeirô . Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
Mc (5) : (1) Mc 2,9 . (2) Mc 2,11 .  (3) Mc 3,3 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 10,49 . Een vorm van egeirô (wekken) in Mc in 19 verzen .

Mc 3,3.11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

Mc 3,3.12. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc (108) . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .

Mc 3,3.13. acc. onz. enk. meson  van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in het N.T. : mesos (zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Mc : mesos (zich in het midden bevindend) .
Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 7,31 . (3) Mc 14,60 .

Mc 3,3.11. - 13. eis to meson (in het midden) : Mc 3,3 . eis meson (naar een midden) : Mc 14,60 . In Mc 3,3 wordt een vorm van egeirô (wekken) , in Mc 14,60 een vorm van anistèmi (opstaan) gebruikt : egeire wek , sta op) en anastas (opgestaan) . Wat heeft de man met de verschrompelde hand te maken met de hogepriester ? In Mc 3,4 stelt Jezus aan de farizeeën de vraag of het toegaten is op sabbat goed of kwaad te doen , een leven te redden of verloren te laten gaan . De genezing van de man zal ertoe leiden dat de Farizeeën met de Herodianen het advies zullen geven Jezus om te brengen . In Mc 14,61 stelt de hogepriester de vraag naar de identiteit van Jezus : ben je de Christus , de zoon van de gezegende . Het antwoord van Jezus in Mc 14,62 zal leiden tot zij veroordeling tot de dood (Mc 14,64) . We staan hier dus in een situatie waarin een man wordt genezen (Mc 3,5) en Jezus ter dood wordt veroordeeld (Mc 14,64) . Jezus redt een man , de hogepriester laat Jezus ter dood veroordelen .
Is de hogepriester soms een gehandicapte man , die zijn hand niet kan uitsteken naar Jezus om door hem genezen te worden . Zijn de rollen in Mc 14,55-64 in vergelijking met Mc 3,1-6 nu omgekeerd . De Farizeeën lagen op de loer om Jezus te kunnen beschuldigen (Mc 3,2) en zwegen op de vraag van Jezus (Mc 3,4) . In Mc 14,55-64 zwijgt op de vraag van de hogepriester of hij niet antwoordt op de getuigenissen .

Eénmaligheid

- acc. vr. enk xèran  (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. xèros (droog, dor) . Mc (1) : Mc 3,3 .

Duality

- legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .

Mc 3,4 - Mc 3,4 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4 kai legei autois exestin tois sabbasin agathon poièsai agathopoièsai è kakopoièsai psuchèn sôsai è apokteinai oi de esiôpôn 4 et dicit eis licet sabbatis bene facere an male animam salvam facere an perdere at illi tacebant En hij zei hun : "Is het toegestaan om op de sabbat iets goeds te doen veeleer dan kwaad te doen een leven te redden veeleer dan te doden?" Zij echter zwegen. 4 Daarop stelde Hij hun de vraag: "Is het niet eerder geoorloofd op sabbat goed te doen dan kwaad, iemand te redden dan te doden?" Maar zij zwegen. [4] Hij zei hun: ‘Mag men op sabbat goed doen of kwaad, een leven redden of doden?’ Maar ze hulden zich in zwijgen. [4] Aan de anderen vroeg hij: ‘Wat mag men op sabbat doen: goed of kwaad? Een leven redden of het vernietigen?’ Maar ze zwegen. 4 En hij zegt tot hen: mag dat, op een van de sabbatten goed doen? of kwaad doen!– een levende ziel redden of doden? Maar zij zwijgen. 4. Et il leur dit : « Est-il permis, le jour du sabbat, de faire du bien plutôt que de faire du mal, de sauver une vie plutôt que de la tuer ? » Mais eux se taisaient. 

Statenvertaling . 4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen stil.
King James Bible . [4] And he saith unto them, Is it lawful to do good on the sabbath days, or to do evil? to save life, or to kill? But they held their peace.
Luther-Bibel . 4 Und er sprach zu ihnen: Soll man am Sabbat Gutes tun oder Böses tun, Leben erhalten oder töten? Sie aber schwiegen still.

Tekstuitleg van Mc 3,4 . Het vers Mc 3,4 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 88 (2 X 2 X 2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 3,4 is 9210 (2 X 4 X 5 X 307) .

Mc 3,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,4.2. ind. pr. 3de pers. enk. legei . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .

Mc 3,4.3. vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,23 . (5) Mc 3,33 .

Mc 3,4.4. exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) .
Mc (6) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,4 . (4) Mc 6,18 . (5) Mc 10,2 . (6) Mc 12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 12,14 .

Mc 3,4.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .

6. Zelfstandig nw. dat. onz. mv. sabbatois (op sabbat) van het zelfstandig nw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . tois sabbasin (op sabbat) staat in Mc 3,2 , evenals in Mc 3,4 vooraan de zin om de klemtoon erop te leggen .

sabbaton (sabbat)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
dat. onz. mv. sabbasin  14  13          13  13     
totaal 174  109  65  10  11  20  12  10    41  53   

Mc 3,4.9. è (of) . Vergelijkend voegwoord .

11. acc. vr. enk. psuchèn van het zelfst. naamw. psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in het N.T. : psuchè (adem, geest, leven) . Taalgebruik in Mc : psuchè (adem, geest, leven) .
Mc (4) : (1) Mc 3,4 .  (2) Mc 8,35 . (3) Mc 8,36 . (4) Mc 10,45 .

12. act. inf. aor. sôsai (redden) van het werkw. sôzô (redden) . Taalgebruik in het N.T. : sôzô (redden) . Taalgebruik in Mc : sôzô (redden) . Hebr. jâsj`â (redden) . Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 15,31 .

11. - 12. Mc 3,4 : psychèn sôsai (een leven redden) . Mc 8,35 : tèn psuchèn autou sôsai (zijn leven redden) .
Aansluitend bij Mc 3,4 staat Mc 15,31 : allous esôsen , seauton ou dunatai sôsai (anderen redde hij , zichzelf kan hij niet redden) .

Mc 3,4.13. è (of) . Vergelijkend voegwoord .

Mc 3,4.15. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

15. - 16 : hoi de (zij echter) . Mc () . Mc 3 (1) : (1) Mc 3,4 .

Mc 3,5 - Mc 3,5 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
5 kai periblepsamenos autous met orgès sullupoumenos epi tè pôrôsei tès kardias autôn legei tô anthrôpô ekteinon tèn cheira kai exeteinen kai apekatestathè è cheir autou 5 et circumspiciens eos cum ira contristatus super caecitatem cordis eorum dicit homini extende manum tuam et extendit et restituta est manus illi En hij keek rond naar hen, met toorn, bedroefd over de verblinding van hun hart (en) zei aan die mens: "Strek je hand uit". En hij strekte die uit en zijn hand werd hersteld. 5 Toen liet Hij toornig, maar tegelijkertijd bedroefd om de verstoktheid van hun hart, zijn blik rondgaan en zei tot de man: "Steek uw hand uit." Hij stak zijn hand uit en deze was weer gezond. [5] Hij keek hen stuk voor stuk aan, kwaad, en verdrietig om hun versteende hart*, en tegen de man zei Hij: ‘Strek uw hand.’ Dat deed hij, en zijn hand herstelde zich. [5] Hij keek hen boos aan, maar ook diepbedroefd vanwege hun hardleersheid, en toen zei hij tegen de man die in het midden stond: ‘Steek uw hand uit.’ Hij stak zijn hand uit en er kwam weer leven in. 5 Met toorn kijkt hij hen in het rond aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zegt tot die mens: strek je hand uit! Als hij hem uitstrekt herstelt zijn hand zich helemaal; 5. Promenant alors sur eux un regard de colère, navré de l'endurcissement de leur cœur, il dit à l'homme : « Étends la main. » Il l'étendit et sa main fut remise en état. 

Statenvertaling . 5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
King James Bible . [5] And when he had looked round about on them with anger, being grieved for the hardness of their hearts, he saith unto the man, Stretch forth thine hand. And he stretched it out: and his hand was restored whole as the other.
Luther-Bibel . 5 Und er sah sie ringsum an mit Zorn und war betrübt über ihr verstocktes Herz und sprach zu dem Menschen: Strecke deine Hand aus! Und er streckte sie aus; und seine Hand wurde gesund.

Tekstuitleg van Mc 3,5 . Het vers telt 30 (2 X 3 X 5) woorden , X lettergrepen en 155 (5 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 3,5 is 20560 (2 X 2 X 2 X 2 X 5 X 257) .

Mc 3,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und. Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,5.2. med. part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô (rondkijken) .
Mc (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 11,11 . In 3 / 4 volgt legei (hij zegt) als hoofdwerkw. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 10,23 , in 1 / 4 exèlthen (hij ging naar buiten) in Mc 11,11 . In Mc 3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om te besluiten Jezus te doden . In Mc 11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om 's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt zich af in de synagoge , het andere in de tempel . In 2 verzen : (1) Mc 3,34 . (2) Mc 10,23 richt Jezus zich tot zijn leerlingen .
Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 9,8 .  (5) Mc 10,23 . (6) Mc 11,11 . In 5 / 6 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 .  (4) Mc 10,23 . (5) Mc 11,11 . Slechts in Mc 10,23 wordt Jezus uitdrukkelijk vermeld . In Mc 9,8 zijn drie leerlingen onderwerp .
In 3 / 6 volgt een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (6) Mc 11,11 . en 1 / 6 een infinitiefzin : (3) Mc 5,32 .
In Mc 3,5 lezen we de reactie van Jezus op de houding van de Farizeeën . Ze reageren niet op zijn vraag , maar blijven zwijgen . Een zwijgen van niet akkoord gaan .

1. - 2. kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken) . Een vorm van periblepô (rondkijken) wordt voorafgegaan door het verbindingswoord kai (en) .

Mc 3,5.3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,23 .
Lijdend voorwerp bij periblepsamenos (rond zich gekeken) . In Mc 3,5 is het nog niet duidelijk wie met autous (hen) bedoeld is . Uit Mc 3,6 wordt het duidelijk dat het Farizeeën zijn .

4. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
Mc (50 - 34 - 16) . meta : Mc 3 (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . met' (2) : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 .

5. gen. vr. enk. orgès van het zelfst. naamw. orgè (toorn) . Taalgebruik in het N.T. : orgè (toorn) . Taalgebruik in Mc : orgè (toorn) . Mc (1) Mc 3,5 .

Mc 3,5.13.ind. pr. 3de pers. enk. legei . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .

Mc 3,5.14. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

Mc 3,5.13. - 14. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 3,5.15. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 14,21 .

Mc 3,5.13. - 15. legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . Mc 3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc 3,3 en Mc 3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van Jezus (3 woorden en 6 lettergrepen) . In Mc 3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal : de genezing van een lamme (Mc 2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc 3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .

Mc 3,5.16. act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekteinon (strek uit) . van het werkw. ekteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het N.T. : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . De hand uitstrekken komt voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .

Mc 3,5.17. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,5.18. cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

Mc 3,5.17. - 18. acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. (tèn = de) : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .

Mc 3,5.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,5.20. act. ind. aor. 3de pers. enk. exeteinen (hij strekte uit) . van het werkw. ekteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het N.T. : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . In Mc slechts in Mc 1,41 . De hand uitsrekken komt voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .

Mc 3,5.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,5.23. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 3,25 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 3,32 . (6) Mc 3,33 . (7) Mc 3,34 .

Mc 3,5.24. nom. vr. enk. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc (2) : (1) Mc 3,5 .  (2) Mc 9,43 .  

Mc 3,5.25. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

Mc 3,6 - Mc 3,6 :  95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 9de (negende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou hopôs auton apolesôsin 6 exeuntes autem statim Pharisaei cum Herodianis consilium faciebant adversus eum quomodo eum perderent  En de Farizeeën gingen terstond weg met de Herodianen (en) troffen een besluit tegen hem hoe ze hem zouden ombrengen.   6 De Farizeeën gingen naar buiten en aanstonds smeedden zij met de Herodianen plannen om Hem uit de weg te ruimen.   [6] En eenmaal buiten beraamden de farizeeën samen met de herodianen* meteen plannen tegen Hem om Hem uit de weg te ruimen.  [6] De Farizeeën verlieten de synagoge en gingen meteen met de Herodianen overleggen hoe ze hem uit de weg zouden kunnen ruimen.  6 toen de farizeeërs buiten zijn gekomen hebben ze meteen zich met de herodianen over hem beraden hoe ze hem zouden kunnen ombrengen.  6. Étant sortis, les Pharisiens tenaient aussitôt conseil avec les Hérodiens contre lui, en vue de le perdre. 

Statenvertaling . 6 En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodeanen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.
King James Bible . [6] And the Pharisees went forth, and straightway took counsel with the Herodians against him, how they might destroy him.
Luther-Bibel . 6 Und die Pharisäer gingen hinaus und hielten alsbald Rat über ihn mit den Anhängern des Herodes, wie sie ihn umbrächten.

Tekstuitleg van Mc 3,6 . Het vers Mc 3,6 telt 15 (3 X 5) woorden en 90 (2 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde is 13311 (3 X 3 X 3 X 17 X 29) .

Mc 3,6 kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou (En buitengegaan de Farizeeën onmiddelijk met de Herodianen een besluit gaven tegen hem, hoe ze hem zouden doden) hopôs auton apolesôsin (hoe ze hem zouden doden) (= Mt 12,14)
Mc 11,18 kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis , (en hoorden de hogepriesters en de schriftgeleerden) kai ezètoun pôs auton apolesôsin en zij zochten hoe ze hem zouden doden)

De confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders is compleet . Die confrontatie was al uitgesproken bij Jezus' eerste optreden in Mc 1,24 : zijt gij gekomen om ons te vernietigen ? Mc 1,21 - 3,6 vormen een geheel . Begin en einde speelt zich af in de synagoge . In beide gevallen is er sprake van vernietigen .
In Mc 11,18 zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus zouden doden . De beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden wordt versterkt door het besluit van de hogepriesters en de schriftgeleerden . Van vrije groeperingen tot de hoogste instanties . Van partijdigheid tot het hoogste gezag en een fundamentele verantwoording . In Mc 11,18 is de gelijkenis met Ex 2,15 groot .

De Farizeeën zijn blijkbaar goed op de hoogte hoe ze iemand uit de weg kunnen ruimen . Ze sluiten onmiddellijk een pact met de Herodianen . Wellicht hebben ze ervaring ; misschien zijn zij het die Johannes de Doper in handen van Herodes hebben gespeeld . In Mc 12,13 zenden de hogepriesters en de schriftgeleerden enkele Farizeeën en Herodianen naar Jezus om hem te strikken met een uitspraak . Zij nemen het initiatief . In Mc 3,1-6 schaduwen de Farizeeën nog Jezus . In Mc 12,13 staan beide groepen in dienst van de hogepriesters en de schriftgeleerden . En de vraag is listig , want een verkeerd woord in één van de richtingen kan een aanklacht veroorzaken . In Mc 12,13 is er voor het laatst sprake van Farizeeën . De bijzin van Mc 12,13 gelijkt sterk op de bijzin van Mc 3,2 : hina + conjunctief.

In Mc 3,6 nemen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus om te brengen . Bij de veroordeling van Jezus in Mc 15,1 is er van hen geen sprake ; zij hebben wel de aanzet gegeven om Jezus voor het geestelijke en wereldlijke gezag ter dood te laten veroordelen . Door het woordgebruik tussen Mc 3,1-6 en Mc 15,1 - Mc 15,2-5 nl. katègoreô (tegen iemand iets inbrengen ; iemand van iets beschuldigen) en sumboulion (het besluit) om Jezus ter dood te veroordelen is het verband tussen beide pericopen duidelijk .

Mc 3,6.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,6.2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Mc (5) : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 . De Farizeeën bevonden zich in de synagoge en gaan de synagoge uit .

Mc 3,6.3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

Mc 3,6.4. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

5. euthus

Mc 3,6.6. meta (na , met) . Taalgebruik in N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . Lat. cum . Ned. met . Fr. avec (met) ; après (na , < ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen , ) . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 .

Mc 3,6.7. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

Mc 3,6.9. acc. onz. enk. sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in N.T. : sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in Mc. : sumboulion (raadsbesluit) . Mc (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 15,1 . Vergelijk beide :
- (1) Mc 3,6 : hoi farisaioi euthus meta tôn èrôdianôn sumboulion edidoun (de Farizeeën onmiddellijk met de Herodianen gaven het raadsbesluit) .
- (2) Mc 15,1 : sumboulion poièsantes hoi archiereis ... (de hogepriesters samen met de oudsten en de schriftgeleerden en het hele sanhedrin het raadsbesluit genomen) .
De Farizeeën en de Herodianen lijken vergaderd te hebben en besloten te hebben om een raadsbesluit te geven / voor te stellen . De hogepriesters ... en het hele sanhedrin , bij wie de macht ligt , nemen het besluit (dat de Farizeeën en de Herodianen hadden voorgesteld) .

10. act. ind. imperf. 3de pers. mv. edidoun zij gaven) van het werkw. didômi (geven) .

11. kat' (tegen) van het voorzetsel kata (tegen) .

Mc 3,6.12. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

Mc 3,6.13. hopôs (opdat) . Taalgebruik in N.T. : hopôs (opdat) . Taalgebruik in Mc : hopôs (opdat) . Kan het voortkomen uit : epi = op (op) en hôs (zo) ? In Mc slechts in Mc 3,6 .

Mc 3,6.14. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

Mc 3,6.15. conjunctief aor. 3de pers. mv. apolesôsin (zij zouden doden) . Taalgebruik in N.T. : apollumi ( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in Mc : apollumi (ten gronde richten , doden , verliezen) . < ap- + ollumi < ol-numi . Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr. perdition . Ned. verderf , verdoemenis . Mc (2) :
(1) Mc 3,6 : hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) .
(4) Mc 11,18 : pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) .

Mc 3,6 kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou (En buitengegaan de Farizeeën onmiddelijk met de Herodianen een besluit gaven tegen hem, hoe ze hem zouden doden) hopôs auton apolesôsin (hoe ze hem zouden doden) (= Mt 12,14)
Mc 11,18 kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis , (en hoorden de hogepriesters en de schriftgeleerden) kai ezètoun pôs auton apolesôsin en zij zochten hoe ze hem zouden doden)

96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -.

Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) Mc 6,32 Mc 7,24
Kai (en) meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd) Kai ho Ièsous...  (En Jezus...)
Kai (en) Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde)
èlthen (ging hij) anechôrèsen (week uit) apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) apèlthen (ging hij weg)
eis tèn Galilaian (naar Galilea) pros tèn thalassan (bij het meer) eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus)


kat'idian (op henzelf)
 
Bbegin van Jezus' optreden in Galilea - Mc 1,14-15 - Mt 4,12-17 - Lc 4,14-15
Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a
Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 -Lc 9,10-11
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28

 

Mc 3,7 - Mc 3,7 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
7 kai o ièsous meta tôn mathètôn autou anechôrèsen pros tèn thalassan kai polu plèthos apo tès galilaias èkolouthèsen kai apo tès ioudaias 7 et Iesus cum discipulis suis secessit ad mare et multa turba a Galilaea et Iudaea secuta est eum 7 En Jezus trok zich met zijn leerlingen terug nan de zee, en een grote menigte uit Galilea [volgde (hem)]; In die tijd trok Jezus met zijn leerlingen weg in de richting van het meer, maar een grote volksmenigte uit Galilea ging Hem achterna. Er kwamen ook vele mensen uit Judea, [7] Jezus week met zijn leerlingen uit in de richting van het meer. Een grote menigte uit Galilea volgde Hem. Ook uit Judea [7] Jezus week met zijn leerlingen uit naar het meer, en een grote menigte uit Galilea volgde hem. Ook uit Judea 7 En Jezus neemt met zijn leerlingen de wijk naar de zee; en vanuit Galilea volgt hem een grote menigte; ook vanuit Judea, 7. Jésus avec ses disciples se retira vers la mer et une grande multitude le suivit de la Galilée ; et de la Judée, 

Statenvertaling . 7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea,
King James Bible . [7] But Jesus withdrew himself with his disciples to the sea: and a great multitude from Galilee followed him, and from Judaea,
Luther-Bibel . 7 Aber Jesus entwich mit seinen Jüngern an den See und eine große Menge aus Galiläa folgte ihm; auch aus Judäa

Tekstuitleg van Mc 3,7 . Dit vers Mc 3,7 telt 23 woorden , 46 (2 X 23) lettergrepen en 115 (5 X 23) letters. De getalwaarde van Mc 3,7 is 13699 (7 X 19 X 103) . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende hoofdzinnen . De ene zin is een overgangsvers (van de ene plaats naar de andere) , de tweede zin het samenstromen van het volk .

Mc 3,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,7.2. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc (219) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .

Mc 3,7.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . In Mc 3 slechts éénmaal een vorm van Ièsous , nl. in Mc 3,7 . Het valt op dat het onderwerp vooraan staat .

Mc 3,7.1. - 3. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 .

Mc 3,7.4. meta (na , met) . Taalgebruik in N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . Lat. cum . Ned. met . Fr. avec (met) ; après (na , < ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen , ) .
Mc (34 + 16) . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 .

Mc 3,7.5. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc (90) . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

Mc 3,7.6. gen.mann. mv. mathètôn (met zijn leerlingen) . Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Mc (8) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen) . (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .

Mc 3,7.4. - 6. meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . Mc (3) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (3) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .

Mc 3,7.7. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

4. - 7. meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) .

Mc 3,7.9. pros (naar, bij) . Voorzetsel + acc. . Taalgebruik in Mc 3 : pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) .

Mc 3,7.10. bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,7.11. acc. vr. enk. thalassan van het zelfst. naamw. thalassa (zee, meer) . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .

Mc 3,7.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,7.18. act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô (volgen) . Ned. acoliet .
Mc (3) : (1) Mc 2,14 . (1) Mc 3,7 . (1) Mc 14,54 .  

Mc 3,7.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,8 - Mc 3,8 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
8 kai apo ierosolumôn kai apo tès idoumaias kai peran tou iordanou kai peri turon kai sidôna plèthos polu akouontes osa epoiei èlthon pros auton 8 et ab Hierosolymis et ab Idumea et trans Iordanen et qui circa Tyrum et Sidonem multitudo magna audientes quae faciebat venerunt ad eum 8 en uit Judea en uit Jeruzalem en uit Idumea en van de overkant van de Jordaan,, en van rondom Tyrus en Sidon, kwam een grote menigte naar hem, die gehoord had al wat hij deed. Jeruzalem, Iduméa, uit het Overjordaanse en uit de streek rond Tyrus en Sidon tot Hem, omdat ze hoorden wat Hij allemaal deed. [8] en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan, en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwam een grote menigte. Toen ze hoorden wat Hij allemaal deed, kwamen ze naar Hem toe. [8] en Jeruzalem, uit Idumea en het gebied aan de overkant van de Jordaan en uit de omgeving van Tyrus en Sidon kwamen veel mensen naar hem toe, omdat ze hadden gehoord wat hij allemaal deed. 8 vanuit Jeruzalem, en vanuit Idumea, de overzij van de Jordaan en van rondom Tyrus en Sidon,– een grote menigte: als ze horen wat hij doet komen ze tot hem. 8. de Jérusalem, de l'Idumée, de la Transjordane, des environs de Tyr et de Sidon, une grande multitude, ayant entendu tout ce qu'il faisait, vint à lui. 

Statenvertaling . 8 en van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
King James Bible . [8] And from Jerusalem, and from Idumaea, and from beyond Jordan; and they about Tyre and Sidon, a great multitude, when they had heard what great things he did, came unto him.
Luther-Bibel . 8 und Jerusalem, aus Idumäa und von jenseits des Jordans und aus der Umgebung von Tyrus und Sidon kam eine große Menge zu ihm, die von seinen Taten gehört hatte.

Tekstuitleg van Mc 3,8 . Het eerste deel van Mc 3,8 behoort nog tot de tweede zin van Mc 3,7 . In dit versdeel komt 5X kai (en) voor om zinsdelen met elkaar te verbinden .

Mc 3,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,8.3. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 3,8.4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,8.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,8.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

Mc 3,8.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,8.13. peri (over, rondom) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Voorzetsel . Mc 3 (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 3,34 .

Mc 3,8.15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

21. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epoiei (hij deed) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 15,8 . In Mc 3,8 is Jezus onderwerp , in Mc 15,8 Pilatus . In dezelfde contekst vinden we poièsè(i)s hèmin (jij voor ons zoudt doen) in Mc 10,35 en poièsô humin (ik zal voor jullie doen) in Mc 10,36 .

Mc 3,8.23. pros (naar, bij) . Voorzetsel + acc. . Taalgebruik in Mc 3 : pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) .

Mc 3,8.24. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

Mc 3,8.23. - 24. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 3,9 - Mc 3,9 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9 kai eipen tois mathètais autou ina ploiarion proskarterè autô dia ton ochlon ina mè thlibôsin auton 9 et dixit discipulis suis ut navicula sibi deserviret propter turbam ne conprimerent eum 9 En hij zei aan zijn leerlingen dat een bootje gereed gehouden zou worden voor hem, vanwege de volksmenigte, opdat ze hem niet zouden verdringen. Hij droeg zijn leerlingen op te zorgen dat er een bootje voor Hem bij de hand was, als voorzorg tegen het opdringen van de menigte. [9] Hij vroeg zijn leerlingen een bootje voor Hem gereed te houden vanwege de menigte, om niet onder de voet gelopen te worden. [9] Hij zei tegen zijn leerlingen dat ze een boot voor hem gereed moesten houden, om te voorkomen dat hij door de menigte onder de voet zou worden gelopen. 9 En hij zegt tot zijn leerlingen dat er een bootje voor hem klaar moet liggen, vanwege die schare, dat ze hem niet kunnen wegdrukken. 9. Et il dit à ses disciples qu'une petite barque fût tenue à sa disposition, à cause de la foule, pour qu'ils ne l'écrasent pas.  

Statenvertaling . 9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
King James Bible . [9] And he spake to his disciples, that a small ship should wait on him because of the multitude, lest they should throng him.
Luther-Bibel . 9 Und er sagte zu seinen Jüngern, sie sollten ihm ein kleines Boot bereithalten, damit die Menge ihn nicht bedränge.

Tekstuitleg van Mc 3,9 . Eén hoofdzin en twee ondergeschikte zinnen .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

3. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois (aan de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the .Mc 3 (4) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 .

5. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

10. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 3 (1) Mc 3,9 .

11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 3,27 . (5) Mc 3,29 .

10. - 12. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte . In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren .

16. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

Mc 3,10 - Mc 3,10 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 pollous gar etherapeusen ôste epipiptein autô ina autou apsôntai osoi eichon mastigas 10 multos enim sanabat ita ut inruerent in eum ut illum tangerent quotquot habebant plagas 10 Velen immers genas hij, zodat ze zich op hem wierpen opdat al degenen die kwalen hadden hem aanraakten. Want Hij had er velen genezen, met het gevolg dat allen die aan kwalen leden op Hem aandrongen om Hem aan te raken [10] Want Hij had zoveel mensen genezen, dat iedereen die een kwaal had op Hem aandrong om Hem aan te raken. [10] Allerlei zieken verdrongen zich om hem aan te raken, want hij had al veel mensen genezen. 10 Want hij geneest er zovelen dat wie er maar kwalen hadden zich op hem stortten om hem aan te raken. 10. Car il en guérit beaucoup, si bien que tous ceux qui avaient des infirmités se jetaient sur lui pour le toucher.  

Statenvertaling . 10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen, die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
King James Bible . [10] For he had healed many; insomuch that they pressed upon him for to touch him, as many as had plagues.
Luther-Bibel . 10 Denn er heilte viele, sodass alle, die geplagt waren, über ihn herfielen, um ihn anzurühren.

Tekstuitleg van Mc 3,10 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc (3) : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,35 .

8. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

10. nom. mann. mv. hosoi van het bijvoegl. naamw. hosos (zo groot als) . Taalgebruik in het N.T. : osos (zo groot als) . Taalgebruik in Mc : osos (zo groot als) . Mc (2) : (1) Mc 3,10 .  (2) Mc 6,56 . Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 3,8 . (3) Mc 3,10 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 5,19 . (6) Mc 5,20 . (7) Mc 6,30 . (8) Mc 6,56 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 9,13 .  (11) Mc 10,21 .  (12) Mc 11,24 .  (13) Mc 12,44 .

Mc 3,11 - Mc 3,11 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
11 kai ta pneumata ta akatharta otan auton etheôroun prosepipton autô kai ekrazon legontes oti su ei o uios tou theou 11 et spiritus inmundi cum illum videbant procidebant ei et clamabant dicentes En toen de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden, zeggend: "U bent de zoon van God!"  Zelfs de onreine geesten vielen, als zij Hem zagen, voor Hem neer en schreeuwden: Gij zijt de Zoon van God. [11] Zelfs de onreine geesten wierpen zich voor Hem neer wanneer ze Hem zagen, en krijsten: ‘U bent de Zoon van God!’ [11] Telkens als de onreine geesten hem zagen, vielen ze voor hem neer en schreeuwden: ‘Jij bent de Zoon van God!’ 11 Ook de onreine geesten stortten, wanneer ze hem gewaar werden, zich op hem; zij krijsten het uit en zeiden: jij, jij bent de zoon van God! 11. Et les esprits impurs, lorsqu'ils le voyaient, se jetaient à ses pieds et criaient en disant : « Tu es le Fils de Dieu ! »  

Statenvertaling . 11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
King James Bible . [11] And unclean spirits, when they saw him, fell down before him, and cried, saying, Thou art the Son of God.
Luther-Bibel . 11 Und wenn ihn die unreinen Geister sahen, fielen sie vor ihm nieder und schrien: Du bist Gottes Sohn!

Tekstuitleg van Mc 3,11 .

Mc 3,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

Mc 3,11.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,11.12. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ekrazon  van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) (1) Mc 3,11 . (2) Mc 11,9 .   Een vorm van krazô (schreeuwen, roepen) in Mc in 11 verzen : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 5,7 . (4) Mc 9,24. (5) Mc 9,26 . (6) Mc 10,47 . (7) Mc 10,48 . (8) Mc 11,9 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,39 .

Mc 3,11.13. act. part. praes. nom. mann. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc 3 (1) : Mc 3,11 . Het is het enigste vers in Mc waarin een vorm 3de pers. mv. van het werkw. krassô (schreeuwen , krijsen) gevolgd wordt door legontes (zeggende) .
Mc (15) : (1) Mc 3,11 .  (2) Mc 5,12 . (3) Mc 5,35 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 7,37 . ( 6) Mc 8,28 . (7) Mc 9,11 . (8) Mc 10,26 . (9) Mc 10,35 . (10) Mc 10,49 . (11) Mc 11,31 . (12) Mc 12,18 . (13) Mc 13,6 . (14) Mc 14,57 . (15) Mc 15,29 .

1 : Mc 7,37 . 1 : Mc 8,28 . 1 : Mc 9,11 . 3 : (1) Mc 10,26 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 10,49 . 1 : Mc 11,31 .1 : Mc 12,18 . 1 : Mc 13,6 . 1 : Mc 14,57 . 1 : Mc 15,29 .

 

Mc 3,11.14. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .

Mc 3,11.15. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .

Mc 3,11.16. ei (je bent of : indien, of): act. ind. praes. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .

Mc 3,11.15. - 16. su ei (jij bent, gij zijt) . Mc (5 / 9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,61 . (5) Mc 15,2 .
Merk volgende gelijkenissen op :
- Mc 1,11 : su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon .
- Mc 3,11 : su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God .
- Mc 8,29 = Mc 14,61 : su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2 : su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden .

Mc 3,11.17. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .

Mc 3,11.18. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 3 (1) : Mc 3,11 .

Mc 3,11.19. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

Mc 3,11.20. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc (31) . Mc 3 (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .

Mc 3,11.17. - 20. ho huios tou theou (de zoon van God) is hapax in Mc .

Mc 3,12 - Mc 3,12 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
12 kai polla epetima autois ina mè auton phaneron poièsôsin 12 tu es Filius Dei et vehementer comminabatur eis ne manifestarent illum En hij berispte hen nadrukkelijk dat ze hem niet bekend zouden maken.
Maar Hij verbood hun nadrukkelijk Hem bekend te maken.
[12] Hij verbood hun telkens weer, Hem bekend te maken. [12] Hij sprak hen bestraffend toe, en verbood hun bekend te maken wie hij was. 12 En net zo heftig strafte hij hen af, opdat ze hem niet openbaar zouden maken. 12. Et il leur enjoignait avec force de ne pas le faire connaître.  

Statenvertaling . 12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden openbaar maken.
King James Bible . [12] And he straitly charged them that they should not make him known.
Luther-Bibel . 12 Und er gebot ihnen streng, dass sie ihn nicht offenbar machten.

Tekstuitleg van Mc 3,12 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

2. bijvoeglijk naamw. zelfstandig gebruikt acc. onz. mv. polla (vele dingen) . Taalgebruik : polus (veel) . Mc (21) . In Mc 3 : Mc 3,12 . Van de 21 verzen staat polla (vele dingen) zelfstandig gebruikt als lijdend voorwerp bij een werkwoord .

4. vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,23 . (5) Mc 3,33 .

7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

het gebruik van het werkwoord epitimaô - epetimèsen (hij droeg op / beval) 5X bij Marcus -

97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -

Het verhaal van de roeping van de twaalf komt zo snel na de beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden (Mc 3,6) . Deze koppeling van verhalen laat enerzijds aanvoelen dat Jezus er wel degelijk rekening mee houdt dat hij uit de weg wordt geruimd en dat hij dus leerlingen nodig heeft die de fakkel van hem kunnen overnemen . Anderzijds krijg je het gevoel dat het drama zich aan het voltrekken is . Iemand wordt door Jezus als één van de twaalf uitgekozen , die hem later zal overleveren . Of deed Judas zich als een leerling voor en was hij ingehuurd door de Farizeeën om op het gepaste moment in te grijpen ? Een luis in de mantel van Jezus ?

Mc 3,13 - Mc 3,13 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai anabainei eis to horos kai proskaleitai hous èthelen autos kai apèlthon pros auton et ascendens in montem vocavit ad se quos voluit ipse et venerunt ad eum En hij ging op naar de berg en hij riep wie hij zelf wou bij zich en ze kwamen bij hem.   13 Jezus ging de berg op en riep tot zich die Hij zelf wilde; en zij kwamen bij Hem.   Hij ging de berg op en riep bij zich wie Hij wilde, en ze kwamen naar Hem toe.   Hij ging de berg op en riep al degenen bij zich op wie hij zijn keuze had laten vallen, en ze kwamen naar hem toe.   Dan klimt hij het bergland in, en roept tot zich wie hij zelf gewild heeft, en die komen naar hem toe.  13. Puis il gravit la montagne et il appelle à lui ceux qu'il voulait. Ils vinrent à lui,

Statenvertaling . 13 En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde; en zij kwamen tot Hem.
King James Bible . [13] And he goeth up into a mountain, and calleth unto him whom he would: and they came unto him.
Luther-Bibel . 13 Und er ging auf einen Berg und rief zu sich, welche er wollte, und die gingen hin zu ihm.

Tekstuitleg van Mc 3,13 . Het vers Mc 3,13 bestaat uit 14 (2 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 3,13 is 5342 (2 X 2671) . Dit vers bestaat uit drie nevenschikkende hoofdzinnen , met elkaar verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) en een ondergeschikte betrekkelijke zin . De eerste twee zinnen staan in de tegenwoordige tijd .

Mc 3,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,13.2. anabainei (hij beklimt) . Vervoegd werkw. act. ind. praes. 3de pers. enk. van het werkwoord anabainô (beklimmen, klimmen op) . Taalgebruik in N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Mc (1) Mc 3,13 . Een vorm van anabainô (beklimmen, klimmen op) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 .  (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .  (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .

Mc 3,13.3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

Mc 3,13.4. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .

5. nom. + acc. onz. enk. horos (berg) . Taalgebruik in N.T. : horos (berg) . Taalgebruik in Mc : horos (berg) .
Mc (6) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 .

Mc 3,13.3. - 5. eis to horos (naar de berg / gebergte) . Mc (4) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 13,3 . (4) Mc 14,26 .

Mc 3,13.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,13.7. indicatief praesens 3de persoon enkelvoud proskaleitai (hij roept tot zich) van het werkw. proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in N.T. : proskaleomai (bij zich roepen)  . Taalgebruik in Mc : proskaleomai (bij zich roepen) .
Het komt in de bijbel slechts in 2 verzen voor nl. Mc 3,13 bij de roeping van de twaalf en Mc 6,7 bij de zending van de twaalf .

9. act. ind.  imperf. 3de pers. enk. èthelen (hij wilde) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (5) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,19 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 9,30 .

10. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (15) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 4,27 . (5) Mc 4,38 . (6) Mc 5,40 . (7) Mc 6,17 . (8) Mc 6,45 . (9) Mc 6,47 . (10) Mc 8,29 . (11) Mc 12,36 . (12) Mc 12,37 . (13) Mc 14,15 . (14) Mc 14,44 . (15) Mc 15,43 .

11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

12. ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in N.T. : aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai (weggaan) .
Mc (5) : (1) Mc 1,20 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 11,4 . (5) Mc 12,12 . De twaalf apostelen gaan weg van de massa om Jezus op de berg te volgen .

13. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,8 * . (3) Mc 3,13 * . (4) Mc 3,31 * .

14. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 . .

13. - 14. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 3,13 Mc 3,14 Mc 3,16 Mc 6,7  Mc 9,35  Mc 10,32  
kai (en)  kai (en)  kai (en)   kai (en) kathisas (gezeten zijnde)    
proskaleitai (hij roept tot zich)  epoièsen (hij maakte) epoièsen (hij maakte)

 

proskaleitai (hij roept tot zich) 

efônèsen (riep hij) paralaboon (bij zich genomen hebbende) palin (opnieuw)  
hous èthelen autos (die hijzelf wilde)  dôdeka (twaalf) tous dôdeka (de twaalf) tous dôdeka (de twaalf)  tous dôdeka (de twaalf)   tous doodeka (de twaalf)  
        kai (en)  legei (hij zegt)  ijrksato autois legein (begon hij hen te zeggen)  
        autois (hen)     
 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -      147. Zending van de Twaalf : Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -  173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48  273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34  

 

Mc 3,14 - Mc 3,14 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai epoièsen dôdeka hous kai apostolous ônomasen hina ôsin met'autou kai hina apostellèi autous kèrussein 14 et fecit ut essent duodecim cum illo et ut mitteret eos praedicare  14. En hij maakte er twaalf (die hij ook apostelen noemde] opdat ze met hem zouden zijn en hij hen zou zenden om te verkondigen,   14 Hij stelde er twaalf aan om Hem te vergezellen en door Hem uitgezonden te worden om te prediken,   [14] Hij stelde er twaalf aan, die Hij ook apostelen* noemde, met de bedoeling dat ze Hem zouden vergezellen, en uitgezonden zouden worden om te verkondigen,   [14] Hij stelde twaalf van hen aan als apostel;* ze moesten hem vergezellen, en hij wilde hen ook uitzenden om het goede nieuws bekend te maken.   14 Hij maakt er twaalf voor klaar om zijn metgezellen te zijn, en om hen uit te zenden om te prediken   14. et il en institua Douze pour être ses compagnons et pour les envoyer prêcher,

Persoonlijke vertaling . en hij vormde een twaalftal die hij ook apostelen noemde opdat zij zouden zijn met hem en opdat hij hen zou zenden te getuigen
Statenvertaling . 14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn, en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
King James Bible . [14] And he ordained twelve, that they should be with him, and that he might send them forth to preach,
Luther-Bibel . 14 Und er setzte zwölf ein, die er auch Apostel nannte, dass sie bei ihm sein sollten und dass er sie aussendete zu predigen

Tekstuitleg van Mc 3,14 . Het versdeel Mc 3,14 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Mc 3,14 is 7020 (2 X 2 X 3 X 3 X 3 X 5 X 13) .

Mc 3,14.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,14.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,14.10. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
Mc (50 - 34 - 16) . meta : Mc 3 (2) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . met' (2) : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 .

Mc 3,14.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,14.15. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,23 .

Mc 3,14.16. act. inf. praes. kèrussein (verkondigen) van het werkw. kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô (verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô (verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 5,20 .
Mc 3,14 behoort tot het roepingsverhaal (Mc 3,13-19) . In dit verhaal worden de taken van de geroepenen voorzegd . In het zendingsverhaal (Mc 6,7-13) voeren de leerlingen uit wat hen is opgedragen : ekèruxan (Mc 6,12 : zij verkondigden) . STAP VOOR STAP !

Volgens Mc 3,13 gaat Jezus over tot de selectie met het oog op het vormen van een twaalftal , zoals een bondscoach spelers selecteert en oproept om in het nationaal elftal te spelen . Het twaalftal is het getal dat teruggaat op de zonen van Jakob . Dit twaalftal maakt het volk Israël uit . Gaat het in de roeping en de zending om twaalf concrete personen of gaat het om hun symbolische betekenis en zo om de totaliteit van het volk

?
Er is een merkwaardige overeenkomst met Ex 18,25 : wajjibhëchar Mosjèh ´anësjê chajjil mikhkhâl Jishërâ´el wajjithen ´othâm râ´sjîm `al hâ`âm (en Mozes koos bekwame mannen uit heel Israël en hij stelde hen aan tot hoofden over het volk). In het Grieks : kai epelexen Môusès andras dunatous apo pantos Israèl kai epoièsen ep'autôn (En Mozes verkoos bekwame mannen uit heel Israël en hij stelde - hen - erover aan.)
We zijn gewoon om te spreken over de twaalf apostelen . Hier lijkt apostel synoniem van de twaalf te zijn . Jezus sprak geen Grieks , hij zal wellicht ook niet het Griekse woord apostel gebruikt hebben .
--- apostoloi (apostelen) . Taalgebruik : apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 . Nominatief mannelijk meervoud . komt in zestien verzen in het N.T. voor . Het Griekse woord zouden we naast apostel , gezondene , ook afgevaardigde , afgezant kunnen vertalen . Een afgevaardigde is iemand die de volmacht krijgt om in iemands naam te spreken en op te treden . De nominatief meervoud niet voor bij Matteüs , en bij Marcus telkens slechts éénmaal : Mc 6,30 : apostoloi (bij de terugkeer van de leerlingen uit hun stageperiode) .
--- apostolôn . De genitief meervoud komt in de bijbel / Nieuwe Testament in tweeëntwintig verzen voor , maar slechts in één vers in de evangelies , nl. in Mt 10,2 .
-- apostolois (aan de apostelen) .Taalgebruik : apostoloi (apostelen) , zie Mc 3,14 . Datief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . Hnd (3) . Brieven (3) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd 1,2 . (2) Hnd 14,4 . (3) Hnd 15,22 .
--- apostolous : accusatief meervoud komt in vijftien verzen in de bijbel (en uitsluitend in het Nieuwe Testament) voor . Mc 3,14 : apostolous

apostolos (apostel)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P..  A. b.. 
nom. mann. enk. apostolos  18    18          17      15 
gen. mann. enk. apostolou                     
dat. mann. enk. apostolô(i)                             
acc. mann. enk. apostolon                     
nom. mann. mv.. apostoloi   16    16       
gen. mann. mv.  apostolôn 22    22        13 
dat. mann. mv. apostolois                    
acc. mann. mv. apostolous  15    15           
totaal 8   80  28  39  35 

Mc 3,14.11. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

Mc 3,15 - Mc 3,15 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
15 kai echein exousian ekballein ta daimonia 15 et dedit illis potestatem curandi infirmitates et eiciendi daemonia 15 en om macht te hebben om de demonen uit te werpen 15 met de macht de duivels uit te drijven. [15] met de macht om de demonen uit te drijven. [15] Ze kregen de macht om demonen uit te drijven. 15 en volmacht te hebben om de demonen uit te drijven; 15. avec pouvoir de chasser les démons.  

Statenvertaling . 15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen uit te werpen.
King James Bible . [15] And to have power to heal sicknesses, and to cast out devils:
Luther-Bibel . 15 und dass sie Vollmacht hätten, die bösen Geister auszutreiben.

Tekstuitleg van Mc 3,15 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

3. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia (gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia (gezag, macht) .
Mc (7) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 1,27 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 3,15 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 11,28 . (7) Mc 12,34 .

4. act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô . Taalgebruik in het N.T. : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc 3,15 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 11,15 .

Mc 3,16 - Mc 3,16 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai epoièsen tous dôdeka16 kai epethèken onoma tô simôni petron 16 et inposuit Simoni nomen Petrus   16 [En hij maakte (ze tot) de twaalf,] en hij legde aan Simon de naam Petrus op, 16 Hij wees dus deze twaalf aan; aan Simon gaf Hij de naam Petrus;  [16] Hij stelde deze twaalf aan. Simon gaf Hij de bijnaam Petrus*  [16] De twaalf die hij aanstelde, waren achtereenvolgens Simon, die hij de naam Petrus gaf,  16 zo maakt hij de twaalf ervoor klaar: Simon, aan wie hij de naam Petrus toevoegt;   16. Il institua donc les Douze, et il donna à Simon le nom de Pierre,

Statenvertaling . 16 En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;
King James Bible . [16] And Simon he surnamed Peter;
Luther-Bibel . 16 Und er setzte die Zwölf ein und gab Simon den Namen Petrus;

Tekstuitleg van Mc 3,16 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

8. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

Mc 3,17 - Mc 3,17 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
17 kai iakôbon ton tou zebedaiou kai iôannèn ton adelfon tou iakôbou kai epethèken autois onomata boanerges o estin uioi brontès 17 et Iacobum Zebedaei et Iohannem fratrem Iacobi et inposuit eis nomina Boanerges quod est Filii tonitrui en Jakobus, de zoon van Zebedeüs, en Johannes de broer van Jakobus en hij legde hen de naam (namen) op: Boanerges, dat is zonen van de donder; 17 verder Jakobus de zoon van Zebedeus en Johannes de broer van Jakobus, aan wie Hij de naam Boanerges gaf, wat betekent: zonen van de donder; . [17] Jakobus van Zebedeüs en Johannes, de broer van Jakobus, gaf Hij de bijnaam Boanerges*, dat betekent Donderzonen. [17] Jakobus, de zoon van Zebedeüs, Johannes, de broer van Jakobus (aan deze twee gaf hij de naam Boanerges, wat ‘zonen van de donder’ betekent), 17 Jakobus van Zebedeüs, en Jakobus’ broer Johannes, aan wie hij de naam Boanerges toevoegt, dat is: zonen des donders; 17. puis Jacques, le fils de Zébédée, et Jean, le frère de Jacques, auxquels il donna le nom de Boanergès, c'est-à-dire fils du tonnerre,  

Statenvertaling . 17 En Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes, den broeder van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;
King James Bible . [17] And James the son of Zebedee, and John the brother of James; and he surnamed them Boanerges, which is, The sons of thunder:
Luther-Bibel . 17 weiter: Jakobus, den Sohn des Zebedäus, und Johannes, den Bruder des Jakobus, und gab ihnen den Namen Boanerges, das heißt: Donnersöhne;

Tekstuitleg van Mc 3,17 .

Mc 3,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,17.2. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos (Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .

Mc 3,17.3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 3,27 . (5) Mc 3,29 .

Mc 3,17.4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

Mc 3,17.5. gen. mann. enk. zebedaiou (Zebedeüs) van het zelfst. naamw. zebedaios (Zebedeüs) . Taalgebruik in het N.T. : zebedaios (Zebedeüs) . Taalgebruik in Mc : zebedaios (Zebedeüs) .
Mc (3) : (1) Mc 1,19 .  (2) Mc 3,17 .  (3) Mc 10,35 .

Mc 3,17.2. - 5. iakôbon ton tou zebedaiou (Jakobus , die van Zebedeüs = Jakobus , de zoon van Zebedeüs) . Mc (2) : (1) Mc 1,19 .  (2) Mc 3,17 .

Mc 3,17.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

7. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc (5) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 9,2 . (5) Mc 14,33 .

Mc 3,17.10. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

Mc 3,17.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,17.14. vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,23 . (5) Mc 3,33 .

Mc 3,17.17. bep. lidw. nom. m. enk. ho : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .

Mc 3,18 - Mc 3,18 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
18 kai andrean kai filippon kai bartholomaion kai matthaion kai thôman kai iakôbon ton tou alfaiou kai thaddaion kai simôna ton kananitèn 18 et Andream et Philippum et Bartholomeum et Mattheum et Thomam et Iacobum Alphei et Thaddeum et Simonem Cananeum en Andreas en Filippus en Bartolomeüs en Matteüs en Tomas en Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Taddeüs en Simon de Kananeeër 18 vervolgens Andreas, Filippus, Bartolomeus, Matteus, Tomas, Jakobus de zoon van Alfeus, Taddeus, Simon de ijveraar [18] Verder Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs*, [18] Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas, Jakobus, de zoon van Alfeüs, Taddeüs, Simon Kananeüs 18 Andreas, Filippus, Bartolomeüs, Matteüs, Tomas en Jakobus van Alfeüs, Taddeüs, Simon de Kananeeër en 18. puis André, Philippe, Barthélemy, Matthieu, Thomas, Jacques, le fils d'Alphée, Thaddée, Simon le Zélé, 

Statenvertaling . 18 En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites,
King James Bible . [18] And Andrew, and Philip, and Bartholomew, and Matthew, and Thomas, and James the son of Alphaeus, and Thaddaeus, and Simon the Canaanite,
Luther-Bibel . 18 weiter: Andreas und Philippus und Bartholomäus und Matthäus und Thomas und Jakobus, den Sohn des Alphäus, und Thaddäus und Simon Kananäus

Tekstuitleg van Mc 3,18 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

2. acc. mann. enk. andrean (Andreas) . Taalgebruik in het N.T. : andreas (Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas (Andreas) .
Mc (1) : Mc 13,3 . Een vorm van andreas (Andreas) in 4 verzen in Mc . In het kwartet van Mc 13,3 komt hij op de 4de plaats . Zo komt hij ook op de vierde plaats in het verhaal van de roeping van de twaalf (Mc 3,18) . Dit is telkens het geval wanneer zijn broer Simon de naam Petrus draagt . Hij heeft dus zijn plaats moeten afstaan aan Jakobus en Johannes .
In Mc 1,16 en Mc 1,29 wordt hij op de tweede plaats na zijn broer Simon vermeld.

3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

12. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos (Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .

13. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 3,27 . (5) Mc 3,29 .

14. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

15. gen. mann. enk. alfaiou  (Alfeüs) van de eigennaam leui (Levi) . Taalgebruik in het N.T. : leui (Levi) . Taalgebruik in Mc : leui (Levi) .
Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 .

13. - 15. ton tou alfaiou (die van Alfeüs = de zoon van Alfeüs) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 . In Mc 2,14 is het Levi , in Mc 3,18 Jakobus . Deze Jakobus wordt onderscheiden van iakôbon , ton tou zebedaiou = Jakobus, die van Zebedeüs OF Jakobus , de zoon van Zebedeüs (Mc 1,19) . .

16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

18. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

20. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 3,27 . (5) Mc 3,29 .

Mc 3,19 - Mc 3,19 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai Ioudan Iskariôth, hos kai paredôken auton 19 et Iudam Scarioth qui et tradidit illum   en Judas Iskarioth die hem ook overgeleverd heeft.   19 en Judas Iskariot, die Hem heeft overgeleverd  [19] en Judas Iskariot*, die Hem overgeleverd heeft.  [19] en Judas Iskariot, die hem heeft uitgeleverd.  19 Judas Isjkariot, die hem ook heeft prijsgegeven. 19. et Judas Iscariote, celui-là même qui le livra.

Statenvertaling . 19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
King James Bible . [19] And Judas Iscariot, which also betrayed him: and they went into an house.
Luther-Bibel . 19 und Judas Iskariot, der ihn dann verriet.

Tekstuitleg van Mc 3,19 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 3 (3) : (2) Mc 3,19 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

7. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .

- paredôkan (zij leverden over) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .

- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = verrader) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .

paradidômi (overleveren)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken  82  65  17   
act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan        

sanhedrin (paredôkan) sanhedrin (paredôkan) sanhedrin (paredôkan) Judas (paredôken) Pilatus (paredôken) Pilatus (paredôken) Pilatus (paredôken)
Mc 15,1 // Mt 27,2 Mt 27,2 // Mc 15,1 Mt 27,18 // ( Mc 15,10) Mc 3,19 // (Mt 10,4) // Lc 6,16 Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 
kai (en) kai (en) hoti (dat) kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) kai (en) ton de Ièsoun Jezus echter)  
paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over) ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over)
    hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.   hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. tôi thelèmati autôn (aan hun wil)
336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1- 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25

paradidômi (overleveren, uitleveren) Voor het eerst is sprake van Judas . Het valt op dat het werkwoord in de verleden tijd (aorist - bij Marcus slechts in Mc 3,19 en Mc 15,15) staat , zoals dat ook het geval is in Mc 15,15 waarin Pilatus Jezus overleverde om gekruisigd te worden . Vanaf de eerste vermelding van Judas wordt hij geschetst als de overleveraar . Zo worden Judas en Pilatus naast elkaar geplaatst . Judas had wellicht gehoopt op de overwinning van een gewapende opstand , waarbij de kop van Pilatus zou rollen . De hogepriesters leveren Jezus aan Pilatus uit . Het draait helemaal anders uit . Pilatus als rechter spreekt het oordeel over Jezus uit . De hoop op een gewelddadige opstand vervliegt .
Misschien is er nog meer . Judas (Jehuda) is één van de twaalf . Twaalf kan verwijzen naar de twaalf stammen van Israël . Judas (Jehuda) zou kunnen verwijzen naar de stam Juda (het Zuidelijk rijk, de joden) . De joden hebben Jezus overgeleverd die tot zijn dood zal leiden . Judas leverde Jezus over en het bracht hem tot zelfmoord: ; de joden leverden Jezus over wat uiteindelijk (bij de val van Jeruzalem in 70 na Christus) tot de vernietiging van de stad Jeruzalem en de tempel heeft geleid . Judas zou wel eens een fictief personage kunnen zijn . Hij zou het beeld van de vurige jood kunnen zijn die zich met geweld verzet tegen de Romeinen en ijvert voor een joodse zaak . Met de overlevering van Jezus en zijn veroordeling ter dood komt deze noodlottige toekomst dichterbij . Tegenover deze ondergang staat de opstanding van Jezus en de christelijke gemeenschappen . "Breekt deze tempel af en in drie dagen zal hij verrijzen" .
Met de keuze voor Barabbas hebben de joden gekozen voor het gewelddadig verzet en geweldloosheid verworpen . Het gewelddadig verzet , de joodse opstanden , zullen uiteindelijk leiden tot de vernietiging van de stad en tot de vernieling van de tempel .
De teksten getuigen van een zekere spanning . Tegenover de joden wiens stad Jeruzalem werd verwoest en wiens tempel werd vernield , staan de christenen (joden-christenen en heiden-christenen) . Geweld staat tegenover geweldloosheid . Christenen lijken op goede voet met de Romeinen te staan . Levi (Matteüs) , een collaborateur met de Romeinen , krijgt vergeving en wordt één van de twaalf leerlingen . De zoon van de honderdman wordt genezen . Het kind van de Syro-Fenicische wordt eveneens genezen . Pilatus vindt geen schuld in Jezus .
Heel deze benadering kan de neerslag zijn van de verdediging van de christenen tegenover de joden . De joden kunnen ervaren hebben dat de houding van de christenen ertoe geleid heeft dat zij overwonnen werden . De christenen waren de oorzaak van verdeeldheid onder de joden . Zij namen collaborerende joden , heidenen en Romeinen op in hun gemeenschappen en kozen voor geweldloosheid . Ze namen ook een vrijere interpretatie van de wet en de profeten aan . Deze collaboratie werd overlevering aan de Romeinen . Deze beschuldigingen van de joden aan het adres van de christenen moesten wel weerlegd worden . Het evangelie van Marcus zou wel eens een weerschrift tegen de joden kunnen zijn . Achter de klemtonen zouden wel eens joodse beschuldigingen kunnen schuilen. Eén van die hoofdthema's lijkt "overlevering" te zijn . Judas (Jehuda) heeft Jezus overgeleverd aan de Romeinen en zo het einde van Jeruzalem en de tempel ingeluid . Hiertegenover : de christenen hebben met hun vrije interpretatie van de wet en de profeten , met hun colaboratie met de Romeinen , de joden aan de Romeinen overgeleverd en zo het einde van stad en tempel bewerkt .

Mc 3,19 Mc 15,15
kai Ioudan Iskariôth (en Judas Iskariot) Ho de Pilatos (Pilatus echter)....
kos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) kai paredôken ton Ièsoun ... (en hij leverde Jezus over)
  hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden.
97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 -

7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in Mc 3 : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

Evangelie op de 10de (tiende) zondag door het b-jaar : Marcus 3,20-35 . Taalgebruik : Mc 3,20-35 .

In die tijd ging Jezus naar huis en weer stroomde zoveel volk samen dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. Toen zijn verwanten dit hoorden trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was. De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren zeiden dat Beëlzebub in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: "Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is kan dat rijk geen stand houden. Wanneer een huis innerlijk verdeeld is zal dat huis geen stand kunnen houden. En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde." Dit omdat zij gezegd hadden: er huist een onreine geest in Hem. Eens kwamen zijn moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: "Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U." Hij gaf hun ten antwoord: "Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?" En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten zei Hij: "Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen."

116. Onbegrip van Jezus'verwanten : Mc 3,20-21 - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 -

SANDWICH-MODEL :

1. Mc 3,20-21 (Mc 3,22-30) Mc 3,31-35 .
2. Mc 5,21-24 (Mc 5,25-34) Mc 5,35-43 .
3. Mc 6,7-13 (Mc 6,14-29) Mc 6,30-32 .
4. Mc 11,12-14 (Mc 11,15-19) Mc 11,20-26 .
5. Mc 14,1-2 (Mc 14,3-9) Mc 14,10-11 .
6. Mc 14,12-16 (Mc 14,17-21) Mc 14,22-25 .
7. Mc 14,54 (Mc 14,55-65) Mc 14,66-72 .

Mc 3,20 - Mc 3,20 : 116. Onbegrip van Jezus'verwanten - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai erchetai eis oikon kai sunerchetai palin ho ochlos, hôste mè dunasthai autous mède arton fagein et veniunt ad domum et convenit iterum turba ita ut non possent neque panem manducare En hij kwam naar huis En hij kwam naar huis 20 Hij ging naar huis en weer stroomde zoveel volk samen, dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. [20] Hij ging naar huis. En weer stroomde de menigte samen, zodat ze niet eens de gelegenheid kregen om brood te eten  [20] Hij ging terug naar huis, en weer verzamelde zich een menigte, zodat ze zelfs niet de kans kregen om te gaan eten.   20 Hij komt een huis binnen, en weer komt er zo’n schare samen dat zij hun brood niet eens kunnen eten.  20. Il vient à la maison et de nouveau la foule se rassemble, au point qu'ils ne pouvaient pas même manger de pain. 

Statenvertaling . 20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.
King James Bible . [20] And the multitude cometh together again, so that they could not so much as eat bread.
Luther-Bibel . 20 Und er ging in ein Haus. Und da kam abermals das Volk zusammen, sodass sie nicht einmal essen konnten.

Tekstuitleg van Mc 3,20 . Twee nevenschikkende hoofdzinnen , één ondergeschikte zin . De eerste zin geeft het overgangsvers , de tweede het samenstromen van het volk . Dergelijke schema's vonden we in

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

2. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .
In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,1 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,17 . (6) Mc 14,37 . (7) Mc 14,41 . In drie verzen erchetai + eis + plaatsbepaling (hij gaat naar) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 6,1 . (3) Mc 10,1 .

1. - 2. kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) . Taalgebruik in N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Bij het begin van het vers : Mc (6) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,31 . (4) Mc 5,22 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,41 .

3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

2. - 3. erchetai eis (hij gaat naar) . Mc (5) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 5,38 (variante erchontai : zij gaan) . (3) Mc 6,1 . (4) Mc 8,22 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 10,1 . Joh (2) . Jezus is telkens onderwerp .

4. oikon (naar huis) . Zelfst. naamw oikos (huis) acc. mann. enk. . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Mc (10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,30 . (8) Mc 8,3 . (9) Mc 8,26 . (10) Mc 9,28 .
Mc 3,20-21 en Mc 3,31-35 : sandwichmethode . Jezus gaat niet zomaar naar een huis , maar naar zijn huis . Jezus antwoordt op de vraag wie zijn huisgenoten zijn en wie niet of buitenstaanders . Jezus woont in Kafarnaüm .

3. - 4. eis oikon (naar huis) . Mc (4) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 9,28 .

5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 . Dit kai (en) leidt de tweede nevenschikkende hoofdzin in . Het geeft het samenstromen van het volk aan .

8. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .

9. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

13. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,23 .

Mc 3,21 - Mc 3,21 : 116. Onbegrip van Jezus'verwanten - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai akouontes hoi par'autou exèlthon kratèsai auton elegon gar hoti exestè 20 et veniunt ad domum et convenit iterum turba ita ut non possent neque panem manducare 21 et cum audissent sui exierunt tenere eum dicebant enim quoniam in furorem versus est    20 Hij ging naar huis en weer stroomde zoveel volk samen, dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. 21 Toen zijn verwanten dit hoorden, trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was.   [21] Zijn familie, die over Hem gehoord had, ging eropuit om Hem in bedwang te houden; want ze zeiden dat Hij zichzelf niet was.  [21] Toen zijn verwanten hiervan hoorden, gingen ze op weg om hem, desnoods onder dwang, mee te nemen, want volgens hen had hij zijn verstand verloren.  21 Als wie bij hem staan dat horen gaan ze eropuit om hem te overmeesteren;  21. Et les siens, l'ayant appris, partirent pour se saisir de lui, car ils disaient : « Il a perdu le sens. »

Statenvertaling . 21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
King James Bible . [21] And when his friends heard of it, they went out to lay hold on him: for they said, He is beside himself.
Luther-Bibel . 21 Und als es die Seinen hörten, machten sie sich auf und wollten ihn festhalten; denn sie sprachen: Er ist von Sinnen.

Tekstuitleg van Mc 3,21 . Het vers Mc 3,21 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Mc 3,21 is 5628 (2 X 2 X 3 X 7 X 67) . Bekend is : het advies om Jezus uit de weg te ruimen (Mc 3,6) , een overleveraar (Mc 3,19) . Zo is een kwestie om Jezus te kunnen 'vatten' . Zijn verwanten komen .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 3,30 .

2. act. part. aor. nom. mv. akousantes  van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Mc (7) : (1) Mc 3,21 . (2) Mc 4,18 . (3) Mc 6,29 . (4) Mc 10,41 . (5) Mc 14,11 . (6) Mc 15,35 . (7) Mc 16,11 .  

3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

5. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

8. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .

10. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc (3) : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,35 .

11. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .

118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -

Mc 3,22 - Mc 3,22 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
22 kai oi grammateis oi apo ierosolumôn katabantes elegon oti beelzeboul echei kai oti en tô archonti tôn daimoniôn ekballei ta daimonia 22 et scribae qui ab Hierosolymis descenderant dicebant quoniam Beelzebub habet et quia in principe daemonum eicit daemonia 22. En de schriftgeleerden die van Jeruzalem afgedaald waren, zeiden’ “Hij heeft Beelzebul”, en: “Door de overste van de demonen werpt hij de demonen uit". 22 De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden dat Beëlzebub in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. [22] Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, zeiden: ‘Hij is in de macht van Beëlzebul*’ en ‘Het is door de opperdemon dat Hij de demonen uitdrijft.’
[22] Ook de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, zeiden: ‘Hij is bezeten door Beëlzebul,’ en: ‘Dankzij de vorst der demonen kan hij demonen uitdrijven.’
22 ¶ want, hebben ze gezegd, hij is buiten zichzelf! De schriftgeleerden die uit Jeruzalem afdaalden, hebben gezegd: hij heeft Beëlzeboel in zich!, en: met de overste der demonen drijft hij die demonen uit! 22. Et les scribes qui étaient descendus de Jérusalem disaient : « Il est possédé de Béelzéboul », et encore : « C'est par le prince des démons qu'il expulse les démons. »  

Statenvertaling . 22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen uit.
King James Bible . [22] And the scribes which came down from Jerusalem said, He hath Beelzebub, and by the prince of the devils casteth he out devils.
Luther-Bibel . 22 Die Schriftgelehrten aber, die von Jerusalem herabgekommen waren, sprachen: Er hat den Beelzebul, und: Er treibt die bösen Geister aus durch ihren Obersten.

Tekstuitleg van Mc 3,22 . Het vers Mc 3,22 telt 21 (3 X 7) woorden en 112 (2 X 2 X 2 X 2 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 3,22 is 10898 (2 X 5449) .

Mc 3,22.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 3,30 .

Mc 3,22. 2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

3. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc 9,14 .

4. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,21 . (4) Mc 3,22 . (5) Mc 3,31 . (6) Mc 3,32 . (7) Mc 3,33 . (8) Mc 3,34 .

5. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc 3 (3) : 3  (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 3,22 .

6. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

9. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 3,30 .

13. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .

14. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 3 (2) : (1) Mc 3,22 . (2) Mc 3,23 .

15. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .

17. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

19.

Mc 3,23 - Mc 3,23 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
23 kai proskalesamenos autous en parabolais elegen autois pôs dunatai satanas satanan ekballein 23 et convocatis eis in parabolis dicebat illis quomodo potest Satanas Satanan eicere 23 En hij riep hen bij zich (en) in gelijkenissen zei hij hun: “Hoe kan Satan Satan uitwerpen? 23 Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: "Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? [23] Hij riep hen bij zich en sprak hen toe met vergelijkingen: ‘Hoe kan de satan de satan uitdrijven? [23] Toen hij hen bij zich geroepen had, sprak hij tot hen in gelijkenissen: ‘Hoe kan Satan zichzelf uitdrijven? 23 Hij roept hen tot zich en zegt tot hen in gelijkenisspreuken: hoe kan een satan een satan uitdrijven?– 23. Les ayant appelés près de lui, il leur disait en paraboles : « Comment Satan peut-il expulser Satan ?

Statenvertaling . 23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?
King James Bible . [23] And he called them unto him, and said unto them in parables, How can Satan cast out Satan?
Luther-Bibel . 23 Jesus aber rief sie zusammen und sprach zu ihnen in Gleichnissen: Wie kann der Satan den Satan austreiben?

Tekstuitleg van Mc 3,23 . Het vers Mc 3,23 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden , 32 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) lettergrepen en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 3,23 is 7458 (2 X 3 X 11 X 113) . Dit vers Mc 3,23 telt evenveel woorden als Mc 7,14 . Schriftgeleerden uit Jeruzalem verklaren dat Jezus bezeten is door de duivel (Mc 3,22) . In Mc 3,23 vlg. roept Jezus hen bij zich en vertelt hij hen een parabel . In Mc 7,1-13 ontstaat een twistgesprek tussen de farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem enerzijds en Jezus anderzijds over reinheid bij het eten . In Mc 7,14 roept Jezus het volk bij zich en vertelt hij het een parabel . Tussen Mc 3,23 en Mc 7,14 zijn de overeenkomsten : kai proskalesamenos (en samengeroepen bij zich) ... elegen autois (zei hij hen)

Mc 3,23.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 3,29 . (3) Mc 3,30 .

Mc 3,23.2. part. aor. nom. mann. enk. proskalesamenos (bij zich geroepen) . Taalgebruik in het N.T. : proskaleomai (bij zich roepen)  . Taalgebruik in Mc : proskaleomai (bij zich roepen)  .
Mc (7) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 8,1 . (4) Mc 8,34 . (5) Mc 10,42 . (6) Mc 12,43 . (7) Mc 15,44 . In 6 / 7 is Jezus onderwerp . In 1 / 7 is het Pilatus (Mc 15,44) . In 7 / 7 volgt op het part. proskalesamenos (bij zich geroepen) een lijdend voorwerp .
Het is de 1ste maal dat deze vorm gebruikt wordt . Jezus roept bij zich en zegt dan iets .

Mc 3,23.1. - 2. kai proskalesamenos (en bij zich geroepen) . Mc (6 / 7) . Niet in Mc 8,1 .

Mc 3,23.3. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,23 . In Mc 3,23 roept Jezus de schriftgeleerden die van Jeruzalem zijn afgedaald bij zich .

Mc 3,23.1. - 3. proskalesamenos (samengeroepen bij zich) . Mc (6 / 7) : (1) Mc 3,23 (A) . (2) Mc 7,14 (B) . (3) Mc 8,1 (C) . (4) Mc 8,34 (D) . (5) Mc 10,42 (E) . (6) Mc 12,43 (F) . zeshoek
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 10,42 . (diagonaal A - E) .
- proskalesamenos (...) ton ochlon (samengeroepen het volk) in Mc (2) : (1) Mc 7,14 . (2) Mc 8,34 . (diagonaal B - D) .
- proskalesamenos tous mathètas (samengeroepen de leerlingen) in Mc (2) : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 12,43 . (diagonaal C - F) .
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen het volk met zijn leerlingen) in Mc (1) : Mc 8,34 .
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 10,42 . (diagonaal A - E) .

Mc 3,23.4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc (119) . Mc 3 (2) : (1) Mc 3,22 . (2) Mc 3,23 .

Mc 3,23.5. dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (5) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,33 .  (5) Mc 12,1 . Een vorm van parabolè (parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen .

Mc 3,23.4. - 5. en parabolais (in parabels, gelijkenissen) . Mc (4 / 5) . Mc (4) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 .  (4) Mc 12,1 .

Mc 3,23.6. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 3 (1) : Mc 3,23 .

Mc 3,23.7. vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,23 . (5) Mc 3,33 .

Mc 3,23.1. 6. - 7. kai .... elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
N.T. (12) . Mc (11 + 3) . Mc 3 (1) : (1) Mc 3,23 .
- Mc 3,23 : kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
- Mc 7,14 : kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
Zijde A - B van de zeshoek . STAP VOOR STAP !
In Mc 3,23 riep Jezus de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren afgedaald bij zich en sprak tot hen in parabels . In Mc 7,14 riep Jezus opnieuw de menigte bij zich om het een parabel te vertellen .

Mc 3,23.8. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 3 (1) : Mc 3,23 .

Mc 3,23.10. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) .
Mc (3) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 3,26 . (3) Mc 4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 8,33 .

Mc 3,23.11. acc. mann. enk. satanan (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) .
Mc (1) : Mc 3,23 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 8,33 .

Mc 3,23.12. act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô . Taalgebruik in het N.T. : ekballô (uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô (uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc 3,15 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 11,15 .

Eénmaligheid

- acc. mann. enk. satanan (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) . Mc (1) : Mc 3,23 .

Duality

- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 10,42 . (diagonaal A - E) .
- Zijde A - B van de zeshoek .
-- Mc 3,23 : kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
-- Mc 7,14 : kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .

Mc 3,24 - Mc 3,24 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
24 kai ean basileia ef eautèn meristhè ou dunatai stathènai è basileia ekeinè 24 et si regnum in se dividatur non potest stare regnum illud En als een rijk in zichzelf verdeeld is, kan dat rijk niet standhouden. 24 Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is, kan dat rijk geen stand houden. [24] Als een koninkrijk innerlijk verdeeld raakt, kan dat koninkrijk niet standhouden. [24] Als een koninkrijk innerlijk verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden; 24 en als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld raakt, dan kán het niet staande blijven, dat koninkrijk; 24. Si un royaume est divisé contre lui-même, ce royaume-là ne peut subsister.  

Statenvertaling . 24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat koninkrijk niet bestaan.
King James Bible . [24] And if a kingdom be divided against itself, that kingdom cannot stand.
Luther-Bibel . 24 Wenn ein Reich mit sich selbst uneins wird, kann es nicht bestehen.

Tekstuitleg van Mc 3,24 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

3. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .

10. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 3,25 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 3,32 . (6) Mc 3,33 . (7) Mc 3,34 .

Mc 3,25 - Mc 3,25 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
25 kai ean oikia ef eautèn meristhè ou dunatai stathènai è oikia ekeinè 25 et si domus super semet ipsam dispertiatur non poterit domus illa stare 25 En als een huis in zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen standhouden. 25 Wanneer een huis innerlijk verdeeld is, zal dat huis geen stand kunnen houden. [25] Als een familie innerlijk verdeeld raakt, kan die familie niet standhouden. [ [25] als een gemeenschap innerlijk verdeeld is, zal die gemeenschap niet kunnen standhouden. 25 als een huishouden tegen zichzelf verdeeld raakt, dan kán dat huis niet staan; 25. Et si une maison est divisée contre elle-même, cette maison-là ne pourra se maintenir.  

Statenvertaling . 25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan dat huis niet bestaan.
King James Bible . [25] And if a house be divided against itself, that house cannot stand.
Luther-Bibel . 25 Und wenn ein Haus mit sich selbst uneins wird, kann es nicht bestehen.

Tekstuitleg van Mc 3,25 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 3,25 . (4) Mc 3,31 . (5) Mc 3,32 . (6) Mc 3,33 . (7) Mc 3,34 .

Mc 3,26 - Mc 3,26 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26 kai ei o satanas anestè ef eauton kai memeristai ou dunatai stathènai alla telos echei 26 et si Satanas consurrexit in semet ipsum dispertitus est et non potest stare sed finem habet 26 En als de Satan is opgestaan tegen zichzelf en verdeeld is, 26 En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. 26] Als de satan tegen zichzelf opstaat en verdeeld raakt, kan hij niet standhouden, maar is dat zijn einde. [26] En als Satan tegen zichzelf in opstand is gekomen en verdeeld is, kan ook hij niet standhouden, maar gaat hij zijn einde tegemoet. 26 en als de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld raakt, dan kán hij niet standhouden, nee, dan is hij aan het eind; erst vastbindt; pas dán zal hij diens huis leegroven; 26. Or, si Satan s'est dressé contre lui-même et s'est divisé, il ne peut pas tenir, il est fini.  

Statenvertaling . 26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
King James Bible . [26] And if Satan rise up against himself, and be divided, he cannot stand, but hath an end.
Luther-Bibel . 26 Erhebt sich nun der Satan gegen sich selbst und ist mit sich selbst uneins, so kann er nicht bestehen, sondern es ist aus mit ihm.

Tekstuitleg van Mc 3,26 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

2. ei (je bent of : indien, of): act. ind. pr. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .

3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .

4. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) .
Mc (3) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 3,26 . (3) Mc 4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 8,33 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,27 - Mc 3,27 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
27 ou dunatai oudeis ta skeuè tou ischurou eiselthôn eis tèn oikian autou diarpasai ean mè prôton ton ischuron dèsè kai tote tèn oikian autou diarpasei  nemo potest vasa fortis ingressus in domum diripere nisi prius fortem alliget et tunc domum eius diripiet   . 27 Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven, als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen.  [[27] Bovendien kan niemand het huis van een sterke binnendringen en de inboedel weghalen, als hij niet eerst die sterke vastbindt; pas dan kan hij zijn huis leeghalen.  [27] Bovendien kan niemand het huis van een sterkere binnengaan om zijn inboedel te roven, als hij die sterkere niet eerst vastgebonden heeft; pas dan kan hij zijn huis leeghalen.   maar ook kán niemand het huis van zo'n sterke binnenkomen om diens spullen te roven, als hij zo'n sterke niet eerst vastbindt; pas dán zal hij diens huis leegroven; 27. Mais nul ne peut pénétrer dans la maison d'un homme fort et piller ses affaires s'il n'a d'abord ligoté cet homme fort, et alors il pillera sa maison. 

Statenvertaling . 27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis beroven.
King James Bible . [27] No man can enter into a strong man's house, and spoil his goods, except he will first bind the strong man; and then he will spoil his house.
Luther-Bibel . 27 Niemand kann aber in das Haus eines Starken eindringen und seinen Hausrat rauben, wenn er nicht zuvor den Starken fesselt; erst dann kann er sein Haus berauben.

Tekstuitleg van Mc 3,27 . Het vers Mc 3,27 telt 25 (5²) woorden en 122 (2 X 61) letters . De getalwaarde van Mc 3,27 is 15221 (31 X 491) .

Mc 3,27.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .

Mc 3,27.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,27.8. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,18 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,35 .

Mc 3,27.10. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 .

Mc 3,27.5. 10. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

Mc 3,27.14. bep. lidw. nom. vr. mv. . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Mc 3 (2) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 3,32 .

Mc 3,27.18. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,9 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 3,27 . (5) Mc 3,29 .

Mc 3,27.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .

Mc 3,27.22. tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het N.T. : tote (dan) . Taalgebruik in Mc : tote (dan) .
Mc (6) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,14 . (4) Mc 13,21 . (5) Mc 13,26 . (6) Mc 13,27 .

Mc 3,27.21. - 22. kai tote (en dan) . Mc (5) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 13,26 . (5) Mc 13,27 . Niet in Mc 13,14 .

Mc 3,27.23. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .

Mc 3,27.25. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,9 . (6) Mc 3,10 . (7) Mc 3,14 . (8) Mc 3,21 . (9) Mc 3,27 . (10) Mc 3,31 .

119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Mc 3,28-30 - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 -

Mc 3,28 - Mc 3,28 : 119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 10de (tiende) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
28 amèn legô umin oti panta afethèsetai ta amartèmata tois uiois tôn anthrôpôn kai blasfèmiai osas an blasfèmèsôsin 28 amen dico vobis quoniam omnia dimittentur filiis hominum peccata et blasphemiae quibus blasphemaverint   28 Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben; [28] Ik verzeker u, alles zal de mensenkinderen vergeven worden, hun zonden en de lastertaal die ze gesproken hebben. [28] Ik verzeker u: alle wandaden en godslasteringen, hoe erg ook, kunnen de mensen worden vergeven, 28 zeker is het, zeg ik u: alles zal aan de mensenzonen vergeven worden, de zonden en de godslasteringen waarmee ze God zullen lasteren, 28. « En vérité, je vous le dis, tout sera remis aux enfants des hommes, les péchés et les blasphèmes tant qu'ils en auront proféré ;  

Statenvertaling . 28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen gelasterd hebben;
King James Bible . [28] Verily I say unto you, All sins shall be forgiven unto the sons of men, and blasphemies wherewith soever they shall blaspheme:
Luther-Bibel . 28 Wahrlich, ich sage euch: Alle Sünden werden den Menschenkindern vergeben, auch die Lästerungen, wie viel sie auch lästern mögen;

Tekstuitleg van Mc 3,28 .

Mc 3,28.1. amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn (amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 3,28.2. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (19) . Mc

Mc 3,28.3. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc

Mc 3,28.1. - 3. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie dat ) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

4. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .

Mc 3,28.1. - 4. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (8) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 12,43 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 14,18 . (8) Mc 14,25 .

Mc 3,28.7. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .
Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 .

Mc 3,28.9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .
Mc 3 (4) : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 .

Mc 3,29 - Mc 3,29 : 119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) --