MARCUSEVANGELIE DERDE HOOFDSTUK , MC 3 -- TAALGEBRUIK
-- COMMENTAAR
-
- bijbeloverzicht
-- Taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 3
-
- Mc
3,1-6 -- Mc
3,7-12 -- Mc
3,13-19 -- Mc
3,20-21 -- Mc
3,22-27 -- Mc
3,28-30 -- Mc
3,31-35 -- Mc 3,20-35 -
- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het Marcusevangelie : Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Tekstuitleg per pericope - Mc
3,1-6 -- Mc
3,7-12 -- Mc
3,13-19 -- Mc
3,20-21 -- Mc
3,22-27 -- Mc
3,28-30 -- Mc
3,31-35 -
Tekstuitleg vers per vers - Mc
3,1 - Mc
3,2 - Mc
3,3 - Mc
3,4 - Mc
3,5 - Mc
3,6 - Mc
3,7 - Mc
3,8 - Mc
3,9 - Mc
3,10 - Mc
3,11 - Mc
3,12 - Mc
3,13 - Mc
3,14 - Mc
3,15 - Mc
3,16 - Mc
3,17 - Mc
3,18 - Mc
3,19 - Mc
3,20 - Mc
3,21 - Mc
3,22 - Mc
3,23 - Mc
3,24 - Mc
3,25 - Mc
3,26 - Mc
3,27 - Mc
3,28 - Mc
3,29 - Mc
3,30 - Mc
3,31 - Mc
3,32 - Mc
3,33 - Mc
3,34 - Mc
3,35 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
Woordenschat
- apostoloi
(apostelen) , zie Mc
3,14 .
- proskaleô
(bij zich roepen), zie Mc
3,23 en Mc
3,13 .
Bibliografie
Literatuur .
Liturgisch gebruik
- 9de
(negende) zondag door het b-jaar .
- Mc
3,20-35 : 10de
(tiende) zondag door het b-jaar .
Overzicht
van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het eerste hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc
3,1-6 - Lc
6,6-11 - Lc
14,1-6 - Mt
12,9-14 -
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc
3,7-12 - Mt
12,15-21 - Lc
6,17-20a -
97. Roeping van de Twaalf : Mc
3,13-19 - Lc
6,12-16 -
116. Onbegrip van Jezus'verwanten : Mc
3,20-21 -
118. De Beëlzebubcontroverse : Mc
3,22-27 - Mt
12,24-30 - Lc
11,15-23 -
119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Mc
3,28-30 - Mt
12,31-32 - Lc
12,22-32 -
123. Jezus'ware verwanten : Mc
3,31-35 - Mt
12,46-50 - Lc
8,19-21 -
95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 -
- Lohse, Eduard. “Jesu Worte über den Sabbat.” IN: Jusentum, Urchristentum, Kirche: Festschrift für Joachim Jeremias. Hrsg. Von Walter Eltester. Berlin, A. Töpelmann, 1960, p.79-89 . Eduard Lohse is a prominent name in German New Testament exegesis. Born in 1924, after a career as a biblical scholar, having taught in Kiel and Göttingen, he was also rector and pro-rector of the University of Göttingen 1969.971 during some of the most difficult years of German university history. He became a Bishop of the Evangelisch-Lutherische Kirche Hannover (one of the larger German Lutheran churches) in 1971, succeeding Hanns Lilje. This position he held until his retirement in 1988. In later years he once again taught at many universities all over the world. From 1988 to 1996 he was also President of the United Bible Societies. A short autobiographical statement of his has recently been published in Eve-Marie Becker, ed., Neutestamentliche Wissenschaft: Autobiographische Essays aus der Evangelischen Theologie (Tübingen: Francke, 2003), 9.17.
Om de directe rede in te leiden gebruikt Marcus het werkwoord legô (zeggen) . In dit verhaal staat het telkens in de onvoltooid tegenwoordige tijd . De woordvolgorde van de zin is : eventueel het nevenschikkend voegwoord kai (en) , het werkwoord , de bestemmeling (de man , de Farizeeën samen met de Herodianen) .
| Mc 3,3 | Mc 3,4 | Mc 3,5 |
| kai (en) | kai (en) | |
| legei (hij zegt) | legei (hij zegt) | legei (hij zegt) |
| tôi anthrôpôi (aan de mens) | autois (aan hen) | tôi anthrôpôi (aan de mens) |
| 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat : Mc 3,1-6 - Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - |
De indeler van de verzen heeft zich hoofdzakelijk laten leiden door de wisseling
van de personages of door de wisseling van de bestemmeling bij eenzelfde personage
. Uitzondering hierop vormen de twee nevenschikkende zinnen (Mc
3,5c) waar de gehandicapte uitvoert wat Jezus gebiedt en genezen wordt .
Ook de voorstelling van de man in Mc
3,1b gaf geen aanleiding tot een nieuw vers . Zo werd de versindeling bepaald
door de twee actoren : Jezus en zijn tegenstanders . Ook de reactie van de tegenstanders
in Mc 3,4c
gaf geen aanleiding tot een nieuw vers . Het valt echter op dat hier het zachte
partikel de (echter) wordt gebruikt en in alle andere gevallen het nevenschikkend
voegwoord kai (en) nl. 9X telkens als verbindend voegwoord van een nevenschikkende
zin . Van deze 9 gevallen staan er 6 bij het begin van een vers .
Na kai (en) of de (echter) staat het vervoegd werkwoord of het werkwoord in
de participiumvorm nominatief als bijstelling bij het onderwerp van de hoofdzin
.
De werkwoordvormen zijn tegenwoordige tijd (indicatief en participium praesens)
en verschillende vormen van verleden tijd (imperfectum en aorist) .
Deze pericope had 9 verzen mogen tellen .
In deze pericope is de gehandicapte slechts 1X actief : nl. bij het uitstrekken
van zijn hand (Mc
3,5c1) . Door de versindeling valt de man helemaal in de plooien van het
verhaal en wordt de tegenstelling tussen Jezus enerzijds en de Farizeeën
en Herodianen anderzijds nog versterkt . In het verhaal is de situatie van de
man aanleiding tot een twist tussen Jezus en zijn tegenstanders .
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. | 8. | 9. | 10. |
| Mc 3,1a (Jezus) | Mc 3,1 (de gehandicapte) | Mc 3,2 (tegenstanders) | Mc 3,3 (Jezus tot de gehandicapte) | Mc 3,4 (Jezus tot de tegenstanders) | Mc 3,4 | Mc 3,5 (Jezus tot de gehandicapte) | Mc 3,5c1 | Mc 3,5c2 | Mc 3,6 (de tegenstanders) |
| Kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | oi de (zij echter) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| eisèlthen (hij ging naar) | èn ekei (daar was een mens) anthrôpos | paretèroun (zij sloegen gade) | legei (hij zegt) | legei (hij zegt) | esiôpôn (zwegen) | periblexamenos (om zich heen gekeken) autous (naar hen) ... legei (zegt hij) | exeteinen (hij strekte uit) | apekatestathè hè cheir autou (en zijn hand werd hersteld) | exelthontes hoi Farisaioi ... meta tôn Hèrôdiôn (de Farizeeën samen met de Herodianen naar buiten gaand ) sumboulion edidoun (pleegden overleg) |
| auton (hem) | tôi anthrôpôi (aan de mens) | autois (aan hen) | tôi anthrôpôi (aan de mens) | kat'autou (tegen hem) |
Een wonderverhaal en een twistgesprek tussen Jezus en zijn tegenstanders werden met elkaar verweven . Het wonderverhaal kan losgeweekt worden uit het geheel . Iedere zin wordt ingeleid door het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Dan volgt het vervoegd werkwoord in verschillende vormen (imperfectum , praesens , aorist) . Tussen de hand en de eigenschap van de hand staat het werkwoord echô (hebben) . Tegenover exèrammenèn echôn tèn cheira (verschrompeld hebbende de hand) staat in Mc 3,5d2 : kai katestathè hè cheir autou (en werd hersteld zijn hand) : een inclusio .
| Mc 3,1b | Mc 3,5a. Mc 3,5b | Mc 3,5d1 | Mc 3,5d2 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| èn (er was) | legei (hij zegt) | ||
| ekei (daar) | |||
| anthrôpos (een man) | tôi anthrôpôi (aan de man) tôi | ||
| exèrammenèn (verschrompeld) | tèn chiera (de hand) | katestathè (werd hersteld) | |
| echôn (hebbende) | echonti (hebbende) | ||
| tèn cheira (de hand) | xèran (verschrompeld) | hè cheir autou (zijn hand) | |
| Mc 3,5b ekteinon (strek uit) | exeteinen (en hij strekte ze uit) | ||
| tèn cheira (de hand) |
Mc 3,1-6 is alternerend opgebouwd : Mc 3,1 - Mc 3,3 - Mc 3,5 en Mc 3,2 - Mc 3,4 - Mc 3,6 .
| Mc 3,1 - Mc 3,1 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En Hij ging wederom in de synagoge; en aldaar was een mens,
hebbende een verdorde hand.
King James Bible . [1] And he entered again into the synagogue; and there was
a man there which had a withered hand.
Luther-Bibel . 1 Und er ging abermals in die Synagoge. Und es war dort ein Mensch,
der hatte eine verdorrte Hand.
Tekstuitleg van Mc 3,1 . Dit vers Mc 3,1 telt 14 (2 X 7) woorden , 29 lettergrepen en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 3,1 is 6892 (2 X 2 X 1723) . Dit vers bestaat uit twee nevenschikkende zinnen , verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) .
Mc 3,1.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,1.2.
ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen (hij ging naar) van het werkwoord
eiserchomai (gaan naar, binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai
(binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) .
In vijf verzen bij Mc : (1) Mc
2,26 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
7,17 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
15,43 . In 3 / 5 is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
7,17 . (3) Mc
11,11 . In Mc
2,26 is David onderwerp , in Mc
15,43 Jozef van Armatea .
Hier betreft het een binnengaan in een synagoge . Dit verhaal omsluit de verhalenreeks
Mc1,21-3,6 waarbij het eerste en het laatste verhaal zich afspeelt in de synagoge
. Eisèlthen (hij ging binnen) linkt Mc
3,1 met eiselthôn eis tèn sunagôgèn (de synagoge
binnengegaan) van Mc
1,21 . Het linkt Mc
3,1 ook met exelthontes (buitengegaan) van Mc
3,6 .
In Mc 3,1
ging Jezus naar de synagoge , in Mc
11,11 naar de tempel . Parallelle opbouw van de twee zinnen .
Mc 3,1.1. - 2. kai (...) eisèlthen (en) (...) hij ging binnen) . Mc (3 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . kai eisèlthen (en hij ging naar binnen) in Mc (2 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,11 .
Mc 3,1.3. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw . D. abermals . Voor de derde maal in Mc gebruikt . Eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 3,1 verwijst naar eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) van Mc 1,21 . Het is de tweede maal dat Mc uitdrukkelijk vermeldt dat Jezus een synagoge bezoekt . Een derde maal zal het in Nazaret zijn .
Mc 3,1.4.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc
3 (6) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
3,20 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,29 .
Mc 3,1.2.
4. eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc (4) (1) Mc
2,26 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
7,17 . (4) Mc
11,11 . Niet in Mc
15,43 . We zien dus een beklemtoning van het werkwoord door het voorvoegsel
eis... gevolgd door het voorzetsel van richting eis (naar) .
(1) Mc
2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in
het huis van God) .
(2) Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc
7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis)
.
(4) Mc
11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging
binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc
15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus)
.
Vooral :
(2) Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc
11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging
binnen in Jeruzalem in de tempel) .
Mc 3,1.5.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,1.6.
sunagogèn (naar de synagoge) . Zelfstandig naamwoord acc. vr. enk. van
sunagôgè (synagoge) . Taalgebruik in het N.T. : sunagôgè
(synagoge) . Taalgebruik in Mc : sunagôgè
(synagoge) . Mc (2) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
3,1 .
Een vorm van sunagôgè (synagoge) in 8 verzen in Mc : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
1,23 . (3) Mc
1,29 . (4) Mc
1,39 . (5) Mc
3,1 . (6) Mc
6,2 . (7) Mc
12,39 . (8) Mc
13,9 . Slechts in 1 vers wordt een vorm van sunagôgè (synagoge)
niet voorafgegaan van een lidwoord : Mc
13,9 . In de andere 7 verzen is er dus sprake van de synagoge(n) . Het zelfst.
naamw. sunagôgè (synagoge) wordt in Mc steeds bij een voorzetsel
gebruikt (naar, in, uit) .
Mc 3,1.4.
- 6. eis tèn sunagôgèn (naar de synagoge) . Mc (2) : (1)
Mc 1,21
. (2) Mc
3,1 .
- Mc 1,21
: kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan
in de synagoge) .
- Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
STAP VOOR STAP !
1. - 6. Vooral :
(2) Mc 3,1
: kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging
binnen opnieuw in de synagoge) .
(4) Mc
11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging
binnen in Jeruzalem in de tempel) .
Mc 3,1.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 . Tweede nevenschikkende hoofdzin in dit vers .
Mc 3,1.8.
ind. imperf. 3de pers. mann. enk. èn (hij was) van het werkwoord eimi
(zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. D. sein . E. to be .
Mc 3 (1) : Mc
3,1 .
Mc 3,1.9.
ekei (daar, hier) . Taalgebruik in het N.T. : ekei
(daar) . Taalgebruik in Mc : ekei
(daar) . Ned. hier . Fr. ici .
Mc (11) : (1) Mc
1,38 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
3,1 . (4) Mc
5,11 . (5) Mc
6,5 . (6) Mc
6,10 . (7) Mc
6,33 . (8) Mc
11,5 . (9) Mc
13,21 . (10) Mc
14,15 . (11) Mc
16,7 .
7. - 9. STAP VOOR STAP !
- Mc 1,23
: kai euthus èn en tè(i) sunagôgè(i) (er onmiddellijk
was er in de synagoge) .
- Mc 3,1
: kai èn ekei (en er was daar) .
Zie ook : Mc
1,13 : kai èn en tè(i) erèmô(i) (en hij was in
de woestijn) .
en : Mc
5,11 : èn de ekei pros tô(i) horei (er was echter bij de berg)
.
Mc 3,1.10. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .
Mc 3,1.11. exèrammenèn (verschrompeld) . Pass. perf. part. acc. vr. enk. van het werkw. xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in het N.T. : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Taalgebruik in Mc : xèrainô (verschrompelen, dor worden) . Mc (2) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 11,20 . xèros : droog , dor geworden .
Mc 3,1.12. part. pr. nom. mann. enk. echôn van het werkwoord echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : echô (hebben, bezitten) . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (3) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 10,22 .
Mc 3,1.13. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 3,27 .
Mc 3,1.14. cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 en Mc 7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander genezend tegemoet treden (Mc 1,41) .
Mc 3,1.13. - 14. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. : tèn cheira (de hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .
| Mc 3,2 - Mc 3,2 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En zij namen Hem waar, of Hij op den sabbat hem genezen
zou, opdat zij Hem beschuldigen mochten.
King James Bible . [2] And they watched him, whether he would heal him on the
sabbath day; that they might accuse him.
Luther-Bibel . 2 Und sie lauerten darauf, ob er auch am Sabbat ihn heilen würde,
damit sie ihn verklagen könnten.
Tekstuitleg van Mc 3,2 .
Mc 3,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
Mc 3,2.2. Actief imperfectum 3de persoon meervoud paretèroun (zij hielden in het oog, zij hielden hem bij) van het werkwoord para-tèreô : bijhouden, opvolgen, schaduwen . Dit werkwoord wordt slechts 1X gebruikt bij Marcus . In deze vorm komt het in de bijbel enkel hier voor . Het werkwoord heeft een voorvoegsel para (bij, naast) . Wellicht daarom staat de bepaling auton (hem) onmiddellijk na het werkwoord , zoals dat veelal gebeurt met bepalingen bij werkwoorden met een voorvoegsel .
Mc 3,2.3. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
4. ei (je bent of : indien, of): act. ind. pr. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .
| ei (je bent of indien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 1337 | 802 | 535 | 66 | 42 | 64 | 69 | 38 | 234 | 22 | 172 | 241 |
5. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .
6. Zelfstandig nw. dat. onz. mv. sabbatois (op sabbat) van het zelfstandig nw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . tois sabbasin (op sabbat) staat in Mc 3,2 , evenals in Mc 3,4 vooraan de zin om de klemtoon erop te leggen .
| sabbaton (sabbat) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| dat. onz. mv. sabbasin | 14 | 1 | 13 | 5 | 5 | 3 | 13 | 13 | ||||||
| totaal | 174 | 109 | 65 | 10 | 11 | 20 | 12 | 10 | 2 | 41 | 53 | 2 |
- katègoreô (iemand van iets beschuldigen). Bij Marcus, zie Mc
7,1 . Conjunctief aorist katègorèsôsin (zij zouden aanklagen)
3de persoon meervoud : Mc
3,2 en Mt
12,10 . Waarvan ze Jezus willen beschuldigen, staat in de vorige bijzin
: of hij op sabbat zou genezen.
- zèteô (zoeken). Bij Marcus, zie Mc
7,1 .
katègorèsôsin : conjunctief aorist 3de
persoon meervoud van het werkwoord katègoreô : tegen iemand spreken,
tegen iemand (kata + genitief) iets (accusatief) inbrengen, iemand van iets
aanklagen, iemand van iets beschuldigen. In deze vorm in 2 verzen in de bijbel
: Mc 3,2
en, Mt
12,10 in een identieke zin : hina katègorèsôsin autou
(opdat zij hem zouden aanklagen).
8. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in Mc 3 : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
11. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 . pers. vnw. gen. mann. enk. autou (hem beschuldigen) .
| Mc 3,3 -Mc 3,3 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 En Hij zeide tot den mens, die de verdorde hand had: Sta
op in het midden.
King James Bible . [3] And he saith unto the man which had the withered hand,
Stand forth.
Luther-Bibel . 3 Und er sprach zu dem Menschen mit der verdorrten Hand: Tritt
hervor!
Tekstuitleg van Mc 3,3 . Dit vers Mc 3,3 telt 13 woorden , 23 lettergrepen en 64 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 2) letters . De getalwaarde van Mc 3,3 is 7714 (2 X 7 X 19 X 29) . Het vers bestaat uit twee hoofdzinnen . De tweede zin citeert woorden van Jezus (4 woorden , 7 lettergrepen) . .
Mc 3,3.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,3.2.
ind. pr. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen)
. . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,4 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,33 . (5) Mc
3,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 3 in 12 verzen .
Mc 3,3.3.
bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) .Mc 3 (4) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,16 . (4) Mc
3,22 .
Mc 3,3.2. - 3. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .
Mc 3,3.1. - 3. kai legei tô(i) (en hij zegt aan de) . Mc (2) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 14,37 .
Mc 3,3.4.
dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw.
anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (3) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
14,21 . Een vorm van anthrôpos (mens) in 53 verzen .
Mc 3,3.2.
- 4. legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2)
: (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 .
Mc
3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc
3,3 en Mc
3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van
Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc
3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn
gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal
: de genezing van een lamme (Mc
2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc
3,1-6) (voeten en handen) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de
gehandicapte zegt , is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst
zo opgebouwd .
Mc 3,3.5.
bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 3 (4) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,16 . (4) Mc
3,22 .
Mc 3,3.6.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,3.7. acc. vr. enk xèran (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. xèros (droog, dor) . Taalgebruik in het N.T. : xèros (droog, dor) . Taalgebruik in Mc : xèros (droog, dor) . Mc (1) : Mc 3,3 . Verwant pass. part. perf. acc. vr. enk. exèrammenèn (verschrompeld) van het werkw. xèrainô (verschrompelen, dor worden) : Mc 3,1 .
Mc 3,3.8.
acc. vr. enk. cheira (hand) van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik
in het N.T. : cheir
(hand) . Taalgebruik in Mc : cheir
(hand) .
Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
7,32 .
Mc 3,3.6.
8. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw.
acc. vr. enk. tèn : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
7,32 . In Mc
1,41 en Mc
7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander
genezend tegemoet treden (Mc
1,41) . In Mc
1,41 en Mc
3,5 gaat het over het uitstrekken van de hand (een vorm van ekteinô
= uitstrekken) .
Mc 3,3.9. act. part. praes. dat. mann. enk. echonti (hebbende) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc (1) : Mc 3,3 .
Mc 3,3.10.
act. imperat. 2de pers enk. egeire (sta op) van het werkw. egeirô . Taalgebruik
in het N.T. : egeirô
(wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô
(wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat.
vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere
( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super
= op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen
. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr.
résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug
, snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven
.
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken .
Mc (5) : (1) Mc
2,9 . (2) Mc
2,11 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
5,41 . (5) Mc
10,49 . Een vorm van egeirô (wekken) in Mc in 19 verzen .
Mc 3,3.11.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 3 (6) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
3,20 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,29 .
Mc 3,3.12.
bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord .
Mc (108) . Mc 3 (4) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,13 . (3) Mc
3,29 . (4) Mc
3,35 .
Mc 3,3.13.
acc. onz. enk. meson van het bijvoegl. naamw. mesos (zich in het midden
bevindend) . Taalgebruik in het N.T. : mesos
(zich in het midden bevindend) . Taalgebruik in Mc : mesos
(zich in het midden bevindend) .
Mc (3) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
7,31 . (3) Mc
14,60 .
Mc 3,3.11.
- 13. eis to meson (in het midden) : Mc
3,3 . eis meson (naar een midden) : Mc
14,60 . In Mc
3,3 wordt een vorm van egeirô (wekken) , in Mc
14,60 een vorm van anistèmi (opstaan) gebruikt : egeire wek , sta
op) en anastas (opgestaan) . Wat heeft de man met de verschrompelde hand te
maken met de hogepriester ? In Mc
3,4 stelt Jezus aan de farizeeën de vraag of het toegaten is op sabbat
goed of kwaad te doen , een leven te redden of verloren te laten gaan . De genezing
van de man zal ertoe leiden dat de Farizeeën met de Herodianen het advies
zullen geven Jezus om te brengen . In Mc
14,61 stelt de hogepriester de vraag naar de identiteit van Jezus : ben
je de Christus , de zoon van de gezegende . Het antwoord van Jezus in Mc
14,62 zal leiden tot zij veroordeling tot de dood (Mc
14,64) . We staan hier dus in een situatie waarin een man wordt genezen
(Mc 3,5)
en Jezus ter dood wordt veroordeeld (Mc
14,64) . Jezus redt een man , de hogepriester laat Jezus ter dood veroordelen
.
Is de hogepriester soms een gehandicapte man , die zijn hand niet kan uitsteken
naar Jezus om door hem genezen te worden . Zijn de rollen in Mc
14,55-64 in vergelijking met Mc
3,1-6 nu omgekeerd . De Farizeeën lagen op de loer om Jezus te kunnen
beschuldigen (Mc
3,2) en zwegen op de vraag van Jezus (Mc
3,4) . In Mc
14,55-64 zwijgt op de vraag van de hogepriester of hij niet antwoordt op
de getuigenissen .
Eénmaligheid
- acc. vr. enk xèran (verschrompeld) van het bijvoegl. naamw. xèros (droog, dor) . Mc (1) : Mc 3,3 .
Duality
- legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2)
: (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . Mc
3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc
3,3 en Mc
3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van
Jezus (4 woorden en 7 lettergrepen) . In Mc
3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn
gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal
: de genezing van een lamme (Mc
2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc
3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt
, is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .
| Mc 3,4 - Mc 3,4 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En Hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen
goed te doen, of kwaad te doen, een mens te behouden, of te doden? En zij zwegen
stil.
King James Bible . [4] And he saith unto them, Is it lawful to do good on the
sabbath days, or to do evil? to save life, or to kill? But they held their peace.
Luther-Bibel . 4 Und er sprach zu ihnen: Soll man am Sabbat Gutes tun oder Böses
tun, Leben erhalten oder töten? Sie aber schwiegen still.
Tekstuitleg van Mc 3,4 . Het vers Mc 3,4 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden en 88 (2 X 2 X 2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 3,4 is 9210 (2 X 4 X 5 X 307) .
Mc 3,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
Mc 3,4.2. ind. pr. 3de pers. enk. legei . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .
Mc 3,4.3.
vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,12 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,23 . (5) Mc
3,33 .
Mc 3,4.4.
exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin
(het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin
(het is toegelaten) .
Mc (6) : (1) Mc
2,24 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
3,4 . (4) Mc
6,18 . (5) Mc
10,2 . (6) Mc
12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is
niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc
2,24 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
12,14 .
Mc 3,4.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .
6. Zelfstandig nw. dat. onz. mv. sabbatois (op sabbat) van het zelfstandig nw. sabbaton (sabbat) . Taalgebruik : sabbaton (sabbat) . Mc (5) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 2,24 . (4) Mc 3,2 . (5) Mc 3,4 . tois sabbasin (op sabbat) staat in Mc 3,2 , evenals in Mc 3,4 vooraan de zin om de klemtoon erop te leggen .
| sabbaton (sabbat) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| dat. onz. mv. sabbasin | 14 | 1 | 13 | 5 | 5 | 3 | 13 | 13 | ||||||
| totaal | 174 | 109 | 65 | 10 | 11 | 20 | 12 | 10 | 2 | 41 | 53 | 2 |
Mc 3,4.9. è (of) . Vergelijkend voegwoord .
11. acc. vr. enk. psuchèn van het zelfst. naamw. psuchè (adem,
geest, leven) . Taalgebruik in het N.T. : psuchè
(adem, geest, leven) . Taalgebruik in Mc : psuchè
(adem, geest, leven) .
Mc (4) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
8,35 . (3) Mc
8,36 . (4) Mc
10,45 .
12. act. inf. aor. sôsai (redden) van het werkw. sôzô (redden) . Taalgebruik in het N.T. : sôzô (redden) . Taalgebruik in Mc : sôzô (redden) . Hebr. jâsj`â (redden) . Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 8,35 . (3) Mc 15,31 .
11. - 12. Mc
3,4 : psychèn sôsai (een leven redden) . Mc
8,35 : tèn psuchèn autou sôsai (zijn leven redden) .
Aansluitend bij Mc
3,4 staat Mc
15,31 : allous esôsen , seauton ou dunatai sôsai (anderen redde
hij , zichzelf kan hij niet redden) .
Mc 3,4.13. è (of) . Vergelijkend voegwoord .
Mc 3,4.15.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,31 . (6) Mc
3,32 . (7) Mc
3,33 . (8) Mc
3,34 .
15. - 16 : hoi de (zij echter) . Mc () . Mc 3 (1) : (1) Mc 3,4 .
| Mc 3,5 - Mc 3,5 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En als Hij hen met toorn rondom aangezien had, meteen bedroefd
zijnde over de verharding van hun hart, zeide Hij tot den mens: Strek uw hand
uit. En hij strekte ze uit; en zijn hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.
King James Bible . [5] And when he had looked round about on them with anger,
being grieved for the hardness of their hearts, he saith unto the man, Stretch
forth thine hand. And he stretched it out: and his hand was restored whole as
the other.
Luther-Bibel . 5 Und er sah sie ringsum an mit Zorn und war betrübt über ihr
verstocktes Herz und sprach zu dem Menschen: Strecke deine Hand aus! Und er
streckte sie aus; und seine Hand wurde gesund.
Tekstuitleg van Mc 3,5 . Het vers telt 30 (2 X 3 X 5) woorden , X lettergrepen en 155 (5 X 31) letters . De getalwaarde van Mc 3,5 is 20560 (2 X 2 X 2 X 2 X 5 X 257) .
Mc 3,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und. Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
Mc 3,5.2.
med. part. aor. nom. mann. enk. periblepsamenos (rondgekeken) van het werkw.
periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô
(rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô
(rondkijken) .
Mc (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
11,11 . In 3 / 4 volgt legei (hij zegt) als hoofdwerkw. : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
10,23 , in 1 / 4 exèlthen (hij ging naar buiten) in Mc
11,11 . In Mc
3,6 gingen de Farizeeën naar buiten (exelthontes = buitengegaan) om
te besluiten Jezus te doden . In Mc
11,11 ging Jezus naar buiten (exèlthen = hij ging naar buiten) om
's anderendaags terug te komen om de tempel te zuiveren . Het ene verhaal speelt
zich af in de synagoge , het andere in de tempel . In 2 verzen : (1) Mc
3,34 . (2) Mc
10,23 richt Jezus zich tot zijn leerlingen .
Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
9,8 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
11,11 . In 5 / 6 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
11,11 . Slechts in Mc
10,23 wordt Jezus uitdrukkelijk vermeld . In Mc
9,8 zijn drie leerlingen onderwerp .
In 3 / 6 volgt een lijdend voorwerp in de acc. : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,34 . (6) Mc
11,11 . en 1 / 6 een infinitiefzin : (3) Mc
5,32 .
In Mc 3,5
lezen we de reactie van Jezus op de houding van de Farizeeën . Ze reageren
niet op zijn vraag , maar blijven zwijgen . Een zwijgen van niet akkoord gaan
.
1. - 2. kai periblepsamenos (en rondgekeken / en nadat hij had rondgekeken) . Een vorm van periblepô (rondkijken) wordt voorafgegaan door het verbindingswoord kai (en) .
Mc 3,5.3.
pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 3 (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,23 .
Lijdend voorwerp bij periblepsamenos (rond zich gekeken) . In Mc
3,5 is het nog niet duidelijk wie met autous (hen) bedoeld is . Uit Mc
3,6 wordt het duidelijk dat het Farizeeën zijn .
4. meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
Mc (50 - 34 - 16) . meta : Mc 3 (2) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . met' (2) : (1) Mc
3,5 . . (2) Mc
3,14 .
5. gen. vr. enk. orgès van het zelfst. naamw. orgè (toorn) . Taalgebruik in het N.T. : orgè (toorn) . Taalgebruik in Mc : orgè (toorn) . Mc (1) Mc 3,5 .
Mc 3,5.13.ind. pr. 3de pers. enk. legei . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .
Mc 3,5.14. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .
Mc 3,5.13. - 14. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .
Mc 3,5.15. dat. mann. enk. anthrôpô(i) (aan de mens) van het zelfstandig naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (3) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 14,21 .
Mc 3,5.13.
- 15. legei tô(i) anthrôpô(i) (hij zegt aan de mens) .Mc (2)
: (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . Mc
3,1-6 is in zigzagvorm opgebouwd . In Mc
3,3 en Mc
3,5 richt Jezus zich tot de gehandicapte man . Marcus citeert woorden van
Jezus (3 woorden en 6 lettergrepen) . In Mc
3,1-6 citeert Marcus 7 woorden van Jezus , die aan de gehandicapte zijn
gericht .
De twistgesprekken van Mc 2,1-3,6 beginnen en eindigen met een wonderverhaal
: de genezing van een lamme (Mc
2,1-12) en de genezing van een gehandicapte (Mc
3,1-6) . De inleiding van wat Jezus aan de lamme en de gehandicapte zegt
, is gelijkend . Slechts in deze twee gevallen is de tekst zo opgebouwd .
Mc 3,5.16. act. imperat. aor. 2de pers. enk. ekteinon (strek uit) . van het werkw. ekteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het N.T. : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . De hand uitstrekken komt voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
Mc 3,5.17.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,5.18. cheira (hand) . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .
Mc 3,5.17.
- 18. acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw.
acc. vr. enk. (tèn = de) : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc
1,41 . (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 . (5) Mc
7,32 . In Mc
1,41 en Mc
7,32 gaat het over de hand van Jezus , in (2) Mc
3,1 . (3) Mc
3,3 . (4) Mc
3,5 over de hand van de gehandicapte man . De hand uitstrekken is de ander
genezend tegemoet treden (Mc
1,41) .
Mc 3,5.19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
Mc 3,5.20. act. ind. aor. 3de pers. enk. exeteinen (hij strekte uit) . van het werkw. ekteinô (uitstrekken) . Lat. extendere . Fr. étendre . L'action d'étendre se dit extension : lat. extendere , part. passé extensus . Ned. uitstrekken . Taalgebruik in het N.T. : exteinô (uitstrekken) . Taalgebruik in Mc : exteinô (uitstrekken) . In Mc slechts in Mc 1,41 . De hand uitsrekken komt voor in : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,5 .
Mc 3,5.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
Mc 3,5.23.
bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,24 . (3) Mc
3,25 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
3,32 . (6) Mc
3,33 . (7) Mc
3,34 .
Mc 3,5.24.
nom. vr. enk. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir
(hand) . Taalgebruik in Mc : cheir
(hand) .
Mc (2) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
9,43 .
Mc 3,5.25.
vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
| Mc 3,6 - Mc 3,6 : 95. Genezing van een verdorde hand op sabbat - Mc 3,1-6 -Lc 6,6-11 - Lc 14,1-6 - Mt 12,9-14 - bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,1 - Mc 3,2 - Mc 3,3 - Mc 3,4 - Mc 3,5 - Mc 3,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 En de Farizeën, uitgegaan zijnde, hebben terstond met de
Herodeanen te zamen raad gehouden tegen Hem, hoe zij Hem doden zouden.
King James Bible . [6] And the Pharisees went forth, and straightway took counsel
with the Herodians against him, how they might destroy him.
Luther-Bibel . 6 Und die Pharisäer gingen hinaus und hielten alsbald Rat über
ihn mit den Anhängern des Herodes, wie sie ihn umbrächten.
Tekstuitleg van Mc 3,6 . Het vers Mc 3,6 telt 15 (3 X 5) woorden en 90 (2 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde is 13311 (3 X 3 X 3 X 17 X 29) .
| Mc 3,6 | kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou (En buitengegaan de Farizeeën onmiddelijk met de Herodianen een besluit gaven tegen hem, hoe ze hem zouden doden) | hopôs auton apolesôsin (hoe ze hem zouden doden) (= Mt 12,14) |
| Mc 11,18 | kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis , (en hoorden de hogepriesters en de schriftgeleerden) | kai ezètoun pôs auton apolesôsin en zij zochten hoe ze hem zouden doden) |
De confrontatie tussen Jezus en zijn tegenstanders is compleet . Die confrontatie
was al uitgesproken bij Jezus' eerste optreden in Mc
1,24 : zijt gij gekomen om ons te vernietigen ? Mc 1,21 - 3,6 vormen een
geheel . Begin en einde speelt zich af in de synagoge . In beide gevallen is
er sprake van vernietigen .
In Mc
11,18 zochten de hogepriesters en de schriftgeleerden hoe ze Jezus zouden
doden . De beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden
wordt versterkt door het besluit van de hogepriesters en de schriftgeleerden
. Van vrije groeperingen tot de hoogste instanties . Van partijdigheid tot het
hoogste gezag en een fundamentele verantwoording . In Mc
11,18 is de gelijkenis met Ex
2,15 groot .
De Farizeeën zijn blijkbaar goed op de hoogte hoe ze iemand uit de weg kunnen ruimen . Ze sluiten onmiddellijk een pact met de Herodianen . Wellicht hebben ze ervaring ; misschien zijn zij het die Johannes de Doper in handen van Herodes hebben gespeeld . In Mc 12,13 zenden de hogepriesters en de schriftgeleerden enkele Farizeeën en Herodianen naar Jezus om hem te strikken met een uitspraak . Zij nemen het initiatief . In Mc 3,1-6 schaduwen de Farizeeën nog Jezus . In Mc 12,13 staan beide groepen in dienst van de hogepriesters en de schriftgeleerden . En de vraag is listig , want een verkeerd woord in één van de richtingen kan een aanklacht veroorzaken . In Mc 12,13 is er voor het laatst sprake van Farizeeën . De bijzin van Mc 12,13 gelijkt sterk op de bijzin van Mc 3,2 : hina + conjunctief.
In Mc 3,6 nemen de Farizeeën samen met de Herodianen het besluit om Jezus om te brengen . Bij de veroordeling van Jezus in Mc 15,1 is er van hen geen sprake ; zij hebben wel de aanzet gegeven om Jezus voor het geestelijke en wereldlijke gezag ter dood te laten veroordelen . Door het woordgebruik tussen Mc 3,1-6 en Mc 15,1 - Mc 15,2-5 nl. katègoreô (tegen iemand iets inbrengen ; iemand van iets beschuldigen) en sumboulion (het besluit) om Jezus ter dood te veroordelen is het verband tussen beide pericopen duidelijk .
Mc 3,6.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,6.2.
part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) .
Mc (5) : (1) Mc
1,29 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
6,12 . (4) Mc
9,30 . (5) Mc
16,20 . De Farizeeën bevonden zich in de synagoge en gaan de synagoge
uit .
Mc 3,6.3.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,31 . (6) Mc
3,32 . (7) Mc
3,33 . (8) Mc
3,34 .
Mc 3,6.4.
nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi
(Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi
(Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
7,1 . (5) Mc
7,3 . (6) Mc
7,5 . (7) Mc
8,11 . (8) Mc
10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
5. euthus
Mc 3,6.6. meta (na , met) . Taalgebruik in N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . Lat. cum . Ned. met . Fr. avec (met) ; après (na , < ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen , ) . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 .
Mc 3,6.7.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
3,28 .
Mc 3,6.9.
acc. onz. enk. sumboulion (raadsbesluit) . Taalgebruik in N.T. : sumboulion
(raadsbesluit) . Taalgebruik in Mc. : sumboulion
(raadsbesluit) . Mc (2) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
15,1 . Vergelijk beide :
- (1) Mc
3,6 : hoi farisaioi euthus meta tôn èrôdianôn sumboulion
edidoun (de Farizeeën onmiddellijk met de Herodianen gaven het raadsbesluit)
.
- (2) Mc
15,1 : sumboulion poièsantes hoi archiereis ... (de hogepriesters
samen met de oudsten en de schriftgeleerden en het hele sanhedrin het raadsbesluit
genomen) .
De Farizeeën en de Herodianen lijken vergaderd te hebben en besloten te
hebben om een raadsbesluit te geven / voor te stellen . De hogepriesters ...
en het hele sanhedrin , bij wie de macht ligt , nemen het besluit (dat de Farizeeën
en de Herodianen hadden voorgesteld) .
10. act. ind. imperf. 3de pers. mv. edidoun zij gaven) van het werkw. didômi (geven) .
11. kat' (tegen) van het voorzetsel kata (tegen) .
Mc 3,6.12.
vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
Mc 3,6.13. hopôs (opdat) . Taalgebruik in N.T. : hopôs (opdat) . Taalgebruik in Mc : hopôs (opdat) . Kan het voortkomen uit : epi = op (op) en hôs (zo) ? In Mc slechts in Mc 3,6 .
Mc 3,6.14.
vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (12) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,8 . (4) Mc
3,9 . (5) Mc
3,11 . (6) Mc
3,12 . (7) Mc
3,13 . (8) Mc
3,19 . (9) Mc
3,21 . (10) Mc
3,31 . (11) Mc
3,32 . (12) Mc
3,34 .
Mc 3,6.15.
conjunctief aor. 3de pers. mv. apolesôsin (zij zouden doden) . Taalgebruik
in N.T. : apollumi
( ten gronde richten , doden , verliezen ) . Taalgebruik in Mc : apollumi
(ten gronde richten , doden , verliezen) . < ap- + ollumi < ol-numi
. Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr.
perdition . Ned. verderf , verdoemenis . Mc (2) :
(1) Mc 3,6
: hopôs auton apolelôsin (opdat zij hem zouden doden) .
(4) Mc
11,18 : pôs auton apolelôsin ( hoe zij hem zouden doden) .
| Mc 3,6 | kai exelthontes hoi Farizaioi euthus meta tôn Hèrôidianôn sumboulion edidoun kat'autou (En buitengegaan de Farizeeën onmiddelijk met de Herodianen een besluit gaven tegen hem, hoe ze hem zouden doden) | hopôs auton apolesôsin (hoe ze hem zouden doden) (= Mt 12,14) |
| Mc 11,18 | kai èkousan oi archiereis kai oi grammateis , (en hoorden de hogepriesters en de schriftgeleerden) | kai ezètoun pôs auton apolesôsin en zij zochten hoe ze hem zouden doden) |
96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 -.
| Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) | Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) | Mc 6,32 | Mc 7,24 |
| Kai (en) meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd) | Kai ho Ièsous... (En Jezus...) |
Kai (en) | Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde) |
| èlthen (ging hij) | anechôrèsen (week uit) | apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) | apèlthen (ging hij weg) |
| eis tèn Galilaian (naar Galilea) | pros tèn thalassan (bij het meer) | eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) | eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus) |
| kat'idian (op henzelf) |
|||
| Bbegin van Jezus' optreden in
Galilea - Mc
1,14-15 - Mt
4,12-17 - Lc
4,14-15 |
Volkstoeloop en genezingen -
Mc
3,7-12 - Mt
12,15-21 - Lc
6,17-20a |
Terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop
- Mc
6,30-34 - Mt
14,13-14 -Lc
9,10-11 |
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 |
| Mc 3,7 - Mc 3,7 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem
volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea,
King James Bible . [7] But Jesus withdrew himself with his disciples to the
sea: and a great multitude from Galilee followed him, and from Judaea,
Luther-Bibel . 7 Aber Jesus entwich mit seinen Jüngern an den See und eine große
Menge aus Galiläa folgte ihm; auch aus Judäa
Tekstuitleg van Mc 3,7 . Dit vers Mc 3,7 telt 23 woorden , 46 (2 X 23) lettergrepen en 115 (5 X 23) letters. De getalwaarde van Mc 3,7 is 13699 (7 X 19 X 103) . Het vers bestaat uit twee nevenschikkende hoofdzinnen . De ene zin is een overgangsvers (van de ene plaats naar de andere) , de tweede zin het samenstromen van het volk .
Mc 3,7.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,7.2.
bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord .
Mc (219) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,7 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,20 . (5) Mc
3,26 .
Mc 3,7.3.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . In Mc 3 slechts éénmaal een vorm van Ièsous ,
nl. in Mc
3,7 . Het valt op dat het onderwerp vooraan staat .
Mc 3,7.1. - 3. kai ho ièsous (en Jezus) . Vooraan de zin . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 .
Mc 3,7.4.
meta (na , met) . Taalgebruik in N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im . Lat. cum . Ned. met . Fr. avec (met)
; après (na , < ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere
, pressum : persen , ) .
Mc (34 + 16) . In twee verzen in Mc 3 : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 .
Mc 3,7.5.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord .
Mc (90) . Mc 3 (4) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
3,28 .
Mc 3,7.6. gen.mann. mv. mathètôn (met zijn leerlingen) . Zelfstandig naamwoord mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Mc (8) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen) . (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .
Mc 3,7.4. - 6. meta tôn mathètôn (met de leerlingen) . Mc (3) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (3) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .
Mc 3,7.7.
vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
4. - 7. meta tôn mathètôn autou (met zijn leerlingen) . Mc (2) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) .
Mc 3,7.9. pros (naar, bij) . Voorzetsel + acc. . Taalgebruik in Mc 3 : pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) .
Mc 3,7.10.
bepaald lidwoord accusatief vrouwelijk enkelvoud tèn . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E.
: the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord
il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,7.11.
acc. vr. enk. thalassan van het zelfst. naamw. thalassa (zee, meer) . Taalgebruik
in het N.T. : thalassa
(zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa
(zee) .
Mc (9) (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 .
Mc 3,7.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,7.18.
act. ind. aor. 3de p. enk. èkolouthèsen (hij volgde) van het
werkw. akoloutheô (volgen) . Taalgebruik in het N.T. : akoloutheô
(volgen) . Taalgebruik in Mc : akoloutheô
(volgen) . Ned. acoliet .
Mc (3) : (1) Mc
2,14 . (1) Mc
3,7 . (1) Mc
14,54 .
Mc 3,7.19.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. :
et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
| Mc 3,8 - Mc 3,8 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 en van Jeruzalem, en van Idumea, en van over de Jordaan;
en die van omtrent Tyrus en Sidon, een grote menigte, gehoord hebbende, hoe
grote dingen Hij deed, kwamen tot Hem.
King James Bible . [8] And from Jerusalem, and from Idumaea, and from beyond
Jordan; and they about Tyre and Sidon, a great multitude, when they had heard
what great things he did, came unto him.
Luther-Bibel . 8 und Jerusalem, aus Idumäa und von jenseits des Jordans und
aus der Umgebung von Tyrus und Sidon kam eine große Menge zu ihm, die von seinen
Taten gehört hatte.
Tekstuitleg van Mc 3,8 . Het eerste deel van Mc 3,8 behoort nog tot de tweede zin van Mc 3,7 . In dit versdeel komt 5X kai (en) voor om zinsdelen met elkaar te verbinden .
Mc 3,8.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,8.3.
Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een
voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn)
, in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma
(Jeruzalem) . Taalgebruik in Mc :
Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc
10,32 . (2) Mc
10,33 . (3) Mc
11,1 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,15 . (6) Mc
11,27 . (7) Mc
15,41 .
Mc 3,8.4.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,8.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,8.10.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
Mc 3,8.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,8.13. peri (over, rondom) . Taalgebruik in N.T. : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Voorzetsel . Mc 3 (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 3,34 .
Mc 3,8.15.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
21. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epoiei (hij deed) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) . Mc (2) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 15,8 . In Mc 3,8 is Jezus onderwerp , in Mc 15,8 Pilatus . In dezelfde contekst vinden we poièsè(i)s hèmin (jij voor ons zoudt doen) in Mc 10,35 en poièsô humin (ik zal voor jullie doen) in Mc 10,36 .
Mc 3,8.23. pros (naar, bij) . Voorzetsel + acc. . Taalgebruik in Mc 3 : pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) .
Mc 3,8.24. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
Mc 3,8.23. - 24. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
| Mc 3,9 - Mc 3,9 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En Hij zeide tot Zijn discipelen, dat een scheepje steeds
omtrent Hem blijven zou, om der schare wil, opdat zij Hem niet zouden verdringen.
King James Bible . [9] And he spake to his disciples, that a small ship should
wait on him because of the multitude, lest they should throng him.
Luther-Bibel . 9 Und er sagte zu seinen Jüngern, sie sollten ihm ein kleines
Boot bereithalten, damit die Menge ihn nicht bedränge.
Tekstuitleg van Mc 3,9 . Eén hoofdzin en twee ondergeschikte zinnen .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
3. bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois (aan de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the .Mc 3 (4) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,9 . (4) Mc 3,28 .
5. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
10. voorzetsel dia (omwille van) . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc 3 (1) Mc 3,9 .
11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,9 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
3,27 . (5) Mc
3,29 .
10. - 12. dia ton ochlon (omwille van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte . In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren .
16. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
| Mc 3,10 - Mc 3,10 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 Want Hij had er velen genezen, alzo dat Hem al degenen,
die enige kwalen hadden, overvielen, opdat zij Hem mochten aanraken.
King James Bible . [10] For he had healed many; insomuch that they pressed upon
him for to touch him, as many as had plagues.
Luther-Bibel . 10 Denn er heilte viele, sodass alle, die geplagt waren, über
ihn herfielen, um ihn anzurühren.
Tekstuitleg van Mc 3,10 .
2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc (3) : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,21 . (3) Mc
3,35 .
8. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
10. nom. mann. mv. hosoi van het bijvoegl. naamw. hosos (zo groot als) . Taalgebruik in het N.T. : osos (zo groot als) . Taalgebruik in Mc : osos (zo groot als) . Mc (2) : (1) Mc 3,10 . (2) Mc 6,56 . Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 3,8 . (3) Mc 3,10 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 5,19 . (6) Mc 5,20 . (7) Mc 6,30 . (8) Mc 6,56 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 9,13 . (11) Mc 10,21 . (12) Mc 11,24 . (13) Mc 12,44 .
| Mc 3,11 - Mc 3,11 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En de onreine geesten, als zij Hem zagen, vielen voor
Hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zone Gods!
King James Bible . [11] And unclean spirits, when they saw him, fell down before
him, and cried, saying, Thou art the Son of God.
Luther-Bibel . 11 Und wenn ihn die unreinen Geister sahen, fielen sie vor ihm
nieder und schrien: Du bist Gottes Sohn!
Tekstuitleg van Mc 3,11 .
Mc 3,11.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc 3 (12) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,8 . (4) Mc
3,9 . (5) Mc
3,11 . (6) Mc
3,12 . (7) Mc
3,13 . (8) Mc
3,19 . (9) Mc
3,21 . (10) Mc
3,31 . (11) Mc
3,32 . (12) Mc
3,34 .
Mc 3,11.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,11.12. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ekrazon van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (2) (1) Mc 3,11 . (2) Mc 11,9 . Een vorm van krazô (schreeuwen, roepen) in Mc in 11 verzen : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 5,7 . (4) Mc 9,24. (5) Mc 9,26 . (6) Mc 10,47 . (7) Mc 10,48 . (8) Mc 11,9 . (9) Mc 15,13 . (10) Mc 15,14 . (11) Mc 15,39 .
Mc 3,11.13.
act. part. praes. nom. mann. mv. legontes (zeggende) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Mc 3 (1) : Mc
3,11 . Het is het enigste vers in Mc waarin een vorm 3de pers. mv. van het
werkw. krassô (schreeuwen , krijsen) gevolgd wordt door legontes (zeggende)
.
Mc (15) : (1) Mc
3,11 . (2) Mc
5,12 . (3) Mc
5,35 . (4) Mc
6,2 . (5) Mc
7,37 . ( 6) Mc
8,28 . (7) Mc
9,11 . (8) Mc
10,26 . (9) Mc
10,35 . (10) Mc
10,49 . (11) Mc
11,31 . (12) Mc
12,18 . (13) Mc
13,6 . (14) Mc
14,57 . (15) Mc
15,29 .
| 1 : Mc 7,37 . 1 : Mc 8,28 . 1 : Mc 9,11 . 3 : (1) Mc 10,26 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 10,49 . 1 : Mc 11,31 .1 : Mc 12,18 . 1 : Mc 13,6 . 1 : Mc 14,57 . 1 : Mc 15,29 . |
Mc 3,11.14.
hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,11 . (2) Mc
3,21 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
3,28 . (5) Mc
3,30 .
Mc 3,11.15. pers. vnw. 2de pers. enk. nom. su (jij, gij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (9) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,36 . (6) Mc 14,61 . (7) Mc 14,67 . (8) Mc 14,68 . (9) Mc 15,2 .
Mc 3,11.16. ei (je bent of : indien, of): act. ind. praes. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .
Mc 3,11.15.
- 16. su ei (jij bent, gij zijt) . Mc (5 / 9) : (1) Mc
1,11 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
14,61 . (5) Mc
15,2 .
Merk volgende gelijkenissen op :
- Mc 1,11
: su ei ho uios mou = jij bent mijn zoon .
- Mc 3,11
: su ei ho uios tou theou = jij bent de zoon van God .
- Mc 8,29
= Mc 14,61
: su ei ho christos = jij bent de messias
- Mc 15,2
: su ei ho basileus tôn ioudaiôn = jij bent de koning van de joden
.
Mc 3,11.17.
bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,7 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,20 . (5) Mc
3,26 .
Mc 3,11.18.
huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 3 (1) : Mc
3,11 .
Mc 3,11.19.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
Mc 3,11.20. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc (31) . Mc 3 (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .
Mc 3,11.17. - 20. ho huios tou theou (de zoon van God) is hapax in Mc .
| Mc 3,12 - Mc 3,12 : 96. Volkstoeloop en genezingen - Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,7 - Mc 3,8 - Mc 3,9 - Mc 3,10 - Mc 3,11 - Mc 3,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 En Hij gebood hun scherpelijk dat zij Hem niet zouden
openbaar maken.
King James Bible . [12] And he straitly charged them that they should not make
him known.
Luther-Bibel . 12 Und er gebot ihnen streng, dass sie ihn nicht offenbar machten.
Tekstuitleg van Mc 3,12 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
2. bijvoeglijk naamw. zelfstandig gebruikt acc. onz. mv. polla (vele dingen) . Taalgebruik : polus (veel) . Mc (21) . In Mc 3 : Mc 3,12 . Van de 21 verzen staat polla (vele dingen) zelfstandig gebruikt als lijdend voorwerp bij een werkwoord .
4. vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,12 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,23 . (5) Mc
3,33 .
7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
het gebruik van het werkwoord epitimaô - epetimèsen (hij droeg op / beval) 5X bij Marcus -
97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 -
Het verhaal van de roeping van de twaalf komt zo snel na de beslissing van de Farizeeën en de Herodianen om Jezus te doden (Mc 3,6) . Deze koppeling van verhalen laat enerzijds aanvoelen dat Jezus er wel degelijk rekening mee houdt dat hij uit de weg wordt geruimd en dat hij dus leerlingen nodig heeft die de fakkel van hem kunnen overnemen . Anderzijds krijg je het gevoel dat het drama zich aan het voltrekken is . Iemand wordt door Jezus als één van de twaalf uitgekozen , die hem later zal overleveren . Of deed Judas zich als een leerling voor en was hij ingehuurd door de Farizeeën om op het gepaste moment in te grijpen ? Een luis in de mantel van Jezus ?
| Mc 3,13 - Mc 3,13 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En Hij klom op den berg, en riep tot Zich, die Hij wilde;
en zij kwamen tot Hem.
King James Bible . [13] And he goeth up into a mountain, and calleth unto him
whom he would: and they came unto him.
Luther-Bibel . 13 Und er ging auf einen Berg und rief zu sich, welche er wollte,
und die gingen hin zu ihm.
Tekstuitleg van Mc 3,13 . Het vers Mc 3,13 bestaat uit 14 (2 X 7) woorden en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 3,13 is 5342 (2 X 2671) . Dit vers bestaat uit drie nevenschikkende hoofdzinnen , met elkaar verbonden door het nevenschikkend voegwoord kai (en) en een ondergeschikte betrekkelijke zin . De eerste twee zinnen staan in de tegenwoordige tijd .
Mc 3,13.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,13.2. anabainei (hij beklimt) . Vervoegd werkw. act. ind. praes. 3de pers. enk. van het werkwoord anabainô (beklimmen, klimmen op) . Taalgebruik in N.T. : anabainô (beklimmen) . Taalgebruik in Mc : anabainô (beklimmen) . Mc (1) Mc 3,13 . Een vorm van anabainô (beklimmen, klimmen op) in Mc in 9 verzen : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 3,13 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,32 . (6) Mc 6,51 . (7) Mc 10,32 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 15,8 .
Mc 3,13.3.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
3,20 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,29 .
Mc 3,13.4.
bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,13 . (3) Mc
3,29 . (4) Mc
3,35 .
5. nom. + acc. onz. enk. horos (berg) . Taalgebruik in N.T. : horos
(berg) . Taalgebruik in Mc : horos
(berg) .
Mc (6) : (1) Mc
3,13 . (2) Mc
6,46 . (3) Mc
9,2 . (4) Mc
11,1 . (5) Mc
13,3 . (6) Mc
14,26 .
Mc 3,13.3. - 5. eis to horos (naar de berg / gebergte) . Mc (4) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 13,3 . (4) Mc 14,26 .
Mc 3,13.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,13.7.
indicatief praesens 3de persoon enkelvoud proskaleitai (hij roept tot zich)
van het werkw. proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in N.T. : proskaleomai
(bij zich roepen) . Taalgebruik in Mc : proskaleomai
(bij zich roepen) .
Het komt in de bijbel slechts in 2 verzen voor nl. Mc
3,13 bij de roeping van de twaalf en Mc
6,7 bij de zending van de twaalf .
9. act. ind. imperf. 3de pers. enk. èthelen (hij wilde) van het
werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô
(willen) . Taalgebruik in Mc : thelô
(willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (5) : (1) Mc
3,13 . (2) Mc
6,19 . (3) Mc
6,48 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
9,30 .
10. pers. voornaamw. nom. mann. enk. autos (hij zelf) van het pers. voornaamw.
autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (15) : (1) Mc
1,8 . (2) Mc
2,25 . (3) Mc
3,13 . (4) Mc
4,27 . (5) Mc
4,38 . (6) Mc
5,40 . (7) Mc
6,17 . (8) Mc
6,45 . (9) Mc
6,47 . (10) Mc
8,29 . (11) Mc
12,36 . (12) Mc
12,37 . (13) Mc
14,15 . (14) Mc
14,44 . (15) Mc
15,43 .
11. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
12. ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw.
aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in N.T. : aperchomai
(weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai
(weggaan) .
Mc (5) : (1) Mc
1,20 . (2) Mc
3,13 . (3) Mc
6,32 . (4) Mc
11,4 . (5) Mc
12,12 . De twaalf apostelen gaan weg van de massa om Jezus op de berg te
volgen .
13. voorzetsel pros (naar, bij) + acc. . Taalgebruik in N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,7 . (2) Mc
3,8 * . (3) Mc
3,13 * . (4) Mc
3,31 * .
14. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 . .
13. - 14. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
| Mc 3,13 | Mc 3,14 | Mc 3,16 | Mc 6,7 | Mc 9,35 | Mc 10,32 | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kathisas (gezeten zijnde) | ||
| proskaleitai (hij roept tot zich) | epoièsen (hij maakte) | epoièsen (hij maakte) |
proskaleitai (hij roept tot zich) |
efônèsen (riep hij) | paralaboon (bij zich genomen hebbende) palin (opnieuw) | |
| hous èthelen autos (die hijzelf wilde) | dôdeka (twaalf) | tous dôdeka (de twaalf) | tous dôdeka (de twaalf) | tous dôdeka (de twaalf) | tous doodeka (de twaalf) | |
| kai (en) legei (hij zegt) | ijrksato autois legein (begon hij hen te zeggen) | |||||
| autois (hen) | ||||||
| 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 147. Zending van de Twaalf : Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 - | 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48 | 273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 // Mt 20,17-19 // Lc 18,31-34 |
| Mc 3,14 - Mc 3,14 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Persoonlijke vertaling . en hij vormde een twaalftal die hij ook apostelen
noemde opdat zij zouden zijn met hem en opdat hij hen zou zenden te getuigen
Statenvertaling . 14 En Hij stelde er twaalf, opdat zij met Hem zouden zijn,
en opdat Hij dezelve zou uitzenden om te prediken;
King James Bible . [14] And he ordained twelve, that they should be with him,
and that he might send them forth to preach,
Luther-Bibel . 14 Und er setzte zwölf ein, die er auch Apostel nannte, dass
sie bei ihm sein sollten und dass er sie aussendete zu predigen
Tekstuitleg van Mc 3,14 . Het versdeel Mc 3,14 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Mc 3,14 is 7020 (2 X 2 X 3 X 3 X 3 X 5 X 13) .
Mc 3,14.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,14.5.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,14.10.
meta (met , na) . Afkorting : met' . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
Mc (50 - 34 - 16) . meta : Mc 3 (2) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . met' (2) : (1) Mc
3,5 . . (2) Mc
3,14 .
Mc 3,14.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,14.15.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,23 .
Mc 3,14.16.
act. inf. praes. kèrussein (verkondigen) van het werkw. kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in het N.T. : kèrussô
(verkondigen) . Taalgebruik in Mc : kèrussô
(verkondigen) .
Mc (3) : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
5,20 .
Mc 3,14
behoort tot het roepingsverhaal (Mc
3,13-19) . In dit verhaal worden de taken van de geroepenen voorzegd . In
het zendingsverhaal (Mc
6,7-13) voeren de leerlingen uit wat hen is opgedragen : ekèruxan
(Mc 6,12
: zij verkondigden) . STAP VOOR STAP !
Volgens Mc 3,13 gaat Jezus over tot de selectie met het oog op het vormen van een twaalftal , zoals een bondscoach spelers selecteert en oproept om in het nationaal elftal te spelen . Het twaalftal is het getal dat teruggaat op de zonen van Jakob . Dit twaalftal maakt het volk Israël uit . Gaat het in de roeping en de zending om twaalf concrete personen of gaat het om hun symbolische betekenis en zo om de totaliteit van het volk
?
Er is een merkwaardige overeenkomst met Ex
18,25 : wajjibhëchar Mosjèh ´anësjê chajjil
mikhkhâl Jishërâ´el wajjithen ´othâm râ´sjîm
`al hâ`âm (en Mozes koos bekwame mannen uit heel Israël
en hij stelde hen aan tot hoofden over het volk). In het Grieks : kai epelexen
Môusès andras dunatous apo pantos Israèl kai epoièsen
ep'autôn (En Mozes verkoos bekwame mannen uit heel Israël en hij
stelde - hen - erover aan.)
We zijn gewoon om te spreken over de twaalf apostelen . Hier lijkt apostel synoniem
van de twaalf te zijn . Jezus sprak geen Grieks , hij zal wellicht ook niet
het Griekse woord apostel gebruikt hebben .
--- apostoloi (apostelen) . Taalgebruik : apostoloi
(apostelen) , zie Mc
3,14 . Nominatief mannelijk meervoud
. komt in zestien verzen in het N.T. voor . Het Griekse woord zouden we naast
apostel , gezondene , ook afgevaardigde , afgezant kunnen vertalen . Een afgevaardigde
is iemand die de volmacht krijgt om in iemands naam te spreken en op te treden
. De nominatief meervoud niet voor bij Matteüs , en bij Marcus telkens
slechts éénmaal : Mc 6,30 : apostoloi (bij de terugkeer van de
leerlingen uit hun stageperiode) .
--- apostolôn . De genitief meervoud komt in de bijbel / Nieuwe Testament
in tweeëntwintig verzen voor , maar slechts in één vers in
de evangelies , nl. in Mt 10,2 .
-- apostolois (aan de apostelen) .Taalgebruik : apostoloi
(apostelen) , zie Mc
3,14 . Datief mannelijk meervoud . In zes verzen in de bijbel . Hnd (3)
. Brieven (3) . In drie verzen in Hnd : (1) Hnd
1,2 . (2) Hnd
14,4 . (3) Hnd
15,22 .
--- apostolous : accusatief meervoud komt in vijftien verzen in de bijbel (en
uitsluitend in het Nieuwe Testament) voor . Mc 3,14 : apostolous
| apostolos (apostel) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P.. | A. b.. |
| nom. mann. enk. apostolos | 18 | 18 | 1 | 17 | 1 | 15 | 2 | |||||||
| gen. mann. enk. apostolou | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||||||
| dat. mann. enk. apostolô(i) | ||||||||||||||
| acc. mann. enk. apostolon | 2 | 2 | 2 | 2 | ||||||||||
| nom. mann. mv.. apostoloi | 16 | 16 | 1 | 3 | 7 | 4 | 1 | 4 | 4 | 4 | ||||
| gen. mann. mv. apostolôn | 22 | 22 | 1 | 13 | 7 | 1 | 1 | 1 | 5 | 2 | ||||
| dat. mann. mv. apostolois | 6 | 6 | 3 | 3 | 3 | |||||||||
| acc. mann. mv. apostolous | 15 | 15 | 1 | 3 | 5 | 5 | 1 | 5 | ||||||
| totaal | 80 | 80 | 1 | 2 | 6 | 1 | 28 | 39 | 3 | 5 | 6 | 35 | 4 |
Mc 3,14.11.
vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
| Mc 3,15 - Mc 3,15 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En om macht te hebben, de ziekten te genezen, en de duivelen
uit te werpen.
King James Bible . [15] And to have power to heal sicknesses, and to cast out
devils:
Luther-Bibel . 15 und dass sie Vollmacht hätten, die bösen Geister auszutreiben.
Tekstuitleg van Mc 3,15 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
3. acc. vr. enk. exousian (macht, gezag) . Taalgebruik in het N.T. : exousia
(gezag, macht) . Taalgebruik in Mc : exousia
(gezag, macht) .
Mc (7) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
1,27 . (3) Mc
2,10 . (4) Mc
3,15 . (5) Mc
6,7 . (6) Mc
11,28 . (7) Mc
12,34 .
4. act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô
. Taalgebruik in het N.T. : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc
3,15 . (2) Mc
3,23 . (3) Mc
11,15 .
| Mc 3,16 - Mc 3,16 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En Simon gaf Hij den toe naam Petrus;
King James Bible . [16] And Simon he surnamed Peter;
Luther-Bibel . 16 Und er setzte die Zwölf ein und gab Simon den Namen Petrus;
Tekstuitleg van Mc 3,16 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
5. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
8. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 3 (4) : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,5 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 3,22 .
| Mc 3,17 - Mc 3,17 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En Jakobus, den zoon van Zebedeüs, en Johannes, den broeder
van Jakobus; en gaf hun toe namen, Boanerges, hetwelk is, zonen des donders;
King James Bible . [17] And James the son of Zebedee, and John the brother of
James; and he surnamed them Boanerges, which is, The sons of thunder:
Luther-Bibel . 17 weiter: Jakobus, den Sohn des Zebedäus, und Johannes, den
Bruder des Jakobus, und gab ihnen den Namen Boanerges, das heißt: Donnersöhne;
Tekstuitleg van Mc 3,17 .
Mc 3,17.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,17.2.
acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos
(Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
5,37 . (5) Mc
9,2 . (6) Mc
14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .
Mc 3,17.3.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,9 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
3,27 . (5) Mc
3,29 .
Mc 3,17.4.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
Mc 3,17.5.
gen. mann. enk. zebedaiou (Zebedeüs) van het zelfst. naamw. zebedaios (Zebedeüs)
. Taalgebruik in het N.T. : zebedaios
(Zebedeüs) . Taalgebruik in Mc : zebedaios
(Zebedeüs) .
Mc (3) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
10,35 .
Mc 3,17.2. - 5. iakôbon ton tou zebedaiou (Jakobus , die van Zebedeüs = Jakobus , de zoon van Zebedeüs) . Mc (2) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 .
Mc 3,17.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
7. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc (5) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
5,37 . (4) Mc
9,2 . (5) Mc
14,33 .
Mc 3,17.10.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
Mc 3,17.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,17.14.
vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,12 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,23 . (5) Mc
3,33 .
Mc 3,17.17. bep. lidw. nom. m. enk. ho : Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord .
| Mc 3,18 - Mc 3,18 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En Andreas, en Filippus, en Bartholomeüs, en Mattheüs,
en Thomas, en Jakobus, den zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites,
King James Bible . [18] And Andrew, and Philip, and Bartholomew, and Matthew,
and Thomas, and James the son of Alphaeus, and Thaddaeus, and Simon the Canaanite,
Luther-Bibel . 18 weiter: Andreas und Philippus und Bartholomäus und Matthäus
und Thomas und Jakobus, den Sohn des Alphäus, und Thaddäus und Simon Kananäus
Tekstuitleg van Mc 3,18 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
2. acc. mann. enk. andrean (Andreas) . Taalgebruik in het N.T. : andreas
(Andreas) . Taalgebruik in Mc : andreas
(Andreas) .
Mc (1) : Mc
13,3 . Een vorm van andreas (Andreas) in 4 verzen in Mc . In het kwartet
van Mc
13,3 komt hij op de 4de plaats . Zo komt hij ook op de vierde plaats in
het verhaal van de roeping van de twaalf (Mc
3,18) . Dit is telkens het geval wanneer zijn broer Simon de naam Petrus
draagt . Hij heeft dus zijn plaats moeten afstaan aan Jakobus en Johannes .
In Mc
1,16 en Mc
1,29 wordt hij op de tweede plaats na zijn broer Simon vermeld.
3. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
5. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
7. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
11. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
12. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos
(Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
5,37 . (5) Mc
9,2 . (6) Mc
14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .
13. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,9 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
3,27 . (5) Mc
3,29 .
14. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. :
bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
15. gen. mann. enk. alfaiou (Alfeüs) van de eigennaam leui (Levi)
. Taalgebruik in het N.T. : leui
(Levi) . Taalgebruik in Mc : leui
(Levi) .
Mc (2) : (1) Mc
2,14 . (2) Mc
3,18 .
13. - 15. ton tou alfaiou (die van Alfeüs = de zoon van Alfeüs) . Mc (2) : (1) Mc 2,14 . (2) Mc 3,18 . In Mc 2,14 is het Levi , in Mc 3,18 Jakobus . Deze Jakobus wordt onderscheiden van iakôbon , ton tou zebedaiou = Jakobus, die van Zebedeüs OF Jakobus , de zoon van Zebedeüs (Mc 1,19) . .
16. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
18. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
20. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,9 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
3,27 . (5) Mc
3,29 .
| Mc 3,19 - Mc 3,19 : 97. Roeping van de Twaalf - Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,13 - Mc 3,14 - Mc 3,15 - Mc 3,16 - Mc 3,17 - Mc 3,18 - Mc 3,19 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
King James Bible . [19] And Judas Iscariot, which also betrayed him: and they
went into an house.
Luther-Bibel . 19 und Judas Iskariot, der ihn dann verriet.
Tekstuitleg van Mc 3,19 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 3 (3) : (2) Mc 3,19 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .
5. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
7. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
De overlevering van Jezus door Judas aan de hogepriesters en de schriftgeleerden werd aangekondigd in de derde lijdensvoorspelling : Mt 20,18 // Mc 10,33 (en de mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden) . Bij Lucas ontbreekt dit stukje van de derde lijdensaankondiging . Lucas is voorzichtig om het woord paradidômi (overleveren) te gebruiken , zowel bij Judas , als bij de hogepriesters en de schriftgeleerden . Het zou de indruk kunnen geven dat zij macht over Jezus zouden bezitten .
- paredôkan (zij leverden over) . Taalgebruik : paradidômi (overleveren) . Actief ind. aor. 3de pers. mv. van het werkw. paradidômi . Lat. tradere (trans - dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . I.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : In 5 van de 6 verzen : (1) Mt 27,2 // Mc 15,1 . (2) Mt 27,18 // Mc 15,10 (paradedôkeisan = zij hem hadden overgeleverd) . (3) Mc 15,1 // Mt 27,2 . (4) Lc 24,20 . (5) Joh 18,35 .
- paredôken (hij leverde over) . Actief ind. aor. 3de pers. enk. . In 4 verzen in de syn. i.v.m. de overlevering van Jezus aan Pilatus : (1) Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 . (2) Mc 3,19 // Mt 10,4 (paradous = 'die overleverde') // Lc 6,16 (prodotès = verrader) . (3) Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 . (4) Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 .
| paradidômi (overleveren) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. paredôken | 82 | 65 | 17 | 3 | 2 | 1 | 2 | 2 | 7 | 6 | 8 | 6 | 1 | |
| act. ind. aor. 3de pers. mv. paredôkan | 8 | 2 | 6 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 4 | 5 | 1 |
| sanhedrin (paredôkan) | sanhedrin (paredôkan) | sanhedrin (paredôkan) | Judas (paredôken) | Pilatus (paredôken) | Pilatus (paredôken) | Pilatus (paredôken) |
| Mc 15,1 // Mt 27,2 | Mt 27,2 // Mc 15,1 | Mt 27,18 // ( Mc 15,10) | Mc 3,19 // (Mt 10,4) // Lc 6,16 | Mc 15,15 // Lc 23,25 // Mt 27,26 | Mt 27,26 // Mc 15,15 // Lc 23,25 | Lc 23,25 // Mt 27,26 // Mc 15,15 |
| kai (en) | kai (en) | hoti (dat) | kai Ioudan Iskariôth (Judas Iskariot) | kai (en) | ton de Ièsoun Jezus echter) | |
| paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) | paredôkan Pilatôi (zij leverden - hem - uit aan Pilatus) tôi hègemoni (de procureur) | dia fthonon paredôkan auton (zij hem omwille van nijd overleverden ) | hos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) | paredôken (leverde hij over) ton Ièsoun (Jezus) | paredôken (leverde hij over) | ton de Ièsoun (Jezus) paredôken (leverde hij over) |
| hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | tôi thelèmati autôn (aan hun wil) | |||
| 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1 - | 336. Naar Pilatus : Mc 15,1 - Mt 27,1-2 - Lc 22,66-71 - Lc 23,1- | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 |
paradidômi (overleveren, uitleveren) Voor het eerst
is sprake van Judas . Het valt op dat het werkwoord in de verleden tijd (aorist
- bij Marcus slechts in Mc
3,19 en Mc
15,15) staat , zoals dat ook het geval is in Mc
15,15 waarin Pilatus Jezus overleverde om gekruisigd te worden . Vanaf de
eerste vermelding van Judas wordt hij geschetst als de overleveraar . Zo worden
Judas en Pilatus naast elkaar geplaatst . Judas had wellicht gehoopt op de overwinning
van een gewapende opstand , waarbij de kop van Pilatus zou rollen . De hogepriesters
leveren Jezus aan Pilatus uit . Het draait helemaal anders uit . Pilatus als
rechter spreekt het oordeel over Jezus uit . De hoop op een gewelddadige opstand
vervliegt .
Misschien is er nog meer . Judas (Jehuda) is één van de twaalf
. Twaalf kan verwijzen naar de twaalf stammen van Israël . Judas (Jehuda)
zou kunnen verwijzen naar de stam Juda (het Zuidelijk rijk, de joden) . De joden
hebben Jezus overgeleverd die tot zijn dood zal leiden . Judas leverde Jezus
over en het bracht hem tot zelfmoord: ; de joden leverden Jezus over wat uiteindelijk
(bij de val van Jeruzalem in 70 na Christus) tot de vernietiging van de stad
Jeruzalem en de tempel heeft geleid . Judas zou wel eens een fictief personage
kunnen zijn . Hij zou het beeld van de vurige jood kunnen zijn die zich met
geweld verzet tegen de Romeinen en ijvert voor een joodse zaak . Met de overlevering
van Jezus en zijn veroordeling ter dood komt deze noodlottige toekomst dichterbij
. Tegenover deze ondergang staat de opstanding van Jezus en de christelijke
gemeenschappen . "Breekt deze tempel af en in drie dagen zal hij verrijzen"
.
Met de keuze voor Barabbas hebben de joden gekozen voor het gewelddadig verzet
en geweldloosheid verworpen . Het gewelddadig verzet , de joodse opstanden ,
zullen uiteindelijk leiden tot de vernietiging van de stad en tot de vernieling
van de tempel .
De teksten getuigen van een zekere spanning . Tegenover de joden wiens stad
Jeruzalem werd verwoest en wiens tempel werd vernield , staan de christenen
(joden-christenen en heiden-christenen) . Geweld staat tegenover geweldloosheid
. Christenen lijken op goede voet met de Romeinen te staan . Levi (Matteüs)
, een collaborateur met de Romeinen , krijgt vergeving en wordt één
van de twaalf leerlingen . De zoon van de honderdman wordt genezen . Het kind
van de Syro-Fenicische wordt eveneens genezen . Pilatus vindt geen schuld in
Jezus .
Heel deze benadering kan de neerslag zijn van de verdediging van de christenen
tegenover de joden . De joden kunnen ervaren hebben dat de houding van de christenen
ertoe geleid heeft dat zij overwonnen werden . De christenen waren de oorzaak
van verdeeldheid onder de joden . Zij namen collaborerende joden , heidenen
en Romeinen op in hun gemeenschappen en kozen voor geweldloosheid . Ze namen
ook een vrijere interpretatie van de wet en de profeten aan . Deze collaboratie
werd overlevering aan de Romeinen . Deze beschuldigingen van de joden aan het
adres van de christenen moesten wel weerlegd worden . Het evangelie van Marcus
zou wel eens een weerschrift tegen de joden kunnen zijn . Achter de klemtonen
zouden wel eens joodse beschuldigingen kunnen schuilen. Eén van die hoofdthema's
lijkt "overlevering" te zijn . Judas (Jehuda) heeft Jezus overgeleverd
aan de Romeinen en zo het einde van Jeruzalem en de tempel ingeluid . Hiertegenover
: de christenen hebben met hun vrije interpretatie van de wet en de profeten
, met hun colaboratie met de Romeinen , de joden aan de Romeinen overgeleverd
en zo het einde van stad en tempel bewerkt .
| Mc 3,19 | Mc 15,15 |
| kai Ioudan Iskariôth (en Judas Iskariot) | Ho de Pilatos (Pilatus echter).... |
| kos kai paredôken auton (die hem ook overleverde) | kai paredôken ton Ièsoun ... (en hij leverde Jezus over) |
| hina staurôthè (opdat hij zou gekruisigd worden. | |
| 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 342. Jezus ter dood veroordeeld : Mc 15,15 - Mt 27,24-26 - Lc 23,24-25 - |
7. pers. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in Mc 3 : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
Evangelie op de 10de (tiende) zondag door het b-jaar : Marcus 3,20-35 . Taalgebruik : Mc 3,20-35 .
In die tijd ging Jezus naar huis en weer stroomde zoveel volk samen dat zij niet eens gelegenheid hadden om te eten. Toen zijn verwanten dit hoorden trokken zij erop uit om Hem mee te nemen, want men zei dat Hij niet meer bij zijn verstand was. De schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren zeiden dat Beëlzebub in Hem huisde en dat Hij door middel van de vorst der duivels de duivels uitdreef. Hij riep hen bij zich en sprak tot hen in gelijkenissen: "Hoe kan de ene satan de andere uitdrijven? Wanneer een rijk innerlijk verdeeld is kan dat rijk geen stand houden. Wanneer een huis innerlijk verdeeld is zal dat huis geen stand kunnen houden. En wanneer de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij geen stand houden, maar is zijn einde gekomen. Bovendien, niemand kan binnendringen in het huis van een sterke om zijn huisraad te roven als hij niet eerst die sterke heeft gebonden. Dan pas kan hij zijn huis leeghalen. Voorwaar, Ik zeg u: alle zonden zullen aan de mensen vergeven worden, ook alle godslasteringen die zij uitgesproken hebben, maar als iemand lastert tegen de heilige Geest krijgt hij in eeuwigheid geen vergiffenis; hij is bezwaard met een eeuwig blijvende zonde." Dit omdat zij gezegd hadden: er huist een onreine geest in Hem. Eens kwamen zijn moeder en zijn broeders, en terwijl zij buiten bleven staan, stuurden ze iemand naar Hem toe om Hem te roepen. Er zat veel volk om Hem heen, dat het bericht doorgaf: "Uw moeder en uw broeders daarbuiten vragen naar U." Hij gaf hun ten antwoord: "Wie is mijn moeder, wie zijn mijn broeders?" En terwijl Hij zijn blik liet gaan over de mensen die in een kring om Hem heen zaten zei Hij: "Ziehier mijn moeder en mijn broeders. Want mijn broeder en mijn zuster en mijn moeder zijn zij die de wil van God volbrengen."
116. Onbegrip van Jezus'verwanten : Mc 3,20-21 - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 -
SANDWICH-MODEL :
1. Mc 3,20-21 (Mc 3,22-30) Mc 3,31-35 .
2. Mc 5,21-24 (Mc 5,25-34) Mc 5,35-43 .
3. Mc 6,7-13 (Mc 6,14-29) Mc 6,30-32 .
4. Mc 11,12-14 (Mc 11,15-19) Mc 11,20-26 .
5. Mc 14,1-2 (Mc 14,3-9) Mc 14,10-11 .
6. Mc 14,12-16 (Mc 14,17-21) Mc 14,22-25 .
7. Mc 14,54 (Mc 14,55-65) Mc 14,66-72 .
| Mc 3,20 - Mc 3,20 : 116. Onbegrip van Jezus'verwanten - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En zij kwamen in huis; en daar vergaderde wederom een
schare, alzo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.
King James Bible . [20] And the multitude cometh together again, so that they
could not so much as eat bread.
Luther-Bibel . 20 Und er ging in ein Haus. Und da kam abermals das Volk zusammen,
sodass sie nicht einmal essen konnten.
Tekstuitleg van Mc 3,20 . Twee nevenschikkende hoofdzinnen , één ondergeschikte zin . De eerste zin geeft het overgangsvers , de tweede het samenstromen van het volk . Dergelijke schema's vonden we in
1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 .
2. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt)
van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in N.T. : erchomai
(gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai
(gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc
1,7 . (2) Mc
1,40 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
4,21 . (7) Mc
5,22 . (8) Mc
6,1 . (9) Mc
6,48 . (10) Mc
10,1 . (11) Mc
13,35 . (12) Mc
14,17 . (13) Mc
14,37 . (14) Mc
14,41 . (15) Mc
14,66 . (16 ) Mc
15,36 .
In 7 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc
3,20 . (2) Mc
6,1 . (3) Mc
6,48 . (4) Mc
10,1 . (5) Mc
14,17 . (6) Mc
14,37 . (7) Mc
14,41 . In drie verzen erchetai + eis + plaatsbepaling (hij gaat naar) :
(1) Mc
3,20 . (2) Mc
6,1 . (3) Mc
10,1 .
1. - 2. kai erchetai (en hij gaat, en hij komt) . Taalgebruik in N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Bij het begin van het vers : Mc (6) : (1) Mc 1,40 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,31 . (4) Mc 5,22 . (5) Mc 14,37 . (6) Mc 14,41 .
3. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .
2. - 3. erchetai eis (hij gaat naar) . Mc (5) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 5,38 (variante erchontai : zij gaan) . (3) Mc 6,1 . (4) Mc 8,22 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 10,1 . Joh (2) . Jezus is telkens onderwerp .
4. oikon (naar huis) . Zelfst. naamw oikos (huis) acc. mann. enk. . Taalgebruik
in het N.T. : oikia
(huis) . Mc (10) : (1) Mc
2,11 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
5,19 . (5) Mc
5,38 . (6) Mc
7,17 . (7) Mc
7,30 . (8) Mc
8,3 . (9) Mc
8,26 . (10) Mc
9,28 .
Mc 3,20-21 en Mc 3,31-35 : sandwichmethode . Jezus gaat niet zomaar naar een
huis , maar naar zijn huis . Jezus antwoordt op de vraag wie zijn huisgenoten
zijn en wie niet of buitenstaanders . Jezus woont in Kafarnaüm .
3. - 4. eis oikon (naar huis) . Mc (4) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 9,28 .
5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . Niet in Mc 3,10 , Mc 3,29 , Mc 3,30 . Dit kai (en) leidt de tweede nevenschikkende hoofdzin in . Het geeft het samenstromen van het volk aan .
8. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .
9. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos
(menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos
(menigte) . Met één uitzondering (Mc
10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc
2,13 . (2) Mc
3,20 . (3) Mc
3,32 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,21 . (6) Mc
5,24a - Mc
5,24b . (7) Mc
9,15 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
11,18 . (10) Mc
12,37 . (11) Mc
12,41 . (12) Mc
12,43 . (13) Mc
15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .
13. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,23 .
| Mc 3,21 - Mc 3,21 : 116. Onbegrip van Jezus'verwanten - Mc 3,20-21 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- Mc 3,20 - Mc 3,21 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 21 En als degenen, die Hem bestonden, dit hoorden, gingen
zij uit, om Hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten Zijn zinnen.
King James Bible . [21] And when his friends heard of it, they went out to lay
hold on him: for they said, He is beside himself.
Luther-Bibel . 21 Und als es die Seinen hörten, machten sie sich auf und wollten
ihn festhalten; denn sie sprachen: Er ist von Sinnen.
Tekstuitleg van Mc 3,21 . Het vers Mc 3,21 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 61 letters . De getalwaarde van Mc 3,21 is 5628 (2 X 2 X 3 X 7 X 67) . Bekend is : het advies om Jezus uit de weg te ruimen (Mc 3,6) , een overleveraar (Mc 3,19) . Zo is een kwestie om Jezus te kunnen 'vatten' . Zijn verwanten komen .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,29 . (3) Mc
3,30 .
2. act. part. aor. nom. mv. akousantes van het werkw. akouô (horen)
. Taalgebruik in het N.T. : akouô
(horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie
Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren ,
aanhoren) -> écouter .
Mc (7) : (1) Mc
3,21 . (2) Mc
4,18 . (3) Mc
6,29 . (4) Mc
10,41 . (5) Mc
14,11 . (6) Mc
15,35 . (7) Mc
16,11 .
3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,31 . (6) Mc
3,32 . (7) Mc
3,33 . (8) Mc
3,34 .
5. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
8. aanwijz. vnw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc 3 (12) : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 3,8 . (4) Mc 3,9 . (5) Mc 3,11 . (6) Mc 3,12 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,19 . (9) Mc 3,21 . (10) Mc 3,31 . (11) Mc 3,32 . (12) Mc 3,34 .
10. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc (3) : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,21 . (3) Mc
3,35 .
11. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .
118. De Beëlzebubcontroverse : Mc 3,22-27 - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 -
| Mc 3,22 - Mc 3,22 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 22 En de Schriftgeleerden, die van Jeruzalem afgekomen waren,
zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door den overste der duivelen werpt Hij de duivelen
uit.
King James Bible . [22] And the scribes which came down from Jerusalem said,
He hath Beelzebub, and by the prince of the devils casteth he out devils.
Luther-Bibel . 22 Die Schriftgelehrten aber, die von Jerusalem herabgekommen
waren, sprachen: Er hat den Beelzebul, und: Er treibt die bösen Geister aus
durch ihren Obersten.
Tekstuitleg van Mc 3,22 . Het vers Mc 3,22 telt 21 (3 X 7) woorden en 112 (2 X 2 X 2 X 2 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 3,22 is 10898 (2 X 5449) .
Mc 3,22.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,29 . (3) Mc
3,30 .
Mc 3,22.
2. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,31 . (6) Mc
3,32 . (7) Mc
3,33 . (8) Mc
3,34 .
3. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 . Nom. (10) . Acc. (1) : Mc 9,14 .
4. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (8) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,6 . (3) Mc
3,21 . (4) Mc
3,22 . (5) Mc
3,31 . (6) Mc
3,32 . (7) Mc
3,33 . (8) Mc
3,34 .
5. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc 3 (3) : 3 (1) Mc
3,7 . (2) Mc
3,9 . (3) Mc
3,22 .
6. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door
een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn)
, in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het N.T. : Hierosoluma
(Jeruzalem) . Taalgebruik in Mc :
Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,22 . (3) Mc
7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc
10,32 . (2) Mc
10,33 . (3) Mc
11,1 . (4) Mc
11,11 . (5) Mc
11,15 . (6) Mc
11,27 . (7) Mc
15,41 .
9. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,29 . (3) Mc
3,30 .
13. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .
14. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc 3 (2) : (1) Mc
3,22 . (2) Mc
3,23 .
15. bepaald lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc
3 (4) : (1) Mc
3,3 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,16 . (4) Mc
3,22 .
17. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc
3 (4) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
3,28 .
19.
| Mc 3,23 - Mc 3,23 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 23 En hen tot Zich geroepen hebbende, zeide Hij tot hen in
gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?
King James Bible . [23] And he called them unto him, and said unto them in parables,
How can Satan cast out Satan?
Luther-Bibel . 23 Jesus aber rief sie zusammen und sprach zu ihnen in Gleichnissen:
Wie kann der Satan den Satan austreiben?
Tekstuitleg van Mc 3,23 . Het vers Mc 3,23 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden , 32 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) lettergrepen en 81 (3 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 3,23 is 7458 (2 X 3 X 11 X 113) . Dit vers Mc 3,23 telt evenveel woorden als Mc 7,14 . Schriftgeleerden uit Jeruzalem verklaren dat Jezus bezeten is door de duivel (Mc 3,22) . In Mc 3,23 vlg. roept Jezus hen bij zich en vertelt hij hen een parabel . In Mc 7,1-13 ontstaat een twistgesprek tussen de farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem enerzijds en Jezus anderzijds over reinheid bij het eten . In Mc 7,14 roept Jezus het volk bij zich en vertelt hij het een parabel . Tussen Mc 3,23 en Mc 7,14 zijn de overeenkomsten : kai proskalesamenos (en samengeroepen bij zich) ... elegen autois (zei hij hen)
Mc 3,23.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 3 . Van de 35 verzen in Mc 3 niet in 3 verzen : (1) Mc
3,10 . (2) Mc
3,29 . (3) Mc
3,30 .
Mc 3,23.2.
part. aor. nom. mann. enk. proskalesamenos (bij zich geroepen) . Taalgebruik
in het N.T. : proskaleomai
(bij zich roepen) . Taalgebruik in Mc : proskaleomai
(bij zich roepen) .
Mc (7) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
7,14 . (3) Mc
8,1 . (4) Mc
8,34 . (5) Mc
10,42 . (6) Mc
12,43 . (7) Mc
15,44 . In 6 / 7 is Jezus onderwerp . In 1 / 7 is het Pilatus (Mc
15,44) . In 7 / 7 volgt op het part. proskalesamenos (bij zich geroepen)
een lijdend voorwerp .
Het is de 1ste maal dat deze vorm gebruikt wordt . Jezus roept bij zich en zegt
dan iets .
Mc 3,23.1. - 2. kai proskalesamenos (en bij zich geroepen) . Mc (6 / 7) . Niet in Mc 8,1 .
Mc 3,23.3.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
3,20 . (4) Mc
3,23 . In Mc
3,23 roept Jezus de schriftgeleerden die van Jeruzalem zijn afgedaald bij
zich .
Mc 3,23.1.
- 3. proskalesamenos (samengeroepen bij zich) . Mc (6 / 7) : (1) Mc
3,23 (A) . (2) Mc
7,14 (B) . (3) Mc
8,1 (C) . (4) Mc
8,34 (D) . (5) Mc
10,42 (E) . (6) Mc
12,43 (F) . zeshoek
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
10,42 . (diagonaal A - E) .
- proskalesamenos (...) ton ochlon (samengeroepen het volk) in Mc (2) : (1)
Mc 7,14
. (2) Mc
8,34 . (diagonaal B - D) .
- proskalesamenos tous mathètas (samengeroepen de leerlingen) in Mc (2)
: (1) Mc
8,1 . (2) Mc
12,43 . (diagonaal C - F) .
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen
het volk met zijn leerlingen) in Mc (1) : Mc
8,34 .
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
10,42 . (diagonaal A - E) .
Mc 3,23.4.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc (119) . Mc 3 (2) : (1) Mc
3,22 . (2) Mc
3,23 .
Mc 3,23.5.
dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van
het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het
N.T. : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken
.
Mc (5) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,11 . (4) Mc
4,33 . (5) Mc
12,1 . Een vorm van parabolè (parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen
.
Mc 3,23.4. - 5. en parabolais (in parabels, gelijkenissen) . Mc (4 / 5) . Mc (4) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 12,1 .
Mc 3,23.6.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen
/ lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 3 (1) : Mc
3,23 .
Mc 3,23.7.
vnw. dat.mann. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
3,12 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,23 . (5) Mc
3,33 .
Mc 3,23.1.
6. - 7. kai .... elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
N.T. (12) . Mc (11 + 3) . Mc 3 (1) : (1) Mc
3,23 .
- Mc 3,23
: kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen
.
- Mc 7,14
: kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen
.
Zijde A - B van de zeshoek . STAP VOOR STAP !
In Mc
3,23 riep Jezus de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren afgedaald bij
zich en sprak tot hen in parabels . In Mc
7,14 riep Jezus opnieuw de menigte bij zich om het een parabel te vertellen
.
Mc 3,23.8.
pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs
(hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs
(hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 3 (1) : Mc
3,23 .
Mc 3,23.10.
nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (3) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
3,26 . (3) Mc
4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
Mc 3,23.11.
acc. mann. enk. satanan (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) . Taalgebruik
in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (1) : Mc
3,23 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
Mc 3,23.12.
act. inf. praes. ekballein (uitvaren, uitgooien) van het werkw. ekballô
. Taalgebruik in het N.T. : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) . Taalgebruik in Mc : ekballô
(uitwerpen, uitvallen) .
Mc (3) : (1) Mc
3,15 . (2) Mc
3,23 . (3) Mc
11,15 .
Eénmaligheid
- acc. mann. enk. satanan (satan) van het zelfst. naamw. satanas (satan) . Mc (1) : Mc 3,23 .
Duality
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
10,42 . (diagonaal A - E) .
- Zijde A - B van de zeshoek .
-- Mc
3,23 : kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei
hij hen .
-- Mc
7,14 : kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei
hij hen .
| Mc 3,24 - Mc 3,24 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 24 En indien een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, zo
kan dat koninkrijk niet bestaan.
King James Bible . [24] And if a kingdom be divided against itself, that kingdom
cannot stand.
Luther-Bibel . 24 Wenn ein Reich mit sich selbst uneins wird, kann es nicht
bestehen.
Tekstuitleg van Mc 3,24 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
3. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .
10. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,24 . (3) Mc
3,25 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
3,32 . (6) Mc
3,33 . (7) Mc
3,34 .
| Mc 3,25 - Mc 3,25 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 25 En indien een huis tegen zichzelf verdeeld is, zo kan
dat huis niet bestaan.
King James Bible . [25] And if a house be divided against itself, that house
cannot stand.
Luther-Bibel . 25 Und wenn ein Haus mit sich selbst uneins wird, kann es nicht
bestehen.
Tekstuitleg van Mc 3,25 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
9. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 3 (7) : (1) Mc
3,5 . (2) Mc
3,24 . (3) Mc
3,25 . (4) Mc
3,31 . (5) Mc
3,32 . (6) Mc
3,33 . (7) Mc
3,34 .
| Mc 3,26 - Mc 3,26 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 26 En indien de satan tegen zichzelven opstaat, en verdeeld
is, zo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.
King James Bible . [26] And if Satan rise up against himself, and be divided,
he cannot stand, but hath an end.
Luther-Bibel . 26 Erhebt sich nun der Satan gegen sich selbst und ist mit sich
selbst uneins, so kann er nicht bestehen, sondern es ist aus mit ihm.
Tekstuitleg van Mc 3,26 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
2. ei (je bent of : indien, of): act. ind. pr. 2de pers. enk. en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde . Taalgebruik : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Werkwoordvorm in Mc 3,11 . Voegwoord in : (1) Mc 3,2 . (2) Mc 3,26 .
3. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 3,11 . (3) Mc 3,17 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,26 .
4. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (3) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
3,26 . (3) Mc
4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
| Mc 3,27 - Mc 3,27 : 118. De Beëlzebubcontroverse - Mc 3,22-27 - Mt 12,24-30 - Lc 11,15-23 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,22 - Mc 3,23 - Mc 3,24 - Mc 3,25 - Mc 3,26 - Mc 3,27 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 27 Er kan niemand in het huis eens sterken ingaan en zijn
vaten ontroven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn
huis beroven.
King James Bible . [27] No man can enter into a strong man's house, and spoil
his goods, except he will first bind the strong man; and then he will spoil
his house.
Luther-Bibel . 27 Niemand kann aber in das Haus eines Starken eindringen und
seinen Hausrat rauben, wenn er nicht zuvor den Starken fesselt; erst dann kann
er sein Haus berauben.
Tekstuitleg van Mc 3,27 . Het vers Mc 3,27 telt 25 (5²) woorden en 122 (2 X 61) letters . De getalwaarde van Mc 3,27 is 15221 (31 X 491) .
Mc 3,27.5. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 3 (6) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 3,3 . (3) Mc 3,13 . (4) Mc 3,20 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 3,29 .
Mc 3,27.6.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,27.8.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 3 (6) : (1) Mc
3,8 . (2) Mc
3,11 . (3) Mc
3,17 . (4) Mc
3,18 . (5) Mc
3,27 . (6) Mc
3,35 .
Mc 3,27.10. actief participium aorist nominatief mannelijk enkelvoud eiselthôn (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 .
Mc 3,27.5.
10. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,1 . (3) Mc
3,27 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
11,15 .
(1) Mc
1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en
... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc
2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm)
.
(3) Mc
3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van
de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39
: eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc
7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc
11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .
Mc 3,27.14. bep. lidw. nom. vr. mv. . Taalgebruik in Mc 3 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Mc 3 (2) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 3,32 .
Mc 3,27.18.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (555) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,9 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
3,27 . (5) Mc
3,29 .
Mc 3,27.21.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Niet in Mc
3,10 , Mc
3,29 , Mc
3,30 .
Mc 3,27.22.
tote (dan) . (< to - de : dat echter ; dan , daarop) . Taalgebruik in het
N.T. : tote
(dan) . Taalgebruik in Mc : tote
(dan) .
Mc (6) : (1) Mc
2,20 . (2) Mc
3,27 . (3) Mc
13,14 . (4) Mc
13,21 . (5) Mc
13,26 . (6) Mc
13,27 .
Mc 3,27.21. - 22. kai tote (en dan) . Mc (5) : (1) Mc 2,20 . (2) Mc 3,27 . (3) Mc 13,21 . (4) Mc 13,26 . (5) Mc 13,27 . Niet in Mc 13,14 .
Mc 3,27.23.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 3 (5) : (1) Mc
3,1 . (2) Mc
3,3 . (3) Mc
3,5 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,27 .
Mc 3,27.25.
vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 3 (10) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,5 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
3,7 . (5) Mc
3,9 . (6) Mc
3,10 . (7) Mc
3,14 . (8) Mc
3,21 . (9) Mc
3,27 . (10) Mc
3,31 .
119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest : Mc 3,28-30 - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 -
| Mc 3,28 - Mc 3,28 : 119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 3 -- taalgebruik -- Mc 3,28 - Mc 3,29 - Mc 3,30 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 28 Voorwaar, Ik zeg u, dat al de zonden den kinderen der
mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmede zij zullen
gelasterd hebben;
King James Bible . [28] Verily I say unto you, All sins shall be forgiven unto
the sons of men, and blasphemies wherewith soever they shall blaspheme:
Luther-Bibel . 28 Wahrlich, ich sage euch: Alle Sünden werden den Menschenkindern
vergeben, auch die Lästerungen, wie viel sie auch lästern mögen;
Tekstuitleg van Mc 3,28 .
Mc 3,28.1.
amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn
(amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn
(amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc
3,28 . (2) Mc
8,12 . (3) Mc
9,1 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,29 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
12,43 . (9) Mc
13,30 . (10) Mc
14,9 . (11) Mc
14,18 . (12) Mc
14,25 . (13) Mc
14,30 .
Mc 3,28.2.
act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (19) . Mc
Mc 3,28.3.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc
Mc 3,28.1. - 3. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie dat ) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .
4. hoti (dat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) . Mc 3 (5) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,21 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 3,28 . (5) Mc 3,30 .
Mc 3,28.1. - 4. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (8) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 12,43 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 14,18 . (8) Mc 14,25 .
Mc 3,28.7.
bep. lidw. dat. mann. + onz. mv. tois : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord .
Mc 3 (5) : (1) Mc
3,2 . (2) Mc
3,4 . (3) Mc
3,9 . (4) Mc
3,28 .
Mc 3,28.9.
bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (van de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord .
Mc 3 (4) : (1) Mc
3,6 . (2) Mc
3,7 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
3,28 .
| Mc 3,29 - Mc 3,29 : 119. Laster tegen de Mensenzoon en tegen de Geest - Mc 3,28-30 - Mt 12,31-32 - Lc 12,22-32 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- |