- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik V - Marcus
taalgebruik W - Marcus
taalgebruik X - Marcus
taalgebruik Y - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
Overzicht van het Marcusevangelie :
Mc 1 ,
Mc 2 ,
Mc 3 ,
Mc 4 ,
Mc 5 ,
Mc 6 ,
Mc 7 ,
Mc 8 ,
Mc 9 ,
Mc 10 ,
Mc 11 ,
Mc 12 ,
Mc 13 ,
Mc 14 ,
Mc 15 ,
Mc 16
Bijbeluitleg per pericope - Mc
4,1-2 - Mc
4,3-9 - Mc
4,10-12 - Mc
4,13-20 - Mc
4,21-23 - Mc
4,24-25 - Mc
4,26-29 - Mc
4,30-32 - Mc
4,33-34 - Mc
4,35-41 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mc
4,1 - Mc
4,2 - Mc
4,3 - Mc
4,4 - Mc
4,5 - Mc
4,6 - Mc
4,7 - Mc
4,8 - Mc
4,9 - Mc
4,10 - Mc
4,11 - Mc
4,12 - Mc
4,13 - Mc
4,14 - Mc
4,15 - Mc
4,16 - Mc
4,17 - Mc
4,18 - Mc
4,19 - Mc
4,20 - Mc
4,21 - Mc
4,22 - Mc
4,23 - Mc
4,24 - Mc
4,25 - Mc
4,26 - Mc
4,27 - Mc
4,28 - Mc
4,29 - Mc
4,30 - Mc
4,31 - Mc
4,32 - Mc
4,33 - Mc
4,34 - Mc
4,35 - Mc
4,36 - Mc
4,37 - Mc
4,38 - Mc
4,39 - Mc
4,40 - Mc
4,41 -
| Mc 4,31 | Mc 4,32 | Mc 4,33 | Mc 4,34 | Mc 4,35 | Mc 4,36 | Mc 4,37 | Mc 4,38 | Mc 4,39 | Mc 4,40 | Mc 4,41 | Mc 4,42 | Mc 4,43 | Mc 4,44 | Mc 4,45 | |||||||||||||||||
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| http://www.bible-history.com/isbe/ | http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm | Studiebijbel 3 | Luther-Bibel 1984 | bijbelweb | info-bible | interBible | http://www.diebibel.de/ |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrord | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem (2) | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel | liturgische lezing |
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het vierde hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
125. Inleiding tot de gelijkenisrede : Mc 4,1-2 - Mt
13,1-3a - Lc
8,4 -
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mt
13,3b-9 - Lc
8,5-8 -
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt
13,10-15 - Lc
8,9-10 -
129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier : Mc 4,13-20 - Mt
13,18-23 - Lc
8,11-15 -
130. Niets is verborgen : Mc 4,21-23 - Lc
8,16-17 -
131. Let op wat je hoort : Mc 4,24-25 - Mt
7,1-5 - Lc
13,18-19 - Mt
13,10-15 - Lc
8,18 -
132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit : Mc 4,26-29 -
134. Gelijkenis van het mosterdzaad : Mc 4,30-32 - Mt
13,31-32 - Lc
13,18-19 -
136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt
13,34-35 -
142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt
8,23-27 - Lc
8,22-25 -
125. Inleiding tot de gelijkenisrede : Mc 4,1-2 - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 -
In de inleidende pericope Mc
4,1-2 komt vijfmaal kai (en) voor ; driemaal in Mc
4,1 , tweemaal in Mc
4,2 , bij het begin van een nevenschikkende zin . Er is evenwel verandering
van plaats : van binnenshuis naar de meerkant . Het nevenschikkend voegwoord
maakt de link tussen het voorgaande en het komende verhaal .
Wellicht moet de klemtoon gelegd worden op beginnen . In Mc
1,45 begint de genezene te verkondigen . Hier in Mc
4,1 begint Jezus te leraren . Hier staan we voor een nieuw begin
. In Mc 4,3-34 staat de parabelrede .
| Mc 4,1 - Mc 4,1 : 125. Inleiding tot de gelijkenisrede - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde
een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat
op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
King James Bible . [1] And he began again to teach by the sea side: and there
was gathered unto him a great multitude, so that he entered into a ship, and
sat in the sea; and the whole multitude was by the sea on the land.
Luther-Bibel . 1 Und er fing abermals an, am See zu lehren. Und es versammelte
sich eine sehr große Menge bei ihm, sodass er in ein Boot steigen musste, das
im Wasser lag; er setzte sich, und alles Volk stand auf dem Lande am See.
Tekstuitleg van Mc 4,1 . Dit vers telt 34 (2 X 17) woorden , 153 (3 X 3 X 17) letters en 61 lettergrepen . Getalwaarde : 14438 . Dit vers telt 3 nevenschikkende zinnen , 1 ondergeschikte zin (gevolgzin) en 1 particpiumzin .
Mc 4,1.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 . 3X in Mc
4,1 : zie 1 , 8 en 22 .
Met dit nevenschikkend voegwoord kai (en) wordt de perikope Mc 3,20-21.31-35
(de ware huisgenoten van Jezus) met de parabelrede (Mc 4,1-34) verbonden .
Mc 4,1.2.
palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin
(opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin
(opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 4 (1)
: Mc 4,1
. Voor de vijfde maal gebruikt Marcus palin (opnieuw) . Ditmaal betreft het
èrxato (hij begon) , dat we voor de tweede maal bij Marcus aantreffen
. De eerste maal was het in Mc
1,45 . Mc
4,1 (Mc
4,1-2) èrxato didaskein (hij begon te leraren) . In Mc
1,45 (Mc
1,40-45) staat èrxato kèrussein (hij - de genezen melaatse
of toch Jezus? - begon te verkondigen) . Mijn voorkeur gaat uit naar : de genezen
melaatse begon te verkondigen . Het vormt een parallel met Mc
5,20 waar een niet-jood begint te verkondigen .
Wil Marcus zeggen dat we voor een nieuw begin staan . Het eerste begin is dan
Mc 1,45
, dat een inclusio vormt met archè van Mc
1,1 .
Of : En voor de tweede maal leraarde Jezus langs het meer .
Mc 4,1.1. - 2. kai palin (en opnieuw) . Mc (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 7,31 . (3) Mc 12,4 . (4) Mc 14,39 . (5) Mc 14,40 .
Mc 4,1.3.
aorist 3de pers. enk. èrxato van het werkw. archomai (beginnen, aanvangen)
. Taalgebruik in het N.T. : archomai
(beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai
(beginnen, aanvangen, heersen) .
Mc (18) . Mc (18) : (1) Mc
1,45 . (2) Mc
4,1 . (3) Mc
5,20 . (4) Mc
6,2 . (5) Mc
6,7 . (6) Mc
6,34 . (7) Mc
8,31 . (8) Mc
8,32 . (9) Mc
10,28 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,47 . (12) Mc
11,15 . (13) Mc
12,1 . (14) Mc
13,5 . (15) Mc
14,33 . (16) Mc
14,69 . (17) Mc
14,71 . 18) Mc
15,8 . Een vorm van het werkw. archomai (beginnen, heersen) in Mc (27) .
Het is niet de eerste maal dat Jezus leraart . Reeds in Mc
1,21 en Mc
2,13 leraarde Jezus . In deze twee verzen bleef het bij de vermelding zonder
verdere inhoud aan het onderricht te geven . We staan hier aan het begin van
de parabelrede .
Mc 4,1.4.
actief inf. pr. didaskein (onderrichten) van het werkw. didaskô (leren,
onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr
docent , documentatie .
In 4 verzen bij Marcus , telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato
(hij begon) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
6,2 . (3) Mc
6,34 . (4) Mc
8,31 .
In Mc 4,1
is het niet de eerste maal dat Jezus leraart . Reeds in Mc
1,21 en Mc
2,13 leraarde Jezus . In deze twee verzen blijft het bij de vermelding zonder
verdere inhoud aan het onderricht te geven . In Mc
4,1 staan we bij het begin van de parabelrede .
Het is de derde maal dat Jezus langs het meer gaat . Bij de eerste maal riep
hij de eerste vier leerlingen , bij de tweede maal de tollenaar Levi , nadat
hij langs het meer onderricht had gegeven . In Mc
4,1 onderricht Jezus voor de tweede maal langs het meer .
Mc 4,1.3. - 4. èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) : In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 .
Mc 4,1.5.
para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs) . Taalgebruik in Mc : para
(langs) .
Mc (11) . Mc 4 (3) : : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,4 . (3) Mc
4,15 .
Mc (11) . (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
12,2 . (10) Mc
12,11 . (11) Mc
14,43 .
- para + gen. (vanwege) : (1) Mc
10,27 . (2) Mc
12,2 . (3) Mc
12,11 . (4 Mc
14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc
4,4 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc
1,16 . (2)
Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,21 . Beide verzen spelen zich af op de westelijke oever van het meer .
Tussen beide ligt de oversteek naar de overzijde en terug .
Mc 4,1.6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
Mc 4,1.7.
Zelfst. naamw. acc. vr. enk. thalassan . Taalgebruik in het N.T. : thalassa
(zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa
(zee) .
Mc (9) . (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
3,7 . (4) Mc
4,1 . (5) Mc
5,13 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
7,31 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
11,23 .
Mc 4,1.6. - 7. tèn thalassan (de zee) . Mc (9 / 9) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .
Mc 4,1.5. - 7. para tèn thalassan (langs de zee) . In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . Na de overlevering van Johannes de Doper ging Jezus naar Galilea , naar Kafarnaüm , aan het meer van Galilea . Bij nakend gevaar kon hij het meer oversteken . Eerst ging hij vroegere leerlingen van Johannes de Doper opzoeken en riep hij hen tot zijn leerlingen (Mc 1,16) . Dat is ook het geval met Levi (Mc 2,13) . Vanuit de veiligheid van een boot onderrichtte Jezus de menigte (Mc 4,1) . Later blijkt die zee (Mc 4,35-41) die veiligheid niet te bieden die men van haar verwachtte . Ze werd doodsbedreiging . Uiteindelijk kwamen Jezus en zijn leerlingen veilig aan de overkant aan , in het land van de Gerasenen . In Mc 5,21 is hij terug .
Mc 4,1.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen in Mc
4 niet in acht verzen : (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 . 3X in Mc
4,1 : zie 1 , 8 en 22 .
Mc 4,1.9.
med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai (het volk verzamelt zich) van het
werkw. sunagô (samendrijven, samenvoeren) . Taalgebruik in het N.T. :
sunagô
(samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in Mc : sunagô
(samendrijven, verzamelen) .
Mc 4 (1) : Mc
4,1 .
Een vorm van sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen :
(1) Mc
2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. sunèchthèsan = zij verzamelden
zich) .
(2) Mc 4,1
(med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc
5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv. sunèchthè = het
verzamelde zich) .
(4) Mc
6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1
(med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .
Mc 4,1.10.
pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) .
Mc (62) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,1 (pros auton = naar hem) . (2) Mc
4,41 (pros allèlous = de enen tot de anderen) .
Mc 4,1.9. - 10. een vorm van het werkw. sunagô (samendrijven, samenvoeren) + pros (naar) in Mc (3) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,30 . (3) Mc 7,1 . In Mc 5,21 : ep' (bij)
Mc 4,1.11.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,10 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,36 . (5) Mc
4,38 .
Mc 4,1.10. - 11. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus Mc (14 / 15) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
Mc 4,1.12. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Mc 4 (1) : Mc 4,1 (2X , zie 25 in dit vers) . Meestal is er sprake van het 'samen-stromen' (Mc 4,1 : sunagetai) van het volk . Na een verhaal met het volk volgt vaak een verhaal in een huis . In Mc 4 : afzonderlijk in Mc 4,10 .
Mc 4,1.8.
- 13.
- Mc 2,13
: kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem)
.
- Mc 4,1
: kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke menigte stroomt
naar hem bijeen) .
STAP VOOR STAP !
STAP VOOR STAP !
- Mc 5,21
: sunèchthè ochlos polus = verzamelde zich een grote menigte .
- Mc 4,1
: kai sunagetai pros auton ochlos pleistos = en een zeer grote menigte verzamelde
zich bij hem .
In Mc 4,1
verzamelde zich een zeer grote menigte bij Jezus langs de rechteroever van het
meer van Galilea . In Mc
5,21 verzamelde zich een grote menigte (opnieuw) aan de rechteroever van
het meer nadat Jezus (en zijn leerlingen) was teruggekomen van een oversteken
naar de andere oever .
Mc 4,1.16.
acc. onz. enk. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion
(boot) . Taalgebruik in Mc. : ploion
(boot) . Mc (7) .
Een vorm van ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4 : (1) Mc
4,1 (eis ploion = in een boot) . (2) Mc
4,36 a (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot) . (3) Mc
4,36 b (nom. ploia = boten) . (4) Mc
4,37 a (acc. eis to ploion = in de boot) . (5) Mc
4,37 b : (acc. to ploion = de boot) .
Mc 4,1.15.
- 16.
- eis ploion (in een boot) : Mc
4,1 .
- eis to ploion (in de boot) : (1) Mc
4,37 . (2) Mc
5,18 . (3) Mc
6,45 . (4) Mc
6,51 . (5) Mc
8,10 . In vier verzen in combinatie met een vorm van embainô (inklimmen)
: (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,18 . (3) Mc
6,45 . (4) (5) Mc
8,10 . In Mc
6,51 in combinatie met een vorm van anabainô (omhoogklimmen) .
Mc 4,1.17. actief part. aor. acc. mann. enk. embanta (ingeklommen) van het werkw. embainô (inklimmen) . Taalgebruik in het N.T. : embainô (inklimmen) . Taalgebruik in Mc : embainô (inklimmen) . Mc (1) Mc 4,1 .
Mc 4,1.15.
- 17. eis ploion embanta (in een boot ingeklommen) .
- eis (to) ploion ( in een / de boot) . In vier verzen in combinatie met embainô
(inklimmen) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
5,18 . (3) Mc
6,45 . (4) Mc
8,10 . In Mc
6,51 in combinatie met anabainô (opklimmen) . Omwille van de grote
massa klimt Jezus in een boot van waaruit hij onderricht . In de boot stappen
heeft hier nog niet de bedoeling om naar de overzijde te varen .
Mc 4,1.19.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
Mc 4,1.20.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 4 (5) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,35 . (4) Mc
4,38 . (5) Mc
4,39 .
Mc 4,1.21. dat. vr. enk. thalassè(i) (zee, meer) . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 . Parallel : Mt 8,26 // Mc 4,39 .
Mc 4,1.19. - 21. en tè(i) thalassè(i) (in de zee) . In negen verzen in het N.T. : (1) Mt 8,24 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,13 . (5) Lc 17,6 . (6) 1 Kor 10,2 . (7) Apk 8,9 . (8) Apk 16,3 . (9) Apk 18,19 . In 3 ( / 4) in Mc ; niet in Mc 4,39 .
Mc 4,1.22.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 . 3X in Mc
4,1 : zie 1 , 8 en 22 .
Mc 4,1.24. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .
Mc 4,1.25.
bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
Mc 4,1.26. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Mc 4 (1) : Mc 4,1 (2X , zie 25 in dit vers) . Na een verhaal met het volk volgt vaak een verhaal in een huis .
Mc 4,1.23. - 25. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 .
Mc 4,1.29.
epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,20 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,26 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,38 .
Mc 4,1.30. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .
Mc 4,1.31. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .
| Mc 4,2 - Mc 4,2 : 125. Inleiding tot de gelijkenisrede - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij
zeide in Zijn lering tot hen:
King James Bible .[2] And he taught them many things by parables, and said unto
them in his doctrine,
Luther-Bibel . 2 Und er lehrte sie vieles in Gleichnissen; und in seiner Predigt
sprach er zu ihnen:
Tekstuitleg van Mc 4,2 . Twee nevenschikkende zinnen die parallel zijn opgebouwd . Het vers telt 13 woorden , 27 lettergrepen en 64 letters ; de eerste nevenschikkende zin telt 6 woorden en 14 lettergrepen ; de tweede nevenschikkende zin telt 7 woorden en 13 lettergrepen .
| Mc 4,2a | kai (en) | edidasken (hij leerde) | en (in) | parabolais (parabels) | polla (veel) |
| Mc 4,2b | kai (en) | elegen (hij zei) | en (in) | tè(i) didachè(i) autou (in zijn lering) |
Door de paralelle opbouw staat elegen (hij zei) vooraan de zin , en niet achteraan , want meestal volgt dan een citaat .
Mc 4,2.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,2.2.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw.
didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,2 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,1 . (6) Mc
11,17 . Een vorm van didaskô (onderrichten, leren) in Mc in 17 verzen
.
Mc 4,2.3.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,15 .
Mc 4,2.2. - 3. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . STAP VOOR STAP !
Mc 4,2.4.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
Mc 4,2.5.
dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van
het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het
N.T. : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken
.
Mc (5) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,11 . (4) Mc
4,33 . (5) Mc
12,1 . Een vorm van parabolè (parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen
.
- en parabolais (in parabels, gelijkenissen) . Mc (4 / 5) . Mc (4) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,11 . (4) Mc
12,1 .
- met een vorm van legô (zeggen) :
-- Mc
3,23 : en parabolais elegen autois (in parabels zei hij hen) .
-- Mc 4,2
: kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou
(hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- met een vorm van lalô (spreken) :
-- Mc
4,33 : kai toiautais parabolais pollais elalei autois (en met vele dergelijke
parabels sprak hij hen) .
-- Mc 12,1
: kai èrxato autois en parabolais lalein (en hij begon hen in parabels te spreken)
.
Mc 4,2.6.
nom. + acc. onz. mv. polla (veel) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik
in het N.T. : polus
(veel) . Taalgebruik in Mc : polus
(veel) .
Mc (21) : (1) Mc
1,34 . (2) Mc
1,45 . (3) Mc
3,12 . (4) Mc
4,2 . (5) Mc
5,10 . (6) Mc
5,23 . (7) Mc
5,26 . (8) Mc
5,38 . (9) Mc
5,43 . (10) Mc
6,13 . (11) Mc
6,20 . (12) Mc
6,23 . (13) Mc
6,34 . (14) Mc
7,4 . (15) Mc
7,13 . (16) Mc
8,31 . (17) Mc
9,12 . (18) Mc
9,26 . (19) Mc
10,22 . (20) Mc
12,41 . (21) Mc
15,3 .
Mc 4,2.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,2.8.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen
/ lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc
4,2 (Mc 4,4-8) . (2) Mc
4,9 (Mc 4,9b) . (3) Mc
4,11 (Mc 4,11b-12) . (4) Mc
4,21 (Mc 4,21b-23) . (5) Mc
4,24 (Mc 4,24b-25) . (6) Mc
4,26 (Mc 4,26b-29) . (7) Mc
4,30 (Mc 4,30b-32) .
In Mc 4,2
leidt elegen (hij zei) de parabel van de zaaier in (Mc 4,3-8) . Mc gebruikt
in Mc 4 elegen (hij zei) voor de eerste maal in een reeks van 3 en 4 .
In Mc 4 wordt in totaal 13X een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt
(8X in de parabelrede en 5X in het stormstillingsverhaal) . Naast de zeven boven
genoemde verzen 2X act. ind. praesens 3de pers. enk. legei (hij zegt) : (1)
Mc 4,13
. (2) Mc
4,35 , 2X ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) : (1) Mc
4,39 . (2) Mc
4,40 , 1X ind. praesens 3de pers. mv. legousin (zij zeggen) in Mc
4,38 en 1X ind. imperf. 3de pers. mv. elegon (zij zeiden) in Mc
4,41 .
Jezus is 11X onderwerp (8X in de parabelrede en 3X in het stormstillingsverhaal)
, de leerlingen 2X (in het stormstillingsverhaal) . Een vorm van legô
(zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,9 . (3) Mc
4,11 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,26 . (8) Mc
4,30 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,38 . (11) Mc
4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc
4,39 . (2) Mc
4,40 .
Mc 4,2.9.
voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
. Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 4 (10) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,12 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,33 . (8) Mc
4,34 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,40 . In negen verzen met een vorm van het werkw. legô (zeggen) .
Mc 4,2.7.
- 9. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12)
. Mc (11) . Mc 4 (4) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,21 . (4) Mc
4,24 .
- kai legei autois (en hij zegt hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
4,35 .
- elalei autois (en hij sprak tot hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,33 . (2) Mc
4,34 .
- kai eipen autois (en hij zei hen) . Mc 4 (1) : Mc
4,40 .
Mc 4,2.10.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
Mc 4,2.11.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 4 (5) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,35 . (4) Mc
4,38 . (5) Mc
4,39 .
Mc 4,2.12.
nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw.
didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in het N.T. : didachè
(lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè
(lering, onderrichting) .
Mc (5) : (1) Mc
1,22 (dat.) . (2) Mc
1,27 (nom.) . (3) Mc
4,2 (dat.) . (4) Mc
11,18 (dat.) . (5) Mc
12,38 (dat.) .
dat. vr. enk. didachè(i) in Mc (4) .
- en tè(i) didachè(i) autou (in zijn leer / onderrichting) . Mc
(2) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
12,38 .
- epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
11,18 .
Mc 4,2.13.
pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (143) . Mc 4 (4) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,25 . (3) Mc
4,32 . (4) Mc
4,36 .
Mc 4,2.7.
- 13. Vergelijk :
- Mc 4,2
: kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij zei hen
in zijn leer .
- Mc 12,38
: kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer zei hij
.
STAP VOOR STAP !
Mc 4,2.1.
- 13 :
- Mc 4,2
: kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou
(hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31
: edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte
zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17
: kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
| Mc 4,3 - Mc 4,3 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
King James Bible . [3] Hearken; Behold, there went out a sower to sow:
Luther-Bibel . 3 Hört zu! Siehe, es ging ein Sämann aus zu säen.
Tekstuitleg van Mc 4,3 . Dit vers telt 6 (2 X 3) woorden en 14 (2 X 7) lettergrepen .
Mc 4,3.1. actief imperat. pr. 2de pers. enk. akouete . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,24
Mc 4,3.2.
idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou
(zie) . Taalgebruik in Mc : idou
(zie) . In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen
enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i;
zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen .
Mc (7) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 . (6) Mc
14,41 . (7) Mc
14,42 . Telkens in een citaat bij het begin ervan (5) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
3,32 . (3) Mc
4,3 . (4) Mc
10,28 . (5) Mc
10,33 of in het midden ervan : (1) Mc
14,41 . (2) Mc
14,42 .
Mc 4,3.3.
ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai
(uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai
(binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals
een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt
om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11) : (1) Mc
1,26 . (2) Mc
1,28 . (3) Mc
1,35 . (4) Mc
2,12 . (5) Mc
2,13 . (6) Mc
4,3 . (7) Mc
6,1 . (8) Mc
8,27 . (9) Mc
9,26 . (10) Mc
11,11 . (11) Mc
14,68 . Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 4 (1) Mc
4,3 .
Mc 4,3.4.
bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
Mc 4,3.5. actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn (zaaiende , zaaier) van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 .
| speirô (spreiden, zaaien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn | 14 | 5 | 9 | 2 | 2 | 1 | 2 | 2 | 5 | 7 | 2 |
Mc 4,3.6.
| Mc 4,4 - Mc 4,4 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads
viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
King James Bible . [4] And it came to pass, as he sowed, some fell by the way
side, and the fowls of the air came and devoured it up.
Luther-Bibel . 4 Und es begab sich, indem er säte, dass einiges auf den Weg
fiel; da kamen die Vögel und fraßen's auf.
Tekstuitleg van Mc 4,4 .
Mc 4,4.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,4.2. aor. 3de pers. enk. egeneto van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .
Mc 4,4.3.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
Mc 4,4.4. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,28 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 4,39 .
Mc 4,4.5. act. inf. pr. speirein (zaaien) van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in het N.T. : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in Mc : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Zie N. sper-ma .
Mc 4,4.6.
bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
7. men (enerzijds) . Taalgebruik : men (enerzijds) .
| men (enerzijds) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 331 | 152 | 179 | 20 | 6 | 10 | 8 | 48 | 87 | 36 | 44 |
Mc 4,4.8.
act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen)
. Taalgebruik in het N.T. : piptô
(vallen) . Taalgebruik in Mc : piptô
(vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô
. Lat. cadere . Fr. tomber .
Mc 4 (4) : (1) Mc
4,4 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,7 . (4) Mc
4,8 .
Mc 4,4.9.
para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs, vanwege) . Taalgebruik in Mc : para
(langs, vanwege) . Taalgebruik in het N.T. : para
(langs) .
Mc (11) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,1 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
5,21 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
12,2 . (10) Mc
12,11 . (11) Mc
14,43 .
Mc 4,4.10.
Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (9) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,4 . (3) Mc
4,8 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
4,20 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,30 . (9) Mc
4,32 .
Mc 4,4.11.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14
Mc 4,4.12.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,4.13. ind. aor. 3de p. enk. èlthen van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik : erchomai (gaan, komen) . Mc 4 (1) : Mc 4,4 .
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. aor. 3de p. enk. èlthen | 338 | 250 | 88 | 20 | 13 | 17 | 18 | 5 | 4 | 11 | 50 | 68 |
Mc 4,4.16.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
| Mc 4,5 - Mc 4,5 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel
aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
King James Bible . [5] And some fell on stony ground, where it had not much
earth; and immediately it sprang up, because it had no depth of earth:
Luther-Bibel . 5 Einiges fiel auf felsigen Boden, wo es nicht viel Erde hatte,
und ging alsbald auf, weil es keine tiefe Erde hatte.
Tekstuitleg van Mc 4,5 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. bijvoegl. naamw. zelfstandig gebruikt nom. onz. enk. allo (een ander) . Taalgebruik : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other . Mc (2) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 .
| allos (ander) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom.+ acc. onz. enk. allo | 23 | 11 | 12 | 2 | 1 | 2 | 2 | 5 | 2 | 3 | 2 |
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .
| piptô (vallen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen | 99 | 73 | 26 | 7 | 4 | 5 | 1 | 4 | 1 | 4 | 16 | 17 | 1 |
4. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,20 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,26 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,38 .
5. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .
6. zelfst. naamwoord acc. onz. enk. petrôdes (rotsweg) . Gevormd uit petra (rots) en hodos (weg) . Hapax .
8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
9. act. ind. imperf. 3de pers. eichen van het werkw. echô (hebben,
bezitten) . Taalgebruik : echô
(hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô
(hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (6) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
5,3 . (3) Mc
7,25 . (4) Mc
12,6 . (5) Mc
12,44 . (6) Mc
16,8 .
10. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
16. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .
20. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .
| Mc 4,6 - Mc 4,6 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden,
en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
King James Bible . [6] But when the sun was up, it was scorched; and because
it had no root, it withered away.
Luther-Bibel . 6 Als nun die Sonne aufging, verwelkte es, und weil es keine
Wurzel hatte, verdorrte es.
Tekstuitleg van Mc 4,6 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .
1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .
5. nom. mann. enk. hèlios (zon) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios
(zon) . Taalgebruik in Lc : hèlios
(zon) .
Mc (3) : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,6 . (3) Mc
13,24 . Een vorm van hèlios (zon) in Mc in 4 verzen : (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,6 . (3) Mc
13,24 . (4) Mc
16,2 .
(1) Mc
1,32 : hote edusen ho hèlios (toen de zon was ondergegaan) . Na zonsondergang
na de eerste sabbatdag van Jezus'optreden .
(2) Mc 4,6
: kai hote aneteilen ho hèlios : en toen de zon was opgegaan = na zonsopgang
. Deze zin komt voor in de parabel van de zaaier .
(3) Mc
13,24 : ho hèlios skotisthèsetai (de zon zal verduisterd worden)
.
(4) Mc
16,2 : anateilantos tou hèliou (nadat de zon was opgegaan) .
7. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
| Mc 4,7 - Mc 4,7 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen
op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
King James Bible . [7] And some fell among thorns, and the thorns grew up, and
choked it, and it yielded no fruit.
Luther-Bibel . 7 Und einiges fiel unter die Dornen, und die Dornen wuchsen empor
und erstickten's, und es brachte keine Frucht.
Tekstuitleg van Mc 4,7 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. bijvoegl. naamw. zelfstandig gebruikt nom. onz. enk. allo (een ander) . Taalgebruik : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other . Mc (2) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 .
| allos (ander) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom.+ acc. onz. enk. allo | 23 | 11 | 12 | 2 | 1 | 2 | 2 | 5 | 2 | 3 | 2 |
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .
| piptô (vallen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen | 99 | 73 | 26 | 7 | 4 | 5 | 1 | 4 | 1 | 4 | 16 | 17 | 1 |
7. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
11. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
14. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
16. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
| Mc 4,8 - Mc 4,8 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die
opging en wies; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere
honderd voud.
King James Bible .[8] And other fell on good ground, and did yield fruit that
sprang up and increased; and brought forth, some thirty, and some sixty, and
some an hundred.
Luther-Bibel . 8 Und einiges fiel auf gutes Land, ging auf und wuchs und brachte
Frucht, und einiges trug dreißigfach und einiges sechzigfach und einiges hundertfach.
Tekstuitleg van Mc 4,8 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .
| piptô (vallen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen | 99 | 73 | 26 | 7 | 4 | 5 | 1 | 4 | 1 | 4 | 16 | 17 | 1 |
5. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
6. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .
7. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
13. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
15. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
19. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
20. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
22. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
23. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
| Mc 4,9 - Mc 4,9 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
King James Bible . [9] And he said unto them, He that hath ears to hear, let
him hear.
Luther-Bibel . 9 Und er sprach: Wer Ohren hat zu hören, der höre!
Tekstuitleg van Mc 4,9 . Het vers Mc 4,9 telt 7 woorden en 28 (2 X 2 X 7) letters . Verhouding : 1 / 4 . De getalwaarde van Mc 4,9 is 2701 (37 X 73) .
Mc 4,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .
Mc 4,9.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .
Mc 4,9.1. - 2. kai elegen (en hij zei) . Mc 4 (7 / 7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Niet gevolgd door autois (hen) . Mc 4 (3 / 7) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .
Mc 4,9.3. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 4 (3) : (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .
Mc 4,9.4. - act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .
Mc 4,9.6. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (4) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,33 . (4) Mc 7,37 . Een vorm van akouô (horen) in Mc (41) , in Mc 4 (10) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,16 . (6) Mc 4,18 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,23 . (9) Mc 4,24 . (10) Mc 4,33 .
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 -
| Mc 4,10 - Mc 4,10 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent
Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
King James Bible . [10] And when he was alone, they that were about him with
the twelve asked of him the parable.
Luther-Bibel . 10 Und als er allein war, fragten ihn, die um ihn waren, samt
den Zwölfen, nach den Gleichnissen.
Bible de Jérusalem . 10. Quand il fut à l'écart, ceux de son entourage
avec les Douze l'interrogeaient sur les paraboles.
Tekstuitleg van Mc 4,10 .
Mc 4,10.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,10.2. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .
Mc 4,10.1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .
Mc 4,10.3. aor. 3de pers. enk. egeneto van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .
1. - 3. kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc (1) : Mc 4,10 .
Mc 4,10.4.
kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata
(tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata
(tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc
4,10 . (2) Mc
5,13 . (3) Mc
6,40 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
11,25 . (6) Mc
13,8 . (7) Mc
14,19 . (8) Mc
14,55 . (9) Mc
15,6 .
Mc 4,10.5. monas (eenzaam, op zichzelf aangewezen) . Taalgebruik in het N.T. : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Taalgebruik in Mc : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Mc (1) : (1) Mc 4,10 .
Mc 4,10.4. - 5. kata monas (afzonderlijk) . Mc: (1) Mc 4,10 .
6. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud èrôtôn
(zij vroegen) van het werkw. erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het
N.T. : erôtaô
(vragen) . Taalgebruik in Mc : erôtaô
(vragen) .
Mc (1) : Mc
4,10 .
Mc 4,10.7.
voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,10 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,36 . (5) Mc
4,38 .
Eénmaligheid
- kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc (1) : Mc
4,10 .
- monas (eenzaam, op zichzelf aangewezen) . Mc (1) : (1) Mc
4,10 .
- kata monas (afzonderlijk) . Mc: (1) Mc
4,10 .
- actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud èrôtôn
(zij vroegen) van het werkw. erôtaô (vragen) . Mc (1) : Mc
4,10 .
| Mc 4,11 - Mc 4,11 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de
verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden
al deze dingen door gelijkenissen;
King James Bible . [11] And he said unto them, Unto you it is given to know
the mystery of the kingdom of God: but unto them that are without, all these
things are done in parables:
Luther-Bibel . 11 Und er sprach zu ihnen: Euch ist das Geheimnis des Reiches
Gottes gegeben; denen aber draußen widerfährt es alles in Gleichnissen,
Bible de Jérusalem . 11. Et il leur disait : « A vous le mystère du Royaume
de Dieu a été donné ; mais à ceux-là qui sont dehors tout arrive en paraboles,
Tekstuitleg van Mc 4,11 . Het vers Mc 4,11 telt 21 (3 X 7) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 4,11 is 10173 (3 X 3391) .
Mc 4,11.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,11.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 .
Mc 4,113.
voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het
N.T. : aanwijzend
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,12 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,33 . (8) Mc
4,34 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,40 .
Mc 4,111. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .
Mc 4,115. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .
Mc 4,118. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .
Mc 4,11.9. gen. vr. enk. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 6,23 . (3) Mc 12,34 . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc in 19 verzen : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,30 . (6) Mc 6,23 . (7) Mc 9,1 . (8) Mc 9,47 . (9) Mc 10,14 . (10) Mc 10,15 . (11) Mc 10,23 . (12) Mc 10,24 . (13) Mc 10,25 . (14) Mc 11,10 . (15) Mc 12,34 . (16) Mc 13,8 (2 vormen) . (17) Mc 14,25 . (18) Mc 15,43 .
Mc 4,1110. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .
Mc 4,1111. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .
Mc 4,118. - 11. tès basileias tou theou (van het koninkrijk van God) . Mc (2 / 3) . (1) Mc 4,11 . (2) Mc 12,34 .
Mc 4,1113.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte
tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin
aan te duiden .
Mc 4 (4) : (1) Mc
4,11 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,29 . (4) Mc
4,34 .
Mc 4,1116.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
Mc 4,1117.
dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van
het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het
N.T. : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken
.
Mc (5) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,11 . (4) Mc
4,33 . (5) Mc
12,1 .
Mc 4,1119. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .
| Mc 4,12 - Mc 4,12 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 - | ||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen,
en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden
vergeven worden.
King James Bible . [12] That seeing they may see, and not perceive; and hearing
they may hear, and not understand; lest at any time they should be converted,
and their sins should be forgiven them.
Luther-Bibel . 12 damit sie es mit sehenden Augen sehen und doch nicht erkennen,
und mit hörenden Ohren hören und doch nicht verstehen, damit sie sich nicht
etwa bekehren und ihnen vergeben werde.
Bible de Jérusalem . 12. afin qu'ils aient beau regarder et ils ne voient
pas, qu'ils aient beau entendre et ils ne comprennent pas, de peur qu'ils ne
se convertissent et qu'il ne leur soit pardonné. »
Tekstuitleg van Mc 4,12 .
4. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
7. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
8. act. part. pr. nom. mann. mv. akouontes van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
| akouô (horen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. part. pr. nom. mann. mv. akouontes | 20 | 5 | 15 | 1 | 3 | 5 | 4 | 1 | 1 | 9 | 9 |
9. conj. pr. 3de pers. mv. akouôsin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Enkel in Mc 4,12 .
10. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
15. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
17. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in
het N.T. : aanwijzend
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,12 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,33 . (8) Mc
4,34 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,40 .
129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier : Mc 4,13-20 - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
| Mc 4,13 - Mc 4,13 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en
hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
King James Bible . [13] And he said unto them, Know ye not this parable? and
how then will ye know all parables?
Luther-Bibel . 13 Und er sprach zu ihnen: Versteht ihr dies Gleichnis nicht,
wie wollt ihr dann die andern alle verstehen?
Tekstuitleg van Mc 4,13 . Het vers Mc 4,13 telt 14 (2 X 7) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 4,13 is 7555 (5 X 1511) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. Actief indicatief praesens (tegenwoordige tijd) derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (62) . In twee verzen in Mc 4 : (15) Mc 4,13 . (16) Mc 4,35 . Werkwoord van de hoofdzin . Jezus is onderwerp .
3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .
1. - 3. kai legei autois (en hij zegt hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
4,35 .
- kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc
(11) . Mc 4 (4) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,21 . (4) Mc
4,24 .
- elalei autois (en hij sprak tot hen) . Mc (2) : (1) Mc
4,33 . (2) Mc
4,34 .
- kai eipen autois (en hij zei hen) . Mc (1) : Mc
4,40 .
4. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
5. act. ind. 2de pers. mv. oidate (jullie weten) van het werkw. oida (ik weet)
. Taalgebruik in het N.T. : oida
(ik weet) . Taalgebruik in Mc : oida
(ik weet) .
In vijf verzen in Mc : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
10,38 . (3) Mc
10,42 . (4) Mc
13,33 . (5) Mc
13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc
10,42 . Een vorm van oida (ik weet) in Mc in 23 verzen .
6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
7. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè
(parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè
(parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken
.
Mc (4) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
7,17 . (3) Mc
12,12 . (4) Mc
13,28 . Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc .
8. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze)
. Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
11,28 . (4) Mc
12,10 .
9. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
10. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs
(hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs
(hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
4,30 .
11. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .
| Mc 4,14 - Mc 4,14 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 14 De zaaier is, die het Woord zaait.
King James Bible . [14] The sower soweth the word.
Luther-Bibel . 14 Der Sämann sät das Wort.
Tekstuitleg van Mc 4,14 . Dit vers telt 5 woorden en 8 lettergrepen .
1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41
2. actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn (zaaiende , zaaier) van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 .
| speirô (spreiden, zaaien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn | 14 | 5 | 9 | 2 | 2 | 1 | 2 | 2 | 5 | 7 | 2 |
3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
4. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. :
logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
5. act. ind. pr. 3de pers. enk. speirei van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,3 .
| speirô (spreiden, zaaien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| act. ind. pr. 3de pers. enk. speirei | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 |
| Mc 4,15 - Mc 4,15 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 15 En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin
het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond,
en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
King James Bible . [15] And these are they by the way side, where the word is
sown; but when they have heard, Satan cometh immediately, and taketh away the
word that was sown in their hearts.
Luther-Bibel . 15 Das aber sind die auf dem Wege: wenn das Wort gesät wird und
sie es gehört haben, kommt sogleich der Satan und nimmt das Wort weg, das in
sie gesät war.
Tekstuitleg van Mc 4,15 .
1. aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi (deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc
4,15 . (2) Mc
4,16 . (3) Mc
4,18 .
2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,34 .
5. para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) . Mc (11) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 . Parallel in Mc 4 : (1) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (2) Mt 13,4 // Mc 4,4 // Lc 8,5 . (3) Mt 13,19 // Mc 4,15 // Lc 8,12 .
| para | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| para | 677 | 553 | 124 | 13 | 11 | 20 | 21 | 18 | 40 | 1 | 44 | 65 |
6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
7. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik
in het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14
9. pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,15 . Br (4) : (1) 1 Kor 15,42 . (2) 1 Kor 15,43 (2X) . (3) 1 Kor 15,44 . (4) Jak 3,18 .
| speirô (spreiden, zaaien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai | 7 | 2 | 5 | 1 | 4 | 1 | 1 | 3 | 1 |
10. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
11. Zelfst. naamw. nom. mann. enk. logos (woord) . Taalgebruik in Mc 4 : logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc 4 (1) : Mc 4,15 .
13. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,31 . (5) Mc 4,32 .
12. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
14. conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
| akouô (horen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin | 19 | 12 | 7 | 1 | 3 | 1 | 2 | 5 | 5 |
16. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .
17. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
18. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas
(satan) . Taalgebruik in Mc : satanas
(satan) .
Mc (3) : (1) Mc
3,23 . (2) Mc
3,26 . (3) Mc
4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc
3,26 . (4) Mc
4,15 . (5) Mc
8,33 .
19. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
21. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
22. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T.
: logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
| satanas (saten) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. enk. satanas | 17 | 17 | 1 | 3 | 4 | 1 | 1 | 3 | 4 | 8 | 9 | |
| Totaal | 37 | 1 | 36 | 4 | 6 | 5 | 1 | 2 | 10 | 8 | 15 | 16 |
24. pass. part. aor. acc. mann. enk. esparmenon van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,15 .
| speirô (spreiden, zaaien) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| pass. part. aor. acc. mann. enk. esparmenon | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 |
26. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (2) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,15 .
| Mc 4,16 - Mc 4,16 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 16 En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen
bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met
vreugde ontvangen.
King James Bible . [16] And these are they likewise which are sown on stony
ground; who, when they have heard the word, immediately receive it with gladness;
Luther-Bibel . 16 Desgleichen auch die, bei denen auf felsigen Boden gesät ist:
wenn sie das Wort gehört haben, nehmen sie es sogleich mit Freuden auf,
Tekstuitleg van Mc 4,16 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi (deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc
4,15 . (2) Mc
4,16 . (3) Mc
4,18 .
5. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,20 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,26 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,38 .
10. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,31 . (5) Mc 4,32 .
11. conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) Mc 4,15 : (1) . (2) Mc 4,16 .
| akouô (horen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin | 19 | 12 | 7 | 1 | 3 | 1 | 2 | 5 | 5 |
12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
13. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T.
: logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
16. charas (vreugde) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . Taalgebruik in het N.T. : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , Fr. joie , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . In Mc komt het slechts in één vers voor en wel hier in Mc 4,16 . In de parallelteksten van Mt en Lc komt het woord terug : (1) Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 .
15. - 16. - meta charas (met vreugde) . In elf verzen in het N.T. : Mt (1) Mt 13,20 . Mc (1) Mc 4,16 . Lc (3) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,52 . Hnd (1) Hnd 13,52 . Brieven (5) : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 2,29 . (3) Kol 1,11 . (4) 1 Tes 1,6 . (5) Heb 10,34 . Parallel : Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 .
18. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,10 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,36 . (5) Mc
4,38 .
| Mc 4,17 - Mc 4,17 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een
tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden
zij terstond geërgerd.
King James Bible . [17] And have no root in themselves, and so endure but for
a time: afterward, when affliction or persecution ariseth for the word's sake,
immediately they are offended.
Luther-Bibel . 17 aber sie haben keine Wurzel in sich, sondern sind wetterwendisch;
wenn sich Bedrängnis oder Verfolgung um des Wortes willen erhebt, so fallen
sie sogleich ab.
Tekstuitleg van Mc 4,17 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
5. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
11. participium aorist gen. vr. enk. genomenès (geworden) van het werkw.
ginomai (gebeuren, worden) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai
(worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai
(worden) . Losse genitief . participium aorist gen. vr. enk.
Mc (9) : 5 : opsias... genomenès (nadat het avond was geworden) (1) Mc
1,32 . (2) Mc
4,35 . (3) Mc
6,47 . (4) Mc
14,17 . (5) Mc
15,42 . + 4 : (1) Mc
4,17 . (2) Mc
6,21 . (3) Mc
6,35 . (4) Mc
15,33 .
13. partikel è (of) , zie bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .
14. Een vorm van diôgmos (verdrukking) komt slechts in twee (parallel)verzen in de evangelies voor : Mt 13,21 // Mc 4,17 (gen. mann. enk. diôgmou) . Een vorm : N.T. (10) . Hnd (3) . Br. (5) . Taalgebruik in het N.T. : diôgmos (vervolging) .
16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
17. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T.
: logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
| Mc 4,18 - Mc 4,18 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk
degenen, die het Woord horen;
King James Bible . [18] And these are they which are sown among thorns; such
as hear the word,
Luther-Bibel . 18 Und andere sind die, bei denen unter die Dornen gesät ist:
die hören das Wort,
Tekstuitleg van Mc 4,18 .
Mc 4,18.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. nom. mann. mv. alloi (anderen) van het bijvoegl. naamwoord allos (ander)
. Taalgebruik in het N.T. : allos
(ander) . Taalgebruik in Mc : allos
(ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre .
Ned. a-n-d-er . Eng. other .
Mc (4) : (1) Mc
4,18 . (2) Mc
6,15 (2X) . (3) Mc
8,28 (2X) . (4) Mc
11,8 .
1. - 2. kai alloi (en anderen) . Mc (2) : (1) Mc 4,18 . (2) Mc 8,28 . alloi de (anderen echter) . Mc (2) : (1) Mc 6,15 (2X) . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 11,8 .
Mc 4,18.9.
aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi (deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc
4,15 . (2) Mc
4,16 . (3) Mc
4,18 .
Mc 4,18.12.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
Mc 4,18.13.
zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
Mc 4,18.14.
act. part. aor. nom. mv. akousantes van het werkw. akouô (horen)
. Taalgebruik in het N.T. : akouô
(horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie
Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren ,
aanhoren) -> écouter .
Mc (7) : (1) Mc
3,21 . (2) Mc
4,18 . (3) Mc
6,29 . (4) Mc
10,41 . (5) Mc
14,11 . (6) Mc
15,35 . (7) Mc
16,11 .
| Mc 4,19 - Mc 4,19 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des
rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken
het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
King James Bible . [19] And the cares of this world, and the deceitfulness of
riches, and the lusts of other things entering in, choke the word, and it becometh
unfruitful.
Luther-Bibel . 19 und die Sorgen der Welt und der betrügerische Reichtum und
die Begierden nach allem andern dringen ein und ersticken das Wort, und es bleibt
ohne Frucht.
Tekstuitleg van Mc 4,19 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
4. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .
6. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
7. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .
9. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .
11. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
19. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
20. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T.
: logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
21. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
| Mc 4,20 - Mc 4,20 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke
het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig-, en het andere
zestig-, en het andere honderd voud.
King James Bible . [20] And these are they which are sown on good ground; such
as hear the word, and receive it, and bring forth fruit, some thirtyfold, some
sixty, and some an hundred.
Luther-Bibel . 20 Diese aber sind's, bei denen auf gutes Land gesät ist: die
hören das Wort und nehmen's an und bringen Frucht, einige dreißigfach und einige
sechzigfach und einige hundertfach.
Tekstuitleg van Mc 4,20 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
5. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,20 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,26 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,38 .
6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
7. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .
8. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
12. act. ind. pr. 3de p. mv. + act. part.pr. dat mv. akouousin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
| akouô (horen) | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. ind. pr. 3de p. mv. + act. part.pr. dat mv. akouousin | 19 | 10 | 9 | 3 | 1 | 3 | 1 | 1 | 7 | 8 |
13. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
14. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T.
: logos
(woord) . Taalgebruik in Mc : logos
(woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon
.
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,33 .
15. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
17. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
19. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
21. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
22. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
24. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
130. Niets is verborgen : Mc 4,21-23 - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 -
| Mc 4,21 - Mc 4,21 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder
de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar
gezet worde?
King James Bible . [21] And he said unto them, Is a candle brought to be put
under a bushel, or under a bed? and not to be set on a candlestick?
Luther-Bibel . 21 Und er sprach zu ihnen: Zündet man etwa ein Licht an, um es
unter den Scheffel oder unter die Bank zu setzen? Keineswegs, sondern um es
auf den Leuchter zu setzen.
Tekstuitleg van Mc 4,21 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .
3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in
het N.T. : aanwijzend
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,12 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,33 . (8) Mc
4,34 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,40 .
1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .
5. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .
6. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .
10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep.
lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc
4,14 . (2) Mc
4,15 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,18 . (6) Mc
4,19 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,21 . (9) Mc
4,26 . (10) Mc
4,33 . (11) Mc
4,36 .
13. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
15. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .
17. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
19. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,5 . (3) Mc
4,16 . (4) Mc
4,20 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,26 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,38 .
| Mc 4,22 - Mc 4,22 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden;
en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar
zou komen.
King James Bible . [22] For there is nothing hid, which shall not be manifested;
neither was any thing kept secret, but that it should come abroad.
Luther-Bibel . 22 Denn es ist nichts verborgen, was nicht offenbar werden soll,
und ist nichts geheim, was nicht an den Tag kommen soll.
Tekstuitleg van Mc 4,22 .
De eerste hoofdzin komt sterk overeen met Mt 10,26 : Mt 10,26 - ean (indien). In 32 verzen bij Marcus, zie Mc 9,50 : Mc 9,49-50 -
Twee nevenschikkende zinnen, met elkaar verbonden door de ontkenningen ou... oude (noch... noch). Mooie paralelle opbouw van de twee zinnen: ontkenning : ou ... oude (noch ... noch). Werkwoord : estin ... egeneto (is... was). Bijvoeglijk naamwoord : krupton ... apokrufon (verborgen... verborgen). Begin ondergeschikte zin : ean mè ... all' (tenzij... maar). Voegwoord : hina ... hina (opdat... opdat). Werkwoord : fanerôthèi ... elthèi eis faneron (zou zichtbaar worden ... in het zichtbare zou komen).
1. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,25 .
10. aor. 3de pers. enk. egeneto van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | Tenach | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| aor. 3de pers. enk. egeneto | 925 | wajëhî : 784 | 730 | 195 | 13 | 17 | 69 | 16 | 53 | 17 | 99 | 115 |
krupton (verborgen) komt in 6 verzen in de bijbel voor. In
het O.T. in 2 verzen, in het N.T. in Mt 10,26, in Mc 4,22, in Lc 8,17 en in
Lc 12,2. apokrufon : weggestoken, verborgen : in Mc 4,22 en Lc 8,17.
fanerôthèi (zou zichtbaar worden). In 10 verzen
in het N.T., niet in het O.T. Niet bij Matteüs en Lucas, slechts 1X bij
Marcus nl. Mc 4,22. faneron (zichtbaar) in 5 verzen in de evangelies.
ean mè (tenzij) : Mc 3,27. Mc 4,22 . Mc 7,3. Mc 7,4.
Mc 10,30.
| Mc 4,23 - Mc 4,23 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
King James Bible . [23] If any man have ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . 23 Wer Ohren hat zu hören, der höre!
Tekstuitleg van Mc 4,23 .
1. - 2. ei tis (indien (wanneer) iemand) . Mc (4) : (1) Mc 4,23 . (2) Mc 7,16 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 9,35 .
3. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .
5. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (4) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,33 . (4) Mc 7,37 . Een vorm van akouô (horen) in Mc (41) , in Mc 4 (10) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,16 . (6) Mc 4,18 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,23 . (9) Mc 4,24 . (10) Mc 4,33 .
131. Let op wat je hoort : Mc 4,24-25 - Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,24 - Mc 4,25 -
| Mc 4,24 - Mc 4,24 : 131. Let op wat je hoort - Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,24 - Mc 4,25 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 24 En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat mate
gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
King James Bible . [24] And he said unto them, Take heed what ye hear: with
what measure ye mete, it shall be measured to you: and unto you that hear shall
more be given.
Luther-Bibel . 24 Und er sprach zu ihnen: Seht zu, was ihr hört! Mit welchem
Maß ihr messt, wird man euch wieder messen, und man wird euch noch dazugeben.
Tekstuitleg van Mc 4,24 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .
3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in
het N.T. : aanwijzend
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,11 . (3) Mc
4,12 . (4) Mc
4,13 . (5) Mc
4,21 . (6) Mc
4,24 . (7) Mc
4,33 . (8) Mc
4,34 . (9) Mc
4,35 . (10) Mc
4,40 .
1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .
4. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken,
kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het N.T.
: blepô
(kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô
(kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc
4,24 . (2) Mc
8,15 . (3) Mc
8,18 . (4) Mc
12,38 . (5) Mc
13,5 . (6) Mc
13,9 . (7) Mc
13,23 . (8) Mc
13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen .
6. actief imperat. pr. 2de pers. enk. akouete . Taalgebruik in Mc 4 : akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,24
7. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,2 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,8 . (5) Mc
4,11 . (6) Mc
4,17 . (7) Mc
4,20 . (8) Mc
4,24 . (9) Mc
4,28 . (10) Mc
4,30 . (11) Mc
4,35 . (12) Mc
4,36 . (13) Mc
4,38 .
13. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
|
||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 25 Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet
heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
King James Bible . [25] For he that hath, to him shall be given: and he that
hath not, from him shall be taken even that which he hath.
Luther-Bibel . 25 Denn wer da hat, dem wird gegeben; und wer nicht hat, dem
wird man auch das nehmen, was er hat.
Tekstuitleg van Mc 4,25 .
1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 4 (3) : (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .
2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,25 .
3. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .
6. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc
4,22 . (2) Mc
4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc
4,5 . (2) Mc
4,7 . (3) Mc
4,13 . (4) Mc
4,17 . (5) Mc
4,25 . (6) Mc
4,27 . (7) Mc
4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc
4,21 .
9. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .
10. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
12. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .
11. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc
4,1 . (2) Mc
4,3 . (3) Mc
4,4 . (4) Mc
4,6 . (5) Mc
4,14 . (6) Mc
4,15 . (7) Mc
4,21 . (8) Mc
4,25 . (9) Mc
4,27 . (10) Mc
4,29 . (11) Mc
4,39 . (12) Mc
4,41 .
15. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (143) . Mc 4 (4) : (1) Mc
4,2 . (2) Mc
4,25 . (3) Mc
4,32 . (4) Mc
4,36 .
132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit : Mc 4,26-29 - Mc 4,26-29 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,26 - Mc 4,27 - Mc 4,28 - Mc 4,29 -
Mc 4,26b-27 : 5 nevenschikkende zinnen met elkaar verbonden door het voegwoord kai (en) . Drie zinnen hebben betrekking op de zaaier , twee op het zaad .
1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in Mc 4 : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,31 .
8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc 4 : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .
11. betrekk. voornaamw. nom. onzijdig enk. ho (dat) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .
| Mc 4,26 - Mc 4,26 : 132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit - Mc 4,26-29 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,26 - Mc 4,27 - Mc 4,28 - Mc 4,29 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een
mens het zaad in de aarde wierp;
King James Bible . [26] And he said, So is the kingdom of God, as if a man should
cast seed into the ground;
Luther-Bibel . 26 Und er sprach: Mit dem Reich Gottes ist es so, wie wenn ein
Mensch Samen aufs Land wirft
Tekstuitleg van Mc 4,26 .
Mc 4,26.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik : kai
(en) in Mc . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) .
L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen
in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc
4,3 . (2) Mc
4,14 . (3) Mc
4,22 . (4) Mc
4,23 . (5) Mc
4,28 . (6) Mc
4,29 . (7) Mc
4,31 . (8) Mc
4,34 .
Mc 4,26.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .
Mc 4,26.1. - 2. kai elegen (en hij zei) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . N.T. (19) . Mc (16) . Lc (2) . Joh (1) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Niet gevolgd door autois (hen) . N.T. (7) . Mc (5) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .
3. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(zo) . Taalgebruik in Mc : houtos
(zo) .
Mc (10) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,12 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
7,18 . (6) Mc
9,3 . (7) Mc
10,43 . (8) Mc
13,29 . (9) Mc
14,59 . (10) Mc
14,59 .
Mc 4,26.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .
Mc 4,26.6. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 (gen.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 4,30 (acc.) .
Mc 4,26.7. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .
Mc 4,26.8. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .
Mc 4,26.5. - 8. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 10,14 .
9. Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) . Taalgebruik : hôs (zoals) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,26 . (2) Mc 4,27 . (3) Mc 4,31 . (4) Mc 4,36 .