MARCUSEVANGELIE VIERDE HOOFDSTUK - MC 4 -- TAALGEBRUIK -- COMMENTAAR -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 4 --

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik V - Marcus taalgebruik W - Marcus taalgebruik X - Marcus taalgebruik Y - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Bijbeluitleg per pericope - Mc 4,1-2 - Mc 4,3-9 - Mc 4,10-12 - Mc 4,13-20 - Mc 4,21-23 - Mc 4,24-25 - Mc 4,26-29 - Mc 4,30-32 - Mc 4,33-34 - Mc 4,35-41 -
Bijbeluitleg vers per vers - Mc 4,1 - Mc 4,2 - Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 - Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 - Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 - Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 - Mc 4,24 - Mc 4,25 - Mc 4,26 - Mc 4,27 - Mc 4,28 - Mc 4,29 - Mc 4,30 - Mc 4,31 - Mc 4,32 - Mc 4,33 - Mc 4,34 - Mc 4,35 - Mc 4,36 - Mc 4,37 - Mc 4,38 - Mc 4,39 - Mc 4,40 - Mc 4,41 -

  Mc 4,1 Mc 4,2 Mc 4,3 Mc 4,4 Mc 4,5 Mc 4,6 Mc 4,7 Mc 4,8 Mc 4,9 Mc 4,10 Mc 4,11 Mc 4,12 Mc 4,13 Mc 4,14 Mc 4,15 Mc 4,16 Mc 4,17 Mc 4,18 Mc 4,19 Mc 4,20 Mc 4,21 Mc 4,22 Mc 4,23 Mc 4,24 Mc 4,25 Mc 4,26 Mc 4,27 Mc 4,28 Mc 4,29 Mc 4,30  
                                                               

  Mc 4,31 Mc 4,32 Mc 4,33 Mc 4,34 Mc 4,35 Mc 4,36 Mc 4,37 Mc 4,38 Mc 4,39 Mc 4,40 Mc 4,41 Mc 4,42 Mc 4,43 Mc 4,44 Mc 4,45                                
                                                               

Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
 
 
http://www.bible-history.com/isbe/ http://www.sacrednamebible.com/kjvstrongs/index2.htm Studiebijbel 3 Luther-Bibel 1984 bijbelweb info-bible interBible http://www.diebibel.de/      
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrord   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem (2) 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing      

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

Mc 4,26-29: B-cyclus, 11de zondag door het jaar
Mc 4,35-41: B-cyclus, 12de zondag door het jaar
Bibliografie
Overzicht van de bijbelboeken - bijbeloverzicht , bijbelTaalgebruiken - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven -
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) -- Mc 4 - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)

In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het vierde hoofdstuk van het Marcusevangelie :
125. Inleiding tot de gelijkenisrede : Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -
126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -
129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier : Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -
130. Niets is verborgen : Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -
131. Let op wat je hoort : Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -
132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit : Mc 4,26-29 -
134. Gelijkenis van het mosterdzaad : Mc 4,30-32 - Mt 13,31-32 - Lc 13,18-19 -
136. Jezus spreekt in gelijkenissen : Mc 4,33-34 - Mt 13,34-35 -
142. Het bedaren van de storm : Mc 4,35-41 - Mt 8,23-27 - Lc 8,22-25 -


125. Inleiding tot de gelijkenisrede : Mc 4,1-2 - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 -

In de inleidende pericope Mc 4,1-2 komt vijfmaal kai (en) voor ; driemaal in Mc 4,1 , tweemaal in Mc 4,2 , bij het begin van een nevenschikkende zin . Er is evenwel verandering van plaats : van binnenshuis naar de meerkant . Het nevenschikkend voegwoord maakt de link tussen het voorgaande en het komende verhaal .
Wellicht moet de klemtoon gelegd worden op beginnen . In Mc 1,45 begint de genezene te verkondigen . Hier in Mc 4,1 begint Jezus te leraren . Hier staan we voor een nieuw begin . In Mc 4,3-34 staat de parabelrede .

Mc 4,1 - Mc 4,1 : 125. Inleiding tot de gelijkenisrede - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai palin èrxato didaskein para tèn thalassan kai sunagetai pros auton ochlos pleistos, hôste auton eis ploion embanta kathèsthai en tèi thalassèi kai pas ho ochlos pros tèn thalassan epi tès gès et congregata est ad eum turba multa ita ut in navem ascendens sederet in mari et omnis turba circa mare super terram erat En weer begon hij te leren en een zeer grote volksmenigte verzamelde zich bij hem, zodat hij in een boot steeg (en) op het meer zat en de hele volksmenigte was bij het meer op het land.  

Bij een andere gelegenheid begon Hij te leren aan de oever van het meer. Zeer veel volk verzamelde zich bij Hem, zodat Hij in een boot die op het water lag, moest stappen om daar plaats te nemen, terwijl al het volk zich langs het meer op het land bevond.  

Weer begon Hij aan het meer onderricht te geven. En er stroomde zon grote menigte bij Hem samen, dat Hij in een boot ging zitten op het water, terwijl al het volk langs het meer op de kant stond.  Weer ging hij naar het meer om de mensen te onderwijzen; er kwam een enorme menigte om hem heen staan. Daarom ging hij in de boot op het meer zitten, terwijl de menigte op de oever bleef staan.  Weer vangt hij aan onderricht te geven langs de zee; er verzamelt zich bij hem zo'n enorm grote schare, dat hij in een boot stapt en daar gaat zitten, op de zee; en heel de schare, zij zijn bij de zee op het land.  1. Il se mit de nouveau à enseigner au bord de la mer et une foule très nombreuse s'assemble auprès de lui, si bien qu'il monte dans une barque et s'y assied, en mer ; et toute la foule était à terre, près de la mer. 

Statenvertaling . 1 En Hij begon wederom te leren omtrent de zee; en er vergaderde een grote schare bij Hem, alzo dat Hij, in het schip gegaan zijnde, nederzat op de zee; en de gehele schare was op het land aan de zee.
King James Bible . [1] And he began again to teach by the sea side: and there was gathered unto him a great multitude, so that he entered into a ship, and sat in the sea; and the whole multitude was by the sea on the land.
Luther-Bibel . 1 Und er fing abermals an, am See zu lehren. Und es versammelte sich eine sehr große Menge bei ihm, sodass er in ein Boot steigen musste, das im Wasser lag; er setzte sich, und alles Volk stand auf dem Lande am See.

Tekstuitleg van Mc 4,1 . Dit vers telt 34 (2 X 17) woorden , 153 (3 X 3 X 17) letters en 61 lettergrepen . Getalwaarde : 14438 . Dit vers telt 3 nevenschikkende zinnen , 1 ondergeschikte zin (gevolgzin) en 1 particpiumzin .

Mc 4,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 . 3X in Mc 4,1 : zie 1 , 8 en 22 .
Met dit nevenschikkend voegwoord kai (en) wordt de perikope Mc 3,20-21.31-35 (de ware huisgenoten van Jezus) met de parabelrede (Mc 4,1-34) verbonden .

Mc 4,1.2. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 4 (1) : Mc 4,1 . Voor de vijfde maal gebruikt Marcus palin (opnieuw) . Ditmaal betreft het èrxato (hij begon) , dat we voor de tweede maal bij Marcus aantreffen . De eerste maal was het in Mc 1,45 . Mc 4,1 (Mc 4,1-2) èrxato didaskein (hij begon te leraren) . In Mc 1,45 (Mc 1,40-45) staat èrxato kèrussein (hij - de genezen melaatse of toch Jezus? - begon te verkondigen) . Mijn voorkeur gaat uit naar : de genezen melaatse begon te verkondigen . Het vormt een parallel met Mc 5,20 waar een niet-jood begint te verkondigen .
Wil Marcus zeggen dat we voor een nieuw begin staan . Het eerste begin is dan Mc 1,45 , dat een inclusio vormt met archè van Mc 1,1 .
Of : En voor de tweede maal leraarde Jezus langs het meer .

Mc 4,1.1. - 2. kai palin (en opnieuw) . Mc (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 7,31 . (3) Mc 12,4 . (4) Mc 14,39 . (5) Mc 14,40 .

Mc 4,1.3. aorist 3de pers. enk. èrxato van het werkw. archomai (beginnen, aanvangen) . Taalgebruik in het N.T. : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) . Taalgebruik in Mc : archomai (beginnen, aanvangen, heersen) .
Mc (18) . Mc (18) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 6,2 . (5) Mc 6,7 . (6) Mc 6,34 . (7) Mc 8,31 . (8) Mc 8,32 . (9) Mc 10,28 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,47 . (12) Mc 11,15 . (13) Mc 12,1 . (14) Mc 13,5 . (15) Mc 14,33 . (16) Mc 14,69 . (17) Mc 14,71 . 18) Mc 15,8 . Een vorm van het werkw. archomai (beginnen, heersen) in Mc (27) . Het is niet de eerste maal dat Jezus leraart . Reeds in Mc 1,21 en Mc 2,13 leraarde Jezus . In deze twee verzen bleef het bij de vermelding zonder verdere inhoud aan het onderricht te geven . We staan hier aan het begin van de parabelrede .

Mc 4,1.4. actief inf. pr. didaskein (onderrichten) van het werkw. didaskô (leren, onderrichten) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten . Lat. docere (doctor) . Cfr docent , documentatie .
In 4 verzen bij Marcus , telkens voorafgegaan door het werkwoord èrxato (hij begon) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 .
In Mc 4,1 is het niet de eerste maal dat Jezus leraart . Reeds in Mc 1,21 en Mc 2,13 leraarde Jezus . In deze twee verzen blijft het bij de vermelding zonder verdere inhoud aan het onderricht te geven . In Mc 4,1 staan we bij het begin van de parabelrede .
Het is de derde maal dat Jezus langs het meer gaat . Bij de eerste maal riep hij de eerste vier leerlingen , bij de tweede maal de tollenaar Levi , nadat hij langs het meer onderricht had gegeven . In Mc 4,1 onderricht Jezus voor de tweede maal langs het meer .

Mc 4,1.3. - 4. èrxato didaskein (hij begon te onderrichten) : In vier verzen in het N.T. : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,2 . (3) Mc 6,34 . (4) Mc 8,31 .

Mc 4,1.5. para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) . Taalgebruik in Mc : para (langs) .
Mc (11) . Mc 4 (3) : : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,15 .
Mc (11) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 .
- para + gen. (vanwege) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 12,2 . (3) Mc 12,11 . (4 Mc 14,43 .
- para + acc. + plaatsbepaling (3X tèn hodon = langs de weg : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 10,46 . 4X tèn thalassan = langs het meer : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 .
-- 2X bij een roepingsverhaal : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 .
-- 2X bij woord en daad van Jezus : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,21 . Beide verzen spelen zich af op de westelijke oever van het meer . Tussen beide ligt de oversteek naar de overzijde en terug .

Mc 4,1.6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

Mc 4,1.7. Zelfst. naamw. acc. vr. enk. thalassan . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) . (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .

Mc 4,1.6. - 7. tèn thalassan (de zee) . Mc (9 / 9) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .

Mc 4,1.5. - 7. para tèn thalassan (langs de zee) . In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,21 . Na de overlevering van Johannes de Doper ging Jezus naar Galilea , naar Kafarnaüm , aan het meer van Galilea . Bij nakend gevaar kon hij het meer oversteken . Eerst ging hij vroegere leerlingen van Johannes de Doper opzoeken en riep hij hen tot zijn leerlingen (Mc 1,16) . Dat is ook het geval met Levi (Mc 2,13) . Vanuit de veiligheid van een boot onderrichtte Jezus de menigte (Mc 4,1) . Later blijkt die zee (Mc 4,35-41) die veiligheid niet te bieden die men van haar verwachtte . Ze werd doodsbedreiging . Uiteindelijk kwamen Jezus en zijn leerlingen veilig aan de overkant aan , in het land van de Gerasenen . In Mc 5,21 is hij terug .

Mc 4,1.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 . 3X in Mc 4,1 : zie 1 , 8 en 22 .

Mc 4,1.9. med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai (het volk verzamelt zich) van het werkw. sunagô (samendrijven, samenvoeren) . Taalgebruik in het N.T. : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in Mc : sunagô (samendrijven, verzamelen) .
Mc 4 (1) : Mc 4,1 .
Een vorm van sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen :
(1) Mc 2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. sunèchthèsan = zij verzamelden zich) .
(2) Mc 4,1 (med. ind. praes. 3de pers. enk. sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc 5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv.  sunèchthè = het verzamelde zich) .
(4) Mc 6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1 (med. ind. praes. 3de pers. mv. sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .

Mc 4,1.10. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) .
Mc (62) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,1 (pros auton = naar hem) . (2) Mc 4,41 (pros allèlous = de enen tot de anderen) .

Mc 4,1.9. - 10. een vorm van het werkw. sunagô (samendrijven, samenvoeren) + pros (naar) in Mc (3) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 6,30 . (3) Mc 7,1 . In Mc 5,21 : ep' (bij)

Mc 4,1.11. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,36 . (5) Mc 4,38 .

Mc 4,1.10. - 11. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus Mc (14 / 15) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 4,1.12. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Mc 4 (1) : Mc 4,1 (2X , zie 25 in dit vers) . Meestal is er sprake van het 'samen-stromen' (Mc 4,1 : sunagetai) van het volk . Na een verhaal met het volk volgt vaak een verhaal in een huis . In Mc 4 : afzonderlijk in Mc 4,10 .

Mc 4,1.8. - 13.
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton (en heel het volk ging naar hem) .
- Mc 4,1 : kai sunagetai pros auton ochlos pleistos (en een zeer talrijke menigte stroomt naar hem bijeen) .
STAP VOOR STAP !

STAP VOOR STAP !
- Mc 5,21 : sunèchthè ochlos polus = verzamelde zich een grote menigte .
- Mc 4,1 : kai sunagetai pros auton ochlos pleistos = en een zeer grote menigte verzamelde zich bij hem .
In Mc 4,1 verzamelde zich een zeer grote menigte bij Jezus langs de rechteroever van het meer van Galilea . In Mc 5,21 verzamelde zich een grote menigte (opnieuw) aan de rechteroever van het meer nadat Jezus (en zijn leerlingen) was teruggekomen van een oversteken naar de andere oever .

Mc 4,1.16. acc. onz. enk. ploion (boot) . Taalgebruik in het N.T. : ploion (boot) . Taalgebruik in Mc. : ploion (boot) . Mc (7) .
Een vorm van ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4 : (1) Mc 4,1 (eis ploion = in een boot) . (2) Mc 4,36 a (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot) . (3) Mc 4,36 b (nom. ploia = boten) . (4) Mc 4,37 a (acc. eis to ploion = in de boot) . (5) Mc 4,37 b : (acc. to ploion = de boot) .

Mc 4,1.15. - 16.
- eis ploion (in een boot) : Mc 4,1 .
- eis to ploion (in de boot) : (1) Mc 4,37 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) Mc 6,51 . (5) Mc 8,10 . In vier verzen in combinatie met een vorm van embainô (inklimmen) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) (5) Mc 8,10 . In Mc 6,51 in combinatie met een vorm van anabainô (omhoogklimmen) .

Mc 4,1.17. actief part. aor. acc. mann. enk. embanta (ingeklommen) van het werkw. embainô (inklimmen) . Taalgebruik in het N.T. : embainô (inklimmen) . Taalgebruik in Mc : embainô (inklimmen) . Mc (1) Mc 4,1 .

Mc 4,1.15. - 17. eis ploion embanta (in een boot ingeklommen) .
- eis (to) ploion ( in een / de boot) . In vier verzen in combinatie met embainô (inklimmen) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,45 . (4) Mc 8,10 . In Mc 6,51 in combinatie met anabainô (opklimmen) . Omwille van de grote massa klimt Jezus in een boot van waaruit hij onderricht . In de boot stappen heeft hier nog niet de bedoeling om naar de overzijde te varen .

Mc 4,1.19. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,1.20. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,35 . (4) Mc 4,38 . (5) Mc 4,39 .

Mc 4,1.21. dat. vr. enk. thalassè(i) (zee, meer) . Taalgebruik in het N.T. : thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) . Mc (4) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 5,13 . Parallel : Mt 8,26 //  Mc 4,39 .

Mc 4,1.19. - 21. en tè(i) thalassè(i) (in de zee) . In negen verzen in het N.T. : (1) Mt 8,24 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 5,13 . (5) Lc 17,6 . (6) 1 Kor 10,2 . (7) Apk 8,9 . (8) Apk 16,3 . (9) Apk 18,19 . In 3 ( / 4) in Mc ; niet in Mc 4,39 .

Mc 4,1.22. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 . 3X in Mc 4,1 : zie 1 , 8 en 22 .

Mc 4,1.24. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .

Mc 4,1.25. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

Mc 4,1.26. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp . Mc 4 (1) : Mc 4,1 (2X , zie 25 in dit vers) . Na een verhaal met het volk volgt vaak een verhaal in een huis .

Mc 4,1.23. - 25. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 .

Mc 4,1.29. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,20 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,38 .

Mc 4,1.30. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .

Mc 4,1.31. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .

Mc 4,2 - Mc 4,2 : 125. Inleiding tot de gelijkenisrede - Mc 4,1-2 - Mt 13,1-3a - Lc 8,4 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,1 - Mc 4,2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:2 kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou 2 et docebat eos in parabolis multa et dicebat illis in doctrina sua En hij leerde hun veel (dingen) in gelijkenissen en hij zei hun in zijn leer:   [2] Hij gaf hun uitvoerig onderricht door middel van gelijkenissen. Hij zei: [2] Hij onderwees hen uitvoerig en sprak hen toe in gelijkenissen. Hij zei: 2 Met gelijkenissen geeft hij hun onderricht, uitvoerig; hij heeft tot hen in zijn onderricht gezegd: 2. Il leur enseignait beaucoup de choses en paraboles et il leur disait dans son enseignement :

Statenvertaling . 2 En Hij leerde hun veel dingen door gelijkenissen, en Hij zeide in Zijn lering tot hen:
King James Bible .[2] And he taught them many things by parables, and said unto them in his doctrine,
Luther-Bibel . 2 Und er lehrte sie vieles in Gleichnissen; und in seiner Predigt sprach er zu ihnen:

Tekstuitleg van Mc 4,2 . Twee nevenschikkende zinnen die parallel zijn opgebouwd . Het vers telt 13 woorden , 27 lettergrepen en 64 letters ; de eerste nevenschikkende zin telt 6 woorden en 14 lettergrepen ; de tweede nevenschikkende zin telt 7 woorden en 13 lettergrepen .

Mc 4,2a kai (en) edidasken (hij leerde) en (in) parabolais (parabels) polla (veel)
Mc 4,2b kai (en) elegen (hij zei) en (in) tè(i) didachè(i) autou (in zijn lering)  

Door de paralelle opbouw staat elegen (hij zei) vooraan de zin , en niet achteraan , want meestal volgt dan een citaat .

Mc 4,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,2.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw. didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 . Een vorm van didaskô (onderrichten, leren) in Mc in 17 verzen .

Mc 4,2.3. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,15 .

Mc 4,2.2. - 3. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . STAP VOOR STAP !

Mc 4,2.4. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,2.5. dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (5) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,33 .  (5) Mc 12,1 . Een vorm van parabolè (parabel, gelijkenis) in Mc in 13 verzen .
- en parabolais (in parabels, gelijkenissen) . Mc (4 / 5) . Mc (4) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 .  (4) Mc 12,1 .
- met een vorm van legô (zeggen) :
-- Mc 3,23 : en parabolais elegen autois (in parabels zei hij hen) .
-- Mc 4,2 : kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- met een vorm van lalô (spreken) :
-- Mc 4,33 : kai toiautais parabolais pollais elalei autois (en met vele dergelijke parabels sprak hij hen) .
-- Mc 12,1 : kai èrxato autois en parabolais lalein (en hij begon hen in parabels te spreken) .

Mc 4,2.6. nom. + acc. onz. mv. polla (veel) van het bijvoegl. naamw. polus (veel) . Taalgebruik in het N.T. : polus (veel) . Taalgebruik in Mc : polus (veel) .
Mc (21) : (1) Mc 1,34 . (2) Mc 1,45 . (3) Mc 3,12 . (4) Mc 4,2 . (5) Mc 5,10 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 5,26 . (8) Mc 5,38 . (9) Mc 5,43 . (10) Mc 6,13 . (11) Mc 6,20 . (12) Mc 6,23 . (13) Mc 6,34 . (14) Mc 7,4 . (15) Mc 7,13 . (16) Mc 8,31 . (17) Mc 9,12 . (18) Mc 9,26 . (19) Mc 10,22 . (20) Mc 12,41 . (21) Mc 15,3 .

Mc 4,2.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,2.8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 (Mc 4,4-8) . (2) Mc 4,9 (Mc 4,9b) . (3) Mc 4,11 (Mc 4,11b-12) . (4) Mc 4,21 (Mc 4,21b-23) . (5) Mc 4,24 (Mc 4,24b-25) . (6) Mc 4,26 (Mc 4,26b-29) . (7) Mc 4,30 (Mc 4,30b-32) .
In Mc 4,2 leidt elegen (hij zei) de parabel van de zaaier in (Mc 4,3-8) . Mc gebruikt in Mc 4 elegen (hij zei) voor de eerste maal in een reeks van 3 en 4 .
In Mc 4 wordt in totaal 13X een vorm van het werkwoord legô (zeggen) gebruikt (8X in de parabelrede en 5X in het stormstillingsverhaal) . Naast de zeven boven genoemde verzen 2X act. ind. praesens 3de pers. enk. legei (hij zegt) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 , 2X ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 , 1X ind. praesens 3de pers. mv. legousin (zij zeggen) in Mc 4,38 en 1X ind. imperf. 3de pers. mv. elegon (zij zeiden) in Mc 4,41 .
Jezus is 11X onderwerp (8X in de parabelrede en 3X in het stormstillingsverhaal) , de leerlingen 2X (in het stormstillingsverhaal) . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .

Mc 4,2.9. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 . In negen verzen met een vorm van het werkw. legô (zeggen) .

Mc 4,2.7. - 9. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .
- kai legei autois (en hij zegt hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 .
- elalei autois (en hij sprak tot hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,33 . (2) Mc 4,34 .
- kai eipen autois (en hij zei hen) . Mc 4 (1) : Mc 4,40 .

Mc 4,2.10. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,2.11. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,35 . (4) Mc 4,38 . (5) Mc 4,39 .

Mc 4,2.12. nom. (didachè) + dat. vr. enk. didachè(i) van het zelfst. naamw. didachè (lering, onderrichting)  . Taalgebruik in het N.T. : didachè (lering, onderrichting) . Taalgebruik in Mc : didachè (lering, onderrichting) .
Mc (5) : (1) Mc 1,22 (dat.) . (2) Mc 1,27 (nom.) . (3) Mc 4,2 (dat.) . (4) Mc 11,18 (dat.) . (5) Mc 12,38 (dat.) .
dat. vr. enk. didachè(i) in Mc (4) .
- en tè(i) didachè(i) autou (in zijn leer / onderrichting) . Mc (2) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 12,38 .
- epi tè(i) didachè(i) autou (over zijn leer) . Mc (2) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 11,18 .

Mc 4,2.13. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 4,36 .

Mc 4,2.7. - 13. Vergelijk :
- Mc 4,2 : kai elegen autois en tè(i) didachè(i) autou = en hij zei hen in zijn leer .
- Mc 12,38 : kai en tè(i) didachè(i) autou elegen = en in zijn leer zei hij .
STAP VOOR STAP !

Mc 4,2.1. - 13 :
- Mc 4,2 : kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31 : edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17 : kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .

126. Gelijkenis van de zaaier : Mc 4,3-9 - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -

Mc 4,3 - Mc 4,3 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:3 akouete idou exèlthen o speirôn speirai 3 audite ecce exiit seminans ad seminandum Hoor! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.   [3] ‘Luister! Een zaaier ging het land op om te zaaien. [3] ‘Luister. Iemand ging eens naar zijn land om te zaaien. 3 hoort!– zie, de zaaier ging uit om te zaaien; 3. « Écoutez ! Voici que le semeur est sorti pour semer.

Statenvertaling . 3 Hoort toe: ziet, een zaaier ging uit om te zaaien.
King James Bible . [3] Hearken; Behold, there went out a sower to sow:
Luther-Bibel . 3 Hört zu! Siehe, es ging ein Sämann aus zu säen.

Tekstuitleg van Mc 4,3 . Dit vers telt 6 (2 X 3) woorden en 14 (2 X 7) lettergrepen .

Mc 4,3.1. actief imperat. pr. 2de pers. enk. akouete . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,24

Mc 4,3.2. idou (zie) . Taalgebruik in het N.T. : idou (zie) . Taalgebruik in Mc : idou (zie) . In de 7 verzen waarin Marcus idou (zie) gebruikt, wordt het in geen enkel vers voorafgegaan door kai (en). Kai eindigt op i en idou begint op i; zo zou men vlug kaidou kunnen krijgen .
Mc (7) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 4,3 .  (4) Mc 10,28 . (5) Mc 10,33 . (6) Mc 14,41 . (7) Mc 14,42 . Telkens in een citaat bij het begin ervan (5) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 4,3 .  (4) Mc 10,28 . (5) Mc 10,33 of in het midden ervan : (1) Mc 14,41 . (2) Mc 14,42 .

Mc 4,3.3. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 . Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 4 (1) Mc 4,3 .

Mc 4,3.4. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

Mc 4,3.5. actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn (zaaiende , zaaier) van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn   14       

Mc 4,3.6.

Mc 4,4 - Mc 4,4 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:4 kai egeneto en tô speirein o men epesen para tèn odon kai èlthen ta peteina kai katefagen auto 4 et dum seminat aliud cecidit circa viam et venerunt volucres et comederunt illud En het gebeurde bij het zaaien dat wat (zaad) viel langs de weg; en de vogels kwamen en aten het op.   [4] Bij het zaaien viel er een deel op het pad, en de vogels kwamen het opeten. [4] Tijdens het zaaien viel een deel van het zaad op de weg, en de vogels kwamen en aten het op. 4 en het geschiedde bij het zaaien: het één viel langs de weg, de vogels kwamen en aten het op; 4. Et il advint, comme il semait, qu'une partie du grain est tombée au bord du chemin, et les oiseaux sont venus et ont tout mangé.

Statenvertaling . 4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ene deel zaads viel bij den weg; en de vogelen des hemels kwamen, en aten het op.
King James Bible . [4] And it came to pass, as he sowed, some fell by the way side, and the fowls of the air came and devoured it up.
Luther-Bibel . 4 Und es begab sich, indem er säte, dass einiges auf den Weg fiel; da kamen die Vögel und fraßen's auf.

Tekstuitleg van Mc 4,4 .

Mc 4,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,4.2. aor. 3de pers. enk. egeneto  van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .

Mc 4,4.3. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,4.4. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,28 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 4,39 .

Mc 4,4.5. act.  inf. pr. speirein (zaaien) van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in het N.T. : speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik in Mc : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Zie N. sper-ma .

Mc 4,4.6. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

7. men (enerzijds) . Taalgebruik : men (enerzijds) .

men (enerzijds)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  331  152  179  20  10  48  87    36  44     

Mc 4,4.8. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik in het N.T. : piptô (vallen) . Taalgebruik in Mc : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber .
Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .

Mc 4,4.9. para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs, vanwege) . Taalgebruik in Mc : para (langs, vanwege) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) .
Mc (11) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 .

Mc 4,4.10. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

Mc 4,4.11. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14

Mc 4,4.12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,4.13. ind. aor. 3de p. enk. èlthen van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik : erchomai (gaan, komen) . Mc 4 (1) : Mc 4,4 .

erchomai (gaan, komen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
ind. aor. 3de p. enk. èlthen 338 250 88 20 13 17 18 5 4 11  50  68 

Mc 4,4.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,5 - Mc 4,5 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:5 kai allo epesen epi to petrôdes opou ouk eichen gèn pollèn kai euthus exaneteilen dia to mè echein bathos gès 5 aliud vero cecidit super petrosa ubi non habuit terram multam et statim exortum est quoniam non habebat altitudinem terrae En ander (zaad) viel op de rotsige (grond) waar het niet veel aarde had, en terstond schoot het op omdat het geen diepe aarde had.   [5] Een ander deel viel op de rotsgrond, waar het niet veel aarde had, en het kwam meteen op, doordat het geen diepe grond had. [5] Een ander deel viel op rotsachtige grond, waar maar weinig aarde was, en het schoot meteen op omdat het niet diep in de grond kon doordringen; 5 het ander viel op de rotsen, waar het niet veel aarde had; meteen kwam het op, omdat het in aarde niet veel diepte kreeg; 5. Une autre est tombée sur le terrain rocheux où elle n'avait pas beaucoup de terre, et aussitôt elle a levé, parce qu'elle n'avait pas de profondeur de terre ;

Statenvertaling . 5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had.
King James Bible . [5] And some fell on stony ground, where it had not much earth; and immediately it sprang up, because it had no depth of earth:
Luther-Bibel . 5 Einiges fiel auf felsigen Boden, wo es nicht viel Erde hatte, und ging alsbald auf, weil es keine tiefe Erde hatte.

Tekstuitleg van Mc 4,5 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. bijvoegl. naamw. zelfstandig gebruikt nom. onz. enk. allo (een ander) . Taalgebruik : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other . Mc (2) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 .

allos (ander)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom.+ acc. onz. enk. allo   2 11  12       

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .

piptô (vallen)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen 99  73  26  16  17   

4. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,20 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,38 .

5. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .

6. zelfst. naamwoord acc. onz. enk. petrôdes (rotsweg) . Gevormd uit petra (rots) en hodos (weg) . Hapax .

8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

9. act. ind. imperf. 3de pers. eichen van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (6) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 5,3 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 12,6 . (5) Mc 12,44 . (6) Mc 16,8 .

10. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

16. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .

20. gen. vr. enk. gès (van de aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .

Mc 4,6 - Mc 4,6 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:6 kai ote aneteilen o èlios ekaumatisthè kai dia to mè echein rizan exèranthè 6 et quando exortus est sol exaestuavit et eo quod non haberet radicem exaruit En toen de zon was opgegaan, werd het verzengd; en omdat het geen wortel had, verdorde het.   [6] Toen de zon opkwam, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het. [6] en toen de zon opkwam verschroeide het jonge groen, en omdat het geen wortel had droogde het uit. 6 toen de zon opkwam, verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het weg; 6. et lorsque le soleil s'est levé, elle a été brûlée et, faute de racine, s'est desséchée.

Statenvertaling . 6 Maar als de zon opgegaan was, zo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had, zo is het verdord.
King James Bible . [6] But when the sun was up, it was scorched; and because it had no root, it withered away.
Luther-Bibel . 6 Als nun die Sonne aufging, verwelkte es, und weil es keine Wurzel hatte, verdorrte es.

Tekstuitleg van Mc 4,6 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .

1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .

5. nom. mann. enk. hèlios (zon) . Taalgebruik in het N.T. : hèlios (zon) . Taalgebruik in Lc : hèlios (zon) .
Mc (3) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 . Een vorm van hèlios (zon) in Mc in 4 verzen : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 13,24 . (4) Mc 16,2 .
(1) Mc 1,32 : hote edusen ho hèlios (toen de zon was ondergegaan) . Na zonsondergang na de eerste sabbatdag van Jezus'optreden .
(2) Mc 4,6 : kai hote aneteilen ho hèlios : en toen de zon was opgegaan = na zonsopgang . Deze zin komt voor in de parabel van de zaaier .
(3) Mc 13,24 : ho hèlios skotisthèsetai (de zon zal verduisterd worden) .
(4) Mc 16,2 : anateilantos tou hèliou (nadat de zon was opgegaan) .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

Mc 4,7 - Mc 4,7 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:7 kai allo epesen eis tas akanthas kai anebèsan ai akanthai kai sunepnixan auto kai karpon ouk edôken 7 et aliud cecidit in spinas et ascenderunt spinae et offocaverunt illud et fructum non dedit En ander (zaad) viel op de doornstruiken, en de doornstruiken kwamen op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.   [7] Weer een ander deel viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het, en het leverde geen vrucht op. [7] Weer ander zaad viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het en het bracht geen vrucht voort. 6 toen de zon opkwam, verschroeide het, en omdat het geen wortel had droogde het weg; 7 weer ander viel tussen de distels, en de distels schoten op en verstikten het, het heeft nooit vrucht kunnen geven; 7. Une autre est tombée dans les épines, et les épines ont monté et l'ont étouffée, et elle n'a pas donné de fruit.

Statenvertaling . 7 En het andere viel in de doornen, en de doornen wiesen op, en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.
King James Bible . [7] And some fell among thorns, and the thorns grew up, and choked it, and it yielded no fruit.
Luther-Bibel . 7 Und einiges fiel unter die Dornen, und die Dornen wuchsen empor und erstickten's, und es brachte keine Frucht.

Tekstuitleg van Mc 4,7 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. bijvoegl. naamw. zelfstandig gebruikt nom. onz. enk. allo (een ander) . Taalgebruik : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other . Mc (2) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 .

allos (ander)  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
nom.+ acc. onz. enk. allo   2 11  12       

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .

piptô (vallen)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen 99  73  26  16  17   

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

16. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

Mc 4,8 - Mc 4,8 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:8 kai alla epesen eis tèn gèn tèn kalèn kai edidou karpon anabainonta kai auxanomena* kai eferen | eis | en* | triakonta kai en exèkonta kai en ekaton 8 et aliud cecidit in terram bonam et dabat fructum ascendentem et crescentem et adferebat unum triginta et unum sexaginta et unum centum En ander (zaad) viel in de goede aarde en gaf vrucht terwijl het opkwam en groeide, en het droeg: één (deel) dertig en één (deel) zestig en één (deel) honderd."   [8] De rest viel in goede aarde; het kwam op, groeide uit, en het leverde vrucht op; de opbrengst was dertig-, zestig-, ja honderdvoudig.’ [8] Maar er waren ook zaadjes die in goede grond vielen en wel vrucht voortbrachten: ze schoten op en groeiden en droegen vrucht. Sommige leverden het dertigvoudige op, andere het zestigvoudige en weer andere het honderdvoudige.’ 8 het andere viel in de goede aarde, schoot op, groeide en gaf vrucht; het droeg tot dertig–, zestig–, en honderdvoud! 8. D'autres sont tombés dans la bonne terre, et ils ont donné du fruit en montant et en se développant, et ils ont produit l'un trente, l'autre soixante, l'autre cent. »

Statenvertaling . 8 En het andere viel in de goede aarde, en gaf vrucht, die opging en wies; en het ene droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderd voud.
King James Bible .[8] And other fell on good ground, and did yield fruit that sprang up and increased; and brought forth, some thirty, and some sixty, and some an hundred.
Luther-Bibel . 8 Und einiges fiel auf gutes Land, ging auf und wuchs und brachte Frucht, und einiges trug dreißigfach und einiges sechzigfach und einiges hundertfach.

Tekstuitleg van Mc 4,8 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

3. act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen (het viel) van het werkw. piptô (vallen) . Taalgebruik : piptô (vallen) . Hebr. nâphal = vallen , Eng. to fall . Gr. piptô . Lat. cadere . Fr. tomber . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,7 . (4) Mc 4,8 .

piptô (vallen)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. aor. 3de pers. enk. epesen 99  73  26  16  17   

5. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

6. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .

7. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

17. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

20. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

22. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

23. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,9 - Mc 4,9 : 126. Gelijkenis van de zaaier - Mc 4,3-9 - Mt 13,3b-9 - Lc 8,5-8 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,3 - Mc 4,4 - Mc 4,5 - Mc 4,6 - Mc 4,7 - Mc 4,8 - Mc 4,9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:9 kai elegen os echei ôta akouein akouetô 9 et dicebat qui habet aures audiendi audiat En hij zei': "Wie oren heeft om te horen, hij hore!"   [9] Hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet horen.’ [9] En hij zei: ‘Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ 9 Toen zei hij: wie oren heeft om te horen, die hore! 9. Et il disait : « Entende, qui a des oreilles pour entendre ! »

Statenvertaling . 9 En Hij zeide tot hen: Wie oren heeft om te horen, die hore.
King James Bible . [9] And he said unto them, He that hath ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . 9 Und er sprach: Wer Ohren hat zu hören, der höre!

Tekstuitleg van Mc 4,9 . Het vers Mc 4,9 telt 7 woorden en 28 (2 X 2 X 7) letters . Verhouding : 1 / 4 . De getalwaarde van Mc 4,9 is 2701 (37 X 73) .

Mc 4,9.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,9.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .

Mc 4,9.1. - 2. kai elegen (en hij zei) . Mc 4 (7 / 7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Niet gevolgd door autois (hen) . Mc 4 (3 / 7) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .

Mc 4,9.3. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 4 (3) : (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .

Mc 4,9.4. - act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .

Mc 4,9.6. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (4) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,33 . (4) Mc 7,37 . Een vorm van akouô (horen) in Mc (41) , in Mc 4 (10) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,16 . (6) Mc 4,18 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,23 . (9) Mc 4,24 . (10) Mc 4,33 .

127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 -

Mc 4,10 - Mc 4,10 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel
4:10 kai ote egeneto kata monas èrôtôn auton oi peri auton sun tois dôdeka tas parabolas 10 et cum esset singularis interrogaverunt eum hii qui cum eo erant cum duodecim parabolas   En toen hij alleen was, vroegen hem degenen die rondom hem waren met de twaalf (uitleg) over de gelijkenissen.     [10] Toen Hij daarna met hen alleen was, stelden zijn metgezellen en de twaalf Hem vragen over zijn gelijkenissen.   [10] Toen hij weer alleen was met zijn volgelingen en met de twaalf, stelden ze hem vragen over de gelijkenissen.  10 Toen hij alleen raakte, hebben zij die, met de twaalf, hem omgaven gevraagd naar de gelijkenisspreuken.

Statenvertaling . 10 En als Hij nu alleen was, vraagden Hem degenen, die omtrent Hem waren, met de twaalven, naar de gelijkenis.
King James Bible . [10] And when he was alone, they that were about him with the twelve asked of him the parable.
Luther-Bibel . 10 Und als er allein war, fragten ihn, die um ihn waren, samt den Zwölfen, nach den Gleichnissen.
Bible de Jérusalem . 10. Quand il fut à l'écart, ceux de son entourage avec les Douze l'interrogeaient sur les paraboles.

Tekstuitleg van Mc 4,10 .

Mc 4,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,10.2. hote (toen) . Taalgebruik in het N.T. : hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .

Mc 4,10.1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .

Mc 4,10.3. aor. 3de pers. enk. egeneto  van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .

1. - 3. kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc (1) : Mc 4,10 .

Mc 4,10.4. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 . (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 . (9) Mc 15,6 .

Mc 4,10.5. monas (eenzaam, op zichzelf aangewezen) . Taalgebruik in het N.T. : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Taalgebruik in Mc : monas (eenzaam, op zidchzelf aangewezen) . Mc (1) : (1) Mc 4,10 .

Mc 4,10.4. - 5. kata monas (afzonderlijk) . Mc: (1) Mc 4,10 .

6. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud èrôtôn (zij vroegen) van het werkw. erôtaô (vragen) . Taalgebruik in het N.T. : erôtaô (vragen) . Taalgebruik in Mc : erôtaô (vragen) .
Mc (1) : Mc 4,10 .

Mc 4,10.7. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,36 . (5) Mc 4,38 .

Eénmaligheid

- kai hote egeneto (en toen het gebeurde) . Mc (1) : Mc 4,10 .
- monas (eenzaam, op zichzelf aangewezen) . Mc (1) : (1) Mc 4,10 .
- kata monas (afzonderlijk) . Mc: (1) Mc 4,10 .
- actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud èrôtôn (zij vroegen) van het werkw. erôtaô (vragen) . Mc (1) : Mc 4,10 .

Mc 4,11 - Mc 4,11 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel
4:11 kai elegen autois humin to mustèrion dedotai tès basileias tou theou ekeinois de tois exô en parabolais ta panta ginetai 11 et dicebat eis vobis datum est mysterium regni Dei illis autem qui foris sunt in parabolis omnia fiunt   En hij zei hun: "Aan jullie is het geheim gegeven van het Rijk Gods, aan die echter die buiten zijn , komen al deze dingen in geljkenissen,     [11] Hij zei hun: ‘Jullie is het geheim van het koninkrijk van God toevertrouwd. Maar zij daarbuiten krijgen alles in gelijkenissen,   [11] Hij zei tegen hen: ‘Aan jullie is het geheim van het koninkrijk van God onthuld; maar zij die buiten blijven staan, krijgen alles te horen in gelijkenissen,   11 En hij heeft tot hen gezegd: aan u is het geheim van Gods koningschap al gegeven, maar voor hen daar buiten geschiedt alles in gelijkenissen,–

Statenvertaling . 11 En Hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods; maar dengenen, die buiten zijn, geschieden al deze dingen door gelijkenissen;
King James Bible . [11] And he said unto them, Unto you it is given to know the mystery of the kingdom of God: but unto them that are without, all these things are done in parables:
Luther-Bibel . 11 Und er sprach zu ihnen: Euch ist das Geheimnis des Reiches Gottes gegeben; denen aber draußen widerfährt es alles in Gleichnissen,
Bible de Jérusalem . 11. Et il leur disait : « A vous le mystère du Royaume de Dieu a été donné ; mais à ceux-là qui sont dehors tout arrive en paraboles,

Tekstuitleg van Mc 4,11 . Het vers Mc 4,11 telt 21 (3 X 7) woorden en 105 (3 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 4,11 is 10173 (3 X 3391) .

Mc 4,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,11.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 .

Mc 4,113. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .

Mc 4,111. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .

Mc 4,115. bep. lidw. nom. en acc. onz. enk. to (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,6 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,29 . (5) Mc 4,35 . (6) Mc 4,37 . (7) Mc 4,38 .

Mc 4,118. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,31 .

Mc 4,11.9. gen. vr. enk. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 6,23 .  (3) Mc 12,34 . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc in 19 verzen : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 3,24 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,30 .  (6) Mc 6,23 . (7) Mc 9,1 . (8) Mc 9,47 . (9) Mc 10,14 . (10) Mc 10,15 . (11) Mc 10,23 . (12) Mc 10,24 . (13) Mc 10,25 . (14) Mc 11,10 . (15) Mc 12,34 .  (16) Mc 13,8 (2 vormen) . (17) Mc 14,25 . (18) Mc 15,43 .  

Mc 4,1110. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .

Mc 4,1111. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .

Mc 4,118. - 11. tès basileias tou theou (van het koninkrijk van God) . Mc (2 / 3) . (1) Mc 4,11 . (2) Mc 12,34 .

Mc 4,1113. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 4 (4) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,34 .

Mc 4,1116. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

Mc 4,1117. dat. vr. mv. parabolais (parabels, gelijkenissen) van het zelfst. naamw. van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (5) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,33 .  (5) Mc 12,1 .

Mc 4,1119. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .

Mc 4,12 - Mc 4,12 : 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt - Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,10 - Mc 4,11 - Mc 4,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel
4:12 ina blepontes blepôsin kai mè idôsin kai akouontes akouôsin kai mè suniôsin mèpote epistrepsôsin kai afethè autois 12 ut videntes videant et non videant et audientes audiant et non intellegant nequando convertantur et dimittantur eis peccata  opdat ze ziende zien en niet zien en horende horen en niet verstaan, opdat ze niet terugkeren en vergeven wordt aan hen    [12] opdat* ze met hun ogen kijken en niet zien, en met hun oren horen en niet verstaan; tenzij* ze zich zullen bekeren en vergeving vinden.’   [12] “opdat ze scherp zien, maar geen inzicht hebben, opdat ze goed horen, maar niets begrijpen, anders zouden ze zich bekeren en vergeving krijgen.”’   12 opdat zij kijken en kijken en niet zien, en horen en horen en niet verstaan, opdat zij niet hoeven omkeren en hun iets vergeven zou worden. {#Jes 6:9–10}

Statenvertaling . 12 Opdat zij ziende zien, en niet bemerken, en horende horen, en niet verstaan; opdat zij zich niet te eniger tijd, bekeren en hun de zonden vergeven worden.
King James Bible . [12] That seeing they may see, and not perceive; and hearing they may hear, and not understand; lest at any time they should be converted, and their sins should be forgiven them.
Luther-Bibel . 12 damit sie es mit sehenden Augen sehen und doch nicht erkennen, und mit hörenden Ohren hören und doch nicht verstehen, damit sie sich nicht etwa bekehren und ihnen vergeben werde.
Bible de Jérusalem . 12. afin qu'ils aient beau regarder et ils ne voient pas, qu'ils aient beau entendre et ils ne comprennent pas, de peur qu'ils ne se convertissent et qu'il ne leur soit pardonné. »

Tekstuitleg van Mc 4,12 .

4. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

8. act. part. pr. nom. mann. mv. akouontes van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. part. pr. nom. mann. mv. akouontes  20  15   

9. conj. pr. 3de pers. mv. akouôsin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Enkel in Mc 4,12 .

10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

17. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .

129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier : Mc 4,13-20 - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -

Mc 4,13 - Mc 4,13 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:13 kai legei autois ouk oidate tèn parabolèn tautèn kai pôs pasas tas parabolas gnôsesthe 13 et ait illis nescitis parabolam hanc et quomodo omnes parabolas cognoscetis 13 En hij zei hun: "Als jullie niet weten (wat) deze gelijkenis (betekent), hoe zul je dan alle gelijkenissen begrijpen?   [13] Hij zei hun: ‘Jullie begrijpen* deze gelijkenis niet? Hoe zul je dan alle andere gelijkenissen vatten? [13] Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen jullie deze gelijkenis niet? Hoe zullen jullie alle andere gelijkenissen dan begrijpen? 13 Dan zegt hij tot hen: als ge met deze gelijkenis geen weg weet, hoe moet ge dan alle andere gelijkenissen kennen?– 13. Et il leur dit : « Vous ne saisissez pas cette parabole ? Et comment comprendrez-vous toutes les paraboles ?

Statenvertaling . 13 En Hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis niet, en hoe zult gij al de gelijkenissen verstaan?
King James Bible . [13] And he said unto them, Know ye not this parable? and how then will ye know all parables?
Luther-Bibel . 13 Und er sprach zu ihnen: Versteht ihr dies Gleichnis nicht, wie wollt ihr dann die andern alle verstehen?

Tekstuitleg van Mc 4,13 . Het vers Mc 4,13 telt 14 (2 X 7) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 4,13 is 7555 (5 X 1511) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. Actief indicatief praesens (tegenwoordige tijd) derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (62) . In twee verzen in Mc 4 : (15) Mc 4,13 . (16) Mc 4,35 . Werkwoord van de hoofdzin . Jezus is onderwerp .

3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .

1. - 3. kai legei autois (en hij zegt hen) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 .
- kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .
- elalei autois (en hij sprak tot hen) . Mc (2) : (1) Mc 4,33 . (2) Mc 4,34 .
- kai eipen autois (en hij zei hen) . Mc (1) : Mc 4,40 .

4. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

5. act. ind. 2de pers. mv. oidate (jullie weten) van het werkw. oida (ik weet) . Taalgebruik in het N.T. : oida (ik weet) . Taalgebruik in Mc : oida (ik weet) .
In vijf verzen in Mc : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,42 . (4) Mc 13,33 . (5) Mc 13,35 . ouk oidate : In vier verzen in Mc ; niet in (3) Mc 10,42 . Een vorm van oida (ik weet) in Mc in 23 verzen .

6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

7. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het N.T. : parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 13,28 . Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc .

8. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 11,28 . (4) Mc 12,10 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

10. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,30 .

11. Een vorm van pas (ieder, elk, al) , bijvoegl. naamw. . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc 4 (6) : (1) Mc 4,1 (pas : nom. mann. enk.) . (2) Mc 4,11 (panta : nom. onz. mv.) . (3) Mc 4,13 (pasas : acc. vr. mv.) . (4) Mc 4,31 (pantôn : gen. mv.) . (5) Mc 4,32 (pantôn : gen. mv.) . (6) Mc 4,34 (panta : acc. onz. mv.) .

Mc 4,14 - Mc 4,14 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:14 o speirôn ton logon speirei 14 qui seminat verbum seminat 14 De zaaier zaait het woord.   [14] De zaaier zaait het woord. [14] De zaaier zaait het woord. 14 de zaaier is hij die het Woord zaait; 14. Le semeur, c'est la Parole qu'il sème.

Statenvertaling . 14 De zaaier is, die het Woord zaait.
King James Bible . [14] The sower soweth the word.
Luther-Bibel . 14 Der Sämann sät das Wort.

Tekstuitleg van Mc 4,14 . Dit vers telt 5 woorden en 8 lettergrepen .

1. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41

2. actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn (zaaiende , zaaier) van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
actief part. pr. nom. mann. enk. speirôn   14       

3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

4. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

5. act. ind. pr. 3de pers. enk. speirei van het werkw. speirô (spreiden , zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,3 .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
act. ind. pr. 3de pers. enk. speirei                 

 

Mc 4,15 - Mc 4,15 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:15 outoi de eisin oi para tèn odon opou speiretai o logos kai otan akousôsin euthus erchetai o satanas kai airei ton logon ton esparmenon eis autous* 15 hii autem sunt qui circa viam ubi seminatur verbum et cum audierint confestim venit Satanas et aufert verbum quod seminatum est in corda eorum Deze nu zijn het die langs de weg (gezaaid zijn) waar het woord gezaaid wordt, en wanneer ze het horen, komt de Satan terstond en neemt het gezaaide woord in hen.   [15] Dit zijn de mensen* op het pad waar het woord wordt gezaaid: als ze het horen, komt meteen de satan en pakt het woord weg dat in hen gezaaid was. [15] Sommigen zijn als het zaad dat op de weg valt: het woord wordt wel gezaaid, maar wanneer ze het gehoord hebben, komt meteen Satan om het woord weg te graaien dat in hen gezaaid is. 15 dan zijn er die langs de weg, waar het Woord gezaaid wordt: wanneer zij het horen komt meteen de satan en neemt het Woord weg dat in hen gezaaid is; 15. Ceux qui sont au bord du chemin où la Parole est semée, sont ceux qui ne l'ont pas plus tôt entendue que Satan arrive et enlève la Parole semée en eux.

Statenvertaling . 15 En dezen zijn, die bij den weg bezaaid worden, waarin het Woord gezaaid wordt; en als zij het gehoord hebben, zo komt de satan terstond, en neemt het Woord weg, hetwelk in hun harten gezaaid was.
King James Bible . [15] And these are they by the way side, where the word is sown; but when they have heard, Satan cometh immediately, and taketh away the word that was sown in their hearts.
Luther-Bibel . 15 Das aber sind die auf dem Wege: wenn das Wort gesät wird und sie es gehört haben, kommt sogleich der Satan und nimmt das Wort weg, das in sie gesät war.

Tekstuitleg van Mc 4,15 .

1. aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi  (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,18 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,34 .

5. para (langs) . Taalgebruik in het N.T. : para (langs) . Mc (11) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,1 . (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,46 . (9) Mc 12,2 . (10) Mc 12,11 . (11) Mc 14,43 . Parallel in Mc 4 : (1) Mt 13,1 // Mc 4,1 . (2) Mt 13,4 // Mc 4,4 // Lc 8,5 . (3) Mt 13,19 // Mc 4,15 // Lc 8,12 .

para  bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
para  677  553  124  13  11  20  21  18  40  44  65     

6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

7. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14

9. pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,15 . Br (4) : (1) 1 Kor 15,42 . (2) 1 Kor 15,43 (2X) . (3) 1 Kor 15,44 . (4) Jak 3,18 .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. ind. pr. 3de pers. enk. speiretai           

10. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

11. Zelfst. naamw. nom. mann. enk. logos (woord) . Taalgebruik in Mc 4 : logos (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc 4 (1) : Mc 4,15 .

13. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,31 . (5) Mc 4,32 .

12. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

14. conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin  van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin   19  12       

16. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .

17. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

18. nom. mann. enk. satanas (satan) . Taalgebruik in het N.T. : satanas (satan) . Taalgebruik in Mc : satanas (satan) .
Mc (3) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 3,26 . (3) Mc 4,15 .
Een vorm van satanas (satan) in 5 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 3,23 (satanas en satanan) . (3) Mc 3,26 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 8,33 .

19. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

21. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

22. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

satanas (saten) bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk syn. ev.
nom. enk. satanas 17   17 1 3 4 1 1 3 4 8 9
Totaal   37 1 36 4 6 5 1 2 10 8 15 16

24. pass. part. aor. acc. mann. enk. esparmenon van het werkw. speirô (spreiden, zaaien) . Taalgebruik : speirô (spreiden, zaaien) . Hebr. zâr`â . Lat. seminare . Mc (1) : Mc 4,15 .

speirô (spreiden, zaaien)   bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pass. part. aor. acc. mann. enk. esparmenon                

26. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (2) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,15 .

Mc 4,16 - Mc 4,16 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:16 kai outoi eisin | omoiôs | | oi epi ta petrôdè speiromenoi oi otan akousôsin ton logon euthus meta charas lambanousin auton 16 et hii sunt similiter qui super petrosa seminantur qui cum audierint verbum statim cum gaudio accipiunt illud En dezen zijn zij die op de rotsige (plekken) gezaaid zijn, die wanneer ze het. woord horen het terstond met vreugde opnemen,   [16] Dit zijn de mensen die op de rotsgrond worden gezaaid: als die het woord horen, nemen ze het meteen met vreugde aan; [16] Anderen zijn als het zaad dat op rotsgrond is gezaaid: wanneer zij het woord hebben gehoord, nemen ze het meteen met vreugde in zich op, 16 en er zijn er zoals die op de rotsgrond worden gezaaid, die, wanneer zij het Woord horen het meteen met vreugde aannemen, 16. Et de même ceux qui sont semés sur les endroits rocheux, sont ceux qui, quand ils ont entendu la Parole, l'accueillent aussitôt avec joie,

Statenvertaling . 16 En dezen zijn desgelijks, die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden; welke, als zij het Woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen.
King James Bible . [16] And these are they likewise which are sown on stony ground; who, when they have heard the word, immediately receive it with gladness;
Luther-Bibel . 16 Desgleichen auch die, bei denen auf felsigen Boden gesät ist: wenn sie das Wort gehört haben, nehmen sie es sogleich mit Freuden auf,

Tekstuitleg van Mc 4,16 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi  (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,18 .

5. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,20 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,38 .

10. hotan (telkens wanneer, wanneer, zodra) . Taalgebruik : hotan (telkens wanneer , wanneer, zodra) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,29 . (4) Mc 4,31 . (5) Mc 4,32 .

11. conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin  van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) Mc 4,15 : (1) . (2) Mc 4,16 .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
conj. aor. 3de pers. mv. akousôsin   19  12       

12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

13. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

16. charas (vreugde) . Genitief vrouwelijk enkelvoud . Taalgebruik in het N.T. : chara (vreugde) . Website : http://fr.wikipedia.org/wiki/Joie_(philosophie) . Indo-Europees jug (band) , L. gaudium , Fr. joie , zie website http://fr.wiktionary.org/wiki/joie . In Mc komt het slechts in één vers voor en wel hier in Mc 4,16 . In de parallelteksten van Mt en Lc komt het woord terug : (1) Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 .

15. - 16. - meta charas (met vreugde) . In elf verzen in het N.T. : Mt (1) Mt 13,20 . Mc (1) Mc 4,16 . Lc (3) : (1) Lc 8,13 . (2) Lc 10,17 . (3) Lc 24,52 . Hnd (1) Hnd 13,52 . Brieven (5) : (1) Fil 1,4 . (2) Fil 2,29 . (3) Kol 1,11 . (4) 1 Tes 1,6 . (5) Heb 10,34 . Parallel : Mt 13,20 // Mc 4,16 // Lc 8,13 .

18. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (5) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,36 . (5) Mc 4,38 .

Mc 4,17 - Mc 4,17 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:17 kai ouk echousin rizan en eautois alla proskairoi eisin eita genomenès thlipseôs è diôgmou dia ton logon euthus skandalizontai 17 et non habent radicem in se sed temporales sunt deinde orta tribulatione et persecutione propter verbum confestim scandalizantur 17 maar ze hebben geen wortel in zich maar zijn (slechts) tijdelijk ; vervolgens, als verdrukking of vervolging ontstaan wegens het woord, worden ze terstond geërgerd.   [17] ze zijn niet echt geworteld, maar mensen van het ogenblik. Zo gauw er dan vanwege het woord onderdrukking ontstaat of vervolging, komen ze meteen ten val. [17] maar in hen schiet het geen wortel, ze zijn te oppervlakkig, en als ze vanwege het woord worden beproefd of vervolgd, houden ze geen ogenblik stand. 17 en ze hebben geen wortel in zich maar zijn mensen van het moment; als er vervolgens verdrukking geschiedt of vervolging, vanwege het Woord, struikelen zij meteen; 17. mais ils n'ont pas de racine en eux-mêmes et sont les hommes d'un moment : survienne ensuite une tribulation ou une persécution à cause de la Parole, aussitôt ils succombent.

Statenvertaling . 17 En hebben geen wortel in zichzelven, maar zijn voor een tijd; daarna, als verdrukking of vervolging komt om des Woords wil, zo worden zij terstond geërgerd.
King James Bible . [17] And have no root in themselves, and so endure but for a time: afterward, when affliction or persecution ariseth for the word's sake, immediately they are offended.
Luther-Bibel . 17 aber sie haben keine Wurzel in sich, sondern sind wetterwendisch; wenn sich Bedrängnis oder Verfolgung um des Wortes willen erhebt, so fallen sie sogleich ab.

Tekstuitleg van Mc 4,17 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

5. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

11. participium aorist gen. vr. enk. genomenès (geworden) van het werkw. ginomai (gebeuren, worden) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Losse genitief . participium aorist gen. vr. enk.
Mc (9) : 5 : opsias... genomenès (nadat het avond was geworden) (1) Mc 1,32 . (2) Mc 4,35 . (3) Mc 6,47 . (4) Mc 14,17 . (5) Mc 15,42 . + 4 : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 6,21 . (3) Mc 6,35 . (4) Mc 15,33 .

13. partikel è (of) , zie bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .

14. Een vorm van diôgmos (verdrukking) komt slechts in twee (parallel)verzen in de evangelies voor : Mt 13,21 // Mc 4,17 (gen. mann. enk. diôgmou) . Een vorm : N.T. (10) . Hnd (3) . Br. (5) . Taalgebruik in het N.T. : diôgmos (vervolging) .

16. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

17. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

Mc 4,18 - Mc 4,18 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:18 kai alloi eisin oi eis tas akanthas speiromenoi outoi eisin oi ton logon akousantes 18 et alii sunt qui in spinis seminantur hii sunt qui verbum audiunt En anderen zijn degenen die in de doornstruiken gezaaid zijn: dezen zijn het die het woord horen,   [18] Weer anderen zijn zij die tussen de distels gezaaid worden; dat zijn de mensen die het woord gehoord hebben, [18] Weer anderen zijn als het zaad dat tussen de distels is gezaaid: ze hebben het woord wel gehoord, 18 en anderen zijn zij die tussen de distels worden gezaaid; dat zijn zij die het Woord hebben gehoord, 18. Et il y en a d'autres qui sont semés dans les épines ; ce sont ceux qui ont entendu la Parole,

Statenvertaling . 18 En dezen zijn, die in de doornen bezaaid worden; namelijk degenen, die het Woord horen;
King James Bible . [18] And these are they which are sown among thorns; such as hear the word,
Luther-Bibel . 18 Und andere sind die, bei denen unter die Dornen gesät ist: die hören das Wort,

Tekstuitleg van Mc 4,18 .

Mc 4,18.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. nom. mann. mv. alloi (anderen) van het bijvoegl. naamwoord allos (ander) . Taalgebruik in het N.T. : allos (ander) . Taalgebruik in Mc : allos (ander) . Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee) . Fr. autre . Ned. a-n-d-er . Eng. other .
Mc (4) : (1) Mc 4,18 . (2) Mc 6,15 (2X) . (3) Mc 8,28 (2X) . (4) Mc 11,8 .

1. - 2. kai alloi (en anderen) . Mc (2) : (1) Mc 4,18 . (2) Mc 8,28 . alloi de (anderen echter) . Mc (2) : (1) Mc 6,15 (2X) . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 11,8 .

Mc 4,18.9. aanwijz. voornaamw. nom. mann. mv. houtoi  (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc 4 (3) : (1) Mc 4,15 . (2) Mc 4,16 . (3) Mc 4,18 .

Mc 4,18.12. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

Mc 4,18.13. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

Mc 4,18.14. act. part. aor. nom. mv. akousantes  van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Mc (7) : (1) Mc 3,21 . (2) Mc 4,18 . (3) Mc 6,29 . (4) Mc 10,41 . (5) Mc 14,11 . (6) Mc 15,35 . (7) Mc 16,11 .

Mc 4,19 - Mc 4,19 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:19 kai ai merimnai tou aiônos kai è apatè tou ploutou kai ai peri ta loipa epithumiai eisporeuomenai sumpnigousin ton logon kai akarpos ginetai 19 et aerumnae saeculi et deceptio divitiarum et circa reliqua concupiscentiae introeuntes suffocant verbum et sine fructu efficitur maar de zorgen van de wereld en het bedrog van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen treden binnen (en) verstikken het woord en het blijft onvruchtbaar.   [19] maar dan komen de zorgen om het bestaan, de begoocheling van de rijkdom, en nog andere begeerten het woord verstikken; het blijft zonder vrucht. [19] maar de zorgen om het dagelijks bestaan en de verleiding van de rijkdom en hun verlangens naar allerlei andere dingen komen ertussen en verstikken het woord, zodat het zonder vrucht blijft. 19 en de zorgen van deze wereld, de begoocheling van de rijkdom en de verlangens omtrent de overige dingen, dringen binnen en verstikken het Woord, en het wordt vruchteloos; 19. mais les soucis du monde, la séduction de la richesse et les autres convoitises les pénètrent et étouffent la Parole, qui demeure sans fruit.

Statenvertaling . 19 En de zorgvuldigheden dezer wereld, en de verleiding des rijkdoms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen, inkomende, verstikken het Woord, en het wordt onvruchtbaar.
King James Bible . [19] And the cares of this world, and the deceitfulness of riches, and the lusts of other things entering in, choke the word, and it becometh unfruitful.
Luther-Bibel . 19 und die Sorgen der Welt und der betrügerische Reichtum und die Begierden nach allem andern dringen ein und ersticken das Wort, und es bleibt ohne Frucht.

Tekstuitleg van Mc 4,19 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

4. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

7. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .

9. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .

11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

19. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

20. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,20 - Mc 4,20 : 129. Uitleg van de gelijkenis van de zaaier - Mc 4,13-20 - Mt 13,18-23 - Lc 8,11-15 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,13 - Mc 4,14 - Mc 4,15 - Mc 4,16 - Mc 4,17 - Mc 4,18 - Mc 4,19 - Mc 4,20 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:20 kai ekeinoi eisin oi epi tèn gèn tèn kalèn sparentes oitines akouousin ton logon kai paradechontai kai karpoforousin en triakonta kai | [en] | en* | exèkonta kai | [en] | en | ekaton 20 et hii sunt qui super terram bonam seminati sunt qui audiunt verbum et suscipiunt et fructificant unum triginta et unum sexaginta et unum centum En die zijn het die op de goede aarde gezaaid zijn ; die het woord horen en het aanvaarden en vrucht dragen: één (deel) dertig en één (deel) zestig en één (deel) honderd."   [20] En dit zijn de mensen die in goede aarde gezaaid zijn: zij horen het woord en nemen het op en dragen dertig-, zestig-, ja honderdvoudig vrucht.’ [20] Maar er zijn ook mensen die zijn als het zaad dat op goede grond is gezaaid: zij horen het woord en aanvaarden het en dragen vrucht, sommigen dertigvoudig, anderen zestigvoudig en weer anderen honderdvoudig.’ 20 en de laatsten zijn zij die op de goede aarde worden gezaaid, die het Woord zullen horen, en aannemen, en vrucht dragen, het dertig–, zestig– en honderdvoudige! 20. Et il y a ceux qui ont été semés dans la bonne terre : ceux-là écoutent la Parole, l'accueillent et portent du fruit, l'un trente, l'autre soixante, l'autre cent. »

Statenvertaling . 20 En dezen zijn, die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het Woord horen en aannemen, en dragen vruchten, het ene dertig-, en het andere zestig-, en het andere honderd voud.
King James Bible . [20] And these are they which are sown on good ground; such as hear the word, and receive it, and bring forth fruit, some thirtyfold, some sixty, and some an hundred.
Luther-Bibel . 20 Diese aber sind's, bei denen auf gutes Land gesät ist: die hören das Wort und nehmen's an und bringen Frucht, einige dreißigfach und einige sechzigfach und einige hundertfach.

Tekstuitleg van Mc 4,20 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

5. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,20 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,38 .

6. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

7. acc. vr. enk. gèn (aarde) van het zelfst. naamw. gè (aarde) . Taalgebruik in Mc 4 : gè (aarde) . Taalgebruik in het N.T. : gè (aarde) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,8 . (3) Mc 4,20 .

8. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

12. act. ind. pr. 3de p. mv. + act. part.pr. dat mv. akouousin van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .

akouô (horen) bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
act. ind. pr. 3de p. mv. + act. part.pr. dat mv. akouousin 19  10     

13. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

14. zelfst. naamw. acc. mann. enk. logon (woord) . Taalgebruik in het N.T. : logos (woord) . Taalgebruik in Mc : logos (woord) . logos komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,33 .

15. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

19. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

22. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

24. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

130. Niets is verborgen : Mc 4,21-23 - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 -

Mc 4,21 - Mc 4,21 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:21 kai elegen autois | oti | | mèti erchetai o luchnos ina upo ton modion tethè è upo tèn klinèn ouch ina epi tèn luchnian tethè 21 et dicebat illis numquid venit lucerna ut sub modio ponatur aut sub lecto nonne ut super candelabrum ponatur 21 Hij zei hun: "Komt de lamp (wel) om ze onder de korenmaat te zetten of onder het bed? Is het niet om ze op de lampestandaard te zetten?   [21] Ook zei Hij hun: ‘Breng je de lamp soms binnen om die onder de korenmaat te zetten of onder het bed? Toch zeker om hem op de standaard te zetten? [21] Tegen de menigte zei hij: ‘Je steekt toch geen lamp aan om hem onder de korenmaat te laten uitdoven of onder een bed weg te bergen? Nee, je zet hem op een standaard. 21 ¶ Ook heeft hij tot hen gezegd: het licht komt toch niet om onder de korenmaat te worden gezet of onder het bed?– is het niet om op de luchter te worden gezet?– 21. Et il leur disait : « Est-ce que la lampe vient pour qu'on la mette sous le boisseau ou sous le lit ? N'est-ce pas pour qu'on la mette sur le lampadaire ?

Statenvertaling . 21 En Hij zeide tot hen: Komt ook de kaars, opdat zij onder de koornmaat of onder het bed gezet worde? Is het niet, opdat zij op den kandelaar gezet worde?
King James Bible . [21] And he said unto them, Is a candle brought to be put under a bushel, or under a bed? and not to be set on a candlestick?
Luther-Bibel . 21 Und er sprach zu ihnen: Zündet man etwa ein Licht an, um es unter den Scheffel oder unter die Bank zu setzen? Keineswegs, sondern um es auf den Leuchter zu setzen.

Tekstuitleg van Mc 4,21 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .

3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .

1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .

5. Indicatief praesens 3de persoon enkelvoud erchetai (hij gaat, hij komt) van het werkwoord erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . Mc (16) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 3,20 . (4) Mc 3,31 (variante erchontai = zij gaan) . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,21 . (7) Mc 5,22 . (8) Mc 6,1 . (9) Mc 6,48 . (10) Mc 10,1 . (11) Mc 13,35 . (12) Mc 14,17 . (13) Mc 14,37 . (14) Mc 14,41 . (15) Mc 14,66 . (16 ) Mc 15,36 .

6. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

9. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
Mc 4 (11) . (1) Mc 4,14 . (2) Mc 4,15 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,18 . (6) Mc 4,19 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,21 . (9) Mc 4,26 . (10) Mc 4,33 . (11) Mc 4,36 .

13. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

15. Bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (9) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,4 . (3) Mc 4,8 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,15 . (6) Mc 4,20 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,32 .

17. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

19. epi (op, bij) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc 4 (8) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,5 . (3) Mc 4,16 . (4) Mc 4,20 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,38 .

Mc 4,22 - Mc 4,22 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:22 ou gar estin krupton ean mè ina fanerôthè oude egeneto apokrufon all ina elthè eis faneron 22 non enim est aliquid absconditum quod non manifestetur nec factum est occultum sed ut in palam veniat  22 Niets* immers is verborgen dan opdat het geopenbaard wordt,  noch gebeurt (iets) verborgen dan opdat het in het openbaar komt.   [22] Want iets is alleen geheim om aan het licht gebracht te worden, en het werd alleen verborgen om aan het licht te komen.   [22] Alles wat verborgen is, moet openbaar worden gemaakt, en alles wat in het geheim is ontstaan, moet aan het licht komen.   22 want iets is niet verborgen dan om geopenbaard te worden; evenmin geschiedt er iets verborgens anders dan om in de openbaarheid te komen;  22. Car il n'y a rien de caché qui ne doive être manifesté et rien n'est demeuré secret que pour venir au grand jour.

Statenvertaling . 22 Want er is niets verborgen, dat niet geopenbaard zal worden; en er is niets geschied, om verborgen te zijn, maar opdat het in het openbaar zou komen.
King James Bible . [22] For there is nothing hid, which shall not be manifested; neither was any thing kept secret, but that it should come abroad.
Luther-Bibel . 22 Denn es ist nichts verborgen, was nicht offenbar werden soll, und ist nichts geheim, was nicht an den Tag kommen soll.

Tekstuitleg van Mc 4,22 .

De eerste hoofdzin komt sterk overeen met Mt 10,26 : Mt 10,26 - ean (indien). In 32 verzen bij Marcus, zie Mc 9,50 : Mc 9,49-50 -

Twee nevenschikkende zinnen, met elkaar verbonden door de ontkenningen ou... oude (noch... noch). Mooie paralelle opbouw van de twee zinnen: ontkenning : ou ... oude (noch ... noch). Werkwoord : estin ... egeneto (is... was). Bijvoeglijk naamwoord : krupton ... apokrufon (verborgen... verborgen). Begin ondergeschikte zin : ean mè ... all' (tenzij... maar). Voegwoord : hina ... hina (opdat... opdat). Werkwoord : fanerôthèi ... elthèi eis faneron (zou zichtbaar worden ... in het zichtbare zou komen).

1. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,25 .

10. aor. 3de pers. enk. egeneto  van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik : ginomai (worden) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,4 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,39 .

ginomai (worden, gebeuren)  bijbel Tenach O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev. 
aor. 3de pers. enk. egeneto  925  wajëhî : 784 730  195  13  17  69  16  53    17  99  115 


krupton (verborgen) komt in 6 verzen in de bijbel voor. In het O.T. in 2 verzen, in het N.T. in Mt 10,26, in Mc 4,22, in Lc 8,17 en in Lc 12,2. apokrufon : weggestoken, verborgen : in Mc 4,22 en Lc 8,17.
fanerôthèi (zou zichtbaar worden). In 10 verzen in het N.T., niet in het O.T. Niet bij Matteüs en Lucas, slechts 1X bij Marcus nl. Mc 4,22. faneron (zichtbaar) in 5 verzen in de evangelies.
ean mè (tenzij) : Mc 3,27. Mc 4,22 . Mc 7,3. Mc 7,4. Mc 10,30.

Mc 4,23 - Mc 4,23 : 130. Niets is verborgen - Mc 4,21-23 - Lc 8,16-17 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,21 - Mc 4,22 - Mc 4,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:23 ei tis echei ôta akouein akouetô 23 si quis habet aures audiendi audiat 23 Als iemand oren heeft om te horen, hij hore!"   [23] Wie oren heeft om te horen, moet horen.’ [23] Wie oren heeft om te horen, moet goed luisteren!’ 23 als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen! 23. Si quelqu'un a des oreilles pour entendre, qu'il entende ! »

Statenvertaling . 23 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
King James Bible . [23] If any man have ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . 23 Wer Ohren hat zu hören, der höre!

Tekstuitleg van Mc 4,23 .

1. - 2. ei tis (indien (wanneer) iemand) . Mc (4) : (1) Mc 4,23 . (2) Mc 7,16 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 9,35 .

3. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .

5. act. inf. praes. akouein van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Taalgebruik in Lc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc (4) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,33 . (4) Mc 7,37 . Een vorm van akouô (horen) in Mc (41) , in Mc 4 (10) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,15 . (5) Mc 4,16 . (6) Mc 4,18 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,23 . (9) Mc 4,24 . (10) Mc 4,33 .

131. Let op wat je hoort : Mc 4,24-25 - Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,24 - Mc 4,25 -

Mc 4,24 - Mc 4,24 : 131. Let op wat je hoort - Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,24 - Mc 4,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:24 kai elegen autois blepete ti akouete en ô metrô metreite metrèthèsetai umin kai prostethèsetai umin   24 et dicebat illis videte quid audiatis in qua mensura mensi fueritis remetietur vobis et adicietur vobis   En hij zei hun: "Kijk wat je hoort: met de maat waarmee je meet zal voor jullie gemeten worden. en er zal (nog) voor je toegevoegd worden.   [24] Ook zei Hij hun: ‘Let goed op wat jullie nu horen! Met de maat waarmee jullie meten, zullen jullie gemeten worden, en meer dan dat.   [24] Hij zei ook tegen hen: ‘Let goed op wat je hoort: met de maat waarmee je meet, zal jou de maat genomen worden, en er zal je zelfs meer worden toebedeeld.   24 Ook heeft hij tot hen gezegd: let op wat ge hoort: met de maat waarmee ge meet zal aan ú worden gemeten en aan u worden toegevoegd; 24. Et il leur disait : « Prenez garde à ce que vous entendez ! De la mesure dont vous mesurez, on mesurera pour vous, et on vous donnera encore plus.  

Statenvertaling . 24 En Hij zeide tot hen: Ziet, wat gij hoort. Met wat mate gij meet, zal u gemeten worden, en u, die hoort, zal meer toegelegd worden.
King James Bible . [24] And he said unto them, Take heed what ye hear: with what measure ye mete, it shall be measured to you: and unto you that hear shall more be given.
Luther-Bibel . 24 Und er sprach zu ihnen: Seht zu, was ihr hört! Mit welchem Maß ihr messt, wird man euch wieder messen, und man wird euch noch dazugeben.

Tekstuitleg van Mc 4,24 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .

3. voornaamw. dat. mann. en onz. mv.autois (hen) van autos . Taalgebruik in het N.T. : aanwijzend voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 4 (10) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,12 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,33 . (8) Mc 4,34 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,40 .

1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . N.T. (12) . Mc (11) . Lc (1) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,11 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 .

4. act. ind. pr. + imperat. pr. 2de pers. mv. blepete (jullie kijken, kijkt) . van het werkw. blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in het N.T. : blepô (kijken, zien) . Taalgebruik in Mc : blepô (kijken, zien) .
Mc (8) : (1) Mc 4,24 . (2) Mc 8,15 . (3) Mc 8,18 . (4) Mc 12,38 . (5) Mc 13,5 . (6) Mc 13,9 . (7) Mc 13,23 . (8) Mc 13,33 . Een vorm van blepô (kijken, zien) in Mc in 14 verzen .

6. actief imperat. pr. 2de pers. enk. akouete . Taalgebruik in Mc 4 : akouô (horen) . Taalgebruik in het N.T. : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,24

7. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans .
Mc (119) . Mc 4 (13) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,8 . (5) Mc 4,11 . (6) Mc 4,17 . (7) Mc 4,20 . (8) Mc 4,24 . (9) Mc 4,28 . (10) Mc 4,30 . (11) Mc 4,35 . (12) Mc 4,36 . (13) Mc 4,38 .

13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,25 - Mc 4,25 : 131. Let op wat je hoort - Mc 4,24-25 - Mt 7,1-5 - Lc 13,18-19 - Mt 13,10-15 - Lc 8,18 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,24 - Mc 4,25 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
4:25 os gar echei dothèsetai autô kai os ouk echei kai o echei arthèsetai ap autou 25 qui enim habet dabitur illi et qui non habet etiam quod habet auferetur ab illo Wie immers heeft, hem zal gegeven worden; en wie niet heeft, zelfs wat hij heeft zal van hem afgenomen worden.   [25] Want aan degene die heeft, zal gegeven worden; en aan degene die niets heeft, zal zelfs nog ontnomen worden wat hij heeft.’ [25] Want wie heeft zal nog meer krijgen; maar wie niets heeft zal zelfs het laatste worden ontnomen.’ 25 want wie heeft, hem zal gegeven worden, en wie niets heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden weggenomen! 25. Car celui qui a, on lui donnera, et celui qui n'a pas, même ce qu'il a lui sera enlevé. »

Statenvertaling . 25 Want zo wie heeft, dien zal gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden, ook dat hij heeft.
King James Bible . [25] For he that hath, to him shall be given: and he that hath not, from him shall be taken even that which he hath.
Luther-Bibel . 25 Denn wer da hat, dem wird gegeben; und wer nicht hat, dem wird man auch das nehmen, was er hat.

Tekstuitleg van Mc 4,25 .

1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 4 (3) : (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,25 .

3. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

9. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .

10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 4 (40 / 48) of in 8 van de 48 verzen niet . (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

12. act. ind. pr. 3de pers. enk. echei (hij heeft) van het werkw. echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik in Mc 4 : echô (hebben, bezitten) . Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het N.T. . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,23 . (3) Mc 4,25 .

11. bep. lidw. nom. m. enk. ho (de) : Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

15. pers. vnw. gen. mann. enk. autou (bij hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 4,36 .

132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit : Mc 4,26-29 - Mc 4,26-29 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,26 - Mc 4,27 - Mc 4,28 - Mc 4,29 -

Mc 4,26b-27 : 5 nevenschikkende zinnen met elkaar verbonden door het voegwoord kai (en) . Drie zinnen hebben betrekking op de zaaier , twee op het zaad .

1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in Mc 4 : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 4,31 .

8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc 4 : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . ou (niet) in Mc 4 (2) : (1) Mc 4,22 . (2) Mc 4,38 . ouk (niet) in Mc 4 (7) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 4,7 . (3) Mc 4,13 . (4) Mc 4,17 . (5) Mc 4,25 . (6) Mc 4,27 . (7) Mc 4,34 . ouch (niet) in Mc 4 (1) : Mc 4,21 .

11. betrekk. voornaamw. nom. onzijdig enk. ho (dat) . Taalgebruik in Mc 4 : bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 4 (12) : (1) Mc 4,1 . (2) Mc 4,3 . (3) Mc 4,4 . (4) Mc 4,6 . (5) Mc 4,14 . (6) Mc 4,15 . (7) Mc 4,21 . (8) Mc 4,25 . (9) Mc 4,27 . (10) Mc 4,29 . (11) Mc 4,39 . (12) Mc 4,41 .

Mc 4,26 - Mc 4,26 : 132. Gelijkenis van het zaad dat vanzelf groeit - Mc 4,26-29 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 4 -- Mc 4,26 - Mc 4,27 - Mc 4,28 - Mc 4,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Liturgische lezing: 11zdhj (B) Willibrord Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
26 kai elegen outôs estin è basileia tou theou ôs anthrôpos balè ton sporon epi tès gès 26 et dicebat sic est regnum Dei quemadmodum si homo iaciat sementem in terram En hij zei: "Zo is het Rijk Gods: zoals een mens het zaad werpt op de aarde 26 In die tijd zei Jezus tot de menigte: "Het gaat met het Rijk Gods als met een man die zijn land bezaait; [26] Ook zei Hij: ‘Met het koninkrijk* van God gaat het als met iemand die zaad op zijn land heeft gestrooid. [26] En hij zei: ‘Het is met het koninkrijk van God als met een mens die zaad uitstrooit op de aarde: 26 Ook heeft hij gezegd: zó is het met het koningschap van God,– als met een mens die het zaad uitwerpt over de aarde; 26. Et il disait : « Il en est du Royaume de Dieu comme d'un homme qui aurait jeté du grain en terre :

Statenvertaling . 26 En Hij zeide: Alzo is het Koninkrijk Gods, gelijk of een mens het zaad in de aarde wierp;
King James Bible . [26] And he said, So is the kingdom of God, as if a man should cast seed into the ground;
Luther-Bibel . 26 Und er sprach: Mit dem Reich Gottes ist es so, wie wenn ein Mensch Samen aufs Land wirft

Tekstuitleg van Mc 4,26 .

Mc 4,26.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik : kai (en) in Mc . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Van de eenenveertig verzen in Mc 4 niet in acht verzen : (1) Mc 4,3 . (2) Mc 4,14 . (3) Mc 4,22 . (4) Mc 4,23 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,29 . (7) Mc 4,31 . (8) Mc 4,34 .

Mc 4,26.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon . Mc (31) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (4) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 4 in 11 verzen : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,13 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 4,26 . (8) Mc 4,30 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 4,38 . (11) Mc 4,41 . Een vorm van eipon (ik zei) in Mc 4 in 2 verzen : (1) Mc 4,39 . (2) Mc 4,40 .

Mc 4,26.1. - 2. kai elegen (en hij zei) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . N.T. (19) . Mc (16) . Lc (2) . Joh (1) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,2 . (2) Mc 4,9 . (3) Mc 4,11 . (4) Mc 4,21 . (5) Mc 4,24 . (6) Mc 4,26 . (7) Mc 4,30 . Niet gevolgd door autois (hen) . N.T. (7) . Mc (5) . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,9 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .

3. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

Mc 4,26.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (7) : (1) Mc 4,17 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,21 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 4,28 . (6) Mc 4,30 . (7) Mc 4,41 .

Mc 4,26.6. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) . Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 (gen.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 4,30 (acc.) .

Mc 4,26.7. bep. lidw. gen. m. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc 4 (5) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,19 . (3) Mc 4,26 . (4) Mc 4,30 . (5) Mc 4,32 .

Mc 4,26.8. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . De vloek dju . Mc 4 (3) : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 .

Mc 4,26.5. - 8. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 10,14 .

9. Onbep. voornaamw. van wijze hôs (zoals) . Taalgebruik : hôs (zoals) . Mc 4 (4) : (1) Mc 4,26 . (2) Mc 4,27 . (3) Mc 4,31 . (4) Mc 4,36 .