- Marcus: overzicht.
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc: commentaar.
145. Prediking te Nazaret en verwerping: Mc 6,1-6a - Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 -
Lezing op de 14de (veertiende) zondag door het b-jaar: Mc 6,1-6a.
In die tijd ging Jezus vandaar weg om zich naar zijn vaderstad te begeven en zijn leerlingen gingen met Hem mee. Toen het sabbat was begon Hij te onderrichten in de synagoge. De talrijke toehoorders vroegen verbaasd: "Waar heeft Hij dat vandaan? En wat is dat voor een wijsheid die Hem geschonken is? En wat zijn dat voor wonderen die zijn handen verrichten? Is dat niet de timmerman, de zoon van Maria en de broeder van Jakobus en Jozef en Judas en Simon? En wonen zijn zusters niet hier bij ons?" En zij namen er aanstoot aan. Maar Jezus sprak tot hen: "Een profeet wordt overal geëerd behalve in zijn eigen stad, bij zijn verwanten en in zijn eigen kring." Hij kon geen enkel wonder doen, behalve dat Hij een klein aantal zieken genas die Hij de handen oplegde. Hij stond verwonderd over hun ongeloof. Jezus ging rond door de dorpen in de omtrek, waar Hij onderricht gaf.
Hoe verhoudt Nazaret zich tot Jezus. Jezus is afkomstig uit Nazaret. Volgens Marcus gaat Jezus van Nazaret naar Judea om zich door Johannes te laten dopen. Bij zijn terugkeer naar Galilea gaat hij niet naar Nazaret maar naar Kafarnaüm. Er is een sterke gelijkenis tussen het optreden van Jezus in Kafarnaüm (Mc 1,21 - Mc 1,22 - Mc 1,23-28 ) en Nazaret (Mc 6,1-6a) althans wat het begin van het optreden in Nazaret betreft. In Nazaret vindt hij aanhangers maar ook tegenstanders.
Volgens Mc 1,9 ging Jezus van Nazaret van Galilea naar Johannes de Doper om zich door hem te laten dopen. Volgens Mc 1,14 ging Jezus naar Galilea (terug). Maar hij ging niet naar Nazaret. Volgens Mc 6,1-6a had Jezus er mee- en tegenstanders.Dat past nog niet bij het begin van het Marcusevangelie. Jezus ging naar Galilea terug niet om zijn vroegere plaats herin te nemen en zijn vroegere taak terug op te nemen. Hij ging naar Galilea om in de lijn van Johannes de Doper leraar te zijn. Dat was duidelijk in Mc 1,14-28 maar het wordt nog eens duidelijk gemaakt in Mc 6,1-6a.
De familie van Jezus is niet zo opgezet met het optreden van Jezus (Mc 3,20). Maar wat is zo opmerkelijk? Na een reeks twistgesprekken (Mc 2,1-3,6) beslissen Farizeeërs en Herodianen om Jezus om te brengen. Na een samenvatting (Mc 3,7-12) volgt de roeping van de leerlingen, die eindigt met de vermelding van Judas, die Jezus overleverde (Mc 3,19). In Mc 3,20 vermeldt Marcus dat de familie van Jezus uittrok om hem vast te grijpen omdat hij waanzinnig (buiten zichzelf) was. We mogen niet vergeten dat de overlevering van Jezus aan de joodse en Romeinse overheden slechts mogelijk was door het verraad van een meest nabije, uit de eigen kring. De vrees dat het de familie van Jezus zou zijn komt hier om de hoek kijken. Het maande Jezus tot voorzichtigheid aan. Het is niet voor niets dat Jezus hierna predikte in parabels.
| Mc 6,1 - Mc 6,1 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 1 En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en
Zijn discipelen volgden Hem.
King James Bible. [1] And he went out from thence, and came into his own country;
and his disciples follow him.
Luther-Bibel. 1 Und er ging von dort weg und kam in seine Vaterstadt, und seine
Jünger folgten ihm nach.
Tekstuitleg van Mc 6,1. Dit vers Mc 6,1 telt 15 (3 X 5) woorden , 32 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) lettergrepen en 77 (7 X 11) letters. Mc 6,1 bestaat uit 3 nevenschikkende zinnen. De eerste nevenschikkende zin geeft aan vanwaar Jezus komt , de tweede waarnaar Jezus gaat.
| Mc 6,1 | Mt 13,53 | Lc 4,16 | |
| 1Καὶ ἐξῆλθεν ἐκεῖθεν, καὶ ἔρχεται εἰς τὴν πατρίδα αὐτοῦ, καὶ ἀκολουθοῦσιν αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ. | 53Καὶ ἐγένετο ὅτε ἐτέλεσεν ὁ Ἰησοῦς τὰς παραβολὰς ταύτας, μετῆρεν ἐκεῖθεν. 54καὶ ἐλθὼν εἰς τὴν πατρίδα αὐτοῦ | 16Καὶ ἦλθεν εἰς Ναζαρά, οὗ ἦν τεθραμμένος, |
Mc 6,1.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,1.2. ind. aor. 3de pers. enk. εξηλθεν = exèlthen (ging uit) van het
werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in de LXX: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Bijbel (289). OT (222). NT (67). Mt (6). (1) Mt
8,34. (2) Mt
9,26. (3) Mt
13,3. (4) Mt
17,18. (5) Mt
20,1. (6) Mt
21,17. Mc ( 11) : (1) Mc
1,26. (2) Mc
1,28. (3) Mc
1,35. (4) Mc
2,12. (5) Mc
2,13. (6) Mc
4,3. (7) Mc
6,1. (8) Mc
8,27. (9) Mc
9,26. (10) Mc
11,11. (11) Mc
14,68. Lc (8): (1) Lc
2,1. (2) Lc
4,14. (3) Lc
4,35. (4) Lc
5,27. (5) Lc
7,17. (6) Lc
8,5. (7) Lc
8,35. (8) Lc
17,29. Joh (19). Het is de 7de maal dat deze vorm εξηλθεν = exèlthen in Mc gebruikt
wordt. Het huis , waarnaar verwezen wordt , is een besloten ruimte. Men kan
er buitengaan. Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38).
- act. part. aor. nom. mann. enk. εξελθων = exelthôn (uitgegaan) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in de LXX: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Bijbel (38). LXX (17). NT (21: Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc (38).
- Link met εισελθων = eiselthôn (binnengegaan) (Mc
5,39). εις τον οικον = eis ton oikon (Mc
5,38) wordt verondersteld. Mc 5,39-43 speelt zich binnenkamers af. Jezus ging uit het huis van het dochtertje van Jaïrus dat hij uit de doden
opwekte.
- Uit-gaan kan betekenen: van een besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven.
|
Mc 6,1.1.
- 2. και εξηλθεν = kai exèlthen (en hij ging uit). NT (18): (1) Mt
9,26. (2) Mt
17,18. (3) Mc
2,13. (4) Mc
6,1. (5) Mc
8,27. (6) Mc
14,68. (7) Lc
7,17. enz. Maar vaak gaat een participiumzin of een bepaling aan het vervoegd
werkw. εξηλθεν = exèlthen vooraf.
- εξηλθεν δε = exèlthen de (hij echter ging uit). Bijbel = NT (1): Lc
8,35.
- ὁ δε εξελθων = (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan). Slechts in Mc
1,45 in het NT.
- και εξελθων = kai exelthôn (en uitgegaan). LXX (8). NT (8): (1) Mt
14,14. (2) Mt
15,21. (3) Mt 20,3. (4) Mt 24,1. (5) Mt
26,75. (6) Mc
6,34. (7) Lc
22,39. (8) Hnd 12,9.
- Hebreeuws: וַיֵּצֵא = wajjetse´ (en hij ging uit) < waw consec. en qal
act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. יָצָא = jâtsa´
(uitgaan, uittrekken). Taalgebruik in Tenakh: jâtsâ´
(uitgaan, uittrekken). Getalswaarde: jod = 10 , tsade = 18 of 90 , aleph
= 1 ; totaal: 29 (priemgetal) OF 101 priemgetal. Structuur: 1 - 9 - 1. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (191). Pentateuch (55). Eerdere Profeten (76). Latere Profeten (21). 12 Kleine
Profeten (6). Geschriften (33).
- Latijn: act. part. aor. nom. mann. enk. egressus (uitgeschreden) van het werkw. egredi (uitschrijden). Bijbel (181). Mc (6).
Mc 6,1.3. εκειθεν = ekeithen. Taalgebruik
in het NT: vanhier,
vandaar. Taalgebruik
in de LXX: vanhier,
vandaar. Taalgebruik in Mc: vanhier,
vandaar. Mc (5): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,10. (3) Mc
6,11. (4) Mc
7,24. (5) Mc
10,1.
- Mc
6,10 en Mc
6,11 behoren tot de zendingsrede. εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie
verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte) , οικος = oikos
of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar).
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar). LXX (9): (1) Gn 11,9. (2) Nu 21,13. (3) Nu 21,16. (4) Dt 30,4. (5) Joz
19,13. (6) 2 K 2,25. (7) 2 K 7,2. (8) 2 K 7,19. (9) Mi 4,10. NT (2): (1) Mc
7,24. (2) Lc 9,4.
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar). LXX (5): NT (0).
| ekeithen (vandaar) | Mc | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | ekeithen | 5 | (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,11 | (4) Mc 7,24. | (5) Mc 10,1 | 157 | 130 | 27 | 12 | 5 | 3 | 2 | 4 | 1 | 20 | 22 | ||
| 2 | kakeithen | 1 | (1) Mc 9,30. | 10 | 10 | 1 | 1 | 8 | ||||||||||
| totaal | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 167 | 130 | 37 | 12 | 6 | 4 | 2 | 12 | 1 | 20 | 22 |
- Hebreeuws: מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem
(naam). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2
X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (103). Pentateuch (37).
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m. Tenakh (8).
- Hebreeuws: שָׁם = sjâm (daar). Zie het werkw. שָׂם = shâm
(plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen). Getalswaarde: shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ;
totaal: 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. s-m: Tenakh (1424).
- Ned.: daar (aanwijz. bijw. van plaats; da.. r) <-> hier (aanwijz. bijw. van plaats: hi...r; zie persoonl. voornaamw. hij). D.: da <-> hier. E.: the-re <-> he-re. Grieks: εκει (hier; Fr.: ici; k - c -h). Arabisch: هناك = hunak (daar; h... in Ned.: hij) <-> هنا = huna (hier). Hebreeuws: שָׁם = sjâm (daar). Zie het werkw. שָׂם = shâm
(plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh: shâm
(plaatsen, stellen). Lat.: ibi (daar) <-> hic (hier).
Linken tussen ochlos (menigte) (Mc
5,21) , oikos (huis) (Mc
5,38) en kai exèlthen ekeithen (vanaf hier) (Mc
6,1). Dochtertje van Jaïrus + bloedbloeiende vrouw , in het huis van
Jaïrus , Nazaret.
- Mc 5,21: sunèchthè ochlos polus ep'auton (verzamelde zich een grote menigte
bij hem).
- Mc 5,37: kai ouk afèken oudena... ei mè (en hij liet niet toe... tenzij). Mc 5,38: kai erchontai eis ton oikon tou... (en zij gaan naar het huis van...).
- Mc 6,1: και εξηλθεν = kai exèlthen ekeithen (en hij ging vandaar naar buiten).
Mc 6,1.2.
- 3. εξηλθεν εκειθεν = exèlthen ekeithen (hij ging vandaar uit). LXX (2): (1) Gn 10,14. (2) 1 K 12,25. NT (2): (1) Mc 6,1. (2) Joh
4,43.
Mc 6,1.1. - 3. και εξηλθεν εκειθεν = kai exèlthen ekeithen (en hij ging vandaar uit). Bijbel (2): (1) 1 K 12,25. (2) Mc 6,1.
- Een vorm van εξερχομαι = exerchomai (uitgaan, naar buiten gaan) EN εκειθεν = ekeithen (vanaf
hier) in: (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,10 ; EN κακειθεν = kakeithen (en vanaf hier) εξελθοντες = exelthontes (uitgegaan): Mc
9,30.
- וַיֵּצֵא מִשָּׁם = wajjetse´ misjsjâm (en vandaar ging hij uit). Tenakh (3): (1) Joz
19,34. (2) 1 K 12,25. (3) Jr 43, 2.
Mc 6,1.1. - 3. Er zijn nogal grote gelijkenissen tussen Mc 6,1 , Mc 7,24 , Mc 9,30 en Mc 10,1. εκειθεν = ekeithen verwijst naar een vorige plaats die verlaten wordt. Hierop volgt dat er naar een andere plaats wordt gegaan. Vanwaar... naar waar.
Mc 6,1.4. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52. Begin van de tweede nevenschikkende hoofdzin in Mc 6,1. Tweede nevenschikkende zin.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,1.2. - 4. εξηλθεν εκειθεν και = exèlthen ekeithen kai (hij ging vandaar uit en). LXX (1): (1) 1 S 12,25. NT (2): (1) Mc 6,1. (2) Joh 4,43.
Mc 6,1.5. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in Mc.: erchomai
(gaan, komen).
Mc (16): (1) Mc
1,7. (2) Mc
1,40. (3) Mc
3,20. (4) Mc
3,31. (5) Mc
4,15. (6) Mc
4,21. (7) Mc
5,22. (8) Mc
6,1. (9) Mc
6,48. (10) Mc
10,1. (11) Mc
13,35. (12) Mc
14,17. (13) Mc
14,37. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,66. (16 ) Mc
15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , Mt (111) , Mc (86) , Lc (100) , Joh (156) , Hnd (54) , in Mc 6 (5): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,29. (3) Mc
6,31. (4) Mc
6,48. (5) Mc
6,53.
In Mc
1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc
5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. In Mc 6,1 gaat Jezus naar zijn vaderstad. In 7 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc
3,20. (2) Mc
6,1. (3) Mc
6,48. (4) Mc
10,1. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,37. (7) Mc
14,41.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. 3de p. enk. erchetai | 130 | 42 | 88 | 13 | 16 | 11 | 37 | 1 | 7 | 3 | 40 | 77 |
- Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
- Ned.: gaan. D.: gehen. E.: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Lat.: ire. vadere (Fr. je vais , il va). ambulare (Fr. nous allons , vous allez).
Mc 6,1.4.
- 5. και ερχεται = kai erchetai (en hij gaat, en hij komt). LXX (10): (1) 1 S 10,10. (2) 1 S 10,13. (3) 1 S 19,22. (4) 1 S 20,1. (5) 1 S 20,24. (6) 1 S 21,2. (7) 1 S 22,1. (8) 1 K 11,43. (9) 1 K 19,3. (10) 1 K 21,43. NT (11). Mt (2): (1) Mt
8,9. (2) Mt
26,40. Mc (6): (1) Mc
1,40. (2) Mc
3,20. (3) Mc
3,31. (4) Mc
5,22. (5) Mc
14,37. (6) Mc
14,41. Lc (2): (1) Lc 7,8. (2) Lc
14,27. Joh (2): (1) Joh
11,29. (2) Joh
20,2. In Mc bij het begin van het vers (6):
(1) Mc
1,40. (2) Mc
3,20. (3) Mc
3,31. (4) Mc
5,22. (5) Mc
14,37. (6) Mc
14,41. In het midden van de zin: Mc
6,1.
- και ερχονται = kai erchontai (en zij gaan). LXX (7): (1) 1 S 7,1. (2) 1 S 11,4. (3) 1 S 19,16. (4) 1 S 26,1. (5) 1 S 31,7. (6) 1 K 13,11. NT (9) = Mc (9): (1) Mc
2,3. (2) Mc
2,18. (3) Mc
3,20 / Mc
3,19 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan). (4) Mc
5,15. (5) Mc
5,38. (6) Mc
8,22. (7) Mc
10,46. (8) Mc
11,15. (8) Mc
11,27. (9) Mc
12,18. (10) Mc
14,32.
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf.
3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (21): (1) 1 S 4,13. (2) 1 K 3,15. (3) 1 K 7,14. (4) 1 K 13,11. (5) 1 K 22,15. (6) 1 K 22,30. (7) 1 K 22,37. (8) 2 K 9,30. (9) Js 38,1. (10) Ez 14,1. (11) Ez 23,44. (12) Ez 36,20. (13) Ez
40,6. (14) Hos 6,3. (15) Ps 24,7. (16) Job 1,6. (17) Job 2,1. (18) Est 4,2. (19) Est 4,9. (20) Est 5,10. (21) Est 6,6.
- וַּיָּבִא = wajjâbe´ (en hij ging) < prefix voegwoord consec. wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (289).
- Hebreeuws: prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ = wajjâbo´û
(en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û
(en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch
(47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine
Profeten (2). Geschriften (33).
Mc 6,1.6. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,1.5. - 6. ερχεται εις = erchetai eis (hij gaat naar). LXX (9): (1) Gn
32,7. (2) 1 S 10,13. (3) 1 S 22,1. (4) 1 K 11,43. (5) 1 K 19,3. (6) 1 K 21,43. (7) Spr 14,12. (8) Spr 14,15. (9) Jr 31,21. NT (5). Mc (5): (1) Mc
3,20. (2) Mc
5,38 (variante erchontai: zij gaan). (3) Mc
6,1. (4) Mc
8,22 (variante erchontai = zij gaan). (5) Mc
10,1. Joh ( 1) Joh
11,3. Jezus is telkens onderwerp.
- ερχονται εις = erchontai eis (zij gaan naar). LXX (2): (1) 2 S 2,29. (2) 1 K 11,18. NT (4): (1) Mc
3,20. (2) Mc
10,46. (3) Mc
11,15. (4) Mc
14,32.
Mc 6,1.4.
- 6. και ερχεται εις = kai erchetai eis (en hij gaat naar, en hij komt naar). LXX (5): (1) 1 S 10,13. (2) 1 S 22,1. (3) 1 K 11,43. (4) 1 K 19,3. (5) 1 K 21,43. NT (2): (1) Mc
5,38 (variante ερχονται = erchontai: zij gaan; dochter van Jaïrus). (2) Mc
8,22 (variante ερχονται = erchontai = zij gaan; Betsaïda).
- και ερχονται εις = kai erchontai eis (en zij gaan naar). LXX (2): (1) 2 S 2,29. (2) 1 K 11,18. NT (4): (1) Mc
3,20 (een huis). (2) Mc
10,46 (Jericho). (3) Mc
11,15 (Jeruzalem). (4) Mc
14,32 (streek van Getsemani).
kai erchetai eis (en hij gaat naar) + plaatsbepaling. Onderwerp is Jezus.
(1) Mc
3,20 (erchetai eis oikon = hij gaat naar huis).
(2) Mc
6,1 (erchetai eis tèn patrida autou = hij gaat naar zijn vaderstad).
(3) Mc
10,1 (erchetai eis ta horia tès Ioudaias = hij gaat naar het gebied
van Judea).
Mc 6,1.7. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,1.5. - 7. - ερχεται εις την = erchetai eis tèn (hij ging naar de). Bijbel (2): (1) 1 K 11,43. (2) Mc 6,1.
- ερχεται εις τον = erchetai eis ton (hij gaat naar de). LXX (1): 1 S 10,13. NT (1): Mc
5,38.
- ερχεται εις το = erchetai eis to (hij gaat naar het). LXX (1): 1 S 22,1. NT (1): Joh
11,38.
- ερχεται εις τα = erchetai eis ta (hij gaat naar de). Bijbel (1): Mc
10,1.
Mc 6,1.8.
acc. vr. enk. πατριδα = patrida (vaderstad) van het zelfst. naamw. πατρις , -δος = patris (vaderstad).
Taalgebruik in het NT: patris
(vaderstad). Taalgebruik in de LXX: patris
(vaderstad). Bijbel (7). LXX (4): (1) Lv 25,10. (2) Jr 46,16. (3) Est 2,10. (4) Est 2,20. NT (3): (1) Mt
13,54. (2) Mc 6,1. (3) Heb 11,14. Een vorm van πατρις , -δος = patris (vaderstad) in de LXX (23) , in het NT (8). Nazaret , een
dorp van weinige betekenis ten tijde van Jezus , lag ongeveer 4,5 km ten zuiden
van de koninklijke hoofdplaats Sepphoris op de zuidgrens van Galilea. De plaats
waar Jezus zijn kinder- en jeugdjaren heeft doorgebracht. Hier wordt de houding
geschetst hoe de geboorteplaats , de bloedverwanten en de huisgenoten tegenover
een profeet staan , in concreto tegenover Jezus.
- Hebreeuws: מִשְׁפַּחְתּוֹ = misjëpachëthô (zijn stam): zelfst. naamw. stat. constr. vr. enk. + suffix bezitt. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Zie het zelfst. naamw. מִשְׁפַּחְָה = misjëpâchâh (geslacht, stam). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , sjin = 21
of 300 , pe = 17 of 80 , chet = 8 , he = 5 ; totaal: 64 (2³ X 2³) OF 433 (priemgetal). Strructuur: 4 - 3 -8 - 8 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (4): (1) Lv 25,10. (2) Lv 25,41. (3) Nu 27,4. (4) Re 1,25.
- Van Cangh (2005) , p.172 vertaalt met = môladëthô (zijn verwantschap) < zelfst. naamw. stat. constr. vr. enk. + suffix bezittel voornaamw. 3de pers. mann. enk.. Tenakh (2): (1) Gn 11,28. (2) Jr 22,10.
- שְׁפַּחְתְּנוּ = môladëthenû (onze verwantschap) < zelfst. naamw. stat. constr. vr. enk. + suffix bezittel voornaamw. 1ste pers. mv.. Tenakh (1): Jr 46,16.
Mc 6,1.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,1.6. - 8. εις την πατριδα = eis tèn patrida (naar zijn vaderland / -stad). Bijbel (3): (1) Lv 25,10. (2) Jr 46,16. (3) Mt 13,54. (4) Mc 6,1.
Mc 6,1.6. - 9. εις την πατριδα αυτου = eis tèn patrida autou (naar zijn vaderstad). Bijbel (3): (1) Lv 25,10. (2) Mt
13,54. (3) Mc 6,1.
- אֶל מִשְׁפַּחְתּוֹ = `el misjëpachëthô (naar zijn stam). Tenakh (1): Lv
25,10.
- Bij de studie van Mc 6,1 botste ik op de uitdrukking ‘naar zijn vader(-land, -stad)’. Deze uitdrukking komt 1X voor in de LXX , de Griekse vertaling van de Hebreeuwse bijbel , nl. in Lv 25,10 (Leviticus 25,10). We lezen: “Héiligen zult ge het jaar van de vijftig jaar, en vrijlating uitroepen in het land voor al zijn bewoners: een joveel zal het voor u wezen,- terugkeren zult ge ieder naar zijn stek,- ieder naar zijn familie keert ge terug!” (Naardense vertaling). De uitdrukking staat in de context van het 50ste jaar, het jobel/jubeljaar. Het is het jaar van vergeving en herstel. Op de 10de dag van de maand tisjri is het jom kippoer (grote verzoendag). In het 50ste jaar, op jom kippoerdag, wordt het jobeljaar uitgeroepen. Die dag is een sjabbatdag.
Zou Marcus Jezus bij gelegenheid van het jobeljaar naar zijn vader(-stad/-land) laten terugkeren en zou hij Jezus op jom kippoerdag, die een sjabbatdag is, hebben laten optreden? Zou niet alleen Jezus, maar ook de messiaanse christenen naar hun vader(-land, -stad) zijn teruggekeerd en op jom kippoer, een sjabbatdag, zijn opgetreden in de synagoge? Het doel van de 50ste jaar is vergeving, herstel, verzoening. Het kan bijna niet anders dat dit het thema van de synagogedienst moet geweest zijn.
Mc 6,1.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,1.11. act. ind. praes. 3de pers. mv. ακολουθουσιν = akolouthousin (zij volgen). ακολουθεω = akoloutheô (volgen). Taalgebruik in het NT: akoloutheô (volgen). Taalgebruik in de LXX: akoloutheô (volgen). Taalgebruik in Mc: akoloutheô (volgen). Bijbel (3): (1) Mt 8,10. (2) Mc 6,1. (3) Joh 10,27. Een vorm van ακολουθεω = akoloutheô (volgen) in de LXX (13) , in het NT (90) , in Mc (17) , in Lc (17). In de LXX kan ακολουθεω = akoloutheô de vertaling van 4 Hebreeuwse werkwoorden zijn.
Mc 6,1.12. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,1.11. - 12. Een vorm van akoloutheô + aanwijz. vnw. dat. mann. enk. autô(i): hem volgen. In de betekenis van Jezus volgen: Mc (6): (1) Mc 2,14. (2) Mc 5,24. (3) Mc 6,1. (4) Mc 10,52. (5) Mc 14,54. (6) Mc 15,41. Iemand anders dan Jezus: (1) Mc 14,13.
Mc 6,1.13. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,1.14. nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in de LXX: mathètès (leerling). Mc (17). (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. (3) Mc 5,31. (4) Mc 6,1. (5) Mc 6,29. (6) Mc 6,35. (7) Mc 7,5. (8) Mc 7,17. (9) Mc 8,4. (10) Mc 8,27. (11) Mc 9,28.. (12) Mc 10,10. (13) Mc 10,13. (14) Mc 10,24. (15) Mc 11,14. (16) Mc 14,12. (17) Mc 14,16. Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262). 4de X nom. , 9de X een vorm van mathètès (leerling).
| mathètès (leerling) | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 5 | nom. mv. mathètai | 2 : (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. | 1 : Mc 5,31 | 3 : (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,35. | 2 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,17. | 2 : (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,27. | 1 : Mc 9,28. | 3 : (1) Mc 10,10. (2) Mc 10,13. (3) Mc 10,24. | 1 : Mc 11,14. | 2 : (1) Mc 14,12. (2) Mc 14,16. | 105 | 105 | 38 | 17 | 10 | 36 | 4 | 65 | 101 |
Mc 6,1.15. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,1.13. - 15. οἱ μαθηται αυτου = oi mathètai autou (zijn leerlingen). Mc (11 / 17). Niet in (1) Mc 2,18. (2) Mc 7,5. (3) Mc 10,10. (4) Mc 10,13. (5) Mc 10,24. (6) Mc 14,16.
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,2 - Mc 6,2 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 2 En als het sabbat geworden was, begon Hij in de synagoge
te leren; en velen, die Hem hoorden, ontzetten zich, zeggende: Van waar komen
Dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit, die Hem gegeven is, dat ook zulke
krachten door Zijn handen geschieden?
King James Bible. [2] And when the sabbath day was come, he began to teach
in the synagogue: and many hearing him were astonished, saying, From whence
hath this man these things? and what wisdom is this which is given unto him,
that even such mighty works are wrought by his hands?
Luther-Bibel. 2 Und als der Sabbat kam, fing er an zu lehren in der Synagoge.
Und viele, die zuhörten, verwunderten sich und sprachen: Woher hat er das? Und
was ist das für eine Weisheit, die ihm gegeben ist? Und solche mächtigen Taten,
die durch seine Hände geschehen?
Tekstuitleg van Mc 6,2.
| Mc 6,2 | |||
| 2καὶ γενομένου σαββάτου ἤρξατο διδάσκειν ἐν τῇ συναγωγῇ: καὶ πολλοὶ ἀκούοντες ἐξεπλήσσοντο λέγοντες, Πόθεν τούτῳ ταῦτα, καὶ τίς ἡ σοφία ἡ δοθεῖσα τούτῳ καὶ αἱ δυνάμεις τοιαῦται διὰ τῶν χειρῶν αὐτοῦ γινόμεναι; | ἐδίδασκεν αὐτοὺς ἐν τῇ συναγωγῇ αὐτῶν, ὥστε ἐκπλήσσεσθαι αὐτοὺς καὶ λέγειν, Πόθεν τούτῳ ἡ σοφία αὕτη καὶ αἱ δυνάμεις; | καὶ εἰσῆλθεν κατὰ τὸ εἰωθὸς αὐτῷ ἐν τῇ ἡμέρᾳ τῶν σαββάτων εἰς τὴν συναγωγήν, 22Καὶ πάντες ἐμαρτύρουν αὐτῷ καὶ ἐθαύμαζον ἐπὶ τοῖς λόγοις τῆς χάριτος τοῖς ἐκπορευομένοις ἐκ τοῦ στόματος αὐτοῦ, |
Mc 6,2.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,2.2.
part. aor. gen. onz. enk. γενομενου = genomenou (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden,
gebeuren). Taalgebruik in de LXX: ginomai
(worden). Taalgebruik in het NT: ginomai
(worden). Taalgebruik in Mc: ginomai
(worden). Bijbel (13): (1) Gn 21,3. (2) Job 31,25. (3) 2 Mak 02,22. (4) 2 Mak 08,24. (5) 2 Mak 12,22. (6) 2 Mak 14,44. (7) Mt 26,6. (8) Mc
6,2. (9) Hnd
1,16. (10) Hnd 25,15. (11) Hnd 28,9. (12) Rom 1,3. (13) Heb 9,15. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667).
- part. aor. gen. mann. en onz. enk. διαγενομενου = diagenomenou (doorgekomen) van het werkw. διαγινομαι = diaginomai (doorkomen, doorbrengen, vergaan, vervliegen). Taalgebruik in de Bijbel: diaginomai (doorkomen, doorbrengen). Bijbel: (1) Mc
16,1 (2) Hnd
27,9. Een vorm van διαγινομαι = diaginomai in de LXX (1): 2
Mak 11,26 , in het NT (3): (1) Mc
16,1 (2) Hnd 25,13. (3) Hnd
27,9. Telkens is het in een losse genitiefconstructie , die een tijdsbepaling aanduidt.
1. - 2. και γενομενου = kai genomenou (en geworden). LXX (1): 2 Mak 12,22. NT (1): Mc
6,2.
- και διαγενομενου = kai diagenomenou (en doorgekomen). Bijbel (1): Mc
16,1.
Mc 6,2.3. gen. onz. enk. σαββατου = sabbatou (sabbat) van het zelfst. naamw. σαββατον = sabbaton (sabbat). Taalgebruik in het NT: sabbaton (sabbat). Taalgebruik in de LXX: sabbaton (sabbat). Taalgebruik in Mc: sabbaton (sabbat). Mc (4): (1) Mc 2,28. (2) Mc 6,2. (3) Mc 16,1. (4) Mc 16,9. Een vorm van σαββατον = sabbaton (sabbat) in de LXX (130) , in het NT (68).
| sabbaton (sabbat) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | gen. onz. enk. sabbatou | 26 | 13 | 13 | 1 | 4 | 5 | 1 | 1 | 1 | 10 | 11 | 1 | ||
| totaal | 181 | 116 | 65 | 10 | 11 | 20 | 12 | 10 | 2 | 41 | 53 | 2 |
| Mt | Mc | Lc | Joh | syn. | ev. | ||
| 2 | gen. onz. enk. sabbatou | 1 : Mt 12,8. | 4 : (1) Mc 2,28. (2) Mc 6,2. (3) Mc 16,1. (4) Mc 16,9. | 5 : (1) Lc 6,5. (2) Lc 13,14. (3) Lc 13,16. (4) Lc 14,5. (5) Lc 18,12. | 1 : Joh 19,31. | 10 : (1) Mt 12,8 // Mc 2,28 // Lc 6,5. (2) Mc 6,2 // Lc 4,16. | 11 |
Mc 6,2.2. - 3. In Mc 6,2 vinden we de losse genitief γενομενου σαββατου = genomenou sabbatou (toen het sabbat was geworden = op sabbat). Zo komt het begin van Mc 6,2 sterk overeen met het begin van Mc 16,1. De combinatie van γενομενου = genomenou en sσαββατου = abbatou komt in de bijbel enkel hier voor.
| Mc 1,21 | Mc 6,2 | Mc 16,1 | Mc 16,2 |
| kai lian prôi (en zeer vroeg) | |||
| tois sabbasin (op sabbatdagen) | kai genomenou sabbatou (en toen het sabbat was geworden) | kai diagenomenou tou sabbatou (en toen de sabbat was voorbijgegaan) | en tèi miai tôn sabbatôn (op de eerste van de weken) |
| anateilantos tou hèliou (bij zonsopgang) | |||
| 24. Jezus leert en geneest: Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31. | 145. Prediking te Nazaret en verwerping: Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis: Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis: Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 |
- Hebreeuws: הַשַּׁבָּת = sjâbbath (sabbat) < prefix bepaald lidw. + zelfst. naamw.. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 45
(5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9.Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 45
(5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (39). Pentateuch (15): (1) Ex 16,29. (2) Ex 20,8. (3) Ex 20,11. (4) Ex 31,14. (5) Ex 31,15. (6) Ex 31,16. (7) Ex 35,3. (8) Lv 23,11. (9) Lv 23,15. (10) Lv 23,16. (11) Lv 24,8. (12) Nu 15,32. (13) Nu 28,9. (14) Dt 5,12. (15) Dt 5,15.
- zelfst. naamw. שַׁבָּת = sjâbbath (sabbat). Zie: sj-b-th. Taalgebruik in Tenakh: sj-b-th. Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 45
(5 X 19) OF 702 (2 X 3³ X 13). Structuur: 3 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 9. Stat. constructus. Tenakh (11): (1) Ex 16,23. (2) Ex 31,15. (3) Ex 35,2. (4) Lv 16,31. (5) Lv 23,3. (6) Lv
23,32. (7) Lv 25,4. (8) Lv 25,6. (9) Nu 28,10. (10) Neh 9,14. (11) 1 Kr 9,32.
Marcus presenteert het optreden van Jezus in Kafarnaüm en in Nazaret in een parallelverhaal. Het meer van Galilea en de stad Kafarnaüm aan de oever gaf Jezus en zijn leerlingen een groter veiligheidsgevoel dan b.v. Nazaret , omdat zij bij gevaar de zee konden oversteken. Na de dood van Jezus zullen de leerlingen terug naar Galilea gaan.
Mc 6,2.4. ind. aor. 3de pers. enk. ηρξατο = èrxato (hij begon) van het werkw. αρχομαι = archomai (beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in de LXX: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Mc (18): (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8.
| archomai (beginnen, aanvangen) | Mt | Mc | Lc | syn. | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | |
| ind. aor. 3de p. enk. èrxato | 7: (1) Mt 4,17. (2) Mt 11,7. (3) Mt 11,20. (4) Mt 16,21. (5) Mt 16,22. (6) Mt 26,37. (7) Mt 26,74. | 18: (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | (1) Lc 4,21. (2) Lc 7,15. (3) Lc 7,24. (4) Lc 7,38. (5) Lc 9,12. (6) Lc 11,29. (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30. (9) Lc 15,14. (10) Lc 19,45. (11) Lc 20,9. | (1) Mt 11,7 // Lc 7,24. (2) Mt 16,21 // Mc 8,31. (3) Mt 16,22 // Mc 8,32. (4) Mt 26,37 // Mc 14,33. (5) Mt 26,74 // Mc 14,71. (6) Mc 11,15 // Lc 19,45. (7) Mc 12,1 // Lc 20,9. | 18 | 1 : (1) Mc 1,45. | 1: Mc 4,1. | 1: (3) Mc 5,20. | 3: (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. | 2: (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. | 3: (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. | 1: (12) Mc 11,15. | 1: (13) Mc 12,1. | 1: (14) Mc 13,5. | 3: (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | 1: (18) Mc 15,8. | 76 | 35 | 41 | 7 | 18 | 11 | 1 | 4 |
- Hebreeuws: וַיָּחֶל = wajjâchèl (en hij begon) < prefiw voegwoord w consecutivum + act. hifil imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָלַל = châlal (beginnen). Taalgebruik in Tenakh: châlal (beginnen). Getalswaarde: chet = 8 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 32 (2² X 2³) OF 68 (2² X 17). Structuur: 8 - 3 - 3. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (): (1) Gn 8,10. (2) Gn 9,20. (3) Nu 25,1. (4) Re 16,22. (5) 1 S 31,3. (6) Jon 3,4. (7) 1 Kr 10,3. (8) 2 Kr 3,1. (9) 2 Kr 3,2.
Mc 6,2.5. actief inf. praes. διδασκειν = didaskein (onderrichten) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren,
onderrichten). Taalgebruik in de NT: didaskô
(leren). Taalgebruik in de LXX: didaskô
(leren). Bijbel (15). OT (2). Ezr (1): Ezr 7,10. 2 Kr (1): 2 Kr 17,7. NT (13). Mt (1): Mt
11,1. Mc (4): (1) Mc
4,1. (2) Mc
6,2. (3) Mc
6,34. (4) Mc
8,31. Lc (1): Lc
6,6. Joh (1): Joh
7,35. Hnd (4): (1) Hnd
1,1. (2) Hnd
4,2.(3) Hnd
4,18. (4) Hnd
5,28. Br.: (1) 1
Tim 2,12. (2) Heb 5,12. Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (17), in Joh (6). In Marcus in vier verzen telkens voorafgegaan door het werkwoord
ηρξατο = èrxato (hij begon): (1) Mc
4,1. (2) Mc
6,2. (3) Mc
6,34. (4) Mc
8,31.
- Hebreeuws: לְלַמֵּד = lëlammed (om te onderrichten) < prefix voorzetsel lë + piël infin. absol. van het werkw. לָמַד = lâmad (leren, onderrichten). Taalgebruik in Tenakh: lâmad (leren, onderrichten). Getalwaarde: lamed = 12 of 30 ; mem = 13 of 40 , daleth = 4 ; totaal: 29 of 74 (2 X 37). Structuur: 3 - 4 - 4. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (5): (1) Dt
4,14. (2) Dt 6,1. (3) 2 S 1,18. (4) Ps 60,1. (5) 2 Kr 17,7.
- וּלְלַמֵּד = ûlëlammed (en om te onderrichten) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel lë + piël infin. absol..
Mc 6,2.4. - 5. ηρξατο διδασκειν = èrxato didaskein (hij begon te onderrichten). Bijbel = NT (4): (1) Mc
4,1. (2) Mc
6,2. (3) Mc
6,34. (4) Mc
8,31.
- ηρξατο κηρυσσειν = èrxato kèrussein (hij begon te verkondigen). Bijbel = Mc (2): (1) Mc 1,45. (3) Mc
5,20.
Mc 6,2.6. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,2.7. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,27. (5) Mc 6,28.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7. | dat. vr. enk. tè(i) | 3381 | 2631 | 750 | 94 | 55 | 119 | 64 | 122 | 264 | 32 | 268 | 332 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,2.8. dat. vr. enk. συναγωγῃ = sunagôgè(i) (in de synagoge) van het zelfst. naamw.
συναγωγη = sunagôgè (synagoge). Taalgebruik in het NT: sunagôgè
(synagoge). Taalgebruik in de LXX: sunagôgè
(synagoge). Taalgebruik in Mc: sunagôgè
(synagoge). NT (14): Mt
13,54. (2) Mc
1,23. (3) Mc
6,2. (4) Lc
4,20. (5) Lc
4,28. (6) Lc
4,33. (7) Joh
6,59. (8) Joh
18,20. (9) Hnd 17,1. (10) Hnd
17,17. (11) Hnd
18,4. (12) Hnd
18,7. (13) Hnd
18,26. (14) Apk 2,9.
Een vorm van συναγωγη = sunagôgè (synagoge) in Mc 1 (4): (1) Mc
1,21 (acc. συναγωγην = sunagôgèn). (2) (1) Mc
1,23 (dat. συναγωγῃ = sunagôgè(i). (3) Mc
1,29 (gen. συναγωγης = sunagôgès). (1) Mc
1,39 (acc. συναγωγας = sunagôgas).
| sunagôgè (synagoge) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i) | 102 | 88 | 14 | 1 | 2 | 3 | 2 | 5 | 1 | 6 | 8 | ||||
| totaal | 261 | 205 | 56 | 9 | 8 | 15 | 2 | 19 | 1 | 2 | 32 | 34 |
In de LXX is συναγωγη = sunagôgè voor het merendeel de vertaling van `edâh (132X /+200), in mindere mate van qâhal (35X) , en in drie verzen van ´âsaph: (1) Ex 23,16 (bë´âsëpëkhâ (in jouw samenkomst) = εν τῃ συναγωγῃ = en tè sunagôgèi). (2) Ex 34,22 (wechag hâ´âsîph en het feest van de samenkomst = ἑορτην συναγωγης = heortèn sunagôgès).
| sunagôgè (synagoge) | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | syn. | ev. | Hnd | Br. | Apk |
| nom. + dat. vr. enk. sunagôgè(i) | 14 | 1 : Mt 13,54. | 2 : (1) Mc 1,23. (2) Mc 6,2. | 3 : (1) Lc 4,20. (2) Lc 4,28. (3) Lc 4,33. | 2 : (1) Joh 6,59. (2) Joh 18,20. | 6 : (1) Mt 13,54 // Mc 6,2 // Lc 4,16. (2) Mc 1,23 // Lc 4,33. | 8 | 5 : (1) Hnd 17,1. (2) Hnd 17,17. (3) Hnd 18,4. (4) Hnd 18,7. (5) Hnd 18,26. | 1 : Apk 2,9. |
Mc 6,2.6. - 8. εν τῃ συναγωγῃ = en tè(i) sunagôgè(i) (in de synagoge). OT (6): (1) Ex 23,16. (2) Nu 26,9. (3) Nu 27,3. (4) Nu 31,16. (5) Joz 22,17. (6) Ps 105,18. NT (11): (1) Mt 13,54. (2) Mc 1,23. (3) Mc 6,2. (4) Lc 4,20. (5) Lc 4,28. (6) Lc 4,33. (7) Joh 18,20. (8) Hnd 17,17. (9) Hnd 18,4. (10) Hnd 18,7. (11) Hnd 18,26.
Mc 6,2.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,2.10. nom. mann. mv. πολλοι = polloi (velen) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in de LXX: polus (veel). Bijbel (163). OT (86). NT (77). Mc (12) (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. (3) Mc 5,9. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. (9) Mc 11,8. (10) Mc 12,41. (11) Mc 13,6. (12) Mc 14,56. Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353).
| polus (veel) | Mc | Mc 2 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | polus (veel) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| nom. mann. mv. polloi | 12 | (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. | (3) Mc 5,9. | (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. | (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. | (9) Mc 11,8. | (10) Mc 12,41. | (11) Mc 13,6. | (12) Mc 14,56. | 9 | nom. mann. mv. polloi | 163 | 86 | 77 | 16 | 12 | 8 | 15 | 7 | 18 | 1 | 36 | 51 |
- N.: veel < Grieks: polus ; p -> v. Arabisch: كثير = kathir (veel). D.: viel. E. many. Fr.: nombreux (tal-rijk). Gr.: πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Hebr.: רַב + Aramees = rab (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Tenakh: rab (veel, talrijk, groot). Lat.: multus.
Mc 6,2.11. act. part. praes. nom. mann. mv. ακουοντες = akouontes (horende) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Taalgebruik in Mc: akouô (horen). Mc (3): (1) Mc 3,8. (2) Mc 4,12. (3) Mc 6,2.
| akouô (horen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. part. praes. nom. mann. mv. akouontes | 20 | 5 | 15 | 1 | 3 | 5 | 4 | 1 | 1 | 9 | 9 |
- Ned.: horen. Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis. Lat.: auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. Arabisch: سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen). Taalgebruik in de Qoran: sami`a (luisteren, horen). D. hören. E.: to hear. Fr.: écouter. Grieks: ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Hebreeuws: שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâm`â (horen, luisteren).
Mc 6,2.12.
pass. imperf. 3de pers. mv. εξεπλησσοντο = exeplèssonto (zij waren buiten zichzelf)
van het werkw. εκπλησσομαι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing
, vreugde , bewondering). Overlopen van. Taalgebruik in het NT: ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn). Taalgebruik in de LXX: ekplèssomai
(buiten zichzelf raken, ontzet zijn). Bijbel = NT (9). Mt (3): (1) Mt
7,28. (2) Mt
19,25. (3) Mt
22,33. Mc (4): (1) Mc
1,22. (2) Mc
6,2. (3) Mc
7,37. (4) Mc
10,26. Lc (2): (1) Lc
4,32. (2) Lc
9,43. Een vorm van εκπλησσομαι = ekplèssomai (buiten zichzelf raken van angst , verbazing
, vreugde , bewondering) in de LXX (5). NT (13). Mt (4): (1) Mt
7,28. (2) Mt
13,54. (3) Mt
19,25. (4) Mt
22,33. Mc (5): (1) Mc
1,22. (2) Mc
6,2. (3) Mc
7,37. (4) Mc
10,26. (5) Mc
11,18. Lc (3): (1) Lc
2,48. (2) Lc
4,32. (3) Lc
9,43. Hnd (1): Hnd 13,12. Parallellen ; (1) Mc
1,22 // (Mt
7,28) // Lc
4,32. (2) Mc
6,2 // Mt
13,54. (3) Mc
10,26 // Mt
19,25.
-
imperf. 3de pers. enk. εξεπλησσeτο = exeplèsseto. Bijbel = Mc (1): Mc
11,18.
| ekplèssomai (buiten zichzelf raken, ontzet zijn) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| pass. imperf. 3de pers. mv. exeplèssonto | 9 | 9 | 3 | 4 | 2 | 9 | 9 |
De toehoorders in de synagoge van Kafarnaüm waren buiten zichzelf van verbazing
over de leer van Jezus. Omdat hij leerde op (eigen) gezag en niet zoals de
schriftgeleerden (op gezag van de schrift). In Mc
11,18 wordt deze verbazing een reden voor de hogepriesters en de schriftgeleerden
om het volk te vrezen.
In Mc 6,2 treedt Jezus op in de synagoge zoals dat ook het geval was in Mc
1,22. In Mc
1,22 wordt het gezag van de leer van Jezus volmondig erkend. In Mc
6,2 zijn velen verwonderd , maar zij stellen zich toch vragen. Vanwaar
komt hem dat toe ? In Mc
10,26 lopen de leerlingen over van ongeloof: en wie kan er gered worden
? Na de tempelreiniging nemen in Mc
11,18 de hogepriesters en de schriftgeleerden het besluit om Jezus uit de weg te ruimen
van de Farizeeën en de Herodianen die dat advies uitbrachten
na het conflict tijdens het synagogebezoek (Mc
3,6).
Mc 6,2.13. act. part. praes. nom. mann. mv. λεγοντες = legontes (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Mc (15): (1) Mc 3,11. (2) Mc 5,12. (3) Mc 5,35. (4) Mc 6,2. (5) Mc 7,37. ( 6) Mc 8,28. (7) Mc 9,11. (8) Mc 10,26. (9) Mc 10,35. (10) Mc 10,49. (11) Mc 11,31. (12) Mc 12,18. (13) Mc 13,6. (14) Mc 14,57. (15) Mc 15,29. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
| legô (zeggen) tegenwoordige tijd | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| part. pr. nom. mann. en vr. mv. legontes | 384 | 232 | 152 | 47 | 15 | 37 | 10 | 23 | 4 | 16 | 99 | 109 |
Mc 6,2.12. - 13. εξεπλησσοντο λεγοντες = exeplèssonto legontes (zij waren buiten zichzelf zeggende). Bijbel = Mc (3): (1) Mc 6,2. (2) Mc 7,37. (3) Mc 10,26.
Mc 6,2.14. ποθεν = pothen (vanwaar). Taalgebruik in het NT: pothen (vanwaar). Taalgebruik in de LXX: pothen (vanwaar). Mc (3): (1) Mc 6,2. (2) Mc 8,4. (3) Mc 12,37.
| pothen | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 63 | 37 | 26 | 5 | 3 | 4 | 11 | 1 | 2 | 12 | 23 | 1 |
Mc 6,2.13. - 14. λεγοντες ποθεν = legontes pothen (zeggend vanwaar). Bijbel (2): (1) Jr 43,17. (2) Mc 6,2.
Mc 6,2.15. aanwijz. voornaamw. dat. mann. en onz. enk. τουτῳ = toutô(i) van het aanwijz. voornaamw. οὑτος = houtos (deze). Taalgebruik in het NT: houtos (deze). Taalgebruik in de LXX: houtos (deze). Mc (3):
Mc 6,2.14. - 15. ποθεν τουτῳ = pothen toutô(i) (vanwaar aan deze). Bijbel (2): (1) Mt 13,54. (2) Mc 6,2. In Mc 3,20 trokken de luisteraars van bij hem thuis erop uit om hem te grijpen , want zij waren van mening dat hij buiten zichzelf was. In Mc 3,22 zeggen de schriftgeleerden uit Jeruzalem dat Jezus in het bezit van Beëlzebul is en dat hij door de vorst van de demonen de demonen uitwerpt. In Mc 6,2 stellen toehoorders de vraag: vanwaar die wijsheid ie hem gegeven is en die krachtdaden. Het heeft het niet vanuit zijn familie. De kring met kritiek op Jezus verbreedt.
Mc 6,2.16. nom. en acc. onz. mv. ταυτα = tauta (deze dingen).
Mc 6,2.15. -16. τουτῳ ταυτα = toutô(i) tauta (aan deze deze dingen). Bijbel (3): (1) Mt 13,54. (2) Mc 6,2. (3) Joh 20,30.
Mc 6,2.17. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,2.18.
Mc 6,2.19. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè
Mc 6,2.20. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè
Mc 6,2.19. - 21. ἡ σοφια ἡ = hè sofia hè (de wijsheid de). Bijbel (2): (1) W 9,9. (2) Mc 6,2.
Mc 6,2,22. pass. part. aor. nom. vr. enk. δοθεισα = dotheisa (gegeven werd). Bijbel (3): (1) Jr 39,28. (2) Da 8,13. (3) Mc 6,2.
Mc 6,2,23. dat. mann. + onz. enk. αυτῳ = autô(i).
Mc 6,2,22. - 23. δοθεισα αυτῳ = dotheisa autô(i) (gegeven werd aan hem). Bijbel (1): Mc 6,2.
Mc 6,2.24. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
25. bepaald lidw. nom. vr. mv. αἱ = hai (de).
28. - 30.
Mc 6,2.31. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,3 - Mc 6,3 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder
van Jakobus en Joses, en van Judas en Simon, en zijn Zijn zusters niet hier
bij ons? En zij werden aan Hem geërgerd.
King James Bible. [3] Is not this the carpenter, the son of Mary, the brother
of James, and Joses, and of Juda, and Simon? and are not his sisters here with
us? And they were offended at him.
Luther-Bibel. 3 Ist er nicht der Zimmermann, Marias Sohn, und der Bruder des
Jakobus und Joses und Judas und Simon? Sind nicht auch seine Schwestern hier
bei uns? Und sie ärgerten sich an ihm.
Tekstuitleg van Mc 6,3.
| Mc 6,3 | |||
| 3οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ τέκτων, ὁ υἱὸς τῆς Μαρίας καὶ ἀδελφὸς Ἰακώβου καὶ Ἰωσῆτος καὶ Ἰούδα καὶ Σίμωνος; καὶ οὐκ εἰσὶν αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ ὧδε πρὸς ἡμᾶς; καὶ ἐσκανδαλίζοντο ἐν αὐτῷ. | 55οὐχ οὗτός ἐστιν ὁ τοῦ τέκτονος υἱός; οὐχ ἡ μήτηρ αὐτοῦ λέγεται Μαριὰμ καὶ οἱ ἀδελφοὶ αὐτοῦ Ἰάκωβος καὶ Ἰωσὴφ καὶ Σίμων καὶ Ἰούδας; 56καὶ αἱ ἀδελφαὶ αὐτοῦ οὐχὶ πᾶσαι πρὸς ἡμᾶς εἰσιν; πόθεν οὖν τούτῳ ταῦτα πάντα; 57καὶ ἐσκανδαλίζοντο ἐν αὐτῷ. | καὶ ἔλεγον, Οὐχὶ υἱός ἐστιν Ἰωσὴφ οὗτος; |
Mc 6,3.1. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet).
Mc 6,3.2. aanwijz. voornaamw. nom. mann. enk. οὑτος = houtos (deze). Taalgebruik in het NT: houtos (deze). Mc (12): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,35. (3) Mc 4,41. (4) Mc 6,3. (5) Mc 6,16. (6) Mc 7,6. (7) Mc 9,7. (8) Mc 12,7. (9) Mc 12,10. (10) Mc 13,13. (11) Mc 14,69. (12) Mc 15,39.
Mc 6,3.1. - 2. ουχ οὑτος = ouch houtos (niet deze). LXX (5). NT (7).
Mc 6,3.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het
N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (17): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,16. (5) Mc
6,17. (6) Mc
6,18. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,22. (9) Mc
6,23. (10) Mc
6,26. (11) Mc
6,27. (12) Mc
6,35. (13) Mc
6,37. (14) Mc
6,38. (15) Mc
6,48. (16) Mc
6,50. (17) Mc
6,51.
Mc 6,3.6. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het
N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (17): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,16. (5) Mc
6,17. (6) Mc
6,18. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,22. (9) Mc
6,23. (10) Mc
6,26. (11) Mc
6,27. (12) Mc
6,35. (13) Mc
6,37. (14) Mc
6,38. (15) Mc
6,48. (16) Mc
6,50. (17) Mc
6,51.
Mc 6,3.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 6,3.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 6,3.14. Iôsètos (van Joses). Taalgebruik: iôsès
(Joses). Gen. mann. enk. van Iôsès (Joses). Eigennaam. Deze
naam komt slechts driemaal in de bijbel: (1) Mc
6,3. (2) Mc
15,40. (3) Mc
15,47. Zijn moeder is Maria. Zijn broers zijn Jezus , Jakobus, Judas en
Simon.
- Jakobus en Joses worden samen vermeld in (1) Mc
6,3. (2) Mc
15,40.
- In de scènes van de kruisiging , de graflegging en het lege graf komen
telkens twee vrouwen voor: Maria Magdalena en Maria , de moeder van... In
de scène van de dood van Jezus worden de moeders van Jakobus en Joses samen vernoemd (Mc
15,40) ,
in de scène van de graflegging alleen de moeder van Joses en in de scène van
het lege graf alleen de moeder van Jakobus.
15. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
17. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
19. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
24. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
26. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in de LXX: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,25. (3) Mc 6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
- Hebreeuws. ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. OF ontkenning עַל = ´al (niet). Taalgebruik in Tenakh: ´èl . Getalwaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3626). Pentateuch (1096). Eerdere Profeten (1070). Latere Profeten (655). 12 Kleine Profeten (142). Geschriften (662).
- Arabisch. إلي = ´ilâ (naar). Taalgebruik in de Qoran: ´ilâ (naar).
28. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
24. pers. voornaamw. vnw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw.
autos. Taalgebruik in N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (16): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,2. (3) Mc
6,3. (4) Mc
6,4. (5) Mc
6,14. (6) Mc
6,17. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,21. (9) Mc
6,22. (10) Mc
6,27. (11) Mc
6,28. (12) Mc
6,29. (13) Mc
6,35. (14) Mc
6,41. (15) Mc
6,45. (16) Mc
6,56.
30. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
31. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,4 - Mc 6,4 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 4 En Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeëerd dan
in zijn vaderland en onder zijn magen, en in zijn huis.
King James Bible. [4] But Jesus said unto them, A prophet is not without honour,
but in his own country, and among his own kin, and in his own house.
Luther-Bibel. 4 Jesus aber sprach zu ihnen: Ein Prophet gilt nirgends weniger
als in seinem Vaterland und bei seinen Verwandten und in seinem Hause.
Tekstuitleg van Mc 6,4.
| Mc 6,4 | |||
| 4καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὁ Ἰησοῦς ὅτι Οὐκ ἔστιν προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ καὶ ἐν τοῖς συγγενεῦσιν αὐτοῦ καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ. | ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτοῖς, Οὐκ ἔστιν προφήτης ἄτιμος εἰ μὴ ἐν τῇ πατρίδι καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ αὐτοῦ. | 23καὶ εἶπεν πρὸς αὐτούς, Πάντως ἐρεῖτέ μοι τὴν παραβολὴν ταύτην: Ἰατρέ, θεράπευσον σεαυτόν: ὅσα ἠκούσαμεν γενόμενα εἰς τὴν Καφαρναοὺμ ποίησον καὶ ὧδε ἐν τῇ πατρίδι σου. 24εἶπεν δέ, Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι οὐδεὶς προφήτης δεκτός ἐστιν ἐν τῇ πατρίδι αὐτοῦ. 25ἐπ' ἀληθείας δὲ λέγω ὑμῖν, πολλαὶ χῆραι ἦσαν ἐν ταῖς ἡμέραις Ἠλίου ἐν τῷ Ἰσραήλ, ὅτε ἐκλείσθη ὁ οὐρανὸς ἐπὶ ἔτη τρία καὶ μῆνας ἕξ, ὡς ἐγένετο λιμὸς μέγας ἐπὶ πᾶσαν τὴν γῆν, 26καὶ πρὸς οὐδεμίαν αὐτῶν ἐπέμφθη Ἠλίας εἰ μὴ εἰς Σάρεπτα τῆς Σιδωνίας πρὸς γυναῖκα χήραν. 27καὶ πολλοὶ λεπροὶ ἦσαν ἐν τῷ Ἰσραὴλ ἐπὶ Ἐλισαίου τοῦ προφήτου, καὶ οὐδεὶς αὐτῶν ἐκαθαρίσθη εἰ μὴ Ναιμὰν ὁ Σύρος. |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei). Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc (31). Mc 6 (4) : (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,16. (4) Mc 6,18. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
3. dat. mann. en onz. mv. autois (aanhen). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
1. - 3. elegen de autois (hij zei hen). Slechts in dit vers Mc 6,4 in het N.T..
4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het
N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (17): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,16. (5) Mc
6,17. (6) Mc
6,18. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,22. (9) Mc
6,23. (10) Mc
6,26. (11) Mc
6,27. (12) Mc
6,35. (13) Mc
6,37. (14) Mc
6,38. (15) Mc
6,48. (16) Mc
6,50. (17) Mc
6,51.
5. acc. mann. enk. Ièsoun (Jezus). Taalgebruik in het N.T.: Ièsous (Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus). Mc (11): (1) Mc 5,6. (2) Mc 5,15. (3) Mc 6,30. (4) Mc 9,8. (5) Mc 10,50. (6) Mc 11,7. (7) Mc 14,53. (8) Mc 14,60. (9) Mc 15,1. (10) Mc 15,15. (11) Mc 16,6. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 6 (2): (1) Mc 6,4 (nom. Ièsous). (2) Mc 6,30 (acc. Ièsoun).
1. - 5. kai elegen autois ho Ièsous (en Jezus zei hen) of elegen de autois ho Ièsous (Jezus echter zei hen). Slechts in dit vers Mc 6,4 in het N.T.. Het vervoegd werkwoord staat vooraan en het onderwerp ho Ièsous (Jezus) achteraan. We zouden elegen (hij zei) onmiddellijk vóór het citaat verwachten.
9. nom. mann. enk. profètès (profeet). Taalgebruik in het N.T.: profètès
(profeet). Taalgebruik in Mc: profètès
(profeet).
Mc (3): (1) Mc
6,4. (2) Mc
6,15. (3) Mc
11,32. Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen: (1) Mc
1,2 . (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,15 (2 vormen). (4) Mc
8,28. (5) Mc
11,32.
13. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
14. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,27. (5) Mc 6,28.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7. | dat. vr. enk. tè(i) | 3381 | 2631 | 750 | 94 | 55 | 119 | 64 | 122 | 264 | 32 | 268 | 332 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
16. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
17. kai (en). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
18. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
21. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
22. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
23. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
26. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
| Mc 6,5 - Mc 6,5 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 5 En Hij kon aldaar geen kracht doen; dan Hij legde weinigen
zieken de handen op, en genas hen.
King James Bible. [5] And he could there do no mighty work, save that he laid
his hands upon a few sick folk, and healed them.
Luther-Bibel. 5 Und er konnte dort nicht eine einzige Tat tun, außer dass er
wenigen Kranken die Hände auflegte und sie heilte.
Tekstuitleg van Mc 6,5.
| Mc 6,5 | |||
| 5καὶ οὐκ ἐδύνατο ἐκεῖ ποιῆσαι οὐδεμίαν δύναμιν, εἰ μὴ ὀλίγοις ἀρρώστοις ἐπιθεὶς τὰς χεῖρας ἐθεράπευσεν: |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
4. ekei (daar, hier). Taalgebruik in het N.T.: ekei (daar). Taalgebruik in Mc: ekei (daar). Ned. hier. Fr. ici. Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,6. (3) Mc 3,1. (4) Mc 5,11. (5) Mc 6,5. (6) Mc 6,10. (7) Mc 6,33. (8) Mc 11,5. (9) Mc 13,21. (10) Mc 14,15. (11) Mc 16,7.
14. acc.vr. mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand). Taalgebruik in het N.T.: cheir
(hand). Taalgebruik in Mc: cheir
(hand).
Mc 5 (11): (1) Mc
5,23. (2) Mc
6,5. (3) Mc
7,3. (4) Mc
8,23. (5) Mc
8,25. (6) Mc
9,31. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,16. (9) Mc
14,41. (10) Mc
14,46. (11) Mc
16,18.
| Mc 6,6 - Mc 6,6 -- Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 6 En Hij verwonderde Zich over hun ongeloof, en omging de
vlekken daar rondom, lerende.
King James Bible. [6] And he marvelled because of their unbelief. And he went
round about the villages, teaching.
Luther-Bibel. 6 Und er wunderte sich über ihren Unglauben. Und er ging rings
umher in die Dörfer und lehrte.
Tekstuitleg van Mc 6,6.
| Mc 6,6 | |||
| 6καὶ ἐθαύμαζεν διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. Καὶ περιῆγεν τὰς κώμας κύκλῳ διδάσκων. | 58καὶ οὐκ ἐποίησεν ἐκεῖ δυνάμεις πολλὰς διὰ τὴν ἀπιστίαν αὐτῶν. |
Mc 6,6.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 6,6.7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 6,6.11.
kuklô(i) (rondom). Taalgebruik in het N.T.: kuklô(i)
(rondom). Taalgebruik in Mc: kuklô(i)
(rondom).
Mc (3): (1) Mc
3,34. (2) Mc
6,6. (3) Mc
6,36.
Mc 6,6.12. act. part. praes. nom. mann. enk. διδασκων = didaskôn (onderrichtend) van het werkw. διδασκω = didaskô (leren, onderrichten). Taalgebruik in de NT: didaskô (leren). Taalgebruik in de LXX: didaskô (leren). Bijbel (32). OT (9). NT (23). Mt (4): (1) Mt 4,23. (2) Mt 7,29. (3) Mt 9,35. (4) Mt 26,55. Mc (4): (1) Mc 1,22. (2) Mc 6,6. (3) Mc 12,35. (4) Mc 14,49. Lc (7): (1) Lc 4,31. (2) Lc 5,17. (3) Lc 13,10. (4) Lc 13,22. (5) Lc 19,47. (6) Lc 21,37. (7) Lc 23,5. Joh (3): (1) Joh 6,59. (2) Joh 7,28. (3) Joh 8,20. Hnd (3) : (1) Hnd 18,11. (2) Hnd 21,28. (3) Hnd 28,31. Br. (2): (1) Rom 2,21. (2) Rom 12,7. Parallellen: (1) Mc 1,21 - Mc 1,22 // Lc 4,31. (2) Lc 5,17 , zie: Mc 1,21 - Mc 1,22 // Lc 4,31. (3) (Mc 6,6) // Lc 13,22. Een vorm van διδασκω = didaskô (leren, onderrichten) in de LXX (107) , in het NT (95) , in Mt (14) , in Mc (17) , in Lc (15):: (1) Lc 4,15. (2) Lc 4,31. (3) Lc 5,3. (4) Lc 5,17. (5) Lc 6,6. (6) Lc 11,1. (7) Lc 12,12. (8) Lc 13,10. (9) Lc 13,22. (10) Lc 13,26. (11) Lc 19,47. (12) Lc 20,1. (13) Lc 20,21. (14) Lc 21,37. (15) Lc 23,5. In Joh (6).
| didaskô (leren, onderrichten) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 4 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | act. ind. pr. 2de p.enk. didaskeis | 1 | (1) Mc 12,14 . | 6 | 6 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 3 | 4 | ||||||||||||
| 2 | ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken | 6 | (1) Mc 1,21. | (2) Mc 2,13 | .(3) Mc 4,2 | (4) Mc 9,31. | (5) Mc 10,1. | (6) Mc 11,17 | 15 | 1 | 14 | 2 | 6 | 2 | 2 | 1 | 1 | 10 | 12 | ||||||
| 3 | act. inf. pr. didaskein | 4 | (1) Mc 4,1. | (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,34. | (4) Mc 8,31 | 15 | 2 | 13 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 6 | 7 | |||||||||
| 4 | part. pr. nom. m. enk.didaskôn | 4 | (1) Mc 1,22 | (1) Mc 6,6. | (1) Mc 12,35 | (1) Mc 14,49 | 32 | 9 | 23 | 4 | 4 | 7 | 3 | 3 | 2 | 15 | 18 | ||||||||
| 5 | part. pr. nom mv. didaskontes | 1 | Mc 7,7 | 9 | 1 | 8 | 1 | 1 | 3 | 3 | 2 | 2 | |||||||||||||
| 6 | ind. aor. 3de p. mv. edidaxan | 1 | (1) Mc 6,30. | 3 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||||||||||||
| totaal | 17 | 2 | 1 | 2 | 4 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 109 | 29 | 80 | 12 | 17 | 12 | 8 | 14 | 15 | 2 | 41 | 49 |
- Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven. Didactiek: leer van het onderrichten. Lat. docere (doctor). Cfr docent , documentatie.
Enkele bemerkingen
1. Het evangelie is geen biografie. Het is een verhaal en volgens een verhaal opgebouwd. Het voert de spanning op en leidt uiteindelijk tot een ontknoping.
2. Is Mc geschreven om een oplossing te zoeken voor de spanningen binnen het jodendom ?
3. Personages staan vaak voor groepen.
4. sjabbat - wekelijks - om de 7 jaar - om de 50 jaar.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
146. Mc 6,6b: Jezus als leraar - Mc 6,6b - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -
zie hierboven.
- kai (en). Nevenschikkend voegwoord. In 555 verzen bij Marcus, zie Mc 1,4 -
kai (en) leidt een nevenschikkende zin in in een reeks van
nevenschikkende zinnen waarbij Jezus telkens het onderwerp is.
periègen (hij trok rond) indicatief imperfectum 3de
persoon enkelvoud van het werkwoord periagô: rondvoeren, rondtrekken.
In deze vorm komt het slechts in 3 verzen voor in de bijbel en wel in Mc 6,6b,
Mt 4,23 - Mt
4,23-25 ; 5,1-2 - en Mt 9,35 - Mt
9,35-38 -. Marcus gebruikt vaak een woord met de stam ag- (leiden, voeren)
erin en roept vaak het zelfstandig naamwoord sunagôgè: synagoge,
plaats van samenkomst, op.
| Mc 1,4 | Mc 1,14 | Mc 1,21 | Mc 1,39 | Mc 6,6b | Mt 4,23 | Mt 9,35 | Mt 4,23b + Mt 9,35b | Mc 3,13 | Mc 6,12 | |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||||
| egeneto ("trad op") | ijlthen (kwam) | eiselthoon (binnenkomende) | ijlthen (kwam) | periègen hij (trok rond) | periègen (hij trok rond) | periègen (hij trok rond) | ekselthontes (uittrekkende) | |||
| Iooannijs ho baptidzoon (Johannes de dopende)... | ho Iijsous (Jezus) | ho Iijsous (Jezus) | ||||||||
| en tiji erijmooi (in de woestijn) | eis tijn Galilaian (naar Galilea) | eis tijn sunagoogijn (naar de synagoge) | tas koomas kuklooi door de omliggende dorpen | en holiji tiji Galilaiai (in geheel Galilea) | ... tas koomas (door de dorpen) | |||||
| kijrussoon (verkondigende | kijrussoon (verkondigende) | edidasken (onderwees hij) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | kijrussoon (verkondigende) | kijrussein (te verkondigen) | ekijruksan (verkondigden zij) | |
| eis tas sunagoogas autoon (in hun synagogen) | en tais sunagoogais autoon (in hun synagogen) | en tais sunagoogais autoon (in hun synagogen) | ||||||||
| eis holijn tijn Galilaian (in geheel Galilea) | ||||||||||
| baptisma metanoias eis afesin hamartioon (het doopsel van bekering tot vergeving van zonden) | to euaggelion tou theou (de blijde boodschap van God) | to euaggelion tijs basileias (de blijde boodschap van het koninkrijk) | hina metanooosin (dat zij zich zouden bekren) | |||||||
| na deze inleiding volgt de genezing van de bezetenen (Mc 1,23-28) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kei echein eksousian (en de macht te hebben) | kai (en) | kai (en...) | ||||
| ta daimonia (de duivels) | therapeuoon (genezende) | therapeuoon (genezende) | ekballein (buiten te werpen) | daimonia polla (vele duivels) | etherapeuon (genazen zij) | |||||
| ekballoon (uitwerpende) | pasan noson kai pasan malakian (elke ziekte en elke zwakheid) | pasan noson kai pasan malakian (elke ziekte en elke zwakheid) | ta daimonia (de duivels) | ekseballon (wierpen zij buiten) | ||||||
147. Mc 6,7-13: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 -
Evangelie op de 15de (vijftiende) zondag door het b-jaar: Mc 6,7-13.
Het optreden van Jezus in de synagoge in Nazaret toont grote gelijkenis met
dat in de synagoge van Kafarnaüm (Mc 1,21-28: Mc
1,21 - Mc
1,22 - Mc
1,23-28 -).
Na de gevangenneming van Johannes de Doper gaat Jezus naar Galilea (Mc
1,14-15), waar hij eerst (wellicht) de leerlingen van Johannes de Doper
hergroepeert en hen rond zijn persoon verzamelt (Mc
1,16-20). Het eerste optreden van Jezus verloopt succesvol (Mc 1,21-45).
Maar de tegenstand blijft niet uit. Groeiende meningsverschillen met de Farizeeën
lopen uit op een beslissing van hen om Jezus te doden (2,1-3,6). Na een samenvatting
(Mc 3,7-12)
volgt de roeping van de leerlingen (Mc
3,13-19). Zoals Johannes de Doper werd overgeleverd, zo kan dat ook wel
eens met Jezus gebeuren, en zoals hij (Jezus) het werk van Johannes de Doper
verder zet, zo zullen zijn leerlingen (de leerlingen van Jezus) zijn werk na
zijn overlevering verder zetten.
Het optreden van Jezus in Nazaret loopt bijna uit op een aanslag op Jezus. Na
dat optreden volgt een korte samenvatting (Mc
6,6b). Hierna volgt het verhaal van de zending van de twaalf. Blijkbaar
houdt Jezus er rekening mee dat een aanslag ieder ogenblik kan plaats hebben
en dat hij de toekomst moet voorbereiden. De zending van de leerlingen ligt
in de lijn van Jezus'optreden. Men zou het een soort stage kunnen noemen, maar
het is meer. Het brengt voorlopig in beeld, wat ieder ogenblijk bittere werkelijkheid
zou kunnen zijn nl. dat de leerlingen er alleen voor staan en moeten instaan
voor de voortzetting van de verkondiging van het Rijk Gods.
De versindeler heeft de perikope in zeven verzen verdeeld. Zes verzen beginnen met het nevenschikkend voegwoord kai (en). Elfmaal komt het voegwoord kai (en) in de perikope voor. We staan dus voor een 'verhalende' tekst; en... en... en... is een kenmerk van mondeling vertellen.
| Mc 1,4 // Mt 3,1 | Mt 3,1 // Mc 1,4 | Mc 1,14 // Mt 4,17 | Mt4,17 // Mc 1,14 | Mc 3,13 | Mc 6,12 | Mt 10,7 | Mc 1,39 | Mc 6,6b | Mt 4,23 | Mt 9,35 | Mt 4,23b + Mt 9,35b | |
| kai (en) ... | apo tote (van toen af) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||||||
| egeneto ("trad op") | paraginetai (trad op) | ijlthen (kwam) | ijrksato (begon hij) | ekselthontes (uittrekkende) | poreuomenoi de (op weg gaande echter) | ijlthen (kwam) | periijgen (trok rond) | periijgen (trok rond) | periijgen (trok rond) | |||
| Iooannijs ho baptidzoon (Johannes de dopende)... | Iooannijs ho baptistijs (Johannes de Doper) | ho Iijsous (Jezus) | ho Iijsous (Jezus) | |||||||||
| en tiji erijmooi (in de woestijn) | kijrussoon en tiji erijmooi tijs Ioudaias (verkondigende in de woestijn van Juda) | eis tijn Galilaian (naar Galilea) | tas koomas kuklooi door de omliggende dorpen | en holiji tiji Galilaiai (in geheel Galilea) | ... tas koomas (door de dorpen) | |||||||
| kijrussoon (verkondigende | kijrussoon (verkondigende) | kijrussein (te verkodnigen) | kijrussein (te verkondigen) | ekijruksan (verkondigden zij) | kijrussete (verkondigt) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | didaskoon (onderwijzende) | kijrussoon (verkondigende) | ||
| legoon (zeggende) | kai legein (en te zeggen) | legontes (zeggende) | eis tas sunagoogas autoon (in hun synagogen) | en tais sunagoogais autoon (in hun synagogen) | en tais sunagoogais autoon (in hun synagogen) | |||||||
| eis holijn tijn Galilaian (in geheel Galilea) | ||||||||||||
| baptisma metanoias eis afesin hamartioon (het doopsel van bekering tot vergeving van zonden) | metanoeite (bekeer je) | to euaggelion tou theou (de blijde boodschap van God)... | metanoeite (bekeer je | hina metanooosin (dat zij zich zouden bekren) | to euaggelion tijs basileias (de blijde boodschap van het koninkrijk) | |||||||
| ijggiken gar hij basileia toon ouranoon (want nabij is het koninkrijk van de hemelen) | kai legoon... ijggiken hij basileia tou theou. metanoeite (en zeggende... nabij is het koninkrijk van God. Bekeer je... ) | ijggiken gar hij basileia toon ouranoon (want nabij is het koninkrijk van de hemelen) | kei echein eksousian (en de macht te hebben) | kai (en) | hoti ijggiken hij basileia toon ouranoon (want nabij is het koninkrijk van de hemelen) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en...) | |||
| ekballein (buiten te werpen) | daimonia polla (vele duivels) | ta daimonia (de duivels) | therapeuoon (genezende) | therapeuoon (genezende) | etherapeuon (genazen zij) | |||||||
| ta daimonia (de duivels) | ekseballon (wierpen zij buiten) | ekballoon (uitwerpende) | pasan noson kai pasan malakian (elke ziekte en elke zwakheid) | pasan noson kai pasan malakian (elke ziekte en elke zwakheid) | ||||||||
| Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6: optreden van Johannes de Doper | Mc 1,1-6 // Mt 3,1-6 // Lc 3,1-6: optreden van Johannes de Doper | Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15: vegin van Jezus' optreden in Galilea | Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,14-15: vegin van Jezus' optreden in Galilea | Mc 3,13-19: roeping van de Twaalf | Mc 6,7-13: zending van de twaalf | Mt 10,1-4: keuze van de twaalf... | Mc 1,39 // Mt 4,23 // Mt 9,35: prediking in de synagogen | Mc 6,6b: Jezus als leraar | Mc 1,39 // Mt 4,23 // Mt 9,35: prediking in de synagogen | Mc 1,39 // Mt 4,23 // Mt 9,35: prediking in de synagogen | Mc 1,39 // Mt 4,23 // Mt 9,35: prediking in de synagogen |
| Mc 6,7 - Mc 6,7: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 7 En Hij riep tot Zich de twaalven, en begon hen uit te zenden
twee en twee, en gaf hun macht over de onreine geesten.
King James Bible. [7] And he called unto him the twelve, and began to send
them forth by two and two; and gave them power over unclean spirits;
Luther-Bibel. 7 Und er rief die Zwölf zu sich und fing an, sie auszusenden
je zwei und zwei, und gab ihnen Macht über die unreinen Geister
Tekstuitleg van Mc 6,7. Het vers Mc 6,7 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 104 (2 X 2 X 2 X 13) letters. De getalwaarde van Mc 6,7 is 13941 (3 X 3 X 1549).
| Mc 6,7 | Mt 10,1 | Lc 9,1 | ||
| kai proskaleitai tous dôdeka kai èrxato autous apostellein duo duo, kai edidou autois exousian tôn pneumatôn tôn akathartôn | Kai proskalesamenos tous dôdeka mathètas autou edôken autois exousian pneumatôn akathartôn hôste ekballein auta kai therapeuein pasan noson kai pasan malakian | 9:1 sugkalesamenos de tous dôdeka edôken autois dunamin kai exousian epi panta ta daimonia kai nosous therapeuein |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et..
2. indicat. praes. 3de pers. enk. προσκαλειται = proskaleitai (hij roept tot zich) van het werkw. προσκαλεομαι = proskaleomai (bij zich roepen). Taalgebruik in het NT: proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in de LXX: proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in Mc: proskaleomai (bij zich roepen) . Het komt in de bijbel slechts in 2 verzen voor nl. Mc 3,13 bij de roeping van de twaalf en Mc 6,7 bij de zending van de twaalf. Een vorm van προσκαλεομαι = proskaleomai (bij zich roepen) in de LXX (24) , in het NT (29). hn
| proskaleomai (bij zich roepen) | Mc | Mc 3 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | ind. pr. 3de pers. ernk. proskaleitai | 2 | 1: Mc 3,13. | 1: Mc 6,7. | 2 | 2 | 2 | |||||||||||
| 2 | part. aor. nom. mann. enk. proskalesamenos | 7 | (1) Mc 3,23. | (2) Mc 7,14. | (3) Mc 8,1. (4) Mc 8,34. | (5) Mc 10,42. | (6) Mc 12,43. | (7) Mc 15,44. | 23 | 3 | 20 | 6 | 7 | 3 | 4 | 16 | 16 | |
| totaal | 9 | 2 | 1 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 |
- partic. aor. nom. mann. enk. προσκαλεσαμενος = proskalesamenos (bij zich geroepen) van het werkw. προσκαλεομαι = proskaleomai (bij zich roepen). Taalgebruik in het NT: proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in de LXX: proskaleomai (bij zich roepen) . Taalgebruik in Mc: proskaleomai (bij zich roepen) . LXX (3): (1) Gn 28,1. (2) 2 Mak 7,25. (3) W 18,8. Mt (6): (1) Mt 10,1. (2) Mt 15,10.(3) Mt 15,32. (4) Mt 18,2. (5) Mt 18,32. (6) Mt 20,25. Mc (7): (1) Mc 3,23. (2) Mc 7,14. (3) Mc 8,1. (4) Mc 8,34. (5) Mc 10,42. (6) Mc 12,43. (7) Mc 15,44. In 6 / 7 is Jezus onderwerp. In 1 / 7 is het Pilatus (Mc 15,44). In 7 / 7 volgt op het part. proskalesamenos (bij zich geroepen) een lijdend voorwerp. Lc (4): (1) Lc 7,19. (2) Lc 15,26. (3) Lc 16,5. (4) Lc 18,16. Hnd (3): (1) Hnd 13,7. (2) Hnd 20,1. (3) Hnd 23,17. Een vorm van προσκαλεομαι = proskaleomai (bij zich roepen) in de LXX (24) , in het NT (29).
| proskaleomai (bij zich roepen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| ind. pr. 3de pers. ernk. proskaleitai | 2 | 2 | 2 | 2 | 2 | ||||||||||
| part. aor. nom. mann. enk. proskalesamenos | 23 | 3 | 20 | 6 | 7 | 3 | 4 | 16 | 16 | ||||||
| totaal | 25 | 3 | 22 | 6 | 9 | 3 | 4 | 18 | 18 |
- Hebreeuws: וַיִּקְרָא = wajjiqërâ´ (en hij riep, hij heet, hij noemde) < prefix waw consecutivum + werkwoordvorm act. qal imperfectum derde persoon mannelijk enkelvoud van het werkwoord קָרָא = qârâ´ (roepen, heten). Taalgebruik in Tenakh: qârâ´ (roepen, heten). Getalwaarde: qoph = 19 of 100 , resj = 20 of 200 , aleph = 1 ; totaal: 40 of 301. Structuur: 1 - 2 - 1. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (209). Pentateuch (90). Eerdere Profeten (81). Latere Profeten (12). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (25). Gn (55).
- Ned.: roepen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא =qërâ´ (roepen). D.: rufen. E.: to call. Fr.: appeler (Lat.. appellare - pellere: pousser , dringen ; aandringen , oproepen). Grieks: καλεω = kaleô (roepen, noemen). Taalgebruik in het NT: kaleô (roepen). κηρυσσω = kèrussô (verkondigen). Taalgebruik in het NT: kèrussô (verkondigen). Hebreeuws: קָרָא = qârâ´ (roepen, heten). Taalgebruik in Tenakh: qârâ´ (roepen, heten). Lat.: vocare (vox = stem). l (qâla) en r (qâra) liggen dicht bij elkaar ; het zijn lingualen. Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws: קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem).
3. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
4. δωδεκα = dôdeka (twaalf). Taalgebruik in het NT: dôdeka (twaalf). Taalgebruik in de LXX: dôdeka (twaalf). Mt (12): (1) Mt 9,20. (2) Mt 10,1. (3) Mt 10,2. (4) Mt 10,5. (5) Mt 11,1. (6) Mt 14,20. (7) Mt 19,28. (8) Mt 20,17. (9) Mt 26,14. (10) Mt 26,20. (11) Mt 26,47. (12) Mt 26,53. Mc (15): (1) Mc 3,14. (2) Mc 3,16. (3) Mc 4,10. (4) Mc 5,25. (5) Mc 5,42. (6) Mc 6,7. (7) Mc 6,43. (8) Mc 8,19. (9) Mc 9,35. (10) Mc 10,32. (11) Mc 11,11. (12) Mc 14,10. (13) Mc 14,17. (14) Mc 14,20. (15) Mc 14,43. Lc (12): (1) Lc 2,42. (2) Lc 6,13. (3) Lc 8,1. (4) Lc 8,42. (5) Lc 8,43. (6) Lc 9,1. (7) Lc 9,12. (8) Lc 9,17. (9) Lc 18,31. (10) Lc 22,3. (11) Lc 22,30. (12) Lc 22,47.
| bijbel | LXX | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| dôdeka (twaalf) | 138 (2³ X 17) | 69 + 6 | 24 | 27 | 5 | 1 | 12 | 8 | 3 | 1 | 11 | 1 | 61 | 12 | 15 | 12 | 6 | 4 | 2 | 10 | 39 | 45 | 1 | 1 |
- Ned.: twaalf. D.: zwölf. E. twelve. F.: douze. Grieks: δωδεκα = dôdeka (twaalf). Taalgebruik in het NT: dôdeka (twaalf). Taalgebruik in de LXX: dôdeka (twaalf). Lat.: duodecim.
- De lange geschiedenis van Israël is er één van broederliefde en broederstrijd. Denken we aan Esau en Jakob. Een emotioneel moment van beiden is hun ontmoeting aan de Jabbokrivier (Ex 32,2-33,17). Jakob ontvangt de naam Israël (Gn 32,29). Zijn 12 zonen zullen uitgroeien tot 12 stammen. Mozes bevrijdt het volk uit Egypte en geeft het zijn grondwet. Jozua neemt bezit van het land Kanaän. Aan iedere stam wordt een gebied aangewezen , behalve aan de stam Levi , die voor de eredienst moet zorgen. Met David groeit het 12-stammengebied tot een koninkrijk met Jeruzalem als hoofdstad (1000-970 v. Chr.). Na Salomo (+ 930 v. Chr.) wordt het koninkrijk gesplitst in een Noord- en een Zuidrijk. In het Noordrijk wordt Samaria de hoofdstad. In het Zuidrijk blijft Jeruzalem de hoofdstad. Het Noordrijk omvat 10 stammen , het Zuidrijk 2 stammen (Juda en Benjamin). Vaak zullen deze beide koninkrijkjes tegen elkaar ten oorlog trekken. In 722 v. Chr. veroveren de Assyriërs het Noordrijk en de hoofdstad Samaria. Een gedeelte van de bevolking van het Noordrijk wordt weggevoerd en vreemde volkeren worden aangevoerd. Uit de vermenging van de autochtone bevolking en de geïmporteerden ontstaan de Samaritanen. Voor altijd blijft het Noorden onder vreemde overheersing. Het Zuidrijk zal nu eens autonoom zijn , dan weer onder vreemde heerschappij leven. In 586 v. Chr. valt Jeruzalem in handen van de Babyloniërs ; stad en tempel worden verwoest en een groot deel van de bevolking van Jeruzalem en Juda wordt weggevoerd naar Babylonië. In 538 v. Chr. mogen de bannelingen terugkomen. In de 2de eeuw komt het Zuidrijk onder het gezag van de Seleuciden , dat gevestigd is in Syrië. In 165 v. Chr. winnen de Makkabeeën de strijd en kunnen opnieuw onafhankelijk worden tot 67 v. Chr. wanneer een troonpretendent de hulp van de Romeinen inroept. Om het gevaar van verdwijning tegen te gaan plooit de kleine stam Juda op zichzelf terug en hoopt door het onderhouden van de geboden het tij van overheersing door de Romeinen te keren. Niet alleen worden de Samaritanen van het Noordrijk gehaat, maar ook zondaars , tollenaars , zieken worden uit het maatschappelijk leven van het kleine koninkrijk Juda geweerd. Van de vroegere droom van Israël om een gemeenschap van broers op te bouwen , schiet nog weinig over. Jezus vindt dat het welletjes is geweest en dat er eens komaf moet worden gemaakt met uitsluitingen van allerlei aard. De roeping van de twaalf is een heropnemen van de droom van Israël. Niet de afzonderlijke namen zijn belangrijk , maar het geheel , de twaalf. De namen van de twaalf zijn personificaties van de 12 stammen van Israël. Het gaat niet om 12 mannen met uitsluiting van vrouwen. Het gaat om het hele volk: mannen , vrouwen , kinderen. Zo wil Jezus komaf maken met een geschiedenis van meer dan 10 eeuwen broederstrijd. Uitsluiting moet worden geweerd , vergeving en barmhartigheid beoefend. Jezus stelt zich niet tot doel het koninkrijk van David te herstellen , maar wel om het verbinden van de 12 stammen met elkaar. Niet het grondgebied is belangrijk , maar de onderlinge band. Dat moeten de 12 onder elkaar leren. Dat zal ook hun zending inhouden en van die boodschap zullen zij getuigen.
5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
6. ind. aor. 3de pers. enk. ηρξατο = èrxato (hij begon) van het werkw. αρχομαι = archomai (beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in de LXX: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Mc (18): (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. 18) Mc 15,8.
| archomai (beginnen, aanvangen) | Mt | Mc | Lc | syn. | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | |
| ind. aor. 3de p. enk. èrxato | 7: (1) Mt 4,17. (2) Mt 11,7. (3) Mt 11,20. (4) Mt 16,21. (5) Mt 16,22. (6) Mt 26,37. (7) Mt 26,74. | 18: (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | (1) Lc 4,21. (2) Lc 7,15. (3) Lc 7,24. (4) Lc 7,38. (5) Lc 9,12. (6) Lc 11,29. (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30. (9) Lc 15,14. (10) Lc 19,45. (11) Lc 20,9. | (1) Mt 11,7 // Lc 7,24. (2) Mt 16,21 // Mc 8,31. (3) Mt 16,22 // Mc 8,32. (4) Mt 26,37 // Mc 14,33. (5) Mt 26,74 // Mc 14,71. (6) Mc 11,15 // Lc 19,45. (7) Mc 12,1 // Lc 20,9. | 18 | 1 : (1) Mc 1,45. | 1: Mc 4,1. | 1: (3) Mc 5,20. | 3: (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. | 2: (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. | 3: (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. | 1: (12) Mc 11,15. | 1: (13) Mc 12,1. | 1: (14) Mc 13,5. | 3: (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | 1: (18) Mc 15,8. | 76 | 35 | 41 | 7 | 18 | 11 | 1 | 4 |
7. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc (40). Mc 6 (6): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,33. (3) Mc 6,34. (4) Mc 6,36. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 |
8. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in het NT: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in de LXX: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in Mc: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in Lc: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). απο-στελλω = apo-stellô: af- / weg- sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden. Een vorm van αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) , in de LXX (691) (Lust J.... Greek-English Lexicon of the Septuagint , Stuttgart , 2003) , in het NT (131) (Morgenthaler Robert , Statistik...). Volgens diezelfde auteurs komt een vorm van apostolos in de Septuaginta niet voor , in het NT (79). In de evangelies komt apostolos (apostel) slechts 9X voor , 1X in Mt , Mc , Joh en 6X in Lc.
Bij Jean-Marie Van Cangh... (L' évangile de Marc. Un original hébreu ?) lezen we op blz. 111 met betrekking tot 'hous kai apostolous ônomasen = die hij ook apostelen noemde': "Les mots hous... ônomasen peuvent être considérés comme une interpolation à partir de Lc 6,13" (Metzger , 1994, p.69). Nous ne les traduisons pas , car le sens de texte subordonne hina ôsin à epoièsen , pas à ônomasen. hoi apostoloi van Mc 6,30 wordt er (op p.191) door het Hebr. hasjsjëlîchîm (de gezondenen , van het werkw. sjâlach: zenden) vertaald.
De evangelisten gebruiken uiterst karig een vorm van het woord apostolos. De evangelies werden geschreven tussen 71 (Marcus) - 80 - 85 (Lucas - Matteüs) - 95 n. chr. (Johannes). Hoe is het veelvuldig gebruik in de brieven van Paulus te verklaren ? Welke brieven ? De authentieke ? Later onder de naam van Paulus geschreven brieven ?
Volgens Muraoka T. , A Greek - Hebrew / Aramaic two-way Index to the Septuagint (Leuven , Peeters , 2010 , blz. 16) is een vorm van het werkw. apostellô in de LXX een vertaling van een 15-tal Hebreeuwse werkw. werkw.. Hierbij zijn de Aramese werkw. nëchat , sjëlach , tûb en tërad.
9. δυο = duo (twee). Telwoord. Taalgebruik in het NT: telwoorden. Taalgebruik in de LXX: telwoorden. Taalgebruik in Lc: telwoorden. Lc (25): (1) Lc 2,24. (2) Lc 3,11. (3) Lc 5,2. (4) Lc 7,18. (5) Lc 7,41. (6) Lc 9,3. (7) Lc 9,13. (8) Lc 9,16. (9) Lc 9,30. (10) Lc 9,32. (11) Lc 10,1. (12) Lc 10,17. (13) Lc 10,35. (14) Lc 12,6. (15) Lc 12,52. (16) Lc 15,11. (17) Lc 17,34. (18) Lc 17,35. (19) Lc 18,10. (20) Lc 19,29. (21) Lc 21,2. (22) Lc 22,38. (23) Lc 23,32. (24) Lc 24,4. (25) Lc 24,13. Een vorm van δυο = duo in de LXX (694) , in het NT (136) , in Lc (28).
| telwoorden | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| duo | 624 | 509 | 115 | 33 | 14 | 25 | 13 |
- Hebreeuws. שְׂנַיִם = sjënajim (twee). Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal: 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²). De som van de elementen is telkens 4 (2²). Tenakh (76). Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee). Tenakh (155).
- Ned.: twee. Arabisch: اِثنَان = ´ithnân (twee). Taalgebruik in de Qoran: ´ithnân (twee). D.: zwei. E.: two. Fr.: deux. Grieks: δυο = duo (twee). Taalgebruik in het NT: telwoorden. Hebreeuws: שְׂנַיִם = sjënajim (twee). Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee). Lat.: duo.
10. δυο = duo (twee). Telwoord. Taalgebruik in het NT: telwoorden. Taalgebruik in de LXX: telwoorden. Taalgebruik in Lc: telwoorden. Lc (25): (1) Lc 2,24. (2) Lc 3,11. (3) Lc 5,2. (4) Lc 7,18. (5) Lc 7,41. (6) Lc 9,3. (7) Lc 9,13. (8) Lc 9,16. (9) Lc 9,30. (10) Lc 9,32. (11) Lc 10,1. (12) Lc 10,17. (13) Lc 10,35. (14) Lc 12,6. (15) Lc 12,52. (16) Lc 15,11. (17) Lc 17,34. (18) Lc 17,35. (19) Lc 18,10. (20) Lc 19,29. (21) Lc 21,2. (22) Lc 22,38. (23) Lc 23,32. (24) Lc 24,4. (25) Lc 24,13. Een vorm van δυο = duo in de LXX (694) , in het NT (136) , in Lc (28).
| telwoorden | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| duo | 624 | 509 | 115 | 33 | 14 | 25 | 13 |
- Hebreeuws. שְׂנַיִם = sjënajim (twee). Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , nun = 14 of 50 , jod = 10 , mem = 13 of 40 ; totaal: 58 (2 X 29) OF 400 (2² X 2² X 5²). De som van de elementen is telkens 4 (2²). Tenakh (76). Stat. constr. mann. mv. שְׂנֵי = sjëne(j) (twee). Tenakh (155).
- Ned.: twee. Arabisch: اِثنَان = ´ithnân (twee). Taalgebruik in de Qoran: ´ithnân (twee). D.: zwei. E.: two. Fr.: deux. Grieks: δυο = duo (twee). Taalgebruik in het NT: telwoorden. Hebreeuws: שְׂנַיִם = sjënajim (twee). Taalgebruik in Tenakh: sjënajim (twee). Lat.: duo.
11. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
12.
13. dat. mann. en onz. mv. autois (aanhen). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
14. acc. vr. enk. εξουσιαν = exousian (macht, gezag) van het zelfst. naamw. εξουσια = exousia (gezag, macht). Taalgebruik in het
NT: exousia
(gezag, macht). Taalgebruik in de LXX: exousia
(gezag, macht). Taalgebruik in Mc: exousia
(gezag, macht). Da (9): (1) Da 3,30. (2) Da 4,15. (3) Da 4,29. (4) Da 5,4. (5) Da 5,16. (6) Da 5,29. (7) Da 6,4. (8) Da 7,26. (9) Da 7,27. 1 Mak (6): (1) 1 Mak 1,13. (2) 1 Mak 10,6. (3) 1 Mak 10,8. (4) 1 Mak 10,32. (5) 1 Mak 10,35. (6) 1 Mak 11,58. 2 Mak (3). Sir (5). Mt (6): (1) Mt
7,29. (2) Mt
8,9. (3) Mt 9,6. (4) Mt 9,8. (5) Mt 10,1. (6) Mt
21,23. Mc (7): (1) Mc
1,22. (2) Mc
1,27. (3) Mc
2,10. (4) Mc
3,15. (5) Mc
6,7. (6) Mc
11,28. (7) Mc
12,34. Lc (8): Lc (8): (1) Lc
4,6. (2) Lc
5,24. (3) Lc
7,8. (4) Lc
9,1. (5) Lc
10,19. (6) Lc
12,5. (7) Lc
19,17. (8) Lc
20,2. Een vorm van in de LXX (79) , in het NT (102). Een vorm van εξουσια = exousia (gezag, macht) kan de vertaling van 8 Hebreeuwse woorden zijn. In de LXX komt vooral een vorm van εξουσια = exousia (gezag, macht) voor in Da en vervolgens in de 2 boeken Mak. In het NT vallen op: de Br. van Paulus , Apk en Lc.
- exousia < ex - ousia (part. praes. nom. vr. enk. of onz. mv.): uit zich zijnde ; wat je hebt uit jezelf (al dan niet): gezag.
| exousia (gezag, macht) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 6 | Mc 11 | Mc 12 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + dat vr. enk. exousia(i) | 3 | 3: (1) Mc 11,27. (2) Mc 11,29. (3) Mc 11,33. | 39 | 10 | 29 | 4 | 3 | 6 | 2 | 6 | 8 | 13 | 13 | 5 | 1 | ||||||
| 2 | acc. vr. enk. exousian | 7 | (1) Mc 1,22. (2) Mc 1,27. | (3) Mc 2,10. | (4) Mc 3,15. | (5) Mc 6,7. | (6) Mc 11,28. | (7) Mc 12,34. | 82 | 29 | 53 | 6 | 7 | 8 | 6 | 3 | 11 | 12 | 21 | 27 | 11 | |
| totaal | 10 | 2 | 1 | 1 | 1 | 4 | 1 | 145 | 46 | 99 | 10 | 10 | 16 | 6 | 7 | 30 | 20 | 36 | 42 | 29 |
- Hebreeuws: שָׁלְסָן = sjâlëtân/ sjoltan (heerschappij). Taalgebruik in Tenakh: sjâlëtân (heerschappij). Tenakh (3): (1) Da 4,31. (2) Da 6,27. (3) Da 7,14.
- proskaleitai (hij roept). Taalgebruik: proskaleô
(bij zich roepen) , zie Mc
3,23 en Mc
3,13. Het komt in de bijbel slechts in 2 verzen voor nl. Mc
3,13 bij de roeping van de twaalf en Mc
6,7 bij de zending van de twaalf.
- Twaalf komt bij Marcus in vijftien verzen voor. Hier is het de zesde maal.
Het is de vierde maal dat het over de twaalf (leerlingen) van Jezus gaat. Het
is de tweede maal dat het over "de twaalf" handelt. Taalgebruik: dôdeka
(twaalf), zie Mt
28,16.
- èrxato
(hij begon) , zie Mc
1,45: Bij Marcus: (1) Mc
1,45 (kèrussein = verkondigen). (2) Mc
4,1 (didaskein = leraren). (3) Mc
5,20 (kèrussein = verkondigen). (4) Mc
6,2 (didaskein = leraren). (5) Mc
6,7 (apostellein = zenden). (6) Mc
6,34 (didaskein = leraren). (7) Mc
8,31 (didaskein = leraren). (8) Mc
8,32 (epitiman = opripsen). (9) Mc
10,28 (legein = zeggen). (10) Mc
10,32 (legein = zeggen). (11) Mc
10,47 (legein = zeggen). (12) Mc
11,15 (ekballein = buitenwerpen). (13) Mc
12,1 (lalein = praten). (14) Mc
13,5 (legein = zeggen). (15) Mc
14,33 (ekthambeisthai = huiveren). (16) Mc
14,69 (legein = zeggen). (17) Mc
14,71 (anathematizein = zweren). (18) Mc
15,8 (aiteisthai = vragen, eisen).
Marcus duidt hier een begin aan. Het is het begin van de "zendingsrede". Bij Matteüs is het de tweede rede. Ieder van de 5 redes eindigt Matteüs met de woorden: "Toen hij geëindigd had... "
| Mc 6,8 - Mc 6,8 : zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 8 En Hij gebood hun, dat zij niets zouden nemen tot den
weg, dan alleenlijk een staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;
King James Bible. [8] And commanded them that they should take nothing for
their journey, save a staff only; no scrip, no bread, no money in their purse:
Luther-Bibel. 8 und gebot ihnen, nichts mitzunehmen auf den Weg als allein
einen Stab, kein Brot, keine Tasche, kein Geld im Gürtel,
Tekstuitleg van Mc 6,8.
| Mc 6,8 | Mt 10,9 | Lc 9,3 | ||
| 6:8 kai parèggeilen autois ina mèden airôsin eis odon ei mè rabdon monon mè arton mè pèran mè eis tèn zônèn chalkon | mè pèran eis odon mède duo citônas mède upodèmata mède rabdon axios gar o ergatès tès trofès autou | 9:3 kai eipen pros autous mèden airete eis tèn odon mète rabdon mète pèran mète arton mète argurion mète | | [ana*] | duo chitônas echein |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
3. dat. mann. en onz. mv. autois (aanhen). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (13):(1) Mc
6,4. (2) Mc
6,7. (3) Mc
6,8. (4) Mc
6,10. (5) Mc
6,11. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,37. (8) Mc
6,38. (9) Mc
6,39. (10) Mc
6,41. (11) Mc
6,46. (12) Mc
6,48. (13) Mc
6,50.
7. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
8. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg). Taalgebruik
in het N.T.: hodos
(weg). Taalgebruik in Mc: hodos
(weg).
Mc (10): (1) Mc
1,2. (2) Mc
1,3. (3) Mc
2,23. (4) Mc
4,4. (5) Mc
4,15. (6) Mc
6,8. (7) Mc
10,17. (8) Mc
10,46. (9) Mc
11,8. (10) Mc
12,14.
17. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
18. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
| Mc 6,9 - Mc 6,9: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 9 Maar dat zij schoenzolen zouden aanbinden, en met geen
twee rokken gekleed zijn.
King James Bible. [9] But be shod with sandals; and not put on two coats.
Luther-Bibel. 9 wohl aber Schuhe, und nicht zwei Hemden anzuziehen.
Tekstuitleg van Mc 6,9.
| Mc 6,9 | ||||
| alla upodedemenous sandalia kai mè | endusasthai | endusèsthe | duo chitônas | 9:3b mète | | [ana*] | duo chitônas echein |
4. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
| Mc 6,10 - Mc 6,10: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 10 En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan,
blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.
King James Bible. [10] And he said unto them, In what place soever ye enter
into an house, there abide till ye depart from that place.
Luther-Bibel. 10 Und er sprach zu ihnen: Wo ihr in ein Haus gehen werdet, da
bleibt, bis ihr von dort weiterzieht.
Tekstuitleg van Mc 6,10.
| Mc 6,10 | Mt 10,11 | Lc 9,4 | ||
| kai elegen autois, Hopou ean eiselthète eis oikian, ekei menete heôs an exelthète ekeithen | eis èn d an polin è kômèn eiselqète exetasate tis en autè axios estin kakei meinate eôs an exelqète | kai eis èn an oikian eiselthète ekei menete kai ekeithen exerchesthe |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei). Taalgebruik in N.T.: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (31). Mc 6 (4) : (1) Mc
6,4. (2) Mc
6,10. (3) Mc
6,16. (4) Mc
6,18. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
3. dat. mann. en onz. mv. autois (aanhen). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (13):(1) Mc
6,4. (2) Mc
6,7. (3) Mc
6,8. (4) Mc
6,10. (5) Mc
6,11. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,37. (8) Mc
6,38. (9) Mc
6,39. (10) Mc
6,41. (11) Mc
6,46. (12) Mc
6,48. (13) Mc
6,50.
5. ean (indien). Taalgebruik in het N.T.: ean
(indien). Taalgebruik in Mc: ean
(indien).
Mc (32). Mc 6 (3): (1) Mc
6,10. (2) Mc
6,22. (3) Mc
6,23.
7. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
9. ekei (daar, hier). Taalgebruik in het N.T.: ekei (daar). Taalgebruik in Mc: ekei (daar). Ned. hier. Fr. ici. Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,6. (3) Mc 3,1. (4) Mc 5,11. (5) Mc 6,5. (6) Mc 6,10. (7) Mc 6,33. (8) Mc 11,5. (9) Mc 13,21. (10) Mc 14,15. (11) Mc 16,7.
11. heôs (tot, totdat). Taalgebruik in het N.T.: heôs
(tot , totdat). Taalgebruik in Mc: heôs
(tot , totdat).
Mc (14). Mc 6 (3): (1) Mc
6,10. (2) Mc
6,23. (3) Mc
6,45.
14. εκειθεν = ekeithen. Taalgebruik
in het NT: vanhier,
vandaar. Taalgebruik
in de LXX: vanhier,
vandaar. Taalgebruik in Mc: vanhier,
vandaar. Mc (5): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,10. (3) Mc
6,11. (4) Mc
7,24. (5) Mc
10,1.
- Mc
6,10 en Mc
6,11 behoren tot de zendingsrede. εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie
verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte) , οικος = oikos
of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar).
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar). LXX (9). NT (2): (1) Mc
7,24. (2) Lc 9,4.
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar). LXX (5). NT (0).
| ekeithen (vandaar) | Mc | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | ekeithen | 5 | (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,11 | (4) Mc 7,24. | (5) Mc 10,1 | 157 | 130 | 27 | 12 | 5 | 3 | 2 | 4 | 1 | 20 | 22 | ||
| 2 | kakeithen | 1 | (1) Mc 9,30. | 10 | 10 | 1 | 1 | 8 | ||||||||||
| totaal | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 167 | 130 | 37 | 12 | 6 | 4 | 2 | 12 | 1 | 20 | 22 |
- Hebreeuws: מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem
(naam). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2
X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (103). Pentateuch (37).
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m. Tenakh (8).
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,11 - Mc 6,11: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 11 En zo wie u niet zullen ontvangen, noch u horen, vertrekkende
van daar, schudt het stof af, dat onder aan uw voeten is, hun tot een getuigenis.
Voorwaar zeg Ik u: Het zal Sodom en Gomorra verdragelijker zijn in den dag des
oordeels dan dezelve stad.
King James Bible. [11] And whosoever shall not receive you, nor hear you, when
ye depart thence, shake off the dust under your feet for a testimony against
them. Verily I say unto you, It shall be more tolerable for Sodom and Gomorrha
in the day of judgment, than for that city.
Luther-Bibel. 11 Und wo man euch nicht aufnimmt und nicht hört, da geht hinaus
und schüttelt den Staub von euren Füßen zum Zeugnis gegen sie.
Tekstuitleg van Mc 6,11. De getalswaarde van Mc 6,11 is 16580 (2² X 5 X 829).
| Mc 6,11 | Mt 10,14 | Lc 9,5 | ||
| kai os an topos mè dexètai umas mède akousôsin umôn ekporeuomenoi ekeithen ektinaxate ton choun ton upokatô tôn podôn umôn eis marturion autois |
kai (en) hos an (wie) mè dechètai humas mè akousèi tous logous humôn 10:14 kai os an mè dexètai umas mède akousè tous logous umôn exercomenoi exô tès oikias è tès poleôs ekeinès ektinaxate ton koniorton tôn podôn umôn |
kai osoi an mè dechôntai umas exerchomenoi apo tès poleôs ekeinès ton koniorton apo tôn podôn umôn apotinassete eis marturion ep autous |
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
2. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. ὁς = hos (die). Zie het betrekk. voornaamw. ὁς , ἡ , ὁ = hos , hè , ho (die/dat). Taalgebruik in het NT: betrekkelijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: betrekkelijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord. Mc (25): (1) Mc 1,2. (2) Mc 3,19. (3) Mc 3,29. (4) Mc 3,35. (5) Mc 4,9. (6) Mc 4,25. (7) Mc 4,31. (8) Mc 5,3. (9) Mc 6,11. (10) Mc 8,35. (11) Mc 8,38. (12) Mc 9,37. (13) Mc 9,39. (14) Mc 9,40. (15) Mc 9,41. (16) Mc 9,42. (17) Mc 10,11. (18) Mc 10,15. (19) Mc 10,29. (20) Mc 10,43. (21) Mc 10,44. (22) Mc 11,23. (23) Mc 13,2. (24) Mc 15,23. (25) Mc 15,43.
| Mc 1 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| nom. mann. enk. hos | (1) Mc 1,2. | (2) Mc 3,19. (3) Mc 3,29. (4) Mc 3,35. | (5) Mc 4,9. (6) Mc 4,25. (7) Mc 4,31. | (8) Mc 5,3. | (9) Mc 6,11. | (10) Mc 8,35. (11) Mc 8,38. | (12) Mc 9,37. (13) Mc 9,39. (14) Mc 9,40. (15) Mc 9,41. (16) Mc 9,42. | (17) Mc 10,11. (18) Mc 10,15. (19) Mc 10,29. (20) Mc 10,43. (21) Mc 10,44. | (22) Mc 11,23. | (23) Mc 13,2. | (24) Mc 15,23. (25) Mc 15,43. | 652 | 454 | 198 | 27 | 25 | 28 | 10 | 31 | 129 | 8 | 80 | 90 |
3. αν = an. Taalgebruik in het NT: an. Taalgebruik in de LXX: an. Taalgebruik in Mc: an. Mc (18): (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. (6) Mc 8,35. (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. (15) Mc 11,23. (16) Mc 12,36. (17) Mc 13,20. (18) Mc 14,44.
| an | Mc | Mc 3 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 18 | (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. | (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. | (6) Mc 8,35. | (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. | (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. | (15) Mc 11,23. | (16) Mc 12,36. | (17) Mc 13,20. | (18) Mc 14,44. | 679 | 528 | 151 | 36 | 18 | 29 | 23 | 15 | 28 | 2 | 83 | 106 |
1. - 3. ὁς γαρ αν = hos gar an (want wie zou). LXX (2): (1) Gn 21,6. (2) Js 13,15. NT (9). Mt (1): Mt 16,25. Mc (5): (1) Mc 3,35. (2) Mc 4,25. (3) Mc 8,35. (4) Mc 8,38. (5) Mc 9,41. Lc (3): (1) Lc 8,18. (2) Lc 9,24. (3) Lc 9,26 .
- ὁς δ' αν = hos d' an (wie echter zou). Bijbel. Slechts in het NT (14): (1) Mt 5,19. (2) Mt 5,21. (3) Mt 5,22 2X). (4) Mt 12,32. (5) Mt 16,25. (6) Mt 18,6. (7) Mt 23,16. (8) Mt 23,18. (9) Mc 3,29. (10) Mc 8,35. (11) Lc 9,24. (12) Joh 4,14. (13) 1 Joh 2,5. (14) 1 Joh 3,17.
- ὁστις γαρ αν = hostis an (want wie zou). Bijbel (1): Mt 12,50.
4. τοπος = topos (plaats). Taalgebruik in het NT: topos (plaats). Taalgebruik in de LXX: topos (plaats). Een vorm van τοπος = topos in de LXX (613) , in het NT (95).
- Hebreeuws: מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats). Taalgebruik in Tenakh: maqôm (plaats, verblijfplaats). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal: 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31). Structuur: 4 - 1 - 6 - 4. De som van de elementen is telkens 6.
- Ned.: plaats. D.: Stätte. E.: place. Fr.: place. Grieks: τοπος = topos (plaats). Taalgebruik in het NT: topos (plaats). Hebreeuws: מַקוֹם = maqôm (plaats, verblijfplaats). Taalgebruik in Tenakh: maqôm (plaats, verblijfplaats). Lat.: locus.
5. μη = mè (niet). Taalgebruik in het NT: mè (niet). Taalgebruik in de LXX: mè (niet). Taalgebruik in Mc: mè (niet).
| mè (niet) | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 67 | 6 | 4 | 4 | 4 | 7 | 2 | 2 | 5 | 6 | 2 | 5 | 14 | 4 | 2 | 3266 | 2344 | 922 | 117 | 67 | 123 | 110 | 61 | 403 | 41 | 307 | 417 |
6. conj. aor. 3de pers. enk. dexètai (hij zou ontvangen) van het werkw. Mc (3): (1) Mc 6,11. (2) Mc 9,37. (3) Mc 10,15.
1. - 6.
| Mc 9,37 | Mt 18,5 | Lc 9,48 | Mc 9,37 | Mt 10,40 | Mt 10,40 | Lc 9,48 | Mc 6,11 | Mt 10,14 | Mc 10,15 | Lc 18,17 | ||
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |||||
| hos an (wie) | hos ean (wie) | hos ean (wie) | hos an (wie) | hos an (wie) | hos an topos (welke plaats) | hos an (wie) | hos an (wie) | hos an (wie) | ||||
| hen tôn toioutôn paidiôn dexètai (één van dergelijke kinderen ontvangt) | dexètai hen paidion toiouto (één dergelijk kind ontvange) | dexètai hen touto to paidiono (dit kind ontvange) | eme dechètai (mij ontvangt) | ho dechomenos humas (de ontvangende u) | ho eme dechomenos (de ontvangende mij) | eme dechètai (mij ontvangt) | mè dexètai humas (u niet zou ontvangen) | mè dechètai humas (je niet zou ontvangen) | mè dechètai tèn basileian tou theou hôs paidion ( niet zou ontvangen het koninkrijk van God als een kind | mè dechètai tèn basileian tou theou hôs paidionhumas ( niet zou ontvangen het koninkrijk van God als een kind | ||
| 173. De grootste in het Rijk Gods: - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 |
173. De grootste in het Rijk Gods: - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - | 173. De grootste in het Rijk Gods: - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - | 173. De grootste in het Rijk Gods: - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - |
Ontvangst en loon: - Mt 10,40-42 - Mc 9,38-41 - Lc 10,16 - | Ontvangst en loon: - Mt 10,40-42 - Mc 9,38-41 - Lc 10,16 - | 173. De grootste in het Rijk Gods: - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 - | 147. zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 - | 76. Zendingsrede: Mt 10,5-16 - Lc 9,1-6 - Mc 6,7-13 - | 267. Jezus ontvangt de kinderen: - Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 - | 267. Jezus ontvangt de kinderen: - Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 - |
1. - 6.
- Mc 6,11: kai hos an topos mè dexètai (en welke plaats - jullie - niet
zou ontvangen).
- Mc 9,37: hos an... dexètai (wie - één van dergelijke kinderen
- zou ontvangen) kai hos an eme dechètai ( en wie mij zou ontvangen).
- Mc 10,15: kai hos an mè dexètai tèn basileian tou theou hôs
paidion (en wie het koninkrijk van God niet zou ontvangen als een kind).
8. mède (noch). Taalgebruik in het NT: mède (noch). Taalgebruik in Mc: mède (noch).
| mède | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 153 | 105 | 48 | 8 | 6 | 5 | 2 | 2 | 25 | 19 | 21 | 21 | 4 |
9.
10. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mv. ὑμων = humôn (van jullie). Zie persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Lc: persoonlijk voornaamwoord.
| pers. vnw. 2de p. mv. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| gen. mv. humôn | 1573 | 1084 | 489 | 61 | 12 | 60 | 43 | 34 | 275 | 4 | ||
| totaal | 4034 | 2377 | 1657 | 224 | 69 | 205 | 219 | 116 | 813 | 11 | 498 | 717 |
11. ind. imperf. 3de pers. enk. εξεπορευετο = exeporeueto (hij begaf zich op weg naar buiten) van het werkw. εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit). Taalgebruik in het NT: ekporeuomai (zich op weg begeven uit). Taalgebruik in de LXX: ekporeuomai (zich op weg begeven uit). Taalgebruik in Mc: ekporeuomai (zich op weg begeven uit). Een vorm van εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in de LXX (172) , in het NT (33) , in Mt (5) , in Mc (11) , in Lc (3) , in Joh (2) , in Hnd (3). In Mc (11): (1) Mc 1,5. (2) Mc 6,11 . (3) Mc 7,15 . (4) Mc 7,19. (5) Mc 7,20. (6) Mc 7,21. (7) Mc 7,23 . (8) Mc 10,17. (9) Mc 10,46. (10) Mc 11,19. (11) Mc 13,1 . Een vorm van εκπορευομαι = ekporeuomai (zich op weg begeven uit) vergezeld van εκ = ek (4): (1) Mc 7,15. (2) Mc 7,20. (3) Mc 7,21. (4) Mc 13,1 , van εξω = exô (1): Mc 11,19 , van -θεν = -then (2): (1) Mc 6,11. (2) Mc 7,21.
- Ned.: p of ph = f -> v + r. Het woord behoort tot de groep van varen. Mnd.. voort. Ofries: forda. Oeng.: ford. D.: fahren. Grieks: πορος = poros: weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats. Lat.: por-tus: haven.
- Zie verder:
-- Taalgebruik in Mc: poreuomai (zich op weg begeven, op weg gaan).
-- Taalgebruik in Mc: eisporeuomai (zich op weg begeven).
| ekporeuomai (zich op weg begeven uit) | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 13 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | ind. praes. 3de pers. enk. ekporeuetai | 2 | (1) Mc 7,19. (2) Mc 7,23 | 24 | 17 | 7 | 2 | 1 | 4 | 2 | 3 | |||||||
| 2 | ind. praes. 3de pers. mv. ekporeuontai | 1 | (1) Mc 7,21 | 12 | 10 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||||
| 3 | part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou | 3 | (1) Mc 10,17. (2) Mc 10,46 | (3) Mc 13,1 | 7 | 3 | 4 | 3 | 1 | 3 | 3 | |||||||
| 4 | part. praes. nom. + acc. onz. enk. ekporeuomenon | 1 | (1) Mc 7,20 | 12 | 9 | 3 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | |||||||
| 5 | part. praes. nom. mann. mv. poreuomenoi | 1 | (1) Mc 6,11 | 12 | 11 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| 6 | part. praes. nom. + acc. onz. mv. ekporeuomena | 1 | (1) Mc 7,15 | 7 | 5 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| 7 | ind. imperf. 3de pers. enk. exeporeueto | 1 | (1) Mc 1,5 | 21 | 18 | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 | |||||||
| 8 | ind. imperf. 3de pers. mv. exeporeuonto | 1 | (1) Mc 11,19 | 7 | 6 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| totaal | 11 | 1 | 1 | 5 | 2 | 1 | 1 | 102 | 79 | 23 | 3 | 11 | 1 | 1 | 7 | 15 | 16 |
Mc
6,11. εκειθεν = ekeithen. Taalgebruik
in het NT: vanhier,
vandaar. Taalgebruik
in de LXX: vanhier,
vandaar. Taalgebruik in Mc: vanhier,
vandaar. Mc (5): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,10. (3) Mc
6,11. (4) Mc
7,24. (5) Mc
10,1.
- Mc
6,10 en Mc
6,11 behoren tot de zendingsrede. εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie
verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte) , οικος = oikos
of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar).
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar). LXX (9). NT (2): (1) Mc
7,24. (2) Lc 9,4.
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar). LXX (5). NT (0).
| ekeithen (vandaar) | Mc | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | ekeithen | 5 | (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,11 | (4) Mc 7,24. | (5) Mc 10,1 | 157 | 130 | 27 | 12 | 5 | 3 | 2 | 4 | 1 | 20 | 22 | ||
| 2 | kakeithen | 1 | (1) Mc 9,30. | 10 | 10 | 1 | 1 | 8 | ||||||||||
| totaal | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 167 | 130 | 37 | 12 | 6 | 4 | 2 | 12 | 1 | 20 | 22 |
- Hebreeuws: מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem
(naam). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2
X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (103). Pentateuch (37).
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m. Tenakh (8).
14. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
16. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
18. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. των = tôn (van de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 13. | gen. m. + vr. + onz. mv. tôn | 90 | 4 | 4 | 4 | 2 | 7 | 6 | 10 | 6 | 3 | 3 | 5 | 9 | 3 | 13 | 9 | 2 | 5178 | 4144 | 1034 | 178 | 90 | 119 | 98 | 166 | 267 | 116 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
19. πους = pous , ποδος = podos (voet). Taalgebruik in het NT: pous , podos (voet). Taalgebruik in de LXX: pous , podos (voet). Een vorm van pous , podos (voet) in de LXX (301) , in het NT (93) , in de Hnd (19).
20. persoonl. voornaamw. 2de pers. gen. mv. ὑμων = humôn (van jullie). Zie persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Lc: persoonlijk voornaamwoord.
| pers. vnw. 2de p. mv. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| gen. mv. humôn | 1573 | 1084 | 489 | 61 | 12 | 60 | 43 | 34 | 275 | 4 | ||
| totaal | 4034 | 2377 | 1657 | 224 | 69 | 205 | 219 | 116 | 813 | 11 | 498 | 717 |
21. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
22. marturion (getuigenis). In 44 verzen in de bijbel; in 27 verzen in het O.T., in 17 verzen in het N.T. In 3 verzen bij Matteüs, in 3 verzen bij Marcus, in 3 verzen bij Lucas, niet bij Johannes,
23. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
| Mc 6,12 - Mc 6,12: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden
bekeren.
King James Bible. [12] And they went out, and preached that men should repent.
Luther-Bibel. 12 Und sie zogen aus und predigten, man solle Buße tun,
Tekstuitleg van Mc 6,12.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan). Taalgebruik in N.T.: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan).
Mc (5): (1) Mc
1,29. (2) Mc
3,6. (3) Mc
6,12. (4) Mc
9,30. (5) Mc
16,20. De leerlingen gaan op zending.
3. act. ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan (zij verkondigden) van het
werkw. kèrussô (verkondigen). Taalgebruik in het N.T.: kèrussô
(verkondigen). Taalgebruik in Mc: kèrussô
(verkondigen).
Mc (2): (1) Mc
6,12. (2) Mc
16,20.
Mc 3,14 behoort tot het roepingsverhaal (Mc
3,13-19). In dit verhaal worden de taken van de geroepenen voorzegd. In
het zendingsverhaal (Mc
6,7-13) voeren de leerlingen uit wat hen is opgedragen: ekèruxan
(Mc 6,12: zij verkondigden). STAP VOOR STAP !
Na de hemelvaart gingen de leerlingen verkondigen. Zowel in Mc
6,12 als in Mc
16,20: exelthontes ekèruxan (zij uitgetrokken verkondigden).
De verkondigingstaak van de leerlingen sluit aan bij de verkondigingstaak van
Jezus: Mc
1,38: hina kai ekei kèruxô , eis touto gar exèlthon
(opdat ik ook daar zou verkondigen ; want daartoe ben ik uitgegaan).
| Mc 6,13 - Mc 6,13: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken
met olie, en maakten hen gezond.
King James Bible. [13] And they cast out many devils, and anointed with oil
many that were sick, and healed them.
Luther-Bibel. 13 und trieben viele böse Geister aus und salbten viele Kranke
mit Öl und machten sie gesund.
Tekstuitleg van Mc 6,13.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
| Mc 6,12 - Mc 6,12: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden
bekeren.
King James Bible. [12] And they went out, and preached that men should repent.
Luther-Bibel. 12 Und sie zogen aus und predigten, man solle Buße tun,
Tekstuitleg van Mc 6,12.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan). Taalgebruik in N.T.: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan).
Mc (5): (1) Mc
1,29. (2) Mc
3,6. (3) Mc
6,12. (4) Mc
9,30. (5) Mc
16,20. De leerlingen gaan op zending.
3. act. ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan (zij verkondigden) van het
werkw. kèrussô (verkondigen). Taalgebruik in het N.T.: kèrussô
(verkondigen). Taalgebruik in Mc: kèrussô
(verkondigen).
Mc (2): (1) Mc
6,12. (2) Mc
16,20.
Mc 3,14 behoort tot het roepingsverhaal (Mc
3,13-19). In dit verhaal worden de taken van de geroepenen voorzegd. In
het zendingsverhaal (Mc
6,7-13) voeren de leerlingen uit wat hen is opgedragen: ekèruxan
(Mc 6,12: zij verkondigden). STAP VOOR STAP !
Na de hemelvaart gingen de leerlingen verkondigen. Zowel in Mc
6,12 als in Mc
16,20: exelthontes ekèruxan (zij uitgetrokken verkondigden).
De verkondigingstaak van de leerlingen sluit aan bij de verkondigingstaak van
Jezus: Mc
1,38: hina kai ekei kèruxô , eis touto gar exèlthon
(opdat ik ook daar zou verkondigen ; want daartoe ben ik uitgegaan).
| Mc 6,13 - Mc 6,13: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken
met olie, en maakten hen gezond.
King James Bible. [13] And they cast out many devils, and anointed with oil
many that were sick, and healed them.
Luther-Bibel. 13 und trieben viele böse Geister aus und salbten viele Kranke
mit Öl und machten sie gesund.
Tekstuitleg van Mc 6,13.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
| Mc 6,12 - Mc 6,12: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 12 En uitgegaan zijnde, predikten zij, dat zij zich zouden
bekeren.
King James Bible. [12] And they went out, and preached that men should repent.
Luther-Bibel. 12 Und sie zogen aus und predigten, man solle Bu�e tun,
Tekstuitleg van Mc 6,12.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai
(uitgaan). Taalgebruik in N.T.: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan).
Mc (5): (1) Mc
1,29. (2) Mc
3,6. (3) Mc
6,12. (4) Mc
9,30. (5) Mc
16,20. De leerlingen gaan op zending.
3. act. ind. aor. 3de p. mv. ekèruxan (zij verkondigden) van het
werkw. kèrussô (verkondigen). Taalgebruik in het N.T.: kèrussô
(verkondigen). Taalgebruik in Mc: kèrussô
(verkondigen).
Mc (2): (1) Mc
6,12. (2) Mc
16,20.
Mc 3,14 behoort tot het roepingsverhaal (Mc
3,13-19). In dit verhaal worden de taken van de geroepenen voorzegd. In
het zendingsverhaal (Mc
6,7-13) voeren de leerlingen uit wat hen is opgedragen: ekèruxan
(Mc 6,12: zij verkondigden). STAP VOOR STAP !
Na de hemelvaart gingen de leerlingen verkondigen. Zowel in Mc
6,12 als in Mc
16,20: exelthontes ekèruxan (zij uitgetrokken verkondigden).
De verkondigingstaak van de leerlingen sluit aan bij de verkondigingstaak van
Jezus: Mc
1,38: hina kai ekei kèruxô , eis touto gar exèlthon
(opdat ik ook daar zou verkondigen ; want daartoe ben ik uitgegaan).
| Mc 6,13 - Mc 6,13: zending van de twaalf - Mc 6,7-13 - Lc 9,1-6 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 13 En zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken
met olie, en maakten hen gezond.
King James Bible. [13] And they cast out many devils, and anointed with oil
many that were sick, and healed them.
Luther-Bibel. 13 und trieben viele b�se Geister aus und salbten viele Kranke
mit �l und machten sie gesund.
Tekstuitleg van Mc 6,13.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
148. Mc 6,14-16: Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 -
| Mc 6,14 - Mc 6,14: 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [14] And king Herod heard of him; (for his name was spread
abroad:) and he said, That John the Baptist was risen from the dead, and therefore
mighty works do shew forth themselves in him.
Luther-Bibel. 14 Und es kam dem König Herodes zu Ohren; denn der Name Jesu
war nun bekannt. Und die Leute sprachen: Johannes der Täufer ist von den Toten
auferstanden; darum tut er solche Taten.
Tekstuitleg van Mc 6,14. Het vers Mc 6,14 telt 28 (2² X 7) woorden en 134 (2 X 67) letters. De getalswaarde van Mc 6,14 is 14409 (3² X 1601).
| Mc 6,14 | Mt 14,1 | Lc 9,7. | ||
| kai èkousen o basileus èrôdès faneron gar egeneto to onoma autou kai elegon oti iôannès o baptizôn egègertai ek nekrôn kai dia touto energousin ai dunameis en autô | en ekeinô tô kairô èkousen èrôdès o tetraarchès tèn akoèn ièsou | èkousen de èrôdès o tetraarchès ta ginomena panta kai dièporei dia to legesthai upo tinôn oti iôannès ègerthè ek nekrôn |
Mc 6,14.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,14.2. act. ind. aor. 3de p. enk. ηκουσεν = èkousen (hij / zij hoorde) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Mt (1): Mt 14,1. Mc (1): Mc 6,14. Lc (3): (1) Lc 1,41. (2) Lc 9,7. (3) Lc 15,25. Joh (6): (1) Joh 3,32. (2) Joh 9,35. (3) Joh 11,6. (4) Joh 11,20. (5) Joh 11,29. (6) Joh 19,8. Hnd (4): (1) Hnd 8,30. (2) Hnd 9,4. (3) Hnd 14,9. (4) Hnd 24,24. Br (1): 2 Kor 11,4. Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427).
| akouô (horen) | bijbel | LXX | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | dt.can. | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. èkousen | 186 | 170 | 28 | 59 | 19 | 1 | 27 | 36 | 14 | 3 | 1 | 7 | 3 | 16 | 1 | 1 | 3 | 6 | 4 | 1 | 5 | 11 |
- και ηκουσεν = kai èkousen (en hij hoorde). LXX (79). NT (4): (1) Mc
6,14. (2) Joh
3,32. (3) Hnd 24,24. (4) 2
Kor 12,4.
- ηκουσεν δε = èkousen de (hij hoorde echter). LXX (4): (1) Gn
31,1. (2) Ex 2,15. (3) Ex 18,1. (4) Ex 18,24. NT (1): Lc 9,7.
- Hebreeuws: וַיִּשְׁמַע = wajjisjëma` (en hij hoorde) < prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâma`
(horen, luisteren). Getalswaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin
= 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 3 - 4 - 7. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (90). Pentateuch (33). Eerdere Profeten (33). Latere Profeten (10). 12 Kleine
Profeten (2). Geschriften (12). Gn (11): (1) Gn 14,14. (2) Gn 16,2. (3) Gn 21,17. (4) Gn 23,16. (5) Gn 28,7. (6) Gn 30,17. (7) Gn 30,22. (8) Gn
31,1. (9) Gn 35,22. (10) Gn 37,21. (11) Gn 45,2. Ex (6): (1) Ex 2,15. (2) Ex 2,24. (3) Ex 18,1. (4) Ex 18,24. (5) Ex 32,17. (6) Ex 33,4. Lv (1): Lv 10,20. Nu (10): (1) Nu 7,89. (2) Nu 11,1. (3) Nu 11,10. (4) Nu 12,2. (5) Nu 16,4. (6) Nu 20,16. (7) Nu 21,1. (8) Nu 21,3. (9) Nu 22,36. (10) Nu 33,40. Dt (5): (1) Dt
1,34. (2) Dt
5,28. (3) Dt
9,19. (4) Dt
10,10. (5) Dt
26,7.
- Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis. auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. D. hören. E.: to hear. Fr.: écouter.
Mc 6,14.3. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,14.2. - 3. ηκουσεν ὁ = èkousen ho (...hoorde). LXX (24). NT (3): (1) Mc
6,14. (2) Joh
9,35. (3) Joh
19,8.
- ακουσας ὁ = akousas ho (...gehoord hebbende). LXX (4). NT (2): (1) Mt
14,13. (2) Mc 2,17.
Mc 6,14.4. nom. mann. enk. βασιλευς = basileus (koning). Taalgebruik in het NT: basileus (koning). Taalgebruik in Mc: basileus (koning). Mc (7): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,26. (7) Mc 15,32.
| basileus (koning) | Mc | Mc 6 | Mc 13 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. basileus | 7 | 4 : (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. | 3 : (1) Mc 15,2. (2) Mc 15,26. (3) Mc 15,32. | 931 | 887 | 44 | 12 | 7 | 5 | 9 | 5 | 3 | 3 | 24 | 33 | 3 | ||
| totaal | 11 | 5 | 1 | 5 | 2680 | 2580 | 100 | 21 | 11 | 11 | 13 | 13 | 11 | 20 | 43 | 56 | 9 | 1 |
- Hebreeuws. מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816). Pentateuch (58). Eerdere Profeten (345). Latere Profeten (188). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (203).
- Het koningschap werd ingesteld door rechter Samuël. De eerste koning was Saul , uit de stam Benjamin. De tweede koning was David , uit de stam Juda. Door David werd de Davidische dynastie ingesteld.
Mc 6,14.5. nom. mann. enk. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in het ΝΤ: hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in Mc: hèrô(i)dès (Herodes). Mt (6): (1) Mt 2,3. (2) Mt 2,7. (3) Mt 2,13. (4) Mt 2,16. (5) Mt 14,1. (6) Mt 14,3. Mc (5): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,21. Lc (8): (1) Lc 3,19. (2) Lc 9,7. (3) Lc 9,9. (4) Lc 13,31. (5) Lc 23,8. (6) Lc 23,11. (7) Lc 23,12. (8) Lc 23,15. Hnd (5): (1) Hnd 4,27. (2) Hnd 12,1. (3) Hnd 12,6. (4) Hnd 12,19. (5) Hnd 12,21. In Mc 6,14 is er in het Marcusevangelie voor het eerst sprake van Herodes. In Mc 3,6 hoorden we al over de Herodianen.
| hèrô(i)dès (Herodes) | Mc | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. hèrô(i)dès | 5 | (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,21. | 24 | 24 | 6 | 5 | 8 | 5 | 19 | 19 | |
| 2 | gen. mann. enk. hèrô(i)dou | 1 | (1) Mc 8,15. | 13 | 13 | 5 | 1 | 4 | 3 | 10 | 10 | |
| 3 | dat. mann. enk. hèrô(i)dè(i) | 2 | (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. | 3 | 3 | 1 | 2 | 3 | 3 | |||
| totaal | 8 | 7 | 1 | 42 | 42 | 13 | 8 | 13 | 8 | 34 | 34 |
Mc 6,14.4. - 5. βασιλευς ἡρῳδης = basileus hèrô(i)dès (koning Herodes). Bijbel (1): Mc 6,14. Variante lezing: (1) Mt
2,3.
- ἡρῳδης ὁ βασιλευς = hèrô(i)dès ho basileus (Herodes, de koning). Variante lezing: (1) Mt
2,3. (2) Hnd 12,1.
- ὁ ἡρῳδης = ho hèrô(i)dès (Herodes). Bijbel (9): (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Lc
3,19. (4) Lc
9,9. (5) Lc
23,11. (6) Lc
23,12 (variante lezing). (7) Hnd 12,6. (8) Hnd 12,19. (9) Hnd 12,21.
- ὁ δε ἡρῳδης = ho de hèrô(i)dès (Herodes). Bijbel (2): (1) (1) Lc
3,19. (2) Lc
23,8.
- ὁ γαρ ἡρῳδης = ho gar hèrô(i)dès (want Herodes). Bijbel (2): (1) Mt 14,3. (2) Mc 6,20.
- ἡρῳδης δε = hèrô(i)dès de (Herodes echter). Bijbel (1): Hnd 12,19.
Mc 6,14.1. - 5. και ηκουσεν ὁ βασιλευς ἡρῳδης = kai èkousen ho basileus hèrô(i)dès (en koning Herodes hoorde). Bijbel (1): Mc 6,14.
- ακουσας δε ὁ βασιλευς ἡρῳδης = akousas de ho basileus hèrô(i)dès (koning Herodes gehoord hebbende echter). Bijbel (1): Mt
2,3.
- ακουσας δε ὁ ἡρῳδης = akousas de ho hèrô(i)dès (Herodes gehoord hebbende echter). Bijbel (1): Mc 6,16.
- ηκουσεν δε ἡρῳδης = èkousen de hèrô(i)dès (Herodes hoorde echter). Bijbel (1): Lc 9,7.
- ηκουσεν ἡρῳδης = èkousen hèrô(i)dès (Herodes hoorde). Bijbel (1): Mt 14,1.
- ηκουσεν δε φαραω = èkousen de faraô (Farao hoorde echter). Bijbel (1): Ex 2,15.
Mc 6,14.6. acc. mann. + onz. enk. φανερον = faveron van het bijvoegl. maanw. φανερος = faneros (zichtbaar, bekend). Bijbel (16). LXX (7): (1) Js 64,1. (2) Da 3,18. (3) 2 Mak 1,33. (4) 2 Mak 6,30. (5) 2 Mak 15,35. (6) Bar 6,50. (7) Bar 6,68. NT (9). (1) Mt 12,16. (2) Mc 3,12. (3) Mc 4,22. (4) Mc 6,14. (5) Lc 8,17. (6) Hnd 4,16. (7) Hnd 7,13. (8) Rom 1,19. (9) 1 Kor 3,13.
Mc 6,14.7. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,14.9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,14.10. nom. + acc. onz. enk. ονομα = onoma (naam). Taalgebruik in het NT: onoma (naam). Taalgebruik in de Septuaginta: onoma (naam). Taalgebruik in Mc: onoma (naam). Mc (5): (1) Mc 3,16. (2) Mc 5,9 (2X). (3) Mc 6,14. (4) Mc 13,13. (5) Mc 14,32.
- Ned.: naam (zie het Griekse onoma zonder de begin o).. stam: N... M. Arabisch: اسم = ism (naam). Taalgebruik in de Qoran: ism (naam). D.: Name. Eng.: name. Fr.: nom. Grieks: ονομα = onoma (naam). Taalgebruik in het NT: onoma (naam). Hebr. שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem (naam). Lat. nomen.
| onoma (naam) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. + acc. onz. enk. onoma | 676 | 578 | 98 | 10 | 6 | 15 | 11 | 15 | 17 | 24 | 31 | 42 |
| Totaal | 1079 | 862 | 217 | 19 | 14 | 33 | 24 | 60 | 35 | 32 | 66 | 90 |
Mc 6,14.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,14.9. - 11. το ονομα αυτου = to onoma autou (zijn naam). LXX (126). NT (20).
- Hebreeuws: שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < zelfst. naamw. + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem (naam). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7.. Tenakh (163). Pentateuch (60). Eerdere Profeten (23). Latere Profeten (27). 12 Kleine Profeten (9). Geschriften (44).
- שֵׁם = sjem (naam) < zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en 1 korte klinker (qil-vorm). i is in gesloten lettergrepen met klemtoon e geworden (Lettinga 13m).
- שֵׁמוֹ = sjëmô (zijn naam) < onmiddellijk voor de hoogfdklemtoon is de i of de daaruit ontstane e in open lettergrepen deels vervluchtigd tot sëwa (Lettinga 13o).
- וּשְׁמוֹ = ûsjëmô (en zijn naam) < prefix voegwoord wë + zelfst. naamw. sjem + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh: sjem (naam). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (33). Pentateuch (10). Eerdere Profeten (15). Latere Profeten (3). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (3)
Mc 6,14.12. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,14.13. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Mc (18): (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,21. (4) Mc 3,22. (5) Mc 3,30. (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar). (7) Mc 5,31. (8) Mc 6,14. (9) Mc 6,15. (10) Mc 6,35. (11) Mc 11,5. (12) Mc 11,28. (13) Mc 14,2. (14) Mc 14,31. (15) Mc 14,70. (16) Mc 15,31. (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf). (18) Mc 16,3. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). D.: sprechen (spreken). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere.
Mc 6,14.15.
nom. mann. enk. Iôannès (Johannes). Taalgebruik in het N.T.: Iôannès
(Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès
(Johannes). Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Johannes de Doper: Mc (4): (1) Mc
1,4. (2) Mc 1,6. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,18.
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn).
| Iôannès (Johannes) | Mc | doper | apostel | Mc 1 | Mc 3 | Mc 5 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. Iôannès | 7 | 4 | 3 | (1) Mc 9,38. | (2) Mc 10,35. | (3) Mc 13,3. | 58 | 5 | 53 | 10 | 7 | 10 | 12 | 10 | 1 | 3 | 27 | 39 | ||||
| 2 | gen. mann. enk. Iôannou | 7 | 5 | 2 | (1) Mc 1,29. (2) Mc 10,41. | 43 | 6 | 37 | 8 | 7 | 7 | 8 | 7 | 22 | 30 | ||||||||
| 4 | acc. mann. enk. Iôannèn | 11 | 6 | 5. | (1) Mc 1,19. | (2) Mc 3,17. | (3) Mc 5,37. | (4) Mc 9,2. | (5) Mc 14,33. | 41 | 4 | 37 | 7 | 11 | 11 | 2 | 6 | 29 | 31 | ||||
| totaal | 25 | 15 | 10 | 3 | 1 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 | 148 | 16 | 132 | 26 | 25 | 30 | 22 | 24 | 1 | 4 | 81 | 103 |
Mc 6,14.16.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (17): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,16. (5) Mc
6,17. (6) Mc
6,18. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,22. (9) Mc
6,23. (10) Mc
6,26. (11) Mc
6,27. (12) Mc
6,35. (13) Mc
6,37. (14) Mc
6,38. (15) Mc
6,48. (16) Mc
6,50. (17) Mc
6,51.
Mc 6,14.17. actief participium nominatief mannelijk enkelvoud baptizôn (dopende of doper) van het werkw. baptizô (dopen). Taalgebruik in het N.T.: baptizô (dopen). Taalgebruik in Mc: baptizô (dopen). Stam Hebr. tâbhal: t - b -. Ned.: do- p-en , doop-s-el , do-m-pe-l- en. Gr. baptizô , baptis-ma. Fr. bapt- ê - me. Gebruikt als bijstelling (voorafgegaan door het bepaald lidwoord ho: de dopende = de doper) in (1) Mc 1,4. (2) Mc 6,14.
Mc 6,14.15. - 17. Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper). Mc (2) (1) Mc 1,4. (2) Mc 6,14. In zeven verzen in Mc wordt Johannes in verband met de doop gebracht. In zeven verzen wordt de relatie gelegd tussen Johannes en dopen: (1) Mc 1,4. (3) Mc 1,9. (6) Mc 6,14. (11) Mc 6,24. (12) Mc 6,25. (13) Mc 8,28. (14) Mc 11,30. (15) Mc 11,32. In Mc 6,24 en Mc 6,25 staat de genitiefvorm baptizontos van baptizôn.
Mc 6,14.18. pass. ind. perf. 3de pers. enk. εγηγερται = egègertai (hij is opgewekt). Bijbel = NT (9): (1) Mt
11,11. (2) Mc 6,14. In 1 Kor 15 (7): (1) 1 Kor 15,4. (2) 1 Kor 15,12. (3) 1 Kor 15,13. (4) 1 Kor 15,14. (5) 1 Kor 15,16. (6) 1 Kor 15,17. (7) 1 Kor 15,20.
-
Variante lezing: pass. ind. aor. 3de pers. enk. ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken). Taalgebruik in het NT: egeirô (wekken). Taalgebruik in de LXX: egeirô (wekken). Bijbel (23). OT (5): (1) Gn 41,4. (2) Gn 41,7. (3) 2 K 4,31. (4) 2 Kr 21,9. (5) 2 Kr 22,10. NT (18). Mt (6): (1) Mt 8,15. (2) Mt 9,25. (3) Mt 14,2. (4) Mt 27,64. (5) Mt 28,6. (6) Mt 28,7. Mc (3): (1) Mc 2,12. (2) Mc 6,16. (3) Mc 16,6. Lc (4): (1) Lc 7,16. (2) Lc 9,7. (3) Lc 24,6. (4) Lc 24,34. Joh (2): (1) Joh 2,22. (2) Joh 11,29. Hnd (1): Hnd 9,8. Br (2): (1) Rom 4,25. (4) Rom 6,4. Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19).
| egeirô (wekken) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 9 | pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè | 3 | (1) Mc 2,12. | (2) Mc 6,16. | (3) Mc 16,6. |
- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken. Ned. wekken vlg. Lat. vegere: flink , levendig zijn , opgewekt zijn. Lat. resurgere. Surgere (surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan. sur < super = op, boven + regere (rexi , rectum): richten (rechtop), leiden , sturen. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan. Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken. Rectus = recht. Fr. résurrection.
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare. super: op , boven + citare (citus: vlug , snel): in beweging brengen. Aldus: terug in beweging brengen , heropleven.
Fr. réveiller: wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken.
Mc 6,14.19. εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in de Septuaginta: ek (uit). Mc 6 (3): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,51. (3) Mc 6,54.
| ek (uit) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ek | 38 | 3 | 2 | 3 | 6 | 5 | 3 | 3 | 3 | 4 | 2 | 2 | 2 | 2814 | 2239 | 575 | 46 | 38 | 46 | 112 | 58 | 175 | 100 | 130 | 242 | ||||
| ex | 20 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 2 | 4 | 2 | 1 | 1168 | 941 | 227 | 28 | 20 | 37 | 28 | 24 | 84 | 6 | 85 | 113 | ||||||
| Totaal | 58 | 5 | 3 | 3 | 7 | 7 | 5 | 6 | 5 | 4 | 6 | 4 | 3 | 3982 | 3180 | 802 | 74 | 58 | 83 | 140 | 82 | 259 | 106 | 215 | 355 |
- Ned.: uit. D.: aus. E.: out. Fr.: de. Grieks: εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Latijn: ex.
Mc 6,14.20. gen. mann. mv. νεκρων = vekrôn (uit de doden) van het bijvoegl. naamw. (zelfst. gebruikt) νεκρος = nekros (dode). Taalgebruik in het NT: nekros (dode). Taalgebruik in de LXX: nekros (dode). Bijbel (82).
| nekros (dode) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | syn. | ev. | Hnd | Br. | Rom | 1 Kor | 2 Kor | Gal | Ef | Fil | Kol | 1 Tes | 2 Tes | 1 Tim | 2 Tim | Tit | Film | Heb | Jak | 1 Pe | 2 Pe | 1 Joh | 2 Joh | 3 Joh | Jud | P. | A.b | Apk |
| gen. mv. nekrôn | 82 | 8 | 74 | 7 | 6 | 7 | 6 | 20 | 26 | 13 | 32 | 11 | 6 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 1 | 5 | 2 | 30 | 2 | 3 | |||||||||||
| Totaal | 191 | 72 | 119 | 11 | 7 | 13 | 8 | 31 | 39 | 16 | 52 | 14 | 12 | 1 | 1 | 4 | 1 | 3 | 2 | 2 | 7 | 1 | 4 | 47 | 5 | 12 |
- Hebr. mth (67). mwth (123). L. mori: sterven ; mors , mortis: de dood ; mortuus: dode; cfr. mortuarium: dodenhuisje. Fr. mort. E. dead. D. tot.
Mc 6,14.19. - 20. εκ νεκρων = ek vekrôn (uit de doden). Bijbel = NT (44): (1) Mt 17,9. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,16. (4) Mc 9,9. (5) Mc 9,10. (6) Mc 12,25. (7) Lc 9,7. (8) Lc 16,31. (9) Lc 20,35. (10) Lc 24,46. (11) Joh 2,22. (12) Joh 12,1. (13) Joh 12,9. (14) Joh 12,17. (15) Joh 20,9. (16) Joh 21,14.
Mc 6,14.18. - 20. ηγειρεν εκ νεκρων = ègeiren ek nekrôn ( Hij wekte op uit de doden ). NT (6): (1) Joh 12,1. (2) Joh 12,9. (3) Hnd 3,15. (4) Hnd 4,10. (5) Rom 10,9. (6) 1 Tes 1,10.
- εκ νεκρων ηγερθη = ek vekrôn ègerthè (hij werd uit de doden opgewekt). Bijbel = NT (1): Mc 6,14.
- ηγερθη εκ νεκρων = ègerthè ek vekrôn (hij werd uit de doden opgewekt). Bijbel = NT (2): (1) Mc 6,16. (2) Joh
2,22.
Mc 6,14.21. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). D.: und. E.: and. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,14.27. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,14.28. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
| Mc 6,15 - Mc 6,15: 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [15] Others said, That it is Elias. And others said, That
it is a prophet, or as one of the prophets.
Luther-Bibel. 15 Einige aber sprachen: Er ist Elia; andere aber: Er ist ein
Prophet wie einer der Propheten.
Tekstuitleg van Mc 6,15. Het vers Mc 6,15 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden , 30 (2 X 3 X 5) lettergrepen en 70 (2 X 5 X 7) letters. De getalwaarde van Mc 6,15 is 8303 (19 X 19 X 23). Andere lezing.
Mc 6,15.1. nom. mann. mv. αλλοι = alloi (anderen) van het bijvoegl. naamw. αλλος = allos (ander). Taalgebruik in het NT: allos
(ander). Taalgebruik in de LXX: allos
(ander). Taalgebruik in Mc: allos
(ander). Mc (4): (1) Mc 4,18. (2) Mc 6,15 (2X). (3) Mc 8,28 (2X). (4) Mc 11,8.
- Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee). Fr. autre.
Ned. a-n-d-er. Eng.
- heteros , -a , -on (een van de twee). Lat. uter , utra , utrum. Fr. autre. ne-uter = geen van beide. Noch mannelijk , noch vrouwelijk -> on-zijdig.
| allos (ander) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. mann. mv. alloi | 30 | 7 | 23 | 2 | 4 | 1 | 11 | 2 | 3 | 7 | 18 |
Mc 6,15.1. - 2. kai alloi (en anderen). Mc (2): (1) Mc 4,18. (2) Mc 8,28. alloi de (anderen echter). Mc (2): (1) Mc 6,15 (2X). (2) Mc 8,28. (3) Mc 11,8.
Mc 6,15.3. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Mc (18): (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,21. (4) Mc 3,22. (5) Mc 3,30. (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar). (7) Mc 5,31. (8) Mc 6,14. (9) Mc 6,15. (10) Mc 6,35. (11) Mc 11,5. (12) Mc 11,28. (13) Mc 14,2. (14) Mc 14,31. (15) Mc 14,70. (16) Mc 15,31. (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf). (18) Mc 16,3. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). D.: sprechen (spreken). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere.
Mc 6,15.5. nom. mann. enk. ἡλιας = èlias (Elia). Taalgebruik in het NT: èlias (Elia). Taalgebruik in de LXX: èlias (Elia). Taalgebruik in Mc: èlias (Elia). Mc (5): (1) Mc 6,15. (2) Mc 9,4. (3) Mc 9,12. (4) Mc 9,13. (5) Mc 15,36.
| èlias (Elia). | Mc | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Br. | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. èlias | 5 | (1) Mc 6,15. | (2) Mc 9,4. (3) Mc 9,12. (4) Mc 9,13 | (5) Mc 15,36. | 19 | 3 | 16 | 5 | 5 | 3 | 2 | 1 | 13 | 15 | 1 | ||
| Totaal | 9 | 1 | 1 | 5 | 2 | 34 | 6 | 28 | 10 | 9 | 5 | 2 | 2 | 24 | 26 | 1 | 1 |
Mc 6,15.7.
nom. mann. mv. alloi (anderen) van het bijvoegl. naamwoord allos (ander). Taalgebruik in het N.T.: allos
(ander). Taalgebruik in Mc: allos
(ander). Lat. alter , -tera , -terum (de andere van twee). Fr. autre.
Ned. a-n-d-er. Eng. other.
Mc (4): (1) Mc
4,18. (2) Mc
6,15. (3) Mc
8,28. (4) Mc
11,8.
Mc 6,15.9. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Mc (18): (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,21. (4) Mc 3,22. (5) Mc 3,30. (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar). (7) Mc 5,31. (8) Mc 6,14. (9) Mc 6,15. (10) Mc 6,35. (11) Mc 11,5. (12) Mc 11,28. (13) Mc 14,2. (14) Mc 14,31. (15) Mc 14,70. (16) Mc 15,31. (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf). (18) Mc 16,3. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). D.: sprechen (spreken). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere.
Mc 6,15.11. nom. mann. enk. προφητης = profètès (profeet). Taalgebruik in het NT: profètès (profeet). Taalgebruik in de LXX: profètès (profeet). Taalgebruik in Mc: profètès (profeet). Mc (3): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,15. (3) Mc 11,32. Een vorm van προφητης = profètès (profeet) in Mc in 5 verzen: (1) Mc 1,2 . (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,15 (2 vormen). (4) Mc 8,28. (5) Mc .
| profètès (profeet) | Mc |
Mc 1 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 11 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc |
Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 3 | dat. enk. profètèi | 1 | Mc 1,2 | 7 | 6 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||||||
| Totaal | 6 | 1 | 3 | 1 | 1 | 439 | 297 | 142 | 36 | 6 | 29 | 14 | 30 | 20 | 7 | 71 | 85 | 16 | 4 |
- Hebreeuws: נָבִיא = nâbhî´ (profeet). Taalgebruik in Tenakh: nâbhî´(profeet). Getalwaarde: nun = 14 of 50 , beth = 2 , jod = 10 , aleph = 1 ; totaal: 27 (3³) OF 63 (3² X 7). Structuur: 5 - 2 - 1 - 1. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (28). Pentateuch (5). Eerdere Profeten (8). Latere Profeten (5). 12 Kleine Profeten (4). Geschriften (6). Dt (4): (1) Dt 13,2. (2) Dt 18,15. (3) Dt 18,18. (4) Dt 34,10. Eerdere Profeten. Re (1): Re 6,8. 1 S (1): 1 S 9,7. In Koningen (6): (1) 1 K 13,18. (2) 1 K 18,22. (3) 1 K 20,13. (4) 1 K 22,7. (5) 2 K 3,11. (6) 2 K 5,8. Js (0).
Mc 6,15.13. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,15.15. gen. mann. mv. profètôn (profeten) van het zelfst. naamw.
profètès (profeet). Taalgebruik in het N.T.: profètès
(profeet). Taalgebruik in Mc: profètès
(profeet).
Mc (2): (1) Mc
6,15. (2) Mc
8,28. Een vorm van profètès (profeet) in Mc in 5 verzen:
(1) Mc
1,2 . (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,15 (2 vormen). (4) Mc
8,28. (5) Mc
11,32.
| Mc 6,16 - Mc 6,16: 148. Herodes'mening over Jezus - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [16] But when Herod heard thereof, he said, It is John,
whom I beheaded: he is risen from the dead.
Luther-Bibel. 16 Als es aber Herodes hörte, sprach er: Es ist Johannes, den
ich enthauptet habe, der ist auferstanden.
Tekstuitleg van Mc 6,16.
3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het
N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (17): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,14. (4) Mc
6,16. (5) Mc
6,17. (6) Mc
6,18. (7) Mc
6,20. (8) Mc
6,22. (9) Mc
6,23. (10) Mc
6,26. (11) Mc
6,27. (12) Mc
6,35. (13) Mc
6,37. (14) Mc
6,38. (15) Mc
6,48. (16) Mc
6,50. (17) Mc
6,51.
5. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei). Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc (31). Mc 6 (4) : (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,16. (4) Mc 6,18. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
9. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn (Johannes) van het zelfst. naamw. ιωαννης = Jôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès
(Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès
(Johannes).
Johannes de Doper: Mc (6): (1) Mc
1,14. (2) Mc
6,16. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,20. (5) Mc
8,28. (6) Mc
11,32.
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn).
- Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
10. nom. mann. enk. houtos. Taalgebruik: houtos (deze). Taalgebruik: houtos (deze). Mc (12): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,35. (3) Mc 4,41. (4) Mc 6,3. (5) Mc 6,16. (6) Mc 7,6. (7) Mc 9,7. (8) Mc 12,7. (9) Mc 12,10. (10) Mc 13,13. (11) Mc 14,69. (12) Mc 15,39.
11. pass. ind. aor. 3de pers. enk. ηγερθη = ègerthè (hij werd opgewekt) van het werkw. εγειρω = egeirô (opwekken). Taalgebruik in het NT: egeirô (wekken). Taalgebruik in de LXX: egeirô (wekken). Bijbel (23). OT (5): (1) Gn 41,4. (2) Gn 41,7. (3) 2 K 4,31. (4) 2 Kr 21,9. (5) 2 Kr 22,10. NT (18). Mt (8): (1) Mt 8,15. (2) Mt 9,25. (3) Mt 14,2. (4) Mt 27,64. (5) Mt 28,6. (6) Mt 28,7. Mc (3): (1) Mc 2,12. (2) Mc 6,16. (3) Mc 16,6. Lc (4): (1) Lc 7,16. (2) Lc 9,7. (3) Lc 24,6. (4) Lc 24,34. Joh (2): (1) Joh 2,22. (2) Joh 11,29. Hnd (1): Hnd 9,8. Br (2): (1) Rom 4,25. (4) Rom 6,4. Een vorm van εγειρω = egeirô (opwekken) in de LXX (57) , in het NT (143) , in Mc (19).
| egeirô (wekken) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 1 | ind. pr. 3de p. mv. egeirousin | 1 | (1) Mc 4,38 | |||||||||||
| 2 | imp. 2de p. enk. egeire | 5 | (1) Mc 2,9. (2) Mc 2,11. | (3) Mc 3,3. | (4) Mc 5,41. | (5) Mc 10,49. | ||||||||
| 3 | ind imp. 3de p. enk. ègeiren | 2 | (1) Mc 1,31. | (2) Mc 9,27. | ||||||||||
| 4 | pas. ind. pr. 3de p. mv. egeirontai | 1 | (1) Mc 12,26. | |||||||||||
| 5 | pas. imper. praes. 2de pers. mv. egeiresthe | 1 | (1) Mc 14,42. | |||||||||||
| 6 | pas. conj. praes. 3de pers. enk. egeirètai | 1 | (1) Mc 4,27. | |||||||||||
| 7 | pas. fut. 3de p. enk. egerthèsetai | 1 | (1) Mc 13,8. | |||||||||||
| 8 | pas. fut. 3de p. mv. egerthèsontai | 1 | (1) Mc 13,22. | |||||||||||
| 9 | pas. ind. aor. 3de p. enk. ègerthè | 3 | (1) Mc 2,12. | (2) Mc 6,16. | (3) Mc 16,6. | |||||||||
| 10 | pas. inf. aor. egerthènai |
1 | (1) Mc 14,28 . | |||||||||||
| 11 | pas. perf. 3de pers. enk. egègertai | 1 | (1) Mc 6,14. | |||||||||||
| 12 | pas. part. perf. acc. mann. enk. egègermenon | 1 | (1) Mc 16,14. | |||||||||||
| Totaal | 19 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 2 | |
| egeirô (opwekken) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 |
- Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken. Ned. wekken vlg. Lat.
vegere: flink , levendig zijn , opgewekt zijn. Lat. resurgere. Surgere
(surrexi , surrectum) = oprijzen , opstaan , rechtop staan. sur < super
= op, boven + regere (rexi , rectum): richten (rechtop), leiden , sturen. -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug
rechtop staan. Ned. rekken (Lat. reg- ) , uitstrekken. Rectus = recht. Fr.
résurrection.
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare. super: op , boven + citare (citus: vlug
, snel): in beweging brengen. Aldus: terug in beweging brengen , heropleven.
Fr. réveiller: wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-)
waken.
149. Mc 6,17-29: onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 -
| Mc 6,22b | Mc 6,23 | Mc 6,24 | Mc 6,25 | Mc 15,6 | Mc 15,9 | Mc 15,11 | |
| aitèson me (vraag me) | hoti (dat) | èitusato legousa (vroeg zij en zei) | kai anabas ho ochlos èrxato aiteisthai kathôs epoiei autois (en de menigte klom op en begon te vragen zoals hij voor hen deed) | ||||
| ho ean thelèis (wat je maar wil) | ho ean aitèsèis (wat je ook vraagt) | tí aitèsômai (wat zal ik vragen?) | thelô (ik wil) | thelete (wil je) | hoi de archiereis anepeisan ton ochlon (de hogepriesters echter drongen bij de menigte aan) | ||
| kai dôsô soi (ik geef het jou) | dôsô soi (ik geef het jou) | hina exautès dôis moi (dat je me terstond zoudt geven) | apolusô humin ton basilea tôn Ioudaiôn (dat ik de koning van de joden vrijlaat) | hina mallon ton Barabban apolusèi autois (dat hij eerder Barabbas voor hen zou vrijlaten) | |||
| 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 - | 341. Jezus of Barabbas: Mc 15,6-14 - Mt 27,15-23 - Lc 23, (17) 18-23 |
Beide verhalen (de dood van Johannes de Doper - Mc
6,17-29 - en Jezus vóór Pilatus - Mc
15,6-14 -) vertonen heel wat gelijkenissen. De wereldlijke overheid (Herodes,
Pilatus) staat oog in oog met een onschuldige (Johannes de doper, Jezus) die
geboeid is. Er is een patstelling tussen de wereldlijke overheid en de aanklagers
(Herodias, de hogepriesters en de oudsten): Herodes tegenover Heriodias , Pilatus
tegenover de hogepriesters en de oudsten. De aanklagers willen de dood van
de onschuldige , de wereldlijke overheid stemt er niet in toe. Een gelegenheid
doet de situatie kantelen ten voordele van de aanklagers. De dans van de dochter
van Herodias is aanleiding waardoor Herodes overmoedige eden zweert. Het paasfeest
is een gelegenheid waarop Pilatus een gevangene vrijlaat waarom het volk vraagt. De aanklagers weten de tussenpersoon (de dochter van Herodias, het volk) te
bewerken. De dochter van Herodias vraagt aan haar moeder wat zij aan Herodes
zou vragen ; deze vraagt het hoofd van Johannes. Het volk staat voor de keuze
om een gevangene te kiezen , die Pilatus voor hen zal vrijlaten. De hogepriesters
en de oudsten porren het volk aan om Barabbas te kiezen voor de vrijlating en
te eisen dat Jezus wordt gekruisigd. De wereldlijke machthebbers staan machteloos
; ze zijn het slachtoffer van eigen grilligheid of van toegeeflijkheid. De
aanklagers bereiken via een tussenpersoon datgene wat ze willen bereiken: de
dood van de onschuldige.
Johannes de doper gaat Jezus niet alleen vooraf in de verkondiging van de boodschap
, maar tevens in de dood. De dood van Johannes overschaduwt het leven van Jezus
en wordt duidelijker bij zijn veroordeling bij Pilatus.
| Mc 6,17 - Mc 6,17: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [17] For Herod himself had sent forth and laid hold upon
John, and bound him in prison for Herodias' sake, his brother Philip's wife:
for he had married her.
Luther-Bibel. 17 Denn er, Herodes, hatte ausgesandt und Johannes ergriffen
und ins Gefängnis geworfen um der Herodias willen, der Frau seines Bruders Philippus;
denn er hatte sie geheiratet.
Tekstuitleg van Mc 6,17.
| Mc 6,17 | Mt 14,3 | |||
| autos gar o èrôdès aposteilas ekratèsen ton iôannèn kai edèsen auton en fulakè dia èrôdiada tèn gunaika filippou tou adelfou autou oti autèn egamèsen | o gar èrôdès kratèsas ton iôannèn edèsen | | [auton] | kai en fulakè apetheto dia èrôdiada tèn gunaika filippou tou adelfou autou |
Het breekpunt bij Judas lijkt de zalving van Jezus te Betanië - Mc 14,3-9 - te zijn. Voor 300 denariën is daar verspild. Heeft Jezus zich overgegeven aan personencultus, aan rijkdom terwijl er zoveel armen zijn. Voor Judas is het nu genoeg geweest. De maat is vol. Hij neemt het initiatief om Jezus zijn leiderschap af te nemen; hij ruimt hem uit de weg. Voor dertig zilverlingen gaat Judas Jezus overleveren.
Of gaat het om een liefdesaffaire? Kan Judas het niet verdragen dat een vrouw zoveel liefde aan Jezus betuigt? Kan hij het ook niet verdragen dat Jezus haar laat begaan?
Het gebeuren - de zalving van Betanië - lijkt wel de aanleiding waardoor het drama wordt ingezet. Bij Johannes de Doper is het Herodias die uit is op de overlevering - Mc 1,14-15 - en de dood van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 -. In beide gevallen speelt een vrouw een beslissende rol.
Of lopen de visies van Jezus en van Judas uiteen? Is Judas ervan overtuigd dat de slag om Jerruzalem weldra zal plaats vinden, dat er wapens nodig zijn, dat list en omkoperij een belangrijke rol zullen spelen. Is Judas zo corrupt geworden dat hij voor het geld, voor dertig zilverlingen Jezus in handen wil spelen. Is de opgegeven reden - verspilling en geld voor de armen - geen verbloeming van andere redenen? Heeft Judas de hogepriesters willen omkopen voor een gewapende opstand en is hij er door de hogepriesters ingeluisd. Had Judas de hogepriesters en het sanhedrin willen betrekken bij een opstand? Wat was de bedoeling van de nachtelijke ontmoeting in de hof van Olijven? Waarom was het sanhedrin bijeen? Dat heb je toch niet zomaar bijeen. En de Romeinen zouden toch argwaan gehad hebben bij zoveel joodse beweging. Was er een feest die nacht? Pesach? Herdenking van de uittocht uit Egypte?
Er was al eerder spanning geweest tussen Petrus en Jezus over de te volgen weg. Jezus is van plan om naar Jeruzalem te gaan om er als martelaar te sterven - Mc 8,31-32 -. Dat wijst Petrus resoluut af - Mc 8,32-33 -. Jezus moet hem tot de orde roepen en duidelijk maken dat hij de lijn uitzet, de weg bepaalt, de leiding heeft.
Er was al eerder naijver van leerlingen geweest tegenover Jezus waarom zij bepaalde demonen niet konden uitdrijven - Mc 9,14-29 -. Er was ook naijver onder elkaar om de voornaamste plaats - Mc 10,35-40 -. Bij het verhaal van de zalving komt de verdeeldheid tussen sommige leerlingen en Jezus in het openbaar. Jezus verdedigt de vrouw en praat het gebeuren goed, maar zo heeft Judas het niet begrepen.
Wellicht wekt het weggaan van Judas geen argwaan bij de andere medeleerlingen. Waarschijnlijk gaat hij meer dan eens erop uit om armen te bezoeken en geldelijk te ondersteunen. Jezus heeft het wel door, maar brengt het niet in de openbaarheid. Of gaat Judas iets anders doen dan armen helpen? Bereidt hij de opstand voor?
Mc 6,17.1. pers. voornaamw. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (15): (1) Mc 1,8. (2) Mc 2,25. (3) Mc 3,13. (4) Mc 4,27. (5) Mc 4,38. (6) Mc 5,40. (7) Mc 6,17. (8) Mc 6,45. (9) Mc 6,47. (10) Mc 8,29. (11) Mc 12,36. (12) Mc 12,37. (13) Mc 14,15. (14) Mc 14,44. (15) Mc 15,43.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. autos | 15 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 654 | 490 | 164 | 12 | 15 | 45 | 18 | 17 | 49 | 8 | 72 | 90 | ||||||
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
- Hebreeuws: הוּא = hû´ (hij, d.i.). Taalgebruik in Tenakh: hû´(hij, d.i.). Getalswaarde: he = 5 , waw = 6 , aleph = 1 ; totaal: 12 (2² X 3). Structuur: 5 - 6 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (919). Pentateuch (394). Eerdere Profeten (169). Latere Profeten (96). 12 Kleine Profeten (42). Geschriften (218). Gn (114). Gn 3 (2): (1) Gn 3,6. (2) Gn 3,15.
Mc 6,17.2. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52. In het Grieks staat dit woord op de tweede plaats in de zin , in het Hebreeuws staat כִּי = kî (want, omdat) vooraan aan de zin.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalswaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Grieks: γαρ = gar (want). Taalgebruik
in het NT: gar
(want). Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,17.1. - 2. αυτος γαρ = autos gar (want hij). LXX (14). NT (10): (1) Mt 1,21. (2) Mc 6,17. (3) Mc 12,36. (4) Joh 2,25. (5) Joh 4,44. (6) Joh 6,6. (7) Joh 16,27. (8) 2 Kor 11,14. (9) Ef 2,14. (10) Heb 13,5.
- Hebreeuws: כִּי הוּא = kî hû´ (want hij). Tenakh (43).
Mc 6,17.3. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,17.1. - 3. αυτος γαρ ὁ = autos gar ho (want hij). LXX (3). NT (4): (1) Mc 6,17. (2) Joh 4,44. (3) Joh 16,27. (4) 2 Kor 11,14.
- Hebreeuws: כִּי הוּא = kî hû´ (want hij). Tenakh (43).
Mc 6,17.4. nom. mann. enk. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in het ΝΤ: hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in Mc: hèrô(i)dès (Herodes). Mc (7): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,26. (7) Mc 15,32.
| hèrô(i)dès (Herodes) | Mc | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. hèrô(i)dès | 5 | (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,21. | 24 | 24 | 6 | 5 | 8 | 5 | 19 | 19 | |
| 2 | gen. mann. enk. hèrô(i)dou | 1 | (1) Mc 8,15. | 13 | 13 | 5 | 1 | 4 | 3 | 10 | 10 | |
| 3 | dat. mann. enk. hèrô(i)dè(i) | 2 | (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. | 3 | 3 | 1 | 2 | 3 | 3 | |||
| totaal | 8 | 7 | 1 | 42 | 42 | 13 | 8 | 13 | 8 | 34 | 34 |
Mc 6,17.5. act. part. aor. nom. mann. enk. αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) van het werkw. αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in het NT: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in de LXX: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Taalgebruik in Mc: apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden). Bijbel (20). LXX (13). NT (7). Een vorm van αποστελλω = apostellô (afsturen, wegsturen , afzenden) in de LXX (691) (Lust J.... Greek-English Lexicon of the Septuagint , Stuttgart , 2003) , in het NT (131) (Morgenthaler Robert , Statistik...). Volgens diezelfde auteurs komt een vorm van αποστολος = apostolos in de Septuaginta niet voor , in het NT (79). In de evangelies komt αποστολος = apostolos (apostel) slechts 9X voor , 1X in Mt , Mc , Joh en 6X in Lc.
Volgens Muraoka T. , A Greek - Hebrew / Aramaic two-way Index to the Septuagint (Leuven , Peeters , 2010 , blz. 16) is een vorm van het werkw. αποστελλω = apostellô in de LXX een vertaling van een 15-tal Hebreeuwse werkw. werkw.. Hierbij zijn de Aramese werkw. nëchat , sjëlach , tûb en tërad.
- שָׁלַח = sjâlach (zenden). Taalgebruik in Tenakh: sjâlach (zenden). Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal: 41 OF 338 (2 X 13²). Structuur: 3 - 3 - 8. De som van de elementen is telkens 5. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. sjâlach (hij zond). (2) act. piël imperat. 2de pers. mann. enk. sallach (zend). (3) act. qal part. mann. enk. שֹׁלֵחַ = sjoleach (zendende): Ex 23,20.
- וַיִּשְׁלַח = wajjisjëlach < wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk.. (2) wajësjallach (en hij zond) < wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׁלַח = sjâlach (zenden). Taalgebruik in Tenakh: sjâlach (zenden). Getalswaarde: sjin = 21 of 300 , lamed = 12 of 30 , chet = 8 ; totaal: 41 OF 338 (2 X 13²). Structuur: 3 - 3 - 8. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (212). Pentateuch (32). Eerdere Profeten (128). Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (3). Geschriften (35). In het Grieks vertaald met αποστειλας = aposteilas (hebbende weggezonden) , o.a. in Pentateuch (4): (1) Gn
31,4. (2) Gn
41,8. (3) Gn
41,14. (4) Ex 9,27.
Mc
6,17.6. act. part. aor. nom. mann. enk. κρατησας = kratèsas (vastgenomen) van het werkw.. κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in het NT: krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in de LXX: krateô (vastnemen, bemachtigen). Taalgebruik in Mc: krateô (vastnemen, bemachtigen). Bijbel (7). OT (1): 2 Mak 4,10. NT (6): (1) Mt 14,3. (2) Mt 18,28. (3) Mc 1,31. (4) Mc 5,41. (5) Mc 9,27. (6) Lc 8,54. In deze drie verzen is κρατησας = kratèsas (vastgenomen) gecombineerd met της χειρος = tès cheirοs (de hand): (1) Mc 1,31. (2) Mc 5,41. (3) Mc 9,27. Een vorm van κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153) , in het NT (47) , in Mc (15).
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast). Bijbel (35). LXX (32). NT (3): (1) Mt 9,25. (2) Mc 6,17. (3) Apk 20,2.
- וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) < prefix waw consecutivum wë + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen). Getalwaarde: chet = 8 , zajin = 7 , qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23). Structuur: 8 - 7 - 1. De som van de elementen is telkens 7. wjjchzq: Tenakh (37).
Mc 6,17.7. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,17.8. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn (Johannes) van het zelfst. naamw. ιωαννης = Jôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès (Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes). Johannes de Doper: Mc (6): (1) Mc 1,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 8,28. (6) Mc 11,32.
| Iôannès (Johannes) | ev. | Mt | Mt (de doper) | Mt (apostel) | Mc | Mc (de doper) | Mc (apostel) | Lc | Lc (de doper) | Lc (apostel) | Joh | Joh (de doper) | Joh (apostel) |
| acc. mann. enk. Iôannèn | 31 | 7 | 5 : (1) Mt 3,13. (2) Mt 14,3. (3) Mt 14,10. (4) Mt 16,14. (5) Mt 21,26. | 2: (1) Mt 4,21. (2) Mt 17,1. | 11 | 6 : (1) Mc 1,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 8,28. (6) Mc 11,32. | 5: (1) Mc 1,19. (2) Mc 3,17. (3) Mc 5,37. (4) Mc 9,2. (5) Mc 14,33. | 11 | 6: (1) Lc 1,13. (2) Lc 3,2. (3) Lc 3,20. (4) Lc 9,9. (5) Lc 9,19. (6). Lc 20,6. | 5: (1) Lc 5,10. (2) Lc 6,14. (3) Lc 8,51. (4) Lc 9,28. (5) Lc 22,8. | 2 | 2 : (1) Joh 3,26. (2) Joh 5,33. | |
| totaal | 103 | 26 | 23 | 3 | 25 | 15 | 10 | 30 | 23 | 7 | 22 | 18 | 4 |
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn).
- Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Mc 6,17.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
10. act. ind. aor. 3de pers. enk. = edèsen (hij boeide) van het werkw. δεω = deô (binden, boeien, ketenen). Taalgebruik in het NT: deô (binden, boeien, ketenen). Taalgebruik in de LXX: deô (binden, boeien, ketenen). Bijbel (14). LXX (10). NT (4). Een vorm van δεω = deô in de LXX (69) , in het NT (41) , in Mc (8).
Mc 6,17.11. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,17.12. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,17.13.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw). Taalgebruik
in het N.T.: gunè
(vrouw). Taalgebruik in Mc: gunè
(vrouw). Hebr. ´isjsjâh. Lat. uxor. Fr. femme (> Lat.
femina). Ned. vrouw. D. Frau.
Mc (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
10,2. (4) Mc
10,7. (5) Mc
10,11. (6) Mc
12,19. (7) Mc
12,20. (8) Mc
12,23.
Mc 6,17.14. δια = dia (door, omwille van, na). Taalgebruik in NT: dia (door). Taalgebruik in de LXX: dia (door). Taalgebruik in Mc: dia (door).
| dia (door) | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| dia | 29 | (1) Mc 2,4. (2) Mc 2,18. (3) Mc 2,23. (4) Mc 2,27. | (1) Mc 3,9. | 3 : (1) Mc 4,5. (2) Mc 4,6. (3) Mc 4,17. | 2 : (1) Mc 5,4. (2) Mc 5,5. | 5 : (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,6. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,26. | 3 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,29. (3) Mc 7,31. | 1: Mc 9,30. | 1 : Mc 10,25. | 3 : (1) Mc 11,16. (2) Mc 11,24. (3) Mc 11,31. | 1 : Mc 12,24. | 2 : (1) Mc 13,13. (2) Mc 13,20. | 1: Mc 14,58. | 1 : Mc 15,10. | 1 : Mc 16,20. | 1419 | 938 | 481 | 51 | 29 | 32 | 44 | 62 | 248 | 15 | 112 | 156 |
| di' | 2 | (1): Mc 2,1. | 1 : Mc 14,21. | 310 | 174 | 136 | 6 | 2 | 5 | 13 | 11 | 99 | 13 | 26 | |||||||||||||
| totaal | 31 | 5 | 1 | 3 | 2 | 5 | 3 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1729 | 1112 | 617 | 57 | 31 | 37 | 57 | 73 | 347 | 15 | 125 | 182 |
Mc 6,17.15.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (6): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
6,24. (4) Mc
6,25. (5) Mc
6,54. (6) Mc
6,56.
Mc 6,17.16. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,17.17. acc. vr. enk. γυναικα = gunaika van het zelfst. naamw. γυνη = gunè (vrouw). Taalgebruik in het NT: gunè (vrouw). Taalgebruik in de LXX: gunè (vrouw). Taalgebruik in Lc: gunè (vrouw). Mc (8): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 10,2. (4) Mc 10,7. (5) Mc 10,11. (6) Mc 12,19. (7) Mc 12,20. (8) Mc 12,23. Lc (10): (1) Lc 4,26. (2) Lc 7,44. (3) Lc 7,50. (4) Lc 14,20. (5) Lc 14,26. (6) Lc 16,18. (7) Lc 18,29. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,29. (10) Lc 20,33.
| gunè (vrouw) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 5 | acc. vr. enk. gunaika | 269 | 220 | 49 | 11 | 8 | 10 | 1 | 1 | 13 | 5 | 29 | 30 | 13 |
Mc
6,17.18. gen. mann. enk. filippou (Filippus) van de eigennaam filippos (Filippos). Taalgebruik in het NT: filippos (Filippus). Taalgebruik in Mc: filippos (Filippus). Mc (2): (1) Mc 6,17. (2) Mc 8,27.
Herodes Filippus was getrouwd met Herodias, een kleindochter van Herodes de Grote en Mariamne I. Bij haar kreeg hij een dochter, Salomé. Enige jaren later scheidde Herodias echter van Herodes Filippus om te kunnen trouwen met zijn halfbroer Herodes Antipas. Salomé nam zij mee naar Antipas' hof.
Na Herodes' dood in 4 v.Chr. werd Filippus benoemd tot tetrarch over Batanea, Trachonitis, Auranitis, Gaulanitis en Iturea, dat wil zeggen de gebieden van Herodes' rijk ten noordoosten van het Meer van Galilea.[4] Naar het voorbeeld van zijn vader initieerde hij veel grote bouwactiviteiten. Hij stichtte bijvoorbeeld de stad Caesarea Filippi. Ook herstichtte hij de plaats Betsaïda en noemde deze Julias (naar Julia de dochter van keizer Augustus). (Website: http://nl.wikipedia.org/wiki/Filippus_(tetrarch).
| filippos (Filippos). | Mc | Mc 3 | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | gen. mann. enk. filippou | 2 | (1) Mc 6,17. | (2) Mc 8,27. | 9 | 2 | 7 | 2 | 2 | 1 | 2 | 5 | 5 | ||||||
| 4 | acc. mann. enk. filippon | 1 | (1) Mc 3,18. | 14 | 5 | 9 | 1 | 1 | 3 | 4 | 2 | 5 | |||||||
| Totaal | 3 | 1 | 1 | 1 | 45 | 11 | 34 | 3 | 3 | 2 | 10 | 16 | 8 | 18 |
Mc 6,17.19, bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,17.20. gen. mann. enk. αδελφου = adelfou (van de broer) van het zelfst. naamw. αδελφος = adelfos (broer). Taalgebruik in het NT: adelfos (broer). Taalgebruik in de LXX: adelfos (broer). Taalgebruik in Mc: adelfos (broer). Een vorm van αδελφος = adelfos (broer) in de LXX (924) , in het NT (343).
| adelfos (broer) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | gen. mann. enk. adelfou | 2 | (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. | 123 | 106 | 17 | 3 | 2 | 4 | 1 | 7 | 9 | 10 | |||||||||||||||||
| Totaal | 29 | 1106 | 770 | 336 | 37 | 19 | 23 | 14 | 57 | 181 | 5 | 79 | 93 |
- Hebreeuws: (1) אָחִיו = ´achîw (zijn broer) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk.. (2) אֶחָיו = ´èchâ(j)w (zijn broers) < mann. enk. + suffix persoonl. voornaamw. 3de pers. mann. enk. אָח = ´âch (broer). Taalgebruik in Tenakh: ´ach (broer). Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal: 9 (3²). Structuur: 1 - 8. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (153). Pentateuch (88). Eerdere Profeten (26). Latere Profeten (9). 12 Kleine Profeten (7). Geschriften (23). Gn (64). Gn 25 (2): (1) Gn 25,18. (2) Gn 25,26.
- אָח = ´âch (broer) < naamwoord met 2 medeklinkers en 1 oorspronkelijk korte klinker (qal-vorm) (Lettinga 24c1). De korte klinker onderging een verandering van kwantiteit (korte a werd lange a) onder invloed van de pausa-vorm (Lettings 13h). Stat. construct. אֲחִי = ächî (Lettinga 37b) ; de uitgang zou een oude genit.-uitgang zijn (Lettinga 23f). Het suffix van het bezittelijk voornaamwoord 3de pers. mann. enk. is normalerwijze hu ; in sommige gevallen valt de h weg (Lettinga 11f1). Met suffix אָחִיו = ´achîw (zijn broer).
- Ned.: broer. Arabisch: أخ = ´ach (broer). Taalgebruik in de Qoran: ´ach (broer). D.: Bruder. E.: brother. Fr.: frère. Grieks: αδελφος = adelfos (broer). Taalgebruik in het NT: adelfos (broer). Hebreeuws: אָח = ´âch (broer). Taalgebruik in Tenakh: ´ach (broer). Lat.: frater (fra-ter , pa-ter , ma-ter ; broe-der , va-der, moe-der).
Mc 6,17.21. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,17.19. - 21. του αδελφου αυτου = tou adelfou autou (van zijn broer). LXX (33). Pentateuch (18). Gn (8). Lv (2): (1) Lv 20,21 (2X). (2) Lv 25,25. Dt (8). NT (6): (1) Mt 14,3. (2) Mc 6,17. (3) Lc 3,1. (4) Lc 3,19. (5) 1 Kor 6,5. (6) 1 Joh 3,12.
17. - 21. την γυναικα του αδελφου αυτου = tèn gunaika tou adelfou autou (de vrouw van zijn broer). LXX (3): (1) Gn 38,9. (2) Lv
20,21. (3) Dt 25,7. NT (1): Mc 6,17.
- אֵשֶׁת אָחִיו = 'esjèth ´achîw (de vrouw van zijn broer). Tenakh (2): (1) Gn 38,9. (2) Lv
20,21.
22. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc 6 (9): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,15. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,34. (7) Mc 6,35. (8) Mc 6,49. (9) Mc 6,55.
| hoti ( dat , omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
Mc 6,17.23.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. αυτην = autèn (haar) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
Mc 6,17.24.
act. ind. aor. 3de pers. enk. egamèsen (hij huwde) van het werkw.
gameô (huwen). Taalgebruik in het N.T.: gameô
(huwen). Taalgebruik in Mc: gameô
(huwen).
Mc (1) Mc
6,17.
| Mc 6,18 - Mc 6,18: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [18] For John had said unto Herod, It is not lawful for
thee to have thy brother's wife.
Luther-Bibel. 18 Johannes hatte nämlich zu Herodes gesagt: Es ist nicht recht,
dass du die Frau deines Bruders hast.
Tekstuitleg van Mc 6,18.
| Mc 6,18 | Mt 14,4 | |||
| elegen gar o iôannès tô èrôdè oti ouk exestin soi echein tèn gunaika tou adelfou sou | elegen gar o iôannès autô ouk exestin soi echein autèn |
Mc 6,18.1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ελεγεν = elegen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc 6 (4) : (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,16. (4) Mc 6,18. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50 , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925).
| elegen (hij zei) | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | syn. | ev. | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | |
| 1 | elegen (hij zei) | 81 | 10 | 71 | 3 | 31 | 19 | 13 | 4 | 1 | 53 | 66 | 1 : Mc 2,27 | 1: Mc 3,23. | 7: (1) Mc 4,2. (2) Mc 4,9. (3) Mc 4,11. (4) Mc 4,21. (5) Mc 4,24. (6) Mc 4,26. (7) Mc 4,30. | 3: (1) Mc 5,8. (2) Mc 5,28. (3) Mc 5,30. | 4 : (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,16. (4) Mc 6,18. | 4 : (1) Mc 7,9. (2) Mc 7,14. (3) Mc 7,20. (4) Mc 7,27. | 2 : (1) Mc 8,21. (2) Mc 8,24.. | 3 : (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,24. (3) Mc 9,31. | 1 : Mc 11,17. | 2 : (1) Mc 12,35. (2) Mc 12,38. | 1 : Mc 14,36. | 2 : (1) Mc 15,12. (2) Mc 15,14. |
- Hebreeuws: וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315).
| Tenakh | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | Gn 4 | ||
| 1879 | 594 | 868 | 120 | 56 | 241 | 315 | 150 | 10 | 95 | 24 | 7 |
- Lettinga 12, 2012, 53c2: Het werkw. begint met een aleph. Het is een gutturaal , maar de zwakste van de gutturalen. Omwille van die zwakke gutturaal krijgen een aantal werkw. een bijzondere behandeling voor de qal imperf.. Dit is het geval voor ons werkw.. In het imperf. gaat een medeklinker vooraf aan de aleph. De aleph quiesceert: ja´mur -> jamur (Lettinga 12, 2012, 12b). In de eerste lettergreep gaat de lange a in een beklemtoonde lettergreep over in een lange o: jâmur -> jômur (Lettinga 12, 2012, 14c). De voorlaatste lettergreep heeft hier de klemtoon (Lettinga 12, 2012, 10b). In de tweede lettergreep ontstaat door klankdissimilatie een a: jomur -> jomar (i.p.v. het verwachte jômor) (Lettinga 12, 2012 , 15g). In de qal imperf. consecut. is er een zeer zwakke klinker van de tweede lettergreep en werd het een è , vandaar wajjo´mèr. (Zie ook Jouön , 73).
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D.: sagen (zeggen). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere. l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem).
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan.
Mc 6,18.2. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,18.3. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,18.4. nom. mann. enk. ιωαννης = Jôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès (Johannes). Taalgebruik in de LXX: Iôannès (Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes).
| Iôannès (Johannes) | Mc | doper | Mc 1 | Mc 2 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 11 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. Iôannès | 7 | 4 | (1) Mc 1,4. (2) Mc 1,6. | (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,18. | 58 | 5 | 53 | 10 | 7 | 10 | 12 | 10 | 1 | 3 | 27 | 39 | |||
| 2 | gen. mann. enk. Iôannou | 7 | 5 | (1) Mc 1,9. | (2) Mc 2,18. | (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. | (5) Mc 11,30. | 43 | 6 | 37 | 8 | 7 | 7 | 8 | 7 | 22 | 30 | |||
| 4 | acc. mann. enk. Iôannèn | 11 | 6 | (1) Mc 1,14. | (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. | (5) Mc 8,28. | (6) Mc 11,32. | 41 | 4 | 37 | 7 | 11 | 11 | 2 | 6 | 29 | 31 | |||
| totaal | 25 | 15 | 4 | 1 | 7 | 1 | 2 | 148 | 16 | 132 | 26 | 25 | 30 | 22 | 24 | 1 | 4 | 81 | 103 |
| Iôannès (Johannes) | ev. | Mt | Mt (de doper) | Mt (apostel) | Mc | Mc (de doper) | Mc (apostel) | Lc | Lc (de doper) | Lc (apostel) | Joh | Joh (de doper) | Joh (apostel) |
| nom. mann. enk. Iôannès | 39 | 10 | 9 : (1) Mt 3,1. (2) Mt 3,4. (3) Mt 3,14. (4) Mt 4,12. (5) Mt 11,2. (6) Mt 11,18. (7) Mt 14,2. (8) Mt 14,4. (9) Mt 21,32. | (1) Mt 10,2. | 7 | 4 : (1) Mc 1,4. (2) Mc 1,6. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,18. | 3: (1) Mc 9,38. (2) Mc 10,35. (3) Mc 13,3. | 10 | 8 : (1) Lc 1,60. (2) Lc 1,63. (3) Lc 3,16. (4) Lc 7,18. (5) Lc 7,20. (6) Lc 7,33. (7) Lc 9,7. (8) Lc 11,1. | 2: (1) Lc 9,49. (2) Lc 9,54. | 12 | 12 : (1) Joh 1,6. (2) Joh 1,15. (3) Joh 1,26. (4) Joh 1,28. (5) Joh 1,32. (6) Joh 1,35. (7) Joh 3,23. (8) Joh 3,24. (9) Joh 3,27. (10) Joh 4,1. (11) Joh 10,40. (12) Joh 10,41 | |
| gen. mann. enk. Iôannou | 30 | 8 | 8 : (1) Mt 9,14. (2) Mt 11,7. (3) Mt 11,11. (4) Mt 11,12. (5) Mt 11,13. (6) Mt 14,8. (7) Mt 17,13. (8) Mt 21,25 | 7 | 5 : (1) Mc 1,9. (2) Mc 2,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 11,30. | 2: (1) Mc 1,29. (2) Mc 10,41. | 7 | 7 : (1) Lc 3,15. (2) Lc 5,33. (3) Lc 7,24. (4) Lc 7,28. (5) Lc 7,29. (6) Lc 16,16. (7) Lc 20,4. | 8 | 4 : (1) Joh 1,19. (2) Joh 1,40. (3) Joh 3,25. (4) Joh 5,36. | 4: {Joh 1,42 + Joh 21,15 + Joh 21,16 + Joh 21,17: Simon, zoon van Johannes} | ||
| dat. mann. enk. Iôannè(i) | 3 | 1 | 1 : Mt 11,4. | 2 | 2 : (1) Lc 7,18. (2) Lc 7,22. | ||||||||
| acc. mann. enk. Iôannèn | 31 | 7 | 5 : (1) Mt 3,13. (2) Mt 14,3. (3) Mt 14,10. (4) Mt 16,14. (5) Mt 21,26. | 2: (1) Mt 4,21. (2) Mt 17,1. | 11 | 6 : (1) Mc 1,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 8,28. (6) Mc 11,32. | 5: (1) Mc 1,19. (2) Mc 3,17. (3) Mc 5,37. (4) Mc 9,2. (5) Mc 14,33. | 11 | 6: (1) Lc 1,13. (2) Lc 3,2. (3) Lc 3,20. (4) Lc 9,9. (5) Lc 9,19. (6). Lc 20,6. | 5: (1) Lc 5,10. (2) Lc 6,14. (3) Lc 8,51. (4) Lc 9,28. (5) Lc 22,8. | 2 | 2 : (1) Joh 3,26. (2) Joh 5,33. | |
| totaal | 103 | 26 | 23 | 3 | 25 | 15 | 10 | 30 | 23 | 7 | 22 | 18 | 4 |
Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn).
- Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Mc 6,18.5. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,28. (4) Mc 6,32. (5) Mc 6,39. (6) Mc 6,48.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,18.6. dat. mann. enk. ἡρῳδῃ = hèrô(i)dè(i) (aan Herodes) van de eigennaam ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in het ΝΤ: hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in Mc: hèrô(i)dès (Herodes).
| hèrô(i)dès (Herodes) | Mc | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. hèrô(i)dès | 5 | (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,21. | 24 | 24 | 6 | 5 | 8 | 5 | 19 | 19 | |
| 2 | gen. mann. enk. hèrô(i)dou | 1 | (1) Mc 8,15. | 13 | 13 | 5 | 1 | 4 | 3 | 10 | 10 | |
| 3 | dat. mann. enk. hèrô(i)dè(i) | 2 | (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. | 3 | 3 | 1 | 2 | 3 | 3 | |||
| totaal | 8 | 7 | 1 | 42 | 42 | 13 | 8 | 13 | 8 | 34 | 34 |
Mc 6,18.7. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc 6 (9): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,15. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,34. (7) Mc 6,35. (8) Mc 6,49. (9) Mc 6,55.
| hoti ( dat , omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
Mc 6,18.8. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) OF betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (οὑ = hou). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in de LXX: ou - ouk - ouch (niet). Mc 2 (7): ου = ou (niet) in Mc 2 (3): (1) Mc 2,17. (2) Mc 2,18. (3) Mc 2,19. ουκ = ouk (niet) in Mc 2 (3): (1) Mc 2,17. (2) Mc 2,24. (3) Mc 2,26. ουχ = ouch (niet) in Mc 2 (1) Mc 2,27.
| ou (niet) | bijbel | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ou | 3068 | 1 | 3 | 4 | 2 | 1 | 3 | 2 | 5 | 2 | 1 | 3 | 7 | 6 | 1 | 1 | 2321 | 747 | 97 | 42 | 84 | 113 | 68 | 313 | 30 | 223 | 336 | |
| ouk | 3499 | 2 | 3 | 1 | 7 | 3 | 6 | 4 | 5 | 6 | 3 | 4 | 6 | 3 | 9 | 2 | 2 | 2752 | 747 | 93 | 66 | 92 | 137 | 56 | 274 | 29 | 251 | 388 |
| ouch | 452 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 351 | 101 | 7 | 6 | 7 | 20 | 8 | 49 | 4 | 20 | 40 | ||||||||||
| Totaal | 7019 | 4 | 7 | 5 | 10 | 3 | 8 | 7 | 7 | 11 | 6 | 5 | 9 | 10 | 15 | 4 | 3 | 5424 | 1595 | 197 | 114 | 183 | 270 | 132 | 636 | 63 | 494 | 764 |
- Hebreeuws. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). Getalwaarde: lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4.
- Ned.: niet. D.: nicht. E.: not. Fr.: ne... pas. Grieks: ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet). Hebreeuws. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). Latijn: non.
Mc 6,18.9. εξεστιν = exestin (het is toegelaten). Taalgebruik in het NT: exestin (het is toegelaten). Taalgebruik in de LXX: exestin (het is toegelaten). Taalgebruik in Mc: exestin (het is toegelaten). Mc (6): (1) Mc 2,24. (2) Mc 2,26. (3) Mc 3,4. (4) Mc 6,18. (5) Mc 10,2. (6) Mc 12,14 .
In twee soorten zinnen. 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is niet toegelaten. Mc (3): (1) Mc 2,24. (2) Mc 2,26. (3) Mc 6,18.
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3): (1) Mc 3,4. (2) Mc 10,2. (3) Mc 12,14.
| exestin | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 12 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | syn. | ev. | P. |
| 6 | (1) Mc 2,24. (2) Mc 2,26. | (3) Mc 3,4. | (4) Mc 6,18. | (5) Mc 10,2. | (6) Mc 12,14 | 27 | 1 | 26 | 8 | 6 | 5 | 2 | 3 | 2 | 19 | 21 | 2 |
Mc 6,18.8. - 9. ουκ εξεστιν = ouk exestin (het is niet toegelaten). NT (12): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). (8). (9). (10). (11). (12).
Mc 6,18.10. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. σοι = soi (aan u). Zie συ = su (jij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (21).
| pers. vnw. 2de pers. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. enk. soi | 21 | 2 : (1) Mc 1,11. (2) Mc 1,24. | 2 : (1) Mc 2,11. (2) Mc 2,18. | 1: Mc 4,38. | 4 : (1) Mc 5,7. (2) Mc 5,9. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,41. | 3 : (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,23. | 2 : (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,25. | 2 : (1) Mc 10,28. (2) Mc 10,51. | 1 : Mc 11,28. | 1 : Mc 12,14. | 3 : (1) Mc 14,30. (2) Mc 14,31. (3) Mc 14,36. | 1310 | 1112 | 198 | 44 | 21 | 44 | 27 | 20 | 31 | 11 | 109 | 136 |
- Hebreeuws. l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. לֵךְ = lekh (ga). Zie hâlakh (gaan). Taalgebruik in Tenach: hâlakh (gaan). Getalwaarde: he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11). Structuur: 5 - 3 - 2. Tenakh (827. Pentateuch (276). Eerdere Profeten (188). Latere Profeten (147). 12 Kleine Profeten (30). Geschriften (186).
Mc 6,18.11. act. inf. praes. εχειν = echein (om te hebben) van het werkw. εχω = echô (hebben, bezitten). Taalgebruik: echô (hebben, bezitten) in het NT. Taalgebruik: echô (hebben, bezitten) in de LXX. Bijbel (49). LXX (19). NT (30). Mc (): (1) Mc 3,15. (2) Mc 4,5. (3) Mc 4,6. (4) Mc 6,18. Een vorm van εχω = echô (hebben, bezitten) in de LXX (497) , in het NT (705) , in Mc (69) , in Lc (77) , in Hnd (44).
- Ned.: hebben. D.: haben. E.: have. Fr.: avoir. Grieks: εχω = echô (hebben, bezitten). Taalgebruik: echô (hebben, bezitten) in het NT. Lat.: habere.
Mc 6,18.12. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,18.13. acc. vr. enk. γυναικα = gunaika van het zelfst. naamw. γυνη = gunè (vrouw). Taalgebruik in het NT: gunè (vrouw). Taalgebruik in de LXX: gunè (vrouw). Taalgebruik in Lc: gunè (vrouw). Mc (8): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 10,2. (4) Mc 10,7. (5) Mc 10,11. (6) Mc 12,19. (7) Mc 12,20. (8) Mc 12,23. Lc (10): (1) Lc 4,26. (2) Lc 7,44. (3) Lc 7,50. (4) Lc 14,20. (5) Lc 14,26. (6) Lc 16,18. (7) Lc 18,29. (8) Lc 20,28. (9) Lc 20,29. (10) Lc 20,33.
| gunè (vrouw) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 5 | acc. vr. enk. gunaika | 269 | 220 | 49 | 11 | 8 | 10 | 1 | 1 | 13 | 5 | 29 | 30 | 13 |
Mc 6,18.14. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,18.15. gen. mann. enk. αδελφου = adelfou (van de broer) van het zelfst. naamw. αδελφος = adelfos (broer). Taalgebruik in het NT: adelfos (broer). Taalgebruik in de LXX: adelfos (broer). Taalgebruik in Mc: adelfos (broer). Een vorm van αδελφος = adelfos (broer) in de LXX (924) , in het NT (343).
| adelfos (broer) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | gen. mann. enk. adelfou | 2 | (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. | 123 | 106 | 17 | 3 | 2 | 4 | 1 | 7 | 9 | 10 | |||||||||||||||||
| Totaal | 29 | 1106 | 770 | 336 | 37 | 19 | 23 | 14 | 57 | 181 | 5 | 79 | 93 |
- Hebreeuws. mann. enk. אָח = ´âch (broer).Taalgebruik in Tenakh: ´ach (broer). Getalwaarde = aleph = 1 , chet = 8 ; totaal: 9 (3²). Structuur: 1 - 8. De som van de elementen is telkens 9.
- L. frater. Fr. frère. Ned. broer. E. brother. D. Bruder. Arab. ´ach. Taalgebruik in de Qoran: ´ach (broer).
Mc 6,18.16. gen. mann. enk. σου = sou (van jou). Zie συ = su (jij). Persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (27).
| pers. vnw. 2de pers. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. enk. sou | 27 | 2 : (1) Mc 1,2. (2) Mc 1,44. | 3 : (3) Mc 2,5. (4) Mc 2,9. (5) Mc 2,11. | 1 : Mc 3,32. | 3 : (1) Mc 5,19. (2) Mc 5,34. (3) Mc 5,35. | 1: Mc 6,18. | 3 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,10. (3) Mc 7,29. | 5 : (1) Mc 9,18. (2) Mc 9,38. (3) Mc 9,43. (4) Mc 9,45. (5) Mc 9,47. | 3 : (1) Mc 10,19. (2) Mc 10,37. (3) Mc 10,52. | 1 : Mc 11,14. | 3 : (1) Mc 12,30. (2) Mc 12,31. (3) Mc 12,36. | 1 : Mc 14,60. | 1 : Mc 15,4. | 3947 | 3602 | 345 | 71 | 27 | ||||||||||
| totaal | 84 | 6 | 5 | 2 | 1 | 8 | 6 | 5 | 4 | 10 | 10 | 2 | 5 | 17 | 3 | 84 |
| Mc 6,19 - Mc 6,19: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [19] Therefore Herodias had a quarrel against him, and
would have killed him; but she could not:
Luther-Bibel. 19 Herodias aber stellte ihm nach und wollte ihn töten und konnte
es nicht.
Tekstuitleg van Mc 6,19.
Mc 6,19.1. bepaald lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in NT: bepaald lidwoord. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of).
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2. | nom. vr. enk. hè | 4860 | 3762 | 1098 | 151 | 76 | 143 | 117 | 83 | 443 | 85 | 370 | 487 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,19.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d'. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in de LXX: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om verandering van personage of situatie aan te duiden.
| de (echter) | de (echter) Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| de | 149 + 2 | 5 | 6 | 1 | 4 | 5 | 8 | 8 | 5 | 10 | 23 | 4 | 7 | 13 | 23 | 20 | 7 | 6210 | 3754 | 2456 | 421 | 149 | 478 | 203 | 490 | 708 | 7 | 1048 | 1251 |
| d' | d' | 1 | 1 | 73 | 50 | 23 | 12 | 2 | 5 | 1 | 3 | 19 | 20 | ||||||||||||||||
| Totaal | 6283 | 3804 | 2479 | 433 | 151 | 483 | 204 | 490 | 711 | 7 | 1067 | 1271 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc 6,19.1. - 2. ἡ δε = hè de (... echter). LXX (108). NT (51). Mc (9). Lc (4): (1) Lc 1,29. (2) Lc 2,19. (3) Lc 9,12. (4) Lc 17,29.
Mc 6,19.3. nom. vr. enk. ἡρῳδιας = hèrô(i)dias (Herodias). Bijbel = NT (1): Mc 6,19.
Mc 6,19.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. ενειχεν = eneichen (hij / zij had het gemunt op) van het werkw. ενεχω = enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben). Taalgebruik in het NT: enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben). Taalgebruik in de LXX: enechô (hebben, (vast)houden in, wrokken, het op iemand gemunt hebben). Bijbel (1): Mc 6,19. Een vorm van ενεχω = enechô in (1) Mc 6,19. (2) Lc 11,53. (3) Gal 5,1.
Mc 6,19.5. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,19.6. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,19.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηθελεν = èthelen (hij wilde) van het werkw. θελω = thelô (willen). Taalgebruik in het NT: thelô (willen). Taalgebruik in de LXX: thelô (willen). Taalgebruik in Mc: thelô (willen). Mc (5): (1) Mc 3,13. (2) Mc 6,19. (3) Mc 6,48. (4) Mc 7,24. (5) Mc 9,30. Een vorm van θελω = thelô (willen) in de LXX (148) , in het NT (207) , in Mt (42) , in Mc (24) , in Lc (28) , in Joh (23).
| thelô (willen) | Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 6 | act. ind. imperf. 3de pers. enk. èthelen | 5 | (1) Mc 3,13 | (2) Mc 6,19. (3) Mc 6,48 | (4) Mc 7,24 | (5) Mc 9,30 | 19 | 5 | 14 | 2 | 5 | 3 | 1 | 3 | 10 | 11 | ||||||||||
| totaal | 23 | 2 | 1 | 5 | 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 2 | 213 | 85 | 128 | 27 | 23 |
- Lat. velle. Fr. vouloir. Ned. willen. D. willen. E. will.
Mc 6,19.8. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,19.9. act. inf. aor. αποκτειναι = apokteinai (doden) van het werkw. αποκτεινω = apokteinô (doden). Taalgebruik in de LXX: apokteinô (doden, vermoorden). Taalgebruik in het NT: apokteinô (doden, vermoorden). Taalgebruik in Mc: apokteinô (doden, vermoorden). Taalgebruik in Lc: apokteinô (doden, vermoorden). Taalgebruik in Hnd: apokteinô (doden, vermoorden). Synoptici: (1) Mt 10,28 (apokteinai - apolesai) // Lc 12,5 (apokteinai = doden). (2) Mt 14,5 // Mc 6,19. (3) Mc 3,4 // Lc 6,9 (apolesai = verderven , verdoemen). (4) Mc 6,19 // Mt 14,5. (5) Lc 12,5 (apokteinai = doden) // Mt 10,28 (apokteinai - apolesai). (6) Lc 13,31. Een vorm van αποκτεινω = apokteinô in de LXX (243) , in het NT (74).
- Gr. kteinô (doden, vermoorden). Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan). Fr. tuer. Ned. doden. Duits: töten. E. to die. Hebr. mûth - môth. Fr. mourir (Lat. mori). mort (Lat. mors , mortis).
| apokteinô (doden) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. inf. aor. apokteinai | 50 | 34 | 16 | 2 | 2 | 2 | 8 | 1 | 1 | 6 | 14 |
Mc 6,19.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,19.11. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet) OF betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (οὑ = hou). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in de LXX: ou - ouk - ouch (niet).
| ou (niet) | bijbel | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ou | 3068 | 1 | 3 | 4 | 2 | 1 | 3 | 2 | 5 | 2 | 1 | 3 | 7 | 6 | 1 | 1 | 2321 | 747 | 97 | 42 | 84 | 113 | 68 | 313 | 30 | 223 | 336 | |
| ouk | 3499 | 2 | 3 | 1 | 7 | 3 | 6 | 4 | 5 | 6 | 3 | 4 | 6 | 3 | 9 | 2 | 2 | 2752 | 747 | 93 | 66 | 92 | 137 | 56 | 274 | 29 | 251 | 388 |
| ouch | 452 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 351 | 101 | 7 | 6 | 7 | 20 | 8 | 49 | 4 | 20 | 40 | ||||||||||
| Totaal | 7019 | 4 | 7 | 5 | 10 | 3 | 8 | 7 | 7 | 11 | 6 | 5 | 9 | 10 | 15 | 4 | 3 | 5424 | 1595 | 197 | 114 | 183 | 270 | 132 | 636 | 63 | 494 | 764 |
- Hebreeuws. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). Getalwaarde: lamed = 12 of 30 , aleph = 1 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld). De getalwaarde van לֹא = lo´ is de helft van de getalwaarde van de schrijfwijze van aleph ; 13 - 26 of een verhouding van 1 - 2. Tenakh (2767). Pentateuch (801). Eerdere Profeten (456). Latere Profeten (611). 12 Kleine Profeten (150). Geschriften (749). Structuur: 3 - 1. De som van de elementen is telkens 4.
- Ned.: niet. D.: nicht. E.: not. Fr.: ne... pas. Grieks: ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet). Hebreeuws. לֹא = lo´(niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´(niet). Latijn: non.
| Mc 6,20 - Mc 6,20: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [20] For Herod feared John, knowing that he was a just
man and an holy, and observed him; and when he heard him, he did many things,
and heard him gladly.
Luther-Bibel. 20 Denn Herodes fürchtete Johannes, weil er wusste, dass er ein
frommer und heiliger Mann war, und hielt ihn in Gewahrsam; und wenn er ihn hörte,
wurde er sehr unruhig; doch hörte er ihn gern.
Tekstuitleg van Mc 6,20.
Mc 6,20.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,20.2. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,20.3. ἡρῳδης = hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in het ΝΤ: hèrô(i)dès (Herodes). Taalgebruik in Mc: hèrô(i)dès (Herodes).
| hèrô(i)dès (Herodes) | Mc | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. hèrô(i)dès | 5 | (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,21. | 24 | 24 | 6 | 5 | 8 | 5 | 19 | 19 | |
| 2 | gen. mann. enk. hèrô(i)dou | 1 | (1) Mc 8,15. | 13 | 13 | 5 | 1 | 4 | 3 | 10 | 10 | |
| 3 | dat. mann. enk. hèrô(i)dè(i) | 2 | (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. | 3 | 3 | 1 | 2 | 3 | 3 | |||
| totaal | 8 | 7 | 1 | 42 | 42 | 13 | 8 | 13 | 8 | 34 | 34 |
1. - 3.
Mc 6,20.4. van het werkw. φοβεομαι = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in het NT: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). Taalgebruik in de LXX: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden). BEen vorm van εφοβηθησαν = fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) in de LXX (460) , in het NT (95) , in Mc (12): (1) Mc 4,41. (2) Mc 5,15. (3) Mc 5,33. (4) Mc 5,36. (5) Mc 6,20. (6) Mc 6,50. (7) Mc 9,32. (8) Mc 10,32. (9) Mc 11,18. (10) Mc 11,32. (11) Mc 12,12. (12) Mc 16,8 , in Lc (21): (1) Lc 1,13. (2) Lc 1,30. (3) Lc 1,50. (4) Lc 2,9. (5) Lc 2,10. (6) Lc 5,10. (7) Lc 8,25. (8) Lc 8,35. (9) Lc 8,50. (10) Lc 9,34. (11) Lc 9,45. (12) Lc 12,4. (13) Lc 12,5. (14) Lc 12,7. (15) Lc 12,32. (16) Lc 18,2. (17) Lc 18,4. (18) Lc 19,21. (19) Lc 20,19. (20) Lc 22,2. (21) Lc 23,40.
Mc 6,20.5. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,20.6. acc. mann. enk. ιωαννην = Iôannèn (Johannes) van het zelfst. naamw. ιωαννης = Jôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès (Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes). Johannes de Doper: Mc (6): (1) Mc 1,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 8,28. (6) Mc 11,32.
| Iôannès (Johannes) | Mc | doper | Mc 1 | Mc 2 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 11 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. Iôannès | 7 | 4 | (1) Mc 1,4. (2) Mc 1,6. | (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,18. | 58 | 5 | 53 | 10 | 7 | 10 | 12 | 10 | 1 | 3 | 27 | 39 | |||
| 2 | gen. mann. enk. Iôannou | 7 | 5 | (1) Mc 1,9. | (2) Mc 2,18. | (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. | (5) Mc 11,30. | 43 | 6 | 37 | 8 | 7 | 7 | 8 | 7 | 22 | 30 | |||
| 4 | acc. mann. enk. Iôannèn | 11 | 6 | (1) Mc 1,14. | (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. | (5) Mc 8,28. | (6) Mc 11,32. | 41 | 4 | 37 | 7 | 11 | 11 | 2 | 6 | 29 | 31 | |||
| totaal | 25 | 15 | 4 | 1 | 7 | 1 | 2 | 148 | 16 | 132 | 26 | 25 | 30 | 22 | 24 | 1 | 4 | 81 | 103 |
| Iôannès (Johannes) | ev. | Mt | Mt (de doper) | Mt (apostel) | Mc | Mc (de doper) | Mc (apostel) | Lc | Lc (de doper) | Lc (apostel) | Joh | Joh (de doper) | Joh (apostel) |
| acc. mann. enk. Iôannèn | 31 | 7 | 5 : (1) Mt 3,13. (2) Mt 14,3. (3) Mt 14,10. (4) Mt 16,14. (5) Mt 21,26. | 2: (1) Mt 4,21. (2) Mt 17,1. | 11 | 6 : (1) Mc 1,14. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. (5) Mc 8,28. (6) Mc 11,32. | 5: (1) Mc 1,19. (2) Mc 3,17. (3) Mc 5,37. (4) Mc 9,2. (5) Mc 14,33. | 11 | 6: (1) Lc 1,13. (2) Lc 3,2. (3) Lc 3,20. (4) Lc 9,9. (5) Lc 9,19. (6). Lc 20,6. | 5: (1) Lc 5,10. (2) Lc 6,14. (3) Lc 8,51. (4) Lc 9,28. (5) Lc 22,8. | 2 | 2 : (1) Joh 3,26. (2) Joh 5,33. | |
| totaal | 103 | 26 | 23 | 3 | 25 | 15 | 10 | 30 | 23 | 7 | 22 | 18 | 4 |
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn).
- Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Mc 6,20.8. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,20.9. acc. mann. enk. ανδρα = andra (man) van het zelfst. naamw. ανηρ = anèr (man). Taalgebruik in het NT: anèr (man). Taalgebruik in de LXX: anèr (man). Taalgebruik in Mc: anèr (man).
| anèr (man) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5 | acc. mann. enk. andra | 189 | 160 | 29 | 1 | 2 | 1 | 2 | 14 | 9 | 4 | 6 | |
| Totaal | 1722 | 1513 | 209 | 8 | 4 | 26 | 7 | 99 | 64 | 1 | 38 | 45 |
Mc 6,20.11. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,20.12. nom. + acc. onz. enk. ἁγιον = hagion van het bijvoegl. naamw. ἁγιος = hagios (heilig). Taalgebruik in het NT: hagios (heilig). Taalgebruik in de Septuaginta: hagios (heilig). Een vorm van ἁγιος = hagios (heilig) in de LXX (832) , in het NT (233).
| hagios (heilig) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | nom. + acc. onz. enk. hagion | 204 | 160 | 44 | 1 | 3 | 8 | 2 | 20 | 10 | 12 | 14 |
| hagios (heilig) | Mt | Mc | Lc | syn. | ev. |
| nom. + acc. onz. enk. hagion | 1: Mt 7,6. | 3: (1) Mc 3,29. (2) Mc 6,20. (3) Mc 13,11. | 8: (1) Lc 1,35. (2) Lc 1,49. (3) Lc 2,23. (4) Lc 2,25. (5) Lc 3,22. (6) Lc 11,13. (7) Lc 12,10. (8) Lc 12,12. | 12: (1) Mt 12,32 // Mc 3,29 // Lc 12,10. | 14 |
| Totaal | 8 | 7 | 19 | 34 | 37 |
- קָדוֹשׁ = qâdôsj (heilig). Stat. constr. קְדוֹשׁ = qëdôsj. Taalgebruik in Tenakh: qâdôsj (heilig). Getalwaarde: qoph = 19 of 100 , daleth = 4 , waw = 6 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 50 OF 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 1 - 4 - 6 - 3. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (53). Pentateuch (13). Eerdere Profeten (3). Latere Profeten (25). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (11).
- Lat. sanctus. Fr. saint. Ned. heilig. D. heilig. E. holy. Arabisch: مُقَدَّس = muqaddas (heilig) < stam q-d-s. Taalgebruik in de Koran: muqaddas (heilig).
Mc 6,20.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
Mc 6,20.15. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,20.16. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,20.17. act. part. aor. nom. mann. enk. ακουσας = akousas (gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Taalgebruik in Lc: akouô (horen). Taalgebruik in Hnd: akouô (horen). Bijbel (54). OT (21). NT (33). Mt (8): (1) Mt 2,3 (+ de). (2) Mt 2,22 (+ de). (3) Mt 4,12 (+ de). (4) Mt 8,10 (+ de). (5) Mt 9,12. (6) Mt 11,2. (7) Mt 14,13. (8) Mt 19,22 (+ de). Mc (5): (1) Mc 2,17. (2) Mc 6,16 (+ de). (3) Mc 6,20. (4) Mc 10,47. (5) Mc 12,28. Lc (8): (1) Lc 6,49. (2) Lc 7,3. (3) Lc 7,9. (4) Lc 8,50. (5) Lc 14,15. (6) Lc 18,22. (7) Lc 18,36. (8) Lc 23,6. Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427) , in Lc (58).
- Hebreeuws. act. part. nom. mann. enk. שֹׁמֵעַ = sjome`a (luisterend) van het werkw. שָׁמַע = sjâma` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâma` (horen, luister Getalwaarde: sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 , ajin = 16 of 70 ; 50 (2 X 5²) of 410 (2 X 5 X 41). Structuur: 3 - 4 - 7. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (30).
- Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis. auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. D. hören.
Mc 6,20.16. - 17. - ακουσας δε = akousas de (gehoord echter). NT (17): (1) Mt 2,3. (2) Mt 2,22. (3) Mt 4,12. (4) Mt 8,10. (5) Mt 19,22. (6) Mt 22,7. (7) Mc 6,16. (8) Lc 7,3. (9) Lc 7,9. (10) Lc 14,15. (11) Lc 18,22. (12) Lc 18,36. (13) Joh 11,4. (14) Hnd 7,12. (15) Hnd 22,26. (16) Hnd 23,16. (17) Hnd 24,22.
- ὁ δε ακουσας (hij echter gehoord). NT (2): (1) Lc 6,49. (2) Lc 18,23.
- και ακουσας (en gehoord). NT (5): (1) Mt 14,13. (2) Mc 2,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 10,47. (5) Joh 12,29.
Mc 6,20.18. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,20.19. nom. en acc. onz. mv. πολλα = polla (vele) van het bijvoegl. naamw. πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in de LXX: polus (veel). Taalgebruik in Mc: polus (veel). Mc (21). Mc (21): (1) Mc 1,34. (2) Mc 1,45. (3) Mc 3,12. (4) Mc 4,2. (5) Mc 5,10. (6) Mc 5,23. (7) Mc 5,26. (8) Mc 5,38. (9) Mc 5,43. (10) Mc 6,13. (11) Mc 6,20. (12) Mc 6,23. (13) Mc 6,34. (14) Mc 7,4. (15) Mc 7,13. (16) Mc 8,31. (17) Mc 9,12. (18) Mc 9,26. (19) Mc 10,22. (20) Mc 12,41. (21) Mc 15,3. Van de 21 verzen staat πολλα = polla (vele dingen) zelfstandig gebruikt als lijdend voorwerp bij een werkwoord. Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353).
- Een veelheid werd uiteengezet opdat het spreekverbod zou onderhouden worden.
| polus (veel) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| nom. onz. mv. polla | 21 | (1) Mc 1,34. (2) Mc 1,45. | (3) Mc 3,12. | (4) Mc 4,2. | (5) Mc 5,10. (6) Mc 5,23. (7) Mc 5,26. (8) Mc 5,38. (9) Mc 5,43. | (10) Mc 6,13. (11) Mc 6,20. (12) Mc 6,23. (13) Mc 6,34. | (14) Mc 7,4. (15) Mc 7,13. | (16) Mc 8,31. | (17) Mc 9,12. (18) Mc 9,26. | (19) Mc 10,22. | (20) Mc 12,41. | (21) Mc 15,3. | 193 | 130 | 63 | 6 | 21 | 7 | 8 | 5 | 14 | 2 | 34 | 42 |
- Hebreeuws: r-b. bijvoegl. naamw. רַב = rabh (veel, talrijk, groot). zelfst. naamw. robh. Zie: Taalgebruik in Tenakh: rabh (veel, talrijk, groot). Getalswaarde: resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal: 22 (2X 11) OF 202 (2 X 101) ; structuur: 2 - 2. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (180). Pentateuch (25). Eerdere Profeten (36). Latere Profeten (45). 12 kl. Prof. (6). Geschriften (68).
- N.: veel. D.: viel. E. many. Fr.: nombreux (tal-rijk). Gr.: πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Hebr.: רַב = rab (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Tenakh: rab (veel, talrijk, groot). Lat.: multus.
Mc 6,20.21. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,20.23. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
| Mc 6,21 - Mc 6,21: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [21] And when a convenient day was come, that Herod on
his birthday made a supper to his lords, high captains, and chief estates of
Galilee;
Luther-Bibel. 21 Und es kam ein gelegener Tag, als Herodes an seinem Geburtstag
ein Festmahl gab für seine Großen und die Obersten und die Vornehmsten von Galiläa.
Tekstuitleg van Mc 6,21.
Mc 6,21.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,21.2. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in de LXX: ginomai (worden). Taalgebruik in het NT: ginomai (worden). Taalgebruik in Mc: ginomai (worden). Mt (9): (1) Mt 8,16. (2) Mt 13,21. (3) Mt 14,15. (4) Mt 14,23. (5) Mt 16,2. (6) Mt 20,8. (7) Mt 27,1. (8) Mt 26,20. (9) Mt 27,57. Mc (9). (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,17. (3) Mc 4,35. (4) Mc 6,21. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,47. (7) Mc 14,17. (8) Mc 15,33. (9) Mc 15,42. Lc (2): (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. Joh (1): Joh 21,4. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667).
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 41 | 8 | 33 | 9 | 9 | 2 | 1 | 11 | 1 | 20 | 21 |
| ginomai | Mt | Mc | Lc | syn. |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 9 : 7 opsias... genomenès: (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. + 2: (1) Mt 13,21. (2) Mt 27,1. | 9 : 5: (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. + 4: (1) Mc 4,17. (2) Mc 6,21. (3) Mc 6,35. (4) Mc 15,33. | 2 : (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. | 20 : (1) Mt 13,21 // Mc 4,17. (2) Mt 14,15 // Mc 6,35. |
Mc 6,21.3. gen. vr. enk. + acc. vr. mv ἡμερας = hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Taalgebruik in de Septuaginta: hèmera (dag). Taalgebruik in Mc: hèmera (dag). Mc (11): (1) Mc 1,13. (2) Mc 5,5. (3) Mc 6,21. (4) Mc 8,31. (5) Mc 9,2. (6) Mc 9,31. (7) Mc 10,34. (8) Mc 13,20. (9) Mc 13,32. (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,25. Een vorm van ἡμερα = hèmera (dag) in Mc in 20 verzen: (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,13. (3) Mc 2,1. (4) Mc 2,20. (5) Mc 4,27. (6) Mc 4,35. (7) Mc 5,5. (8) Mc 6,21. (9) Mc 8,1. (10) Mc 8,2. (11) Mc 8,31. (12) Mc 9,2. (13) Mc 9,31. (14) Mc 10,34. (15) Mc 13,2. (16) Mc 13,17. (17) Mc 13,19. (18) Mc 13,20. (19) Mc 13,24. (20) Mc 13,32. (21) Mc 14,1. (22) Mc 14,12. (23) Mc 14,25. (24) Mc 14,49. (25) Mc 14,58. (26) Mc 15,29.
| hèmera (dag) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras | 799 | 575 | 224 | 13 | 11 | 14 | 8 | 40 | 126 | 12 | 38 | 46 | ||
| totaal | 2508 | 2029 | 479 | 43 | 26 | 82 | 31 | 93 | 183 | 21 | 151 | 182 |
| hèmera (dag) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | |
| 2 | gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras | 11 | (1) Mc 1,13. | (2) Mc 5,5. | (3) Mc 6,21. | (4) Mc 8,31. | (5) Mc 9,2. (6) Mc 9,31. | (7) Mc 10,34. | (8) Mc 13,20. (9) Mc 13,32. | (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,25. | |||
| totaal | 23 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 1 |
- Ned.: dag. Arabisch: يَوم = jaum (dag). Taalgebruik in de Qoran: dag (jaum). D.: Tag. E.: day. F.: jour < Lat. diurnum. Cfr journaal. Grieks: ἡμερα = hèmera (dag). Taalgebruik in het NT: hèmera (dag). Hebreeuws: יוֹם = jôm (dag). Taalgebruik in Tenakh: jôm (dag). Latijn: dies (dag). diurnus (dagelijks).
Mc 6,21.5. ὁτε = hote (toen). Taalgebruik in het NT: hote (toen). Taalgebruik in de LXX: hote (toen). Taalgebruik in Mc: hote (toen). Voegwoord van tijd. Mt (12): (1) Mt 7,28. (2) Mt 9,25. (3) Mt 11,1. (4) Mt 12,3. (5) Mt 13,26. (6) Mt 13,48. (7) Mt 13,53. (8) Mt 19,1. (9) Mt 21,1. (10) Mt 21,34. (11) Mt 26,1. (12) Mt 27,31. Mc (12): (1) Mc 1,32. (2) Mc 2,25. (3) Mc 4,6. (4) Mc 4,10. (5) Mc 6,21. (6) Mc 7,17. (7) Mc 8,19. (8) Mc 8,20. (9) Mc 11,1. (10) Mc 14,12. (11) Mc 15,20. (12) Mc 15,41.
| hote (toen) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 4 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 11 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| hote | (1) Mc 1,32. | (2) Mc 2,25. | (3) Mc 4,6. (4) Mc 4,10. | (5) Mc 6,21. | (6) Mc 7,17. | (7) Mc 8,19. (8) Mc 8,20. | (9) Mc 11,1. | (10) Mc 14,12. | (11) Mc 15,20. (12) Mc 15,41. | 220 | 118 | 102 | 12 | 12 | 12 | 21 | 10 | 22 | 13 | 36 | 47 | 20 | 2 |
- Ned.: wanneer. D.: wenn. E.: when. Fr.: quand. Gr.: ὁτε = hote (toen). Taalgebruik in het NT: hote (toen). Lat.: quando.
Mc 6,21.9. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,21.11. act. ind. aor. 3de pers. enk. εποιησεν = epoièsen (hij deed) van het werkw. ποιεω = poieô (doen, maken). Taalgebruik in het NT: poieô (doen, maken). Taalgebruik in de LXX: poieô (doen, maken). Taalgebruik in Lc: poieô (doen, maken). Taalgebruik in Hnd: poieô (doen, maken). Bijbel (714). OT (641). NT (73). Lc (14): (1) Lc 1,49. (2) Lc 1,51. (3) Lc 1,68. (4) Lc 3,19. (5) Lc 5,29. (6) Lc 6,3. (7) Lc 6,10. (8) Lc 8,8. (9) Lc 8,39. (10) Lc 11,40. (11) Lc 16,8. (12) Lc 17,9. (13) Lc 19,18. (14) Lc 23,22. Een vorm van ποιεω = poieô (doen, maken) in de LXX (3390) , in het NT (565) , in Lc (88) , Lc 1 (5): (1) Lc 1,25. (2) Lc 1,49. (3) Lc 1,51. (4) Lc 1,68. (5) Lc 1,72. Het Griekse εποιησεν = epoièsen kan de vertaling zijn van het Hebr. עָשָׂה = `âsâh.
| poieô (doen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen | 714 | 641 | 73 | 13 | 9 | 14 | 18 | 14 | 4 | 1 |
- Hebreeuws. `-sh-h. (1) act. qal. perf. 3de pers. mann. enk. עָשָׂה = `âshâh (hij maakt). (2) act. qal part. mann. enk. עֹשֶׂה = `oshèh (makende). Tenakh (503). Pentateuch (112). Eerdere Profeten (161). Latere Profeten (78). 12 Kleine Profeten (19). Geschriften (133).
- Lat. facere. Fr. faire. N. doen. D. tun. E. make.
Mc 6,21.14. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,21.15. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,21.18. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,21.21. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,21.22. vr. enk. γαλιλαιας = galilaias (van Galilea) van het zelfst. naamw. γαλιλαια= galilaia (Galilea). Taalgebruik in het NT: Galilaia (Galilea). Taalgebruik in de LXX: Galilaia (Galilea).
| Galilaia (Galilea) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès | 40 | 4 | 36 | 8 | 7 | 10 | 8 | 3 | 25 | 33 |
| Galilaia (Galilea) | syn. | Mt | Mc | Lc | Joh | syn. | |
| gen. vr. enk. Galilaias , telkens met het bep. lidw. tès | 25 | 8 : (1) Mt 2,22. (2) Mt 3,13. (3) Mt 4,18. (4) Mt 4,25. (5) Mt 15,29. (6) Mt 19,1. (7) Mt 21,11. (8) Mt 27,55. | 7 : (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,16. (3) Mc 1,28. (4) Mc 3,7. (5) Mc 6,21. (6) Mc 7,31. (7) Mc 9,30. | 10 : (1) Lc 1,26. (2) Lc 2,4. (3) Lc 3,1. (4) Lc 4,31. (5) Lc 5,17. (6) Lc 8,26. (7) Lc 17,11. (8) Lc 23,5. (9) Lc 23,49. (10) Lc 23,55. | 8: (1) Joh 2,1. (2) Joh 2,11. (3) Joh 4,46. (4) Joh 6,1. (5) Joh 7,41. (6) Joh 7,52. (7) Joh 12,21. (8) Joh 21,2. | 5: (1) Mt 3,13 // Mc 1,9. (2) Mt 4,18 // Mc 1,16. (3) Mt 4,25 // Mc 3,7. (4) Mt 15,29 // Mc 7,31. (5) Mt 27,55 // Mc 15,41 // Lc 23,49. |
| Mc 6,22 - Mc 6,22: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [22] And when the daughter of the said Herodias came in,
and danced, and pleased Herod and them that sat with him, the king said unto
the damsel, Ask of me whatsoever thou wilt, and I will give it thee.
Luther-Bibel. 22 Da trat herein die Tochter der Herodias und tanzte und gefiel
Herodes und denen, die mit am Tisch saßen. Da sprach der König zu dem Mädchen:
Bitte von mir, was du willst, ich will dir's geben.
Tekstuitleg van Mc 6,22. Het vers Mc 6,22 telt 29 woorden en 152 (2³ X 19) letters. Getalswaarde is 17771 (13 X 1367).
| Mc 6,22 | ||||
| καὶ εἰσελθούσης τῆς θυγατρὸς αὐτοῦ Ἡρῳδιάδος καὶ ὀρχησαμένης, ἤρεσεν τῷ Ἡρῴδῃ καὶ τοῖς συνανακειμένοις. εἶπεν ὁ βασιλεὺς τῷ κορασίῳ, Αἴτησόν με ὃ ἐὰν θέλῃς, καὶ δώσω σοι: |
Mc 6,22.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,22.2. deponent werkw. qal part. aor. gen. vr. enk. εισελθουσης = eiselthousès (toen zij was binnengekomen) van het werkw, εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in het NT: eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in de LXX: eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan). Bijbel (1): Mc 6,22. Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30).
- deponent werkw. part. aor. gen. mann. enk. εισελθοντος = eiselthontos (toen hij was binnengegaan) van het werkw, εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in het NT: eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in de LXX: eiserchomai (binnengaan). Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan). Bijbel (4): (1) 1 S 30,1. (2) Mt
8,5. (3) Mt
21,10. (4) Mc 9,28. Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30).
- In de 2de aor. is de stam ελθ = elth anders dan die van het praesens ερχ = erch. De 2de aor. wordt gevormd door de zuivere stam + uitgang van het imperfectum (voor wat de indicatief betreft) , en door de zuivere stam + uitgang van het praesens (voor wat de andere wijzen betreft). Het werkw. εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) is mediaal. De 2de aor. ηλθον = èlthon (ik kwam) is actief. Aoristaugment is e ; e + e werd è (η). In werkwoorden samengesteld met een voorzetsel , wordt het augment achter het voorzetsel ingelast. Part. wordt verbogen volgens de gemengde (1ste en 3de) verbuiging: - ων = -ôn -> -οντ- = -ont-.
- וּבְבֹא = ûbhëbho´ (en in het binnengaan van) < prefix voegwoord wë -> û + prefix voorzetsel bë + qal inf. construct. van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalswaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (2): (1) Ex 34,34. (2) Nu 7,89.
Mc 6,22.3. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 3 (3): (1) Mc 3,5. (2) Mc 3,7. (3) Mc 3,8
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,22.4. gen. vr. enk. θυγατρος = thugatros (van de dochter) van het zelfst. naamw. θυγατηρ = thugatèr (dochter). Taalgebruik in het NT: thugatèr (dochter). Taalgebruik in de LXX: thugatèr (dochter). Tenakh (46). NT (4): (1) Mc 6,22. (2) Mc 7,26. (3) Mc 7,29. (4) Heb 11,24. Een vorm van θυγατηρ = thugatèr (dochter) in de LXX (641) , in het NT (28).
- Hebreeuws: בַת = bath (dochter). Taalgebruik in Tenakh: bath (dochter). Getalswaarde: beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 24 (2³ X 3) OF 402 (2 X 3 X 67). Structuur: 2 - 4. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (193). Pentateuch (51)
- Ned.: dochter. D.: Tochter. E.: daughter. Fr.: la fille. Grieks: θυγατηρ = thugatèr (dochter). Hebreeuws: בַת = bath (dochter). Taalgebruik in Tenakh: bath (dochter). Taalgebruik in het NT: thugatèr (dochter). Lat.: filia.
Mc 6,22.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
- της θυγατρος αυτου = tès thugatros autou (van zijn dochter). Bijbel (4). LXX (2): (1) Lv 18,17. (2) Tob 7,16. NT (2): (1) Mc 6,22. (2) Mc 7,26.
Mc 6,22.6. gen. vr. enk. ἡρῳδιαδος = hèrô(i)diados (van Herodias) van het zelfst. naamw. ἡρῳδιας = hèrô(i)dias (Herodias). Bijbel = NT (3): (1) Mt 14,6. (2) Mc 6,22. (3) Lc 3,19.
Mc 6,22.7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,22.10. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,28. (4) Mc 6,32. (5) Mc 6,39. (6) Mc 6,48.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,22.16. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,22.17. nom. mann. enk. βασιλευς = basileus (koning). Taalgebruik in het NT: basileus (koning). Taalgebruik in Mc: basileus (koning). Mc (7): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,26. (7) Mc 15,32
| basileus (koning) | Mc | Mc 6 | Mc 13 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. basileus | 7 | 4 : (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. | 3 : (1) Mc 15,2. (2) Mc 15,26. (3) Mc 15,32. | 931 | 887 | 44 | 12 | 7 | 5 | 9 | 5 | 3 | 3 | 24 | 33 | 3 | ||
| totaal | 11 | 5 | 1 | 5 | 2680 | 2580 | 100 | 21 | 11 | 11 | 13 | 13 | 11 | 20 | 43 | 56 | 9 | 1 |
- Hebreeuws. מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816). Pentateuch (58). Eerdere Profeten (345). Latere Profeten (188). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (203).
- Het koningschap werd ingesteld door rechter Samuël. De eerste koning was Saul , uit de stam Benjamin. De tweede koning was David , uit de stam Juda. Door David werd de Davidische dynastie ingesteld.
Mc 6,22.18. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,28. (4) Mc 6,32. (5) Mc 6,39. (6) Mc 6,48.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,22.20. med. inf. praes. aiteisthai (voor zich te vragen) van het werkw. van het werkw. aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in het NT: aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in Mc: aiteô (vragen, bedelen). Mc (1): Mc 15,8. Verschillende vormen in Mc in '9' verzen: (1) Mc 6,22. (2) Mc 6,23. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 10,35. (6) Mc 10,38. (7) Mc 11,24. (8) Mc 15,8. (9) Mc 15,43.
21. pers. voornaamw. 1ste pers. acc. enk. με = me (mij) van het persoonl. voornaamw.. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (27). Mc 14 (8): (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72.
| pers. vnw. 1ste pers. enk. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 4 | acc. enk. me (27) | 1 : Mc 1,40. | 1 : Mc 5,7. | 2 : (1) Mc 6,22. (2) Mc 6,23. | 2 : (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,7. | 3 : (1) Mc 8,27. (2) Mc 8,29. (3) Mc 8,38. | 3 : (1) Mc 9,19. (2) Mc 9,37. (3) Mc 9,39. | 5 : (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,18. (3) Mc 10,36. (4) Mc 10,47. (5) Mc 10,48. | 1 : Mc 12,15. | 8 : (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,28. (3) Mc 14,30. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,42. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,49. (8) Mc 14,72. | 1 : Mc 12,34. | 1568 | 1305 | 263 | 30 | 27 | 40 | 87 | 34 | 2 |
Mc 6,22.22. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho OF betrekk. voornaamw. nom. + acc. onz. enk. ho van het betrekkel. voornaamw. ὁς (die).. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,22.23. εαν = ean (indien). Taalgebruik in het NT: ean (indien). Taalgebruik in de LXX: ean (indien). Taalgebruik in Mc: ean (indien).
| ean (indien) | Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 32 | 1 | 4 | 1 | 1 | 3 | 3 | 3 | 5 | 3 | 2 | 1 | 2 | 3 | 1411 | 1103 | 308 | 56 | 32 | 27 | 54 | 10 | 120 | 9 | 115 | 169 |
| ean (indien) | Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 |
| 32 | 1 : Mc 1,40. | 4 : (1). (2). (3). (4). | 1 | 1 | 3: (1) Mc 6,10. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,23. | 3 : (1). (2). (3). | 3 : (1) Mc 8,3. (2) Mc 8,35. (3) Mc 8,38. | 5 : (1) Mc 9,18. (2) Mc 9,43. (3) Mc 9,45. (4) Mc 9,47. (5) Mc 9,50. | 3 : (1) Mc 10,12. (2) Mc 10,30. (3) Mc 10,35. | 2 : (1). (2). | 1 | 2 : (1). (2). | 3 : (1). (2). (3). |
22. - 23. ὁ εαν = ho ean (wat indien). LXX (63). NT (19). Mc (): (1) Mc 6,22 (2X). (2) Mc 7,11. (3) Mc 10,35. (4) Mc 11,23. (5) Mc 13,11.
Mc 6,22.24. act. conj. praes. 2de pers. enk. θελῃς = thelè(i)s (jij wil) van het werkw. θελω = thelô (willen). Taalgebruik in het NT: thelô (willen). Taalgebruik in de LXX: thelô (willen). Taalgebruik in Mc: thelô (willen). Mc (2): (1) Mc 1,40. (2) Mc 6,22. Een vorm van θελω = thelô (willen) in 23 verzen. Lat. velle. Fr. vouloir. Ned. willen. D. willen. E. will.
| thelô (willen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s | 12 | 8 | 4 | 1 | 2 | 1 |
- Ned.: willen. D.: willen. E.: will. Fr.: vouloir. Grieks: θελω = thelô (willen). Taalgebruik in het NT: thelô (willen). Lat.: velle.
Mc 6,22.23.
- 24. - ὁς γαρ εαν = hos gar ean (want indien wie). Mc (2): (1) Mc 8,35. (2) Mc 8,38.
- εαν θελῃς = ean thelè(i)s (indien je wil). Bijbel (8). LXX (4): (1) Sir 6,32. (2) Sir 15,15. (3) Sir 15,16. (4) Da
1,13. NT (4). (1). Mt (1): Mt
8,3. Mc (2): (1) Mc
1,40. (2) Mc
6,22. Lc (1): Lc 5,12.
Mc 6,22.25. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,22.26. act. ind. fut. 1ste pers. enk. δωσω = dôsô ( ik zal geven) van het werkw. διδωμι = didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Bijbel (209). OT (188). NT (21): (1) Mt 4,9. (2) Mt 16,19. (3) Mt 20,4. (4) Mc 6,22. (5) Mc 6,23. (6) Lc 4,6. (7) Lc 21,15. (8) Joh 4,14. (9) Joh 6,51. (10) Joh 13,26 . (11) Hnd 2,19. (12) Hnd 13,34. (13) Apk 2,7. (14) Apk 2,10. (15) Apk 2,17. (16) Apk 2,23. (17) Apk 2,26. (18) Apk 2,28. (19) Apk 3,21. (20) Apk 11,3. (21) Apk 21,6. Een vorm van didômi (geven) in de LXX (2131) , in het NT (416).
| didômi (geven) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. fut. 1ste pers. enk. dôsô | 209 | 188 | 21 | 3 | 2 | 2 | 3 | 2 | 0 | 9 | 7 | 10 | 0 | 0 |
- pass. ind. fut. 3de pers. enk. δοθησεται = dothèsetai (er zal gegeven worden) van het werkw. διδωμι = didômi (geven). Taalgebruik in de
Septuaginta: didômi
(geven). Taalgebruik in het NT: didômi
(geven). Bijbel ().
- Hebreeuws. Van Cangh (2005) en UBS: וְאֶתֵּן = wë´èththen (en ik zal geven) < prefix wë + act. qal imperf. 1ste pers. enk.. Zie het werkw. נָתן = nâthan (geven). Taalgebruik
in Tenakh: nâthan
(geven). Getalwaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50
of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (2): (1) Js 43,4. (2) Jr 42,12. NBG: וְאֶתֶּן = wë´èththèn (en ik zal geven).
- act. qal perf. 1ste pers.enkelv. נָתַתִּי = nâthaththî (ik zal geven) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (114). Pentateuch (43). Eerdere Profeten (10). Latere Profeten (44). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (12). Gn (14): (1) Gn 1,29. (2) Gn 9,3. (3) Gn 9,13. (4) Gn 15,18. (5) Gn 16,5. (6) Gn 17,16. (7) Gn 20,16. (8) Gn 23,11. (9) Gn 23,13. (10) Gn 27,37. (11) Gn 30,18. (12) Gn 35,12. (13) Gn 41,41. (14) Gn 48,22. Ex (1): Ex 31,6. Lv (1): Lv 6,10. Nu (10): (1) Nu 18,8. (2) Nu 18,19. (3) Nu 18,21. (4) Nu 18,24. (5) Nu 18,26. (6) Nu 20,12. (7) Nu 20,24. (8) Nu 21,34. (9) Nu 27,12. (10) Nu 33,53. Eerdere Profeten (10): (1) Joz 6,2. (2) Joz 8,1. (3) Re 1,2. (4) 1 S 9,23. (5) 2 S 9,9. (6) 1 K 3,12. (7) 1 K 3,13. (8) 1 K 9,6. (9) 1 K 9,7. (10) 2 K 21,8.
- Latijn. act. ind. fut. 1ste pers. enk. dabo (ik zal geven) van het werkw. dare / donare - donum: geven - gave , gift. Bijbel (197). OT (174). NT (23). Zie Grieks. Niet: (10) Joh
13,26 . Wel: (1) Joh
4,13. (2) 2
Pe 1,15. (3) Apk 3,9.
- Fr. donner
- don: geven - gave. D. geben. E. to give.
- Aramees: act. peal perf. 1ste pers. enk. יְהַבִית = jëhabîth (ik zal geven) van het werkw. יְהַב = jëhabh (geven). Pentateuch (28).
- Ned.: geven. D.: geben. E.: to give. Fr.: donner - don: geven - gave. Grieks: διδωμι = didômi (geven).Hebreeuws: נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Lat. dare / donare - donum.
Mc 6,22.27. pers. voornaamw. 2de pers. dat. enk. σοι = soi (aan u). Zie συ = su (jij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord. Mc (21). Mc 1 (2): (1) Mc 1,11. (2) Mc 1,24.
| pers. vnw. 2de pers. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. enk. soi | 21 | 2 : (1) Mc 1,11. (2) Mc 1,24. | 2 : (1) Mc 2,11. (2) Mc 2,18. | 1: Mc 4,38. | 4 : (1) Mc 5,7. (2) Mc 5,9. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,41. | 3 : (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,23. | 2 : (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,25. | 2 : (1) Mc 10,28. (2) Mc 10,51. | 1 : Mc 11,28. | 1 : Mc 12,14. | 3 : (1) Mc 14,30. (2) Mc 14,31. (3) Mc 14,36. | 1310 | 1112 | 198 | 44 | 21 | 44 | 27 | 20 | 31 | 11 | 109 | 136 |
- Hebreeuws. l-kh ( לָךְ = lâkh of לְךָ = lëhkâ = aan jou) < voorzetsel lë = suffix persoonl. voornaamw. 2de pers. mann. enk. OF act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. לֵךְ = lekh (ga). Zie hâlakh (gaan). Taalgebruik in Tenach: hâlakh (gaan). Getalwaarde: he = 5 1S lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 28 (2 X 2 X 7) of 55 (5 X 11). Structuur: 5 - 3 - 2. Tenakh (827. Pentateuch (276). Eerdere Profeten (188). Latere Profeten (147). 12 Kleine Profeten (30). Geschriften (186).
Mc 6,22.26. - 27. δωσω σοι = dôsô soi (ik zal geven aan jou). LXX (26). Pentateuch (7). NT (4):
- δωσω ὑμιν = dôsô humin (ik zal geven aan jullie). LXX (12). Pentateuch (5): (1) Gn 45,18. (2) Gn 47,16. (3) Ex 6,8. (4) Lv 20,24. (5) Nu 10,29. NT (4): (1) Mt 20,4. (2) Lc 21,15. (3) Hnd 13,34. (4) Apk 2,23.
- נָתַתִּי לָכֶם = nâthaththî lâkhèm (ik zal geven aan jullie). Tenach (11): (1) Gn 1,29. (2) Gn 9,3. (3) Nu 18, 26. (4) Dt 3,19. (5) Dt 3,20. (6) Dt 9,23. (7) Spr 4, 2. (8) Jr 7,14. (9) Jr 23,39. (10) Jr 35, 15. (11) Am 4,6.
- δοθησεται αυτῳ = dothèsetai autô(i) (er zal gegeven worden aan hem). LXX (5): (1) Lv 24,20. (2) Ps 71,15. (3) Spr 12,14. (4) Sir 15,17. (5) Da 5,7. NT (5): (1) Mt
13,12. (2) Mc
4,25. (3) Lc 8,18. (4) Hnd 24,26.
Mc 6,22.20. - 27. wat je zou... vragen , willen , doen , geven.
- Mc 6,22: aitèson me ho ean thelè(i)s (vraag mij wat je zou willen) kai
dôsô soi (en ik zal het je geven). De vraag van Herodes aan de
dochter van Herodias.
- Mc 6,23: ho ti ean me aitè(i)sès dôsô soi (wat je me zoudt
vragen , ik zal het jou geven).
- Mc 10,35: thelomen hina ho ean aitèsômen se poièsè(i)s hèmin
(wij willen opdat je zoudt willen doen wat wij je zouden vragen). De vraag
van Jakobus en Johannes aan Jezus. In Mc
10,37 staat de vraag met iets geven te maken: dos hèmin (geef ons).
Duplicity
- act. conj. praes. 2de pers. enk. thelè(i)s (jij wil) van het
werkw. thelô (willen). Mc (2): (1) Mc
1,40. (2) Mc
6,22.
- ean thelè(i)s (indien je wil). Mc (2): (1) Mc
1,40. (2) Mc
6,22.
| Mc 6,23 - Mc 6,23: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [23] And he sware unto her, Whatsoever thou shalt ask of
me, I will give it thee, unto the half of my kingdom.
Luther-Bibel. 23 Und er schwor ihr einen Eid: Was du von mir bittest, will
ich dir geben, bis zur Hälfte meines Königreichs.
Tekstuitleg van Mc 6,23.
Mc 6,23.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,23.5. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,23.7.
ean (indien). Taalgebruik in het N.T.: ean
(indien). Taalgebruik in Mc: ean
(indien).
Mc (32). Mc 6 (3): (1) Mc
6,10. (2) Mc
6,22. (3) Mc
6,23.
9. act. conj. aor. 2de pers. enk. aitèsè(i)s (jij zoudt vragen)
van het werkw. van het werkw. aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in
het N.T.: aiteô
(vragen, bedelen). Taalgebruik in Mc: aiteô
(vragen, bedelen).
Mc (1): Mc
6,23. Verschillende vormen in Mc in '9' verzen: (1) Mc
6,22. (2) Mc
6,23. (3) Mc
6,24. (4) Mc
6,25. (5) Mc
10,35. (6) Mc
10,38. (7) Mc
11,24. (8) Mc
15,8. (9) Mc
15,43.
5. - 11. wat je zou... vragen , willen , doen , geven.
- Mc 6,22: aitèson me ho ean thelè(i)s (vraag mij wat je zou willen) kai
dôsô soi (en ik zal het je geven). De vraag van Herodes aan de
dochter van Herodias.
- Mc 6,23: ho ti ean me aitè(i)sès dôsô soi (wat je me zoudt
vragen , ik zal het jou geven).
- Mc 10,35: thelomen hina ho ean aitèsômen se poièsè(i)s hèmin
(wij willen opdat je zoudt willen doen wat wij je zouden vragen). De vraag
van Jakobus en Johannes aan Jezus. In Mc
10,37 staat de vraag met iets geven te maken: dos hèmin (geef ons).
Mc 6,23.14. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de). Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Mc
Mc 6,23.15. gen. vr. enk. basileias (van het koninkrijk) van het zelfstandig naamw. basileia (koninkrijk). Taalgebruik in het N.T.: basileia (koninkrijk). Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk). Mc (3): (1) Mc 4,11. (2) Mc 6,23. (3) Mc 12,34. Een vorm van basileia (koninkrijk) in Mc in 19 verzen: (1) Mc 1,15. (2) Mc 3,24. (3) Mc 4,11. (4) Mc 4,26. (5) Mc 4,30. (6) Mc 6,23. (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,47. (9) Mc 10,14. (10) Mc 10,15. (11) Mc 10,23. (12) Mc 10,24. (13) Mc 10,25. (14) Mc 11,10. (15) Mc 12,34. (16) Mc 13,8 (2 vormen). (17) Mc 14,25. (18) Mc 15,43.
| Mc 6,24 - Mc 6,24: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [24] And she went forth, and said unto her mother, What
shall I ask? And she said, The head of John the Baptist.
Luther-Bibel. 24 Und sie ging hinaus und fragte ihre Mutter: Was soll ich bitten?
Die sprach: Das Haupt Johannes des Täufers.
Tekstuitleg van Mc 6,24.
Mc 6,24.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,24.2. med. part. aor. nom. vr. enk. εξελθουσαι = exelthousai (uitgegaan) van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in de LXX: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742) , in Mc 6 (6): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,12. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,34. (6) Mc 6,54. Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven.
Mc 6,24.4. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,27. (5) Mc 6,28.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7. | dat. vr. enk. tè(i) | 3381 | 2631 | 750 | 94 | 55 | 119 | 64 | 122 | 264 | 32 | 268 | 332 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,24.6. pers. voornaamw. gen. vr. enk. αυτης = autès van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (14): (1) Mc 1,30. (2) Mc 5,26. (3) Mc 5,29. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,28. (6) Mc 7,25. (7) Mc 7,26. (8) Mc 7,30. (9) Mc 10,12. (10) Mc 12,44. (11) Mc 13,24. (12) Mc 13,28. (13) Mc 14,9. (14) Mc 16,11.
Mc 6,24.8. med. conj. aor. 1ste pers. enk. αιτησομαι = aitèsomai (ik zou vragen) van het werkw. αιτεω = aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in het NT: aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in de LXX: aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in Mc: aiteô (vragen, bedelen). Mc (1): Mc 6,24. Verschillende vormen in Mc in '9' verzen: (1) Mc 6,22. (2) Mc 6,23. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 10,35. (6) Mc 10,38. (7) Mc 11,24. (8) Mc 15,8. (9) Mc 15,43.
Mc 6,24.9. bepaald lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of). Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,19. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,52. (5) Mc 6,56.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2. | nom. vr. enk. hè | 4860 | 3762 | 1098 | 151 | 76 | 143 | 117 | 83 | 443 | 85 | 370 | 487 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,24.10. δε = de (echter) , afkorting δ' = d'. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in de LXX: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om verandering van personage of situatie aan te duiden. Mc 6 (8): (1) Mc 6,15. (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,19. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,37. (6) Mc 6,38. (7) Mc 6,49. (8) Mc 6,50.
| de (echter) | de (echter) Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| de | 149 + 2 | 5 | 6 | 1 | 4 | 5 | 8 | 8 | 5 | 10 | 23 | 4 | 7 | 13 | 23 | 20 | 7 | 6210 | 3754 | 2456 | 421 | 149 | 478 | 203 | 490 | 708 | 7 | 1048 | 1251 |
| d' | d' | 1 | 1 | 73 | 50 | 23 | 12 | 2 | 5 | 1 | 3 | 19 | 20 | ||||||||||||||||
| Totaal | 6283 | 3804 | 2479 | 433 | 151 | 483 | 204 | 490 | 711 | 7 | 1067 | 1271 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc 6,24.9. - 10. ἡ δε = hè de (... echter). NT (51).
Mc 6,24.12. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,24.14. ιωαννου = Jôannou (van Johannes) van het zelfst. naamw. ιωαννης = Jôannès (Johannes). Taalgebruik in het NT: Iôannès (Johannes). Mc (5) : (1) Mc 1,9. (2) Mc 2,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 11,30.
| Iôannès (Johannes) | Mc | doper | Mc 1 | Mc 2 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 11 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. Iôannès | 7 | 4 | (1) Mc 1,4. (2) Mc 1,6. | (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,18. | 58 | 5 | 53 | 10 | 7 | 10 | 12 | 10 | 1 | 3 | 27 | 39 | |||
| 2 | gen. mann. enk. Iôannou | 7 | 5 | (1) Mc 1,9. | (2) Mc 2,18. | (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. | (5) Mc 11,30. | 43 | 6 | 37 | 8 | 7 | 7 | 8 | 7 | 22 | 30 | |||
| 4 | acc. mann. enk. Iôannèn | 11 | 6 | (1) Mc 1,14. | (2) Mc 6,16. (3) Mc 6,17. (4) Mc 6,20. | (5) Mc 8,28. | (6) Mc 11,32. | 41 | 4 | 37 | 7 | 11 | 11 | 2 | 6 | 29 | 31 | |||
| totaal | 25 | 15 | 4 | 1 | 7 | 1 | 2 | 148 | 16 | 132 | 26 | 25 | 30 | 22 | 24 | 1 | 4 | 81 | 103 |
- Een vorm van ιωαννης = Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc 1,4 (nom. ιωαννης = Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. ιωαννης = Iôannès). (3) Mc 1,9 (gen. ιωαννου = Iôannou). (4) Mc 1,14 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (5) Mc 2,18 (gen. ιωαννου = Iôannou). (6) Mc 6,14 (nom. ιωαννης = Iôannès). (7) Mc 6,16 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (8) Mc 6,17 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (9) Mc 6,18 (nom. ιωαννης = Iôannès). (10) Mc 6,20 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (11) Mc 6,24 (gen. ιωαννου = Iôannou). (12) Mc 6,25 (gen. ιωαννου = Iôannou). (13) Mc 8,28 (acc. ιωαννην = Iôannèn). (14) Mc 11,30 (gen. ιωαννου = Iôannou). (15) Mc 11,32 (acc. ιωαννην = Iôannèn).
- Hebr.: jôchanan. Ned.: Johan. D.: Johannes. E.: John. Fr.: Jean.
Mc 6,24.15. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,24.14. - 16. Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper). Mc (15): (1) Mc 1,4 (Iôannès ho baptizôn = Johannes de dopende of Johannes de doper). (2) Mc 1,6 (kleding en voeding). (3) Mc 1,9 (ebaptisthè... hupo Ioannou = hij werd gedoopt door Johannes). (4) Mc 1,14 (overlevering). (5) Mc 2,18 (mathètai Iôannou = leerlingen van Johannes vasten). (6) Mc 6,14 Iôannès ho baptizôn (Johannes de dopende of Johannes de doper). (7) Mc 6,16 (onthoofde Johannes). (8) Mc 6,17 (de gevangen Johannes). (9) Mc 6,18 (Johannes tot Herodes). (10) Mc 6,20 (Herodes vreesde Johannes). (11) Mc 6,24 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper). (12) Mc 6,25 (het hoofd van Iôannou tou baptizontos = Johannes de doper). (13) Mc 8,28 (de mensen zeggen Iôannèn ton baptistèn = Johannes de doper).. (14) Mc 11,30 (to baptisma to Iôannou = het doopsel dat van Johannes). (15) Mc 11,32 (een profeet). In zeven verzen in Mc wordt Johannes in verband met de doop gebracht. In zeven verzen wordt de relatie gelegd tussen Johannes en dopen: (1) Mc 1,4. (3) Mc 1,9. (6) Mc 6,14. (11) Mc 6,24. (12) Mc 6,25. (13) Mc 8,28. (14) Mc 11,30. (15) Mc 11,32. In Mc 6,24 en Mc 6,25 staat de genitiefvorm baptizontos van baptizôn.
- Een vorm van βαπτιζω = baptizô (dopen) in OT (4): (1) 2 K 5,14. (2) Js 21,4. (3) Jdt 12,7. (4) Sir 35,25. Mc in 10 (13X) verzen: (1) Mc 1,4. (2) Mc 1,5. (3) Mc 1,8 (twee vormen). (4) Mc 1,9 . (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,24. (7) Mc 7,4. (8) Mc 10,38 (twee vormen). (9) Mc 10,39 (twee vormen). (10) Mc 16,16. Mt (7). Lc (10). Joh (13). Hnd (21). Br. (13).
| Mc 6,25 - Mc 6,25: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [25] And she came in straightway with haste unto the king,
and asked, saying, I will that thou give me by and by in a charger the head
of John the Baptist.
Luther-Bibel. 25 Da ging sie sogleich eilig hinein zum König, bat ihn und sprach:
Ich will, dass du mir gibst, jetzt gleich auf einer Schale, das Haupt Johannes
des Täufers.
Tekstuitleg van Mc 6,25.
Mc 6,25.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,25.3. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- ευθυς = euthus. Bij Mc in 40 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,18. (4) Mc 1,20. (5) Mc 1,21. (6) Mc 1,23. (7) Mc 1,28. (8) Mc 1,29. (9) Mc 1,30. (10) Mc 1,42. (11) Mc 1,43. (12) Mc 2,8. (13) Mc 2,12. (14) Mc 3,6. (15) Mc 4,5. (16) Mc 4,15. (17) Mc 4,16. (18) Mc 4,17. (19) Mc 4,29. (20) Mc 5,2. (21) Mc 5,29. (22) Mc 5,30. (23) Mc 5,42. (24) Mc 6,25. (25) Mc 6,27. (26) Mc 6,45. (27) Mc 6,50. (28) Mc 6,54. (29) Mc 7,25. (30) Mc 8,10. (31) Mc 9,15. (32) Mc 9,20. (33) Mc 9,24. (34) Mc 10,52. (35) Mc 11,2. (36) Mc 11,3. (37) Mc 14,43. (38) Mc 14,45. (39) Mc 14,72. (40) Mc 15,1.
- ευθεως = eutheôs. Bij Mc in één vers: Mc 7,35.
Mc 6,25.6. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in de LXX: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,25. (3) Mc 6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
- Hebreeuws. ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. OF ontkenning עַל = ´al (niet). Taalgebruik in Tenakh: ´èl . Getalwaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3626). Pentateuch (1096). Eerdere Profeten (1070). Latere Profeten (655). 12 Kleine Profeten (142). Geschriften (662).
- Arabisch. إلي = ´ilâ (naar). Taalgebruik in de Qoran: ´ilâ (naar).
Mc 6,25.7. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,25.9. act. ind. aor. 3de pers. enk. è(i)tèsato (zij vroeg) van het
werkw. aiteô (vragen, bedelen). Taalgebruik in het N.T.: aiteô
(vragen, bedelen). Taalgebruik in Mc: aiteô
(vragen, bedelen).
Mc (2). Verschillende vormen in Mc in '9' verzen: (1) Mc
6,22. (2) Mc
6,23. (3) Mc
6,24. (4) Mc
6,25. (5) Mc
10,35. (6) Mc
10,38. (7) Mc
11,24. (8) Mc
15,8. (9) Mc
15,43.
Mc 6,25.10.
act. part. nom. vr. enk. legousa (zeggend). act. ind. imperf. 3de pers. mv.
elegon (zij zeiden). Taalgebruik in N.T.: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (1). Mc 6 (1) : Mc
6,25. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
Mc 6,25.11.
act. ind. praes. 1ste pers. enk. thelô (ik wil) van het werkw. thelô
(willen). Taalgebruik in het N.T.: thelô
(willen). Taalgebruik in Mc: thelô
(willen). Lat. velle. Fr. vouloir. Ned. willen.
Mc (2): (1) Mc
1,41. (2) Mc
6,25. Een vorm van thelô (willen) in 23 verzen in Mc. Tegenover
de genezende wil van Jezus (Mc
1,41) staat de doodswil van de dochter van Herodias die het hoofd van Johannes
de Doper vraagt.
Mc 6,25.11. - 12. Mc 6,25: thelô (ik wil) hina (opdat)... dô(i)s moi (aan mij zou geven). Mc 10,35: thelomen (wij willen) hina (opdat)... poièsè(i)s hèmin (jij doet voor ons). In Mc 6,25 stelt de dochter van Herodias de vraag naar het hoofd van Johannes de Doper. In Mc 10,35 stellen Jacobus en Johannes een vraag aan Jezus. In beide teksten is een werkwoordvorm act. ind.praes. 1ste pers. gevolgd door hina (opdat).
Mc 6,25.16. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,25.18. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,25.20.
gen. mann. enk. Iôannou (van Johannes). Taalgebruik in het N.T.: Iôannès
(Johannes). Taalgebruik in Mc: Iôannès
(Johannes). Hebr. jôchanan. Ned. Johan. D. Johannes. Fr. Jean. E. John.
Johannes de Doper: Mc (5) : (1) Mc
1,9. (2) Mc
2,18. (3) Mc
6,24. (4) Mc
6,25. (5) Mc
11,30.
Een vorm van Jôhannès (Johannes) de Doper in Mc (15): (1) Mc
1,4 (nom. Iôannès). (2) Mc 1,6 (nom. Iôannès). (3) Mc
1,9 (gen. Iôannou). (4) Mc
1,14 (acc. Iôannèn). (5) Mc
2,18 (gen. Iôannou). (6) Mc
6,14 (nom. Iôannès). (7) Mc
6,16 (acc. Iôannèn). (8) Mc
6,17 (acc. Iôannèn). (9) Mc
6,18 (nom. Iôannès). (10) Mc
6,20 (acc. Iôannèn). (11) Mc
6,24 (gen. Iôannou). (12) Mc
6,25 (gen. Iôannou). (13) Mc
8,28 (acc. Iôannèn). (14) Mc
11,30 (gen. Iôannou). (15) Mc
11,32 (acc. Iôannèn).
Mc 6,25.21.
bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc (116). Mc 6 (6): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,18. (3) Mc
6,24. (4) Mc
6,25. (5) Mc
6,54. (6) Mc
6,56.
Mc 6,25.22.
gan. mann. enk. baptistou (doper) van het zelfst. naamwoord baptistès
(doper). Taalgebruik in het N.T.: baptistès
(doper). Taalgebruik in Mc: baptistès
(doper). Stam Hebr. tâbhal: t - b -. Ned.: do- p-en , doop-s-el
, do-m-pe-l- en. Gr. baptizô , baptis-ma. Fr. bapt- ê - me.
Mc (1):Mc
6,25. Nog een andere vorm in Mc: acc. mann. enk. baptistèn (doper)
in Mc
6,25.
Mc 6,25.20. - 22. iôannou tou baptistou (van Johannes de Doper) in Mc 6,25. iôannèn ton baptistèn (Johannes de Doper) in Mc 8,28.
Duality
- act. ind. praes. 1ste pers. enk. thelô (ik wil) van het werkw. thelô (willen). Mc (2): (1) Mc 1,41. (2) Mc 6,25.
| Mc 6,26 - Mc 6,26: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [26] And the king was exceeding sorry; yet for his oath's
sake, and for their sakes which sat with him, he would not reject her.
Luther-Bibel. 26 Und der König wurde sehr betrübt. Doch wegen des Eides und
derer, die mit am Tisch saßen, wollte er sie keine Fehlbitte tun lassen.
Tekstuitleg van Mc 6,26.
Mc 6,26.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,26.3. part. aor. nom. mann. enk. genomenos (geworden) van het werkw. ginomai (worden). Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden). Taalgebruik in Mc: ginomai (worden). Mc (2): (1) Mc 6,26. (2) Mc 9,33.
Mc 6,26.4. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,26.5. nom. mann. enk. βασιλευς = basileus (koning). Taalgebruik in het NT: basileus (koning). Taalgebruik in Mc: basileus (koning). Mc (7): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,26. (7) Mc 15,32
| basileus (koning) | Mc | Mc 6 | Mc 13 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. basileus | 7 | 4 : (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. | 3 : (1) Mc 15,2. (2) Mc 15,26. (3) Mc 15,32. | 931 | 887 | 44 | 12 | 7 | 5 | 9 | 5 | 3 | 3 | 24 | 33 | 3 | ||
| totaal | 11 | 5 | 1 | 5 | 2680 | 2580 | 100 | 21 | 11 | 11 | 13 | 13 | 11 | 20 | 43 | 56 | 9 | 1 |
- Hebreeuws. מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816). Pentateuch (58). Eerdere Profeten (345). Latere Profeten (188). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (203).
- Het koningschap werd ingesteld door rechter Samuël. De eerste koning was Saul , uit de stam Benjamin. De tweede koning was David , uit de stam Juda. Door David werd de Davidische dynastie ingesteld.
Mc 6,26.6. δια = dia (door, omwille van, na). Taalgebruik in NT: dia (door). Taalgebruik in de LXX: dia (door). Taalgebruik in Mc: dia (door).
| dia (door) | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| dia | 29 | (1) Mc 2,4. (2) Mc 2,18. (3) Mc 2,23. (4) Mc 2,27. | (1) Mc 3,9. | 3 : (1) Mc 4,5. (2) Mc 4,6. (3) Mc 4,17. | 2 : (1) Mc 5,4. (2) Mc 5,5. | 5 : (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,6. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,26. | 3 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,29. (3) Mc 7,31. | 1: Mc 9,30. | 1 : Mc 10,25. | 3 : (1) Mc 11,16. (2) Mc 11,24. (3) Mc 11,31. | 1 : Mc 12,24. | 2 : (1) Mc 13,13. (2) Mc 13,20. | 1: Mc 14,58. | 1 : Mc 15,10. | 1 : Mc 16,20. | 1419 | 938 | 481 | 51 | 29 | 32 | 44 | 62 | 248 | 15 | 112 | 156 |
| di' | 2 | (1): Mc 2,1. | 1 : Mc 14,21. | 310 | 174 | 136 | 6 | 2 | 5 | 13 | 11 | 99 | 13 | 26 | |||||||||||||
| totaal | 31 | 5 | 1 | 3 | 2 | 5 | 3 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 1 | 1729 | 1112 | 617 | 57 | 31 | 37 | 57 | 73 | 347 | 15 | 125 | 182 |
Mc 6,26.7. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,26.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,26.10. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,26.15. pers. voornaamw. acc. vr. enk. αυτην = autèn (haar) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
| Mc 6,27 - Mc 6,27: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [27] And immediately the king sent an executioner, and commanded
his head to be brought: and he went and beheaded him in the prison,
Luther-Bibel. 27 Und sogleich schickte der König den Henker hin und befahl,
das Haupt des Johannes herzubringen. Der ging hin und enthauptete ihn im Gefängnis
Tekstuitleg van Mc 6,27.
Mc 6,27.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,27.2. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- ευθυς = euthus. Bij Mc in 40 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,18. (4) Mc 1,20. (5) Mc 1,21. (6) Mc 1,23. (7) Mc 1,28. (8) Mc 1,29. (9) Mc 1,30. (10) Mc 1,42. (11) Mc 1,43. (12) Mc 2,8. (13) Mc 2,12. (14) Mc 3,6. (15) Mc 4,5. (16) Mc 4,15. (17) Mc 4,16. (18) Mc 4,17. (19) Mc 4,29. (20) Mc 5,2. (21) Mc 5,29. (22) Mc 5,30. (23) Mc 5,42. (24) Mc 6,25. (25) Mc 6,27. (26) Mc 6,45. (27) Mc 6,50. (28) Mc 6,54. (29) Mc 7,25. (30) Mc 8,10. (31) Mc 9,15. (32) Mc 9,20. (33) Mc 9,24. (34) Mc 10,52. (35) Mc 11,2. (36) Mc 11,3. (37) Mc 14,43. (38) Mc 14,45. (39) Mc 14,72. (40) Mc 15,1.
- ευθεως = eutheôs. Bij Mc in één vers: Mc 7,35.
Mc 6,27.1. - 2. και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk). Hebr. וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie). Tenakh (347). Pentateuch (114). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (70). 12 Kleine Profeten (16). Geschriften (36).
Mc 6,27.4. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,27.5. nom. mann. enk. βασιλευς = basileus (koning). Taalgebruik in het NT: basileus (koning). Taalgebruik in Mc: basileus (koning). Mc (7): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,26. (7) Mc 15,32
| basileus (koning) | Mc | Mc 6 | Mc 13 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. mann. enk. basileus | 7 | 4 : (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,26. (4) Mc 6,27. | 3 : (1) Mc 15,2. (2) Mc 15,26. (3) Mc 15,32. | 931 | 887 | 44 | 12 | 7 | 5 | 9 | 5 | 3 | 3 | 24 | 33 | 3 | ||
| totaal | 11 | 5 | 1 | 5 | 2680 | 2580 | 100 | 21 | 11 | 11 | 13 | 13 | 11 | 20 | 43 | 56 | 9 | 1 |
- Hebreeuws. מֶלֶך = mèlèkh (koning). Taalgebruik in Tenakh: mèlèkh (koning). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , lamed = 12 of 30 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 36 (2² X 3²) OF 90 (2 X 3² X 5). Structuur: 4 - 3 - 2. De som van de elementen is telkens 9. Tenakh (816). Pentateuch (58). Eerdere Profeten (345). Latere Profeten (188). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (203).
- Het koningschap werd ingesteld door rechter Samuël. De eerste koning was Saul , uit de stam Benjamin. De tweede koning was David , uit de stam Juda. Door David werd de Davidische dynastie ingesteld.
7. act. ind. aor. 3de pers. enk. επεταξεν = epetaksen (hij beval) van het werkw. επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen). Taalgebruik in het NT: epitassô (opdragen, bevelen). Taalgebruik in de LXX: epitassô (opdragen, bevelen). Bijbel = NT (3): (1) Mc 1,27. (2) Lc 4,36. (3) Lc 8,25. Een vorm van επιτασσω = epitassô in de LXX (38) , in het NT (10) , in Mc (4): (1) Mc 1,27. (2) Mc 6,27. (3) Mc 6,39. (4) Mc 9,25 , in Lc (4): (1) Lc 4,36. (2) Lc 8,25. (3) Lc 8,31. (4) Lc 14,22. Verder: (1) Hnd 23,2. (2) Film 1,8. In de LXX kan een vorm van επιτασσω = epitassô (opdragen, bevelen) de vertaling van 11 Hebreeuwse woorden zijn.
- act. piël imperf. 3de pers. enk. יְצַוֶּה = jëtsawwèh (hij beveelt) van het werkw. צָוָה = tsâwâh (opdragen, bevelen ). Taalgebruik in Tenakh: tsâwâh (opdragen). Getalwaarde: tsade = 18 of 90 , waw = 6 , he = 5 ; totaal: 29 OF 101 (priemgetal). Structuur: 9 - 6 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (5): (1) Gn 18,19. (2) Nu 9,8. (3) 2 S 9,11. (4) Ps 42,9. (5) Ps 91,11. NBG: Lc 8,25.
Mc 6,27.9. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,27.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,27.12. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,27.13. depon. werkw. part. aor. nom. mann. enk. απελθων = apelthôn (weggegaan) van het werkw. απερχομαι = aperchomai (weggaan). Taalgebruik in het NT: aperchomai (weggaan). Taalgebruik in de LXX: aperchomai (weggaan). Een vorm van απερχομαι = aperchomai in de LXX (229) , in het NT (116).
| Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | ||
| 3 | part. aor. nom. mann. enk. apelthôn | 2 | (1) Mc 6,27. | (1) Mc 14,39. | 19 | 3 | 16 | 8 | 2 | 3 | 2 | 1 | 13 | 15 |
Mc
6,27.15. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,27.16. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,27.17. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,27. (5) Mc 6,28.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7. | dat. vr. enk. tè(i) | 3381 | 2631 | 750 | 94 | 55 | 119 | 64 | 122 | 264 | 32 | 268 | 332 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
| Mc 6,28 - Mc 6,28: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [28] And brought his head in a charger, and gave it to the
damsel: and the damsel gave it to her mother.
Luther-Bibel. 28 und trug sein Haupt herbei auf einer Schale und gab's dem
Mädchen und das Mädchen gab's seiner Mutter.
Tekstuitleg van Mc 6,28.
Mc 6,28.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,28.3. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,28.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,28.6. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,28.8. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,28.10. pers. voornaamw. acc. vr. enk. αυτην = autèn (haar) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
Mc 6,28.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,28. (4) Mc 6,32. (5) Mc 6,39. (6) Mc 6,48.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,28.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,28.14. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,28.17. pers. voornaamw. acc. vr. enk. αυτην = autèn (haar) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc (14): (1) Mc
1,31. (2) Mc
4,30. (3) Mc
6,17. (4) Mc
6,26. (5) Mc
6,28. (6) Mc
8,35. (7) Mc
9,43. (8) Mc
10,11. (9) Mc
10,15. (10) Mc
11,2. (11) Mc
11,13. (12) Mc
12,21. (13) Mc
12,23. (14) Mc
14,6.
Mc 6,28.18. bep. lidw. dat. vr. enk. τῃ = tè(i) (de) van het bepaald lidw. ἡ = hè. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (5): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,27. (5) Mc 6,28.
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7. | dat. vr. enk. tè(i) | 3381 | 2631 | 750 | 94 | 55 | 119 | 64 | 122 | 264 | 32 | 268 | 332 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,28.20. pers. voornaamw. gen. vr. enk. αυτης = autès van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (14): (1) Mc 1,30. (2) Mc 5,26. (3) Mc 5,29. (4) Mc 6,24. (5) Mc 6,28. (6) Mc 7,25. (7) Mc 7,26. (8) Mc 7,30. (9) Mc 10,12. (10) Mc 12,44. (11) Mc 13,24. (12) Mc 13,28. (13) Mc 14,9. (14) Mc 16,11.
| Mc 6,29 - Mc 6,29: 149. onthoofding van Johannes de Doper - Mc 6,17-29 - Mt 14,3-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [29] And when his disciples heard of it, they came and
took up his corpse, and laid it in a tomb.
Luther-Bibel. 29 Und als das seine Jünger hörten, kamen sie und nahmen seinen
Leichnam und legten ihn in ein Grab.
Tekstuitleg van Mc 6,29.
Mc 6,29.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,29.2. act. part. aor. nom. mv. ακουσαντες = akousantes (gehoord) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Taalgebruik in Mc: akouô (horen). Mc (7): (1) Mc 3,21. (2) Mc 4,18. (3) Mc 6,29. (4) Mc 10,41. (5) Mc 14,11. (6) Mc 15,35. (7) Mc 16,11. Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427).
| akouô (horen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. part. aor. nom. mv. akousantes | 67 | 15 | 52 | 13 | 7 | 7 | 5 | 16 | 4 | 27 | 32 |
- Ned.: horen. Horen en oor zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis. Lat.: auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. Arabisch: سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen). Taalgebruik in de Qoran: sami`a (luisteren, horen). D. hören. E.: to hear. Fr.: écouter. Grieks: ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Hebreeuws: שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren). Taalgebruik in Tenakh: sjâm`â (horen, luisteren).
Mc 6,29.1. - 2. ακουσαντες δε = akousantes de (gehoord echter). NT (12). Mt (1): Mt 19,25. Lc (1): Lc 20,16. Hnd (10): (1) Hnd 2,37. (3) Hnd 5,21. (5) Hnd 8,14. (7) Hnd 11,18. (8) Hnd 14,14. (10) Hnd 17,32. (11) Hnd 18,26. (12) Hnd 19,5. (13) Hnd 19,28. (15) Hnd 22,2. In deze tien verzen in Hnd staat dit telkens bij het begin van een zin. In negen verzen in het begin van een vers , niet in Hnd 18,26.
Mc 6,29.3. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,29.4. nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in de LXX: mathètès (leerling). Mc (17). (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. (3) Mc 5,31. (4) Mc 6,1. (5) Mc 6,29. (6) Mc 6,35. (7) Mc 7,5. (8) Mc 7,17. (9) Mc 8,4. (10) Mc 8,27. (11) Mc 9,28.. (12) Mc 10,10. (13) Mc 10,13. (14) Mc 10,24. (15) Mc 11,14. (16) Mc 14,12. (17) Mc 14,16. Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262).
| mathètès (leerling) | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 5 | nom. mv. mathètai | 2 : (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. | 1 : Mc 5,31 | 3 : (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,35. | 2 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,17. | 2 : (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,27. | 1 : Mc 9,28. | 3 : (1) Mc 10,10. (2) Mc 10,13. (3) Mc 10,24. | 1 : Mc 11,14. | 2 : (1) Mc 14,12. (2) Mc 14,16. | 105 | 105 | 38 | 17 | 10 | 36 | 4 | 65 | 101 |
Mc 6,29.5. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc
6,29.4. - 5. μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen). NT (22): (1) Mt 10,1. (2) Mt 12,49. (3) Mt 14,22. (4) Mt 15,32. (5) Mt 16,13. (6) Mt 26,45.. (7) Mc 6,45. (8) Mc 8,1. (9) Mc 8,27. (10) Mc 8,33. (11) Mc 9,31. (12) Mc 12,43. (13) Lc 5,30. (14) Lc 6,13. (15) Lc 6,20. (16) Lc 9,1 (variante lezing). (17) Lc 9,14. (18) Lc 9,43. (19) Lc 11,1. (20) Lc 12,1. (21) Lc 12,22. (22) Lc 16,1. Mt (6). Mc (6). Lc (10).
- μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen). NT (58). Mt (19). Mc (13). Lc (7). Joh (19).
- μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen). NT (27). Mt (2). Mc (7). Lc (4). Joh (14).
- μαθηταις αυτου = mathètais autou (aan zijn leerlingen). NT (29). Mt (14). Mc (10). Lc (1). Joh (4).
- Totalen. NT (136). Mt (41). Mc (36). Lc (22). Joh (37).
Mc 6,29.3. - 5. οἱ μαθηται αυτου = hoi mathètai autou (zijn leerlingen). NT (38). Mc (11 / 17). Niet in (1) Mc 2,18. (2) Mc 7,5. (3) Mc 10,10. (4) Mc 10,13. (5) Mc 10,24. (6) Mc 14,16. Lc (5): (1) Lc 6,1. (2) Lc 7,11. (3) Lc 7,18. (4) Lc 8,9. (5) Lc 8,22.
Mc 6,29.6. ind. aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc.: erchomai (gaan, komen). ηλθον = èlthon (ik kwam of zij kwamen): Mc (9): (1) Mc 1,29. (2) Mc 5,1. (3) Mc 6,53. (4) Mc 9,33. (5) Mc 14,16. ('6') Mc 2,17 ; ('7') Mc 3,8. ('8') Mc 5,14. ('9') Mc 6,29. In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17) , in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon | 197 | 136 | 61 | 8 | 9 | 11 | 17 | 11 | 4 | 1 | 28 | 45 |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33).
Mc 6,29.7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,29.8.
Mc
6,29.9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,29.11. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
------------------------------------
"En zij legden hem in een / het grafmonument". In de LXX zijn er door het woordgebruik verbanden tussen Mc 6,29 (begrafenis van Johannes de Doper) en Gn 50,26 (begrafenis van Jozef): 1. εθηκαν = ethèkan (zij legden). 2. εν τῳ μνημειῳ = en tô(i) mnèmeiôi (in het graf, in het gedenkteken). Er is ook een verband tussen de begrafenis van Johannes de Doper en die van Jezus:
Mc 6,29.12. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,29.13. act. ind. aor. 3de pers. mv. εθηκαν = ethèkan (zij legden) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in het NT: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in de LXX: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Bijbel (24). Pentateuch (1): Gn 50,26. NT (7): (1) Mc 6,29. (2) Mc 16,6. (3) Joh 19,42. (4) Joh 20,2. (5) Joh 20,13. (6) Hnd 9,37. (7) Hnd 13,29. Een vorm van τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101) , in Hnd (23)
| tithèmi (zetten, plaatsen, maken) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. aor. 3de pers. mv. ethèkan (zij legden) | 24 | 17 | 2 | 3 | 2 | 2 | 5 |
- εθηκεν (= ethèken: hij legde; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in het
NT: tithèmi
(zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in de LXX: tithèmi
(zetten, plaatsen, maken). Bijbel (67). OT (50). NT (11): (1) Mt
27,60. (2) Mc
15,46. (3) Lc
6,48. (4) Lc
23,53. (5) Joh
19,19. (6) Hnd 4,37. (7) Hnd 5,2. (8) Heb 1,2. (9) 1
Joh 3,16. (10) Apk 1,17. (11) Apk 10,2. Een vorm van τιθημι = tithèmi: zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101), in Hnd (23).
- וַיִּישֶׂמ = wajjîshèm (en hij legde) < prefix voegwoord waw consecutiv. + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh: shâm (plaatsen, stellen). Getalswaarde: shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (2): (1) Gn 24,33. (2) Gn 50,26.
Mc
6,29.13. - 14. εθηκαν αυτον = ethèkan auton (zij legden hem). LXX (2): (1) Re 11,11. (2) Tob 14,11. NT (3): (1) Mc
16,6. (2) Joh
20,2. (3) Joh
20,13.
- εθηκαν αυτο = ethèkan auton (zij legden het). Bijbel (1): Mc
16,6.
- εθηκεν αυτον (= ethèkan auton (hij legde hem). Bijbel (1): Mc 15,46.
- εθηκεν αυτο = ethèken auton (hij legde het). Bijbel (3): (1) W 13,15. (2) Mt 27,60. (3) Lc 23,53.
Mc 6,29.15. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56..
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc
6,29.16. dat. onz. enk. μνημειῳ = mnèmeiôi (graf, gedenkteken) van het zelfst. naamw. μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf). Taalgebruik in het NT: mnèmeion (monument, gedenkteken, graf). Taalgebruik in de LXX: mnèmeion (monument, gedenkteken, graf). Bijbel (6): (1) Gn 50,5: in het graf, dat ik voor mijzelf in het land Kanaän heb uitgegraven, begraaf me daar. (2) Mt 27,60. (3) Mc 6,29. (4) Mc 15,46. (5) Joh 11,17. (6) Joh 20,11. Een vorm van μνημειον = mnèmeion (monument, gedenkteken, graf) in de LXX (16) , in het NT (37).
- Hebreeuws. NBS: הַקֻּבֻר = haqqèbhèr (het graf, de begraafplaats) < bepaald lidw. + קֻבֻר = qèbhèr (graf, begraafplaats). Zie het werkw. קָבַר = qâbhar (begraven). Taalgebruik in Tenakh: qâbhar (begraven). Getalswaarde: qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 41 OF 302 (2 X 151). Structuur: 1 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Niet in Tenakh. Een vorm van q-b-r in Tenakh (22).
- UBS: בַקֻּבֻר = baqqèbhèr (in het graf) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. + zelfst. naamw.. b-q-b-r: Tenakh (11): (1) Nu 19,16. (2) Nu 19,18. (3) Re 8,32. (4) Re 16,31. (5) 2 S 2,32. (6) 2 S 4,12. (7) 2 S 17,23. (8) 2 S 21,14. (9) 1 K 13,31. (10) 2 K 13,21. (11) Ps 88,12.
- Het Ned. graf en het D. Grab lijken verwantschap te vertonen met het Hebreeuwse qèbhèr , het Arameese qèbhèr / qibërâ´ en het Arabische qabr ; evenwel met omkering van de letters b en r.
- Latijn. monumentum (moment, gedenkteken). Bijbel (27): (1) Ex 12,14. (2) Ex 13,9. (3) Ex 17,14. (4) Ex 30,16. (5) Ex 39,7. (6) Lv 5,12. (7) Lv 6,8. (8) Lv 24,7. (9) Nu 31,54. (10) Joz 4,7. (11) 2 S 18,18. (12) Mc 16,2. (13) Lc 23,55. (14) Lc 24,1. (15) Lc 24,12. (16) Lc 24,22. (17) Lc 24,24. (18) Joh 11,31. (19) Joh 11,38. (20) Joh 19,41. (21) Joh 19,42. (22) Joh 20,1. (23) Joh 20,3. (24) Joh 20,4. (25) Joh 20,6. (26) Joh 20,8. (27) Joh 20,11.
- Latijn. dat. onz. enk. monumento ('in zijn' gedenkteken) van het zelfst. naamw. monumentum (moment, gedenkteken). Bijbel (16): (1) Gn 23,6. (2) Nu 17,3. (3) Mt 27,60. (4) Mt 28,8. (5) Mc 6,29. (6) Mc 15,46. (7) Mc 16,5. (8) Mc 16,8. (9) Lc 23,53. (10) Lc 24,2. (11) Lc 24,9. (12) Joh 11,17. (13) Joh 12,17. (14) Joh 20,1. (15) Joh 20,2. (16) Hnd 13,29.
- Het Latijnse monumentum lijkt verwantschap te hebben met het Griekse μνημειον = mnèmeion: m-n-m-n. In geval van een 'graf' spreken we van een grafmomunemt.
- Het Latijnse monumentum is soms de vertaling van het Hebreeuwse זִכָּרוֹן = zikkârôn (gedachtenis, gedenkteen). Zie het werkw. זָכַר = zâkhar (gedenken, zich herinneren). Taalgebruik in Tenakh: zâkhar (gedenken). Tenakh (9): (1) Ex 17,14. (2) Ex 39,7. (3) Lv 23,24. (4) Nu 5,15. (5) Nu 17,5. (6) Nu 31,54. (7) Mal 3,16. (8) Pr 1,11. (9) Pr 2,16.
- Ned. graf (< graven). D. Grab. Fr. tombeau (< Lat. tumba < tumulus: heuvel ; Gr. τυμβος = tumbos). E. sepulchre (< Lat. sepulchrum < sepelire , sepultum , ensevelir = in een lijkwade wikkelen, bedelven, begraven). Aramees: קֻבֻר / קִבְרָא = qèbhèr / qibërâ´. Arabisch: قَبْر = qabr (graf). Taalgebruik in de Qoran:: qabr (graf).
Variante lezing: bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,29.15. - 16.
- εν τῳ μνημειῳ = en tô(i) mnèmeiôi (in het graf, in het gedenkteken). Bijbel (3): (1) Gn
50,5. (2) Mc
6,29. (3) Joh 11,17.
- εν μνημειῳ = en mnèmeiôi (in het graf, in het gedenkteken). Bijbel (1): Mc 15,46.
- בְּקִבְרִי = bëqibhërî (in mijn graf) < prefix voorzetsel bë + stat. construct.enk. + suffix bezittel. voornaamw. 1ste pers. mann. enk.. Zie קָבַר = qâbhar (begraven). Taalgebruik in Tenakh: qâbhar (begraven). Getalswaarde: qoph = 19 of 100 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 41 OF 302 (2 X 151). Structuur: 1 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 5. q-b-r. Tenakh (22).
-- (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. קָבַר = qâbhar (hij begroef). Tenakh (1): Gn 23,19.
-- (2) act. qal imperat. 2de pers. mann. enk. קְבֹר = qëbhor (begraaf). Tenakh (3): (1) Gn 23,6. (2) Gn 23,11. (3) Gn 23,15.
-- (3) act. qal part. mann. enk. קֹבֵר = qobher (begravende). Tenakh (1): 2 K 9,10.
-- (4) pass. pual perf. 3de pers. mann. enk. קֻבַּר = qubbar (hij werd begraven). Tenakh (1): Gn 25,10.
-- (5a) zelfst. naamw. קֶבֶר = qèbhèr (graf, begraafplaats). Tenakh (9): (1) Gn 23,4. (2) Gn 50,13. (3) 2 S 3,32. (4) 2 S 19,38. (5) 1 K 13,22. (6) 2 K 23,6. (7) Ez 39,11. (8) Ps 5,10. (9) Ps 88,6. (5b) קָבֶר = qâbhèr. Tenakh (7): (1) Gn 23,9. (2) Gn 23,20. (3) Gn 49,30. (4) 1 K 14,13. (5) Job 3,22. (6) Job 5,26. (7) Js 22,16.
- εν μνηματι = en mnèmati (in een graf). Hapax in Lc. εν τῳ μνηματι = en tô(i) mnèmati (in het graf). Bijbel (2): (1) 2 Kr 16,14. (2) Hnd 7,16. Vergelijk. Lc 8,27: εν τοις μνημασιν = en tois mnèmasin (in de graven).
150. Mc 6,30-34 - Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -
Bij de terugkomst van de leerlingen naar Jezus vertellen ze hem wat zij hebben gedaan en geleerd. Maar zij verzamelen zich bij Jezus omdat hen iets heel ergs is overkomen nl. de dood van de profeet Johannes de Doper. Jezus heeft nood om zich te bezinnen, niet alleen, maar samen met zijn leerlingen. Hij wil naar een eenzame plaats, herinnering aan de woestijn (Mc 1,13), waar hij zich bezon over zijn roeping; hij wil naar de bron van zijn spiritualiteit, de woestijn, waar Mozes met zijn volk 40 jaren verbleef. Hij wil zijn leerlingen brengen naar een eenzame plaats om uit te rusten en hen de gelegenheid te geven om te eten. Volgens Mc 6,31 is er veel drukte en onrust: er zijn komenden en gaanden, er is geen tijd om te eten. Jezus wil herbronning, zijn leerlingen de gelegenheid geven geestelijk voedsel op te doen na de dramatische gebeurtenissen. Hij wil dat ze afzonderlijk zijn. Daarom varen ze met de boot weg. Jezus gaat weg. Hij zoekt veiligheid. De dood van Johannes maakt de dreiging heel concreet en heel nabij. De veiligheid is het meer, de boot, een eenzame plaats. Maar dat alles biedt geen veiligheid meer want de menigten zien hen wegvaren. Zijn veiligheid en die van zijn leerlingen is niet gegarandeerd.
Maar de massa weet waarnaar Jezus en zijn leerlingen varen. Vanuit alle steden gaan ze te voet naar die plek en ze zijn Jezus en zijn leerlingen voor. Deze massatoeloop naar Jezus doet denken aan de massatoeloop naar Johannes de Doper in Mc 1,5: ‘Heel Judea en alle inwoners van Jeruzalem liepen naar hem uit.’ Toen had het volk nood aan een spiritualiteit van Johannes: herbronning in de woestijn, bekering van zonden. Niet door het offeren van dieren in de tempel van Jeruzalem, maar door innerlijke ommekeer. Dat was revolutionair.
Nu Johannes is gedood, is het volk zonder profeet, herder en leider. Ze stromen samen bij Jezus. Jezus krijgt niet de gelegenheid om zich in stilte te bezinnen over zijn verdere roeping. Hij wordt uitgedaagd door het volk. Hij ziet, heeft medelijden en zal het spiritueel leiderschap op zich nemen.
Mc 6,30 Καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ πάντα, καὶ ὅσα ἐποιήσαν καὶ ὅσα ἐδίδαξαν.
Vertaling: En de apostelen ver"zamel"en zich / worden samengebracht bij Jezus en zij vertelden hem alles en zoveel als zij deden en zoveel als zij onderrichtten. Vlotter: En de apostelen verzamelen zich bij Jezus om hem alles te vertellen wat zij hadden gedaan en onderwezen.
Mc 6,30 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπόστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel: απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden
mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è: verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd: compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren,
onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks , zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n).
Mc 6,31 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον, καὶ ἀναπαύεσθε ὀλίγον· ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν. (En hij zei hen: hierheen jullie zelf alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig uit ; want er waren velen die kwamen en weggingen en zij vonden zelfs geen gelegenheid om te eten.)
- καὶ (nevensch voegw: en) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107: "In de indicatief: zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv ; meewerk voorw) · Δεῦτε (bijw: hierheen, welaan ; act imperat. praes 2de pers mv) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) αὐτοὶ (pers vnw nom mann mv) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat': afkorting van het voorzetsel kata ; idian: bv nw acc vr enk van het bv nw idios: eigenlijk) εἰς (vz van richting: naar) ἔρημον (bijv nw acc mann enk van het bijv nw erèmos: verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) τόπον (zn acc mann enk van het zn topos: plaats , streek ; zie Ned. topografie) , καὶ (nevensch voegw: en) ἀναπαύεσθε (med imperat praes 2de pers mv van het wkw anapauô ; med: halt houden , rust nemen ; zie Ned. pauze) ὀλίγον (bijw: weinig ; zie Ned olig-archie: macht met weinigen) · ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi: zijn) γὰρ (nevensch voegw van reden) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ἐρχόμενοι (med part praes nom mann mv van het wkw erchomai: gaan, komen ; wkw met 2 verschillende stammen: erch en elth: Baeyens 102,136) καὶ (nevensch voegw: en) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ὑπάγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw hupagô: weggaan) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam: p/v - l) , καὶ (nevensch voegw: en) οὐδὲ (part van ontkenning ; < ou + de: niet echter , en niet , zelfs niet , en ook niet) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten). fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eukaireô: vrije tijd hebben , gelegenheid vinden ; < eu: goed + kair-: gepaste tijd , geschikt moment: augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens , nr 70,2 , blz 53).
-
Voorstel en uitvoering.
-- voorstel: Mc
6,31: kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame
plaats).
-- uitvoering: Mc
6,32: eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun
eigen).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,31 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον, καὶ ἀναπαύεσθε ὀλίγον· ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν. (En hij zei hen: hierheen jullie zelf alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig uit ; want er waren velen die kwamen en weggingen en zij vonden zelfs geen gelegenheid om te eten.)
- καὶ (nevensch voegw: en) εἶπεν (act ind aor 3de pers enk ; stam ep met augment e wordt eip + uitgang 2de aorist -en (zie Baeyens 107: "In de indicatief: zuivere stam + uitgang van het imperfectum) wkw met verschillende stammen leg , Fep , Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv ; meewerk voorw) · Δεῦτε (bijw: hierheen, welaan ; act imperat. praes 2de pers mv) ὑμεῖς (pers vnw nom mann mv) αὐτοὶ (pers vnw nom mann mv) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat': afkorting van het voorzetsel kata ; idian: bv nw acc vr enk van het bv nw idios: eigenlijk) εἰς (vz van richting: naar) ἔρημον (bijv nw acc mann enk van het bijv nw erèmos: verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) τόπον (zn acc mann enk van het zn topos: plaats , streek ; zie Ned. topografie) , καὶ (nevensch voegw: en) ἀναπαύεσθε (med imperat praes 2de pers mv van het wkw anapauô ; med: halt houden , rust nemen ; zie Ned. pauze) ὀλίγον (bijw: weinig ; zie Ned olig-archie: macht met weinigen) · ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi: zijn) γὰρ (nevensch voegw van reden) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ἐρχόμενοι (med part praes nom mann mv van het wkw erchomai: gaan, komen ; wkw met 2 verschillende stammen: erch en elth: Baeyens 102,136) καὶ (nevensch voegw: en) οἱ (bep lidw nom mann mv ; Ned.: de / het) ὑπάγοντες (wkw act part praes nom mann mv van het wkw hupagô: weggaan) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam: p/v - l) , καὶ (nevensch voegw: en) οὐδὲ (part van ontkenning ; < ou + de: niet echter , en niet , zelfs niet , en ook niet) φαγεῖν (act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) bij het werkw. εσθιω = esthiô (eten). fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen (Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eukaireô: vrije tijd hebben , gelegenheid vinden ; < eu: goed + kair-: gepaste tijd , geschikt moment: augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens , nr 70,2 , blz 53).
-
Voorstel en uitvoering.
-- voorstel: Mc
6,31: kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame
plaats).
-- uitvoering: Mc
6,32: eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun
eigen).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,32 καὶ ἀπῆλθον εἰς ἔρημον τόπον ἐν πλοίῳ κατ' ἰδίαν. (En zij gingen weg naar een eenzame plaats in een boot alleen).
- καὶ (nevensch voegw: en) ἀπῆλθον (wkw act ind aor 3de pers mv. ; afkorting van apo + stam el (met verlenging van het augment -> èl: Baeyens , nr 70,2 blz 53) + uitgang (2de aor. met de uitgang van het imperf. , Baeyens nr 107 blz 79). Stammen: erch en elth. Bij Baeyens op het einde van de grammatica van de wkw (blz.102-103) vinden we de wkw met verschillende stammen) εἰς (vz van richting: naar) ἔρημον (bijv nw acc mann enk van het bijv nw erèmos: verlaten , eenzaam , woest -> woest-ijn) τόπον (afzonderlijk , alleen ; kat': afkorting van het voorzetsel kata ; idian: bv nw acc vr enk van het bv nw idios: eigenlijk ;) ἐν (voorzetsel van plaats: in) πλοίῳ (dat onz enk van het zn ploion (boot) ; Ned.: vlot (pl- -> vl-). Grieks: πλοιον = ploion (boot). Zie het werkw. πλεω = pleô (varen). De r en l zijn lingualen (tongletters). pl -> vr: pleô (varen) ; afgeleid ervan is πλοιον = ploion (vaar-tuig) κατ' ἰδίαν (afzonderlijk , alleen ; kat': afkorting van het voorzetsel kata ; idian: bv nw acc vr enk van het bv nw idios: eigenlijk).
- ind. aor. 3de pers. mv. apèlthon (zij gingen weg) van het werkw. aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in het N.T.: aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in Mc: aperchomai
(weggaan).
Mc (5): (1) Mc
1,20. (2) Mc
3,13. (3) Mc
6,32. (4) Mc
11,4. (5) Mc
12,12.
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in het N.T.: aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in Mc: aperchomai
(weggaan).
Mc (9): (1) Mc
1,35. (2) Mc
1,42. (3) Mc
5,20. (4) Mc
5,24 . (5) Mc
6,46. (6) Mc
7,24. (7) Mc
8,13. (8) Mc
10,22. (9) Mc
14,10.
De apostelen verzamelen zich bij Jezus nadat Johannes de Doper door Herodes
werd onthoofd (Mc
6,32). Marcus vermeldt niet dat de apostelen hiervan melding maakten aan
Jezus. Wel stelt Jezus voor dat zij naar een eenzame plaats zouden gaan om
wat uit te rusten. Hij gaat echter mee. Maar zij kunnen zelfs niet meer op
een eenzame plaats komen omdat de menigte er toestroomt en zelfs voor hen er
is.
Het weggaan heeft te maken met de dreiging van Herodes. Jezus zoekt veiligheid
op. Dat is het meer , de boot , een eenzame plaats. Maar dat alles biedt geen
veiligheid meer want de menigten zien hen varen en zien waarheen zij gaan en
zijn hen zelfs voor. Daaruit blijkt dat hun veiligheid niet gegarandeerd is.
Bij de tweede keer dwingt Jezus zijn apostelen om per boot weg te gaan. Hij
zelf gaat weg naar het gebergte om te bidden. Hij gaat slechts omtrent de vierde
nachtwake naar hen toe.
Na de discussie met de Farizeeën en de schriftgeleerden gaat Jezus weg
naar het gebied van Tyrus en wil hij in een huis anoniem verblijven. Maar dat
lukt niet , want een vrouw komt naar hem om hem te vragen haar dochtertje te
genezen.
Jezus kan nergens meer komen zonder dat mensen het weten.
Tussen Mc
6,32 (apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg: Mc 6,46)
en Mc
7,24 is er een verband van weggaan om zich in veiligheid te brengen.
- Mc 6,32 (apèlthon en tô(i) ploiô(i) eis erèmon topon kat'idian
= zij gingen weg per boot naar een eenzame plaats op zich ; apèlthen
eis to oros = hij ging weg naar het gebergte: Mc
6,46).
- Mc 7,24: apèlthen eis ta horia Turou = hij ging weg naar het gebied van Tyrus.
Het weggaan gebeurt in de boot (Mc
6,32) of naar een huis (Mc
7,24). Marcus gebruikt voor het uitstappen uit de boot (Mc
6,34) of het huis uitgaan (Mc
7,31) het part. aor. exelthôn (uitgegaan). In Mc
7,31 wordt dat nog versterkt door palin (opnieuw).
Zo ontdekken we een relatie tussen:
- Mc 6,32: apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg: Mc
6,46) / exelthôn (uitgegaan): het uitstappen uit de boot (Mc
6,34).
- Mc 7,24: apèlthen =hij ging weg / exelthôn (uitgegaan): het huis uitgaan
(Mc 7,31).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,33 καὶ εἶδον αὐτοὺς ὑπάγοντας, καὶ ἐπέγνωσαν αὐτοὺς πολλοί, καὶ πεζῇ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων συνέδραμον ἐκεῖ καὶ προῆλθον αὐτοὺς καὶ συνῆλθον πρὸς αὐτόν. (En zij zagen hen weggaan en velen herkenden hen en te voet van alle steden liepen ze daar samen en zij gingen hen vóór en zij kwamen samen bij hem.)
- καὶ (nevensch voegw: en) εἶδον (act ind aor 3de pers mv van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô: zien ; stam id) αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) ὑπάγοντας (wkw act part praes acc mann mv van het wkw hupagô: weggaan) , καὶ (nevensch voegw: en) ἐπέγνωσαν (wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw epigignôskô: herkennen ; voorvoegsel epi + tam gno- of gnô (Ned.: k-n) ; athematische aor. , de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô: act. ind. aor 3de pers mv. egnôsan ; wkw met praesensversterking sk (Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97) ; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô (Baeyens 130a blz 97).αὐτοὺς (pers vnw 3de pers acc mann mv) πολλοί (bn nom mann mv, polus = veel ; stam: p/v - l) , καὶ (nevensch voegw: en) πεζῇ (bijw: te voet ; zn pous , podos: voet ; stam: p/v - d/t) ἀπὸ (vz van plaats - verwijdering) πασῶν (bijv nw gen vr mv van het bijv nw pas , pasa , pan: ieder , elk , al) τῶν (bep lidw gen vr mv ; Ned.: de / het) πόλεων (zn gen vr mv van het zn polis: stad ; zie Ned. metropool) συνέδραμον (wkw voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw trechô = lopen ; zn dromos: wedren , loop ; zie het Ned. tre-den) ἐκεῖ (bep van plaats: daar ; zie Fr.: ici: hier) καὶ (nevensch voegw: en) προῆλθον (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw proerchomai: vóórgaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) καὶ (nevensch voegw: en) συνῆλθον (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw sunerchomai: samengaan ; wkw met 2 verschillende stammen ; in aor stam el , zie het Franse al-l-er) πρὸς (voorzetsel van richting: naar) αὐτόν (pers vnw acc mann enk).
Mc 6,34 Καὶ ἐξελθὼν ὁ Ἰησοῦς εἶδεν πολὺν ὄχλον καὶ ἐσπλαγχνίσθη ἐπ' αὐτοῖς, ὅτι ἦσαν ὡς πρόβατα μὴ ἔχοντα ποιμένα καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς πολλά. (En Jezus buitengegaan zag veel massa en hij werd innerlijk bewogen over hen omdat zij waren als schapên niet hebbende een herder en hij begon hen veel te onderrichten.)
- Καὶ (nevensch voegw: en) ἐξελθὼν (wkw act. part aor (2de) nom mann enk bij het wkw ex-erchomai = uitgaan ; de aor èlthon heeft de stam el , zoals het Franse aller (uit het Latijnse amb- ulare: betekent zich bewegen) wkw met 2 verschillende stammen) ὁ (bep lidw nom mann enk ; lidw: ho , hè , to., zie Ned.: de , het) Ἰησοῦς (nom mann enk eigennaam Jezus ; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr. sôzô) εἶδεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw met verschillende stammen: horaô - eiden ; Baeyens nr 136 , blz 102 ; aor bij het wkw horaô: zien ; stam id) πολὺν (bn acc mann enk , polus = veel ; stam: p/v - l) ὄχλον (zn acc mann enk van het zn ochlos = menigte) καὶ (nevensch voegw: en) ἐσπλαγχνίσθη (wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw splaghnizô: zich ontfermen , innerlijk bewogen zijn ; zie zn splagchnon: binnenste delen , ingewanden ; stam spl-ch) ἐπ' (voorzetsel epi: op , over) αὐτοῖς (pers vnw dat mann mv) , ὅτι (ondergesch voegwoord van reden) ἦσαν (act ind imperf 3de pers mv van het wkw eimi: zijn) ὡς (voorzetsel van vergelijking: zoals) πρόβατα (zn nom onz mv van het zn probaton: schaap) μὴ (partikel van ontkenning) ἔχοντα (act part nom onz mv: hebbende , van het wkw echô: hebben) ποιμένα (zn acc mann enk van het zn poimèn: herder , beschermer ; zie wkw poimainô: herderen , hoeden , beschermen) καὶ (nevensch voegw: en) ἤρξατο (wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw archomai = beginnen) διδάσκειν (wkw act inf praes < di-da-s-kô: leren , Lat docere: leren , onderrichten ; zie Ned.: didactiek) αὐτοὺς (pers vnw acc mann mv) πολλά (bn acc onz mv, polus = veel ; stam: p/v - l).
In Mc 6,14-29 wordt het verhaal van de dood van Johannes de Doper verteld. Daarna zien we twee verschillende bewegingen. Enerzijds de beweging van Jezus met zijn apostelen. Jezus zoekt voor zichzelf en voor hen een veilige plek , want met de dood van Johannes voelt Jezus zich nog meer bedreigd. Anderzijds is er onrust onder het volk. Ze komen en gaan. En ze zoeken Jezus op en zijn vroeger op de plek waar Jezus naartoe gaat. Jezus is innerlijk bewogen omdat ze zijn als een kudde zonder herder. Immers hun herder Johannes werd gedood. Het volk is op zoek naar een herder en ze verwachten dat van Jezus. Hij gaat hierop in door hen te onderrichten. Jezus zal Johannes opvolgen en het geesterlijk leiderschap van het volk opnemen. Een nieuwe fase in het leven van Jezus.
---------------------------------------------------------------
Evangelie op de 16de
(zestiende) zondag door het b-jaar: Mc
6,30-34.
Wee de herders, door wie de schapen van mijn kudde omkomen en verloren lopen
� godsspraak van de Heer �. Daarom zegt de Heer, Isra�ls God, tot de herders
die mijn volk weiden: door uw schuld zijn mijn schapen verloren gelopen en uiteen
gedreven; ge hebt er niet op gelet. Maar ik let wel op u om al uw misdaden �
godsspraak van de Heer �. Zelf breng ik de overgebleven schapen bijeen uit alle
landen waarheen ik ze heb verdreven. Ik breng ze terug naar hun weiden, ze worden
weer vruchtbaar en talrijk. Dan stel ik herders over hen aan, die hen werkelijk
weiden. Ze hoeven niet meer bang of angstig te zijn, geen van hen wordt nog
vermist � godsspraak van de Heer �. Geloof mij, de tijd komt � godsspraak van de Heer – dat ik een wettige afstammeling van David doe opstaan; hij zal hen
met bekwaamheid regeren en het land rechtvaardig en eerlijk besturen. In zijn
tijd wordt Juda bevrijd, leeft Israël veilig. En dit is de naam die men hem
geeft: de Heer, onze gerechtigheid.
| Mc 6,30 - Mc 6,30 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. Toen de apostelen zich weer bij Jezus voegden brachten zij
Hem verslag uit over alles wat zij gedaan en onderwezen hadden.
King James Bible. [30] And the apostles gathered themselves together unto Jesus,
and told him all things, both what they had done, and what they had taught.
Luther-Bibel. 30 Und die Apostel kamen bei Jesus zusammen und verkündeten ihm
alles, was sie getan und gelehrt hatten.
Tekstuitleg van Mc 6,30. Dit vers Mc 6,30 telt 17 woorden , 35 (5 X 7) lettergrepen en 88 2 X 2 X 22) letters. De getalwaarde van Mc 6,30 is 6963 (3 X 11 X 211). Het vers bestaat uit twee nevenbschikkende hoofdzinnen. De tweede hoofdzin heeft twee nevenschikkende betrekkelijke zinnen.
De teruggekeerde leerlingen worden in Mc 6,30 hoi apostoloi (de apostelen = de gezondenen) genoemd. Het werkwoord staat in de tegenwoordige tijd. Het werkwoord sunagô: verzamelen , bijeenkomen , staat in de mediale vorm: zij verzamelen zich. Het woord synagoge is afgeleid van het werkwoord sunagô. De zinsconstructie van Mc 7,1 komt opmerkelijk overeen met Mc 6,30 , waarin de leerlingen terugkeren van hun zending. Aan deze terugkeer gaat het verhaal van de onthoofding van Johannes de Doper door koning Herodes vooraf (Mc 6,17-29). Er wordt verondersteld dat de leerlingen van Jezus over dit gebeuren vertellen want in Mc 6,32 gaat Jezus naar een eenzame plaats in quarantaine (kat'idian: afzonderlijk). In Mc 7,1 komen Farizeeën en schriftgeleerden bij Jezus om te redetwisten over reinheidsgebruiken. In Mc 7,24 gaat Jezus weg naar het gebied van Tyrus.
Mc 6,30 Καὶ συνάγονται οἱ ἀπόστολοι πρὸς τὸν Ἰησοῦν, καὶ ἀπήγγειλαν αὐτῷ πάντα, καὶ ὅσα ἐποιήσαν καὶ ὅσα ἐδίδαξαν.
Vertaling: En de apostelen ver"zamel"en zich / worden samengebracht bij Jezus en zij vertelden hem alles en zoveel als zij deden en zoveel als zij onderrichtten. Vlotter: En de apostelen verzamelen zich bij Jezus om hem alles te vertellen wat zij hadden gedaan en onderwezen.
Mc 6,30 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἀπόστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel: απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden) πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden
mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è: verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd: compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als) ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren,
onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks , zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n).
Mc 6,30.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Verwijzing: kai
(en) in N.T.. Verwijzing in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 6. Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,30.2. συναγονται (= sunagontai: zij verzamelen zich; wkw med ind praes 3de pers mv van het wkw συναγω = sunagô: samendrijven, samen'stromen'; voorvoegsel sun-: samen, stam s-m/n + stam ag- + themavocaal o: zie Baeyens 75,2: "De themavocaal is o vóór m en n', + ntai: uitgang 3de pers mv). Taalgebruik in het N.T.: sunagô
(samendrijven, verzamelen). Taalgebruik in Mc: sunagô
(samendrijven, verzamelen).
Mc (2): (1) Mc
6,30. (2) Mc
7,1. Een vorm van sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen: (1) Mc
2,2. (2) Mc
4,1. (3) Mc
5,21. (4) Mc
6,30. (5) Mc
7,1. Telkens wordt er rond Jezus verzameld.
Mc 6,30.3. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,30.4. ἀπόστολοι (= apostoloi: apostelen; zn nom mann mv van het zn αποστολος = apostolos: apostel, gezondene; voorvoegsel: απο = apo: af, weg + stam stol = stol < stel + uitgang οι = oi: nom mann mv; zie het wkw αποστελλω = apostellô: afsturen, wegsturen, afzenden). Taalgebruik in het N.T.: apostolos (apostel). Taalgebruik in Mc: apostolos (apostel). apo-stellô: af- , weg- , sturen , wegzenden , afzenden (afgezant) , zenden. Mc (1): Mc 6,30. Dit is bij de terugkeer van de leerlingen na de zending door Jezus (Mc 6,7-13). Acc. mann. mv. apostolous in Mc 3,14 bij de roeping van de leerlingen (Mc 3,13-19). Slechts deze twee vormen in Mc. ROEPING EN ZENDING !
Mc 6,30.5. πρὸς (= pros: naar; vz van plaats, nl richting). Taalgebruik in het N.T.: pros
(naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros
(naar, bij).
Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc
6,3. (2) Mc
6,25. (3) Mc
6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,48. (6) Mc
6,51.
Mc 6,30.6. τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc (124). Mc 6 (7): (1) Mc
6,11. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,25. (5) Mc
6,30. (6) Mc
6,41. (7) Mc
6,45.
Mc 6,30.7. Ἰησοῦν (= Ièsoun: Jezus; zn eigennaam acc mann enk van het zn Ἰησους = ièsous: Jezus; Hebr: jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden; Gr: σῳζω = sôdzô). Taalgebruik in het N.T.: Ièsous
(Jezus). Taalgebruik in Mc: Ièsous
(Jezus).
Mc (11): (1) Mc
5,6. (2) Mc
5,15. (3) Mc
6,30. (4) Mc
9,8. (5) Mc
10,50. (6) Mc
11,7. (7) Mc
14,53. (8) Mc
14,60. (9) Mc
15,1. (10) Mc
15,15. (11) Mc
16,6. Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 6 (2): (1) Mc
6,4 (nom. Ièsous). (2) Mc
6,30 (acc. Ièsoun).
Mc 6,30.5. - 7. pros ton Ièsoun (naar Jezus). Mc (5): (1) Mc 5,15. (2) Mc 6,30. (3) Mc 10,50. (4) Mc 11,7. (5) Mc 11,27.
Mc 6,30.1.
- 7. Vergelijk:
- Mc 6,30: Kai sunagontai hoi apostoloi pros ton Ièsoun = en de apostelen verzamelen
zich bij Jezus.
- Mc 7,1: Kai sunagontai pros auton hoi Farizaioi kai... = en de Farizeeën... verzamelen zich bij hem.
Mc 6,30.8. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Verwijzing: kai
(en) in N.T.. Verwijzing in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 6. Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,30.9. ἀπήγγειλαν (= apèggeilan: zij kondigden af, zij deelden
mee; wkw act imperat 2de pers enk van het wkw απαγγελλω = apaggellô: af-kondigen, verkondigen; voorvoegsel ap < apo: van, weg + è: verlenging van de a omwille van het augment van de ind. verleden tijd + stam aggelJ- + uitgang aor 3de pers mv; zie Ned.: engel; Baeyens nr 102, blz 77: "De kenletter s wordt uitgestoten en door vergoeding wordt de stamklinker verlengd: compensatorische rekking; e wordt ei + uitgang act aor 3de pers mv -a-n). Taalgebruik in het N.T.: apaggellô
(af-kondigen). Taalgebruik in Mc: apaggellô
(af-kondigen).
Mc (3): (1) Mc
5,14. (2) Mc
6,30. (3) Mc
16,13. Een vorm van apaggellô (af-kondigen) in Mc in 5 verzen.
Mc 6,30.10. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,30.11. πάντα (= panta: ieder of alles; onbep vnw, bv nw acc mann enk of nom en acc onz mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder). Taalgebruik in het N.T.: pas
(ieder, elk, alles). Taalgebruik in Mc: pas
(ieder, elk, alles). Hebr. kol. Lat. omnis. Fr. tout. Ned. elk , ieder.
Mc (21). Mc 6 (1): Mc
6,30.
Mc 6,30.12. ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als). Taalgebruik in het N.T.: hosos (zo groot als). Taalgebruik in Mc: hosos (zo groot als). Mc (9): (1) Mc 3,8. (2) Mc 3,28. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,20 . (5) Mc 6,30. (6) Mc 9,13. (7) Mc 10,21. (8) Mc 11,24. (9) Mc 12,44. Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen.
Mc 6,30.11. - 12. panta hosa (al wat). Mc (3): (1) Mc 6,30. (2) Mc 11,24. (3) Mc 12,44.
Mc 6,30.13. ἐποίησαν (= epoièsan: zij deden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ποιεω = poieô: maken, doen; augment van de ind verleden tijd e + stam poie met verlenging tot è, zie Baeyens 86,3 "Bij contracte wkw wordt de stamklinker verlengd" + eerste kenletter van de 1ste aorist s + uitgang act aor 3de pers mv -a-n). Taalgebruik in het N.T.: poieô
(doen, maken). Taalgebruik in Mc: poieô
(doen, maken).
Mc (2): (1) Mc
6,30. (2) Mc
9,13.
Mc 6,30.14. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Verwijzing: kai
(en) in N.T.. Verwijzing in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Mc 6. Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,30.15. ὅσα (= hosa: zoveel als; onbep vnw nom + acc onz mv van het onbep vnw ὁσος = hosos: zo groot als). Taalgebruik in het N.T.: hosos (zo groot als). Taalgebruik in Mc: hosos (zo groot als). Mc (9): (1) Mc 3,8. (2) Mc 3,28. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,20 . (5) Mc 6,30. (6) Mc 9,13. (7) Mc 10,21. (8) Mc 11,24. (9) Mc 12,44. Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen.
Mc 6,30.16. ἐδίδαξαν (= edidaksan: zij onderrichtten; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw διδασκω = didaskô: leren, onderrichten; augment ind verleden tijd e + stam didak - de eigenlijke stam is d-k - + eerste kenletter van de 1ste aorist s - de k + s wordt samengetrokken tot ks , zie Baeyens 15,7 - + uitgang act aor 3de pers mv -a-n). Taalgebruik in N.T.: didaskô (leren). Taalgebruik in Mc: didaskô (leren). Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven. Didactiek: leer van het onderrichten. Lat. docere (doctor). Cfr docent , documentatie. Mc (1): Mc 6,30.
| Mc 6,31 - Mc 6,31 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling.31 En Hij zeide tot hen: Komt gijlieden in een woeste plaats
hier alleen, en rust een weinig; want er waren velen, die kwamen en die gingen,
en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.
King James Bible. [31] And he said unto them, Come ye yourselves apart into
a desert place, and rest a while: for there were many coming and going, and
they had no leisure so much as to eat.
Luther-Bibel. 31 Und er sprach zu ihnen: Geht ihr allein an eine einsame Stätte
und ruht ein wenig. Denn es waren viele, die kamen und gingen, und sie hatten
nicht Zeit genug zum Essen.
Tekstuitleg van Mc 6,31. Het vers Mc 6,31 telt 26 (2 X 13) woorden en 130 (2 X 5 X 13) letters. De getalwaarde van Mc 6,31 is 10823 (79 X 137).
Mc 6,31 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Δεῦτε ὑμεῖς αὐτοὶ κατ' ἰδίαν εἰς ἔρημον τόπον, καὶ ἀναπαύεσθε ὀλίγον· ἦσαν γὰρ οἱ ἐρχόμενοι καὶ οἱ ὑπάγοντες πολλοί, καὶ οὐδὲ φαγεῖν εὐκαίρουν.
Vertaling: En hij zei hen: hierheen jullie zelf alleen naar een eenzame plaats en rust een weinig uit ; want er waren velen die kwamen en weggingen en zij vonden zelfs geen gelegenheid om te eten.
Mc 6,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Δεῦτε (= deute: welaan; bw) ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie) αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀναπαύσασθε (= anapauesthe: rust uit; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀναπαυω = anapauô; med: halt houden, rust nemen; zie Ned. pauze) ὀλίγον (= oligon: weinig; bw; zie Ned olig-archie: macht met weinigen). ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ἐρχόμενοι (= erchomenoi: komenden; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) (= kai: en; οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὑπάγοντες (= hupagontes: weggaanden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud') φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) εὐκαίρουν (= eukairoun: zijn vonden gelegenheid; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ευκαιρεω = eukaireô: vrije tijd hebben, gelegenheid vinden; < eu: goed + kair-: gepaste tijd, geschikt moment; augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens, nr 70,2, blz 53).
-
Voorstel en uitvoering.
-- voorstel: Mc
6,31: kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame
plaats).
-- uitvoering: Mc
6,32: eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun
eigen).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,31.1.καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa), Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,31.2. λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep), Taalgebruik in N.T.: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (62). Mc 6 (3): (1) Mc
6,31. (2) Mc
6,38. (3) Mc
6,50.
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc
6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
Mc 6,31.3. αὐτοῖς (= αὐτοῖς: aan hen; aanwijz vnw 3de pers dat mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij), Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (13):(1) Mc
6,4. (2) Mc
6,7. (3) Mc
6,8. (4) Mc
6,10. (5) Mc
6,11. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,37. (8) Mc
6,38. (9) Mc
6,39. (10) Mc
6,41. (11) Mc
6,46. (12) Mc
6,48. (13) Mc
6,50.
Mc 6,31.4. Δεῦτε (= deute: welaan; bw), Taalgebruik in het N.T.: deute
(welaan). Taalgebruik in Mc:: deute
(welaan). Een soort imperatief 2de pers. mv..
Mc (3): (1) Mc
1,17. (2) Mc
6,31. (3) Mc
12,7.
Mc 6,31.5. ὑμεῖς (= humeis: jullie; pers vnw 2de pers nom mv van het pers vnv ὑμεις = humeis:: jullie), Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord. Mc (10): (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,37. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,18. (5) Mc 8,29. (6) Mc 11,17. (7) Mc 13,9. (8) Mc 13,11. (9) Mc 13,23. (10) Mc 13,29.
Mc 6,31.6. αὐτοὶ (= autoi: zij zelf; pers vnw 3de pers nom mann mv van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
Mc 6,31.7. κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens). Taalgebruik in het N.T.: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (11). Mc 6 (2): (4) Mc
6,31. (5) Mc
6,32.
Mc 6,31.8. ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf). Taalgebruik
in het N.T.: idios
(eigen). Taalgebruik in Mc: idios
(eigen).
Mc (7): (1) Mc
4,34. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
7,33. (5) Mc
9,2. (6) Mc
9,28. (7) Mc
13,3.
Mc 6,31.7.
8. kat'idian (bij zijn eigen , afzonderlijk).
Mc (7): (1) Mc
4,34. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
7,33. (5) Mc
9,2. (6) Mc
9,28. (7) Mc
13,3.
Mc 6,31.9. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,31.10. ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats). Taalgebruik in het N.T.: erèmos
(woestijn). Taalgebruik in Mc.: erèmos
(woestijn). Hebr. chârëbâh (chrbh: 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth: 14). De berg chorebhâh (Choreb). hammidëbar (de woestijn)
(39). Cfr. heremiet < herèmitos: kluizenaar (claustrum: gesloten). désert < Latijnse de-sertus: verlaten ; serere , sertum: aaneenrijgen
, aaneenschakelen. Een plaats is eenzaam om tot rust te komen. Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood. Een weg is
verlaten.
In 3 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (eenzaam) voor in Mc 6: (1) Mc
6,31. (2) Mc
6,32. (3) Mc
6,35.
Mc 6,31.11. τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie). Taalgebruik
in het N.T.: topos
(plaats). Taalgebruik in Mc: topos
(plaats). L. locus. F. place. N. plaats. E. place. D. Stätte.
Mc (4): (1) Mc
1,35. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
15,22.
Mc 6,31.
7. - 11. Voorstel en uitvoering.
- voorstel: Mc
6,31: kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame
plaats).
- uitvoering: Mc
6,32: eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun
eigen).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,31.12. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,31.13. ἀναπαύσασθε (= anapauesthe: rust uit; wkw med imperat praes 2de pers mv van het wkw ἀναπαυω = anapauô; med: halt houden, rust nemen; zie Ned. pauze)
Mc 6,31.14. ὀλίγον (= oligon: weinig; bw; zie Ned olig-archie: macht met weinigen). Taalgebruik in het N.T.: oligon
(een weinig). Taalgebruik in Mc: oligon
(een weinig). Het is meestal de vertaling van het Hebreuwse më`at
(56).
In twee verzen in Mc: (1) Mc
1,19. (2) Mc
6,31.
Mc 6,31.15. ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse). Taalgebruik
in het N.T.: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,15. (4) Mc
2,18. (5) Mc
4,1. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,34. (8) Mc
6,44. (9) Mc
8,9. (10) Mc
9,4. (11): Mc
10,32. (12) Mc
12,20. (13) (1) Mc
14,4. (14) Mc
14,40. (15) Mc
14,56. (16) Mc
15,40.
Mc 6,31.16. γὰρ (= gar: want; nevenschikkend vw van reden). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,31.15. - 16. èsan gar (want zij waren). Mc (4 / 16): (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,15. (3) Mc 6,31. (4) Mc 14,40.
Mc 6,31.17 οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,31.18. ἐρχόμενοι (= erchomenoi: komenden; wkw med part praes nom mann mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Mc 6,31.19. καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë).
Mc 6,31.20.. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das
enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6 (7): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,29. (3) Mc
6,30. (4) Mc
6,31. (5) Mc
6,35. (6) Mc
6,44. (7) Mc
6,49.
Mc 6,31.21. ὑπάγοντες (= hupagontes: weggaanden; wkw act part praes nom mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen)
Mc 6,31.22. πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in de LXX: polus (veel). Bijbel (163). OT (86). NT (77). Mc (12) (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. (3) Mc 5,9. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. (9) Mc 11,8. (10) Mc 12,41. (11) Mc 13,6. (12) Mc 14,56. Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353).
| polus (veel) | Mc | Mc 2 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | polus (veel) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| nom. mann. mv. polloi | 12 | (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. | (3) Mc 5,9. | (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. | (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. | (9) Mc 11,8. | (10) Mc 12,41. | (11) Mc 13,6. | (12) Mc 14,56. | 9 | nom. mann. mv. polloi | 163 | 86 | 77 | 16 | 12 | 8 | 15 | 7 | 18 | 1 | 36 | 51 |
- N.: veel < Grieks: polus ; p -> v. Arabisch: كثير = kathir (veel). D.: viel. E. many. Fr.: nombreux (tal-rijk). Gr.: πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Hebr.: רַב + Aramees = rab (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Tenakh: rab (veel, talrijk, groot). Lat.: multus.
Mc 6,31.23. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,31.24. οὐδὲ (= oude: noch; ontkenning; afkorting: ουδ' = oud').
Mc 6,31.25. φαγεῖν (= fagein: te eten; wkw act inf aor (2de) bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102).
Mc 6,31.26. εὐκαίρουν (= eukairoun: zijn vonden gelegenheid; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ευκαιρεω = eukaireô: vrije tijd hebben, gelegenheid vinden; < eu: goed + kair-: gepaste tijd, geschikt moment; augment: "De tweeklank eu kan ongewijzigd blijven of veranderen in èu": Baeyens, nr 70,2, blz 53).
| Mc 6,32 - Mc 6,32 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 32 En zij vertrokken in een schip, naar een woeste plaats,
alleen.
King James Bible. [32] And they departed into a desert place by ship privately.
Luther-Bibel. 32 Und sie fuhren in einem Boot an eine einsame Stätte für sich
allein.
Tekstuitleg van Mc 6,32. Dit vers Mc 6,32 telt 9 (3 X 3) woorden en 41 letters. De getalwaarde Mc 6,32 is 3843 (3 X 3 X 7 X 61).
Mc 6,32 καὶ ἀπῆλθον εἰς ἔρημον τόπον ἐν πλοίῳ κατ' ἰδίαν.
Vertaling: En zij gingen weg naar een eenzame plaats in een boot alleen.
Mc 6,32 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats) τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie) κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens) ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf).
Mc 6,32.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,32.2. ἀπῆλθον (= apèlthon: zij gingen weg; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg). Taalgebruik in het N.T.: aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in Mc: aperchomai
(weggaan).
Mc (5): (1) Mc
1,20. (2) Mc
3,13. (3) Mc
6,32. (4) Mc
11,4. (5) Mc
12,12.
ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen (hij ging weg) van het werkw. aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in het N.T.: aperchomai
(weggaan). Taalgebruik in Mc: aperchomai
(weggaan).
Mc (9): (1) Mc
1,35. (2) Mc
1,42. (3) Mc
5,20. (4) Mc
5,24 . (5) Mc
6,46. (6) Mc
7,24. (7) Mc
8,13. (8) Mc
10,22. (9) Mc
14,10.
De apostelen verzamelen zich bij Jezus nadat Johannes de Doper door Herodes
werd onthoofd (Mc
6,32). Marcus vermeldt niet dat de apostelen hiervan melding maakten aan
Jezus. Wel stelt Jezus voor dat zij naar een eenzame plaats zouden gaan om
wat uit te rusten. Hij gaat echter mee. Maar zij kunnen zelfs niet meer op
een eenzame plaats komen omdat de menigte er toestroomt en zelfs voor hen er
is.
Het weggaan heeft te maken met de dreiging van Herodes. Jezus zoekt veiligheid
op. Dat is het meer , de boot , een eenzame plaats. Maar dat alles biedt geen
veiligheid meer want de menigten zien hen varen en zien waarheen zij gaan en
zijn hen zelfs voor. Daaruit blijkt dat hun veiligheid niet gegarandeerd is.
Bij de tweede keer dwingt Jezus zijn apostelen om per boot weg te gaan. Hij
zelf gaat weg naar het gebergte om te bidden. Hij gaat slechts omtrent de vierde
nachtwake naar hen toe.
Na de discussie met de Farizeeën en de schriftgeleerden gaat Jezus weg
naar het gebied van Tyrus en wil hij in een huis anoniem verblijven. Maar dat
lukt niet , want een vrouw komt naar hem om hem te vragen haar dochtertje te
genezen.
Jezus kan nergens meer komen zonder dat mensen het weten.
Tussen Mc
6,32 (apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg: Mc 6,46)
en Mc
7,24 is er een verband van weggaan om zich in veiligheid te brengen.
- Mc 6,32 (apèlthon en tô(i) ploiô(i) eis erèmon topon kat'idian
= zij gingen weg per boot naar een eenzame plaats op zich ; apèlthen
eis to oros = hij ging weg naar het gebergte: Mc
6,46).
- Mc 7,24: apèlthen eis ta horia Turou = hij ging weg naar het gebied van Tyrus.
Het weggaan gebeurt in de boot (Mc
6,32) of naar een huis (Mc
7,24). Marcus gebruikt voor het uitstappen uit de boot (Mc
6,34) of het huis uitgaan (Mc
7,31) het part. aor. exelthôn (uitgegaan). In Mc
7,31 wordt dat nog versterkt door palin (opnieuw).
Zo ontdekken we een relatie tussen:
- Mc 6,32: apèlthon = zij gingen weg ; apèlthen = hij ging weg: Mc
6,46) / exelthôn (uitgegaan): het uitstappen uit de boot (Mc
6,34).
- Mc 7,24: apèlthen = hij ging weg / exelthôn (uitgegaan): het huis uitgaan
(Mc 7,31).
STAP VOOR STAP !
Mc 6,32.3. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,32.4. τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (6): (1) Mc
6,18. (2) Mc
6,22. (3) Mc
6,28. (4) Mc
6,32. (5) Mc
6,39. (6) Mc
6,48.
Mc 6,32.5. πλοίῳ (= ploiô: in de boot; zn dat onz enk van het zn πλοιον = ploion: boot; zie het wkw pleô: varen; ploion is een vaar-tuig; Ned: vlot, vloot, vlieten, vliet; -ion: verkleinwoord of collectief: bootje of vloot). Taalgebruik in N.T.: ploion
(boot). Taalgebruik in Mc.: ploion
(boot). N. vloot. L. navis. N. boot. E. ship. D. Boot.
Met een voorzetsel: 14 / 16. Zonder voorzetsel: 2 / 16. Met eis = naar (6
/ 7) , ek = uit (2 / 2) , en = in (6 / 6). De verhalen rond de boot kunnen
we in drie groepen indelen.
- De eerste groep situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc
1,19-20).
- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc
4,35-41).
- de derde groep rond Mc 6,32-8,22 met het verhaal van het wandelen op het meer
(Mc 6,45-52). (7): (1) Mc
6,32 (en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc
6,45 (eis to ploion = in de boot). (3) Mc
6,47 (to ploion en mesô(i) tès thalassès = de boot in
het midden van het meer). (4) Mc
6,51 (eis to ploion = in de boot). (5) Mc
6,54 (ek tou ploiou = uit de boot). (6) Mc
8,10 (eis to ploion = in de boot). (7) Mc
8,14 (en tô(i) ploiô(i) = in de boot).
Een vorm van ploion (boot) in 5 verzen van Mc 6: (1) Mc
6,32 (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc
6,45 (acc. eis to ploion = in de boot). (3) Mc
6,47. (4) Mc
6,51 (acc. eis to ploion = in de boot). (5) Mc
6,54 (gen. ek tou ploiou = uit de boot).
Mc 6,32.3.
- 5. en tô(i) ploiô(i) (in de boot). Bij Mc in de 6 verzen: (1) Mc 1,19. (2) Mc
1,20. (3) Mc
4,36. (4) Mc
5,21. (5) Mc
6,32. (6) Mc
8,14.
In Mc
6,32 gaan Jezus en zijn leerlingen weg per boot om zich in veiligheid te
brengen na de onthoofding van Johannes de Doper door Herodes. Na een nieuwe
discussie met de Farizeeën in Mc
8,11 gaat Jezus weg naar de overkant. Ze hebben niet eens de tijd gekregen
om brood mee te nemen (Mc
8,14). In beide teksten gaat het om zich in veiligheid te brengen en weg
per boot. In Mc
6,32 gebeurt dat voor de eerste maal , in Mc
8,14 voor de tweede en laatste maal.
- Mc 6,32: apèlthon en tô(i) ploiô(i) = zij gingen weg per boot.
- Mc 8,13: embas apèlthen = ingestapt ging hij weg ; Mc
8,14: en tô(i) ploiô(i) = in de boot.
STAP VOOR STAP !
Mc 6,32.6. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,32.7. ἔρημον (= erèmon: woestijn; zn acc vr enk van het zn ερημος = erèmos: woestijn, eenzame plaats). Taalgebruik in het N.T.: erèmos
(woestijn). Taalgebruik in Mc.: erèmos
(woestijn). Hebr. chârëbâh (chrbh: 11) , mv. chârâbhôth
(chrbwth: 14). De berg chorebhâh (Choreb). hammidëbar (de woestijn)
(39). Cfr. heremiet < herèmitos: kluizenaar (claustrum: gesloten). désert < Latijnse de-sertus: verlaten ; serere , sertum: aaneenrijgen
, aaneenschakelen. Een plaats is eenzaam om tot rust te komen. Een huis is
verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood. Een weg is
verlaten.
In 3 van de 9 verzen komt een vorm van erèmos (eenzaam) voor in Mc 6: (1) Mc
6,31. (2) Mc
6,32. (3) Mc
6,35.
Mc 6,32.8. τόπον (= topon: plaats; zn acc mann enk van het zn τοπος = topos: plaats, streek; zie Ned. topografie). Taalgebruik
in het N.T.: topos
(plaats). Taalgebruik in Mc: topos
(plaats). L. locus. F. place. N. plaats. E. place. D. Stätte.
Mc (4): (1) Mc
1,35. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
15,22.
Mc 6,32.6. - 8. eis èrèmon topon (naar een eenzame plaats). Mc (3): (1) Mc 1,35. (2) Mc 6,31. (3) Mc 6,32. In Mc 6,31 doet Jezus het voorstel , in Mc 6,32 volgt de uitvoering.
Mc 6,32.9. κατ' (= afkorting: κατ' = kat' van vz kata: van... naar beneden, volgens). Taalgebruik in het N.T.: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (11). Mc 6 (2): (4) Mc
6,31. (5) Mc
6,32.
Mc 6,32.10. ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf). Taalgebruik
in het N.T.: idios
(eigen). Taalgebruik in Mc: idios
(eigen).
Mc (7): (1) Mc
4,34. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
7,33. (5) Mc
9,2. (6) Mc
9,28. (7) Mc
13,3.
Mc 6,32.9.
- 10. kat'idian (bij zijn eigen , afzonderlijk).
Mc (7): (1) Mc
4,34. (2) Mc
6,31. (3) Mc
6,32. (4) Mc
7,33. (5) Mc
9,2. (6) Mc
9,28. (7) Mc
13,3.
Mc 6,32.6.
- 10. Voorstel en uitvoering.
- voorstel: Mc
6,31: kat'idian eis erèmon topon (op hun eigen naar een eenzame
plaats).
- uitvoering: Mc
6,32: eis erèmon topon kat'idian (naar een eenzame plaats op hun
eigen).
STAP VOOR STAP !
| Mc 6,33 - Mc 6,33 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 33 En de scharen zagen hen heenvaren, en velen werden Hem
kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen
hun voor, en gingen samen tot Hem.
King James Bible. [33] And the people saw them departing, and many knew him,
and ran afoot thither out of all cities, and outwent them, and came together
unto him.
Luther-Bibel. 33 Und man sah sie wegfahren, und viele merkten es und liefen
aus allen Städten zu Fuß dorthin zusammen und kamen ihnen zuvor.
Tekstuitleg van Mc 6,33.
Mc 6,33 καὶ εἶδον αὐτοὺς ὑπάγοντας, καὶ ἐπέγνωσαν αὐτοὺς πολλοί, καὶ πεζῇ ἀπὸ πασῶν τῶν πόλεων συνέδραμον ἐκεῖ καὶ προῆλθον αὐτοὺς καὶ συνῆλθον πρὸς αὐτόν.
Vertaling: En zij zagen hen weggaan en velen herkenden hen en te voet van alle steden liepen ze daar samen en zij gingen hen vóór en zij kwamen samen bij hem.
Mc 6,33 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὑπάγοντας (= hupagontas: weggaanden; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐπέγνωσαν (= epegnôsan: zij herkenden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen; voorvoegsel epi + stam gno- of gnô - Ned.: k-n -; athematische aor, de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô; act ind aor 3de pers mv egnôsan; wkw met praesensversterking sk:Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô: Baeyens 130a blz 97) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πεζῇ (= pedzè: te voet; bw; zie πους = pous, ποδος = podos: voet; stam: p/v - d/t) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker) πασῶν (= pasôn: van alle; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόλεων (= poleôn: van steden; zn gen vr mv van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool) συνέδραμον (= sunedramon: zij liepen bijeen; wkw voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô = lopen ; zn dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den) ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) προῆλθον (= proèlthon: zij kwamen vóór; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) συνῆλθον (= sunèlthon: zij kwamen samen; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting) αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 6,33.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,33.2. εἶδον (= eidon: zij zagen; wkw act ind aor 3de pers mv; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh).
Mc 6,33.3. αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik
in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (6): (1) Mc
6,7. (2) Mc
6,33. (3) Mc
6,34. (4) Mc
6,36. (5) Mc
6,48. (6) Mc
6,51.
Mc 6,33.4. ὑπάγοντας (= hupagontas: weggaanden; wkw act part praes acc mann mv van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen).
Mc 6,33.5.καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,33.6. ἐπέγνωσαν (= epegnôsan: zij herkenden; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw επιγιγνωσκω = epigignôskô: leren kennen, begrijpen; voorvoegsel epi + stam gno- of gnô - Ned.: k-n -; athematische aor, de aor wordt zonder themaklinker rechtstreeks van de stam gevormd -> augment e + gnô; act ind aor 3de pers mv egnôsan; wkw met praesensversterking sk:Baeyens nr 134 blz 100 en 130d blz 97; wkw stam krijgt een verdubbeling in de praesens gi-gnô-sk-ô: Baeyens 130a blz 97).
Mc 6,33.7. αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het)
Mc 6,33.8. πολλοί (= polloi: velen; bv nw nom mann mv van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in de LXX: polus (veel). Bijbel (163). OT (86). NT (77). Mc (12) (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. (3) Mc 5,9. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. (9) Mc 11,8. (10) Mc 12,41. (11) Mc 13,6. (12) Mc 14,56. Een vorm van πολυς = polus in de LXX (822) , in het NT (353).
| polus (veel) | Mc | Mc 2 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | polus (veel) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| nom. mann. mv. polloi | 12 | (1) Mc 2,2. (2) Mc 2,15. | (3) Mc 5,9. | (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,33. | (7) Mc 10,31. (8) Mc 10,48. | (9) Mc 11,8. | (10) Mc 12,41. | (11) Mc 13,6. | (12) Mc 14,56. | 9 | nom. mann. mv. polloi | 163 | 86 | 77 | 16 | 12 | 8 | 15 | 7 | 18 | 1 | 36 | 51 |
- N.: veel < Grieks: polus ; p -> v. Arabisch: كثير = kathir (veel). D.: viel. E. many. Fr.: nombreux (tal-rijk). Gr.: πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Hebr.: רַב + Aramees = rab (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Tenakh: rab (veel, talrijk, groot). Lat.: multus.
Mc 6,33.9. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,33.10. πεζῇ (= pedzè: te voet; bw; zie πους = pous, ποδος = podos: voet; stam: p/v - d/t).
Mc 6,33.11. ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af' (vóór een aangeblazen klinker).
Mc 6,33.12. πασῶν (= pasôn: van alle; bv nw gen vr mv van het bv nw πᾶς = pas: ieder).
Mc 6,33.13. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).
Mc 6,33.14. πόλεων (= poleôn: van steden; zn gen vr mv van het zn πόλις = polis: stad; zie Ned. metropool).
Mc 6,33.15. συνέδραμον (= sunedramon: zij liepen bijeen; wkw voorzetsel sun = samen + act ind aor (2de) 3de pers mv bij het wkw τρεχω = trechô = lopen ; zn dromos: wedren, loop; zie het Ned. tre-den).
Mc 6,33.16. ἐκεῖ (= ekei: hier; bijw van plaats: hier, daar; Fr.: ici; Ned.: hie-r). Taalgebruik in het N.T.: ekei (daar). Taalgebruik in Mc: ekei (daar). Ned. hier. Fr. ici. Mc (11): (1) Mc 1,38. (2) Mc 2,6. (3) Mc 3,1. (4) Mc 5,11. (5) Mc 6,5. (6) Mc 6,10. (7) Mc 6,33. (8) Mc 11,5. (9) Mc 13,21. (10) Mc 14,15. (11) Mc 16,7.
Mc 6,33.17. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,33.18. προῆλθον (= proèlthon: zij kwamen vóór; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw προερχομαι = proerchomai: vóórgaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er).
Mc 6,33.19. αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 6,33.20. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa).
Mc 6,33.21. συνῆλθον (= sunèlthon: zij kwamen samen; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw συνερχομαι = sunerchomai: samengaan; wkw met 2 verschillende stammen; in aor stam el, zie het Franse al-l-er).
Mc 6,33.22. πρὸς (= pros: naar, bij; vz van plaats, nl richting).
Mc 6,33.23. αὐτόν (= auton: hem; pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
| Mc 6,34 - Mc 6,34 -- Mc 6,30-34 - Mt 14,13-14 - Lc 9,10-11: terugkeer van de apostelen. Volkstoeloop - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling. 34 En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk
met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder
hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren.
King James Bible. [34] And Jesus, when he came out, saw much people, and was
moved with compassion toward them, because they were as sheep not having a shepherd:
and he began to teach them many things.
Luther-Bibel. 34 Und Jesus stieg aus und sah die große Menge; und sie jammerten
ihn, denn sie waren wie Schafe, die keinen Hirten haben. Und er fing eine lange
Predigt an.
Mc
6,34: kai exelthôn eiden polun ochlon kai esplagchnisthè ep autous oti
èsan ôs probata mè echonta poimena (en uit'gestapt' zag hij een grote menigte
en hij had medelijden over hen omdat zij waren als schapen niet hebbende een
herder).
- Mc 8,1: en ekeinais tais hèmerais palin pollou ochlou ontos kai mè echontôn ti fagôsin
(in die dagen terwijl opnieuw een grote menigte was en niet hebbende dat zij
iets zouden eten).
Tekstuitleg van Mc 6,34. Het vers Mc 6,34 telt 23 woorden en 115 (5 X 23) letters. De getalwaarde van Mc 6,34 is 11744 (2 X 2 X 2 X 2 X 2 X 367).
Mc 6,34 Καὶ ἐξελθὼν ὁ Ἰησοῦς εἶδεν πολὺν ὄχλον καὶ ἐσπλαγχνίσθη ἐπ' αὐτοῖς, ὅτι ἦσαν ὡς πρόβατα μὴ ἔχοντα ποιμένα καὶ ἤρξατο διδάσκειν αὐτοὺς πολλά.
Vertaling: En Jezus buitengegaan zag veel massa en hij werd innerlijk bewogen over hen omdat zij waren als schapên niet hebbende een herder en hij begon hen veel te onderrichten.
Mc 6,34 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh) πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l) ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte), καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐσπλαγχνίσθη (= esplachnisthè: hij had medelijden; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden
hebben, innerlijk bewogen zijn; zie zn σπλαγχνον = splagchnon: binnenste delen, ingewanden; stam spl-ch) ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redegevende zin inleidt) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord) πρόβατα (= probata: schapen; zn nom + acc onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap) μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan) ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder; zie wkw ποιμαινω = poimainô: herderen, hoeden, beschermen), καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë) ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen) διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) πολλά (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
Mc 6,34.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc (555). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,34.2. ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Taalgebruik in het N.T.: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai
(uit-gaan, naar buiten gaan). Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten
ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt
ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te
geven.
Bij Marcus (3): (1) Mc
1,45. (2) Mc
6,34. (3) Mc
7,31.
In Mc 1,45 is het de genezen melaatse, in de andere twee verzen is het Jezus. In Mc
6,34 stapt Jezus uit de boot , in Mc
7,31 verlaat Jezus het huis en het gebied van Tyrus. Vaak gaat aan een
vorm van exerchomai (uitgaan) een vorm van eiserchomai (ingaan) vooraf. In Mc 7,24 gaat Jezus een huis binnen (eiselthôn eis oikian).
exelthôn (uitgegaan). Dit sluit aan bij Mc
6,32: apèlthon en tôi ploiôi (en zij gingen weg in de boot). exelthôn
van Mc
6,34 betekent: uitge'stapt' uit de boot.
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , Mc 6 (6): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,10. (3) Mc
6,12. (4) Mc
6,24. (5) Mc
6,34. (6) Mc
6,54.
Mc 6,34.1.
- 2. (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan). Slechts in Mc
1,45 in het N.T..
kai exelthôn (en uitgegaan). In één vers bij Mc: (1) Mc
6,34. In Mc
7,31: kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan). palin van Mc
7,31 (Mc
7,31-37) verwijst naar exelthôn (uitgegaan) van Mc
6,34 (Mc
6,30-34).
Mc 6,34.3. εἶδεν (= eiden: hij zag; wkw act ind aor 3de pers enk; zie het wkw ειδεν = eiden: hij zag; bij het wkw ὁραω = horaô: zien; stam aor id; zie Baeyens nr.136; in ὁραω = horaô zit 'ra'. Egyptische god van de zon is Ra. In het Hebreeuws is zien: râ'âh). Taalgebruik in het N.T.: eiden
(hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden
(hij zag). L. videre. Fr. voir.
Mc (5): (1) Mc
1,10. (2) Mc
1,16. (3) Mc
1,19. (4) Mc
2,14. (5) Mc
6,34. Telkens is Jezus onderwerp. De werkwoordvorm eiden (hij zag) wordt
in 4 verzen gebruikt bij het roepingsthema. Een 5de maal komt het voor in Mc
6,34 (hij ziet de menigte zonder herder).
Mc 6,34.2. - 3. verbindingswoord kai (en) + part. nom. mann. enk. + werkwoordvorm eiden (hij zag) (5 / 5): (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,16. (3) Mc 1,19. (4) Mc 2,14. (5) Mc 6,34.
Mc 6,34.4. πολὺν (= polun: veel; bv nw acc mann enk van het bv nw πολυς = polus: veel; stam: p/v - l). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in Mc: polus (veel).
Mc 6,34.5. ὄχλον (= ochlon: menigte; zn acc mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte). Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte). Taalgebruik in de LXX: ochlos (menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte). Taalgebruik in Lc: ochlos (menigte) ochlos (menigte). Een vorm van οχλος = ochlos in de LXX (55) , in het NT (174).
| ochlos (menigte) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. ochlos | 49 | 4 | 45 | 6 | 13 | 9 | 12 | 4 | 1 | 28 | 40 |
| 2 | gen. mann. enk. ochlou | 31 | 6 | 25 | 1 | 5 | 9 | 4 | 4 | 2 | 15 | 19 |
| enk. | 142 | 26 | 116 | 19 | 35 | 25 | 19 | 15 | 3 | 79 | 98 | |
| mv. | 70 | 13 | 29 | 17 | 1 | 16 | 1 | 8 | 48 | 49 | ||
| totaal enk. en mv. | 212 | 39 | 173 | 50 | 36 | 41 | 20 | 23 | 3 | 127 | 147 |
| ochlos (menigte) | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 15 | syn. | |
| 1 | nom. mann. enk. ochlos | 13 | (1) Mc 2,13. | 2: (1) Mc 3,20. (2) Mc 3,32. | (1) Mc 4,1. | 2: (1) Mc 5,21. (2) Mc 5,24a - Mc 5,24b. | 2: (1) Mc 9,15. (2) Mc 9,25. | (1) Mc 11,18. | 3: (1) Mc 12,37. (2) Mc 12,41. (3) Mc 12,43. | (1) Mc 15,8. | 28 | |||||
| 2 | gen. mann. enk. ochlou | 5 | 2: (1) Mc 7,17. (2) Mc 7,33. | 1: Mc 8,1. | 1: Mc 9,17. | 1: Mc 10,46. | 15 | |||||||||
| 3 | dat. mann. enk. ochlô(i) | 4 | 2: (1): Mc 5,27. (2) Mc 5,30. | (1) Mc 8,6. | Mc 15,15 | 9 | ||||||||||
| 4 | acc. mann. enk. ochlon | 13 | 1: Mc 2,4. | 1: Mc 3,9. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,31. | 2: (1) Mc 6,34. (2) Mc 6,45. | 1: Mc 7,14. | 2: (1) Mc 8,2. (2) Mc 8,34. | 1: Mc 9,14. | 1: Mc 11,32. | 1: Mc 12,12. | 1: Mc 15,11. | 27 | ||
| 5 | nom. mann. mv. ochloi | 1 | 1: Mc 10,1. | 25 | ||||||||||||
| totaal | 36 | 2 | 3 | 2 | 5 | 2 | 3 | 4 | 4 | 2 | 2 | 4 | 1 | 2 |
4 - 5. een combinatie van πολυς (= polus (veel, talrijk) en οχλος (= ochlos: menigte) in Mc (6):
- πολυς οχλος (a) of οχλος πολυς (b) (= polus ochlos of ochlos polus: een (talrijke menigte). Mc (3) (1) Mc
5,21. (a) (2) Mc
5,24 (b). (3) Mc
12,37 (a).
- πολλοῦ ὄχλου (= pollou ochlou: een talrijke menigte). Mc (1): Mc
8,1.
- πολὺν ὄχλον of ὄχλον πολὺν (= polun ochlon: een talrijke menigte) of (= ochlon polun: talrijke menigte). Mc (2): (1) Mc
6,34. (2) Mc
9,14.
- πολλοῦ ὄχλου (= pollou ochlou: een talrijke menigte). Mc (1): Mc
8,1. πολὺν ὄχλον (= ochlon polun: talrijke menigte). Mc
6,34. In beide broodverhalen is een talrijke menigte aanwezig. Met het woordje πάλιν (= palin: opnieuw) verwijst Marcus in Mc
8,1 (het tweede broodverhaal) naar Mc
6,34 (het eerste broodverhaal).
Mc 6,34.6. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,34.7. ἐσπλαγχνίσθη (= esplachnisthè: hij had medelijden; wkw pass ind aor 3de pers enk van het wkw σπλαγχνιζομαι = splagchnizômai: zich ontfermen, medelijden hebben, innerlijk bewogen zijn; zie zn σπλαγχνον = splagchnon: binnenste delen, ingewanden; stam spl-ch).
Mc 6,34.8. ἐπ' (= επ': ep: over; epi + gen, dat of acc: op, bij, naar, tegen, opnieuw, terug; afkortingen: επ' = ep': vóór een niet-aangeblazen klinker, en εφ' = ef': vóór een aangeblazen klinker). Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,34.9. αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik
in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (6): (1) Mc
6,7. (2) Mc
6,33. (3) Mc
6,34. (4) Mc
6,36. (5) Mc
6,48. (6) Mc
6,51.
Mc 6,34.10. ὅτι (= hoti: dat of omdat; ondergeschikt vw dat een objectzin of een redengevende zin inleidt).
Mc 6,34.11. ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse). Taalgebruik
in het N.T.: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,15. (4) Mc
2,18. (5) Mc
4,1. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,34. (8) Mc
6,44. (9) Mc
8,9. (10) Mc
9,4. (11): Mc
10,32. (12) Mc
12,20. (13) (1) Mc
14,4. (14) Mc
14,40. (15) Mc
14,56. (16) Mc
15,40.
Mc 6,34.10. - 11. hoti èsan (want zij waren). Mc (1 / 16): (1) Mc 6,34.
Mc 6,34.12. ὡς (= hôs: zoals, zodra; voegwoord).
Mc 6,34.13. πρόβατα (= probata: schapen; zn nom + acc onz mv van het zn προβατον = probaton: schaap).
Mc 6,34.14. μὴ (= mè: niet; partikel van ontkenning in zinnen die niet in de indicatief staan).
Mc 6,34.15. ἔχοντα (= echonta: hebbende; wkw act part praes nom onz mv van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten).
Mc 6,34.16. ποιμένα (= poimena: herder; zn acc mann enk van het zn ποιμην = poimèn: herder; zie wkw ποιμαινω = poimainô: herderen, hoeden, beschermen).
Mc 6,34.17. καὶ (= kai: en; nevensch vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: וְ = wë). Taalgebruik: kai
(en) in N.T.. Taalgebruik in Mc: kai
(en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc
6,16. (2) Mc
6,17. (3) Mc
6,18. (4) Mc
6,52.
Mc 6,34.18. ἤρξατο (= èrksato: hij begon; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen). Taalgebruik in het NT: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in de LXX: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Mc (18): (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. 18) Mc 15,8.
| archomai (beginnen, aanvangen) | Mt | Mc | Lc | syn. | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | |
| ind. aor. 3de p. enk. èrxato | 7: (1) Mt 4,17. (2) Mt 11,7. (3) Mt 11,20. (4) Mt 16,21. (5) Mt 16,22. (6) Mt 26,37. (7) Mt 26,74. | 18: (1) Mc 1,45. (2) Mc 4,1. (3) Mc 5,20. (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. (12) Mc 11,15. (13) Mc 12,1. (14) Mc 13,5. (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | (1) Lc 4,21. (2) Lc 7,15. (3) Lc 7,24. (4) Lc 7,38. (5) Lc 9,12. (6) Lc 11,29. (7) Lc 12,1 . (8) Lc 14,30. (9) Lc 15,14. (10) Lc 19,45. (11) Lc 20,9. | (1) Mt 11,7 // Lc 7,24. (2) Mt 16,21 // Mc 8,31. (3) Mt 16,22 // Mc 8,32. (4) Mt 26,37 // Mc 14,33. (5) Mt 26,74 // Mc 14,71. (6) Mc 11,15 // Lc 19,45. (7) Mc 12,1 // Lc 20,9. | 18 | 1 : (1) Mc 1,45. | 1: Mc 4,1. | 1: (3) Mc 5,20. | 3: (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. | 2: (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. | 3: (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. | 1: (12) Mc 11,15. | 1: (13) Mc 12,1. | 1: (14) Mc 13,5. | 3: (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | 1: (18) Mc 15,8. | 76 | 35 | 41 | 7 | 18 | 11 | 1 | 4 |
Mc 6,34.19. διδάσκειν (= didaskein: te leren; wkw act inf praes van het wkw δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c) αὐτοὺς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).
Mc 6,34.20. πολλά (= polla: vele dingen; bv nw nom of acc onz mv van het bv nw πολυς - πολλη - πολυ = polus - pollè – polu: veel; stam p/v - l).
| Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) | Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) | Mc 6,32 // Mt 14,13 // Lc 9,10b-17 | Mc 7,24 |
| Kai (en) | Kai ho Ièsous... (En Jezus...) |
Kai (en) | Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde) |
| meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd) | |||
| èlthen (ging hij) | anechôrèsen (week uit) | apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) | apèlthen (ging hij weg) |
| eis tèn Galilaian (naar Galilea) | pros tèn thalassan (bij het meer) | eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) | eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus) |
| kat'idian (op henzelf) |
|||
| Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,1-13: begin van Jezus'
optreden in Galilea - Mc
1,14-15 - Mt
4,12-17 - Lc
4,14-15 - |
Mc 3,7-12 //Mt 12,15-21 // Lc 6,17-19: volkstoeloop
en genezingen - Mc
3,7-12 - Mt
12,15-21 - Lc
6,17-20a - |
150. Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11: terugkeer
van de apostelen. Volkstoeloop - Mc
6,30-34 - Mt
14,13-14 -Lc
9,10-11 - |
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische
vrouw: Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 - Mc
7,24-30 - Mt
15,21-28 - |
| Mc 1,14 (Jezus ging naar Galilea) | Mc 3,7 (Jezus week uit nadat de Farizeeën en Herodianen een besluit namen Jezus te doden) | Mc 6,32 // Mt 14,13 // Lc 9,10b-17 | Mc 7,24 |
| Kai (en) | Kai ho Ièsous... (En Jezus...) |
Kai (en) | Ekeithen de anastas (Vandaar echter opgestaan zijnde) |
| meta to paradothènai ton Iôannèn (nadat Johannes werd overgeleverd) | |||
| èlthen (ging hij) | anechôrèsen (week uit) | apèlthon (zij gingen weg) en tôi ploiôi (in de boot) | apèlthen (ging hij weg) |
| eis tèn Galilaian (naar Galilea) | pros tèn thalassan (bij het meer) | eis erèmon topon (naar een eenzame plaats) | eis ta horia Turou (naar de bergen van Tyrus) |
| kat'idian (op henzelf) |
|||
| Mc 1,14-15 // Mt 4,12-17 // Lc 4,1-13: begin van Jezus'
optreden in Galilea - Mc
1,14-15 - Mt
4,12-17 - Lc
4,14-15 - |
Mc 3,7-12 //Mt 12,15-21 // Lc 6,17-19: volkstoeloop
en genezingen - Mc
3,7-12 - Mt
12,15-21 - Lc
6,17-20a - |
150. Mc 6,30-34 // Mt 14,13-14 // Lc 9,10-11: terugkeer
van de apostelen. Volkstoeloop - Mc
6,30-34 - Mt
14,13-14 -Lc
9,10-11 - |
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische
vrouw: Mc 7,24-30 // Mt 15,21-28 - Mc
7,24-30 - Mt
15,21-28 - |
151. Mc 6,35-44a: Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 -
Volgens Standaert behoort dit verhaal tot de eerste sectie ((Mc 6,30-8,21) van het tweede deel (Mc 6,14-10,52).
| Mc 6,35 | Mc 6,47 | Mc 6,48b |
| kai èdè hôras pollès genomenès (en toen het reeds laat was geworden) | kai opsias genomenès (en toen het avond was geworden) | peri tetartèn fulakèn tès nuktons (rond de vierde nachtwake) |
| Mc 6,36 // Mt 14,15b // Lc 9,12b | Mc 6,45b // Mt 14,22b | Mc 8,3 // | Mc 8,9 // |
| heoos (terwijl) | |||
| autos (hij zelf) | |||
| apoluson (ontbind - wegzend) | apoluei (ontbindt - wegzendt) | ||
| autous (hen) | ton ochlon (de menigte) | ||
| hina (opdat) | |||
| apelthontes (weggegaan zijnde) | |||
| eis... (naar) |
| Mc 6,35 - Mc 6,35: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. And when the day was now far spent, his disciples came
unto him, and said, This is a desert place, and now the time is far passed:
Luther-Bibel. 35 Als nun der Tag fast vorüber war, traten seine Jünger
zu ihm und sprachen: Es ist öde hier und der Tag ist fast vorüber;
| Mc 6,35 | ||||
| 35Καὶ ἤδη ὥρας πολλῆς γενομένης προσελθόντες αὐτῷ οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἔλεγον ὅτι Ἔρημός ἐστιν ὁ τόπος, καὶ ἤδη ὥρα πολλή: | 15ὀψίας δὲ γενομένης προσῆλθον αὐτῷ οἱ μαθηταὶ λέγοντες, Ἔρημός ἐστιν ὁ τόπος καὶ ἡ ὥρα ἤδη παρῆλθεν | 12Ἡ δὲ ἡμέρα ἤρξατο κλίνειν: προσελθόντες δὲ οἱ δώδεκα εἶπαν αὐτῷ, |
Tekstuitleg van Mc 6,35. Dit vers Mc 6,35 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 98 (2 X 7 X 7) letters. De getalwaarde van Mc 6,35 is 10347 (3 X 3449).
Mc 6,35.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,35.2. ηδη = èdè (reeds). Taalgebruik in het NT: èdè (reeds). Mc (7): (1) Mc 4,37. (2) Mc 6,35. (3) Mc 8,2. (4) Mc 11,11. (5) Mc 13,28. (6) Mc 15,42. (7) Mc 15,44.
| èdè (reeds) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 92 | 36 | 56 | 7 | 7 | 9 | 16 | 2 | 15 | 23 | 39 | 12 | 3 |
Mc 6,35.1.
- 2. - και ηδη = kai èdè (en reeds). LXX (2). NT (2): (1) Mc 6,35 (2X). (2) Mc 15,42.
- ηδη δε = èdè de (reeds echter). NT (5): (1) Mt 3,10. (2) Lc 3,9. (3) Lc 7,6. (4) Joh 4,51. (5) Joh 7,14.
Mc 6,35.3.
gen. vr. enk. hôras (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik
in het N.T.: hôra
(uur). Taalgebruik in Mc: hôra
(uur).
Mc (4): (1) Mc
6,35. (2) Mc
11,11. (3) Mc
13,32. (4) Mc
15,33.
nom. + dat. vr. enk. hôra(i). Mc (6): (1) Mc
6,35. (2) Mc
13,11. (3) Mc
14,35. (4) Mc
14,41. (5) Mc
15,25. (6) Mc
15,34.
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het NT: hôra (uur). Taalgebruik in Mc: hôra (uur).
Mc (6): (1) Mc 6,35. (2) Mc 13,11. (3) Mc 14,35. (4) Mc 14,41. (5) Mc 15,25. (6) Mc 15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc 6,35. (2) Mc 11,11. (3) Mc 13,32. (4) Mc 15,33.
Mc 6,35.4. gen. vrouw. enk. pollès (veel) van het πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Taalgebruik in de LXX: polus (veel). Taalgebruik in Mc: polus (veel). Mc (2): (1) Mc 6,35. (2) Mc 13,26.
| polus (veel) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 3 | nom. + voc. + acc. onz. + voc. mann. enk. polu | 90 | 69 | 21 | 0 | 3 | 5 | 0 | 5 | 7 | 1 | 8 | 8 | 5 | 2 |
- N.: veel. D.: viel. E. many. Fr.: nombreux (tal-rijk). Lat.: multus. Gr.: πολυς = polus (veel). Taalgebruik in het NT: polus (veel). Hebr.: רַב = rab (veel, talrijk, groot). Taalgebruik in Tenakh: rab (veel, talrijk, groot).
| polus (veel) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 5 | gen. vr. enk. pollès | 35 | 22 | 13 | 1 | 2 | 1 | 7 | 2 | 4 | 4 | 2 |
Mc 6,35.5. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in de LXX: ginomai (worden). Taalgebruik in het NT: ginomai (worden). Taalgebruik in Mc: ginomai (worden). Mt (9): (1) Mt 8,16. (2) Mt 13,21. (3) Mt 14,15. (4) Mt 14,23. (5) Mt 16,2. (6) Mt 20,8. (7) Mt 27,1. (8) Mt 26,20. (9) Mt 27,57. Mc (9). (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,17. (3) Mc 4,35. (4) Mc 6,21. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,47. (7) Mc 14,17. (8) Mc 15,33. (9) Mc 15,42. Lc (2): (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. Joh (1): Joh 21,4. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667).
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 41 | 8 | 33 | 9 | 9 | 2 | 1 | 11 | 1 | 20 | 21 |
| ginomai | Mt | Mc | Lc | syn. |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 9 : 7 opsias... genomenès: (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. + 2: (1) Mt 13,21. (2) Mt 27,1. | 9 : 5: (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. + 4: (1) Mc 4,17. (2) Mc 6,21. (3) Mc 6,35. (4) Mc 15,33. | 2 : (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. | 20 : (1) Mt 13,21 // Mc 4,17. (2) Mt 14,15 // Mc 6,35. |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn). De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31. 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld).Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (784). Pentateuch (181). Eerdere Profeten (339). Latere Profeten (116). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (126). In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren).
Mc 6,35.1.
- 5. STAP VOOR STAP !
- Mc 6,35: kai èdè ôras pollès genomenès (en nadat het reeds een laat uur was geworden).
- Mc 15,42: kai èdè opsias genomenès (en nadat het reeds avond was geworden).
οψιας (...) γενομενης = opsias (...) genomenès (nadat het avond was geworden). Bijbel = NT (12): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. (8) Mc 1,32. (9) Mc 4,35. (10) Mc 6,47. (11) Mc 14,17. (12) Mc 15,42 + 4: (1) Mc
4,17. (2) Mc
6,21. (3) Mc
6,35. (4) Mc
15,33.
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden). Bijbel = NT (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 20,8. (5) Mt 26,20. (6) Mt 27,57. (7) Mc 1,32.
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden). Bijbel = NT (2): (1) Mc 6,47. (2) Mc 14,17.
- και... οψιας γενομενης = kai... opsias genomenès (en... nadat het avond was geworden). Bijbel = NT (2): (1) Mc 4,35. (2) Mc 15,42.
- Zonder και = kai (en) en δε = de (echter) ; οψιας (...) γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden). Bijbel = NT (1): Mt 16,2.
- Hebr.: וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond). Tenakh (6): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31.
Mc 6,35.6. part. aor. nom. mann. en vr. mv. προσελθοντες = proselthontes (gekomen bij) van het werkw. προσερχομαι = proserchomai (naderbijkomen). Taalgebruik in het NT: proserchomai (naderbijkomen). Taalgebruik in de LXX: proserchomai (naderbijkomen). Bijbel (23). OT (6): (1) Gn 43,19. (2) Nu 32,2. (3) Joz 10,24. (4) Da 3,8. (5) Jdt 7,8. (6) 2 Mak 2,6. NT (17): (1) Mt 8,25. (2) Mt 13,10. (3) Mt 13,27. (4) Mt 14,12. (5) Mt 15,12. (6) Mt 15,23. (7) Mt 16,1. (8) Mt 17,19. (9) Mt 26,50. (10) Mt 26,60. (11) Mt 26,73. (12) Mc 6,35 . (13) Mc 10,2. (14) Lc 8,24. (15) Lc 9,12. (16) Lc 20,27. (17) Hnd 23,14. Een vorm van προσερχομαι = proserchomai in de LXX (113) , in het NT (87) , Een vorm van het werkw. προσερχομαι = proserchomai kan in de LXX de vertaling van 12 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn.
- In de Bijbel wordt het deelwoord προσελθοντες = proselthontes (naderbijgekomen) vaak gebruikt om iets te zeggen , te vragen , enz...
- med. ind. aor. 1ste pers. enk. of 3de pers. mv. = prosèlthon (ik kwam naderbij / zij kwamen naderbij). Bijbel (28). LXX (11). NT (15). Mt (14) Joh (1).
| proserchomai (naderbijgaan) | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | syn. | ev. | |
| 1 | part. aor. nom. mann. enk. proselthôn | 3 | (1) Mc 1,31. | (2) Mc 12,28. | (3) Mc 14,45. | 28 | 5 | 23 | 14 | 3 | 3 | 3 | 20 | 20 | ||||
| 2 | part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes | 2 | (1) Mc 6,35. | (2) Mc 10,2. | 23 | 6 | 17 | 11 | 2 | 3 | 1 | 16 | 16 | |||||
| 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 111 | 40 | 71 | 49 | 5 | 8 | 1 | 7 | 1 | 62 | 63 |
- Hebreeuws: act. qal piel perf. 3de pers. mv. נִגְּשׁוּ = niggësjû (zij traden naderbij) van het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj
(naderen, nader treden). Getalwaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (3): (1) Ex 34,32. (2) 1 S 7,10. (3) Ezr 9,1.
- וַיִּגְּשׁוּ = wajjiggasjû (en zij naderden) < wa-consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. נָגַשׁ = nâgasj (naderen, nader treden). Taalgebruik in Tenakh: nâgasj
(naderen, nader treden). Getalwaarde: nun = 14 of 50 , gimel = 3 , sjin = 21 of 300 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 353 (spiegelgetal). De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (13): (1) Gn 19,9. (2) Gn 43,19. (3) Gn 45,4. (4) Ex 32,6. (5) Nu 32,16. (6) Joz 8,11. (7) Joz 14,6. (8) Joz 21,1. (9) 1 K 18,20. (10) 2 K 2,5. (11) 2 K 5,13. (12) Jr 42,1. (13) Ezr 4,2. Een vorm van נגשׁ (n-g-sj) in Tenakh (111).
Mc 6,35.7. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,35.6. - 7. προσελθοντες αυτῳ = proselthontes autô(i) (gekomen bij). Bijbel (2): (1) Jdt 7,8. (2) Mc 6,35.
Mc 6,35.8. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,35.7. - 8. αυτῳ οἱ = autô(i) hoi (aan hem de). LXX (30). NT (32).
Mc 6,35.9. nom. mann. mv. μαθηται = mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in de LXX: mathètès (leerling). Bijbel = NT (106). Mc (17). (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. (3) Mc 5,31. (4) Mc 6,1. (5) Mc 6,29. (6) Mc 6,35. (7) Mc 7,5. (8) Mc 7,17. (9) Mc 8,4. (10) Mc 8,27. (11) Mc 9,28.. (12) Mc 10,10. (13) Mc 10,13. (14) Mc 10,24. (15) Mc 11,14. (16) Mc 14,12. (17) Mc 14,16. Een vorm van μαθητης = mathètès (leerling) in de LXX (-) , in het NT (262).
| mathètès (leerling) | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 5 | nom. mv. mathètai | 2 : (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. | 1 : Mc 5,31 | 3 : (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,35. | 2 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,17. | 2 : (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,27. | 1 : Mc 9,28. | 3 : (1) Mc 10,10. (2) Mc 10,13. (3) Mc 10,24. | 1 : Mc 11,14. | 2 : (1) Mc 14,12. (2) Mc 14,16. | 105 | 105 | 38 | 17 | 10 | 36 | 4 | 65 | 101 |
8. - 9. οἱ μαθηται = hoi mathètai (de leerlingen). Bijbel = NT (91).
Mc 6,35.7. - 9. αυτῳ οἱ μαθηται = autô(i) hoi mathètai (aan hem de leerlingen). NT (17): (1) Mt 5,1. (2) Mt 8,23. (3) Mt 9,14. (4) Mt 13,36. (5) Mt 14,15. (6) Mt 15,33. (7) Mt 19,10. (8) Mt 24,3. (9) Mc 5,31. (10) Mc 6,1. (11) Mc 6,35. (12) Mc 8,4. (13) Mc 14,12. (14) Lc 7,11. (15) Lc 9,18. (16) Joh 11,8. (17) Joh 16,29.
Mc 6,35.10. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
9. - 10. μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen). NT (58). Mt (19). Mc (13). Lc (7). Joh (19).
Mc 6,35.8. - 10. οἱ μαθηται αυτου = oi mathètai autou (zijn leerlingen). Mc (11 / 17). Niet in (1) Mc 2,18. (2) Mc 7,5. (3) Mc 10,10. (4) Mc 10,13. (5) Mc 10,24. (6) Mc 14,16.
Mc 6,35.11. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ελεγον = elegon (zij zeiden) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Mc (18): (1) Mc 2,16. (2) Mc 2,24. (3) Mc 3,21. (4) Mc 3,22. (5) Mc 3,30. (6) Mc 4,41 (pros allèlous = tot elkaar). (7) Mc 5,31. (8) Mc 6,14. (9) Mc 6,15. (10) Mc 6,35. (11) Mc 11,5. (12) Mc 11,28. (13) Mc 14,2. (14) Mc 14,31. (15) Mc 14,70. (16) Mc 15,31. (17) Mc 15,35 (pros heautas = tot zichzelf). (18) Mc 16,3. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 3 (12) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925).Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
- Hebreeuws: וַיּאֹמְרוּ = wajjô´mërû (en zij zeiden) < prefix waw consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. אמר = ´-m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalwaarde: aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (304).
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). D.: sprechen (spreken). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere.
| legô (zeggen). V.T. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| act. ind. imperf. 3de pers. mv. elegon | 18 | 2 | 3 | 1 | 1 | 3 | 2 | 3 | 2 | 1 | 95 | 21 | 74 | 8 | 18 | 4 | 31 |
- Hierna worden de sprekers geciteerd.
Mc 6,35.12. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc 6 (9): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,15. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,34. (7) Mc 6,35. (8) Mc 6,49. (9) Mc 6,55.
| hoti ( dat , omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
Mc 6,35.13. מִדְבָּר = midëbâr (woestijn, woestenij). Taalgebruik in Tenakh: midëbâr (woestijn, woestenij). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 246 (2 X 3 X 41). Structuur: 4 - 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (83). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (17). Latere Profeten (24). 12 Kleine
Profeten (4). Geschriften (20). Js (9): (1) Js 16,8. (2) Js 21,1. (3) Js 32,15. (4) Js 35,1. (5) Js 41,18. (6) Js 42,11. (7) Js 50,2. (8) Js 63,1. (9) Js 64,9. NT (4): (1) Mt
14,15 // Mc
6,35. (2) Mt
23,38. (3) Mc
6,35 // Mt
14,15. (4) Hnd
8,26.
- ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats). Taalgebruik in het NT: erèmos (woestijn). Taalgebruik in de LXX: erèmos (woestijn). Een vorm van ερημος = erèmos (woestijn, eenzame plaats) in de LXX (386) , in het NT (47). In 3 van de 9 verzen komt een vorm van ερημος = erèmos (eenzaam) voor in Mc 6: (1) Mc
6,31. (2) Mc
6,32. (3) Mc
6,35.
- Een plaats is eenzaam om tot rust te komen. Een huis is verlaten nadat de bewoners zijn gevlucht , gestorven of gedood. Een weg is verlaten.
- heremiet < herèmitos: kluizenaar. désert < Latijnse de-sertus: verlaten ; serere , sertum: aaneenrijgen , aaneenschakelen. Fr. désert.
| erèmos (woestijn) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. enk. erèmos | 32 | 28 | 4 | 2 | 1 | 1 | 3 | 3 | ||||||
| totaal | 387 | 340 | 47 | 8 | 9 | 10 | 5 | 8 | 4 | 3 | 27 | 32 | 4 |
| erèmos (woestijn) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. enk. erèmos | 32 | 28 | 4 | 2 : (1) Mt 14,15. (2) Mt 23,38. | 1 : Mc 6,35. | 1 : Hnd 8,26. | 3 : (1) Mt 14,15 // Mc 6,35. | 3 |
Mc 6,35.15. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,35.16. nom. mann. enk. topos (plaats). Taalgebruik in het NT: topos (plaats). Taalgebruik in de LXX: topos (plaats). Taalgebruik in Mc: topos (plaats). Een vorm van in de LXX (613) , in het NT (95) , in Mc (10). L. locus. F. place. N. plaats. E. place. D. Stätte. Bijbel (76). OT (60). NT (16). Mc (4): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,35. (3) Mc 15,22. (4) Mc 16,6. Vertaling van het Hebreeuws hammâqôm (de plaats) < bepaald lidw. ha + maqôm (plaats, verblijfplaats). Taalgebruik in Tenakh: maqôm (plaats, verblijfplaats). Getalwaarde: mem = 13 of 40 , qoph = 19 of 100 , waw = 6 ; totaal: 51 (3 X 17) OF 186 (2 X 3 X 31). Structuur: 4 - 1 - 6 - 4. Tenakh (114). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (26). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (14). In Tenakh kan hammâqôm (de plaats) verwijzen naar de tempelberg Sion , de woonplaats van JHWH.
Mc 6,35.17. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,35.19.
nom. + dat. vr. enk. hôra(i) (uur) van het zelfst. naamw. hôra (uur). Taalgebruik in het N.T.: hôra
(uur). Taalgebruik in Mc: hôra
(uur).
Mc (6): (1) Mc
6,35. (2) Mc
13,11. (3) Mc
14,35. (4) Mc
14,41. (5) Mc
15,25. (6) Mc
15,34.
gen. vr. enk. hôras. Mc (4): (1) Mc
6,35. (2) Mc
11,11. (3) Mc
13,32. (4) Mc
15,33.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,36 - Mc 6,36: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [36] Send them away, that they may go into the country
round about, and into the villages, and buy themselves bread: for they have
nothing to eat.
Luther-Bibel. 36 lass sie gehen, damit sie in die Höfe und Dörfer ringsum gehen
und sich Brot kaufen.
| 36ἀπόλυσον αὐτούς, ἵνα ἀπελθόντες εἰς τοὺς κύκλῳ ἀγροὺς καὶ κώμας ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς τί φάγωσιν. | : ἀπόλυσον τοὺς ὄχλους, ἵνα ἀπελθόντες εἰς τὰς κώμας ἀγοράσωσιν ἑαυτοῖς βρώματα. | Ἀπόλυσον τὸν ὄχλον, ἵνα πορευθέντες εἰς τὰς κύκλῳ κώμας καὶ ἀγροὺς καταλύσωσιν καὶ εὕρωσιν ἐπισιτισμόν, ὅτι ὧδε ἐν ἐρήμῳ τόπῳ ἐσμέν. |
Tekstuitleg van Mc 6,36.
2. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) van het voornaamw. autos. Taalgebruik
in het N.T.: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos.
Mc 6 (6): (1) Mc
6,7. (2) Mc
6,33. (3) Mc
6,34. (4) Mc
6,36. (5) Mc
6,48. (6) Mc
6,51.
5. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
6. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
7. kuklô(i) (rondom). Taalgebruik in het N.T.: kuklô(i)
(rondom). Taalgebruik in Mc: kuklô(i)
(rondom).
Mc (3): (1) Mc
3,34. (2) Mc
6,6. (3) Mc
6,36.
9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,37 - Mc 6,37: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [37] He answered and said unto them, Give ye them to eat.
And they say unto him, Shall we go and buy two hundred pennyworth of bread,
and give them to eat?
Luther-Bibel. 37 Er aber antwortete und sprach zu ihnen: Gebt ihr ihnen zu
essen! Und sie sprachen zu ihm: Sollen wir denn hingehen und für zweihundert
Silbergroschen Brot kaufen und ihnen zu essen geben?
Tekstuitleg van Mc 6,37. Het vers Mc 6,37 telt 21 (3 X 7) woorden en 124 (2² X 31) letters. De getalswaarde van Mc 6,37 is 14368 (2² X 2³ X 449).
| Mc 6,37 | Mt 14,16 | |||
| 37 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς, Δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. καὶ λέγουσιν αὐτῷ, Ἀπελθόντες ἀγοράσωμεν δηναρίων διακοσίων ἄρτους καὶ δώσομεν αὐτοῖς φαγεῖν; | 16 ὁ δὲ [Ἰησοῦς] εἶπεν αὐτοῖς, Οὐ χρείαν ἔχουσιν ἀπελθεῖν: δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. | 13εἶπεν δὲ πρὸς αὐτούς, Δότε αὐτοῖς ὑμεῖς φαγεῖν. |
Mc 6,37.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,37.1. - 2. δε ὁ = de ho (echter de). Mc (8): (1) Mc 2,5. (2) Mc 6,16. (3) Mc 8,29. (4) Mc 9,25. (5) Mc 10,14. (6) Mc 14,44. (7) Mc 15,7. (8) Mc 15,39. δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw.. NT (584).
- ὁ δε = ho de (hij echter). Mc (): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,45. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,34. (5) Mc 5,36. (6) Mc 5,40. (7) Mc 6,27. (8) Mc 6,37. (9) Mc 6,38. (10) Mc 7,6. (11) Mc 7,27. (12) Mc 8,33. (13) Mc 9,12. (14) Mc 9,19. (15) Mc 9,21. (16) Mc 9,23. (17) Mc 9,27. (18) Mc 9,39. (19) Mc 10,3. (20) Mc 10,18. (21) Mc 10,20. (22) Mc 10,21. (23) Mc 10,22. (24) Mc 10,24. (25) Mc 10,36. (26) Mc 10,38. (27) Mc 10,42. (28) Mc 10,48. (29) Mc 10,50. (30) Mc 10,51. (31) Mc 10,52. enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter). NT (698).
- και ὁ = kai ho (en de). Mc 10 (17): (1) Mc 2,22. (2) Mc 4,25. (3) Mc 4,27. (4) Mc 4,41. (5) Mc 7,10. (6) Mc 10,33. (7) Mc 11,33. (8) Mc 12,20. (9) Mc 12,21. (10) Mc 12,26. (11) Mc 12,34. (12) Mc 12,37. (13) Mc 13,2. (14) Mc 13,16. (15) Mc 14,9. (16) Mc 14,10. (17) Mc 14,54. και = kai + een vorm van het bep. lidw.. NT (1489).
- ὁ δε = ho de (hij echter) in Mc 6 (3): (1) Mc
6,27. (2) Mc 6,37. (3) Mc 6,38.
Mc 6,37.3. part. aor. nom. mann. enk. αποκριθεις = apokritheis (geantwoord) van het werkw. αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in de LXX: apokrinomai (antwoorden). Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden). Mc (14): (1) Mc 3,33. (2) Mc 6,37. (3) Mc 8,29. (4) Mc 9,5. (5) Mc 9,19. (6) Mc 10,3. (7) Mc 10,24. (8) Mc 10,51. (9) Mc 11,14. (10) Mc 11,22. (11) Mc 12,35. (12) Mc 14,48. (13) Mc 15,2. (14) Mc 15,12. Een vorm van αποκρινομαι = apokrinomai (antwoorden) in de LXX (277) , in het NT (231) , in Mt (55) , in Mc (30) , in Lc (46) , in Joh (78).
| apokrinomai (antwoorden) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | part. aor. nom. mann. enk. apokritheis | 14 | (1) Mc 3,33. | (2) Mc 6,37. | (3) Mc 8,29. | (4) Mc 9,5. (5) Mc 9,19. | (6) Mc 10,3. (7) Mc 10,24. (8) Mc 10,51. | (9) Mc 11,14. (10) Mc 11,22. | (11) Mc 12,35. | (12) Mc 14,48. | (13) Mc 15,2. (14) Mc 15,12. | 124 | 30 | 94 | 43 | 14 | 33 | 4 | 90 | 90 |
Mc 6,37.1. - 3. και αποκριθεις = kai apokritheis (en beantwoord) of ὁ δε () αποκριθεις = ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. Mc (13 / 14). Niet in Mc 8,29.
- και αποκριθεις = kai apokritheis (en beantwoord). Mc 7 / 14: (1) Mc 3,33. (2) Mc 9,5. (3) Mc 10,51. (4) Mc 11,14. (5) Mc 11,22. (6) Mc 12,35. (7) Mc 14,48.
- ὁ δε () αποκριθεις = ho de (...) apokritheis (hij echter beantwoord. (Mc 6 / 14). (1) Mc 6,37. (2) Mc 9,19. (3) Mc 10,3. (4) Mc 10,24. (5) Mc 15,2. (6) Mc 15,12.
Mc 6,37.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Mc (56). Mc 10 (11): (1) Mc 10,3. (2) Mc 10,5. (3) Mc 10,14. (4) Mc 10,18. (5) Mc 10,21. (6) Mc 10,36. (7) Mc 10,38. (8) Mc 10,39. (9) Mc 10,49. (10) Mc 10,51. (11) Mc 10,52. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925).
| legô (zeggen). V.T. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. aor. 3de p. enk. eipen | 56 | 1 | 1 | 1 | 2 | 3 | 3 | 3 | 2 | 5 | 11 | 3 | 8 | 1 | 9 | 1 | 2 | 3024 | 2426 | 598 | 118 | 56 | 223 | 114 | 75 | 7 | 5 | 397 | 511 |
- וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordsvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. -m-r. (1) act. qal perf. 3de pers. mann. enk. אָמַר = ´âmar (hij zegt). (2) act. qal imperf. 1ste pers. enk. אֹמַר = ´omar (ik zeg).Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalswaarde: aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315).
- Ned.: zeggen. Arabisch: قَالَ = qâla (zeggen). Taalgebruik in de Qoran: qâla (zeggen). Aramees: קְרָא = qërâ´ (roepen). D.: sagen (zeggen). E.: to say. Fr.: dire. Grieks: λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in NT: legô (zeggen). Hebreeuws: אָמַר = ´âmar (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Lat.: legere. l (قَالَ = qâla) en r (קְרָא = qâra) liggen dicht bij elkaar. Orgaan van roepen is de stem ; zie Hebreeuws:קוֹל = qôl (stem, roep). Taalgebruik in Tenakh: qôl (stem).
- In het werkw. אָמַר = ´âmar (zeggen) zit het woord אְמ = ´em (moeder) ; om erop te wijzen dat een taal allereerst een moedertaal is ? Beide woorden beginnen met aleph , de eerste letter van het alfabet en duiden een begin aan.
1. - 4. ὁ δε () αποκριθεις ειπεν = ho de (...) apokritheis eipen (hij echter beantwoord zei.. LXX (1): Gn 18,9. NT (26). Mc (6): (1) Mc 6,37. (2) Mc 7,6. (3) Mc 9,12. (4) Mc 10,3. (5) Mc 10,20. (6) Mc 14,20. (7) Mc 15,2.
Mc 6,37.5. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
4. - 5. ειπεν αυτοις = eipen autois (hij zei hen). LXX (101). NT (113). Mc 6 (2): (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,37.
Mc 6,37.1.
- 2. 4. - 5. ὁ δε... ειπεν αυτοις == ho de... eipen autois (hij echter zei hen). Mc (4): (1) Mc
6,37. (2) Mc
7,6. (3) Mc
10,3. (4) Mc
14,20.
- ὁ δε ειπεν αυτοις = ho de eipen autois (hij echter zei hen). NT (15): (1) Mt 12,3. (2) Mt 12,11. (3) Mt 13,52. (4) Mt 19,11. (5) Mc 10,36. (6) Lc 17,37. (7) Lc 18,29. (8) Lc 20,25. (9) Lc 22,10. (10) Lc 22,25. (11) Lc 22,38. (12) Joh 4,32. (13) Joh 9,15. (14) Joh 20,25. (15) Joh 21,6.
- ὁ δε () αποκριθεις ειπεν αυτοις = ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen). NT (11): (1) Mt
12,39. (2) Mt
13,11. (3) Mt
13,37. (4) Mt 15,3. (5) Mt 16,2. (6) Mt
19,4. (7) Mc
6,37. (8) Mc
7,6. (9) Mc 9,12. (10) Mc
10,3. (11) Mc
14,20.
- = ho de efè autois (hij echter zei hen). Mc (1): Mc
9,12.
Mc 6,37.6. act. imperat. 2de pers. mann. enk. תֵן / תֶן = then / thèn van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik
in Tenakh: nâthan
(geven). Getalswaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50
of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (12): (1) Gn 14,21. (2) 2 K 4,42. (3) 2 K 4,43. (4) Jr 18,21. (5) Hos 9,14. (6) Ps 28,4. (7) Ps 72,1. (8) Ps 115,1. (9) Spr 9,9. (10) Pr 11,2. (11) 1
Kr 29,19. (12) 2 Kr 1,10.
- act. imperat. perf. 2de pers. mann. mv. תְנוּ = thënû (geeft) van het werkw. נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik in Tenakh: nâthan (geven). Getalwaarde: nun = 14 of 50 , thaw = 22 of 400 ; totaal: 50 of 500. Structuur: 5 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (23): (1) Gn 23,4. (2) Gn 34,8. (3) Ex 7,9. (4) Ex 17,2. (5) Joz 20,2. (6) Re 8,5. (7) Re 20,13. (8) 1 S 11,12. (9) 1 S 17,10. (10) 2 S 20,21. (11) 1 K 3,26. (12) 1 K 3,27. (13) Jr 13,16. (14) Jr 22,3. (15) Jr 29,6. (16) Jr 48,9. (17) Ps 68,35. (18) Spr 31,6. (19) Spr 31,31. (20) Ezr 10,11. (21) 2 Kr 22,19. (22) 2 Kr 30,8. (23) 2 Kr 35,3.
- Grieks. act. imperat. aor. 2de pers. mv. δοτε = dote (geeft) van het werkw. διδωμι = didômi
(geven). Taalgebruik in het NT: didômi
(geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi
(geven). NT (14): (1) Mt 10,8. (2) Mt
14,16. (3) Mt 25,8. (4) Mt
25,28. (5) Mc 6,37. (6) Lc 9,13. (7) Lc
11,41. (8) Lc
12,33. (9) Lc 15,22. (10) Lc 19,24. (11) Hnd
8,19. (12) Rom 12,19. (13) Apk 14,7. (14) Apk 18,7. Een vorm van διδωμι = didômi
(geven) in Lc in 54 verzen , in Lc 9 (3): (1) Lc
9,1. (2) Lc
9,13. (3) Lc
9,16. In Lc: X vormen van didômi (geven) in 54 verzen in 20 / 24
hoofdstukken. In Hnd: X vormen van didômi (geven) in 34 verzen in 18
/ 28 hoofdstukken.
- act. imperat. aor. 2de pers. enk. δος = dos (geef) van het werkw. διδωμι = didômi (geven). Taalgebruik in het NT: didômi (geven). Taalgebruik in de Septuaginta: didômi (geven). Bijbel (89). OT (73). NT (16). (1) Mt 5,42. (2) Mt 6,11. (3) Mt 14,8. (4) Mt 17,27. (5) Mt 19,21. (6) Mc 10,21. (7) Mc 10,37. (8) Lc 12,58. (9) Lc 14,9. (10) Lc 15,12. (11) Joh 4,7. (12) Joh 4,10. (13) Joh 4,15. (14) Joh 6,34. (15) Joh 9,24. (16) Hnd 4,29.
| didômi (geven) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. imperat. aor. 2de pers. enk. dos | 89 | 73 | 16 | 5 | 2 | 3 | 5 | 1 | 10 | 15 | |||||
| act. imperat. aor. 2de pers. mv. dote | 50 | 36 | 14 | 4 | 1 | 5 | 1 | 1 | 2 | 10 | 10 | 1 | |||
| Totaal | 2131 | 416 | 56 | 39 | 60 | 76 | 35 | 72 + 4 | 58 | 155 | 231 | 76 | 16 |
- Ned.: geven. D.: geben. E.: to give. Fr.: donner
- don: geven - gave. Grieks: διδωμι = didômi (geven). Hebreeuws: נָתַן = nâthan (geven). Taalgebruik
in Tenakh: nâthan
(geven). Lat. dare / donare - donum.
- Een profeet wil attent maken waarop het aankomt , op de goddelijke grondwet , op de thorah waarin de woorden van God neergeschreven staan. Eén wet ervan is de hongerigen spijzen.
Mc 6,37.7. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
Mc 6,37.6. - 7. δοτε αυτοις = dote autois (geeft aan hen). Bijbel = NT (3): (1) Mt 14,16. (2) Mc 6,37. (3) Lc 9,13.
Mc 6,37.8. persoonl. voornaamw. 2de pers. nom. mann. mv. ὑμεις = humeis (jullie). Zie Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (10): (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,37. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,18. (5) Mc 8,29. (6) Mc 11,17. (7) Mc 13,9. (8) Mc 13,11. (9) Mc 13,23. (10) Mc 13,29. Lc (20): (1) Lc 9,13. (2) Lc 9,20. (3) Lc 9,44. (4) Lc 10,24. (5) Lc 11,13. (6) Lc 11,39. (7) Lc 11,48. (8) Lc 12,24. (9) Lc 12,29. (10) Lc 12,36. (11) Lc 12,40. (12) Lc 16,15. (13) Lc 17,10. (14) Lc 19,46. (15) Lc 21,31. (16) Lc 22,26 . (17) Lc 22,28. (18) Lc 22,70. (19) Lc 24,48. (20) Lc 24,49. Het is ook een vocatief zijn.
| pers. vnw. 2de p. mv. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| nom. mv. humeis | 506 | 284 | 222 | 29 | 10 | 20 | 62 | 24 | 77 | 59 | 121 | |
| totaal | 4034 | 2377 | 1657 | 224 | 69 | 205 | 219 | 116 | 813 | 11 | 498 | 717 |
Mc 6,37.9. act. infinitief aor (2de) φαγειν = fagein (te eten) van het werkw. εσθιω = esthiô (eten). Taalgebruik in het NT: esthiô (eten). Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten). Mt (6): (1) Mt 12,4. (2) Mt 14,16. (3) Mt 15,20. (4) Mt 25,25. (5) Mt 25,42. (6) Mt 26,17. Mc (5): (1) Mc 2,26. (2) Mc 3,20. (3) Mc 5,43. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,37. Lc (5): (1) Lc 6,4. (2) Lc 8,55. (3) Lc 9,13. (4) Lc 14,1. (5) Lc 22,15.
| esthiô (eten) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. infinitief aor (2de) fagein | 97 | 64 | 33 | 6 | 5 | 5 | 4 | 2 | 8 | 3 | 16 | 20 | 8 | ||
| totaal fagô | 94 | 13 | 17 | 21 | 15 | 6 | 16 | 6 | 51 | 66 | 15 | 1 |
- act. qal inf. absol. אָכוֹל = ´âkhôl (om te eten) van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten). Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal (eten) . De getalswaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is: aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17). Structuur: 1 - 2 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (9): (1) Gn 31,15. (2) Lv 10,18. (3) 2 K 19,29. (4) Js 21,5. (5) Js 22,13. (6) Js 37,30. (7) Jl 2,26. (8) Hag 1,6. (9) 2 Kr 31,10.
- act. qal inf. absol. אָכֹל = ´âkhol (om te eten) van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten). Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal (eten) . De getalswaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is: aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17). Structuur: 1 - 2 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (5): (1) Gn 2,16. (2) 1 S 14,30. (3) 2 K 4,43. (4) Js 22,13. (5) Spr 25,27. Een vorm van אָכַל = ´âkhal (eten) in Tenakh (683). In de LXX zijn vele (werk)woorden de vertaling van אָכַל = ´âkhal (eten).
Mc 6,37.6. - 9. δοτε αυτοις ὑμεις φαγειν = dote autois humeis fagein (geeft jullie aan hen te eten). Of jullie moeten hen geven te eten. Bijbel = NT (3): (1) Mt 14,16. (2) Mc 6,37. (3) Lc 9,13.
Mc 6,37. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,37.11.
act. ind. pr. 3de pers. mv. legousin (zij zeggen). Taalgebruik in N.T.: legô
(zeggen). Taalgebruik in Mc: legô
(zeggen).
Mc (16). Mc 6 (2) : (1) Mc
6,37. (2) Mc
6,38. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc
6,4. (3) Mc
6,10. (4) Mc
6,14. (5) Mc
6,15. (6) Mc
6,16. (7) Mc
6,18. (8) Mc
6,25. (9) Mc
6,31. (10) Mc
6,35. (11) Mc
6,37. (12) Mc
6,38. (13) Mc
6,38. (14) Mc
6,50.
12. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Mc (109). Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,19. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,35. (7) Mc 6,37.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | dat. mann. enk. autô(i) | 109 | 10 | 6 | 4 | 3 | 9 | 7 | 3 | 9 | 7 | 14 | 5 | 6 | 2 | 16 | 8 | 2475 | 1686 | 789 | 159 | 109 | 144 | 153 | 79 | 114 | 31 | 412 | 565 | |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,37.18. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,37.20. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,38 - Mc 6,38: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [38] He saith unto them, How many loaves have ye? go and
see. And when they knew, they say, Five, and two fishes.
Luther-Bibel. 38 Er aber sprach zu ihnen: Wie viel Brote habt ihr? Geht hin
und seht! Und als sie es erkundet hatten, sprachen sie: Fünf und zwei Fische.
Tekstuitleg van Mc 6,38.
| 38ὁ δὲ λέγει αὐτοῖς, Πόσους ἄρτους ἔχετε; ὑπάγετε ἴδετε. καὶ γνόντες λέγουσιν, Πέντε, καὶ δύο ἰχθύας. | 17οἱ δὲ λέγουσιν αὐτῷ, Οὐκ ἔχομεν ὧδε εἰ μὴ πέντε ἄρτους καὶ δύο ἰχθύας. 18ὁ δὲ εἶπεν, Φέρετέ μοι ὧδε αὐτούς. | οἱ δὲ εἶπαν, Οὐκ εἰσὶν ἡμῖν πλεῖον ἢ ἄρτοι πέντε καὶ ἰχθύες δύο, εἰ μήτι πορευθέντες ἡμεῖς ἀγοράσωμεν εἰς πάντα τὸν λαὸν τοῦτον βρώματα. 14ἦσαν γὰρ ὡσεὶ ἄνδρες πεντακισχίλιοι. εἶπεν δὲ πρὸς τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ, |
Mc 6,38.1. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,38.3. act. ind. pr. 3de pers. enk. legei (hij zegt). Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc (62). Mc 6 (3): (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,38. (3) Mc 6,50. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
Mc 6,38.4. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
Mc 6,38.8.
act. imperat. praes. 2de pers. mv. hupagete (ga weg, vertrek) van
het werkw. hupagô (onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in het N.T.: hupagô
(onder iets brengen, weggaan). Taalgebruik in Mc: hupagô
(onder iets brengen, weggaan).
Mc (4: vierkant ABCD): (1) Mc
6,38 (A). (2) Mc
11,2 (B). (3) Mc
14,13 (C). (4) Mc
16,7 (D). In 3 verzen is het een woord van Jezus: (1) Mc
6,38. (2) Mc
11,2. (3) Mc
14,13.
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv.. (1) Mc
6,38: hupagete idete (ga , zie = ga zien). (2) Mc
16,7: hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen). Zijde A-D van het vierkant
ABCD.
- kai legei autois hupagete eis tèn kômèn / polin (en hij
zegt hen: ga naar het dorp / de stad). Mc (2): (1) Mc
11,2. (2) Mc
14,13. Zijde BC van het vierkant ABCD.
Mc 6,38.10. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,38.12. act. ind. pr. 3de pers. mv. legousin (zij zeggen). Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Mc (16). Mc 6 (2) : (1) Mc 6,37. (2) Mc 6,38. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
Mc 6,38.14. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Duality
- hupagete (ga) gevolgd door een imperatief 2de pers. mv.. (1) Mc 6,38: hupagete idete (ga , zie = ga zien). (2) Mc 16,7: hupagete eipate (ga, zeg = ga zeggen).
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,39 - Mc 6,39: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [39] And he commanded them to make all sit down by companies
upon the green grass.
Luther-Bibel. 39 Und er gebot ihnen, dass sie sich alle lagerten, tischweise,
auf das grüne Gras.
| 39καὶ ἐπέταξεν αὐτοῖς ἀνακλῖναι πάντας συμπόσια συμπόσια ἐπὶ τῷ χλωρῷ χόρτῳ. | Κατακλίνατε αὐτοὺς κλισίας [ὡσεὶ] ἀνὰ πεντήκοντα. |
Tekstuitleg van Mc 6,39.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
3. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
8. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
9. bep. lidw. dat. mann. enk. tô(i) (de). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc 6 (6): (1) Mc
6,18. (2) Mc
6,22. (3) Mc
6,28. (4) Mc
6,32. (5) Mc
6,39. (6) Mc
6,48.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,40 - Mc 6,40: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [40] And they sat down in ranks, by hundreds, and by fifties.
Luther-Bibel. 40 Und sie setzten sich, in Gruppen zu hundert und zu fünfzig.
| 40καὶ ἀνέπεσαν πρασιαὶ πρασιαὶ κατὰ ἑκατὸν καὶ κατὰ πεντήκοντα. | 19καὶ κελεύσας τοὺς ὄχλους ἀνακλιθῆναι ἐπὶ τοῦ χόρτου, | 15καὶ ἐποίησαν οὕτως καὶ κατέκλιναν ἅπαντας. |
Tekstuitleg van Mc 6,40.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
5. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het N.T.: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc
4,10. (2) Mc
5,13. (3) Mc
6,40. (4) Mc
7,5. (5) Mc
11,25. (6) Mc
13,8. (7) Mc
14,19. (8) Mc
14,55. (9) Mc
15,6.
7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
8. kata (tegen, volgens). Taalgebruik in het N.T.: kata
(tegen, volgens). Taalgebruik in Mc: kata
(tegen, volgens).
Mc (9): (1) Mc
4,10. (2) Mc
5,13. (3) Mc
6,40. (4) Mc
7,5. (5) Mc
11,25. (6) Mc
13,8. (7) Mc
14,19. (8) Mc
14,55. (9) Mc
15,6.
| Mc 6,41 - Mc 6,41: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [41] And when he had taken the five loaves and the two
fishes, he looked up to heaven, and blessed, and brake the loaves, and gave
them to his disciples to set before them; and the two fishes divided he among
them all.
Luther-Bibel. 41 Und er nahm die fünf Brote und zwei Fische und sah auf zum
Himmel, dankte und brach die Brote und gab sie den Jüngern, damit sie unter
ihnen austeilten, und die zwei Fische teilte er unter sie alle.
| 41καὶ λαβὼν τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησεν καὶ κατέκλασεν τοὺς ἄρτους καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς [αὐτοῦ] ἵνα παρατιθῶσιν αὐτοῖς, καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἐμέρισεν πᾶσιν. | λαβὼν τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας, ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησεν καὶ κλάσας ἔδωκεν τοῖς μαθηταῖς τοὺς ἄρτους οἱ δὲ μαθηταὶ τοῖς ὄχλοις. | 16λαβὼν δὲ τοὺς πέντε ἄρτους καὶ τοὺς δύο ἰχθύας ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν εὐλόγησεν αὐτοὺς καὶ κατέκλασεν καὶ ἐδίδου τοῖς μαθηταῖς παραθεῖναι τῷ ὄχλῳ. |
Tekstuitleg van Mc 6,41. Het vers Mc 6,41 telt 32 (2 X 2 X 2 X 2 X 2) woorden en 162 (2 X 3 X 3 X 3 X 3) letters. De getalwaarde van Mc 6,41 is 20319 (3 X 13 X 521).
Mc 6,41.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,41.2.
- Grieks. λαβων (= labôn: genomen; wkw act part aor nom mann enk van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab). Mc 6,41. Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Bijbel (86). LXX (46). NT (40). Pentateuch (27). Ex (9). Ex 24 (3): Ex 24,6 - Ex 24,7 - Ex 24,8. Mt (11): (1) Mt
13,31. (2) Mt
14,19. (3) Mt
17,27. (4) Mt
25,16. (5) Mt
25,18. (6) Mt
25,20. (7) Mt
26,26. (8) Mt
26,27. (9) Mt
27,24. (10) Mt
27,48. (11) Mt
27,59. Mc (5): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,22. (5) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
6,4. (2) Lc
9,16. (3) Lc
13,19. (4) Lc
20,29. (5) Lc
22,19. (6) Lc
24,30. (7) Lc
24,43. Joh (4): (1) Joh
3,33. (2) Joh
13,4. (3) Joh
13,30. (4) Joh
18,3. Een vorm van λαμβανω (= lambanô: nemen) in
het NT (258), in de LXX (1335). In Lc: X vormen van lambanô (nemen)
in 23 verzen in 11 / 24 hoofdstukken. In Hnd: X vormen van lambanô (nemen)
in 29 verzen in 18 / 28 hoofdstukken.
- λαβων δε (= labôn de: genomen hebbende echter). LXX (6): (1) Gn
31,45. (2) Gn 48,13. (3) Ex 24,6. (4) Ex
24,8. (5) 2 Mak 4,25. (6) Job 42,17. NT (1): Lc 9,16.
- και λαβων (= kai labôn: en genomen hebbende). LXX (15). NT (15). Synoptici: Mt (5): (1) Mt
14,19. (2) Mt
15,36.(3) Mt
26,27. (4) Mt
27,48. (5) Mt
27,59. Mc (4): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6. (3) Mc
9,36. (4) Mc
14,23. Lc (7): (1) Lc
22,19. (2) Lc
24,43. Joh (1): Joh
13,4.
-
Ned: nemen. Arabisch: أخذ = akhadha. Zie: http://www.arabischlexicon.com/157-akhadha-nemen-157115821584.html. D: nehmen. E: take. Fr: prendre. Grieks: λαμβανω (= lambanô: nemen). Taalgebruik in het NT: lambanô
(nemen). Hebreeuws: לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Lat: accipere (ad-capere = aan-grijpen, aannemen).
- . וַיּקַּח (= wajjiqqach: en hij nam; < prefix nevensch vw waw + wkw act qal imperf 3de pers mann enk van het wkw לָקַח = lâqach: nemen, grijpen, ontvangen). Taalgebruik in Tenakh: lâqach
(nemen, grijpen, ontvangen). Getalswaarde: lamed = 12 of 30, qoph = 19 of
100, chet = 8; totaal: 39 (3 X 13) OF 138 (2 X 3 X 23). Structuur: 3 - 1
- 8. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (199). Pentateuch (86). Eerdere Profeten (80). Latere Profeten (17). 12 Kleine
Profeten (1). Geschriften (15). Ex (15): (1) Ex
2,1. (2) Ex
4,20. (3) Ex
6,20. (4) Ex
6,23. (5) Ex
13,19. (6) Ex
14,7. (7) Ex
18,2. (8) Ex
18,12. (9) Ex
24,6. (10) Ex
24,7. (11) Ex
24,8. (12) Ex
32,4. (13) Ex
32,20. (14) Ex
34,4. (15) Ex
40,20.
Ex 24 (3). Ex
24,6 - Ex
24,7 - Ex
24,8 beginnen met וַיּקַּח = wajjiqqach (en hij nam). Een vorm van לָקַח (= lâqach: nemen, grijpen, ontvangen) in Tenakh (965).
Mc 6,41.3. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,41.6. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
7. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,41.10. act. ind. aor. 3de pers. enk. αναβλεψας = anablepsas (omhooggeblikt) van het werkw. αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken , opkijken). Taalgebruik in het NT: anablepô (naar boven blikken). Taalgebruik in de LXX: anablepô (naar boven blikken). Taalgebruik in Mc: anablepô (naar boven blikken). Bijbel (22): (1) Gn 13,14. (2) Gn 18,2. (3) Gn 22,4. (4) Gn 22,13. (5) Gn 24,63. (6) Gn 32,2. (7) Gn 33,1. (8) Gn 33,5. (9) Gn 43,29. (10) Dt 3,27. (11) Dt 4,19. (12) Joz 5,13. (13) Re 19,17. (14) Job 22,26. (15) Da 8,3. (16) Mt 14,19. (17) Mc 6,41. (18) Mc 7,34. (19) Mc 8,24. (20) Lc 9,16. (21) Lc 19,5. (22) Lc 21,1. Een vorm van αναβλεπω = anablepô (naar boven / omhoog blikken, opkijken) in de LXX (35) , in het NT (25) , in Mt (3): (1) Mt 11,5. (2) Mt 14,19. (3) Mt 20,34 ; in Mc (6): (1) Mc 6,41. (2) Mc 7,34. (3) Mc 8,24. (4) Mc 10,52. (5) Mc 10,51. (6) Mc 16,4 ; in Lc (7): (1) Lc 7,22. (2) Lc 9,16. (3) Lc 18,41. (4) Lc 18,42. (5) Lc 18,43. (6) Lc 19,5. (7) Lc 21,1.
| anablepô (naar boven blikken) | Mc | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 1 | act. ind. aor. 3de pers. enk. aneblepsen | 1 | (1) Mc 10,52. | 6 | 1 | 5 | 1 | 1 | 2 | 1 | 2 | 4 | |||||
| 2 | act. part. aor. nom. mann. enk. anablepsas | 3 | (1) Mc 6,41. | (2) Mc 7,34. | (3) Mc 8,24. | 22 | 15 | 7 | 1 | 3 | 3 | 7 | 7 | ||||
| 3 | act. part. aor. nom. vr. mv. anablepsasai | 1 | (1) Mc 16,4. | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||||
| 4 | act. conjunct. aor. 1ste pers. enk. anablepsô | 1 | (1) Mc 10,51. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| totaal | 6 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 31 | 16 | 15 | 1 | 6 | 5 | 2 | 1 | 12 | 14 |
Mc 6,41.11. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
12. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
10. - 13. STAP VOOR STAP !
- Mc 6,41: anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel).
- Mc 7,34: anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel).
14. act. ind. aor. 3de pers. enk. eulogèsen (hij zegende) van het werkw. eulogeô (goed spreken, loven, prijzen, zegenen). Taalgebruik in het N.T.: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in Mc: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Taalgebruik in de Septuaginta: eulogeô (goed spreken, loven, prijzen). Hebr. bârakh. Taalgebruik in Tenach: bârakh (zegenen, loven, prijzen). eulogeô = Lat. benedicere (benedijen). Fr. bénir. Ned. zegenen < signare (tekenen) , het signum (teken) van het kruis slaan. E. to bless. Mc (1) Mc 6,41. Hebr. waw consec. + piel imperf. 3de pers. mann. enk. wajëbhârèkh (en hij zegende). Tenach (33). Een vorm van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in Mc in 5 verzen: (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,7. (3) Mc 11,9. (4) Mc 11,10. (5) Mc 14,22. In Mc: 4 vormen van eulogeô (goed spreken, loven, prijzen) in 5 verzen in 4 hoofdstukken. In de verhalen van de broodvermenigvuldigingen , van de intocht van Jezus in Jeruzalem en van het laatste Avondmaal.
15. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
17. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
19. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
22. dat. man. mv. mathètais (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling). Taalgebruik in het N.T.: mathètès
(leerling). Taalgebruik in Mc: mathètès
(leerling). Bij Mc niet in het enk.
Mc (11). (1) Mc
2,15. (2) Mc
2,16. (3) Mc
3,9. (4) Mc
4,34. (5) Mc
6,41. (6) Mc
8,6. (7) Mc
8,34. (8) Mc
9,18. (9) Mc
10,23. (10) Mc
14,32. (11) Mc
16,7.
23. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
26. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
19. - 26: kai edidou tois mathètais autou ina paratithôsin ( niet in Mc 8,6 autois) = en hij gaf aan zijn leerlingen opdat zij hen zouden voorzetten. Mc (2): (1) Mc 6,41. (2) Mc 8,6.
27. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
28. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,42 - Mc 6,42: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [42] And they did all eat, and were filled.
Luther-Bibel. 42 Und sie aßen alle und wurden satt.
| 42καὶ ἔφαγον πάντες καὶ ἐχορτάσθησαν: | 20καὶ ἔφαγον πάντες καὶ ἐχορτάσθησαν, | 17καὶ ἔφαγον καὶ ἐχορτάσθησαν πάντες, |
Tekstuitleg van Mc 6,42.
Mc 6,42.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,42.2. act. ind. aor. 1ste pers. enk. en 3de pers. mv. εφαγον = efagon (zij aten). Zie het werkw. εσθιω = esthiô (eten). Taalgebruik in het NT: esthiô (eten). Taalgebruik in de LXX: esthiô (eten). Gr. εσθιω = esthiô , fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , EΝ het werkw. φαγω = fagô (eten). Bijbel (57). Pentateuch (15). NT (13): (1) Mt 12,4. (2) Mt 14,20. (3) Mt 15,37. (4) Mc 6,42. (5) Mc 8,8. (6) Lc 9,17. (7) Joh 6,23. (8) Joh 6,31. (9) Joh 6,49. (10) Joh 6,58. (11) Hnd 10,14. (12) 1 Kor 10,3. (13) Apk 10,10. Een vorm van esθιω = esthiô in de LXX (686) , in het NT (65) , in Mt (11) , in Mc (11) , in Lc (12). Een vorm van φαγω = fagô in de LXX (zie εσθιω = esthiô) , in het NT (94) , in Mt (13) , in Mc (17) , in Lc (21) , in Joh (15).
- Hebreeuws: וַיּאֹכְלוּ = wajjo´khëlû (en zij aten) < wa consecutivum + act. ind. imperf. 3de pers. mann. mv. van het werkw. אָכַל = ´âkhal (eten). Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal (eten) . De getalwaarde van אָכַל = ´âkhal (eten) is: aleph = 1 , kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 24 (2³ X 3) of 51 (3 X 17). Structuur: 1 - 2 - 3. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (25). Pentateuch (5): (1) Gn 24,54. (2) Gn 26,30. (3) Gn 31,46. (4) Gn 31,54. (5) Ex 24,11. Vroege Profeten (10): (1) Joz 5,11. (2) Joz 5,12. (3) Re 9,27. (4) Re 19,4. (5) Re 19,6. (6) Re 19,8. (7) Re 19,21. (8) 2 K 4,44. (9) 2 K 6,23. (10) 2 K 7,8. Ps (2): (1) Ps 78,29. (2) Ps 106,28.
- Ned.: eten (vgl Gr. e -s-th-). Arabisch: أَكَلَ = ´akala (eten). Taalgebruik in de Qoran: ´akala (eten). Fr.: manger. E.: to eat. D.: essen. Grieks: εσθιω = esthiô (eten). Taalgebruik in het NT: esthiô (eten). Hebreeuws: אָכַל = ´âkhal (eten). Taalgebruik in Tenakh: ´âkhal (eten) . Lat.: manducare (zie manger) ; comedere (eten, verteren, meeëten).
Mc 6,42.1. - 2. και εφαγον = kai efagon (en zij aten). LXX (26). NT (4): (1) Mt 14,20. (2) Mt 15,37. (3) Mc 6,42. (4) Lc 9,17.
Mc 6,42.3. nom. mann. + vr. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. πας = pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Een vorm van πας = pas (ieder, elk, alles) in de LXX (6833) , in het NT (1226). In Lc: X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 149 verzen , in Lc 15 (4): (1) Lc 15,1. (2) Lc 15,13. (3) Lc 15,14. (4) Lc 15,31.
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. m. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebreeuws. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692).
- Lat. omnis. Ned. al. E. all. D. allerlei. Arabisch: كُلّ = kull (al). Taalgebruik in de Qoran: kull (al).
Mc 6,42.2. - 3. εφαγον παντες = efagon pantes (allen aten). NT (3): (1) Mt 14,20. (2) Mt 15,37. (3) Mc 6,42.
Mc 6,42.4. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,42.5. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εχορασθησαν = echorasthèsan (zij werden verzadigd) van het werkw. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Taalgebruik in het NT: chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Taalgebruik in de LXX: chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Bijbel (7): (1) Ps 17,14. (2) Mt 14,20. (3) Mt 15,37. (4) Mc 6,42. (5) Mc 8,8. (6) Lc 9,17. (7) Apk 19,21. Zie website http://lexicon.katabiblon.com/index.php?lemma=%CF%87%CE%BF%CF%81%CF%84%E1%BD%B1%CE%B6%CF%89. Een vorm van χορταζω = chortazô in de LXX (13): (1) Jr 5,7. (2) Kl 3,15. (3) Kl 3,30. (4) Ps 17,14. (5) Ps 17,15. (6) Ps 37,19. (7) Ps 59,16. (8) Ps 81,17. (9) Ps 104,13. (10) Ps 104,16. (11) Ps 107,9. (12) Ps 132,15. (13) Job 38,27. In het NT (15): (1) Mt 5,6. (2) Mt 14,20. (3) Mt 15,33. (4) Mt 15,37. (5) Mc 6,42. (6) Mc 7,27. (7) Mc 8,4. (8) Mc 8,8. (9) Lc 6,21. (10) Lc 9,17. (11) Lc 15,16. (12) Lc 16,21. (13) Joh 6,26 . (14) Fil 4,12. (15) Jak 2,16. (16) Apk 19,21. In de LXX is het de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord שָׂבַע = shâbha`. In de LXX wordt שָׂבַע = shâbha` zelf door 7 verschillende Griekse (werk)woorden vertaald. Het is de vertaling van het Hebreeuwse werkwoord שָׂבַע = shâbha`.
- pass. ind. fut. 3de pers. mv. χορτασθησονται = chortasthèsontai (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. χορταζω = chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Taalgebruik in het NT: chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Taalgebruik in de LXX: chortazô (vet mesten, voeden, verzadigen). Bijbel (2): (1) Ps 37,19. Alfabetpsalm , letter jod (2) Mt 5,6.
- Hebreeuws: שָׁבָע = sjâbhâ` (zweren, vervolledigen / vervullen). Taalgebruik in Tenakh: sjâbhâ`(zweren). Taalgebruik in Dt: sjâbhâ`(zweren). Getalswaarde: sjin = 21 of 300 , beth = 2 , ajin = 16 of 70 ; totaal: 39 ( 3 X 13 of 26 + 13) of 372 (12 X 31). Structuur: 3 - 2 - 7. De som van de elementen is telkens 3.
- pass. fut. 3de pers. mv. saturabuntur (zij zullen verzadigd worden) van het werkw. saturare. Bijbel (8): (1) Dt 14,29. (2) Hos 4,10. (3) Ps 22,27. (4) Ps 37,19. (5) Ps 104,16. (6) Spr 1,31. (7) Job 27,14. (8) Mt 5,6.
Mc 6,42.4. - 5. και εχορασθησαν = kai echorasthèsan (en zij werden verzadigd). Bijbel = NT (5): (1) Mt 14,20. (2) Mt 15,37. (3) Mc 6,42. (4) Mc 8,8. (5) Lc 9,17.
Mc
6,42.1. - 5. και εφαγον παντες και εχορασθησαν = kai efagon pantes kai echorasthèsan (en allen aten en zij werden verzadigd). NT (3): (1) Mt 14,20. (2) Mt 15,37. (3) Mc 6,42.
- και εφαγον και εχορασθησαν παντες = kai efagon kai echorasthèsan pantes (en zij aten en allen werden verzadigd). NT (1): Lc 9,17.
- Hebreeuws: Bijbel (2): (1) Ps 78,29. (2) Neh 9,25.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,43 - Mc 6,43: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [43] And they took up twelve baskets full of the fragments,
and of the fishes.
Luther-Bibel. 43 Und sie sammelten die Brocken auf, zwölf Körbe voll, und von
den Fischen.
| Mc 6,43 | ||||
| 43καὶ ἦραν κλάσματα δώδεκα κοφίνων πληρώματα καὶ ἀπὸ τῶν ἰχθύων. | καὶ ἦραν τὸ περισσεῦον τῶν κλασμάτων δώδεκα κοφίνους πλήρεις. | 9:17 kai efagon kai echortasthèsan pantes kai èrthè to perisseusan autois klasmatôn kofinoi dôdeka |
Tekstuitleg van Mc 6,43.
1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
7. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,44 - Mc 6,44: 151. Eerste broodvermenigvuldiging - Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a -- bijbeloverzicht -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- taalgebruik -- Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [44] And they that did eat of the loaves were about five
thousand men.
Luther-Bibel. 44 Und die die Brote gegessen hatten, waren fünftausend Mann.
| 44καὶ ἦσαν οἱ φαγόντες [τοὺς ἄρτους] πεντακισχίλιοι ἄνδρες. | 21οἱ δὲ ἐσθίοντες ἦσαν ἄνδρες ὡσεὶ πεντακισχίλιοι χωρὶς γυναικῶν καὶ παιδίων. | καὶ ἤρθη τὸ περισσεῦσαν αὐτοῖς κλασμάτων κόφινοι δώδεκα. |
Tekstuitleg van Mc 6,44.
| Mc 6,44 | Mc 8,9 | Mc 8,19 | |||||||
| 4καὶ ἦσαν οἱ φαγόντες [τοὺς ἄρτους] πεντακισχίλιοι ἄνδρες. | ἦσαν δὲ ὡς τετρακισχίλιοι | ὅτε τοὺς πέντε ἄρτους ἔκλασα εἰς τοὺς πεντακισχιλίους, | |||||||
Mc 6,44. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse) οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) φαγόντες (= fagontes: etenden; wkw act part aor mann mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102) [τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d)] πεντακισχίλιοι (= pentakischilioi: vijfduizend; bv nw hoofdtelw nom mann mv). ἄνδρες (= andres: mannen; zn nom mann mv van het zn ανηρ = anèr: man).
Mc 6,44.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,44.2. ἦσαν (= èsan: zij waren; wkw act ind imperf 3de pers mv van het wkw ειμι: zijn; stam: es-; zie Ned:: is; Lat: esse). Taalgebruik
in het N.T.: eimi
(zijn). Taalgebruik in Mc: eimi
(zijn). Hebr. hâjâh. Lat. esse. Fr. être. Ned. zijn. E. to be.
Mc (16): (1) Mc
1,16. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,15. (4) Mc
2,18. (5) Mc
4,1. (6) Mc
6,31. (7) Mc
6,34. (8) Mc
6,44. (9) Mc
8,9. (10) Mc
9,4. (11): Mc
10,32. (12) Mc
12,20. (13) (1) Mc
14,4. (14) Mc
14,40. (15) Mc
14,56. (16) Mc
15,40.
Mc 6,44.1. - 2. kai èsan (en zij waren). Mc (3). In 2 / 7 van de omschrijv. structuur: (1) Mc 2,18. (2) Mc 9,4 + Mc 6,44.
Mc 6,44.3. οἱ (= hoi: de; bep lidw nom mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,44.4. φαγόντες (= fagontes: etenden; wkw act part aor mann mv bij het wkw εσθιω = esthiô: eten; fut εδομαι = edomai, aor εφαγον = efagon, perf εδηδως = edèdôs; wkw met verschillende stammen: Baeyens nr 136 blz 102).
Mc 6,44.5. [τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het)= ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,44.6. ἄρτους (= artous: broden; zn acc mann mv van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d)].
Mc 6,44.7. πεντακισχίλιοι (= pentakischilioi: vijfduizend; bv nw hoofdtelw nom mann mv).
Mc 6,44.8.
ἄνδρες (= andres: mannen; zn nom mann mv van het zn ανηρ = anèr: man). Taalgebruik
in het N.T.: anèr
(man). Taalgebruik in Mc: anèr
(man).
Mc (1): Mc
6,44. Een vorm van anèr (man) in 4 verzen in Mc: (1) Mc
6,20. (2) Mc
6,44. (3) Mc
10,2. (4) Mc
10,12.
- Mc 6,1 - Mc 6,2 - Mc 6,3 - Mc 6,4 - Mc 6,5 - Mc 6,6 - Mc 6,7 - Mc 6,8 - Mc 6,9 - Mc 6,10 - Mc 6,11 - Mc 6,12 - Mc 6,13 - Mc 6,14 - Mc 6,15 - Mc 6,16 - Mc 6,17 - Mc 6,18 - Mc 6,19 - Mc 6,20 - Mc 6,21 - Mc 6,22 - Mc 6,23 - Mc 6,24 - Mc 6,25 - Mc 6,26 - Mc 6,27 - Mc 6,28 - Mc 6,29 - Mc 6,30 - Mc 6,31 - Mc 6,32 - Mc 6,33 - Mc 6,34 - Mc 6,35 - Mc 6,36 - Mc 6,37 - Mc 6,38 - Mc 6,39 - Mc 6,40 - Mc 6,41 - Mc 6,42 - Mc 6,43 - Mc 6,44 - Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 -
We staan voor een dubbelverhaal: Mc 4,35-41 (Jezus stilt de storm) en Mc 6,45-52 (Jezus wandelt over het water).
| Mc 6,45 - Mc 6,45: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [45] And straightway he constrained his disciples to get
into the ship, and to go to the other side before unto Bethsaida, while he sent
away the people.
Luther-Bibel. 45 Und alsbald trieb er seine Jünger, in das Boot zu steigen
und vor ihm hinüberzufahren nach Betsaida, bis er das Volk gehen ließe.
Tekstuitleg van Mc 6,45. Het vers Mc 6,45 telt 22 (2 X 11) woorden en 108 (2² X 3³) letters. De getalswaarde van Mc 6,45 is 11320 (2³ X 5 X 283). Waarom zo'n haast ? Waarom moeten de leerlingen voor het afsluiten van de bijeenkomst vertrekken ? Waarom dwingt Jezus hen om in de boot te stappen ? Waarom laat hij zijn leerlingen zonder hem vertrekken ?
| Mc 6,45 | Mt 14,22 | Joh 6,16 - Joh 6,17 | ||
| Kai euthus ènagkasen tous mathètas autou embènai eis to ploion kai proagein eis to peran pros Bèthsaïdan heôs autos apoluei ton ochlon | kai eutheôs ènagkasen tous mathètas embènai eis to ploion kai proagein auton eis to peran eôs ou apolusè tous ochlous | 16 Ὡς δὲ ὀψία ἐγένετο, κατέβησαν οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἐπὶ τὴν θάλασσαν, 17 καὶ ἐμβάντες εἰς τὸ πλοῖον ἤρχοντο πέραν τῆς θαλάσσης εἰς Καπερναούμ. καὶ σκοτία ἤδη ἐγεγόνει καὶ οὐκ ἐληλύθει πρὸς αὐτοὺς ὁ Ἰησοῦς, |
Mc 6,45.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,45.2. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- ευθυς = euthus. Bij Mc in 40 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,18. (4) Mc 1,20. (5) Mc 1,21. (6) Mc 1,23. (7) Mc 1,28. (8) Mc 1,29. (9) Mc 1,30. (10) Mc 1,42. (11) Mc 1,43. (12) Mc 2,8. (13) Mc 2,12. (14) Mc 3,6. (15) Mc 4,5. (16) Mc 4,15. (17) Mc 4,16. (18) Mc 4,17. (19) Mc 4,29. (20) Mc 5,2. (21) Mc 5,29. (22) Mc 5,30. (23) Mc 5,42. (24) Mc 6,25. (25) Mc 6,27. (26) Mc 6,45. (27) Mc 6,50. (28) Mc 6,54. (29) Mc 7,25. (30) Mc 8,10. (31) Mc 9,15. (32) Mc 9,20. (33) Mc 9,24. (34) Mc 10,52. (35) Mc 11,2. (36) Mc 11,3. (37) Mc 14,43. (38) Mc 14,45. (39) Mc 14,72. (40) Mc 15,1. In Mc 6 steekt weer meer vaart en onrust in het verhaal. 5X wordt ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen) gebruikt.
- ευθεως = eutheôs. Bij Mc in één vers: Mc 7,35.
Mc 6,45.1. - 2. και ευθυς = kai euthus (en onmiddellijk). Hebr. וְהִנֵּה = wëhinneh (en zie). Tenakh (347). Pentateuch (114). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (70). 12 Kleine Profeten (16). Geschriften (36).
Mc 6,45.3. act. ind.aor. 3de pers. enk. ηναγκασεν = ènagkasen (hij dwong) van het werkw. αναγκαζω = anagkazô (dwingen, aandringen, eisen). Bijbel = NT (2): (1) Mt 14,22. (2) Mc 6,45. Een vorm van αναγκαζω = anagkazô (dwingen, aandringen, eisen) in de LXX (19) , in het NT (9). De enigste vorm in Mt en Mc.
Mc 6,45.4. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,45.5. acc. mann. mv. μαθητας = mathètas (leerlingen) van het zelfst. naamw. μαθητης = mathètès (leerling). Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling). Taalgebruik in de LXX: mathètès (leerling). Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling). Mt (10): (1) Mt 10,1. (2) Mt 12,49. (3) Mt 14,22. (4) Mt 15,32. (5) Mt 16,13. (6) Mt 26,45.. (7) Mt 20,17. (8) Mt 21,1. (9) Mt 22,16. (10) Mt 26,45. Mc (7): (1) Mc 6,45. (2) Mc 8,1. (3) Mc 8,27. (4) Mc 8,33. (5) Mc 9,14. (6) Mc 9,31. (7) Mc 12,43. Lc (13): (1) Lc 5,30. (2) Lc 6,13. (3) Lc 6,20. (4) Lc 9,14. (5) Lc 9,43. (6) Lc 10,23. (7) Lc 11,1. (8) Lc 12,1. (9) Lc 12,22. (10) Lc 16,1. (11) Lc 17,1. (12) Lc 17,22. (13) Lc 22,45. Een vorm van μαθητης = mathètès in de LXX (-) , in het NT (262). Het woordgebruik van μαθητης = mathètès (leerling) in het meervoud is bij Mc en Lc bijna gelijk ; in Mt en Joh is dat bijna het dubbele van Mc en Lc , in Hnd komt het het minst voor. Ook interessant om te bekijken is het gebruik van de nom. en de acc.. Slechts in Lc en Joh overtreft de acc. de nom..
| mathètès (leerling) mv. | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | syn. | ev. | |
| 5 | nom. mv. mathètai | 2 : (1) Mc 2,18. (2) Mc 2,23. | 1 : Mc 5,31 | 3 : (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,35. | 2 : (1) Mc 7,5. (2) Mc 7,17. | 2 : (1) Mc 8,4. (2) Mc 8,27. | 1 : Mc 9,28. | 3 : (1) Mc 10,10. (2) Mc 10,13. (3) Mc 10,24. | 1 : Mc 11,14. | 2 : (1) Mc 14,12. (2) Mc 14,16. | 105 | 105 | 38 | 17 | 10 | 36 | 4 | 65 | 101 | |||||
| 6 | gen. mv. mathètôn | 1 : Mc 3,7. | 1 : Mc 7,2. | 1 : Mc 8,10. | 1: Mc 10,46. | 1 : Mc 11,1. | 1: Mc 13,1. | 2 : (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. | 45 | 45 | 3 | 8 | 7 | 18 | 9 | 18 | 36 | |||||||
| 7 | dat. mv. mathètais | 2 : (1) Mc 2,15. (2) Mc 2,16. | 1: Mc 3,9. | 1: Mc 4,34. | 1 : Mc 6,41. | 2 : (1) Mc 8,6. (2)Mc 8,34. | 1 : Mc 9,18. | 1 : Mc 10,23. | 1 : Mc 14,32. | 1 : Mc 16,7. | 41 | 41 | 17 | 11 | 3 | 7 | 3 | 31 | 38 | |||||
| 8 | acc. mv. mathètas | 1: Mc 6,45. | 3 : (1) Mc 8,1. (2) Mc 8,27. (3) Mc 8,33. | 2 : (1) Mc 9,14. (2) Mc 9,31. | 1 : Mc 12,43. | 39 | 39 | 10 | 7 | 13 | 1 | 8 | 30 | 31 | ||||||||||
| Totaal | 4 | 2 | 1 | 1 | 5 | 3 | 8 | 4 | 5 | 2 | 1 | 1 | 5 | 1 | 256 | 256 | 71 | 43 | 37 | 77 | 28 | 151 | 228 |
Mc
6,45.4. - 5. τους μαθητας = tous mathètas (de leerlingen). Bijbel = NT (35). Mt (7). Mc (7). Lc (14). Hnd (7).
- προς τους μαθητας = pros tous mathètas (tot de leerlingen). NT (14): (1) Mt 26,40. (2) Mt 26,45. (3) Mc 9,14. (4) Lc 5,30. (5) Lc 9,14. (6) Lc 9,43. (7) Lc 10,22. (8) Lc 10,23. (9) Lc 12,1. (10) Lc 12,22. (11) Lc 16,1. (12) Lc 17,1. (13) Lc 17,22. (14) Lc 22,45. Mt (2). Mc (1). Lc (11). In 13 verzen richt Jezus zich tot de leerlingen , in 1 vers (Lc 5,30) richten de schriftgeleerden en de Farizeeën zich tot de leerlingen van Jezus. In 4 verzen gaat Jezus naar zijn leerlingen nl. (1) Mt 26,40. (2) Mt 26,45. (3) Mc 9,14. (4) Lc 22,45 , in 9 verzen spreekt Jezus tot zijn leerlingen. In 7 verzen is dat met de werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei): (1) Lc 9,14. (2) Lc 9,43. (3) Lc 10,22. (4) Lc 10,23. (5) Lc 12,22. (6) Lc 17,1. (7) Lc 17,22.
Mc 6,45.6. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc
6,45.5. - 6. μαθητας αυτου = mathètas autou (zijn leerlingen). NT (22): (1) Mt 10,1. (2) Mt 12,49. (3) Mt 14,22. (4) Mt 15,32. (5) Mt 16,13. (6) Mt 26,45.. (7) Mc 6,45. (8) Mc 8,1. (9) Mc 8,27. (10) Mc 8,33. (11) Mc 9,31. (12) Mc 12,43. (13) Lc 5,30. (14) Lc 6,13. (15) Lc 6,20. (16) Lc 9,1 (variante lezing). (17) Lc 9,14. (18) Lc 9,43. (19) Lc 11,1. (20) Lc 12,1. (21) Lc 12,22. (22) Lc 16,1. Mt (6). Mc (6). Lc (10).
- μαθηται αυτου = mathètai autou (zijn leerlingen). NT (58). Mt (19). Mc (13). Lc (7). Joh (19).
- μαθητων αυτου = mathètôn autou (van zijn leerlingen). NT (27). Mt (2). Mc (7). Lc (4). Joh (14).
- μαθηταις αυτου = mathètais autou (aan zijn leerlingen). NT (29). Mt (14). Mc (10). Lc (1). Joh (4).
- Totalen. NT (136). Mt (41). Mc (36). Lc (22). Joh (37).
Mc
6,45.4. - 6. τους μαθητας αυτου = tous mathètas autou (zijn leerlingen). NT (20): (1) Mt 12,49. (2) Mt 14,22. (3) Mt 15,32. (4) Mt 16,13. (5) Mt 26,45.. (6) Mc 6,45. (7) Mc 8,1. (8) Mc 8,27. (9) Mc 8,33. (10) Mc 9,31. (11) Mc 12,43. (12) Lc 5,30. (13) Lc 6,13. (14) Lc 6,20. (15) Lc 9,14. (16) Lc 9,43. (17) Lc 11,1. (18) Lc 12,1. (19) Lc 12,22. (20) Lc 16,1. Mt (5). Mc (6). Lc (9).
- προς τους μαθητας αυτου = pros tous mathètas autou (tot zijn leerlingen). NT (7/14): (1) Mt 26,45. (2) Lc 5,30. (3) Lc 9,14. (4) Lc 9,43. (5) Lc 12,1. (6) Lc 12,22. (7) Lc 16,1. In Mt (1) , in Lc (6). In 1 vers ( Lc 5,30) richten de schriftgeleerden en de Farizeeën zich tot de leerlingen van Jezus. In 1 vers (Mt 26,45) gaat Jezus naar zijn leerlingen , in 5 verzen spreekt Jezus tot zijn leerlingen.
Mc 6,45.3. - 6. werkw. + acc. van het lijdend voorwerp τους μαθητας = tous mathètas (de leerlingen) in Mc (7). In al deze verzen is Jezus onderwerp. In de reeks van 7 is dit de eerste maal.
Mc 6,45.7. act. inf. aor. εμβηναι = embènai (om in te stappen) van het werkwoord εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in). Taalgebruik in het NT: embainô (inklimmen). Taalgebruik in de LXX: embainô (inklimmen). Bijbel (3): (1) 2 Mak 12,3. (2) Mt 14,22. (3) Mc 6,45. Een vorm van εμβαινω = embainô in de LXX (4): (1) Jon 1,3. (2) Nah 3,14. (3) 1 Mak 15,37. (4) 2 Mak 12,3 , in het NT (17) , in Mt (5) , in Mc (5): (1) Mc 4,1. (2) Mc 5,18. (3) Mc 6,45. (4) Mc 8,10. (5) Mc 8,13 , in Lc (3): Lc (3): (1) Lc 5,3. (2) Lc 8,22. (3) Lc 8,37. In Joh (1). In Mc wordt een vorm van het werkw. εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) 5X gebruikt ; 4X is het Jezus , 1X dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen.
| embainô (inklimmen) , vanuit Mc | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | act. part. pr. gen. mann. enk. embainontos |
1 | 1 | 1 : Mc 5,18. | 1 | 1 | |||||||||
| 2 | act. part. aor. nom. mann. enk. embas | 6 | 1 : 1 Mak 15,37. | 5 | 1 : Mt 9,1. | 2 : (1) Mc 8,10. (2) Mc 8,13. | 2 : (1) Lc 5,3. Lc 8,37. | 5 | 5 | ||||||
| 3 | act. part. aor. acc. mann. enk. embanta | 2 | 2 | 1 : Mt 13,2. | 1 : Mc 4,1. | 2 | 2 | ||||||||
| 4 | act. inf. aor. embènai | 3 | 1 : 2 Mak 12,3. | 2 | 1 : Mt 14,22. | 1 : Mc 6,45. | 2 | 2 | |||||||
| totaal | 12 | 2 | 10 | 3 | 5 | 2 | 10 | 10 |
- לָרֶדֶת = lârèdèth (om af te dalen) < prefix voorzetsel lë + werkwoordvorm act. qal inf. stat. constr. van het werkw. יָרַד = jârad (afdalen, afstijgen, vallen). Taalgebruik in Tenakh: järad (afdalen, afstijgen, vallen). Getalwaarde: jod = 10 , resj = 20 of 200 , daleth = 4 ; totaal: 34 (2 X 17) OF of 214 (2 X 107). Structuur: 1 - 2 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (10): (1) Gn 44,26. (2) Ex 32,1. (3) Re 1,34. (4) Re 7,10. (5) 1 S 23,8. (6) 1 S 23,20. (7) 2 S 19,21. (8) 1 K 21,16. (9) Js 30,2. (10) Neh 6,3.
Mc 6,45.4. - 7. τους μαθητας αυτου εμβηναι = tous mathètas autou embènai (zijn leerlingen om in te stappen). NT (2): (1) Mt 14,22. (2) Mc 6,45.
Mc 6,45.8. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc
6,45.9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,45.10. nom. + acc. onz. enk. πλοιον = ploion (boot). Taalgebruik in het NT: ploion (boot). Taalgebruik in de LXX: ploion (boot). Taalgebruik in Mc.: ploion (boot). In de 3de reeks staat het op de 2de plaats.
| ploion (boot) | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + acc. onz. enk. ploion | 7 | 2: (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. | 1: Mc 5,18. | 3: (1) Mc 6,45. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,51. | 1: Mc 8,10. | 37 | 6 | 31 | 9 | 7 | 2 | 4 | 9 | 18 | 22 | |||||
| 2 | gen. onz. enk. ploiou | 2 | 1: Mc 5,2. | 1: Mc 6,54. | 14 | 2 | 12 | 1 | 2 | 1 | 2 | 6 | 4 | 6 | |||||||
| 3 | dat. onz. enk. ploiô(i) | 6 | 2: (1) Mc 1,19. (2) Mc 1,20. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,21. | 1: Mc 6,32. | 1: Mc 8,14. | 15 | 1 | 14 | 3 | 6 | 1 | 4 | 10 | 10 | |||||
| 4 | nom. + acc. onz. mv. ploia | 1 | 1: Mc 4,36. | 23 | 18 | 5 | 1 | 3 | 1 | 4 | 4 | 1 | |||||||||
| totaal | 16 | 2 | 4 | 3 | 5 | 2 | 102 | 38 | 64 | 13 | 16 | 8 | 6 | 19 | 1 | 1 | 37 | 43 |
De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen:
- De eerste groep situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc 1,19-20).
- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc
4,35-41): (6 , 7X): (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion = in een boot). (2) Mc
4,36 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (αλλα πλοια = alla ploia = de andere
boten). (3) Mc
4,37 (εις το πλοιον = eis to ploion (tegen de boot). (4) Mc
5,2 (εκ του πλοιου = ek tou ploiou = uit de boot). (5) Mc
5,18 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (6) Mc
5,21 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot).
- Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4: (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion (in een boot). (2) Mc
4,36 a (dat.: εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot). (3) Mc
4,36 b (nom.: πλοια = ploia = boten). (4) Mc
4,37 a (acc.: εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot). (5) Mc
4,37 b: (acc.: το πλοιον = to ploion (de boot). Instappen - parabelrede - in de boot - tegen de boot opbeuken - uitstappen. NAAR DE OVERKANT: instappen - in de boot oversteken.
- de derde groep rond Mc 6,32-8,22 met het verhaal van het wandelen op het meer (Mc 6,45-52). (7): (1) Mc 6,32 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc 6,45 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (3) Mc 6,47 (το πλοιον to ploion en mesô(i) tès thalassès = de boot in het midden van het meer). (4) Mc 6,51 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (5) Mc 6,54 (ek tou ploiou = uit de boot). (6) Mc 8,10 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (7) Mc 8,14 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). weggaan met de boot - uitgaan - broodverhaal - instappen - uit de boot uitgaan - verhalen - instappen in de boot - uitgaan.
Mc
6,45.8. - 10. εις πλοιον = eis ploion (in een boot): LXX (1): 1 Mak 15,37. Mc (1) Mc 4,1. Lc (1): Lc 8,22.
- εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot): Mt (6). Mc (7): (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. (3) Mc 5,18. (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,51. (6) Mc 8,10. (7) Mc 8,14. Lc (1) Lc
8,37.
- εις (το) πλοιον = eis (to) ploion ( in een / de boot). In vier verzen in combinatie met εμβαινω = embainô (inklimmen): (1) Mc 4,1. (2) Mc 5,18. (3) Mc 6,45. (4) Mc 8,10. In Mc 6,51 in combinatie met αναβαινω = anabainô (opklimmen). In Mc 4,37 beuken de golven tegen de boot.
- Er zijn 2 verhalen die vertellen over het gevaarlijk oversteken van het meer: de stormstilling (Mc 4,35-41) en het wandelen op het meer (Mc 6,45-52). In het verhaal van de stormstilling steken Jezus en de leerlingen het meer over om naar een voor hen onbekend , maar gevaarlijk gebied te gaan. In het verhaal over het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen voordat hij de menigte heeft ontbonden. Voordien had Jezus met zijn leerlingen de boot genomen om een eenzame plek op te zoeken , maar de menigte was hen te slim af. Nu wil Jezus de menigte te slim af zijn. Hij stuurt zijn leerlingen al op het meer. Nadien ontbindt hij het volk. De menigte weet niet waarheen de leerlingen en waarheen Jezus gaat. Het was de bedoeling om op een eenzame plaats wat tot rust en bezinning te komen. Nu zal Jezus de bergen intrekken. De situatie toen zij instapten en nadat de menigte bij hun aankomst met de boot op Jezus beroep deed , is gewijzigd. Omdat de menigte als schapen zonder herder is (wegens de dood van Johannes de Doper) nam Jezus met het broodverhaal het leiderschap (herderschap) op zich. Hij is nu de nieuwe leider. Daarover wil Jezus zich bezinnen. Hij weet wat er met Johannes de Doper is gebeurd. Door het leiderschap op zich te nemen beseft hij wat hem kan overkomen. Tijdens de boottocht op zee ervaren zijn leerlingen wat het betekent geen leiderschap te hebben. Jezus zal naar hen toegaan , hen willen voorbijgaan om het leiderschap over hen op te nemen. Wanneer hij in de boot stapt , wordt het rustig , zoals een kudde schapen rustig wordt wanneer de herder bij hen is.
- Jezus moet zijn leerlingen dwingen om in te stappen in de boot. Immers ze zijn weggegaan om uit de gevarenzone van Herodes te gaan. Het teruggaan betekent een terugkeren naar de gevarenzone. De leerlingen beseffen wellicht wat hen kan overkomen. Jona kreeg het gebod om naar Nineve te gaan en de Ninevieten tot bekering op te roepen. Jona weigert dat , neemt de boot en gaat de andere richting uit. Een storm zal zijn plan onthullen. Het instappen in de boot loopt het risico om in een storm terecht te komen. Dat hebben de leerlingen al eens ervaren (Mc 4,45-52).
- Gn 32 vertelt het verhaal van Jakob die worstelt om zijn broer Esau te ontmoeten. Ze zijn van elkaar verwijderd door de Jabbokrivier. Eerst brengt hij vrouwen en kinderen over. Tijdens de nacht blijft hij nog aan de ene oever van de rivier en worstelt er met een onbekende tot het aanbreken van de dageraad.
Mc
6,45.7. - 10. een vorm van het werkw. εμβαινω = embainô (inklimmen, beklimmen, klimmen in) + εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot). Mc (5 - 6): (1) Mc 4,1. (2) Mc 5,18. (3) Mc 6,45. (4) Mc 8,10. (5) Mc 8,13 (variante lezing). Bovendien: Mc 6,51. In Mc
6,51 in combinatie met αναβαινω = anabainô (opklimmen). Omwille van de grote
massa klimt Jezus in een boot van waaruit hij onderricht. In de boot stappen
heeft hier nog niet de bedoeling om naar de overzijde te varen.
- In Mc 4,1 stapt Jezus in de boot en zal vanuit de boot zijn onderricht geven. Pas in Mc
4,35 stelt hij aan zijn leerlingen voor om samen naar de overkant te gaan. Wanneer Jezus in de boot stapt en naar de overkant vaart , wordt verondersteld dat zijn leerlingen meegaan. Er is evenwel een uitzondering in Mc
6,45. In Mc
6,45 dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen zonder dat hij meegaat.
Mc 6,45.11. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,45.12. act. inf. praes. προαγειν = proagein (om voor te gaan) van het werkw. προαγω = proagô (voorgaan). Taalgebruik in het NT: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in de LXX: proagô (voorleiden, voorgaan). Taalgebruik in Mc.: proagô (voorleiden, voorgaan). Bijbel (2): (1) Mt 14,22. (2) Mc 6,45. Een vorm van προαγω = proagô (voorgaan) in de LXX (13) , in het NT (20). 3X gaat Jezus voor. In Mc 6,45 dwingt Jezus de leerlingen voor te gaan. In Mc 11,9 zijn er in het verhaal van de intochty in Jeruzalem voorlopers en volgers. Het is de enigste maal dat de leerlingen voorafgaan (met het werkwoord προαγω = proagô (voorgaan).
| proagô (voorgaan) , vanuit Mc | Mc | Mc 6 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | NT | Mt | Mc | Lc | Br. | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | act. ind. praes. 3de pers. enk. proagei | 1 | (1) Mc 16,7 | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| 2 | act. ind. fut. 1ste pers. enk. proaksô | 1 | (1) Mc 14,28. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| 3 | act.part. praes. nom. mann. enk. proagôn | 1 | (1) Mc 10,32. | 2 | 2 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | |||||||
| 4 | act. part. praes. nom. mann. + vr. mv. proagontes | 1 | (1) Mc 11,9. | 3 | 3 | 1 | 1 | 1 | 3 | 3 | |||||||
| 5 | act. inf. praes. proagein | 1 | (1) Mc 6,45. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | ||||||||
| totaal | 5 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 11 | 11 | 4 | 5 | 1 | 1 | 10 | 10 | 1 |
Mc 6,45.13. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc
6,45.14. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,45.15. περαν = peran (overzijde, overkant). Taalgebruik in het NT: peran (overzijde, overkant). Taalgebruik in de LXX: peran (overzijde, overkant). Bijbel (115). OT (92). NT (23). Mt (7): (1) Mt 4,15. (2) Mt 4,25. (3) Mt 8,18. (4) Mt 8,28. (5) Mt 14,22. (6) Mt 16,5. (7) Mt 19,1. Mc (7): (1) Mc 3,8. (2) Mc 4,35. (3) Mc 5,1. (4) Mc 5,21. (5) Mc 6,45. (6) Mc 8,13. (7) Mc 10,1. Lc (1): Lc 8,22. Joh (8): (1) Joh 1,28. (2) Joh 3,26 . (3) Joh 6,1. (4) Joh 6,17. (5) Joh 6,22. (6) Joh 6,25. (7) Joh 10,40. (8) Joh 18,1.
- הָעֵבֶר = hâ`ebhèr (de overzijde, de overkant) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. עֵבֶר `ebhèr (overzijde, overkant). Zie het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Taalgebruik in Tenakh: `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Getalwaarde: ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17). Structuur: 7 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (1): 1 S 25,13.
- Het zelfst. naamw. עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) is afgeleid van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Het zelfst. naamw. עֶרֶב = `èrèbh (avond) heeft dezelfde letters als עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) maar de 2 laatste letters staan in een andere volgorde. De avond bevat de idee van overgang tussen de dag en de nacht.
Mc 6,45.13. - 15. εις το περαν = eis to peran (naar de overzijde). LXX (8): (1) Nu 21,13. (2) Dt 30,13. (3) Joz 1,15. (4) Re 11,29. (5) 1 S 26,13. (6) 1 Mak 9,48. (7) Jr 22,20. (8) Jr 48,10. NT (10). Mt (4): (1) Mt 8,18. (2) Mt 8,28. (3) Mt 14,22. (4) Mt 16,5. Mc (5). (1) Mc 4,35. (2) Mc 5,1. (3) Mc 5,21. (4) Mc 6,45. (5) Mc 8,13. Mc: 5 / 7 , niet in (1) Mc 3,8. (2) Mc 10,1. In deze twee verzen (Mc 3,8 en Mc 10,1): περαν του ιορδανου = peran tou Iordanou (de overzijde van de Jordaan). Lc (1): Lc 8,22. Bij εις το περαν = eis to peran (naar de overzijde) wordt de overzijde van het meer van Galilea bedoeld , maar door het open te laten kan de auteur voor zijn lezers ook de Middellandse zee mee verrekenen. Zoals we gezien hebben kunnen we de verhalen rond de boot in 3 groepen verdelen. Bij Mc 6,45 gaat het om de 3de groep.
Mc 6,45.12. - 15. De bepaling van εις το περαν = eis to peran (naar de overzijde) is verbonden met een werkw. van beweging. Bij Marcus. De overtocht:Jezus en zijn leerlingen: (1) Mc 4,35. (2) Mc 5,1. Verbonden met Jezus (wkw. in het enkelv.): (1) Mc 5,21. (2) Mc 8,13. De leerlingen: Mc 4,35.
Mc 6,45.16. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in de LXX: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,25. (3) Mc 6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
- Hebreeuws. ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. OF ontkenning עַל = ´al (niet). Taalgebruik in Tenakh: ´èl . Getalwaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3626). Pentateuch (1096). Eerdere Profeten (1070). Latere Profeten (655). 12 Kleine Profeten (142). Geschriften (662).
- Arabisch. إلي = ´ilâ (naar). Taalgebruik in de Qoran: ´ilâ (naar).
Mc 6,45.17. acc. vr. enk. βηθσαιδαν = bèthsaïdan (Betsaïda) van het zelfst. naamw. βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda). Bijbel = Mc (2): (1) Mc 6,45. (2) Mc 8,22. Taalgebruik in het NT: Bètsaïda (Betsaïda). Taalgebruik in Mc: Bètsaïda (Betsaïda).
| Bètsaïda (Betsaïda) vanuit Mc | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1. | nom. + voc. + dat. vr. enk. bèthsaida(i) |
5 | 5 | 1 | 2 | 2 | 3 | 5 | |||||||
| 2. | acc. vr. enk. bèthsaidan | 2 | 2 | 2 : (1) Mc 6,45. (2) Mc 8,22. | 2 | 2 | |||||||||
| totaal | 7 | 7 | 1 | 2 | 2 | 2 | 5 | 7 |
Mc
6,45.11. - 17. acc. van βηθσαιδα = bèthsaïda (Betsaïda):
(1) Mc
6,45. και πραγειν εις το περαν προς βηθσαιδαν = kai proagein eis to peran pros Bèthsaidan (en vooruit te varen
naar de overkant bij Betsaïda). Het staat bij het begin van de pericope.
(2) Mc
8,22. και ερχονται εις βηθσαιδαν = Kai erchontai eis Bèthsaïdan (en zij gaan naar Betsaïda). Het staat aan het begin van de pericope.
Mc 6,45.18. ἑως = heôs (tot, totdat) . Taalgebruik in het NT: heôs (tot , totdat). Taalgebruik in Mc: heôs (tot , totdat). Mc (14). Mc 6 (3): (1) Mc 6,10. (2) Mc 6,23. (3) Mc 6,45.
| heôs (tot, totdat) | Mc | Mc 6 | Mc 9 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 14 | 3 : (1) Mc 6,10. (2) Mc 6,23. (3) Mc 6,45. | 2 | 1 | 2 | 4 | 2 : (1) Mc 15,33. (2) Mc 15,38. | 1353 | 1216 | 137 | 43 | 14 | 27 | 10 | 22 | 19 | 2 | 84 | 94 |
Mc 6,45.19. pers. voornaamw. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (15): (1) Mc 1,8*. (2) Mc 2,25. (3) Mc 3,13*. (4) Mc 4,27. (5) Mc 4,38*. (6) Mc 5,40*. (7) Mc 6,17. (8) Mc 6,45*. (9) Mc 6,47*. (10) Mc 8,29. (11) Mc 12,36. (12) Mc 12,37. (13) Mc 14,15. (14) Mc 14,44. (15) Mc 15,43. * waar het Jezus betreft.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. autos | 15 | 1 . | 1 . | 1 | 2 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 654 | 490 | 164 | 12 | 15 | 45 | 18 | 17 | 49 | 8 | 72 | 90 | ||||||
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,45.20. act. ind. praes. 3de pers. enk. απολυει = apoluei van het werkw. απολυω = apoluô (losmaken). Taalgebruik in het NT: apoluô (losmaken). Taalgebruik in de LXX: apoluô (losmaken). Taalgebruik in Mc: apoluô (losmaken). Bijbel = Mc (1): Mc 6,45. Het beantwoordt aan het voorstel van de leerlingen om de menigte te ontbinden (Mc 6,36). Een vorm van απολυω = apoluô (losmaken) in Mc (12): (1) Mc 6,36. (2) Mc 6,45. (3) Mc 8,3. (4) Mc 8,9. (5) Mc 10,2. (6) Mc 10,4. (7) Mc 10,11. (8) Mc 10,12. (9) Mc 15,6. (10) Mc 15,9. (11) Mc 15,11. (12) Mc 15,15.
Mc 6,45.21. bep. lidw. acc. mann. enk. τον = ton (de). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc (124). Mc 6 (7): (1) Mc 6,11. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,20. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,30. (6) Mc 6,41. (7) Mc 6,45.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8. | acc. m. + onz. enk. ton | 124 | 8 | 9 | 5 | 11 | 10 | 7 | 13 | 6 | 9 | 5 | 4 | 7 | 2 | 12 | 11 | 5 | 6202 | 4880 | 1322 | 167 | 124 | 191 | 197 | 244 | 338 | 61 | 482 | 679 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,45.22. acc. mann. enk. οχλον = ochlon van het zelfst. naamw. οχλος = ochlos (menigte). Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte). Taalgebruik in de LXX: ochlos (menigte). Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte). Mc (13): (1) Mc 2,4. (2) Mc 3,9. (3) Mc 4,36. (4) Mc 5,31. (5) Mc 6,34. (6) Mc 6,45. (7) Mc 7,14. (8) Mc 8,2. (9) Mc 8,34. (10) Mc 9,14. (11) Mc 11,32. (12) Mc 12,12. (13) Mc 15,11.
| ochlos (menigte) , vanuit Mc | Mc | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | syn. | |
| 1 | nom. mann. enk. ochlos | 13 | (1) Mc 2,13. | 2: (1) Mc 3,20. (2) Mc 3,32. | (1) Mc 4,1. | 2: (1) Mc 5,21. (2) Mc 5,24a - Mc 5,24b. | 2: (1) Mc 9,15. (2) Mc 9,25. | (1) Mc 11,18. | 3: (1) Mc 12,37. (2) Mc 12,41. (3) Mc 12,43. | (1) Mc 15,8. | 49 | 4 | 45 | 6 | 13 | 9 | 28 | |||||
| 2 | gen. mann. enk. ochlou | 5 | 2: (1) Mc 7,17. (2) Mc 7,33. | 1: Mc 8,1. | 1: Mc 9,17. | 1: Mc 10,46. | 31 | 6 | 25 | 1 | 5 | 9 | 15 | |||||||||
| 3 | dat. mann. enk. ochlô(i) | 4 | 2: (1): Mc 5,27. (2) Mc 5,30. | (1) Mc 8,6. | Mc 15,15 | 21 | 10 | 11 | 2 | 4 | 3 | 9 | ||||||||||
| 4 | acc. mann. enk. ochlon | 13 | 1: Mc 2,4. | 1: Mc 3,9. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,31. | 2: (1) Mc 6,34. (2) Mc 6,45. | 1: Mc 7,14. | 2: (1) Mc 8,2. (2) Mc 8,34. | 1: Mc 9,14. | 1: Mc 11,32. | 1: Mc 12,12. | 1: Mc 15,11. | 41 | 6 | 35 | 10 | 13 | 4 | 27 | ||
| 5 | nom. mann. mv. ochloi | 1 | 1: Mc 10,1. | 28 | 28 | 14 | 1 | 10 | 25 | |||||||||||||
| totaal | 36 | 2 | 3 | 2 | 5 | 2 | 3 | 4 | 4 | 2 | 2 | 4 | 1 | 2 | 212 | 39 | 173 | 50 | 36 | 41 |
Mc
6,45.21. - 22. τον οχλον = ton ochlon (de menigte). LXX (3). NT (26). Mc (10). Het bepaald lidwoord wordt bij het zelfstandig naamwoord accusatief enkelvoud οχλον = ochlon (menigte) gebruikt , tenzij een bijvoeglijk naamwoord het zelfstandig naamwoord nader bepaald. Niet in: (1) Mc 6,34. (2) Mc 9,14. (3) Mc 11,32.
- δια τον οχλον = dia ton ochlon (omwille van de menigte). Bijbel (5). Mc (2): (1) Mc 2,4. (2) Mc 3,9. In Mc 2,4 kunnen vier dragers van een lamme niet binnen in huis omdat er tot bij de deur geen komen is omwille van de menigte. In Mc 3,9 vraagt Jezus naar een bootje opdat de menigte hem niet zou verpletteren. Lc (2): (1) Lc 5,19. (2) Lc 8,19. Joh (1): Joh 11,42.
Mc
6,45.20. - 22. de menigte achterlaten of ontbinden:
- Mc 4,36: αφεντες τον οχλον = afentes ton ochlon (achtergelaten de menigte). In de Bijbel slechts in Mc 4,36.
- Mc
6,45: απολυει τον οχλον = apoluei ton ochlon (hij ontbindt de menigte).
- In Mc 4,36 zijn het de leerlingen die de menigte achterlaten en nemen Jezus mee in de boot. In Mc 6,36 stellen de leerlingen aan Jezus voor om de menigte te ontbinden. Jezus neemt echter het leiderschap op zich. In Mc
6,45 zal Jezus de menigte ontbinden nadat zijn leerlingen in de boot zijn gestapt om over te varen.
Door de dood van Johannes de Doper is het volk als een kudde zonder herder. Jezus neemt het leiderschap op en voedt het volk. Maar het gevaar blijft dreigen. Na het bezoek aan zijn vaderstad had Jezus zijn leerlingen uitgezonden. Dat was geen probleem. Na de terechtstelling van Johannes trachtte Jezus met zijn leerlingen een eenzame plek op te zoeken , maar tevergeefs. Nu dwingt Jezus hen terug te gaan. Zijn ze bang voor het gevaar dat hen bedreigt ?
| Mc 6,46 - Mc 6,46: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [46] And when he had sent them away, he departed into a
mountain to pray.
Luther-Bibel. 46 Und als er sie fortgeschickt hatte, ging er hin auf einen
Berg, um zu beten.
Tekstuitleg van Mc 6,46. Het vers Mc 6,46 telt 8 (2 X 2 X 2) woorden en 49 (7 X 7) letters. De getalswaarde van Mc 6,46 is 4234 (2 X 29 X 73). Jezus bidt op beslissende momenten van zijn leven. Wanneer hij zijn horizon buiten Kafarnaüm verruimt. In de hof van Olijven. Beslissende momenten gebeuren in gebergte , in de woestijn , op een eenzame plaats. Daar wordt geworsteld met kwade geesten en zijn goede geesten bron van inspiratie. Het is een innerlijke strijd tussen goed en kwaad in de mens. De woestijn en de zee zijn verblijfplaatsen van kwade geesten , satans , duivels. Lopen over het water betekent de kwade machten te beteugelen , ze de baas te zijn. Op zee is er storm , golven water , wind. Beuken tegen de boot , overspoeld worden , tegen wind in varen. Soms is er geen sprake van bidden maar is er de ruimte van worsteling.
| Mc 6,46 | Mc 8,9 | ||||||||
| kai apotaxamenos autois | καὶ ἀπέλυσεν αὐτούς. | ||||||||
| Mc 6,46 | Mt 14,23 | |||
| apèlthen eis to oros proseuxasthai | kai apolusas tous ochlous anebè eis to oros kat idian proseuxasthai opsias de genomenès monos èn ekei |
Mc 6,46.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,46.2. pass. part. aor. nom. mann. enk. αποταξαμενος = apotaksamenos (afgelast geworden) van het werkw. αποτασσω = apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen). Taalgebruik in het NT: apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen). Taalgebruik in de LXX: apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen). Bijbel = NT (4): (1) Mc 6,46. (2) Hnd 18,18. (3) Hnd 18,21. (4) 2 Kor 2,13. Een vorm van αποτασσω = apotassô (afzonderlijk ordenen, aanwijzen, toewijzen) in de LXX (7) , in het NT (6).
Mc 6,46.3. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
Mc 6,46.2. - 3. αποταξαμενος αυτοις = apotaksamenos autois (afgelast geworden voor hen). Bijbel = NT (2): (1) Mc 6,46. (2) 2 Kor 2,13.
Mc 6,46.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. απηλθεν = apèlthen (hij ging weg) van het werkw. απερχομαι = aperchomai (weggaan). Taalgebruik in het NT: aperchomai (weggaan). Taalgebruik in de LXX: aperchomai (weggaan). Mc (9): (1) Mc 1,35. (2) Mc 1,42. (3) Mc 5,20. (4) Mc 5,24 . (5) Mc 6,46. (6) Mc 7,24. (7) Mc 8,13. (8) Mc 10,22. (9) Mc 14,10. Lc (6): (1) Lc 1,23. (2) Lc 1,38. (3) Lc 5,13. (4) Lc 5,25. (5) Lc 8,39. (6) Lc 24,12. Joh (10): (1) Joh 4,3. (2) Joh 4,28. (3) Joh 4,47. (4) Joh 5,15. (5) Joh 6,1. (6) Joh 9,7. (7) Joh 10,40. (8) Joh 11,28. (9) Joh 11,54. (10) Joh 12,19. Een vorm van απερχομαι = aperchomai in de LXX (229) , in het NT (116) , in Joh (21). Vaak heeft weg-gaan ook de betekenis van afstand nemen van , en wordt er een keuze gemaakt.
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | ||
| 1 | ind. aor. 3de pers. enk. apèlthen | 112 | 73 | 39 | 8 | 9 | 6 | 10 | 2 | 4 | 23 | 33 |
Mc 6,46.5. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,46.4. - 5. απηλθεν εις = apèlthen eis (hij ging weg naar). LXX (14). NT (9): (1) Mt 9,7. (2) Mc 1,35. (3) Mc 6,46. (4) Mc 7,24. (5) Mc 8,13. (6) Lc 1,23. (7) Lc 5,25. (8) Joh 4,28. (9) Joh 4,47.
Mc 6,46.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,46.7. ορος = oros (berg). Taalgebruik in het NT: oros (berg). Taalgebruik in de LXX: oros (berg). Taalgebruik in Mc: oros (berg).
| oros (berg) | NT | Mt | Mc | Lc | syn. | |||
| 1 | nom. + acc. onz. enk. oros | 28 | 8: (1) Mt 4,8. (2) Mt 5,1. (3) Mt 14,23. (4) Mt 15,29. (5) Mt 17,1. (6) Mt 21,1. (7) Mt 26,30. (8) Mt 28,16. | 6: (1) Mc 3,13. (2) Mc 6,46. (3) Mc 9,2. (4) Mc 11,1. (5) Mc 13,3. (6) Mc 14,26. | 6: (1) Lc 3,5. (2) Lc 6,12. (3) Lc 9,28. (4) Lc 19,29. (5) Lc 21,37. (6) Lc 22,39. | 20 : (1) Mt 5,1 // Mc 3,13 // Lc 6,12. (2) Mt 14,23 // Mc 6,46. (3) Mt 17,1 // Mc 9,2 // Lc 19,29. (4) Mt 21,1 // Mc 11,1 // Lc 19,28. (5) Mt 26,30 // Mc 14,26 // Lc 22,39. |
||
| 2 | gen. onz. enk. orous | 12 | 4: (1) Mt 5,14. (2) Mt 8,1. (3) Mt 17,9. (4) Mt 24,3. | 1: Mc 9,9. | 3: (1) Lc 4,29. (2) Lc 9,37. (3) Lc 19,37. | 8 : (1) Mt 8,1 // Mt 17,9 // Mc 9,9 // Lc 9,37. (2) Mt 24,3 // Mc 13,3. | ||
| 3 | dat. enk. horei | 11 | 2: (1) Mt 17,20. (2) Mt 21,21. | 2: (1). (2) Mc 11,23. | 1: Lc 8,32. | 5 : (1) Mt 17,20 // Mt 21,21 // Mc 11,23. | ||
| 4 | nom. + acc. mv. horè | 7 | 2: (1) Mt 18,12. (2) Mt 24,16. | 1: Mc 13,14. | 1: Lc 21,21. | 4: (1) Mt 24,16 // Mc 13,14 // Lc 21,21. | ||
| 6 | dat. mv. horesin | 4 | 1: Mc 5,5. | 1: Lc 23,30. | 2 | |||
| Totaal | 63 | 16 | 11 | 12 | 39 |
Mc 6,46.5. - 7. εις το ὁρος = eis to horos (naar de berg / gebergte). LXX (39). NT (16). Mt (8): (1) Mt 4,8. (2) Mt 5,1. (3) Mt 14,23. (4) Mt 15,29. (5) Mt 17,1 - Mt 17,2. (6) Mt 21,1. (7) Mt 26,30. (8) Mt 28,16. Mc (4): (1) Mc 3,13. (2) Mc 6,46. (3) Mc 13,3. (4) Mc 14,26.
Mc 6,46.8. act. inf. aor. προσευξασθαι (om te bidden) van het werkw. προσευχομαι = proseuchomai (bidden). Taalgebruik in het NT: proseuchomai (bidden). Taalgebruik in de LXX: proseuchomai (bidden). Taalgebruik in Mc: proseuchomai (bidden). LXX (5). NT (6): (1) Mt 14,23. (2) Mc 6,46. (3) Lc 6,12. (4) Lc 9,28. (5) Lc 18,10. (6) Hnd 10,9. Een vorm van προσευχομαι = proseuchomai (bidden) in de LXX (107) , in het NT (86).
| proseuchomai (bidden) | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | ind. pr. + imper. pr. 2de p. mv. proseuchesthe | 3 | 1 : Mc 11,24. | 1 : Mc 13,18. | 1 : Mc 14,38. | 14 | 14 | 4 | 3 | 3 | 4 | 10 | 10 | |||||||
| 2 | ind. imp. 3de p. enk. prosèucheto |
2 | 1 : Mc 1,35. | 1 : Mc 14,35. | 5 | 5 | 2 | 3 | 5 | 5 | ||||||||||
| 3 | part. pr. nom. mann. mv. proseuchomenoi | 2 | 1 : Mc 11,25. | 1 : Mc 12,40. | 12 | 2 | 10 | 1 | 2 | 2 | 5 | 3 | 3 | |||||||
| 4 | ind. aor. 3de p. enk. prosèuxato | 1 | 1 : Mc 14,39. | 25 | 18 | 7 | 2 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 | ||||||||
| 5 | inf. aor. proseuxasthai | 1 | 1 : Mc 6,46. | 11 | 5 | 6 | 1 | 1 | 3 | 1 | 5 | 5 | ||||||||
| 6 | conjunct. aor. 1ste pers. enk. proseuxômai | 1 | 1 : Mc 14,32. | 2 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | |||||||||||
| 10 | 1 | 1 | 2 | 1 | 1 | 4 | 69 | 25 | 44 |
9 | 10 | 9 | 5 | 11 | 28 | 28 |
Mc 6,46.4. - 8.
- Mc 1,35: και απηλθεν εις ερημον τοπον κακει προσηυχετο = kai apèlthen eis erèmon topon kakei prosèucheto (en hij ging weg naar een eenzame plaats en daar bad hij).
- Mc 6,46: απηλθεν εις το ορος προσευξασθαι = apèlthen eis to oros proseuxasthai (ging hij weg naar de berg om te bidden).
| proseuchomai (bidden) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| inf. aor. proseuxasthai | 11 | 5 | 6 | 1 | 1 | 3 | 1 | 5 | 5 |
Uit de vergelijking van Mc 1,35 en Mc 6,46 blijkt dat zowel een eenzame plaats als de berg een plaats van gebed kan zijn. De eenzame plaats en de berg doen ook denken aan de woestijntocht van Mozes en zijn verblijf op de berg Sinaï. Het zijn plaatsen van herbronning en bezinning. In Mc 6,32 stelt Jezus aan zijn leerlingen voor om naar een eenzame plaats te gaan. Johannes de Doper werd gedood. De leerlingen kwamen terug. Zowel Jezus als zijn leerlingen hebben nood aan bezinning. Door het broodverhaal wordt Jezus zich bewust van zijn verantwoordelijkheid. De menigte heeft een herder nodig. Daarover moet Jezus zich bezinnen ( Mc 6,46).
| Mc 6,47 - Mc 6,47: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. And when even was come, the ship was in the midst of the
sea, and he alone on the land.
Luther-Bibel. 47 Und am Abend war das Boot mitten auf dem See und er auf dem
Land allein.
Tekstuitleg van Mc 6,47. Dit vers Mc 6,47 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden , 67 letters en 28 (2 X 2 X 7) lettergrepen. De getalwaarde van Mc 6,47 is 6694 (2 X 3347). De avond is de avond van Pesach , het vieren van het paasfeest , van de uittocht uit de slavernij van Egypte en de doortocht door de Rietzee. Het is het oversteken van de ene oever van de zee naar de andere , droogvoets. Zoals de avond de overgang vormt naar de nacht om tenslotte te komen tot het nieuwe licht van de nieuwe dag. Waarom die beklemtoning dat de leerlingen midden op zee zijn en Jezus aan land ?
| Mc 6,47 | Mt 14,24 | |||
| kai opsias genomenès èn to ploion en mesô tès thalassès kai autos monos epi tès gès | 14:24 to de ploion èdè stadious pollous apo tès gès apeichen* basanizomenon upo tôn kumatôn èn gar enantios o anemos |
Mc 6,47.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,47.2. gen. vr. enk. οψιας = opsias ('s avonds) van het zelfst. naamw. οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia (avond). Taalgebruik in de LXX: opsia (avond). Taalgebruik in Mc: opsia (avond). Bijbel = NT (14). Mt (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. Mc (6): (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Joh (1): Joh 20,19. Synoptici: 1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42. Synoptici: (1) Mc 1,32 // Mt 8,16. (2) Mc 6,47 // Mt 14,23. (3) Mc 14,17 // Mt 26,20. (4) Mc 15,42 // Mt 27,57. In Lucas komt geen vorm van het woord οψια = opsia (avond) voor. Bij Marcus komt het in 6 verhalen voor: (1) de avond na de sabbat in Kafarnaüm (Mc 1,32). (2) bij de storm (Mc 4,35). (3) bij het wandelen op het meer (Mc 6,47). (4) de avond na de intrede in Jerusalem (Mc 11,11). (5) het laatste avondmaal (Mc 14,17). (6) de begrafenis van Jezus (Mc 15,42).
| opsia (avond) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Joh | syn. | ev. |
| nom. + dat. mann. enk. opsia(i) (avond) | 2 | 1 : Jdt 13,1 | 1 | 1 : Joh 6,16. | 1 | |||
| gen. mann. enk. opsias ('s avonds) | 14 | 14 | 7: (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. | 6 : (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4) Mc 11,11. (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. | 1 : Joh 20,19. | 13 : (1) Mt 8,16 // Mc 1,32. (2) Mt 14,23 // Mc 6,47. (3) Mt 26,20 // Mc 14,17. (4) Mt 27,57 // Mc 15,42 | 14 | |
| acc. mann. enk. opsian | - | |||||||
| totaal | 16 | 1 | 15 | 7 | 6 | 2 | 13 | 15 |
| opsias... genomenès | 7 | 5: (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,35. (3) Mc 6,47. (4). (5) Mc 14,17. (6) Mc 15,42. Niet in (4) Mc 11,11. |
- ἑσπερα = hespera (avond). Taalgebruik in het NT: hespera (avond). Taalgebruik in de LXX: hespera (avond). Een vorm van ἑσπερα = hespera (avond) in de LXX (129) , in het NT (3).
- Hebreeuws. עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond). Getalwaarde: ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 , beth = 2 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17). Structuur: 7 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (48). Pentateuch (20). Eerdere Profeten (2). Latere Profeten (5). 12 Kleine
Profeten (3). Geschriften (18). Gn (10): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31. (7) Gn 8,11. (8) Gn 24,11. (9) Gn 24,63. (10) Gn 44,32.
- Ned.: avond. Arabisch: مَسَاء = masâ´ (avond). Taalgebruik in de Qoran: masâ´ (avond). Aramees: רְמַשׁ / רַמְשָׁא = rëmasj / ramësjâ'. D.: Abend. E. evening. Fr.: le soir. Gr.: οψια = opsia (avond). Taalgebruik in het NT: opsia
(avond) EN: ἑσπερα = hespera (avond). Taalgebruik in het NT: hespera (avond). Hebr.: עֶרֶב = `èrèbh (avond). Taalgebruik in Tenakh: `èrèbh (avond. Italiaans: alla sera. Lat.: vesper (gen.: vesperi). Spaans: la tarde. Syrisch: ramcho.
- Ned.: traag. Lat.: tardus (langzaam, traag). Fr.: tard. Il se fait tard (het wordt laat).
- Ned.: laat. comparatief: later. Lat.: lassus (moe, traag) , zie het werkw. lassare (vermoeien).
-
Lat.: bijvoegl. naamw. serus (laat). Fr.: le soir (de avond).
- Door het neerdalen en het ondergaan van de zon wordt het avond. Het is hét symbool van overgang. Na het ondergaan van de zon wordt het duister. Dan begint de nacht. Hiermee begint bij de Joden het volgende etmaal.
- De avond wijst vooruit naar het laatste avondmaal en de begrafenis van Jezus. Maar het herinnert tegelijkertijd aan belangrijke joodse gebeurtenissen en gebruiken: de avond van het eten van ongedesemd brood en van de tocht door de rietzee. De avond bundelt de overgang van de slavernij naar de vrijheid , naar de onderlinge solidariteit , naar de overgang van leven naar dood.
Mc
6,47.1. - 2. οψιας δε = opsias de ('s avonds echter). Bijbel = NT (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 20,8. (5) Mt 26,20. (6) Mt 27,57. (7) Mc 1,32. Parallelteksten: Mc 1,32.// Mt 8,16.
- και οψιας = kai opsias (en 's avonds). Bijbel = NT: (1) Mc 6,47. (2) Mc 14,17. Parallelteksten: Mc 6,47 // Mt 14,23. Mc 14,17 // Mt 26,20.
- Hebr.: וָעֶרֶב = wâ`èrèbh (en de avond). Tenakh (1): Ps 65,9.
Mc
6,47.3. part. aor. gen. vr. enk. γενομενης = genomenès (geworden) van het werkw. γιγνομαι = gignomai (worden, gebeuren). Taalgebruik in de LXX: gignomai (worden). Taalgebruik in het NT: gignomai (worden). Taalgebruik in Mc: gignomai (worden). Mt (9): (1) Mt 8,16. (2) Mt 13,21. (3) Mt 14,15. (4) Mt 14,23. (5) Mt 16,2. (6) Mt 20,8. (7) Mt 27,1. (8) Mt 26,20. (9) Mt 27,57. Mc (9). (1) Mc 1,32. (2) Mc 4,17. (3) Mc 4,35. (4) Mc 6,21. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,47. (7) Mc 14,17. (8) Mc 15,33. (9) Mc 15,42. Lc (2): (1) Lc 4,42. (2) Lc 6,48. Joh (1): Joh 21,4. Een vorm van γινομαι = ginomai in de LXX (2174) , in het NT (667).
- Bayens , 130 , p.97. Onregelmatige werkw.. Het praes. kreeg reduplicatie gn-/ gen -> gi-gnomai. Aor. egenomèn.
| ginomai (worden, gebeuren) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| part. aor. gen. vr. enk. genomenès | 41 | 8 | 33 | 9 | 9 | 2 | 1 | 11 | 1 | 20 | 21 |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wa + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְהִי = wajëhî (en hij/het was) van het werkw. הָיָה = hâjâh (zijn). De getalwaarde van וַיְהי = wajëhî (en hij/het zal zijn/was) is 31. 31 is de getalwaarde van אֵל = ´el (God) ; aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 13 of 31 (elkaars spiegelbeeld).Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (784). Pentateuch (181). Eerdere Profeten (339). Latere Profeten (116). 12 Kleine Profeten (22). Geschriften (126). In de LXX wordt het Hebreeuwse werkw. הָיָה = hâjâh (zijn) vaak vertaald door het Griekse werkw. γινομαι = ginomai (worden, gebeuren).
Mc
6,47.1. - 3. οψιας γενομενης = opsias genomenès (nadat het avond was geworden). NT (12): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 16,2. (5) Mt 20,8. (6) Mt 26,20. (7) Mt 27,57. (8) Mc 1,32. (9) Mc 4,35. (10) Mc 6,47. (11) Mc 14,17. (12) Mc 15,42.
- οψιας δε γενομενης = opsias de genomenès (nadat het echter avond was geworden). NT (7): (1) Mt 8,16. (2) Mt 14,15. (3) Mt 14,23. (4) Mt 20,8. (5) Mt 26,20. (6) Mt 27,57. (7) Mc 1,32.
- και οψιας γενομενης = kai opsias genomenès (en nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc 6,47. (2) Mc 14,17.
- και... οψιας γενομενης = kai... opsias genomenès (en... nadat het avond was geworden). NT (2): (1) Mc 4,35. (2) Mc 15,42.
- Hebr.: וַיְהִי עֶרֶב = wajëhî `èrèbh (en het werd avond). Tenakh (6): (1) Gn 1,5. (2) Gn 1,8. (3) Gn 1,13. (4) Gn 1,19. (5) Gn 1,23. (6) Gn 1,31.
| 1. | 3. | 6.. | ||||||
| Mc 1,21 | Mc 6,2 | Mc 16,2 | Mc 1,32 | Mc 6,35 | Mc 6,47 | Mc 15,42 | Mc 1,35 | Mc 16,2 |
| kai genomenou (en) | kai diagenomenou (en) | opsias ('s avonds) | kai èdè hôras pollès (en al laat) | kai opsias (en 's avonds) | kai èdè opsias (en al 's avonds) | kai prôi ennucha lian (en vroeg, diep in de na cht) | kai lian prôi (en zeer vroeg) | |
| tois sabbasin (op sabbatdagen) | sabbatou (op sabbat) | tou sabbatou (na de sabbat) | de genomenès (echter), | genomenès | genomenès | genomenès | en tèi miai tôn sabbatôn (op de eerste van de weken) | |
| hote edusen ho hèlios (na zonsondergang) | anateilantos tou hèliou (na zonsopgang) | |||||||
| 24. Jezus leert en geneest: Mc 1,21 - Mt 4,23-25 ; 5,1-2 - Lc 4,31. | 145. Prediking te Nazaret en verwerping: Mc 6,1-6a - Mt 13,53-58 - Lc 4,16-30 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis: Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 | 59. Genezingen en exorcismen: Mc 1,32-34 - Mt 8,16-17 - Lc 4,40-41. | 151. Eerste broodvermenigvuldiging: Mc 6,35-44a - Mt 14,15-21a - Lc 9,12-17a | 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 | 349. Begrafenis van Jezus - Mc 15,42-47 - Mt 27,57-61 - Lc 23,50-56a - | 60. Jezus vertrekt uit Kafarnaüm: Mc 1,35-38 - Lc 4,42-43 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis: Mc 16,1-8 - Mt 28,1-10 - Lc 23,56b-24,12 |
Tijdens de sabbat waren er mensen ziek en bezeten. Pas op de eerste dag van de week kunnen ze genezen en bevrijd worden door Jezus.
Mc 16,1 vertoont gelijkenis met Mc 1,32 vermits het in beide gevallen gaat om het einde van de sabbat. In Mc 16,1 gaan vrouwen welruikende oliën kopen om het lichaam van Jezus te balsemen. Ze willen hem behouden voor bederf en de gevolgen ervan. In Mc 1,32-34 worden zieken aangebracht om genezen te worden.
Mc 6,47.4. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de LXX: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn). Mc 4 (2): (1) Mc 4,36 (2X). (2) Mc 4,38.
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν | 1506 | 1120 | 386 | 24 | 38 | 79 | 92 | 63 | 71 | 19 | 141 | 233 |
- Hebreeuws. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (332). Pentateuch (52). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (87). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (67).
- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) van het werkw. הָיָה = häjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalswaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. Tenakh (114). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (26). 12 Kleine Profeten (6). Geschriften (30). Gn (8): (1) Gn 1,2. (2) Gn 3,20. (3) Gn 18,12. (4) Gn 29,17. (5) Gn 36,12. (6) Gn 38,21. (7) Gn 38,22. (8) Gn 47,26.
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Frans: être. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Italiaans: essere. Lat.: esse. Spaans: ser. Surisch: hwojo.
Mc
6,47.5. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,47.6. nom. + acc. onz. enk. πλοιον = ploion (boot). Taalgebruik in het NT: ploion (boot). Taalgebruik in de LXX: ploion (boot). Taalgebruik in Mc.: ploion (boot). In de 3de reeks staat het op de 2de plaats.
| ploion (boot) | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + acc. onz. enk. ploion | 7 | 2: (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. | 1: Mc 5,18. | 3: (1) Mc 6,45. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,51. | 1: Mc 8,10. | 37 | 6 | 31 | 9 | 7 | 2 | 4 | 9 | 18 | 22 | |||||
| 2 | gen. onz. enk. ploiou | 2 | 1: Mc 5,2. | 1: Mc 6,54. | 14 | 2 | 12 | 1 | 2 | 1 | 2 | 6 | 4 | 6 | |||||||
| 3 | dat. onz. enk. ploiô(i) | 6 | 2: (1) Mc 1,19. (2) Mc 1,20. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,21. | 1: Mc 6,32. | 1: Mc 8,14. | 15 | 1 | 14 | 3 | 6 | 1 | 4 | 10 | 10 | |||||
| 4 | nom. + acc. onz. mv. ploia | 1 | 1: Mc 4,36. | 23 | 18 | 5 | 1 | 3 | 1 | 4 | 4 | 1 | |||||||||
| totaal | 16 | 2 | 4 | 3 | 5 | 2 | 102 | 38 | 64 | 13 | 16 | 8 | 6 | 19 | 1 | 1 | 37 | 43 |
De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen:
- De eerste groep situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc 1,19-20).
- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc
4,35-41): (6 , 7X): (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion = in een boot). (2) Mc
4,36 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (αλλα πλοια = alla ploia = de andere
boten). (3) Mc
4,37 (εις το πλοιον = eis to ploion (tegen de boot). (4) Mc
5,2 (εκ του πλοιου = ek tou ploiou = uit de boot). (5) Mc
5,18 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (6) Mc
5,21 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot).
- Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4: (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion (in een boot). (2) Mc
4,36 a (dat.: εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot). (3) Mc
4,36 b (nom.: πλοια = ploia = boten). (4) Mc
4,37 a (acc.: εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot). (5) Mc
4,37 b: (acc.: το πλοιον = to ploion (de boot). Instappen - parabelrede - in de boot - tegen de boot opbeuken - uitstappen. NAAR DE OVERKANT: instappen - in de boot oversteken.
- de derde groep rond Mc 6,32-8,22 met het verhaal van het wandelen op het meer (Mc 6,45-52). (7): (1) Mc 6,32 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc 6,45 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (3) Mc 6,47 (το πλοιον to ploion en mesô(i) tès thalassès = de boot in het midden van het meer). (4) Mc 6,51 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (5) Mc 6,54 (ek tou ploiou = uit de boot). (6) Mc 8,10 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (7) Mc 8,14 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). weggaan met de boot - uitgaan - broodverhaal - instappen - uit de boot uitgaan - verhalen - instappen in de boot - uitgaan.
Mc 6,47.7. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc
6,47.8. dat. mann. enk. μεσῳ = mesôi (in het midden van) van het bijvoegl. naamw. μεσος = mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in het NT: mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in de LXX: mesos (zich in het midden bevindend). Bijbel (291). OT (263). NT (28). In 4 verzen bij Matteüs: (1) Mt 10,16 (humas hôs probata en mesôi lukôn = jullie zijn als schapen temidden van wolven). (2) Mt 14,16. (3) Mt 18,2 (// Mc 9,36) (estèsen auto en mesôi autôn = hij stelde het / het kind, in hun midden). (4) Mt 18,20 (ekei eimi en mesôi autôn = daar ben ik in hun midden). In 2 verzen bij Marcus: (1) Mc 6,47 (en mesôi tès thalassès = temidden van de zee). (2) Mc 9,36 (// Mt 18,2). In 7 verzen bij Lucas: (1) Lc 2,46. (2) Lc 8,7. (3) Lc 10,3. (4) Lc 21,21. (5) Lc 22,27. (6) Lc 22,55. (7) Lc 24,36 (estè en mesôi autôn = hij stond in het midden van hen). In 2 verzen bij Johannes: (1) Joh 8,3 (stèsantes autèn en mesôi (haar stellend in het midden). (2) Joh 8,9.
- acc. mann. enk. meson van het bijvoegl. naamw. μεσος = mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in het NT: mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in de LXX: mesos (zich in het midden bevindend). Bijbel (286). LXX (). NT (16).
Mc
6,47.7. - 8. εν μεσῳ = en mesôi (in het midden van). LXX (290). NT (30). Mc (2): (1) Mc
6,47. (2) Mc
9,36.
- בְתוֹךְ = bëthôkh (in het midden van) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. stat. construct. van het zelfst. naamw. תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh): het midden, het inwendige. Taalgebruik in Tenakh: thâwèkh (stat. constr. thôkh): het midden, het inwendige. Getalswaarde: thaw = 22 of 400 , waw = 6 , kaph = 11 of 20 ; totaal: 39 (13 + 26) OF 426. Structuur: 4 - 6 - 2. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (179).
- Grieks: εις το μεσον = eis to meson (naar het midden). LXX (5): (1) Ex 24,18. (2) 1 K 6,8. (3) Jr 21,4. (4) Jr 48,7. (5) Ez 10,2. NT (7): (1) Mc 3,3. (2) 14,60. (3) Lc 4,35. (4) Lc 5,19. (5) Lc 6,8. (6) Lc 8,7. (7) Joh 20,19.
- Grieks: εις μεσον = eis meson (temidden van). LXX (28).
- Ned.: midden. D.: mitten. E.: midst. Fr.: milieu. Grieks: μεσος = mesos (zich in het midden bevindend). Taalgebruik in het NT: mesos (zich in het midden bevindend). Hebreeuws: תָוֶך = thâwèkh (stat. constr. תּוֹך = thôkh): het midden, het inwendige. Taalgebruik in Tenakh: thâwèkh (stat. constr. thôkh): het midden, het inwendige. Lat.: medius.
Mc 6,47.9. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 3 (3): (1) Mc 3,5. (2) Mc 3,7. (3) Mc 3,8
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,47.8. - 9. (εν) μεσῳ της = en mesôi tès (in het midden van de). LXX (35). NT (3): (1) Mc 6,47. (2) Lc 22,55. (3) Apk 22,2.
Mc 6,47.10. gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee meer). Taalgebruik in de LXX: thalassa (zee meer). Een vorm van thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X): (1) Mc 1,16 (2 vormen). (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 4,2. (6) Mc 4,39. (7) Mc 4,41. (8) Mc 5,1. (9) Mc 5,13 (2 vormen). (10) Mc 5,21. (11) Mc 6,47. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,49. (14) Mc 7,31. (15) Mc 9,42. (16) Mc 11,23.
| thalassa (zee) | bijbel | OT | Pentateuch | Vroege prof. | 12 kl. prof. | Grote prof. | Hagiografen | dt. -can. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 49 | 43 | 5 | 11 | 5 | 7 | 15 | 6 | 1 | 1 | 1 | 3 | 2 | 3 | ||||||
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 176 | 148 | 33 | 24 | 13 | 36 | 24 | 18 | 28 | 3 | 4 | 1 | 6 | 1 | 5 | 8 | 8 | 14 | 3 | 2 |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 36 | 23 | 1 | 1 | 4 | 9 | 5 | 3 | 13 | 2 | 4 | 1 | 1 | 2 | 3 | 7 | 7 | 2 | ||
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 185 | 145 | 31 | 33 | 12 | 39 | 23 | 7 | 40 | 9 | 9 | 1 | 2 | 8 | 1 | 10 | 19 | 21 | 1 | |
| totaal | 446 | 359 | 70 | 69 | 34 | 91 | 67 | 28 | 87 | 15 | 18 | 3 | 9 | 10 | 8 | 24 | 36 | 45 | 6 | 2 |
| thalassa (zee) | Mt | Mc | Lc | Joh | // | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 1 : Mt 8,27. | 1 : Mc 4,41. | 1 : Joh 6,18. | 1: Mt 8,27 // Mc 4,41. | |
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 3 : (1) Mt 4,15. (2) Mt 14,26. (3) Mt 18,6. | 4 : (1) Mc 5,1. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,48. (4) Mc 6,49. | 1 : Lc 21,25. | 6 : (1) Joh 6,1. (2) Joh 6,17. (3) Joh 6,19. (4) Joh 6,22. (5) Joh 6,25. (6) Joh 21,1. | 2: (1) Mt 14,26 // Mc 6,49. (2) Mt 18,6 // Mc 9,42 // Lc 17,2. |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 2 : (1) Mt 8,24. (2) Mt 8,26. | 4 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 4,1. (3) Mc 4,39. (4) Mc 5,13. | 1 : Lc 17,6. | (1) Mt 8,26 // Mc 4,39. | |
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 9 : (1) Mt 4,18. (2) Mt 8,32. (3) Mt 13,1. (4) Mt 13,47. (5) Mt 14,25. (6) Mt 15,29. (7) Mt 17,27. (8) Mt 21,21. (9) Mt 23,15. | 9 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,13. (6) Mc 5,21. (7) Mc 7,31. (8) Mc 9,42. (9) Mc 11,23. | 1 : Lc 17,2. | 2 : (1) Joh 6,16. (2) Joh 21,7. | (1) Mt 4,18 // Mc 1,16. (2) Mt 8,32 // Mc 5,13. (3) Mt 13,1 // Mc 4,1. (4) Mt 14,25 // Mc 6,48. (5) Mt 15,29 // Mc 7,31. (5) Mt 21,21 // Mc 11,23. |
| totaal | 15 | 18 | 3 | 9 |
Mc
6,47.7. - 10. εν μεσῳ της θαλασσης = en mesôi tès thalassès (in het midden van het meer / de zee). LXX (3): (1) Ex 14,29. (2) Ex 15,8. (3) Ex 15,19. NT (1): Mc
6,47.
- εις μεσον της θαλασσης = eis meson tès thalassès (temidden van de zee). Bijbel (4): (1) Ex 14,16. (2) Ex 14,22. (3) Ex 14,23. (4) Ez 26,12.
- בְתוֹךְ הַיָּמ = bëthôkh hajjâm (in het midden van de zee). Tenakh (9): (1) Ex 14,16. (2) Ex 14,22. (3) Ex 14,27. (4) Ex 14,29. (5) Ex 15,19. (6) Nu 33,8. (7) Ez 26,5. (8) Ez 27,32. (9) Neh 9,11.
- We kunnen er niet naast kijken. In het midden van de zee van Mc
6,47 verwijst naar het uittochtverhaal in Ex 14 - 15. In dat verhaal gaan de Israëlieten droogvoets in het midden van de zee. Er zijn 2 versies over het droogvoets doorgaan. De 1ste versie: Mozes sloeg met zijn staf op het water en het water splitste zich in twee waardoor ze konden doorgaan. De 2de versie: Er waaide een oostenwind waardoor ze de zee konden oversteken.
Mc 6,47.1. - 10. Het dubbelverhaal. In Mc 4,35 werd het avond. Jezus stelt aan zijn leerlingen voor om naar de overkant te varen. De leerlingen nemen hem mee zoals hij in de boot en de andere boten waren bij hem. In Mc 6,47 werd het avond. De boot was te midden van de zee.
Mc 6,47.11. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,47.12. pers. voornaamw. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij). Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (15): (1) Mc 1,8*. (2) Mc 2,25. (3) Mc 3,13*. (4) Mc 4,27. (5) Mc 4,38*. (6) Mc 5,40*. (7) Mc 6,17. (8) Mc 6,45*. (9) Mc 6,47*. (10) Mc 8,29. (11) Mc 12,36. (12) Mc 12,37. (13) Mc 14,15. (14) Mc 14,44. (15) Mc 15,43. * waar het Jezus betreft.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | nom. mann. enk. autos | 15 | 1 . | 1 . | 1 | 2 | 1 | 3 | 1 | 2 | 2 | 1 | 654 | 490 | 164 | 12 | 15 | 45 | 18 | 17 | 49 | 8 | 72 | 90 | ||||||
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,47.13. μονος = monos (alleen, afzonderlijk). Taalgebruik in het NT: monos (alleen, afzonderlijk). Taalgebruik in de LXX: monos (alleen, afzonderlijk). Taalgebruik in Lc: monos . Bijbel (75). LXX (55). NT (20). Mc (1): Mc 6,47. Een vorm van μονος = monos (alleen, afzonderlijk) in de LXX (164) , in het NT (46) , in Mc (8).
Mc 6,47.14. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,47.15. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 3 (3): (1) Mc 3,5. (2) Mc 3,7. (3) Mc 3,8
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,47.16. gen. vr. enk. γης = gès van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in het NT: gè (aarde). Taalgebruik in de Septuaginta: gè (aarde). Een vorm van γη = gè (aarde, land) in de LXX (3154) , in het NT (248).
| gè | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | gen. vr. enk. gès | 1203 | 1082 | 121 | 17 | 11 | 10 | 5 | 15 | 21 | 42 | 38 | 43 |
- Hebreeuws אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). Getalwaarde: aleph = 1 , resj = 20 of 300 , tsade = 18 of 90 ; totaal: 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 391 (17 X 23). Structuur: 1 - 3 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (453). Pentateuch (117). Eerdere Profeten (54). Latere Profeten (130). 12 Kleine Profeten (34). Geschriften (118).
- Ned.: aarde. Arabisch: أَرْض = ´arD (aarde). Taalgebruik in de Qoran: ´arD (aarde). Aramees: אֲרְעַ = ´ärë`a (aarde). D.: Erde. E.: earth. Fr.: terre. Grieks: γη = gè (aarde, land). Taalgebruik
in het NT: gè
(aarde). Hebreeuws: אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz
(land). Italiaans: terra. Lat.: terra. Spaans: tierra. Syrisch: ´ar`o (aarde).
Mc
6,47.14. - 16. επι της γης = epi tès gès (op de aarde). LXX (265). NT (59). Mt (8): (1) Mt 6,10. (2) Mt 6,19. (3) Mt 9,6. (4) Mt 16,19 (2X). (5) Mt 18,18 (2X). (6) Mt 18,19. (7) Mt 23,9. (8) Mt 23,35. Mc (10): (1) Mc 2,10. (2) Mc 4,1. (3) Mc 4,5. (4) Mc 4,26. (5) Mc 4,31. (6) Mc 6,47. (7) Mc 8,6. (8) Mc 9,3. (9) Mc 9,20. (10) Mc 14,35.
- επι γης = epi gès (op aarde). NT (4). Mt (1): Mt 28,18.
- Hebreeuws: אֶל הָאָרֶץ = `al hâ´ârèts (op de aarde). Tenakh (88). Gn ( 29).
In Mc 6,45 moesten de leerlingen in de boot stappen. Jezus zou weggaan naar de berg (Mc 6,46). In Mc 6,47 waren de leerlingen in het midden van de zee en was Jezus alleen op het land.
| Mc 6,48 - Mc 6,48: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [48] And he saw them toiling in rowing; for the wind was
contrary unto them: and about the fourth watch of the night he cometh unto them,
walking upon the sea, and would have passed by them.
Luther-Bibel. 48 Und er sah, dass sie sich abplagten beim Rudern, denn der
Wind stand ihnen entgegen. Um die vierte Nachtwache kam er zu ihnen und ging
auf dem See und wollte an ihnen vorübergehen.
Tekstuitleg van Mc 6,48. Het vers Mc 6,48 telt 30 woorden en 161 letters. De getalswaarde van Mc 6,48 is 17679 (3 X 71 X 83).
| Mc 6,48 | Mt 14,25 | Joh 6,18 | ||
| 6:48 kai idôn autous basanizomenous en tô elaunein èn gar o anemos enantios autois peri tetartèn fulakèn tès nuktos erchetai pros autous peripatôn epi tès thalassès kai èthelen parelthein autous | 14:25 tetartè de fulakè tès nuktos èlthen pros autous peripatôn epi tèn thalassan | ἥ τε θάλασσα ἀνέμου μεγάλου πνέοντος διεγείρετο. |
Mc 6,48.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,48.2. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag). Mt (12): (1) Mt 2,16. (2) Mt 3,7. (3) Mt 5,1. (4) Mt 8,18. (5) Mt 9,2. (6) Mt 9,4. (7) Mt 9,22. (8) Mt 9,23. (9) Mt 9,36. (10) Mt 21,19. (11) Mt 27,3. (12) Mt 27,24. Mc (12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. (4) Mc 6,48. (5) Mc 8,33. (6) Mc 9,20. (7) Mc 9,25. (8) Mc 10,14. (9) Mc 11,13. (10) Mc 12,28. (11) Mc 12,34. (12) Mc 15,39. Met Jezus als onderwerp. Mc (7 / 12. expliciet: 4 / 12 , impliciet: 3 / 12). Expliciet (4 / 12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 9,25. (3) Mc 10,14. (4) Mc 12,34. Impliciet (3 / 12): (1) Mc 6,48. (2) Mc 8,33. (3) Mc 11,13. Andere (5 / 12): (1) Mc 5,6 (bezetene). (2) Mc 5,22 (Jaïrus). (3) Mc 9,20 (onreine geest). (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde). (5) Mc 15,39 (centurio). Lc (20): (1) Lc 1,12. (2) Lc 5,8. (3) Lc 5,12. (4) Lc 5,20. (5) Lc 7,13. (6) Lc 7,39. (7) Lc 8,28. (8) Lc 10,31. (9) Lc 10,32. (10) Lc 10,33. (11) Lc 11,38. (12) Lc 13,12. (13) Lc 17,14. (14) Lc 17,15. (15) Lc 18,24. (16) Lc 18,43. (17) Lc 19,41. (18) Lc 22,58. (19) Lc 23,8. (20) Lc 23,47. ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336).
| zien | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| part. aor. nom. mann. enk. idôn | 106 | 45 | 61 | 12 | 12 | 20 | 3 | 12 | 1 | 1 | 44 | 47 | 1 |
- Ned.: zien. Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien). Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien). D.: sehen , schauen. E.: to see. Fr.: voir. Gr.: ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien). Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Lat.: videre.
Mc
6,48.1. - 2. και ιδων = kai idôn (en ziende). NT (8 / 12): (1) Mc 2,5. (2) Mc 5,6. (3) Mc 5,22. (4) Mc 6,48. (5) Mc 8,33. (6) Mc 9,20. (7) Mc 11,13. (8) Mc 12,34. kai... idôn (en... gezien). Mc (1 / 8): Mc 12,34. idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12): (1) Mc 9,25. (2) Mc 10,14. (3) Mc 15,39.
- ιδων δε = idôn de (gezien echter). LXX (14). NT (17). Mc (5): (1) Mc 2,5. (2) Mc 5,6. (3) Mc 9,25. (4) Mc 10,14. (5) Mc 15,39.
Mc 6,48.3. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc (40). Mc 6 (6): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,33. (3) Mc 6,34. (4) Mc 6,36. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 |
2. - 3.
Mc 6,48.4. pass. part. praes. acc. mann. mv. βασανιζομενους = basavizomenous (gekweld wordende) van het werkw. βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen). Taalgebruik in het NT: basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen). Taalgebruik in de LXX: basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen). Bijbel = Mc (1): Mc 6,48. Een vorm van βασανιζω = basanizô (kwellen, folteren, in het nauw brengen) in de LXX (29) , in het NT (12) , in Mc (2): (1) Mc 5,7. (2) Mc 6,48.
Mc 6,48.5. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,48.6. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,18. (2) Mc 6,22. (3) Mc 6,28. (4) Mc 6,32. (5) Mc 6,39. (6) Mc 6,48.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | dat. m. + onz. enk. tô(i) | 68 | 6 | 5 | 4 | 4 | 7 | 6 | 3 | 3 | 7 | 3 | 4 | 5 | 2 | 5 | 2 | 2 | 5507 | 4462 | 1045 | 121 | 68 | 154 | 98 | 163 | 367 | 74 | 343 | 441 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,48.7. act. inf. praes. ελαυνειν = elaunein (om te varen) van het werkw. ελαυνω = elaunô (varen, roeien). Taalgebruik in het NT: elaunô (varen, roeien). Taalgebruik in de LXX: elaunô (varen, roeien). Bijbel (2): (1) 1 K 9,27. (2) Mc 6,48. Een vorm van ελαυνω = elaunô (varen, roeien) in de LXX (8) , in het NT (5).
Mc 6,48.8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de LXX: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192).
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν | 1506 | 1120 | 386 | 24 | 38 | 79 | 92 | 63 | 71 | 19 | 141 | 233 |
- Hebreeuws. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh
(zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh
(zijn). Getalwaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (332).
Pentateuch (52). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (87). 12 Kleine
Profeten (14). Geschriften (67).
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi
(zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh
(zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh
(zijn). Lat.: esse.
Mc 6,48.9. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,48.8. - 9. ην γαρ = èn gar (want hij / zij was). LXX (16). NT (17). Mc (5): (1) Mc 1,22. (2) Mc 5,42. (3) Mc 6,48. (4) Mc 10,22. (5) Mc 16,4.
Mc 6,48.10. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,48.11. nom. mann. enk. ανεμος = anemos (wind). Taalgebruik in het NT: anemos (wind). Taalgebruik in de LXX: anemos (wind). Bijbel (20). LXX (12). NT (8). Mc (4): (1) Mc 4,39. (2) Mc 4,41. (3) Mc 6,48. (4) Mc 6,51.
Mc 6,48.12. nom. mann. enk. εναντιος = enantios (tegengesteld). Taalgebruik in het NT: enantios (tegengesteld). Taalgebruik in de LXX: enantios (tegengesteld). Bijbel (2): (1) Mt 14,24. (2) Mc 6,48. Een vorm van εναντιος = enantios (tegengesteld) in de LXX (72) , in het NT (8).
Mc 6,48.13. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
Mc 6,48.14. περι = peri (omwille van, over). Taalgebruik in NT: peri (over, rondom, omwille van). Taalgebruik in de LXX: peri (over, rondom, omwille van). Taalgebruik in Mc: peri (over, rondom, omwille van). Mc 3 (3): (1) Mc 3,8. (2) Mc 3,32. (3) Mc 3,34.
| peri (omwille van, over) | Mc 1 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 22 | 3 | 3 | 2 | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 2 | 2 | 1 | 1 | 894 | 590 | 304 | 28 | 22 | 43 | 57 | 63 | 90 | 1 | 93 | 150 |
| peri (omwille van, over) | Mc 1 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 |
| 22 | 3 : (1) Mc 1,6. (2) Mc 1,30. (3) Mc 1,44. | 3 : (1) Mc 3,8. (2) Mc 3,32. (3) Mc 3,34. | 2 : (1) Mc 4,10. (2) Mc 4,19. | 2 : (1) Mc 5,16. (2) Mc 5,27. | 1 : Mc 6,48. | 2 : (1) Mc 7,6. (2) Mc 7,25. | 1 : Mc 8,30. | 2 : (1) Mc 9,14. (2) Mc 9,42. | 2 : (1) Mc 10,10. (2) Mc 10,41. | 2 : (1) Mc 12,14. (2) Mc 12,26. | 1 : Mc 13,32. | 1 : Mc 14,21. |
Mc 6,48.15. acc. vr. enk. = tetartèn (vierde).
16. acc. vr. enk. = fulakèn (wacht)
Mc 6,48.15. - 16. In Ex 14,24 kijkt JHWH bij het ochtendgloren (bij de wacht van de morgen) naar de legermacht van de Egyptenaren en brengt het in verwarring. Er komen alsmaar meer gelijkenissen tussen Ex 14 - 15 en Mc 6,45-52 dat we in het 2de verhaal van het dubbelverhaal niet alleen een midrasj van het verhaal van Jona , maar ook van het verhaal van de uittocht uit Egypte hebben.
Mc
6,48.19. ind. praes. 3de pers. enk. ερχεται = erchetai (hij gaat) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan,
komen). Taalgebruik in het NT: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai
(gaan, komen). Taalgebruik in Mc.: erchomai
(gaan, komen).
Mc (16): (1) Mc
1,7. (2) Mc
1,40. (3) Mc
3,20. (4) Mc
3,31. (5) Mc
4,15. (6) Mc
4,21. (7) Mc
5,22. (8) Mc
6,1. (9) Mc
6,48. (10) Mc
10,1. (11) Mc
13,35. (12) Mc
14,17. (13) Mc
14,37. (14) Mc
14,41. (15) Mc
14,66. (16 ) Mc
15,36. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , Mt (111) , Mc (86) , Lc (100) , Joh (156) , Hnd (54) , in Mc 6 (5): (1) Mc
6,1. (2) Mc
6,29. (3) Mc
6,31. (4) Mc
6,48. (5) Mc
6,53.
In Mc
1,40 komt een zieke naar Jezus. In Mc
5,22 gaat een synagoge-overste om genezing vragen voor zijn dienaar. In Mc 6,1 gaat Jezus naar zijn vaderstad. In 7 verzen is Jezus onderwerp: (1) Mc
3,20. (2) Mc
6,1. (3) Mc
6,48. (4) Mc
10,1. (5) Mc
14,17. (6) Mc
14,37. (7) Mc
14,41.
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. pr. 3de p. enk. erchetai | 130 | 42 | 88 | 13 | 16 | 11 | 37 | 1 | 7 | 3 | 40 | 77 |
- Hebreeuws: בָּא = bâ´
(gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´
(gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader).
- Ned.: gaan. D.: gehen. E.: go. Grieks: ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Hebreeuws: בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Lat.: ire. vadere (Fr. je vais , il va). ambulare (Fr. nous allons , vous allez).
Mc 6,48.20. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in de LXX: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,25. (3) Mc 6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
- Hebreeuws. ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. OF ontkenning עַל = ´al (niet). Taalgebruik in Tenakh: ´èl . Getalwaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3626). Pentateuch (1096). Eerdere Profeten (1070). Latere Profeten (655). 12 Kleine Profeten (142). Geschriften (662).
- Arabisch. إلي = ´ilâ (naar). Taalgebruik in de Qoran: ´ilâ (naar).
Mc
6,48.19. - 20. ερχεται προς = erchetai pros (hij gaat naar). LXX (2): (1) Gn 48,2. (2) Jr 39,7. NT (10). (1) Mt 26,40. (2) Mt
26,45. (3) Mc 1,40. (4) Mc 6,48. (5) Lc 14,26 . (6) Joh 3,20. (7) Joh
3,21. (8) Joh 6,5. (9) Joh
6,45. (10) Joh 11,29. (11) Joh 14,6. (12) Joh 20,2. (13) 2 Joh 1,10.
- בָּא אֶל = bâ´ ´èl (hij gaat naar). Tenakh (31).
Mc 6,48.21. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc (40). Mc 6 (6): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,33. (3) Mc 6,34. (4) Mc 6,36. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 |
Mc 6,48.20. - 21. προς αυτους = pros autous (naar hen). LXX (253). NT (77). Mc (5): (1) Mc 6,48. (2) Mc 6,51. (3) Mc 9,16. (4) Mc 12,4. (5) Mc 12,12.
Mc 6,48.19. - 21. ερχεται προς αυτους = erchetai pros autous (hij gaat naar hen). Bijbel = NT (1): Mc 6,48.
Mc
6,48.22. act. part. praes. nom. mann. enk. περιπατων = peripatôn (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel (9): (1) Ps 104,3. (2) Job 9,8. (3) Sir 10,27. (4) Mt
4,18. (5) Mt
14,25. (6) Mc
6,48. (7) Joh
12,35. (8) Hnd 3,8. (9) Apk 2,1. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5.
- act. part. praes. acc. mann. enk. περιπατουντα = peripatônta (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel = NT (5): (1) Mt
14,26. (2) Mc
6,49. (3) Joh
6,19. (4) Hnd 3,9. (5) 3
Joh 1,4. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5
Mc 6,48.23. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,48.22. - 23. περιπατων επι = peripatôn epi (wandelende op). Bijbel (3): (1) Ps 104,3. (2) Mt 14,25. (3) Mc 6,48.
Mc 6,48.24. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 3 (3): (1) Mc 3,5. (2) Mc 3,7. (3) Mc 3,8
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,48.25. gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee meer). Taalgebruik in de LXX: thalassa (zee meer). Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X): (1) Mc 1,16 (2 vormen). (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 4,2. (6) Mc 4,39. (7) Mc 4,41. (8) Mc 5,1. (9) Mc 5,13 (2 vormen). (10) Mc 5,21. (11) Mc 6,47. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,49. (14) Mc 7,31. (15) Mc 9,42. (16) Mc 11,23.
- acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee meer). Taalgebruik in de LXX: thalassa (zee meer). Taalgebruik in Mc: thalassa (zee). Mc (9) (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,13. (6) Mc 5,21. (7) Mc 7,31. (8) Mc 9,42. (9) Mc 11,23.
| thalassa (zee) | bijbel | OT | Pentateuch | Vroege prof. | 12 kl. prof. | Grote prof. | Hagiografen | dt. -can. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 49 | 43 | 5 | 11 | 5 | 7 | 15 | 6 | 1 | 1 | 1 | 3 | 2 | 3 | ||||||
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 176 | 148 | 33 | 24 | 13 | 36 | 24 | 18 | 28 | 3 | 4 | 1 | 6 | 1 | 5 | 8 | 8 | 14 | 3 | 2 |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 36 | 23 | 1 | 1 | 4 | 9 | 5 | 3 | 13 | 2 | 4 | 1 | 1 | 2 | 3 | 7 | 7 | 2 | ||
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 185 | 145 | 31 | 33 | 12 | 39 | 23 | 7 | 40 | 9 | 9 | 1 | 2 | 8 | 1 | 10 | 19 | 21 | 1 | |
| totaal | 446 | 359 | 70 | 69 | 34 | 91 | 67 | 28 | 87 | 15 | 18 | 3 | 9 | 10 | 8 | 24 | 36 | 45 | 6 | 2 |
| thalassa (zee) | Mt | Mc | Lc | Joh | // | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 1 : Mt 8,27. | 1 : Mc 4,41. | 1 : Joh 6,18. | 1: Mt 8,27 // Mc 4,41. | |
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 3 : (1) Mt 4,15. (2) Mt 14,26. (3) Mt 18,6. | 4 : (1) Mc 5,1. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,48. (4) Mc 6,49. | 1 : Lc 21,25. | 6 : (1) Joh 6,1. (2) Joh 6,17. (3) Joh 6,19. (4) Joh 6,22. (5) Joh 6,25. (6) Joh 21,1. | 2: (1) Mt 14,26 // Mc 6,49. (2) Mt 18,6 // Mc 9,42 // Lc 17,2. |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 2 : (1) Mt 8,24. (2) Mt 8,26. | 4 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 4,1. (3) Mc 4,39. (4) Mc 5,13. | 1 : Lc 17,6. | (1) Mt 8,26 // Mc 4,39. | |
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 9 : (1) Mt 4,18. (2) Mt 8,32. (3) Mt 13,1. (4) Mt 13,47. (5) Mt 14,25. (6) Mt 15,29. (7) Mt 17,27. (8) Mt 21,21. (9) Mt 23,15. | 9 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,13. (6) Mc 5,21. (7) Mc 7,31. (8) Mc 9,42. (9) Mc 11,23. | 1 : Lc 17,2. | 2 : (1) Joh 6,16. (2) Joh 21,7. | (1) Mt 4,18 // Mc 1,16. (2) Mt 8,32 // Mc 5,13. (3) Mt 13,1 // Mc 4,1. (4) Mt 14,25 // Mc 6,48. (5) Mt 15,29 // Mc 7,31. (5) Mt 21,21 // Mc 11,23. |
| totaal | 15 | 18 | 3 | 9 |
Mc
6,48.23. - 25. επι της θαλασσης = epi tès thalassès (op de zee). LXX (4): (1) Ex 14,2. NT (9): (1) Mt 14,25. (2) Mc 6,48. (3) Mc 6,49. (4) Joh 6,19. (5) Joh 21,1. (6) Apk 5,13. (7) Apk 7,1. (8) Apk 10,5. (9) Apk 10,8.
- επι την θαλασσαν = epi tèn thalassan (op de zee). LXX (13): (1) Ex 14,16. (2) Ex 14,21. (3) Ex 14,26. (4) Ex 14,27. NT (5): (1) Mt
14,26. (2) Joh
6,16. (3) Hnd 17,14. (4) Apk 10,2. (5) Apk 15,2.
22. - 25. Het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen) met επι της θαλασσης = epi tès thalassès (op de zee): (1) Mt 14,25. (2) Mc 6,48. (3) Mc 6,49. (4) Joh 6,19.
act. part. praes. nom. mann. enk. περιπατων = peripatôn (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel (9): (1) Ps 104,3. (2) Job 9,8. (3) Sir 10,27. (4) Mt
4,18. (5) Mt
14,25. (6) Mc
6,48. (7) Joh
12,35. (8) Hnd 3,8. (9) Apk 2,1. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5.
- act. part. praes. acc. mann. enk. περιπατουντα = peripatônta (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel = NT (5): (1) Mt
14,26. (2) Mc
6,49. (3) Joh
6,19. (4) Hnd 3,9. (5) 3
Joh 1,4. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5
Mc 6,48.26. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,48.27. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ηθελεν = èthelen (hij wilde) van het werkw. θελω = thelô (willen). Taalgebruik in het NT: thelô (willen). Taalgebruik in de LXX: thelô (willen). Taalgebruik in Mc: thelô (willen). Mc (5): (1) Mc 3,13. (2) Mc 6,19. (3) Mc 6,48. (4) Mc 7,24. (5) Mc 9,30. Een vorm van θελω = thelô (willen) in de LXX (148) , in het NT (207) , in Mt (42) , in Mc (24) , in Lc (28) , in Joh (23).
| thelô (willen) | Mc | Mc 1 | Mc 3 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 6 | act. ind. imperf. 3de pers. enk. èthelen | 5 | (1) Mc 3,13 | (2) Mc 6,19. (3) Mc 6,48 | (4) Mc 7,24 | (5) Mc 9,30 | 19 | 5 | 14 | 2 | 5 | 3 | 1 | 3 | 10 | 11 | ||||||||||
| totaal | 23 | 2 | 1 | 5 | 1 | 2 | 3 | 4 | 1 | 2 | 2 | 213 | 85 | 128 | 27 | 23 |
- Lat. velle. Fr. vouloir. Ned. willen. D. willen. E. will.
Mc 6,48.28. inf. aor. = parelthein (om voorbij te gaan) van het werkw. parerchomai
Mc 6,48.29. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc (40). Mc 6 (6): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,33. (3) Mc 6,34. (4) Mc 6,36. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 |
| Mc 6,49 - Mc 6,49: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [49] But when they saw him walking upon the sea, they supposed
it had been a spirit, and cried out:
Luther-Bibel. 49 Und als sie ihn sahen auf dem See gehen, meinten sie, es wäre
ein Gespenst, und schrien;
Tekstuitleg van Mc 6,49. Het vers Mc 6,49 telt 13 woorden en 73 letters. De getalswaarde van Mc 6,49 is 5876 (2² X 13 X 113).
| Mc 6,49 | Mt 14,26 | Joh 6,19 | ||
| 6:49 oi de idontes auton epi tès thalassès peripatounta edoxan oti fantasma estin kai anekraxan | 14:26 oi de mathètai idontes auton epi tès thalassès peripatounta etarachthèsan legontes oti fantasma estin kai apo tou fobou ekraxan | 19 ἐληλακότες οὖν ὡς σταδίους εἴκοσι πέντε ἢ τριάκοντα θεωροῦσι τὸν Ἰησοῦν περιπατοῦντα ἐπὶ τῆς θαλάσσης καὶ ἐγγὺς τοῦ πλοίου γινόμενον, καὶ ἐφοβήθησαν. |
Mc 6,49.1. bepaald lidw. nom. mann. mv. οἱ = hoi. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,29. (3) Mc 6,30. (4) Mc 6,31. (5) Mc 6,35. (6) Mc 6,44. (7) Mc 6,49.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 10. | nom. m. mv. hoi | 101 | 4 | 8 | 8 | 5 | 3 | 7 | 5 | 5 | 4 | 14 | 5 | 7 | 5 | 11 | 10 | 4230 | 3257 | 973 | 196 | 101 | 165 | 125 | 147 | 169 | 70 | 462 | 587 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d'. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in de LXX: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om verandering van personage of situatie aan te duiden. Mc 1 (5): (1) Mc 1,8. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,30. (4) Mc 1,32. (5) Mc 1,45. In Mc 1,44 legde Jezus aan de genezen melaatse een spreekverbod op. Maar die begon veelvuldig te verkondigen.
| de (echter) | de (echter) Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| de | 149 + 2 | 5 | 6 | 1 | 4 | 5 | 8 | 8 | 5 | 10 | 23 | 4 | 7 | 13 | 23 | 20 | 7 | 6210 | 3754 | 2456 | 421 | 149 | 478 | 203 | 490 | 708 | 7 | 1048 | 1251 |
| d' | d' | 1 | 1 | 73 | 50 | 23 | 12 | 2 | 5 | 1 | 3 | 19 | 20 | ||||||||||||||||
| Totaal | 6283 | 3804 | 2479 | 433 | 151 | 483 | 204 | 490 | 711 | 7 | 1067 | 1271 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc 6,49.1. - 2. hoi de (zij echter). Mc (). Mc 6 (1): (2) Mc 6,49.
Mc 6,49.3. part. aor. nom. mann. mv. ιδοντες = idontes(ziende). Zie: ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag).
| zien | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| part. aor. nom. mann. mv. idontes | 5 | (1) Mc 2,16. | (2) Mc 5,16. | (3) Mc 6,49. | (4) Mc 7,2. | (5) Mc 9,15. | 63 | 22 | 41 | 14 | 5 | 9 | 4 | 5 | 4 | 28 | 32 | |||||||||||||||
| totaal | 29 | 705 | 485 | 220 | 39 | 29 | 38 | 20 | 35 | 11 | 48 | 106 | 126 |
- Ned.: zien. Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien). Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien). D.: sehen , schauen. E.: to see. Fr.: voir. Gr.: ειδεν = eiden (hij zag). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien). Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen). Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien). Lat.: videre.
Mc
6,49.4. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,49.5. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,49.6. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 3 (3): (1) Mc 3,5. (2) Mc 3,7. (3) Mc 3,8
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 5. | gen. vr. enk. tès | 65 | 5 | 2 | 3 | 4 | 5 | 7 | 7 | 5 | 5 | 2 | 2 | 4 | 5 | 6 | 2 | 1 | 5271 | 4202 | 1069 | 107 | 65 | 109 | 72 | 164 | 430 | 122 | 281 | 353 |
- bepaald lidw. Ned.: de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,49.7. gen. vr. enk. θαλασσης = thalassès (van het meer) van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee meer). Taalgebruik in de LXX: thalassa (zee meer). Een vorm van θαλασσα = thalassa (zee, meer) in Mc in 16 verzen (18X): (1) Mc 1,16 (2 vormen). (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 4,2. (6) Mc 4,39. (7) Mc 4,41. (8) Mc 5,1. (9) Mc 5,13 (2 vormen). (10) Mc 5,21. (11) Mc 6,47. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,49. (14) Mc 7,31. (15) Mc 9,42. (16) Mc 11,23.
- acc. vr. enk. θαλασσαν = thalassan van het zelfst. naamw. θαλασσα = thalassa (zee, meer). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee meer). Taalgebruik in de LXX: thalassa (zee meer). Taalgebruik in Mc: thalassa (zee). Mc (9) (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,13. (6) Mc 5,21. (7) Mc 7,31. (8) Mc 9,42. (9) Mc 11,23.
| thalassa (zee) | bijbel | OT | Pentateuch | Vroege prof. | 12 kl. prof. | Grote prof. | Hagiografen | dt. -can. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 49 | 43 | 5 | 11 | 5 | 7 | 15 | 6 | 1 | 1 | 1 | 3 | 2 | 3 | ||||||
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 176 | 148 | 33 | 24 | 13 | 36 | 24 | 18 | 28 | 3 | 4 | 1 | 6 | 1 | 5 | 8 | 8 | 14 | 3 | 2 |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 36 | 23 | 1 | 1 | 4 | 9 | 5 | 3 | 13 | 2 | 4 | 1 | 1 | 2 | 3 | 7 | 7 | 2 | ||
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 185 | 145 | 31 | 33 | 12 | 39 | 23 | 7 | 40 | 9 | 9 | 1 | 2 | 8 | 1 | 10 | 19 | 21 | 1 | |
| totaal | 446 | 359 | 70 | 69 | 34 | 91 | 67 | 28 | 87 | 15 | 18 | 3 | 9 | 10 | 8 | 24 | 36 | 45 | 6 | 2 |
| thalassa (zee) | Mt | Mc | Lc | Joh | // | |
| 1 | nom. vr. enk. thalassa | 1 : Mt 8,27. | 1 : Mc 4,41. | 1 : Joh 6,18. | 1: Mt 8,27 // Mc 4,41. | |
| 2 | gen. vr. enk. thalassès | 3 : (1) Mt 4,15. (2) Mt 14,26. (3) Mt 18,6. | 4 : (1) Mc 5,1. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,48. (4) Mc 6,49. | 1 : Lc 21,25. | 6 : (1) Joh 6,1. (2) Joh 6,17. (3) Joh 6,19. (4) Joh 6,22. (5) Joh 6,25. (6) Joh 21,1. | 2: (1) Mt 14,26 // Mc 6,49. (2) Mt 18,6 // Mc 9,42 // Lc 17,2. |
| 3 | dat. vr. enk. thalassè(i) | 2 : (1) Mt 8,24. (2) Mt 8,26. | 4 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 4,1. (3) Mc 4,39. (4) Mc 5,13. | 1 : Lc 17,6. | (1) Mt 8,26 // Mc 4,39. | |
| 4 | acc. vr. enk. thalassan | 9 : (1) Mt 4,18. (2) Mt 8,32. (3) Mt 13,1. (4) Mt 13,47. (5) Mt 14,25. (6) Mt 15,29. (7) Mt 17,27. (8) Mt 21,21. (9) Mt 23,15. | 9 : (1) Mc 1,16. (2) Mc 2,13. (3) Mc 3,7. (4) Mc 4,1. (5) Mc 5,13. (6) Mc 5,21. (7) Mc 7,31. (8) Mc 9,42. (9) Mc 11,23. | 1 : Lc 17,2. | 2 : (1) Joh 6,16. (2) Joh 21,7. | (1) Mt 4,18 // Mc 1,16. (2) Mt 8,32 // Mc 5,13. (3) Mt 13,1 // Mc 4,1. (4) Mt 14,25 // Mc 6,48. (5) Mt 15,29 // Mc 7,31. (5) Mt 21,21 // Mc 11,23. |
| totaal | 15 | 18 | 3 | 9 |
Mc
6,49.5. - 7. επι της θαλασσης = epi tès thalassès (op de zee). LXX (4): (1) Ex 14,2. NT (9): (1) Mt 14,25. (2) Mc 6,48. (3) Mc 6,49. (4) Joh 6,19. (5) Joh 21,1. (6) Apk 5,13. (7) Apk 7,1. (8) Apk 10,5. (9) Apk 10,8.
- επι την θαλασσαν = epi tèn thalassan (op de zee). LXX (13): (1) Ex 14,16. (2) Ex 14,21. (3) Ex 14,26. (4) Ex 14,27. NT (5): (1) Mt
14,26. (2) Joh
6,16. (3) Hnd 17,14. (4) Apk 10,2. (5) Apk 15,2.
Mc
6,49.8. act. part. praes. nom. mann. enk. περιπατων = peripatôn (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel (9): (1) Ps 104,3. (2) Job 9,8. (3) Sir 10,27. (4) Mt
4,18. (5) Mt
14,25. (6) Mc
6,48. (7) Joh
12,35. (8) Hnd 3,8. (9) Apk 2,1. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5.
- act. part. praes. acc. mann. enk. περιπατουντα = peripatônta (wandelende) van het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen). Taalgebruik in het NT: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in de LXX: peripateô
(rondwandelen). Taalgebruik in Mc: peripateô
(rondwandelen) . Bijbel = NT (5): (1) Mt
14,26. (2) Mc
6,49. (3) Joh
6,19. (4) Hnd 3,9. (5) 3
Joh 1,4. Een vorm van περιπατεω = peripateô (rondwandelen) in de LXX (34) , in het NT (96) , in Mc (10). Zie ook Job
38,16. Sir 24,5.
Mc 6,49.5. - 8. Het werkw. περιπατεω = peripateô (rondwandelen) met επι της θαλασσης = epi tès thalassès (op de zee): (1) Mt 14,25. (2) Mc 6,48. (3) Mc 6,49. (4) Joh 6,19.
Mc 6,49.9. act. ind. aor. 3de pers. mv. εδοξαν = edoksan (zij meenden) van het werkw. δοκεω = dokeô (menen, schijnen). Taalgebruik in de bijbel: dokeô (menen, schijnen). Taalgebruik in Lc: dokeô (menen, schijnen). Bijbel (3): (1) W 3,2. (2) Mc 6,49. (3) Joh 11,13.
Mc 6,49.10. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 6 (9): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,15. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,34. (7) Mc 6,35. (8) Mc 6,49. (9) Mc 6,55.
| hoti ( dat , omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157).
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
Mc 6,49.11. nom onz enk: fantasma , verschijning ; wkw eindigend op -ma: resultaat van een handeling ; stam: fan- , zie wkw fainô: schijnen)
Mc 6,49.12. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de Septuaginta: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192).
| eimi (zijn) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| estin | 69 | (1): Mc 1,27. | (4): (1) Mc 2,1. (2) Mc 2,9. (3) Mc 2,19. (4) Mc 2,28. | (4): (1) | (3): (1) Mc 4,22. (2) Mc 4,26. (3) Mc 4,41. | (2): | (6): | 6: (1) Mc 7,2. (2) Mc 7,4. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,27. (6) Mc 7,34. | (0) | (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,7. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,42. (8) Mc 9,43. (9) Mc 9,45. (10) Mc 9,47. | (7) (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,24. (3) Mc 10,25. (4) Mc 10,29. (5) Mc 10,40. (6) Mc 10,43. (7) Mc 10,47. | (0) | (11): | (3): | (7): | (4): | (1): | 2371 | 1558 | 813 | 114 | 69 | 96 | 147 | 66 | 296 | 25 |
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Lat.: esse.
Mc 6,49.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,49.14. act. ind. aor. 3de pers. mv. ανεκραξαν = anekraxan (zij schreeuwden het uit) van het werkw. ανακραζω = anakrazô (uitschreeuwen, oproepen). Taalgebruik in het NT: anakrazô (uitschreeuwen). Taalgebruik in de LXX: anakrazô (uitschreeuwen). Taalgebruik in Mc: anakrazô (uitschreeuwen). Bijbel (2): (1) Re 7,20. (2) Mc
6,49.
- Enkele werkw. op -ζω = -dzô hebben een werkwoordstam op een gutturaal o.a. ανακραζω = anakradzô (uitschreeuwen) , stam: κραγ- = krag-.
| Mc 6,50 - Mc 6,50: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [50] For they all saw him, and were troubled. And immediately
he talked with them, and saith unto them, Be of good cheer: it is I; be not
afraid.
Luther-Bibel. 50 denn sie sahen ihn alle und erschraken. Aber sogleich redete
er mit ihnen und sprach zu ihnen: Seid getrost, ich bin's; fürchtet euch nicht!,
Tekstuitleg van Mc 6,50. Het vers Mc 6,50 telt 19 woorden en 96 letters. De getalswaarde van Mc 6,50 is 10048 (2³ X 2³ X 157).
| Mc 6,50 | Mt 14,27 | Joh 6,19 - Joh 6,20 | ||
| 6:50 pantes gar auton eidon kai etarachthèsan o de euthus elalèsen met autôn kai legei autois tharseite egô eimi mè fobeisthe | 14:27 euthus de elalèsen [o ièsous] autois legôn tharseite egô eimi mè fobeisthe | 19 ἐληλακότες οὖν ὡς σταδίους εἴκοσι πέντε ἢ τριάκοντα θεωροῦσι τὸν Ἰησοῦν περιπατοῦντα ἐπὶ τῆς θαλάσσης καὶ ἐγγὺς τοῦ πλοίου γινόμενον, καὶ ἐφοβήθησαν 20 ὁ δὲ λέγει αὐτοῖς· Ἐγώ εἰμι· μὴ φοβεῖσθε. |
Mc 6,50.1. nom. mann. + vr. mv. παντες = pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. πας = pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles). Taalgebruik in de LXX: pas (ieder, elk, alles). Een vorm van πας = pas (ieder, elk, alles) in de LXX (6833) , in het NT (1226). In Lc: X vormen in 24 / 24 hoofdstukken en in 149 verzen , in Lc 15 (4): (1) Lc 15,1. (2) Lc 15,13. (3) Lc 15,14. (4) Lc 15,31.
| pas (al) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 10 | nom. m. mv. pantes | 724 | 558 | 166 | 18 | 15 | 25 | 14 | 33 | 57 | 4 | 58 | 72 |
| pas (al) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | |
| 10 | nom. mann. mv. pantes | 15 | 2 : (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,37. | (1) Mc 5,20. | 2 : (1) Mc 6,42. (2) Mc 6,50. | 2 : (1) Mc 7,3. (2) Mc 7,14. | (1) Mc 12,44. | 7 : (1) Mc 14,23. (2) Mc 14,27. (3) Mc 14,29. (4) Mc 14,31. (5) Mc 14,50. (6) Mc 14,53. (7) Mc 14,64. |
- Hebreeuws. כל = kl (al). Taalgebruik in Tenakh: kl (al). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , lamed = 12 of 30 ; totaal: 23 OF 50 (2 X 5²). Structuur: 2 - 3. Tenakh (2709). Pentateuch (824). Eerdere Profeten (584). Latere Profeten (505). 12 Kleine Profeten (104). Geschriften (692).
- Lat. omnis. Ned. al. E. all. D. allerlei. Arabisch: كُلّ = kull (al). Taalgebruik in de Qoran: kull (al).
Mc 6,50.2. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc
6,50.3. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,50.4. act. ind. aor. 3de pers. mv. ειδον = eidon (zij zagen). Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag). Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien). Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag). Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag).
Mc 6,50.5. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,50.6. pass. ind. aor. 3de pers. mv. εταραχθησαν = etarachthèsan (zij werden in verwarring gebracht) van het werkw. ταρασσω = tarassô (in verwarring brengen, verwarren). Taalgebruik in het NT: tarassô (in verwarring brengen, verwarren). Taalgebruik in de LXX: tarassô (in verwarring brengen, verwarren). Bijbel (19). LXX (17): (1) Gn 19,16. (2) Gn 42,28. (3) Gn 45,3. (4). NT (2): (1) Mt 14,26. (2) Mc 6,50. Een vorm van ταρασσω = tarassô in de LXX (121) , in het NT (17): (1) Mt 2,3. (2) Mt 14,26. (3) Lc 1,12. (4) Lc 24,38. (5) Joh 5,4. (6) Joh 5,7. (7) Joh 11,33. (8) Joh 12,27. (9) Joh 13,21. (10) Joh 14,1. (11) Joh 14,27. (12) Hnd 15,24. (13) Hnd 17,8. (14) Hnd 17,13. (15) Gal 1,7. (16) Gal 5,10. (17) 1 Pe 3,14.
Mc 6,50.7. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,50.8. δε = de (echter) , afkorting δ' = d'. de (echter). Taalgebruik in het NT: de (echter). Taalgebruik in de LXX: de (echter). Taalgebruik in Mc: de (echter). Het staat steeds als tweede woord in de zin. Het kan een lichte tegenstelling aanduiden. Om verandering van personage of situatie aan te duiden. Mc 1 (5): (1) Mc 1,8. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,30. (4) Mc 1,32. (5) Mc 1,45. In Mc 1,44 legde Jezus aan de genezen melaatse een spreekverbod op. Maar die begon veelvuldig te verkondigen.
| de (echter) | de (echter) Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| de | 149 + 2 | 5 | 6 | 1 | 4 | 5 | 8 | 8 | 5 | 10 | 23 | 4 | 7 | 13 | 23 | 20 | 7 | 6210 | 3754 | 2456 | 421 | 149 | 478 | 203 | 490 | 708 | 7 | 1048 | 1251 |
| d' | d' | 1 | 1 | 73 | 50 | 23 | 12 | 2 | 5 | 1 | 3 | 19 | 20 | ||||||||||||||||
| Totaal | 6283 | 3804 | 2479 | 433 | 151 | 483 | 204 | 490 | 711 | 7 | 1067 | 1271 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
Mc
6,50.7. - 8. δε ὁ = de ho (echter de). Mc (8): (1) Mc 2,5. (2) Mc 6,16. (3) Mc 8,29. (4) Mc 9,25. (5) Mc 10,14. (6) Mc 14,44. (7) Mc 15,7. (8) Mc 15,39. δε = de (echter) + een vorm van het bep. lidw.. NT (584).
- ὁ δε = ho de (hij echter). Mc (): (1) Mc 1,41. (2) Mc 1,45. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,34. (5) Mc 5,36. (6) Mc 5,40. (7) Mc 6,27. (8) Mc 6,37. (9) Mc 6,38. (10) Mc 7,6. (11) Mc 7,27. (12) Mc 8,33. (13) Mc 9,12. (14) Mc 9,19. (15) Mc 9,21. (16) Mc 9,23. (17) Mc 9,27. (18) Mc 9,39. (19) Mc 10,3. (20) Mc 10,18. (21) Mc 10,20. (22) Mc 10,21. (23) Mc 10,22. (24) Mc 10,24. (25) Mc 10,36. (26) Mc 10,38. (27) Mc 10,42. (28) Mc 10,48. (29) Mc 10,50. (30) Mc 10,51. (31) Mc 10,52. enz. Een vorm van het lidw. + δε = de (echter). NT (698).
- και ὁ = kai ho (en de). Mc 10 (17): (1) Mc 2,22. (2) Mc 4,25. (3) Mc 4,27. (4) Mc 4,41. (5) Mc 7,10. (6) Mc 10,33. (7) Mc 11,33. (8) Mc 12,20. (9) Mc 12,21. (10) Mc 12,26. (11) Mc 12,34. (12) Mc 12,37. (13) Mc 13,2. (14) Mc 13,16. (15) Mc 14,9. (16) Mc 14,10. (17) Mc 14,54. και = kai + een vorm van het bep. lidw.. NT (1489).
Mc 6,50.9. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- ευθυς = euthus. Bij Mc in 40 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,18. (4) Mc 1,20. (5) Mc 1,21. (6) Mc 1,23. (7) Mc 1,28. (8) Mc 1,29. (9) Mc 1,30. (10) Mc 1,42. (11) Mc 1,43. (12) Mc 2,8. (13) Mc 2,12. (14) Mc 3,6. (15) Mc 4,5. (16) Mc 4,15. (17) Mc 4,16. (18) Mc 4,17. (19) Mc 4,29. (20) Mc 5,2. (21) Mc 5,29. (22) Mc 5,30. (23) Mc 5,42. (24) Mc 6,25. (25) Mc 6,27. (26) Mc 6,45. (27) Mc 6,50. (28) Mc 6,54. (29) Mc 7,25. (30) Mc 8,10. (31) Mc 9,15. (32) Mc 9,20. (33) Mc 9,24. (34) Mc 10,52. (35) Mc 11,2. (36) Mc 11,3. (37) Mc 14,43. (38) Mc 14,45. (39) Mc 14,72. (40) Mc 15,1. In Mc 6 steekt weer meer vaart en onrust in het verhaal. 5X wordt ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen) gebruikt.
- ευθεως = eutheôs. Bij Mc in één vers: Mc 7,35.
Mc
6,50.10. prefix voegwoord wë + act. piël imperf. 3de pers. mann. enk. וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) van het werkw. דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). Getalwaarde: daleth = 4 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 26 (2 X 13) OF 206 = (2 X 103). Structuur: 4 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 8. Tenakh (192 = 26 X 7). Pentateuch (140 = 20 X 7). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (9). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (8). Gn (16). Ex (20). Lv (40). Nu (57 = 3 X 19). Dt (7). Gn (16): (1) Gn 8,15. (2) Gn 17,3. (3) Gn 19,14. (4) Gn 20,8. (5) Gn 23,3. (6) Gn 23,8. (7) Gn 23,13. (8) Gn 34,3. (9) Gn 34,8. (10) Gn 41,9. (11) Gn 41,17. (12) Gn 42,7. (13) Gn 42,24. (14) Gn 44,6. (15) Gn 50,4. (16) Gn 50,21. Ex (20): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,13. (7) Ex 6,29. (8) Ex 13,1. (9) Ex 14,1. (10) Ex 16,11. (11) Ex 20,1. (12) Ex 25,1. (13) Ex 30,11. (14) Ex 30,17. (15) Ex 30,22. (16) Ex 31,1. (17) Ex 32,7. (18) Ex 33,1. (19) Ex 34,31. (20) Ex 40,1. Lv (40): (1) Lv 1,1. (2) Lv 4,1. (3) Lv 5,14. (4) Lv 5,20. (5) Lv 6,1. (6) Lv 6,12. (7) Lv 6,17. (8) Lv 7,22. (9) Lv 7,28. (10) Lv 8,1. (11) Lv 10,8. (12) Lv 10,12. (13) Lv 10,19. (14) Lv 11,1. (15) Lv 12,1. (16) Lv 13,1. (17) Lv 14,1. (18) Lv 14,33. (19) Lv 15,1. (20) Lv 16,1. (21) Lv 17,1. (22) Lv 18,1. (23) Lv 19,1. (24) Lv 20,1. (25) Lv 21,16. (26) Lv 21,24. (27) Lv 22,1. (28) Lv 22,17. (29) Lv 22,26. (30) Lv 23,1. (31) Lv 23,9. (32) Lv 23,23. (33) Lv 23,26. (34) Lv 23,33. (35) Lv 23,44. (36) Lv 24,1. (37) Lv 24,13. (38) Lv 24,23. (39) Lv 25,1. (40) Lv 27,1. Nu (59 = 3 X 19). Nu 6 (2): (1) Nu 6,1. (2) Nu 6,22. Dt (7): (1) Dt 2,17. (2) Dt 4,12. (3) Dt 27,9. (4) Dt 31,1. (5) Dt 31,30. (6) Dt 32,44. (7) Dt 32,48.
- De getalwaarde van וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) is: waw = 6 , jod = 10 ; samen: 15 ; algemeen totaal: 26 + 16 = 42 (2 X 3 X 7) OF 206 + 16 = 222 (6 X 37 OF (10 X 17) + (2 X 26).
- In Ex 20,1 is het vervoegd werkw. vergezeld van het lijdend voorwerp met dezelfde stam als het werkw.. Bovendien is in Ex 20,1 nog een werkw. van 'zeggen' toegevoegd.
- Grieks: act. ind. aor. 3de pers. enk. ελαλησεν = elalèsen (hij sprak) van het werkw. λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in de LXX: laleô (lallen, spreken, praten). Gn (25). Ex (30). Lv (38). Nu (68). Dt (28). Ex (30): (1) Ex 4,30. (2) Ex 6,2. (3) Ex 6,9. (4) Ex 6,10. (5) Ex 6,12. (6) Ex 6,28. (7) Ex 6,29. (8) Ex 7,7. (9) Ex 7,13. (10) Ex 8,11. (11) Ex 8,15. (12) Ex 9,35. (13) Ex 12,25. (14) Ex 14,1. (15) Ex 16,11. (16) Ex 16,23. (17) Ex 20,1. (18) Ex 24,3. (19) Ex 24,7. (20) Ex 25,1. (21) Ex 30,11. (22) Ex 30,17. (23) Ex 30,22. (24) Ex 31,1. (25) Ex 32,7. (26) Ex 32,28. (27) Ex 33,1. (28) Ex 34,31. (29) Ex 34,32. (30) Ex 40,1.
-- και ελαλησεν = kai elalèsen (en hij sprak). LXX (187). NT (4).
-- ελαλησεν δε = elalèsen de (hij sprak echter). LXX (4). NT (1).
- De werkwoordvorm ειπεν = eipen (hij zei) komt veelvuldiger voor. Zie: act. ind. aor. 3de pers. enk. ειπεν = eipen (hij zei) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de LXX: legô (zeggen). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Gn (378). Ex (149). Lv (15). Nu (98). Dt (44).
| laleô | bijbel | OT | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | ||
| act. ind. aor. 3de pers. enk. elalèsen | 431 | 400 | 189 | 106 | 39 | 11 | 38 | 25 | 30 | 38 | 68 | 28 | 31 | 7 | 1 | 5 | 6 | 8 | 2 | 1 | 13 | 19 | 2 | |||
| act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen | 3024 | 2426 | 684 | 985 | 234 | 63 | 309 | 378 | 149 | 15 | 98 | 44 | 598 | 118 | 56 | 223 | 114 | 75 | 7 | 5 | 397 |
- Vulgaat. perf. deelw. locutus (gesproken) van het werkw. loqui (spreken). Bijbel (559). OT (503). NT (56). Ex (23).
-- locutusque (en gesproken). Bijbel (66).
- Ned.: spreken. Arabisch: تَكَلَمَ = takallama (spreken). Taalgebruik in de Qoran: takallama (spreken). D.: sprechen. E.: to speek. Fr.: parler. Grieks: λαλεω = laleô (lallen, spreken, praten). Taalgebruik in het NT: laleô (lallen, spreken, praten). Hebreeuws: דָבַר = dâbhar (spreken). Taalgebruik in Tenakh: dâbhar (spreken). Lat.: loqui.
- De werkwoordvorm וַיּאֹמֶר = wajjo´mèr (en hij zei) < prefix verbindingswoord wë + werkwoordvorm qal act. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. אמר = ´-m-r (zeggen). Taalgebruik in Tenakh: ´âmar (zeggen). Getalwaarde: aleph = 1 , mem = 13 of 40 , resj = 20 of 200 ; totaal: 34 (2 X 17) of 241 (priemgetal). Structuur: 1 - 4 - 2. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1879). Pentateuch (594). Eerdere Profeten (868). Latere Profeten (120). 12 Kleine Profeten (56). Geschriften (241). Gn (315). Ex (150). Lv (10). Nu (95). Dt (24). Gn 19 - 24 (11). Ex 19 (7): (1) Ex 19,9 (JHWH tot Mozes). (2) Ex 19,10 (JHWH tot Mozes). (3) Ex 19,15 (Mozes tot het volk). (4) Ex 19,21 (JHWH tot Mozes). (5) Ex 19,23 (Mozes tot JHWH). (6) Ex 19,24 (JHWH - tot Mozes - ). (7) Ex 19,25 (Mozes - tot het volk - ). Ex 20 (2): (1) Ex 20,20. (2) Ex 20,22. Ex 24 (2): (1) Ex 24,8. (2) Ex 24,12. Deze werkwoordvorm komt meer voor dan וַיְדַבֵּר = wajëdabber (en hij sprak) behalve in Lv.
Mc 6,50.11. μετα = meta (met , na). Afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth'. Taalgebruik in het NT: meta (na , met). Taalgebruik in de LXX: meta (na , met). Taalgebruik in Mc: meta (na , met).
| meta (na, met) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1 | meta | 1443 | 1159 | 284 | 42 | 34 | 37 | 24 | 48 | 77 | 22 | 113 | 137 |
| 2 | met' | 737 | 611 | 126 | 18 | 16 | 21 | 23 | 14 | 10 | 24 | 55 | 78 |
| 3 | meth' | 217 | 174 | 43 | 10 | 3 | 4 | 8 | 1 | 16 | 1 | 17 | 25 |
| totaal | 2398 | 1953 | 454 | 70 | 53 | 62 | 55 | 63 | 103 | 44 | 185 | 240 |
| meta (na, met) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
| 1 | meta | 34 | 4: (1) Mc 1,13. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,20. (4) Mc 1,29. | 1 : Mc 2,16. | 2: (1) Mc 3,6. (2) Mc 3,7. | 1: Mc 4,16. | 1 : Mc 6,25. | 3: (1) Mc 8,10. (2) Mc 8,31. (3) Mc 8,38. | 2: (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,31. | 2: (1) Mc 10,30. (2) Mc 10,34. | 1 : Mc 11,11. | 2: (1) Mc 13,24. (2) Mc 13,26. | 10: (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70. | 3: (1) Mc 15,1. (2) Mc 15,7. (3) Mc 15,31. | 2: (1) Mc 16,12. (2) Mc 16,19. | |
| 2 | met' | 16 | 1 : Mc 1,36. | 2: (1) Mc 2,19. (2) Mc 2,25. | 2: (1) Mc 3,5.. (2) Mc 3,14.. | 1 : Mc 4,36. | 4: (1) Mc 5,18. (2) Mc 5,24. (3) Mc 5,37. (4) Mc 5,40. | 1 : Mc 6,50. | 4: (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,20. (3) Mc 14,33. (4) Mc 14,43. | 1 : Mc 6,50. | ||||||
| 3 | meth' | 3 | 1: Mc 8,14 | 1: Mc 9,8. | 1: Mc 14,7. | |||||||||||
| totaal | 53 | 5 | 3 | 4 | 2 | 4 | 2 | 4 | 3 | 2 | 1 | 2 | 15 | 3 | 3 |
-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr. avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum: persen ). E. after.
Mc 6,50.12. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (37).
| autoi (mv.) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | gen. mv.autôn | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
| totaal | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | gen. mv.autôn | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
Mc 6,50.13. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,50.14. act. ind. praes. 3de pers. enk. λεγει = legei (hij zegt) van het werkw. λεγω = legô (zeggen). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen). Taalgebruik in de Septuaginta.: legô (zeggen). Mc (62). Mc 6 (3): (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,38. (3) Mc 6,50. Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925). Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in Mc 6 (13 verzen , 14X): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,16. (7) Mc 6,18. (8) Mc 6,25. (9) Mc 6,31. (10) Mc 6,35. (11) Mc 6,37. (12) Mc 6,38. (13) Mc 6,38. (14) Mc 6,50.
| legô: act. ind. praes. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | act. ind. pr. 3de pers. enk. legei | 62 | 3 | 6 | 5 | 2 | 6 | 3 | 3 | 5 | 3 | 5 | 4 | 2 | 1 | 12 | 1 | 1 | 1027 | 702 | 325 | 54 | 62 | 14 | 112 | 11 | 46 | 26 | 130 | 242 |
| Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | |
| 3 | 3 : (1) Mc 1,38. (2) Mc 1,41. (3) Mc 1,44. | 6 : (1) Mc 2,5. (2) Mc 2,8. (3) Mc 2,10. (4) Mc 2,14. (5) Mc 2,17. (6) Mc 2,25. | 5 : (1) Mc 3,3. (2) Mc 3,4. (3) Mc 3,5. (4) Mc 3,33. (5) Mc 3,34. | 2 : (1) Mc 4,13. (2) Mc 4,35. | 6 : (1) Mc 5,7. (2) Mc 5,9. (3) Mc 5,19. (4) Mc 5,36. (5) Mc 5,39. (6) Mc 5,41. | 3 : (1) Mc 6,31. (2) Mc 6,38. (3) Mc 6,50. | 3 : (1) Mc 7,18. (2) Mc 7,28. (3) Mc 7,34. | 5 : (1) Mc 8,1. (2) Mc 8,12. (3) Mc 8,17. (4) Mc 8,29. (5) Mc 8,33. | 3 : (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,35. | 5 : (1) Mc 10,11. (2) Mc 10,23. (3) Mc 10,24. (4) Mc 10,27. (5) Mc 10,42. | 4 : (1) Mc 11,2. (2) Mc 11,21. (3) Mc 11,22. (4) Mc 11,33. | 2 : (1) Mc 12,16. (2) Mc 12,37. | 1: Mc 13,1. | 12 : (1) Mc 14,13. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,27. (4) Mc 14,30. (5) Mc 14,32. (6) Mc 14,34. (7) Mc 14,37. (8) Mc 14,41. (9) Mc 14,45. (10) Mc 14,61. (11) Mc 14,63. (12) Mc 14,67. | 1 : Mc 15,2. | 1: Mc 16,6. |
Mc 6,50.15. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc 6 (13):(1) Mc 6,4. (2) Mc 6,7. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,10. (5) Mc 6,11. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,37. (8) Mc 6,38. (9) Mc 6,39. (10) Mc 6,41. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,48. (13) Mc 6,50.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 7 | dat. mann. en onz. mv.autois | 117 | 4 | 6 | 5 | 10 | 5 | 13 | 5 | 7 | 10 | 12 | 7 | 8 | 2 | 13 | 7 | 3 | 1722 | 1180 | 542 | 101 | 117 | 89 | 97 | 75 | 47 | 16 | 307 | 404 |
- Hebreeuws: לָהֶם = lâhèm (aan hen) < prefix voorzetsel lë + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. mv.. Zie: Taalgebruik in Tenakh: prefix voorzetsel לְ = lë + suffix persoonl. voornaamw.. Tenakh (580). Pentateuch (151). Eerdere Profeten (133). Latere Profeten (126). 12 Kleine Profeten (29). Geschriften (141).
Mc 6,50.16. act. imperat. praes. 2de pers. mv. θαρσειτε = tharseite van het werkw. θαρσεω = tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben). Taalgebruik in het NT: tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben). Taalgebruik in de LXX: tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben). Taalgebruik in Mc: tharseô (vol goede moed zijn, moed hebben). Bijbel (12): (1) Ex 14,13. (2) Ex 20,20. (3). LXX (9). NT (3): (1) Mt 14,27. (2) Mc 6,50. (3) Joh 16,33.
| Mc 6,51 - Mc 6,51: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 -- Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [51] And he went up unto them into the ship; and the wind
ceased: and they were sore amazed in themselves beyond measure, and wondered.
Luther-Bibel. 51 und trat zu ihnen ins Boot, und der Wind legte sich. Und sie
entsetzten sich über die Maßen;
Tekstuitleg van Mc 6,51. Het vers Mc 6,51 telt 20 ( 2 X 2 X 5) woorden en 94 (2 X 47) letters. De getalwaarde van Mc 6,51 is 7574 (2 X 7 X 541).
| Mc 6,51 | Mt 14,31 | Joh 6,21 | ||
| 6:51 kai anebè pros autous eis to ploion kai ekopasen o anemos kai lian [ek perissou*] en eautois existanto | 14:32 kai anabantôn autôn eis to ploion ekopasen o anemos | 21 ἤθελον οὖν λαβεῖν αὐτὸν εἰς τὸ πλοῖον, καὶ εὐθέως τὸ πλοῖον ἐγένετο ἐπὶ τῆς γῆς εἰς ἣν ὑπῆγον. |
Mc 6,51.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,51.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. αναβαινει = anabainei (hij beklimt) van het werkw. αναβαινω = anabainô (beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen). Taalgebruik in het NT: anabainô (beklimmen). Taalgebruik in de LXX: anabainô (beklimmen). Taalgebruik in Mc: anabainô (beklimmen). Bijbel (11). LXX (7): (1). (2). (3). (4). (5). (6). (7). NT (4): (1) Mc 3,13. (2) Mc 4,32. (3) Apk 14,11. (4) Apk 19,3. Een vorm van αναβαινω = anabainô (beklimmen, klimmen op) in de LXX (685) , in het NT (81) , in Mc in 9 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 3,13. (3) Mc 4,7. (4) Mc 4,8. (5) Mc 4,32. (6) Mc 6,51. (7) Mc 10,32. (8) Mc 10,33. (9) Mc 15,8.
- act. ind. imperf. 3de pers. enk. ανεβαινεν = anebainen (hij klom naar boven). Bijbel (12). LXX (12): (1) Gn 2,6. (2) Gn 19,28. (3) Ex 19,18. (4) Re 6,3. (5) 1 S 1,3. (6) 1 S 9,26. (7) 1 S 27,8. (8) 2 S 15,30. (9) 1 K 10,29. (10) Ez 8,11. (11) Ez 37,8. (12) Nah 2,8.
- act. ind. aor. 3de pers. enk. ανεβη = anebè (hij klom naar boven) van het werkw. αναβαινω = anabainô (beklimmen, naar boven klimmen, naar boven banen). Taalgebruik in het NT: anabainô (beklimmen). Taalgebruik in de LXX: anabainô (beklimmen). Taalgebruik in Lc: anabainô (beklimmen). Bijbel (187). OT (165). NT (22). Bij Matteüs komt het in drie verzen voor: bij het doopsel (Mt 3,16) , bij de bergrede (Mt 5,1) en bij het wandelen over het water (Mt 14,23). Mc (1): Mc 6,51. Lc (3): (1) Lc 2,4. (2) Lc 9,28. (3) Lc 19,4.
| anabainô (beklimmen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. aor. 3de pers. enk. anebè | 187 | 165 | 22 | 3 | 1 | 3 | 5 | 6 | 2 | 2 | 7 | 12 |
- Hebreeuws. ויעל = wj`l: (1) verbindingsletter wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיַּעַל / וַיָּעַל = wajja`al / wajjâ`al (en hij klom op). (2) verbindingsletter wë + act. qal jussief 3de pers. mann. enk. וְיַּעַל = wëja`al (en ga op) van het werkw. עָלָה = `âlâh (opgaan, opklimmen). Taalgebruik in Tenakh: `âlâh (opgaan, opklimmen). Tenakh (115). Pentateuch (26). Eerdere Profeten (63). Latere Profeten (7). 12 Kleine Profeten (1). Geschriften (18). Gn (10): (1) Gn 8,20. (2) Gn 13,1. (3) Gn 17,22. (4) Gn 19,30. (5) Gn 26,23. (6) Gn 35,13. (7) Gn 38,12. (8) Gn 46,29. (9) Gn 50,7. (10) Gn 50,9. Ex (11): (1) Ex 10,12. (2) Ex 10,14. (3) Ex 19,18. (4) Ex 19,20. (5) Ex 24,9. (6) Ex 24,13. (7) Ex 24,15. (8) Ex 24,18. (9) Ex 34,4. (10) Ex 40,25. (11) Ex 40,29. Dt (1) Dt 34,1.
Mc 6,51.3. προς = pros (naar, bij). Taalgebruik in het NT: pros (naar, bij). Taalgebruik in de LXX: pros (naar, bij). Taalgebruik in Mc: pros (naar, bij). Mc (62). Mc 6 (6): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,25. (3) Mc 6,30 (pros ton Ièsoun = naar Jezus). (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| pros (bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 62 | 6 | 3 | 4 | 2 | 4 | 6 | 2 | 1 | 7 | 6 | 5 | 7 | 1 | 5 | 2 | 1 | 3919 | 3272 | 647 | 41 | 62 | 158 | 91 | 122 | 166 | 7 | 261 | 352 |
- Hebreeuws. ´l: voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El. De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el. OF ontkenning עַל = ´al (niet). Taalgebruik in Tenakh: ´èl . Getalwaarde is: aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld). Structuur: 1 - 3. De som van de elementen is telkens 4. Tenakh (3626). Pentateuch (1096). Eerdere Profeten (1070). Latere Profeten (655). 12 Kleine Profeten (142). Geschriften (662).
- Arabisch. إلي = ´ilâ (naar). Taalgebruik in de Qoran: ´ilâ (naar).
Mc 6,51.4. acc. mann. mv. αυτους = autous (hen) van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Mc (40). Mc 6 (6): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,33. (3) Mc 6,34. (4) Mc 6,36. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,51.
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 8 | acc. mann. mv. autous | 40 | 3 | 1 | 4 | 2 | 2 | 6 | 6 | 4 | 4 | 1 | 3 | 1 | 2 | 1 | 1991 | 1652 | 339 | 46 | 40 | 83 | 18 | 95 | 32 | 25 | 169 | 187 |
Mc 6,51.3. - 4. προς αυτους = pros autous (naar hen). Mc (5): (1) Mc 6,48. (2) Mc 6,51. (3) Mc 9,16. (4) Mc 12,4. (5) Mc 12,12.
5. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to
(de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Mc 6 (7): (1) Mc
6,14. (2) Mc
6,28. (3) Mc
6,29. (4) Mc
6,45. (5) Mc
6,46. (6) Mc
6,47. (7) Mc
6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3. | nom. + acc. onz. enk. to | 108 | 4 | 3 | 4 | 7 | 12 | 7 | 6 | 2 | 9 | 4 | 4 | 3 | 12 | 22 | 5 | 4 | 5941 | 4582 | 1359 | 186 | 108 | 181 | 121 | 172 | 482 | 109 | 475 | 596 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
7. nom. + acc. onz. enk. πλοιον = ploion (boot). Taalgebruik in het NT: ploion (boot). Taalgebruik in de LXX: ploion (boot). Taalgebruik in Mc.: ploion (boot). In de 3de reeks staat het op de 2de plaats.
| ploion (boot) | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + acc. onz. enk. ploion | 7 | 2: (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. | 1: Mc 5,18. | 3: (1) Mc 6,45. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,51. | 1: Mc 8,10. | 37 | 6 | 31 | 9 | 7 | 2 | 4 | 9 | 18 | 22 | |||||
| 2 | gen. onz. enk. ploiou | 2 | 1: Mc 5,2. | 1: Mc 6,54. | 14 | 2 | 12 | 1 | 2 | 1 | 2 | 6 | 4 | 6 | |||||||
| 3 | dat. onz. enk. ploiô(i) | 6 | 2: (1) Mc 1,19. (2) Mc 1,20. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,21. | 1: Mc 6,32. | 1: Mc 8,14. | 15 | 1 | 14 | 3 | 6 | 1 | 4 | 10 | 10 | |||||
| 4 | nom. + acc. onz. mv. ploia | 1 | 1: Mc 4,36. | 23 | 18 | 5 | 1 | 3 | 1 | 4 | 4 | 1 | |||||||||
| totaal | 16 | 2 | 4 | 3 | 5 | 2 | 102 | 38 | 64 | 13 | 16 | 8 | 6 | 19 | 1 | 1 | 37 | 43 |
De verhalen rond de boot kunnen we in drie groepen indelen:
- De eerste groep situeert zich rond de roeping van de eerste leerlingen (Mc 1,19-20).
- de tweede groep rond Mc 4,1-5,21 met het verhaal van de stormstilling (Mc
4,35-41): (6 , 7X): (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion = in een boot). (2) Mc
4,36 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot) + (αλλα πλοια = alla ploia = de andere
boten). (3) Mc
4,37 (εις το πλοιον = eis to ploion (tegen de boot). (4) Mc
5,2 (εκ του πλοιου = ek tou ploiou = uit de boot). (5) Mc
5,18 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (6) Mc
5,21 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot).
- Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in 3 verzen van Mc 4: (1) Mc
4,1 (εις πλοιον = eis ploion (in een boot). (2) Mc
4,36 a (dat.: εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot). (3) Mc
4,36 b (nom.: πλοια = ploia = boten). (4) Mc
4,37 a (acc.: εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot). (5) Mc
4,37 b: (acc.: το πλοιον = to ploion (de boot). Instappen - parabelrede - in de boot - tegen de boot opbeuken - uitstappen. NAAR DE OVERKANT: instappen - in de boot oversteken.
- de derde groep rond Mc 6,32-8,22 met het verhaal van het wandelen op het meer (Mc 6,45-52). (7): (1) Mc 6,32 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc 6,45 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (3) Mc 6,47 (το πλοιον to ploion en mesô(i) tès thalassès = de boot in het midden van het meer). (4) Mc 6,51 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (5) Mc 6,54 (ek tou ploiou = uit de boot). (6) Mc 8,10 (εις το πλοιον = eis to ploion = in de boot). (7) Mc 8,14 (εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) = in de boot). weggaan met de boot - uitgaan - broodverhaal - instappen - uit de boot uitgaan - verhalen - instappen in de boot - uitgaan.
5. - 7. εις πλοιον = eis ploion (in een boot): LXX (1): 1 Mak 15,37. Mc (1) Mc 4,1. Lc (1): Lc 8,22.
- εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot): Mt (6). Mc (7): (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. (3) Mc 5,18. (4) Mc 6,45. (5) Mc 6,51. (6) Mc 8,10. (7) Mc 8,14. Lc (1) Lc
8,37.
- εις (το) πλοιον = eis (to) ploion ( in een / de boot). In vier verzen in combinatie met εμβαινω = embainô (inklimmen): (1) Mc 4,1. (2) Mc 5,18. (3) Mc 6,45. (4) Mc 8,10. In Mc 6,51 in combinatie met αναβαινω = anabainô (opklimmen). In Mc 4,37 beuken de golven tegen de boot.
- Er zijn 2 verhalen die vertellen over het gevaarlijk oversteken van het meer: de stormstilling (Mc 4,35-41) en het wandelen op het meer (Mc 6,45-52). In het verhaal van de stormstilling steken Jezus en de leerlingen het meer over om naar een voor hen onbekend , maar gevaarlijk gebied te gaan. In het verhaal over het wandelen op het meer (Mc 6,45-52) dwingt Jezus zijn leerlingen om in de boot te stappen voordat hij de menigte heeft ontbonden. Voordien had Jezus met zijn leerlingen de boot genomen om een eenzame plek op te zoeken , maar de menigte was hen te slim af. Nu wil Jezus de menigte te slim af zijn. Hij stuurt zijn leerlingen al op het meer. Nadien ontbindt hij het volk. De menigte weet niet waarheen de leerlingen en waarheen Jezus gaat. Het was de bedoeling om op een eenzame plaats wat tot rust en bezinning te komen. Nu zal Jezus de bergen intrekken. De situatie toen zij instapten en nadat de menigte bij hun aankomst met de boot op Jezus beroep deed , is gewijzigd. Omdat de menigte als schapen zonder herder is (wegens de dood van Johannes de Doper) nam Jezus met het broodverhaal het leiderschap (herderschap) op zich. Hij is nu de nieuwe leider. Daarover wil Jezus zich bezinnen. Hij weet wat er met Johannes de Doper is gebeurd. Door het leiderschap op zich te nemen beseft hij wat hem kan overkomen. Tijdens de boottocht op zee ervaren zijn leerlingen wat het betekent geen leiderschap te hebben. Jezus zal naar hen toegaan , hen willen voorbijgaan om het leiderschap over hen op te nemen. Wanneer hij in de boot stapt , wordt het rustig , zoals een kudde schapen rustig wordt wanneer de herder bij hen is.
- Jezus moet zijn leerlingen dwingen om in te stappen in de boot. Immers ze zijn weggegaan om uit de gevarenzone van Herodes te gaan. Het teruggaan betekent een terugkeren naar de gevarenzone. De leerlingen beseffen wellicht wat hen kan overkomen. Jona kreeg het gebod om naar Nineve te gaan en de Ninevieten tot bekering op te roepen. Jona weigert dat , neemt de boot en gaat de andere richting uit. Een storm zal zijn plan onthullen. Het instappen in de boot loopt het risico om in een storm terecht te komen. Dat hebben de leerlingen al eens ervaren (Mc 4,45-52).
- Gn 32 vertelt het verhaal van Jakob die worstelt om zijn broer Esau te ontmoeten. Ze zijn van elkaar verwijderd door de Jabbokrivier. Eerst brengt hij vrouwen en kinderen over. Tijdens de nacht blijft hij nog aan de ene oever van de rivier en worstelt er met een onbekende tot het aanbreken van de dageraad.
Mc 6,51.5.
- 7.
In vier verzen in combinatie met een vorm van embainô (inklimmen): (1) Mc
4,1. (2) Mc
5,18. (3) Mc
6,45. (4) (5) Mc
8,10.
In Mc
6,51 in combinatie met een vorm van anabainô (omhoogklimmen).
Vergelijk:
- Mc 6,51: kai anebè pros autous eis to ploion (en hij klom omhoog bij hen in de boot).
- Mc 6,54: kai exelthontôn autôn ek tou ploiou (en nadat zij waren uitgegaan uit de boot).
Mc 6,51.8. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
9. act. ind. aor. 3de pers. enk. εκοπασεν = ekopasen (hij ging liggen) van het werkw. κοπαζω = kopazô (moe worden, gaan liggen). Taalgebruik in het NT: kopazô (moe worden, gaan liggen). Taalgebruik in de LXX: kopazô (moe worden, gaan liggen). Bijbel (15). LXX (12): (1) Gn 8,1. (2) Nu 11,2. NT (3): (1) Mt 14,32. (2) Mc 4,39. (3) Mc 6,51.
Mc 4,39.10. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (219). Mc 6 (17): (1) Mc 6,3. (2) Mc 6,4. (3) Mc 6,14. (4) Mc 6,16. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,18. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,22. (9) Mc 6,23. (10) Mc 6,26. (11) Mc 6,27. (12) Mc 6,35. (13) Mc 6,37. (14) Mc 6,38. (15) Mc 6,48. (16) Mc 6,50. (17) Mc 6,51.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 1. | nom. m. enk. ho | 219 | 12 | 13 | 5 | 12 | 8 | 17 | 6 | 5 | 18 | 28 | 11 | 16 | 16 | 27 | 21 | 4 | 8495 | 6052 | 2443 | 408 | 219 | 331 | 436 | 281 | 612 | 156 | 958 | 1394 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- bepaald lidw. de. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Grieks: ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 4,39.11. nom. mann. enk. ανεμος = anemos (wind). Taalgebruik in het NT: anemos (wind). Taalgebruik in de LXX: anemos (wind). Bijbel (20). LXX (12). NT (8). Mc (4): (1) Mc 4,39. (2) Mc 4,41. (3) Mc 6,48. (4) Mc 6,51.
Mc 6,51.12. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,51.14. εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in de Septuaginta: ek (uit). Mc 6 (3): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,51. (3) Mc 6,54.
| ek (uit) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ek | 38 | 3 | 2 | 3 | 6 | 5 | 3 | 3 | 3 | 4 | 2 | 2 | 2 | 2814 | 2239 | 575 | 46 | 38 | 46 | 112 | 58 | 175 | 100 | 130 | 242 | ||||
| ex | 20 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 2 | 4 | 2 | 1 | 1168 | 941 | 227 | 28 | 20 | 37 | 28 | 24 | 84 | 6 | 85 | 113 | ||||||
| Totaal | 58 | 5 | 3 | 3 | 7 | 7 | 5 | 6 | 5 | 4 | 6 | 4 | 3 | 3982 | 3180 | 802 | 74 | 58 | 83 | 140 | 82 | 259 | 106 | 215 | 355 |
- Ned.: uit. D.: aus. E.: out. Fr.: de. Grieks: εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Latijn: ex.
Mc 6,51.15. περισσος = perissos (overmatig, bovenmatig groot). Taalgebruik in het NT: perissos (overmatig, bovenmatig groot). Taalgebruik in de LXX: perissos (overmatig, bovenmatig groot). Taalgebruik in Mc: perissos (overmatig, bovenmatig groot).
Mc 6,51.16. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,51.17. ἑαυτος = heautos (zichzelf). Taalgebruik in het NT: heautos (zichzelf). Taalgebruik in de LXX: heautos (zichzelf).
Mc 6,51.18. ind. imperf. 3de pers. meerv. εξισταντο = existanto (zij waren buiten zichzelf) van het werkw. εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken). Taalgebruik in het NT: existamai (buiten zichzelf zijn , (ontsteld / ontzet zijn). Taalgebruik in de LXX: existamai (buiten zichzelf zijn , (ontsteld / ontzet zijn). Taalgebruik in Lc: existamai (buiten zichzelf zijn , (ontsteld / ontzet zijn). Het werkwoord εξισταμαι = existèmai roept de gedachte op dat men uit zijn evenwicht geraakte , dat het gebeurde niet overeenkomt met wat men over een persoon (personen) of situatie dacht en bijgevolg vragen opriep. Bij εξισταμαι = existèmai wordt het voor-oordeel aan het wankelen gebracht. Bijbel: (1) Gn 43,33. (2) Mt 12,23. (3) Mc 6,51. (4) Lc 2,47. (5) Hnd 2,7. (6) Hnd 2,12. (7) Hnd 9,21. Een vorm van εξισταμαι = existamai (uit (buiten) zichzelf staan , boven zichzelf uitstijgen , zichzelf overstijgen , uit zijn evenwicht geraken) in de LXX (74) , in het NT (17) , in Lc (3): (1) Lc 2,47. (2) Lc 8,56. (3) Lc 24,22.
| 1. | 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | 7. |
| 2. | Gn 43,33 | Mt 12,23 | Mc 6,51 | Lc 2,47 | Hnd 2,7 | Hnd 2,12 | Hnd 9,21 |
| 3. | existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) | kai existanto (en zij waren buiten zichzelf) | existanto (zij waren buiten zichzelf) | existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) | existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) | existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) | existanto de (zij waren echter buiten zichzelf) |
| 4. | hoi anthrôpoi (de mensen) ekastos pros ton adelfou autou (ieder tot zijn broer) | pantes oi ochloi (alle menigten) | (en heautois = onder elkaar) | pantes oi akouontes (alle toehoorders) | "pantes" (allen) | pantes (allen) | pantes oi akouontes (alle toehoorders) |
| 5. | kai elegon (en ze zeiden) | kai ethaumazon legontes (en zij waren verwonderd zeggend) | kai dièporoun allos pros allon legontes (en zij waren in verlegenheid, de ene tot de ander zeggend) | kai elegon (en ze zeiden) | |||
| 6. | mèti outos estin ho (is deze niet de...) | ouch idou hapantes houtoi eisin (zie zijn niet al dezen) | ti thelei touto einai ; | ouch houtos estin ho (is deze niet) | |||
| 7. | 117. Genezing van een blinde en een stomme bezetene: Mt 12,22-23 - Mt 9,32-34 - Lc 11,14 | 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33. | 8. De twaalfjarige Jezus in de tempel: Lc 2,41-52 | Hnd 2,1-13: Pinksteren | Hnd 2,1-13: Pinksteren | Saulus in Damascus: Hnd 9,1-22. |
| Mc 6,52 - Mc 6,52: 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,45 - Mc 6,46 - Mc 6,47 - Mc 6,48 - Mc 6,49 - Mc 6,50 - Mc 6,51 - Mc 6,52 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [52] For they considered not the miracle of the loaves:
for their heart was hardened.
Luther-Bibel. 52 denn sie waren um nichts verständiger geworden angesichts
der Brote, sondern ihr Herz war verhärtet.
Tekstuitleg van Mc 6,52. Het vers Mc 6,52 telt 12 woorden en 52 letters. De getalswaarde van Mc 6,52 is 6484 (2² X 1621).
Mc 6,52 οὐ γὰρ συνῆκαν ἐπὶ τοῖς ἄρτοις, ἀλλ' ἦν αὐτῶν ἡ καρδία πεπωρωμένη.
Vertaling: want zij begrepen niet over de broden, 'want' hun hart was verhard.
Woordontleding:
οὐ (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) γὰρ (= gar: want, immers; (ου - ουκ (vóór een medeklinker) - ουχ (vóór een aanblazing) = ou - ouk - ouch:: niet; partikel van ontkenning: niet < n-iet-s) nevenschikkend voegw van reden) συνῆκαν (= sunèkan: zij begrepen; wkw act ind 2de aor 3de pers mv van het wkw συν-ιημι sun-ièmi: verstaan, begrijpen) ἐπὶ (= epi: op; voorzetsel van plaats) τοῖς (= tois; bep lidw dat mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ἄρτοις (= artois: broden; zn dat mann mv van het zn αρτος = artos: brood), ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) αὐτῶν (= autôn: van hen; aanwijz vnw 3de pers gen mann of onz mv van het aanwijz vnw αυτος = αυτος: hij) ἡ (= hè; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) καρδία (= kardia: hart; zn nom vr enk; Ned.: hart ; Lat.: cor, cordis) πεπωρωμένη (= pepôrômenè: verhard; wkw pass part perf nom vr enk van het wkw πωροω = pôroô: verharden, verstokt worden; zie Ned.: poreus).
| Mc 6,52 | ||||
| 6:52 ou gar sunèkan epi tois artois all èn autôn è kardia pepôrômenè |
Mc 6,52.1. ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in de LXX: ou - ouk - ouch (niet). ου = ou (niet) in. ουκ = ouk (niet) in. ουχ = ouch (niet) in.
| ou (niet) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ou | 3068 | 2321 | 747 | 97 | 42 | 84 | 113 | 68 | 313 | 30 | 223 | 336 |
| ouk | 3499 | 2752 | 747 | 93 | 66 | 92 | 137 | 56 | 274 | 29 | 251 | 388 |
| ouch | 452 | 351 | 101 | 7 | 6 | 7 | 20 | 8 | 49 | 4 | 20 | 40 |
| Totaal | 7019 | 5424 | 1595 | 197 | 114 | 183 | 270 | 132 | 636 | 63 | 494 | 764 |
| ou (niet) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| ou | 42 | 1 | 3 | 4 | 2 | 1 | 3 | 2 | 5 | 2 | 1 | 3 | 7 | 6 | 1 | 1 | |
| ouk | 66 | 2 | 3 | 1 | 7 | 3 | 6 | 4 | 5 | 6 | 3 | 4 | 6 | 3 | 9 | 2 | 2 |
| ouch | 6 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | ||||||||||
| Totaal | 114 | 4 | 7 | 5 | 10 | 3 | 8 | 7 | 7 | 11 | 6 | 5 | 9 | 10 | 15 | 4 | 3 |
- Hebr. lo´ (niet). Taalgebruik in Tenakh: lo´ (niet). Fr. ne... pas. E. not. D. nicht.
Mc 6,52.2. γαρ = gar (want). Taalgebruik in het NT: gar (want). Taalgebruik in de LXX: gar (want). Taalgebruik in Mc: gar (want). Mc (63). Mc 6 (8): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,20. (5) Mc 6,31. (6) Mc 6,48. (7) Mc 6,50. (8) Mc 6,52.
| gar (want) | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 3 | 1 | 3 | 2 | 3 | 8 | 4 | 4 | 7 | 4 | 3 | 5 | 6 | 6 | 2 | 2 | 63 | 2289 | 1299 | 990 | 123 | 63 | 92 | 61 | 73 | 563 | 15 | 278 | 339 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat ). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3
X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine
Profeten (241). Geschriften (1157).
- Ned.: want. D.: denn. Fr.: car. Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik
in Tenakh: kî
(want, omdat) . Lat. enim.
Mc 6,52.4. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,52.5. dat. mann. en onz. mv. τοις = tois. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 14. | dat. m. + onz. mv. tois | 47 | 2 | 5 | 4 | 3 | 2 | 6 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 2 | 2 | 3 | 6 | 2715 | 2179 | 536 | 96 | 47 | 65 | 36 | 82 | 193 | 17 | 208 | 244 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl.: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,52.6. dat. mann. mv αρτοις = artois van het zelfst. naamw. αρτος = artos (brood). Taalgebruik in het NT: artos (brood). Taalgebruik in de Septuaginta: artos (brood). Een vorm van αρτος = artos (brood) in de LXX (307) , in het NT (97). In de LXX kan αρτος = artos de vertaling van 5 verschillende Hebreeuwse woorden van Tenakh zijn.
| artos (brood) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| acc. mann. enk. arton | 133 | 96 | 37 | 5 | 6 | 7 | 8 | 4 | 7 | 18 | 26 | |
| Totaal | 414 | 307 | 97 | 21 | 21 | 15 | 24 | 5 | 11 | 57 | 81 |
- Hebreeuws. לֶחֶמ = lèchèm (brood). qatl-vorm (לַחמ) ; de 2de medeklinker , een gutturaal , ח = chet heeft normalerwijze een patach ַ (Joüon 88Cc). Het is moeilijk om zeggen waarom de 2 woorden לֶחֶמ = lèchèm (brood) en רֶחֶמ = rèchèm (schoot, moederschoot) een segol ֶ hebben (Joüon 96Ai). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Getalwaarde: lamed = 12 of 30 , chet = 8 , mem = 13 of 40. Totaal: 33 (3 X 11) of 78 ( 2 X 39 OF 6 X 13). Structuur: 3 - 8 - 4. De som van de elementen is telkens 6. Tenakh (227). Pentateuch (51). Eerdere Profeten (81). Latere Profeten (21). 12 Kleine Profeten (5). Geschriften (69). In Tenakh komt een vorm van לֶחֶמ = lèchèm in 277 verzen voor.
- Ned.: brood. Arabisch: خُبز = chubz (brood). Taalgebruik in de Qoran: chubz (brood). In het Arabisch heeft lachm een andere betekenis. Zie لَحْم = lachm (vlees). Taalgebruik in de Qoran: lachm (vlees). Aramees: לַחְמָא = lachëmâ´(brood) ; לְחֵים = lëche(j)m ; לְחֵם = lëchem. D.: Brot. E.: bread. Fr. pain. Grieks: αρτος = artos (brood). Taalgebruik in het NT: artos (brood). Hebreeuws: לֶחֶמ = lèchèm (brood). Taalgebruik in Tenakh: lèchèm (brood). Lat.: panis.
Mc 6,52.7. αλλα = alla , afkorting αλλ' = all' (maar). Taalgebruik in het NT: alla (maar). Taalgebruik in de LXX: alla (maar). Taalgebruik in Mc: alla (maar). Mc (30). Mc 14 (2): (1) Mc 14,28. (2) Mc 14,36.
| alla (maar) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | O.T. | N.T. | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| alla | 30 | 1 | 2 | 2 | 3 | 3 | 1 | 3 | 1 | 3 | 2 | 2 | 1 | 3 | 2 | 1 | 644 | 230 | 414 | 32 | 30 | 19 | 56 | 22 | 248 | 7 | 81 | 137 |
| all' | 18 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 1 | 3 | 2 | 2 | 3 | 449 | 238 | 211 | 12 | 18 | 16 | 49 | 8 | 103 | 5 | 46 | 95 | ||||
| Totaal | 48 | 2 | 3 | 3 | 4 | 3 | 2 | 5 | 1 | 4 | 5 | 2 | 3 | 5 | 5 | 1 | 1093 | 468 | 625 | 44 | 48 | 35 | 105 | 30 | 251 | 12 | 127 | 232 |
8. act. ind. imperf. 3de pers. enk. ην = èn (hij / zij was) van het werkw. ειμι = eimi (zijn) OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν (die) van het betrekk. voornaamw. ὁς (die). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de LXX: eimi (zijn). Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).
| bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. imperf. 3de pers. enk. èn OF betrekkelijk voornaamw. acc. vr. enk. ἡν | 1506 | 1120 | 386 | 24 | 38 | 79 | 92 | 63 | 71 | 19 | 141 | 233 |
- Hebreeuws. act. ind. perf. 3de pers. mann. enk. הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalwaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (332). Pentateuch (52). Eerdere Profeten (111). Latere Profeten (87). 12 Kleine Profeten (14). Geschriften (67).
- act. qal perf. 3de pers. vr. enk. הָיְתָה = hâjëthâh (en zij werd) van het werkw. הָיָה = häjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Getalswaarde: he = 5 , jod = 10 ; totaal: 20 (2² X 5). Structuur: 5 - 1 - 5. Tenakh (114). Pentateuch (18). Eerdere Profeten (34). Latere Profeten (26). 12 Kleine Profeten (6). Geschriften (30). Gn (8): (1) Gn 1,2. (2) Gn 3,20. (3) Gn 18,12. (4) Gn 29,17. (5) Gn 36,12. (6) Gn 38,21. (7) Gn 38,22. (8) Gn 47,26.
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Frans: être. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Italiaans: essere. Lat.: esse. Spaans: ser. Surisch: hwojo.
Mc 6,52.9. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (37). Mc 1 (4): (1) Mc 1,5. (2) Mc 1,20. (3) Mc 1,23. (4) Mc 1,39.
| autoi (mv.) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | gen. mv.autôn | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
| totaal | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | gen. mv.autôn | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
Mc 6,52.10. bepaald lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Lc: bepaald lidwoord. bep. lidw. nom. vr. enk. ἡ = hè of betrekk. voornaamw. dat. vr. enk. ᾑ = hè(i) of partikel van vergelijking ἠ = è (of).
| lidw. enk. | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2. | nom. vr. enk. hè | 4860 | 3762 | 1098 | 151 | 76 | 143 | 117 | 83 | 443 | 85 | 370 | 487 |
| Totaal | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,52.11. καρδια = kardia (hart). Taalgebruik in het NT: kardia (hart). Taalgebruik in de LXX: kardia (hart). Lat.: cor , cordis. Fr.: coeur. Ned.: hart (k/c is een harde h geworden ; d -> t). E.: heart. D. Herz. en tè(i) kardia(i) sou (in je hart).
- Hebreeuws: לֵב = lebh (hart). Taalgebruik in Tenakh: lebh (hart). Getalwaarde: lamed = 12 of 30 , beth = 2 ; totaal: 14 (2 X 7) OF 32 (2² X 2³). Structuur: 3 - 2. De som van de elementen is telkens 5. Tenakh (188).
| kardia (hart) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| nom. + dat. vr. enk. kardia(i) | 477 | 426 | 51 | 10 | 3 | 9 | 4 | 5 | 19 | 1 | 22 | 26 | 16 | 3 |
| totaal |
Mc 6,52.12. pass. part. aor. nom. vr. enk. πεπωρωμενη = pepôrômenè (verhard) van het werkw. πωροω = pôroô (verharden, verstokt worden). Zie πωρωσις = pôrôsis (verharding). Taalgebruik in het NT: pôrôsis (verharding). Taalgebruik in de LXX: pôrôsis (verharding). Bijbel (1): Mc 6,52.
Wandelt wandelt op het meer.
Er is in Mc het dubbelverhaal: Mc 4,35-41 (Jezus stilt de storm) en Mc 6,45-52 (Jezus wandelt over het water). Er zijn de parallelverhalen: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 - Joh 6,16-21. Er is de midrasj op het verhaal van Jona. In Mc 6,45-52 klinkt eveneens de stem door van Ex 14 - 15.
153. Mc 6,53-56: genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 -
| Mc 6,53 - Mc 6,53: genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [53] And when they had passed over, they came into the
land of Gennesaret, and drew to the shore.
Luther-Bibel. 53 Und als sie hinübergefahren waren ans Land, kamen sie nach
Genezareth und legten an.
Tekstuitleg van Mc 6,53. Het vers Mc 6,53 telt 9 (3²) woorden en 57 (3 X 19) letters. De getalswaarde van Mc 6,53 is 4290 (2 X 3 X 5 X 11 X 13).
Mc 6,53.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc
6,53.2. act. part. aor. nom. mann. mv. διαπερασαντες = diaperasantes (overgestoken) van het werkw. διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken). Taalgebruik in het NT: diaperaô (doortrekken, oversteken). Taalgebruik in de LXX: diaperaô (doortrekken, oversteken). In dit werkw. zit het zelfst. naamw. περαν (overzijde). Bijbel (2): (1) Mt
14,34. (2) Mc
6,53. Een vorm van διαπεραω = diaperaô (doortrekken, oversteken) in de LXX (9): (1) Dt 30,13. (2) Js 23,2. (3) 1 Mak 3,37. (4) 1 Mak 5,6. (5) 1 Mak 5,43. (6) 1 Mak 16,6. In het NT (6): (1) Mt 9,1. (2) Mt
14,34. (3) Mc 5,21. (4) Mc
6,53. (5) Lc 16,26. (6) Hnd 21,2.
- περαν = peran (oever, overzijde, overkant). Taalgebruik in het NT: peran (overzijde, overkant). Taalgebruik in de LXX: peran (overzijde, overkant). Taalgebruik in Mc.: peran (overzijde, overkant). Bijbel (115). OT (92). NT (23). Mt (7): (1) Mt 4,15. (2) Mt 4,25. (3) Mt 8,18. (4) Mt 8,28. (5) Mt 14,22. (6) Mt 16,5. (7) Mt 19,1. Mc (7): (1) Mc 3,8. (2) Mc 4,35. (3) Mc 5,1. (4) Mc 5,21. (5) Mc 6,45. (6) Mc 8,13. (7) Mc 10,1. Lc (1): Lc 8,22. Joh (8): (1) Joh 1,28. (2) Joh 3,26 . (3) Joh 6,1. (4) Joh 6,17. (5) Joh 6,22. (6) Joh 6,25. (7) Joh 10,40. (8) Joh 18,1.
| peran (overzijde | bijbel | LXX | Pentateuch | Eerdere Profeten | Latere Profeten | 12 Kleine Profeten | Geschriften | Gn | Ex | Lv | Nu | Dt | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 115 | 92 | 22 | 38 | 7 | 0 | 16 | 2 | 8 | 12 | 23 | 7 | 7 | 1 | 8 | 15 | 23 |
- De overzijde kan zijn: (1) de overzijde van de Jordaan: (1) Mc 3,8. (2) Mc 10,1.
(2) de overzijde van het meer van Galilea: (1) Mc 4,35. (2) Mc 5,1. (3) Mc 5,21. (4) Mc 6,45. (5) Mc 8,13.
In Mc 4,35 zijn Jezus en zijn leerlingen aan de noord-westelijke oever van het meer van Galilea , in Mc 5,1 aan de zuid-oostelijke oever en in Mc 5,21 opnieuw aan de noord-westelijke oever.
- הָעֵבֶר = hâ`ebhèr (de overzijde, de overkant) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. עֵבֶר `ebhèr (overzijde, overkant). Zie het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Taalgebruik in Tenakh: `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Getalwaarde: ajin = 16 of 70 , beth = 2 , resj = 20 of 200 ; totaal: 38 (2 X 19) OF 272 (2² X 2² X 17). Structuur: 7 - 2 - 2. De som van de elementen is telkens 2. Tenakh (1): 1 S 25,13.
- Het zelfst. naamw. עֵבֶר = `ebhèr (overzijde, overkant) is afgeleid van het werkw. עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Het zelfst. naamw. עֶרֶב = `èrèbh (avond) heeft dezelfde letters als עָבַר = `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken) maar de 2 laatste letters staan in een andere volgorde. De avond bevat de idee van overgang tussen de dag en de nacht.
- Ned.: oever. D.: Üfer. Hebr.: עֵבֶר = `ebhèr (oever, overzijde, overkant). Zie het werkw. עָבַר = `âbhar ('oeveren', overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Taalgebruik in Tenakh: `âbhar (overgaan, voorbijgaan, doortrekken). Grieks: περαν = peran (oever, overzijde, overkant). Taalgebruik in het NT: peran (overzijde, overkant). (b/p/v , is de glottisslag aan het begin van het Griekse woord weggevallen ?). Lat.: ripa (metathesis = omwisseling van de medeklinkers van het Griuekse περαν = peran (overzijde, overkant ?) Frans: rive. Een stroom , rivier , meer , zee enz. hebben 2 oevers: de ene oever aan de ene zijde en de andere oever aan de andere zijde.
Mc 6,53.3. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,53.4. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,53.5. הָאָרֶץ = hâ´ârèts (en de aarde) < bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). getalswaarde: aleph = 1 , resj = 20 of 200 , tsade = 18 of 90 ; totaal: 39 (3 X 13 of 26 + 13) of 291 (3 X 97). Structuur: 1 - 2 - 9. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (851). Pentateuch (316). Eerdere Profeten (132). Latere Profeten (215). 12 Kleine Profeten (53). Geschriften (135). Gn (113). Gn 12: (1) Gn 12,1. (2) Gn 12,7. me´arëtsëkhâ (uit je land) staat aan het begin van het citaat in Gn 12,1 , ´èl hâ´ârèts (naar het land) staat op het einde van Gn 12,1.
- Grieks. acc. mann. enk. γην = gèn van het zelfst. naamw. γη = gè (aarde, land).
| gè | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 3 | acc. vr. enk. gèn | 961 | 884 | 77 | 13 | 5 | 12 | 6 | 10 | 6 | 25 | 30 | 36 | 4 | 2 |
- Ned. aarde. Arabisch: أَرْض = ´arD (aarde). Taalgebruik in de Qoran: ´arD (aarde). D.: Welt. E.: earth. Fr.: terre. Grieks: γη = gè (aarde, land). Taalgebruik in het NT: gè (aarde). Hebreeuws: אֶרֶץ = ´èrèts (land, aarde). Taalgebruik in Tenakh: ´èrètz (land). Lat.: terra.
Mc 6,53.6. ind. aor. 3de pers. mv. ηλθον = èlthon (zij gingen) van het werkw. ερχομαι = erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in het NT: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in de LXX: erchomai (gaan, komen). Taalgebruik in Mc.: erchomai (gaan, komen). ηλθον = èlthon (ik kwam of zij kwamen): Mc (9): (1) Mc 1,29. (2) Mc 5,1. (3) Mc 6,53. (4) Mc 9,33. (5) Mc 14,16. ('6') Mc 2,17 ; ('7') Mc 3,8. ('8') Mc 5,14. ('9') Mc 6,29. In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17) , in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud. In Mc 4,35 staat de cohortativus in de aoristvorm en in de 1ste pers. mv.. Dit zou de aorist en de 3de pers. mv. in Mc 5,1 kunnen verklaren. Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc (86).
| erchomai (gaan, komen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon | 197 | 136 | 61 | 8 | 9 | 11 | 17 | 11 | 4 | 1 | 28 | 45 |
- Hebreeuws. prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבֹאוּ= wajjâbo´û (en zij gingen) OF prefix verbindingswoord wë + act. hifil imperf. 3de pers. mann. mv. וַיָּבִאוּ = wajjâbhi´û (en zij lieten komen, zij brachten) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen). Taalgebruik in Tenakh: bâ´ (gaan, komen). Getalwaarde: beth = 2 , aleph = 1 ; totaal: 3. Structuur: 2 - 1. Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader). Tenakh (195). Pentateuch (47). Eerdere Profeten (99) Latere Profeten (14). 12 Kleine Profeten (2). Geschriften (33). Een vorm van בָּא = bâ´ (gaan, komen) in Tenakh (2552).
Mc 6,53.7. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,53.6. - 7. ηλθον εις = èlthon eis (zij gingen naar). LXX (38). NT (17). Mc (5). In 5 verzen gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats: èlthon (zij gingen) + eis (naar: voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling: (1) Mc 1,29 (naar het huis van Simon). (2) Mc 5,1 (naar de overzijde van het meer). (3) Mc 6,53 (naar Genesaret). (4) Mc 9,33 (naar Kafarnaüm). (5) Mc 14,16 (naar de stad).
Mc 6,53.8. γεννησαρετ = Gennèsaret (Gennezaret). Taalgebruik in het NT: Gennèsaret (Genezaret). Bijbel = NT (3): (1) Mt 14,34. (2) Mc 6,53. (3) Lc 5,1. In Mt en Mc: εις γεννησαρετ = eis Gennèsaret (naar Gennezaret). In het woord G n n s r t zit het woord Nazareth.
Mc 6,53.9. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
| kai (en) | kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et.
Mc 6,53.10. pass. ind. aor. 3de pers. Mv. prosôrmisthèsan (zij kwamen aan wal) van het werkw. = prosormizô (aan wal komen).
| Mc 6,54 - Mc 6,54: genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [54] And when they were come out of the ship, straightway
they knew him,
Luther-Bibel. 54 Und als sie aus dem Boot stiegen, erkannten ihn die Leute
alsbald
Tekstuitleg van Mc 6,54. Dit vers Mc 6,54 telt 9 (3 X 3) woorden en 50 (2 X 5 X 5) letters. De getalwaarde van Mc 6,54 is 7429 (17 X 19 X 23). Van de 56 verzen in Mc 6 niet in 4 verzen: (1) Mc 6,16. (2) Mc 6,17. (3) Mc 6,18. (4) Mc 6,52.
Mc 6,54.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en).
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en).
Mc 6,54.2. part. aor. gen. mann. mv. εξελθοντων = exelthontôn van het werkw. εξερχομαι = exerchomai (uitgaan). Taalgebruik in het NT: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in de LXX: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan). Bijbel (11): (1) Gn 9,10. (2) Gn 44,4. (3) Nu 1,1. (4) Nu 9,1. (5) Dt 4,45. (6) Dt 4,46. (7) Dt 6,4. (8) 2 Kr 20,10. (9) 2 Kr 32,21. (10) Mc 6,54. (11) Mc 11,12. Een vorm van εξερχομαι = exerchomai in de LXX (216) , in het NT (742). Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan. Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven.
Mc 6,54.3. pers. voornaamw. gen. mv. αυτων = autôn van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc (37).
| autoi (mv.) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6. | gen. mv.autôn | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
| totaal | 7770 | 6306 | 1464 | 250 | 196 | 285 | 155 | 269 | 200 | 109 | 731 | 886 |
| autoi | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 6 | gen. mv.autôn | 37 | 4 | 4 | 1 | 1 | 4 | 1 | 1 | 4 | 2 | 3 | 3 | 6 | 1 | 2 | 3701 | 3203 | 498 | 93 | 37 | 94 | 31 | 87 | 91 | 65 | 224 | 255 |
Mc 6,54.2. - 3. εξελθοντων αυτων = exelthontôn autôn (toen zij uitgegaan waren). LXX (6): (1) Nu 1,1. (2) Nu 9,1. (3) Dt 4,45. (4) Dt 4,46. (5) Dt 6,4. (6) 2 Kr 20,10. NT = Mc (2): (1) Mc 6,54. (2) Mc 11,12.
Mc 6,54.4. εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Taalgebruik in de Septuaginta: ek (uit). εκ = ek (uit) Mc 6 (3): (1) Mc 6,14. (2) Mc 6,51. (3) Mc 6,54.
| ek (uit) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ek | 38 | 3 | 2 | 3 | 6 | 5 | 3 | 3 | 3 | 4 | 2 | 2 | 2 | 2814 | 2239 | 575 | 46 | 38 | 46 | 112 | 58 | 175 | 100 | 130 | 242 | ||||
| ex | 20 | 2 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 2 | 4 | 2 | 1 | 1168 | 941 | 227 | 28 | 20 | 37 | 28 | 24 | 84 | 6 | 85 | 113 | ||||||
| Totaal | 58 | 5 | 3 | 3 | 7 | 7 | 5 | 6 | 5 | 4 | 6 | 4 | 3 | 3982 | 3180 | 802 | 74 | 58 | 83 | 140 | 82 | 259 | 106 | 215 | 355 |
- Ned.: uit. D.: aus. E.: out. Fr.: de. Grieks: εκ = ek of εξ = ex (uit). Taalgebruik in het NT: ek (uit). Latijn: ex.
Mc 6,54.5. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc
6,54.6. gen. onz. enk. πλοιου = ploiou (boot) van het zelfst. naamw. πλοιον = ploion (boot). Taalgebruik in
het NT: ploion
(boot). Taalgebruik in
de LXX: ploion
(boot). Taalgebruik in Mc.: ploion
(boot). Met een voorzetsel: 14 / 16. Zonder voorzetsel: 2 / 16. Met
εις = eis = naar (6 / 7) , εκ = ek = uit (2 / 2) , εν = en = in (6 / 6).
Mc (2): (1) Mc
5,2. (2) Mc
6,54. Telkens: εκ του πλοιου = ek tou ploiou (uit de boot). Een vorm van ploion (boot) in 5 verzen van Mc 6: (1) Mc
6,32 (dat. en tô(i) ploiô(i) = in de boot). (2) Mc
6,45 (acc. eis to ploion = in de boot). (3) Mc
6,47. (4) Mc
6,51 (acc. eis to ploion = in de boot). (5) Mc
6,54 (gen. ek tou ploiou = uit de boot).
| ploion (boot) | Mc | Mc 1 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + acc. onz. enk. ploion | 7 | 2: (1) Mc 4,1. (2) Mc 4,37. | 1: Mc 5,18. | 3: (1) Mc 6,45. (2) Mc 6,47. (3) Mc 6,51. | 1: Mc 8,10. | 37 | 6 | 31 | 9 | 7 | 2 | 4 | 9 | 18 | 22 | |||||
| 2 | gen. onz. enk. ploiou | 2 | 1: Mc 5,2. | 1: Mc 6,54. | 14 | 2 | 12 | 1 | 2 | 1 | 2 | 6 | 4 | 6 | |||||||
| 3 | dat. onz. enk. ploiô(i) | 6 | 2: (1) Mc 1,19. (2) Mc 1,20. | 1: Mc 4,36. | 1: Mc 5,21. | 1: Mc 6,32. | 1: Mc 8,14. | 15 | 1 | 14 | 3 | 6 | 1 | 4 | 10 | 10 | |||||
| 4 | nom. + acc. onz. mv. ploia | 1 | 1: Mc 4,36. | 23 | 18 | 5 | 1 | 3 | 1 | 4 | 4 | 1 | |||||||||
| totaal | 16 | 2 | 4 | 3 | 5 | 2 | 102 | 38 | 64 | 13 | 16 | 8 | 6 | 19 | 1 | 1 | 37 | 43 |
Een vorm van πλοιον = ploion (boot) in de LXX (42) , in het NT (66) , in Mc (16) , in Mc 5 (3): (1) εις το πλοιον = eis to ploion (in de boot): Mc
5,18. (2) εκ του πλοιου = ek tou ploiou (uit de boot): Mc
5,2. (3) en tô(i) ploiô(i) (in de boot): Mc
5,21.
- Hebreeuws. vr. enk. mw. אֳנִי = 'änî (schip, vloot). Taalgebruik in Tenakh: 'änî (schip, vloot). Getalwaarde: aleph = 1 ; nun = 14 of 50 , jod = 10 ; totaal: 25 (5²) OF 61. Structuur: 1 - 5 - 1. De som van de elementen is telkens 7.
- N. vloot (pl- -> vl-). Gr. ναυς , gen. νεως = naus (schip). L. navis (= schip ; navicula = boot). Fr. navire , bateau (oud-eng. bat + suffix -eau). N. boot. E. boat , ship. D. Boot. In het Arabisch lijkt de letter b op een bootje met een punt eronder ; de letter t op een bootje met 2 punten erboven en th op een bootje met 3 punten erboven.
Mc
6,54.4. - 6. εκ του πλοιου = ek tou ploiou (uit de boot). Bijbel (4): (1) Mc
5,2. (2) Mc
6,54. (3) Lc 5,3. (4) Hnd 27,30.
- Het tegenovergestelde: εν τῳ πλοιῳ = en tô(i) ploiô(i) (in de boot). Bijbel (10). LXX (1): Jon
1,5. NT (9): (1) Mt
4,21. (2) Mt
14,33. (3) Mc
1,19. (4) Mc
1,20. (5) Mc
4,36. (6) Mc
5,21. (7) Mc
8,14. (8) Hnd 27,31. (9) Hnd 27,37.
- Hebreeuws: בַסְּפִינָה = bassëphînâh (in het schip) < prefix voorzetsel bë + zelfst. naamw. סְפִטנָה = sëphînâh (schip). Taalgebruik in Tenakh: sëphînâh (schip). Zie Mc 4,36.
- בַאֳנִיָּה = bâânijjâh (in de boot) < prefix voorzetsel bë + bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. אֳנִיָּה ´ânijjah (boot). Zie: אֳנִי = 'änî (schip, vloot). Taalgebruik in Tenakh: 'änî (schip, vloot). Getalwaarde: aleph = 1 ; nun = 14 of 50 , jod = 10 ; totaal: 25 (5²) OF 61. Structuur: 1 - 5 - 1. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (1): Jon
1,4.
Mc 6,54.7. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- Van Cangh (2005, p. 68): "Les témoins A C D W Θ 0135 f13 latt sy omettent ευθυς = euthus.
- ευθυς = euthus. Mc (40): (1) Mc
1,10. (2) Mc
1,12. (3) Mc
1,18. (4) Mc
1,20. (5) Mc
1,21. (6) Mc
1,23. (7) Mc
1,28. (8) Mc
1,29. (9) Mc
1,30. (10) Mc
1,42. (11) Mc
1,43. (12) Mc
2,8. (13) Mc
2,12. (14) Mc
3,6. (15) Mc
4,5. (16) Mc
4,15. (17) Mc
4,16. (18) Mc
4,17. (19) Mc
4,29. (20) Mc
5,2. (21) Mc
5,29. (22) Mc
5,30. (23) Mc
5,42. (24) Mc
6,25. (25) Mc
6,27. (26) Mc
6,45. (27) Mc
6,50. (28) Mc
6,54. (29) Mc
7,25. (30) Mc
8,10. (31) Mc
9,15. (32) Mc
9,20. (33) Mc
9,24. (34) Mc
10,52. (35) Mc
11,2. (36) Mc
11,3. (37) Mc
14,43. (38) Mc
14,45. (39) Mc
14,72. (40) Mc
15,1.
- ευθεως = eutheôs. Mc (1): Mc
7,35.
- Hebreeuws Van Cangh (2005, p.86). הֵן / הֶנֵּה = hen / hinneh (zie). Taalgebruik
in Tenakh: hen
/ hinneh (zie). Getalwaarde: he = 5 , nun = 14 of 50 ; totaal: 19 OF
55 (5 X 11). Structuur: 5 - 5. De som van de elementen is telkens 1. Tenakh (495). Pentateuch (96). Eerdere Profeten (153). Latere Profeten (140). 12 Kleine
Profeten (29). Geschriften (77).
Mc
6,54.1. - 7. STAP VOOR STAP !
- Mc 5,2: και εξελθοντος αυτου εκ του πλοιου ευθυς = kai exelthontos autou ek tou ploiou euthus (en nadat hij uit de boot was uitgegaan
, dadelijk).
- Mc 6,54: και εξελθοντων αυτων εκ του πλοιου ευθυς = kai exelthontôn autôn ek tou ploiou euthus (en nadat zij uit de boot waren
uitgegaan , dadelijk).
- In Mc 5,2 stapt Jezus uit aan de oostelijke oever van het meer van Galilea. Alleen ?
In Mc
6,54 stappen Jezus en de leerlingen uit bij Gennesaret , de westelijke oever
van het meer.
Mc 6,54.8. ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen). Taalgebruik in het NT: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks). Taalgebruik in de LXX: euthus (onmiddellijk , rechtstreeks).
| euthus / eutheôs | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | ||
| euthus | 40 | 11 | 2 | 1 | 5 | 4 | 5 | 1 | 1 | 3 | 1 | 2 | 3 | 1 | 55 | 5 | 50 | 5 | 40 | 2 | 3 | 47 | 50 | |||||||
| eutheôs | 47 | 11 | 36 | 13 | 1 | 6 | 3 | 9 | 3 | 1 | 20 | 23 | ||||||||||||||||||
| totaal | 102 | 16 | 86 | 18 | 41 | 8 | 6 | 9 | 3 | 1 | 67 | 73 |
- ευθυς = euthus. Bij Mc in 40 verzen: (1) Mc 1,10. (2) Mc 1,12. (3) Mc 1,18. (4) Mc 1,20. (5) Mc 1,21. (6) Mc 1,23. (7) Mc 1,28. (8) Mc 1,29. (9) Mc 1,30. (10) Mc 1,42. (11) Mc 1,43. (12) Mc 2,8. (13) Mc 2,12. (14) Mc 3,6. (15) Mc 4,5. (16) Mc 4,15. (17) Mc 4,16. (18) Mc 4,17. (19) Mc 4,29. (20) Mc 5,2. (21) Mc 5,29. (22) Mc 5,30. (23) Mc 5,42. (24) Mc 6,25. (25) Mc 6,27. (26) Mc 6,45. (27) Mc 6,50. (28) Mc 6,54. (29) Mc 7,25. (30) Mc 8,10. (31) Mc 9,15. (32) Mc 9,20. (33) Mc 9,24. (34) Mc 10,52. (35) Mc 11,2. (36) Mc 11,3. (37) Mc 14,43. (38) Mc 14,45. (39) Mc 14,72. (40) Mc 15,1. In Mc 6 steekt weer meer vaart en onrust in het verhaal. 5X wordt ευθυς = euthus (tijd: onmiddellijk , dadelijk , terstond ; plaats: rechtstreeks , direct , zonder omwegen) gebruikt.
Mc 6,54.8. act. part. aor. nom. mann. mv. επιγοντες = epignontes (begrepen hebbende) van het werkw. επιγιγνωσκω = epigignôskô (leren kennen, begrijpen). Taalgebruik in het NT: epigignôskô (leren kennen, begrijpen). Taalgebruik in de LXX: epigignôskô (leren kennen, begrijpen).
Mc
6,54.9. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
| Mc 6,55 - Mc 6,55: genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [55] And ran through that whole region round about, and
began to carry about in beds those that were sick, where they heard he was.
Luther-Bibel. 55 und liefen im ganzen Land umher und fingen an, die Kranken
auf Bahren überall dorthin zu tragen, wo sie hörten, dass er war.
Tekstuitleg van Mc 6,55. Het vers Mc 6,55 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 107 letters. De getalwaarde van Mc 6,55 is 11689.
Mc 6,55.1. act. ind. aor. 3de pers. mv. = proedramon (zij liepen rond) van het werkw. = prostrechô
Mc 6,55.2. acc. vr. enk. ὁλην = holèn (heel) van het bijvoegl. naamw. ὁλος = holos (heel). Taalgebruik in het ΝΤ: holos (heel). Taalgebruik in de LXX: holos (heel). Taalgebruik in Mc: holos (heel).
| holos (heel) | Mc | Mc 1 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 12 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 2 | nom. + dat. vr. enk. holè(i) | 1 | 1: Mc 1,33. | 66 | 48 | 18 | 4 | 1 | 3 | 1 | 4 | 3 | 2 | 8 | 9 | 3 | ||||||
| 3 | nom. + acc. onz. + acc. mann. enk. holon | 5 | (1) Mc 8,36. | (1) Mc 12,44. | 2: (1) Mc 14,9. (2) Mc 14,54. | (1) Mc 15,1. | 53 | 20 | 33 | 9 | 5 | 5 | 2 | 4 | 8 | 19 | 21 | 4 | 4 | |||
| 5 | gen. vr. enk. holès | 2 | 2: (1) Mc 12,20 . (2) Mc 12,33. | 42 | 29 | 13 | 2 | 4 | 4 | 1 | 2 | 6 | 6 | 1 | ||||||||
| 7 | acc. vr. enk. holèn | 5 | 2: (1) Mc 1,28. (2) Mc 1,39. | (1) Mc 6,55. | 2: (1) Mc 15,16. (2) Mc 15,33. | 105 | 85 | 20 | 5 | 5 | 2 | 5 | 2 | 1 | 12 | 12 | 2 | |||||
| totaal | 13 | 3 | 1 | 1 | 3 | 2 | 2 | 305 | 207 | 98 | 20 | 13 | 14 | 4 | 21 | 21 | 5 | 47 | 51 |
Mc 6,55.3. bep. lidw. acc. vr. enk. την = tèn (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè. Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (11): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,8. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,24. (7) Mc 6,25. (8) Mc 6,27. (9) Mc 6,28. (10) Mc 6,53.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 9. | acc. vr. enk. tèn | 109 | 12 | 4 | 5 | 9 | 9 | 11 | 10 | 4 | 5 | 11 | 5 | 6 | 3 | 7 | 6 | 2 | 6161 | 4889 | 1272 | 180 | 109 | 149 | 121 | 198 | 404 | 111 | 438 | 559 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,55.4. acc. vr. enk. χωραν = chôran (streek, plaats) van het zelfst. naamw. χωρα = chôra (streek, land). Taalgebruik in het NT: chôra (streek, land). Taalgebruik in de LXX: chôra (streek, land). Bijbel (66). NT (14): (1) Mt 2,12. (2) Mt 8,28. (3) Mc 5,1. (4) Mc 6,55. (5) Lc 8,26 . (6) Lc 15,13. (7) Lc 15,14. (8) Lc 19,12. (9) Joh 11,54. (10) Hnd 12,20. (11) Hnd 16,6. (12) Hnd 18,23. (13) Hnd 26,20. (14) Hnd 27,27.
Mc
6,55.5. van het aanwijz. voornaamw. εκεινος (die). Taalgebruik in het NT: ekeinos (die). Taalgebruik in de LXX: ekeinos (die). Taalgebruik in Mc: ekeinos (die).
-In het Griekse woord εκεινος (die) zien we het Griekse woord εκει (hier, daar; Fr.: ici) , dat een plaats aanwijst.
Mc 6,55.6. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en).
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en).
Mc 6,55.7. ind. aor. 3de pers. mv. ηρξαντο = èrxanto (zij begonnen) van het werkw. αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in het NT: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in de LXX: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Taalgebruik in Mc: archomai (beginnen, aanvangen, heersen). Mc (8): (1) Mc 2,23. (2) Mc 5,17. (3) Mc 6,55. (4) Mc 8,11. (5) Mc 10,41. (6) Mc 14,19. (7) Mc 14,65. (8) Mc 15,18. Een vorm van αρχομαι = archomai (beginnen, aanvangen, heersen) in de LXX (123) , in het NT (85).
| archomai (beginnen, aanvangen) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. |
| inf. pr. | 1 | 1 : Mc 10,42. | 11 | 9 | 1 | 1 | ||||||||||||||||
| ind. aor. 3de p. enk. èrxato | 18 | 1 : (1) Mc 1,45. | 1: (2) Mc 4,1. | 1: (3) Mc 5,20. | 3: (4) Mc 6,2. (5) Mc 6,7. (6) Mc 6,34. | 2: (7) Mc 8,31. (8) Mc 8,32. | 3: (9) Mc 10,28. (10) Mc 10,32. (11) Mc 10,47. | 1: (12) Mc 11,15. | 1: (13) Mc 12,1. | 1: (14) Mc 13,5. | 3: (15) Mc 14,33. (16) Mc 14,69. (17) Mc 14,71. (18) Mc 15,8. | 1: (18) Mc 15,8. | 76 | 35 | 41 | 7 | 18 | 11 | 1 | 4 | ||
| ind. aor. 3de p. mv. èrxanto | 8 | 1 : 8: (1) Mc 2,23. | 1 : (2) Mc 5,17. | 1 : (3) Mc 6,55. | 1 : (4) Mc 8,11. | 1 : (5) Mc 10,41. | 2: (6) Mc 14,19. (7) Mc 14,65. | 1: (8) Mc 15,18. | 37 | 18 | 19 | 2 | 8 | 8 | 1 | |||||||
| totaal | 27 | 1 | 1 | 1 | 2 | 4 | 3 | 5 | 1 | 1 | 1 | 5 | 2 | 124 | 62 | 62 | 9 | 27 | 19 | 1 | 5 | 1 |
Mc 6,55.8. επι = epi (op, bij). Afkortingen: επ' = ep' en εφ' = ef'. Taalgebruik in het NT: epi (op, bij). Taalgebruik in de LXX: epi (op, bij). Taalgebruik in Mc: epi (op, bij). Mc (51 + 14 + 6 = 71) ,: επι = epi in Mc 6 (9): (1) Mc 6,25. (2) Mc 6,28. (3) Mc 6,39. (4) Mc 6,47. (5) Mc 6,48. (6) Mc 6,49. (7) Mc 6,52. (8) Mc 6,53. (9) Mc 6,55 en επ' = ep' in Mc 6,34.
| epi (op, bij) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| epi | 51 | 1 | 4 | 1 | 8 | 9 | 1 | 3 | 5 | 2 | 2 | 1 | 7 | 3 | 2 | 2 | 4540 | 3946 | 594 | 91 | 51 | 104 | 22 | 120 | 117 | 89 | 246 | 268 | |
| ep | 14 | 1 | 1 | 1 | 1 | 1 | 2 | 2 | 3 | 1 | 1 | 1320 | 1179 | 141 | 13 | 14 | 25 | 13 | 24 | 30 | 22 | 52 | 65 | ||||||
| ef | 6 | 3 | 1 | 1 | 1 | 430 | 348 | 82 | 10 | 6 | 20 | 1 | 17 | 25 | 3 | 36 | 37 | ||||||||||||
| Totaal | 71 | 2 | 4 | 4 | 8 | 1 | 10 | 1 | 4 | 7 | 4 | 5 | 4 | 8 | 3 | 4 | 2 | 6290 | 5473 | 817 | 114 | 71 | 149 | 36 | 161 | 172 | 114 | 334 | 370 |
- Ned.: op , naar, bij. D.: bei. E.: at. Fr.: à. Lat.: ad.
Mc 6,55.9. dat. mann. en onz. mv. τοις = tois. Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 14. | dat. m. + onz. mv. tois | 47 | 2 | 5 | 4 | 3 | 2 | 6 | 2 | 2 | 1 | 4 | 3 | 2 | 2 | 3 | 6 | 2715 | 2179 | 536 | 96 | 47 | 65 | 36 | 82 | 193 | 17 | 208 | 244 | |
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl.: bepaald lidwoord de / het. D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,55.10. Taalgebruik in het NT: krabatton (bed, draagbaar). Taalgebruik in Mc: krabatton (bed, draagbaar). Lat. grabattum. Fr. grabat. Ned. draagbaar , berrie < beran , baren: dragen , voortbrengen ; cfr. Gr. ferô (voeren). In het Hebr. omgezet: qarëfîtâ´
Mc 6,55.11. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,55.15. ὁπου = hopou (waar). Taalgebruik in het NT: hopou (waar). Taalgebruik in de LXX: hopou (waar). Taalgebruik in Mc: hopou (waar). Lc (5): (1) Lc 9,57. (2) Lc 12,33. (3) Lc 12,34. (4) Lc 17,37. (5) Lc 22,11.
| hopou (waar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 90 | 14 | 76 | 11 | 13 | 5 | 29 | 2 | 9 | 7 | 29 | 58 |
| hopou (waar) | Mc | Mc 2 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 13 | (1) Mc 2,4. | (2) Mc 4,5. (3) Mc 4,15. | (4) Mc 5,40. | (5) Mc 6,10. (6) Mc 6,55. (7) Mc 6,56. | (8) Mc 9,18. (9) Mc 9,48. | (10) Mc 13,14. | (11) Mc 14,9. (12) Mc 14,14. | (13) Mc 16,6. | 90 | 14 | 76 | 11 | 13 | 5 | 29 | 2 | 9 | 7 | 29 | 58 |
Mc (13): (1) Mc 2,4. (2) Mc 4,5. (3) Mc 4,15. (4) Mc 5,40. (5) Mc 6,10. (6) Mc 6,55. (7) Mc 6,56. (8) Mc 9,18. (9) Mc 9,48. (10) Mc 13,14. (11) Mc 14,9. (12) Mc 14,14. (13) Mc 16,6.
Mc 6,55.16. actief ind. imperf. 3de pers. mv. ηκουον = èkouon (zij hoorden) van het werkw. ακουω = akouô (horen). Taalgebruik in het NT: akouô (horen). Taalgebruik in de Septuaginta: akouô (horen). Taalgebruik in Lc: akouô (horen). Oor en horen zijn verwant met elkaar. oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis. auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter. Hnd (4): (1) Hnd 2,6. (2) Hnd 10,46. (3) Hnd 15,12. (4) Hnd 22,22.
| akouô (horen) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| ind. imp. 3de p. mv. èkouon | 17 | 10 | 7 | 2 | 1 | 4 | 3 | 3 |
Mc 6,55.17. ὁτι = hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het ΝΤ: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in de LXX: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat). Mc (92). Mc 6 (9): (1) Mc 6,4. (2) Mc 6,14. (3) Mc 6,15. (4) Mc 6,17. (5) Mc 6,18. (6) Mc 6,34. (7) Mc 6,35. (8) Mc 6,49. (9) Mc 6,55.
| hoti ( dat , omdat ) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 92 | 4 | 6 | 5 | 3 | 5 | 9 | 5 | 8 | 9 | 3 | 3 | 12 | 4 | 10 | 2 | 4 | 4396 | 3213 | 1183 | 137 | 92 | 160 | 237 | 114 | 389 | 54 | 389 | 626 |
- Hebreeuws: כִּי = kî (want, omdat). Taalgebruik in Tenakh: kî (want, omdat). Getalwaarde: kaph = 11 of 20 , jod = 10 ; totaal: 21 (3 X 7) of 30 (2 X 3 X 5). Structuur: 2 - 1. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (3849). Pentateuch (884). Eerdere Profeten (726). Latere Profeten (841). 12 Kleine Profeten (241). Geschriften (1157).
- כִּי = kî (want, omdat) < een woord met 1 medeklinker. De lange î is î gebleven omdat het een proclitisch woord is. Proclitisch wil zeggen dat een eenlettergrepig onbeklemtoond woord wordt gehecht aan het volgende (Lettinga(6) 13d).
Mc 6,55.18. act. ind. praes. 3de pers. enk. εστιν = estin van het werkw. ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Taalgebruik in de Septuaginta: eimi (zijn). Een vorm van ειμι = eimi (zijn) in de LXX (6947) , in het NT (2450) , in Mc (192).
| eimi (zijn) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| estin | 69 | (1): Mc 1,27. | (4): (1) Mc 2,1. (2) Mc 2,9. (3) Mc 2,19. (4) Mc 2,28. | (4): (1) | (3): (1) Mc 4,22. (2) Mc 4,26. (3) Mc 4,41. | (2): | (6): | 6: (1) Mc 7,2. (2) Mc 7,4. (3) Mc 7,11. (4) Mc 7,15. (5) Mc 7,27. (6) Mc 7,34. | (0) | (1) Mc 9,5. (2) Mc 9,7. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,42. (8) Mc 9,43. (9) Mc 9,45. (10) Mc 9,47. | (7) (1) Mc 10,14. (2) Mc 10,24. (3) Mc 10,25. (4) Mc 10,29. (5) Mc 10,40. (6) Mc 10,43. (7) Mc 10,47. | (0) | (11): | (3): | (7): | (4): | (1): | 2371 | 1558 | 813 | 114 | 69 | 96 | 147 | 66 | 296 | 25 |
- werkw. Ned.: zijn. Arabisch: كانَ = kâna (zijn). Taalgebruik in de Qoran: kâna (zijn). D.: sein. E.: to be. E.: to be. Grieks: ειμι = eimi (zijn). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn). Hebreeuws: הָיָה = hâjâh (zijn). Taalgebruik in Tenakh: hâjâh (zijn). Lat.: esse.
| Mc 6,56 - Mc 6,56: genezingen te Gennesaret - Mc 6,53-56 - Mt 14,34-36 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 6 -- Mc 6,53 - Mc 6,54 - Mc 6,55 - Mc 6,56 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible. [56] And whithersoever he entered, into villages, or cities,
or country, they laid the sick in the streets, and besought him that they might
touch if it were but the border of his garment: and as many as touched him were
made whole.
Luther-Bibel. 56 Und wo er in Dörfer, Städte und Höfe hineinging, da legten
sie die Kranken auf den Markt und baten ihn, dass diese auch nur den Saum seines
Gewandes berühren dürften; und alle, die ihn berührten, wurden gesund.
Tekstuitleg van Mc 6,56.
Mc 6,56.1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en).
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en).
Mc 6,56.2. ὁπου = hopou (waar). Taalgebruik in het NT: hopou (waar). Taalgebruik in de LXX: hopou (waar). Taalgebruik in Mc: hopou (waar). Lc (5): (1) Lc 9,57. (2) Lc 12,33. (3) Lc 12,34. (4) Lc 17,37. (5) Lc 22,11.
| hopou (waar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 90 | 14 | 76 | 11 | 13 | 5 | 29 | 2 | 9 | 7 | 29 | 58 |
| hopou (waar) | Mc | Mc 2 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 9 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 13 | (1) Mc 2,4. | (2) Mc 4,5. (3) Mc 4,15. | (4) Mc 5,40. | (5) Mc 6,10. (6) Mc 6,55. (7) Mc 6,56. | (8) Mc 9,18. (9) Mc 9,48. | (10) Mc 13,14. | (11) Mc 14,9. (12) Mc 14,14. | (13) Mc 16,6. | 90 | 14 | 76 | 11 | 13 | 5 | 29 | 2 | 9 | 7 | 29 | 58 |
Mc (13): (1) Mc 2,4. (2) Mc 4,5. (3) Mc 4,15. (4) Mc 5,40. (5) Mc 6,10. (6) Mc 6,55. (7) Mc 6,56. (8) Mc 9,18. (9) Mc 9,48. (10) Mc 13,14. (11) Mc 14,9. (12) Mc 14,14. (13) Mc 16,6.
Mc 6,56.3. αν = an. Taalgebruik in het NT: an. Taalgebruik in de LXX: an. Taalgebruik in Mc: an. Mc (18): (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. (6) Mc 8,35. (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. (15) Mc 11,23. (16) Mc 12,36. (17) Mc 13,20. (18) Mc 14,44.
| an | Mc | Mc 3 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 18 | (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. | (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. | (6) Mc 8,35. | (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. | (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. | (15) Mc 11,23. | (16) Mc 12,36. | (17) Mc 13,20. | (18) Mc 14,44. | 679 | 528 | 151 | 36 | 18 | 29 | 23 | 15 | 28 | 2 | 83 | 106 |
Mc 6,56.4. van het werkw. eisporeuomai (zich op weg begeven naar). eis + por-euomai. p of ph = f -> v + r. Zelfstandig naamoord poros: weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats. Lat. por-tus: haven. Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford. Het woord behoort tot de groep van varen.
Mc 6,56.5. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,56.6. kômè (dorp). Taalgebruik in het NT: kômè (dorp). Taalgebruik in Mc: kômè .
| kômè (dorp). | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. + dat. vr. enk. kômè(i) | ||||||||||||||
| 2 | gen. vr. enk. kômès | 5 | 1 | 4 | 1 | 1 | 2 | 2 | 4 | ||||||
| 3 | acc. vr. enk. kômèn | 15 | 2 | 13 | 2 | 2 | 8 | 1 | 12 | 13 | |||||
| 4 | nom. vr. mv. kômai | 30 | 30 | ||||||||||||
| 5 | gen. vr. mv. kômôn | 2 | 2 | ||||||||||||
| 6 | dat. vr. mv. kômais | 7 | 7 | ||||||||||||
| 7 | acc. vr. mv. kômas | 27 | 17 | 10 | 2 | 4 | 3 | 1 | |||||||
| totaal | 86 | 59 | 27 | 4 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 |
Mc 6,56.8. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,56.9. polis (stad). Taalgebruik in NT: polis (stad). Taalgebruik in Mc: polis (stad). Taalgebruik in Lc: polis (stad). Taalgebruik in Hnd: polis (stad).
| polis (stad) | Mc | Mc 1 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 11 | Mc 14 | bijbel | O.T. | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| 1 | nom. vr. enk. polis | 1 | (1) Mc 1,33 | 149 | 128 | 21 | 5 | 1 | 1 | 5 | 9 | 7 | 7 | ||||||||
| 2 | gen. vr. enk. poleôs | 1 | (1) Mc 11,19 | 318 | 283 | 35 | 3 | 1 | 8 | 4 | 10 | 1 | 8 | 12 | 16 | 1 | |||||
| 4 | acc. vr. enk. polin | 4 | (1) Mc 1,45. | (2) Mc 5,14. | (3) Mc 14,13. (4) Mc 14,16. | 353 | 289 | 64 | 12 | 4 | 17 | 4 | 14 | 6 | 7 | 33 | 37 | 5 | 1 | ||
| 5 | nom. + acc. vr. mv. poleis | 1 | (1) Mc 6,56 . | 296 | 284 | 12 | 3 | 1 | 1 | 4 | 2 | 1 | 5 | 5 | 2 | ||||||
| 6 | gen. vr. mv. poleôn | 1 | (1) Mc 6,33. | 80 | 72 | 6 | 1 | 1 | 3 | 1 | 5 | 5 | |||||||||
| totaal | 8 | 2 | 1 | 2 | 1 | 2 | 1477 | 1314 | 161 | 27 | 8 | 38 | 8 | 43 | 11 | 26 | 71 | 79 | 8 | 3 |
Een vorm van polis (stad) in Mc in 8 verzen: (1) Mc 1,33. (2) Mc 1,45. (3) Mc 5,14. (4) Mc 6,33. (5) Mc 6,56 . (6) Mc 11,19. (7) Mc 14,13. (8) Mc 14,16.
Mc 6,56.11. εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Taalgebruik in de LXX: eis (naar). Mc 6 (14): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,8. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,15. (6) Mc 6,31. (7) Mc 6,32. (8) Mc 6,36. (9) Mc 6,41. (10) Mc 6,45. (11) Mc 6,46. (12) Mc 6,51. (13) Mc 6,53. (14) Mc 6,56.
| eis (naar) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| 6930 | 5336 | 1594 | 215 | 151 | 210 | 181 | 260 | 504 | 73 | 576 | 757 | 427 | 77 | 13 | 5 | 6 | 8 | 11 | 14 | 9 | 10 | 11 | 13 | 8 | 7 | 8 | 20 | 3 | 5 |
- Ned.: naar. D.: nach. E.: for. Fr.: vers (versus: gedraaid , gekeerd ; vertere: tourner , draaien) / à. Grieks: εις = eis (naar). Taalgebruik in het NT: eis (naar). Lat.: in / ad.
Mc 6,56.12. שָׂדְךָ / שָׂדֶךָ = shâdëkhâ / shâdèkhâ (je veld) < zelfst. naamw. vr. enk. stat. constr. + suffix bezittel. voornaamw. 2de pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. שָׂדֶה = shâdèh (veld). Taalgebruik in Tenakh: shâdèh (veld). Getallenwaarde: shin = 21 of 300 , daleth = 4 , he = 5 ; totaal: 30 ( 2 X 3 X 5) OF 309 (3 X 103). Structuur: 3 - 4 - 5. De som van de elementen is telkens 3. Tenakh (5): (1) Lv 19,9. (2) Lv 19,19. (3) Lv 23,22. (4) Lv 25,3. (5) Lv 25,4.
- Grieks. acc. mann. enk. αγρον = agron van het zelfst. naamw. αγρος = agros (akker, land, veld). Zie: αγραυλεω = agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven). Taalgebruik in het NT: agrauleô (op het land, in de vrije natuur verblijven). Bijbel (51). NT (7). Lv (7): (1) Lv 25,3. (2) Lv 25,4. (3) Lv 25,31. (4) Lv 27,17. (5) Lv 27,18. (6) Lv 27,19. (7) Lv 27,20. Een vorm van αγρος = agros in de LXX (246) , in het NT (35).
- Latijn. acc. mann. enk. agrum van het zelfst. naamw. ager. Bijbel. OT (). NT (). Lv (8). (1) Lv 14,7. (2) Lv 14,53. (3) Lv 19,19. (4) Lv 25,3. (5) Lv 25,4. (6) Lv 27,16. (7) Lv 27,17. (8) Lv 27,19. (landbouwer = agricola).
- Ned.: akker. D.: Acker. E.: field. Fr.: champs. Grieks: αγρος = agros (akker, land, veld). Hebreeuws: שָׂדֶה = shâdèh (veld). Taalgebruik in Tenakh: shâdèh (veld). Latijn: ager (akker).
Mc 6,56.13. εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Taalgebruik in de LXX: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Mc 6 (12): (1) Mc 6,2. (2) Mc 6,3. (3) Mc 6,4. (4) Mc 6,14. (5) Mc 6,17. (6) Mc 6,27. (7) Mc 6,29. (8) Mc 6,32. (9) Mc 6,47. (10) Mc 6,48. (11) Mc 6,51. (12) Mc 6,56.
| en (in). | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 119 | 13 | 7 | 2 | 13 | 9 | 12 | 5 | 9 | 7 | 10 | 9 | 7 | 7 | 5 | 4 | 11097 | 8943 | 2154 | 247 | 119 | 288 | 182 | 226 | 966 | 126 | 654 | 836 |
- Ned.: in. Arabisch: فِي = fi (in). Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in. E.: in. Fr.: dans. Grieks: εν = en (in, tijdens). Taalgebruik in het NT: en (in). Hebreeuws: בְּ = bë. Lat.: in.
Mc 6,56.14.
bep. lidw. dat. vr. mv. tais (de van het bep. lidw. ho , hè , to (de
/ het). Taalgebruik in het N.T.: bepaald
lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald
lidwoord. Gr. to.. , tè... N.: de. E.: the. D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam).
Mc (10): (1) Mc
1,9. (2) Mc
2,6. (3) Mc
2,8. (4) Mc
6,56. (5) Mc
8,1. (6) Mc
12,38. (7) Mc
12,39. (8) Mc
13,17. (9) Mc
13,24. (10) Mc
16,18.
Mc 6,56.15.
Mc 6,56.16. act. ind. aor. 3de pers. mv. εθηκαν = ethèkan (zij legden) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in het NT: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in de LXX: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Bijbel (24). Pentateuch (1): Gn 50,26. NT (7): (1) Mc 6,29. (2) Mc 16,6. (3) Joh 19,42. (4) Joh 20,2. (5) Joh 20,13. (6) Hnd 9,37. (7) Hnd 13,29. Een vorm van τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101) , in Hnd (23)
| tithèmi (zetten, plaatsen, maken) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. | |
| act. ind. aor. 3de pers. mv. ethèkan (zij legden) | 24 | 17 | 2 | 3 | 2 | 2 | 5 |
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εθηκεν = ethèken (hij legde) van het werkw. τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in het NT: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Taalgebruik in de LXX: tithèmi (zetten, plaatsen, maken). Bijbel (67). OT (50). NT (11): (1) Mt 27,60. (2) Mc 15,46. (3) Lc 6,48. (4) Lc 23,53. (5) Joh 19,19. (6) Hnd 4,37. (7) Hnd 5,2. (8) Heb 1,2. (9) 1 Joh 3,16. (10) Apk 1,17. (11) Apk 10,2. Een vorm van τιθημι = tithèmi (zetten, plaatsen, maken) in de LXX (558) , in het NT (101) , in Hnd (23).
- וַיִּישֶׂמ = wajjîshèm (en hij legde) < prefix voegwoord waw consecutiv. + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. שָׂם = shâm (plaatsen, stellen) . Taalgebruik in Tenakh: shâm (plaatsen, stellen). Getalswaarde: shin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 340 (10 X 34). Structuur: 3 - 4. De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (2): (1) Gn 24,33. (2) Gn 50,26.
Mc 6,56.17. bep. lidw. acc. mann. mv. τους = tous (de). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Mc (52). Mc 6 (8): (1) Mc 6,7. (2) Mc 6,26. (3) Mc 6,36. (4) Mc 6,41. (5) Mc 6,44. (6) Mc 6,45. (7) Mc 6,55. (8) Mc 6,56.
| lidw. mv. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Brieven | Apk | syn. | ev. | |
| 16. | acc. m. mv. tous | 52 | 2 | 3 | 2 | 6 | 8 | 4 | 9 | 6 | 1 | 1 | 4 | 3 | 3 | 2960 | 2330 | 630 | 91 | 52 | 98 | 51 | 122 | 156 | 60 | |||||
| Totaal | 389 | 21 | 25 | 26 | 22 | 22 | 33 | 30 | 29 | 16 | 28 | 18 | 27 | 23 | 36 | 24 | 9 | 23394 | 18879 | 4515 | 745 | 389 | 644 | 404 | 690 | 1228 | 415 | 1778 | 2182 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). Taalgebruik in de Qoran: ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,56.19. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en).
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en).
Mc 6,56.20. act. ind. imperf.. 3de p. mv. parekaloun (zij drongen aan) van het werkw. παρακαλεω = parakaleô (bijroepen, ter hulp roepen , troosten , bijstaan , aanbevelen, aandringen). Taalgebruik in het NT: parakaleô - ad-vocare (bij-roepen). Taalgebruik in de LXX: parakaleô - ad-vocare (bij-roepen). Taalgebruik in Mc: parakaleô - ad-vocare (bij-roepen). Vertalingen: Latijn: exhortare ; Nederlands: aansporen , oproepen. Mc (2): (1) Mc 5,10. (2) Mc 5,18. Een vorm van παρακαλεω = parakaleô (ter hulp roepen, aandringen) in Mc (9) wordt telkens gevolgd door auton (hem) waarmee Jezus is bedoeld.
Mc 6,56.21. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord
autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord
autos. Mc 6 (8): (1) Mc
6,17. (2) Mc
6,19. (3) Mc
6,20. (4) Mc
6,27. (5) Mc
6,49. (6) Mc
6,50. (7) Mc
6,54. (8) Mc
6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4 | acc. mann. enk. auton | 146 | 11 | 4 | 12 | 5 | 12 | 8 | 9 | 6 | 16 | 8 | 7 | 12 | 1 | 14 | 17 | 4 | 2872 | 2032 | 840 | 114 | 146 | 184 | 154 | 136 | 85 | 21 | 598 | 752 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,56.22. ἱνα = hina (opdat, zodat). Voegwoord. Taalgebruik in het NT: hina (opdat). Taalgebruik in de LXX: hina (opdat). Mc 3 (5): (1) Mc 3,2. (2) Mc 3,9. (3) Mc 3,10. (4) Mc 3,12. (5) Mc 3,14.
| hina (opdat) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | ΟΤ | ΝΤ | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | P. | A. b. |
| 59 | 1 : Mc 1,38. | 1 : Mc 2,10. | 5: (1) Mc 3,2. (2) Mc 3,9. (3) Mc 3,10. (4) Mc 3,12. (5) Mc 3,14. | 3 | 5 | 6 | 4 | 3 | 5 | 6 | 3 | 4 | 2 | 5 | 5 | 1 | 1144 | 522 | 620 | 39 | 59 | 46 | 132 | 15 | 292 | 37 | 144 | 276 | 232 | 44 |
Mc 6,56.24. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,56.26. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. του = tou (de) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Mc 6 (6): (1) Mc 6,17. (2) Mc 6,18. (3) Mc 6,24. (4) Mc 6,25. (5) Mc 6,54. (6) Mc 6,56.
| lidw. enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 4. | gen. m. + onz. enk. tou | 116 | 8 | 6 | 6 | 5 | 11 | 6 | 7 | 6 | 7 | 9 | 3 | 10 | 6 | 13 | 7 | 6 | 8480 | 6542 | 1938 | 234 | 116 | 272 | 196 | 269 | 673 | 178 | 622 | 818 |
| Totaal | 940 | 67 | 45 | 41 | 64 | 70 | 71 | 62 | 36 | 66 | 71 | 40 | 59 | 53 | 106 | 61 | 28 | 54298 | 42002 | 12296 | 1648 | 940 | 1649 | 1422 | 1696 | 4013 | 928 | 4237 | 5659 |
- Nederl..: bepaald lidwoord de / het. Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de). D.: der , die , das enz.. E.: the. Fr.: le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam). Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord. Hebreeuws: הַ = ha (de, het). Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het).
Mc 6,56.27. van het zelfst. naamw. ἱματιον = himation (kleed). Taalgebruik in het NT: himation (kleed). Taalgebruik in de LXX: himation (kleed). Een vorm van ἱματιον = himation (kleed) in de LXX (221) , in het NT (60) , in Mt (13) , in Mc (12) , in Lc (10).
Mc 6,56.28. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,56.29. act. conjunct. aor. 3de pers. mv. ἁψωνται = hapsôntai (zij zouden aanraken) van het werkw. ἁπτω = haptô (vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in het NT: haptô (vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in de LXX: haptô (vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in Mc: haptô (vastgrijpen, aanraken). Bijbel (3): (1) Mt 14,36. (2) Mc 3,10. (3) Mc 6,56. Een vorm van ἁπτω = haptô (vastgrijpen, aanraken) in de LXX (132) , in het NT (39).
Mc 6,56.30. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en).
| kai (en) | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| verzen | 7957 | 1071 | 678 | 1151 | 879 | 1007 | 2767 | 404 | 2900 | 3779 | ||
| kai (en) | 26980 | 21867 | 5113 | 705 | 555 | 822 | 530 | 660 | 1470 | 371 | 2082 | 2612 |
| verschil | 2844 | 366 | 123 | 329 | 349 | 347 | 1297 | 33 | 818 | 1167 |
| kai (en) | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 |
| verzen (678) (666) | 678 | 45 | 28 | 35 | 41 | 43 | 56 | 37 | 38 | 50 | 52 | 33 | 44 | 37 | 72 | 47 | 20 / 8 |
| kai = en (555) (547) | 555 | 40 | 26 | 32 | 33 | 37 | 52 | 26 | 36 | 40 | 37 | 29 | 33 | 26 | 60 | 33 | 15 / 7 |
| verschil (123) (115) | 123 | 5 | 2 | 3 | 8 | 6 | 4 | 11 | 2 | 10 | 15 | 4 | 11 | 11 | 12 | 14 | 5 / 1 |
- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en).
Mc 6,56.31. nom. mann. mv. hosoi van het bijvoegl. naamw. hosos (zo groot als). Taalgebruik in het N.T.: osos (zo groot als). Taalgebruik in Mc: osos (zo groot als). Mc (2): (1) Mc 3,10. (2) Mc 6,56. Een vorm van hosos (zo groot als) in Mc in 13 verzen: (1) Mc 2,19. (2) Mc 3,8. (3) Mc 3,10. (4) Mc 3,28. (5) Mc 5,19. (6) Mc 5,20 . (7) Mc 6,30. (8) Mc 6,56. (9) Mc 7,36. (10) Mc 9,13. (11) Mc 10,21. (12) Mc 11,24. (13) Mc 12,44.
Mc 6,56.32. αν = an. Taalgebruik in het NT: an. Taalgebruik in de LXX: an. Taalgebruik in Mc: an. Mc (18): (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. (6) Mc 8,35. (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. (15) Mc 11,23. (16) Mc 12,36. (17) Mc 13,20. (18) Mc 14,44.
| an | Mc | Mc 3 | Mc 6 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. |
| 18 | (1) Mc 3,29. (2) Mc 3,35. | (3) Mc 6,10. (4) Mc 6,11. (5) Mc 6,56. | (6) Mc 8,35. | (7) Mc 9,1. (8) Mc 9,37. (9) Mc 9,41. (10) Mc 9,42. | (11) Mc 10,11. (12) Mc 10,15. (13) Mc 10,43. (14) Mc 10,44. | (15) Mc 11,23. | (16) Mc 12,36. | (17) Mc 13,20. | (18) Mc 14,44. | 679 | 528 | 151 | 36 | 18 | 29 | 23 | 15 | 28 | 2 | 83 | 106 |
Mc 6,56.33. van het werkw. ἁπτω = haptô (hechten, vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in het NT: haptô (vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in de LXX: haptô (vastgrijpen, aanraken). Taalgebruik in Mc: haptô (vastgrijpen, aanraken).
- Bayens (1963 , nr.96 nota en 1: "De praesensstam wordt dikwijls versterkt met τ = t." " Iedere labiaal + σ = s , wordt ψ = ps ".
Mc 6,56.34. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos. Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos. Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos. Mc 6 (16): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,2. (3) Mc 6,3. (4) Mc 6,4. (5) Mc 6,14. (6) Mc 6,17. (7) Mc 6,20. (8) Mc 6,21. (9) Mc 6,22. (10) Mc 6,27. (11) Mc 6,28. (12) Mc 6,29. (13) Mc 6,35. (14) Mc 6,41. (15) Mc 6,45. (16) Mc 6,56.
| autos enk. | Mc | Mc 1 | Mc 2 | Mc 3 | Mc 4 | Mc 5 | Mc 6 | Mc 7 | Mc 8 | Mc 9 | Mc 10 | Mc 11 | Mc 12 | Mc 13 | Mc 14 | Mc 15 | Mc 16 | bijbel | OT | NT | Mt | Mc | Lc | Joh | Hnd | Br. | Apk | syn. | ev. | |
| 2 | gen. mann. enk. autou | 143 | 13 | 6 | 10 | 4 | 12 | 16 | 6 | 17 | 9 | 8 | 6 | 5 | 6 | 15 | 8 | 2 | 6883 | 5685 | 1198 | 225 | 143 | 220 | 150 | 118 | 256 | 86 | 588 | 738 |
| totaal | 413 | 35 | 17 | 27 | 14 | 34 | 34 | 18 | 33 | 32 | 30 | 18 | 25 | 9 | 47 | 34 | 6 | 12884 | 9893 | 2991 | 510 | 413 | 593 | 475 | 350 | 504 | 146 | 1670 | 2145 |
Mc 6,56.35. sῳζω = sôzô (redden). Taalgebruik in het NT: sôzô (redden). Taalgebruik in de LXX: sôzô (redden). Taalgebruik in Mc: sôzô (redden). Hebr. jâsj`â (redden).