MARCUSEVANGELIE , ZEVENDE HOOFDSTUK , MC 7 - Afzonderlijke webpagina's : - Mc 7,1-23  -- Mc 7,24-30 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -
- Mc 7,1-8.14-15.21-23 - Mc 7,31-37

Overzicht van het NT : NT : overzicht , NT : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , NT : commentaar ,

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16

Tekstuitleg per pericope - Mc 7,1-13 - Mc 7,14-23 - Mc 7,24-30 - Mc 7,31-37
Tekstuitleg vers per vers -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 - Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -- Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het zevende hoofdstuk van het Marcusevangelie :
154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 -
155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -
156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 -
157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mt 15,29-31 -

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
                                 

Evangelielezing van de 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar : Mc 7,1-8.14-15.21-23 (Mc 7,1-8.14-15.21-23) :
Eens kwamen de Farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus tezamen, en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine, dat wil zeggen, ongewassen handen aten. De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen; komen ze van de markt, dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben; zo zijn er nog vele dingen waaraan ze bij overlevering vasthouden: het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk. Daarom stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag: "Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering van de voorvaderen, maar eten zij met onreine handen?" Hij antwoordde hun: "Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd! Zo staat er geschreven: Dit volk eert Mij met de lippen maar hun hart is ver van Mij. Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren. Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan de overlevering van mensen!" Daarop riep Hij het volk weer bij zich en sprak tot hen: "Luistert allen naar Mij en wilt verstaan: niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens. Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid. Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens."


Het gebruik van de naam "God" bij Marcus :

  theos (God)  Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn.. ev. Paul. Ap. br.
1 nom. enk. theos ( God)   1 : Mc 2,7               2 : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,18 .     3 : (1) Mc 12,26 . (2) Mc 12,27. (3) Mc 12,29 . 1 : Mc 13,19 .   1 : Mc 15,34 .   1686  1399  287  15  17  58  163  20  29 46 143 20
2 gen. enk.  theou (van God) 31  4 : (1) Mc 1,1 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,15 . (4) Mc 1,24 . 1 : Mc 2,26 . (2) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 4,11 . (2) Mc 4,26 . (3) Mc 4,30 . 1 : Mc 5,7 .   3 : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 .   1 : Mc 8,33 . 2 : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,47 . 5 : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 . 1 : Mc 11,22 . 4 : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,17 . (3) Mc 12,24 . (4) Mc 12,34 .   1 : Mc 14,25 . 2 : (1) Mc 15,39 . (2) Mc 15,43 . 1 : Mc 16,19 . 1517  876 641  28  31  70 43  56  360   53  129 172 293 67
3 dat.  enk. theô(i) (aan God)                   1 : Mc 10,27 .   1 :  Mc 12,17 .         433  279  154  13  110  13  14 18 97  13 
4 acc.  enk. theon (God)   1 : Mc 2,12 .     1 : Mc 5,7 .             1 : Mc 12,30 .         496  354  142  23  12  30  62  33 45 43 19
  Totaal   44    1 4132  2908  1224  44  44  117  76  157  695 91  205 281 576  119 

- In het NT komt een vorm van het woord God in 1224 verzen voor . Dit is 3,59 % .
- Een vorm van basileia tou theou in 14 / 31 verzen in Mc . In 3 / 3 in Mc 4 .

- ho hagios tou theou = de heilige van de God : Mc 1,24 .
- (nom.) hè basileia tou theou = het koninkrijk van de God : Mc 1,15 .(2) Mc 4,26 . (3) Mc 10,14 .
- to euaggelion tou theou = de goede boodschap van de God : (1) Mc 1,14 .
- huiou theou = van een zoon van een God : Mc 1,1 .
- ho huios tou theou (de zoon van God) : Mc 3,11 .
- to thelèma tou theou (de wil van God) : Mc 3,35 .

Het gebruik van de naam Jezus bij Marcus :

ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mt : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Lc : Ièsous (Jezus) . Hebr. Jëhôsju`a (JHWH redt) . Ièsous (Jezus) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81


154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -

De discussie vertrekt vanuit een concreet gedrag : het eten met ongewassen handen . Daartegenover staat dat de Farizeeën en alle Judeeërs eten met gewassen handen . Dan breidt Marcus dit punt van wassen nog verder uit . Zij wassen ook het voedsel dat zij van de markt halen . En tenslotte wassen ze alle bekers , kannen , schotels (of m.a.w. alles waaruit ze eten of drinken) .
vers 2. ... esthiousin (eten zij)
vers 3 : ean mè... ouk esthiousin (indien zij niet ... eten zijn niet)
vers 4 : kai ... ean mè... ouk esthiousin (en indien zij niet ... eten zijn niet)

de discussie tussen enerzijds de overlevering van mensen en anderzijds het gebod van God

Mc 7,2 Mc 7,3 Mc 7,5a Mc 7,5b Mc 7,8  Mc 7,9  Mc 7,13
      alla (maar) afentes (losgelaten hebbende)  etheteite (gij schuift terzijde)  akurountes (ongeldig makend)
        tijn entolijn tou theou (het gebod van God)  tijn entolijn tou theou (het gebod van God)  ton logon tou theou (het woord van God)
    dia ti (waarom)      ina (opdat)  
verondersteld : tines toon mathijtoon autou (sommige van zijn leerlingen) hoi gar Farisaioi kai pantes hoi Ioudaioi (want de Farizeeën en alle Judeeërs)          
koinois chersin (met onreine handen) tout'estin aniptois (dit is met ongewassen handen) ean mij pugmiji nipsoontai tas cheiras (indien zij niet met een handvol de handen niet zouden wassen)   koinois chersin (met onreine handen)      
esthiousin (eten zij) ouk esthiousin (eten zij niet)   esthiousin (eten zij)      
tous artous (de broden)     ton arton (het brood)      
  kratountes (onderhoudend) ou peripatousin (wandelen zij niet rond - gedragen zij zich niet)    krateite (houdt gij vast)    
    hoi mathijtai sou (uw leerlingen)        
  tijn paradosin toon presbuteroon (de overlevering van de priesters) kata tijn paradosin toon presbuteroon (volgens de overlevering van de priesters)    tijn paradoosin toon anthroopoon (aan de overlevering van mensen)  tijn paradosin humoon (uw overlevering)  tiji paradosei humoon(door uw overlevering)
           tijrijsijte (zoudt bewaren) iji paredookate (waardoor gij hebt overgeleverd) 

de argumentatie van Jezus

Jezus haalt een argument uit de profeten (Jesaja) en de wet (Mozes) om de Farizeeën en de schriftgeleerden erop te wijzen dat ze de eigen traditie stellen boven het gebod / woord van God .

Mc 7      
 6a. ho de (hij echter)  9. kai (en)  10.  11.
eipen (zei)  elegen (hij zei)     
autois (hen) autois (hen)     
6b. kaloos (goed) kaloos (goed)    
eprofijteusen (heeft geprofeteerd) atheteite (schuift gij terzijde)    
IJsaias (Jesaja) ... ... Moousijs gar (want Mozes) humeis de (gij echter)
    eipen (zei) legete (zegt)
hoos (zoals)      
gegraptai (er geschreven staat)      

Mc 7,1 - Mc 7,1 - 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
Kai sunagontai pros auton hoi Farizaioi kai tines tôn grammateôn elthontes apo Hierosolumôn 1 et conveniunt ad eum Pharisaei et quidam de scribis venientes ab Hierosolymis   En de Farizeeën en enkelen van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem gekomen waren, verzamelden zich bij hem.   Eens kwamen de Farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem bij Jezus
tezamen, 
[1] De farizeeën* en enkele schriftgeleerden* uit Jeruzalem kwamen bij Hem.   [1] Ook de Farizeeën en enkele van de schriftgeleerden die uit Jeruzalem waren gekomen, hielden zich in zijn nabijheid op.  1 ¶ Dan verzamelen zich bij hem de farizeeërs en sommigen van de schriftgeleerden, komend uit Jeruzalem.  1. Les Pharisiens et quelques scribes venus de J?rusalem se rassembl?rent aupr?s de lui, .

Statenvertaling . 1 En tot Hem vergaderden de Farize?n, en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;
King James Bible . [1] Then came together unto him the Pharisees, and certain of the scribes, which came from Jerusalem.
Luther-Bibel . 1 Und es versammelten sich bei ihm die Pharis?er und einige von den Schriftgelehrten, die aus Jerusalem gekommen waren.

Tekstuitleg van Mc 7,1 . Dit vers Mc 7,1 telt 13 woorden , 31 lettergrepen en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalswaarde van Mc 7,1 is 9050 (2 X 5 X 5 X 181) . De Farizeeën en sommige schriftgeleerden die uit Jeruzalem komen , verzamelen zich rond Jezus . Het hoofdwerkwoord staat in de tegenwoordige tijd . Het werkwoord συναγω = sunagô : verzamelen , bijeenkomen , staat in de mediale vorm : zij verzamelen zich . Het woord συναγωη = synagoge is afgeleid van het werkwoord συναγω = sunagô . Vanaf Mc 3,6 (waarin de Farizeeën en de Herodianen besloten om Jezus om te brengen) loopt de komst van Farizeeën en schriftgeleerden steeds uit op een confrontatie met Jezus en loopt Jezus gevaar te worden gevat en omgebracht . Na dit twistgesprek (Mc 7,1-13 - Mc 7,14-23) gaat Jezus naar het landsdeel van Tyrus en Sidon (helemaal in het Noorden) .

De zinsconstructie van Mc 7,1 komt opmerkelijk overeen met Mc 6,30 , waarin de leerlingen terugkeren van hun zending . Aan deze terugkeer gaat het verhaal van de onthoofding van Johannes de Doper door koning Herodes vooraf (Mc 6,17-29) . Er wordt verondersteld dat de leerlingen van Jezus over dit gebeuren hebben verteld want in Mc 6,32 gaat Jezus naar een eenzame plaats in quarantaine (kat'idian : afgezonderd) .

 

Mc 7,1.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,1.2. med. ind. praes. 3de pers. mv. συναγονται = sunagontai (zij verzamelen zich) van het werkw. συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in NT : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Bijbel (5) : (1) 1 S 13,5 . (2) 1 S 17,1 . (3) 1 S 17,2 . (4) Mc 6,30 . (5) Mc 7,1 . Een vorm van de stam συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) in de LXX (377) , in het NT (59) . Een vorm van de stam συναγω = sunagô is 127 X vertaling van ´âsaph , 73 X van qâbhatz , 8 X van qâhal . Nog 47 andere Hebreeuwse woorden worden met de stam συναγω = sunagô weergegeven .
- act. ind. aor. 3de pers. mv. συνηγαγον = sunègagon (zij verzamelen) van het werkw. συναγω = sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in NT : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Taalgebruik in de LXX : sunagô (samendrijven, verzamelen) . Bijbel (21) . LXX (17) . NT (4) : (1) Mt 22,10 . (2) Mt 27,27 . (3) Joh 6,13 . (4) Joh 11,47 .

  sunagô (verzamelen)   Mc 2 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
pr. 3de pers. enk. sunagetai    (1) Mc 4,1 .                        
pr. 3de pers. mv. sunagontai        (1) Mc 6,30 (2) Mc 7,1 .     2              
med. aor. 3de pers. enk. sunèchthè      (1) Mc 5,21 .       12    1        
med. aor. 3de pers. mv.  sunèchtèsan (1) Mc 2,2 .           57  48  5 1            
  totaal 106  85  21      14  15     

Een vorm van συναγω = sunagô (verzamelen) in Mc in 5 verzen : (1) Mc 2,2 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 5,21 . (4) Mc 6,30 . (5) Mc 7,1 .
(1) Mc 2,2 (med. ind. aor. 3de pers. mv. συνηχθησαν = sunèchthèsan = zij verzamelden zich) .
(2) Mc 4,1 (med. ind. praes. 3de pers. enk. συναγεται = sunagetai = 'het volk' verzamelt zich) .
(3) Mc 5,21 (mediaal. aor. 3de pers. enk. mv.  συνηχθη = sunèchthè = het verzamelde zich) .
(4) Mc 6,30 (med. ind. praes. 3de pers. mv. συναγονται = sunagontai = zij verzamelen zich) .
(5) Mc 7,1 (med. ind. praes. 3de pers. mv. συναγονται = sunagontai = zij verzamelen zich) .
Telkens wordt er rond Jezus verzameld .

Mc 7,1.1. - 2. και συναγονται = kai sunagontai (en zij verzamelen zich) . Bijbel (5) . LXX (3) : (1) 1 S 13,5 . (2) 1 S 17,1 . (3) 1 S 17,2 . NT (2) : (1) Mc 6,30 . (2) Mc 7,1 .
- wj´spw van het werkw. אָסַף = ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen) . Taalgebruik in Tenakh : ´âsaph (verzamelen, vergaderen, wegnemen) . Getalswaarde : aleph = 1 , samekh = 15 of 60 , pe = 17 of 80 ; totaal : 33 OF 141 . Structuur : 1 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (21) . Pentateuch (3) : (1) Ex 4,29 . (2) Ex 32,26 . (3) Nu 11,32 .

Mc 7,1.3. προς = pros (naar, bij) . Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Mc 5 (4) : (1) Mc 5,11 . (2) Mc 5,15 (προς τον ιησουν = pros ton Ièsoun = naar Jezus) . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,22 .

pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  62  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

- Hebreeuws . ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . OF ontkenning עַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) .
- Arabisch . إلي = ´ilâ (naar) . Taalgebruik in de Qoran : ´ilâ (naar) .

Mc 7,1.2. - 3. συναγονται = sunagontai (zij verzamelen zich) pros (bij) . Mc (2) : (1) Mc 6,30 . (2) Mc 7,1 . STAP VOOR STAP !
- Mc 6,30 : και συναγονται οἱ αποστολοι προς τον ιησουν = kai sunagontai hoi apostoloi pros ton Ièsoun = en de apostelen verzamelen zich bij Jezus .
- Mc 7,1 : συναγονται = Kai sunagontai pros auton hoi Farisaioi kai ... = en de Farizeeën ... verzamelen zich bij hem .
Wellicht is de terugkomst van de apostelen naar Jezus in Mc 6,30 wellicht bepaald door het nieuws dat Johannes werd onthoofd . De leerlingen hebben Jezus wellicht ingelicht en probeert Jezus zich in veiligheid te brengen (Mc 6,32) . In Mc 7,1 ontstaat een discussie tussen Farizeeën en schriftgeleerden enerzijds en Jezus anderzijds over de traditie van de ouderen en het gebod van God . Deze discussie moet zo bedreigend zijn overgekomen dat Jezus besluit naar het gebied van Tyrus te gaan . Het zijn dus twee situaties waarin Jezus overgaat naar een weggaan om veiligheid te zoeken .

Mc 7,1.4. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,1.3. - 4. pros auton (naar hem, bij hem) . Mc (15) . Naar Jezus . Mc (14)) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

  pros (bij)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  pros 62 
1 + allèlous (elkaar)       1 :   Mc 4,41 .       1 :  Mc 8,16 . 1 :  Mc 9,34 .         1 :  Mc 15,31 .  
2 + auton (hem) 1 + 14 = 15 1 : Mc 1,5 . + 3 : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . 2 : 4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . 3 : (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . 1 : (9) Mc 4,1 .     1 : (10) Mc 7,1 .   1 : (11) Mc 9,20 . 1 : (12) Mc 10,1 .   2  : (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .      
3 +  autous (hen)           2 : (1) Mc 6,48 . (2)  Mc 6,51 .     1 :  Mc 9,16 .     2 :  (1) Mc 12,4 . (2)      
4 + heautous / heautas (b) (zichzelf) 5 + 1 = 6   1 : Mc 1,27 .               1 : Mc 9,10 . 1 : Mc 10,26 . 1 : Mc 11,31 .   1 : Mc 14,4 .   1 : Mc 16,3 ( -tas) . :  
5 + ton Ièsoun (Jezus)         1 : Mc 5,15 .   1 :  Mc 6,30 .       1 : Mc 10,50 .   2 : (1) Mc 11,7 . (2) Mc 11,27 .        
6 + (tèn) thuran (de deur)   1 : Mc 1,33 . 1 : Mc 2,2 .                 1 : Mc 11,4 .          
    38   1

Mc 7,1.5. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,1.6. nom. mann. mv. φαρισαιοι = farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het NT : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

  farisaios Farizeeër) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
3 nom. + voc. mv. farisaioi 8   2 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . 1 : (3) Mc 3,6 .       3 : (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . 1 : (7) Mc 8,11 .   1 : (8) Mc 10,2 .             49 49 21 8 10 9 1   39  48 
4 gen. mv. farisaiôn   2 : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 .           1 : (3) Mc 8,15 .       1 : (4) Mc 12,13 .         28  28    18  24 
  Totaal   12                                  95  95  28  12  27  19  67  86 

Mc 7,1.7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,1.8. onbepaald voornaamw. nom. mann. mv. tines (enkele, sommige) van het onbepaald voornaamw. tis (een bepaalde) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (9) . Mc 7 (1) : Mc 7,1 .

Mc 7,1.9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,1.10. gen. mann. mv. γραμματεων = grammateôn (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. γραμματευς = grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in de LXX : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (8) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .  (3) Mc 8,31 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 . (6) Mc 14,43 .  (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .  

  grammateus (schriftgeleerde) Mc   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 14 Mc 15 bijbel  O.T.  N.T.  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. 
1 nom. + voc. enk. grammateus 1                 (1) Mc 12,32 .       29 24 5 2 1     1 1
5 nom. + voc. + acc. mv. grammateis 11 (1) Mc 1,22 .   (2) Mc 2,16 .   (3) Mc 3,22 .   (4) Mc 7,5 .     (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 .     (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 .   (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .     61 22 39 14 11 11 1 2  
6 gen. mv. grammateôn 8   (1) Mc 2,6 .     (2) Mc 7,1 .   (3) Mc 8,31 .         (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,38 .   (6) Mc 14,43 .   (7) Mc 15,1 . (8) Mc 15,31 .   20 3 17 5 8 3   1  
7 dat. mv. grammateusin 1             (1) Mc 10,33 .           5 3 2 1 1        
  Totaal   21 140 77 63 22 21 14 1 3 1

  farisaios Farizeeër) Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  NT  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. syn. ev.
3 nom. + voc. mv. farisaioi 8   2 : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . 1 : (3) Mc 3,6 .       3 : (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . 1 : (7) Mc 8,11 .   1 : (8) Mc 10,2 .             49 49 21 8 10 9 1   39  48 
4 gen. mv. farisaiôn   2 : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 .           1 : (3) Mc 8,15 .       1 : (4) Mc 12,13 .         28  28    18  24 
  Totaal   12    4 1       3 2                 95  95  28  12  27  19  67  86 

Mc 1,22 : niet zoals de schriftgeleerden . Mc 2,6 : sommige van de schriftgeleerden . Mc 2,16 : de schriftgeleerden van de Farizeeën . Mc 3,6 : de Farizeeën met de Herodianen . De Farizeeën als zodanig duiken hier voor het eerst op . In Mc 12,13 worden beide groepen door de priesters naar Jezus gezonden om hem op een woord te betrappen . Die Farizeeën duiken nog 2X op om Jezus op de proef te stellen ; in Mc 8,11 om een teken uit de hemel te vragen , in Mc 10,2 of te vragen of het toegelaten is dat een man scheidt van zijn vrouw . Mc 3,22 : de schriftgeleerden uit Jeruzalem . Mc 7,1 : de Farizeeën en sommige schriftgeleerden uit Jeruzalem . Mc 7,3 : de Farizeeën ed alle Judeeërs . Mc 7,5 : de Farizeeën en de schriftgeleerden . In Mc 7 is het de eerste keer dat Farizeeën en schriftgeleerden voor het eerst samen optreden .

Mc 7,1.8. - 10. tines tôn grammateôn (enkele schriftgeleerden) . Mc (2) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 7,1 .

12. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het NT: apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 .

Mc 7,1.13. Hierosuluma (Jeruzalem) wordt in de tien verzen in Mc voorafgegaan door een voorzetsel ; in 3 verzen door het voorzetsel apo (van-weg) + gen. (Hierosolumôn) , in 7 door eis (naar) + acc. (Hierosoluma) . Taalgebruik in het NT: Hierosoluma (Jeruzalem)  . Taalgebruik in Mc : Hierosoluma (Jeruzalem) .
- apo Hierosolumôn (van Jeruzalem) . Mc (3) : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,22 . (3) Mc 7,1 .
- eis Hierosoluma (naar Jeruzalem) . Mc (7) : (1) Mc 10,32 . (2) Mc 10,33 . (3) Mc 11,1 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 11,15 . (6) Mc 11,27 . (7) Mc 15,41 .

Mc 7,1.8. - 13 . Vergelijk :
- Mc 7,1 : kai tines tôn grammateôn elthontes apo Hierosolumôn (en enkele schriftgeleerden , gekomen van Jeruzalem) .
- Mc 3,22 : kai oi grammateis oi apo hierosolum?n katabantes (en de schriftgeleerden , afgedaald van Jeruzalem) .

agreuoo : jagen, vangen

 to meros : deel, gebied

koinos : onrein, profaan, onheilig
aniptos : ongewassen ; niptoo : zich wassen
pugmij : vuist, handvol
krateoo / kratos : kracht, sterkte ; krateoo : onderhouden, vasthouden, grijpen
rantizoo : besprenkelen, reinigen; mediaal : zich reinigen, besprenkelen
ksestijs : (drink)kan
chalkion : koperen schotel

 ep-erootaoo : vragen; ind. pres. 3e pers. mv.

fentes : van afiijmi : loslaten, prijsgeven
atheteoo : ongeldig of nietig maken, terzijde schuiven
akurooo : ongeldig maken, afschaffen

Mc 7,2 - Mc 7,2 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:2 kai idontes tinas t?n math?t?n autou oti koinais chersin tout estin aniptois esthiousin tous artous  2 et cum vidissent quosdam ex discipulis eius communibus manibus id est non lotis manducare panes vituperaverunt   En toen ze zagen dat enkelen van zijn leerlingen met onreine handen , dat is ongewassen (handen, de broden aten  en ze zagen dat sommigen van zijn leerlingen met onreine, dat wil
zeggen, ongewassen handen aten.  
[2] Ze zagen dat sommige van zijn leerlingen hun brood aten met onreine, dat wil zeggen met ongewassen handen.   [2] En toen ze zagen dat sommige leerlingen brood aten met onreine handen, dat wil zeggen, met ongewassen handen   2 Zij zien dat sommigen van zijn leerlingen zomaar met hun handen, dat is zonder ze te wassen, de broden eten;  2. et voyant quelques-uns de ses disciples prendre leur repas avec des mains impures, c'est-?-dire non lav?es - 

Statenvertaling . 2 En ziende, dat sommigen van Zijn discipelen met onreine, dat is, met ongewassen handen brood aten, berispten zij hen.
King James Bible . [2] And when they saw some of his disciples eat bread with defiled, that is to say, with unwashen, hands, they found fault.
Luther-Bibel . 2 Und sie sahen einige seiner J?nger mit unreinen, das hei?t: ungewaschenen H?nden das Brot essen.

Tekstuitleg van Mc 7,2 . Het vers Mc 7,2 telt 14 (2 X 7) woorden en 83 letters . De getalwaarde van Mc 7,2 is 11519 .

Mc 7,2.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

2. act. part. aor. nom. mann. mv. idontes (gezien) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) .
Mc (5) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 5,16 . (3) Mc 6,49 . (4) Mc 7,2 . (5) Mc 9,15 .

3. acc. mann. + vr. mv. tinas van het onbepaald voornaamw. tis (een, enkele) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (2) : (1) Mc 7,2 (enkele leerlingen) . (2) Mc 12,13 (enkele Farizeeën en Herodianen) .

Mc 7,2.4. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

5. gen. mann. mv. mathètôn (leerlingen) van het zelfstandig naamwoord mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (8) : (1) Mc 3,7 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 8,10 (meta tôn mathètôn autou = met zijn leerlingen) . (4) Mc 10,46 . (5) Mc 11,1 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (6) Mc 13,1 (heis tôn mathètôn autou = één van zijn leerlingen) . (7) Mc 14,13 (duo tôn mathètôn autou = twee van zijn leerlingen) . (8) Mc 14,14 (meta tôn mathètôn mou = met mijn leerlingen) .

Mc 7,2.6. aanwijz. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,2.7. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 .

11. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .

Mc 7,2.13. act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT: esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,28 .

Mc 7,3 - Mc 7,3 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:3 oi gar Farisaioi kai pantes oi Ioudaioi ean m? pugm? niy?ntai tas cheiras ouk esthiousin kratountes t?n paradosin t?n presbuter?n  3 Pharisaei enim et omnes Iudaei nisi crebro lavent manus non manducant tenentes traditionem seniorum  - de Farizeeën immers en alle Joden eten niet als ze zich de handen niet + met de vuist + gewassen hebben, doordat ze vasthouden aan de overlevering van de oudsten;   De Farizeeën immers en al de Joden eten niet zonder eerst de vingertoppen gewassen te hebben, daar ze vasthouden aan de overlevering van de voorvaderen;  [3] Want als de farizeeën en alle Joden niet met een beetje water hun handen gewassen hebben, eten ze niet, omdat ze vasthouden aan de traditie* van de oudsten;  [3] (de Farizeeën en alle andere Joden eten namelijk pas als ze hun handen gewassen hebben, omdat ze zich aan de traditie van hun voorouders houden,  3 want de farizeeërs, en álle Judeeërs, eten nooit zonder eerst stevig hun handen te wassen, ze houden dus vast aan de overlevering van de voorouders;  3. les Pharisiens, en effet, et tous les Juifs ne mangent pas sans s'?tre lav? les bras jusqu'au coude, conform?ment ? la tradition des anciens,  

Statenvertaling . 3 Want de Farize?n en al de Joden eten niet, tenzij dat zij eerst de handen dikmaals wassen, houdende de inzettingen der ouden.
King James Bible . [3] For the Pharisees, and all the Jews, except they wash their hands oft, eat not, holding the tradition of the elders.
Luther-Bibel . 3 Denn die Pharis?er und alle Juden essen nicht, wenn sie nicht die H?nde mit einer Hand voll Wasser gewaschen haben, und halten so die Satzungen der ?ltesten ;

Tekstuitleg van Mc 7,3 .

Mc 7,3.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het NT: gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,27 .

Mc 7,3.3. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het NT: Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

Mc 7,3.4. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,3.6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

13. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het NT: cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc 5 (11) : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 8,23 . (5) Mc 8,25 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,16 . (9) Mc 14,41 . (10) Mc 14,46 .  (11) Mc 16,18

Mc 7,3.14. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,3.15. act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT: esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,28 .

Mc 7,3.17. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,3.19. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,4 - Mc 7,4 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:4 kai aPhagoras ean m? rantis?ntai ouk esthiousin kai alla polla estin a parelabon kratein baptismous pot?ri?n kai xest?n kai chalki?n [kai klin?n]  4 et a foro nisi baptizentur non comedunt et alia multa sunt quae tradita sunt illis servare baptismata calicum et urceorum et aeramentorum et lectorum  en van de markt eten ze niets als ze het niet gewassen hebben, en veel andere dingen zijn er die ze overgenomen hebben om aan vast te houden : het wassen van bekers en kannen en koperen schotels (en bedden) -  komen ze van de markt, dan eten ze niet voordat zij zich gereinigd hebben; zo zijn er nog vele dingen waaraan ze bij overlevering vasthouden: het afwassen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.  [4] en wat van de markt komt, eten ze niet zonder het te wassen. Zo zijn er vele andere dingen waar ze uit traditie aan vasthouden: het spoelen van bekers, kruiken en koperen vaatwerk.  [4] en als ze van de markt komen, eten ze pas als ze zich helemaal gewassen hebben, en er zijn nog allerlei andere tradities waaraan ze zich houden, zoals het schoonspoelen van bekers en kruiken en ketels*),   4 en wanneer ze van een markt komen eten ze niet zonder besprenkeld te zijn, en tal van andere dingen hebben ze aangenomen om aan vast te houden: onderdompelingen van drinkbekers, kannen en kopergoed.   4. et ils ne mangent pas au retour de la place publique avant de s'?tre asperg?s d'eau, et il y a beaucoup d'autres pratiques qu'ils observent par tradition : lavages de coupes, de cruches et de plats d'airain -,  

Statenvertaling . 4 En van de markt komende, eten zij niet, tenzij dat zij eerst gewassen zijn. En vele andere dingen zijn er, die zij aangenomen hebben te houden, als namelijk de wassingen der drinkbekers, en kannen, en koperen vaten, en bedden.
King James Bible . [4] And when they come from the market, except they wash, they eat not. And many other things there be, which they have received to hold, as the washing of cups, and pots, brasen vessels, and of tables.
Luther-Bibel . 4 und wenn sie vom Markt kommen, essen sie nicht, wenn sie sich nicht gewaschen haben. Und es gibt viele andre Dinge, die sie zu halten angenommen haben, wie: Trinkgef??e und Kr?ge und Kessel und B?nke zu waschen.

Tekstuitleg van Mc 7,4 .

Mc 7,4.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,4.7. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,4.8. act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT: esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,28 .

Mc 7,4.9. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,4.10. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT: alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (48) . Mc 7 (5) . alla (maar) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,15 . all' (afkorting van alla) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,25 .

Mc 7,4.12. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .

Mc 7,4.14. act. ind. aor. 3de pers. mv. parelabon van het werkw. paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het NT: paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô (overnemen) . Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen , aanvaarden ) . Fr. accepter , reçevoir .
Mc (1) : Mc 7,4 .

Mc 7,4.17. gen. onz. mv. potèriôn (bekers) van het zelfst. naamw. potèrion (beker) . Taalgebruik in het NT: potèrion (beker) . Taalgebruik in Mc : potèrion (beker) . Mc (1) : Mc 7,4 .

Mc 7,4.18. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,4.20. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et


Mc 7,5 - Mc 7,5 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:5 kai eper?t?sin auton oi Farisaioi kai oi grammateis dia ti ou peripatousin oi math?tai sou kata t?n paradosin t?n presbuter?n alla koinais chersin esthiousin ton arton 5 et interrogant eum Pharisaei et scribae quare discipuli tui non ambulant iuxta traditionem seniorum sed communibus manibus manducant panem  en de Farizeeën en de schriftgeleerden ondervroegen hem (dus) : "Waarom wandelen uw leerlingen niet volgens de overlevering van de oudsten, maar eten ze het brood met onreine handen?"  Daarom stelden de Farizeeën en de schriftgeleerden Hem de vraag: "Waarom gedragen uw leerlingen zich niet volgens de overlevering van de voorvaderen, maar eten zij met onreine handen?"  [5] De farizeeën en de schriftgeleerden vroegen Hem: ‘Waarom gedragen uw leerlingen zich niet naar de traditie van de oudsten, maar eten ze hun brood met onreine handen?’   [5] toen vroegen de Farizeeën en de schriftgeleerden hem: ‘Waarom houden uw leerlingen zich niet aan de tradities van onze voorouders en eten ze hun brood met onreine handen?’ 5 Dan vragen ze hem, de farizeeërs en de schriftgeleerden, waarom wandelen uw leerlingen niet volgens de overlevering van de voorouders, maar eten ze hun brood zomaar met hun handen?  5. donc les Pharisiens et les scribes l'interrogent : ? Pourquoi tes disciples ne se comportent-ils pas suivant la tradition des anciens, mais prennent-ils leur repas avec des mains impures ? ?  

Statenvertaling . 5 Daarna vraagden Hem de Farize?n en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen Uw discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewassen handen?
King James Bible . [5] Then the Pharisees and scribes asked him, Why walk not thy disciples according to the tradition of the elders, but eat bread with unwashen hands?
Luther-Bibel . 5 Da fragten ihn die Pharis?er und Schriftgelehrten: Warum leben deine J?nger nicht nach den Satzungen der ?ltesten, sondern essen das Brot mit unreinen H?nden?

Tekstuitleg van Mc 7,5 . Het vers Mc 7,5 telt 25 (5 X 5) woorden en 142 (2 X 71) letters . De getalwaarde van Mc 7,5 is 16566 (2 X 3 X 11 X 251) .

Mc 7,5.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,5.2. act. ind. praes. 3de pers. mv. eperôtôsin (zij ondervragen) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het NT: eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (1) : Mc 7,5 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

Mc 7,5.3. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,5.4. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,5.5. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het NT: Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

Mc 7,5.6. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,5.7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,5.8. nom. + voc. + acc. mann. mv. = grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het NT: grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 7,5.4. - 8. In Mc 7,1 lezen we : hoi farisaioi kai tines tôn grammateôn (de Farizeeën en enkele schriftgeleerden) . In Mc 7,5 lezen we hoi farisaioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) . Het gaat om een gedragsregel : het eten met ongewassen handen . Dat is een aspect dat de Farizeeën betreft . Op deze wijze eten druist in tegen de traditie van de ouderen . Dat is een aspect voor de schriftgeleerden om de traditie aan te duiden .

Mc 7,5.9. dia (door, na) . Taalgebruik in NT: dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
Mc (29) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,31 .

Mc 7,5.10. vragend voornaamw. onz. enk. ti (wat?) van het vragend voornaamwoorrd tis (wie - wat?) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc 7 (1) : Mc 7,5 .

Mc 7,5.9. - 10. dia ti (omwille van wat ? omwille van dat of waarom ? daarom) . Mc (3) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 11,31 .
In Mc 2,18 vragen de leerlingen van Johannes de Doper en de Farizeeën waarom zijn leerlingen niet vasten terwijl zij wel vasten . In Mc 7,5 vragen de Farizeeën en de schriftgeleerden waarom zijn leerlingen met ongewassen handen eten tegen de traditie van de ouderen in .

1. - 15. De Farizeeën en de schriftgeleerden vraagen aan Jezus waarom zijn leerlingen met ongewassen handen eten (Mc 7,5) . In Mc 2,18 vragen (zeggen) de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waarom de enen vasten en zijn leerlingen niet . Bij het vasten gaat het om een gedrag bij bepaalde groepen , bij het eten met gewassen handen gaat het om een overlevering van de ouderen . Gradatie dus .
- Mc 2,18 : ... hoi farisaioi ... legousin autô(i) dia ti ... hoi ... soi mathètai ou ... (... de Farizeeën zeggen hem : "waarom 'jouw' leerlingen niet ...)
- Mc 7,5 : kai eperôtôsin auton hoi farisaioi ... dia ti ou ... hoi mathètai sou ... (en de Farizeeën ... vragen hem 'uit' : waarom jouw leerlingen niet ...)

Mc 7,5.11. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,5.14. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,2 (gen.) . (2) Mc 7,5 (nom.) . (3) Mc 7,17 (nom.) .

1. - 15. De Farizeeën en de schriftgeleerden vragen aan Jezus waarom zijn leerlingen met ongewassen handen eten (Mc 7,5) . In Mc 2,18 vragen (zeggen) de leerlingen van Johannes en de Farizeeën waarom de enen vasten en zijn leerlingen niet . Bij het vasten gaat het om een gedrag bij bepaalde groepen , bij het eten met gewassen handen gaat het om een overlevering van de ouderen . Gradatie dus .
- Mc 2,18 : ... hoi farisaioi ... legousin autô(i) dia ti ... hoi ... soi mathètai ou ... (... de Farizeeën zeggen hem : "waarom 'jouw' leerlingen niet ...)
- Mc 7,5 : kai eperôtôsin auton hoi farisaioi ... dia ti ou ... hoi mathètai sou ... (en de Farizeeën ... vragen hem 'uit' : waarom jouw leerlingen niet ...)

16. kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het NT: kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (9) : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 5,13 . (3) Mc 6,40 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 11,25 . (6) Mc 13,8 . (7) Mc 14,19 . (8) Mc 14,55 . (9) Mc 15,6 .

Mc 7,5.17. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,5.19. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

21. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT: alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (48) . Mc 7 (5) . alla (maar) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,15 . all' (afkorting van alla) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,25 .

Mc 7,5.24. act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT: esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,28 .

25. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,6 - Mc 7,6 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:6 o de eipen autois kal?s eprof?teusen ?saias peri um?n t?n upokrit?n ?s gegraptai oti outos o laos tois cheilesin me timai ? de kardia aut?n porr? apechei aPhemou  6 at ille respondens dixit eis bene prophetavit Esaias de vobis hypocritis sicut scriptum est populus hic labiis me honorat cor autem eorum longe est a me 

Hij echter zei hun : "Goed heeft Jesaja geprofeteerd over u, huichelaars, zoals er geschreven staat : Dit volk eert mij met de lippen, hun hart is ver verwijderd van mij ;

Hij antwoordde hun: "Hoe juist heeft Jesaja over u, huichelaars,
geprofeteerd! Zo staat er geschreven: Dit volk eert Mij met de lippen maar hun
hart is ver van Mij.  
[6] Hij zei tegen hen: ‘Treffend heeft Jesaja over u geprofeteerd, huichelaars, zoals geschreven staat: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij.    
[6] Maar hij antwoordde: ‘Wat is de profetie van Jesaja toch toepasselijk op huichelaars als u! Er staat immers geschreven: “Dit volk eert mij met de lippen,
6 Maar hij zegt tot hen: dat heeft Jesaja fraai over u geprofeteerd, huichelaars, zoals geschreven staat: ‘deze gemeente eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij;  6. Il leur dit : ? Isa?e a bien proph?tis? de vous, hypocrites, ainsi qu'il est ?crit : Ce peuple m'honore des l?vres ; mais leur c?ur est loin de moi.  

Statenvertaling . 6 Maar Hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja, van u, geveinsden, geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van Mij.
King James Bible .[6] He answered and said unto them, Well hath Esaias prophesied of you hypocrites, as it is written, This people honoureth me with their lips, but their heart is far from me.
Luther-Bibel . 6 Er aber sprach zu ihnen: Wie fein hat von euch Heuchlern Jesaja geweissagt, wie geschrieben steht (Jesaja 29,13): ?Dies Volk ehrt mich mit den Lippen; aber ihr Herz ist fern von mir.

Tekstuitleg van Mc 7,6 . Het vers Mc 7,6 telt 30 (2 X 3 X 5) woorden en 140 (2 X 2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 7,6 is 18665 (5 X 3733) .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (4) Mc 7,15 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (5) Mc 7,34 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (6) Mc 7,35 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

3. act. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,29 .

4. pers. voornaamw. dat. mann. mv. autois (aan hen) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,36 .

1. - 4. ho de eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 10,3 . (5) Mc 14,20 .
Na de vraag van de Farizeeën aan Jezus over het gedrag van zijn leerlingen , geeft Jezus antwoord . De inleiding op dat antwoord wordt op een gelijkaardige wijze gegeven :
- Mc 2,19 : kai eipen autois ho ièsous (en Jezus zei hen) .
- Mc 7,6 : ho de eipen autois (hij echter zei hen) .

5. kalôs (goed) . Bijwoord . Taalgebruik in het NT: kalôs (goed) . Taalgebruik in Mc : kalôs (goed) .
Mc (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .

8. peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in het NT: peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Fr. pour , N. voor . Voorzetsel .
Mc (22) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,25 .

10. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

14. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 .

15. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .

22. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

Mc 7,7 - Mc 7,7 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:7 mat?n de sebontai me idaskontes didaskalias entalmata anthr?p?n in sanum autem me cholunt  7 in vanum autem me colunt docentes doctrinas praecepta hominum   tevergeefs echter vereren ze mij doordat ze voorschriften van mensen als leringen leren.   Zij eren Mij, maar zonder zin, en mensenwet is wat zij leren.  [7] Hun verering stelt niets voor; wat ze als ware leer brengen, zijn voorschriften van mensen. maar hun hart is ver van mij;  [7] tevergeefs vereren ze mij, want ze onderwijzen hun eigen leer, voorschriften van mensen.” 7 vergeefs vereren zij mij, zij leren leringen die mensengeboden zijn!’ –  7. Vain est le culte qu'ils me rendent, les doctrines qu'ils enseignent ne sont que pr?ceptes humains.  

Statenvertaling . 7 Doch tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geboden zijn der mensen;
King James Bible . [7] Howbeit in vain do they worship me, teaching for doctines the commandments of men.
Luther-Bibel . 7 Vergeblich dienen sie mir, weil sie lehren solche Lehren, die nichts sind als Menschengebote.?

Tekstuitleg van Mc 7,7 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

Mc 7,8 - Mc 7,8 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:8 afentes t?n entol?n tou theou krateite t?n paradosin t?n anthr?p?n [baptismous xest?n kai pot?ri?n kai alla paramoia toiauta polla poieite]  8 relinquentes enim mandatum Dei tenetis traditionem hominum baptismata urceorum et calicum et alia similia his facitis multa  Het gebod van God laat u los (en) u houdt vast aan de overlevering van mensen.   Gij laat het gebod van God varen en houdt vast aan de overlevering van mensen!"  [8] U laat het gebod van God los en houdt vast aan de traditie van mensen.’ 

[8] De geboden van God geeft u op, maar aan tradities van mensen houdt u vast.’

8 terwijl ge het gebod van God loslaat, houdt ge vast aan de overlevering van de mensen!   8. Vous mettez de c?t? le commandement de Dieu pour vous attacher ? la tradition des hommes. ? 

Statenvertaling . 8 Want, nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der mensen, als namelijk wassingen der kannen en drinkbekers; en andere dergelijke dingen doet gij vele.
King James Bible . [8] For laying aside the commandment of God, ye hold the tradition of men, as the washing of pots and cups: and many other such like things ye do.
Luther-Bibel . 8 Ihr verlasst Gottes Gebot und haltet der Menschen Satzungen.

Tekstuitleg van Mc 7,8 . Het vers Mc 7,8 telt 21 (3 X 7) woorden en 119 letters . De getalwaarde van Mc 7,8 is 14350 (2 X 5 X 5 X 7 X 41) .

1. act. part. aor. nom. mann. mv. αφεντες = afentes (achtergelaten) van het werkw. αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in het NT : afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in de LXX : afièmi (aflaten, achterlaten) . Taalgebruik in Mc : afièmi (aflaten, achterlaten) . par-donner (pardon) : ver-geven . s'excuser (ex -causa) = buiten de zaak , zich ver-ont-schuld-igen . kwijt-schelden (ont-schulden) . Slechts in het NT (15) . Mt (4) : (1) Mt 4,20 . (2) Mt 4,22 . (3) Mt 22,22 . (4) Mt 26,56 . Mc (6) : (1) Mc 1,18 . (2) Mc 1,20 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 12,12 . (6) Mc 14,50 . Lc (3) : (1) Lc 5,11 . (2) Lc 10,30 . (3) Lc 18,28 . Verder : (1) Rom 1,27 . (2) Heb 6,1 . Een vorm van αφιημι = afièmi (aflaten, achterlaten) in de LXX (138) , in het NT (142) , Mt (47) , Mc (34) , Lc (31) .

2. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

3. acc. vr. enk. entolèn (opdracht, gebod) van het zelfst. naamw. entolè (opdracht, gebod) . Taalgebruik in het NT: entolè (opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè (opdracht) .
Mc (3) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 10,5 .

4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

9. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,9 - Mc 7,9 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:9 kai elegen autois kal?s atheteite t?n entol?n tou theou ina t?n paradosin um?n t?r?s?te   9 et dicebat illis bene irritum facitis praeceptum Dei ut traditionem vestram servetis       [9] Ook zei Hij hun: ‘Het is fraai, hoe u het gebod van God opzij zet om uw traditie overeind te houden.  [9] En hij vervolgde: ‘Mooi is dat, hoe u Gods geboden ongeldig maakt om uw eigen tradities overeind te houden! 9 Ook heeft hij tot hen gezegd: fraai is dat: het gebod van God zet ge opzij om uw overlevering te kunnen houden!–   9. Et il leur disait : ? Vous annulez bel et bien le commandement de Dieu pour observer votre tradition.  

Statenvertaling . 9 En Hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wel te niet, opdat gij uw inzettingen zoudt onderhouden.
King James Bible . [9] And he said unto them, Full well ye reject the commandment of God, that ye may keep your own tradition.
Luther-Bibel . 9 Und er sprach zu ihnen: Wie fein hebt ihr Gottes Gebot auf, damit ihr eure Satzungen aufrichtet!

Tekstuitleg van Mc 7,9 . Het vers Mc 7,9 telt 14 (2 X 7) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 7,9 is 8075 (5 X 5 X 17 X 19)

1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

2. actief indicatief imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (31) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 7,20 . (4) Mc 7,27 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 (10) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,11 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,20 . (6) Mc 7,27 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,34 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 7,37 .

3. voornaamw. dat. mann. mv. autois (aan hen) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,36 .

1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc (14) : (1) Mc 2,27 . (2) Mc 3,23 .  (3) Mc 4,2 . (4) Mc 4,11 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 6,4 . (8) Mc 6,10 . (9) Mc 7,9 . (10) Mc 7,14 . (11) Mc 8,21 . (12) Mc 9,1 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 11,17 .

4. kalôs (goed) . Bijwoord . Taalgebruik in het NT: kalôs (goed) . Taalgebruik in Mc : kalôs (goed) .
Mc (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,37 . (4) Mc 12,28 . (5) Mc 12,32 . (6) Mc 16,18 .

1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
NT(12) . Mc (11) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 .

6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. und . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

7. acc. vr. enk. entolèn (opdracht, gebod) van het zelfst. naamw. entolè (opdracht, gebod) . Taalgebruik in het NT: entolè (opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè (opdracht) .
Mc (3) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 10,5 .

8. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

10. hina (opdat) . Taalgebruik in het NT: hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,26 . (3) Mc 7,32 . (4) Mc 7,36 .

Mc 7,10 - Mc 7,10 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:10 M?us?s gar eipen tima ton patera sou kai t?n m?tera sou kai o kakolog?n patera ? m?tera thanat?i teleutat?i  10 Moses enim dixit honora patrem tuum et matrem tuam et qui maledixerit patri aut matri morte moriatur       [10] Zo heeft Mozes gezegd: Eer uw vader en uw moeder, en: Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden.   [10] Heeft Mozes niet gezegd: “Toon eerbied voor uw vader en uw moeder”, en ook: “Wie zijn vader of moeder vervloekt, moet ter dood gebracht worden”? 10 want Mozes heeft gezegd ‘eer je vader en je moeder’, en ‘wie vader of moeder vervloekt, zal de dood sterven!’–   10. En effet, Mo?se a dit : Honore ton p?re et ta m?re, et : Que celui qui maudit son p?re ou sa m?re soit puni de mort.  

Statenvertaling . 10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uw vader en uw moeder; en: wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.
King James Bible . [10] For Moses said, Honour thy father and thy mother; and, Whoso curseth father or mother, let him die the death:
Luther-Bibel . 10 Denn Mose hat gesagt (2.Mose 20,12; 21,17): ?Du sollst deinen Vater und deine Mutter ehren?, und: ?Wer Vater oder Mutter flucht, der soll des Todes sterben.?

Tekstuitleg van Mc 7,10 . Het vers Mc 7,10 telt 19 woorden en 85 (5 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 7,10 is 10319 (17 X 607) .

Mc 7,10.1. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het NT: môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc 1,44 .  (2) Mc 7,10 .  (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,4 .  (5) Mc 12,19 . Een vorm van môusès (Mozes) in Mc in 6 verzen ; de 5 voorgaande + Mc 12,26 .

Mc 7,10.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT: gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,27 .

Mc 7,10.3. act. ind. aor. 3de p. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,29 .

Mc 7,10.5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,10.6. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het NT: patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) .
Mc (8) . (1) Mc 1,20 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21 .  (5) Mc 10,7 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .

Mc 7,10.8. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,10.9. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,10.12. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et

Mc 7,10.13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (4) Mc 7,15 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (5) Mc 7,34 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,10.16. è (of) . Partikel van vergelijking . OF : bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

Mc 7,10.18. gen. mann. enk.  thanatou (van de dood) van het zelfst. naamw. thanatos (dood) . Taalgebruik in het NT: thanatos (dood) . Taalgebruik in Mc : thanatos (dood) . Mc (3) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 14,34 . (3) Mc 14,64 . Een vorm van thanatos (dood) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 7,10 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 10,33 . (4) Mc 13,12 . (5) Mc 14,34 . (6) Mc 14,64 .

Mc 7,11 - Mc 7,11 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:11 umeis de legete ean eiPhi anthr?pos t?i Patri ? t?i m?tri Korban o estin d?ron o ean ex emou ?fel?th?is sos autem dichitis  11 vos autem dicitis si dixerit homo patri aut matri corban quod est donum quodcumque ex me tibi profuerit      [11] Maar u beweert: Als iemand tegen zijn vader of moeder zegt: “Waar ik u mee had kunnen ondersteunen, is korban*” – dat wil zeggen: offergave –,   [11] Maar u leert dat iemand tegen zijn vader of moeder mag zeggen: “Alles wat van mij is en voor u van nut had kunnen zijn is korban”’ (wat ‘offergave’ betekent),  11 maar gíj zegt: als een mens tot zijn vader of moeder zegt: het is korban, dat is: een offergave, al wat u van mijn kant van nut kan zijn!,   11. Mais vous, vous dites : Si un homme dit ? son p?re ou ? sa m?re : Je d?clare korb?n c'est-?-dire offrande sacr?e les biens dont j'aurais pu t'assister,  

Statenvertaling . 11 Maar gijlieden zegt: Zo een mens tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen, een gave), zo wat u van mij zou kunnen ten nutte komen, die voldoet.
King James Bible . [11] But ye say, If a man shall say to his father or mother, It is Corban, that is to say, a gift, by whatsoever thou mightest be profited by me; he shall be free.
Luther-Bibel . 11 Ihr aber lehrt: Wenn einer zu Vater oder Mutter sagt: Korban - das hei?t: Opfergabe soll sein, was dir von mir zusteht -,

Tekstuitleg van Mc 7,11 .

Mc 7,11.1. persoonl. voornaamw. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Mc (10) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 8,29 . (6) Mc 11,17 . (7) Mc 13,9 . (8) Mc 13,11 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,29 .

Mc 7,11.2. de (echter) . Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden . Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

Mc 7,11.6. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

Mc 7,11.9. è (of) . Partikel van vergelijking . OF : bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

Mc 7,11.13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (4) Mc 7,15 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (5) Mc 7,34 (betrekk. voornaamw. nom. onzijd. enk.) . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,11.14. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .

Mc 7,11.13. - 14. ho estin

Mc 7,11.18. ek (uit) . Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,12 - Mc 7,12 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:12 ouketi afiete auton ouden poi?sai t?i patri ? t?i m?tri  12 et ultra non dimittitis eum quicquam facere patri suo aut matri       [12] dan hoeft hij niets meer voor zijn vader of moeder te doen; [  [12] ‘waarmee u hem niet toestaat nog iets voor zijn vader of moeder te doen,  12 dan laat ge hem al niet meer vrij om iets te doen voor zijn vader of moeder,   12. vous ne le laissez plus rien faire pour son p?re ou pour sa m?re  

Statenvertaling . 12 En gij laat hem niet meer toe, iets aan zijn vader of zijn moeder te doen;
King James Bible . [12] And ye suffer him no more to do ought for his father or his mother;
Luther-Bibel . 12 so lasst ihr ihn nichts mehr tun f?r seinen Vater oder seine Mutter

Tekstuitleg van Mc 7,12 .

8. è (of) . Partikel van vergelijking . OF : bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

- afiete (je laat toe) zie afièmi (weg-laten, af-laten) Mt 6,14 . Zie ook Mt 23,13 .

afiete (je laat toe). Indicatief praesens 2de persoon meervoud. In deze betekenis wordt een infinitiefzin verwacht.

Mc 7,12.3. aanwijz. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,13 - Mc 7,13 -- 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : - Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,1 - Mc 7,2 - Mc 7,3 - Mc 7,4 - Mc 7,5 - Mc 7,6 - Mc 7,7 - Mc 7,8 - Mc 7,9 - Mc 7,10 - Mc 7,11 - Mc 7,12 - Mc 7,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:13 akurountes ton logon tou theou t?i paradosei um?n ? pared?kate
kai paromoia toiauta polla poieite 
13 rescindentes verbum Dei per traditionem vestram quam tradidistis et similia huiusmodi multa facitis 14 et advocans iterum turbam dicebat illis audite me omnes et intellegite      13] zo ontkracht u het woord van God ten gunste van de traditie die u zelf overgeleverd hebt. U doet veel van dergelijke dingen.’  [13] en zo ontkracht u het woord van God door de tradities die u doorgeeft; en u doet nog veel meer van dit soort dingen.’ 13 en stelt ge het woord van God buiten werking door uw overlevering die ge hebt overgeleverd; en veel van dit soort dingen doet ge! 13. et vous annulez ainsi la parole de Dieu par la tradition que vous vous ?tes transmise. Et vous faites bien d'autres choses du m?me genre. ? 

Statenvertaling . 13 Makende alzo Gods woord krachteloos door uw inzetting, die gij ingezet hebt; en vele dergelijke dingen doet gij.
King James Bible . [13] Making the word of God of none effect through your tradition, which ye have delivered: and many such like things do ye.
Luther-Bibel . 13 und hebt so Gottes Wort auf durch eure Satzungen, die ihr ?berliefert habt; und dergleichen tut ihr viel.

Tekstuitleg van Mc 7,13 .

2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

9 hè(i) . Btrekkelijk voornaamw. dat. vr. enk. OF : è (of) . Partikel van vergelijking . OF : bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

11. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et



155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -

Mc 7,14 - Mc 7,14 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
Kai proskalesamenos palin ton ochlon elegen autois, Akousate mou pantes kai sunete et advocans iterum turbam dicebat illis audite me omnes et intellegite En hij riep de volksmenigte weer bij zich (en) zei hun: "Hoor allen naar mij en versta!"  Daarop riep Hij het volk weer bij Zich en sprak tot hen! Luistert allen naar Mij en wilt verstaan:   Weer riep Hij de mensen bij zich en zei tegen hen: ‘Luister allemaal naar Mij en begrijp Me toch.  Nadat hij de menigte weer bij zich had geroepen, zei hij: ‘Luister allemaal naar mij en kom tot inzicht.  Toen hij de schare weer bij zich had geroepen, heeft hij tot hen gezegd: hoort naar mij, gij allen, en verstaat!–  14. Et ayant appel? de nouveau la foule pr?s de lui, il leur disait : ? ?coutez-moi tous et comprenez !

Statenvertaling . 14 En tot Zich de ganse schare geroepen hebbende, zeide Hij tot hen: Hoort Mij allen en verstaat.
King James Bible . [14] And when he had called all the people unto him, he said unto them, Hearken unto me every one of you, and understand:
Luther-Bibel . 14 Und er rief das Volk wieder zu sich und sprach zu ihnen: H?rt mir alle zu und begreift's!

Tekstuitleg van Mc 7,14 . Het vers Mc 7,14 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden , 28 (2 X 2 X 7) lettergrepen en 69 (3 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 7,14 is (2 X 19 X 179) . Dit vers Mc 7,14 telt evenveel woorden als Mc 3,23 . Schriftgeleerden uit Jeruzalem verklaren dat Jezus bezeten is door de duivel (Mc 3,22) . In Mc 3,23 vlg. roept Jezus hen bij zich en vertelt hij hen een parabel . In Mc 7,1-13 ontstaat een twistgesprek tussen de farizeeën en enkele schriftgeleerden uit Jeruzalem enerzijds en Jezus anderzijds over reinheid bij het eten . In Mc 7,14 roept Jezus het volk bij zich en vertelt hij het een parabel . Tussen Mc 3,23 en Mc 7,14 zijn de overeenkomsten : kai proskalesamenos (en samengeroepen bij zich) ... elegen autois (zei hij hen) .
Marcus linkt de menigte (Mc 7,14) met het huis (Mc 7,17) en vanaf hier (Mc 7,24) :

Mc 7,14.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,14.2. part. aor. nom. mann. enk. proskalesamenos (bij zich geroepen) . Taalgebruik in het NT: proskaleomai (bij zich roepen)  . Taalgebruik in Mc : proskaleomai (bij zich roepen)  .
Mc (7) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 8,1 . (4) Mc 8,34 . (5) Mc 10,42 . (6) Mc 12,43 . (7) Mc 15,44 . In 6 / 7 is Jezuis onderwerp . In 1 / 7 is het Pilatus (Mc 15,44) . In 7 / 7 volgt op het part. proskalesamenos (bij zich geroepen) een lijdend voorwerp . Het is de 2de maal dat de vorm proskalesamenos (bij zich geroepen) gebruikt wordt . Jezus roept de menigte tot zich . .
In Mc 6,45 ontbindt Jezus de menigte . Het beantwoordt aan het voorstel van de leerlingen om de menigte te ontbinden (Mc 6,36) . In Mc 7,14 is er weer sprake van de menigte . Zij wordt door Jezus bij zich geroepen (proskalesamenos palin ton ochlon = samengeroepen bij zoch opnieuw het volk) .

Mc 7,14.1. - 2. kai proskalesamenos (en bij zich geroepen) . Mc (6 / 7) . Niet in Mc 8,1 .

Mc 7,14.3. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel). Taalgebruik in het NT: palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Het is de 7de maal dat het woordje palin wordt gebruikt . In Mc 6,45 (einde van eerste het broodverhaal) ontbindt Jezus de menigte. In Mc 7,14 roept Jezus de menigte bij zich. Door die verwijzing wordt er een verband gelegd tussen het eerste broodverhaal en het verhaal van het eten met ongewassen handen. Bij het eerste broodverhaal at de menigte in de woestijn met ongewassen handen.

Mc 7,14.4. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,14.5. acc. mann. enk. ochlon (menigte) . Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) .
Mc (13) : (1) Mc 2,4 . (2) Mc 3,9 . (3) Mc 4,36 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 6,34 . (6) Mc 6,45 . (7) Mc 7,14 . (8) Mc 8,2 . (9) Mc 8,34 . (10) Mc 9,14 . (11) Mc 11,32 . (12) Mc 12,12 . (13) Mc 15,11 . In Mc 7,14 is het de 7de maal dat de acc. enk. wordt gebruikt en een vorm van ochlos op de 15de plaats.

  ochlos (menigte)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Apk syn.  ev. 
1 nom. mann. enk. ochlos  49  45  13  12  28  40 
2 gen. mann. enk. ochlou  31  25  15  19 
  enk. 142 26 116 19 35 25 19 15 3 79 98
  mv.  70 13  29  17  16    48  49 
  totaal enk. en mv. 212 39  173  50  36  41  20  23  127  147 

  ochlos (menigte)   Mc Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 15 syn. 
1 nom. mann. enk. ochlos  13  (1) Mc 2,13 .   2 : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 3,32 .   (1) Mc 4,1 .   2 : (1) Mc 5,21 . (2) Mc 5,24a - Mc 5,24b .         2 : (1) Mc 9,15 . (2) Mc 9,25 .     (1) Mc 11,18 3 : (1) Mc 12,37 . (2) Mc 12,41 . (3) Mc 12,43 .   (1) Mc 15,8 .     28 
2 gen. mann. enk. ochlou            2 : (1) Mc 7,17. (2) Mc 7,33.   1: Mc 8,1 1: Mc 9,17 .   1 : Mc 10,46 .           15 
3 dat. mann. enk. ochlô(i)        2 : (1) : Mc 5,27 . (2) Mc 5,30 .     (1) Mc 8,6.             Mc 15,15 
4 acc. mann. enk. ochlon  13  1 : Mc 2,4 .   1 : Mc 3,9 . 1 : Mc 4,36 .   1 : Mc 5,31 2:  (1) Mc 6,34. (2) Mc 6,45. 1 : Mc 7,14 2 : (1) Mc 8,2 . (2) Mc 8,34 .   1 : Mc 9,14 .     1 : Mc 11,32 .   1 : Mc 12,12 .     1 : Mc 15,11 27 
5 nom. mann. mv. ochloi                   1 : Mc 10,1 .           25 
  totaal 36   

Mc 7,14.2.4. - 5. proskalesamenos (samengeroepen bij zich) . Mc (6 / 7) : (1) Mc 3,23 (A) . (2) Mc 7,14 (B) . (3) Mc 8,1 (C) . (4) Mc 8,34 (D) . (5) Mc 10,42 (E) . (6) Mc 12,43 (F) . zeshoek
- proskalesamenos (...) ton ochlon (samengeroepen het volk) in Mc (2) : (1) Mc 7,14 . (2) Mc 8,34 . (diagonaal B - D) .
- proskalesamenos tous mathètas (samengeroepen de leerlingen) in Mc (2) : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 12,43 . (diagonaal C - F) .
- proskalesamenos ton ochlos sun tois mathètais autou (samengeroepen het volk met zijn leerlingen) in Mc (1) : Mc 8,34 .
- proskalesamenos autous (samengeroepen hen) in Mc (2) : (1) Mc 3,23 . (2) Mc 10,42 . (diagonaal A - E) .

Mc 7,14.3. - 5. palin ton ochlon (opnieuw het volk) verwijzend naar ton ochlon (de menigte) van Mc 6,45 (ontbinding van het volk, op het einde van het broodverhaal) .
Relatie tussen Mc 6,45 (ontbinding van het volk door Jezus) en Mc 7,14 (samenroepen van het volk door Jezus) . Tussen Mc 6,45 en Mc 7,14 liggen een 3-tal verhalen . Linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14) , huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) . Er is ook een sterke gelijkenis tussen Mc 4,20 en Mc 7,14-23.

Mc 7,14.6. actief indicatief imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (31) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 7,20 . (4) Mc 7,27 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 (10) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,11 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,20 . (6) Mc 7,27 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,34 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 7,37 .

Mc 7,14.7. voornaamw. dat. mann. mv. autois (aan hen) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 7 (5) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,36 .

Mc 7,14.1. 6. - 7. kai elegen autois (en hij zei hen) . Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
NT(12) . Mc (11) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 .

1. - 2. 6. - 7.
- Mc 3,23 : kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
- Mc 7,14 : kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
Zijde A - B van de zeshoek .

Mc 7,14.8. act. imperat. aor. 2de p. mv. akousate (luistert) van het werkw. akouô (horen) . Taalgebruik in het NT: akouô (horen) . Taalgebruik in Mc : akouô (horen) . Beide zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ous / ôs , ôtis . auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter .
Mc (1) : Mc 7,14 .

Mc 7,14.9. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. mann. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 7 (1) Mc 7,14 .

Mc 7,14.10. nom. mann. mv. pantes (allen) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (15) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,14 .

Mc 7,14.11. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,14.12. act. imperat. aor.  2de pers. mv. sunete (vat, begrijpt) van het werkw. sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in het NT : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in Mc : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Mc (1) : Mc 7,14 .

Eenmaligheid

- act. imperat. aor. 2de p. mv. akousate (luistert) van het werkw. akouô (horen) . Mc (1) : Mc 7,14 .
- act. imperat. aor.  2de pers. mv. sunete (vat, begrijpt) van het werkw. sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in het NT : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Taalgebruik in Mc : sunièmi (samenvatten, begrijpen, verstaan) . Mc (1) : Mc 7,14 .

Duality

- proskalesamenos (...) ton ochlon (samengeroepen het volk) in Mc (2) : (1) Mc 7,14 . (2) Mc 8,34 .
- palin ton ochlon (opnieuw het volk) verwijzend naar ton ochlon (de menigte) van Mc 6,45 (ontbinding van het volk, op het einde van het broodverhaal) .

Zijde A - B van de zeshoek .
- Mc 3,23 : kai proskalesamenos (A) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .
- Mc 7,14 : kai proskalesamenos (B) ... elegen autois = en samengeroepen... zei hij hen .

Mc 7,15 - Mc 7,15 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel
7:15 ouden estin ex?then tou anthr?pou eisporeuomenon eis auton o dunatai koin?sai auton alla ta ek tou anthr?pou ekporeuomena estin ta koinounta ton anthr?pon 15 nihil est extra hominem introiens in eum quod possit eum coinquinare sed quae de homine procedunt illa sunt quae communicant hominem  Niets is er van buiten de mens dat in hem binnentreedt, dat hem onrein kan maken, maar de dingen die uit de mens uitgaan zijn het die de mens onrein maken."  niets kan de mens bezoedelen wat van buiten af in hem komt. Maar wat uit de mens komt, dat bezoedelt de mens.   [15] Niets wat van buitenaf in de mens komt, kan hem onrein maken. Maar wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein.’*  [15] Niets dat van buitenaf in de mens komt kan hem onrein maken, het zijn de dingen die uit de mens naar buiten komen die hem onrein maken.’*  15 er is niets dat van buiten de mens hem binnentrekt dat hem kán ontheiligen; maar de dingen die uit de mens naar buiten komen, die zijn het die de mens ontheiligen!  

Statenvertaling . 15 Er is niets van buiten den mens in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen, die van hem uitgaan, die zijn het, welke den mens ontreinigen.
King James Bible . [15] There is nothing from without a man, that entering into him can defile him: but the things which come out of him, those are they that defile the man.
Luther-Bibel . 15 Es gibt nichts, was von au?en in den Menschen hineingeht, das ihn unrein machen k?nnte; sondern was aus dem Menschen herauskommt, das ist's, was den Menschen unrein macht.
Bible de Jérusalem . 15. Il n'est rien d'ext?rieur ? l'homme qui, p?n?trant en lui, puisse le souiller, mais ce qui sort de l'homme, voil? ce qui souille l'homme.

Tekstuitleg van Mc 7,15 .

Mc 7,15a ouden (niets) estin (is) eksoothen (van buitenuit) tou anthroopou (de mens) eisporeuomenon eis auton ho dunatai (inkomende in hem dat kan)   koinoosai (verontreigen) auton (hem)
Mc 7,15b alla ta (maar de dingen)   ek (uit) tou anthroopou (de mens) ekporeuomena (uitkomende) estin (zijn) ta koinounta (de dingen die verontreingen) ton anthroopon (de mens)

4. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

5. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (15) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

7. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,15.8. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

13. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT: alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (48) . Mc 7 (5) . alla (maar) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,15 . all' (afkorting van alla) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,25 .

14. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

15. ek (uit) . Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

19. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het NT: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .

20. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

28. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,16 - Mc 7,16 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
- 16 si quis habet aures audiendi audiat -   - - 16 Als iemand oren om te horen heeft, dan moet hij horen! 16. Si quelqu'un a des oreilles pour entendre, qu'il entende! ? 

Statenvertaling . 16 Zo iemand oren heeft om te horen, die hore.
King James Bible . [16] If any man have ears to hear, let him hear.
Luther-Bibel . -

Tekstuitleg van Mc 7,16 .

1. - 2. ei tis (indien (wanneer) iemand) . Mc (4) : (1) Mc 4,23 . (2) Mc 7,16 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 9,35 .

Mc 7,17 - Mc 7,17 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel
Kai hote eisèlthen eis oikon apo tou ochlou epèrôtôn auton hoi mathètai autou tèn parabolèn et cum introisset in domum a turba interrogabant eum discipuli eius parabolam En toen hij in huis binnengekomen was, weg van de volksmenigte, ondervroegen zijn leerlingen hem over de gelijkenis.   Nadat Hij Zich van het volk had teruggetrokken en thuis gekomen was, stelden zijn leerlingen Hem vragen over de gelijkenis.   Toen Hij thuisgekomen* was, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen Hem om uitleg van dit beeld.  Toen hij een huis was binnengegaan, weg van de menigte, vroegen zijn leerlingen hem om uitleg over deze uitspraak.   Toen hij een huis was binnengekomen, bij de schare vandaan, hebben zijn leerlingen hem gevraagd naar de strekking van de gelijkenis. 

Statenvertaling . 17 En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
King James Bible . [17] And when he was entered into the house from the people, his disciples asked him concerning the parable.
Luther-Bibel . 17 Und als er von dem Volk ins Haus kam, fragten ihn seine J?nger nach diesem Gleichnis.
Bible de Jérusalem . 17. Quand il fut entr? dans la maison, ? l'?cart de la foule, ses disciples l'interrogeaient sur la parabole.

Tekstuitleg van Mc 7,17 . Dit vers Mc 7,17 telt 16 (2 X 2 X 2 X 2) woorden , lettergrepen en 76 (2 X 2 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 7,17 is 9028 (2 X 2 X 37 X 61) . Mc 7,17 bestaat uit een bijzin van tijd en een hoofdzin . De zin begint met kai (en) . Het onderwerp van de bijzin is hetzelfde als de voorgaande zin , wat het gebruik van het nevenschikkend kai (en) kan verklaren .

Mc 7,17.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,17.2. hote (toen) . Taalgebruik in het NT: hote (toen) . Taalgebruik in Mc : hote (toen) . Voegwoord van tijd . Lat. quando . Fr. quand . Ned. wanneer . E. when . D. wenn .
Mc (12) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 2,25 . (3) Mc 4,6 . (4) Mc 4,10 . (5) Mc 6,21 .   (6) Mc 7,17 . (7) Mc 8,19 . (8) Mc 8,20 . (9) Mc 11,1 . (10) Mc 14,12 . (11) Mc 15,20 . (12) Mc 15,41 .

Mc 7,17.1. - 2. kai hote (en toen) . Mc (6 / 12) : (1) Mc 4,6 . (2) Mc 4,10 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 15,20 . (6) Mc 15,41 .

Mc 7,17.3. ind. aor. 3de pers. enk. εισηλθεν = eisèlthen (hij ging naar) van het werkwoord εισερχομαι = eiserchomai (gaan naar, binnengaan) . Taalgebruik in het NT : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in de LXX : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . NT (43) . Mt (4) : (1) Mt 2,21 . (2) Mt 12,4 . (3) Mt 21,12 . (4) Mt 24,38 . Mc (5) : (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . (5) Mc 15,43 . Lc (12) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 4,38 . (4) Lc 6,4 . (5) Lc 7,1 . (6) Lc 8,30 . (7) Lc 9,46 . (8) Lc 10,38 . (9) Lc 17,27 . (10) Lc 19,7 . (11) Lc 22,3 . (12) Lc 24,29 . Joh (7) : (1) Joh 13,27 . (2) Joh 18,1 . (3) Joh 18,33 . (4) Joh 19,9 . (5) Joh 20,5 . (6) Joh 20,6 . (7) Joh 20,8 . Hnd (10) : (1) Hnd 1,21 . (2) Hnd 3,8 . (3) Hnd 5,7 . (4) Hnd 9,17 . (5) Hnd 10,24 . (6) Hnd 10,27 . (7) Hnd 11,8 . (8) Hnd 14,20 . (9) Hnd 17,2 . (10) Hnd 18,7 . Een vorm van εισερχομαι = eiserchomai (binnengaan) in de LXX (700) , in het NT (192) , in Mc (30) .

  eiserchomai (binnengaan) bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  ind. aor. 3de pers. enk. eisèlthen  227  164  43  12  10  21  28     

In Mc is in 3 / 5 Jezus onderwerp : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . In Mc 2,26 is David onderwerp , in Mc 15,43 Jozef van Armatea .

Mc 7,17.2. - 3. ὁτε εισηλθεν = = hote eisèlthen (toen hij binnenging) . Bijbel (3) . LXX (1) : 2 S 19,26 . NT (2) : (1) Mt 17,25 . (2) Mc 7,17 .

Mc 7,17.1. 3. και εισηλθεν = kai eisèlthen (en hij ging naar -binnen) . NT (10) . Mt (1) : (1) Mt 21,12 . Mc (3) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 . Lc (3) : (1) Lc 1,40 . (2) Lc 4,16 . (3) Lc 24,29 . Joh (2) : (1) Joh 19,9 . (2) Joh 20,6 . Hnd (1) : (2) Hnd 3,8 . (2) Hnd 9,17 .
- εισηλθεν δε = eisèlthen de (hij ging echter - naar - binnen) . NT (2) : (1) Lc 9,46 . (2) Lc 22,3 .
- και εισελθων = kai eiselthôn (en binnengegaan) . ΝΤ (8) : (1) Mt 26,58 . (2) Mc 5,39 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 11,15 . (5) Lc 1,28 . (6) Lc 7,36 . (7) Lc 19,1 . (8) Hnd 23,16 .
- εισελθων δε = eiselthôn de (binnengegaan echter) . ΝΤ (4) : (1) Mt 22,11 . (2) Lc 11,37 . (3) Hnd 19,8 . Variante lezing : Lc 8,51 .
- In het Hebreeuws kan dit Griekse verleden deelwoord beter weergegeven worden door een verbum consecutivum , een wajjiqtolvorm . Hebreeuws : prefix verbindingswoord wë + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיָּבּוֹא = wajjâbô´ (en hij ging) van het werkw. בָּא = bâ´ (gaan, komen) . Taalgebruik in Tenakh : bâ´ (gaan, komen) . Getalwaarde : beth = 2 , aleph = 1 ; totaal : 3 . Structuur : 2 - 1 . De som van de elementen is telkens 3 . Spiegelbeeld van het woord אַב = ´ab (vader) . Tenakh (21) : (1) 1 S 4,13 . (2) 1 K 3,15 . (3) 1 K 7,14 . (4) 1 K 13,11 . (5) 1 K 22,15 . (6) 1 K 22,30 . (7) 1 K 22,37 . (8) 2 K 9,30 . (9) Js 38,1 . (10) Ez 14,1 . (11) Ez 23,44 . (12) Ez 36,20 . (13) Ez 40,6 . (14) Hos 6,3 . (15) Ps 24,7 . (16) Job 1,6 . (17) Job 2,1 . (18) Est 4,2 . (19) Est 4,9 . (20) Est 5,10 . (21) Est 6,6 .

Mc 7,17.4. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,17.3. - 4. eisèlthen eis (hij ging naar binnen in) . Mc (4 / 5) (1) Mc 2,26 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 7,17 . (4) Mc 11,11 . Niet in Mc 15,43
(1) Mc 2,26 : eisèlthen eis ton oikon tou theou (hij ging naar binnen in het huis van God) .
(2) Mc 3,1 : kai eisèlthen palin eis tèn sunagôgèn (en hij ging binnen opnieuw in de synagoge) .
(3) Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij binnenging in huis) .
(4) Mc 11,11 : kai eisèlthen eis Hierosoluma eis to hieron (en hij ging binnen in Jeruzalem in de tempel) .
(5) Mc 15,43 : eisèlthen pros ton Pilaton (hij ging binnen bij Pilatus) .
Het betreft een binnengaan in het heiligdom van Jeruzalem , de tempel (Mc 2,26 en Mc 11,11) , in de plaatselijke synagoge (Mc 3,1) , in een huis (Mc 7,17) .

Mc 7,17.1.3. - 4. kai... eisèlthen eis (en hij ging naar binnen in) . Mc (3 / 5) : (1) Mc 3,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 11,11 .

Mc 7,17.5. acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het NT: oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus .
Mc (10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 2,26 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 5,38 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,30 . (8) Mc 8,3 . (9) Mc 8,26 . (10) Mc 9,28 .
Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) :
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,38 . (5) Mc 7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 .

Mc 7,17.4. - 5. eis oikon (naar huis) in Mc (5) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) .
Linken tussen de menigte (ochlos) (Mc 7,14) : kai proskalesamenos palin ton ochlon (en opnieuw de menigte bij zich geroepen) ,
huis (oikos) (Mc 7,17) : kai eisèlthen eis oikon (en toen hij in huis was binnengegaan)
en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) : ekeithen de anastas apèlthen (vandaar echter opgestaan , ging hij weg) .

Mc 7,17.1. - 5. STAP VOOR STAP !
Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij in huis binnenging) .
Mc 7,24 : kai eiselthôn eis oikian (en binnengegaan in een huis) .
Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij in huis was binnengegaan) .

Mc 7,17.6. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het NT: apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 .

Mc 7,17.7. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,17.8. gen. mann. enk. ochlou  (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) .
Mc (5) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,33 .  (3) Mc 8,1 . (4) Mc 9,17 .  (5) Mc 10,46 .

Mc 7,17.6. - 8. apo tou ochlou (weg van de menigte) . Mc (2) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,33 .

Mc 7,17.9. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud epèrôtôn (zij 'onder'vroegen, zij vroegen op) . van het werkw. ep-erotaô (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het NT: eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (6) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 .
De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

Mc 7,17.10. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,17.11. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,17.12. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het NT: mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
Een vorm van mathètès (leerling) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,2 (gen.) . (2) Mc 7,5 (nom.) . (3) Mc 7,17 (nom.) .
De leerlingen stellen vragen aan Jezus (als verduidelijking van wat Jezus in het openbaar heeft gezegd) . Viermaal ondervroegen de leerlingen Jezus : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . Eénmaal is er een vraag van de Farizeeën : (1) Mc 10,2 . Eénmaal is er een vraag van de Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

Mc 7,17.13. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,17.11. - 13. oi mathètai autou (zijn leerlingen) . Mc (11 / 17) . Niet in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 14,16 .

Mc 7,17.14. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,17.15. acc. vr. enk. parabolèn (parabel) van het zelfst. naamw. parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in het NT: parabolè (parabel, gelijkenis) . Taalgebruik in Mc : parabolè (parabel, gelijkenis) . Paraballô : naast elkaar werpen , vergelijken .
Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 12,12 . (4) Mc 13,28 . Een vorm van parabolè (parabel) in 13 verzen in Mc .

Mc 7,17.1. - 13. STAP VOOR STAP !
- Mc 7,17 : Kai hote eisèlthen eis oikon apo tou ochlou epèrôtôn auton hoi mathètai autou (en toen hij naar huis binnenging weg van de menigte , ondervroegen zijn leerlingen hem) .
- Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon hoi mathètai autou kat'idian epèrôtôn auton (en nadat hij naar huis binnenging , ondervroegen zijn leerlingen in afzondering hem) .

In twee verzen is er sprake van het binnengaan in een huis en het uitvragen van Jezus door de leerlingen . In Mc 7,17 vragen de leerlingen van Jezus hem uit over de parabel over wat een mens bezoedelt . Daar worden allerlei 'zonden' opgesomd , die de liefde tot de naaste schaden (Mc 7,21 - Mc 7,22) . In Mc 9,28 vragen de leerlingen van Jezus hem, waarom zij de onreine geest niet hebben kunnen buitenwerpen . In Mc 10,10 stellen de leerlingen in 'het' huis Jezus de vraag over de onschendbaarheid van het huwelijk .

Mc 7,18 - Mc 7,18 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:18 kai legei autois out?s kai humeis asunetoi este ou noeite oti pan to ex?then eisporeuomenon eis ton anthr?pon ou dunatai auton koin?sai   18 et ait illis sic et vos inprudentes estis non intellegitis quia omne extrinsecus introiens in hominem non potest eum communicare      [18] En Hij zei tegen hen: ‘Zijn jullie óók zo vol onbegrip? Weet je niet dat alles wat van buitenaf in de mens komt, hem niet onrein kan maken,  [18] Hij zei tegen hen: ‘Begrijpen ook jullie het dan nog niet? Zien jullie dan niet in dat niets dat van buitenaf in de mens komt, hem onrein kan maken [    18. Et il leur dit : ? Vous aussi, vous ?tes ? ce point sans intelligence ? Ne comprenez-vous pas que rien de ce qui p?n?tre du dehors dans l'homme ne peut le souiller,  

Statenvertaling . 18 En Hij zeide tot hen: Zijt ook gij alzo onwetende? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mens ingaat, hem niet kan ontreinigen?
King James Bible . [18] And he saith unto them, Are ye so without understanding also? Do ye not perceive, that whatsoever thing from without entereth into the man, it cannot defile him;
Luther-Bibel . 18 Und er sprach zu ihnen: Seid ihr denn auch so unverst?ndig? Merkt ihr nicht, dass alles, was von au?en in den Menschen hineingeht, ihn nicht unrein machen kann?

Tekstuitleg van Mc 7,18 . Het vers Mc 7,18 telt 22 (2 X 11) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 7,18 is 13755 (3 X 5 X 7 X 131)

Mc 7,18.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,18.2. act. ind. praes. 3de pers. enk. legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .  legei autois (hij zegt hen) in Mc 7 in Mc 7,18 . kai legei autois (en hij zegt hen) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,28 . (2 ) Mc 7,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 in 10 verzen en van eipon (ik zei) in Mc 7 in 4 verzen .

Mc 7,18.3. voornaamw. dat. mann. mv. autois (aan hen) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 7 (5) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,36 .

Mc 7,18.4. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het NT: houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

Mc 7,18.5. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,18.6. persoonl. voornaamw. nom. mann. mv. 2de pers. humeis (jullie) . Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (10) : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 8,29 . (6) Mc 11,17 . (7) Mc 13,9 . (8) Mc 13,11 . (9) Mc 13,23 . (10) Mc 13,29

Mc 7,18.11. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 .

12.

Mc 7,18.13. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,18.16. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,18.17. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,18.19. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,18.21. aanwijz. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,19 - Mc 7,19 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:19 oti ouk eisporeuetai autou eis t?n kardian all eis t?n koilian kai eis ton afedr?na ekporeuetai kathariz?n panta ta br?mata  19 quia non introit in cor eius sed in ventrem et in secessum exit purgans omnes escas       [19] omdat het niet in zijn hart komt maar in zijn buik, en er weer uitgaat op het gemak?’ Daarmee verklaarde Hij alle eten rein.   19] omdat het niet in zijn hart, maar in zijn maag komt en in de beerput weer verdwijnt?’ Zo verklaarde hij alle spijzen rein.   19 omdat het niet binnenkomt in het hart maar in de buik, en daar komt het weer uit, de afvoer in, en die reinigt alle spijzen!  19. parce que cela ne p?n?tre pas dans le c?ur, mais dans le ventre, puis s'en va aux lieux d'aisance ? ainsi il d?clarait purs tous les aliments . 

Statenvertaling . 19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat in de heimelijkheid uit, reinigende al de spijzen.
King James Bible . [19] Because it entereth not into his heart, but into the belly, and goeth out into the draught, purging all meats?
Luther-Bibel . 19 Denn es geht nicht in sein Herz, sondern in den Bauch und kommt heraus in die Grube. Damit erkl?rte er alle Speisen f?r rein.

Tekstuitleg van Mc 7,19 .

Mc 7,19.1. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 .

Mc 7,19.2. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,19.4. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,19.5. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,19.6. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,19.8. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het NT: alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (48) . Mc 7 (5) . alla (maar) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,15 . all' (afkorting van alla) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,25 .

Mc 7,19.9. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,19.10. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,19.12. kai (en) . Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,19.13. eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,19.14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,19.18. acc. onz. mv. panta van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc 7 (3) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,23 . (3) Mc 7,37 .

Mc 7,19.19. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,20 - Mc 7,20 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:20 elegen de oti to ek tou anthr?pou ekporeuomenon ekeino koinoi ton anthr?pon  20 dicebat autem quoniam quae de homine exeunt illa communicant hominem       [20] Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt de mens onrein.  [20] Hij zei: ‘Wat uit de mens komt, dat maakt hem onrein.  20 Maar, heeft hij gezegd, wat uit de mens zelf naar buiten komt, dát ontheiligt de mens;  20. Il disait : ? Ce qui sort de l'homme, voil? ce qui souille l'homme. 

Statenvertaling . 20 En Hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mens, dat ontreinigt den mens.
King James Bible . [20] And he said, That which cometh out of the man, that defileth the man.
Luther-Bibel . 20 Und er sprach: Was aus dem Menschen herauskommt, das macht den Menschen unrein;

Tekstuitleg van Mc 7,20 .

Mc 7,20.1. actief indicatief imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (31) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 7,20 . (4) Mc 7,27 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 (10) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,11 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,20 . (6) Mc 7,27 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,34 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 7,37 .

Mc 7,20.2. de (echter) . Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

Mc 7,20.3. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het NT: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,20 .

Mc 7,20.4. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,20.6. bep. lidw. gen. mann. + onz. enk. tou (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,20.7. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het NT: anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (15) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

Mc 7,20.8. ek (uit) . Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,20.11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,21 - Mc 7,21 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:21 es?then gar ek t?s kardias t?n anthr?p?n oi dialogismoi oi kakoi ekporeuontai porneiai klopai fonoi   21 ab intus enim de corde hominum cogitationes malae procedunt adulteria fornicationes homicidia  Van binnen immers, uit het hart van de mensen, komen de slechte overleggingen voort, ontuchtige daden, diefstallen,   Want uit het binnenste, uit het hart van de mensen komen boze gedachten, ontucht, diefstal, moord, [21] Want* van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen de kwade gedachten, ontucht, diefstal, moord,  [21] Want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen slechte gedachten, ontucht, diefstal, moord,  21 want van binnenuit, uit het hart van de mensen, komen de slechte roerselen naar buiten, hoererijen, dieverijen, moordzucht,  21. Car c'est du dedans, du c?ur des hommes, que sortent les desseins pervers : d?bauches, vols, meurtres, 

Statenvertaling . 21 Want van binnen uit het hart der mensen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,
King James Bible . [21] For from within, out of the heart of men, proceed evil thoughts, adulteries, fornications, murders,
Luther-Bibel . 21 denn von innen, aus dem Herzen der Menschen, kommen heraus b?se Gedanken, Unzucht, Diebstahl, Mord,

Tekstuitleg van Mc 7,21 .

Mc 7,21.2. gar (want) . Taalgebruik in het NT: gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,27 .

Mc 7,21.3. ek (uit) . Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,21.6. bep. lidw. gen. m. + vr. + onz. mv. tôn (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,21.8. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,21.10. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (5) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,5 . (4) Mc 7,17 . (5) Mc 7,21 .

Mc 7,22 - Mc 7,22 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:22 moicheiai pleonexiai pon?riai dolos aselgeia ofthalmos pon?ros blasf?mia uper?fania afrosun?  22 furta avaritiae nequitiae dolus inpudicitia oculus malus blasphemia superbia stultitia  moorden, echtbreuken, hebzucht, boosheden, list, losbandigheid, een boos oog, godslastering, hoogmoed, onverstand.   echtbreuk, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, godslastering, trots, lichtzinnigheid.   [22] overspel, hebzucht, gemeenheid, bedrog, bandeloosheid, jaloezie, laster, hoogmoed, lichtzinnigheid.  [22] overspel, hebzucht, kwaadaardigheid, bedrog, losbandigheid, afgunst, laster, hoogmoed, dwaasheid;  22 allerlei overspel, hebzuchtigheden, boosaardigheden, arglistigheid, teugelloosheid, een boos oog, godslastering, zelfverheffing, onnadenkendheid;  22. adult?res, cupidit?s, m?chancet?s, ruse, impudicit?, envie, diffamation, orgueil, d?raison.  

Statenvertaling . 22 Dieverijen, gierigheden, boosheden, bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hovaardij, onverstand.
King James Bible . [22] Thefts, covetousness, wickedness, deceit, lasciviousness, an evil eye, blasphemy, pride, foolishness:
Luther-Bibel . 22 Ehebruch, Habgier, Bosheit, Arglist, Ausschweifung, Missgunst, L?sterung, Hochmut, Unvernunft.

Tekstuitleg van Mc 7,22 .

Mc 7,23 - Mc 7,23 -- 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,14 - Mc 7,15 - Mc 7,16 - Mc 7,17 - Mc 7,18 - Mc 7,19 - Mc 7,20 - Mc 7,21 - Mc 7,22 - Mc 7,23 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 22ste (twee?ntwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:23 panta tauta ta pon?ra es?then ekporeuetai kai koinoi ton anthr?pon   23 omnia haec mala ab intus procedunt et communicant hominem Al deze slechte dingen komen van binnen voort en maken de mens onrein."  Al die slechte dingen komen uit het binnenste en bezoedelen de mens."    [23] Al deze slechte dingen komen van binnenuit en maken de mens onrein.’  [23] al deze slechte dingen komen van binnenuit, en die maken de mens onrein.’  23 al deze boze dingen komen van binnenuit naar buiten en ontheiligen de mens! 23. Toutes ces mauvaises choses sortent du dedans et souillent l'homme. ? .  

Statenvertaling . 23 Al deze boze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mens.
King James Bible . [23] All these evil things come from within, and defile the man.
Luther-Bibel . 23 Alle diese b?sen Dinge kommen von innen heraus und machen den Menschen unrein.

Tekstuitleg van Mc 7,23 .

1. acc. onz. mv. panta van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk) . Taalgebruik in het NT: pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc 7 (3) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,23 . (3) Mc 7,37 .

3. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

7. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

9. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .



MARCUS 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

24 Vandaar stond Jezus op
en  ging weg naar het gebied van Tyrus .
Hij ging een huis binnen
en hij wilde niemand kennen ,
maar hij kon zich niet verbergen. 
25 Want onmiddellijk hoorde een vrouw over hem .
Haar dochtertje had een onreine geest .
De vrouw van dat dochtertje kwam
en viel bij de voeten van Jezus.
26 Maar de vrouw was een Griekse , van Syro-Fenicische afkomst .
Ze bleef hem vragen dat hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen .
27 En Jezus zei haar :
sta me toe dat eerst de kinderen worden verzadigd ;
het is niet goed
het brood van de kinderen te nemen en het naar de hondjes te werpen .
28 Maar de vrouw antwoordde
en zegt hem :
Heer , ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.
29  En Jezus zei haar :
omwille van dat woord
ga ,
uit jouw dochter is de demon uitgegaan.
30 En de vrouw ging weg naar haar huis .
Ze vond het kind .
Ze trof het aan op bed. 
De demon was weg .

COMMENTAAR OP HET VERHAAL VAN MARCUS 7,24-30 : de Syro-Fenicische vrouw

De Farizeeën komen voor de dag (Mc 7). Samen met de Herodianen hadden zij in Mc 3,6 een complot gesloten om Jezus uit de weg te ruimen. In het voorgaande hoofdstuk Mc 6 was Johannes de Doper door Herodes onthoofd. We zien dus dat we  het complot van de Farizeeën met de Herodianen niet al te lichtzinnig mogen opvatten.  Het volk is als een kudde zonder herder en Jezus heeft het geestelijk leiderschap opgenomen. Juist nu pakken de zogenaamde geestelijke leiders van het volk, de Farizeeën, Jezus aan. Het conflict draait om rein en onrein. Na deze confrontatie wijkt Jezus uit naar een veiliger gebied, naar Tyrus, in de hoop er anoniem te kunnen leven.
Maar Marcus begint het versje Mc 7,24 met een kort zinnetje: “vandaar echter opgestaan”. Marcus gebruikt een techniek om verhalen aan elkaar te verbinden. Het woordje “vandaar” maakt deel uit van deze techniek. Het is een onderdeel van volgend geheel: Jezus richt zich tot de massa. Daarna gaat hij met zijn leerlingen en gaat naar een huis om het gesprek uit te diepen. Vandaar gaat Jezus weg. Deze techniek gebruikt Marcus verschillende malen.
We gaan terug naar ons verhaal. Jezus verblijft in Tyrus en wil er anoniem zijn. Maar een vrouw, een Griekse uit Syro-Fenicië,  rukt Jezus onmiddellijk uit zijn isolement. Zij heeft gehoord dat Jezus in dat huis is. Hoe heeft zij dat kunnen horen? Zijn er blijkbaar mensen die gemerkt hebben dat Jezus van Galilea zich ophield in dat huis? Waren zij dat aan de vrouw gaan vertellen? Die vrouw, maar ook haar omgeving, moet weet hebben gehad van de bezetenheid van haar dochtertje. Zij keken uit naar verlossing voor dat kind. Zo wordt Jezus, die bij het doopsel heilige geest ontving, geconfronteerd met een vrouw, wiens dochter door een onzuivere geest is bezeten. De vrouw komt naar Jezus toe en werpt zich voor zijn voeten. Voordat er een woord gezegd is, vermoeden we al waarvoor de vrouw komt. Ze is in een noodsituatie en ze komt hem om hulp vragen. Maar er is nog meer. Door haar contact met haar bezeten dochter beseft de vrouw wat het betekent bezeten te zijn. Ze kan zich inleven in de situatie van Jezus. Is hij er zo van overtuigd dat het conflict van hem met de Farizeeën niet te overstuigen is?
Het blijft toch opvallend dat het verhaal nog steeds blijft spreken van gunè (vrouw) in plaats van moeder. Deze vrouw komt immers voor haar dochter. Of speelt de auteur met woorden: gunè (vrouw) en kunè (hond), aanduiding voor niet-joden. Dat contact tussen een man en een onbepaalde vrouw en bovendien tussen een jood en een niet-joodse moet wel heel verontreinigend zijn in sommige Joodse ogen. In plaats van een onreine geest is er sprake van een demon. Wie is door een demon bezeten? Jezus ? De vrouw? De dochter van de vrouw?
 De vrouw vraagt aan Jezus om de demon uit haar dochter te bannen. Jezus gaat niet op de vraag van de vrouw in, maar maakt in een mooie verpakking een hatelijke afwijzing: je weet toch dat eerst de kinderen moeten verzadigd worden, vooraleer het brood aan de hondjes te gooien. De vrouw weet heel goed dat de hondjes een scheldnaam van Joden voor niet-Joden zijn. Zij hoort Jezus zeggen: het eigen volk (de kinderen) moeten eerst verzadigd worden of m.a.w. eigen volk eerst.
 De vrouw geeft Jezus een onverwacht antwoord. Wat jij zegt kan wel waar zijn in jouw ogen, maar vanuit mijn standpunt niet: immers, de hondjes eten van de kruimels die de kinderen van de tafel laten vallen, m.a.w. niet-Joden, zoals de Joden zelf, maken deel uit van een universele mensengemeenschap. De vrouw wil zeggen: het inclusief denken over het volk van Israël moet jij, Jezus, doortrekken tot de hele mensengemeenschap.
 Jezus snapt de vrouw. Ze bevrijdt hem van zijn demon tegenover niet-Joden. Een nieuwe horizont gaat voor Jezus open . Jezus ontdekt dat zijn boodschap universeel is. Het woord van de vrouw bevrijdt haar dochter van de demon. In plaats van agressie, tegenstelling en strijd komt mededogen, verbondenheid en vrede.
Zowel Jezus als het dochtertje van de vrouw zijn van hun demon bevrijd door het inzicht van de vrouw in de situatie. Niet het woord van Jezus, maar dat van de vrouw is een bevrijdend woord. Ook Jezus is niet vrij van demonen en dank zij de vrouw wordt hij ervan bevrijd.
De vrouw gaat naar huis en thuis is de rust teruggekeerd. De demon is weg. Het kind ligt op het bed. En wat doet Jezus? Hij gaat terug naar Galilea en naar Dekapolis met een nieuw inzicht: verzamelen, bijeenbrengen, verbondenheid scheppen. Vanaf nu is niets meer hetzelfde. De boodschap van Jezus is een universele boodschap. Joden en niet-Joden komen voortaan in zicht.

Joden en niet-Joden wijzen elkaar af en haten elkaar. Een kind neemt de mentaliteit van de volwassenen op. Zo kan een kind besmet geraken door haat en afwijzing. Het kind wordt met een demon opgezadeld. De Syro-Fenicische vrouw doorbreekt het demonische denken; dat van haar eigen volk maar ook dat van Jezus. Er komt begrip en dialoog. De hemel van het kind klaart op. Een nieuwe toekomst is in het verschiet.


156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw : Mc 7,24-30 - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -

Bibliografie : Mc 7,24-30 -

De pericope telt 7 verzen . Drie verzen beginnen met και = kai (en) , drie verzen hebben δε = de (echter) als tweede woord .

Mc 7,24 - Mc 7,24 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou. kai eiselthôn eis oikian oudena èthelen gnônai, kai ouk èdunèthè lathein et inde surgens abiit in fines Tyri et Sidonis et ingressus domum neminem voluit scire et non potuit latere  Hij stond daarvandaan op (en) ging heen naar het gebied van Tyrus. En hij ging een huis binnen (en) wou niet dat iemand het wist, doch hij kon niet ongemerkt blijven.   Jesus vertrok vandaar en ging naar de streek van Tyrus en Sidon. Hij ging naar huis binnen en wilde niet dat iemand het te weten kwam, maar Hij kon niet onopgemerkt blijven. Hij vertrok vandaar en ging naar het gebied van Tyrus*. Hij nam zijn intrek in een huis* en wilde niet dat iemand het te weten kwam, maar Hij kon niet onopgemerkt blijven.  Hij ging weg en vertrok naar de omgeving van Tyrus. Daar nam hij zijn intrek in een huis, en hoewel hij niet wilde dat iemand dat te weten zou komen, lukte het hem niet onopgemerkt te blijven.  Daarvandaan staat hij op en gaat weg, de grenzen van Tyrus binnen. Hij neemt zijn iemand hem kent, en kan ook niet verborgen blijven;  24. Partant de l?, il s'en alla dans le territoire de Tyr. ?tant entr? dans une maison, il ne voulait pas que personne le s?t, mais il ne put rester ignor?.  

Statenvertaling . 24 En van daar opstaande, ging Hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde Hij niet, dat het iemand wist, en Hij kon nochtans niet verborgen zijn.
King James Bible . [24] And from thence he arose, and went into the borders of Tyre and Sidon, and entered into an house, and would have no man know it: but he could not be hid.
Luther-Bibel . 24 Und er stand auf und ging von dort in das Gebiet von Tyrus. Und er ging in ein Haus und wollte es niemanden wissen lassen und konnte doch nicht verborgen bleiben,

Tekstuitleg van Mc 7,24. Het vers Mc 7,24 telt 22 (2 X 11) woorden en 110 (2 X 5 X 11) letters. De getalswaarde van Mc 7,24 is 8945 (5 X 1789).
Er zijn verschillende tekstlezingen (o.a. kai eiselthôn ... turou kai sidônos). Het vers bestaat uit drie nevenschikkende hoofdzinnen en twee participiazinnen bij de eerste twee hoofdzinnen.

Mc 7,24 Ἐκεῖθεν δὲ ἀναστὰς ἀπῆλθεν εἰς τὰ ὅρια Τύρου. καὶ εἰσελθὼν εἰς οἰκίαν οὐδένα ἤθελεν γνῶναι, καὶ οὐκ ἠδυνήθη λαθεῖν
Vertaling: Vandaar echter opgestaan ging weg naar het gebied van Tyrus. En binnengegaan in een huis wilde hij niemand kennen, maar hij kon zich niet verbergen
Mc 7,24 Ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion: gebied) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turus: Tyrus). καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis) οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets) ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf) γνῶναι (gnômai: om te kennen; wkw act inf aor van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint) ἠδυνήθη (= èdunathè: hij kon; med/pass ind aor 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen) λαθεῖν (= lathein: om zich te verbergen; wkw act inf aor van het wkw λα-ν-θ-αν-ω = la-n-th-an-ô: verbergen, zich verbergen; stam: lath-)

Mc 7,24.1. Ἐκεῖθεν (= ekeithen; bep van plaats: van-daar; -then / van; ekei: daar, eigenlijk: hier, Fr.: i-c-i, D.: da; verwijst naar de voorgaande plaats). Taalgebruik in het NT: vanhier, vandaar . Taalgebruik in de LXX: vanhier, vandaar. Taalgebruik in Mc: vanhier, vandaar. Mc (5): (1) Mc 6,1. (2) Mc 6,10. (3) Mc 6,11. (4) Mc 7,24 (5) Mc 10,1.
- Mc 6,10 en Mc 6,11 behoren tot de zendingsrede. εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte), οικος = oikos of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar).
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar). LXX (9). NT (2): (1) Mc 7,24. (2) Lc 9,4
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar). LXX (5). NT (0).

  ekeithen (vandaar)  Mc Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ekeithen  (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 (4) Mc 7,24 .   (5) Mc 10,1 157  130  27  12    20  22 
kakeithen      (1) Mc 9,30 .   10    10             
  totaal  167  130  37  12  12    20  22 

- Hebreeuws: מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m. שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam). Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam). Getalswaarde: sjin = 21 of 300, mem = 13 of 40; totaal: 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17). Structuur: 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7. Tenakh (103). Pentateuch (37).
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m. Tenakh.

Voor de vierde maal (op vijf) wordt εκειθεν = ekeithen (vanaf hier) gebruikt . Linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14), huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) . Er zijn opmerkelijke linken tussen (4) Mc 7,24 en (5) Mc 10,1 :
- (4) Mc 7,24 : Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou (vandaar echter opgestaan ging hij weg naar het gebied van Tyrus) .
- (5) Mc 10,1 : kai ekeithen anastas erchetai eis ta horia tès Ioudaias (en vandaar opgestaan gaat hij naar het gebied van Judea) .
Het gebied van Tyrus ligt helemaal in het noorden , het gebied van Judea ligt in het zuiden . Tussen beide hoort dan Mc 9,30 : kakeithen exelthontes pareporeuonto dia t?s Galilaias (en vandaar uitgegaan begaf hij zich zijdelijns door Galilea) .
Er zijn echter belangrijke linken te bespeuren . We merken dat Marcus het woordje "daarvandaan" (Grieks : ekeithen) driemaal vooraan de zin plaatst : in Mc 7,24 helemaal vooraan de zin , gevolgd door het partikel "echter" (Grieks : de) , in Mc 9,30 en Mc 10,1 na het nevenschikkend voegwoord "en" (Grieks : kai) .
"Daarvandaan" verwijst telkens naar het huis waarin Jezus onderricht gaf aan zijn leerlingen.na een optreden van Jezus in het openbaar : een discussie met de Farizeeën en schriftgeleerden (Mc 7,1-23) , na een duiveluitdrijving (Mc 9,14-29) of na een discussie van de leerlingen onderweg (Mc 9,33-50) . In het volgende kader geven we de tekst "thuis" en "daarvandaan".

Mc 7,24.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) aalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36

Mc 7,24.1. - 2. και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) . Bijbel (9) . NT = Mc (3) : (1) Mc 7,24 . (2) Mc 9,30 . (3) Lc 9,4 .
- = de ekeithen (echter vandaar) . LXX (5) . NT (0) .

Mc 7,24.3. ἀναστὰς (= anastas: opgestaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αν-ι-στη-μι = an-i-stè-mi:: op-staan; stam: sta-) aalgebruik in het NT: anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) .
Mc (6) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 .

Mc 7,24.1. - 3.
- Mc 7,24 : Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan).
- Mc 10,1 : Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan).

Mc 7,24.4. ἀπῆλθεν (= apèlthen: zij gingen weg; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απερχομαι = aperchomai: weggaan < voorvoegsel απ' = ap' (vóór een niet-aangeblazen klinker) van απο = apo: af, van-weg + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) aalgebruik in het NT: aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc : aperchomai (weggaan) .
Mc (9) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 1,42 . (3) Mc 5,20 . (4) Mc 5,24 . (5) Mc 6,46 . (6) Mc 7,24 . (7) Mc 8,13 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 14,10 .  
Na de onthoofding van Johannes de Doper kwamen de leerlingen van Jezus van hun zending terug . In Mc 6,32 gingen Jezus en zijn leerlingen weg (apèlthon) in de boot naar een eenzame plaats in afzondering . Dat lijkt op een uitwijken wegens gevaar . In Mc 7,24 ging Jezus weg - wijkt uit - naar het gebied van Tyrus . Dat gebeurde na het grondig meningsverschil tussen Jezus enerzijds en de Farizeeën en schriftgeleerden anderzijds . Zo hoort Mc 7,24 thuis in een reeks van 'uit-wijk-ingen' : Mc 3,6 , Mc 6,32 , Mc 7,24 .

Mc 7,24.5. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,24.6. τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,24.7. ὅρια (= horia: gebied; zn acc onz mv van ὁριον = horion: gebied). Taalgebruik in het NT: horion (gebied) . Taalgebruik in Mc : horion (gebied) .
Mc (2) : (1) Mc 7,24 . (2) Mc 10,1 .

Mc 7,24.8. Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turus: Tyrus) Verwijzing in NT: turos (Tyrus) . Verwijzing in Mc : turos (Tyrus) .
Mc (2) : (1) Mc 7,24 . (2) Mc 7,31 .

Mc 7,24.5. - 8.
- eis ta horia turou (naar het gebied van Tyrus) . Mc (1) : Mc 7,24 .
- ek tôn horiôn turou (uit het gebied van Tyrus) : Mc (1) : Mc 7,31 .

Mc 7,24.9. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik : kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,24.10. εἰσελθὼν (= eiselthôn: binnengegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εισερχομαι = eiserchomai: gaan naar, binnengaan < voorvoegsel εισ = naar + wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 11,15 .

Mc 7,24.11. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,24.10. - 11. Een vorm van eiserchomai (binnengaan) + eis (in) in Mc : 22 / 30 .
- eiselthôn eis (binnengegaan in) . Mc (5 / 6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 3,27 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 11,15 .
(1) Mc 1,21 : kai ... eiselthôn eis tèn sunagôgèn (en ... binnengegaan in de synagoge) .
(2) Mc 2,1 : eiselthôn palin eis Kafarnaoum (binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
(3) Mc 3,27 : eis tèn oikian tou ischurou eiselthôn (in het huis van de sterke binnengegaan) .
() Mc 5,39 : eiselthôn (binnengegaan) . NIET .
(4) Mc 7,24 : eiselthôn eis oikian (in huis binnengegaan) .
(5) Mc 11,15 : eiselthôn eis to hieron (binnengegaan in de tempel) .

Mc 7,24.12. οἰκίαν (= oikian: huis; zn acc vr enk van het zn οικια = oikia: huis).

Mc 7,24.13. οὐδένα (= oudena: niemand; onbep vnw acc mann enk, ουδεις = oud-eis - ουδεμια = oudemia - ουδεν = ouden: nie-mand < niet iemand, niets). Taalgebruik in het NT: oudeis (niemand) . Taalgebruik in Mc : oudeis (niemand) .
Mc (3) : (1) Mc 5,37 . (2) Mc 7,24 . (3) Mc 9,8

Mc 7,24.14. ἤθελεν (= èthelen: hij wilde; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw θελω = thelô: willen; een verlengd augment in het imperf). Taalgebruik in het NT: thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (5) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,19 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 9,30 .

Mc 7,24.15. γνῶναι (gnômai: om te kennen; wkw act inf aor van het wkw γιγνωσκω = gignôskô: kennen; gi-gnô-sk-ô; stam gn-, Ned.: kn). Taalgebruik in het NT: gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc : gignôskô (kennen, weten) . Mc (1) : Mc 7,24 .

Mc 7,24.13. - 15.
- Mc 7,24 : oudena èthelen gnônai (hij wilde niemand kennen) .
- Mc 9,30 : kai ouk ?thelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen , gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea , maar hij wil niet dat iemand het weet .

Mc 7,24.16. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik : kai (en) in NT. Taalgebruik in Mc : kai (en). Zerwick, 455β: kai:en in de betekenis van maar.
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,24.17. οὐκ (= ouk: niet, partikel van ontkenning; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint, ου - ουκ - ουχ = ou - ouk - ouch: niet) (partikel van ontkenning ; ou + k omdat volgend woord met een klinker begint). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,2 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,24.18. ἠδυνήθη (= èdunathè: hij kon; med/pass ind aor 3de pers enk van het wkw δυναμαι = dunamai: kunnen). Taalgebruik in het NT: dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (1) : Mc 7,24 .

Mc 7,24.19. λαθεῖν (= lathein: om zich te verbergen; wkw act inf aor van het wkw λα-ν-θ-αν-ω = la-n-th-an-ô: verbergen, zich verbergen; stam: lath-). Taalgebruik in het NT: lanthanô (verborgen zijn) . Taalgebruik in Mc : lanthanô (verborgen zijn) . Mc (1) : Mc 7,24 .


Mc 7,25 - Mc 7,25 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:25 all euthus akousasa gun? peri autou ?s eichen to thugatrion aut?s pneuma akatharton elthousa prosepesen pros tous podas autou 25 mulier enim statim ut audivit de eo cuius habebat filia spiritum inmundum intravit et procidit ad pedes eius       [25] Maar meteen toen een vrouw, van wie het dochtertje in de macht was van een onreine geest, van Hem hoorde, ging ze naar Hem toe en wierp zich voor zijn voeten.  [25] Integendeel, er kwam al meteen een vrouw die over hem gehoord had naar hem toe, en zij viel voor zijn voeten neer. Ze had een dochter die door een onreine geest bezeten was.   25 nee, meteen als een vrouw over hem hoort, –en zij heeft een dochtertje met een onreine geest gehad– komt zij en valt hem voor zijn voeten.   25. Car aussit?t une femme, dont la petite fille avait un esprit impur, entendit parler de lui et vint se jeter ? ses pieds.  

Statenvertaling . 25 Want een vrouw, welker dochtertje een onreinen geest had, van Hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan Zijn voeten.
King James Bible . [25] For a certain woman, whose young daughter had an unclean spirit, heard of him, and came and fell at his feet:
Luther-Bibel . 25 sondern alsbald h?rte eine Frau von ihm, deren T?chterlein einen unreinen Geist hatte. Und sie kam und fiel nieder zu seinen F??en

Tekstuitleg van Mc 7,25 . Het vers Mc 7,25 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 95 (5 X 19) letters . De getalwaarde van Mc 7,25 is 11408 (2 X 2 X 2 X 2 X 23 X 31) .

  Mc 7,25 Mt 15,25  
  all euthus akousasa gunè peri autou ès eichen to thugatrion autès pneuma akatharton elthousa prosepesen pros tous podas autou è de elthousa prosekunei autô legousa kurie boèthei moi  

Mc 7,25 ἀλλ' εὐθὺς ἀκούσασα γυνὴ περὶ αὐτοῦ, ἧς εἶχεν τὸ θυγάτριον αὐτῆς πνεῦμα ἀκάθαρτον, ἐλθοῦσα προσέπεσεν πρὸς τοὺς πόδας αὐτοῦ:
Vertaling: maar/want onmiddellijk 'hoorde' een vrouw over hem. Haar dochtertje had een onreine geest. Zij kwam en viel bij zijn voeten.
Mc 7,25 ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling) εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord) ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos), ἧς (= hès: wat; betrekk vnw gen vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) θυγάτριον (= thugatrion: dochtertje; zn nom onz enk; het is onzijdig en een verkleinwoord van θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk) ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen) , ἐλθοῦσα (= elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi) πρὸς (= pros: naar, bij; vz van richting; bij personen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t) αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos):
Kort commentaar
- Een vrouw rukt onmiddellijk Jezus uit zijn isolement. Zij had gehoord dat Jezus in dat huis was. Hoe had zij dat kunnen horen? Waren er blijkbaar mensen die gemerkt hadden dat Jezus van Galilea zich ophield in dat huis? Waren zij dat aan de vrouw gaan vertellen? Die vrouw, maar ook haar omgeving, moet weet gehad hebben van de bezetenheid van haar dochtertje. Zij keken uit naar verlossing voor dat kind. Zo wordt Jezus, die bij het doopsel heilige geest ontving, geconfronteerd met een vrouw, wiens dochter door een onzuivere geest is bezeten. De vrouw komt naar Jezus toe en werpt zich voor zijn voeten. Voordat er een woord gezegd is, vermoeden we al waarvoor de vrouw komt. Ze is in een noodsituatie en ze komt hem om hulp vragen. Maar er is nog meer. Door haar contact met haar bezeten dochter beseft de vrouw wat het betekent bezeten te zijn. Ze kan zich inleven in de situatie van Jezus.

Mc 7,25.1. ἀλλ' (= all', maar; afkorting van αλλα = alla vóór een klinker; nevenschikkend vw van tegenstelling). Taalgebruik in het NT : alla (maar) . Taalgebruik in de LXX : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) . Mc (48) . Mc 7 (5) . αλλα = alla (maar) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,4 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,15 . αλλ' = all' (afkorting van alla) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,19 . (2) Mc 7,25 .

alla (maar)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev.  
alla 30  2 644  230  414  32  30  19  56  22  248  81  137 
all'  18          449  238  211  12  18  16  49  103  46  95 
Totaal  48  1093  468  625  44  48  35  105  30  251  12  127  232 

Mc 7,25.2. εὐθὺς (= euthus: onmiddellijk, rechtstreeks; bv nw als bijwoord).

Mc 7,25.3. ἀκούσασα (= akousasa: gehoord hebbende; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ακουω = akouô, Fr.: é-cou-ter). Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Taalgebruik in de Septuaginta : akouô (horen) . Bijbel (4) : (1) Est 4,4 . (2) Tob 3,10 . (3) Mc 5,27 . (4) Mc 7,25 . Een vorm van ακουω = akouô (horen) in de LXX (1069) , in het NT (427) .
- Ned. : horen . Horen en oor zijn verwant met elkaar . oor < Lat. aus , auris , zie Gr. ους = ous / ως= ôs , ωτις = ôtis . Lat. : auscultare (het oor lenen aan , toehoren , aanhoren) -> écouter . Arabisch : سَمِعَ = sami`a (luisteren, horen) . Taalgebruik in de Qoran : sami`a (luisteren, horen) . D. hören . E. : to hear . Fr. : écouter . Grieks : ακουω = akouô (horen) . Taalgebruik in het NT : akouô (horen) . Hebreeuws : שָׁמַע = sjâmâ` (horen, luisteren) . Taalgebruik in Tenakh : sjâm`â (horen, luisteren) .
Het gaat over twee vrouwen die over Jezus hoorden ; de ene lijdt aan bloedvloeiïng , de andere , wiens dochter bezeten is door een onzuivere geest .

Mc 7,25.4. γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje). Taalgebruik in het NT: gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor (ungere). Fr. femme (> Lat. femina). Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (7) : (1) Mc 5,25 . (2) Mc 5,33 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 12,22 . (6) Mc 12,23 .  (7) Mc 14,3 .
- Omdat de Helleense Syrofenicische vrouw (γυνη = gunè) een niet-Joodse is, wordt ze door de Joden een κυν-αριον = kun-arion: hond-je genoemd. Stam: k/h + n. De klank van γυν-η = gun-è: vrouw en κυν-αριον = kun-arion: hond-je ligt dicht bij elkaar. Door het gebruik van γυν-η = gun-è: vrouw horen we al de spot. Omdat er daarna sprake is van dochtertje zouder we eerder "΄μητηρ = mètèr: moeder" verwacht hebben. Als we verder doorgaan: γυν-η = gun-è: vrouw komt ἀκούσασα = akousasa: gehoord hebbende; honden kunnen goed horen; later zullen we ook zien dat honden goed kunnen blaffen. De tekst zegt zelfs: en onmiddellijk hoorde zij over hem; misschien was het eerste spoor van de hond wel het ruiken, waarna hij zijn oren spitst.

Mc 7,25.5. περὶ (= peri: over; vz + gen; stam: p/v - r). Taalgebruik in NT : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in de LXX : peri (over, rondom, omwille van) . Taalgebruik in Mc : peri (over, rondom, omwille van) . Mc (22) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,25 .

peri (omwille van, over) Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
22  894  590  304  28  22  43  57  63  90 93  150 

peri (omwille van, over) Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14
22  3 : (1) Mc 1,6 . (2) Mc 1,30 . (3) Mc 1,44 . 3  : (1) Mc 3,8 . (2) Mc 3,32 . (3) Mc 3,34 . 2  : (1) Mc 4,10 . (2) Mc 4,19 . 2  : (1) Mc 5,16 . (2) Mc 5,27 . 1 : Mc 6,48 . 2  : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,25 . 1 : Mc 8,30 . 2  : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,42 . 2  : (1) Mc 10,10 . (2) Mc 10,41 . 2  : (1) Mc 12,14 . (2) Mc 12,26 . 1 : Mc 13,32 . 1 : Mc 14,21 .

Mc 7,25.6. αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos). Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 7,25.5. - 6. περι αυτου = peri autou (over hem) . LXX (41) . NT (29) . Mc (3) : (1) Mc 7,25 . (2) Mc 8,30 . (3) Mc 14,21 .

Mc 7,25.7. ἧς (= hès: wat; betrekk vnw gen vr enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat). Zerwick, 201: herhaling van het persoonl vnw na het betrekk vnw: ἧς ... αὐτῆς.

Mc 7,25.8. εἶχεν (= eichen: het heeft; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw εχω = echô: hebben, bezitten). Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in het NT. Taalgebruik : echô (hebben, bezitten) in Mc . Lat. habere . Ned. hebben . Fr. avoir .
Mc (6) : (1) Mc 4,5 . (2) Mc 5,3 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 12,6 . (5) Mc 12,44 . (6) Mc 16,8 .

Mc 7,25.9. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,25.10. θυγάτριον (= thugatrion: dochtertje; zn nom onz enk; het is onzijdig en een verkleinwoord van θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter). Bijbel = Mc (2) : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 7,25 .
- Afgeleid van het zelfst. naamw. θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Taalgebruik in de LXX : thugatèr (dochter) . Mc (2) : (1) Mc 5,34 . (2) Mc 5,35 . Een vorm van θυγατηρ = thugatèr (dochter) in de LXX (641) , in het NT (28) .
- Hebreeuws : בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Getalswaarde : beth = 2 , thaw = 22 of 400 ; totaal : 24 (2³ X 3) OF 402 (2 X 3 X 67) . Structuur : 2 - 4 . De som van de elementen is telkens 6 . Tenakh (193) . Pentateuch (51) .
- Ned. : dochter . D. : Tochter . E. : daughter . Fr. : la fille . Grieks : θυγατηρ = thugatèr (dochter) . Hebreeuws : בַת = bath (dochter) . Taalgebruik in Tenakh : bath (dochter) . Taalgebruik in het NT : thugatèr (dochter) . Lat. : filia .

Mc 7,25.11. αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Mc 7,25.12. πνεῦμα (= pneuma: geest, adem, wind; zn nom en acc onz enk). Taalgebruik in het NT: pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

Mc 7,25.13. ἀκάθαρτον (= akatharton: onrein, onzuiver; bn nom en acc onz enk α-καθαρτος = a-kathartos: on-zuiver, on-rein, zie katharen = de reinen).

Mc 7,25.14. ἐλθοῦσα (= elthousa: gekomen zijnde; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi). Taalgebruik in het NT : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in de LXX : erchomai (gaan, komen) . Bijbel (9) : (1) Ex 2,8 . (2) Ez 33,6 . (3) Jdt 11,18 . (4) Jdt 12,13 . (5) Mt 15,25 . (6) Mc 5,26 . (7) Mc 5,27 . (8) Mc 7,25 . (9) Mc 12,42 . Een vorm van ερχομαι = erchomai (gaan, komen) in de LXX (1054) , in het NT (631) , in Mc (86) .

Mc 7,25.15. προσέπεσεν (= prosepesen: zij viel bij; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw προσ-πι-π-τω = pros-pi-p-t-ô: vallen bij; stam : pi). Taalgebruik in het NT : προσπιπτω = prospiptô (vallen bij) . Taalgebruik in de LXX : προσπιπτω = prospiptô (vallen bij) . Bijbel (14) . LXX (9) . NT (5) : (1) Mc 5,33 . (2) Mc 7,25 . (3) Lc 5,8 . (4) Lc 8,28 . (5) Hnd 16,29 . Een vorm van προσπιπτω = prospiptô (vallen bij) in de LXX (23) , in het NT (8) , in Mc (3) : (1) Mc 3,11 . (2) Mc 5,33 . (3) Mc 7,25 . In de LXX kan een vorm van het Griekse werkw. προσπιπτω = prospiptô (vallen bij) de vertaling van 6 verschillende Hebreeuwse werkw. zijn .
- Ned. : vallen . D. : fallen . E. : to fall . Fr. : tomber . Grieks : πιπτω = piptô (vallen) . Taalgebruik in het NT : piptô (vallen) . Hebreeuws : נָפַל = nâphal (vallen) . Taalgebruik in Tenakh : nâphal (vallen) . Latijn : cadere .

Mc 7,25.16. πρὸς (= pros: naar, bij; vz van richting; bij personen). Taalgebruik in het NT : pros (naar, bij) . Taalgebruik in de LXX : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Mc (62) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,25 .

pros (bij)   bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  3919  3272  647  41  62  158  91  122  166  261  352     

- Hebreeuws . ´l : voorzetsel אֶל = ´èl (naar, tot) OF godsnaam El . De verkorte vorm van de godsnaam אֱלֹהִים = ´èlohîm is אֵל = ´el . OF ontkenning עַל = ´al (niet) . Taalgebruik in Tenakh : ´èl . Getalwaarde is : aleph = 1 ; lamed = 12 of 30 ; totaal 13 of 31 (spiegelbeeld) . Structuur : 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 4 . Tenakh (3626) . Pentateuch (1096) . Eerdere Profeten (1070) . Latere Profeten (655) . 12 Kleine Profeten (142) . Geschriften (662) .
- Arabisch . إلي = ´ilâ (naar) . Taalgebruik in de Qoran : ´ilâ (naar) .

Mc 7,25.17. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord .

  lidw. mv. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  ΟΤ  ΝΤ  Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk  syn. ev.
16. acc. m. mv. tous 52       2960 2330 630 91 52 98 51 122 156 60    
  Totaal   389  21  25  26  22  22  33  30  29  16  28  18  27  23  36  24  23394  18879  4515  745  389  644  404  690  1228  415  1778  2182 

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 7,25.18. πόδας (= podas: voeten; zn acc vr mv van het zn πους = pous, podos: voet; stam: p/v - d/t). Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Taalgebruik in de LXX : pous , podos (voet) . Bijbel (123) . OT (70) . NT (50) . Een vorm van πους = pous , ποδος = podos (voet) in de LXX (301) , in het NT (93) .
- רַגְלָיו = ragëlâ(j)w (zijn voeten) < stat. constr. mann. mv. + suffix persoonl. voornaamw. 3e pers. mann. enk. van het zelfst. naamw. רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Getalswaarde : resj = 20 of 200 , ghimel = 3 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 35 (5 X 7) OF 233 (priemgetal) . Structuur : 2 - 3 - 3 . De som van de elementen is telkens 8 . Tenakh (34) .
- Ned. : voet . D. : Fuss . E. : foot . Fr. : pied . Grieks : πους = pous , ποδος = podos (voet) . Taalgebruik in het NT : pous , podos (voet) . Hebreeuws : רֶגֶל = règèl (voet, voetstap) . Taalgebruik in Tenakh : règèl (voet, voetstap) . Latijn : pes , -dis .

Mc 7,25.19.αὐτοῦ (= autou: 'over' hem; pers vnw 3de pers gen mann enk van het pers vnw αυτος = autos): Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 7,25.17. - 19. τους ποδας αυτου = tous podas autou (zijn voeten) . LXX (12) : (1) Gn 49,33 . (2) Ex 24,10 . (3) 1 S 14,13 . (4) 1 S 25,24 . (5) 2 S 19,25 . (6) 1 K 15,23 . (7) 2 K 4,37 . (8) 2 K 13,21 . (9) Est 8,3 . (10) Ps 17,10 . (11) Ps 104,18 . (12) Kl 3,34 . NT (15) : (1) Mt 18,29 . (2) Mc 5,22 . (3) Mc 7,25 . (4) Lc 7,38 (3X) . (5) Lc 17,16 . (6) Joh 11,2 . (7) Joh 11,32 . (8) Joh 12,3 . (9) Hnd 5,10 . (10) 1 Kor 15,25 . (11) 1 Kor 15,27 . (12) Ef 1,22 . (13) Apk 1,17 .

Mc 7,25.16. - 19. - εις τους ποδας αυτου = eis tous podas autou (naar zijn voeten) . Bijbel (2) : (1) Mt 18,29 . (2) Joh 11,32 .
- επι τους ποδας αυτου = epi tous podas autou (op zijn voeten) . Bijbel (4) : (1) 1 S 14,13 . (2) 1 S 25,24 . (3) 2 K 4,37 . (4) 2 K 13,21 .
- ὑπο τους ποδας αυτου = hupo tous podas autou (naar zijn voeten) . Bijbel (6) : (1) Ex 24,10 . (2) Ps 17,10 . (3) Kl 3,34 . (4) 1 Kor 15,25 . (5) 1 Kor 15,27 . (6) Ef 1,22 .
- παρα τους ποδας = para tous podas (bij de voeten) . NT (12) : (1) Mt 15,30 . (2) Lc 7,38 . (3) Lc 8,35 . (4) Lc 8,41 . (5) Lc 10,39 . (6) Lc 17,16 . (7) Hnd 4,35 . (8) Hnd 4,37 . (9) Hnd 5,2 . (10) Hnd 5,10 . (11) Hnd 7,58 . (12) Hnd 22,3 .
- παρα τους ποδας αυτου = para tous podas autou (bij zijn voeten) . Bijbel (3) : (1) Lc 7,38 . (2) Lc 17,16 . (3) Hnd 5,10 .
- προς τους ποδας αυτου = pros tous podas autou (bij zijn voeten) . Bijbel (4) : (1) Est 9,3 . (2) Mc 5,22 . (3) Mc 7,25 . (4) Apk 1,17 .
- עַל רַגְלָיו = `al ragëlâ(j)w (bij zijn voeten) . Tenakh (6) : (1) 1 S 17,6 . (2) 1 S 25,24 . (3) 2 K 4,37 . (4) 2 K 13,21 . (5) Zach 14,12 . (6) 1 Kr 28,2 .

Mc 7,25.15. - 19. Mc 5,22 : πιπτει προς τους ποδας αυτου = piptei pros tous podas autou (hij valt bij zijn voeten) .
- (1) Est 8,3 . (2) Mc 7,25 : προσεπεσεν προς τους ποδας αυτου = prosepesen pros tous podas autou (hij viel bij zijn voeten) .
- Apk 1,17 : επεσα προς τους ποδας αυτου = epesa pros tous podas autou (ik viel bij zijn voeten) .


Mc 7,26 - Mc 7,26 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:26 ? de gun? ?n ell?nis Surofoinikissa t?i genei kai ?r?ta auton ina to daimonion ekbal?i ek t?s thugatros aut?s  26 erat autem mulier gentilis Syrophoenissa genere et rogabat eum ut daemonium eiceret de filia eius      [26] De vrouw was een Griekse, afkomstig uit Syro-Fenicië. Ze vroeg Hem de demon uit haar dochter te drijven.  [26] Deze vrouw was van Syro-Fenicische afkomst en geen Jodin; ze smeekte hem om bij haar dochter de demon uit te drijven.  26 Maar de vrouw is een Helleense, een Syro–Fenicische van geboorte; en zij vraagt hem om de demon uit te drijven uit haar dochter.  26. Cette femme ?tait grecque, syroph?nicienne de naissance, et elle le priait d'expulser le d?mon hors de sa fille.  

Statenvertaling . 26 Deze nu was een Griekse vrouw, van geboorte uit Syro-fenici?; en zij bad Hem, dat Hij den duivel uitwierp uit haar dochter.
King James Bible . [26] The woman was a Greek, a Syrophenician by nation; and she besought him that he would cast forth the devil out of her daughter.
Luther-Bibel . 26 - die Frau war aber eine Griechin aus Syroph?nizien - und bat ihn, dass er den b?sen Geist von ihrer Tochter austreibe.

Tekstuitleg van Mc 7,26 . Het vers Mc 7,26 telt 19 woorden en 89 letters . De getalwaarde van Mc 7,26 is 9201 (3 X 19 X 163) .

Mc 7,26 ἡ δὲ γυνὴ ἦν Ἑλληνίς, Συροφοινίκισσα τῷ γένει: καὶ ἠρώτα αὐτὸν ἵνα τὸ δαιμόνιον ἐκβάλῃ ἐκ τῆς θυγατρὸς αὐτῆς.
Vertaling: Maar de vrouw was een Griekse , van Syro-Fenicische afkomst . Ze bleef hem vragen dat hij de duivel uit haar dochter zou uitwerpen.
Mc 7,26 (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje) ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2) Ἑλληνίς (= Hellènis: Helleense, nom vr enk; het was een Griekse) Συροφοινίκισσα (= surofoinikissa: Syro-Fenicische; nom vr enk) τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) γένει (= genei: afkomst; zn dat onz enk van het zn γενος = genos, genous: geslacht, afkomst; stam: gen-) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἠρώτα (= èrôta: zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend vw van doel: opdat) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐκβάλῃ (= ekbalè(i): hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô : uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)
Kort commentaar
Het blijft toch opvallend dat het verhaal nog steeds blijft spreken van gunè (vrouw) in plaats van moeder. Deze vrouw komt immers voor haar dochter. Of speelt de auteur met woorden: gunè (vrouw) en kunè (hond), aanduiding voor niet-joden. Dat contact tussen een man en een onbepaalde vrouw en bovendien tussen een jood en een niet-joodse moet wel heel verontreinigend zijn in sommige Joodse ogen. In plaats van een onreine geest is er sprake van een demon. Wie is door een demon bezeten? Jezus ? De vrouw? De dochter van de vrouw?

Mc 7,26.1. (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

Mc 7,26.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw). Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

Mc 7,26.3. γυνὴ (= gunè: vrouw; zn nom vr enk van het zn γυνη = gunè: vrouw; er staat niet een moeder ofschoon er onmiddellijk sprake is van haar dochtertje).

Mc 7,26.4. ἦν (= èn: hij/zij/het was; wkw act ind imperf 3de pers enk < ησ-εν = èsen? van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam: es-; temporeel augment: ε = e wordt η = è: Baeyens, 1963, 70/2).

Mc 7,26.5. Ἑλληνίς (= Hellènis: Helleense, nom vr enk; het was een Griekse).

Mc 7,26.6. Συροφοινίκισσα (= surofoinikissa: Syro-Fenicische; nom vr enk).

Mc 7,26.7. τῷ (= tô: de; bep lidw dat mann en onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 7,26.8. γένει (= genei: afkomst; zn dat onz enk van het zn γενος = genos, genous: geslacht, afkomst; stam: gen-).

Mc 7,26.9. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,26.10. ἠρώτα (= èrôta: zij vroeg; wkw act ind imperf 3de pers vr enk van het wkw ερωταω = erôtaô : vragen). Taalgebruik in het NT : erôtaô . Taalgebruik in de LXX : erôtaô . Bijbel (9) : (1) Gn 40,7 . (2) 1 S 22,10 . (3) Jr 37,17 . (4) Mt 16,13 . (5) Mc 7,26 . (6) Mc 8,5 . (7) Lc 7,36 . (8) Joh 4,47 . (9) Hnd 3,3 . Een vorm van ερωταω = erôtaô (vragen) in de LXX (70) , in het NT (62) , in Mc (3) .
- וַתִּשְׁאַל = waththisjë`al (en zij vroeg) < prefix voegwoord wë + act. ind. imperf. 3de pers. vr. enk. van het werkw. שָׁאַל = sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Taalgebruik in Tenakh : sjâ´al (verlangen, eisen, vragen) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , aleph = 1 , lamed = 12 of 30 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 331 (priemgetal) . Structuur : 3 - 1 - 3 . De som van de elementen is telkens 7 . Niet in Tenakh . Hebreeuwse vertaling van het Griekse ηρωτα = èrôta (hij / zij vroeg) van het werkw. ερωταω = erôtaô (vragen) .

Mc 7,26.9. - 10. και ηρωτα = kai èrôta (en hij / zij vroeg) . LXX (1) : Jr 37,17 (Jr 44,17?) . NT (2) : (1) Mc 7,26 . (2) Joh 4,47 .

Mc 7,26.11.αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,26.9. - 11. και ηρωτα αυτον = kai èrôta auton (en hij / zij vroeg hem) . LXX (1) : Jr 37,17 (Jr 44,17?) . NT (2) : (1) Mc 7,26 . (2) Joh 4,47 .

Mc 7,26.12. ἵνα (onderschikkend vw van doel: opdat). Taalgebruik in het NT: hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,26 . (3) Mc 7,32 . (4) Mc 7,36 .

Mc 7,26.9. - 12. και ηρωτα αυτον ἱνα = kai èrôta auton hina (en hij / zij vroeg hem opdat) . Bijbel (2) : (1) Mc 7,26 . (2) Joh 4,47 .

Mc 7,26.13. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,26.14. δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).

Mc 7,26.15. ἐκβάλῃ (= ekbalè(i): hij zou uitwerpen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw εκβαλλω = ekballô : uitvallen, uitwerpen, buitenwerpen).

Mc 7,26.16. ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz). Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,26.17. τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,26.18. θυγατρὸς (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter).

Mc 7,26.19. αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Duality

- act. ind. imperf. 3de pers. enk. èrôta (zij vroeg) van het werkw. erôtaô (vragen) . Mc (2) : (1) Mc 7,26 . (2) Mc 8,5 .
- kai èrôta (en hij / zij vroeg) : (1) Mc 7,26 . (2) Mc 8,5 .

Mc 7,27 - Mc 7,27 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:27 kai elegen aut?i afes pr?ton chortasth?nai ta tekna ou gar estin kalon labein ton arton t?n tekn?n kai tois kunariois balein 27 qui dixit illi sine prius saturari filios non est enim bonum sumere panem filiorum et mittere canibus      [27] Hij zei tegen haar: ‘Laat eerst de kinderen volop te eten krijgen, want het is niet goed om het brood van de kinderen te nemen en het aan de hondjes te geven.’  [27] Hij zei tegen haar: ‘Eerst moeten de kinderen genoeg te eten krijgen; het is niet goed om de kinderen hun brood af te pakken en het aan de honden te voeren.’  27 Hij heeft tot haar gezegd: laat toe dat eerst de kinderen verzadigd worden!– want het is niet fraai het brood van de kinderen te nemen en dat naar de hondjes te werpen!   27. Et il lui disait : ? Laisse d'abord les enfants se rassasier, car il ne sied pas de prendre le pain des enfants et de le jeter aux petits chiens. ? 

Statenvertaling . 27 Maar Jezus zeide tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk dat men het brood der kinderen neme, en den hondekens voor werpe.
King James Bible . [27] But Jesus said unto her, Let the children first be filled: for it is not meet to take the children's bread, and to cast it unto the dogs.
Luther-Bibel . 27 Jesus aber sprach zu ihr: Lass zuvor die Kinder satt werden; es ist nicht recht, dass man den Kindern das Brot wegnehme und werfe es vor die Hunde.

Tekstuitleg van Mc 7,27 .

Mc 7,27 καὶ ἔλεγεν αὐτῇ, Ἄφες πρῶτον χορτασθῆναι τὰ τέκνα, οὐ γάρ ἐστιν καλὸν λαβεῖν τὸν ἄρτον τῶν τέκνων καὶ τοῖς κυναρίοις βαλεῖν.
Vertaling: En hij zei haar : sta me toe dat eerst de kinderen worden verzadigd ; het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het naar de hondjes te werpen.
Mc 7,27 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Ἄφες (= afes: sta toe; wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan) πρῶτον (= prôton: ten eerste; bw) χορτασθῆναι (= chortasthènai: om verzadigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: verzadigen) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen), οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet) γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr.: car) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse) καλὸν (= kalon: goed; bv nw nom en acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon) λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) τέκνων (= teknôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κυναρίοις (= kunariois: aan de hondjes; zn dat onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) βαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).
Kort commentaar:
- Jezus gaat niet op de vraag van de vrouw in , maar maakt in een mooie verpakking een hatelijke afwijzing: je weet toch dat eerst de kinderen moeten verzadigd worden, vooraleer het brood aan de hondjes te gooien. De vrouw weet heel goed dat de hondjes een scheldnaam van Joden voor niet-Joden zijn. Zij hoort Jezus zeggen: het eigen volk (de kinderen) moeten eerst verzadigd worden of m.a.w. eigen volk eerst.

Mc 7,27.1. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,27.2. ἔλεγεν (= elegen: hij zei; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw legô (zeggen) (Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep). Taalgebruik in het NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (31) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,14 . (3) Mc 7,20 . (4) Mc 7,27 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 (10) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,11 . (3) Mc 7,14 . (4) Mc 7,18 . (5) Mc 7,20 . (6) Mc 7,27 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,34 . (9) Mc 7,36 . (10) Mc 7,37 .

Mc 7,27.3. αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 7,27.4. Ἄφες (= afes: sta toe; wkw act imperat. aor. 2de pers enk van het wkw αφιημι = afièmi: aflaten, toestaan).

Mc 7,27.5. πρῶτον (= prôton: ten eerste; bw).

Mc 7,27.6. χορτασθῆναι (= chortasthènai: om verzadigd te worden; wkw pass inf aor van het wkw χορταζω = chortazô: verzadigen).

Mc 7,27.7. τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,27.8. τέκνα (= tekna: kinderen; zn nom en acc onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen).

Mc 7,27.9. οὐ (= ou: niet, partikel van ontkenning; ου, ουκ, ουχ, = ou, ouk, ouch: niet). Taalgebruik in het NT: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 7 (7) : ou (niet) in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,18 . (3) Mc 7,27 . ouk (niet) in Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,24 .

Mc 7,27.10. γάρ (= gar: want, nevenschikkend vw van reden; Fr.: car). Taalgebruik in het NT: gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,27 .

Mc 7,27.11. ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse). Taalgebruik in het NT: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,4 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,34 .

Mc 7,27.12.καλὸν (= kalon: goed; bv nw nom en acc onz enk van het bv nw καλος = kalos: goed, mooi, schoon). Taalgebruik in het NT: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc : kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9) : (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21 .  

Mc 7,27.13. λαβεῖν (= labein: om te nemen; wkw act inf aor van het wkw λαμβανω = lambanô: nemen; stam: lab).

Mc 7,27.14. τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,27.15. ἄρτον (= arton: brood; zn acc mann enk van het zn αρτος = artos: brood; gemeensch.: r - t/d).

Mc 7,27.16. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,27.17. τέκνων (= teknôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn τεκνον = teknon: kind, het geborene, zie het wkw τικτω = tiktô: baren, bevallen).

Mc 7,27.18. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,27.19. τοῖς (= tois: aan de; bep lidw dat mann en onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het).

Mc 7,27.20. κυναρίοις (= kunariois: aan de hondjes; zn dat onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je).

Mc 7,27.21. βαλεῖν (= balein: om te werpen; wkw act inf aor van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).


Mc 7,28 - Mc 7,28 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:28 ? de apekrith? kai legei aut?i nai Kurie kai ta kunaria upokat?i t?s trapez?s esthiousin apo t?n yichi?n t?n paidi?n   28 at illa respondit et dicit ei utique Domine nam et catelli sub mensa comedunt de micis puerorum      [28] Ze had hierop een weerwoord: ‘Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kleintjes.’  [28] De vrouw antwoordde: ‘Heer, de honden onder de tafel eten toch de kruimels op die de kinderen laten vallen.’  28 Maar zij antwoordt en zegt tot hem: toch wél, heer: ook de hondjes ónder de tafel eten van de kruimels van de kinderen!  28. Mais elle de r?pliquer et de lui dire : ? Oui, Seigneur ! et les petit chiens sous la table mangent les miettes des enfants ! ? 

Statenvertaling . 28 Maar zij antwoordde en zeide tot Hem: Ja, Heere, doch ook de hondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.
King James Bible . [28] And she answered and said unto him, Yes, Lord: yet the dogs under the table eat of the children's crumbs.
Luther-Bibel . 28 Sie antwortete aber und sprach zu ihm: Ja, Herr; aber doch fressen die Hunde unter dem Tisch von den Brosamen der Kinder.

Tekstuitleg van Mc 7,28 . Variabele lezingen .

Mc 7,28 ἡ δὲ ἀπεκρίθη καὶ λέγει αὐτῷ, Κύριε, καὶ τὰ κυνάρια ὑποκάτω τῆς τραπέζης ἐσθίουσιν ἀπὸ τῶν ψιχίων τῶν παιδίων.
Vertaling: Maar zij antwoordde en zegt hem : Heer, ook de hondjes onder de tafel eten van de kruimels van de kinderen.
Mc 7,28 (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw) ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Κύριε (= kurie: Heer; zn voc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer) , καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) κυνάρια (= kunaria: hondjes; zn nom en acc onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) ὑποκάτω (= hupokatô: onder; vz + gen) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) τραπέζης (= trapezès: van de tafel; zn gen vr enk van het zn τραπέζη = trapezè: tafel) ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker) en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ψιχίων (= psichiôn: van de kruimels; zn gen onz mv van het zn ψιχίον = psichion: kruimel) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind).
Kort commentaar:
- De vrouw geeft Jezus een onverwacht antwoord. Wat jij zegt kan wel waar zijn in jouw ogen, maar vanuit mijn standpunt niet: immers, de hondjes eten van de kruimels die de kinderen van de tafel laten vallen, m.a.w. niet-Joden, zoals de Joden zelf, maken deel uit van een universele mensengemeenschap. De vrouw wil zeggen: het inclusief denken over het volk van Israël moet jij, Jezus doortrekken tot de hele mensengemeenschap.

Mc 7,28.1. (= hè: de; bep lidw nom vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,12 . (5) Mc 7,13 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 .

Mc 7,28.2. δὲ (= de: tegenover, echter; nevensch vw). Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149 + 2) . Mc 7 (8) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,11 . (4) Mc 7,20 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,26 . (7) Mc 7,28 . (8) Mc 7,36 .

Mc 7,28.3. ἀπεκρίθη (= apekrithè: hij antwoordde; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw απο-κρι-ν-ομαι = apo-kri-n-o-mai: antwoorden; stam: kri). Taalgebruik in het NT: apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

Mc 7,28.4. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc (555) . Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,28.5. λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep). Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .  legei autois (hij zegt hen) in Mc 7 in Mc 7,18 . kai legei autois (en hij zegt hen) in Mc 7 (2) : (1) Mc 7,28 . (2 ) Mc 7,34 . Een vorm van legô (zeggen) in Mc 7 in 10 verzen en van eipon (ik zei) in Mc 7 in 4 verzen .

Mc 7,28.6. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (109) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 7,32 . (3) Mc 7,34 .

Mc 7,28.5. - 6. legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 7,28.4. - 6. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7 / 12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,34 . (5) Mc 14,30 . In 2 verzen is iemand anders dan Jezus onderwerp : (1) Mc 7,28 (de Syrofenicische) . (2) Mc 14,61 (de hogepriester) .

Mc 7,28.7. Κύριε (= kurie: Heer; zn voc mann enk van het zn κυριος = kurios: heer).

Mc 7,28.8. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,28.9.τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,28.10. κυνάρια (= kunaria: hondjes; zn nom en acc onz mv van het zn κυναριον = kuna-rion: hond-je) ὑποκάτω (= hupokatô: onder; vz + gen).

Mc 7,28.11. τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,28.12. τραπέζης (= trapezès: van de tafel; zn gen vr enk van het zn τραπέζη = trapezè: tafel).

Mc 7,28.13. ἐσθίουσιν (= esthiousin: zij eten; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw εσθιω = esthiô (eten) . fut. εδομαι = edomai , aor. εφαγον = efagon , perf. εδηδως = edèdôs , wkw met verschillende stammen, zie Baeyens nr 136 blz 102).

Mc 7,28.14. act. ind praes. 3de pers. mv. esthiousin van het werkw. esthiô (eten) . Taalgebruik in het NT: esthiô (eten) . Taalgebruik in Mc : esthiô (eten) . Lat. manducare . F. manger . Ned. eten . E. to eat . D. essen .
Mc (5) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,3 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,28 .

Mc 7,28.15. ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker). Taalgebruik in het NT: apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 .

Mc 7,28.16. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,28.17. ψιχίων (= psichiôn: van de kruimels; zn gen onz mv van het zn ψιχίον = psichion: kruimel).

Mc 7,28.18. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).

Mc 7,28.19. παιδίων (= paidiôn: van de kinderen; zn gen onz mv van het zn παιδίον = paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind). Taalgebruik in het NT: paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (2) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,37 .


Mc 7,29 - Mc 7,29 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:29 kai eipen aut?i dia touton ton logon upage exel?luthen ek t?s thugatros sou to daimonion 29 et ait illi propter hunc sermonem vade exiit daemonium de filia tua       [29] Hij zei tegen haar: ‘Omdat u dit zegt: ga maar terug, de demon is al uit uw dochter weg.’  [29] Hij zei tegen haar: ‘Dat hebt u goed gezegd. Ga naar huis, de demon heeft uw dochter al verlaten.’  29 Dan zegt hij tot haar: om dit woord,– ga heen!, de demon is uit je dochter weggegaan!  29. Alors il lui dit : ? A cause de cette parole, va, le d?mon est sorti de ta fille. ? 

Statenvertaling . 29 En Hij zeide tot haar: Om dezes woords wil ga heen, de duivel is uit uw dochter uitgevaren.
King James Bible . [29] And he said unto her, For this saying go thy way; the devil is gone out of thy daughter.
Luther-Bibel . 29 Und er sprach zu ihr: Um dieses Wortes willen geh hin, der b?se Geist ist von deiner Tochter ausgefahren.

Tekstuitleg van Mc 7,29.

Mc 7,29 καὶ εἶπεν αὐτῇ, Διὰ τοῦτον τὸν λόγον ὕπαγε, ἐξελήλυθεν ἐκ τῆς θυγατρός σου τὸ δαιμόνιον.
Vertaling: en hij zei haar : omwille van dat woord ga , uit jouw dochter is de demon uitgegaan.
Mc 7,29 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc) τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord) ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen), ἐξελήλυθεν (= ekselèluthen: hij is uitgegaan; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) θυγατρός (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter) σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).
Kort commentaar:
- Jezus snapt de vrouw. Ze bevrijdt hem van zijn demon tegenover niet-Joden. Een nieuwe horizont gaat voor Jezus open . Jezus ontdekt dat zijn boodschap universeel is . Het woord van de vrouw bevrijdt haar dochter van de demon . In plaats van agressie , tegenstelling en strijd komt mededogen , verbondenheid en vrede .

Mc 7,29.1. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,29.2. εἶπεν (= eipen: hij zei; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep). Taalgebruik in NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,29 .

Mc 7,29.3. αὐτῇ (= autè: aan haar; vnw 3de pers dat vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij).

Mc 7,29.4. Διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; vz = acc). Taalgebruik in NT: dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
Mc (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,31 .

Mc 7,29.5. τοῦτον (= touton: dit of dat; aanwijz vnw acc mann enk van het aanwijz vnw ουτος = houtos, αυτη = hautè, τουτο = touto: deze, dit, de d van aanwijzing: dat, Fr.: tu). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,29.6. τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,29.7. λόγον (= logon: woord; zn acc mann enk van het zn λογος = logos: woord).

Mc 7,29.8. ὕπαγε (= hupage: ga weg; wkw act imperat. praes 2de pers enk van het wkw ὑπαγω = hupagô: weggaan, onder iets brengen).

Mc 7,29.9. ἐξελήλυθεν (= ekselèluthen: hij is uitgegaan; wkw med ind perf 3de pers enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).

Mc 7,29.10. ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,29.11. τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,29.12. θυγατρός (= thugatros: van de dochter; zn gen vr enk van het zn θυγατηρ = th-ug-a-tèr: d-o-ch-ter).

Mc 7,29.13. σου (= sou: van jou, u, pers vnw 2de pers gen enk van het pers vnv συ = su: jij. Lat.: tu, Fr.: tu).

Mc 7,29.14.τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,29.15. δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).


Mc 7,30 - Mc 7,30 : 156. Genezing van de dochter van een Kananeese / Syrofenicische vrouw - Mc 7,24-30 - Mt 15,21-28 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 - Mc 7,24 - Mc 7,25 - Mc 7,26 - Mc 7,27 - Mc 7,28 - Mc 7,29 - Mc 7,30 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:30 kai apelthousa eis ton oikon aut?s
euren to paidion bebl?menon epi t?n klin?n kai to daimonion exel?luthos
30 et cum abisset domum suam invenit puellam iacentem supra lectum et daemonium exisse       [30] Ze ging naar huis, waar ze haar kind in bed vond, terwijl de demon verdwenen was.  [30] En toen ze thuiskwam, lag haar kind op bed en bleek de demon verdwenen te zijn.  30 Teruggekeerd in haar huis vindt zij het kindje neergeworpen op het bed en de demon weggegaan.  30. Elle retourna dans sa maison et trouva l'enfant ?tendue sur son lit et le d?mon parti. 

Statenvertaling . 30 En als zij in haar huis kwam, vond zij, dat de duivel uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.
King James Bible . [30] And when she was come to her house, she found the devil gone out, and her daughter laid upon the bed.
Luther-Bibel . 30 Und sie ging hin in ihr Haus und fand das Kind auf dem Bett liegen, und der b?se Geist war ausgefahren.

Tekstuitleg van Mc 7,30.

Mc 7,30 καὶ ἀπελθοῦσα εἰς τὸν οἶκον αὐτῆς εὗρεν τὸ παιδίον βεβλημένον ἐπὶ τὴν κλίνην καὶ τὸ δαιμόνιον ἐξεληλυθός.
Vertaling: en zij ging weg naar haar huis. Zij vond het kind, gevallen op het bed en de demon die was uitgegaan.
Mc 7,30 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπελθοῦσα (= apelthousa: weggegaan; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ap-erch-omai : weg-gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis) αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) εὗρεν (= heuren: zij vond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) παιδίον (= paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind; zn acc onz enk) βεβλημένον (= beblèmenon: gevallen, geworpen; wkw med part perf acc onz enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) ἐπὶ = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en εφ' = ef' (vóór een aangeblazen klinker); vr van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) κλίνην (= klinèn: ligbed; zn acc vr enk van het zn κλίνη = klinè: ligbed; zie wkw κλινω = klinô: doen leunen, neerleggen, neigen) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk) ἐξεληλυθός (= ekselèluthos: uitgegaan; wkw act part perf acc onz enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai : uit-gaan ; stam : elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).
Kort commentaar:
- De vrouw gaat naar huis en thuis is de rust teruggekeerd . De demon is weg . Het kind ligt op het bed . En wat doet Jezus? Hij gaat terug naar Galilea en naar Dekapolis met een nieuw inzicht : verzamelen, bijeenbrengen, verbondenheid scheppen .

Mc 7,30.1. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,30.2. ἀπελθοῦσα (= apelthousa: weggegaan; wkw act part aor nom vr enk van het wkw ap-erch-omai : weg-gaan; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden. Ned.: weg. wkw be-wegen - bewoog - bewogen. D.: Weg. E.: way. Gr. ερχομαι = erchomai: be-weg-en, op weg gaan; de beginklinker kan wijzen op de halfklinker/-medeklinker w/u, r tussen haakjes plaatsen; zo bekomen we w-ch/g: weg)

Mc 7,30.3. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,30.4. τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,30.5. οἶκον (= oikos: huis; zn acc mann enk van het zn οικος = oikos: huis).

Mc 7,30.6. αὐτῆς (= autès: van haar; pers vnw 3de pers gen vr enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Mc 7,30.7. εὗρεν (= heuren: zij vond; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw εὑρισκω = heuri-sk-ô : vinden).

Mc 7,30.8. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,30.9. παιδίον (= paidion: kindje, verkleinwoord van het zn παις = pais: kind; zn acc onz enk). Taalgebruik in het NT: paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (5) : (1) Mc 5,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,30 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 10,15 .

Mc 7,30.10. βεβλημένον (= beblèmenon: gevallen, geworpen; wkw med part perf acc onz enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).

Mc 7,30.11. ἐπὶ = epi: op, bij; afkortingen: επ' = ep' (vóór een niet-aangeblazen klinker) en εφ' = ef' (vóór een aangeblazen klinker); vr van plaats).

Mc 7,30.12. τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32

Mc 7,30.13. κλίνην (= klinèn: ligbed; zn acc vr enk van het zn κλίνη = klinè: ligbed; zie wkw κλινω = klinô: doen leunen, neerleggen, neigen).

Mc 7,30.14. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,30.15. τὸ (= to: het, bep lidw nom en acc onz enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,25 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,30 .

Mc 7,30.16. δαιμόνιον (= daimonion: demon; zn nom en acc onz enk).

Mc 7,30.17. ἐξεληλυθός (= ekselèluthos: uitgegaan; wkw act part perf acc onz enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai : uit-gaan ; stam : elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).



157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 - Mc 7,31-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,31 - Mc 7,32 - Mc 7,33 - Mc 7,34 - Mc 7,35 - Mc 7,36 - Mc 7,37 -

Mc 7,31-37: genezing van een doofstomme
Jezus vertrekt uit het gebied van Tyrus, waar hij de Syro-Fenicische vrouw heeft ontmoet (Mc 7,31). Daar is Jezus zich ervan bewust geworden dat ook niet-Joden uitzien naar redding. Marcus zegt: Hij is opnieuw uitgaande. Het vertrek uit het gebied van Tyrus is eenmalig. Daarnaar kan dit opnieuw niet verwijzen. En zoals het meestal het geval is, staat opnieuw telkens vóór het woord waarop het slaat. Het heeft dus met “uitgaande” te maken. De voorgaande keer is het in Mc 6,34. Jezus is uitgaande (uit de boot). Ogenschijnlijk zien we geen verband tussen Mc 6,34 en Mc 7,31. Laten we wat dieper kijken. In Mc 6 liet koning Herodes Johannes de Doper onthoofden. Hierdoor was er geen spirituele leider meer. Wegens het dreigend gevaar ontvlucht Jezus de massa en wil hij een eenzame plek opzoeken op een andere plaats langs het meer van Galilea. Maar de massa ziet het en is hem voor. En “uitgaande” ziet Jezus de massa. Hij is met hen begaan omdat ze zijn als een kudde zonder herder. Deze situatie zal Jezus uitdagen om de verantwoordelijkheid van geestelijk leider op te nemen. In Mc 7,31 is Jezus uitgaande uit het gebied van Tyrus waar hij zijn verantwoordelijkheid opneemt om bovendien geestelijk leider van niet-Joden te worden.
Jezus gaat niet terug naar Galilea. Hij daalt af via Sidon naar het meer van Galilea te midden van Dekapolis. Hij gaat naar het Overjordaanse, waar enkele stammen van Israël zich bij de vestiging van de 12 stammen ten tijde van Jozua (12de eeuw v. Chr.) waren gaan wonen. Van die tweeënhalf stammen was in dat gebied niet veel van hen overgebleven. Het was een overwegend heidens gebied met misschien nog hier en daar enkele kernen van het volk van Israël. Jezus is daar al eens geweest (Mc 5,1-20). Hij had er de verspreide Israëlitische gelovigen op het oog. Jezus komt nu in hetzelfde gebied. Nu heeft hij oog voor de niet-Joden. Hij wordt in contact gebracht met een doofstomme. Het typeert de situatie. Er is in hun gemeenschap gebrek aan het luisteren naar en het spreken met elkaar. Er zijn “Joden” en niet-Joden. Er is de niet-Joodse inheemse bevolking en de bezettende macht van de Romeinen. Wellicht moeten ze niet veel van elkaar hebben en leven ze gescheiden van elkaar.
Er zijn dus twee verhalen die zich afspelen in het gebied van Dekapolis (Mc 5,1-20; Mc 7,31-37), langs het meer van Galilea, in het Overjordaanse. In Mc 5,1-20 gaat het om een bezetene die uiting geeft aan zijn enorme haat en agressie; in Mc 7,31-38 om een “doofstomme” die de situatie in het heidens gebied weergeeft. De bewoners vragen verandering. Zij doen op Jezus een beroep opdat hij op de doofstomme de hand zou opleggen. Met de handoplegging wordt gesymboliseerd dat de goede geest over hem zou mogen komen: luisterbereidheid en dialoog. Het zal een enorme stap vooruit zijn als de verschillende bevolkingsgroepen toenadering naar elkaar zoeken.  
De doofstomme wordt apart genomen. Zijn oren hebben stoppen en zijn tong is vastgeklonken. Met zijn vingers in de oren doorbreekt Jezus de stoppen en met speeksel smeert hij de vastgeklonken tong. Het letterlijke contact symboliseert het andere contact: dat van mens tot mens, van een Jood met een niet-Jood. Luisteren en spreken wordt mogelijk gemaakt.
Marcus voegt er nog een zin aan toe. Jezus blikt naar de hemel, zucht en zegt: ga open. Het is alsof Jezus voor de doofstomme de hemel wil openen opdat de geest op hem zou neerdalen. Het herinnert aan de doop van Jezus. Wanneer we dit denkspoor doortrekken, zou het kunnen betekenen dat de niet-Jood ook een zoon van God is en broer-en-zus van wie dan ook. Natuurlijk wil Jezus dat zijn oren opengaan en dat zijn tong wordt losgemaakt. Maar wat hij zal horen en spreken, is vanuit de inspiratie van de geest. En geest betekent energie, kracht, verbondenheid.
Zijn gehoor gaat open voor wat hij vroeger niet kon horen en zijn tong kan spreken wat hij vroeger niet over zijn  lippen kon krijgen. Hij spreekt normaal, van mens tot mens, van broer tot broer. 
Jezus gebiedt om het aan niemand te vertellen. Dat komt wat vreemd over daar Jezus toch zijn boodschap wil verkondigen. Bijbelgeleerden met op kop Wrede spreken van het messiasgeheim. Jezus wil niet dat ze hem openlijk als de messias belijden.
In drie bijzondere teksten klinkt het verbod: bij de genezing van de melaatse (Mc 1,40-45), bij de genezing van een bezetene (Mc 5,1-20) en bij de genezing van de doofstomme (Mc 7,31-37). In de drie gevallen gaat het om iemand die apart staat en in de gemeenschap wordt opgenomen. In de drie gevallen wordt tegen dat verbod ingegaan: de genezen jood van Galilea, de genezen jood, bezetene, van het Overjordaanse en de genezen niet-jood, doofstomme, eveneens van het Overjordaanse. Er is gradatie. De gemeenschap groeit: van de joden uit Galilea, naar de twaalf stammen tot de hele mensheid.
Ik weet niet goed hoe ik dat zwijggebod moet interpreteren. Het is wel zo dat het benadrukken van wat Jezus doet de aanwezigen kan afleiden van de boodschap en de opgave om broer-en-zus te worden van elkaar. En dat gaat niet van vandaag op morgen. En het is moeilijker dan de eerste opening naar een nieuwe samenleving uit te bazuinen. Om een uitgeslotene opnieuw in de gemeenschap te integreren, vraagt dat een inspanning van beide kanten. Des te meer nog als het over twee belangrijke bevolkingsgroepen gaat: Joden en niet-Joden.
Dringt Jezus erop aan om te zwijgen omdat het gevaar overal op de loer ligt en het gevaar nog groter wordt wanneer een massa enthousiast in beroering komt. De massa reageert met nog groter enthousiasme wanneer Jezus aandringt op stilte. Het is evenwel zo dat dankzij dit enthousiasme van deze massa de boodschap doordringt in het heidens gebied en dat mensen met al hun noden naar Jezus toekomen. Het zal blijken uit het volgende verhaal: de ellende, de armoede, de honger, ze komen overal voor, zonder het onderscheid van Jood of niet-Jood. Het zijn universele noden, van alle tijden.

STAP-VERHAAL VOOR STAP-VERHAAL : Mc 7,31-37 en Mc 8,22-26

Evangelielezing van de 23ste (drieëntwintigste) zondag door het jaar B : Mc 7,31-37 (Mc 7,31-37) :
In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus en begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekápolis. Men bracht een doofstomme bij Hem en smeekte Hem dat Hij deze de hand zou opleggen. Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan. Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel, zuchtte en sprak tot hem: "Effeta", wat betekent: Ga open. Terstond gingen zijn oren open, en werd de band van zijn tong losgemaakt zodat hij normaal sprak. Hij verbood hun het aan iemand te zeggen; maar met hoe meer nadruk Hij dat verbood, des te luider verkondigden zij het. Buiten zichzelf van verbazing riepen zij uit: "Hij heeft alles wel gedaan, Hij laat doven horen en stommen spreken."

Over het algemeen heeft de versindeler zich laten inspireren door de verandering van personage met uitzondering van Mc 7,33 - Mc 7,34 waar in beide Jezus het personage is . Elk van deze zinnen begint met het nevenschikkend voegwoord kai (en) . Na het nevenschikkend voegwoord volgt meestal een werkwoord - in Mc 7,31 wordt het werkwoord voorafgegaan door het bijwoord palin (opnieuw) , in Mc 7,37 door het bijwoord huperperissôs (bovenmate) . Aan de vorm van het werkwoord (enkelvoud - meervoud) is reeds de verandering van personage op te merken . De perikope telt 7 verzen . Vijftien maal wordt het verbindingswoordje kai (en) gebruikt , eenmaal het partikel de (echter) . De pericope telt 114 (6 X 19) woorden . Uit het veelvuldig gebruik van het woordje kai (en) blijkt dat we met een verhalende tekst te maken hebben .
Over het algemeen staat het werkwoord in de verleden tijd, maar toch ook enkele malen in de tegenwoordige tijd . In drie gevallen staat het werkwoord in aorist participium (verleden deelwoord) .
Naast de nevenschikkende zin kai legei autôi (en hij zegt aan hem) vinden we ook het participium legontes (zeggende) . Een vorm van het werkwoord legô (zeggen) wordt aangewend om een citaat in te leiden .

1 2 3 4 5 6 7
Mc 7,31 (Jezus) Mc 7,32 (medestanders van de doofstomme) Mc 7,33 (Jezus) Mc 7,34 (Jezus)

Mc 7,35 (doofstomme)

Mc 7,36 (Jezus) Mc 7,37
kai palin (en opnieuw) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai huperperissôs (en bovenmate)
exelthôn (uitgegaan) ferousin (zij brengen) apolabomenos (afzonderlijk genomen) anablepsas (opkijkend) ènoigèsan (gingen open) diesteilato (hij gebood) exeplèssonto (waren zij verbouwereerd)
            legontes (zeggende)

Mc 7,31 - Mc 7,31 - 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,31 - Mc 7,32 - Mc 7,33 - Mc 7,34 - Mc 7,35 - Mc 7,36 - Mc 7,37 .
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieëntwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:31 kai palin exelth?n ek t?n ori?n Turou ?lthen dia Sid?nos eis t?n thalassan t?s Galilaias ana meson t?n hori?n Dekapole?s  31 et iterum exiens de finibus Tyri venit per Sidonem ad mare Galilaeae inter medios fines Decapoleos   En weer ging hij weg uit het gebied van Tyrus (en) kwam door Sidon naar het meer van Galilea midden in het gebied van Dekapolis .  In die tijd vertrok Jezus uit de streek van Tyrus en begaf zich over Sidon naar het meer van Galilea, midden in de streek van Dekápolis.  [31] Hij vertrok weer uit het gebied van Tyrus en ging via Sidon naar het meer van Galilea, midden in de Dekapolis*.   [31] Hij vertrok weer uit de omgeving van Tyrus en ging via Sidon naar het Meer van Galilea, dwars door het gebied van Dekapolis.   31 ¶ En weer weggetrokken uit de grenzen van Tyrus, komt hij, over Sidon, aan bij de zee van Galilea, midden tussen de grenzen van de Tien Steden.  31. S'en retournant du territoire de Tyr, il vint par Sidon vers la mer de Galil?e, ? travers le territoire de la D?capole.  

Statenvertaling . 31 En Hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galilea, door het midden der landpalen van Dekapolis.
King James Bible . [31] And again, departing from the coasts of Tyre and Sidon, he came unto the sea of Galilee, through the midst of the coasts of Decapolis.
Luther-Bibel . 31 Und als er wieder fortging aus dem Gebiet von Tyrus, kam er durch Sidon an das Galil?ische Meer, mitten in das Gebiet der Zehn St?dte.

Tekstuitleg van Mc 7,31 . Het vers Mc 7,31 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 97 letters . De getalswaarde van Mc 7,31 is 11959 .

Mc 7,31 Καὶ πάλιν ἐξελθὼν ἐκ τῶν ὁρίων Τύρου ἦλθεν διὰ Σιδῶνος εἰς τὴν θάλασσαν τῆς Γαλιλαίας ἀνὰ μέσον τῶν ὁρίων Δεκαπόλεως.
Vertaling: En opnieuw uitgegaan uit het gebied van Tyrus en Sidon naar de zee van Galilea te midden van het gebied van Dekapolis.
Mc 7,31 καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) πάλιν (= palin: opnieuw; partikel) ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turos: Tyrus) ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel) Σιδῶνος (= sidônos: door Sidon; zn eigennaam gen vr enk van het zn Σιδων = sidôn: Sidon) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zmeer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea) ἀνὰ (= ana: langs; vz met acc: langs, omhoog op, volgens, overeenkomstig) μέσον (= meson: zich in het miodden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend) τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam) Δεκαπόλεως (= dekapoleôs: van Dekapolis; zn eigennaam gen vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad).

Mc 7,31.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc (555) . Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,31.2. πάλιν (= palin: opnieuw; partikel). Taalgebruik in het NT: palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 7 (2) : (1) Mc 7,14 . (2) Mc 7,31 . Het is de achtste maal dat palin (opnieuw) aangewend wordt .
Waarnaar verwijst palin (opnieuw) ? Naar de grammaticale vorm zou palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) kunnen verwijzen naar exelthôn (buitengegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) . Driemaal komt exelthôn in Mc voor ; tweemaal is Jezus onderwerp : (1) Mc 6,34 . (2) Mc 7,31 . In Mc 6,34 stapte Jezus uit de boot . In Mc 7,31 verliet Jezus een huis .
Ofwel hoort het bij de linken ochlos (menigte) , oikos (huis) en ekeithen (vandaar) . Linken tussen :
de menigte (ochlos) (Mc 7,14) : kai proskalesamenos palin ton ochlon (en opnieuw de menigte bij zich geroepen) ,
huis (oikos) (Mc 7,17) : kai eisèlthen eis oikon (en toen hij in huis was binnengegaan)
en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) : ekeithen de anastas apèlthen (vandaar echter opgestaan , ging hij weg) .
Mc 7,24 : kai eiselthôn eis oikian (en binnengegaan in een huis) met Mc 7,31 : kai palin exelthôn ek (en opnieuw uitgegaan uit) zou kunnen aansluiten bij dat schema en als een tweeling van de linken (oikos = huis en ekeithen = vandaar) kunnen beschouwd worden . Dan sluit exelthôn (uitgegaan) van Mc 7,31 mooi aan bij eiselthôn (ingegaan) van Mc 7,24 en zou palin kunnen verwijzen naar het feit dat Jezus tweemaal een huis uitgaat : Mc 7,17 - Mc 7,24 , Mc 7,24 - Mc 7,31 .

Mc 7,31.3. ἐξελθὼν (= ekselthôn= uitgegaan; wkw act part aor nom mann enk van het wkw εξερχομαι = eks-erchomai: uit-gaan; stam elth; zie het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het ww αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden). Taalgebruik in het NT: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Bij Marcus (3) : (1) Mc 1,45 . (2) Mc 6,34 . (3) Mc 7,31 .
In Mc 1,45 is de genezen melaatse onderwerp , in de andere twee verzen is het Jezus . In Mc 6,34 stapt Jezus uit de boot , in Mc 7,31 verlaat Jezus het huis en het gebied van Tyrus . Vaak gaat aan een vorm van exerchomai (uitgaan) een vorm van eiserchomai (ingaan) vooraf . In Mc 7,24 gaat Jezus een huis binnen (eiselthôn eis oikian) .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc (38) , in Mc 7 (3) : (1) Mc 7,29 . (2) Mc 7,30 . (3) Mc 7,31 .

Mc 7,31.1. 3. (ho) de exelthôn (hij echter uitgegaan) . Slechts in Mc 1,45 in het NT.
kai exelthôn (en uitgegaan) . In één vers bij Mc : (2) Mc 6,34 . In Mc 7,31 : kai palin exelthôn (en opnieuw uitgegaan) . palin van Mc 7,31 (Mc 7,31-37) verwijst naar exelthôn (uitgegaan) van Mc 6,34 (Mc 6,30-34) . STAP VOOR STAP ! Of naar apèlthen (ging hij weg) van Mc 7,24 .

Mc 7,31.4. ἐκ (= ek of εξ = ex: uit, + gen: vz). Taalgebruik in het NT: ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Voorzetsel . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc 7 (6) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,20 . (3) Mc 7,21 . (4) Mc 7,26 . (5) Mc 7,29 . (6) Mc 7,31 . ex (uit) : Mc 7,11 .

Mc 7,31.5. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,31.6. ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam). Taalgebruik in het NT: horion (gebied) . Taalgebruik in Mc : horion (gebied) . Mc (2) : (1) Mc 5,17 . (2) Mc 7,31 .

Mc 7,31.1. 3.- 6.
- Mc 5,17 : apelthein apo tôn horiôn autôn = weggaan van hun gebied . Een vorm van het werkw. ap-erchomai (weggaan) + voorzetsel apo (van) .
- Mc 7,31 : exelthôn ek tôn horiôn Turou = weggegaan uit het gebied van Tyrus . Een vorm van het werkw. ex-erchomai (uitgaan) + voorzetsel ek (uit) .

Mc 7,31.7. Τύρου (= turou: van Tyrus; zn eigennaam gen vr enk van het zn τυρος = turos: Tyrus). Verwijzing in NT: turos (Tyrus) . Verwijzing in Mc : turos (Tyrus) . Mc (2) : (1) Mc 7,24 . (2) Mc 7,31 .

Mc 7,31.8. ἦλθεν (= èlthen: hij kwam; wkw act ind aor 3de pers enk bij het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden).

Mc 7,31.9. διὰ (= dia: omwille van, wegens, via, bij middel van; voorzetsel). Taalgebruik in NT: dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na .
Mc (3) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,29 . (3) Mc 7,31 .

Mc 7,31.10. Σιδῶνος (= sidônos: door Sidon; zn eigennaam gen vr enk van het zn Σιδων = sidôn: Sidon).

Mc 7,31.11. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,31.12. τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,31.13. θάλασσαν (= thalassan: meer, zee; zn acc vr enk van het zn θαλασσα = thalassa: zmeer) τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: thalassa (zee) . Taalgebruik in Mc : thalassa (zee) .
Mc (9) (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .

- thalassa (zee, meer), zie Mc 1,16 . Bij Marcus: thalassa in 1 vers : Mc 4,41 ; thalassès in 4 verzen : (1) Mc 5,1 . (2) Mc 6,47 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 6,49 ; thalassan in 9 verzen : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 3,7 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,13 . (6) Mc 5,21 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 11,23 .Het is de enige maal dat èlthen (Hij ging) gelinkt wordt aan eis tèn thalassan (naar de zee). Jezus bevindt zich aan het heidens gedeelte van de zee.

Mc 7,31.12. - 13. tèn thalassan (de zee) . Accusatief vr. enk bepaald lidwoord + zelfstandig naamwoord . Mc (9 / 9) .

Er is enige overeenkomst tussen
- Mc 5,1 : και ηλθονεις το περαν της θαλασσης = Kai èlthon eis to peran tès thalassès (en zij gingen naar de overkant van de zee)
en Mc 7,31 : ηλθεν δια σιδωνος εις την θαλασσαν της γαλιλαιας = èlthen dia Sidônos eis tèn thalassan tès Galilaias (ging Hij via Sidon naar het meer van Galilea) .

Mc 7,31.14. τῆς (= tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,31.15. Γαλιλαίας (= Galilaias: langs Galilea; zn eigennaam gen vr enk van het zn γαλιλαια = galilaia: Galilea)

Mc 7,31.16. ἀνὰ (= ana: langs; vz met acc: langs, omhoog op, volgens, overeenkomstig)

Mc 7,31.17. μέσον (= meson: zich in het miodden bevindende: bv nw acc onz enk van het bv nw μεσος = mesos: zich in het midden bevindend)

Mc 7,31.18. τῶν (= tôn: van de; bep lidw gen mann/vr/onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 7 (10) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,2 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 7,6 . (6) Mc 7,8 . (7) Mc 7,21 . (8) Mc 7,27 . (9) Mc 7,28 . (10) Mc 7,31 .

Mc 7,31.19. ὁρίων (= horiôn; van de kleine bergen; zn gen onz mv van het zn ὁριον = horion: kleine berg; zn -ion: verkleinwoord, verzamelnaam, plaatsnaam).

Mc 7,31.20. Δεκαπόλεως (= dekapoleôs: van Dekapolis; zn eigennaam gen vr enk van het zn δεκαπολις = dekapôlis: tienstedenstad).


Mc 7,32 - Mc 7,32 - 157. Genezing van een doofstomme : Mc 7,31-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,31 - Mc 7,32 - Mc 7,33 - Mc 7,34 - Mc 7,35 - Mc 7,36 - Mc 7,37 .
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieëntwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
  32 et adducunt ei surdum et mutum et deprecantur eum ut inponat illi manum     [32] Ze brachten Hem iemand die doof was en moeilijk sprak, en ze drongen er bij Hem op aan, hem de hand op te leggen. [32] Daar werd iemand bij hem gebracht die doof was en gebrekkig sprak, en men smeekte hem om deze man de hand op te leggen. [ 32 Ze brengen hem een dove, die ook moeilijk spreekt, en roepen hem te hulp, of hij hem de hand wil opleggen. 32. Et on lui am?ne un sourd, qui de plus parlait difficilement, et on le prie de lui imposer les mains.  

Statenvertaling . 32 En zij brachten tot Hem een dove, die zwaarlijk sprak, en baden Hem, dat Hij de hand op hem legde.
King James Bible . [32] And they bring unto him one that was deaf, and had an impediment in his speech; and they beseech him to put his hand upon him.
Luther-Bibel . 32 Und sie brachten zu ihm einen, der taub und stumm war, und baten ihn, dass er die Hand auf ihn lege.

Tekstuitleg van Mc 7,32 . Het vers Mc 7,32 telt 13 (?) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) (?) letters . De getalwaarde van Mc 7,32 is 9204 (2 X 2 X 3 X 3 X 59) (?) .

Mc 7,32 καὶ φέρουσιν αὐτῷ κωφὸν καὶ μογιλάλον, καὶ παρακαλοῦσιν αὐτὸν ἵνα ἐπιθῇ αὐτῷ τὴν χεῖρα.
Vertaling: en zij dragen naar hem een dove en slechtsprekende en zij roepen hem ter hulp opdat hij hem de hand zou opleggen.
Mc 7,32 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) μογιλάλον (= mogilalon: slechtsprekende; bv nw zelfstandig gebruikt van het bv nw μογιλαλος = mogilalos: slechtsprekend; μογις = mogis, met moeite, ternauwernood; bw), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat) ἐπιθῇ (= epithè: hij zou opleggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen; stam θη = thè) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen).

Mc 7,32 : Kai (en) ferousin (zij brengen) autôi (hem) kôfon kai mogilalon (een dove en moeilijke sprekende) kai (en) parakalousin (zij doen een goed woordje) auton (- bij - hem) hina (opdat) epithèi autôi tèn cheira (hij hem de hand zou opleggen) .
Mc 8,22 : Kai (en) ferousin (zij brengen) autôi (hem) tuflon (een blinde) kai (en) parakalousin (zij doen een goed woordje) auton (- bij - hem) hina (opdat) 

Na het twistgesprek met de Farizeeën is Jezus uitgeweken naar het uiterste Noorden , grenzend aan Galilea , nl. het gebied van Tyrus en Sidon . Daar geneest Jezus een Syro-Fenicische (Mc 7,24-30) . Vandaar daalt Jezus af naar het meer van Galilea . In het overgangsvers wordt de band met het vorige verhaal gelegd

Dit wonderverhaal gelijkt evenwel heel sterk op het wonderverhaal in Mc 8,22-26 : de genezing van de blinde . In Mc 8,18 lezen we : gij hebt ogen en ziet niet , gij hebt oren en hoort niet . Jezus wijst zijn leerlingen erop dat zij niet zien dat hij de messias is . Mc 8,22-26 is een overgangspericope . Zij loopt vooruit op wat komen gaat nl. de openbaring van de identiteit van Jezus als messias in Mc 8,27-30 (de belijdenis van Petrus) en Mc 9,2-10 (de verheerlijking op de berg) . De twee genezingsverhalen horen bij elkaar : doven horen en blinden zien ; hierbij wordt Js 35,5 - Js 35,6 in herinnering gebracht : Dan worden de ogen van de blinden geopend en de oren van de doven geopend . Dan danst de kreupele als een hert en juicht de tong van de stomme .

woordbetekenis : oren - doof - horen : ta ôta autou (zijn oren) (Mc 7,33) , autou ta akoai (zijn gehoren) - kôfon (doof) (Mc 7,32) , tous kôfous (de doven) (Mc 7,37) - akouein (horen) (Mc 7,37) .
woordbetekenis : tong - stom - spreken : tès glôssès autou (zijn tong) (Mc 7,33) , ho desmos tès glôssès autou (de band van zijn tong) (Mc 7,35) - mogilalon (moeilijk sprekend) (Mc 7,32) , alalous (niet-sprekenden = stommen) (Mc 7,37) - elalei orthôs (hij sprak juist / correct) (lalein (spreken) (Mc 7,35) .

Mc 7,32.1. καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,32.2. φέρουσιν (= ferousin: zij brengen; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw φερω = ferô: dragen, brengen). Taalgebruik in het NT: ferô (voeren, dragen) . Taalgebruik in Mc : ferô (voeren, dragen) .
Mc (4) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 8,22 . (3) Mc 11,7 . (4) Mc 15,22 .

Mc 7,32.3. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (3) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 7,32 . (3) Mc 7,34 .

Mc 7,32.2. - 3. ferousin autô(i) = zij voeren naar hem . In Mc (2) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 8,22 .

Mc 7,32.4. κωφὸν (= kôfon: dove; bv nw zelfstandig gebruikt acc mann enk van het bv nw κωφος = kôfos: doof). Taalgebruik in het NT: kôfos (doof) . Taalgebruik in Mc : kôfos (doof) .
Mc (2) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 9,25 . Verder nog één vorm in Mc , nl. acc. mann. mv. kôfous (doven) : Mc 7,37 .

Mc 7,32.5. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,32.6. μογιλάλον (= mogilalon: slechtsprekende; bv nw zelfstandig gebruikt van het bv nw μογιλαλος = mogilalos: slechtsprekend; μογις = mogis, met moeite, ternauwernood; bw). Hapax in NTnl. in Mc 7,32 . Nog een vorm in O.T. .

Mc 7,32.7. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,32.8. παρακαλοῦσιν (= parakalousin: zij roepen ter hulp; wkw act ind praes 3de pers mv van het wkw παρακαλεω = parakaleô: bijroepen, ter hulp roepen, troosten, bijstaan, aanbevelen, aandringen). Vertalingen : Latijn : exhortare ; Nederlands : aansporen , oproepen . Taalgebruik in het NT: parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) . Taalgebruik in Mc : parakaleô - ad-vocare (bij-roepen) .
Mc (2) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 8,22 . Een vorm van parakaleô (ter hulp roepen) in Mc (9) wordt telkens gevolgd door auton (hem) waarmee Jezus is bedoeld .

Mc 7,32.9. αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,32.10. ἵνα (onderschikkend voegwoord van doel : opdat). Taalgebruik in het NT: hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,9 . (2) Mc 7,26 . (3) Mc 7,32 . (4) Mc 7,36 .
Een vorm van parakaleô (ter hulp roepen) in Mc (9) wordt telkens gevolgd door hina (opdat) (5 / 9) : (1) Mc 5,10 . (2) Mc 5,18 . (3) Mc 6,56 . (4) Mc 7,32 . (5) Mc 8,22 . Ook nog : Mc 5,23 (vervat in de directe rede) .

Mc 7,32.11.ἐπιθῇ (= epithè: hij zou opleggen; wkw act conjunct aor 3de pers enk van het wkw επιτιθημι = epitithèmi: opleggen; stam θη = thè). Taalgebruik in het NT: epitithèmi (opleggen) . Taalgebruik in Mc : epitithèmi (opleggen) . Mc (1) : Mc 7,32 .

Mc 7,32.12. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij)

Mc 7,32.13. τὴν (= tèn; bep lidw acc vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het). Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc 7 (10) : (1) Mc 7,3 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,9 . (5) Mc 7,10 . (6) Mc 7,17 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 7,31 . (10) Mc 7,32 .

Mc 7,32.14. χεῖρα (= cheira: hand; zn acc vr enk van het zn χειρ = cheir: hand / handgreep; gr-: grijpen). . Acc. vr. enk. van het zelfstandig naamwoord cheir (hand) . Taalgebruik in het NT: cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 .

Mc 7,32.13. - 14. de acc. vr. enk. cheira wordt steeds voorafgegaan door het bepaald lidw. acc. vr. enk. : tèn cheira (de hand) .
Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 3,1 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 7,32 . In Mc 1,41 (zijn hand uitstrekken) en in Mc 7,32 (de hand opleggen) wordt de genezende kracht van de hand van Jezus uitgedrukt .

Mc 7,32.10. - 14. het verzoek om de han(en) op te leggen
- Mc 5,23 : hina elthôn epithè(i)s tas cheiras autè(i) (opdat hij gekomen de handen haar zou opleggen) . Het verzoek van de overste van de synagoge wordt in de directe rede gesteld . Hieraan gaat vooraf : kai parakalei auton (en hij roept hem ter hulp) . Het hoofdwerkw. staat in de tegenw. tijd .
- Mc 7,32 : kai parakalousin auton hina epithè(i) autô(i) tèn cheira (en zij roepen hem ter hulp opdat hij hem de hand zou opleggen) .
In Mc zijn het de 2 verzen waarin een conjunct. wordt gebruikt .


Mc 7,33 - Mc 7,33 - 157. Genezing van een doofstomme : - Mc 7,31-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,31 - Mc 7,32 - Mc 7,33 - Mc 7,34 - Mc 7,35 - Mc 7,36 - Mc 7,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieëntwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:33 kai apolabomenos auton apo tou ochlou kat idian ebalen tous daktulous autou eis ta ?ta autou kai ptusas ?yato t?s gl?ss?s autou  33 et adprehendens eum de turba seorsum misit digitos suos in auriculas et expuens tetigit linguam eius  En hij nam hem terzijde uit de volksmenigte, afzonderlijk, (en) stak zijn vingers in zijn oren, en hij spuwde (en) raakte zijn tong aan,  Jezus nam hem terzijde, buiten de kring van het volk, stak hem de vingers in de oren en raakte zijn tong met speeksel aan  [33] Hij nam hem uit de menigte apart, stak zijn vingers in zijn oren en spuwde en raakte zijn tong aan,   [33] Hij nam de man apart, weg van de menigte, stak zijn vingers in diens oren en raakte met speeksel zijn tong aan.  33 Hij neemt hem apart uit de schare, zodat ze alleen zijn, steekt zijn vingers in zijn oren, spuugt en grijpt zijn tong vast;  33. Le prenant hors de la foule, ? part, il lui mit ses doigts dans les oreilles et avec sa salive lui toucha la langue.  

Statenvertaling . 33 En hem van de schare alleen genomen hebbende, stak Hij Zijn vingeren in zijn oren, en gespogen hebbende, raakte Hij zijn tong aan;
King James Bible . [33] And he took him aside from the multitude, and put his fingers into his ears, and he spit, and touched his tongue;
Luther-Bibel . 33 Und er nahm ihn aus der Menge beiseite und legte ihm die Finger in die Ohren und ber?hrte seine Zunge mit Speichel und

Tekstuitleg van Mc 7,33 .

Mc 7,33 καὶ ἀπολαβόμενος αὐτὸν ἀπὸ τοῦ ὄχλου κατ' ἰδίαν ἔβαλεν τοὺς δακτύλους αὐτοῦ εἰς τὰ ὦτα αὐτοῦ καὶ πτύσας ἥψατο τῆς γλώσσης αὐτοῦ,
Vertaling: en hem weggenomen weg van de massa afzonderlijk stak hij zijn vingers in zijn oren en gespuwd raakte hij zijn tong aan.
33 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀπολαβόμενος (= apolabomenos: weggenomen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω = apolambanô: afnemen, wegnemen, afzonderen; stam: λαβ = lab) αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij) ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) τοῦ (= tou: van de, bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het) ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte) κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat') ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf) ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen) τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) δακτύλους (= daktulous: vingers; zn acc mann mv van het zn δακτυλος = daktulos: vinger; Lat: ta-n-gere, tetigi ,tactum: aanraken; Fr: doigt; stam: t/d - g/c -> dig-itus) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het) ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het) καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) πτύσας (= ptusas: gespuwd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτυω = ptuô: spuwen) ἥψατο (hij raakte aan; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: happen, raken, aanraken) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong) αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het),

Mc 7,33.1. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,33.2. ἀπολαβόμενος (= apolabomenos: weggenomen; wkw pass part aor nom mann enk van het wkw απολαμβανω = apolambanô: afnemen, wegnemen, afzonderen; stam: λαβ = lab). Taalgebruik in het NT: apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) . Taalgebruik in Mc : apolambanô (afnemen, wegnemen, afzonderen) . Mc (1) : Mc 7,33 .

Mc 7,33.3. αὐτὸν (= auton: hem, pers vnw 3de pers acc mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 7,12 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,32 . (9) Mc 7,33 .

Mc 7,33.4. Taalgebruik in het NT: apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 7 (4) : (1) Mc 7,1 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,28 . (4) Mc 7,33 .

Mc 7,33.5. ἀπὸ (= apo; 'af', weg van, vanaf; vz van plaats, nl verwijdering; afkorτing απ' = ap' : vóór een niet-aangeblazen klinker en αφ' = af': vóór een aangeblazen klinker) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Mc (116) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,17 . (6) Mc 7,20 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,33.6. τοῦ (= tou: van de, bep lidw gen mann enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to (de - het).

Mc 7,33.7. ὄχλου (= ochlou: (van de menigte; zn gen mann enk van het zn οχλος = ochlos: menigte). Taalgebruik in het NT: ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) .
Mc (5) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,33 .  (3) Mc 8,1 . (4) Mc 9,17 .  (5) Mc 10,46 .

Mc 7,33.8. κατ' (= kata: van... naar beneden, volgens, vz; afkorting: κατ' = kat').

Mc 7,33.9. ἰδίαν (= idian: eigene, zelf; bv nw acc vr enk van het bv nw ιδιος = idios: eigen, zelf). Taalgebruik in het NT: idios (eigen) . Taalgebruik in Mc : idios (eigen) .
Mc (7) : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 7,33.8. - 9. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 7,33.10. ἔβαλεν (ebalen: hij wierp; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw βαλλω = ballô: werpen, gooien, vallen).

Mc 7,33.11. τοὺς (= tous: de; bep lidw acc mann mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het).

Mc 7,33.12. δακτύλους (= daktulous: vingers; zn acc mann mv van het zn δακτυλος = daktulos: vinger; Lat: ta-n-gere, tetigi ,tactum: aanraken; Fr: doigt; stam: t/d - g/c -> dig-itus).

Mc 7,33.13. αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het). Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 7 (6) : (1) Mc 7,2 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,19 . (4) Mc 7,25 . (5) Mc 7,33 . (6) Mc 7,35 .

Mc 7,33.14. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,33.15. τὰ (= ta; bep lidw nom en acc onz mv van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = h, το = to: de - het)Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (47) . Mc 7 (7) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,19 . (3) Mc 7,23 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 7,27 . (6) Mc 7,28 . (7) Mc 7,33 .

Mc 7,33.16. ὦτα (= ôta: oren; zn acc onz mv van het zn ους = ous: oor).

Mc 7,33.17. αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).

Mc 7,33.18. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik in het NT: kai (en) . Taalgebruik in Mc : kai (en) .
Mc 7 . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

Mc 7,33.19. πτύσας (= ptusas: gespuwd; wkw act part aor nom mann enk van het wkw πτυω = ptuô: spuwen).

Mc 7,33.20. ἥψατο (hij raakte aan; wkw med ind aor 3de pers enk van het wkw ἁπτω = haptô: happen, raken, aanraken). Taalgebruik in het NT: haptô (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptô (vastgrijpen, aanraken) . Lat. tangere , tango , tetigi , tactum : aanraken , belasten , grenzen aan . Gn 20,4 : Hebr. qârab . qërâbh (oorlog, strijd, zie Ps 144,1) . s' avancer < ab ante : vooruit komen , naderen . -> carabine : karabijn ; cabarinière : gendarme , soldaat . Fr. approcher > ad prope : benaderen . Mc (5) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 5,27 . (3) Mc 5,30 . (4) Mc 5,31 . (5) Mc 7,33 .

Mc 7,33.21. τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het).

Mc 7,33.22. γλώσσης (= glôssès: van de tong; zn gen vr enk van het zn γλώσση = glôssè: tong).

Mc 7,33.23. αὐτοῦ (= autou: van hem of van het; aanw vnw 3de pers gen mann of onz enk van het aanw vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het).


Mc 7,34 - Mc 7,34 - 157. Genezing van een doofstomme : - Mc 7,31-37 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 7 -- Mc 7,31 - Mc 7,32 - Mc 7,33 - Mc 7,34 - Mc 7,35 - Mc 7,36 - Mc 7,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 23ste (drieëntwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J?rusalem
7:34 kai anablepsas eis ton ouranon estenaxen kai legei aut?i effatha o estin dianoichth?ti 34 et suspiciens in caelum ingemuit et ait illi eppheta quod est adaperire  en naar de hemel opkijkend zuchtte hij en zei hem : "Effata, dat is : wordt geopend."  . Vervolgens sloeg Hij zijn ogen ten hemel, zuchtte en sprak tot hem: "Effeta", wat betekent: Ga open.   [34] en Hij keek op naar de hemel, zuchtte, en zei tegen hem: ‘Effata’, wat betekent: Ga open.   [34] Hij sloeg zijn blik op naar de hemel, zuchtte diep en zei tegen hem: ‘Effata!’, wat betekent: ‘Ga open!’  34 hij kijkt omhoog naar de hemel, zucht, en zegt tot hem: effatha, dat is: ga open!  34. Puis, levant les yeux au ciel, il poussa un g?missement et lui dit : ? Ephphatha ?, c'est-?-dire : ? Ouvre-toi ! ? 

Statenvertaling . 34 En opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte Hij, en zeide tot hem: Effatha! dat is: wordt geopend!
King James Bible . [34] And looking up to heaven, he sighed, and saith unto him, Ephphatha, that is, Be opened.
Luther-Bibel . 34 sah auf zum Himmel und seufzte und sprach zu ihm: Hefata!, das hei?t: Tu dich auf!

Tekstuitleg van Mc 7,34 . Het vers Mc 7,34 telt 13 woorden en 68 (2 X 2 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 7,34 is 7291 (23 X 317) .

Mc 7,34 καὶ ἀναβλέψας εἰς τὸν οὐρανὸν ἐστέναξεν, καὶ λέγει αὐτῷ, Εφφαθα, ὅ ἐστιν, Διανοίχθητι.
Vertaling: En omhoog geblikt naar de hemel zuchtte hij, en hij zegt hem: effatha, dit is, ga open.
Mc 7,34 καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel) ἐστέναξεν (= estenaksen: hij zuchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw στεναζω = stenazô: zuchten, bejammeren), καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa) λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep) αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij), Εφφαθα (= effatha: word open; Heb.: patach: openen), (= ho; betrekk vnw nom en acc onz enk van het betrekk vnw ὁς = hos, ἡ = h, ὁ = ho: wie/wat) ἔστιν (= estin: hij/zij/het is; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw ειμι = eimi: zijn; stam es- , zie Lat.: esse), Διανοίχθητι (= diavoichthèti: word geopend; wkw pass imperat aor 2de pers enk van het wkw διανοιγω = dianoigô: openen; zie het wkw οιγω = oigô en οιγνυμι = oig-nu-mi: openen).

Mc 7,34.1. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,34.2. ἀναβλέψας (= anablepsas: omhooggeblikt; wkw act part aor nom mann enk van het wkw αναβλεπω = anablepô: naar boven / omhoog blikken, opkijken). Taalgebruik in het NT: anablepô (naar boven blikken) . Taalgebruik in Mc : anablepô (naar boven blikken) . Ned. naar boven / omhoog blikken , opkijken .
Mc (3) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 7,34 . (3) Mc 8,24 .

Mc 7,34.3. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 7 (9) : (1) Mc 7,15 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 7,18 . (4) Mc 7,19 . (5) Mc 7,24 . (6) Mc 7,30 . (7) Mc 7,31 . (8) Mc 7,33 . (9) Mc 7,34 .

Mc 7,34.4. τὸν (= ton: de, bep lidw acc mann enk van het bep lidw ὁ = ho , ἡ = hè , το = to: de - het) Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 7 (13) : (1) Mc 7,5 . (2) Mc 7,10 . (3) Mc 7,13 . (4) Mc 7,14 . (5) Mc 7,15 . (6) Mc 7,18 . (7) Mc 7,19 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,23 . (10) Mc 7,27 . (11) Mc 7,29 . (12) Mc 7,30 . (13) Mc 7,34 .

Mc 7,34.5. οὐρανὸν (= ouranon: hemel; zn acc mann enk van het zn ουρανος = ouranos: hemel).

Mc 7,34.3. - 5. eis ton ouranon (naar de hemel) . Mc (3) : (1) Mc 6,41 . (2) Mc 7,34 . (3) Mc 16,19 . Mc 16,9-20 is pas later aan Mc toegevoegd .

Mc 7,34.2. - 5. STAP VOOR STAP !
- Mc 6,41 : anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel) .
- Mc 7,34 : anablepsas eis ton ouranon (omhooggeblikt naar de hemel) .
In beide verzen is Jezus onderwerp . Beide verzen maken deel uit van een wonderverhaal . In Mc 6,41 maakt het deel uit van het ritueel bij het brood . In Mc 7,34 gaat het gepaard met het genezingswoord .

Mc 7,34.6. ἐστέναξεν (= estenaksen: hij zuchtte; wkw act ind aor 3de pers enk van het wkw στεναζω = stenazô: zuchten, bejammeren). Taalgebruik in het NT: stenazô (zuchten) . Taalgebruik in Mc : stenazô (zuchten) .
Mc (1) : Mc 7,34 . Hapax in het NT.

Mc 7,34.7. καὶ (= kai: en; nv vw. Duits: und. Eng: and. Fr: et. Lat: et. Hebr: wë. Arab: wa). Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 37 verzen in Mc 7 niet in 11 verzen : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 7,7 . (3) Mc 7,8 . (4) Mc 7,11 . (5) Mc 7,12 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,16 . (8) Mc 7,20 . (9) Mc 7,21 . (10) Mc 7,22 . (11) Mc 7,25 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . D. : und . E. : and . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 7,34.8. λέγει (= λέγει: hij zegt; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw λεγω = legô: zeggen; voor de vervoeging worden twee wkw met hun verschillende stammen gebruikt: leg, Feg, Fer bij het wkw λεγω = legô: zeggen; Baeyens nr 136 blz 102; l-eg - Ned. z-eg , - aor επ = ep). Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc (62) . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .  Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) . Een vorm van λεγω = llegô (zeggen) in Mc 2 in 12 verzen en van ειπον = eipon (ik zei) in 2 verzen .

  legô : act. ind. praes. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 act. ind. pr. 3de pers. enk.  legei 62  12  1027  702  325  54  62  14  112  11  46  26  130  242 

  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
3 3 : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 .   6 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,10 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,17 . (6) Mc 2,25 .   5 : (1) Mc 3,3 . (2) Mc 3,4 . (3) Mc 3,5 . (4) Mc 3,33 . (5) Mc 3,34 .   2 : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 4,35 6 : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 5,9 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,36 . (5) Mc 5,39 . (6) Mc 5,41 .   3 : (1) Mc 6,31 . (2) Mc 6,38 . (3) Mc 6,50 .   3 : (1) Mc 7,18 . (2) Mc 7,28 . (3) Mc 7,34 .   5 : (1) Mc 8,1 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 8,17 . (4) Mc 8,29 . (5) Mc 8,33 .   3 : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .   5 : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42 4 : (1) Mc 11,2 . (2) Mc 11,21 . (3) Mc 11,22 . (4) Mc 11,33 .   2 : (1) Mc 12,16 . (2) Mc 12,37 1 : Mc 13,1 .   12 : (1) Mc 14,13 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,32 . (6) Mc 14,34 . (7) Mc 14,37 . (8) Mc 14,41 . (9) Mc 14,45 . (10) Mc 14,61 . (11) Mc 14,63 . (12) Mc 14,67 . 1 : Mc 15,2 . 1 : Mc 16,6 .  

Mc 7,34.7. - 8. και λεγει = kai legei (en hij zegt) . OT (11) . NT (79) . Mc (11) : (1) Mc 1,38 . (2) Mc 1,41 . (3) Mc 1,44 . (4) Mc 2,14 . (5) Mc 2,25 . (6) Mc 3,3 . (7) Mc 3,4 . (8) Mc 4,13 . (9) Mc 4,35 . (10) Mc 6,50 .  (11) Mc 7,18 . (12) Lc 7,28 . (13) Lc 7,34 . (14) Mc 9,35 .  (15) Mc 10,11 . (16) Mc 11,2 . (18) Mc 12,16 . (19) Mc 14,13 + 7 andere verzen van Mc 14 .

Mc 7,34.9. αὐτῷ (= autô: aan hem; pers vnw 3de pers dat mann enk van het pers vnw αυτος = αυτος: hij). Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Mc 7 (3) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 7,32 . (3) Mc 7,34 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 7,34.8. - 9. λεγει αυτῳ = legei autô(i) (hij / zij zei hem) . Mc (12) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 5,19 . (5) Mc 7,28 . (6) Mc 7,34 . (7) Mc 8,29 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,21 . (10) Mc 13,1 . (11) Mc 14,30 . (12) Mc 14,61 .

Mc 7,34.7. - 9. kai legei autô(i) (en hij zegt hem) . Mc (7) : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4) Mc 7,28 . (5) Mc 7,34 . (6) Mc 14,30 . (7) Mc 14,61 . In 5 verzen is Jezus onderwerp : (1) Mc 1,41 . (2) Mc 1,44 . (3) Mc 2,14 . (4)