MARCUSEVANGELIE : NEGENDE HOOFDSTUK , MC 9 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2-10 -- Mc 9,30-37 -- Mc 9,38-43.45.47-48 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Griekse tekst - Septuaginta : http://www.myriobiblos.gr/bible/nt2/mark/9.asp . Griekse tekst - Septuaginta .
- Vulgata : http://www.intratext.com/IXT/LAT0001/_PU4.HTM . Vulgata .
- Statenvertaling : http://www.statenvertaling.net/bijbel/marc/9.html . Statenvertaling .
- Willibrordvertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=65374,65421 . Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling : http://www.willibrordbijbel.nl/index.php?p=page&i=65374,65421 . De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel : http://naardensebijbel.nl/zoek.php . De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem : http://www.lexilogos.com/bible_multilingue.htm . Bible de Jérusalem .
- King James Bible : http://quod.lib.umich.edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=4520748 . King James Bible .
- Luther Bibel : http://www.die-bibel.de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Markus%209/bibel/text/lesen/ch/aed9e7fe5c996397ab8aa365e08d798c/ . Luther Bibel .

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik V - Marcus taalgebruik W - Marcus taalgebruik X - Marcus taalgebruik Y - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Tekstuitleg per pericope - Mc 9,1 - Mc 9,2-10 - Mc 9,11-13 - Mc 9,14-29 - Mc 9,30-32 - Mc 9,33-37 - Mc 9,38-41 - Mc 9,42 - Mc 9,43-48 - Mc 9,49-50
Tekstuitleg vers per vers - Mc 9,1 - Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 - Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 - Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 - Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 - Mc 9,42 - Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 - Mc 9,49 - Mc 9,50 -

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van Tenakh : Tenakh : overzicht , Tenakh : taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Tenakh : commentaar ,


 
   
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   Arabisch : http://wjsn.home.xs4all.nl/arab.htm    4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. http://naardensebijbel.nl/zoek.php .
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing  

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts (Vlaams Blok) , fundamentalisme , getallen , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- ean (indien) , zie Mc 9,49 .
- horos (berg. 6X bij Marcus)
- metamorfoomai (omvormen) . In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt 17,2 . (2) Mc 9,2 . (3) . (4)
- paralambanô (naast zich nemen, vergezellen) . Bij Marcus, zie Mc 9,2 : Mc 9,2-10 - .
- thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn), zie Mc 9,15
Bibliografie - Mc 9,2-13 -
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc 9,2-10 : 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer
Overzicht van de bijbelboeken
- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het zesde hoofdstuk van het Marcusevangelie :
167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -
168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -
169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -
171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -
174. Het gebruiken van Jezus'naam : Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -
175. Ergernis : Mc 9,42 - Mt 18,6-7 - Lc 17,1-3a -
176. Ergernis (2) :Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -
177. Gelijkenis van het zout : Mc 9,49-50 - Mt 5,13 - Lc 14,34-35 -

167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -

Mc 9,1 - Mc 9,1 : 167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:1 kai elegen autois amèn legô umin oti eisin tines ôde tôn estèkotôn oitines ou mè geusôntai thanatou eôs an idôsin tèn basileian tou theou elèluthuian en dunamei   et dicebat illis amen dico vobis quia sunt quidam de hic stantibus qui non gustabunt mortem donec videant regnum Dei veniens in virtute      [1] Ook zei Hij hun: ‘Ik verzeker u, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is.’  [1] Verder zei hij ook nog: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.’  1 ¶ Ook heeft hij tot hen gezegd: voorwaar, ik zeg u dat er sommigen zijn van wie hier staan die de dood niet zullen proeven voordat zij het koningschap van God hebben zien komen in kracht!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,1 .

Mc 9,1.1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

Mc 9,1.2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,11 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,24 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 9,26 . (9) Mc 9,31 . (10) Mc 9,35 . (11) Mc 9,41 .

Mc 9,1.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,1.1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc (14) : (1) Mc 2,27 . (2) Mc 3,23 .  (3) Mc 4,2 . (4) Mc 4,11 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 6,4 . (8) Mc 6,10 . (9) Mc 7,9 . (10) Mc 7,14 . (11) Mc 8,21 . (12) Mc 9,1 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 11,17 .  

Mc 9,1.4. amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn (amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 9,1.5. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (19) . Mc

Mc 9,1.6. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc

Mc 9,1.4. - 6. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 9,1.7. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,1.4. - 7. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (8) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 12,43 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 14,18 . (8) Mc 14,25 .

Mc 9,1.14. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,1.19. an . Taalgebruik in het N.T. : an . Taalgebruik in Mc : an . Mc (18) . Mc 9 (4) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 9,42 .

22. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) .
Mc (9) : (1) Mc 4,30 .  2 : (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,47 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,25 . (8) Mc 13,8 . (9) Mc 15,43 .

23. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,1.26. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 14,62 Mc 8,38 Mc 9,1 Mc 13,26
kai (en) hotan (wanneer) heôs an (totdat) kai tote (en dan)
opsesthe (gij zult zien)   idôsin (zij zullen zien) opsontai (zullen zij zien)
ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)   tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)
ek deksiôn (rechts)      
kathèmenon (zittend)      
dunameôs (van de kracht)      
kai (en)      
erchomenon (komende) elthèi (hij komt)  elèluthuian  (gekomen zijnde)  erchomenon (komende)
  en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) en dunamei (in kracht) en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid)
meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen)      
 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -   166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen : Mc 8,36-38 // Mt 16,26-27 // Lc 9,25-26 - Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -  167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 // Mt 16,28 // Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -  305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 // Mt 24,29-31 // Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -

168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -

- COUNE, M., Transfiguratie, in: Heiliging, jg.38 (1988), nr.2, p.1-40
- DREWERMANN, E., Beelden van verlossing. Toelichtingen op het evangelie van Marcus, 's-Gravenhage, Meinema, 199± (2), p.113-126
- GERITS, H., Op een berg, in: Bijbel en bezinning, jg.3 (1984), nr.1, p.109-112
- LAMBRECHT, J., Het Christusbeeld van Marcus, in: VBS-Informatie, jg.´ (1973), nr.2, p.18-32 . Verwijzing: Lambrecht Jan .
- MAES, L., Denken in de geest van Jezus (Een opdracht voor de catechese), in: Catechetische Informatie, jg.1¹ (1990), nr.1, p.12-19
- ROSSEL, W., Een gelaat als de zon, in: IDEM, Gij zijt mij te sterk. Gelovig leven in het licht van de bijbel, Antwerpen-Amsterdam, Patmos, 1978, p.110-124
- SMIT, J., Bevrijding in zwart‑wit (Marcus 9,2‑32), in: Schrift, jg. (1975), nr.37, p.14‑20
- SMIT, J., 12. Verlichting - Marcus 9,2-10, in: IDEM, Jezus, hoek­ steen of struikelblok? Wat zijn verhaal ons te zeggen heeft, Hilversum, Gooé en Sticht, 1978, p.61-63
- STANDAERT, B., De wolk der heerlijkheid binnenste buiten (Mc. 9,2-8), in: Jota, jg.± (1989), nr.1, p.39-49
- STANDAERT, B., Leven van Jezus, in: Heiliging, jg.3¹ (1989), nr.3, p.47-54
- VAN AMERSFOORT, S.M., Bergen verzetten. De verheerlijking van Jezus op de berg, Hilversum, Gooé ¦ Sticht, 1985
- VAN SEGBROECK, F., Luistert naar Hem, in: Ons geestelijk leven, jg.4¹ (1972), nr.1, p.13-23

Liturgische lezing 6 augustus : 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer : Mc 9,2-10 . Taalgebruik : Mc 9,2-10 .
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan. Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Rabbi, het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren allen geheel verbluft. Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem." Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.

  1. Jezus 2. de kleren van Jezus 3. Elia en Mozes 4. Petrus + medeleerlingen 5. de wolk en de stem 6. de leerlingen 7. Jezus 8. de leerlingen
  Mc 9,2 Mc 9,3 Mc 9,4  Mc 9,5 - Mc 9,6 Mc 9,7 Mc 9,8 Mc 9,9 Mc 9,10
  begin kai (en); 2X kai tussen zinsdelen; 2X kai :nevenschikkende zinnen begin kai begin kai en 1X kai nevenschikkende zinnen begin kai en kai tussen 2 nevenschikkende zinnen; 2X kai tussen zinsdelen 2X begin kai begin kai begin kai begin kai
   2X tegenwoordige tijd; 1X verleden tijd (aorist)  1X verleden tijd (aorist) + tegen-woordig deelwoord 1X tegenwoordige tijd 1X infintief praesens 2X verleden tijd (aorist) (1X met tegenwoordig deelwoord)  2X tegenwoordige tijd. 1X verleden deelwoord (aorist) 1X toekomende tijd. 1X verleden tijd (plusquam perfectum) 1X verleden tijd (aorist) 1X verleden tijd (imperfectum) 2X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord 1X verleden deelwoord (aorist) 1X verleden tijd (aorist) 4X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord 1X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordige tijd. 1X tegenwoordig deelwoord. 1X verleden tijd infinitief (aorist)
woorden 27 16 11 25        
lettergrepen   57 36 22 48        

Het gebruik van kai (en) en de (echter) - kai -
In deze tekst wordt geen enkele maal de (echter) gebruikt. Nochtans was er 7X verandering van personage. In 7 van de 7 gevallen wordt aan het begin van de zin kai (en) gebruikt. Ook bij het begin van de pericope wordt kai (en) gebruikt. De versindeler heeft de pericope in 9 verzen verdeeld; 8 ervan beginnen met kai (en), één met gar (want). Verder wordt kai (en) in Mt 9,2 tweemaal gebruikt om nevenschikkende zinnen met elkaar te verbinden, in Mt 9,4 eenmaal, in Mt 9,5 eenmaal en in Mt 9,7 eenmaal . Totaal: 13. Dat zou ook het aantal nevenschikkende zinnen van de pericope moeten zijn. Verder wordt kai (en) 4X gebruikt tussen zinsdelen. Totaal gebruik : 17X .

Mc 9,2 - Mc 9,2 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
 9:2 kai meta hèmeras hex paralambanei o Ièsous ton Petron kai ton Iakôbon kai ton Iôannèn kai anaferei autous eis oros hupsèlon kat idian monous kai metemorfôthè emprosthen autôn 2 et vestimenta eius facta sunt splendentia candida nimis velut nix qualia fullo super terram non potest candida facere  En na zes dagenb nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes mee en bracht hen omhoog op een hoge berg in afzondering alleen.   In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:   [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus*, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg* op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante,  [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, 2 Zes dagen hierna neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes bij zich en voert hen omhoog, een steil bergland in waar ze op zichzelf en alleen zijn. Dan verandert hij voor hun aanschijn van gedaante,   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,2 . Het vers Mc 9,2 telt 28 (2² X 7) woorden en 140 (2² X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 9,2 is 14863 (89 X 167) .

Mc 9,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,2.2. μετα = meta (met , na) . Afkorting : μετ' = met' OF μεθ' = meth' . Taalgebruik in het NT : meta (na , met) . Taalgebruik in de LXX : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Mc (34) . Mc 9 (2) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .  

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
1 meta  34  4   10  2   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16             737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3             1 1       1     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 4 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
1 meta  34  4 : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,20 . (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16 . 2 : (1) Mc 3,6 . (2) Mc 3,7 1 : Mc 4,16 .     1 : Mc 6,25 . 3 : (1) Mc 8,10 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 8,38 .   2 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .   2 : (1) Mc 10,30 . (2) Mc 10,34 .   1 : Mc 11,11 . 2 : (1) Mc 13,24 . (2) Mc 13,26 .   10 : (1) Mc 14,1 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,17 . (4) Mc 14,28 . (5) Mc 14,43 . (6) Mc 14,48 . (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62 . (9) Mc 14,67 . (10) Mc 14,70 .   3 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,7 . (3) Mc 15,31 .   2 : (1) Mc 16,12 . (2) Mc 16,19 .  
2 met'  16 1 : Mc 1,36 . 2 : (1) Mc 2,19 . (2) Mc 2,25 .   2 : (1) Mc 3,5 . . (2) Mc 3,14 . .   1 : Mc 4,36 . 4 : (1) Mc 5,18 . (2) Mc 5,24 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 5,40 1 : Mc 6,50 .           4 : (1) Mc 14,18 . (2) Mc 14,20 . (3) Mc 14,33 . (4) Mc 14,43   1 : Mc 6,50 .
3 meth' 3             1 : Mc 8,14 1 : Mc 9,8 .         1 : Mc 14,7 .    
  totaal  53 4 15 

-- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
-- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .

Mc 9,2.3. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) . Mc (11) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 .  (7) Mc 10,34 .  (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 .  (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 .  Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 20 verzen : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 2,1 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 4,27 . (6) Mc 4,35 . (7) Mc 5,5 . (8) Mc 6,21 . (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,2 . (11) Mc 8,31 . (12) Mc 9,2 . (13) Mc 9,31 .  (14) Mc 10,34 .  (15) Mc 13,2 . (16) Mc 13,17 . (17) Mc 13,19 . (18) Mc 13,20 . (19) Mc 13,24 . (20) Mc 13,32 .  (21) Mc 14,1 . (22) Mc 14,12 . (23) Mc 14,25 .  (24) Mc 14,49 . (25) Mc 14,58 . (26) Mc 15,29 .

4.

2. - 4. De verheerlijking Jezus (Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36) heeft plaats op de berg . Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex 24,16) . Toen Mozes de berg opging , was de berg gedurende zes dagen in een wolk gehuld . De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen . Bij de christenen was niet de zevende , maar de achtste dag de belangrijkste dag . Marcus schrijft : kai meta hèmeras heks (na zes dagen) , Matteüs schrijft ongeveer hetzelfde : kai meth'hèmeras heks (na zes dagen) . En Lucas schrijft hôsei èmerai oktô : na deze woorden ongeveer acht dagen (later) .
- sjesjèth jâmîm (gedurende zes dagen) . Tenach (14) . Pentateuch (12) . Joz (2) . In de Pentateuch (12) : Ex (9) . Lv (1) . Dt (2) .
- bajjôm hasjëbhî`î (op de zevende dag) . Tenach (25) . Pentateuch (17) . Gn (1) . Ex (4) . Lv (8) . Nu (4) .

Mc 9,2.5. act. ind. praes. 3de pers. enk. paralambanei (hij neemt naast zich) van het werkw. paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het N.T. : paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô (overnemen) . Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen , aanvaarden ) . Fr. accepter , reçevoir .
Mc (3) : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 9,2 . (3) Mc 14,33 . Een vorm van paralambanô (overnemen) in Mc in 6 verzen : (1) Mc 4,36 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,4 . (4) Mc 9,2 . (5) Mc 10,32 . (6) Mc 14,33 .
Op een bijna identieke manier beschrijft Marcus het begin van het gebeuren in Getsemane of de hof van Olijven . Op deze wijze worden de taferelen van de verheerlijking en van de doodstrijd in de hof van Olijven naast elkaar geplaatst .

Mc 9,2.6. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,2.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,2.12. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos (Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos (Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 3,18 . (4) Mc 5,37 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .

Mc 9,2.13. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,2.15. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc (5) : (1) Mc 1,19 . (2) Mc 3,17 . (3) Mc 5,37 . (4) Mc 9,2 . (5) Mc 14,33 .

Mc 9,2.16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 5,40

Mc 9,2

Mc 14,33

Ex 24,15

  Kai (en) kai (en)  
  meta (na) hèmeras (dagen) hex (zes)   Ex 24,15b. wajëkhas hè`anan ´èth hâhâr - Ex 24,16 b : wajëkhassehû hè`anan sjesèt jämîm - kai ekalupsen auto hè nefelè hex hèmeras (en de wolk bedekte hem - de berg - gedurende zes dagen)
paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus) paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus)  
ton patera tou paidiou kai tèn mètera kai tous met'autous (de vader van het kind en de moeder en zij die met hem zijn)   ho Ièsous (Jezus)  
cfr Mc 5,37 : kai ouk afèken... sunakolouthèsai ei mè en hij liet niet toe ... hem te vergezellen tenzij ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon Iakôbou (de broer van Jakobus) ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) ton Iôannèn (Johannes) met'autou (met zich)   
  kai (en) anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) autous (hen) eis (naar) horos (berg) hupsèlon (een hoge) kat'idian (onder elkaar) monous (alleen)   Ex 24,15 a wajja`al Mosjèh ´èl-hâhâr - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18 : wajja`al ´èl-hâhâr - kai anebè - eis to horos : en hij klom op de berg)
144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 -  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - Het verbond : Ex 24,1-18

Mc 9,2.18. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,14 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 9,33 .

Mc 9,2.19. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,2.20. horos (berg). Taalgebruik : horos (berg) , zie Mt 4,8 en Mc 9,2 . In zes verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,2 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 .

Mc 9,2.22. kat' : afkorting van kata . kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (11) . Mc 9 (2) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,28 .

Mc 9,2.23. acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen) . Taalgebruik in het N.T. : idios (eigen) . Taalgebruik in Mc : idios (eigen) .
Mc (7) : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,2.22. - 23. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

De verheerlijking heeft plaats op de berg . Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex 24,16) . Toen Mozes de berg opging , was de berg gedurende zes dagen in een wolk gehuld . De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen . Bij de christenen was niet de zevende , maar de achtste dag de belangrijkste dag. Marcus schrijft : kai meta hèmeras heks (na zes dagen) .

Bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus zijn de drie leerlingen uitverkoren om het gebeuren mee te maken.

horos (berg) Taalgebruik : horos (berg), zie Mt 4,8 en Mc 9,2. In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 . De berg is de plaats van gebed. Het is de plaats waar Jezus zijn leerlingen roept, het is ook de plaats van waaruit Jezus zijn leerlingen zendt.

1. 2. 3. 4. 5. 6.  
Mc 3,13 Mc 6,46

Mc 9,2

Mc 11,1 Mc 13,3 Mc 14,26 Ex 24,15 , Ex 24,18
kai (en)   kai (en) kai hote (en toen) kai (en) kai hupnèsantes (en lof gezongen)   
anabainei (hij gaat op - beklimt) apèlthen (ging hij weg) anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) eggizousin (zij naderen - naderbij komen)... kathèmenou autou (terwijl hij neezat) exèlthon (gingen zij naar buiten) Ex 24,15a wajja`al Mosjèh èl-hahar - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18 : wajja`al èl-hahar kai anebè - eis to horos : en hij klom op de berg)
eis (naar) to horos (de berg) eis (naar) to oros (de berg) eis (naar) oros (berg) hupsèlon (een hoge) ... pros to horos tôn elaiôn (de Olijfberg) eis to horos tôn elaiôn (bij de Olijfberg) eis to horos tôn elaiôn (naar de Olijfberg) eis (naar) oros (berg)
   47. ... kai autos monos epi tès gès (en hijzelf alleen op het land) kat'idian (onder elkaar) kat'idian (onder elkaar) monous (alleen)        
97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 152. Jezus wandelt op het meer : Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -
 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -  299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  328. Voorspelling van de ontrouw van de leer-lingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -   Ex 24,1-18 : het verbond - Ex 24,1-18 -

Een berg wordt beklommen, maar ook afgedaald

Mc 9,2.23. idian . In negenentwintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vierentwintig verzen in het N.T. . Mt (8) . Mc (7) . Lc (2) . Joh (1) . Hnd (1) . Brieven (5) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord idios (eigen) . Taalgebruik : idios (eigen) , zie Mc 4,34 .

Mc 9,2.22. - 23. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis . In achttien verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (7) . Lc (2) . Hnd (1) . Brieven (2) . In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,2.25. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Jezus wordt van gedaante veranderd . Het verhaalgebeuren vindt plaats op de berg . Daarenboven na zes dagen . Het zijn duidelijke verwijzingen naar Mozes . Later komt ook Elia nog in het verhaal . Door de aanwezigheid van Mozes en Elia wordt Jezus vergeleken met hen . Er zijn gelijkenissen en er zijn verschillen . De metamorfose of transformatie / transfiguratie wijst op een verandering t.o.v. hen . Op de berg ontvangt Mozes van God de twee stenen tafels met de tien geboden , bedoeld voor het Joodse volk . Welk is de boodschap van Jezus . Dat wordt duidelijk in de andere transformatie bij het Laatste Avondmaal : het breken van het brood en het delen van de beker . De boodschap van Jezus is universeel : solidariteit . De kruisdood van Jezus wordt geïnterpreteerd als een offer . De Joodse godsdienst was toen gekenmerkt door offers in de tempel . In het Laatste Avondmaal wordt verwezen naar het offer van Mozes na het sluiten van het verbond (Ex 24) . De offerterminologie bij het Laatste Avondmaal staat in het teken van solidariteit . Het offer bij het Laatste Avondmaal staat in functie van mensen , zo ook de kruisdood van Jezus . Het offer is niet in de eerste plaats gericht op God , maar staat in functie van mensen . Dat is de grote transformatie van het jodendom naar het christendom in de persoon van Jezus . Gods-dienst wordt mensen-dienst .

Vervolgens is er de grote verwijzing naar het lege grafverhaal (Mc 16,1-8) , dé grote transformatie . De vrouwen zoeken Jezus in het graf om hem te gedenken . De vrouwen krijgen te horen : "Hij is niet hier . Hij is verrezen' . Bij het Laatste Avondmaal horen we : doet dit om mij te gedenken . Niet het graf , maar het bijeenkomen om het brood te breken en de beker te delen is de plaats om Jezus te gedenken . Gaat het in het lege grafverhaal om de persoon dan wel om de boodschap van Jezus ? Moeten we de verrijzenis zoeken in het hier-na-maals (van Jezus) , kan die ook niet gevonden in het hier-en-nu (eucharistie) ? Of Jezus al dan niet verder leeft , blijft een mysterie .

'Dit is mijn geliefde zoon , luister naar Hem' . De oudste zoon ontvangt de erfenis . Door Jezus als oudste zoon aan te duiden , krijgt Jezus de erfenis van de ene God . Het universele karakter van de boodschap wordt gefundeerd in de 'eniggeboren' zoon van God . Wat die boodschap is , is hierboven omschreven . De benaming 'geliefde zoon van God' heeft geen trinitaire theologie op het oog , maar een boodschap naar mensen : éénheid, solidariteit .

In de opvatting van 'zo op aarde , zo in de hemel' waarin de situatie van de mensen op aarde een schaduw is van wat hen in de hemel te wachten staat , werd Jezus koning van de koningen , zoon van God , tweede persoon van de drievuldigheid . De solidariteit op aarde krijgt in de hemel zijn volmaakte vervulling .

Mc 9,3 - Mc 9,3 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai ta imatia autou egeneto stilbonta leuka lian oia gnafeus epi tès gès ou dunatai outôs leukanai  3 et apparuit illis Helias cum Mose et erant loquentes cum Iesu    zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan. [3] en zijn kleren werden schitterend wit, zoals geen bleker op aarde ze maken kan.  [3] zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.   3 en zijn klederen worden een en al glans, héél wit, zo wit als geen voller op aarde kan maken.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,3 .

Mc 9,3.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,3.4. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,3.12. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,3.14. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,3.15. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 .

Mc 9,3.16. houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos (zo) . Taalgebruik in Mc : houtos (zo) .
Mc (10) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,12 .  (4) Mc 4,26 .  (5) Mc 7,18 .  (6) Mc 9,3 .  (7) Mc 10,43 .  (8) Mc 13,29 .  (9) Mc 14,59 .  (10) Mc 14,59 .

168.2. de gedaanteverandering : Mc 9,2-3 // Mt 17,2 // Lc 9,29

De gedaanteverandering van Jezus laat een hemelse figuur zien, zoals Da 10,5-7.

Mc 9,2 - Mc 9,3

Mt 17,2 - Mt 17,3   Mt 28,3  Da 10,6  Lc 9,29 Ex 24,17         
kai (en)  kai (en)                 
metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd)  metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd)      to eidos tou prosoopou autou heteron (het aanschijn van zijn aangezicht werd anders   to de eidos tijs doksijs kuriou hoosei (de gestalte echter van de heerlijkheid van de heer als...°        
emprosthen (voor)  emprosthen (voor)                 
autôn ( hen)  autôn ( hen)                 
  kai (en)  ijn de (was echter)  kai (en)            
  elampsen (straalde)                
  to (het)  hij (de) to (het)             
  prosôpou (aangezicht)  eideia (verschijning)  prosoopou (aangezicht)             
  autou (van hem)  autou (van hem)  autou (van hem)             
  hôs (zoals)  hoos (zoals)  hoosei (zoals)             
  ho hèlios (de zon)    astrapij (de bliksem) horasis astrapijs (het zicht van een ster)             
kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en)  kai (en)          
ta (de)  ta (de)  to (het) kai hoi brachiones autou kai hoi podes (B-versie: kai ta skelij) (en zijn armen en benen) ho (de)           
himatia (kleren)  himatia (kleren)    enduma (kleed)   himatismos (kleding)           
autou (van hem)  utou (van hem)   autou (van hem)   autou (van hem)           
egeneto (was)  egeneto (was)                 
stilbonta leuka (schitterend wit) lian (zeer) leuka ( wit) leikon (wit)   hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend koper); b-versie : hoos horasis chalhou stilbontos (als het zicht van schitterend koper) leukon eksastraptoon (schittrend wit)           
hoia gnafeus epi tès gès ou dunatai houtôs leukanai (dergelijke kan een volder op aarde niet zo wit maken)                  
  hôs (als) hoos (als)               
  to fôs (het licht)  chioon (sneeuw)               
168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12   168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36      Ex 24,1-18 : het verbond        

metamorfoomai (omvormen). Dit werkwoord komt in 4 verzen in de bijbel voor.
- Metemorfôthè (hij werd omgevormd). Passief aorist 3de persoon enkelvoud. In Mt 17,2 en in Mc 9,2 .
anaferô : naar boven voeren; anaferei (hij brengt naar boven) komt slechts 2X in de bijbel voor nl. Mc 9,2 - Mc 9,2-10 - en Mt 17,1 - Mt 17,1-9 - .

astrapij : bliksem, glans
eideia = idea : gestalte, vorm; eidos : gestalte, uiterlijk
stilboo : glanzen, schitteren, blinken
gnafeus : volder, wolkammer
eksastraptoo : uitstralen; zie Da 10,6 : hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend koper)

Mc 9,4 - Mc 9,4 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai wfqh autoiV hliaV sun mwusei kai hsan sullalounteV tw ihsou  4 et respondens Petrus ait Iesu rabbi bonum est hic nos esse et faciamus tria tabernacula tibi unum et Mosi unum et Heliae unum    Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus.   [4] Elia verscheen hun samen met Mozes, in gesprek met Jezus.  [4] Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus.   4 En aan hen laat Elia zich zien, samen met Mozes, en die gaan met Jezus in gesprek.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,4 .

Mc 9,4.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,4.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,4.4. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .
Mc (5) : (1) Mc 6,15 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 15,36 .  

Mc 9,4.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,4.8. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (16) : (1) Mc 1,16 . (2) Mc 2,6 . (3) Mc 2,15 . (4) Mc 2,18 .  (5) Mc 4,1 .  (6) Mc 6,31 . (7) Mc 6,34 . (8) Mc 6,44 .  (9) Mc 8,9 . (10) Mc 9,4 . (11) : Mc 10,32 .  (12) Mc 12,20 .  (13) (1) Mc 14,4 . (14) Mc 14,40 . (15) Mc 14,56 . (16) Mc 15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) : (1) Mc 2,6 . (2) Mc 2,18 .  (3) Mc 9,4 . (4) Mc 10,32 . (5) Mc 14,4 . (6) Mc 14,40 . (7) Mc 15,40 . In Mc 9,4 : èsan sullalountes (zij waren samensprekende) .

Mc 9,4.8. - 9. kai èsan (en zij waren) . Mc (3) . In 2 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 9,4 + Mc 6,44 .

Mc 9,4.9. act. part. praes. nom. mann. mv. sullalountes (samensprekende) van het werkw. sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in het N.T. : sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in Mc : sunlaleô (samenspreken) .
Mc (1) : Mc 9,4. . De enigste vorm van sunlaleô (samenspreken) in Mc . In de omschrijving : èsan sullalountes (zij waren samensprekende) .

Mc 9,4.10. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

168.3. de verschijning (visioen van het latijnse videre : zien)

bijbencitaat Lc 1,11 Mc 9,4 // Mt 17,3 // Lc 9,30 Mc 16,5 // Lc 24,4 Mt 17,3 // Mc 9,4 // Lc 9,30 Lc 9,30 // Mc 9,4 // Mt 17,3 Lc 9,32  Lc 24,4 // Mc 16,5 Lc 2,9 Da 10,7  Da 12,5
voegwoord   kai (en)   kai (en) kai (en)    kai (en) kai (en)   kai (en)
visueel element (werkwoord - partikel ) ôfthè de (verscheen echter) ôfthè (verscheen - werd gezien) eidon (zij zagen) idou (zie) ôfthè (verscheen) idou (zie) eidan tijn doksan autou (zagen zij zijn heerlijkheid)  idou (zie)     eidon egô Danièl tèn horasin tèn megalèn tautèn (zag ik Daniël dit grote visioen) eidon egô Danièl kai idou (zag ik Daniël en zie
meewerkend voorwerp (datief) autôi (aan hem) autois (hen)   autois (hen)            
soms onderwerp soms lijdend voorwerp aggelos kuriou (een engel van de Heer) èlias (Elia) sun Môusei (met Mozes)   Môusijs kai èlias (Mozes en Elia) andres duo (twee mannen) ... hoitines èsan Môusijs kai èlias (die waren Mozes en Elia)  kai tous duo andras (en de twee mannen) andres duo (twee mannen)  aggelos kuriou (een engel van de Heer)   duo heteroi (twee anderen)
    kai (en)                
    èsan sullalountes (waren samenpratende   sullalountes (samen sprekende) sunelaloun (spraken samen)  tous sunestôtas (die samen stonden) epestèsan (stonden bij)  epestè (stond)    
    tôi Ièsou (met Jezus)   met'autou (met hem) autôi (met hem)  autôi (met hem) autais (hen)  autois (bij hen)    
  2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20  Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël Da 12,5-13 : het wondre einde

 

Mc 9,5 - Mc 9,5 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai apokritheis ho petros legei tô ièsou rabbi kalon estin hmaV wde einai kai poihswmen treiV skhnas soi mian kai mwusei mian kai hlia mian 5 non enim sciebat quid diceret erant enim timore exterriti    Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Rabbi, het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." [5] Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Rabbi*, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten* maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.’  [5] Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’   5 Ten antwoord zegt Petrus tot Jezus: rabbi, hoe goed is ‘t ons om hier te zijn!, laten wij drie tenten maken: een voor u, een voor Mozes en een voor Elia!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,5 .

Mc 9,5.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,5.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,5 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 10,3 . (7) Mc 10,24 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,14 . (10) Mc 11,22 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 14,48 . (13) Mc 15,2 . (14) Mc 15,12 .

Mc 9,5.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,5.5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,5.6. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 . .

Mc 9,5.5. - 6. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .

Mc 9,5.9. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T. : kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc : kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9) : (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

Mc 9,5.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .

Mc 9,5.13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (7) : (1) Mc 8,27 . (2) Mc 8,29 .  (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,35 .  (5) Mc 10,44 .   (6) Mc 12,18 .   (7) Mc 14,64 .  

Mc 9,5.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,5.15. act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) .
Lc (1) : Mc 9,5 . Een vorm van poieô (doen, maken) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,39 .

Mc 9,5.16. treis (drie) . telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Mc : telwoorden .
Mc (5) : (1) Mc 8,2 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,34 .

Mc 9,5.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,5.23. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,5.24. dat.mann. enk. èlia(i) van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .
Mc (1) Mc 9,5 .

Mc 9,6 - Mc 9,6 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
ou gar hdei ti apokriqh ekfoboi gar egenonto  6 et facta est nubes obumbrans eos et venit vox de nube dicens hic est Filius meus carissimus audite illum    Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren allen geheel verbluft.  [6] Want hij wist niet wat hij moest zeggen; zo vol ontzag* waren ze.   [6] Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd.  6 Want hij heeft niet geweten wat te antwoorden,– want ze raken buiten zichzelf van vreze.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,6 .

1. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

 Mc 9,6  Lc 9,33  Mc 14,40              
ou (niet)   mij (niet) kai ouk (en niet)              
 gar (immers)                  
ijidei (wist hij)  eidoos  (wetende) ijideisan (wisten zij)              
ti (wat)  ho (wat) ti (wat)               
apokrithiji (hij antwoordde)  legei (hij zegt)  apokrithoosin (zij antwooordden)              
    autooi (hem)               
                   
                   
                   

Lucas (Lc 9,33) redigeert de onafhankelijke zin van Mc 9,6 tot een afhankelijke participiumzin bij ho Petros (Petrus). Het vragend voonaamwoord ti (Mc 9,6) redigeert Lucas tot een betrekkelijk voornaamwoord ho (wat) (Lc 9,33). Lucas vervangt het werkwoord apokrinomai (antwoorden) door het werkwoord legoo (zeggen); immers, in het voorgaande werd er geen vraag gesteld.

168. reactie van vrees op de verschijning

Mt 9,6 Mc 16,5  Da. 10,9 Mt 17,6 Da 10,10 Mt 28,17 Mt 28,18 Lc 24,5 
kai (en)     kai (en) kai idou (en zie) kai (en) kai (en)  
akousantes (horende)   kai ouk ijkousa tijn foonijn lalias autou (en ik hoorde niet de klank van zijn spreken) prosijlthen (kwam dichterbij) cheira prosijgage moi (een hand kwam naar mij toe) idontes auton (hem gezien hebbende) proselthoon (naderbij gekomen zijnde  
hoi mathijtai (de leerlingen)     ho Iijsous (Jezus     ho Iijsous (Jezus)  
      kai hapsamenos autoon eipen (en aangeraakt hebbende hen zei hij)     elalijsen (zei hij)...  
epesan (vielen)   egoo ijmijn peptookoos (ik was gevallen) egerthijte (sta op) kai ijgeire me (en hij deed mij opstaan) prosekunijsan (knielden zij)    
epi prosoopon autoon (op hun aangezicht)   epi prosoopon mou (op mijn aangezicht)          
    epi tijs gijs (op de aarde)          
kai (en)     kai (en)   oi de (zij echter)    
efobijthijsan (zij werden bevreesd)     mij fobeisthe (en vreest niet   edistasan (zij twijfelden)    
sfodra (zeer)              
 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12   Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël  168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36   Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12

distazoo : twijfelen, onzeker zijn

ekthambeomai (ontsteld zijn).
- Exethambèthèsan (zij waren ontsteld) . Passief aorist 3de persoon meervoud. Slechts in Mc 9,15 en Mc 16,5 .

Mc 1,44 // Mt 8,4 // Lc 5,14 Mt 8,4 // Mc 1,44 // Lc 5,14 Lc 5,14 // Mc 1,44 // Lc 5,14 Mc 3,12 // Mt 12,16 Mt 12,16 // Mc 3,12 Mc5,43 Lc 8,56 Mc 7,36 Mc 8,30
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Mt 16,20
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Lc 9,21
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) ho de (hij echter) kai (en) kai (en) tote (toen) ho de (hij echter)  
    autos (hij zelf) polla (veel - met nadruk)                
legei (hij zei) legei (hij zei) parijggeilen (hij droeg op) epetima (hij berispte) epetimijsen (hij berispte) diesteilato (hij gebood) parijggeilen (hij droeg op) diesteilato (hij gebood) epetimijsen (hij berispte) epetimijsen (hij berispte) epitimijsas autois (berispende hen) parijggeilen (hij droeg op) diesteilato (hij gebood)
autooi (hem) autooi (hem) autooi (hem) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) tois mathijtais  (de leerlingen)   autois (hen)
          polla (veel - met nadruk)            
  ho Iijsous (Jezus)                    
      hina (opdat) hina (opdat) hina (opdat)   hina (opdat) hina (opdat) hina (opdat)   hina (opdat)
hora (zie - zorg ervoor) hora (zie - zorg ervoor)                    
          mijdeis (niemand)            
mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)       mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)
mijden (iets)     mij auton faneron (hem niet kenbaar mij faneron auton (hem niet kenbaar)             ha eidon wat zij gezien hebben)
eipijis (zou zeggen) eipijis (zou zeggen) eipein (te zeggen) poiijsoosin (zouden maken) poiijsoosin (zouden maken) gnoi (zou weten) eipein (te zeggen) legoosin (zouden zeggen) legoosin (zouden zeggen) eipoosin (zouden zeggen) legein (te zeggen) diijgijsontai (zouden verhalen)
          touto (dit) to gegonos (het gebeurde)   peri autou (over hem) hoti autos estin ho christos (dat hij zelf de christus is) touto (dit)  
Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) volkstoeloop en genezingen Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56 : volkstoeloop en genezingen Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56 Mc 7,31-37 // Mt 15,29-31 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36

+ hora :imperatief van horaoo = zien; zie
diastelloo: opdragen, bevelen (in het woord apostel vinden we apo en stelloo : weg-zenden )
diijgeomai : uiteenzetten, vertellen
paraggelloo : opdragen (opdracht), bevelen

Mc 9,7 - Mc 9,7 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai egeneto nefelè episkiazousa autois kai egeneto fônè ek tès nefelès outos estin o uios mou o agapètos akouete autou  7 et statim circumspicientes neminem amplius viderunt nisi Iesum tantum secum  En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk : "Deze is mijn geliefde zoon." Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem."  [7] Er kwam een wolk die hen overdekte, en er klonk een stem uit de wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.’   [7] Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!’  7 En het geschiedt dat een wolk hen overschaduwt, en er geschiedt een stem uit de wolk: hij is mijn beminde zoon, hoort naar hem!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,7 . Het vers Mc 9,7 telt 21 (3 X 7) woorden en 103 letters . De getalwaarde van Mc 9,7 is 12103 (7 X 7 X 13 X 19) .

Mc 9,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 666) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,7.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (17) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,26 .

Mc 9,7.3. nom. vr. enk. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Mc : nefelè (nevel, wolk) . Mc (1) : Mc 9,7 . In Mc 9 nog gen. vr. enk. nefelès : Mc 9,7 . Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 13,26 . (3) Mc 14,62 .

Mc 9,7.5. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,7.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,7.7. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,26 .

Mc 9,7.8. fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè (stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè (stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari . Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.) . (2) Mc 1,11 (nom.) . (3) Mc 1,26 (dat.) . (4) Mc 5,7 (dat.) . (5) Mc 9,7 (nom.) . (6) Mc 15,34 (dat.) .

Mc 9,7.6. - 9. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .

10. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,7.11. gen. vr. enk. nefelès (nevel, wolk) van het zelfst. naamw. nefelè . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Mc : nefelè (nevel, wolk) . Mc (1) : Mc 9,7 . In Mc 9 nog nom. vr. enk. nefelè : Mc 9,7 .

Mc 9,7.12. nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Mc (12) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 4,41 . (4) Mc 6,3 . (5) Mc 6,16 . (6) Mc 7,6 . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 12,7 . (9) Mc 12,10 . (10) Mc 13,13 . (11) Mc 14,69 . (12) Mc 15,39 .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc 1,11) : su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht op toehoorders , vandaar : houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal : houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc 15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden tijd van het werkw. nl. èn = hij was .

13. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

14. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

Mc 9,7.15. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon) . Taalgebruik in het NT : huios (zoon) . Taalgebruik in de LXX : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Mc (19) . Mc (19) Mc 1,11 . (2) Mc 2,10 ** . (3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3 . (6) Mc 8,38 ** . (7) Mc 9,7 . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,31 ** . (10) Mc 10,33 ** . (11) Mc 10,45 ** . (12) Mc 10,46 . (13) Mc 12,35 . (14) Mc 12,37 . (15) Mc 13,32 . (16) Mc 14,21 ** . (17) Mc 14,41 ** . (18) Mc 14,61 . (19) Mc 15,39 . Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33) . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) .

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  mv. bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.
totaal 2499 2432 67 14 4 10 2 11 23 3 28 30  23   

  huios (zoon)  enk. . ** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3 . 1 : Mc 8,38 ** . 3 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . 3 : (1) Mc 10,33 ** . (2) Mc 10,45 ** . (3) Mc 10,46 . 2 : (1) Mc 12,35 . (2) Mc 12,37 . 1 : Mc 13,32 . 3 : (1) Mc 14,21 ** . . (2) Mc 14,41 ** . (3) Mc 14,61 . 1 : Mc 15,39 .
2 voc. enk. huie 3       1 : Mc 5,7 * .       2 : (1) Mc 10,47 *** . (2) Mc 10,48 *** .        
3 gen. enk. huiou 1 1 : Mc 1,1 * .                      
5 acc. enk. huion 6           1 : (1) Mc 8,31** .   2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.  
  totaal 29 2 ** 2 

- Hebreeuws . בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind) . Taalgebruik in Tenakh : ben (zoon, kind) . Getalwaarde : beth = 2 , nun = 14 of 50 ; totaal : 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26) . Structuur : 2 - 5 . De som van de elementen is 7 . Tenakh (1225) . Pentateuch (284) . Eerdere Profeten (392) . Latere Profeten (231) . 12 Kleine Profeten (26) . Geschriften (292) .
- Lat. filius . Fr. fils . Ned. zoon . D. Sohn . E. son . Arabisch : اِبن = ´ibn (zoon) . Taalgebruik in de Qoran : ´ibn (zoon) .
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard . Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen .

Mc 9,7.14. - 15. ὁ υἰος = ho huios (de zoon) . Een vorm van het lidw. met een vorm van υἰος = huios (zoon) in het NT (242) , in Mc (25) . Niet in (1) Mc 1,1 . (2) Mc 5,7 . (3) Mc 10,46 . (4) Mc 10,48 . (5) Mc 12,35 . (6) Mc 12,37 . (7) Mc 15,39 .

Mc 9,7.16. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,7 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 1,17 .   3 : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 3,35 .   3 : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,31 . 1 : Mc 6,23 . 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33 . (2) Mc 8,34 . 5 : (1) . Mc 9,7 . (2) Mc 9,17 . . (3) Mc 9,24 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,39 . 2 : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 . 1 : Mc 11,17 . 2 : (1) Mc 12,6 . (2) Mc 12,36 . 3 : (1) Mc 13,6 . (2) Mc 13,13 . (3) Mc 13,31 .   5 : (1)Mc 14,8 . (2) Mc 14,14 . (3) Mc 14,22 . (4) Mc 14,24 . (5) Mc 14,34 . 1 : Mc 15,34 . 1 : Mc 16,17 .   3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 9,7.15.- 16. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon) . NT (12) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) Hnd 13,33 . (9) Heb 1,5 . (10) Heb 5,5 . (11) 1 Pe 5,13 . (12) 2 Pe 1,17

Mc 9,7.14. - 16. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon) . NT (9) : (1) Mt 3,17 . (2) Mt 17,5 . (3) Mc 1,11 . (4) Mc 9,7 . (5) Lc 3,22 . (6) Lc 9,35 . (7) Lc 15,24 . (8) 1 Pe 5,13 . (9) 2 Pe 1,17 .

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou , huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper : Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus :Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen : Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd : Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin : Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus : Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

Mc 9,7.17. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .

20. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,8 - Mc 9,8 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai exapina periblepsamenoi ouketi oudena eidon alla ton ihsoun monon meq eautwn  8 et descendentibus illis de monte praecepit illis ne cui quae vidissent narrarent nisi cum Filius hominis a mortuis resurrexerit    Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus.  [8] Toen ze rondkeken, zagen ze ineens niemand meer, alleen Jezus was bij hen.  [8] Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond.  8 Maar als zij om zich heen kijken zien zij ineens niemand meer dan alleen Jezus bij hen.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,8 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. part. aor. nom. mann. mv. periblepsamenoi  (rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô (rondkijken) .
Mc (1) : Mc 9,8 . . Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1) Mc 3,5 . (2) Mc 3,34 . (3) Mc 5,32 . (4) Mc 9,8 .  (5) Mc 10,23 . (6) Mc 11,11 .

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,9 - Mc 9,9 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai katabainontwn autwn ek tou orouV diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai ei mh otan o uioV tou anqrwpou ek nekrwn anasth  9 et verbum continuerunt apud se conquirentes quid esset cum a mortuis resurrexerit    Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.   [9] Terwijl ze van de berg afdaalden, bezwoer Hij hun niemand* te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.  [9] Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan.   9 Terwijl zij uit het bergland afdalen gebiedt hij hun om aan niemand te vertellen wat zij hebben gezien, ‘behalve wanneer de mensenzoon uit de doden zal opstaan’.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,9 . Dit vers Mc 9,9 telt 23 woorden , 49 (7 X 7) lettergrepen en 113 letters . De getalwaarde van Mc 9,9 is 13738 (2 X 6869) .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 9 .
Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

5. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,9.7. mediaal aor. 3de pers. enk. διεστειλατο = diesteilato (hij beval) van het werkwoord διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) . Taalgebruik in het NT : diastellomai (bevelen) . Taalgebruik in de LXX : diastellomai (bevelen) . Taalgebruik in Mc : diastellomai (bevelen) . Bijbel (6) : (1) Re 1,19 . (2) Jdt 11,12 . (3) Mt 16,20 . (4) Mc 5,43 . (5) Mc 7,36 . (6) Mc 9,9 . Het is de eerste maal dat Marcus een vorm van het werkw. διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) gebruikt . Een vorm van διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) in de LXX (58) , in het NT (7) . In de LXX is het Griekse werkw. de vertaling van 22 verschillende Hebreeuwse werkw. .
- Het is de 3de en laatste maal dat de aor. van διαστελλω = diastellô (bevelen) wordt gebruikt en de 5de en laatste maal een vorm van dat werkwoord mediaal indic. imperf. 3de pers. enk διεστελλετο = diestelleto (hij beval) : (1) Mc 7,36 . (2) Mc 8,15 .

  diastellomai (bevelen)  Mc Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 bijbel OT NT Mt Mc syn.  ev. 
med. ind. imperf. 3de pers. enk. diestelleto    (1) Mc 7,36 (2) Mc 8,15 .        
med. ind. aor. 3de pers. enk. diesteilato  (1) Mc 5,43 .   (2) Mc 7,36 .   (3) Mc 9,9 .  
  Totaal (4 verzen)

Mc 9,9.8. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 . Het spreekverbod betreft de leerlingen Petrtus, Jakobus en Johannes , die het gebeuren op de berg hebben meegemaakt .

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 9,9.7. - 8. διεστειλατο αυτοις = diesteilato autois (hij beval hen) . Bijbel (4) . LXX (1) : Jdt 11,12 . NT (3) : (1) Mc 5,43 . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 9,9 .

 

9. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voorzetsel van doel . Mc (59) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

1. 7. - 9. kai (...) diesteilato autois hina (en hij beval hen opdat) . Mc (3)  : (1) Mc 5,43 . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 9,9 . Het betreft telkens een spreekverbod .

10. onbepaald voornaamw. mèdeni (aan niemand) van het onbepaald voornaamw. mèdeis (niemand) . Taalgebruik in N.T. : mèdeis (niemand) . Taalgebruik in Mc : mèdeis (niemand) . mè-d-eis : niet één , niet iemand .
Mc (4) : (1) Mc 1,44 . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 8,30 . (4) Mc 9,9 .

9. - 10. hina mèdeni (opdat aan niemand) . Mc (3) : (1) Mc 7,36 . (2) Mc 8,30 . (3) Mc 9,9 . Dus niet : Mc 1,44 .

7. - 13.
- Mc 1,44 : kai legei autô(i) hora mèdeni mèden eipè(i)s (en hij zegt hem , zie , dat gij aan niemand niets zegt) . Zwijggebod na de negezing van de lamme op een eenzame plaats .
- Mc 7,36 : kai diesteilato autois hina mèdeni legôsin (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden zeggen) . Het zwijggegbod na de genezing van een doofstomme .
- Mc 8,30 : kai epetimèsen autois hina mèdeni legôsin (en hij droeg hen op dat zij aan niemand zouden zeggen) . Het zwijggebod na de genezing van een blinde .
- Mc 9,9 : diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden verhalen wat zij hadden gezien) . Het zwijggebod na de verheerlijking op de berg .
STAP VOOR STAP !

14. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

17. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

18. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 9 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) .

19. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

20. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (15) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

Mc 9,10 - Mc 9,10 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai ton logon ekratèsan pros eautous suzhtountes ti estin to ek nekrwn anastènai  10 et interrogabant eum dicentes quid ergo dicunt Pharisaei et scribae quia Heliam oporteat venire primum     Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.   [10] Dit woord grepen ze aan om onder elkaar te bespreken waarop dat ‘uit de doden opstaan’ sloeg.   [10] Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.   10 Dat woord houden zij bij zich en zoeken er samen naar wat het is, dat ‘uit de doden opstaan’.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,10 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

9. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

13. act. inf. aor. anastènai (opstaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) .
Mc (2) : (1) Mc 8,31 .  (2) Mc 9,10 .

169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -

Mc 9,11 Mc 9,12 Mc 9,13 Mt 17,10 Mt 17,11 Mt 17,12        
kai (en) ho de (hij echter) alla (maar)              
epijrootoon (zij vroegen) efij (zei) legoo (ik zeg)              
auton (hem) autois (hen) humin (u)              
                   
legontes (zeggende)                  
hoti (dat)                  
legousin (zeggen)                  
hoi grammateis (de schriftgeleerden)                  
hoti (dat)   hoti (dat)              

Ijlian (Elia)

Hijlias (Elia)

Ijlian (Elia)

             
  men (echter) kai (al, reeds)              
dei (moet)                  
elthein (komen) elthoon (gekomen zijnde) elijluthen (is gekomen)              
prooton (eerst)  prooton (eerst)                
)  apokathistanei panta (herstelt alles)                
 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13  169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13  169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13              

 

Mc 9,11 - Mc 9,11 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai epèrôtôn auton legontes, Hoti legousin hoi grammateis hoti Hèlian dei elthein prôton; et interrogabant eum dicentes quid ergo dicunt Pharisaei et scribae quia Heliam oporteat venire primum En ze ondervroegen hem, zeggend: "Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?"  Aan Jezus stelden zij de vraag: "Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elias moet komen?   En zij stelden Hem de vraag: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’   Ze vroegen hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’   Ze stellen hem de vraag en zeggen: de schriftgeleerden zeggen toch dat eerst Elia moet komen?    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,11 .

2. epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) . Taalgebruik : epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) , zie Mc 7,17 . Het werkwoord eperôtaô (epi - erôtaô) : 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Mc (6) . Lc (4) . In zes verzen bij Mc : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

leerlingen van Jezus de Farizeeën en de schriftgeleerden 1. de leerlingen van Jezus 2. drie leerlingen van Jezus 3. de leerlingen van Jezus de Farizeeën 4. de leerlingen van Jezus Sadduceeën
Mc 4,10 Mc 7,5 Mc 7,17 Mc 9,11 Mc 9,28 Mc 10,2 Mc 10,10 Mc 12,18
Kai hote (en toen) kai (en) Kai (en) hote (toen) (En nadat) kai (en) Kai (en) kai (en) Kai (en) kai (en)
egeneto (hij was)   eisèlthen (hij binnenging) (hij was gegaan)   eiselthontos autou (na de thuiskomst van Jezus) proselthontes Farisaioi (de Farizeeën naderbijgekomen)   erchontai Saddukaioi pros auton (en Sadduceeën kwamen naderbij hem)...
kata monas (alleen)   eis oikon (naar - in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte) (vragen van de 3 leerlingen, bij het afdalen van de berg van de verheerlijking) eis oikian (naar huis)   eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw)  
        hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idian (onder elkaar - afgezonderd)   hoi mathètai (de leerlingen)  
èrôtôn (vroegen) eperôtôsin (en zij ondervragen epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) peri toutou (hierover) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) kai (en) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen)
auton (hem) auton (hem) auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem) 
hoi peri auton sun tois dôdeka (die rond hem met de twaalf) hoi Farisaioi kai hoi grammateis "zij" = de Farizeeën en de schriftgeleerden hoi mathètai autou ( zijn leerlingen) legontes (zeggende)        
tas parabolas (de parabels)   tèn parabolèn (de parabel)          
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38

5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (4) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

8. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

10. acc. mann. enk. èlian van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .
Mc (3) : (1) Mc 8,28 . (2) Mc 9,11 .  (3) Mc 15,35 .

 

Mc 9,12 - Mc 9,12 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:12 o de efè autois èlias men elthôn prôton apokathistanei panta kai pôs gegraptai epi ton Uion tou Anthrôpou ina polla pathèi kai exoudenèthèi .  11 qui respondens ait illis Helias cum venerit primo restituet omnia et quomodo scriptum est in Filium hominis ut multa patiatur et contemnatur      [12] Hij zei hun: ‘Elia komt eerst en herstelt alles. Maar hoe kan over de Mensenzoon geschreven staan dat Hij veel lijden moet en miskend moet worden?   [12] Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden?  12 Maar hij brengt uit: ja, Elia komt eerst om alles weer op te richten,– en hoe staat geschreven over de mensenzoon?– dat hij veel moet lijden en als niets geacht zal worden!–    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,12 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

1. - 4. ho de ... eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 10,3 . (5) Mc 14,20 . Sommige lezingen : efè in plaats van eipen (hij zei) .

5. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .
Mc (5) : (1) Mc 6,15 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 15,36 .  

12. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs (hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs (hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 9 (1) : Mc 9,12 .

15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

17. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

18. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (15) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

19. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,13 - Mc 9,13 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:13 alla legô umin oti kai èlias elèluthen kai epoièsan autôi osa èthelon kathôs gegraptai ep auton   12 sed dico vobis quia et Helias venit et fecerunt illi quaecumque voluerunt sicut scriptum est de eo      [13] Ik zeg jullie: niet alleen is Elia* al gekomen, ze hebben bovendien met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’  [13] Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’
 
13 Maar ik zeg u dat én Elia is gekomen én ze met hem hebben gedaan al wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,13 .

4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

6. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik in het N.T. : èlias (Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias (Elia) .
Mc (5) : (1) Mc 6,15 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 15,36 .

16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .  

170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -

Mc 9,14 - Mc 9,14 -170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:14 kai elthontes pros tous mathètas eidon ochlon polun peri autous kai grammateis suzètountas pros autous 13 et veniens ad discipulos suos vidit turbam magnam circa eos et scribas conquirentes cum illis     [14] Toen ze bij de leerlingen kwamen, zagen ze veel mensen om hen heen, onder wie schriftgeleerden, die met hen discussieerden. [14] Toen ze terugkwamen bij de andere leerlingen, zagen ze een grote menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan het discussiëren waren. 14 ¶ Als zij bij de leerlingen aankomen zien ze een grote schare om hen heen en schriftgeleerden met hen in een twistgesprek. 1   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,14 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

5. acc. mann. mv. mathètas (leerlingen) . van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (7) : (1) Mc 6,45 .   (2) Mc 8,1 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 9,14 . (6) Mc 9,31 .   (7) Mc 12,43 .

10. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,14 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 9,33 .

11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

12. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .

Mc 9,15 - Mc 9,15 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai euthus pas ho ochlos idontes auton exethambèthèsan kai prostrechontes èspazonto auton et confestim omnis populus videns eum stupefactus est et adcurrentes salutabant eum En terstond toen de hele volksmenigte hem zag, waren ze ontsteld en ze liepen (op hem) toe (en) groetten hem.   Zodra al die mensen Hem opmerkten, waren ze verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten.   Meteen toen al die menMc 9,15en Hem zagen, raakten ze uit hun doen, vlogen op Hem af en begroetten Hem.   De mensen waren verbaasd toen ze hem zagen, en liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten.   En heel de schare, als ze hem zien hollen ze verrast naar hem toe; zo hebben ze hem begroet.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,15 . Het vers Mc 9,15 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 67 letters. De getalwaarde van Mc 9,15 is 8321 (53 X 157) .

Mc 9,15.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,15.3. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .

Mc 9,15.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,15.5. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 9,15.3. - 5. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .

Mc 9,15.7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

8. thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden) . Taalgebruik : thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) , zie Mc 9,15 . (1) Mc 1,27 (ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . (2) Mc 9,15 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . (3) Mc 10,24 (ethambounto (zij waren verbaasd)) . (4) Mc 10,32 (ethambounto (zij waren verbaasd) . (5) Mc 14,33 (ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . (6) Mc 16,5 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . (7) Mc 16,6 (Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Dit werkwoord en vormen ervan komen blijkbaar enkel in het Marcusevangelie voor. Met ont- probeer ik het Griekse voorzetsel ek- weer te geven: ont-steld, ont-zetting. Het is een reactie op wat mensen meemaken. Men is uit zijn lood geslagen.
- exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . Passief aorist derde persoon meervoud . Het komt in twee verzen in de bijbel voor : Mc 9,15 en Mc 16,5 .
--- ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . Passief infinitief praesens. Slechts in Mc 14,33 .
--- Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Imperatief praesens tweede persoon meervoud . Slechts in Mc 16,6 .
--- ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . Passief aorist derde persoon meervoud . In de bijbel komt het slechts in Mc 1,27 .
--- ethambounto (zij waren verbaasd) . Passief imperfectum derde persoon meervoud. In de bijbel slechts in Mc 10,24 en Mc 10,32 .
- thambos : verstomming, verbazing, ontzetting, vrees ( Lc 4,36) . In zes verzen in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. .

Mc 9,15.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,15.10. act. part. praes. nom. mann. mv. postrechontes (rennende naar) van het werkw. prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in het N.T. : prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in Mc : prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . L. adcurrere . F. accourir . N. koersen , rennen . E. to run .
Mc (1) : Mc 9,15 . Nog een vorm in Mc : prosdramôn (gerend naar) in Mc 10,17 . Na de terugkeer van Jezus van de berg van de verheerlijking loopt een menigte naar Jezus (Mc 9,15) . In Mc 10,17 rent iemand naar Jezus .

Mc 9,15.11. ind. imperf. 3de pers. mv. èspazonto (zij begroetten) van het werkw. aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in het N.T. : aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in Mc : aspazomai (verwelkomen, begroeten) .
Mc (1) Mc 9,15 . Een vorm van aspazomai (verwelkomen, begroeten) in Mc in 2 verzen : (1) Mc 9,15 . (1) Mc 15,18 .

Mc 9,15.12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,16 - Mc 9,16 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:16 kai epèrôtèsen autous ti suzèteite pros autous   15 et interrogavit eos quid inter vos conquiritis      [16] Hij vroeg hun: ‘Wat discussieert u toch met hen?’  . [16] Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie met hen aan het discussiëren?’   16 En hij stelt hen de vraag: waarover zijt ge met hen in twistgesprek?   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,16 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,14 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 9,33 .

6. - 7. pros autous (naar hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 6,51 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 12,4 . (5) Mc 12,12 .

Mc 9,17 - Mc 9,17 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:17 kai apekrithè autôi eis ek tou ochlou Didaskale ènegka ton uion mou pros se echonta pneuma alalon  16 et respondens unus de turba dixit magister adtuli filium meum ad te habentem spiritum mutum      [17] Iemand uit de menigte gaf Hem ten antwoord: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U meegenomen, omdat hij in de greep is van een stomme geest.   [17] Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten;  17 Eén uit de schare antwoordt hem: leermeester, ik bracht mijn zoon naar u toe die een geest heeft die maakt dat hij niet praat;    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,17 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (7) : (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 12,28 . (4) Mc 12,29 . (5) Mc 12,34 . (6) Mc 15,5 . (7) Mc 15,9 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

Mc 9,17.4. onbepaald voornaamw. nom. mann. enk. heis (een) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Onbepoaald voornaamwoord .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,17.6. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,17.7. gen. mann. enk. ochlou  (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) .
Mc (5) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 7,33 .  (3) Mc 8,1 . (4) Mc 9,17 .  (5) Mc 10,46 .

Mc 9,17.8. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 .

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,17.14. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (4) : (1) Mc 9,17 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 .

Mc 9,17.16. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

Mc 9,18 - Mc 9,18 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:18 kai opou ean auton katalabèi rèssei auton kai afrizei kai trizei tous odontas kai xèrainetai kai eipa tois mathètais sou ina auto ekbalôsin kai ouk ischusan  17 qui ubicumque eum adprehenderit adlidit eum et spumat et stridet dentibus et arescit et dixi discipulis tuis ut eicerent illum et non potuerunt         [18] Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.’  [18] steeds wanneer de geest hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’   18 wanneer die hem aangrijpt, waar dan ook, verscheurt hij hem, en híj schuimbekt en knarst met zijn tanden en verstijft; ik zei tot uw leerlingen dat ze hem moesten uitwerpen, en ze konden het niet!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,18 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean (indien) . Taalgebruik in Mc : ean (indien) .
Mc (32) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 . (5) Mc 9,50 .

4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

16. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

20. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

21. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

24. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

25. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,19 - Mc 9,19 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:19 o de apokritheis autois legei ô genea apistos eôs pote pros umas esomai eôs pote anexomai umôn ferete auton pros me  18 qui respondens eis dicit o generatio incredula quamdiu apud vos ero quamdiu vos patiar adferte illum ad me      [19] Hij antwoordde hun: ‘Ongelovig slag mensen! Hoelang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoelang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’  [19] Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’  19 Ten antwoord zegt hij tot hen: o geslacht zonder geloof, tot wanneer moet ik bij u zijn, tot wanneer moet ik u verdragen?– brengt hem bij mij!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,19 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .

10. pote (wanneer, soms)  . Taalgebruik in het N.T. : pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote (wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 9,19 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,33 . (4) Mc 13,35 .
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4 : eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

12. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Brieven : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

15. pote (wanneer, soms)  . Taalgebruik in het N.T. : pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote (wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc 9,19 . (2) Mc 13,4 . (3) Mc 13,33 . (4) Mc 13,35 .
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4 : eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,20 - Mc 9,20 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:20 kai ènegkan auton pros auton kai idôn auton to pneuma euthus sunesparaxen auton kai pesôn epi tès gès ekulieto afrizôn  19 et adtulerunt eum et cum vidisset illum statim spiritus conturbavit eum et elisus in terram volutabatur spumans      20] En ze brachten hem naar Hem toe. Zodra de geest Hem zag, liet hij hem stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn mond.  [20] Ze brachten de jongen bij hem. Toen de geest hem zag, deed hij de jongen meteen stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen en weer.  20 Zij brengen hem bij hem. Meteen als de geest hem ziet laat hij hem stuiptrekken; hij valt ter aarde en rolt schuimbekkend heen en weer.   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,20 .

1. και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Taalgebruik : kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 . Er is verandering van personage .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned. : en . Arabisch : وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran : wa (en) . E. : and . D. : und . Fr. : et . Grieks : και = kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in NT . Hebr. : וְ = wë (en) . Lat. : et .

2.

Mc 9,20.3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,20.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

Mc 9,20.5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,20.7. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) . Zie : act. ind. aor. 3de pers. enk. ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Een vorm van ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .

  zien  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12    (1) Mc 2,5     (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .     (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .       (12) Mc 15,39   106  45  61  12  12  20  12  44  47   

Mc 9,20.8. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem) . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

7. - 8. ιδων αυτον = idôn auton (hem gezien) . Bijbel () . LXX (1) : NT () : (3) Mc 5,22 . (2) Mc 9,15 (variante lezing) . (6) Mc 9,20 .

Mc 9,20.9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 9,20.10. nom.+ acc. onz. enk. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6 : (1) Mt 3,16 . (2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18 . (4) Mt 12,43 . (5) Mt 26,41 . (6) Mt 27,50 . 12 : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 . 16 : (1) Lc 1,35 . (2) Lc 1,47 . (3) Lc 2,25 . (4) Lc 3,22 . (5) Lc 4,18 . (6) Lc 4,33 . (7) Lc 8,55 . (8) Lc 9,39 . (9) Lc 11,13 . (10) Lc 11,24 . (11) Lc 12,10 . (12) Lc 12,12 . (13) Lc 13,11 . (14) Lc 23,46 . (15) Lc 24,37 . (16) Lc 24,39 . 34 : (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22 . (2) Mc 1,26 //Lc 4,33 . (3) / Mc 3,29 // Lc 12,10 . (4) Mc 5,8 // Lc 8,29 . (5) Mt 10,20. // Lc 12,12 . (6) Mt 12,43 // Lc 11,24 . (7) Mt 26,41 // Mc 14,38 . 48
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Taalgebruik in Rechters : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) .
- Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .

9. - 10. το πνευμα = to pneuma (de geest) . NT (93) . Mc (9/12) . Niet in : (1) Mc 3,30 . (2) Mc 7,25 . (3) Mc 9,17 .
- Hebreeuws . הָרוּחַ = hârûach (de wind, de geest) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (14) : (1) Nu 11,17 . (2) Nu 11,25 . (3) Nu 11,26 . (4) 1 K 19,11 . (5) 1 K 22,21 . (6) Ez 1,12 . (7) Ez 1,20 . (8) Ez 37,9 . (9) Ez 37,10 . (10) Hos 9,7 . (11) Pr 1,6 . (12) Pr 8,8 . (13) Pr 11,5 . (14) 2 Kr 18,20 .

Mc 9,20.13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,20.17. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,21 - Mc 9,21 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:21 kai epèrôtèsen ton Patera autou posos chronos estin ôs touto gegonen autôi o de eipen ek paidiothen  20 et interrogavit patrem eius quantum temporis est ex quo hoc ei accidit at ille ait ab infantia      [21] Jezus vroeg zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij dat al?’ Hij zei: ‘Van kindsbeen af.   [21] Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’ Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd,  21 Hij vraagt aan zijn vader: hoe lange tijd is het al dat hij dit gekregen heeft? En hij zegt: van kind af!,   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,21 .

Mc 9,21.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,21.4. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het N.T. : patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) .
Mc (8) . (1) Mc 1,20 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21 .  (5) Mc 10,7 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .

Mc 9,21.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,21.8. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

Mc 9,21.13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,21.14. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,21.15. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

Mc 9,22 - Mc 9,22 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:22 kai pollakis kai eis pur auton ebalen kai eis udata ina apolesèi auton all ei ti dunèi boèthèson èmin splagchnistheis ef èmas  21 et frequenter eum et in ignem et in aquas misit ut eum perderet sed si quid potes adiuva nos misertus nostri      [22] Hij heeft hem ook al vaak in het vuur en in het water gegooid om hem te doden. Maar als U enigszins kunt, wees met ons begaan, kom ons te hulp.’  [22] en hij heeft hem zelfs vaak in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’  22 en dikwijls ook heeft hij hem in het vuur geworpen en dan weer in het water om hem om te brengen; maar als u íets kunt, help ons dan, wees over ons bewogen!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,22 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,22.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,22.6. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,22.10. nom. + acc. onz. mv. hudata (wateren) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het N.T. : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau . Mc (1) : Mc 9,22 .

Mc 9,22.11. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,22.13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,22.15. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

19. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

Mc 9,23 - Mc 9,23 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:23 o de Ièsous eipen autôi to ei dunèi panta dunata tôi pisteuonti .   22 Iesus autem ait illi si potes credere omnia possibilia credenti       [23] Jezus zei tegen hem: ‘Of Ik dat zou kunnen? Alles kan voor wie vertrouwen heeft.’   [23] Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’  23 Maar Jezus zegt: over dat ‘als u kunt’, – alles kan voor wie gelooft!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,23 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

1. - 5. ho de Ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) . Mc (2) : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,18 .

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

7. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

11. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

Mc 9,24 - Mc 9,24 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:24 euthus kraxas o patèr tou paidiou elegen pisteuô boèthei mou tèi apistiai . 23 et continuo exclamans pater pueri cum lacrimis aiebat credo adiuva incredulitatem meam     [24] Meteen riep de vader van de jongen uit: ‘Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp.’ [24] Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ 24 Meteen heeft de vader van het jongetje met een schreeuw gezegd: ik gelóóf!– help mij in mijn ongeloof!  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,24 .

Mc 9,24.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kraxas van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (4) : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 15,39 .

Mc 9,24.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,24.5. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,24.6. gen. onz. enk. paidiou (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (3) : (1) Mc 5,40 .  (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,24 .

Mc 9,24.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,11 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,24 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 9,26 . (9) Mc 9,31 . (10) Mc 9,35 . (11) Mc 9,41 .

Mc 9,24.11. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,25 - Mc 9,25 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
idôn de ho Ièsous hoti episuntrechei ochlos, epetimèsen tôi pneumati tôi akathartôi legôn autôi et cum videret Iesus concurrentem turbam comminatus est spiritui inmundo dicens illi surde et mute spiritus ego tibi praecipio exi ab eo et amplius ne introeas in eum Toen Jezus echter zag dat een volksmenigte te hoop liep, berispte hij de onreine geest, hem zeggend: "Spraakloze en stomme geest, ik gebied je, ga uit hem weg en ga niet meer in hem!"  Toen Jezus zag dat de mensen te hoop liepen, gebood hij op strenge toon aan de onreine geest: Stomme en dove geest, Ik gelast je, ga uit hem weg en kom nooit meer in hem terug.   Toen Jezus zag dat de menigte toestroomde, bestrafte hij de onreine geest met de woorden: ‘Stomme en dove geest, Ik beveel je, ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug.’  Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak hij de onreine geest op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, ik gebied je: ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’  Maar Jezus ziet dat er al een schare te hoop loopt en bestraft de onreine geest door tot hem te zeggen: jij geest van niet–kunnen–praten en doofheid, ík beveel jóu: ga uit hem weg en kom niet meer bij hem binnen!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,25 .

Mc 9,25.1. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . Mt (12) : (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet : 4 / 12 , impliciet : 3 / 12) . Expliciet (4 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12) : (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20) : (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .
- Ned. : zien . Arabisch : رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran : ra´â (zien) . D. : sehen , schauen . E. : to see . Fr. : voir . Gr. : ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT : eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws : רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh : râ´âh (zien) . Lat. : videre .

  zien  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12    (1) Mc 2,5     (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .     (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .       (12) Mc 15,39   106  45  61  12  12  20  12  44  47   

Mc 9,25.2. δε = de (echter) , afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT : de (echter) . Taalgebruik in de LXX : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 9,25.1. - 2. ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . NT (17) . Mc (5) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .
- και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8) : Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .

Mc 9,25.2. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. . : bepaald lidwoord de / het . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Gr. ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 9,25.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen ; in Mc 10 (18) : bovengenoemde 16 + 2 : (1) Mc 10,47 (voc.) . (2) Mc 10,50 (acc.) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4 : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4 : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1 : Mc 3,7 . 3 : (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1 : Mc 6,4 . 1 : Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1 : Mc 2,15 (dat.)   3 : (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2 : (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1 : Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5 : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16 : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4 : (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5 : (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2 : (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7 : (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3 : (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1 : Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2 : (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1 : Mc 10,47 (voc.) . 1 : Mc 11,33 (dat.) .     2 : (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1 : Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1 : Mc 9,8 . 1 : Mc 10,50 . 1 : Mc 11,7 .     2 : (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2 : (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

Mc 9,25.2. - 4. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) . NT (47) . Mc (4) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,29 . Lc (9) : (1) Lc 5,22 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 9,41 . (4) Lc 9,42 . (5) Lc 10,30 . (6) Lc 17,17 . (7) Lc 18,40 . (8) Lc 22,51 . (9) Lc 22,52 .
- και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) . NT (7) . Mc (4) : (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 . Lc (2) : (1) Lc 18,42 . (2) Lc 20,8 . Joh (1) : Joh 2,2 .
- ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) . NT (62) . Mc (21/37) : (1) Mc 1,41 (variante lezing) . (2) Mc 5,19 (variante lezing) . (3) Mc 5,36 . (4) Mc 7,27 (variante lezing) . (5) Mc 9,23 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,39 . (8) Mc 10,18 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,38 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,42 . (14) Mc 10,52 . (15) Mc 11,29 . (16) Mc 12,29 . (17) Mc 13,5 . (18) Mc 14,6 . (19) Mc 14,62 . (20) Mc 15,5 . (21) Mc 15,37 . Lc (8) : (1) Lc 7,6 . (2) Lc 8,46 . (3) Lc 8,50 . (4) Lc 9,47 . (5) Lc 18,16 . (6) Lc 22,48 . (7) Lc 23,25 . (8) Lc 23,34 .

Mc 9,25.1. - 4. ιδων δε ὁ ιησους = idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) . NT (4) : (1) Mt 8,18 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 .
- Mc (3) : (1) Mc 2,5 (variante : kai idôn ho ièsous = en Jezus gezien) . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . In Mc 9,25 ziet Jezus een menigte samenstromen bij de vader en het kind met een onreine geest . Jezus beveelt dan aan de onreine geest om uit het kind te gaan . In Mc 10,14 bevelen de leerlingen om de kinderen die aangedragen worden , weg te houden . In Mc 9,17 roept een vader tot Jezus dat hij zijn zoon met een onreine geest tot Jezus heeft gebracht omdat zijn leerlingen niet in staat waren om hem uit te werpen .
-

Mc 9,25.5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,25.7. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 9,25.8. act. ind. aor. 3de pers. enk. επετιμησεν = epetimèsen (hij deed een beroep op 'hun' eer , hij droeg op , hij beval) van het werkw. επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het NT : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX : epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel επι = epi (aan bij, op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt op het werkwoord steeds een datief . Bijbel (16) . LXX (2) : (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . NT (14) : (1) Mt 8,26 . (2) Mt 12,16 ( // Mc 3,12 ) . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 20,31 . (5) Mc 1,25 ( // Mt 8,26 ) . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 8,30 . (8) Mc 8,33 . (9) Mc 9,25 ( // Mt 17,18 ) . (10) Lc 4,35 . (11) Lc 4,39 . (12) Lc 8,24 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,55 . Een vorm van επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) in de LXX (11) , in het NT (29) , in Mc (9) : (1) Mc 1,25 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 8,30 . (5) Mc 8,32 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,13 . (9) Mc 10,48 . In de LXX kan het Griekse werkwoord επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) de vertaling zijn van 3 verschillende Hebreeuwse werkwoorden .
- De kenletter σ = s geeft act. en mediaal aor. weer . De stamletter α = a wordt verlengd tot η = è . Vandaar : επετιμησεν = epetimèsen (hij beval) .

  epitimaô (opleggen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 8 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Br. syn. ev.  
1 ind imp. 3de p. enk. epetima 1   (1) Mc 3,12 .           1   1   1     1 1
2 ind. imp. 3de p. mv. epetimôn 1           (1) Mc 10,48 .   3   3   1 2   3 3
3 inf. pr. epitiman       (1) Mc 8,32 .            
5 ind. aor. 3de p. enk. mv. epitèmèsen 5 (1) Mc 1,25 .     (2) Mc 4,39 .   (3) Mc 8,30 . (4) Mc 8,33 .   (5) Mc 9,25   16 2 14 4 5 5   14 14
6 act. ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan 1           (1) Mc 10,13 . 2   2 1 1     2 2
    9 33 4 29 6 9 12 2 27 27

- wa consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) van het werkw. גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Taalgebruik in Tenakh : gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Getalwaarde : ghimel = 3 , ajin = 16 of 70 , resj = 20 of 200 ; totaal : 39 (3 X 13) OF 273 (3 X 7 X 13) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2) : (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . Een vorm van het werkw. גָעַר = gâ`ar in 13 verzen in Tenakh .

Mc 9,25.9. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc (68) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 9,25.10. dat. onz. enk. πνευματι = pneumati van het zelfst. naamw. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Mc (7) : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
3 dat. enk. pneumati 124 37 87 4 7 : 8 5 10 49 4 19 24
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
dat. enk. pneumati 4 : (1) Mt 3,11. (2) Mt 5,3 . (3) Mt 12,28 . (4) Mt 22,43 . 7 : (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 . 8 : (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . 19 : (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . (2) Mc 9,25 // Lc 9,42 . 24
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Taalgebruik in Rechters : rûach (geest) . Getalwaarde : resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal : 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur : 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) .
- Ned. : geest . Arabisch : روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran : rûH (geest) . D. : Geist . E. : spirit . Fr. : esprit . Grieks : πνευμα = pneuma (geest) : Taalgebruik in het NT : pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh : rûach (geest) . Lat. : spiritus .

Mc 9,25.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Mc (68) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 9,25.12. dat. mann. + onz. enk. ακαθαρῳ = akatharô(i) : (met een) onzuivere (geest) van het bijvoegl. naamw. ακαθαρος = akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in het NT : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in de LXX : akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Mc : akatharos (onzuiver) . Mc (3) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 .

  akatharos (onzuiver) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 bijbel  OT  NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 3 (1) Mc 1,23 .     (2) Mc 5,2 .       (3) Mc 9,25 .   11 6 5   3 2        
  Totaal   11 169 139 30 2 11 6   5 3 3 19  19 

  akatharos (onzuiver) NT  Mt  Mc   Lc  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 5   3 : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2: (1) Lc 8,29 . (2) Lc 9,42 . 5 : Mc 9,25 // Lc 9,42 .
  Totaal   30 2 11 6 19  19 

- Hebreeuws . bijvoegl. naamw. vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (8) : (1) Lv 5,2 . (2) Lv 7,21 . (3) Lv 11,6 . (4) Lv 15,25 . (5) Lv 15,33 . (6) Lv 27,11 . (7) Joz 22,19 . (8) Am 7,17 .
In het NT komt een vorm van ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het meest bij Mc voor . Bij Mc is het telkens verbonden met 'onzuivere geest' . In het Nederlands gaat het bijvoeglijk naamwoord vooraf aan het zelfstandig naamwoord , in het Grieks bij Mc in deze verzen volgt het bijvoeglijk naamwoord ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . (1) Mc 1,23 (dat onz. enk. = akathartôi in : = anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (2) Mc 1,26 (nom. onz. enk. = akatharton in : = to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (3) Mc 1,27 (dat. onz. mv. = akathartois in : = tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) .
- Van Cangh (2005, p.68) : "A l'adjectif, l'hébreu préfère le génitif de qualité . Voir par exemple Zach 13,2" . טֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (3) : (1) Nu 5,19 . (2) Re 13,7 . (3) Re 13,14 . הַטֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naam. . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh : tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde : tet = 9 , mem = 13 of 40 , aleph = 1 ; totaal : 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur : 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2) : (1) Zach 13,2 . (2) 2 Kr 29,16 .

Mc 9,25.9. - 12. τῳ πνευματι τῳ ακαθαρῳ = tô(i) pneumati tô(i) akatharô(i) (aan de onreine geest) . Bijbel (3) : (1) Mc 9,25 . (2) Lc 8,29 . (3) Lc 9,42 .
- πνευματι ακαθαρῳ = pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) , steeds in de formulering van : εν πνευματι ακαθαρῳ = en pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) . Mc (2) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .
- Hebreeuws , zie Zach 13,2 : רוּח הַטֻּמְאָה = rûach hattumë´âh (geest van de onreinheid = de onreine geest) .

Mc 9,25.13. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT : legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta. : legô (zeggen) . Mc (18) : (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610) , in het NT (1318) , in Mc 1 (10) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608) , in het NT (925) .

legô (zeggen) tegenwoordige tijd bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 

Mc 9,25.14. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX : persoonlijk voornaamwoord . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 9,25.15. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,25.18. acc. mann. + onz. enk. kôfon (doof) van het bijvoegl. naamw. kôfos (doof) . Taalgebruik in het N.T. : kôfos (doof) . Taalgebruik in Mc : kôfos (doof) .
Mc (2) : (1) Mc 7,32 . (2) Mc 9,25 . Verder nog één vorm in Mc , nl. acc. mann. mv. kôfous (doven) : Mc 7,37 .

Mc 9,25.19. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

Mc 9,25.29. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,25.30. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

- ochlos (menigte) . In 13 verzen bij Marcus, zie Mc 2,13 en Mt 4,20 . Linken tussen menigte (ochlos Mc 9,25) , huis (oikon Mc 9,28) en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) .
- ochlos (menigte) bij Marcus - (12) Mc 10,1 - Mc 10,1 - ochloi (menigten) verwijst wellicht naar Mc 9,25 - Mc 9,14-29 - : ochlos (een menigte) - palin (opnieuw) 26X bij Marcus -

episuntrechei (epi : op (te hoop) sun (bijeen) trechô (lopen) ochlos : dat een menigte te hoop samenstroomde.
Met palin (opnieuw) - palin (opnieuw) 26X bij Marcus - verwijst ochloi (menigten) van Mc 10,1 hiernaar. In het werkwoord is sun- (bijeen) gemeenschappelijk. kai sumporeuontai palin ochloi pros auton : en opnieuw menigten gaan samen op weg bij hem.

Mc 9,26 - Mc 9,26 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
. 9:26 kai kraxas kai polla sparaxas exèlthen kai egeneto ôsei nekros ôste tous pollous legein oti apethanen . 25 et clamans et multum discerpens eum exiit ab eo et factus est sicut mortuus ita ut multi dicerent quia mortuus est 26 Iesus autem tenens manum eius elevavit illum et surrexit      [26] Onder gekrijs en veel stuiptrekkingen ging hij weg. Hij bleef achter als een lijk, zodat velen zeiden: ‘Hij is dood.’  [26] Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven.  26 En schreeuwend en hevig stuiptrekkend gaat hij weg, en hij wordt als een dode, zodat de meesten al zeggen ‘hij is gestorven!’   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,26 .

2. act. part. aor. nom. mann. enk. kraxas van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (4) : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 15,39 .

5.

6. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen : van een eerder besloten ruimte zoals een huis , een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 9 (3) : (1) Mc 9,25 . (2) Mc 9,26 . (3) Mc 9,30 .

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

15. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

16. act. ind. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij stierf) van het werkw. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel : apothnè(i)skô (sterven) . Bijbel (200) . OT (269) . NT (31) . Ev (18) : (1) Mt 9,24 . (2) Mt 22,27 . (3) Mc 5,35 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 12,21 . (7) Mc 12,22 . (8) Mc 15,44 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 8,53 . (11) Lc 16,22 . (12) Lc 20,29 . (13) Lc 20,32 . (14) Joh 8,52 . (15) Joh 8,53 . (16) Joh 11,14 . (17) Joh 11,21 . (18) Joh 11,32 . Een vorm van αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) in de LXX (600) , in het NT (113) .
- Ned. : sterven . Arabisch : مَاتَ = mâta (sterven) . Taalgebruik in de Qoran : mâta (sterven) . Aramees : מִית = mîth (sterven) . D. : sterben . E. : die . Fr. mourir (sterven) . E. die . D. sterben . Grieks : αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in het NT : apothnè(i)skô (sterven) . Italiaans : morire . Hebreeuws : מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh : mwth (sterven, ondergaan) . Latijn : mori . Spaans : morir .


Mc 9,27 - Mc 9,27 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:27 o de ièsous kratèsas tès cheiros autou ègeiren auton kai anestè  27 et cum introisset in domum discipuli eius secreto interrogabant eum quare nos non potuimus eicere eum     [27] Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan, en hij stond op.
[27] Maar Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.
27 Maar Jezus grijpt zijn hand vast en wekt hem op, en dan staat hij op.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,27 . Het vers Mc 9,27 telt 11 woorden en 52 (2 X 2 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 9,27 is 5708 (2 X 2 X 1427) .

Mc 9,27.1. bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,27.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,27.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc 9 (5) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 9 (8) : (1) Mc 9,2 (nom. Ièsous) . (2) Mc 9,4 (dat. Ièsou) . (3) Mc 9,5 (dat. Ièsou) . (4) Mc 9,8 . (5) Mc 9,23 (nom. Ièsous) . (6) Mc 9,25 (nom. Ièsous) . (7) Mc 9,27 (nom. Ièsous) . (8) Mc 9,39 (nom. Ièsous) .

Mc 9,27.4. act. part. aor. nom. mann. enk. κρατησας = kratèsas (vastgenomen) van het werkw. . κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in het NT : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in de LXX : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in Mc : krateô (vastnemen, bemachtigen) . Bijbel (7) . OT (1) : 2 Mak 4,10 . NT (6) : (1) Mt 14,3 . (2) Mt 18,28 . (3) Mc 1,31 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 9,27 . (6) Lc 8,54 . In deze drie verzen is κρατησας = kratèsas (vastgenomen) gecombineerd met της χειρος = tès cheirοs (de hand) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 . Een vorm van κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153) , in het NT (47) , in Mc (15) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast) . Bijbel (35) . LXX (32) . NT (3) : (1) Mt 9,25 . (2) Mc 6,17 . (3) Apk 20,2 .

Mc 1,31 Mc 5,41 Mc 9,27
    ho de Ièsous (Jezus echter)  
ègeiren (hij wekte op) autèn (haar)    
kratèsas tès cheiros (de hand vastgenomen) kratèsas tès cheiros tou paidiou (de hand van het kind vastgenomen) kratèsas tès cheiros autou (zijn hand vastgenomen)
    ègeiren (hij wekte op) auton (hem) kai anestè (en hij stond op)
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder : Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39  144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56  170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a 

- וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) < prefix waw consecutivum wë + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Taalgebruik in Tenakh : chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Getalwaarde : chet = 8 , zajin = 7 , qoph = 19 of 100 ; totaal : 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23) . Structuur : 8 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 7 . wjjchzq : Tenakh (37) .

Mc 9,27.5. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT : bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned. : de . Arabisch : bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran : ´al (de) . D. : der , die , das enz. . E. : the . Fr. : le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) . Grieks : ὁ = ho , ἡ = hè , το = to (de - het) . Hebreeuws : הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh : ha (de, het) .

Mc 9,27.6. gen. mann. enk. χειρος = cheiros (van de hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX : cheir (hand) . Mc (4) : (1) Mc 1,31 .  (2) Mc 5,41 .  (3) Mc 8,23 .  (4) Mc 9,27 . Een vorm van χειρ = cheir (hand) in de LXX (1943) , in het NT (176) , in Mc (25) .
- יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Getalwaarde : jod = 10 . daleth = 4 . Totaal 14 (2 X 7) . Structuur : 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- יָד = jâd (hand) < zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en oorspronkelijk 1 korte klinker (qal-vorm) (Lettinga(6) 24c1) . De korte klinker onderging een verandering van kwantiteit (korte a werd lange a) onder invloed van de pausa-vorm (Lettinga(6) 13h)
- Ned. : hand . Arabisch : يد = jad (hand) . Taalgebruik in de Qoran : jad (hand) . D. : Hand . E. : hand . Fr. : main . Grieks : χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT : cheir (hand) ; cfr chirurgie, chiropraxie . Hebreeuws : יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Lat. :manus (cfr manufacture, manuel = handleiding, manipuler) .

cheir bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk Lc Hnd
gen. vr. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 8,54 .   (1) Hnd 2,23 . (2) Hnd 3,7 . (3) Hnd 7,25 . (4) Hnd 11,30 . (5) Hnd 12,11 . (6) Hnd 15,23 . (7) Hnd 23,19 . (8) Hnd 28,3 .
Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16     

Mc 9,27.4. - 6. κρατησας της χειρος = kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) in Bijbel = NT (4) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 . (4) Lc 8,54 .

Mc 9,27.7. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT : voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 9,27.6. - 7. יָדוֹ= jâdô (zijn hand) < zelfst. naamw. jâd (hand) + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (van hem) van het zelfst. naamw. יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh : jâd (hand) . Het kan ook יָדָו = jâdâw (zijn handen) gevocaliseerd worden , maar dan ontbreekt de meervoudsjod na de daleth . Tenakh (159) . Pentateuch (59) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (38) . Gn (11) . Ex (13) . Lv (28) . Nu ((3) . Dt (4) .

Mc 9,27.8. actief imperfectum derde persoon enkelvoud ègeiren (hij wekte op) . Taalgebruik in het N.T. : egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc : egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap , op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere : flink , levendig zijn , opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi , surrectum ) = oprijzen , opstaan , rechtop staan . sur < super = op , boven + regere ( rexi , rectum ) : richten (rechtop) , leiden , sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten , terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ) , uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super : op , boven + citare (citus : vlug , snel) : in beweging brengen . Aldus : terug in beweging brengen , heropleven .
Fr. réveiller : wekken , ont-waken < re + vigilare (vig- wak- , wek-) waken .
In twee verzen bij Marcus : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 .

9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,27.1. - 9.
- Mc 1,31 : kai proselthôn ègeiren autèn kratèsas tès cheiros (en naderbijgekomen wekte hij haar op , nadat hij de hand had vastgenomen) .
- Mc 9,27 : ho de ièsous kratèsas tès cheiros autou ègeiren auton (Jezus echter , zijn hand vastgenomen , wekte hem op) .


Mc 9,28 - Mc 9,28 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai eiselthontos autou eis oikon hoi mathètai autou kat'idian epèrôtôn auton Hoti hèmeis ouk èdunèthèmen ekbalein auto; et cum introisset in domum discipuli eius secreto interrogabant eum quare nos non potuimus eicere eum En hij ging binnen in een huis (en) zijn leerlingen ondrvroegen hemafzonderlijk: "Waarom konden wij hem niet uitwerpen?"  Toen hij thuis gekomen was en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?   Thuisgekomen*, alleen met zijn leerlingen, vroegen dezen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij gaat een huis binnen en dan, als ze onder elkaar zijn, vragen zijn leerlingen hem: waarom konden wij dat niet, hem uitdrijven? Bij zijn thuiskomst ondervroegen zijn leerlingen hem  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,28 . Het vers Mc 9,28 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 94 (2 X 47) letters . De getalwaarde van Mc 9,28 is 9556 (2 X 2 X 2389) .

Mc 9,28.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,28.2. part. aor. gen. mann. enk. eiselthontos (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T. : eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc : eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen .
Mc (1) : Mc 9,28 .

Mc 9,28.3. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,28.2. - 3. eiselthontos autou (nadat hij = Jezus was binnengegaan) . Losse genitief . Het onderwerp van de hoofdzin zijn de leerlingen van Jezus . Zij ondervragen hem .

Mc 9,28.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,28.5. acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus . Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) :
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,38 . (5) Mc 7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10) : (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 .

Mc 9,28.1. - 5. STAP VOOR STAP !
Mc 7,17 : kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij in huis binnenging) .
Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij in huis was binnengegaan) .

Linken tussen menigte (ochlos Mc 9,25) , huis (oikon Mc 9,28) en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) . Zie ook : linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14) , huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) .

Mc 9,28.6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (4) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,28.7. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
De leerlingen stellen vragen aan Jezus (als verduidelijking van wat Jezus in het openbaar heeft gezegd) . Viermaal ondervroegen de leerlingen Jezus : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . Eénmaal is er een vraag van de Farizeeën : (1) Mc 10,2 . Eénmaal is er een vraag van de Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

Mc 9,28.8. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,28.6. - 8. oi mathètai autou (zijn leerlingen) . Mc (11 / 17) . Niet in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 14,16 .

Mc 9,28.9. kat' : afkorting van kata . kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T. : kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata (tegen, volgens) .
Mc (11) . Mc 9 (2) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,28 .

Mc 9,28.10. acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen) . Taalgebruik in het N.T. : idios (eigen) . Taalgebruik in Mc : idios (eigen) .
Mc (7) : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,28.9. - 10. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,28.11. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud epèrôtôn (zij 'onder'vroegen, zij vroegen op) . van het werkw. ep-erotaô (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (6) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 .
De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc

1. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 7,17 : Kai hote eisèlthen eis oikon apo tou ochlou epèrôtôn auton hoi mathètai autou (en toen hij naar huis binnenging weg van de menigte , ondervroegen zijn leerlingen hem) .
- Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon hoi mathètai autou kat'idian epèrôtôn auton (en nadat hij naar huis binnenging , ondervroegen zijn leerlingen in afzondering hem) .

In twee verzen is er sprake van het binnengaan in een huis en het uitvragen van Jezus door de leerlingen . In Mc 7,17 vragen de leerlingen van Jezus hem uit over de parabel over wat een mens bezoedelt . Daar worden allerlei 'zonden' opgesomd , die de liefde tot de naaste schaden (Mc 7,21 - Mc 7,22) . In Mc 9,28 vragen de leerlingen van Jezus hem, waarom zij de onreine geest niet hebben kunnen buitenwerpen .

13. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

15. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,29 - Mc 9,29 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:29 kai eipen autois touto to genos en oudeni dunatai exelthein ei mè en proseuchèi   29 et inde profecti praetergrediebantur Galilaeam nec volebat quemquam scire       [29] Hij zei tegen hen: ‘Dit soort kun je niet anders uitdrijven dan met gebed.’  [29] Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’  29 Hij zegt tot hen: dit soort kan door niet anders weggaan dan door gebed!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,29 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

5. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

7. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

9. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 .

11. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

13. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -

Evangelielezing van deMc 9,30-37 (Mc 9,30-37 ) :
In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan." Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: "Waar hebt ge onderweg over getwist?" Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen." Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: "Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft."

De tekst

30. En daarvandaan uitgetrokken gingen zij zijdelings door Galilea en hij wilde niet dat iemand (het) zou weten.
31. Hij onderwees immers de leerlingen van hem en hij zei aan hen dat de mensenzoon wordt overgelverd in de handen van mensen en zij zullen hem doden en gesorven zal hij na drie dagen opstaan.
32. zij echter begrepen het woord niet en zij waren bevreesd hem (uitleg) te vragen.

Een eerste kennismaking met de tekst : Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32

De tekst bestaat uit :
- de aanduiding van een plaatsverandering (Mc 9,30a), (nl. dat zij door Galilea trekken op weg naar Jeruzalem)
- de geheimhouding ervan (Mc 9,30b), (nl. van wat zojuist gezegd is)
- het onderricht van Jezus aan zijn leerlingen (Mc 9,31) (nl. de tweede lijdensvoorspelling)
en de reactie van de leerlingen erop (Mc 9,32). (nl. het niet begrijpen door de leerlingen en de vrees om uitleg te vragen)
In Mc 9,30a is Jezus en de leerlingen onderwerp , in Mc 9,30b-Mc 9,31 is het Jezus en in Mc 9,32 zijn het de leerlingen . Er zijn 3 X 2 hoofdzinnen . Telkens zijn twee hoofdzinnen met het woordje kai = en met elkaar verbonden . De verbinding tussen de drie X twee hoofdzinnen gebeurt door voegwoorden : in Mc 9,31 : immers (Grieks : gar) en in Mc 9,32 : echter (Grieks : de) . De hoofdwerkwoorden in de hoofdzinnen staan in de onvoltooid verleden tijd - imperfectum.

Mc 9,30 - Mc 9,30 : 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:30 kakeithen exelthontes pareporeuonto dia tès Galilaias kai ouk èthelen hina tis gnoi 30 docebat autem discipulos suos et dicebat illis quoniam Filius hominis tradetur in manus hominum et occident eum et occisus tertia die resurget En ze daarvandaan weg (en) kwamen voorbij door Galilea, en hij wou niet dat iemand het zou weten : In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [30] Ze gingen daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [30] Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, 30 ¶ Daarvandaan weggaand zijn zij verdergetrokken door Galilea, en hij heeft niet gewild dat iemand daarvan kennis zou hebben.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,30 . Het vers Mc 9,30 telt 13 (12???) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 9,30 is 5071 (11 X 461) .
De bijbelteksten hadden oorspronkelijk geen titels . Het begin van een nieuwe pericope wordt vaak bepaald door een plaatsverandering . Dit is ook hier het geval . De pericope begint : "En zij gingen daarvandaan weg" . Dat roept natuurlijk de vraag op : "Waarvandaan gingen ze weg." Van welke plaats is er sprake in voorgaande tekst ? Het antwoord op onze vraag vinden we in Mc 9,28 : "En hij ging binnen in een huis en zijn leerlingen ondervroegen hem." Ze gingen dus weg van een huis waarin Jezus'leerlingen hem een vraag hadden gesteld en waarop hij een antwoord had gegeven . In Mc 8,28 - Mc 8,29 maakt Marcus een onderscheid tussen Jezus en zijn leerlingen . Zoals reeds eerder is voorgekomen onderricht Jezus zijn leerlingen in besloten kring (ka'idian) . Door het gebruik van de losse genitief beklemtoont de evangelist het initiatief van Jezus om zijn leerlingen de kans te geven een vraag te stellen en om hen te onderrichten . We zouden eerder schrijven : Nadat zij waren gekomen in een huis , vroegen zijn leerlingen hem..." In Mc 9,30 verschijnen Jezus en zijn leerlingen als groep (meervoudsvorm) . De link met voorgaande pericope is ook van ondergeschikt belang (verleden deelwoord - participium aorist) in de zin van Mc 9,30 . Door het plaatsen van eis oikon (naar / in huis) achter eiselthontos (nadat hij was binnengegaan) (Mc 9,28) en ekeithen (daarvandaan) vóór eksethontes (weggegaan zijnde) (Mc 9,30) krijgen we een kruisvormige structuur (chiasme) . Door ekeithen (daarvandaan) vooraan te plaatsen , wordt het beklemtoond .

Mc 9,30.1. εκειθεν = ekeithen . Taalgebruik in het NT : vanhier, vandaar . Taalgebruik in de LXX : vanhier, vandaar . Taalgebruik in Mc : vanhier, vandaar . Mc (5) : (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,1 .
- Mc 6,10 en Mc 6,11 behoren tot de zendingsrede . εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte) , οικος = oikos of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar) .
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) . LXX (9) . NT (2) : (1) Mc 7,24 . (2) Lc 9,4 .
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar) . LXX (5) . NT (0) .

  ekeithen (vandaar)  Mc Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ekeithen  (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 (4) Mc 7,24 .   (5) Mc 10,1 157  130  27  12    20  22 
kakeithen      (1) Mc 9,30 .   10    10             
  totaal  167  130  37  12  12    20  22 

- Hebreeuws : מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh : sjem (naam) . Getalwaarde : sjin = 21 of 300 , mem = 13 of 40 ; totaal : 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur : 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (103) . Pentateuch (37) .
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m . Tenakh (8) .


Mc (1) : Mc 9,30 . Dit verwijst naar Mc 9,28 : eis oikon (naar huis) . ekeithen (vanhier) . Mc (5) : (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,1 .

Mc 9,30.2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T. : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc : exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Mc (5) : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .
Dit vervolgt op Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon (nadat hij naar het huis was binnengegaan) .

Mc 9,30.1. - 2. Linken tussen :
menigte (ochlos Mc 9,25) : idôn de ho ièsous hoti episuntrechei ochlos (gezien echter Jezus dat een menigte opeenstroomt) ,
huis (oikon Mc 9,28) : kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij in huis was binnengegaan)
en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) . Zie ook : linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14) , huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) .

Mc 9,30.1. - 2. Chiastische (kruis) structuur :
- Mc 9,28 : kai eiselthontos autou eis oikon (nadat hij naar het huis was binnengegaan) .
- Mc 9,30 : kakeithen exelthontes (en vandaar uitgegaan) .

Mc 9,30.3. ind. imperf. 3de pers. mv. pareporeuonto  (zij begaven zich op weg langs) van het werkw. paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het N.T. : paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc : paraporeuomai (zich begeven langs) .
Mc (1) : Mc 9,30 . Een vorm van paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 .

Mc 9,30.4. dia (door, na) . dia in Mc (29) . di' (2) . Taalgebruik in N.T. : dia (door) . Taalgebruik in Mc : dia (door) . Voorzetsel . L. per , post . Fr. par , après . Ned. na . dia in Mc (29) . di' (2) . Mc 9 (1) : Mc 9,30 .

Mc 9,30.5. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.6. gen. vr. enk. galilaias van de plaatsnaam galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T. : Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc : Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Mc (7) : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,31 . (7) Mc 9,30
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel , niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) .

Mc 9,30.4. - 6. dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1) : Mc 9,30 . De periode van Jezus in Galilea wordt stilaan afgesloten die begon in Mc 1,9 .

Mc 9,30.7. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,30.8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,30.9. act. ind.  imperf. 3de pers. enk. èthelen (hij wilde) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (5) : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,19 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.8. - 9. ouk èthelen (hij wilde niet) . In Mc slechts in Mc 9,30 .

Mc 9,30.10. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.9. - 10 èthelen hina (hij wilde dat) . In Mc slechts in Mc 9,30 .

Mc 9,30.11. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag. , betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,30.12. act. con,j. aor. 3de pers. enk. gnoi  van het werkw. gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in het N.T. : gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc : gignôskô (kennen, weten) .
Mc (2) : (1) Mc 5,43 . (2) Mc 9,30 .

Mc 9,30.7. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 5,43 : kai diesteilato autois polla ina mèdeis gnoi touto (en hij beval hen meermaals dat niemand dit zou weten) . Het zwijggebod betreft het ten leven wekken van het kind .
- Mc 9,30 : kai ouk èthelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen , gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea , maar hij wil niet dat iemand het weet .

- Mc 7,24 : oudena èthelen gnônai (hij wilde niemand kennen) .
- Mc 9,30 : kai ouk èthelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen , gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea , maar hij wil niet dat iemand het weet .

Het is opmerkelijk dat Jezus voorbijgaat door Galilea . Je kan aan deze plaatsaanduiding gemakkelijk voorbijgaan , maar het is de eerste aanduiding die suggereert dat Jezus op weg naar Jeruzalem is . Er is iets merkwaardigs gebeurd . In Mc 8,27-30 beleed Petrus : "Gij zijt de messias" en in Mc 9,2-10 vertelt Marcus de verheerlijking van Jezus . Tot dan week Jezus uit voor gevaar . Vanaf nu gaat Jezus het gevaar niet meer uit de weg maar gaat hij de uitdaging aan om naar Jeruzalem te gaan . Volgens sommige auteurs begint met Mc 8,27-10,45 een nieuw deel : op weg.

"Kwamen voorbij door Galilea" is verweven met het hele evangelie. Het herinnert aan alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft in Galilea (Mc 1,14-8,26) en het anticipeert de woorden van Jezus dat hij na zijn opstanding uit de doden zijn leerlingen zal voorgaan naar Galilea .
Het zinsdeeltje maakt duidelijk dat een tekst deel uitmaakt van een groter geheel . Het is als bij het lezen van een roman . Je begrijpt bepaalde onderdelen pas op het einde van het boek , als het verhaal tot ontknoping is gekomen . Zo is het ook met een evangelie . We begrijpen pas goed het verhaal als we het slot hebben gelezen en het is soms boeiend om het evangelie achterste voren te lezen . Sommige bijbelgeleerden zijn van mening dat eerst het passieverhaal zijn vorm heeft gekregen en pas later de andere gedeelten van het evangelie . Het is als bij het meemaken van het sterven van een nabij persoon . Eerst blijven we tot in de kleinste details stilstaan hoe het is gebeurd en pas daarna blikken we terug op alles wat de persoon gezegd en gedaan heeft .
Marcus zelf geeft ons tips om verbanden te leggen .

Een verhaal in zijn geheel bekijken, betekent kennis maken met een hoofdpersonage, met wat het meemaakt . Naast het hoofdpersonage zijn er nevenpersonages : personages die het hoofdpersonage helpen , ondersteunen en die het tegenwerken. In het Marcusevangelie is Jezus het hoofdpersonage . Helpers zijn de leerlingen en het volk. Tegenstanders zijn de Farizeeën , schriftgeleerden, priesters, hogepriesters... en koning Herodes . De structuur van het evangelie is eenvoudig : er is een proloog (Mc 1,1-13) , een epiloog of slot (Mc 16,1-8) en een middenstuk (Mc 1,14-15,47) . Het middengedeelte omvat drie onderdelen: het optreden van Jezus in Galilea , op weg naar Jeruzalem , het gebeuren in Jeruzalem .

Mc 9,31 - Mc 9,31 : : 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
.9:31 edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois oti o Uios tou Anthrôpou paradidotai eis cheiras anthrôpôn kai apoktenousin auton kai apoktantheis meta treis èmeras anastèsetai   30 docebat autem discipulos suos et dicebat illis quoniam Filius hominis tradetur in manus hominum et occident eum et occisus tertia die resurget  hij leerde immers zijn leerlingen en zei hun : "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van mensen, en ze zullen hem doden ; en gedood, zal hij na drie dagen opstaan".   want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan."  [31] want Hij was bezig met onderricht aan zijn leerlingen. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd en valt in de handen van mensen. Ze zullen Hem doden, en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.’   [31] want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.’   31 Want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven en heeft tot hen gezegd: de mensenzoon wordt overgeleverd in handen van mensen, en ze zullen hem doden, en eenmaal gedood zal hij na drie dagen opstaan!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,31 . Het vers Mc 9,31 telt 26 (2 X 13) woorden en 149 letters . De getalwaarde van Mc 9,31 is 16346 (2 X 11 X 743) . Tweede lijdensaankondiging . Deze lijdensaankondiging bestaat uit drie elementen : overlevering , doding en opwekking / opstanding .

- aankondiging : Mc 9,31 : hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd) eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) .
- vervulling :  Mc 14,41 : idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) .
- Judas :  Mc 14,21 : ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd) .

Mc 9,31.1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw. didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .

Mc 9,31.2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc (7) : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

Mc 9,31.3. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

Mc 9,31.4. acc. mann. mv. mathètas (leerlingen) . van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (7) : (1) Mc 6,45 .   (2) Mc 8,1 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 9,14 . (6) Mc 9,31 .   (7) Mc 12,43 .

Mc 9,31.5. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,31.3. - 5. tous mathètas autou (zijn leerlingen) . Mc (5 / 7) . Niet in  (1) Mc 8,1 . (2) Mc 9,14 .

Mc 9,31.1. 3. - 5. edidasken (of een vorm van didaskô = leren) ... tous mathètas autou (hij onderrichtte ... zijn leerlingen) . In Mc slechts in Mc 9,31 .

Mc 9,31.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,11 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,24 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 9,26 . (9) Mc 9,31 . (10) Mc 9,35 . (11) Mc 9,41 .

Mc 9,31.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,31.6. - 8. kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc (14) : (1) Mc 2,27 . (2) Mc 3,23 .  (3) Mc 4,2 . (4) Mc 4,11 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 6,4 . (8) Mc 6,10 . (9) Mc 7,9 . (10) Mc 7,14 . (11) Mc 8,21 . (12) Mc 9,1 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 11,17 .

Mc 9,31.1. - 8.
- Mc 4,2 : kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en tè didachè autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31 : edidasken gar tous mathètas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17 : kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .

Mc 9,31.9. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,31.8. - 9. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (10) , gevolgd door hoti (dat) (9) , dat het citaat inleidt . Mc 9 (5 ; 5 / 10 en 5 / 9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,26 . (5) Mc 9,31 .

Mc 9,31.10. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,31.11. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T. : huios (zoon) . Taalgebruik in Mc : huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 9 : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) .

Mc 9,31.12. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,31.13. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (15) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

Mc 9,31.10. - 13. ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) in Mc (9 / 19) : (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. (3) Mc 8,38 ** . (4) Mc 9,9 ** . (5) Mc 9,31 ** . (6) Mc 10,33 ** . (7) Mc 10,45 ** . (8) Mc 14,21 ** . (9) Mc 14,41 ** .

Mc 9,31.14. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het N.T. : paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc : paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans -dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren , overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs , naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over : tegenover , aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen : geven aan de tegenovergestelde , de andere , de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . Mc (3) : (1) Mc 9,31 .  (2) Mc 14,21 . (3) Mc 14,41 .  

Mc 9,31.15. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,31.16. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc 5 (11) : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 8,23 . (5) Mc 8,25 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,16 . (9) Mc 14,41 . (10) Mc 14,46 .  (11) Mc 16,18

Mc 9,31.17. gen. mann. mv. anthrôpôn (van mensen) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (11) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 3,28 . (3) Mc 7,7 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 7,21 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 11,2 . (9) Mc 11,30 . (10) Mc 11,32 .  (11) Mc 12,14 .

Mc 9,31.18. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.19. act. ind. fut. 3de pers. mv. apoktenousin (zij zullen doden) van het werkw. apokteinô (doden) . Taalgebruik in het N.T. : apokteinô (doden, vermoorden) . Taalgebruik in Mc : apokteinô (doden, vermoorden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits : töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors , mortis) .
Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 .

Mc 9,31.20. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,31.21. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.22. pass. part. aor. nom. mann. enk apoktantheis (gedood) van het werkw. apokteinô (doden) . Taalgebruik in het N.T. : apokteinô (doden, vermoorden) . Taalgebruik in Mc : apokteinô (doden, vermoorden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits : töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors , mortis) . Mc (1) : Mc 9,31 .

Mc 9,31.23. meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta (na , met) . Taalgebruik in Mc : meta (na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34) . Mc 9 (2) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .  

Mc 9,31.24. treis (drie) . telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Mc : telwoorden .
Mc (5) : (1) Mc 8,2 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,34 .

Mc 9,31.25. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) . Mc (11) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 .  (7) Mc 10,34 .  (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 .  (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 .  

Mc 9,31.26. ind. fut. 3de pers. enk. anastèsetai (hij zal opstaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) . Mc (2) : (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 .  

Mc 9,32 - Mc 9,32 : : 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:32 oi de ègnooun to rèma kai efobounto auton eperôtèsai   31 at illi ignorabant verbum et timebant eum interrogare Zij echter begrepen het woord niet, en ze vreesden hem te ondervragen.   Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. [32] Ze begrepen* dat woord niet, maar ze durfden Hem er ook niets over te vragen.   [32] Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen.
32 Maar zij hebben niets herkend in wat hij zei, en waren bevreesd om hem er naar te vragen.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,32 . Het vers Mc 9,32 telt 9 (3 X 3) woorden en 44 (2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 9,32 is 5087 .

Mc 9,32.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (4) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,32.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,32.1. - 2. hoi de (zij echter) . Mc () . Mc 9 (2) : (5) Mc 9,32 . (6) Mc 9,34 .

Mc 9,32.3. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ègnooun  van het werkw. agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in het N.T. : agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in Mc : agnoeô (ontkennen) . Mc (1) : Mc 9,32 . Een vorm van agnoeô (ontkennen) in Mc slechts in 1 vers : Mc 9,32 .

Jezus wilde niet dat iemand zou weten dat hij op weg naar Jeruzalem door Galilea trok . Hij vreest wellicht dat hij nooit in Jeruzalem zal geraken omdat hij vroegtijdig zal worden opgepakt . Er dreigt ook gevaar van binnenuit , want er is reeds vermeld (Mc 3,19) dat Judas , één van de twaalf , hem zal overleveren. Met dat dreigend gevaar hangen verschillende themata samen : het zwijggebod , het spreken in parabels .
In het Marcusevangelie is er sprake van wat men noemt het "messiasgeheim" . Hiermee bedoelt men dat in dit evangelie Jezus zijn messiasschap tracht geheim te houden . Daarom geeft hij aan mensen die zijn ware identiteit kennen , de opdracht het stil te houden .

Mc 9,32.4. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,32.5. acc. onz. enk. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T. : rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Mc : rèma (woord, uitspraak) .
Mc (2) : (1) Mc 9,32 . (2) Mc 14,72 . In Mc 9,32 ontkennen de leerlingen het woord van Jezus over zijn lijden , dood en verrijzenis (tweede lijdensvoorzegging) . In Mc 14,72 herinnert Petrus zich bij het hanengekraai het woord dat Jezus tot hem sprak . Petrus had in Mc 14,71 gezegd : ik ken die mens niet waarover je spreekt .

Mc 9,32.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,32.7. ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai (vrezen) . Taalgebruik in het N.T. : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc : fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5) : (1) Mc 9,32 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 11,32 . (5) Mc 16,8 .

Mc 9,32.8. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -

De tekst geeft aan :
- een plaatsverandering : zij gingen naar Kafarnaüm (Mc 9,33a) ,
- de vraag van Jezus waarover zij onderweg hebben gediscussieerd (Mc 9,33b) ,
- het stilzwijgen van de leerlingen en de reden ervan nl. de discussie ging erover wie de grootste is (Mc 9,34) ,
- het antwoord van Jezus : indien iemand de grootste wil zijn ... (Mc 9,35) ,
- het plaatsen van een kind in het midden door Jezus (Mc 9,36) ,
- een woord van Jezus : wie één van deze kinderen... (Mc 9,37) .
In Mc 9,33a (de plaatsverandering) zijn Jezus en de leerlingen onderwerp . In Mc 9,33b , Mc 9,35-36 is Jezus onderwerp . >
Mc 9,33b Mc 9,34 Mc 9,35a Mc 9,35b Mc 9,36a Mc 9,36b
Kai (en) en tiji oikiai genomenos (en in huis gekomen zijnde)   kai kathisas (en zich neergezet hebbende) kai (en) kai laboon paidion (en genomen hebbende een kind) kai enagkalisamenos auto(en het omarmd hebbende)
epijroota (vroeg hij) hoi de esioopoon (zij echter zwegen) efoonijsen (riep hij) legei (zegt) estijsen auto en mesooi atoon (plaatste het in hun midden) eipen (zei hij)
autous (hen)   tous doodeka (de twaalf) autois (aan hen)   autois (aan hen)
ti (wat - waarover) pros allijlous gar dielechthijsan (want onder elkaar hadden zij gediscussieerd)        
en tiji hodooi (onderweg) en tiji hodooi (onderweg)        
dielogizesthe (jullie hebben gediscussieerd)          

 
Mc 9,33 - Mc 9,33 : 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
Kai èlthon eis Kafarnaoum kai en tèi oikiai genomenos epèrôta autous, Tí en tèi hodôi dielogizesthe; et venerunt Capharnaum qui cum domi esset interrogabat eos quid in via tractabatis En ze kwamen in Kafarnaüm. En thuis gekomen ondervroeg hij hen: Wat hebben jullie onderweg overlegd?"  Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: Waar hebt ge onderweg over getwist?  Ze kwamen in Kafarnaüm. Thuis* vroeg Hij hun: ‘Waar hadden jullie het onderweg toch over?’   Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’  Ze komen aan in Kafarnaoem. Als hij in het huis is stelt hij aan hen de vraag: en waarover ging onderweg uw overleg? en zij gingen naar Kafarnaüm

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,33 . Het vers Mc 9,33 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 91 letters . De getalwaarde van Mc 9,33 is 8549 (83 X 103) .

Mc 9,33.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon (ik ging of zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T. : erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc. : erchomai (gaan, komen) . .
Mc (9) : (1) Mc 1,29 . (2) Mc 5,1 . (3) Mc 6,53 . (4) Mc 9,33 . (5) Mc 14,16 . ('6') Mc 2,17 (1ste pers.) ; ('7') Mc 3,8 . ('8') Mc 5,14 . ('9') Mc 6,29 . In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17) , in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud .

Mc 9,33.3. eis (naar ) . Taalgebruik in het N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers ( versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien ) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

2. - 3. In 5 verzen gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats : èlthon (zij gingen) + eis (naar : voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling .
(1) Mc 1,29 (èlthon eis tèn oikian... = zij gingen naar het huis van de schoonmoeder van Simon) .
(2) Mc 5,1 (kai èlthon eis to peran tès thalassès = zij gingen naar de overzijde van het meer) .
(3) Mc 6,53 (èlthon eis Gennèsaret = zij gingen naar Gennesaret) .
(4) Mc 9,33 (kai èlthon eis Kafarnaoum = zij gingen naar Kafarnaüm) .
(5) Mc 14,16 (kai èlthon eis tèn polin = zij gingen naar de stad) .

Mc 9,33.4. kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in het N.T. : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc : kafarnaoum (Kafarnaüm) . Khofèr (losgeld, verzoengeld) komt in de Hebreeuwse bijbel in 14 verzen voor .
Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

Mc 9,33.3. - 4. eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . Mc (3) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 . In Mc 2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 . Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope . Aan het voorzetsel eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf , in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel eis (naar) . De zinnen beginnen telkens met het verbindend voegwoord kai (en) .
In Mc 1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea , in Mc 9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea .
- Mc 1,21 . Kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 2,1 . Kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Mc 9,33 . Kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP !

Mc 9,33.5. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,33.6. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,33.7. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,33.8. nom. + dat. vr. enk. oikia(i) (huis) van het zelfst. naamw. oikia (huis) . Taalgebruik in het N.T. : oikia (huis) . Taalgebruik in Mc : oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere : blijven , verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus .
Mc (5) : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 3,25 (nom.) . (3) Mc 6,4 . (4) Mc 9,33 . (5) Mc 14,3 .

Mc 9,33.6. - 8. In 4 / 5 : en tè(i) oikia(i) = in het huis : (1) Mc 2,15 . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 14,3 .

Mc 9,33.9. part. aor. nom. mann. enk. genomenos (geworden) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (2) : (1) Mc 6,26 . (2) Mc 9,33 .

Mc 9,33.6. - 9. STAP VOOR STAP !
- Mc 2,1 : hoti en oikô(i) estin (dat hij in huis is) .
- Mc 9,33 : en tè(i) oikia(i) genomenos (nadat hij in het huis was) .
- en tèi oikiai (thuis) (Mc 9,33) link met ekeithen (vanaf hier) (Mc 10,1) .

Mc 9,33.10. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (9) : (1) Mc 5,9 .  (2) Mc 8,23 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,29 .   (5) Mc 9,33 . (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3 . (8) Mc 14,61 . (9) Mc 15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

11. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,14 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 9,33 .

10. - 11. epèrôta (hij ondervroeg) autous (hen) . Mc (2) : (1) Mc 8,5 (sommige lezingen : èrôta = hij vroeg) . (2) Mc 9,33 .

Mc 9,33.13. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,33.14. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,33.15. dat. vr. enk. hodô(i)  van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (6) : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .  (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .  (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .

Mc 9,33.13. - 15. en tè(i) hodô(i) : op de weg . Telkens de dat. vr. enk. hodô(i) (weg) wordt gebruikt , is het in deze formule :

12. 15. ti ... logizesthe (wat overleggen jullie) . Mc (2) : (1) Mc 2,8 . (2) Mc 9,33 .

Mc 9,34 - Mc 9,34 : 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:34 oi de esiôpôn pros allèlous gar dielechthèsan en tèi odôi tis meizôn 34 et residens vocavit duodecim et ait illis si quis vult primus esse erit omnium novissimus et omnium minister  "Zie, we gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden en ze zullen hem ter dood veroordelen en ze zullen hem overleveren aan de heidenvolkeren  Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was.  [34] Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg ruzie gehad over de vraag wie de grootste was. [34] Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 34 Maar zij hebben er het zwijgen toe gedaan; want ze hadden tegen elkaar overlegd, onderweg, wie de grootste was.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,34 .

Mc 9,34.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (4) : (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,34.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

1. - 3. oi de esiôpôn (zij echter zwegen) . Mc (2) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 .

Mc 9,34.6. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc (7) : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

4. - 7. een vorm van dialogizomai (discussiëren) met pros allèlous (met elkaar) in Mc (2) : (1) Mc 4,41 . (2) Mc 9,34 .

Mc 9,34.8. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,34.9. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,34.10. dat. vr. enk. hodô(i)  van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) .
Mc (6) : (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .  (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .  (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .

Mc 9,34.11. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag. , betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

12. meizôn (groter) . Mc (2) : (1) Mc 9,34 . (2) Mc 12,31 .

Terwijl Jezus en zijn leerlingen door Galilea trekken , voorspelt Jezus voor de tweede maal zijn lijden , dood en opstanding . Hierop geven zijn leerlingen geen antwoord en durven ook geen vragen stellen . Wel hebben ze hun eigen ideeën van hun opgaan naar Jeruzalem . Ze denken aan het verwerven van macht en aan hun onderlinge rangorde . Er zijn twee sporen , dat van Jezus en dat van zijn leerlingen . En die sporen zijn tegengesteld aan elkaar.

In Mc 9,34 staat meizoon , een comparatief van megas (groot) met een superlatiefwaarde : de grootste . Het gaat om een rangorde . Dat wordt duidelijk aan wat aan de andere tekst van Marcus (Mc 10,42-45) voorafgaat , nl. de vraag van Jakobus en Johannes om de beste plaatsen te krijgen . De laatste in rangorde was de slaaf . Het wordt ook duidelijk dat we voor een heldere structuur staan . Na de tweede lijdensvoorspelling (Mc 9,30-32) , volgt het niet begrijpen van de leerlingen en daarop een lang onderricht van Jezus (Mc 9,34-50) . Evenzo na de derde lijdensvoorspelling (Mc 10,32-34) , de vraag naar de belangrijkste plaatsen , waaruit hun onbegrip blijkt (Mc 10,35-40) en een onderrichting door Jezus (Mc 10,41-45) . Opmerkenswaardig is wel dat de uitspraak dat wie groot wil zijn , de dienaar van allen moet zijn (Mc 9,35) in deonderrichting na de tweede lijdensvoorspelling , bijna herhaald wordt in Mc 10,41-45 en wel op de laatste plaats (Mc 10,43-44) . We krijgen een soort inclusio (omarming) .

Wie groot wil zijn, moet dienaar zijn. Dienaar / doulos is de vertaling van ébed JHWH (dienaar van JHWH) van Jesaja . Het is een lijdende dienaar .We hebben met paradoxen (schijnbare tegenstellingen) te maken .

Mc 9,35 - Mc 9,35 : 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai kathisas efônèsen tous dôdeka kai legei autois, ei tis thelei prôtos einai, estai pantôn eschatos kai pantôn diakonos et residens vocavit duodecim et ait illis si quis vult primus esse erit omnium novissimus et omnium minister En hij ging zitten (en) riep de twaalf en zei hun : "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen".   Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen."   Hij ging zitten, riep de twaalf en zei hun: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.’  Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’  Hij gaat zitten, roept de twaalf bij zich en zegt tot hen: als iemand de eerste wil zijn, zal hij van allen de laatste zijn: van allen een bediende!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,35 . Het vers Mc 9,35 telt 19 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Mc 9,35 is 12029 (23 X 523) .

Mc 9,35.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kathisas (gezeten) van het werkw. kathizô (zitten) . Taalgebruik in het N.T. : kathizô (zitten) . Taalgebruik in Mc : kathizô (zitten) . Mc (2) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 12,41 . Een vorm van kathizô (zitten) in 9 verzen in Mc :  (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,40 .  (4) Mc 11,2 . (5) Mc 11,7 .   (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,41 . (8) Mc 14,32 . (9) Mc 16,19 .  

Mc 9,35.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen (hij riep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T. : fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Mc : fôneô (roepen, schreeuwen) . Mc (3) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 14,68 . (3) Mc 14,72 .  

Mc 9,35.4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

Mc 9,35.5. dôdeka (tien) . telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden . Taalgebruik in Mc : telwoorden .
Mc (15) . Mc 9 (1) : (1) Mc 9,35 .

Mc 9,35.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.7. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,35.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,35.9. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 (B) . (6) Mc 9,42 .  

Mc 9,35.10. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag. , betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,35.9. - 10. ei tis (indien (wanneer) iemand) . Mc (4) : (1) Mc 4,23 . (2) Mc 7,16 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 9,35 .

Mc 9,35.11. act. ind. praes. 3de pers. enk. thelei (hij wil) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T. : thelô (willen) . Taalgebruik in Mc : thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (2) : (1) Mc 8,34 .  (2) Mc 9,35 .  

Mc 9,35.9. - 11. ei tis thelei = indien (wanneer) iemand wil . Mc (2) : (1) Mc 8,34 .  (2) Mc 9,35 .

Mc 9,35.12. nom. mann. enk. prôtos (eerste) van het bijvoegl. naamw. (rangtelwoord) prôtos (eerste) . Taalgebruik in het N.T. : prôtos (eerste) . Taalgebruik in Mc : prôtos (eerste) . Mc (3) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,44 . (3) Mc 12,20 .  

Mc 9,35.13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (7) : (1) Mc 8,27 . (2) Mc 8,29 .  (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,35 .  (5) Mc 10,44 .   (6) Mc 12,18 .   (7) Mc 14,64 .

Mc 9,35.12. - 13. prôtos einai (de eerste zijn) : Mc 9,35 OF einai prôtos (de eerste zijn) .

14. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (9) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 . (3) Mc 10,44 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 11,24 . (6) Mc 12,7 . (7) Mc 12,23 . (8) Mc 13,4 . (9) Mc 14,2 .

15. gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (10) : (1) Mc 2,12 . (2) Mc 4,31 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 9,35 . (5) Mc 10,44 . (6) Mc 12,22 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,33 . (9) Mc 12,43 . (10) Mc 13,13 .

14. - 15. estai pantôn (hij zal zijn van allen) . Mc (2) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,44 .

Mc 9,35.17. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.19. nom. mann. enk. diakonos van het zelfst. naamw. diakonos (dienaar) . Taalgebruik in het N.T. : diakonos (dienaar) . Taalgebruik in Mc . : diakonos (dienaar) .
Mc (2) : (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 .

Mc 9,36 - Mc 9,36 : 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
9:36 kai labôn paidion estèsen auto en mesôi autôn kai enagkalisamenos auto eipen autois 35 et accipiens puerum statuit eum in medio eorum quem cum conplexus esset ait illis    Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen:  [36] Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen:  [36] Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen:   36 Hij haalt een kind naar zich toe en zet dat midden tussen hen neer; hij sluit het in zijn armen en zegt tot hen:   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,36 .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (5) : (1) Mc 5,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,30 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 10,15 .

6. en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en (in) . Taalgebruik in Mc : en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

6. - 7. en mesô(i) (in het midden van) . Mc (2) : (1) Mc 6,47 . (2) Mc 9,36 .

9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

10. part. aor. nom. mann. enk. enagkalisamenos (in de armen genomen, omarmd) . enagkalizomai (omarmen) , in de armen nemen . Taalgebruik in het N.T. : enagkalizomai (omarmen) . Taalgebruik in Mc : enagkalizomai (omarmen) .
Mc (2) : (1) Mc 9,36 . (2) Mc 10,16 .

9. - 11. STAP VOOR STAP !
- Mc 9,36 : kai enagkalisamenos auto (en het - kind - in de armen genomen) .
- Mc 10,16 : kai enagkalisamenos auta ( en hen - de kinderen - in de armen genomen) .

 

12. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

13. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,37 - Mc 9,37 : 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken --