- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik V - Marcus
taalgebruik W - Marcus
taalgebruik X - Marcus
taalgebruik Y - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel (2) | liturgische lezing |
Woordenschat
- ean
(indien) , zie Mc
9,49 .
- horos
(berg. 6X bij Marcus)
- metamorfoomai (omvormen) . In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt
17,2 . (2) Mc
9,2 . (3) . (4)
- paralambanô
(naast zich nemen, vergezellen) . Bij Marcus, zie Mc 9,2 : Mc
9,2-10 - .
- thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn), zie Mc
9,15
Bibliografie - Mc
9,2-13 -
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc
9,2-10 : 2de
(tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering
van de Heer
Overzicht
van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, bijbelTaalgebruiken
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het zesde hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc
9,1 - Mt
16,28 - Lc
9,27 -
168. Verheerlijking van Jezus : Mc
9,2-10 - Mt
17,1-9 - Lc
9,28-36 -
169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc
9,11-13 - Mt
17,10-13 -
170. Genezing van een bezeten kind : Mc
9,14-29 - Mt
17,14-21 - Lc
9,37-43a -
171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc
9,30-32 - Mt
17,22-23 - Lc
9,43b-45 -
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc
9,33-37 - Mt
18,1-5 - Lc
9,46-48 -
174. Het gebruiken van Jezus'naam : Mc
9,38-41 - Lc
9,49-50 -
175. Ergernis : Mc
9,42 - Mt
18,6-7 - Lc
17,1-3a -
176. Ergernis (2) :Mc
9,43-48 - Mt
18,8-9 - Mt
5,29-30 -
177. Gelijkenis van het zout : Mc
9,49-50 - Mt
5,13 - Lc
14,34-35 -
167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -
| Mc 9,1 - Mc 9,1 : 167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,1 .
Mc 9,1.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,1.2.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen
/ lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,24 . (3) Mc
9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,11 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,24 . (7) Mc
9,25 . (8) Mc
9,26 . (9) Mc
9,31 . (10) Mc
9,35 . (11) Mc
9,41 .
Mc 9,1.3.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,19 . (7) Mc
9,29 . (8) Mc
9,31 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
9,36 .
Mc 9,1.1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc (14) : (1) Mc 2,27 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 4,11 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 6,4 . (8) Mc 6,10 . (9) Mc 7,9 . (10) Mc 7,14 . (11) Mc 8,21 . (12) Mc 9,1 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 11,17 .
Mc 9,1.4.
amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn
(amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn
(amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc
3,28 . (2) Mc
8,12 . (3) Mc
9,1 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,29 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
12,43 . (9) Mc
13,30 . (10) Mc
14,9 . (11) Mc
14,18 . (12) Mc
14,25 . (13) Mc
14,30 .
Mc 9,1.5.
act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (19) . Mc
Mc 9,1.6.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc
Mc 9,1.4. - 6. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .
Mc 9,1.7.
hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
9,13 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,26 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,38 . (9) Mc
9,41 .
Mc 9,1.4. - 7. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (8) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 12,43 . (6) Mc 13,30 . (7) Mc 14,18 . (8) Mc 14,25 .
Mc 9,1.14.
ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,3 . (3) Mc
9,6 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,28 . (3) Mc
9,30 . (4) Mc
9,37 . (5) Mc
9,38 . (6) Mc
9,40 .
Mc 9,1.19. an . Taalgebruik in het N.T. : an . Taalgebruik in Mc : an . Mc (18) . Mc 9 (4) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 9,42 .
22. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia
(koninkrijk) .
Mc (9) : (1) Mc
4,30 . 2 : (2) Mc
9,1 . (3) Mc
9,47 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,25 . (8) Mc
13,8 . (9) Mc
15,43 .
23. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
Mc 9,1.26.
en (in) . Taalgebruik in het N.T. : en
(in) . Taalgebruik in Mc : en
(in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,29 . (3) Mc
9,33 . (4) Mc
9,34 . (5) Mc
9,36 . (6) Mc
9,37 . (7) Mc
9,38 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,50 .
| Mc 14,62 | Mc 8,38 | Mc 9,1 | Mc 13,26 |
| kai (en) | hotan (wanneer) | heôs an (totdat) | kai tote (en dan) |
| opsesthe (gij zult zien) | idôsin (zij zullen zien) | opsontai (zullen zij zien) | |
| ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon) | tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) | ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon) | |
| ek deksiôn (rechts) | |||
| kathèmenon (zittend) | |||
| dunameôs (van de kracht) | |||
| kai (en) | |||
| erchomenon (komende) | elthèi (hij komt) | elèluthuian (gekomen zijnde) | erchomenon (komende) |
| en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) | en dunamei (in kracht) | en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid) | |
| meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) | meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen) | ||
| 332. Jezus voor het Sanhedrin : Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 - | 166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen : Mc 8,36-38 // Mt 16,26-27 // Lc 9,25-26 - Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 - | 167. Nabijheid van het Rijk Gods : Mc 9,1 // Mt 16,28 // Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 - | 305. De komst van de Mensenzoon : Mc 13,24-27 // Mt 24,29-31 // Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 - |
168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
- COUNE, M., Transfiguratie, in: Heiliging, jg.38 (1988), nr.2, p.1-40
- DREWERMANN, E., Beelden van verlossing. Toelichtingen op het evangelie van
Marcus, 's-Gravenhage, Meinema, 199± (2), p.113-126
- GERITS, H., Op een berg, in: Bijbel en bezinning, jg.3 (1984), nr.1, p.109-112
- LAMBRECHT, J., Het Christusbeeld van Marcus, in: VBS-Informatie, jg.´
(1973), nr.2, p.18-32 . Verwijzing: Lambrecht
Jan .
- MAES, L., Denken in de geest van Jezus (Een opdracht voor de catechese), in:
Catechetische Informatie, jg.1¹ (1990), nr.1, p.12-19
- ROSSEL, W., Een gelaat als de zon, in: IDEM, Gij zijt mij te sterk. Gelovig
leven in het licht van de bijbel, Antwerpen-Amsterdam, Patmos, 1978, p.110-124
- SMIT, J., Bevrijding in zwart‑wit (Marcus 9,2‑32), in: Schrift,
jg. (1975), nr.37, p.14‑20
- SMIT, J., 12. Verlichting - Marcus 9,2-10, in: IDEM, Jezus, hoek steen
of struikelblok? Wat zijn verhaal ons te zeggen heeft, Hilversum, Gooé
en Sticht, 1978, p.61-63
- STANDAERT, B., De wolk der heerlijkheid binnenste buiten (Mc. 9,2-8), in:
Jota, jg.± (1989), nr.1, p.39-49
- STANDAERT, B., Leven van Jezus, in: Heiliging, jg.3¹ (1989), nr.3, p.47-54
- VAN AMERSFOORT, S.M., Bergen verzetten. De verheerlijking van Jezus op de
berg, Hilversum, Gooé ¦ Sticht, 1985
- VAN SEGBROECK, F., Luistert naar Hem, in: Ons geestelijk leven, jg.4¹
(1972), nr.1, p.13-23
Liturgische lezing 6 augustus : 2de
(tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering
van de Heer : Mc 9,2-10 . Taalgebruik : Mc
9,2-10 .
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen
boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen
van gedaante veranderd: zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter
wereld maken kan. Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich
met Jezus. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Rabbi, het is goed dat
we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een
voor Elia." Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren allen geheel
verbluft. Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: "Dit
is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem." Toen ze rondkeken, zagen
ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus. Onder het afdalen van
de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat
de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Zij hielden het inderdaad voor
zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht
betekenen.
| 1. Jezus | 2. de kleren van Jezus | 3. Elia en Mozes | 4. Petrus + medeleerlingen | 5. de wolk en de stem | 6. de leerlingen | 7. Jezus | 8. de leerlingen | |
| Mc 9,2 | Mc 9,3 | Mc 9,4 | Mc 9,5 - Mc 9,6 | Mc 9,7 | Mc 9,8 | Mc 9,9 | Mc 9,10 | |
| begin kai (en); 2X kai tussen zinsdelen; 2X kai :nevenschikkende zinnen | begin kai | begin kai en 1X kai nevenschikkende zinnen | begin kai en kai tussen 2 nevenschikkende zinnen; 2X kai tussen zinsdelen | 2X begin kai | begin kai | begin kai | begin kai | |
| 2X tegenwoordige tijd; 1X verleden tijd (aorist) | 1X verleden tijd (aorist) + tegen-woordig deelwoord 1X tegenwoordige tijd 1X infintief praesens | 2X verleden tijd (aorist) (1X met tegenwoordig deelwoord) | 2X tegenwoordige tijd. 1X verleden deelwoord (aorist) 1X toekomende tijd. 1X verleden tijd (plusquam perfectum) 1X verleden tijd (aorist) 1X verleden tijd (imperfectum) | 2X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord | 1X verleden deelwoord (aorist) 1X verleden tijd (aorist) | 4X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord | 1X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordige tijd. 1X tegenwoordig deelwoord. 1X verleden tijd infinitief (aorist) | |
| woorden | 27 | 16 | 11 | 25 | ||||
| lettergrepen | 57 | 36 | 22 | 48 |
Het gebruik van kai (en) en de (echter) - kai
-
In deze tekst wordt geen enkele maal de (echter) gebruikt. Nochtans was er 7X
verandering van personage. In 7 van de 7 gevallen wordt aan het begin van de
zin kai (en) gebruikt. Ook bij het begin van de pericope wordt kai (en) gebruikt.
De versindeler heeft de pericope in 9 verzen verdeeld; 8 ervan beginnen met
kai (en), één met gar (want). Verder wordt kai (en) in Mt 9,2
tweemaal gebruikt om nevenschikkende zinnen met elkaar te verbinden, in Mt 9,4
eenmaal, in Mt 9,5 eenmaal en in Mt 9,7 eenmaal . Totaal: 13. Dat zou ook het
aantal nevenschikkende zinnen van de pericope moeten zijn. Verder wordt kai
(en) 4X gebruikt tussen zinsdelen. Totaal gebruik : 17X .
| Mc 9,2 - Mc 9,2 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,2 . Het vers Mc 9,2 telt 28 (2² X 7) woorden en 140 (2² X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 9,2 is 14863 (89 X 167) .
Mc 9,2.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 678) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .
Mc 9,2.2.
meta (met , na) . Taalgebruik in het N.T. : meta
(na , met) . Taalgebruik in Mc : meta
(na , met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr.
avec (< apud hoc : met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum
= tot ge-perst , opeengeperst ; primere , pressum : persen ) . E. after .
Mc (34) . Mc 9 (2) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,31 .
Mc 9,2.3. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T. : hèmera (dag) . Taalgebruik in Mc : hèmera (dag) . Mc (11) : (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 . Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 20 verzen : (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,13 . (3) Mc 2,1 . (4) Mc 2,20 . (5) Mc 4,27 . (6) Mc 4,35 . (7) Mc 5,5 . (8) Mc 6,21 . (9) Mc 8,1 . (10) Mc 8,2 . (11) Mc 8,31 . (12) Mc 9,2 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 10,34 . (15) Mc 13,2 . (16) Mc 13,17 . (17) Mc 13,19 . (18) Mc 13,20 . (19) Mc 13,24 . (20) Mc 13,32 . (21) Mc 14,1 . (22) Mc 14,12 . (23) Mc 14,25 . (24) Mc 14,49 . (25) Mc 14,58 . (26) Mc 15,29 .
4.
2. - 4. De verheerlijking Jezus (Mc
9,2-10 - Mt
17,1-9 - Lc
9,28-36) heeft plaats op de berg . Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex
24,16) . Toen Mozes de berg opging , was de berg gedurende zes dagen in
een wolk gehuld . De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen . Bij
de christenen was niet de zevende , maar de achtste dag de belangrijkste dag
. Marcus schrijft : kai meta hèmeras heks (na zes dagen) , Matteüs
schrijft ongeveer hetzelfde : kai meth'hèmeras heks (na zes dagen) .
En Lucas schrijft hôsei èmerai oktô : na deze woorden ongeveer
acht dagen (later) .
- sjesjèth jâmîm (gedurende zes dagen) . Tenach (14) . Pentateuch
(12) . Joz (2) . In de Pentateuch (12) : Ex (9) . Lv (1) . Dt (2) .
- bajjôm hasjëbhî`î (op de zevende dag) . Tenach (25)
. Pentateuch (17) . Gn (1) . Ex (4) . Lv (8) . Nu (4) .
Mc 9,2.5.
act. ind. praes. 3de pers. enk. paralambanei (hij neemt naast zich) van
het werkw. paralambanô (overnemen) . Taalgebruik in het N.T. : paralambanô
(overnemen) . Taalgebruik in Mc : paralambanô
(overnemen) . Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen , aanvaarden ) . Fr.
accepter , reçevoir .
Mc (3) : (1) Mc
5,40 . (2) Mc
9,2 . (3) Mc
14,33 . Een vorm van paralambanô (overnemen) in Mc in 6 verzen : (1)
Mc 4,36
. (2) Mc
5,40 . (3) Mc
7,4 . (4) Mc
9,2 . (5) Mc
10,32 . (6) Mc
14,33 .
Op een bijna identieke manier beschrijft Marcus het begin van het gebeuren in
Getsemane of de hof van Olijven . Op deze wijze worden de taferelen van de verheerlijking
en van de doodstrijd in de hof van Olijven naast elkaar geplaatst .
Mc 9,2.6.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,2.10.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,2.12.
acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in het N.T. : iakôbos
(Jakobus) . Taalgebruik in Mc : iakôbos
(Jakobus) . Mc (6) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
3,18 . (4) Mc
5,37 . (5) Mc
9,2 . (6) Mc
14,33 . 15 X in Mc . Er zijn twee Jakobussen :
- Jakobus , zoon van Zebedeüs .
- Jakobus , zoon van Alfeüs .
Mc 9,2.13.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,2.15.
acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in het N.T. : Iôannès
(Johannes) . Taalgebruik in Mc : Iôannès
(Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean
. E. John .
Mc (5) : (1) Mc
1,19 . (2) Mc
3,17 . (3) Mc
5,37 . (4) Mc
9,2 . (5) Mc
14,33 .
Mc 9,2.16.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
| Mc 5,40 | Mc 14,33 | ||
| Kai (en) | kai (en) | ||
| meta (na) hèmeras (dagen) hex (zes) | Ex 24,15b. wajëkhas hè`anan ´èth hâhâr - Ex 24,16 b : wajëkhassehû hè`anan sjesèt jämîm - kai ekalupsen auto hè nefelè hex hèmeras (en de wolk bedekte hem - de berg - gedurende zes dagen) | ||
| paralambanei (neemt naast zich) | paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus) | paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus) | |
| ton patera tou paidiou kai tèn mètera kai tous met'autous (de vader van het kind en de moeder en zij die met hem zijn) | ho Ièsous (Jezus) | ||
| cfr Mc 5,37 : kai ouk afèken... sunakolouthèsai ei mè en hij liet niet toe ... hem te vergezellen tenzij ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon Iakôbou (de broer van Jakobus) | ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) | ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) ton Iôannèn (Johannes) met'autou (met zich) | |
| kai (en) anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) autous (hen) eis (naar) horos (berg) hupsèlon (een hoge) kat'idian (onder elkaar) monous (alleen) | Ex 24,15 a wajja`al Mosjèh ´èl-hâhâr - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18 : wajja`al ´èl-hâhâr - kai anebè - eis to horos : en hij klom op de berg) | ||
| 144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter : Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 - | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 329. Jezus in Getsemane : Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - | Het verbond : Ex 24,1-18 |
Mc 9,2.18.
pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,14 . (3) Mc
9,16 . (4) Mc
9,33 .
Mc 9,2.19.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,22 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,28 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,33 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
9,43 . (10) Mc
9,45 . (11) Mc
9,47 .
Mc 9,2.20. horos (berg). Taalgebruik : horos (berg) , zie Mt 4,8 en Mc 9,2 . In zes verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,2 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 .
Mc 9,2.22.
kat' : afkorting van kata . kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T.
: kata
(tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc : kata
(tegen, volgens) .
Mc (11) . Mc 9 (2) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,28 .
Mc 9,2.23.
acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen) . Taalgebruik
in het N.T. : idios
(eigen) . Taalgebruik in Mc : idios
(eigen) .
Mc (7) : (1) Mc
4,34 . (2) Mc
6,31 . (3) Mc
6,32 . (4) Mc
7,33 . (5) Mc
9,2 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
13,3 .
Mc 9,2.22.
- 23. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc : (1) Mc
4,34 . (2) Mc
6,31 . (3) Mc
6,32 . (4) Mc
7,33 . (5) Mc
9,2 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
13,3 .
De verheerlijking heeft plaats op de berg . Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex
24,16) . Toen Mozes de berg opging , was de berg gedurende zes dagen in
een wolk gehuld . De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen . Bij
de christenen was niet de zevende , maar de achtste dag de belangrijkste dag.
Marcus schrijft : kai meta hèmeras heks (na zes dagen) .
Bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus zijn de drie leerlingen uitverkoren om het gebeuren mee te maken.
horos (berg) Taalgebruik : horos (berg), zie Mt 4,8 en Mc 9,2. In 6 verzen bij Marcus : (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,46 . (3) Mc 9,2 . (4) Mc 11,1 . (5) Mc 13,3 . (6) Mc 14,26 . De berg is de plaats van gebed. Het is de plaats waar Jezus zijn leerlingen roept, het is ook de plaats van waaruit Jezus zijn leerlingen zendt.
| 1. | 2. | 3. | 4. | 5. | 6. | |
| Mc 3,13 | Mc 6,46 | Mc 11,1 | Mc 13,3 | Mc 14,26 | Ex 24,15 , Ex 24,18 | |
| kai (en) | kai (en) | kai hote (en toen) | kai (en) | kai hupnèsantes (en lof gezongen) | ||
| anabainei (hij gaat op - beklimt) | apèlthen (ging hij weg) | anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) | eggizousin (zij naderen - naderbij komen)... | kathèmenou autou (terwijl hij neezat) | exèlthon (gingen zij naar buiten) | Ex 24,15a wajja`al Mosjèh èl-hahar - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18 : wajja`al èl-hahar kai anebè - eis to horos : en hij klom op de berg) |
| eis (naar) to horos (de berg) | eis (naar) to oros (de berg) | eis (naar) oros (berg) hupsèlon (een hoge) | ... pros to horos tôn elaiôn (de Olijfberg) | eis to horos tôn elaiôn (bij de Olijfberg) | eis to horos tôn elaiôn (naar de Olijfberg) | eis (naar) oros (berg) |
| 47. ... kai autos monos epi tès gès (en hijzelf alleen op het land) kat'idian (onder elkaar) | kat'idian (onder elkaar) monous (alleen) | |||||
| 97. Roeping van de Twaalf : Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - | 152. Jezus wandelt op het meer : Mc
6,45-52 - Mt
14,22-33 - |
168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - | 279. Intocht in Jeruzalem : Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 - | 299. Inleiding tot de eschatologische rede : Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 - | 328. Voorspelling van de ontrouw van de leer-lingen en van Petrus' verloochening : Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 - | Ex 24,1-18 : het verbond - Ex 24,1-18 - |
Een berg wordt beklommen, maar ook afgedaald
Mc 9,2.23. idian . In negenentwintig verzen in de bijbel . In vijf verzen in het O.T. . In vierentwintig verzen in het N.T. . Mt (8) . Mc (7) . Lc (2) . Joh (1) . Hnd (1) . Brieven (5) . Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord idios (eigen) . Taalgebruik : idios (eigen) , zie Mc 4,34 .
Mc 9,2.22. - 23. kat'idian (?? oikian) : bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis . In achttien verzen in het N.T. . Mt (6) . Mc (7) . Lc (2) . Hnd (1) . Brieven (2) . In zeven verzen bij Mc : (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .
Mc 9,2.25.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
| Mc 9,3 - Mc 9,3 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,3 .
Mc 9,3.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,3.4.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,27 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,3.12.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,20 . (4) Mc
9,27 . (5) Mc
9,30 .
Mc 9,3.14.
ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,3 . (3) Mc
9,6 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,28 . (3) Mc
9,30 . (4) Mc
9,37 . (5) Mc
9,38 . (6) Mc
9,40 .
Mc 9,3.15. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T. : dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc : dunamai (kunnen) . Mc (11) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 . (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 . (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 . (10) Mc 10,26 . (11) Mc 15,31 .
Mc 9,3.16.
houtôs (zo, op deze wijze) . Taalgebruik in het N.T. : houtos
(zo) . Taalgebruik in Mc : houtos
(zo) .
Mc (10) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
2,8 . (3) Mc
2,12 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
7,18 . (6) Mc
9,3 . (7) Mc
10,43 . (8) Mc
13,29 . (9) Mc
14,59 . (10) Mc
14,59 .
168.2. de gedaanteverandering : Mc 9,2-3 // Mt 17,2 // Lc 9,29
De gedaanteverandering van Jezus laat een hemelse figuur zien, zoals Da 10,5-7.
| Mt 17,2 - Mt 17,3 | Mt 28,3 | Da 10,6 | Lc 9,29 | Ex 24,17 | |||||
| kai (en) | kai (en) | ||||||||
| metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd) | metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd) | to eidos tou prosoopou autou heteron (het aanschijn van zijn aangezicht werd anders | to de eidos tijs doksijs kuriou hoosei (de gestalte echter van de heerlijkheid van de heer als...° | ||||||
| emprosthen (voor) | emprosthen (voor) | ||||||||
| autôn ( hen) | autôn ( hen) | ||||||||
| kai (en) | ijn de (was echter) | kai (en) | |||||||
| elampsen (straalde) | |||||||||
| to (het) | hij (de) | to (het) | |||||||
| prosôpou (aangezicht) | eideia (verschijning) | prosoopou (aangezicht) | |||||||
| autou (van hem) | autou (van hem) | autou (van hem) | |||||||
| hôs (zoals) | hoos (zoals) | hoosei (zoals) | |||||||
| ho hèlios (de zon) | astrapij (de bliksem) | horasis astrapijs (het zicht van een ster) | |||||||
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | |||||
| ta (de) | ta (de) | to (het) | kai hoi brachiones autou kai hoi podes (B-versie: kai ta skelij) (en zijn armen en benen) | ho (de) | |||||
| himatia (kleren) | himatia (kleren) | enduma (kleed) | himatismos (kleding) | ||||||
| autou (van hem) | utou (van hem) | autou (van hem) | autou (van hem) | ||||||
| egeneto (was) | egeneto (was) | ||||||||
| stilbonta leuka (schitterend wit) lian (zeer) | leuka ( wit) | leikon (wit) | hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend koper); b-versie : hoos horasis chalhou stilbontos (als het zicht van schitterend koper) | leukon eksastraptoon (schittrend wit) | |||||
| hoia gnafeus epi tès gès ou dunatai houtôs leukanai (dergelijke kan een volder op aarde niet zo wit maken) | |||||||||
| hôs (als) | hoos (als) | ||||||||
| to fôs (het licht) | chioon (sneeuw) | ||||||||
| 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 | Ex 24,1-18 : het verbond |
metamorfoomai (omvormen). Dit werkwoord komt in 4 verzen in de bijbel voor.
- Metemorfôthè (hij werd omgevormd). Passief aorist 3de persoon
enkelvoud. In Mt
17,2 en in Mc
9,2 .
anaferô : naar boven voeren; anaferei (hij brengt naar
boven) komt slechts 2X in de bijbel voor nl. Mc 9,2 - Mc
9,2-10 - en Mt 17,1 - Mt
17,1-9 - .
astrapij : bliksem, glans
eideia = idea : gestalte, vorm; eidos : gestalte, uiterlijk
stilboo : glanzen, schitteren, blinken
gnafeus : volder, wolkammer
eksastraptoo : uitstralen; zie Da 10,6 : hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend
koper)
| Mc 9,4 - Mc 9,4 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,4 .
Mc 9,4.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,4.3.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,19 . (7) Mc
9,29 . (8) Mc
9,31 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
9,36 .
Mc 9,4.4.
nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik
in het N.T. : èlias
(Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias
(Elia) .
Mc (5) : (1) Mc
6,15 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
15,36 .
Mc 9,4.7.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,4.8.
imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik
in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (16) : (1) Mc
1,16 . (2) Mc
2,6 . (3) Mc
2,15 . (4) Mc
2,18 . (5) Mc
4,1 . (6) Mc
6,31 . (7) Mc
6,34 . (8) Mc
6,44 . (9) Mc
8,9 . (10) Mc
9,4 . (11) : Mc
10,32 . (12) Mc
12,20 . (13) (1) Mc
14,4 . (14) Mc
14,40 . (15) Mc
14,56 . (16) Mc
15,40 . Omschrijvende structuur : èsan ... + deelwoord . Mc (7) :
(1) Mc
2,6 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
9,4 . (4) Mc
10,32 . (5) Mc
14,4 . (6) Mc
14,40 . (7) Mc
15,40 . In Mc
9,4 : èsan sullalountes (zij waren samensprekende) .
Mc 9,4.8. - 9. kai èsan (en zij waren) . Mc (3) . In 2 / 7 van de omschrijv. structuur : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 9,4 + Mc 6,44 .
Mc 9,4.9.
act. part. praes. nom. mann. mv. sullalountes (samensprekende) van het werkw.
sunlaleô (samenspreken) . Taalgebruik in het N.T. : sunlaleô
(samenspreken) . Taalgebruik in Mc : sunlaleô
(samenspreken) .
Mc (1) : Mc
9,4. . De enigste vorm van sunlaleô (samenspreken) in Mc . In de omschrijving
: èsan sullalountes (zij waren samensprekende) .
Mc 9,4.10.
bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E.
: the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord
il-lum , il-lam) .
Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc
9,4 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,37 . (6) Mc
9,38 . (7) Mc
9,39 .
| bijbencitaat | Lc 1,11 | Mc 9,4 // Mt 17,3 // Lc 9,30 | Mc 16,5 // Lc 24,4 | Mt 17,3 // Mc 9,4 // Lc 9,30 | Lc 9,30 // Mc 9,4 // Mt 17,3 | Lc 9,32 | Lc 24,4 // Mc 16,5 | Lc 2,9 | Da 10,7 | Da 12,5 |
| voegwoord | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ||||
| visueel element (werkwoord - partikel ) | ôfthè de (verscheen echter) | ôfthè (verscheen - werd gezien) | eidon (zij zagen) | idou (zie) ôfthè (verscheen) | idou (zie) | eidan tijn doksan autou (zagen zij zijn heerlijkheid) | idou (zie) | eidon egô Danièl tèn horasin tèn megalèn tautèn (zag ik Daniël dit grote visioen) | eidon egô Danièl kai idou (zag ik Daniël en zie | |
| meewerkend voorwerp (datief) | autôi (aan hem) | autois (hen) | autois (hen) | |||||||
| soms onderwerp soms lijdend voorwerp | aggelos kuriou (een engel van de Heer) | èlias (Elia) sun Môusei (met Mozes) | Môusijs kai èlias (Mozes en Elia) | andres duo (twee mannen) ... hoitines èsan Môusijs kai èlias (die waren Mozes en Elia) | kai tous duo andras (en de twee mannen) | andres duo (twee mannen) | aggelos kuriou (een engel van de Heer) | duo heteroi (twee anderen) | ||
| kai (en) | ||||||||||
| èsan sullalountes (waren samenpratende | sullalountes (samen sprekende) | sunelaloun (spraken samen) | tous sunestôtas (die samen stonden) | epestèsan (stonden bij) | epestè (stond) | |||||
| tôi Ièsou (met Jezus) | met'autou (met hem) | autôi (met hem) | autôi (met hem) | autais (hen) | autois (bij hen) | |||||
| 2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper : Lc 1,5-25 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | 6. Geboorte van Jezus : Lc 2,1-20 | Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël | Da 12,5-13 : het wondre einde |
| Mc 9,5 - Mc 9,5 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,5 .
Mc 9,5.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,5.2.
part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai
(antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc
3,33 . (2) Mc
6,37 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
9,5 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
10,3 . (7) Mc
10,24 . (8) Mc
10,51 . (9) Mc
11,14 . (10) Mc
11,22 . (11) Mc
12,35 . (12) Mc
14,48 . (13) Mc
15,2 . (14) Mc
15,12 .
Mc 9,5.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
Mc 9,5.5.
actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het
werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,35 .
Mc 9,5.6. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 . .
Mc 9,5.5. - 6. legei tô(i) (hij zegt aan de) . Mc (7) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,10 . (3) Mc 3,3 . (4) Mc 3,5 . (5) Mc 5,36 . (6) Mc 9,5 . (7) Mc 14,37 .
Mc 9,5.9.
nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw.
kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T. : kalos
(goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc : kalos
(goed, mooi, schoon) .
Mc (9) : (1) Mc
7,27 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,42 . (4) Mc
9,43 . (5) Mc
9,45 . (6) Mc
9,47 . (7) Mc
9,50 . (8) Mc
14,6 . (9) Mc
14,21.
Mc 9,5.10.
act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) .
Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,21. (5) Mc
9,39 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,42 . (8) Mc
9,43 . (9) Mc
9,45 . (10) Mc
9,47 .
Mc 9,5.13.
act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het
N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (7) : (1) Mc
8,27 . (2) Mc
8,29 . (3) Mc
9,5 . (4) Mc
9,35 . (5) Mc
10,44 . (6) Mc
12,18 . (7) Mc
14,64 .
Mc 9,5.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,5.15.
act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw.
poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô
(doen, maken) .
Lc (1) : Mc
9,5 . Een vorm van poieô (doen, maken) in Mc in 3 verzen : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,39 .
Mc 9,5.16.
treis (drie) . telwoord . Taalgebruik in het N.T. : telwoorden
. Taalgebruik in Mc : telwoorden
.
Mc (5) : (1) Mc
8,2 . (2) Mc
8,31 . (3) Mc
9,5 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,34 .
Mc 9,5.20.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,5.23.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,5.24.
dat.mann. enk. èlia(i) van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik
in het N.T. : èlias
(Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias
(Elia) .
Mc (1) Mc
9,5 .
| Mc 9,6 - Mc 9,6 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,6 .
1. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,3 . (3) Mc
9,6 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,28 . (3) Mc
9,30 . (4) Mc
9,37 . (5) Mc
9,38 . (6) Mc
9,40 .
2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,31 . (3) Mc
9,34 . (4) Mc
9,39 . (5) Mc
9,40 . (6) Mc
9,41 . (7) Mc
9,49 .
| Mc 9,6 | Lc 9,33 | Mc 14,40 | |||||||
| ou (niet) | mij (niet) | kai ouk (en niet) | |||||||
| gar (immers) | |||||||||
| ijidei (wist hij) | eidoos (wetende) | ijideisan (wisten zij) | |||||||
| ti (wat) | ho (wat) | ti (wat) | |||||||
| apokrithiji (hij antwoordde) | legei (hij zegt) | apokrithoosin (zij antwooordden) | |||||||
| autooi (hem) | |||||||||
| Mt 9,6 | Mc 16,5 | Da. 10,9 | Mt 17,6 | Da 10,10 | Mt 28,17 | Mt 28,18 | Lc 24,5 |
| kai (en) | kai (en) | kai idou (en zie) | kai (en) | kai (en) | |||
| akousantes (horende) | kai ouk ijkousa tijn foonijn lalias autou (en ik hoorde niet de klank van zijn spreken) | prosijlthen (kwam dichterbij) | cheira prosijgage moi (een hand kwam naar mij toe) | idontes auton (hem gezien hebbende) | proselthoon (naderbij gekomen zijnde | ||
| hoi mathijtai (de leerlingen) | ho Iijsous (Jezus | ho Iijsous (Jezus) | |||||
| kai hapsamenos autoon eipen (en aangeraakt hebbende hen zei hij) | elalijsen (zei hij)... | ||||||
| epesan (vielen) | egoo ijmijn peptookoos (ik was gevallen) | egerthijte (sta op) | kai ijgeire me (en hij deed mij opstaan) | prosekunijsan (knielden zij) | |||
| epi prosoopon autoon (op hun aangezicht) | epi prosoopon mou (op mijn aangezicht) | ||||||
| epi tijs gijs (op de aarde) | |||||||
| kai (en) | kai (en) | oi de (zij echter) | |||||
| efobijthijsan (zij werden bevreesd) | mij fobeisthe (en vreest niet | edistasan (zij twijfelden) | |||||
| sfodra (zeer) | |||||||
| 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël | 168. Verheerlijking van Jezus : Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 | Da 10,1-21 : Wees niet bang, Daniël | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 | 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 // Lc 23,56-24,12 |
distazoo : twijfelen, onzeker zijn
ekthambeomai (ontsteld zijn).
- Exethambèthèsan
(zij waren ontsteld) . Passief aorist 3de persoon meervoud. Slechts in Mc
9,15 en Mc
16,5 .
| Mc 1,44 // Mt 8,4 // Lc 5,14 | Mt 8,4 // Mc 1,44 // Lc 5,14 | Lc 5,14 // Mc 1,44 // Lc 5,14 | Mc 3,12 // Mt 12,16 | Mt 12,16 // Mc 3,12 | Mc5,43 | Lc 8,56 | Mc 7,36 | Mc 8,30 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 |
Mt 16,20 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 |
Lc 9,21 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 |
Mc 9,9 Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 |
Mc 9,9 Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 |
Mc 9,9 Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 |
| kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | kai (en) | ho de (hij echter) | kai (en) | kai (en) | tote (toen) | ho de (hij echter) | |||
| autos (hij zelf) | polla (veel - met nadruk) | ||||||||||||
| legei (hij zei) | legei (hij zei) | parijggeilen (hij droeg op) | epetima (hij berispte) | epetimijsen (hij berispte) | diesteilato (hij gebood) | parijggeilen (hij droeg op) | diesteilato (hij gebood) | epetimijsen (hij berispte) | epetimijsen (hij berispte) | epitimijsas autois (berispende hen) parijggeilen (hij droeg op) | diesteilato (hij gebood) | ||
| autooi (hem) | autooi (hem) | autooi (hem) | autois (hen) | autois (hen) | autois (hen) | autois (hen) | autois (hen) | autois (hen) | tois mathijtais (de leerlingen) | autois (hen) | |||
| polla (veel - met nadruk) | |||||||||||||
| ho Iijsous (Jezus) | |||||||||||||
| hina (opdat) | hina (opdat) | hina (opdat) | hina (opdat) | hina (opdat) | hina (opdat) | hina (opdat) | |||||||
| hora (zie - zorg ervoor) | hora (zie - zorg ervoor) | ||||||||||||
| mijdeis (niemand) | |||||||||||||
| mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | mijdeni (aan niemand) | |||||
| mijden (iets) | mij auton faneron (hem niet kenbaar | mij faneron auton (hem niet kenbaar) | ha eidon wat zij gezien hebben) | ||||||||||
| eipijis (zou zeggen) | eipijis (zou zeggen) | eipein (te zeggen) | poiijsoosin (zouden maken) | poiijsoosin (zouden maken) | gnoi (zou weten) | eipein (te zeggen) | legoosin (zouden zeggen) | legoosin (zouden zeggen) | eipoosin (zouden zeggen) | legein (te zeggen) | diijgijsontai (zouden verhalen) | ||
| touto (dit) | to gegonos (het gebeurde) | peri autou (over hem) | hoti autos estin ho christos (dat hij zelf de christus is) | touto (dit) | |||||||||
| Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 | Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 | Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 | Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) | Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) volkstoeloop en genezingen | Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56 : volkstoeloop en genezingen | Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56 | Mc 7,31-37 // Mt 15,29-31 | Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 | Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 | Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 | Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 |
+ hora :imperatief van horaoo = zien; zie
diastelloo: opdragen, bevelen (in het woord apostel vinden we apo en stelloo
: weg-zenden )
diijgeomai : uiteenzetten, vertellen
paraggelloo : opdragen (opdracht), bevelen
| Mc 9,7 - Mc 9,7 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,7 . Het vers Mc 9,7 telt 21 (3 X 7) woorden en 103 letters . De getalwaarde van Mc 9,7 is 12103 (7 X 7 X 13 X 19) .
Mc 9,7.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc (555 / 666) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .
Mc 9,7.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc (17) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,26 .
Mc 9,7.3. nom. vr. enk. nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Mc : nefelè (nevel, wolk) . Mc (1) : Mc 9,7 . In Mc 9 nog gen. vr. enk. nefelès : Mc 9,7 . Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 3 verzen : (1) Mc 9,7 . (2) Mc 13,26 . (3) Mc 14,62 .
Mc 9,7.5. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc 9 (10) : (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .
Mc 9,7.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .
Mc 9,7.7. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren) . Taalgebruik in het N.T. : ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc : ginomai (worden) . Mc 9 (3) : (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,26 .
Mc 9,7.8.
fônè (stem, roep) . Taalgebruik in het N.T. : fônè
(stem, roep) . Taalgebruik in Mc : fônè
(stem, roep) . Hebr. p´ (mond) . Verwant met Gr. fô-nè
(Lat vo-x = stem , vo-care = roepen) , fè-mi = spreken . Lat for - fari
. Verwant met de indogerm. stam bha . Cfr. tele-foon .
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô
= schijnen . Lat. facies . E. face . Ned. aangezicht , aanschijn .
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè
of fônèi = stem, roep . Mc (6) : (1) Mc
1,3 (nom.) . (2) Mc
1,11 (nom.) . (3) Mc
1,26 (dat.) . (4) Mc
5,7 (dat.) . (5) Mc
9,7 (nom.) . (6) Mc
15,34 (dat.) .
Mc 9,7.6. - 9. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 . Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen .
10. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,20 . (4) Mc
9,27 . (5) Mc
9,30 .
Mc 9,7.11. gen. vr. enk. nefelès (nevel, wolk) van het zelfst. naamw. nefelè . Taalgebruik in het N.T. : nefelè (nevel, wolk) . Taalgebruik in Mc : nefelè (nevel, wolk) . Mc (1) : Mc 9,7 . In Mc 9 nog nom. vr. enk. nefelè : Mc 9,7 .
Mc 9,7.12.
nom. mann. enk. houtos . Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) . Mc (12) : (1) Mc
2,7 . (2) Mc
3,35 . (3) Mc
4,41 . (4) Mc
6,3 . (5) Mc
6,16 . (6) Mc
7,6 . (7) Mc
9,7 . (8) Mc
12,7 . (9) Mc
12,10 . (10) Mc
13,13 . (11) Mc
14,69 . (12) Mc
15,39 .
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc
1,11) : su ei = jij bent . In het transfiguratieverhaal is de stem gericht
op toehoorders , vandaar : houtos estin = deze is . Er zit dus evolutie in het
Mcverhaal . Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal
: houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was . In Mc
15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden
tijd van het werkw. nl. èn = hij was .
13. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,21. (5) Mc
9,39 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,42 . (8) Mc
9,43 . (9) Mc
9,45 . (10) Mc
9,47 .
14. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
15. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik
in het N.T. : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 9 : (1) Mc
9,7 . (2) Mc
9,9 ** . (3) Mc
9,31 ** . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon)
.
Mc 9,7.14. - 16. ho huios mou (mijn zoon) . Mc (2) : (1) Mc 1,11 . (2) Mc 9,7 .
17. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
20. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,27 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
| Mc 9,8 - Mc 9,8 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,8 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. part. aor. nom. mann. mv. periblepsamenoi (rondgekeken) van het
werkw. periblepô (rondkijken) . Taalgebruik in het N.T. : periblepô
(rondkijken) . Taalgebruik in Mc : periblepô
(rondkijken) .
Mc (1) : Mc
9,8 . . Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc : (1)
Mc 3,5
. (2) Mc
3,34 . (3) Mc
5,32 . (4) Mc
9,8 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
11,11 .
8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
| Mc 9,9 - Mc 9,9 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,9 . Dit vers Mc 9,9 telt 23 woorden , 49 (7 X 7) lettergrepen en 113 letters . De getalwaarde van Mc 9,9 is 13738 (2 X 6869) .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in het N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und . Mc 9 .
Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
5. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
7. mediaal aor. 3de pers. enk. diesteilato (hij beval) van het werkwoord diastellomai
(bevelen) . Taalgebruik in het N.T. : diastellomai
(bevelen) . Taalgebruik in Mc : diastellomai
(bevelen) . diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten,
scheiden, bepalen) .
Mc (3) : (1) Mc
5,43 . (2) Mc
7,36 . (3) Mc
9,9 . Het is de 3de en laatste maal dat de aor. van diastellomai (bevelen)
wordt gebruikt en de 5de en laatste maal een vorm van dat werkwoord . mediaal
imperf. 3de pers. enk diestelleto (hij beval) : (1) Mc
7,36 . (2) Mc
8,15 .
8. pers. voornaamw. dat. mann. mv. autois (aan hen) van het voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,19 . (7) Mc
9,29 . (8) Mc
9,31 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
9,36 . Het spreekverbod betreft de leerlingen Petrtus, Jakobus en Johannes
, die het gebeuren op de berg hebben meegemaakt .
9. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) . Voorzetsel van doel .
Mc (59) . Mc 9 (5) : (1) Mc
9,9 . (2) Mc
9,12 . (3) Mc
9,18 . (4) Mc
9,22 . (5) Mc
9,30 .
1. 7. - 9. kai (...) diesteilato autois hina (en hij beval hen opdat) . Mc (3) : (1) Mc 5,43 . (2) Mc 7,36 . (3) Mc 9,9 . Het betreft telkens een spreekverbod .
10. onbepaald voornaamw. mèdeni (aan niemand) van het onbepaald voornaamw.
mèdeis (niemand) . Taalgebruik in N.T. : mèdeis
(niemand) . Taalgebruik in Mc : mèdeis
(niemand) . mè-d-eis : niet één , niet iemand .
Mc (4) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
7,36 . (3) Mc
8,30 . (4) Mc
9,9 .
9. - 10. hina mèdeni (opdat aan niemand) . Mc (3) : (1) Mc 7,36 . (2) Mc 8,30 . (3) Mc 9,9 . Dus niet : Mc 1,44 .
7. - 13.
- Mc 1,44
: kai legei autô(i) hora mèdeni mèden eipè(i)s (en
hij zegt hem , zie , dat gij aan niemand niets zegt) . Zwijggebod na de negezing
van de lamme op een eenzame plaats .
- Mc 7,36
: kai diesteilato autois hina mèdeni legôsin (en hij beval hen dat zij aan niemand
zouden zeggen) . Het zwijggegbod na de genezing van een doofstomme .
- Mc 8,30
: kai epetimèsen autois hina mèdeni legôsin (en hij droeg hen op dat zij aan
niemand zouden zeggen) . Het zwijggebod na de genezing van een blinde .
- Mc 9,9
: diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai
(en hij beval hen dat zij aan niemand zouden verhalen wat zij hadden gezien)
. Het zwijggebod na de verheerlijking op de berg .
STAP VOOR STAP !
14. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .
17. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
18. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik
in het N.T. : huios
(zoon) . Taalgebruik in Mc : huios
(zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 9 : (1) Mc
9,7 . (2) Mc
9,9 ** . (3) Mc
9,31 ** . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon)
.
19. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
20. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (15) : (1) Mc
2,10 ** . (2) Mc
2,28 **. (3) Mc
5,8 . (4) Mc
7,15 . (5) Mc
7,20 . (6) Mc
8,31** . (7) Mc
8,38 ** . (8) Mc
9,9 ** . (9) Mc
9,12 **. (10) Mc
9,31 ** . (11) Mc
10,33 ** . (12) Mc
10,45 ** . (13) Mc
13,26 **. (14) Mc
14,21 **. (15) Mc
14,41 **.
| Mc 9,10 - Mc 9,10 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,10 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
9. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn)
. Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,21. (5) Mc
9,39 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,42 . (8) Mc
9,43 . (9) Mc
9,45 . (10) Mc
9,47 .
10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,10 . (2) Mc
9,20 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,29 . (6) Mc
9,32 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
9,48 . (9) Mc
9,50 .
13. act. inf. aor. anastènai (opstaan) van het werkw. anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi
(opstaan) .
Mc (2) : (1) Mc
8,31 . (2) Mc
9,10 .
169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
| Mc 9,11 | Mc 9,12 | Mc 9,13 | Mt 17,10 | Mt 17,11 | Mt 17,12 | ||||
| kai (en) | ho de (hij echter) | alla (maar) | |||||||
| epijrootoon (zij vroegen) | efij (zei) | legoo (ik zeg) | |||||||
| auton (hem) | autois (hen) | humin (u) | |||||||
| legontes (zeggende) | |||||||||
| hoti (dat) | |||||||||
| legousin (zeggen) | |||||||||
| hoi grammateis (de schriftgeleerden) | |||||||||
| hoti (dat) | hoti (dat) | ||||||||
Ijlian (Elia) |
Hijlias (Elia) | Ijlian (Elia) |
|||||||
| men (echter) | kai (al, reeds) | ||||||||
| dei (moet) | |||||||||
| elthein (komen) | elthoon (gekomen zijnde) | elijluthen (is gekomen) | |||||||
| prooton (eerst) | prooton (eerst) | ||||||||
| ) | apokathistanei panta (herstelt alles) | ||||||||
| 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13 | 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13 | 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13 |
| Mc 9,11 - Mc 9,11 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,11 .
2. epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) . Taalgebruik : epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) , zie Mc 7,17 . Het werkwoord eperôtaô (epi - erôtaô) : 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Mc (6) . Lc (4) . In zes verzen bij Mc : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .
| leerlingen van Jezus | de Farizeeën en de schriftgeleerden | 1. de leerlingen van Jezus | 2. drie leerlingen van Jezus | 3. de leerlingen van Jezus | de Farizeeën | 4. de leerlingen van Jezus | Sadduceeën |
| Mc 4,10 | Mc 7,5 | Mc 7,17 | Mc 9,11 | Mc 9,28 | Mc 10,2 | Mc 10,10 | Mc 12,18 |
| Kai hote (en toen) | kai (en) | Kai (en) hote (toen) (En nadat) | kai (en) | Kai (en) | kai (en) | Kai (en) | kai (en) |
| egeneto (hij was) | eisèlthen (hij binnenging) (hij was gegaan) | eiselthontos autou (na de thuiskomst van Jezus) | proselthontes Farisaioi (de Farizeeën naderbijgekomen) | erchontai Saddukaioi pros auton (en Sadduceeën kwamen naderbij hem)... | |||
| kata monas (alleen) | eis oikon (naar - in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte) | (vragen van de 3 leerlingen, bij het afdalen van de berg van de verheerlijking) | eis oikian (naar huis) | eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw) | |||
| hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idian (onder elkaar - afgezonderd) | hoi mathètai (de leerlingen) | ||||||
| èrôtôn (vroegen) | eperôtôsin (en zij ondervragen | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | peri toutou (hierover) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | kai (en) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) |
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) |
| hoi peri auton sun tois dôdeka (die rond hem met de twaalf) | hoi Farisaioi kai hoi grammateis "zij" = de Farizeeën en de schriftgeleerden | hoi mathètai autou ( zijn leerlingen) | legontes (zeggende) | ||||
| tas parabolas (de parabels) | tèn parabolèn (de parabel) | ||||||
| 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 | 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 | 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - | 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc
9,11-13 - Mt
17,10-13 - |
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - | 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 |
5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
9,13 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,26 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,38 . (9) Mc
9,41 .
7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (4) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,28 . (3) Mc
9,32 . (4) Mc
9,34 .
8. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst.
naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus
(schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus
(schriftgeleerde) .
Mc (11) : (1) Mc
1,22 . (2) Mc
2,16 . (3) Mc
3,22 . (4) Mc
7,5 . (5) Mc
9,11 . (6) Mc
9,14 . (7) Mc
11,18 . (8) Mc
11,27 . (9) Mc
12,35 . (10) Mc
14,1 . (11) Mc
14,53 .
10. acc. mann. enk. èlian van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik
in het N.T. : èlias
(Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias
(Elia) .
Mc (3) : (1) Mc
8,28 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
15,35 .
| Mc 9,12 - Mc 9,12 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,12 .
1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,12 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,23 . (5) Mc
9,25 . (6) Mc
9,27 . (7) Mc
9,32 . (8) Mc
9,34 . (9) Mc
9,39 . (10) Mc
9,50 .
4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in
het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,19 . (7) Mc
9,29 . (8) Mc
9,31 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
9,36 .
1. - 4. ho de ... eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 10,3 . (5) Mc 14,20 . Sommige lezingen : efè in plaats van eipen (hij zei) .
5. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik
in het N.T. : èlias
(Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias
(Elia) .
Mc (5) : (1) Mc
6,15 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
15,36 .
12. pôs (hoe) . Taalgebruik in het N.T. : pôs
(hoe) . Taalgebruik in Mc : pôs
(hoe) . Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze .
Mc (14) . Mc 9 (1) : Mc
9,12 .
15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
17. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
18. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (15) : (1) Mc
2,10 ** . (2) Mc
2,28 **. (3) Mc
5,8 . (4) Mc
7,15 . (5) Mc
7,20 . (6) Mc
8,31** . (7) Mc
8,38 ** . (8) Mc
9,9 ** . (9) Mc
9,12 **. (10) Mc
9,31 ** . (11) Mc
10,33 ** . (12) Mc
10,45 ** . (13) Mc
13,26 **. (14) Mc
14,21 **. (15) Mc
14,41 **.
19. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc
9,9 . (2) Mc
9,12 . (3) Mc
9,18 . (4) Mc
9,22 . (5) Mc
9,30 .
| Mc 9,13 - Mc 9,13 : 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,13 .
4. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti
(dat, omdat) . Taalgebruik in Mc : hoti
(dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
9,13 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,26 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,38 . (9) Mc
9,41 .
6. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia) . Taalgebruik
in het N.T. : èlias
(Elia) . Taalgebruik in Mc : èlias
(Elia) .
Mc (5) : (1) Mc
6,15 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
15,36 .
16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -
| Mc 9,14 - Mc 9,14 -170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,14 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc
9,14 . (2) Mc
9,18 . (3) Mc
9,26 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
9,35 . (6) Mc
9,45 .
5. acc. mann. mv. mathètas (leerlingen) . van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (7) : (1) Mc
6,45 . (2) Mc
8,1 . (3) Mc
8,27 . (4) Mc
8,33 . (5) Mc
9,14 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
12,43 .
10. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,14 . (3) Mc
9,16 . (4) Mc
9,33 .
11. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
12. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in het N.T. : grammateus (schriftgeleerde) . Taalgebruik in Mc : grammateus (schriftgeleerde) . Mc (11) : (1) Mc 1,22 . (2) Mc 2,16 . (3) Mc 3,22 . (4) Mc 7,5 . (5) Mc 9,11 . (6) Mc 9,14 . (7) Mc 11,18 . (8) Mc 11,27 . (9) Mc 12,35 . (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,53 .
| Mc 9,15 - Mc 9,15 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,15 . Het vers Mc 9,15 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 67 letters. De getalwaarde van Mc 9,15 is 8321 (53 X 157) .
Mc 9,15.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,15.3. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt : nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .
Mc 9,15.4.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
Mc 9,15.5. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T. : ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk . Mc (13) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .
Mc 9,15.3. - 5. pas ho ochlos (de hele menigte) . Mc (4) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk . In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus .
Mc 9,15.7.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
8. thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting
geslagen worden) . Taalgebruik : thambeomai
(verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn) , zie Mc
9,15 . (1) Mc
1,27 (ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . (2) Mc
9,15 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen)
. (3) Mc
10,24 (ethambounto (zij waren verbaasd)) . (4) Mc
10,32 (ethambounto (zij waren verbaasd) . (5) Mc
14,33 (ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . (6) Mc
16,5 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen)
. (7) Mc
16,6 (Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Dit werkwoord en vormen
ervan komen blijkbaar enkel in het Marcusevangelie voor. Met ont- probeer ik
het Griekse voorzetsel ek- weer te geven: ont-steld, ont-zetting. Het is een
reactie op wat mensen meemaken. Men is uit zijn lood geslagen.
- exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen)
. Passief aorist derde persoon meervoud . Het komt in twee verzen in
de bijbel voor : Mc
9,15 en Mc
16,5 .
--- ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . Passief
infinitief praesens. Slechts in Mc
14,33 .
--- Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Imperatief
praesens tweede persoon meervoud . Slechts in Mc
16,6 .
--- ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . Passief
aorist derde persoon meervoud . In de bijbel komt het slechts in Mc
1,27 .
--- ethambounto (zij waren verbaasd) . Passief imperfectum derde persoon meervoud.
In de bijbel slechts in Mc
10,24 en Mc
10,32 .
- thambos : verstomming, verbazing, ontzetting, vrees ( Lc 4,36) . In zes verzen
in de bijbel . In vier verzen in het O.T. . In twee verzen in het N.T. .
Mc 9,15.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,15.10.
act. part. praes. nom. mann. mv. postrechontes (rennende naar) van het
werkw. prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in het N.T.
: prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in Mc : prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) . L. adcurrere . F. accourir . N. koersen
, rennen . E. to run .
Mc (1) : Mc
9,15 . Nog een vorm in Mc : prosdramôn (gerend naar) in Mc
10,17 . Na de terugkeer van Jezus van de berg van de verheerlijking loopt
een menigte naar Jezus (Mc
9,15) . In Mc
10,17 rent iemand naar Jezus .
Mc 9,15.11.
ind. imperf. 3de pers. mv. èspazonto (zij begroetten) van het werkw.
aspazomai (verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in het N.T. : aspazomai
(verwelkomen, begroeten) . Taalgebruik in Mc : aspazomai
(verwelkomen, begroeten) .
Mc (1) Mc
9,15 . Een vorm van aspazomai (verwelkomen, begroeten) in Mc in 2 verzen
: (1) Mc
9,15 . (1) Mc
15,18 .
Mc 9,15.12.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
| Mc 9,16 - Mc 9,16 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,16 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (40) . Mc (4) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,14 . (3) Mc
9,16 . (4) Mc
9,33 .
6. - 7. pros autous (naar hen) . Mc (5) : (1) Mc 6,48 . (2) Mc 6,51 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 12,4 . (5) Mc 12,12 .
| Mc 9,17 - Mc 9,17 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,17 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
2. ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw.
apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai
(antwoorden) .
Mc (7) : (1) Mc
7,28 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
12,28 . (4) Mc
12,29 . (5) Mc
12,34 . (6) Mc
15,5 . (7) Mc
15,9 . Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .
Mc 9,17.4.
onbepaald voornaamw. nom. mann. enk. heis (een) . Taalgebruik in het N.T. :
eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach . Onbepoaald
voornaamwoord .
Mc 9 (11) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,22 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,28 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,33 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
9,43 . (10) Mc
9,45 . (11) Mc
9,47 .
Mc 9,17.6.
bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
Mc 9,17.7.
gen. mann. enk. ochlou (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte)
. Taalgebruik in het N.T. : ochlos
(menigte) . Taalgebruik in Mc : ochlos
(menigte) .
Mc (5) : (1) Mc
7,17 . (2) Mc
7,33 . (3) Mc
8,1 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
10,46 .
Mc 9,17.8.
voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar
, leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos
(leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos
(leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc
4,38 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,38 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,20 . (6) Mc
10,35 . (7) Mc
12,14 . (8) Mc
12,19 . (9) Mc
12,32 . (10) Mc
13,1 .
10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,17.14.
pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (4) : (1) Mc
9,17 . (2) Mc
9,43 . (3) Mc
9,45 . (4) Mc
9,47 .
Mc 9,17.16.
nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,26 . (4) Mc
3,29 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
5,8 . (7) Mc
7,25 . (8) Mc
9,17 . (9) Mc
9,20 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
13,11 . (12) Mc
14,38 .
| Mc 9,18 - Mc 9,18 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,18 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean
(indien) . Taalgebruik in Mc : ean
(indien) .
Mc (32) . Mc 9 (5) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,43 . (3) Mc
9,45 . (4) Mc
9,47 . (5) Mc
9,50 .
4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (6) : (1) Mc
9,14 . (2) Mc
9,18 . (3) Mc
9,26 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
9,35 . (6) Mc
9,45 .
14. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
16. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
20. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het
N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 9 (5) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,38 . (3) Mc
9,43 . (4) Mc
9,45 . (5) Mc
9,47 .
21. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc
9,9 . (2) Mc
9,12 . (3) Mc
9,18 . (4) Mc
9,22 . (5) Mc
9,30 .
24. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
25. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11) : ou (niet) in Mc 9 (5) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,3 . (3) Mc
9,6 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6) : (1) Mc
9,18 . (2) Mc
9,28 . (3) Mc
9,30 . (4) Mc
9,37 . (5) Mc
9,38 . (6) Mc
9,40 .
| Mc 9,19 - Mc 9,19 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,19 .
1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,12 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,23 . (5) Mc
9,25 . (6) Mc
9,27 . (7) Mc
9,32 . (8) Mc
9,34 . (9) Mc
9,39 . (10) Mc
9,50 .
4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in
het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,4 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,19 . (7) Mc
9,29 . (8) Mc
9,31 . (9) Mc
9,35 . (10) Mc
9,36 .
5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van
het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,35 .
10. pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in het N.T. : pote
(wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote
(wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc
9,19 . (2) Mc
13,4 . (3) Mc
13,33 . (4) Mc
13,35 .
- Mc 9,19
.
- Mc 13,4
: eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc
13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het
moment is) .
- Mc
13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je
weet niet wanneer de heer van het huis komt) .
12. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het N.T.
: persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Brieven : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (13) : (1) Mc
1,8 (2X) . (2) Mc
1,17 .(3) Mc
6,11 . (4) Mc
9,19 . (5) Mc
9,41 . (6): Mc
11,29 . (7) Mc
13,5 . (8) Mc
13,9 . (9) Mc
13,11 . (10) Mc
13,36 . (11) Mc
14,28 . (12) Mc
14,49 . (13) Mc
16,7 .
15. pote (wanneer, soms) . Taalgebruik in het N.T. : pote
(wanneer, soms) . Taalgebruik in Mc : pote
(wanneer, soms) .
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus : (1) Mc
9,19 . (2) Mc
13,4 . (3) Mc
13,33 . (4) Mc
13,35 .
- Mc 9,19
.
- Mc 13,4
: eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc
13,33 : ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het
moment is) .
- Mc
13,35 : ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je
weet niet wanneer de heer van het huis komt) .
19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
| Mc 9,20 - Mc 9,20 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,20 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,20.3.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
Mc 9,20.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
Mc 9,20.5.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
6. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,20.7. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) . eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 .
Mc 9,20.8.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
Mc 9,20.9.
bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,10 . (2) Mc
9,20 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,29 . (6) Mc
9,32 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
9,48 . (9) Mc
9,50 .
Mc 9,20.10.
nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T. : pneuma
(geest) . Taalgebruik in Mc : pneuma
(geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12) : (1) Mc
1,10 . (2) Mc
1,12 . (3) Mc
1,26 . (4) Mc
3,29 . (5) Mc
3,30 . (6) Mc
5,8 . (7) Mc
7,25 . (8) Mc
9,17 . (9) Mc
9,20 . (10) Mc
9,25 . (11) Mc
13,11 . (12) Mc
14,38 .
Mc 9,20.13.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
14. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,20.17.
bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (5) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,20 . (4) Mc
9,27 . (5) Mc
9,30 .
| Mc 9,21 - Mc 9,21 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,21 .
Mc 9,21.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,8 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,12 . (5) Mc
9,17 . (6) Mc
9,21 . (7) Mc
9,37 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,21.4.
acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) .
Taalgebruik in het N.T. : patèr
(vader) . Taalgebruik in Mc : patèr
(vader) .
Mc (8) . (1) Mc
1,20 . (2) Mc
5,40 . (3) Mc
7,10. (4) Mc
9,21 . (5) Mc
10,7 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .
Mc 9,21.5.
voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,3 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,27 . (6) Mc
9,28 . (7) Mc
9,31 . (8) Mc
9,41 . (9) Mc
9,42 .
Mc 9,21.8.
act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) .
Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10) : (1) Mc
9,5 . (2) Mc
9,7 . (3) Mc
9,10 . (4) Mc
9,21. (5) Mc
9,39 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,42 . (8) Mc
9,43 . (9) Mc
9,45 . (10) Mc
9,47 .
Mc 9,21.13.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
Mc 9,21.14.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,12 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,23 . (5) Mc
9,25 . (6) Mc
9,27 . (7) Mc
9,32 . (8) Mc
9,34 . (9) Mc
9,39 . (10) Mc
9,50 .
Mc 9,21.15.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc
9,21 . (2) Mc
9,23 . (3) Mc
9,29 . (4) Mc
9,36 . (5) Mc
9,39 .
| Mc 9,22 - Mc 9,22 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,22 .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
3. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,22.4.
eis (naar) . Taalgebruik in het N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,22 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,28 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,33 . (8) Mc
9,42 . (9) Mc
9,43 . (10) Mc
9,45 . (11) Mc
9,47 .
Mc 9,22.6.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
8. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen : (1) Mc
9,6 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,24 . (5) Mc
9,34 . (6) Mc
9,40 . (7) Mc
9,41 . (8) Mc
9,44 . (9) Mc
9,46 . (10) Mc
9,49 .
Mc 9,22.10. nom. + acc. onz. mv. hudata (wateren) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het N.T. : hudôr (water) . Taalgebruik in Mc : hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat. : aqua . Fr. : eau . Mc (1) : Mc 9,22 .
Mc 9,22.11.
hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5) : (1) Mc
9,9 . (2) Mc
9,12 . (3) Mc
9,18 . (4) Mc
9,22 . (5) Mc
9,30 .
Mc 9,22.13.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 9 (16) : (1) Mc
9,11 . (2) Mc
9,13 . (3) Mc
9,15 . (4) Mc
9,18 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,20 . (7) Mc
9,22 . (8) Mc
9,25 . (9) Mc
9,27 . (10) Mc
9,29 . (11) Mc
9,31 . (12) Mc
9,32 . (13) Mc
9,38 . (14) Mc
9,39 . (15) Mc
9,45 . (16) Mc
9,47 .
Mc 9,22.15. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .
19. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis
. Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (9) : (1) Mc
1,24 . (2) Mc
9,22 . (3) Mc
9,38 . (4) Mc
10,35 . (5) Mc
10,37 . (6) Mc
12,19 . (7) Mc
13,4 . (8) Mc
14,15 . (9) Mc
16,3 .
| Mc 9,23 - Mc 9,23 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,23 .
1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,12 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,23 . (5) Mc
9,25 . (6) Mc
9,27 . (7) Mc
9,32 . (8) Mc
9,34 . (9) Mc
9,39 . (10) Mc
9,50 .
4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5) : (1) Mc
9,21 . (2) Mc
9,23 . (3) Mc
9,29 . (4) Mc
9,36 . (5) Mc
9,39 .
1. - 5. ho de Ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) . Mc (2) : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,18 .
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 9 (9) : (1) Mc
9,10 . (2) Mc
9,20 . (3) Mc
9,23 . (4) Mc
9,25 . (5) Mc
9,29 . (6) Mc
9,32 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
9,48 . (9) Mc
9,50 .
7. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 9 (6) : (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .
11. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . Mc (68) . Mc (7) : (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .
| Mc 9,24 - Mc 9,24 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,24 .
Mc 9,24.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kraxas van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in het N.T. : krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc : krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (4) : (1) Mc 5,7 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 15,39 .
Mc 9,24.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18) : (1) Mc
9,2 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,7 . (4) Mc
9,9 . (5) Mc
9,12 . (6) Mc
9,15 . (7) Mc
9,19 . (8) Mc
9,21 . (9) Mc
9,23 . (10) Mc
9,24 . (11) Mc
9,25 . (12) Mc
9,27 . (13) Mc
9,31 . (14) Mc
9,38 . (15) Mc
9,39 . (16) Mc
9,45 . (17) Mc
9,47 . (18) Mc
9,48 .
Mc 9,24.5.
bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
(116) . Mc 9 (7) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,9 . (3) Mc
9,12 . (4) Mc
9,17 . (5) Mc
9,24 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,47 .
Mc 9,24.6. gen. onz. enk. paidiou (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (3) : (1) Mc 5,40 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,24 .
Mc 9,24.7.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . Taalgebruik in het N.T. : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen
/ lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,24 . (3) Mc
9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11) : (1) Mc
9,1 . (2) Mc
9,5 . (3) Mc
9,11 . (4) Mc
9,13 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
9,24 . (7) Mc
9,25 . (8) Mc
9,26 . (9) Mc
9,31 . (10) Mc
9,35 . (11) Mc
9,41 .
Mc 9,24.11.
bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3) : (1) Mc
9,24 . (2) Mc
9,33 . (3) Mc
9,34 .
| Mc 9,25 - Mc 9,25 --170. Genezing van een bezeten kind : - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible .
Luther-Bibel .
Tekstuitleg van Mc 9,25 .
Mc 9,25.1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) . eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 .
Mc 9,25.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10) : (1) Mc
9,12 . (2) Mc
9,19 . (3) Mc
9,21 . (4) Mc
9,23 . (5) Mc
9,25 . (6) Mc
9,27 . (7) Mc
9,32 . (8) Mc
9,34 . (9) Mc
9,39 . (10) Mc
9,50 .
Mc 9,25.5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T. : hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc :