MARCUSEVANGELIE: NEGENDE HOOFDSTUK, MC 9 -- Structuur -- Taalgebruik -- Commentaar -- bijbeloverzicht -- Taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2-10 -- Mc 9,30-37 -- Mc 9,38-43. 45. 47-48 -

- Bibliografie - Literatuur - Liturgisch gebruik - Overzicht bijbelboeken - Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken - Overzicht van deze website -

- Griekse tekst - Septuaginta: http://www. myriobiblos. gr/bible/nt2/mark/9. asp. Griekse tekst - Septuaginta.
- Vulgata: http://www. intratext. com/IXT/LAT0001/_PU4. HTM. Vulgata .
- Statenvertaling: http://www. statenvertaling. net/bijbel/marc/9. html. Statenvertaling.
- Willibrordvertaling: http://www. willibrordbijbel. nl/index. php?p=page&i=65374,65421. Willibrordvertaling .
- De Nieuwe Vertaling: http://www. willibrordbijbel. nl/index. php?p=page&i=65374,65421. De Nieuwe Vertaling .
- De Naardense bijbel: http://naardensebijbel. nl/zoek. php. De Naardense bijbel .
- Bible de Jérusalem: http://www. lexilogos. com/bible_multilingue. htm. Bible de Jérusalem.
- King James Bible: http://quod. lib. umich. edu/cgi/k/kjv/kjv-idx?type=DIV1&byte=4520748. King James Bible .
- Luther Bibel: http://www. die-bibel. de/online-bibeln/luther-bibel-1984/bibeltext/bibelstelle/Markus%209/bibel/text/lesen/ch/aed9e7fe5c996397ab8aa365e08d798c/ . Luther Bibel.

- Marcus: overzicht.
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik V - Marcus taalgebruik W - Marcus taalgebruik X - Marcus taalgebruik Y - Marcus taalgebruik Z -
- Mc: commentaar.

Overzicht van het Marcusevangelie:   Mc 1, Mc 2, Mc 3, Mc 4, Mc 5, Mc 6, Mc 7, Mc 8, Mc 9, Mc 10, Mc 11, Mc 12, Mc 13, Mc 14, Mc 15, Mc 16
Tekstuitleg per pericope - Mc 9,1 - Mc 9,2-10 - Mc 9,11-13 - Mc 9,14-29 - Mc 9,30-32 - Mc 9,33-37 - Mc 9,38-41 - Mc 9,42 - Mc 9,43-48 - Mc 9,49-50
Tekstuitleg vers per vers - Mc 9,1 - Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 - Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 - Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 - Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 - Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 - Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 - Mc 9,42 - Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 - Mc 9,49 - Mc 9,50 -

- bijbelverwijzingen - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -

Overzicht van Tenakh: Tenakh: overzicht, Tenakh: taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -, Tenakh: commentaar,


 
   
1. LXX, Griekse tekst N. T.   2. Vulgata   Arabisch: http://wjsn. home. xs4all. nl/arab. htm    4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. http://naardensebijbel. nl/zoek. php.
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel   liturgische lezing  

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info: Arseen De Kesel. Email: arseen. de. kesel@pandora. be.
websitenamen : http://users. telenet. be/arseen. de. kesel/ en http://www. interlevensbeschouwelijk. be/index. htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES:
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S: allochtonen, armoede, bahá'í,  bezinningsteksten, bijbel, bijbel en koran, boeddhisme, christendom, extreemrechts (Vlaams Blok), fundamentalisme, getallen, globalisering en antiglobalisering,  hindoeïsme, interlevensbeschouwelijke dialoog, interreligieuze meditatie, islam, jodendom, koran, levensbeschouwing, levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs, racisme, samenleving, sikhisme, spiritualiteit, tewerkstelling van allochtonen, vluchtelingen en asielzoekers, vrijzinnigheid, witte scholen, multiculturele scholen en concentratiescholen, Eigen-zinnige beschouwingen, Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat
- ean (indien), zie Mc 9,49 .
- horos (berg. 6X bij Marcus)
- metamorfoomai (omvormen). In 4 verzen in de bijbel; in (1) Mt 17,2. (2) Mc 9,2. (3). (4)
- paralambanô (naast zich nemen, vergezellen). Bij Marcus, zie Mc 9,2: Mc 9,2-10 -.
- thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn), zie Mc 9,15
Bibliografie - Mc 9,2-13 -
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc 9,2-10: 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer
Overzicht van de bijbelboeken
- OT: Gn (Genesis), Ex (Exodus), Lv (Leviticus), Nu (Numeri), Dt (Deuteronomium), Joz (Jozua), Re (Rechters), Rt (Ruth), 1 S (1 Samuël), 2 S (2 Samuël), 1 K (1 Koningen), 2 K (2 Koningen), 1 Kr ( 1 Kronieken), 2 Kr (2 Kronieken), Ezr (Ezra), Neh (Nehemia), Tob (Tobia), Jdt (Judith), Est (Esther), 1 Mak (1 Makkabeeën), 2 Mak (2 Makkabeeën), Job, Ps (Psalmen ), Spr (Spreuken), Pr (Prediker), Hl (Hooglied), W (Wijsheid), Sir (Sirach), Js (Jesaja), Jr (Jeremia), Kl (Klaagliederen), Bar (Baruch), Ez (Ezechiël), Da (Daniël), Hos (Hosea), Jl (Joël), Am (Amos), Ob (Obadja), Jon (Jona), Mi (Micha), Nah (Nahum), Hab (Habakuk), Sef (Sefanja), Hag (Haggai), Zach (Zacharia), Mal (Maleachi).
- NT: Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen), Rom (Rome), 1 Kor (Korinte), 2 Kor (Korinte), Gal (Galatië), Ef (Efese), Fil (Filippi), Kol (Kolosse), 1 Tes (Tessalonika), 2 Tes (Tessalonika), 1 Tim (Timoteüs), 2 Tim (Timoteüs), Tit (Titus), Film (Filemon), Heb (Hebreeën), Jak (Jakobus), 1 Pe (Petrus), 2 Pe (Petrus), 1 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), 2 Joh (Johannes), Jud (Judas), Apk (Apokalyps).
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken: - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het zesde hoofdstuk van het Marcusevangelie:
167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -
168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -
169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
170. Genezing van een bezeten kind: Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -
171. Tweede lijdensvoorspelling: Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 -
173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -
174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -
175. Ergernis: Mc 9,42 - Mt 18,6-7 - Lc 17,1-3a -
176. Ergernis (2):Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -
177. Gelijkenis van het zout: Mc 9,49-50 - Mt 5,13 - Lc 14,34-35 -

167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mc 9,1 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -

Mc 9,1 - Mc 9,1: 167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mt 16,28 - Lc 9,27 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:1 kai elegen autois am�n leg� umin oti eisin tines �de t�n est�kot�n oitines ou m� geus�ntai thanatou e�s an id�sin t�n basileian tou theou el�luthuian en dunamei   et dicebat illis amen dico vobis quia sunt quidam de hic stantibus qui non gustabunt mortem donec videant regnum Dei veniens in virtute      [1] Ook zei Hij hun: ‘Ik verzeker u, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is. ’  [1] Verder zei hij ook nog: ‘Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt. ’  1 ¶ Ook heeft hij tot hen gezegd: voorwaar, ik zeg u dat er sommigen zijn van wie hier staan die de dood niet zullen proeven voordat zij het koningschap van God hebben zien komen in kracht!   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,1.

Mc 9,1. 1. και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Taalgebruik: kai (en) in de LXX. Taalgebruik in Mc: kai (en). Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,23. (4) Mc 9,24. (5) Mc 9,34. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,41. (8) Mc 9,44. (9) Mc 9,46. (10) Mc 9,49. Er is verandering van personage.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O. T. N. T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev.  
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned.: en. Arabisch: وَ = wa (en). Taalgebruik in de Qoran: wa (en). E.: and. D.: und. Fr.: et. Grieks: και = kai (en). Taalgebruik: kai (en) in NT. Hebr.: וְ = wë (en). Lat.: et .

Mc 9,1. 2. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen). Taalgebruik in het N. T.: legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon.
Mc (31). Mc 9 (3): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,24. (3) Mc 9,31.
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,5. (3) Mc 9,11. (4) Mc 9,13. (5) Mc 9,19. (6) Mc 9,24. (7) Mc 9,25. (8) Mc 9,26. (9) Mc 9,31. (10) Mc 9,35. (11) Mc 9,41.

Mc 9,1. 3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen). Taalgebruik in het N. T.: voornaamwoord autos. Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (117). Mc 9 (10): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,4. (3) Mc 9,7. (4) Mc 9,9. (5) Mc 9,12. (6) Mc 9,19. (7) Mc 9,29. (8) Mc 9,31. (9) Mc 9,35. (10) Mc 9,36.

Mc 9,1. 1. - 3. kai elegen autois (en hij zei hen). Mc (14): (1) Mc 2,27. (2) Mc 3,23.  (3) Mc 4,2. (4) Mc 4,11. (5) Mc 4,21. (6) Mc 4,24. (7) Mc 6,4. (8) Mc 6,10. (9) Mc 7,9. (10) Mc 7,14. (11) Mc 8,21. (12) Mc 9,1. (13) Mc 9,31. (14) Mc 11,17.  

Mc 9,1. 4. amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in het N. T.: amèn (amen, ja, voorwaar). Taalgebruik in Mc: amèn (amen, ja, voorwaar).
Mc (13): (1) Mc 3,28. (2) Mc 8,12. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,41. (5) Mc 10,15. (6) Mc 10,29. (7) Mc 11,23. (8) Mc 12,43. (9) Mc 13,30. (10) Mc 14,9. (11) Mc 14,18. (12) Mc 14,25. (13) Mc 14,30.

Mc 9,1. 5. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen). Taalgebruik in N. T.: legô (zeggen). Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc (19). Mc

Mc 9,1. 6. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie). Taalgebruik in het N. T.: persoonlijk voornaamwoord. Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord.
Mc (34). Mc

Mc 9,1. 4. - 6. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie). Mc (13): (1) Mc 3,28. (2) Mc 8,12. (3) Mc 9,1. (4) Mc 9,41. (5) Mc 10,15. (6) Mc 10,29. (7) Mc 11,23. (8) Mc 12,43. (9) Mc 13,30. (10) Mc 14,9. (11) Mc 14,18. (12) Mc 14,25. (13) Mc 14,30.

Mc 9,1. 7. hoti (dat, omdat). Taalgebruik in het N. T.: hoti (dat, omdat). Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92). Mc 9 (9): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,11. (3) Mc 9,13. (4) Mc 9,25. (5) Mc 9,26. (6) Mc 9,28. (7) Mc 9,31. (8) Mc 9,38. (9) Mc 9,41.

Mc 9,1. 4. - 7. amèn legô humin hoti (voorwaar ik zeg jullie). Mc (8): (1) Mc 3,28. (2) Mc 9,1. (3) Mc 9,41. (4) Mc 11,23. (5) Mc 12,43. (6) Mc 13,30. (7) Mc 14,18. (8) Mc 14,25.

Mc 9,1. 14. ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in het N. T.: ou - ouk - ouch (niet). Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet).
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,3. (3) Mc 9,6. (4) Mc 9,41. (5) Mc 9,48. ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18. (2) Mc 9,28. (3) Mc 9,30. (4) Mc 9,37. (5) Mc 9,38. (6) Mc 9,40.

Mc 9,1. 19. an. Taalgebruik in het N. T.: an. Taalgebruik in Mc: an. Mc (18). Mc 9 (4): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,37. (3) Mc 9,41. (4) Mc 9,42.

22. acc.  vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia (koninkrijk). Taalgebruik in het N. T.: basileia (koninkrijk). Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk).
Mc (9): (1) Mc 4,30.  2 : (2) Mc 9,1. (3) Mc 9,47. (4) Mc 10,15. (5) Mc 10,23. (6) Mc 10,24. (7) Mc 10,25. (8) Mc 13,8. (9) Mc 15,43.

23. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het N. T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to. . , tè. . . N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
(116). Mc 9 (7): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,9. (3) Mc 9,12. (4) Mc 9,17. (5) Mc 9,24. (6) Mc 9,31. (7) Mc 9,47.

Mc 9,1. 26. en (in). Taalgebruik in het N. T.: en (in). Taalgebruik in Mc: en (in). Hebr. bë. Fr. en. Ned. in. Fr. dans. Voorzetsel.
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1. (2) Mc 9,29. (3) Mc 9,33. (4) Mc 9,34. (5) Mc 9,36. (6) Mc 9,37. (7) Mc 9,38. (8) Mc 9,41. (9) Mc 9,50.

Mc 14,62 Mc 8,38 Mc 9,1 Mc 13,26
kai (en) hotan (wanneer) heôs an (totdat) kai tote (en dan)
opsesthe (gij zult zien)   idôsin (zij zullen zien) opsontai (zullen zij zien)
ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)   tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) ton huion tou anthrôpou (de mensenzoon)
ek deksiôn (rechts)      
kathèmenon (zittend)      
dunameôs (van de kracht)      
kai (en)      
erchomenon (komende) elthèi (hij komt)  elèluthuian  (gekomen zijnde)  erchomenon (komende)
  en tèi doksèi tou patros autou (in de heerlijkheid van zijn vader) en dunamei (in kracht) en nefelais meta dunameôs pollès kai doksès (op de wolken met grote kracht en heerlijkheid)
meta tôn nefelôn tou ouranou (op de wolken van de hemel) meta tôn aggelôn tôn hagiôn (met zijn heilige engelen)      
 332. Jezus voor het Sanhedrin: Mc 14,55-64 // Mt 26,59-66 // (Lc 22,66-71) - Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -   166. Wat baat het een mens de hele wereld te winnen: Mc 8,36-38 // Mt 16,26-27 // Lc 9,25-26 - Mc 8,36-38 - Mt 16,26-27 - Lc 9,25-26 -  167. Nabijheid van het Rijk Gods: Mc 9,1 // Mt 16,28 // Lc 9,27 - Mc 9,1 - Mt 16,28 - Lc 9,27 -  305. De komst van de Mensenzoon: Mc 13,24-27 // Mt 24,29-31 // Lc 21,25-28 - Mc 13,24-27 - Mt 24,29-31 - Lc 21,25-28 -

168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -

- COUNE, M. , Transfiguratie, in: Heiliging, jg. 38 (1988), nr. 2, p. 1-40
- DREWERMANN, E. , Beelden van verlossing. Toelichtingen op het evangelie van Marcus, 's-Gravenhage, Meinema, 199± (2), p. 113-126
- GERITS, H. , Op een berg, in: Bijbel en bezinning, jg. 3 (1984), nr. 1, p. 109-112
- LAMBRECHT, J. , Het Christusbeeld van Marcus, in: VBS-Informatie, jg. ´ (1973), nr. 2, p. 18-32. Verwijzing: Lambrecht Jan .
- MAES, L. , Denken in de geest van Jezus (Een opdracht voor de catechese), in: Catechetische Informatie, jg. 1¹ (1990), nr. 1, p. 12-19
- ROSSEL, W. , Een gelaat als de zon, in: IDEM, Gij zijt mij te sterk. Gelovig leven in het licht van de bijbel, Antwerpen-Amsterdam, Patmos, 1978, p. 110-124
- SMIT, J. , Bevrijding in zwart‑wit (Marcus 9,2‑32), in: Schrift, jg. (1975), nr. 37, p. 14‑20
- SMIT, J. , 12. Verlichting - Marcus 9,2-10, in: IDEM, Jezus, hoek­ steen of struikelblok? Wat zijn verhaal ons te zeggen heeft, Hilversum, Gooé en Sticht, 1978, p. 61-63
- STANDAERT, B. , De wolk der heerlijkheid binnenste buiten (Mc. 9,2-8), in: Jota, jg. ± (1989), nr. 1, p. 39-49
- STANDAERT, B. , Leven van Jezus, in: Heiliging, jg. 3¹ (1989), nr. 3, p. 47-54
- VAN AMERSFOORT, S. M. , Bergen verzetten. De verheerlijking van Jezus op de berg, Hilversum, Gooé ¦ Sticht, 1985
- VAN SEGBROECK, F. , Luistert naar Hem, in: Ons geestelijk leven, jg. 4¹ (1972), nr. 1, p. 13-23

Liturgische lezing 6 augustus: 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer: Mc 9,2-10. Taalgebruik: Mc 9,2-10.
In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd: zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan. Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus. Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Rabbi, het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia. " Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren allen geheel verbluft. Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem. " Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus. Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.

  1. Jezus 2. de kleren van Jezus 3. Elia en Mozes 4. Petrus + medeleerlingen 5. de wolk en de stem 6. de leerlingen 7. Jezus 8. de leerlingen
  Mc 9,2 Mc 9,3 Mc 9,4  Mc 9,5 - Mc 9,6 Mc 9,7 Mc 9,8 Mc 9,9 Mc 9,10
  begin kai (en); 2X kai tussen zinsdelen; 2X kai:nevenschikkende zinnen begin kai begin kai en 1X kai nevenschikkende zinnen begin kai en kai tussen 2 nevenschikkende zinnen; 2X kai tussen zinsdelen 2X begin kai begin kai begin kai begin kai
   2X tegenwoordige tijd; 1X verleden tijd (aorist)  1X verleden tijd (aorist) + tegen-woordig deelwoord 1X tegenwoordige tijd 1X infintief praesens 2X verleden tijd (aorist) (1X met tegenwoordig deelwoord)  2X tegenwoordige tijd. 1X verleden deelwoord (aorist) 1X toekomende tijd. 1X verleden tijd (plusquam perfectum) 1X verleden tijd (aorist) 1X verleden tijd (imperfectum) 2X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord 1X verleden deelwoord (aorist) 1X verleden tijd (aorist) 4X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordig deelwoord 1X verleden tijd (aorist) 1X tegenwoordige tijd. 1X tegenwoordig deelwoord. 1X verleden tijd infinitief (aorist)
woorden 27 16 11 25        
lettergrepen   57 36 22 48        

Het gebruik van kai (en) en de (echter) - kai -
In deze tekst wordt geen enkele maal de (echter) gebruikt. Nochtans was er 7X verandering van personage. In 7 van de 7 gevallen wordt aan het begin van de zin kai (en) gebruikt. Ook bij het begin van de pericope wordt kai (en) gebruikt. De versindeler heeft de pericope in 9 verzen verdeeld; 8 ervan beginnen met kai (en), één met gar (want). Verder wordt kai (en) in Mt 9,2 tweemaal gebruikt om nevenschikkende zinnen met elkaar te verbinden, in Mt 9,4 eenmaal, in Mt 9,5 eenmaal en in Mt 9,7 eenmaal. Totaal: 13. Dat zou ook het aantal nevenschikkende zinnen van de pericope moeten zijn. Verder wordt kai (en) 4X gebruikt tussen zinsdelen. Totaal gebruik: 17X.

Mc 9,2 - Mc 9,2 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
 9:2 kai meta h�meras hex paralambanei o I�sous ton Petron kai ton Iak�bon kai ton I�ann�n kai anaferei autous eis oros hups�lon kat idian monous kai metemorf�th� emprosthen aut�n 2 et vestimenta eius facta sunt splendentia candida nimis velut nix qualia fullo super terram non potest candida facere  En na zes dagenb nam Jezus Petrus en Jakobus en Johannes mee en bracht hen omhoog op een hoge berg in afzondering alleen.   In die tijd nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee en bracht hen boven op een hoge berg waar zij geheel alleen waren. Hij werd voor hun ogen van gedaante veranderd:   [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus*, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg* op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante,  [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, 2 Zes dagen hierna neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes bij zich en voert hen omhoog, een steil bergland in waar ze op zichzelf en alleen zijn. Dan verandert hij voor hun aanschijn van gedaante,   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,2. Het vers Mc 9,2 telt 28 (2² X 7) woorden en 140 (2² X 5 X 7) letters. De getalswaarde van Mc 9,2 is 14863 (89 X 167).

Mc 9,2. 1. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N. T. . Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und. Mc (555 / 678). Mc 9. Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,23. (4) Mc 9,24. (5) Mc 9,34. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,41. (8) Mc 9,44. (9) Mc 9,46. (10) Mc 9,49.

Mc 9,2. 2. μετα = meta (met, na). Afkorting: μετ' = met' OF μεθ' = meth'. Taalgebruik in het NT: meta (na, met). Taalgebruik in de LXX: meta (na, met). Taalgebruik in Mc: meta (na, met). Mc (34). Mc 9 (2): (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,31.  

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.   ev.  
1 meta  34  4   10  2   1443  1159  284  42  34  37  24  48  77  22  113  137 
2 met'  16             737 611 126 18 16 21 23 14 10 24 55 78
3 meth' 3             1 1       1     217 174 43 10 3 4 8 1 16 1 17 25
  totaal  53 4 15  2398 1953 454 70 53 62 55 63 103 44 185 240

  meta (na, met)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
1 meta  34  4: (1) Mc 1,13. (2) Mc 1,14. (3) Mc 1,20. (4) Mc 1,29 . 1 : Mc 2,16. 2: (1) Mc 3,6. (2) Mc 3,7 .   1: Mc 4,16.     1 : Mc 6,25. 3: (1) Mc 8,10. (2) Mc 8,31. (3) Mc 8,38.   2: (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,31.   2: (1) Mc 10,30. (2) Mc 10,34.   1 : Mc 11,11. 2: (1) Mc 13,24. (2) Mc 13,26.   10: (1) Mc 14,1. (2) Mc 14,14. (3) Mc 14,17. (4) Mc 14,28. (5) Mc 14,43. (6) Mc 14,48. (7) Mc 14,54. (8) Mc 14,62. (9) Mc 14,67. (10) Mc 14,70.   3: (1) Mc 15,1. (2) Mc 15,7. (3) Mc 15,31.   2: (1) Mc 16,12. (2) Mc 16,19.  
2 met'  16 1 : Mc 1,36. 2: (1) Mc 2,19. (2) Mc 2,25.   2: (1) Mc 3,5. . (2) Mc 3,14. .   1 : Mc 4,36. 4: (1) Mc 5,18. (2) Mc 5,24. (3) Mc 5,37. (4) Mc 5,40 .   1 : Mc 6,50.           4: (1) Mc 14,18. (2) Mc 14,20. (3) Mc 14,33. (4) Mc 14,43 .     1 : Mc 6,50.
3 meth' 3             1: Mc 8,14 1: Mc 9,8.         1: Mc 14,7.    
  totaal  53 4 15 

-- Lat. cum. Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen). D. mit. E. with. Fr. avec (< apud hoc: met dat).
-- Lat. post-quam. Ned. na-dat. D. nachdem. Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst ; primere, pressum: persen ). E. after .

Mc 9,2. 3. ἡμερας = hèmeras: van de dag / dagen; gen vr enk + acc vr mv van het zn ἡμερα = hèmera: dag; verwant met schemer?). Taalgebruik in het N. T.: h�mera (dag). Taalgebruik in Mc: h�mera (dag). Mc (11): (1) Mc 1,13. (2) Mc 5,5. (3) Mc 6,21. (4) Mc 8,31. (5) Mc 9,2. (6) Mc 9,31.  (7) Mc 10,34.  (8) Mc 13,20. (9) Mc 13,32.  (10) Mc 14,1. (11) Mc 14,25.  Een vorm van hèmera (dag) in Mc in 20 verzen: (1) Mc 1,9. (2) Mc 1,13. (3) Mc 2,1. (4) Mc 2,20. (5) Mc 4,27. (6) Mc 4,35. (7) Mc 5,5. (8) Mc 6,21. (9) Mc 8,1. (10) Mc 8,2. (11) Mc 8,31. (12) Mc 9,2. (13) Mc 9,31.  (14) Mc 10,34.  (15) Mc 13,2. (16) Mc 13,17. (17) Mc 13,19. (18) Mc 13,20. (19) Mc 13,24. (20) Mc 13,32.  (21) Mc 14,1. (22) Mc 14,12. (23) Mc 14,25.  (24) Mc 14,49. (25) Mc 14,58. (26) Mc 15,29.

4. ἑξ (= hex: zes; hoofdtelw).

2. - 4. De verheerlijking Jezus (Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36) heeft plaats op de berg. Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex 24,16). Toen Mozes de berg opging, was de berg gedurende zes dagen in een wolk gehuld. De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen. Bij de christenen was niet de zevende, maar de achtste dag de belangrijkste dag. Marcus schrijft: kai meta hèmeras heks (na zes dagen), Matteüs schrijft ongeveer hetzelfde: kai meth'hèmeras heks (na zes dagen). En Lucas schrijft hôsei èmerai oktô: na deze woorden ongeveer acht dagen (later).
- sjesjèth jâmîm (gedurende zes dagen). Tenach (14). Pentateuch (12). Joz (2). In de Pentateuch (12): Ex (9). Lv (1). Dt (2).
- bajjôm hasjëbhî`î (op de zevende dag). Tenach (25). Pentateuch (17). Gn (1). Ex (4). Lv (8). Nu (4).

Mc 9,2. 5. παραλαμβάνει (= paralambanei: hij neemt naast zich / hij neemt met zich mee; wkw act ind praes 3de pers enk van het wkw παραλαμβανω = paralambanô: overnemen, met zich meenmen). Taalgebruik in het N. T.: paralambanô (overnemen). Taalgebruik in Mc: paralambanô (overnemen). Lat. accipere ( ad- capere = aan-nemen, aanvaarden ). Fr. accepter, reçevoir .
Mc (3): (1) Mc 5,40. (2) Mc 9,2. (3) Mc 14,33. Een vorm van paralambanô (overnemen) in Mc in 6 verzen: (1) Mc 4,36. (2) Mc 5,40. (3) Mc 7,4. (4) Mc 9,2. (5) Mc 10,32. (6) Mc 14,33.
Op een bijna identieke manier beschrijft Marcus het begin van het gebeuren in Getsemane of de hof van Olijven. Op deze wijze worden de taferelen van de verheerlijking en van de doodstrijd in de hof van Olijven naast elkaar geplaatst.

Mc 9,2. 6. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de). bepaald lidwoord. Taalgebruik in het N. T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to. . , tè. . . N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219). Mc 9 (18): (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,5. (3) Mc 9,7. (4) Mc 9,9. (5) Mc 9,12. (6) Mc 9,15. (7) Mc 9,19. (8) Mc 9,21. (9) Mc 9,23. (10) Mc 9,24. (11) Mc 9,25. (12) Mc 9,27. (13) Mc 9,31. (14) Mc 9,38. (15) Mc 9,39. (16) Mc 9,45. (17) Mc 9,47. (18) Mc 9,48.

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de). Taalgebruik in het N. T.: bepaald lidwoord. Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to. . , tè. . . N.: de. E.: the. D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,2. (2) Mc 9,8. (3) Mc 9,10. (4) Mc 9,12. (5) Mc 9,17. (6) Mc 9,21. (7) Mc 9,37. (8) Mc 9,41. (9) Mc 9,42.

Mc 9,2. 10. kai (en). Taalgebruik: kai (en) in N. T. . Taalgebruik in Mc: kai (en). Nevenschikkend voegwoord. Hebr.: waw (verbindingshaak). L.: et. Fr.: et. N.: en. E.: and. D. und.
Mc 9. Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6. (2) Mc 9,19. (3) Mc 9,23. (4) Mc 9,24. (5) Mc 9,34. (6) Mc 9,40. (7) Mc 9,41. (8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,2.12. acc. mann. enk. iakôbon (Jakobus) van het zelfst. naamw. iakôbos (Jakobus).Taalgebruik in het N.T.: iakôbos (Jakobus).Taalgebruik in Mc: iakôbos (Jakobus).Mc (6): (1) Mc 1,19.(2) Mc 3,17.(3) Mc 3,18.(4) Mc 5,37.(5) Mc 9,2.(6) Mc 14,33.15 X in Mc.Er zijn twee Jakobussen:
- Jakobus, zoon van Zebedeüs .
- Jakobus, zoon van Alfeüs.

Mc 9,2.13. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

11. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

14. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,2.15. acc. mann. enk. Iôannèn (Johannes) van de eigennaam Iôannès (Johannes).Taalgebruik in het N.T.: Iôannès (Johannes).Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes).Hebr. jôchanan.Ned. Johan.D. Johannes.Fr. Jean.E. John.
Mc (5): (1) Mc 1,19.(2) Mc 3,17.(3) Mc 5,37.(4) Mc 9,2.(5) Mc 14,33.

Mc 9,2.16. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 5,40

Mc 9,2

Mc 14,33

Ex 24,15

  Kai (en) kai (en)  
  meta (na) hèmeras (dagen) hex (zes)   Ex 24,15b. wajëkhas hè`anan ´èth hâhâr - Ex 24,16 b: wajëkhassehû hè`anan sjesèt jämîm - kai ekalupsen auto hè nefelè hex hèmeras (en de wolk bedekte hem - de berg - gedurende zes dagen)
paralambanei (neemt naast zich) paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus) paralambanei (neemt naast zich) ho Ièsous (Jezus)  
ton patera tou paidiou kai tèn mètera kai tous met'autous (de vader van het kind en de moeder en zij die met hem zijn)   ho Ièsous (Jezus)  
cfr Mc 5,37: kai ouk afèken... sunakolouthèsai ei mè en hij liet niet toe ... hem te vergezellen tenzij ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton adelfon Iakôbou (de broer van Jakobus) ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) Iôannèn (Johannes) ton Petron (Petrus) kai (en) ton Iakôbon (Jakobus) kai (en) ton Iôannèn (Johannes) met'autou (met zich)   
  kai (en) anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) autous (hen) eis (naar) horos (berg) hupsèlon (een hoge) kat'idian (onder elkaar) monous (alleen)   Ex 24,15 a wajja`al Mosjèh ´èl-hâhâr - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18: wajja`al ´èl-hâhâr - kai anebè - eis to horos: en hij klom op de berg)
144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter: Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56 -  168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  329. Jezus in Getsemane: Mc 14,32-42 - Mt 26,36-46 - Lc 22,40-46 - Het verbond: Ex 24,1-18

Mc 9,2.18. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (40).Mc (4): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,14.(3) Mc 9,16.(4) Mc 9,33.

Mc 9,2.19. eis (naar).Taalgebruik in het N.T.: eis (naar).Taalgebruik in Mc: eis (naar).Voorzetsel van richting.Lat. in.Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien).E. for.Ned. naar.D. nach.
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,17.(3) Mc 9,22.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,28.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,33.(8) Mc 9,42.(9) Mc 9,43.(10) Mc 9,45.(11) Mc 9,47.

Mc 9,2.20. horos (berg). Taalgebruik: horos (berg), zie Mt 4,8 en Mc 9,2.In zes verzen bij Marcus: (1) Mc 3,13.(2) Mc 6,46.(3) Mc 9,2.(4) Mc 11,2.(5) Mc 13,3.(6) Mc 14,26.

Mc 9,2.22. kat': afkorting van kata.kata (tegen, volgens).Taalgebruik in het N.T.: kata (tegen, volgens).Taalgebruik in Mc: kata (tegen, volgens).
Mc (11).Mc 9 (2): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,28.

Mc 9,2.23. acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen).Taalgebruik in het N.T.: idios (eigen).Taalgebruik in Mc: idios (eigen).
Mc (7): (1) Mc 4,34.(2) Mc 6,31.(3) Mc 6,32.(4) Mc 7,33.(5) Mc 9,2.(6) Mc 9,28.(7) Mc 13,3.

Mc 9,2.22. - 23. kat'idian (?? oikian): bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis.
In zeven verzen bij Mc: (1) Mc 4,34.(2) Mc 6,31.(3) Mc 6,32.(4) Mc 7,33.(5) Mc 9,2.(6) Mc 9,28.(7) Mc 13,3.

De verheerlijking heeft plaats op de berg.Dat gebeurde ook bij Mozes (Ex 24,16).Toen Mozes de berg opging, was de berg gedurende zes dagen in een wolk gehuld.De zevende dag (de sabbat) ging Mozes de wolk binnen.Bij de christenen was niet de zevende, maar de achtste dag de belangrijkste dag. Marcus schrijft: kai meta hèmeras heks (na zes dagen).

Bij de opwekking van het dochtertje van Jaïrus zijn de drie leerlingen uitverkoren om het gebeuren mee te maken.

oros (berg) Taalgebruik: horos (berg), zie Mt 4,8 en Mc 9,2. In 6 verzen bij Marcus: (1) Mc 3,13.(2) Mc 6,46.(3) Mc 9,2.(4) Mc 11,1.(5) Mc 13,3.(6) Mc 14,26.De berg is de plaats van gebed. Het is de plaats waar Jezus zijn leerlingen roept, het is ook de plaats van waaruit Jezus zijn leerlingen zendt.

1. 2. 3. 4. 5. 6.  
Mc 3,13 Mc 6,46

Mc 9,2

Mc 11,1 Mc 13,3 Mc 14,26 Ex 24,15, Ex 24,18
kai (en)   kai (en) kai hote (en toen) kai (en) kai hupnèsantes (en lof gezongen)   
anabainei (hij gaat op - beklimt) apèlthen (ging hij weg) anaferei (voert hij naar omhoog) autous (hen) eggizousin (zij naderen - naderbij komen)... kathèmenou autou (terwijl hij neezat) exèlthon (gingen zij naar buiten) Ex 24,15a wajja`al Mosjèh èl-hahar - anebè (ging op - beklom) Môusès kai Ièsous (Mozes en Jozua) (Ex 24,18: wajja`al èl-hahar kai anebè - eis to horos: en hij klom op de berg)
eis (naar) to horos (de berg) eis (naar) to oros (de berg) eis (naar) oros (berg) hupsèlon (een hoge) ... pros to horos tôn elaiôn (de Olijfberg) eis to horos tôn elaiôn (bij de Olijfberg) eis to horos tôn elaiôn (naar de Olijfberg) eis (naar) oros (berg)
   47. ... kai autos monos epi tès gès (en hijzelf alleen op het land) kat'idian (onder elkaar) kat'idian (onder elkaar) monous (alleen)        
97. Roeping van de Twaalf: Mc 3,13-19 - Lc 6,12-16 - 152. Jezus wandelt op het meer: Mc 6,45-52 - Mt 14,22-33 -
 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 -  279. Intocht in Jeruzalem: Mc 11,1-10 - Mt 21,1-9 - Lc 19,29-40 -  299. Inleiding tot de eschatologische rede: Mc 13,1-4 - Mt 24,1-3 - Lc 21,5-7 -  328. Voorspelling van de ontrouw van de leer-lingen en van Petrus' verloochening: Mc 14,26-31 - Mt 26,30-35 - Lc 22,39 -   Ex 24,1-18: het verbond - Ex 24,1-18 -

Een berg wordt beklommen, maar ook afgedaald

Mc 9,2.23. idian.In negenentwintig verzen in de bijbel.In vijf verzen in het O.T..In vierentwintig verzen in het N.T..Mt (8).Mc (7).Lc (2).Joh (1).Hnd (1).Brieven (5).Accusatief vrouwelijk enkelvoud van het bijvoeglijk naamwoord idios (eigen).Taalgebruik: idios (eigen), zie Mc 4,34.

Mc 9,2.22. - 23. kat'idian (?? oikian): bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis.In achttien verzen in het N.T..Mt (6).Mc (7).Lc (2).Hnd (1).Brieven (2).In zeven verzen bij Mc: (1) Mc 4,34.(2) Mc 6,31.(3) Mc 6,32.(4) Mc 7,33.(5) Mc 9,2.(6) Mc 9,28.(7) Mc 13,3.

Mc 9,2.25. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Jezus wordt van gedaante veranderd. Het verhaalgebeuren vindt plaats op de berg.Daarenboven na zes dagen.Het zijn duidelijke verwijzingen naar Mozes.Later komt ook Elia nog in het verhaal. Door de aanwezigheid van Mozes en Elia wordt Jezus vergeleken met hen. Er zijn gelijkenissen en er zijn verschillen. De metamorfose of transformatie / transfiguratie wijst op een verandering t.o.v. hen. Op de berg ontvangt Mozes van God de twee stenen tafels met de tien geboden, bedoeld voor het Joodse volk.Welk is de boodschap van Jezus. Dat wordt duidelijk in de andere transformatie bij het Laatste Avondmaal: het breken van het brood en het delen van de beker.De boodschap van Jezus is universeel: solidariteit. De kruisdood van Jezus wordt geïnterpreteerd als een offer. De Joodse godsdienst was toen gekenmerkt door offers in de tempel. In het Laatste Avondmaal wordt verwezen naar het offer van Mozes na het sluiten van het verbond (Ex 24). De offerterminologie bij het Laatste Avondmaal staat in het teken van solidariteit. Het offer bij het Laatste Avondmaal staat in functie van mensen, zo ook de kruisdood van Jezus. Het offer is niet in de eerste plaats gericht op God, maar staat in functie van mensen. Dat is de grote transformatie van het jodendom naar het christendom in de persoon van Jezus.Gods-dienst wordt mensen-dienst.

Vervolgens is er de grote verwijzing naar het lege grafverhaal (Mc 16,1-8), dé grote transformatie. De vrouwen zoeken Jezus in het graf om hem te gedenken.De vrouwen krijgen te horen: "Hij is niet hier.Hij is verrezen'.Bij het Laatste Avondmaal horen we: doet dit om mij te gedenken.Niet het graf, maar het bijeenkomen om het brood te breken en de beker te delen is de plaats om Jezus te gedenken.Gaat het in het lege grafverhaal om de persoon dan wel om de boodschap van Jezus ? Moeten we de verrijzenis zoeken in het hier-na-maals (van Jezus), kan die ook niet gevonden in het hier-en-nu (eucharistie) ? Of Jezus al dan niet verder leeft, blijft een mysterie.

'Dit is mijn geliefde zoon, luister naar Hem'.De oudste zoon ontvangt de erfenis.Door Jezus als oudste zoon aan te duiden, krijgt Jezus de erfenis van de ene God.Het universele karakter van de boodschap wordt gefundeerd in de 'eniggeboren' zoon van God.Wat die boodschap is, is hierboven omschreven.De benaming 'geliefde zoon van God' heeft geen trinitaire theologie op het oog, maar een boodschap naar mensen: éénheid, solidariteit.

In de opvatting van 'zo op aarde, zo in de hemel' waarin de situatie van de mensen op aarde een schaduw is van wat hen in de hemel te wachten staat, werd Jezus koning van de koningen, zoon van God, tweede persoon van de drievuldigheid.De solidariteit op aarde krijgt in de hemel zijn volmaakte vervulling.

Mc 9,3 - Mc 9,3 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai ta imatia autou egeneto stilbonta leuka lian oia gnafeus epi tès gès ou dunatai outôs leukanai  3 et apparuit illis Helias cum Mose et erant loquentes cum Iesu    zijn kleed werd glanzend en zo wit als geen bleker ter wereld maken kan. [3] en zijn kleren werden schitterend wit, zoals geen bleker op aarde ze maken kan.  [3] zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen.   3 en zijn klederen worden een en al glans, héél wit, zo wit als geen voller op aarde kan maken.   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,3.

Mc 9,3.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,3.4. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos.Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,27.(6) Mc 9,28.(7) Mc 9,31.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,3.12. bep. lidw. gen. vr. enk. t�s (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (5): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,20.(4) Mc 9,27.(5) Mc 9,30.

Mc 9,3.14. ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet).
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,3.(3) Mc 9,6.(4) Mc 9,41.(5) Mc 9,48.ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18.(2) Mc 9,28.(3) Mc 9,30.(4) Mc 9,37.(5) Mc 9,38.(6) Mc 9,40.

Mc 9,3.15. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen).Taalgebruik in het N.T.: dunamai (kunnen).Taalgebruik in Mc: dunamai (kunnen).Mc (11): (1) Mc 2,7. (2) Mc 3,23.(3) Mc 3,24.(4) Mc 3,26.(5) Mc 3,27. (6) Mc 7,15.(7) Mc 7,18. (8) Mc 9,3.(9) Mc 9,29. (10) Mc 10,26. (11) Mc 15,31.

Mc 9,3.16. houtôs (zo, op deze wijze).Taalgebruik in het N.T.: houtos (zo).Taalgebruik in Mc: houtos (zo).
Mc (10): (1) Mc 2,7.(2) Mc 2,8.(3) Mc 2,12. (4) Mc 4,26. (5) Mc 7,18. (6) Mc 9,3. (7) Mc 10,43. (8) Mc 13,29. (9) Mc 14,59. (10) Mc 14,59.

168.2. de gedaanteverandering: Mc 9,2-3 // Mt 17,2 // Lc 9,29

De gedaanteverandering van Jezus laat een hemelse figuur zien, zoals Da 10,5-7.

Mc 9,2 - Mc 9,3

Mt 17,2 - Mt 17,3   Mt 28,3  Da 10,6  Lc 9,29 Ex 24,17         
kai (en)  kai (en)                 
metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd)  metemorfôthè (hij werd van gedaante veranderd)      to eidos tou prosoopou autou heteron (het aanschijn van zijn aangezicht werd anders   to de eidos tijs doksijs kuriou hoosei (de gestalte echter van de heerlijkheid van de heer als...°        
emprosthen (voor)  emprosthen (voor)                 
autôn ( hen)  autôn ( hen)                 
  kai (en)  ijn de (was echter)  kai (en)            
  elampsen (straalde)                
  to (het)  hij (de) to (het)             
  prosôpou (aangezicht)  eideia (verschijning)  prosoopou (aangezicht)             
  autou (van hem)  autou (van hem)  autou (van hem)             
  hôs (zoals)  hoos (zoals)  hoosei (zoals)             
  ho hèlios (de zon)    astrapij (de bliksem) horasis astrapijs (het zicht van een ster)             
kai (en) kai (en)  kai (en)  kai (en)  kai (en)          
ta (de)  ta (de)  to (het) kai hoi brachiones autou kai hoi podes (B-versie: kai ta skelij) (en zijn armen en benen) ho (de)           
himatia (kleren)  himatia (kleren)    enduma (kleed)   himatismos (kleding)           
autou (van hem)  utou (van hem)   autou (van hem)   autou (van hem)           
egeneto (was)  egeneto (was)                 
stilbonta leuka (schitterend wit) lian (zeer) leuka ( wit) leikon (wit)   hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend koper); b-versie: hoos horasis chalhou stilbontos (als het zicht van schitterend koper) leukon eksastraptoon (schittrend wit)           
hoia gnafeus epi tès gès ou dunatai houtôs leukanai (dergelijke kan een volder op aarde niet zo wit maken)                  
  hôs (als) hoos (als)               
  to fôs (het licht)  chioon (sneeuw)               
168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36  168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36   351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12   168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36      Ex 24,1-18: het verbond        

metamorfoomai (omvormen). Dit werkwoord komt in 4 verzen in de bijbel voor.
- Metemorfôthè (hij werd omgevormd). Passief aorist 3de persoon enkelvoud. In Mt 17,2 en in Mc 9,2.
anaferô: naar boven voeren; anaferei (hij brengt naar boven) komt slechts 2X in de bijbel voor nl. Mc 9,2 - Mc 9,2-10 - en Mt 17,1 - Mt 17,1-9 -.

astrapij: bliksem, glans
eideia = idea: gestalte, vorm; eidos: gestalte, uiterlijk
stilboo: glanzen, schitteren, blinken
gnafeus: volder, wolkammer
eksastraptoo: uitstralen; zie Da 10,6: hoosei chalkos eksastraptoon (als schitterend koper)

Mc 9,4 - Mc 9,4 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai wfqh autoiV hliaV sun mwusei kai hsan sullalounteV tw ihsou  4 et respondens Petrus ait Iesu rabbi bonum est hic nos esse et faciamus tria tabernacula tibi unum et Mosi unum et Heliae unum    Elia verscheen hun samen met Mozes en zij onderhielden zich met Jezus.   [4] Elia verscheen hun samen met Mozes, in gesprek met Jezus.  [4] Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus.   4 En aan hen laat Elia zich zien, samen met Mozes, en die gaan met Jezus in gesprek.    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,4.

Mc 9,4.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,4.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (117).Mc 9 (10): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,19.(7) Mc 9,29.(8) Mc 9,31.(9) Mc 9,35.(10) Mc 9,36.

Mc 9,4.4. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia).Taalgebruik in het N.T.: èlias (Elia).Taalgebruik in Mc: èlias (Elia).
Mc (5): (1) Mc 6,15.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,13.(5) Mc 15,36

Mc 9,4.7. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,4.8. imperf. 3de pers. mv. èsan (zij waren) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (16): (1) Mc 1,16.(2) Mc 2,6.(3) Mc 2,15.(4) Mc 2,18. (5) Mc 4,1. (6) Mc 6,31.(7) Mc 6,34.(8) Mc 6,44. (9) Mc 8,9.(10) Mc 9,4.(11): Mc 10,32. (12) Mc 12,20. (13) (1) Mc 14,4.(14) Mc 14,40.(15) Mc 14,56.(16) Mc 15,40.Omschrijvende structuur: èsan ... + deelwoord.Mc (7): (1) Mc 2,6.(2) Mc 2,18. (3) Mc 9,4.(4) Mc 10,32.(5) Mc 14,4.(6) Mc 14,40.(7) Mc 15,40.In Mc 9,4: èsan sullalountes (zij waren samensprekende).

Mc 9,4.8. - 9. kai èsan (en zij waren).Mc (3).In 2 / 7 van de omschrijv. structuur: (1) Mc 2,18.(2) Mc 9,4 + Mc 6,44.

Mc 9,4.9. act. part. praes. nom. mann. mv. sullalountes (samensprekende) van het werkw. sunlaleô (samenspreken).Taalgebruik in het N.T.: sunlaleô (samenspreken).Taalgebruik in Mc: sunlaleô (samenspreken).
Mc (1): Mc 9,4..De enigste vorm van sunlaleô (samenspreken) in Mc.In de omschrijving: èsan sullalountes (zij waren samensprekende).

Mc 9,4.10. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (68).Mc (7): (1) Mc 9,4.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,37.(6) Mc 9,38.(7) Mc 9,39.

168.3. de verschijning (visioen van het latijnse videre: zien)

bijbencitaat Lc 1,11 Mc 9,4 // Mt 17,3 // Lc 9,30 Mc 16,5 // Lc 24,4 Mt 17,3 // Mc 9,4 // Lc 9,30 Lc 9,30 // Mc 9,4 // Mt 17,3 Lc 9,32  Lc 24,4 // Mc 16,5 Lc 2,9 Da 10,7  Da 12,5
voegwoord   kai (en)   kai (en) kai (en)    kai (en) kai (en)   kai (en)
visueel element (werkwoord - partikel ) ôfthè de (verscheen echter) ôfthè (verscheen - werd gezien) eidon (zij zagen) idou (zie) ôfthè (verscheen) idou (zie) eidan tijn doksan autou (zagen zij zijn heerlijkheid)  idou (zie)     eidon egô Danièl tèn horasin tèn megalèn tautèn (zag ik Daniël dit grote visioen) eidon egô Danièl kai idou (zag ik Daniël en zie
meewerkend voorwerp (datief) autôi (aan hem) autois (hen)   autois (hen)            
soms onderwerp soms lijdend voorwerp aggelos kuriou (een engel van de Heer) èlias (Elia) sun Môusei (met Mozes)   Môusijs kai èlias (Mozes en Elia) andres duo (twee mannen) ... hoitines èsan Môusijs kai èlias (die waren Mozes en Elia)  kai tous duo andras (en de twee mannen) andres duo (twee mannen)  aggelos kuriou (een engel van de Heer)   duo heteroi (twee anderen)
    kai (en)                
    èsan sullalountes (waren samenpratende   sullalountes (samen sprekende) sunelaloun (spraken samen)  tous sunestôtas (die samen stonden) epestèsan (stonden bij)  epestè (stond)    
    tôi Ièsou (met Jezus)   met'autou (met hem) autôi (met hem)  autôi (met hem) autais (hen)  autois (bij hen)    
  2. Aankondiging van de geboorte van Johannes de Doper: Lc 1,5-25 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12 6. Geboorte van Jezus: Lc 2,1-20  Da 10,1-21: Wees niet bang, Daniël Da 12,5-13: het wondre einde

 

Mc 9,5 - Mc 9,5 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai apokritheis ho petros legei tô ièsou rabbi kalon estin hmaV wde einai kai poihswmen treiV skhnas soi mian kai mwusei mian kai hlia mian 5 non enim sciebat quid diceret erant enim timore exterriti    Petrus nam het woord en zei tot Jezus: "Rabbi, het is goed dat we hier zijn. Laten we drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia." [5] Petrus zei daarop tegen Jezus: ‘Rabbi*, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten* maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.’  [5] Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: ‘Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.’   5 Ten antwoord zegt Petrus tot Jezus: rabbi, hoe goed is ‘t ons om hier te zijn!, laten wij drie tenten maken: een voor u, een voor Mozes en een voor Elia!   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,5.

Mc 9,5.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,5.2. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden).Taalgebruik in het N.T.: apokrinomai (antwoorden).Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden).
Mc (14): (1) Mc 3,33.(2) Mc 6,37.(3) Mc 8,29.(4) Mc 9,5.(5) Mc 9,19.(6) Mc 10,3.(7) Mc 10,24.(8) Mc 10,51.(9) Mc 11,14.(10) Mc 11,22.(11) Mc 12,35.(12) Mc 14,48.(13) Mc 15,2.(14) Mc 15,12 .

Mc 9,5.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

Mc 9,5.5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen).Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen).Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc (62).Mc 9 (3): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,35.

Mc 9,5.6. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord. Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.Mc (68).Mc (7): (1) Mc 9,4.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,37.(6) Mc 9,38.(7) Mc 9,39..

Mc 9,5.5. - 6. legei tô(i) (hij zegt aan de).Mc (7): (1) Mc 2,5.(2) Mc 2,10.(3) Mc 3,3.(4) Mc 3,5.(5) Mc 5,36.(6) Mc 9,5.(7) Mc 14,37.

Mc 9,5.9. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon).Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon).Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon).
Mc (9): (1) Mc 7,27.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,42.(4) Mc 9,43.(5) Mc 9,45.(6) Mc 9,47.(7) Mc 9,50. (8) Mc 14,6.(9) Mc 14,21.  

Mc 9,5.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (69).Mc 9 (10): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,42.(8) Mc 9,43.(9) Mc 9,45.(10) Mc 9,47.

Mc 9,5.13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (7): (1) Mc 8,27.(2) Mc 8,29. (3) Mc 9,5.(4) Mc 9,35. (5) Mc 10,44.  (6) Mc 12,18.  (7) Mc 14,64

Mc 9,5.14. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,5.15. act. ind. fut. 1ste pers. mv. poièsamen (wij zullen doen) van het werkw. poieô (doen, maken).Taalgebruik in het N.T.: poieô (doen, maken).Taalgebruik in Mc: poieô (doen, maken).
Lc (1): Mc 9,5.Een vorm van poieô (doen, maken) in Mc in 3 verzen: (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,39.

Mc 9,5.16. treis (drie).telwoord.Taalgebruik in het N.T.: telwoorden.Taalgebruik in Mc: telwoorden.
Mc (5): (1) Mc 8,2.(2) Mc 8,31.(3) Mc 9,5.(4) Mc 9,31.(5) Mc 10,34.

Mc 9,5.20. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,5.23. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,5.24. dat.mann. enk. èlia(i) van de eigennaam èlias (Elia).Taalgebruik in het N.T.: èlias (Elia).Taalgebruik in Mc: èlias (Elia).
Mc (1) Mc 9,5.

Mc 9,6 - Mc 9,6 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
ou gar hdei ti apokriqh ekfoboi gar egenonto  6 et facta est nubes obumbrans eos et venit vox de nube dicens hic est Filius meus carissimus audite illum    Hij wist niet goed wat hij zei, want ze waren allen geheel verbluft.  [6] Want hij wist niet wat hij moest zeggen; zo vol ontzag* waren ze.   [6] Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd.  6 Want hij heeft niet geweten wat te antwoorden,– want ze raken buiten zichzelf van vreze.   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,6.

1. ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet).
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,3.(3) Mc 9,6.(4) Mc 9,41.(5) Mc 9,48.ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18.(2) Mc 9,28.(3) Mc 9,30.(4) Mc 9,37.(5) Mc 9,38.(6) Mc 9,40.

2. gar (want).Taalgebruik in het N.T.: gar (want).Taalgebruik in Mc: gar (want).Redengevend voegwoord.Hebr. kî.Lat. enim.Fr. car.Ned.: want.
Mc (63).Mc 9 (7): (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,31.(3) Mc 9,34.(4) Mc 9,39.(5) Mc 9,40.(6) Mc 9,41.(7) Mc 9,49.

 Mc 9,6  Lc 9,33  Mc 14,40              
ou (niet)   mij (niet) kai ouk (en niet)              
 gar (immers)                  
ijidei (wist hij)  eidoos  (wetende) ijideisan (wisten zij)              
ti (wat)  ho (wat) ti (wat)               
apokrithiji (hij antwoordde)  legei (hij zegt)  apokrithoosin (zij antwooordden)              
    autooi (hem)               
                   
                   
                   

Lucas (Lc 9,33) redigeert de onafhankelijke zin van Mc 9,6 tot een afhankelijke participiumzin bij ho Petros (Petrus). Het vragend voonaamwoord ti (Mc 9,6) redigeert Lucas tot een betrekkelijk voornaamwoord ho (wat) (Lc 9,33). Lucas vervangt het werkwoord apokrinomai (antwoorden) door het werkwoord legoo (zeggen); immers, in het voorgaande werd er geen vraag gesteld.

168. reactie van vrees op de verschijning

Mt 9,6 Mc 16,5  Da. 10,9 Mt 17,6 Da 10,10 Mt 28,17 Mt 28,18 Lc 24,5 
kai (en)     kai (en) kai idou (en zie) kai (en) kai (en)  
akousantes (horende)   kai ouk ijkousa tijn foonijn lalias autou (en ik hoorde niet de klank van zijn spreken) prosijlthen (kwam dichterbij) cheira prosijgage moi (een hand kwam naar mij toe) idontes auton (hem gezien hebbende) proselthoon (naderbij gekomen zijnde  
hoi mathijtai (de leerlingen)     ho Iijsous (Jezus     ho Iijsous (Jezus)  
      kai hapsamenos autoon eipen (en aangeraakt hebbende hen zei hij)     elalijsen (zei hij)...  
epesan (vielen)   egoo ijmijn peptookoos (ik was gevallen) egerthijte (sta op) kai ijgeire me (en hij deed mij opstaan) prosekunijsan (knielden zij)    
epi prosoopon autoon (op hun aangezicht)   epi prosoopon mou (op mijn aangezicht)          
    epi tijs gijs (op de aarde)          
kai (en)     kai (en)   oi de (zij echter)    
efobijthijsan (zij werden bevreesd)     mij fobeisthe (en vreest niet   edistasan (zij twijfelden)    
sfodra (zeer)              
 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12   Da 10,1-21: Wees niet bang, Daniël  168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36   Da 10,1-21: Wees niet bang, Daniël  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12  351. Vrouwen als getuigen van Jezus'verrijzenis (het lege graf): Mc 16,1-8 // Mt 28,1-10 //  Lc 23,56-24,12

distazoo: twijfelen, onzeker zijn

ekthambeomai (ontsteld zijn).
- Exethambèthèsan (zij waren ontsteld).Passief aorist 3de persoon meervoud. Slechts in Mc 9,15 en Mc 16,5 .

Mc 1,44 // Mt 8,4 // Lc 5,14 Mt 8,4 // Mc 1,44 // Lc 5,14 Lc 5,14 // Mc 1,44 // Lc 5,14 Mc 3,12 // Mt 12,16 Mt 12,16 // Mc 3,12 Mc5,43 Lc 8,56 Mc 7,36 Mc 8,30
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Mt 16,20
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Lc 9,21
Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
Mc 9,9
Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36
kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) kai (en) ho de (hij echter) kai (en) kai (en) tote (toen) ho de (hij echter)  
    autos (hij zelf) polla (veel - met nadruk)                
legei (hij zei) legei (hij zei) parijggeilen (hij droeg op) epetima (hij berispte) epetimijsen (hij berispte) diesteilato (hij gebood) parijggeilen (hij droeg op) diesteilato (hij gebood) epetimijsen (hij berispte) epetimijsen (hij berispte) epitimijsas autois (berispende hen) parijggeilen (hij droeg op) diesteilato (hij gebood)
autooi (hem) autooi (hem) autooi (hem) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) autois (hen) tois mathijtais  (de leerlingen)   autois (hen)
          polla (veel - met nadruk)            
  ho Iijsous (Jezus)                    
      hina (opdat) hina (opdat) hina (opdat)   hina (opdat) hina (opdat) hina (opdat)   hina (opdat)
hora (zie - zorg ervoor) hora (zie - zorg ervoor)                    
          mijdeis (niemand)            
mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)       mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand) mijdeni (aan niemand)
mijden (iets)     mij auton faneron (hem niet kenbaar mij faneron auton (hem niet kenbaar)             ha eidon wat zij gezien hebben)
eipijis (zou zeggen) eipijis (zou zeggen) eipein (te zeggen) poiijsoosin (zouden maken) poiijsoosin (zouden maken) gnoi (zou weten) eipein (te zeggen) legoosin (zouden zeggen) legoosin (zouden zeggen) eipoosin (zouden zeggen) legein (te zeggen) diijgijsontai (zouden verhalen)
          touto (dit) to gegonos (het gebeurde)   peri autou (over hem) hoti autos estin ho christos (dat hij zelf de christus is) touto (dit)  
Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 1,40-45 // Mt 8,2-4 // Lc 5,12-16 Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) Mc 3,7-12 // Mt 12,15-21 // (Lc 6,17-19) volkstoeloop en genezingen Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56: volkstoeloop en genezingen Mc 5,21-43 // (Mt 9,18-26) // Lc 8,40-56 Mc 7,31-37 // Mt 15,29-31 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 8,27-30 // Mt 16,13-20 // Lc 9,18-21 Mc 9,2-10 // Mt 17,1-9 // Lc 9,28-36

+ hora:imperatief van horaoo = zien; zie
diastelloo: opdragen, bevelen (in het woord apostel vinden we apo en stelloo: weg-zenden )
diijgeomai: uiteenzetten, vertellen
paraggelloo: opdragen (opdracht), bevelen

Mc 9,7 - Mc 9,7 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai egeneto nefelè episkiazousa autois kai egeneto fônè ek tès nefelès outos estin o uios mou o agapètos akouete autou  7 et statim circumspicientes neminem amplius viderunt nisi Iesum tantum secum  En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk: "Deze is mijn geliefde zoon." Een wolk kwam hen overschaduwen en uit die wolk klonk een stem: "Dit is mijn Zoon, de Welbeminde, luistert naar Hem."  [7] Er kwam een wolk die hen overdekte, en er klonk een stem uit de wolk: ‘Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.’   [7] Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: ‘Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!’  7 En het geschiedt dat een wolk hen overschaduwt, en er geschiedt een stem uit de wolk: hij is mijn beminde zoon, hoort naar hem!    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,7.Het vers Mc 9,7 telt 21 (3 X 7) woorden en 103 letters.De getalwaarde van Mc 9,7 is 12103 (7 X 7 X 13 X 19).

Mc 9,7.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in het N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.Mc (555 / 666).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,7.2. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren).Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden).Taalgebruik in Mc: ginomai (worden).Mc (17).Mc 9 (3): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,26.

Mc 9,7.3. nom. vr. enk. nefelè (nevel, wolk).Taalgebruik in het N.T.: nefelè (nevel, wolk).Taalgebruik in Mc: nefelè (nevel, wolk).Mc (1): Mc 9,7.In Mc 9 nog gen. vr. enk. nefelès: Mc 9,7.Een vorm van nefelè (nevel, wolk) in Mc in 3 verzen: (1) Mc 9,7.(2) Mc 13,26.(3) Mc 14,62.

Mc 9,7.5. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.Mc 9 (10): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,19.(7) Mc 9,29.(8) Mc 9,31.(9) Mc 9,35.(10) Mc 9,36.

Mc 9,7.6. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in het N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,7.7. ind. aor. 3de pers. enk. egeneto (het gebeurde) van het werkw. ginomai (worden, gebeuren).Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden).Taalgebruik in Mc: ginomai (worden).Mc 9 (3): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,26.

Mc 9,7.8. fônè (stem, roep).Taalgebruik in het N.T.: fônè (stem, roep).Taalgebruik in Mc: fônè (stem, roep).Hebr. p´ (mond).Verwant met Gr. fô-nè (Lat vo-x = stem, vo-care = roepen), fè-mi = spreken.Lat for - fari.Verwant met de indogerm. stam bha.Cfr. tele-foon.
Ook verwantschap tussen Hebr. pânîm (aangezicht) en fainô = schijnen.Lat. facies.E. face.Ned. aangezicht, aanschijn.
- zelfstandig naamwoord vrouwelijk nominatief of datief enkelvoud fônè of fônèi = stem, roep.Mc (6) : (1) Mc 1,3 (nom.).(2) Mc 1,11 (nom.).(3) Mc 1,26 (dat.).(4) Mc 5,7 (dat.).(5) Mc 9,7 (nom.).(6) Mc 15,34 (dat.).

Mc 9,7.6. - 9. kai egeneto fônè ek (en er kwam een stem uit).Mc (2): (1) Mc 1,11.(2) Mc 9,7.Initiatieverhaal en transfiguratieverhaal vertonen veel gelijkenissen.

10. bep. lidw. gen. vr. enk. t�s (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (5): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,20.(4) Mc 9,27.(5) Mc 9,30.

Mc 9,7.11. gen. vr. enk. nefelès (nevel, wolk) van het zelfst. naamw. nefelè.Taalgebruik in het N.T.: nefelè (nevel, wolk).Taalgebruik in Mc: nefelè (nevel, wolk).Mc (1): Mc 9,7.In Mc 9 nog nom. vr. enk. nefelè: Mc 9,7.

Mc 9,7.12. nom. mann. enk. houtos.Taalgebruik: houtos (deze).Taalgebruik: houtos (deze).Mc (12): (1) Mc 2,7.(2) Mc 3,35.(3) Mc 4,41.(4) Mc 6,3.(5) Mc 6,16.(6) Mc 7,6.(7) Mc 9,7.(8) Mc 12,7.(9) Mc 12,10.(10) Mc 13,13.(11) Mc 14,69.(12) Mc 15,39.
In het intiatieverhaal is de stem gericht naar Jezus zelf (Mc 1,11): su ei = jij bent.In het transfiguratieverhaal is de stem gericht op toehoorders, vandaar: houtos estin = deze is.Er zit dus evolutie in het Mcverhaal.Het belijdenisverhaal van de centurio sluit aan op het transfiguratieverhaal: houtos ho anthrôpos ... èn = deze mens was.In Mc 15,39 valt op de aanwezigheid van ho anthrôpos = deze mens en de verleden tijd van het werkw. nl. èn = hij was.

13. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (69).Mc 9 (10): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,42.(8) Mc 9,43.(9) Mc 9,45.(10) Mc 9,47

14. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho.Zie bepaald lidwoord ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het).Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .

Mc 9,7.15. nom. mann. enk. υἰος = huios (zoon).Taalgebruik in het NT: huios (zoon).Taalgebruik in de LXX: huios (zoon).Taalgebruik in Mc: huios (zoon).Mc (19).Mc (19) Mc 1,11.(2) Mc 2,10 **.(3) Mc 2,28 **. (4) Mc 3,11 * . (5) Mc 6,3.(6) Mc 8,38 **.(7) Mc 9,7.(8) Mc 9,9 **.(9) Mc 9,31 **.(10) Mc 10,33 **.(11) Mc 10,45 **.(12) Mc 10,46.(13) Mc 12,35.(14) Mc 12,37.(15) Mc 13,32.(16) Mc 14,21 **.(17) Mc 14,41 **.(18) Mc 14,61.(19) Mc 15,39.Een vorm van υἰος = huios (zoon) in Mc (33).(** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon).

huios (zoon)  enk. bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
nom. mann. enk. huios 885 732 153 42 19 39 26 6 19 2 100 126
totaal 1851 1560 291 69 29 62 51 10 65 5 160 211

huios (zoon)  mv. bijbel O.T. NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.
totaal 2499 2432 67 14 4 10 2 11 23 3 28 30  23   

  huios (zoon)  enk..** Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15
1 nom. mann. enk. huios 19 1 : Mc 1,11 2 : (1) Mc 2,10 **.(2) Mc 2,28 **. 1 : Mc 3,11 * .   1 : Mc 6,3. 1 : Mc 8,38 **. 3 : (1) Mc 9,7.(2) Mc 9,9 **.(3) Mc 9,31 **. 3 : (1) Mc 10,33 **.(2) Mc 10,45 **.(3) Mc 10,46. 2 : (1) Mc 12,35.(2) Mc 12,37. 1 : Mc 13,32. 3 : (1) Mc 14,21 **.. (2) Mc 14,41 **.(3) Mc 14,61. 1 : Mc 15,39.
2 voc. enk. huie 3       1 : Mc 5,7 *.       2 : (1) Mc 10,47 ***.(2) Mc 10,48 ***.        
3 gen. enk. huiou 1 1 : Mc 1,1 *.                      
5 acc. enk. huion 6           1: (1) Mc 8,31**.  2 : (1) Mc 9,12 **. (2) Mc 9,17 ***.   1 : Mc 12,6 ***. 1 : Mc 13,26 **. 1 : Mc 14,62 **.  
  totaal 29 2 ** 2 

- Hebreeuws.בֵּן/ בִּן / בֶּן= ben / bin / bèn (zoon, kind).Taalgebruik in Tenakh: ben (zoon, kind).Getalwaarde: beth = 2, nun = 14 of 50 ; totaal: 16 (2² X 2²) of 52 (2 X 26).Structuur: 2 - 5.De som van de elementen is 7.Tenakh (1225).Pentateuch (284).Eerdere Profeten (392).Latere Profeten (231).12 Kleine Profeten (26).Geschriften (292).
- Lat. filius.Fr. fils.Ned. zoon.D. Sohn.E. son.Arabisch: اِبن = ´ibn (zoon).Taalgebruik in de Qoran: ´ibn (zoon).
Bij de doop van Johannes wordt Jezus als de zoon van God geopenbaard.Het sanhedrin zal Jezus juist om deze bewering veroordelen.

Mc 9,7.14. - 15. ὁ υἰος = ho huios (de zoon).Een vorm van het lidw. met een vorm van υἰος = huios (zoon) in het NT (242), in Mc (25).Niet in (1) Mc 1,1.(2) Mc 5,7.(3) Mc 10,46.(4) Mc 10,48.(5) Mc 12,35.(6) Mc 12,37.(7) Mc 15,39.

Mc 9,7.16. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. enk. μου = mou (van mij) van het persoonl. voornaamw. εγω = egô (ik - mij).Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord.

  pers. vnw. 1ste pers. enk.   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
gen. enk. mou (34) 4 : (1) Mc 1,2.(2) Mc 1,7.(3) Mc 1,11.(4) Mc 1,17.   3 : (1) Mc 3,33.(2) Mc 3,34.(3) Mc 3,35.   3 : (1) Mc 5,23.(2) Mc 5,30.(3) Mc 5,31. 1 : Mc 6,23. 1 : Mc 7,14 . 2 : (1) Mc 8,33.(2) Mc 8,34. 5 : (1).Mc 9,7.(2) Mc 9,17.. (3) Mc 9,24.(4) Mc 9,37.(5) Mc 9,39. 2 : (1) Mc 10,20.(2) Mc 10,40. 1 : Mc 11,17. 2 : (1) Mc 12,6.(2) Mc 12,36. 3: (1) Mc 13,6.(2) Mc 13,13.(3) Mc 13,31 5 : (1)Mc 14,8.(2) Mc 14,14.(3) Mc 14,22.(4) Mc 14,24.(5) Mc 14,34. 1 : Mc 15,34. 1: Mc 16,17 3356  2897  459  67  34  77 82 39   21        

Mc 9,7.15.- 16. υἰος μου = huios mou (zoon van mij = mijn zoon).NT (12): (1) Mt 3,17.(2) Mt 17,5.(3) Mc 1,11.(4) Mc 9,7.(5) Lc 3,22.(6) Lc 9,35.(7) Lc 15,24.(8) Hnd 13,33.(9) Heb 1,5.(10) Heb 5,5.(11) 1 Pe 5,13.(12) 2 Pe 1,17

Mc 9,7.14. - 16. ὁ υἰος μου = ho huios mou (de zoon van mij = mijn zoon).NT (9): (1) Mt 3,17.(2) Mt 17,5.(3) Mc 1,11.(4) Mc 9,7.(5) Lc 3,22.(6) Lc 9,35.(7) Lc 15,24.(8) 1 Pe 5,13.(9) 2 Pe 1,17.

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Mc 1,1 Mc 1,11 Mc 3,11 Mc 5,7 Mc 9,7 Mc 14,61 Mc 15,39
 
hoti (dat)        
  su (u) su (u)   houtos (deze) su (u)  
  ei (bent) ei (bent)   estin (is) ei (bent)  
archè tou euaggeliou Ièsou Christou huiou theou (begin van het evangelie van Jezus Christus, zoon van God) ho huios mou (mijn zoon) ho huios tou theou (de zoon van God) Ièsou, huie tou theou ho huios mou (mijn zoon) ho christos, ho huios tou eulogètou (de messias,de zoon van de gezegende) alèthôs houtos ho anthrôpos huios theou èn (waarlijk deze mens was de zoon van God)
  ho agapètos (de beminde)     ho agapètos (de beminde)    
 13. Optreden van Johannes de Doper: Mc 1,1-6 - Mt 3,1-6 - Lc 3,1-6 - 18. Doop van Jezus:Mc 1,9-11 - Mt 3,13-17 - Lc 3,21-22 - 96. Volkstoeloop en genezingen: Mc 3,7-12 - Mt 12,15-21 - Lc 6,17-20a 66. Twee bezetenen van Gadara van de demonen bevrijd: Mc 5,1-20 - Mt 8,28-34 - Lc 8,26-39 168. Verheerlijking van Jezus: Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - 332. Jezus voor het Sandredin: Mc 14,55-64 - Mt 26,59-66 - Lc 22,66-71 -

347. Kruisdood van Jezus: Mc 15,33-39 - Mt 27,45-54 - Lc 23,44-48 -

Mc 9,7.17. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho.Zie bepaald lidwoord ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het).Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .

20. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos.Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,27.(6) Mc 9,28.(7) Mc 9,31.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,8 - Mc 9,8 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai exapina periblepsamenoi ouketi oudena eidon alla ton ihsoun monon meq eautwn  8 et descendentibus illis de monte praecepit illis ne cui quae vidissent narrarent nisi cum Filius hominis a mortuis resurrexerit    Toen ze rondkeken, zagen ze plotseling niemand anders bij hen dan alleen Jezus.  [8] Toen ze rondkeken, zagen ze ineens niemand meer, alleen Jezus was bij hen.  [8] Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond.  8 Maar als zij om zich heen kijken zien zij ineens niemand meer dan alleen Jezus bij hen.   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,8.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

3. part. aor. nom. mann. mv. periblepsamenoi  (rondgekeken) van het werkw. periblepô (rondkijken).Taalgebruik in het N.T.: periblepô (rondkijken).Taalgebruik in Mc: periblepô (rondkijken).
Mc (1): Mc 9,8.. Een vorm van periblepô (rondkijken) in 6 verzen in Mc: (1) Mc 3,5.(2) Mc 3,34.(3) Mc 5,32.(4) Mc 9,8. (5) Mc 10,23.(6) Mc 11,11.

8. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,9 - Mc 9,9 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai katabainontwn autwn ek tou orouV diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai ei mh otan o uioV tou anqrwpou ek nekrwn anasth  9 et verbum continuerunt apud se conquirentes quid esset cum a mortuis resurrexerit    Onder het afdalen van de berg verbood Jezus hun aan iemand te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.   [9] Terwijl ze van de berg afdaalden, bezwoer Hij hun niemand* te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan.  [9] Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan.   9 Terwijl zij uit het bergland afdalen gebiedt hij hun om aan niemand te vertellen wat zij hebben gezien, ‘behalve wanneer de mensenzoon uit de doden zal opstaan’.   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,9.Dit vers Mc 9,9 telt 23 woorden, 49 (7 X 7) lettergrepen en 113 letters.De getalwaarde van Mc 9,9 is 13738 (2 X 6869).

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in het N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.Mc 9.
Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

5. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
(116).Mc 9 (7): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,9.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,17.(5) Mc 9,24.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,47.

Mc 9,9.7. mediaal aor. 3de pers. enk. διεστειλατο = diesteilato (hij beval) van het werkwoord διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen).Taalgebruik in het NT: diastellomai (bevelen).Taalgebruik in de LXX: diastellomai (bevelen).Taalgebruik in Mc: diastellomai (bevelen).Bijbel (6): (1) Re 1,19.(2) Jdt 11,12.(3) Mt 16,20.(4) Mc 5,43.(5) Mc 7,36.(6) Mc 9,9.Het is de eerste maal dat Marcus een vorm van het werkw. διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) gebruikt.Een vorm van διαστελλω = diastellô (uiteenhalen, uiteen-stellen, uiteen-zetten, scheiden, bepalen) in de LXX (58), in het NT (7).In de LXX is het Griekse werkw. de vertaling van 22 verschillende Hebreeuwse werkw..
- Het is de 3de en laatste maal dat de aor. van διαστελλω = diastellô (bevelen) wordt gebruikt en de 5de en laatste maal een vorm van dat werkwoord mediaal indic. imperf. 3de pers. enk διεστελλετο = diestelleto (hij beval): (1) Mc 7,36.(2) Mc 8,15.

  diastellomai (bevelen)  Mc Mc 5 Mc 7 Mc 8 Mc 9 bijbel OT NT Mt Mc syn.  ev. 
med. ind. imperf. 3de pers. enk. diestelleto    (1) Mc 7,36 (2) Mc 8,15      
med. ind. aor. 3de pers. enk. diesteilato  (1) Mc 5,43 (2) Mc 7,36.   (3) Mc 9,9
  Totaal (4 verzen)

Mc 9,9.8. dat. mann. en onz. mv. αυτοις = autois van het pers. voornaamw. αυτος = autos.Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos . Mc 9 (10): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,19.(7) Mc 9,29.(8) Mc 9,31.(9) Mc 9,35.(10) Mc 9,36.Het spreekverbod betreft de leerlingen Petrtus, Jakobus en Johannes, die het gebeuren op de berg hebben meegemaakt.

  autoi  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
7 dat. mann. en onz. mv.autois  117  10  13 10  12  13  1722  1180  542  101  117  89  97  75  47  16  307  404 

Mc 9,9.7. - 8. διεστειλατο αυτοις = diesteilato autois (hij beval hen).Bijbel (4).LXX (1): Jdt 11,12.NT (3): (1) Mc 5,43.(2) Mc 7,36.(3) Mc 9,9.

 

9. hina (opdat).Taalgebruik in het N.T.: hina (opdat).Taalgebruik in Mc: hina (opdat).Voorzetsel van doel.Mc (59).Mc 9 (5): (1) Mc 9,9.(2) Mc 9,12.(3) Mc 9,18.(4) Mc 9,22.(5) Mc 9,30.

1. 7. - 9. kai (...) diesteilato autois hina (en hij beval hen opdat).Mc (3)  : (1) Mc 5,43.(2) Mc 7,36.(3) Mc 9,9.Het betreft telkens een spreekverbod.

10. onbepaald voornaamw. mèdeni (aan niemand) van het onbepaald voornaamw. mèdeis (niemand).Taalgebruik in N.T.: mèdeis (niemand).Taalgebruik in Mc: mèdeis (niemand).mè-d-eis: niet één, niet iemand.
Mc (4): (1) Mc 1,44.(2) Mc 7,36.(3) Mc 8,30.(4) Mc 9,9.

9. - 10. hina mèdeni (opdat aan niemand).Mc (3): (1) Mc 7,36.(2) Mc 8,30.(3) Mc 9,9.Dus niet: Mc 1,44.

7. - 13.
- Mc 1,44: kai legei autô(i) hora mèdeni mèden eipè(i)s (en hij zegt hem, zie, dat gij aan niemand niets zegt).Zwijggebod na de negezing van de lamme op een eenzame plaats.
- Mc 7,36: kai diesteilato autois hina m�deni leg�sin (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden zeggen).Het zwijggegbod na de genezing van een doofstomme.
- Mc 8,30: kai epetim�sen autois hina m�deni leg�sin (en hij droeg hen op dat zij aan niemand zouden zeggen).Het zwijggebod na de genezing van een blinde.
- Mc 9,9: diesteilato autois hina mèdeni ha eidon diègèsôntai (en hij beval hen dat zij aan niemand zouden verhalen wat zij hadden gezien).Het zwijggebod na de verheerlijking op de berg.
STAP VOOR STAP !

14. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B).Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42).Mc 9 (6): (1) Mc 9,9.(2) Mc 9,22.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,29.(5) Mc 9,35.(6) Mc 9,42

17. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

18. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon).Taalgebruik in het N.T.: huios (zoon).Taalgebruik in Mc: huios (zoon).Hebr. ben.Lat. filius.Fr. fils.
Mc (19).Mc 9: (1) Mc 9,7.(2) Mc 9,9 **.(3) Mc 9,31 **.(** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon).

19. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
(116).Mc 9 (7): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,9.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,17.(5) Mc 9,24.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,47.

20. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens).Taalgebruik in het N.T.: anthrôpos (mens).Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens).
Mc (15): (1) Mc 2,10 **.(2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8.  (4) Mc 7,15.(5) Mc 7,20. (6) Mc 8,31**. (7) Mc 8,38 **.(8) Mc 9,9 **.(9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 **. (11) Mc 10,33 **.(12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

Mc 9,10 - Mc 9,10 -- Mc 9,2-10 - Mt 17,1-9 - Lc 9,28-36 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,2 - Mc 9,3 - Mc 9,4 - Mc 9,5 - Mc 9,6 - Mc 9,7 - Mc 9,8 - Mc 9,9 - Mc 9,10 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 2de (tweede) zondag in de veertigdagentijd B + gedaanteverandering van de Heer Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai ton logon ekratèsan pros eautous suzhtountes ti estin to ek nekrwn anastènai  10 et interrogabant eum dicentes quid ergo dicunt Pharisaei et scribae quia Heliam oporteat venire primum     Zij hielden het inderdaad voor zich, al vroegen zij zich onder elkaar af wat dat opstaan uit de doden mocht betekenen.   [10] Dit woord grepen ze aan om onder elkaar te bespreken waarop dat ‘uit de doden opstaan’ sloeg.   [10] Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood.   10 Dat woord houden zij bij zich en zoeken er samen naar wat het is, dat ‘uit de doden opstaan’.    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,10.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

2. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

9. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (69).Mc 9 (10): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,42.(8) Mc 9,43.(9) Mc 9,45.(10) Mc 9,47

10. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10.(2) Mc 9,20.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,29.(6) Mc 9,32.(7) Mc 9,43.(8) Mc 9,48.(9) Mc 9,50.

13. act. inf. aor. anastènai (opstaan) van het werkw. anistèmi (opstaan).Taalgebruik in het N.T.: anistèmi (opstaan).Taalgebruik in Mc: anistèmi (opstaan).
Mc (2): (1) Mc 8,31. (2) Mc 9,10.

169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -

Mc 9,11 Mc 9,12 Mc 9,13 Mt 17,10 Mt 17,11 Mt 17,12        
kai (en) ho de (hij echter) alla (maar)              
epijrootoon (zij vroegen) efij (zei) legoo (ik zeg)              
auton (hem) autois (hen) humin (u)              
                   
legontes (zeggende)                  
hoti (dat)                  
legousin (zeggen)                  
hoi grammateis (de schriftgeleerden)                  
hoti (dat)   hoti (dat)              

Ijlian (Elia)

Hijlias (Elia)

Ijlian (Elia)

             
  men (echter) kai (al, reeds)              
dei (moet)                  
elthein (komen) elthoon (gekomen zijnde) elijluthen (is gekomen)              
prooton (eerst)  prooton (eerst)                
)  apokathistanei panta (herstelt alles)                
 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13  169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13  169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: Mc 9,11-13 // Mt 17,10-13              

 

Mc 9,11 - Mc 9,11: 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai epèrôtôn auton legontes, Hoti legousin hoi grammateis hoti Hèlian dei elthein prôton; et interrogabant eum dicentes quid ergo dicunt Pharisaei et scribae quia Heliam oporteat venire primum En ze ondervroegen hem, zeggend: "Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?"  Aan Jezus stelden zij de vraag: "Waarom zeggen de schriftgeleerden toch dat eerst Elias moet komen?   En zij stelden Hem de vraag: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’   Ze vroegen hem: ‘Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?’   Ze stellen hem de vraag en zeggen: de schriftgeleerden zeggen toch dat eerst Elia moet komen?    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,11.

2. epèrôtôn (zij 'onder'vroegen).Taalgebruik: epèrôtôn (zij 'onder'vroegen), zie Mc 7,17.Het werkwoord eperôtaô (epi - erôtaô): 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger: ondervragen, tussen-vragen), bijvragen.Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud.In dertien verzen in de bijbel.In drie verzen in het O.T..In tien verzen in het N.T..Mc (6).Lc (4).In zes verzen bij Mc: (1) Mc 7,17.(2) Mc 9,11.(3) Mc 9,28.(4) Mc 10,2.(5) Mc 10,10.(6) Mc 12,18.De leerlingen vroegen: (1) Mc 7,17.(2) Mc 9,11.(3) Mc 9,28.(4) Mc 10,10.De Farizeeën: (1) Mc 10,2.De Sadduceeën: (1) Mc 12,18.

leerlingen van Jezus de Farizeeën en de schriftgeleerden 1. de leerlingen van Jezus 2. drie leerlingen van Jezus 3. de leerlingen van Jezus de Farizeeën 4. de leerlingen van Jezus Sadduceeën
Mc 4,10 Mc 7,5 Mc 7,17 Mc 9,11 Mc 9,28 Mc 10,2 Mc 10,10 Mc 12,18
Kai hote (en toen) kai (en) Kai (en) hote (toen) (En nadat) kai (en) Kai (en) kai (en) Kai (en) kai (en)
egeneto (hij was)   eisèlthen (hij binnenging) (hij was gegaan)   eiselthontos autou (na de thuiskomst van Jezus) proselthontes Farisaioi (de Farizeeën naderbijgekomen)   erchontai Saddukaioi pros auton (en Sadduceeën kwamen naderbij hem)...
kata monas (alleen)   eis oikon (naar - in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte) (vragen van de 3 leerlingen, bij het afdalen van de berg van de verheerlijking) eis oikian (naar huis)   eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw)  
        hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idian (onder elkaar - afgezonderd)   hoi mathètai (de leerlingen)  
èrôtôn (vroegen) eperôtôsin (en zij ondervragen epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) peri toutou (hierover) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) kai (en) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen)
auton (hem) auton (hem) auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem) 
hoi peri auton sun tois dôdeka (die rond hem met de twaalf) hoi Farisaioi kai hoi grammateis "zij" = de Farizeeën en de schriftgeleerden hoi mathètai autou ( zijn leerlingen) legontes (zeggende)        
tas parabolas (de parabels)   tèn parabolèn (de parabel)          
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt: Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden: Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 155. Rein en onrein: Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
 170. Genezing van een bezeten kind: Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk: Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk: Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis: Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38

5. hoti (dat, omdat).Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat).Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92).Mc 9 (9): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,11.(3) Mc 9,13.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,26.(6) Mc 9,28.(7) Mc 9,31.(8) Mc 9,38.(9) Mc 9,41.

7. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (4): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,28.(3) Mc 9,32.(4) Mc 9,34.

8. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde).Taalgebruik in het N.T.: grammateus (schriftgeleerde).Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde).
Mc (11): (1) Mc 1,22.(2) Mc 2,16.(3) Mc 3,22.(4) Mc 7,5.(5) Mc 9,11.(6) Mc 9,14.(7) Mc 11,18.(8) Mc 11,27.(9) Mc 12,35.(10) Mc 14,1.(11) Mc 14,53.

10. acc. mann. enk. èlian van de eigennaam èlias (Elia).Taalgebruik in het N.T.: èlias (Elia).Taalgebruik in Mc: èlias (Elia).
Mc (3): (1) Mc 8,28.(2) Mc 9,11. (3) Mc 15,35.

 

Mc 9,12 - Mc 9,12: 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia: bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:12 o de ef� autois �lias men elth�n pr�ton apokathistanei panta kai p�s gegraptai epi ton Uion tou Anthr�pou ina polla path�i kai exouden�th�i .  11 qui respondens ait illis Helias cum venerit primo restituet omnia et quomodo scriptum est in Filium hominis ut multa patiatur et contemnatur      [12] Hij zei hun: ‘Elia komt eerst en herstelt alles. Maar hoe kan over de Mensenzoon geschreven staan dat Hij veel lijden moet en miskend moet worden?   [12] Hij antwoordde: ‘Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden?  12 Maar hij brengt uit: ja, Elia komt eerst om alles weer op te richten,– en hoe staat geschreven over de mensenzoon?– dat hij veel moet lijden en als niets geacht zal worden!–    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,12.

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

2. de (echter).Taalgebruik in het N.T.: de (echter).Taalgebruik in Mc: de (echter).Partikel.Het staat steeds als tweede woord in de zin.Het kan een lichte tegenstelling aanduiden.Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,23.(5) Mc 9,25.(6) Mc 9,27.(7) Mc 9,32.(8) Mc 9,34.(9) Mc 9,39.(10) Mc 9,50.

4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (117).Mc 9 (10): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,19.(7) Mc 9,29.(8) Mc 9,31.(9) Mc 9,35.(10) Mc 9,36.

1. - 4. ho de ... eipen autois (hij echter zei hen).Mc (5): (1) Mc 6,37.(2) Mc 7,6.(3) Mc 9,12.(4) Mc 10,3.(5) Mc 14,20.Sommige lezingen: efè in plaats van eipen (hij zei).

5. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia).Taalgebruik in het N.T.: èlias (Elia).Taalgebruik in Mc: èlias (Elia).
Mc (5): (1) Mc 6,15.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,13.(5) Mc 15,36

12. pôs (hoe).Taalgebruik in het N.T.: pôs (hoe).Taalgebruik in Mc: pôs (hoe).Vragend of onbepaald voornaamw. van wijze.
Mc (14).Mc 9 (1): Mc 9,12.

15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

17. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
(116).Mc 9 (7): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,9.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,17.(5) Mc 9,24.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,47.

18. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens).Taalgebruik in het N.T.: anthrôpos (mens).Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens).
Mc (15): (1) Mc 2,10 **.(2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8.  (4) Mc 7,15.(5) Mc 7,20. (6) Mc 8,31**. (7) Mc 8,38 **.(8) Mc 9,9 **.(9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 **. (11) Mc 10,33 **.(12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

19. hina (opdat).Taalgebruik in het N.T.: hina (opdat).Taalgebruik in Mc: hina (opdat).Voegwoord van doel.
Mc (59).Mc (5): (1) Mc 9,9.(2) Mc 9,12.(3) Mc 9,18.(4) Mc 9,22.(5) Mc 9,30.

Mc 9,13 - Mc 9,13: 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -- Mc 9,11 - Mc 9,12 - Mc 9,13 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:13 alla leg� umin oti kai �lias el�luthen kai epoi�san aut�i osa �thelon kath�s gegraptai ep auton   12 sed dico vobis quia et Helias venit et fecerunt illi quaecumque voluerunt sicut scriptum est de eo      [13] Ik zeg jullie: niet alleen is Elia* al gekomen, ze hebben bovendien met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’  [13] Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.’
 
13 Maar ik zeg u dat én Elia is gekomen én ze met hem hebben gedaan al wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat!    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,13.

4. hoti (dat, omdat).Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat).Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat).
Mc (92).Mc 9 (9): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,11.(3) Mc 9,13.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,26.(6) Mc 9,28.(7) Mc 9,31.(8) Mc 9,38.(9) Mc 9,41.

6. nom. mann. enk. èlias van de eigennaam èlias (Elia).Taalgebruik in het N.T.: èlias (Elia).Taalgebruik in Mc: èlias (Elia).
Mc (5): (1) Mc 6,15.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,13.(5) Mc 15,36.

16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47

170. Genezing van een bezeten kind: Mc 9,14-29 - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -

Mc 9,14 - Mc 9,14 -170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:14 kai elthontes pros tous math�tas eidon ochlon polun peri autous kai grammateis suz�tountas pros autous 13 et veniens ad discipulos suos vidit turbam magnam circa eos et scribas conquirentes cum illis     [14] Toen ze bij de leerlingen kwamen, zagen ze veel mensen om hen heen, onder wie schriftgeleerden, die met hen discussieerden. [14] Toen ze terugkwamen bij de andere leerlingen, zagen ze een grote menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan het discussiëren waren. 14 ¶ Als zij bij de leerlingen aankomen zien ze een grote schare om hen heen en schriftgeleerden met hen in een twistgesprek. 1   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,14.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14.(2) Mc 9,18.(3) Mc 9,26.(4) Mc 9,31.(5) Mc 9,35.(6) Mc 9,45.

5. acc. mann. mv. mathètas (leerlingen).van het zelfst. naamw. mathètès (leerling).Taalgebruik in het N.T.: mathètès (leerling).Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling).Bij Mc niet in het enk.
Mc (7): (1) Mc 6,45.  (2) Mc 8,1.(3) Mc 8,27.(4) Mc 8,33.(5) Mc 9,14.(6) Mc 9,31.  (7) Mc 12,43.

10. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (40).Mc (4): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,14.(3) Mc 9,16.(4) Mc 9,33.

11. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

12. nom. + voc. + acc. mann. mv. grammateis (schriftgeleerden) van het zelfst. naamw. grammateus (schriftgeleerde).Taalgebruik in het N.T.: grammateus (schriftgeleerde).Taalgebruik in Mc: grammateus (schriftgeleerde).Mc (11): (1) Mc 1,22.(2) Mc 2,16.(3) Mc 3,22.(4) Mc 7,5.(5) Mc 9,11.(6) Mc 9,14.(7) Mc 11,18.(8) Mc 11,27.(9) Mc 12,35.(10) Mc 14,1.(11) Mc 14,53.

Mc 9,15 - Mc 9,15 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai euthus pas ho ochlos idontes auton exethambèthèsan kai prostrechontes èspazonto auton et confestim omnis populus videns eum stupefactus est et adcurrentes salutabant eum En terstond toen de hele volksmenigte hem zag, waren ze ontsteld en ze liepen (op hem) toe (en) groetten hem.   Zodra al die mensen Hem opmerkten, waren ze verrast en liepen Hem tegemoet om Hem te begroeten.   Meteen toen al die menMc 9,15en Hem zagen, raakten ze uit hun doen, vlogen op Hem af en begroetten Hem.   De mensen waren verbaasd toen ze hem zagen, en liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten.   En heel de schare, als ze hem zien hollen ze verrast naar hem toe; zo hebben ze hem begroet.  

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,15.Het vers Mc 9,15 telt 12 (2 X 2 X 3) woorden en 67 letters. De getalwaarde van Mc 9,15 is 8321 (53 X 157).

Mc 9,15.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,15.3. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles).Taalgebruik in het N.T.: pas (ieder, elk, alles).Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles).Hebr. kol.Lat. omnis.Fr. tout.Ned. elk, ieder.Mc (5).In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt: nl. (1) Mc 2,13.(2) Mc 4,1.(3) Mc 9,15.(4) Mc 11,18.Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49.

Mc 9,15.4. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

Mc 9,15.5. nom. mann. enk. ochlos (menigte).Taalgebruik in het N.T.: ochlos (menigte).Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte).Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk.Mc (13): (1) Mc 2,13.(2) Mc 3,20.(3) Mc 3,32.(4) Mc 4,1.(5) Mc 5,21.(6) Mc 5,24a - Mc 5,24b.(7) Mc 9,15.(8) Mc 9,25.(9) Mc 11,18.(10) Mc 12,37.(11) Mc 12,41.(12) Mc 12,43.(13) Mc 15,8.In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp.

Mc 9,15.3. - 5. pas ho ochlos (de hele menigte).Mc (4): (1) Mc 2,13.(2) Mc 4,1.(3) Mc 9,15.(4) Mc 11,18.In (1) Mc 2,13 en (2) Mc 4,1 stroomt de menigte samen en onderricht Jezus het volk.In Mc 9,15 is de menigte met verbazing geslagen bij het zien van Jezus.

Mc 9,15.7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

8. thambeomai (verbijsterd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen worden).Taalgebruik: thambeomai (verbaasd, ontsteld zijn, met ontzetting geslagen zijn), zie Mc 9,15.(1) Mc 1,27 (ethambèthèsan (zij waren verbaasd).(2) Mc 9,15 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen).(3) Mc 10,24 (ethambounto (zij waren verbaasd)).(4) Mc 10,32 (ethambounto (zij waren verbaasd).(5) Mc 14,33 (ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn).(6) Mc 16,5 (exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen).(7) Mc 16,6 (Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen).Dit werkwoord en vormen ervan komen blijkbaar enkel in het Marcusevangelie voor. Met ont- probeer ik het Griekse voorzetsel ek- weer te geven: ont-steld, ont-zetting. Het is een reactie op wat mensen meemaken. Men is uit zijn lood geslagen.
- exethambèthèsan (zij waren met ontzetting geslagen) . Passief aorist derde persoon meervoud.Het komt in twee verzen in de bijbel voor: Mc 9,15 en Mc 16,5 .
--- ekthambeisthai (met ontzetting geslagen zijn) . Passief infinitief praesens. Slechts in Mc 14,33.
--- Ekthambeisthe (wees met ontzetting geslagen) . Imperatief praesens tweede persoon meervoud.Slechts in Mc 16,6.
--- ethambèthèsan (zij waren verbaasd) . Passief aorist derde persoon meervoud.In de bijbel komt het slechts in Mc 1,27.
--- ethambounto (zij waren verbaasd).Passief imperfectum derde persoon meervoud. In de bijbel slechts in Mc 10,24 en Mc 10,32.
- thambos: verstomming, verbazing, ontzetting, vrees ( Lc 4,36).In zes verzen in de bijbel.In vier verzen in het O.T..In twee verzen in het N.T..

Mc 9,15.9. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,15.10. act. part. praes. nom. mann. mv. postrechontes (rennende naar) van het werkw. prostrechô (snellopen naar, hollen naar).Taalgebruik in het N.T.: prostrechô (snellopen naar, hollen naar).Taalgebruik in Mc: prostrechô (snellopen naar, hollen naar).L. adcurrere.F. accourir.N. koersen, rennen.E. to run.
Mc (1): Mc 9,15.Nog een vorm in Mc: prosdramôn (gerend naar) in Mc 10,17.Na de terugkeer van Jezus van de berg van de verheerlijking loopt een menigte naar Jezus (Mc 9,15).In Mc 10,17 rent iemand naar Jezus.

Mc 9,15.11. ind. imperf. 3de pers. mv. èspazonto (zij begroetten) van het werkw. aspazomai (verwelkomen, begroeten).Taalgebruik in het N.T.: aspazomai (verwelkomen, begroeten).Taalgebruik in Mc: aspazomai (verwelkomen, begroeten).
Mc (1) Mc 9,15.Een vorm van aspazomai (verwelkomen, begroeten) in Mc in 2 verzen: (1) Mc 9,15.(1) Mc 15,18.

Mc 9,15.12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

Mc 9,16 - Mc 9,16 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:16 kai ep�r�t�sen autous ti suz�teite pros autous   15 et interrogavit eos quid inter vos conquiritis      [16] Hij vroeg hun: ‘Wat discussieert u toch met hen?’  . [16] Hij vroeg hun: ‘Waarover zijn jullie met hen aan het discussiëren?’   16 En hij stelt hen de vraag: waarover zijt ge met hen in twistgesprek?   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,16.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

3. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (40).Mc (4): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,14.(3) Mc 9,16.(4) Mc 9,33.

6. - 7. pros autous (naar hen).Mc (5): (1) Mc 6,48.(2) Mc 6,51.(3) Mc 9,16.(4) Mc 12,4.(5) Mc 12,12 .

Mc 9,17 - Mc 9,17 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:17 kai apekrith� aut�i eis ek tou ochlou Didaskale �negka ton uion mou pros se echonta pneuma alalon  16 et respondens unus de turba dixit magister adtuli filium meum ad te habentem spiritum mutum      [17] Iemand uit de menigte gaf Hem ten antwoord: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar U meegenomen, omdat hij in de greep is van een stomme geest.   [17] Iemand uit de menigte antwoordde: ‘Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten;  17 Eén uit de schare antwoordt hem: leermeester, ik bracht mijn zoon naar u toe die een geest heeft die maakt dat hij niet praat;    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,17.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc (555).Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

2. ind. aor. 3de pers. enk. apekrithè (hij antwoordde) van het werkw. apokrinomai (antwoorden).Taalgebruik in het N.T.: apokrinomai (antwoorden).Taalgebruik in Mc: apokrinomai (antwoorden).
Mc (7): (1) Mc 7,28.(2) Mc 9,17.(3) Mc 12,28.(4) Mc 12,29.(5) Mc 12,34.(6) Mc 15,5.(7) Mc 15,9.Een vorm van apokrinomai (antwoorden) in Mc in 30 verzen .

Mc 9,17.4. onbepaald voornaamw. nom. mann. enk. heis (een).Taalgebruik in het N.T.: eis (naar).Taalgebruik in Mc: eis (naar).Voorzetsel van richting.Lat. in.Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien).E. for.Ned. naar.D. nach.Onbepoaald voornaamwoord.
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,17.(3) Mc 9,22.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,28.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,33.(8) Mc 9,42.(9) Mc 9,43.(10) Mc 9,45.(11) Mc 9,47.

Mc 9,17.6. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
(116).Mc 9 (7): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,9.(3) Mc 9,12.(4) Mc 9,17.(5) Mc 9,24.(6) Mc 9,31.(7) Mc 9,47.

Mc 9,17.7. gen. mann. enk. ochlou  (menigte) van het zelfst. naamw. ochlos (menigte).Taalgebruik in het N.T.: ochlos (menigte).Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte).
Mc (5): (1) Mc 7,17.(2) Mc 7,33. (3) Mc 8,1 . (4) Mc 9,17. (5) Mc 10,46.

Mc 9,17.8. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar, leermeester).Taalgebruik in het N.T.: didaskalos (leraar, leermeester).Taalgebruik in Mc: didaskalos (leraar, leermeester).
Mc (10): (1) Mc 4,38.(2) Mc 9,17.(3) Mc 9,38.(4) Mc 10,17.(5) Mc 10,20.(6) Mc 10,35.(7) Mc 12,14.(8) Mc 12,19.(9) Mc 12,32.(10) Mc 13,1.

10. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,17.14. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou).Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord.
Mc (4): (1) Mc 9,17.(2) Mc 9,43.(3) Mc 9,45.(4) Mc 9,47.

Mc 9,17.16. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest).Taalgebruik in het N.T.: pneuma (geest).Taalgebruik in Mc: pneuma (geest).Lat. spiritus.Fr. esprit.Ned. geest.
Mc (12): (1) Mc 1,10.(2) Mc 1,12.(3) Mc 1,26.(4) Mc 3,29.(5) Mc 3,30.(6) Mc 5,8.(7) Mc 7,25.(8) Mc 9,17.(9) Mc 9,20.(10) Mc 9,25.(11) Mc 13,11.(12) Mc 14,38.

Mc 9,18 - Mc 9,18 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:18 kai opou ean auton katalab�i r�ssei auton kai afrizei kai trizei tous odontas kai x�rainetai kai eipa tois math�tais sou ina auto ekbal�sin kai ouk ischusan  17 qui ubicumque eum adprehenderit adlidit eum et spumat et stridet dentibus et arescit et dixi discipulis tuis ut eicerent illum et non potuerunt         [18] Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.’  [18] steeds wanneer de geest hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.’   18 wanneer die hem aangrijpt, waar dan ook, verscheurt hij hem, en híj schuimbekt en knarst met zijn tanden en verstijft; ik zei tot uw leerlingen dat ze hem moesten uitwerpen, en ze konden het niet!    

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,18.

1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

3. ean (indien).Taalgebruik in het N.T.: ean (indien).Taalgebruik in Mc: ean (indien).
Mc (32).Mc 9 (5): (1) Mc 9,18.(2) Mc 9,43.(3) Mc 9,45.(4) Mc 9,47.(5) Mc 9,50.

4. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

8. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14.(2) Mc 9,18.(3) Mc 9,26.(4) Mc 9,31.(5) Mc 9,35.(6) Mc 9,45.

14. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

16. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

20. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou).Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord.
Mc (27).Mc 9 (5): (1) Mc 9,18.(2) Mc 9,38.(3) Mc 9,43.(4) Mc 9,45.(5) Mc 9,47.

21. hina (opdat).Taalgebruik in het N.T.: hina (opdat).Taalgebruik in Mc: hina (opdat).Voegwoord van doel.
Mc (59).Mc (5): (1) Mc 9,9.(2) Mc 9,12.(3) Mc 9,18.(4) Mc 9,22.(5) Mc 9,30.

24. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

25. ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet).Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet).
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,3.(3) Mc 9,6.(4) Mc 9,41.(5) Mc 9,48.ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18.(2) Mc 9,28.(3) Mc 9,30.(4) Mc 9,37.(5) Mc 9,38.(6) Mc 9,40.

Mc 9,19 - Mc 9,19 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:19 o de apokritheis autois legei � genea apistos e�s pote pros umas esomai e�s pote anexomai um�n ferete auton pros me  18 qui respondens eis dicit o generatio incredula quamdiu apud vos ero quamdiu vos patiar adferte illum ad me      [19] Hij antwoordde hun: ‘Ongelovig slag mensen! Hoelang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoelang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.’  [19] Hij zei tegen hen: ‘Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie verdragen? Breng hem bij me.’  19 Ten antwoord zegt hij tot hen: o geslacht zonder geloof, tot wanneer moet ik bij u zijn, tot wanneer moet ik u verdragen?– brengt hem bij mij!   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,19.

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

2. de (echter).Taalgebruik in het N.T.: de (echter).Taalgebruik in Mc: de (echter).Partikel.Het staat steeds als tweede woord in de zin.Het kan een lichte tegenstelling aanduiden.Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,23.(5) Mc 9,25.(6) Mc 9,27.(7) Mc 9,32.(8) Mc 9,34.(9) Mc 9,39.(10) Mc 9,50.

4. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (117).Mc 9 (10): (1) Mc 9,1.(2) Mc 9,4.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,19.(7) Mc 9,29.(8) Mc 9,31.(9) Mc 9,35.(10) Mc 9,36.

5. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen).Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen).Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc (62).Mc 9 (3): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,35.

10. pote (wanneer, soms) .Taalgebruik in het N.T.: pote (wanneer, soms).Taalgebruik in Mc: pote (wanneer, soms).
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus: (1) Mc 9,19.(2) Mc 13,4.(3) Mc 13,33.(4) Mc 13,35.
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4: eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33: ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35: ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

12. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie).Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord.Taalgebruik in Brieven: persoonlijk voornaamwoord.
Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X).(2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11.(4) Mc 9,19.(5) Mc 9,41.(6): Mc 11,29.(7) Mc 13,5.(8) Mc 13,9.(9) Mc 13,11.(10) Mc 13,36.(11) Mc 14,28.(12) Mc 14,49.(13) Mc 16,7 .

15. pote (wanneer, soms) .Taalgebruik in het N.T.: pote (wanneer, soms).Taalgebruik in Mc: pote (wanneer, soms).
Mc (99 + 3 = 102) .In vier verzen bij Marcus: (1) Mc 9,19.(2) Mc 13,4.(3) Mc 13,33.(4) Mc 13,35.
- Mc 9,19 .
- Mc 13,4: eipon hèmin pote tauta estai (zeg ons wanneer dat zal zijn) .
- Mc 13,33: ouk oidate gar pote ho kairos estin (want je weet niet wanneer het moment is) .
- Mc 13,35: ouk oidate gar pote ho kurios tès oikias erchetai (want je weet niet wanneer de heer van het huis komt) .

19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

Mc 9,20 - Mc 9,20 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:20 kai �negkan auton pros auton kai id�n auton to pneuma euthus sunesparaxen auton kai pes�n epi t�s g�s ekulieto afriz�n  19 et adtulerunt eum et cum vidisset illum statim spiritus conturbavit eum et elisus in terram volutabatur spumans      20] En ze brachten hem naar Hem toe. Zodra de geest Hem zag, liet hij hem stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn mond.  [20] Ze brachten de jongen bij hem. Toen de geest hem zag, deed hij de jongen meteen stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen en weer.  20 Zij brengen hem bij hem. Meteen als de geest hem ziet laat hij hem stuiptrekken; hij valt ter aarde en rolt schuimbekkend heen en weer.   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,20.

1. και = kai (en).Taalgebruik: kai (en) in NT.Taalgebruik: kai (en) in de LXX.Taalgebruik in Mc: kai (en).Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.Er is verandering van personage.

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned.: en.Arabisch: وَ = wa (en).Taalgebruik in de Qoran: wa (en).E.: and.D.: und.Fr.: et.Grieks: και = kai (en).Taalgebruik: kai (en) in NT.Hebr.: וְ = wë (en).Lat.: et .

2.

Mc 9,20.3. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

Mc 9,20.4. - 5. pros auton (naar hem, bij hem).Naar Jezus.Mc (14): (1) Mc 1,32.(2) Mc 1,40.(3) Mc 1,45.(4) Mc 2,3.(5) Mc 2,13.(6) Mc 3,8.(7) Mc 3,13.(8) Mc 3,31.(9) Mc 4,1.(10) Mc 7,1.(11) Mc 9,20.(12) Mc 10,1.(13) Mc 12,13.(14) Mc 12,18.

Mc 9,20.5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

6. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,20.7. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien).Zie: act. ind. aor. 3de pers. enk. ειδεν = eiden (hij zag).Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag).Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien).Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag).Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag).Mc (12): (1) Mc 2,5.(2) Mc 5,6.(3) Mc 5,22.(4) Mc 6,48.(5) Mc 8,33.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,25.(8) Mc 10,14.(9) Mc 11,13.(10) Mc 12,28.(11) Mc 12,34.(12) Mc 15,39.Een vorm van ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336).
- Ned.: zien.Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien).Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien).D.: sehen, schauen.E.: to see.Fr.: voir.Gr.: ειδεν = eiden (hij zag).Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag).Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien).Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen).Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien).Lat.: videre .

  zien  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12    (1) Mc 2,5     (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22. (4) Mc 6,48   (5) Mc 8,33 (6) Mc 9,20.(7) Mc 9,25 (8) Mc 10,14 (9) Mc 11,13 (10) Mc 12,28.(11) Mc 12,34     (12) Mc 15,39   106  45  61  12  12  20  12  44  47   

Mc 9,20.8. acc. mann. enk. αυτον = auton (hem) van het persoonl. voornaamw. αυτος = autos (hij - hem).Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos.Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
4 acc. mann. enk. auton   146  11  12  12  16  12  14  17  2872  2032  840  114  146  184  154  136  85  21  598  752 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

7. - 8. ιδων αυτον = idôn auton (hem gezien).Bijbel ().LXX (1): NT (): (3) Mc 5,22.(2) Mc 9,15 (variante lezing).(6) Mc 9,20.

Mc 9,20.9. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. το = to (het) van het bepaald lidw. ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het).Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Mc 9 (9): (1) Mc 9,10.(2) Mc 9,20.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,29.(6) Mc 9,32.(7) Mc 9,43.(8) Mc 9,48.(9) Mc 9,50.

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
3. nom. + acc. onz. enk. to 108  12  12  22  5941  4582  1359  186  108  181  121  172  482  109  475  596 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl..: bepaald lidwoord de / het.Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de).D.: der, die, das enz..E.: the.Fr.: le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).Gr. ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het).Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord.Hebreeuws: הַ = ha (de, het).Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) .

Mc 9,20.10. nom.+ acc. onz. enk. πνευμα = pneuma (geest).Taalgebruik in het NT: pneuma (geest).Taalgebruik in de Septuaginta: pneuma (geest).Taalgebruik in Mc: pneuma (geest).Mc (12): (1) Mc 1,10.(2) Mc 1,12.(3) Mc 1,26.(4) Mc 3,29.(5) Mc 3,30.(6) Mc 5,8.(7) Mc 7,25.(8) Mc 9,17.(9) Mc 9,20.(10) Mc 9,25.(11) Mc 13,11.(12) Mc 14,38.

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
1 nom.+ acc. onz. enk. pneuma 366 220 146 6 12 16 14 31 55 12 34 48
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
nom.+ acc. enk. pneuma 6: (1) Mt 3,16.(2) Mt 10,20. (3) Mt 12,18.(4) Mt 12,43.(5) Mt 26,41.(6) Mt 27,50. 12: (1) Mc 1,10.(2) Mc 1,12.(3) Mc 1,26.(4) Mc 3,29.(5) Mc 3,30.(6) Mc 5,8.(7) Mc 7,25.(8) Mc 9,17.(9) Mc 9,20.(10) Mc 9,25.(11) Mc 13,11.(12) Mc 14,38. 16: (1) Lc 1,35.(2) Lc 1,47.(3) Lc 2,25.(4) Lc 3,22.(5) Lc 4,18.(6) Lc 4,33.(7) Lc 8,55.(8) Lc 9,39.(9) Lc 11,13.(10) Lc 11,24.(11) Lc 12,10.(12) Lc 12,12.(13) Lc 13,11.(14) Lc 23,46.(15) Lc 24,37.(16) Lc 24,39 . 34: (1) Mt 3,16 // Mc 1,10 // Lc 3,22.(2) Mc 1,26 //Lc 4,33.(3) / Mc 3,29 // Lc 12,10.(4) Mc 5,8 // Lc 8,29.(5) Mt 10,20. // Lc 12,12.(6) Mt 12,43 // Lc 11,24.(7) Mt 26,41 // Mc 14,38. 48
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws.רוַח = rûach (geest).Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest).Taalgebruik in Rechters: rûach (geest).Getalwaarde: resj = 20 of 200.waw = 6.chet = 8.Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107).Structuur: 2 - 6 - 8.De som van de elementen is telkens 7.Tenakh (204).Pentateuch (19).Eerdere Profeten (33).Latere Profeten (65).12 Kleine Profeten (19).Geschriften (68).Pentateuch (19).
- Ned.: geest.Arabisch: روح = rûH (geest).Taalgebruik in de Qoran: rûH (geest).D.: Geist.E.: spirit.Fr.: esprit.Grieks: πνευμα = pneuma (geest): Taalgebruik in het NT: pneuma (geest).Hebreeuws.רוַח = rûach (geest).Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest).Lat.: spiritus.

9. - 10. το πνευμα = to pneuma (de geest).NT (93).Mc (9/12).Niet in: (1) Mc 3,30.(2) Mc 7,25.(3) Mc 9,17.
- Hebreeuws.הָרוּחַ = hârûach (de wind, de geest) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naamw. רוַח = rûach (geest).Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest).Getalwaarde: resj = 20 of 200.waw = 6.chet = 8.Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107).Structuur: 2 - 6 - 8.De som van de elementen is telkens 7.Tenakh (14): (1) Nu 11,17.(2) Nu 11,25.(3) Nu 11,26.(4) 1 K 19,11.(5) 1 K 22,21.(6) Ez 1,12.(7) Ez 1,20.(8) Ez 37,9.(9) Ez 37,10.(10) Hos 9,7.(11) Pr 1,6.(12) Pr 8,8.(13) Pr 11,5.(14) 2 Kr 18,20.

Mc 9,20.13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem).Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc (146).Mc 9 (16): (1) Mc 9,11.(2) Mc 9,13.(3) Mc 9,15.(4) Mc 9,18.(5) Mc 9,19.(6) Mc 9,20.(7) Mc 9,22.(8) Mc 9,25.(9) Mc 9,27.(10) Mc 9,29.(11) Mc 9,31.(12) Mc 9,32.(13) Mc 9,38.(14) Mc 9,39.(15) Mc 9,45.(16) Mc 9,47.

14. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

Mc 9,20.17. bep. lidw. gen. vr. enk. t�s (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc 9 (5): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,20.(4) Mc 9,27.(5) Mc 9,30.

Mc 9,21 - Mc 9,21 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:21 kai ep�r�t�sen ton Patera autou posos chronos estin �s touto gegonen aut�i o de eipen ek paidiothen  20 et interrogavit patrem eius quantum temporis est ex quo hoc ei accidit at ille ait ab infantia      [21] Jezus vroeg zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij dat al?’ Hij zei: ‘Van kindsbeen af.   [21] Jezus vroeg aan zijn vader: ‘Hoe lang heeft hij hier al last van?’ Hij antwoordde: ‘Al vanaf zijn vroegste jeugd,  21 Hij vraagt aan zijn vader: hoe lange tijd is het al dat hij dit gekregen heeft? En hij zegt: van kind af!,   

King James Bible.
Luther-Bibel.

Tekstuitleg van Mc 9,21.

Mc 9,21.1. kai (en).Taalgebruik: kai (en) in N.T..Taalgebruik in Mc: kai (en).Nevenschikkend voegwoord.Hebr.: waw (verbindingshaak).L.: et.Fr.: et.N.: en.E.: and.D. und.
Mc 9.Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,23.(4) Mc 9,24.(5) Mc 9,34.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,41.(8) Mc 9,44.(9) Mc 9,46.(10) Mc 9,49.

3. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de).Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,8.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,12.(5) Mc 9,17.(6) Mc 9,21.(7) Mc 9,37.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,21.4. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader).Taalgebruik in het N.T.: patèr (vader).Taalgebruik in Mc: patèr (vader).
Mc (8).(1) Mc 1,20.(2) Mc 5,40.(3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21. (5) Mc 10,7.(6) Mc 10,19.(7) Mc 10,29.(8) Mc 15,21.Een vorm van patèr (enk., vader) in Mc in 17 verzen.

Mc 9,21.5. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos.Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos.Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos.
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,25.(5) Mc 9,27.(6) Mc 9,28.(7) Mc 9,31.(8) Mc 9,41.(9) Mc 9,42.

Mc 9,21.8. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn).Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn).Taalgebruik in Mc: eimi (zijn).Hebr. hâjâh.Lat. esse.Fr. être.Ned. zijn.E. to be.
Mc (69).Mc 9 (10): (1) Mc 9,5.(2) Mc 9,7.(3) Mc 9,10.(4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39.(6) Mc 9,40.(7) Mc 9,42.(8) Mc 9,43.(9) Mc 9,45.(10) Mc 9,47

Mc 9,21.13. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de).bepaald lidwoord.Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord.Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord.Gr. to.., tè... N.: de.E.: the.D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam).
Mc (219).Mc 9 (18): (1) Mc 9,2.(2) Mc 9,5.(3) Mc 9,7.(4) Mc 9,9.(5) Mc 9,12.(6) Mc 9,15.(7) Mc 9,19.(8) Mc 9,21.(9) Mc 9,23.(10) Mc 9,24.(11) Mc 9,25.(12) Mc 9,27.(13) Mc 9,31.(14) Mc 9,38.(15) Mc 9,39.(16) Mc 9,45.(17) Mc 9,47.(18) Mc 9,48.

Mc 9,21.14. de (echter).Taalgebruik in het N.T.: de (echter).Taalgebruik in Mc: de (echter).Partikel.Het staat steeds als tweede woord in de zin.Het kan een lichte tegenstelling aanduiden.Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden.
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12.(2) Mc 9,19.(3) Mc 9,21.(4) Mc 9,23.(5) Mc 9,25.(6) Mc 9,27.(7) Mc 9,32.(8) Mc 9,34.(9) Mc 9,39.(10) Mc 9,50.

Mc 9,21.15. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen).Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen).Taalgebruik in Mc: legô (zeggen).
Mc (56).Mc 9 (5): (1) Mc 9,21.(2) Mc 9,23.(3) Mc 9,29.(4) Mc 9,36.(5) Mc 9,39 .

Mc 9,22 - Mc 9,22 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:22 kai pollakis kai eis pur auton ebalen kai eis udata ina apoles�i auton all ei ti dun�i bo�th�son �min splagchnistheis ef �mas  21 et frequenter eum et in ignem et in aquas misit ut eum perderet sed si quid potes adiuva nos misertus nostri      [22] Hij heeft hem ook al vaak in het vuur en in het water gegooid om hem te doden. Maar als U enigszins kunt, wees met ons begaan, kom ons te hulp.’  [22] en hij heeft hem zelfs vaak in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.’  22 en dikwijls ook heeft hij hem in het vuur geworpen en dan weer in het water om hem om te brengen; maar als u íets kunt, help ons dan, wees over ons bewogen!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,22 .

1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,22.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,22.6. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

8. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,22.10. nom. + acc. onz. mv. hudata (wateren) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het N.T.: hudôr (water) . Taalgebruik in Mc: hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat.: aqua . Fr.: eau . Mc (1): Mc 9,22 .

Mc 9,22.11. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T.: hina (opdat) . Taalgebruik in Mc: hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,22.13. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,22.15. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42) . Mc 9 (6): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

19. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9): (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

Mc 9,23 - Mc 9,23 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:23 o de I�sous eipen aut�i to ei dun�i panta dunata t�i pisteuonti .   22 Iesus autem ait illi si potes credere omnia possibilia credenti       [23] Jezus zei tegen hem: ‘Of Ik dat zou kunnen? Alles kan voor wie vertrouwen heeft.’   [23] Toen zei Jezus tegen hem: ‘Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.’  23 Maar Jezus zegt: over dat ‘als u kunt’, – alles kan voor wie gelooft!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,23 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

1. - 5. ho de Ièsous eipen autô(i) (Jezus echter zei hem) . Mc (2): (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,18 .

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

7. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42) . Mc 9 (6): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

11. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . Mc (68) . Mc (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

Mc 9,24 - Mc 9,24 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:24 euthus kraxas o pat�r tou paidiou elegen pisteu� bo�thei mou t�i apistiai . 23 et continuo exclamans pater pueri cum lacrimis aiebat credo adiuva incredulitatem meam     [24] Meteen riep de vader van de jongen uit: ‘Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp.’ [24] Meteen riep de vader van het kind uit: ‘Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.’ 24 Meteen heeft de vader van het jongetje met een schreeuw gezegd: ik gelóóf!– help mij in mijn ongeloof!  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,24 .

Mc 9,24.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kraxas van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T.: krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc: krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (4): (1) Mc 5,7 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 15,39 .

Mc 9,24.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,24.5. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
(116) . Mc 9 (7): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,24.6. gen. onz. enk. paidiou (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T.: paidion (kind) . Taalgebruik in Mc: paidion (kind) . Mc (3): (1) Mc 5,40 .  (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,24 .

Mc 9,24.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,11 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,24 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 9,26 . (9) Mc 9,31 . (10) Mc 9,35 . (11) Mc 9,41 .

Mc 9,24.11. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,25 - Mc 9,25 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
idôn de ho Ièsous hoti episuntrechei ochlos, epetimèsen tôi pneumati tôi akathartôi legôn autôi et cum videret Iesus concurrentem turbam comminatus est spiritui inmundo dicens illi surde et mute spiritus ego tibi praecipio exi ab eo et amplius ne introeas in eum Toen Jezus echter zag dat een volksmenigte te hoop liep, berispte hij de onreine geest, hem zeggend: "Spraakloze en stomme geest, ik gebied je, ga uit hem weg en ga niet meer in hem!"  Toen Jezus zag dat de mensen te hoop liepen, gebood hij op strenge toon aan de onreine geest: Stomme en dove geest, Ik gelast je, ga uit hem weg en kom nooit meer in hem terug.   Toen Jezus zag dat de menigte toestroomde, bestrafte hij de onreine geest met de woorden: ‘Stomme en dove geest, Ik beveel je, ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug.’  Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak hij de onreine geest op strenge toon toe en zei: ‘Geest die doof en stom maakt, ik gebied je: ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.’  Maar Jezus ziet dat er al een schare te hoop loopt en bestraft de onreine geest door tot hem te zeggen: jij geest van niet–kunnen–praten en doofheid, ík beveel jóu: ga uit hem weg en kom niet meer bij hem binnen!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,25 .

Mc 9,25.1. act. part. aor. nom. mann. enk. ιδων = idôn (gezien) van het werkw. ειδεν = eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag) . Taalgebruik in de LXX: eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc.: eiden (hij zag) . Mt (12): (1) Mt 2,16 . (2) Mt 3,7 . (3) Mt 5,1 . (4) Mt 8,18 . (5) Mt 9,2 . (6) Mt 9,4 . (7) Mt 9,22 . (8) Mt 9,23 . (9) Mt 9,36 . (10) Mt 21,19 . (11) Mt 27,3 . (12) Mt 27,24 . Mc (12): (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 . Met Jezus als onderwerp . Mc (7 / 12 . expliciet: 4 / 12, impliciet: 3 / 12) . Expliciet (4 / 12): (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 12,34 . Impliciet (3 / 12): (1) Mc 6,48 . (2) Mc 8,33 . (3) Mc 11,13 . Andere (5 / 12): (1) Mc 5,6 (bezetene) . (2) Mc 5,22 (Jaïrus) . (3) Mc 9,20 (onreine geest) . (4) Mc 12,28 (een schriftgeleerde) . (5) Mc 15,39 (centurio) . Lc (20): (1) Lc 1,12 . (2) Lc 5,8 . (3) Lc 5,12 . (4) Lc 5,20 . (5) Lc 7,13 . (6) Lc 7,39 . (7) Lc 8,28 . (8) Lc 10,31 . (9) Lc 10,32 . (10) Lc 10,33 . (11) Lc 11,38 . (12) Lc 13,12 . (13) Lc 17,14 . (14) Lc 17,15 . (15) Lc 18,24 . (16) Lc 18,43 . (17) Lc 19,41 . (18) Lc 22,58 . (19) Lc 23,8 . (20) Lc 23,47 . ειδον / ειδεν = eidon / eiden in het NT (336) .
- Ned.: zien . Arabisch: رَاهَ = ra´â (zien) . Taalgebruik in de Qoran: ra´â (zien) . D.: sehen, schauen . E.: to see . Fr.: voir . Gr.: ειδεν = eiden (hij zag) . Taalgebruik in het NT: eiden (hij zag) . Aoristvorm van ὁραω = horaô (zien) . Hebreeuws: רָאָה = râ´âh (zien, verschijnen) . Taalgebruik in Tenakh: râ´âh (zien) . Lat.: videre .

  zien  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
  part. aor. nom. mann. enk. idôn  12    (1) Mc 2,5     (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 .     (5) Mc 8,33 .   (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 .   (8) Mc 10,14 .   (9) Mc 11,13 .   (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 .       (12) Mc 15,39   106  45  61  12  12  20  12  44  47   

Mc 9,25.2. δε = de (echter), afkorting δ' = d' . de (echter) . Taalgebruik in het NT: de (echter) . Taalgebruik in de LXX: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om verandering van personage of situatie aan te duiden . Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

de (echter)   de (echter)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
de  149 + 2   10  23  13  23  20  6210 3754 2456 421 149 478 203 490 708 7 1048  1251 
d'  d'     1         1                 73 50  23  12      19  20 
Totaal                                   6283 3804 2479 433 151 483 204 490 711 7 1067 1271

kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8
kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7
verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1

Mc 9,25.1. - 2. ιδων δε = idôn de (gezien echter) . LXX (14) . NT (17) . Mc (5): (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 15,39 .
- και ιδων = kai idôn (en ziende) . NT (8 / 12): (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 11,13 . (8) Mc 12,34 . kai ... idôn (en ... gezien) . Mc (1 / 8): Mc 12,34 . idôn de (gezien echter) in Mc (3 / 12): (1) Mc 9,25 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 15,39 .

Mc 9,25.2. bepaald lidwoord nom. mann. enk. ὁ = ho . Zie bepaald lidwoord ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
1. nom. m. enk. ho 219 12  13  12  17  18  28  11  16  16  27  21  8495 6052 2443 408 219 331 436 281 612 156  958  1394 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- Nederl. .: bepaald lidwoord de / het . Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de) . D.: der, die, das enz. . E.: the . Fr.: le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) . Gr. ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Hebreeuws: הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) .

Mc 9,25.3. nom. mann. enk. ιησους = ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het NT: Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in de LXX: Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus) . Mc (57) . Een vorm van ιησους = Ièsous (Jezus) in Mc in 81 verzen ; in Mc 10 (18): bovengenoemde 16 + 2: (1) Mc 10,47 (voc.) . (2) Mc 10,50 (acc.) .

  Ièsous (Jezus)  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
1 nom. mann. enk. Ièsous 57 4 4 1   3 1   1 5 16 4 5 2 7 3 1 604  149  455  110 57 55 194 10 28 1 222 416
2 voc. + gen. + dat. mann. enk. Ièsou 13 2 1     3       2 1 1     2 1   348  35  313  25 13 18 18 32 196 11 56 74
3 acc. mann. enk. Ièsoun 11         2 1     1 1 1     2 2 1 163  39  124  15 11 14 26 27 31 0 40 66
  totaal 81 6 5 1   8 2   1 8 18 6 5 2 11 6 2 1115  223  892  150 81 87 238 69 255 12 318 556

  Ièsous  Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 8
1 Ièsous  57 4: (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,14 . (3) Mc 1,17 . (4) Mc 1,25 . 4: (1) Mc 2,5 . (2) Mc 2,8 . (3) Mc 2,17 . (4) Mc 2,19 . 1: Mc 3,7 . 3: (1) Mc 5,20 . (2) Mc 5,30 . (3) Mc 5,36 . 1: Mc 6,4 . 1: Mc 8,27 .
2 Ièsou  13 2: (1) Mc 1,1 (gen.) (2) Mc 1,24 (voc.) 1: Mc 2,15 (dat.)   3: (1) Mc 5,7 (voc.) . (2) Mc 5,21 (gen.) . (3) Mc 5,27 (gen.)    
3 Ièsoun  11       2: (1) Mc 5,6 . (2) Mc 5,15 . 1: Mc 6,30 .  
  totaal  81 6 5 1 8 2 1
 
  Ièsous  Mc Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16  
1 Ièsous  57 5: (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . 16: (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . 4: (1) Mc 11,6 . (2) Mc 11,22 . (3) Mc 11,29 . (4) Mc 11,33 . 5: (1) Mc 12,17 . (2) Mc 12,24 . (3) Mc 12,29 . (4) Mc 12,34 . (5) Mc 12,35 . 2: (1) Mc 13,2 . (2) Mc 13,5 . 7: (1) Mc 14,6 . (2) Mc 14,18 . (3) Mc 14,27 . (4) Mc 14,30 . (5) Mc 14,48 . (6) Mc 14,62 . (7) Mc 14,72 . 3: (1) Mc 15,5 . (2) Mc 15,34 . (3) Mc 15,37 . 1: Mc 16,19 . 57
2 Ièsou  13 2: (1) Mc 9,4 (dat.) . (2) Mc 9,5 (dat.) . 1: Mc 10,47 (voc.) . 1: Mc 11,33 (dat.) .     2: (1) Mc 14,55 (gen.) . (2) Mc 14,67 (gen.) . 1: Mc 15,43 (gen.) .   13
3 Ièsoun  11 1: Mc 9,8 . 1: Mc 10,50 . 1: Mc 11,7 .     2: (1) Mc 14,53 . (2) Mc 14,60 . 2: (1) Mc 15,1 . (2) Mc 15,15 . 1: Mc 16,6 . 11
  totaal  81 8 18 6 5 2 11 6 2 81

Mc 9,25.2. - 4. δε ὁ ιησους = de ho ièsous (echter Jezus ) . NT (47) . Mc (4): (1) Mc 2,5 . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,29 . Lc (9): (1) Lc 5,22 . (2) Lc 8,28 . (3) Lc 9,41 . (4) Lc 9,42 . (5) Lc 10,30 . (6) Lc 17,17 . (7) Lc 18,40 . (8) Lc 22,51 . (9) Lc 22,52 .
- και ὁ ιησους = kai ho ièsous (en Jezus) . NT (7) . Mc (4): (1) Mc 3,7 . (2) Mc 11,33 . (3) Mc 12,34 . (4) Mc 13,2 . Lc (2): (1) Lc 18,42 . (2) Lc 20,8 . Joh (1): Joh 2,2 .
- ὁ δε ιησους = ho de ièsous (Jezus echter) . NT (62) . Mc (21/37): (1) Mc 1,41 (variante lezing) . (2) Mc 5,19 (variante lezing) . (3) Mc 5,36 . (4) Mc 7,27 (variante lezing) . (5) Mc 9,23 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,39 . (8) Mc 10,18 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,38 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,42 . (14) Mc 10,52 . (15) Mc 11,29 . (16) Mc 12,29 . (17) Mc 13,5 . (18) Mc 14,6 . (19) Mc 14,62 . (20) Mc 15,5 . (21) Mc 15,37 . Lc (8): (1) Lc 7,6 . (2) Lc 8,46 . (3) Lc 8,50 . (4) Lc 9,47 . (5) Lc 18,16 . (6) Lc 22,48 . (7) Lc 23,25 . (8) Lc 23,34 .

Mc 9,25.1. - 4. ιδων δε ὁ ιησους = idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) . NT (4): (1) Mt 8,18 . (2) Mc 2,5 . (3) Mc 9,25 . (4) Mc 10,14 .
- Mc (3): (1) Mc 2,5 (variante: kai idôn ho ièsous = en Jezus gezien) . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . In Mc 9,25 ziet Jezus een menigte samenstromen bij de vader en het kind met een onreine geest . Jezus beveelt dan aan de onreine geest om uit het kind te gaan . In Mc 10,14 bevelen de leerlingen om de kinderen die aangedragen worden, weg te houden . In Mc 9,17 roept een vader tot Jezus dat hij zijn zoon met een onreine geest tot Jezus heeft gebracht omdat zijn leerlingen niet in staat waren om hem uit te werpen .
-

Mc 9,25.5. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,25.7. zelfst. naamw. nom. mann. enk. ochlos (menigte) . Taalgebruik in het N.T.: ochlos (menigte) . Taalgebruik in Mc: ochlos (menigte) . Met één uitzondering (Mc 10,1) gebruikt Mc ochlos (menigte) in het enk .
Mc (13): (1) Mc 2,13 . (2) Mc 3,20 . (3) Mc 3,32 . (4) Mc 4,1 . (5) Mc 5,21 . (6) Mc 5,24a - Mc 5,24b . (7) Mc 9,15 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 11,18 . (10) Mc 12,37 . (11) Mc 12,41 . (12) Mc 12,43 . (13) Mc 15,8 . In deze gevallen is ochlos (menigte) onderwerp .

Mc 9,25.8. act. ind. aor. 3de pers. enk. επετιμησεν = epetimèsen (hij deed een beroep op 'hun' eer, hij droeg op, hij beval) van het werkw. επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer, nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) . Taalgebruik in het NT: epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in de LXX: epitimaô (opleggen, opdragen) . Het werkwoord heeft een voorvoegsel επι = epi (aan bij, op) wat het werkwoord versterkt . Wellicht omwille van het voorvoegsel volgt op het werkwoord steeds een datief . Bijbel (16) . LXX (2): (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . NT (14): (1) Mt 8,26 . (2) Mt 12,16 ( // Mc 3,12 ) . (3) Mt 17,18 . (4) Mt 20,31 . (5) Mc 1,25 ( // Mt 8,26 ) . (6) Mc 4,39 . (7) Mc 8,30 . (8) Mc 8,33 . (9) Mc 9,25 ( // Mt 17,18 ) . (10) Lc 4,35 . (11) Lc 4,39 . (12) Lc 8,24 . (13) Lc 9,42 . (14) Lc 9,55 . Een vorm van επιτιμαω = epitimaô (nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) in de LXX (11), in het NT (29), in Mc (9): (1) Mc 1,25 . (2) Mc 3,12 . (3) Mc 4,39 . (4) Mc 8,30 . (5) Mc 8,32 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,13 . (9) Mc 10,48 . In de LXX kan het Griekse werkwoord επιτιμαω = epitimaô (beroep doen op hun eer, nadrukkelijk vermanen, 'opdragen', bevelen, berispen) de vertaling zijn van 3 verschillende Hebreeuwse werkwoorden .
- De kenletter σ = s geeft act. en mediaal aor. weer . De stamletter α = a wordt verlengd tot η = è . Vandaar: επετιμησεν = epetimèsen (hij beval) .

  epitimaô (opleggen) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 4 Mc 8 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Br. syn. ev.  
1 ind imp. 3de p. enk. epetima 1   (1) Mc 3,12 .           1   1   1     1 1
2 ind. imp. 3de p. mv. epetimôn 1           (1) Mc 10,48 .   3   3   1 2   3 3
3 inf. pr. epitiman       (1) Mc 8,32 .            
5 ind. aor. 3de p. enk. mv. epitèmèsen 5 (1) Mc 1,25 .     (2) Mc 4,39 .   (3) Mc 8,30 . (4) Mc 8,33 .   (5) Mc 9,25   16 2 14 4 5 5   14 14
6 act. ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan 1           (1) Mc 10,13 . 2   2 1 1     2 2
    9 33 4 29 6 9 12 2 27 27

- wa consecutivum + act. qal imperf. 3de pers. mann. enk. וַיִּגְעַר = wajjigë`ar (en hij berispte) van het werkw. גָעַר = gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Taalgebruik in Tenakh: gâ`ar (berispen, verwijten, afweren, dreigen) . Getalwaarde: ghimel = 3, ajin = 16 of 70, resj = 20 of 200 ; totaal: 39 (3 X 13) OF 273 (3 X 7 X 13) . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (2): (1) Gn 37,10 . (2) Ps 106,9 . Een vorm van het werkw. גָעַר = gâ`ar in 13 verzen in Tenakh .

Mc 9,25.9. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord . Mc (68) . Mc 9 (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned.: de . Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran: ´al (de) . D.: der, die, das enz. . E.: the . Fr.: le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) . Grieks: ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Hebreeuws: הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) .

Mc 9,25.10. dat. onz. enk. πνευματι = pneumati van het zelfst. naamw. πνευμα = pneuma (geest) . Taalgebruik in het NT: pneuma (geest) . Taalgebruik in de Septuaginta: pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc: pneuma (geest) . Mc (7): (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 .

  pneuma bijbel  OT  NT  Mt 

Mc 

Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev. 
3 dat. enk. pneumati 124 37 87 4 7: 8 5 10 49 4 19 24
  Totaal   671  308  363 19 23 36 23 68 170 24 78 101

pneuma Mt 

Mc 

Lc  syn. ev. 
dat. enk. pneumati 4: (1) Mt 3,11. (2) Mt 5,3 . (3) Mt 12,28 . (4) Mt 22,43 . 7: (1) Mc 1,8 . (2) Mc 1,23 . (3) Mc 2,8 . (4) Mc 5,2 . (5) Mc 8,12 . (6) Mc 9,25 . (7) Mc 12,36 . 8: (1) Lc 1,17 . (2) Lc 1,80 . (3) Lc 2,27 . (4) Lc 3,16 . (5) Lc 4,1 . (6) Lc 8,29 . (7) Lc 9,42 . (8) Lc 10,21 . 19: (1) Mt 3,11 // Mc 1,8 // Lc 3,16 . (2) Mc 9,25 // Lc 9,42 . 24
Totaal   19 23 36 78 101

- Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest) . Taalgebruik in Rechters: rûach (geest) . Getalwaarde: resj = 20 of 200 . waw = 6 . chet = 8 . Totaal: 34 (2 X 17) of 214 (2 X 107) . Structuur: 2 - 6 - 8 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (204) . Pentateuch (19) . Eerdere Profeten (33) . Latere Profeten (65) . 12 Kleine Profeten (19) . Geschriften (68) . Pentateuch (19) .
- Ned.: geest . Arabisch: روح = rûH (geest) . Taalgebruik in de Qoran: rûH (geest) . D.: Geist . E.: spirit . Fr.: esprit . Grieks: πνευμα = pneuma (geest): Taalgebruik in het NT: pneuma (geest) . Hebreeuws . רוַח = rûach (geest) . Taalgebruik in Tenakh: rûach (geest) . Lat.: spiritus .

Mc 9,25.11. bep. lidw. dat. mann. + onz. enk. τῳ = tô(i) van het bepaald lidwoord ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord . Mc (68) . Mc 9 (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
6. dat. m. + onz. enk. tô(i) 68  5507  4462  1045  121  68  154  98  163  367  74  343  441 
  Totaal   940  67  45  41  64  70  71  62  36  66  71  40  59  53  106  61  28  54298  42002  12296  1648  940  1649  1422  1696  4013  928  4237 5659  

- bepaald lidw. Ned.: de . Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran: ´al (de) . D.: der, die, das enz. . E.: the . Fr.: le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) . Grieks: ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Hebreeuws: הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) .

Mc 9,25.12. dat. mann. + onz. enk. ακαθαρῳ = akatharô(i): (met een) onzuivere (geest) van het bijvoegl. naamw. ακαθαρος = akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in het NT: akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in de LXX: akatharos (onzuiver) . Taalgebruik in Mc: akatharos (onzuiver) . Mc (3): (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 .

  akatharos (onzuiver) Mc Mc 1 Mc 3 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 9 bijbel  OT  NT Mt  Mc Lc  Joh  Hnd  Br. Apk  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 3 (1) Mc 1,23 .     (2) Mc 5,2 .       (3) Mc 9,25 .   11 6 5   3 2        
  Totaal   11 169 139 30 2 11 6   5 3 3 19  19 

  akatharos (onzuiver) NT  Mt  Mc   Lc  syn. ev.
5 dat. m. + onz. enk. akatharô(i) 5   3: (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 . (3) Mc 9,25 . 2: (1) Lc 8,29 . (2) Lc 9,42 . 5 : Mc 9,25 // Lc 9,42 .
  Totaal   30 2 11 6 19  19 

- Hebreeuws . bijvoegl. naamw. vr. enk. טְמֵאָה = tëme´âh (onrein, onzuiver) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh: tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde: tet = 9, mem = 13 of 40, aleph = 1 ; totaal: 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur: 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (8): (1) Lv 5,2 . (2) Lv 7,21 . (3) Lv 11,6 . (4) Lv 15,25 . (5) Lv 15,33 . (6) Lv 27,11 . (7) Joz 22,19 . (8) Am 7,17 .
In het NT komt een vorm van ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het meest bij Mc voor . Bij Mc is het telkens verbonden met 'onzuivere geest' . In het Nederlands gaat het bijvoeglijk naamwoord vooraf aan het zelfstandig naamwoord, in het Grieks bij Mc in deze verzen volgt het bijvoeglijk naamwoord ακαθαρος = akatharos (onzuiver) het zelfstandig naamwoord pneuma (geest) . (1) Mc 1,23 (dat onz. enk. = akathartôi in: = anthrôpos en pneumati akathartôi = een mens met een onzuivere geest) . (2) Mc 1,26 (nom. onz. enk. = akatharton in: = to pneuma to akatharthon = de onzuivere geest) . (3) Mc 1,27 (dat. onz. mv. = akathartois in: = tois pneumasin tois akathartois = aan de onzuivere geesten) .
- Van Cangh (2005, p.68): "A l'adjectif, l'hébreu préfère le génitif de qualité . Voir par exemple Zach 13,2" . טֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh: tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde: tet = 9, mem = 13 of 40, aleph = 1 ; totaal: 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur: 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (3): (1) Nu 5,19 . (2) Re 13,7 . (3) Re 13,14 . הַטֻּמְאָה = hattumë´âh (onreinheid, verontreiniging) < prefix bepaald lidw. ha + zelfst. naam. . Zie het werkw. טָמֵא = tâma´ (onrein zijn) . Taalgebruik in Tenakh: tâma´ (onrein zijn) . Getalwaarde: tet = 9, mem = 13 of 40, aleph = 1 ; totaal: 23 OF 50 ( 2 X 5²) . Structuur: 9 - 4 - 1 . De som van de elementen is telkens 5 . Tenakh (2): (1) Zach 13,2 . (2) 2 Kr 29,16 .

Mc 9,25.9. - 12. τῳ πνευματι τῳ ακαθαρῳ = tô(i) pneumati tô(i) akatharô(i) (aan de onreine geest) . Bijbel (3): (1) Mc 9,25 . (2) Lc 8,29 . (3) Lc 9,42 .
- πνευματι ακαθαρῳ = pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest), steeds in de formulering van: εν πνευματι ακαθαρῳ = en pneumati akatharthô(i) (met een onzuivere geest) . Mc (2): (1) Mc 1,23 . (2) Mc 5,2 .
- Hebreeuws, zie Zach 13,2: רוּח הַטֻּמְאָה = rûach hattumë´âh (geest van de onreinheid = de onreine geest) .

Mc 9,25.13. act. part. praes. nom. mann. enk. λεγων = legôn (zeggend) van het werkw. λεγω = legô (zeggen) . Taalgebruik in het NT: legô (zeggen) . Taalgebruik in de Septuaginta.: legô (zeggen) . Mc (18): (1) Mc 1,7 . (2) Mc 1,15 . (3) Mc 1,24 . (4) Mc 1,25 . (5) Mc 1,40 . (6) Mc 5,23 . (7) Mc 8,15 . (8) Mc 8,26 . (9) Mc 8,27 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 12,6 . (12) Mc 12,26 . (13) Mc 14,44 . (14) Mc 14,60 . (15) Mc 14,68 . (16) Mc 15,4 . (17) Mc 15,9 . (18) Mc 15,36 . Een vorm van λεγω = legô (zeggen) in de LXX (4610), in het NT (1318), in Mc 1 (10) ; van ειπον = eipon (ik zei) in de LXX (4608), in het NT (925) .

legô (zeggen) tegenwoordige tijd bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
act. part. pr. nom. mann. enk. legôn  936  758  178  49  18  47  25  15  16  114  122 

Mc 9,25.14. dat. mann. en onz. enk. αυτῳ = autô(i) van het persoonl. voornaamw. 3de pers. enk. nom. mann. enk. αυτος = autos (hij) . Taalgebruik in het NT: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in de LXX: persoonlijk voornaamwoord . Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
3 dat. mann. enk. autô(i)  109  10  14  16    2475  1686  789  159  109  144  153  79  114  31  412  565 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 9,25.15. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,25.18. acc. mann. + onz. enk. kôfon (doof) van het bijvoegl. naamw. kôfos (doof) . Taalgebruik in het N.T.: kôfos (doof) . Taalgebruik in Mc: kôfos (doof) .
Mc (2): (1) Mc 7,32 . (2) Mc 9,25 . Verder nog één vorm in Mc, nl. acc. mann. mv. kôfous (doven): Mc 7,37 .

Mc 9,25.19. nom.+ acc. onz. enk. pneuma (geest) . Taalgebruik in het N.T.: pneuma (geest) . Taalgebruik in Mc: pneuma (geest) . Lat. spiritus . Fr. esprit . Ned. geest .
Mc (12): (1) Mc 1,10 . (2) Mc 1,12 . (3) Mc 1,26 . (4) Mc 3,29 . (5) Mc 3,30 . (6) Mc 5,8 . (7) Mc 7,25 . (8) Mc 9,17 . (9) Mc 9,20 . (10) Mc 9,25 . (11) Mc 13,11 . (12) Mc 14,38 .

Mc 9,25.29. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,25.30. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

- ochlos (menigte) . In 13 verzen bij Marcus, zie Mc 2,13 en Mt 4,20 . Linken tussen menigte (ochlos Mc 9,25), huis (oikon Mc 9,28) en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) .
- ochlos (menigte) bij Marcus - (12) Mc 10,1 - Mc 10,1 - ochloi (menigten) verwijst wellicht naar Mc 9,25 - Mc 9,14-29 -: ochlos (een menigte) - palin (opnieuw) 26X bij Marcus -

episuntrechei (epi: op (te hoop) sun (bijeen) trechô (lopen) ochlos: dat een menigte te hoop samenstroomde.
Met palin (opnieuw) - palin (opnieuw) 26X bij Marcus - verwijst ochloi (menigten) van Mc 10,1 hiernaar. In het werkwoord is sun- (bijeen) gemeenschappelijk. kai sumporeuontai palin ochloi pros auton: en opnieuw menigten gaan samen op weg bij hem.

Mc 9,26 - Mc 9,26 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
. 9:26 kai kraxas kai polla sparaxas ex�lthen kai egeneto �sei nekros �ste tous pollous legein oti apethanen . 25 et clamans et multum discerpens eum exiit ab eo et factus est sicut mortuus ita ut multi dicerent quia mortuus est 26 Iesus autem tenens manum eius elevavit illum et surrexit      [26] Onder gekrijs en veel stuiptrekkingen ging hij weg. Hij bleef achter als een lijk, zodat velen zeiden: ‘Hij is dood.’  [26] Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven.  26 En schreeuwend en hevig stuiptrekkend gaat hij weg, en hij wordt als een dode, zodat de meesten al zeggen ‘hij is gestorven!’   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,26 .

2. act. part. aor. nom. mann. enk. kraxas van het werkw. krazô (schreeuwen, roepen)  . Taalgebruik in het N.T.: krazô (schreeuwen, roepen) . Taalgebruik in Mc: krazô (schreeuwen, roepen) . Ned. krijsen . Mc (4): (1) Mc 5,7 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 15,39 .

5.

6. ind. aor. 3de pers. enk. exèlthen (hij ging uit) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T.: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Zie ook Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan) . Uit-gaan kan betekenen: van een eerder besloten ruimte zoals een huis, een stad enz. naar buiten gaan . Het werkwoord wordt ook vaak gebruikt om het weggaan van een onreine geest uit een persoon aan te geven .
Mc ( 11)  : (1) Mc 1,26 . (2) Mc 1,28 . (3) Mc 1,35 . (4) Mc 2,12 . (5) Mc 2,13 .  (6) Mc 4,3 .  (7) Mc 6,1 .  (8) Mc 8,27 . (9) Mc 9,26 . (10) Mc 11,11 . (11) Mc 14,68 .
Een vorm van exerchomai (uitgaan) in Mc 9 (3): (1) Mc 9,25 . (2) Mc 9,26 . (3) Mc 9,30 .

12. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

15. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

16. act. ind. aor. 3de pers. enk. απεθανεν = apethanen (hij stierf) van het werkw. αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in de Bijbel: apothnè(i)skô (sterven) . Bijbel (200) . OT (269) . NT (31) . Ev (18): (1) Mt 9,24 . (2) Mt 22,27 . (3) Mc 5,35 . (4) Mc 5,39 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 12,21 . (7) Mc 12,22 . (8) Mc 15,44 . (9) Lc 8,52 . (10) Lc 8,53 . (11) Lc 16,22 . (12) Lc 20,29 . (13) Lc 20,32 . (14) Joh 8,52 . (15) Joh 8,53 . (16) Joh 11,14 . (17) Joh 11,21 . (18) Joh 11,32 . Een vorm van αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) in de LXX (600), in het NT (113) .
- Ned.: sterven . Arabisch: مَاتَ = mâta (sterven) . Taalgebruik in de Qoran: mâta (sterven) . Aramees: מִית = mîth (sterven) . D.: sterben . E.: die . Fr. mourir (sterven) . E. die . D. sterben . Grieks: αποθνῃσκω = apothnè(i)skô (sterven) . Taalgebruik in het NT: apothnè(i)skô (sterven) . Italiaans: morire . Hebreeuws: מות = mwth (sterven, ondergaan) . Taalgebruik in Tenakh: mwth (sterven, ondergaan) . Latijn: mori . Spaans: morir .


Mc 9,27 - Mc 9,27 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:27 o de i�sous krat�sas t�s cheiros autou �geiren auton kai anest�  27 et cum introisset in domum discipuli eius secreto interrogabant eum quare nos non potuimus eicere eum     [27] Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan, en hij stond op.
[27] Maar Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op.
27 Maar Jezus grijpt zijn hand vast en wekt hem op, en dan staat hij op.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,27 . Het vers Mc 9,27 telt 11 woorden en 52 (2 X 2 X 13) letters . De getalwaarde van Mc 9,27 is 5708 (2 X 2 X 1427) .

27 ὁ (bep lidw nom mann enk) δὲ (nv, echter, lichte tegenstelling) Ἰησοῦς (= Ièsous: Jezus; nom mann enk eigennaam Jezus; Hebr. jëhôsjû‘a: hij brengt redding van het wkw jâsj‘a: redden ; Gr.: σωζω = sôzô) κρατήσας (act part aor nom mann enk van het wkw krateô: vastnemen, bemachtigen) αὐτὸν (pers vnw 3de pers acc mann enk) τῆς ( = tès: van de, bep lidw gen vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) χειρὸς (zn gen vr enk van het zn cheir: hand ; Arabisch: يد = jad (hand) . D.: Hand . E.: hand . Fr.: main . Hebreeuws: יָד = jâd (hand) . Lat.: manus . Oudengels: hentan (trachten te pakken) . Oudnoors: henda (grijpen) . Hand betekent dus 'grijper', evenals het Griekse χειρ = cheir (hand) ; (g - ch ; r) . In het hiëroglyfisch geeft de hand (vingers = doigts) de letter d weer ; de onderarm met twee vingers (grijpertjes) de letter ajin (`) . Uit het Hebreeuws: jatten (stelen) ἤγειρεν (act ind aor 3de pers enk van het wkw egeirô: opwekken) αὐτόν (pers vnw 3de pers acc mann enk), καὶ (nv) ἀνέστη (act ind aor 3de pers enk van het wkw anistèmi: opstaan) .
- Lat. resurgere . Surgere ( surrexi, surrectum ) = oprijzen, opstaan, rechtop staan . sur < super = op, boven + regere ( rexi, rectum ): richten, leiden, sturen . Ned. rekken ( Lat. reg- ), uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
- Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super: op, boven + citare: in beweging brengen . Aldus: terug in beweging brengen, heropleven .
Fr. réveiller: wekken, ont-waken < re + vigilare (vig- wak-, wek-) waken . D. auferwecken .

Mc 9,27.1. bep. lidw. nom. + onz. mann. enk. ho (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,27.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,27.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T.: Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc: Ièsous (Jezus) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,25. (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,39 . Een vorm van Ièsous (Jezus) in Mc 9 (8): (1) Mc 9,2 (nom. Ièsous) . (2) Mc 9,4 (dat. Ièsou) . (3) Mc 9,5 (dat. Ièsou) . (4) Mc 9,8 . (5) Mc 9,23 (nom. Ièsous) . (6) Mc 9,25 (nom. Ièsous) . (7) Mc 9,27 (nom. Ièsous) . (8) Mc 9,39 (nom. Ièsous) .

Mc 9,27.4. act. part. aor. nom. mann. enk. κρατησας = kratèsas (vastgenomen) van het werkw. . κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in het NT: krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in de LXX: krateô (vastnemen, bemachtigen) . Taalgebruik in Mc: krateô (vastnemen, bemachtigen) . Bijbel (7) . OT (1): 2 Mak 4,10 . NT (6): (1) Mt 14,3 . (2) Mt 18,28 . (3) Mc 1,31 . (4) Mc 5,41 . (5) Mc 9,27 . (6) Lc 8,54 . In deze drie verzen is κρατησας = kratèsas (vastgenomen) gecombineerd met της χειρος = tès cheirοs (de hand): (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 . Een vorm van κρατεω = krateô (vastnemen, bemachtigen) in de LXX (153), in het NT (47), in Mc (15) .
- act. ind. aor. 3de pers. enk. εκρατησεν = ekratèsen (hij greep vast, hij nam vast) . Bijbel (35) . LXX (32) . NT (3): (1) Mt 9,25 . (2) Mc 6,17 . (3) Apk 20,2 .

Mc 1,31 Mc 5,41 Mc 9,27
    ho de Ièsous (Jezus echter)  
ègeiren (hij wekte op) autèn (haar)    
kratèsas tès cheiros (de hand vastgenomen) kratèsas tès cheiros tou paidiou (de hand van het kind vastgenomen) kratèsas tès cheiros autou (zijn hand vastgenomen)
    ègeiren (hij wekte op) auton (hem) kai anestè (en hij stond op)
58. Genezing van Petrus'schoonmoeder: Mc 1,29-31 - Mt 8,14-15 - Lc 4,38-39  144. Genezing van een vrouw met bloedvloeiïng. Opwekking van Jaïrus'dochter: Mc 5,21-43 - Mt 9,18-26 - Lc 8,40-56  170. Genezing van een bezeten kind: Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a 

- וַיֶּחֱזַק = wajjèchèzaq (en hij nam vast) < prefix waw consecutivum wë + act. qal ind. imperf. 3de pers. mann. enk. van het werkw. חָזַק = châzaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Taalgebruik in Tenakh: chazaq (vast zijn, bemoedigen, bevestigen) . Getalwaarde: chet = 8, zajin = 7, qoph = 19 of 100 ; totaal: 34 (2 X 17) OF 115 (5 X 23) . Structuur: 8 - 7 - 1 . De som van de elementen is telkens 7 . wjjchzq: Tenakh (37) .

Mc 9,27.5. gen. vr. enk. της = tès (de) van het bepaald lidw. vr. enk. ἡ = hè . Taalgebruik in het NT: bepaald lidwoord . Taalgebruik in de LXX: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Mc 9 (5): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

  lidw. enk. Mc  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel  OT NT Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Br.  Apk  syn. ev.
5. gen. vr. enk. tès 65  5271  4202  1069  107  65  109  72  164  430  122  281  353 

- bepaald lidw. Ned.: de . Arabisch: bepaald lidw. اَل = ´al (de) . Taalgebruik in de Qoran: ´al (de) . D.: der, die, das enz. . E.: the . Fr.: le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) . Grieks: ὁ = ho, ἡ = hè, το = to (de - het) . Hebreeuws: הַ = ha (de, het) . Taalgebruik in Tenakh: ha (de, het) .

Mc 9,27.6. gen. mann. enk. χειρος = cheiros (van de hand) van het zelfst. naamw. χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT: cheir (hand) . Taalgebruik in de LXX: cheir (hand) . Mc (4): (1) Mc 1,31 .  (2) Mc 5,41 .  (3) Mc 8,23 .  (4) Mc 9,27 . Een vorm van χειρ = cheir (hand) in de LXX (1943), in het NT (176), in Mc (25) .
- יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh: jâd (hand) . Getalwaarde: jod = 10 . daleth = 4 . Totaal 14 (2 X 7) . Structuur: 1 - 4 . De som van de elementen is telkens 5 .
- יָד = jâd (hand) < zelfst. naamw. met 2 medeklinkers en oorspronkelijk 1 korte klinker (qal-vorm) (Lettinga(6) 24c1) . De korte klinker onderging een verandering van kwantiteit (korte a werd lange a) onder invloed van de pausa-vorm (Lettinga(6) 13h)
- Ned.: hand . Arabisch: يد = jad (hand) . Taalgebruik in de Qoran: jad (hand) . D.: Hand . E.: hand . Fr.: main . Grieks: χειρ = cheir (hand) . Taalgebruik in het NT: cheir (hand) ; cfr chirurgie, chiropraxie . Hebreeuws: יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh: jâd (hand) . Lat.:manus (cfr manufacture, manuel = handleiding, manipuler) .

cheir bijbel  OT  NT  Mt  Mc  Lc  Joh  Hnd  Brieven  Apk Lc Hnd
gen. vr. enk. cheiros 292 266 26 2 4 3 3 9 1 4   (1) Lc 1,71 . (2) Lc 1,74 . (3) Lc 8,54 .   (1) Hnd 2,23 . (2) Hnd 3,7 . (3) Hnd 7,25 . (4) Hnd 11,30 . (5) Hnd 12,11 . (6) Hnd 15,23 . (7) Hnd 23,19 . (8) Hnd 28,3 .
Totaal   1815 1637 178 25 26 26 15 44 26 16     

Mc 9,27.4. - 6. κρατησας της χειρος = kratèsas tès cheiros (vastgenomen zijn hand) in Bijbel = NT (4): (1) Mc 1,31 . (2) Mc 5,41 . (3) Mc 9,27 . (4) Lc 8,54 .

Mc 9,27.7. pers. voornaamw. 3de pers. gen. mann. enk. αυτου = autou van het pers. voornaamw. αυτος = autos . Taalgebruik in het NT: voornaamwoord autos . Taalgebruik in de LXX: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos . Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

  autos enk. Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
2 gen. mann. enk. autou  143  13  10  12  16  17  15  6883  5685  1198  225  143  220  150  118  256  86  588  738 
  totaal 413  35  17  27  14  34  34  18  33  32  30  18  25  47  34  12884  9893  2991  510  413  593  475  350  504  146  1670  2145 

Mc 9,27.6. - 7. יָדוֹ= jâdô (zijn hand) < zelfst. naamw. jâd (hand) + suffix pers. voornaamw. 3de pers. mann. enk. (van hem) van het zelfst. naamw. יָד = jâd (hand) . Taalgebruik in Tenakh: jâd (hand) . Het kan ook יָדָו = jâdâw (zijn handen) gevocaliseerd worden, maar dan ontbreekt de meervoudsjod na de daleth . Tenakh (159) . Pentateuch (59) . Eerdere Profeten (28) . Latere Profeten (26) . 12 Kleine Profeten (8) . Geschriften (38) . Gn (11) . Ex (13) . Lv (28) . Nu ((3) . Dt (4) .

Mc 9,27.8. actief imperfectum derde persoon enkelvoud ègeiren (hij wekte op) . Taalgebruik in het N.T.: egeirô (wekken) . Taalgebruik in Mc: egeirô (wekken) . Wellicht wekken uit de slaap, op-wekken . Ned. wekken vlg. Lat. vegere: flink, levendig zijn, opgewekt zijn . . Lat. resurgere . Surgere ( surrexi, surrectum ) = oprijzen, opstaan, rechtop staan . sur < super = op, boven + regere ( rexi, rectum ): richten (rechtop), leiden, sturen . -> op-richten = rechtop staan -> resurgere = opnieuw op-richten, terug rechtop staan . Ned. rekken ( Lat. reg- ), uitstrekken . Rectus = recht . Fr. résurrection .
Fr. ressusciter cfr. Lat. suscitare . super: op, boven + citare (citus: vlug, snel): in beweging brengen . Aldus: terug in beweging brengen, heropleven .
Fr. réveiller: wekken, ont-waken < re + vigilare (vig- wak-, wek-) waken .
In twee verzen bij Marcus: (1) Mc 1,31 . (2) Mc 9,27 .

9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,27.1. - 9.
- Mc 1,31: kai proselthôn ègeiren autèn kratèsas tès cheiros (en naderbijgekomen wekte hij haar op, nadat hij de hand had vastgenomen) .
- Mc 9,27: ho de ièsous kratèsas tès cheiros autou ègeiren auton (Jezus echter, zijn hand vastgenomen, wekte hem op) .


Mc 9,28 - Mc 9,28 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai eiselthontos autou eis oikon hoi mathètai autou kat'idian epèrôtôn auton Hoti hèmeis ouk èdunèthèmen ekbalein auto; et cum introisset in domum discipuli eius secreto interrogabant eum quare nos non potuimus eicere eum En hij ging binnen in een huis (en) zijn leerlingen ondrvroegen hemafzonderlijk: "Waarom konden wij hem niet uitwerpen?"  Toen hij thuis gekomen was en zijn leerlingen met Hem alleen waren, vroegen zij: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitdrijven?   Thuisgekomen*, alleen met zijn leerlingen, vroegen dezen Hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen hem: ‘Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?’  Hij gaat een huis binnen en dan, als ze onder elkaar zijn, vragen zijn leerlingen hem: waarom konden wij dat niet, hem uitdrijven? Bij zijn thuiskomst ondervroegen zijn leerlingen hem  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,28 . Het vers Mc 9,28 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 94 (2 X 47) letters . De getalwaarde van Mc 9,28 is 9556 (2 X 2 X 2389) .

Mc 9,28.1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,28.2. part. aor. gen. mann. enk. eiselthontos (binnengegaan) van het werkwoord eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T.: eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen .
Mc (1): Mc 9,28 .

Mc 9,28.3. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,28.2. - 3. eiselthontos autou (nadat hij = Jezus was binnengegaan) . Losse genitief . Het onderwerp van de hoofdzin zijn de leerlingen van Jezus . Zij ondervragen hem .

Mc 9,28.4. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,28.5. acc. mann. enk. oikon (huis) van het zelfst. naamw. oikos (huis) . Taalgebruik in het N.T.: oikia (huis) . Taalgebruik in Mc: oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere: blijven, verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus . Steeds in combinatie met het voorzetsel eis (naar) .
- voorzetsel eis (naar) + bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis):
eis ton oikon (naar het huis) in Mc (5 / 10): (1) Mc 2,11 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 5,19 . (4) Mc 5,38 . (5) Mc 7,30 .
- voorzetsel eis (naar) + acc. mann. enk. zelfst. naamw. oikon (huis) zonder het bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) .
eis oikon (naar huis) in Mc (5 / 10): (1) Mc 3,20 . (2) Mc 7,17 . (3) Mc 8,3 . (4) Mc 8,26 . (5) Mc 9,28 .

Mc 9,28.1. - 5. STAP VOOR STAP !
Mc 7,17: kai hote eisèlthen eis oikon (en toen hij in huis binnenging) .
Mc 9,28: kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij in huis was binnengegaan) .

Linken tussen menigte (ochlos Mc 9,25), huis (oikon Mc 9,28) en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) . Zie ook: linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14), huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) .

Mc 9,28.6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (4): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,28.7. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T.: mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk. Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .
De leerlingen stellen vragen aan Jezus (als verduidelijking van wat Jezus in het openbaar heeft gezegd) . Viermaal ondervroegen de leerlingen Jezus: (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . Eénmaal is er een vraag van de Farizeeën: (1) Mc 10,2 . Eénmaal is er een vraag van de Sadduceeën: (1) Mc 12,18 .

Mc 9,28.8. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,28.6. - 8. oi mathètai autou (zijn leerlingen) . Mc (11 / 17) . Niet in (1) Mc 2,18 . (2) Mc 7,5 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 14,16 .

Mc 9,28.9. kat': afkorting van kata . kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in het N.T.: kata (tegen, volgens) . Taalgebruik in Mc: kata (tegen, volgens) .
Mc (11) . Mc 9 (2): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,28 .

Mc 9,28.10. acc. vr. enk. idian (eigen) van het bijvoegl. naamw. idios (eigen) . Taalgebruik in het N.T.: idios (eigen) . Taalgebruik in Mc: idios (eigen) .
Mc (7): (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,28.9. - 10. kat'idian (?? oikian): bij zijn eigen - bij zijn huis = thuis .
In zeven verzen bij Mc: (1) Mc 4,34 . (2) Mc 6,31 . (3) Mc 6,32 . (4) Mc 7,33 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 13,3 .

Mc 9,28.11. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud epèrôtôn (zij 'onder'vroegen, zij vroegen op) . van het werkw. ep-erotaô (inter-roger: ondervragen, tussen-vragen), bijvragen . Taalgebruik in het N.T.: eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc: eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (6): (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 .
De leerlingen vroegen: (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën: (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën: (1) Mc 12,18 .

12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc

1. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 7,17: Kai hote eisèlthen eis oikon apo tou ochlou epèrôtôn auton hoi mathètai autou (en toen hij naar huis binnenging weg van de menigte, ondervroegen zijn leerlingen hem) .
- Mc 9,28: kai eiselthontos autou eis oikon hoi mathètai autou kat'idian epèrôtôn auton (en nadat hij naar huis binnenging, ondervroegen zijn leerlingen in afzondering hem) .

In twee verzen is er sprake van het binnengaan in een huis en het uitvragen van Jezus door de leerlingen . In Mc 7,17 vragen de leerlingen van Jezus hem uit over de parabel over wat een mens bezoedelt . Daar worden allerlei 'zonden' opgesomd, die de liefde tot de naaste schaden (Mc 7,21 - Mc 7,22) . In Mc 9,28 vragen de leerlingen van Jezus hem, waarom zij de onreine geest niet hebben kunnen buitenwerpen .

13. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

15. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,29 - Mc 9,29 --170. Genezing van een bezeten kind: - Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,14 - Mc 9,15 - Mc 9,16 - Mc 9,17 - Mc 9,18 - Mc 9,19 - Mc 9,20 - Mc 9,21 - Mc 9,22 - Mc 9,23 - Mc 9,24 - Mc 9,25 - Mc 9,26 - Mc 9,27 - Mc 9,28 - Mc 9,29 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:29 kai eipen autois touto to genos en oudeni dunatai exelthein ei m� en proseuch�i   29 et inde profecti praetergrediebantur Galilaeam nec volebat quemquam scire       [29] Hij zei tegen hen: ‘Dit soort kun je niet anders uitdrijven dan met gebed.’  [29] Hij antwoordde: ‘Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.’  29 Hij zegt tot hen: dit soort kan door niet anders weggaan dan door gebed!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,29 .

1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

5. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

7. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

9. ind. praes. 3de pers. enk. dunatai (hij kan) van het (hulp-) werkw.dunamai (kunnen) . Taalgebruik in het N.T.: dunamai (kunnen) . Taalgebruik in Mc: dunamai (kunnen) . Mc (11): (1) Mc 2,7 .  (2) Mc 3,23 . (3) Mc 3,24 . (4) Mc 3,26 . (5) Mc 3,27 .  (6) Mc 7,15 . (7) Mc 7,18 .  (8) Mc 9,3 . (9) Mc 9,29 .  (10) Mc 10,26 .  (11) Mc 15,31 .

11. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42) . Mc 9 (6): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

13. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

171. Tweede lijdensvoorspelling: Mc 9,30-32 - Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -

Evangelielezing van deMc 9,30-37 (Mc 9,30-37 ):
In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan." Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: "Waar hebt ge onderweg over getwist?" Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was. Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen." Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen: "Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft."

De tekst

30. En daarvandaan uitgetrokken gingen zij zijdelings door Galilea en hij wilde niet dat iemand (het) zou weten.
31. Hij onderwees immers de leerlingen van hem en hij zei aan hen dat de mensenzoon wordt overgelverd in de handen van mensen en zij zullen hem doden en gesorven zal hij na drie dagen opstaan.
32. zij echter begrepen het woord niet en zij waren bevreesd hem (uitleg) te vragen.

Een eerste kennismaking met de tekst: Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32

De tekst bestaat uit:
- de aanduiding van een plaatsverandering (Mc 9,30a), (nl. dat zij door Galilea trekken op weg naar Jeruzalem)
- de geheimhouding ervan (Mc 9,30b), (nl. van wat zojuist gezegd is)
- het onderricht van Jezus aan zijn leerlingen (Mc 9,31) (nl. de tweede lijdensvoorspelling)
en de reactie van de leerlingen erop (Mc 9,32). (nl. het niet begrijpen door de leerlingen en de vrees om uitleg te vragen)
In Mc 9,30a is Jezus en de leerlingen onderwerp, in Mc 9,30b-Mc 9,31 is het Jezus en in Mc 9,32 zijn het de leerlingen . Er zijn 3 X 2 hoofdzinnen . Telkens zijn twee hoofdzinnen met het woordje kai = en met elkaar verbonden . De verbinding tussen de drie X twee hoofdzinnen gebeurt door voegwoorden: in Mc 9,31: immers (Grieks: gar) en in Mc 9,32: echter (Grieks: de) . De hoofdwerkwoorden in de hoofdzinnen staan in de onvoltooid verleden tijd - imperfectum.

Mc 9,30 - Mc 9,30: 171. Tweede lijdensvoorspelling: Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:30 kakeithen exelthontes pareporeuonto dia t�s Galilaias kai ouk �thelen hina tis gnoi 30 docebat autem discipulos suos et dicebat illis quoniam Filius hominis tradetur in manus hominum et occident eum et occisus tertia die resurget En ze daarvandaan weg (en) kwamen voorbij door Galilea, en hij wou niet dat iemand het zou weten: In die tijd gingen Jezus en zijn leerlingen weg van de berg en trokken Galilea door; maar Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [30] Ze gingen daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [30] Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, 30 ¶ Daarvandaan weggaand zijn zij verdergetrokken door Galilea, en hij heeft niet gewild dat iemand daarvan kennis zou hebben.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,30 . Het vers Mc 9,30 telt 13 (12???) woorden en 70 (2 X 5 X 7) letters . De getalwaarde van Mc 9,30 is 5071 (11 X 461) .
De bijbelteksten hadden oorspronkelijk geen titels . Het begin van een nieuwe pericope wordt vaak bepaald door een plaatsverandering . Dit is ook hier het geval . De pericope begint: "En zij gingen daarvandaan weg" . Dat roept natuurlijk de vraag op: "Waarvandaan gingen ze weg." Van welke plaats is er sprake in voorgaande tekst ? Het antwoord op onze vraag vinden we in Mc 9,28: "En hij ging binnen in een huis en zijn leerlingen ondervroegen hem." Ze gingen dus weg van een huis waarin Jezus'leerlingen hem een vraag hadden gesteld en waarop hij een antwoord had gegeven . In Mc 8,28 - Mc 8,29 maakt Marcus een onderscheid tussen Jezus en zijn leerlingen . Zoals reeds eerder is voorgekomen onderricht Jezus zijn leerlingen in besloten kring (ka'idian) . Door het gebruik van de losse genitief beklemtoont de evangelist het initiatief van Jezus om zijn leerlingen de kans te geven een vraag te stellen en om hen te onderrichten . We zouden eerder schrijven: Nadat zij waren gekomen in een huis, vroegen zijn leerlingen hem..." In Mc 9,30 verschijnen Jezus en zijn leerlingen als groep (meervoudsvorm) . De link met voorgaande pericope is ook van ondergeschikt belang (verleden deelwoord - participium aorist) in de zin van Mc 9,30 . Door het plaatsen van eis oikon (naar / in huis) achter eiselthontos (nadat hij was binnengegaan) (Mc 9,28) en ekeithen (daarvandaan) vóór eksethontes (weggegaan zijnde) (Mc 9,30) krijgen we een kruisvormige structuur (chiasme) . Door ekeithen (daarvandaan) vooraan te plaatsen, wordt het beklemtoond .

Mc 9,30.1. εκειθεν = ekeithen . Taalgebruik in het NT: vanhier, vandaar . Taalgebruik in de LXX: vanhier, vandaar . Taalgebruik in Mc: vanhier, vandaar . Mc (5): (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,1 .
- Mc 6,10 en Mc 6,11 behoren tot de zendingsrede . εκειθεν = ekeithen (vandaar) in de andere drie verzen maken telkens deel uit van de linken tussen οχλος = ochlos (menigte), οικος = oikos of οικια = oikia (huis) en εκειθεν = ekeithen (vandaar) .
- και εκειθεν = kai ekeithen (en vandaar) . LXX (9) . NT (2): (1) Mc 7,24 . (2) Lc 9,4 .
- εκειθεν δε = de ekeithen (echter vandaar) . LXX (5) . NT (0) .

  ekeithen (vandaar)  Mc Mc 6 Mc 7 Mc 9 Mc 10 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
ekeithen  (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 (4) Mc 7,24 .   (5) Mc 10,1 157  130  27  12    20  22 
kakeithen      (1) Mc 9,30 .   10    10             
  totaal  167  130  37  12  12    20  22 

- Hebreeuws: מִשָּׁם = misjsjâm (vandaar) < prefix voorzetsel min + bijwoord van sj-m . שָׁם = sjâm (daar) OF שֵׁם = sjem (naam) . Taalgebruik in Tenakh: sjem (naam) . Getalwaarde: sjin = 21 of 300, mem = 13 of 40 ; totaal: 34 (2 X 17) of 340 (10 X 2 X 17) . Structuur: 3 - 4 . De som van de elementen is telkens 7 . Tenakh (103) . Pentateuch (37) .
- וּמִשָּׁם = ûmisjsjam (en vandaar) < prefix voegwoord wë + prefix voorzetsel min + bijwoord sj-m . Tenakh (8) .


Mc (1): Mc 9,30 . Dit verwijst naar Mc 9,28: eis oikon (naar huis) . ekeithen (vanhier) . Mc (5): (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,1 .

Mc 9,30.2. part. aor. nom. mann. mv. exelthontes (uitgegaan) van het werkw. exerchomai (uitgaan) . Taalgebruik in het N.T.: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) . Taalgebruik in Mc: exerchomai (uit-gaan, naar buiten gaan) .
Mc (5): (1) Mc 1,29 . (2) Mc 3,6 . (3) Mc 6,12 . (4) Mc 9,30 . (5) Mc 16,20 .
Dit vervolgt op Mc 9,28: kai eiselthontos autou eis oikon (nadat hij naar het huis was binnengegaan) .

Mc 9,30.1. - 2. Linken tussen:
menigte (ochlos Mc 9,25): idôn de ho ièsous hoti episuntrechei ochlos (gezien echter Jezus dat een menigte opeenstroomt),
huis (oikon Mc 9,28): kai eiselthontos autou eis oikon (en nadat hij in huis was binnengegaan)
en vanaf hier (kakeithen Mc 9,30) . Zie ook: linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14), huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) .

Mc 9,30.1. - 2. Chiastische (kruis) structuur:
- Mc 9,28: kai eiselthontos autou eis oikon (nadat hij naar het huis was binnengegaan) .
- Mc 9,30: kakeithen exelthontes (en vandaar uitgegaan) .

Mc 9,30.3. ind. imperf. 3de pers. mv. pareporeuonto  (zij begaven zich op weg langs) van het werkw. paraporeuomai (zich op weg begeven langs) . Taalgebruik in het N.T.: paraporeuomai (zich begeven langs) . Taalgebruik in Mc: paraporeuomai (zich begeven langs) .
Mc (1): Mc 9,30 . Een vorm van paraporeuomai (zich op weg begeven langs) in 4 verzen in Mc: (1) Mc 2,23 . (2) Mc 9,30 . (3) Mc 11,20 . (4) Mc 15,29 .

Mc 9,30.4. dia (door, na) . dia in Mc (29) . di' (2) . Taalgebruik in N.T.: dia (door) . Taalgebruik in Mc: dia (door) . Voorzetsel . L. per, post . Fr. par, après . Ned. na . dia in Mc (29) . di' (2) . Mc 9 (1): Mc 9,30 .

Mc 9,30.5. bep. lidw. gen. vr. enk. t�s (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,20 . (4) Mc 9,27 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.6. gen. vr. enk. galilaias van de plaatsnaam galilaia (Galilea) . Taalgebruik in het N.T.: Galilaia (Galilea) . Taalgebruik in Mc: Galilaia (Galilea) . Hebr. gälal (rollen, wentelen) .
Mc (7): (1) Mc 1,9 . (2) Mc 1,16 . (3) Mc 1,28 . (4) Mc 3,7 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 7,31 . (7) Mc 9,30
Een vorm van Galilea komt in Mc in 12 verzen voor . In 11 ervan in combinatie met een voorzetsel, niet in Mc 6,21 (de eersten van Galilea) .

Mc 9,30.4. - 6. dia tès galilaias (door Galilea) . Mc (1): Mc 9,30 . De periode van Jezus in Galilea wordt stilaan afgesloten die begon in Mc 1,9 .

Mc 9,30.7. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,30.8. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,30.9. act. ind.  imperf. 3de pers. enk. èthelen (hij wilde) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T.: thelô (willen) . Taalgebruik in Mc: thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (5): (1) Mc 3,13 . (2) Mc 6,19 . (3) Mc 6,48 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.8. - 9. ouk èthelen (hij wilde niet) . In Mc slechts in Mc 9,30 .

Mc 9,30.10. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T.: hina (opdat) . Taalgebruik in Mc: hina (opdat) . Voegwoord van doel .
Mc (59) . Mc (5): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,12 . (3) Mc 9,18 . (4) Mc 9,22 . (5) Mc 9,30 .

Mc 9,30.9. - 10 èthelen hina (hij wilde dat) . In Mc slechts in Mc 9,30 .

Mc 9,30.11. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag., betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Ned. wie, wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,30.12. act. con,j. aor. 3de pers. enk. gnoi  van het werkw. gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in het N.T.: gignôskô (kennen, weten) . Taalgebruik in Mc: gignôskô (kennen, weten) .
Mc (2): (1) Mc 5,43 . (2) Mc 9,30 .

Mc 9,30.7. - 12. STAP VOOR STAP !
- Mc 5,43: kai diesteilato autois polla ina m�deis gnoi touto (en hij beval hen meermaals dat niemand dit zou weten) . Het zwijggebod betreft het ten leven wekken van het kind .
- Mc 9,30: kai ouk �thelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen, gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea, maar hij wil niet dat iemand het weet .

- Mc 7,24: oudena èthelen gnônai (hij wilde niemand kennen) .
- Mc 9,30: kai ouk �thelen hina tis gnoi (en hij wilde niet dat iemand het zou weten) . Na de uitdrijving van een onreine geest uit een jongen, gaat Jezus weg uit de streek en trekt door Galilea, maar hij wil niet dat iemand het weet .

Het is opmerkelijk dat Jezus voorbijgaat door Galilea . Je kan aan deze plaatsaanduiding gemakkelijk voorbijgaan, maar het is de eerste aanduiding die suggereert dat Jezus op weg naar Jeruzalem is . Er is iets merkwaardigs gebeurd . In Mc 8,27-30 beleed Petrus: "Gij zijt de messias" en in Mc 9,2-10 vertelt Marcus de verheerlijking van Jezus . Tot dan week Jezus uit voor gevaar . Vanaf nu gaat Jezus het gevaar niet meer uit de weg maar gaat hij de uitdaging aan om naar Jeruzalem te gaan . Volgens sommige auteurs begint met Mc 8,27-10,45 een nieuw deel: op weg.

"Kwamen voorbij door Galilea" is verweven met het hele evangelie. Het herinnert aan alles wat Jezus gezegd en gedaan heeft in Galilea (Mc 1,14-8,26) en het anticipeert de woorden van Jezus dat hij na zijn opstanding uit de doden zijn leerlingen zal voorgaan naar Galilea .
Het zinsdeeltje maakt duidelijk dat een tekst deel uitmaakt van een groter geheel . Het is als bij het lezen van een roman . Je begrijpt bepaalde onderdelen pas op het einde van het boek, als het verhaal tot ontknoping is gekomen . Zo is het ook met een evangelie . We begrijpen pas goed het verhaal als we het slot hebben gelezen en het is soms boeiend om het evangelie achterste voren te lezen . Sommige bijbelgeleerden zijn van mening dat eerst het passieverhaal zijn vorm heeft gekregen en pas later de andere gedeelten van het evangelie . Het is als bij het meemaken van het sterven van een nabij persoon . Eerst blijven we tot in de kleinste details stilstaan hoe het is gebeurd en pas daarna blikken we terug op alles wat de persoon gezegd en gedaan heeft .
Marcus zelf geeft ons tips om verbanden te leggen .

Een verhaal in zijn geheel bekijken, betekent kennis maken met een hoofdpersonage, met wat het meemaakt . Naast het hoofdpersonage zijn er nevenpersonages: personages die het hoofdpersonage helpen, ondersteunen en die het tegenwerken. In het Marcusevangelie is Jezus het hoofdpersonage . Helpers zijn de leerlingen en het volk. Tegenstanders zijn de Farizeeën, schriftgeleerden, priesters, hogepriesters... en koning Herodes . De structuur van het evangelie is eenvoudig: er is een proloog (Mc 1,1-13), een epiloog of slot (Mc 16,1-8) en een middenstuk (Mc 1,14-15,47) . Het middengedeelte omvat drie onderdelen: het optreden van Jezus in Galilea, op weg naar Jeruzalem, het gebeuren in Jeruzalem .

Mc 9,31 - Mc 9,31:: 171. Tweede lijdensvoorspelling: Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
.9:31 edidasken gar tous math�tas autou kai elegen autois oti o Uios tou Anthr�pou paradidotai eis cheiras anthr�p�n kai apoktenousin auton kai apoktantheis meta treis �meras anast�setai   30 docebat autem discipulos suos et dicebat illis quoniam Filius hominis tradetur in manus hominum et occident eum et occisus tertia die resurget  hij leerde immers zijn leerlingen en zei hun: "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen van mensen, en ze zullen hem doden ; en gedood, zal hij na drie dagen opstaan".   want Hij was bezig zijn leerlingen te onderrichten. Hij zeide hun: "De Mensenzoon wordt overgeleverd in de handen der mensen en ze zullen Hem doden; maar drie dagen na zijn dood zal Hij weer opstaan."  [31] want Hij was bezig met onderricht aan zijn leerlingen. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd en valt in de handen van mensen. Ze zullen Hem doden, en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.’   [31] want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: ‘De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.’   31 Want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven en heeft tot hen gezegd: de mensenzoon wordt overgeleverd in handen van mensen, en ze zullen hem doden, en eenmaal gedood zal hij na drie dagen opstaan!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,31 . Het vers Mc 9,31 telt 26 (2 X 13) woorden en 149 letters . De getalwaarde van Mc 9,31 is 16346 (2 X 11 X 743) . Tweede lijdensaankondiging . Deze lijdensaankondiging bestaat uit drie elementen: overlevering, doding en opwekking / opstanding .

- aankondiging : Mc 9,31 : hoti ho huios tou anthrôpou (dat de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd) eis cheiras anthrôpôn (in handen van mensen) .
- vervulling:  Mc 14,41: idou paradidotai ho huios tou anthrôpou (zie wordt overgeleverd de mensenzoon) eis tas cheiras tôn hamartôlôn (in de handen van de zondaars) .
- Judas:  Mc 14,21: ouai de tôi anthrôpôi ekeinôi di'hou ho huios tou anthrôpou (wee echter die mens door wie de mensenzoon) paradidotai (wordt overgeleverd) .

Mc 9,31.1. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw. didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T.: didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc: didaskô (leren) . Auto-didact: iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek: leer van het onderrichten .
Mc (6): (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .

Mc 9,31.2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

Mc 9,31.3. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

Mc 9,31.4. acc. mann. mv. mathètas (leerlingen) . van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T.: mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc: mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (7): (1) Mc 6,45 .   (2) Mc 8,1 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,33 . (5) Mc 9,14 . (6) Mc 9,31 .   (7) Mc 12,43 . -- Ned.: leren . D.: lernen . E.: learn.
-- Hebr.: לָמַד = lâmad. Stam: l - m - d. Gr.: μα-ν-θ-αν-ω = ma-n-th-an-ô (leren, onderwijzen). μαθητης = mathètès: leerling. Stam: math. Zie Hebr.: m-d . ל = l wordt gebruikt voor de datief: aan, voor. מה = mâh of mah of mèh: vragend vnw wat of welk. למה = lâmmâh of lâmèh: waarom? De ד is de letter daleth: d. Het zou naar iets kunnen verwijzen, een aanwijzend voornaamwoord: dat. We zouden het Hebreeuwse למד = lâmad kunnen vertalen met: voor wat is dat? Waarvoor of waarom is dat? Het is de vraag naar de functionaliteit van het aangeduide. Leren is onderwijzen.
- In het Ned.: dit, dat; ook het bep lidw de. In het Gr.: het bep lidw το = to: de. In het Gr.: δι-δα-σκ-ω = di-da-sk-ô: leren, onderwijzen, onderrichten. Lat.: docere. Stam: d-k/c. Beide woorden beginnen met een d, dat. In het Grieks kennen we het wkw δεικ-νυ-μι = deik-nu-mi: wijzen, tonen. Gr.: δακτυλος = daktulos: vinger Lat.: digitus: vinger - vangen, begrepen vanuit δεικ-νυ-μι = deiknumi: wijzen, tonen zou wijzer (dat! b.v. een vingerwijzing: vermaning) kunnen betekenen. Is in het Nederlands een d een v geworden en werd er vervolgens de nasalisatie met n ingevoerd waardoor we 'v-i-n-g-er' krijgen? In het Hiëroglyfisch wordt de d voorgesteld door een hand met duim. Te onthouden met digitus/doigt.
- Gr.: δεχομαι = dechomai (stam: d - k/ch) wordt in het Latijn vertaald door ac-cipere < ad + capere: tot zich nemen. In het Frans wordt 'ontvangen' door recevoir < het Latijn recipere < re + capere: terug nemen, vertaald. Het Nederlandse kapen: overmeesteren, roven komt van het Latijnse capere.
- Het Nederlandse werkwoord leren en het Hebreuwse werkwoord lamed beginnen met de letter l.

Mc 9,31.5. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,31.3. - 5. tous mathètas autou (zijn leerlingen) . Mc (5 / 7) . Niet in  (1) Mc 8,1 . (2) Mc 9,14 .

Mc 9,31.1. 3. - 5. edidasken (of een vorm van didaskô = leren) ... tous mathètas autou (hij onderrichtte ... zijn leerlingen) . In Mc slechts in Mc 9,31 .

Mc 9,31.6. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.7. act. ind. imperf. 3de pers. enk. elegen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) . Taalgebruik in het N.T.: legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg-: lezen / lec-tuur ; les, Fr. leçon .
Mc (31) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,24 . (3) Mc 9,31 .
Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (11): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,11 . (4) Mc 9,13 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,24 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 9,26 . (9) Mc 9,31 . (10) Mc 9,35 . (11) Mc 9,41 .

Mc 9,31.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,31.6. - 8. kai elegen autois (en hij zei hen) . Mc (14): (1) Mc 2,27 . (2) Mc 3,23 .  (3) Mc 4,2 . (4) Mc 4,11 . (5) Mc 4,21 . (6) Mc 4,24 . (7) Mc 6,4 . (8) Mc 6,10 . (9) Mc 7,9 . (10) Mc 7,14 . (11) Mc 8,21 . (12) Mc 9,1 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 11,17 .

Mc 9,31.1. - 8.
- Mc 4,2: kai edidasken autous en parabolais polla kai elegen autois en t� didach� autou (hij onderrichtte hen in parabels en hij zei hen in zijn onderricht) .
- Mc 9,31: edidasken gar tous math�tas autou kai elegen autois (want hij onderrichtte zijn leerlingen en hij zei hen) .
- Mc 11,17: kai edidasken kai elegen autois (en hij onderrichtte en hij zei hen) .

Mc 9,31.9. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,31.8. - 9. Een vorm van legô (zeggen) in Mc 9 (10), gevolgd door hoti (dat) (9), dat het citaat inleidt . Mc 9 (5 ; 5 / 10 en 5 / 9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,26 . (5) Mc 9,31 .

Mc 9,31.10. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,31.11. nom. mann. enk. huios van het zelfst. naamw. huios (zoon) . Taalgebruik in het N.T.: huios (zoon) . Taalgebruik in Mc: huios (zoon) . Hebr. ben . Lat. filius . Fr. fils .
Mc (19) . Mc 9: (1) Mc 9,7 . (2) Mc 9,9 ** . (3) Mc 9,31 ** . (** een vorm van ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) .

Mc 9,31.12. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
(116) . Mc 9 (7): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,31.13. gen. mann. enk. anthrôpou (mens) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T.: anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens) .
Mc (15): (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **.   (3) Mc 5,8 .   (4) Mc 7,15 . (5) Mc 7,20 .  (6) Mc 8,31** .  (7) Mc 8,38 ** . (8) Mc 9,9 ** . (9) Mc 9,12 **. (10) Mc 9,31 ** .  (11) Mc 10,33 ** . (12) Mc 10,45 ** .   (13) Mc 13,26 **.  (14) Mc 14,21 **. (15) Mc 14,41 **.

Mc 9,31.10. - 13. ho huios tou anthrôpou (de mensenzoon) in Mc (9 / 19): (1) Mc 2,10 ** . (2) Mc 2,28 **. (3) Mc 8,38 ** . (4) Mc 9,9 ** . (5) Mc 9,31 ** . (6) Mc 10,33 ** . (7) Mc 10,45 ** . (8) Mc 14,21 ** . (9) Mc 14,41 ** .

Mc 9,31.14. pass. ind. praes. 3de pers. enk. paradidotai (hij wordt overgeleverd) van het werkw. paradidômi (overleveren)  . Taalgebruik in het N.T.: paradidômi (overleveren) . Taalgebruik in Mc: paradidômi (overleveren) . Lat. tradere (trans -dare) . Fr. trahir . Ned. overleveren, overgeven . Hebr. mâsar . Bij (Gr. para) langs, naast wordt verondersteld dat er nog iets / iemand anders is . Om die tweeheid beter uit te drukken kan men ook spreken over: tegenover, aan de andere zijde . Zo kan para-didômi betekenen: geven aan de tegenovergestelde, de andere, de tegenstander en in negatieve zin kan het over-leveren betekenen . Mc (3): (1) Mc 9,31 .  (2) Mc 14,21 . (3) Mc 14,41 .  

Mc 9,31.15. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,31.16. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T.: cheir (hand) . Taalgebruik in Mc: cheir (hand) .
Mc 5 (11): (1) Mc 5,23 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 8,23 . (5) Mc 8,25 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,16 . (9) Mc 14,41 . (10) Mc 14,46 .  (11) Mc 16,18

Mc 9,31.17. gen. mann. mv. anthrôpôn (van mensen) van het zelfst. naamw. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T.: anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc: anthrôpos (mens) .
Mc (11): (1) Mc 1,17 . (2) Mc 3,28 . (3) Mc 7,7 . (4) Mc 7,8 . (5) Mc 7,21 . (6) Mc 8,33 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 11,2 . (9) Mc 11,30 . (10) Mc 11,32 .  (11) Mc 12,14 .

Mc 9,31.18. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.19. act. ind. fut. 3de pers. mv. apoktenousin (zij zullen doden) van het werkw. apokteinô (doden) . Taalgebruik in het N.T.: apokteinô (doden, vermoorden) . Taalgebruik in Mc: apokteinô (doden, vermoorden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits: töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors, mortis) .
Mc (2): (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 .

Mc 9,31.20. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,31.21. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,31.22. pass. part. aor. nom. mann. enk apoktantheis (gedood) van het werkw. apokteinô (doden) . Taalgebruik in het N.T.: apokteinô (doden, vermoorden) . Taalgebruik in Mc: apokteinô (doden, vermoorden) . Gr. kteinô (doden, vermoorden) . Lat. occidere < ob-cadere (tegenslaan, doodslaan) . Fr. tuer . Ned. doden . Duits: töten . Hebr. mûth - môth . Fr. mourir (Lat. mori) . mort (Lat. mors, mortis) . Mc (1): Mc 9,31 .

Mc 9,31.23. meta (met, na) . Taalgebruik in het N.T.: meta (na, met) . Taalgebruik in Mc: meta (na, met) . Voorzetsel . Hebr. `im .
- Lat. cum . Ned. met (Gr. me - ta = met die dingen) . D. mit . E. with . Fr. avec (< apud hoc: met dat) .
- Lat. post-quam . Ned. na-dat . D. nachdem . Fr. après (< ad pressum = tot ge-perst, opeengeperst ; primere, pressum: persen ) . E. after .
Mc (34) . Mc 9 (2): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,31 .  

Mc 9,31.24. treis (drie) . telwoord . Taalgebruik in het N.T.: telwoorden . Taalgebruik in Mc: telwoorden .
Mc (5): (1) Mc 8,2 . (2) Mc 8,31 . (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,34 .

Mc 9,31.25. gen. vr. enk. + acc. vr. mv hèmeras (dagen) van het zelfst. naamw. hèmera (dag) . Taalgebruik in het N.T.: h�mera (dag) . Taalgebruik in Mc: h�mera (dag) . Mc (11): (1) Mc 1,13 . (2) Mc 5,5 . (3) Mc 6,21 . (4) Mc 8,31 . (5) Mc 9,2 . (6) Mc 9,31 .  (7) Mc 10,34 .  (8) Mc 13,20 . (9) Mc 13,32 .  (10) Mc 14,1 . (11) Mc 14,25 .  

Mc 9,31.26. ind. fut. 3de pers. enk. anastèsetai (hij zal opstaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T.: anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc: anistèmi (opstaan) . Mc (2): (1) Mc 9,31 . (2) Mc 10,34 .  

Mc 9,32 - Mc 9,32:: 171. Tweede lijdensvoorspelling: Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,30 - Mc 9,31 - Mc 9,32 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:32 oi de �gnooun to r�ma kai efobounto auton eper�t�sai   31 at illi ignorabant verbum et timebant eum interrogare Zij echter begrepen het woord niet, en ze vreesden hem te ondervragen.   Zij begrepen die woorden wel niet maar schrokken ervoor terug Hem te ondervragen. [32] Ze begrepen* dat woord niet, maar ze durfden Hem er ook niets over te vragen.   [32] Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen.
32 Maar zij hebben niets herkend in wat hij zei, en waren bevreesd om hem er naar te vragen.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,32 . Het vers Mc 9,32 telt 9 (3 X 3) woorden en 44 (2 X 2 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 9,32 is 5087 .

Mc 9,32.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (4): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,32.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,32.1. - 2. hoi de (zij echter) . Mc () . Mc 9 (2): (5) Mc 9,32 . (6) Mc 9,34 .

Mc 9,32.3. act. ind. imperf. 3de pers. mv. ègnooun  van het werkw. agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in het N.T.: agnoeô (ontkennen) . Taalgebruik in Mc: agnoeô (ontkennen) . Mc (1): Mc 9,32 . Een vorm van agnoeô (ontkennen) in Mc slechts in 1 vers: Mc 9,32 .

Jezus wilde niet dat iemand zou weten dat hij op weg naar Jeruzalem door Galilea trok . Hij vreest wellicht dat hij nooit in Jeruzalem zal geraken omdat hij vroegtijdig zal worden opgepakt . Er dreigt ook gevaar van binnenuit, want er is reeds vermeld (Mc 3,19) dat Judas, één van de twaalf, hem zal overleveren. Met dat dreigend gevaar hangen verschillende themata samen: het zwijggebod, het spreken in parabels .
In het Marcusevangelie is er sprake van wat men noemt het "messiasgeheim" . Hiermee bedoelt men dat in dit evangelie Jezus zijn messiasschap tracht geheim te houden . Daarom geeft hij aan mensen die zijn ware identiteit kennen, de opdracht het stil te houden .

Mc 9,32.4. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,32.5. acc. onz. enk. rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in het N.T.: rèma (woord, uitspraak) . Taalgebruik in Mc: rèma (woord, uitspraak) .
Mc (2): (1) Mc 9,32 . (2) Mc 14,72 . In Mc 9,32 ontkennen de leerlingen het woord van Jezus over zijn lijden, dood en verrijzenis (tweede lijdensvoorzegging) . In Mc 14,72 herinnert Petrus zich bij het hanengekraai het woord dat Jezus tot hem sprak . Petrus had in Mc 14,71 gezegd: ik ken die mens niet waarover je spreekt .

Mc 9,32.6. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,32.7. ind. imperf. 3de pers. mv. efobounto (zij vreesden) van het werkw. fobeomai (vrezen) . Taalgebruik in het N.T.: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) . Taalgebruik in Mc: fobeomai (vrezen, door fobieën bevangen worden) .
Mc (5): (1) Mc 9,32 . (2) Mc 10,32 . (3) Mc 11,18 . (4) Mc 11,32 . (5) Mc 16,8 .

Mc 9,32.8. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -

De tekst geeft aan:
- een plaatsverandering: zij gingen naar Kafarnaüm (Mc 9,33a),
- de vraag van Jezus waarover zij onderweg hebben gediscussieerd (Mc 9,33b),
- het stilzwijgen van de leerlingen en de reden ervan nl. de discussie ging erover wie de grootste is (Mc 9,34),
- het antwoord van Jezus: indien iemand de grootste wil zijn ... (Mc 9,35),
- het plaatsen van een kind in het midden door Jezus (Mc 9,36),
- een woord van Jezus: wie één van deze kinderen... (Mc 9,37) .
In Mc 9,33a (de plaatsverandering) zijn Jezus en de leerlingen onderwerp . In Mc 9,33b, Mc 9,35-36 is Jezus onderwerp .

>
Mc 9,33b Mc 9,34 Mc 9,35a Mc 9,35b Mc 9,36a Mc 9,36b
Kai (en) en tiji oikiai genomenos (en in huis gekomen zijnde)   kai kathisas (en zich neergezet hebbende) kai (en) kai laboon paidion (en genomen hebbende een kind) kai enagkalisamenos auto(en het omarmd hebbende)
epijroota (vroeg hij) hoi de esioopoon (zij echter zwegen) efoonijsen (riep hij) legei (zegt) estijsen auto en mesooi atoon (plaatste het in hun midden) eipen (zei hij)
autous (hen)   tous doodeka (de twaalf) autois (aan hen)   autois (aan hen)
ti (wat - waarover) pros allijlous gar dielechthijsan (want onder elkaar hadden zij gediscussieerd)        
en tiji hodooi (onderweg) en tiji hodooi (onderweg)        
dielogizesthe (jullie hebben gediscussieerd)          

 

Mc 9,33 - Mc 9,33: 173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
Kai èlthon eis Kafarnaoum kai en tèi oikiai genomenos epèrôta autous, Tí en tèi hodôi dielogizesthe; et venerunt Capharnaum qui cum domi esset interrogabat eos quid in via tractabatis En ze kwamen in Kafarnaüm. En thuis gekomen ondervroeg hij hen: Wat hebben jullie onderweg overlegd?"  Zij kwamen in Kafarnaüm en, eenmaal thuis, ondervroeg Hij hen: Waar hebt ge onderweg over getwist?  Ze kwamen in Kafarnaüm. Thuis* vroeg Hij hun: ‘Waar hadden jullie het onderweg toch over?’   Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: ‘Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?’  Ze komen aan in Kafarnaoem. Als hij in het huis is stelt hij aan hen de vraag: en waarover ging onderweg uw overleg? en zij gingen naar Kafarnaüm

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,33 . Het vers Mc 9,33 telt 18 (2 X 3 X 3) woorden en 91 letters . De getalwaarde van Mc 9,33 is 8549 (83 X 103) .

Mc 9,33. Καὶ ἦλθον εἰς Καφαρναούμ. καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος ἐπηρώτα αὐτούς, Τί ἐν τῇ ὁδῷ διελογίζεσθε;
Vertaling: En zij gingen naar Kafarnaüm. En in het huis gekomen ondervraagt hij hen: Waarover discussieerden jullie onderweg?
καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἦλθον (= èlthon: zij kwamen; wkw act ind aor 3de pers mv van het wkw ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen; 2 wkw met verschillende stammen: ερχ = erch en ελ = el: Baeyens 102,136, zie Fr.: al-ler; om de aor van het wkw αρχομαι = archomai: beginnen en ἐρχόμαι = erchomai: gaan, komen, van elkaar te onderscheiden) εἰς (= eis: naar; vz van plaats) Καφαρναούμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). καὶ (= kai: en; nevenschikkend vw. D.: und. E.: and. Fr.: et. Lat.: et. Hebr.: wë. Arab.: wa) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) οἰκίᾳ (= oikia(i): huis; zn dat vr enk van het zn οικια = oikia: huis) γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-) ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger) αὐτούς (= autous: hen; pers vnw 3de pers acc mann mv van het pers vnw 3de pers enk: αυτος - αυτη - αυτο: autos - autè - auto: hij - zij - het), Τί (= wat? vrag vnw acc onz enk van het vrag vnw τις = tis: wie? τι = ti: wat; de Nederlandse w in plaats van de Griekse t) ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd) τῇ (= tè(i); bep lidw dat vr enk van het bep lidw ὁ = ho, ἡ = hè, το = to: de - het) ὁδῷ (= hodô: 'onder'weg; zn dat vr enk van het zn ὁδὸς = hodos: weg) διελογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren);

Mc 9,33.1. και = kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in NT . Taalgebruik: kai (en) in de LXX . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Van de 28 verzen in Mc 2 niet in 2 verzen: (1) Mc 2,7 . (2) Mc 2,10 .

kai (en)  kai (en)   Mc Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel O.T. N.T. Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev. 
verzen  verzen (678) (666) 678 45  28  35  41  43  56  37  38  50  52  33  44  37  72  47  20  / 8     7957 1071 678 1151 879 1007 2767 404 2900  3779 
kai (en)   kai = en (555) (547) 555  40  26  32  33  37  52  26  36  40  37  29  33  26  60  33  15 / 7 26980  21867  5113  705  555  822  530  660  1470  371  2082  2612 
verschil verschil (123) (115) 123 5 2 3 8 6 4 11 2 10 15 4 11 11 12 14 5 / 1     2844 366 123 329 349 347 1297 33 818 1167

- Ned.: en . Arabisch: وَ = wa (en) . Taalgebruik in de Qoran: wa (en) . D.: und . E.: and . Fr.: et . Grieks: και = kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in NT . Hebr.: וְ = wë (en) . Lat.: et
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. ind. aor. 1ste p. enk. + 3de p. mv. èlthon (ik ging of zij gingen) van het werkw. erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in het N.T.: erchomai (gaan, komen) . Taalgebruik in Mc.: erchomai (gaan, komen) . .
Mc (9): (1) Mc 1,29 . (2) Mc 5,1 . (3) Mc 6,53 . (4) Mc 9,33 . (5) Mc 14,16 . ('6') Mc 2,17 (1ste pers.) ; ('7') Mc 3,8 . ('8') Mc 5,14 . ('9') Mc 6,29 . In 1 vers staat de 1ste persoon (Mc 2,17), in de andere verzen staat de 3de persoon meervoud .

Mc 9,33.3. εἰς (= eis: naar; vz van plaats). Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in de LXX: eis (naar) . εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Taalgebruik in de LXX: eis (naar) . Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

eis (naar)  bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b.  Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16
  6930  5336  1594  215  151  210  181  260  504  73  576  757  427  77  13 5 6 8 11 14 9 10 11 13 8 7 8 20 3 5

- Ned.: naar . D.: nach . E.: for . Fr.: vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) / à . Grieks: εις = eis (naar) . Taalgebruik in het NT: eis (naar) . Lat.: in / ad .

2. - 3. In 5 verzen gaan Jezus en zijn leerlingen naar een bepaalde plaats: èlthon (zij gingen) + eis (naar: voorzetsel van plaats) + plaatsbepaling .
(1) Mc 1,29 (èlthon eis tèn oikian... = zij gingen naar het huis van de schoonmoeder van Simon) .
(2) Mc 5,1 (kai èlthon eis to peran tès thalassès = zij gingen naar de overzijde van het meer) .
(3) Mc 6,53 (èlthon eis Gennèsaret = zij gingen naar Gennesaret) .
(4) Mc 9,33 (kai èlthon eis Kafarnaoum = zij gingen naar Kafarnaüm) .
(5) Mc 14,16 (kai èlthon eis tèn polin = zij gingen naar de stad) .

Mc 9,33.4. καφαρναυμ (= kafarnaoum: Kafarnaüm; eigennaam; këfar nahum: dorp van troost). Taalgebruik in het NT: kafarnaoum (Kafarnaüm) . Taalgebruik in Mc: kafarnaoum (Kafarnaüm) . Mc (3): (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

Kafarnaoum (Kafarnaüm)   bijbel NT Mt Mc Lc Joh syn.  ev. 
  16  16  4 : (1) Mt 4,13 . (2) Mt 8,5 . (3) Mt 11,23 . (4) Mt 17,24 3 : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 . 4 : (1) Lc 4,23 . (2) Lc 4,31 . (3) Lc 7,1 . (4) Lc 10,15 5 : (1) Joh 2,12 . (2) Joh 4,46 . (3) Joh 6,17 . (4) Joh 6,24 . (5) Joh 6,59 . 11 : (1) Mt 4,13 // Mc 1,21 // Lc 4,31 . (2) Mt 11,23 // Lc 10,15 . 16 : (1) Mt 8,5 // Mc 2,1 // Lc 7,1 // Joh 4,46 .
12: eis kafarnaoum       3 . niet in Mt 11,23 . 3 .   3 . Lc 4,23 eis tèn kafarnaoum . niet in Lc 10,15 3 . en kafarnaoum in (1) Joh 4,46 .  (2) Joh 6,59 . niet in: (1) Mt 11,23 // Lc 10,15 .  

- Hebreeuws: כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh: kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde: kaph = 11 of 20, pe = 17 of 80, resj = 20 of 200 ; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur: 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 .
- כֹּפֶר = kophèr (losgeld, zoengeld) . Zie het werkw. כָּפַר = kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Taalgebruik in Tenakh: kâphar (vergeven, vergiffenis krijgen) . Getalwaarde: kaph = 11 of 20, pe = 17 of 80, resj = 20 of 200 ; totaal: 48 (2² X 2² X 3) OF 300 (2² X 5² X 3) . Structuur: 2 - 8 - 2 . De som van de elementen is telkens 3 . Tenakh (7): (1) Ex 21,30 . (2) Ex 30,12 . (3) 1 S 6,18 . (4) Job 36,18 . (5) Spr 6,35 . (6) Spr 13,8 . (7) Spr 21,18 .
- נָחַם = nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Taalgebruik in Tenakh: nâcham (berouw, verdriet, medelijden hebben, zich troosten) . Getalwaarde: nun = 14 of 50, chet = 8, mem = 13 of 40: totaal: 35 (5 X 7) OF 98 (2 X 7²) . Structuur: 5 - 8 - 4 . De som van de elementen is telkens 8 .

Mc 9,33.3. - 4. εις καφαρναυμ = eis Kafarnaoum (naar Kafarnaüm) . NT (12/16) . Mc (3): (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,1 . (3) Mc 9,33 .

και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum: en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm. In Mc 2,1 verwijst palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 .
- Kafarnaoum (Kafarnaüm) komt in Mc slechts in verbinding met het voorzetsel εις = eis (naar) voor . Het staat telkens aan het begin van een nieuwe pericope . Aan het voorzetsel εις = eis (naar) gaat een werkwoord van beweging vooraf, in twee verzen een werkwoord met het voorvoegsel εισ- = eis (naar) . De zinnen beginnen telkens met het voegwoord και = kai (en) .
In Mc 1,21 begint het optreden van Jezus in Galilea, in Mc 9,33 wordt de periode van Galilea afgesloten . Mc 9,33-50 is de laatste pericope . In Mc 10,1 vertrekt Jezus en gaat naar het gebied van Judea . In Mc 2,1 verwijst παλιν εις καφαρναυμ = palin eis Kafarnaoum (opnieuw naar Kafarnaüm) naar Mc 1,21 .
- Mc 1,21 . και εισπορευονται εις καφαρναυμ = kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij begeven zich op weg naar Kafarnaüm) .
- Mc 2,1 . και εισελθων παλιν εις καφαρναυμ = kai eiselthôn palin eis Kafarnaoum (en binnengegaan opnieuw in Kafarnaüm) .
- Mc 9,33 . και ἦλθον εις καφαρναυμ = kai èlthon eis Kafarnaoum (en zij gingen naar Kafarnaüm) .
STAP VOOR STAP!

Mc 9,33.5. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,33.6. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned.: in . Arabisch: فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in . E.: in . Fr.: dans . Grieks: εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT: en (in) . Hebreeuws: בְּ = bë . Lat.:

Mc 9,33.7. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Mc (55) .Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned.: in . Arabisch: فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in . E.: in . Fr.: dans . Grieks: εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT: en (in) . Hebreeuws: בְּ = bë . Lat.:

bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,33.8. nom. + dat. vr. enk. oikia(i) (huis) van het zelfst. naamw. oikia (huis) . Taalgebruik in het N.T.: oikia (huis) . Taalgebruik in Mc: oikia (huis) . Hebr. bêth . Lat. domus . Fr. la maison ( mansus - manere: blijven, verblijven ) . Ned. huis. E. house . D. Haus .
Mc (5): (1) Mc 2,15 . (2) Mc 3,25 (nom.) . (3) Mc 6,4 . (4) Mc 9,33 . (5) Mc 14,3 .

Mc 9,33.6. - 8. In 4 / 5: ἐν τῇ οἰκίᾳ = en tè(i) oikia(i) = in het huis: (1) Mc 2,15 . (2) Mc 6,4 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 14,3 .

Mc 9,33.9. γενόμενος (= genomenos: geworden; wkw med part aor nom mann enk van het wkw γινομαι = ginomai: gebeuren - stam ge-). Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc: ginomai (worden) . Mc (2): (1) Mc 6,26 . (2) Mc 9,33 .

Mc 9,33.6. - 9. STAP VOOR STAP !
- Mc 2,1: ὅτι ἐν οἴκῳ ἐστίν = hoti en oikô(i) estin: dat hij in huis is.
- Mc 9,33: ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος = en tè(i) oikia(i) genomenos: nadat hij in het huis was.
- ἐν τῇ οἰκίᾳ = en tèi oikiai (thuis) (Mc 9,33) link met ekeithen (vanaf hier) (Mc 10,1) .

Mc 9,33.10. ἐπηρώτα (= epèrôta: hij ondervroeg; wkw act ind imperf 3de pers enk van het wkw επερωταω = eperôtaô: 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen. Fr.: inter-roger). Taalgebruik in het N.T.: eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc: eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (9): (1) Mc 5,9 .  (2) Mc 8,23 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,29 .   (5) Mc 9,33 . (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3 . (8) Mc 14,61 . (9) Mc 15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

11. pers. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (40) . Mc (4): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,14 . (3) Mc 9,16 . (4) Mc 9,33 .

10. - 11. epèrôta (hij ondervroeg) autous (hen) . Mc (2): (1) Mc 8,5 (sommige lezingen: èrôta = hij vroeg) . (2) Mc 9,33 .

Mc 9,33.13. ἐν (= en: in, tijdens, met; vz van plaats, tijd). Taalgebruik in het NT: en (in) . Taalgebruik in de LXX: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Mc (55) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

en (in) .   Mc 1 Mc 2 Mc 3 Mc 4 Mc 5 Mc 6 Mc 7 Mc 8 Mc 9 Mc 10 Mc 11 Mc 12 Mc 13 Mc 14 Mc 15 Mc 16 bijbel OT NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn. ev.
119 13  13  12    10  11097 8943 2154 247 119 288 182 226 966 126 654  836 

- Ned.: in . Arabisch: فِي = fi (in) . Taalgebruik in de Qoran: fi . D.: in . E.: in . Fr.: dans . Grieks: εν = en (in, tijdens) . Taalgebruik in het NT: en (in) . Hebreeuws: בְּ = bë . La

Mc 9,33.14. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,33.15. dat. vr. enk. hodô(i)  van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T.: hodos (weg) . Taalgebruik in Mc: hodos (weg) .
Mc (6): (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .  (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .  (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .

Mc 9,33.13. - 15. en tè(i) hodô(i): op de weg . Telkens de dat. vr. enk. hodô(i) (weg) wordt gebruikt, is het in deze formule:

12. 15. ti ... logizesthe (wat overleggen jullie) . Mc (2): (1) Mc 2,8 . (2) Mc 9,33 . διελογίζεσθε (= dielogidzesthe: jullie discussieerden; med ind imperf 2de pers mv van het wkw διαλογιζομαι = dialogizomai: uiteenzetten, discussiëren)


Mc 9,34 - Mc 9,34: 173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:34 oi de esi�p�n pros all�lous gar dielechth�san en t�i od�i tis meiz�n 34 et residens vocavit duodecim et ait illis si quis vult primus esse erit omnium novissimus et omnium minister  "Zie, we gaan op naar Jeruzalem, en de Mensenzoon zal overgeleverd worden aan de hogepriesters en de schriftgeleerden en ze zullen hem ter dood veroordelen en ze zullen hem overleveren aan de heidenvolkeren  Maar zij zwegen, want ze hadden onderweg een woordenwisseling gehad over de vraag wie de grootste was.  [34] Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg ruzie gehad over de vraag wie de grootste was. [34] Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. 34 Maar zij hebben er het zwijgen toe gedaan; want ze hadden tegen elkaar overlegd, onderweg, wie de grootste was.  

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,34 .

Mc 9,34.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (4): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,32 . (4) Mc 9,34 .

Mc 9,34.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

1. - 3. oi de esiôpôn (zij echter zwegen) . Mc (2): (1) Mc 3,4 . (2) Mc 9,34 .

Mc 9,34.6. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

4. - 7. een vorm van dialogizomai (discussiëren) met pros allèlous (met elkaar) in Mc (2): (1) Mc 4,41 . (2) Mc 9,34 .

Mc 9,34.8. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,34.9. bep. lidw. dat. vr. enk. tè(i) (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (55) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,24 . (2) Mc 9,33 . (3) Mc 9,34 .

Mc 9,34.10. dat. vr. enk. hodô(i)  van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T.: hodos (weg) . Taalgebruik in Mc: hodos (weg) .
Mc (6): (1) Mc 8,3 . (2) Mc 8,27 .  (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 .  (5) Mc 10,32 . (6) Mc 10,52 .

Mc 9,34.11. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag., betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Ned. wie, wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

12. meizôn (groter) . Mc (2): (1) Mc 9,34 . (2) Mc 12,31 .

Terwijl Jezus en zijn leerlingen door Galilea trekken, voorspelt Jezus voor de tweede maal zijn lijden, dood en opstanding . Hierop geven zijn leerlingen geen antwoord en durven ook geen vragen stellen . Wel hebben ze hun eigen ideeën van hun opgaan naar Jeruzalem . Ze denken aan het verwerven van macht en aan hun onderlinge rangorde . Er zijn twee sporen, dat van Jezus en dat van zijn leerlingen . En die sporen zijn tegengesteld aan elkaar.

In Mc 9,34 staat meizoon, een comparatief van megas (groot) met een superlatiefwaarde: de grootste . Het gaat om een rangorde . Dat wordt duidelijk aan wat aan de andere tekst van Marcus (Mc 10,42-45) voorafgaat, nl. de vraag van Jakobus en Johannes om de beste plaatsen te krijgen . De laatste in rangorde was de slaaf . Het wordt ook duidelijk dat we voor een heldere structuur staan . Na de tweede lijdensvoorspelling (Mc 9,30-32), volgt het niet begrijpen van de leerlingen en daarop een lang onderricht van Jezus (Mc 9,34-50) . Evenzo na de derde lijdensvoorspelling (Mc 10,32-34), de vraag naar de belangrijkste plaatsen, waaruit hun onbegrip blijkt (Mc 10,35-40) en een onderrichting door Jezus (Mc 10,41-45) . Opmerkenswaardig is wel dat de uitspraak dat wie groot wil zijn, de dienaar van allen moet zijn (Mc 9,35) in deonderrichting na de tweede lijdensvoorspelling, bijna herhaald wordt in Mc 10,41-45 en wel op de laatste plaats (Mc 10,43-44) . We krijgen een soort inclusio (omarming) .

Wie groot wil zijn, moet dienaar zijn. Dienaar / doulos is de vertaling van ébed JHWH (dienaar van JHWH) van Jesaja . Het is een lijdende dienaar .We hebben met paradoxen (schijnbare tegenstellingen) te maken .

Mc 9,35 - Mc 9,35: 173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2004) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
kai kathisas efônèsen tous dôdeka kai legei autois, ei tis thelei prôtos einai, estai pantôn eschatos kai pantôn diakonos et residens vocavit duodecim et ait illis si quis vult primus esse erit omnium novissimus et omnium minister En hij ging zitten (en) riep de twaalf en zei hun: "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen".   Toen zette Hij zich neer, riep de twaalf bij zich en zei tot hen: "Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen moeten wezen en de dienaar van allen."   Hij ging zitten, riep de twaalf en zei hun: ‘Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.’  Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: ‘Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.’  Hij gaat zitten, roept de twaalf bij zich en zegt tot hen: als iemand de eerste wil zijn, zal hij van allen de laatste zijn: van allen een bediende!   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,35 . Het vers Mc 9,35 telt 19 woorden en 97 letters . De getalwaarde van Mc 9,35 is 12029 (23 X 523) .

Mc 9,35.1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.2. act. part. aor. nom. mann. enk. kathisas (gezeten) van het werkw. kathizô (zitten) . Taalgebruik in het N.T.: kathizô (zitten) . Taalgebruik in Mc: kathizô (zitten) . Mc (2): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 12,41 . Een vorm van kathizô (zitten) in 9 verzen in Mc:  (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,40 .  (4) Mc 11,2 . (5) Mc 11,7 .   (6) Mc 12,36 . (7) Mc 12,41 . (8) Mc 14,32 . (9) Mc 16,19 .  

Mc 9,35.3. act. ind. aor. 3de pers. enk. efônèsen (hij riep) van het werkw. foneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in het N.T.: fôneô (roepen, schreeuwen) . Taalgebruik in Mc: fôneô (roepen, schreeuwen) . Mc (3): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 14,68 . (3) Mc 14,72 .  

Mc 9,35.4. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

Mc 9,35.5. dôdeka (tien) . telwoord . Taalgebruik in het N.T.: telwoorden . Taalgebruik in Mc: telwoorden .
Mc (15) . Mc 9 (1): (1) Mc 9,35 .

Mc 9,35.6. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.7. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) .
Mc (62) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,35.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,35.9. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42) . Mc 9 (6): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 (B) . (6) Mc 9,42 .  

Mc 9,35.10. nom. mann. enk. tis (wie) van het vrag., betrekk. of onbep. voornaamw. tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord tis . Ned. wie, wat ? een .
Mc (24) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,30 . (2) Mc 9,34 . (3) Mc 9,35 .

Mc 9,35.9. - 10. ei tis (indien (wanneer) iemand) . Mc (4): (1) Mc 4,23 . (2) Mc 7,16 . (3) Mc 8,34 . (4) Mc 9,35 .

Mc 9,35.11. act. ind. praes. 3de pers. enk. thelei (hij wil) van het werkw. thelô (willen) . Taalgebruik in het N.T.: thelô (willen) . Taalgebruik in Mc: thelô (willen) . Lat. velle . Fr. vouloir . Ned. willen .
Mc (2): (1) Mc 8,34 .  (2) Mc 9,35 .  

Mc 9,35.9. - 11. ei tis thelei = indien (wanneer) iemand wil . Mc (2): (1) Mc 8,34 .  (2) Mc 9,35 .

Mc 9,35.12. nom. mann. enk. prôtos (eerste) van het bijvoegl. naamw. (rangtelwoord) prôtos (eerste) . Taalgebruik in het N.T.: prôtos (eerste) . Taalgebruik in Mc: prôtos (eerste) . Mc (3): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,44 . (3) Mc 12,20 .  

Mc 9,35.13. act. inf. praes. einai (zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (7): (1) Mc 8,27 . (2) Mc 8,29 .  (3) Mc 9,5 . (4) Mc 9,35 .  (5) Mc 10,44 .   (6) Mc 12,18 .   (7) Mc 14,64 .

Mc 9,35.12. - 13. prôtos einai (de eerste zijn): Mc 9,35 OF einai prôtos (de eerste zijn) .

14. act. ind. fut. 3de pers. enk. estai (hij zal zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (9): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 . (3) Mc 10,44 . (4) Mc 11,23 . (5) Mc 11,24 . (6) Mc 12,7 . (7) Mc 12,23 . (8) Mc 13,4 . (9) Mc 14,2 .

15. gen. mv. pantôn (allen / alles) van het bijvoegl naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T.: pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk, ieder .
Mc (10): (1) Mc 2,12 . (2) Mc 4,31 . (3) Mc 4,32 . (4) Mc 9,35 . (5) Mc 10,44 . (6) Mc 12,22 . (7) Mc 12,28 . (8) Mc 12,33 . (9) Mc 12,43 . (10) Mc 13,13 .

14. - 15. estai pantôn (hij zal zijn van allen) . Mc (2): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,44 .

Mc 9,35.17. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,35.19. nom. mann. enk. diakonos van het zelfst. naamw. diakonos (dienaar) . Taalgebruik in het N.T.: diakonos (dienaar) . Taalgebruik in Mc .: diakonos (dienaar) .
Mc (2): (1) Mc 9,35 . (2) Mc 10,43 .

Mc 9,36 - Mc 9,36: 173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:36 kai lab�n paidion est�sen auto en mes�i aut�n kai enagkalisamenos auto eipen autois 35 et accipiens puerum statuit eum in medio eorum quem cum conplexus esset ait illis    Hij nam een kind en zette het in hun midden; Hij omarmde het en sprak tot hen:  [36] Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen:  [36] Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen:   36 Hij haalt een kind naar zich toe en zet dat midden tussen hen neer; hij sluit het in zijn armen en zegt tot hen:   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,36 .

1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

3. nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T.: paidion (kind) . Taalgebruik in Mc: paidion (kind) . Mc (5): (1) Mc 5,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,30 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 10,15 .

6. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

6. - 7. en mesô(i) (in het midden van) . Mc (2): (1) Mc 6,47 . (2) Mc 9,36 .

9. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

10. part. aor. nom. mann. enk. enagkalisamenos (in de armen genomen, omarmd) . enagkalizomai (omarmen), in de armen nemen . Taalgebruik in het N.T.: enagkalizomai (omarmen) . Taalgebruik in Mc: enagkalizomai (omarmen) .
Mc (2): (1) Mc 9,36 . (2) Mc 10,16 .

9. - 11. STAP VOOR STAP !
- Mc 9,36: kai enagkalisamenos auto (en het - kind - in de armen genomen) .
- Mc 10,16: kai enagkalisamenos auta ( en hen - de kinderen - in de armen genomen) .

 

12. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

13. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,4 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,19 . (7) Mc 9,29 . (8) Mc 9,31 . (9) Mc 9,35 . (10) Mc 9,36 .

Mc 9,37 - Mc 9,37: 173. De grootste in het Rijk Gods: Mc 9,33-37 - Mt 18,1-5 - Lc 9,46-48 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,33 - Mc 9,34 - Mc 9,35 - Mc 9,36 - Mc 9,37 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 25ste (vijfentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
hos an (wie) hen tôn toioutôn paidiôn dexètai epi tôi onomati mou eme dechetai kai os an eme dech�tai ouk eme dechetai alla ton aposteilanta me  36 quisquis unum ex huiusmodi pueris receperit in nomine meo me recipit et quicumque me susceperit non me suscipit sed eum qui me misit  "Wie een kind als dit opneemt in mijn Naam neemt Mij op; en wie Mij opneemt neemt niet Mij op, maar Hem die Mij gezonden heeft."     [37] ‘Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.’   [37] ‘Wie in mijn naam één zo’n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.’  37 al wie één van zulke kinderen ontvangt, met een beroep op mijn naam, ontvangt mij, en al wie mij ontvangt ontvangt níet mij maar hem die mij heeft gezonden!  één van dergelijke kinderen ontvangt in mijn naam ontvangt mij

King James Bible .
Luther-Bibel . .

Tekstuitleg van Mc 9,37 . Het vers Mc 9,37 telt 25 (5 X 5) woorden en110 (2 X 5 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 9,37 is 11940 (2 X 2 X 3 X 5 X 199) .

Mc 9,37.1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 9 (5): (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  

Mc 9,37.2. an . Taalgebruik in het N.T.: an . Taalgebruik in Mc: an . Mc (18) . Mc 9 (4): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 9,42 .

Mc 9,37.3. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,37.6. gen. onz. mv. paidiôn (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T.: paidion (kind) . Taalgebruik in Mc: paidion (kind) . Mc (2): (1) Mc 7,28 . (2) Mc 9,37 .

Mc 9,37.7. conj. aor. 3de pers. enk. dexètai  (hij zou ontvangen) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T.: dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc: dechomai (ontvangen) . Mc (3): (1) Mc 6,11 .  (2) Mc 9,37 . (3) Mc 10,15 .

Mc 9,37.1. - 2. 7.
- Mc 6,11: kai hos an topos mè dexètai (en welke plaats - jullie - niet zou ontvangen) .
- Mc 9,37: hos an ... dexètai (wie - één van dergelijke kinderen - zou ontvangen) kai hos an eme dechètai ( en wie mij zou ontvangen) .
- Mc 10,15: kai hos an mè dexètai tèn basileian tou theou hôs paidion (en wie het koninkrijk van God niet zou ontvangen als een kind) .

Mc 9,37.9. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . Mc (68) . Mc (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

Mc 9,37.10. dat. onz. enk. onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T.: onoma (naam) . Taalgebruik in Mc: onoma (naam) . Stam: N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Mc (8): (1) Mc 5,22 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,41 . (6) Mc 11,9 . (7) Mc 13,6 . (8) Mc 16,17 .

Mc 9,37.13. ind. praes. 3de pers. enk. dechetai (hij ontvangt) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T.: dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc: dechomai (ontvangen) . Mc (1): Mc 9,37 .

Mc 9,37.14. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,37.15. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 9 (5): (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  

Mc 9,37.16. an . Taalgebruik in het N.T.: an . Taalgebruik in Mc: an . Mc (18) . Mc 9 (4): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 9,42 .

Mc 9,37.18. conj. praes. 3de pers. enk. dechètai  (hij zou ontvangen) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T.: dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc: dechomai (ontvangen) . Mc (1): Mc 9,37 .

Mc 9,37.19. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,37.21. ind. praes. 3de pers. enk. dechetai (hij ontvangt) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T.: dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc: dechomai (ontvangen) . Mc (1): Mc 9,37 .

23. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 -

Evangelielezing van de 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B: Mc 9,38-43.45.47-48 (Mc 9,38-43.45.47-48):
In die tijd zei Johannes tot Jezus: "Meester, we hebben iemand die ons niet volgt in uw naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten omdat hij geen volgeling van ons was." Maar Jezus zei: "Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken. Wie niet tegen ons is, is voor ons. Als iemand u een beker water te drinken geeft omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan. Maar als iemand een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft, het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp. Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af; het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur. Het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen. Het is beter voor u met één oog het Rijk Gods binnen te gaan dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen, waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt."

Mc 9,38 - Mc 9,38: 174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:38 ef� aut�i o I�ann�s Didaskale eidomen tina en t�i onomati sou ekballonta daimonia kai ek�luomen auton oti ouk �kolouthei �min 37 respondit illi Iohannes dicens magister vidimus quendam in nomine tuo eicientem daemonia qui non sequitur nos et prohibuimus eum    In die tijd zei Johannes tot Jezus: "Meester, we hebben iemand die ons niet volgt in uw naam duivels zien uitdrijven, en we hebben getracht het hem te beletten omdat hij geen volgeling van ons was."  [38] Johannes zei tegen Hem: ‘Meester, we hebben iemand in uw naam demonen zien uitdrijven, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij geen volgeling van ons was.’  
[38] Johannes zei tegen hem: ‘Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.’  
38 Johannes brengt tot hem uit: leermeester, wij hebben iemand die ons niet volgt in uw naam demonen zien uitdrijven, en omdat hij ons niet volgde hebben wij hem tegengehouden!    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,38 .

2. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,38.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,38.4. nom. mann. enk. Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in het N.T.: Iôannès (Johannes) . Taalgebruik in Mc: Iôannès (Johannes) . Hebr. jôchanan . Ned. Johan . D. Johannes . Fr. Jean . E. John .
Mc (3): (1) Mc 9,38 . (2) Mc 10,35 . (3) Mc 13,3 .

Mc 9,38.5. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar, leermeester) . Taalgebruik in het N.T.: didaskalos (leraar, leermeester) . Taalgebruik in Mc: didaskalos (leraar, leermeester) .
Mc (10): (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 .

Mc 9,38.8. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,38.9. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . Mc (68) . Mc (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

Mc 9,38.10. dat. onz. enk. onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T.: onoma (naam) . Taalgebruik in Mc: onoma (naam) . Stam: N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Mc (8): (1) Mc 5,22 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,41 . (6) Mc 11,9 . (7) Mc 13,6 . (8) Mc 16,17 .

Mc 9,38.11. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,38.14. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,38.16. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,38.17. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,38.18. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

Mc 9,38.19. èkolouthei (hij volgde) . Mc (3): (1) Mc 5,24 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 10,52 .

Mc 9,38.20. pers. voornaamw. dat. mv. hèmin (ons) van het pers. voornaamw. hèmeis . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (9): (1) Mc 1,24 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,35 . (5) Mc 10,37 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 13,4 . (8) Mc 14,15 . (9) Mc 16,3 .

Mc 9,39 - Mc 9,39: 174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:39 o de I�sous eipen m� k�luete auton oudeis gar estin os poi�sei dunamin epi t�i onomati mou kai dun�setai tachu kakolog�sai me  38 Iesus autem ait nolite prohibere eum nemo est enim qui faciat virtutem in nomine meo et possit cito male loqui de me qui enim non est adversum vos pro vobis est     Maar Jezus zei: "Belet het hem niet, want iemand die een wonder doet in mijn Naam zal niet zo grif ongunstig over Mij spreken.  [39] Maar Jezus zei: ‘Houd hem niet tegen, want iemand die in mijn naam een machtige daad verricht, zal niet gauw kwaad van Me spreken.  [39] Jezus zei: ‘Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken.  39 Maar Jezus zegt: houdt hem niet tegen, want er is niemand die met een beroep op mijn naam een daad van macht zal doen en bij machte zal zijn onmiddellijk daarna kwalijk van mij te spreken;   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,39 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,21 . (2) Mc 9,23 . (3) Mc 9,29 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 9,39 .

5. - 6. mè kôluete (verhindert niet) . Mc (2): (1) Mc 9,39 . (2) Mc 10,14 .

7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

9. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

10. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

11. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 9 (5): (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  

15. bep. lidw. nom. + dat. onz. enk. tô(i) (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . Mc (68) . Mc (7): (1) Mc 9,4 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,37 . (6) Mc 9,38 . (7) Mc 9,39 .

16. dat. onz. enk. onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T.: onoma (naam) . Taalgebruik in Mc: onoma (naam) . Stam: N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Mc (8): (1) Mc 5,22 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,41 . (6) Mc 11,9 . (7) Mc 13,6 . (8) Mc 16,17 .

18. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,40 - Mc 9,40: 174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:40 os gar ouk estin kath �m�n uper �m�n estin  40 quisquis enim potum dederit vobis calicem aquae in nomine meo quia Christi estis amen dico vobis non perdet mercedem suam     Wie niet tegen ons is, is voor ons.   [40] Immers, wie niet tegen ons is, is vóór ons.  [40] Wie niet tegen ons is, is voor ons.   40 hier geldt immers: wie niet tegen ons is, is vóór ons!–   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,40 .

1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 9 (5): (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

1. - 2. hos gar (want wie) . In Mc (6 / 25) . (1) Mc 3,35 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 8,35 . (4) Mc 8,38 .  (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 .

3. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

4. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

9. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .

Mc 9,41 - Mc 9,41: 174. Het gebruiken van Jezus'naam: Mc 9,38-41 - Lc 9,49-50 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,38 - Mc 9,39 - Mc 9,40 - Mc 9,41 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:41 os gar an potis� umas pot�rion udatos en onomati oti christou este am�n leg� umin oti ou m� apoles�i ton misthon autou  40 quisquis enim potum dederit vobis calicem aquae in nomine meo quia Christi estis amen dico vobis non perdet mercedem suam     Als iemand u een beker water te drinken geeft omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan.  [41] Want als iemand je een beker water geeft omdat jullie van Christus zijn, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan.   [41] Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden.  41 ¶ ja, al wie u een drinkbeker water te drinken zal geven in naam daarvan dat ge van Christus zijt, voorwaar, ik zeg u dat hij zijn loon niet zal verliezen;   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,41 . Het vers Mc 9,41 telt 23 woorden en 99 (3 X 3 X 11) letters . De getalwaarde van Mc 9,41 is 12522 (2 X 3 X 2087) .

Mc 9,41.1. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25): (1) Mc 1,2 . (2) Mc 3,19 . (3) Mc 3,29 . (4) Mc 3,35 .  (5) Mc 4,9 . (6) Mc 4,25 . (7) Mc 4,31 .  (8) Mc 5,3 .  (9) Mc 6,11 .   (10) Mc 8,35 . (11) Mc 8,38 .  (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .  (22) Mc 11,23 .   (23) Mc 13,2 .   (24) Mc 15,23 . (25) Mc 15,43 .

Mc 9,41.2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

Mc 9,41.1. - 2. hos gar (want wie) . In Mc (6 / 25 en 6 / 63) . (1) Mc 3,35 . (2) Mc 4,25 . (3) Mc 8,35 . (4) Mc 8,38 .  (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 .

Mc 9,41.3. an . Taalgebruik in het N.T.: an . Taalgebruik in Mc: an . Mc (18): (1) Mc 3,29 . (2) Mc 3,35 . (3) Mc 6,10 . (4) Mc 6,11 . (5) Mc 6,56 .  (6) Mc 8,35 .  (7) Mc 9,1 . (8) Mc 9,37 . (9) Mc 9,41 . (10) Mc 9,42 . (11) Mc 10,11 . (12) Mc 10,15 . (13) Mc 10,43 . (14) Mc 10,44 .  (15) Mc 11,23 .  (16) Mc 12,36 .  (17) Mc 13,20 .  (18) Mc 14,44 .

Mc 9,41.1. - 3. hos gar an (want wie zou) . Mc (2): (1) Mc 3,35 . (2) Mc 9,41 .

Mc 9,41.4. act. conj. aor. 3de pers. enk. potisè(i) (hij zou drinken) van het werkw. potizô (drenken, laten drinken) . Taalgebruik in het N.T.: potizô (drenken, laten drinken) . Taalgebruik in Mc: potizô (drenken, laten drinken) . Mc (1): Mc 9,41 . Een andere vorm van potizô (drenken, laten drinken) in Mc: Mc 15,36

Mc 9,41.5. persoonl. voornaamw. acc. mv. humas (jullie) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Brieven: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (13): (1) Mc 1,8 (2X) . (2) Mc 1,17 .(3) Mc 6,11 . (4) Mc 9,19 . (5) Mc 9,41 . (6): Mc 11,29 . (7) Mc 13,5 . (8) Mc 13,9 . (9) Mc 13,11 . (10) Mc 13,36 . (11) Mc 14,28 . (12) Mc 14,49 . (13) Mc 16,7 .

Mc 9,41.6. nom. + acc. onz. enk. potèrion (beker) . Taalgebruik in het N.T.: potèrion (beker) . Taalgebruik in Mc: potèrion (beker) .
(1) Mc 9,41 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 14,23 . (5) Mc 14,36 . In Mc komt een vorm van potèrion (beker) in 6 verzen voor: de 5 voorgaande + Mc 7,4 .

Mc 9,41.7. gen. onz. enk. hudatos (water) van het zelfst. naamw. hudôr (water) . Taalgebruik in het N.T.: hudôr (water) . Taalgebruik in Mc: hudôr (water) . Hebr. majim (wateren) . Lat.: aqua . Fr.: eau .
Mc (3): (1) Mc 1,10 .  (2) Mc 9,41 .  (3) Mc 14,13 .  Een vorm van hudôr (water) in Mc in 5 verzen .

Mc 9,41.8. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc (119) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,41.9. dat. onz. enk. onomati (naam) van het zelfst. naamw. onoma (naam) . Taalgebruik in het N.T.: onoma (naam) . Taalgebruik in Mc: onoma (naam) . Stam: N ... M . Fr. nom . Ned. naam . Eng. name .
Mc (8): (1) Mc 5,22 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,41 . (6) Mc 11,9 . (7) Mc 13,6 . (8) Mc 16,17 . Een vorm van onoma (naam) in Mc in 14 verzen .

Mc 9,41.10. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,41.13. amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T.: amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc: amèn (amen, ja, voorwaar) .
Mc (13): (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 9,41.14. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T.: legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc: legô (zeggen) . Mc (19) .

Mc 9,41.15. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc

Mc 9,41.13. - 15. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (13): (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 9,41.16. hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in het N.T.: hoti (dat, omdat) . Taalgebruik in Mc: hoti (dat, omdat) .
Mc (92) . Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,13 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,26 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,38 . (9) Mc 9,41 .

Mc 9,41.17. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

19. ind. aor. 3de pers. enk. apolesè(i) (hij zal verliezen) van het werkw. apollumi (ten gronde richten, doden, verliezen) . Taalgebruik in het N.T.: apollumi ( ten gronde richten, doden, verliezen ) . Taalgebruik in Mc: apollumi (ten gronde richten, doden, verliezen) . < ap- + ollumi < ol-numi . Hebr. ´âbhad . Lat. perdere . Fr. perdre . Lat. perditio . Fr. perdition . Ned. verderf (v / p - r - d), verdoemenis .
Mc (2): (1) Mc 9,22 . (2) Mc 9,41

20. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,41.22. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

175. Ergernis: Mc 9,42 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,42 - Mt 18,6-7 - Lc 17,1-3a -

Mc 9,42 - Mc 9,42: 175. Ergernis - bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 - Mc 9,42 - Mt 18,6-7 - Lc 17,1-3a -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:42 kai os an skandalis� ena t�n mikr�n tout�n t�n pisteuont�n kalon estin aut�i mallon ei perikeitai mulos onikos peri ton trach�lon autou kai bebl�tai eis t�n thalassan .  41 et quisquis scandalizaverit unum ex his pusillis credentibus in me bonum est ei magis si circumdaretur mola asinaria collo eius et in mare mitteretur    Maar als iemand een van deze kleinen die geloven, aanleiding tot zonde geeft, het zou beter voor hem zijn als men hem een molensteen om de hals deed en in zee wierp.   [42] Wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden.  [42] Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd.   42 en al wie voor een van deze kleinen, die zo vol geloof zijn, een struikelblok zal leggen, voor hem is het maar het beste als er een molensteen om zijn hals ligt en hij in zee wordt geworpen;    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,42 .

Mc 9,42.1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,42.2. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T.: betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 9 (5): (12) Mc 9,37 . (13) Mc 9,39 . (14) Mc 9,40 . (15) Mc 9,41 . (16) Mc 9,42 .  

Mc 9,42.3. an . Taalgebruik in het N.T.: an . Taalgebruik in Mc: an . Mc (18) . Mc 9 (4): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 9,41 . (4) Mc 9,42 .

Mc 9,42.11. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,42.13. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9): (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

Mc 9,42.14. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

Mc 9,42.16. mallon (meer) . Taalgebruik in het N.T.: mallon (meer) . Taalgebruik in Mc: mallon (meer) .
Mc (5): (1) Mc 5,26 .   (2) Mc 7,36 .  (3) Mc 9,42 .  (4) Mc 10,48 .  (5) Mc 15,11 .  

Mc 9,42.17. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of): voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T.: ei . Taalgebruik in Mc: ei . Mc (42) . Mc 9 (6): (1) Mc 9,9 . (2) Mc 9,22 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,29 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,42 .  

Mc 9,42.22. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (124) .Mc 9 (5): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,8 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,12 . (5) Mc 9,17 . (6) Mc 9,21 . (7) Mc 9,37 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,42.24. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,3 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,27 . (6) Mc 9,28 . (7) Mc 9,31 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,42 .

Mc 9,42.25. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,42.27. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,42.28. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Mc 9,43 - Mc 9,43: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:43 kai ean skandalis�i se � cheir sou apokopson aut�n kalon estin se kullon eiselthein eis t�n z��n � tas duo cheiras echonta apelthein eis t�n Geennan eis to pur to asbeston  42 et si scandalizaverit te manus tua abscide illam bonum est tibi debilem introire in vitam quam duas manus habentem ire in gehennam in ignem inextinguibilem    Dreigt uw hand u aanleiding tot zonde te geven, hak ze af; het is beter voor u verminkt het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee handen in de hel te komen, in het onblusbaar vuur.  [43] Als je hand je ten val brengt, hak haar dan af; je kunt beter verminkt het leven ingaan dan met twee handen in de hel verdwijnen, in het onblusbaar vuur.*   [43] Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna te moeten gaan, naar het onblusbare vuur.*  43 en als je hand je laat struikelen, hak haar af; beter is het verminkt het leven binnen te gaan dan met je twee handen heen te gaan naar de hel, naar het vuur dat niet dooft;    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,43 . Het vers Mc 9,43 telt 31 woorden en 135 (3 X 3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 9,43 is 13389 (3 X 4463) .

Mc 9,43.1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und . Mc (555 / 666) . Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,43.2. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T.: ean (indien) . Taalgebruik in Mc: ean (indien) .
Mc (32) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 . (5) Mc 9,50 .

Mc 9,43.3. act. conj. praes. 3de pers. enk. skandalizè(i) van het werkw. skandalizô (ten val brengen), doen struikelen, aanstoot geven, ergeren . Taalgebruik in het N.T.: skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in Mc: skandalizô (ten val brengen) . Mc (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .  

Mc 9,43.4. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (16) . Mc (4): (1) Mc 9,17 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 .

Mc 9,43.5. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) . Mc (76) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .

Mc 9,43.6. nom. vr. enk. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T.: cheir (hand) . Taalgebruik in Mc: cheir (hand) . Mc (2): (1) Mc 3,5 .  (2) Mc 9,43 .  

Mc 9,43.7. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord . Mc (27) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,43.8. act. imperat. 2de pers. enk. apokopson  van het werkw. apokoptô (afslaan, afhouwen) . Taalgebruik van het N.T.: apokoptô (afslaan, afhouwen) . Taalgebruik in Mc: apokoptô (afslaan, afhouwen) . Mc (2): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 .

Mc 9,43.9. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (14): (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 9,43.10. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9): (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

Mc 9,43.11. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be . Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

Mc 9,43.12. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (4): (1) Mc 9,17 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 .

Mc 9,43.13. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kullon van het bijvoegl. naamw. kullos (gebrekkig, mank) . Taalgebruik in het N.T.: kullos (gebrekkig, mank) . Taalgebruik in Mc: kullos (gebrekkig, mank) . Mc (1): Mc 9,43 .

14. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T.: eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen . Mc (6): 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.  

Mc 9,43.15. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

16. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

17. acc. vr. enk. zôèn (leven) van het zelfst. naamw. zôè (leven) . Taalgebruik in het N.T.: zôè (leven) . Taalgebruik in Mc: zôè (leven) .
Mc (4):  (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,30 .  

14. - 17. eiselthein eis tèn zôèn (binnengaan in het leven) . Mc (2): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 .

Mc 9,43.18. è (dan): partikel van vergelijking of bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .

19. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (27) . Mc 9 (1): Mc 9,43 .

21. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T.: cheir (hand) . Taalgebruik in Mc: cheir (hand) .
Mc 5 (11): (1) Mc 5,23 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 8,23 . (5) Mc 8,25 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,16 . (9) Mc 14,41 . (10) Mc 14,46 .  (11) Mc 16,18

Mc 9,43.23. inf. aor. apêlthein van het werkw. aperchomai (af-gaan, weg-gaan) . Taalgebruik in het N.T.: aperchomai (weggaan) . Taalgebruik in Mc: aperchomai (weggaan) .
Mc (2): (1) Mc 5,17 . (2) Mc 9,43 .

Mc 9,43.24. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

25. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,43.27. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,43.28. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,43.30. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,44 - Mc 9,44: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:44 [opou o sk�l�x aut�n ou teleuta kai to pur ou sbennutai]  43 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,44 .

Mc 9,45 - Mc 9,45: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:45 kai ean o pous sou skandaliz�i se apokopson auton kalon estin se eiselthein eis t�n z��n ch�lon � tous duo podas echonta bl�th�nai eis t�n Geennan 44 et si pes tuus te scandalizat amputa illum bonum est tibi claudum introire in vitam aeternam quam duos pedes habentem mitti in gehennam ignis inextinguibilis     Het is beter voor u kreupel het leven binnen te gaan dan in het bezit van twee voeten in de hel te worden geworpen.   [45] Als je voet je ten val brengt, hak hem dan af; je kunt beter kreupel het leven ingaan dan met twee voeten in de hel gegooid worden.*   [45] Als je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden.*  44 45 en als je voet je laat struikelen, hak hem af; beter is het kreupel het leven binnen te gaan dan met je twee voeten in de hel geworpen te worden;    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,45 .

1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

2. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T.: ean (indien) . Taalgebruik in Mc: ean (indien) .
Mc (32) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 . (5) Mc 9,50 .

3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

5. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

6. act. conj. praes. 3de pers. enk. skandalizè(i) van het werkw. skandalizô (ten val brengen), doen struikelen, aanstoot geven, ergeren . Taalgebruik in het N.T.: skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in Mc: skandalizô (ten val brengen) .
Mc (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .  

7. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (4): (1) Mc 9,17 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 .

8. act. imperat. 2de pers. enk. apokopson  van het werkw. apokoptô (afslaan, afhouwen) . Taalgebruik van het N.T.: apokoptô (afslaan, afhouwen) . Taalgebruik in Mc: apokoptô (afslaan, afhouwen) .
Mc (2): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 .

9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

10. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9): (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

11. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

13. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T.: eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen .
Mc (6): 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.  

14. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

15. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

16. acc. vr. enk. zôèn (leven) van het zelfst. naamw. zôè (leven) . Taalgebruik in het N.T.: zôè (leven) . Taalgebruik in Mc: zôè (leven) .
Mc (4):  (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,30 .  

18. è (dan): partikel van vergelijking of bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .

19. bep. lidw. acc. mann. mv. tous (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (6): (1) Mc 9,14 . (2) Mc 9,18 . (3) Mc 9,26 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 9,35 . (6) Mc 9,45 .

21. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

24. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

25. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,46 - Mc 9,46: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:46 [opou o sk�l�x aut�n ou teleuta kai to pur ou sbennutai]  45 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur              

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,46 .

Mc 9,47 - Mc 9,47: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:47 kai ean o ofthalmos sou skandaliz�i se ekbale auton kalon se estin monofthalmon eiselthein eis t�n basileian tou theou � duo ofthalmous echonta bl�th�nai eis t�n Geennan  46 quod si oculus tuus scandalizat te eice eum bonum est tibi luscum introire in regnum Dei quam duos oculos habentem mitti in gehennam ignis    Het is beter voor u met één oog het Rijk Gods binnen te gaan dan in het bezit van twee ogen in de hel te worden geworpen,  [47] Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit; je kunt beter met één oog het koninkrijk van God ingaan dan met twee ogen in de hel gegooid worden,  [47] En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden,  46 47 en als je oog je laat struikelen, werp het uit; beter is het dat je met één oog het koninkrijk van God binnengaat dan met twee ogen in de hel geworpen te worden,   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,47 . Verschillende lezingen .

Mc 9,47.1. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

Mc 9,47.2. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T.: ean (indien) . Taalgebruik in Mc: ean (indien) .
Mc (32) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 . (5) Mc 9,50 .

Mc 9,47.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

Mc 9,47.5. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc: persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,38 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,47.6. act. conj. praes. 3de pers. enk. skandalizè(i) van het werkw. skandalizô (ten val brengen), doen struikelen, aanstoot geven, ergeren . Taalgebruik in het N.T.: skandalizô (ten val brengen) . Taalgebruik in Mc: skandalizô (ten val brengen) .
Mc (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .  

Mc 9,47.7. pers. voornaamw. acc. enk. se (jou) . Taalgebruik in het N.T.: persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc.: persoonlijk voornaamwoord .
Mc 9 (4): (1) Mc 9,17 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 .

Mc 9,47.9. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.: voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc.: voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 9 (16): (1) Mc 9,11 . (2) Mc 9,13 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 9,18 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,22 . (8) Mc 9,25 . (9) Mc 9,27 . (10) Mc 9,29 . (11) Mc 9,31 . (12) Mc 9,32 . (13) Mc 9,38 . (14) Mc 9,39 . (15) Mc 9,45 . (16) Mc 9,47 .

Mc 9,47.10. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9): (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

Mc 9,47.12. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T.: eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc: eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 9 (10): (1) Mc 9,5 . (2) Mc 9,7 . (3) Mc 9,10 . (4) Mc 9,21. (5) Mc 9,39 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,42 . (8) Mc 9,43 . (9) Mc 9,45 . (10) Mc 9,47 .  

Mc 9,47.14. inf. aor. eiselthein van het werkw. eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in het N.T.: eiserchomai (binnengaan) . Taalgebruik in Mc: eiserchomai (binnengaan) . Lat. into-ire (binnengaan) . F. entrer . E. to enter . Ned. binnengaan . D. eingehen .
Mc (6): 1 : Mc 1,45 *. (1) Mc 9,43 *. (2) Mc 9,45 *. (3) Mc 9,47 * . (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.  

Mc 9,47.15. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,47.16. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,47.17. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T.: basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc: basileia (koninkrijk) .
Mc (9): (1) Mc 4,30 .  2 : (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,47 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,25 . (8) Mc 13,8 . (9) Mc 15,43 .

Mc 9,47.18. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
(116) . Mc 9 (7): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,9 . (3) Mc 9,12 . (4) Mc 9,17 . (5) Mc 9,24 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,47 .

Mc 9,47.16. - 19. tèn basileian tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (8 / 9) . Niet in Mc 13,8 .

Mc 9,47.15. - 19. eis tèn basileian tou theou (in het koninkrijk van God) . Mc (4 / 8): (1) Mc 9,47 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,25 . Telkens met een vorm van het werkw. eiserchomai (binnengaan) .

Mc 9,47.14. - 19. eiselthein eis tèn basileian tou theou (binnengaan in het koninkrijk van God): Mc 9,47 . eis tèn basileian tou theou eiselthein (in het koninkrijk van God binnengaan) . Mc (2): (1) Mc 10,24 *. (2) Mc 10,25 *.

Mc 9,47.20. è (dan): partikel van vergelijking of bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (3): (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 9,47 .

Mc 9,47.25. eis (naar) . Taalgebruik in het N.T.: eis (naar) . Taalgebruik in Mc: eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus: gedraaid, gekeerd ; vertere: tourner, draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 9 (11): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,22 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,28 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,33 . (8) Mc 9,42 . (9) Mc 9,43 . (10) Mc 9,45 . (11) Mc 9,47 .

Mc 9,47.26. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,42 . (3) Mc 9,43 . (4) Mc 9,45 . (5) Mc 9,47 .

Mc 9,48 - Mc 9,48: 176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30 -- Mc 9,43 - Mc 9,44 - Mc 9,45 - Mc 9,46 - Mc 9,47 - Mc 9,48 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 26ste (zesentwintigste) zondag door het jaar B Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:48 opou o sk�l�x aut�n ou teleuta kai to pur ou sbennutai  47 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur    waar hun worm niet sterft en het vuur niet gedoofd wordt."   [48] waar hun worm niet van ophouden weet en het vuur niet dooft.   [48] waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft.  48 ‘waar hun worm niet sterft en het vuur niet dooft’;   

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,48 .

2. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc (219) . Mc 9 (18): (1) Mc 9,2 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,7 . (4) Mc 9,9 . (5) Mc 9,12 . (6) Mc 9,15 . (7) Mc 9,19 . (8) Mc 9,21 . (9) Mc 9,23 . (10) Mc 9,24 . (11) Mc 9,25 . (12) Mc 9,27 . (13) Mc 9,31 . (14) Mc 9,38 . (15) Mc 9,39 . (16) Mc 9,45 . (17) Mc 9,47 . (18) Mc 9,48 .

5. ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in het N.T.: ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc: ou - ouk - ouch (niet) .
Mc 9 (11): ou (niet) in Mc 9 (5): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,3 . (3) Mc 9,6 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 9,48 . ouk (niet) in Mc 9 (6): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,28 . (3) Mc 9,30 . (4) Mc 9,37 . (5) Mc 9,38 . (6) Mc 9,40 .

7. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .

8. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,                
Mc 9,43 . kai (en) 45 . kai (en) 47. kai (en)           47. kai (en)
ean (indien) ean (indien) ean (indien)           ean (indien)
  ho pous sou (je voet) ho ofthalmos sou (je oog)           ho ofthalmos sou (je oog)

skandalisèi (schandalieseert)

skandaliziji (schandalieseert)

skandaliziji (schandalieseert)

         

skandaliziji (schandalieseert)

se (jou) se (jou) se (jou)           se (jou)
hè cheir sou (je hand)                
apokopson (hak af) apokopson (hak af) ekbale (ruk uit)           ekbale (ruk uit)
autèn (haar) auton (hem) auton (het)           auton (het)
kalon (beter) kalon (beter)  kalon (beter)            kalon (beter)
estin (is het) estin (is het)  se (jou)            se (jou)
se (jou) se (jou)  estin (is het)            estin (is het)
kullon (gebrekkig)    monofthalmon (éénogig)            monofthalmon (éénogig)
eiselthein (binnen te gaan) eiselthein (binnen te gaan) eiselthein (binnen te gaan)           eiselthein (binnen te gaan)
eis tèn zôèn ( in het leven) eis tijn zooijn ( in het leven) eis tijn basileian tou theou ( in het koninkrijk van God)           eis tijn basileian tou theou ( in het koninkrijk van God)
   choolon (kreupel)  choolon (kreupel)            choolon (kreupel)
è (dan) ij (dan) ij (dan)           ij (dan)
tas duo cheiras echonta (de twee handen hebbende) tas duo podas echonta (de twee voeten hebbende) duo ofthalmous echonta (twee ogen hebbende)           duo ofthalmous echonta (twee ogen hebbende)
apelthein (te verwijnen) blijthijnai (geworpen te worden) blijthijnai (geworpen te worden)           blijthijnai (geworpen te worden)
eis tèn geennan (in de gehenna) eis tijn geennan (in de gehenna) eis tijn geennan (in de gehenna)           eis tijn geennan (in de gehenna)
eis to pur to asbeston (in het vuur het onblusbare)                
176. Ergernis (2): Mc 9,43-48 - Mt 18,8-9 - Mt 5,29-30                

kullos: krom gebogen, mank, gebrekkig, verminkt
choolos: verlamd, kreupel-

177. Gelijkenis van het zout: Mc 9,49-50 - Mc 9,49-50 - Mt 5,13 - Lc 14,34-35 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,49 - Mc 9,50 -

Mc 9,49 - Mc 9,49: 177. Gelijkenis van het zout: Mc 9,49-50 - Mt 5,13 - Lc 14,34-35 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,49 - Mc 9,50 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:49 pas gar puri alisth�setai  48 omnis enim igne sallietur et omnis victima sallietur      [49] Want iedereen zal met vuur gezouten* worden.   [49] Iedereen moet met vuur gezouten worden.  49 want ieder zal met vuur gezouten worden;    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,49 .

1. nom. mann. enk. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T.: pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc: pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk, ieder . Mc (5) . In vier verzen wordt het als bijvoeglijk naamwoord bij ho ochlos (de menigte) gebruikt: nl. (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,1 . (3) Mc 9,15 . (4) Mc 11,18 . Eénmaal wordt het zelfstandig gebruikt nl. Mc 9,49 .

2. gar (want) . Taalgebruik in het N.T.: gar (want) . Taalgebruik in Mc: gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned.: want .
Mc (63) . Mc (7): (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,31 . (3) Mc 9,34 . (4) Mc 9,39 . (5) Mc 9,40 . (6) Mc 9,41 . (7) Mc 9,49 .

ean (indien) . Taalgebruik: ean (indien), zie Mc 9,49 . Het komt in 1411 verzen in de bijbel voor; in 1103 verzen in het O.T., in 308 verzen in het N.T. In 56 verzen bij Matteüs, in 32 verzen bij Marcus, in 27 verzen bij Lucas, in 54 verzen bij Johannes, in 10 verzen in Handelingen, enz . In 32 verzen bij Marcus, zie Mc 9,50: Mc 9,49-50 - Conjunctief: voegwoord, leidt een bijzin in, houdt een veronderstelling in: indien wij zouden.... De ean-zin wordt gebruikt in een reeks van ean (indien)zinnen: indien je hand, je voet, je oog,... indien zout geen zout zou worden..
an . Om de conjunctief aan te geven. Het komt in 18 verzen bij Marcus voor. Meestal in combinatie met het betrekkelijke voornaamwoord hos (wie zou...); indien iemand zou... Het komt in 36 verzen bij Matteüs voor; in 29 verzen bij Lucas; in 23 verzen bij Johannes.

Mc 9,50 - Mc 9,50: 177. Gelijkenis van het zout: Mc 9,49-50 - Mt 5,13 - Lc 14,34-35 -- bijbeloverzicht -- bijbelTaalgebruiken -- Mc (Marcus) -- Mc 9 -- Mc 9,49 - Mc 9,50 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de J�rusalem
9:50 kalon to alas ean de to alas analon gen�tai en tini auto artusete echete en eautois ala kai eir�neuete en all�lois   49 bonum est sal quod si sal insulsum fuerit in quo illud condietis habete in vobis sal et pacem habete inter vos       [50] Zout is iets goeds. Maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zul je het dan weer zout maken? Heb zout in jezelf, en leef in vrede met elkaar.’  [50] Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.’  50 het zout is een goed ding; maar als het zout zouteloos wordt, waarmee moet je het dan kruiden?– behoudt het zout in uzelf en betracht onder elkaar vrede.    

King James Bible .
Luther-Bibel .

Tekstuitleg van Mc 9,50 .

Mc 9,50.1. nom. onz. enk. + acc. mann. + onz. enk. kalon (goed) van het bijvoegl. naamw. kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in het N.T.: kalos (goed, mooi, schoon) . Taalgebruik in Mc: kalos (goed, mooi, schoon) .
Mc (9): (1) Mc 7,27 . (2) Mc 9,5 . (3) Mc 9,42 . (4) Mc 9,43 . (5) Mc 9,45 . (6) Mc 9,47 . (7) Mc 9,50 .  (8) Mc 14,6 . (9) Mc 14,21.  

Mc 9,50.2. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,50.4. εαν = ean (indien) . Taalgebruik in het NT: ean (indien) . Taalgebruik in de LXX: ean (indien) . Mc (32) . Mc 9 (5): (1) Mc 9,18 . (2) Mc 9,43 . (3) Mc 9,45 . (4) Mc 9,47 . (5) Mc 9,50 .

  ean (indien)  bijbel OT Gn  Ex  Lv  Nu Dt NT Mt Mc Lc Joh Hnd Br. Apk syn.  ev.  P.  A. b. 
    1411  1103  50 84 163 74 133 308  56  32  27  54  10  120  115  169     

Mc 9,50.5. de (echter) . Taalgebruik in het N.T.: de (echter) . Taalgebruik in Mc: de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc 9 (10): (1) Mc 9,12 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,21 . (4) Mc 9,23 . (5) Mc 9,25 . (6) Mc 9,27 . (7) Mc 9,32 . (8) Mc 9,34 . (9) Mc 9,39 . (10) Mc 9,50 .

Mc 9,50.6. bep. lidw. nom. + acc. onz. enk. to (het) . Taalgebruik in het N.T.: bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc: bepaald lidwoord . Gr. to.., tè... N.: de . E.: the . D. der, die, das enz. Fr. le, la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum, il-lam) .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,10 . (2) Mc 9,20 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,25 . (5) Mc 9,29 . (6) Mc 9,32 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 9,48 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,50.9. conj. aor. 3de pers. enk. genètai (zou worden, gebeuren) van het werkw. ginomai (worden) . Taalgebruik in het N.T.: ginomai (worden) . Taalgebruik in Mc: ginomai (worden) . Mc (5): (1) Mc 9,50 . (2) Mc 13,18 . (3) Mc 13,19 . (4) Mc 13,28 . (5) Mc 13,30 . Een vorm van ginomai (worden) in Mc in 52 verzen .

Mc 9,50.10. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,50.15. en (in) . Taalgebruik in het N.T.: en (in) . Taalgebruik in Mc: en (in) . Hebr. bë . Fr. en . Ned. in . Fr. dans . Voorzetsel .
Mc 9 (9): (1) Mc 9,1 . (2) Mc 9,29 . (3) Mc 9,33 . (4) Mc 9,34 . (5) Mc 9,36 . (6) Mc 9,37 . (7) Mc 9,38 . (8) Mc 9,41 . (9) Mc 9,50 .

Mc 9,50.18. kai (en) . Taalgebruik: kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc: kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr.: waw (verbindingshaak) . L.: et . Fr.: et . N.: en . E.: and . D. und .
Mc 9 . Van de 50 verzen niet in 10 verzen: (1) Mc 9,6 . (2) Mc 9,19 . (3) Mc 9,23 . (4) Mc 9,24 . (5) Mc 9,34 . (6) Mc 9,40 . (7) Mc 9,41 . (8) Mc 9,44 . (9) Mc 9,46 . (10) Mc 9,49 .


- Griekse tekst - Septuaginta

1 Καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς· Ἀμὴν λέγω ὑμῖν ὅτι εἰσί τινες ὧδε τῶν ἑστηκότων, οἵτινες οὐ μὴ γεύσωνται θανάτου ἕως ἂν ἴδωσι τὴν βασιλείαν τοῦ Θεοῦ ἐληλυθυῖαν ἐν δυνάμει. 2 Καὶ μεθ' ἡμέρας ἓξ παραλαμβάνει ὁ Ἰησοῦς τὸν Πέτρον καὶ τὸν Ἰάκωβον καὶ τὸν Ἰωάννην καὶ ἀναφέρει αὐτοὺς εἰς ὄρος ὑψηλὸν κατ' ἰδίαν μόνους· καὶ μετεμορφώθη ἔμπροσθεν αὐτῶν, 3 καὶ τὰ ἱμάτια αὐτοῦ ἐγένετο στίλβοντα, λευκὰ λίαν ὡς χιών, οἷα γναφεὺς ἐπὶ τῆς γῆς οὐ δύναται οὕτω λευκᾶναι. 4 καὶ ὤφθη αὐτοῖς Ἠλίας σὺν Μωϋσεῖ, καὶ ἦσαν συλλαλοῦντες τῷ Ἰησοῦ. καὶ ἀποκριθεὶς ὁ Πέτρος λέγει τῷ Ἰησοῦ· 5 Ραββί, καλόν ἐστιν ἡμᾶς ὧδε εἶναι· καὶ ποιήσωμεν σκηνάς τρεῖς, σοὶ μίαν καὶ Μωϋσεῖ μίαν καὶ Ἠλίᾳ μίαν. 6 οὐ γὰρ ᾔδει τί λαλήσῃ· ἦσαν γὰρ ἔκφοβοι. 7 καὶ ἐγένετο νεφέλη ἐπισκιάζουσα αὐτοῖς, καὶ ἦλθε φωνὴ ἐκ τῆς νεφέλης λέγουσα· Οὗτός ἐστιν ὁ υἱός μου ὁ ἀγαπητός· αὐτοῦ ἀκούετε. 8 καὶ ἐξάπινα περιβλεψάμενοι οὐκέτι οὐδένα εἶδον, ἀλλὰ τὸν Ἰησοῦν μόνον μεθ' ἑαυτῶν. 9 καταβαινόντων δὲ αὐτῶν ἀπὸ τοῦ ὄρους διεστείλατο αὐτοῖς ἵνα μηδενὶ διηγήσωνται ἃ εἶδον, εἰ μὴ ὅταν ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου ἐκ νεκρῶν ἀναστῇ. 10 καὶ τὸν λόγον ἐκράτησαν, πρὸς ἑαυτοὺς συζητοῦντες τί ἐστι τὸ ἐκ νεκρῶν ἀναστῆναι. 11 καὶ ἐπηρώτων αὐτὸν λέγοντες, ὅτι λέγουσιν οἱ γραμματεῖς ὅτι Ἠλίαν δεῖ ἐλθεῖν πρῶτον. 12 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς εἶπεν αὐτοῖς· Ἠλίας μὲν ἐλθὼν πρῶτον ἀποκαθιστᾷ πάντα· καὶ πῶς γέγραπται ἐπὶ τὸν υἱὸν τοῦ ἀνθρώπου ἵνα πολλὰ πάθῃ καὶ ἐξουδενωθῇ; 13 ἀλλὰ λέγω ὑμῖν ὅτι καὶ Ἠλίας ἐλήλυθε, καὶ ἐποίησαν αὐτῷ ὅσα ἠθέλησαν, καθὼς γέγραπται ἐπ' αὐτόν. 14 Καὶ ἐλθὼν πρὸς τοὺς μαθητὰς εἶδεν ὄχλον πολὺν περὶ αὐτοὺς, καὶ γραμματεῖς συζητοῦντας αὐτοῖς. 15 καὶ εὐθέως πᾶς ὁ ὄχλος ἰδόντες αὐτὸν ἐξεθαμβήθησαν, καὶ προστρέχοντες ἠσπάζοντο αὐτόν. 16 καὶ ἐπηρώτησε τοὺς γραμματεῖς· Τί συζητεῖτε πρὸς ἑαυτούς; 17 καὶ ἀποκριθεὶς εἷς ἐκ τοῦ ὄχλου εἶπε· Διδάσκαλε, ἤνεγκα τὸν υἱόν μου πρὸς σέ, ἔχοντα πνεῦμα ἄλαλον. 18 καὶ ὅπου ἂν αὐτὸν καταλάβῃ, ῥήσσει αὐτόν, καὶ ἀφρίζει καὶ τρίζει τοὺς ὀδόντας αὐτοῦ, καὶ ξηραίνεται· καὶ εἶπον τοῖς μαθηταῖς σου ἵνα αὐτὸ ἐκβάλωσι, καὶ οὐκ ἴσχυσαν. 19 ὁ δὲ ἀποκριθεὶς αὐτῷ λέγει· Ὦ γενεὰ ἄπιστος, ἕως πότε πρὸς ὑμᾶς ἔσομαι; ἕως πότε ἀνέξομαι ὑμῶν; φέρετε αὐτὸν πρός με. καὶ ἤνεγκαν αὐτὸν πρὸς αὐτόν. 20 καὶ ἰδὼν αὐτὸν εὐθέως τὸ πνεῦμα ἐσπάραξεν αὐτόν, καὶ πεσὼν ἐπὶ τῆς γῆς ἐκυλίετο ἀφρίζων. 21 καὶ ἐπηρώτησε τὸν πατέρα αὐτοῦ· Πόσος χρόνος ἐστὶν ὡς τοῦτο γέγονεν αὐτῷ; ὁ δὲ εἶπε· Παιδιόθεν. 22 καὶ πολλάκις αὐτὸν καὶ εἰς πῦρ ἔβαλε καὶ εἰς ὕδατα, ἵνα ἀπολέσῃ αὐτόν· ἀλλ' εἴ τι δύνασαι, βοήθησον ἡμῖν σπλαγχνισθεὶς ἐφ' ἡμᾶς. 23 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπεν αὐτῷ· Τὸ εἰ δύνασαι πιστεῦσαι, πάντα δυνατὰ τῷ πιστεύοντι. 24 καὶ εὐθέως κράξας ὁ πατὴρ τοῦ παιδίου μετὰ δακρύων ἔλεγε· Πιστεύω, Κύριε· βοήθει μου τῇ ἀπιστίᾳ. 25 ἰδὼν δὲ ὁ Ἰησοῦς ὅτι ἐπισυντρέχει ὄχλος ἐπετίμησε τῷ πνεύματι τῷ ἀκαθάρτῳ λέγων αὐτῷ· Τὸ πνεῦμα τὸ ἄλαλον καὶ κωφὸν, ἐγὼ σοι ἐπιτάσσω, ἔξελθε ἐξ αὐτοῦ καὶ μηκέτι εἰσέλθῃς εἰς αὐτόν. 26 καὶ κράξαν καὶ πολλὰ σπαράξαν αὐτόν ἐξῆλθε, καὶ ἐγένετο ὡσεὶ νεκρός, ὥστε πολλοὺς λέγειν ὅτι ἀπέθανεν. 27 ὁ δὲ Ἰησοῦς κρατήσας αὐτὸν τῆς χειρὸς ἤγειρεν αὐτόν, καὶ ἀνέστη. 28 Καὶ εἰσελθόντα αὐτὸν εἰς οἶκον οἱ μαθηταὶ αὐτοῦ ἐπηρώτων αὐτόν κατ' ἰδίαν, ὅτι ἡμεῖς οὐκ ἠδυνήθημεν ἐκβαλεῖν αὐτό. 29 καὶ εἶπεν αὐτοῖς· Τοῦτο τὸ γένος ἐν οὐδενὶ δύναται ἐξελθεῖν εἰ μὴ ἐν προσευχῇ καὶ νηστείᾳ. 30 Καὶ ἐκεῖθεν ἐξελθόντες παρεπορεύοντο διὰ τῆς Γαλιλαίας, καὶ οὐκ ἤθελεν ἵνα τις γνῷ· 31 ἐδίδασκε γὰρ τοὺς μαθητὰς αὐτοῦ καὶ ἔλεγεν αὐτοῖς ὅτι Ὁ υἱὸς τοῦ ἀνθρώπου παραδίδοται εἰς χεῖρας ἀνθρώπων, καὶ ἀποκτενοῦσιν αὐτόν, καὶ ἀποκτανθεὶς τῇ τρίτῃ ἡμέρᾳ ἀναστήσεται. 32 οἱ δὲ ἠγνόουν τὸ ῥῆμα, καὶ ἐφοβοῦντο αὐτὸν ἐπερωτῆσαι. 33 Καὶ ἦλθεν εἰς Καπερναούμ· καὶ ἐν τῇ οἰκίᾳ γενόμενος ἐπηρώτα αὐτούς· Τί ἐν τῇ ὁδῷ πρὸς ἑαυτοὺς διελογίζεσθε; 34 οἱ δὲ ἐσιώπων· πρὸς ἀλλήλους γὰρ διελέχθησαν ἐν τῇ ὁδῷ τίς μείζων. 35 καὶ καθίσας ἐφώνησε τοὺς δώδεκα καὶ λέγει αὐτοῖς· Εἴ τις θέλει πρῶτος εἶναι, ἔσται πάντων ἔσχατος καὶ πάντων διάκονος. 36 καὶ λαβὼν παιδίον ἔστησεν αὐτὸ ἐν μέσῳ αὐτῶν, καὶ ἐναγκαλισάμενος αὐτὸ εἶπεν αὐτοῖς· 37 Ὃς ἐὰν ἓν τῶν τοιούτων παιδίων δέξηται ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου, ἐμὲ δέχεται· καὶ ὃς ἐὰν ἐμὲ δέξηται, οὐκ ἐμὲ δέχεται, ἀλλὰ τὸν ἀποστείλαντά με. 38 Ἀπεκρίθη αὐτῷ ὁ Ἰωάννης λέγων· Διδάσκαλε, εἴδομέν τινα ἐν τῷ ὀνόματί σου ἐκβάλλοντα δαιμόνια, ὃς οὐκ ἀκολουθεῖ ἡμῖν, καὶ ἐκωλύσαμεν αὐτόν, ὅτι οὐκ ἀκολουθεῖ ἡμῖν. 39 ὁ δὲ Ἰησοῦς εἶπε· Μὴ κωλύετε αὐτόν· οὐδεὶς γάρ ἐστιν ὃς ποιήσει δύναμιν ἐπὶ τῷ ὀνόματί μου καὶ δυνήσεται ταχὺ κακολογῆσαί με· 40 ὃς γὰρ οὐκ ἔστι καθ' ἡμῶν, ὑπὲρ ἡμῶν ἐστιν. 41 ὃς γὰρ ἂν ποτίσῃ ὑμᾶς ποτήριον ὕδατος ἐν τῷ ὀνόματί μου, ὅτι Χριστοῦ ἐστε, ἀμὴν λέγω ὑμῖν, οὐ μὴ ἀπολέσῃ τὸν μισθὸν αὐτοῦ. 42 καὶ ὃς ἂν σκανδαλίσῃ ἕνα τῶν μικρῶν τούτων τῶν πιστευόντων εἰς ἐμέ, καλόν ἐστιν αὐτῷ μᾶλλον εἰ περίκειται λίθος μυλικὸς περὶ τὸν τράχηλον αὐτοῦ καὶ βέβληται εἰς τὴν θάλασσαν. 43 καὶ ἐὰν σκανδαλίζῃ σε ἡ χείρ σου, ἀπόκοψον αὐτήν· καλόν σοί ἐστι κυλλὸν εἰς τὴν ζωὴν εἰσελθεῖν, ἢ τὰς δύο χεῖρας ἔχοντα ἀπελθεῖν εἰς τὴν γέενναν, εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον, 44 ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται. 45 καὶ ἐὰν ὁ πούς σου σκανδαλίζῃ σε, ἀπόκοψον αὐτόν· καλόν σοί ἐστιν εἰσελθεῖν εἰς τὴν ζωὴν χωλὸν, ἢ τοὺς δύο πόδας ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν, εἰς τὸ πῦρ τὸ ἄσβεστον, 46 ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται. 47 καὶ ἐὰν ὁ ὀφθαλμός σου σκανδαλίζῃ σε, ἔκβαλε αὐτόν· καλόν σοί ἐστι μονόφθαλμον εἰσελθεῖν εἰς τὴν βασιλείαν τοῦ Θεοῦ, ἢ τοὺς δύο ὀφθαλμοὺς ἔχοντα βληθῆναι εἰς τὴν γέενναν τοῦ πυρός, 48 ὅπου ὁ σκώληξ αὐτῶν οὐ τελευτᾷ καὶ τὸ πῦρ οὐ σβέννυται. 49 πᾶς γὰρ πυρὶ ἁλισθήσεται, καὶ πᾶσα θυσία ἁλὶ ἁλισθήσεται. 50 καλὸν τὸ ἅλας· ἐὰν δὲ τὸ ἅλας ἄναλον γένηται, ἐν τίνι αὐτὸ ἀρτύσετε; ἔχετε ἐν ἑαυτοῖς ἅλας καὶ εἰρηνεύετε ἐν ἀλλήλοις.


- Vulgata

9. 1 et post dies sex adsumit Iesus Petrum et Iacobum et Iohannem et ducit illos in montem excelsum seorsum solos et transfiguratus est coram ipsis 2 et vestimenta eius facta sunt splendentia candida nimis velut nix qualia fullo super terram non potest candida facere 3 et apparuit illis Helias cum Mose et erant loquentes cum Iesu 4 et respondens Petrus ait Iesu rabbi bonum est hic nos esse et faciamus tria tabernacula tibi unum et Mosi unum et Heliae unum 5 non enim sciebat quid diceret erant enim timore exterriti 6 et facta est nubes obumbrans eos et venit vox de nube dicens hic est Filius meus carissimus audite illum 7 et statim circumspicientes neminem amplius viderunt nisi Iesum tantum secum 8 et descendentibus illis de monte praecepit illis ne cui quae vidissent narrarent nisi cum Filius hominis a mortuis resurrexerit 9 et verbum continuerunt apud se conquirentes quid esset cum a mortuis resurrexerit 10 et interrogabant eum dicentes quid ergo dicunt Pharisaei et scribae quia Heliam oporteat venire primum 11 qui respondens ait illis Helias cum venerit primo restituet omnia et quomodo scriptum est in Filium hominis ut multa patiatur et contemnatur 12 sed dico vobis quia et Helias venit et fecerunt illi quaecumque voluerunt sicut scriptum est de eo 13 et veniens ad discipulos suos vidit turbam magnam circa eos et scribas conquirentes cum illis 14 et confestim omnis populus videns eum stupefactus est et adcurrentes salutabant eum 15 et interrogavit eos quid inter vos conquiritis 16 et respondens unus de turba dixit magister adtuli filium meum ad te habentem spiritum mutum 17 qui ubicumque eum adprehenderit adlidit eum et spumat et stridet dentibus et arescit et dixi discipulis tuis ut eicerent illum et non potuerunt 18 qui respondens eis dicit o generatio incredula quamdiu apud vos ero quamdiu vos patiar adferte illum ad me 19 et adtulerunt eum et cum vidisset illum statim spiritus conturbavit eum et elisus in terram volutabatur spumans 20 et interrogavit patrem eius quantum temporis est ex quo hoc ei accidit at ille ait ab infantia 21 et frequenter eum et in ignem et in aquas misit ut eum perderet sed si quid potes adiuva nos misertus nostri 22 Iesus autem ait illi si potes credere omnia possibilia credenti 23 et continuo exclamans pater pueri cum lacrimis aiebat credo adiuva incredulitatem meam 24 et cum videret Iesus concurrentem turbam comminatus est spiritui inmundo dicens illi surde et mute spiritus ego tibi praecipio exi ab eo et amplius ne introeas in eum 25 et clamans et multum discerpens eum exiit ab eo et factus est sicut mortuus ita ut multi dicerent quia mortuus est 26 Iesus autem tenens manum eius elevavit illum et surrexit 27 et cum introisset in domum discipuli eius secreto interrogabant eum quare nos non potuimus eicere eum 28 et dixit illis hoc genus in nullo potest exire nisi in oratione et ieiunio 29 et inde profecti praetergrediebantur Galilaeam nec volebat quemquam scire 30 docebat autem discipulos suos et dicebat illis quoniam Filius hominis tradetur in manus hominum et occident eum et occisus tertia die resurget 31 at illi ignorabant verbum et timebant eum interrogare 32 et venerunt Capharnaum qui cum domi esset interrogabat eos quid in via tractabatis 33 at illi tacebant siquidem inter se in via disputaverant quis esset illorum maior 34 et residens vocavit duodecim et ait illis si quis vult primus esse erit omnium novissimus et omnium minister 35 et accipiens puerum statuit eum in medio eorum quem cum conplexus esset ait illis 36 quisquis unum ex huiusmodi pueris receperit in nomine meo me recipit et quicumque me susceperit non me suscipit sed eum qui me misit 37 respondit illi Iohannes dicens magister vidimus quendam in nomine tuo eicientem daemonia qui non sequitur nos et prohibuimus eum 38 Iesus autem ait nolite prohibere eum nemo est enim qui faciat virtutem in nomine meo et possit cito male loqui de me 39 qui enim non est adversum vos pro vobis est 40 quisquis enim potum dederit vobis calicem aquae in nomine meo quia Christi estis amen dico vobis non perdet mercedem suam 41 et quisquis scandalizaverit unum ex his pusillis credentibus in me bonum est ei magis si circumdaretur mola asinaria collo eius et in mare mitteretur 42 et si scandalizaverit te manus tua abscide illam bonum est tibi debilem introire in vitam quam duas manus habentem ire in gehennam in ignem inextinguibilem 43 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur 44 et si pes tuus te scandalizat amputa illum bonum est tibi claudum introire in vitam aeternam quam duos pedes habentem mitti in gehennam ignis inextinguibilis 45 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur 46 quod si oculus tuus scandalizat te eice eum bonum est tibi luscum introire in regnum Dei quam duos oculos habentem mitti in gehennam ignis 47 ubi vermis eorum non moritur et ignis non extinguitur 48 omnis enim igne sallietur et omnis victima sallietur 49 bonum est sal quod si sal insulsum fuerit in quo illud condietis habete in vobis sal et pacem habete inter vos


- Statenvertaling

1 En Hij zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van degenen, die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien, dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is. 2 En na zes dagen nam Jezus met Zich Petrus, en Jakobus, en Johannes, en bracht hen op een hogen berg bezijden alleen; en Hij werd voor hen van gedaante veranderd. 3 En Zijn klederen werden blinkende, zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zo wit maken kan. 4 En van hen werd gezien Elias met Mozes, en zij spraken met Jezus. 5 En Petrus, antwoordende, zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed, dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elias een. 6 Want hij wist niet, wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd. 7 En er kwam een wolk, die hen overschaduwde, en een stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is Mijn geliefde Zoon, hoort Hem! 8 En haastelijk rondom ziende, zagen zij niemand meer, dan Jezus alleen bij zich. 9 En als zij van den berg afkwamen, gebood Hij hun, dat zij niemand verhalen zouden, hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des mensen uit de doden zou opgestaan zijn. 10 En zij behielden dit woord bij zichzelven, vragende onder elkander, wat het was, uit de doden opstaan. 11 En zij vraagden Hem, zeggende: Waarom zeggen de Schriftgeleerden, dat Elias eerst komen moet? 12 En Hij, antwoordende, zeide tot hen: Elias zal wel eerst komen, en alles weder oprichten; en het zal geschieden, gelijk geschreven is van den Zoon des mensen, dat Hij veel lijden zal en veracht worden. 13 Maar Ik zeg u, dat ook Elias gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is. 14 En als Hij bij de discipelen gekomen was, zag Hij een grote schare rondom hen, en enige Schriftgeleerden met hen twistende. 15 En terstond de gehele schare Hem ziende, werd verbaasd, en toelopende groetten zij Hem. 16 En Hij vraagde den Schriftgeleerden: Wat twist gij met dezen? 17 En een uit de schare, antwoordende, zeide: Meester, ik heb mijn zoon tot U gebracht, die een stommen geest heeft. 18 En waar hij hem ook aangrijpt, zo scheurt hij hem, en schuimt, en knerst met zijn tanden, en verdort; en ik heb Uw discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund. 19 En Hij antwoordden hem, en zeide: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem tot Mij. 20 En zij brachten denzelven tot Hem; en als hij Hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende. 21 En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijn kindsheid af. 22 En menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zo Gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen, en help ons. 23 En Jezus zeide tot hem: Zo gij kunt geloven, alle dingen zijn mogelijk dengene, die gelooft. 24 En terstond de vader des kinds, roepende met tranen, zeide: Ik geloof, Heere! kom mijn ongelovigheid te hulp. 25 En Jezus ziende, dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en dove geest! Ik beveel u, ga uit van hem, en kom niet meer in hem. 26 En hij, roepende en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzo dat velen zeiden, dat het gestorven was. 27 En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op. 28 En als Hij in huis gegaan was, vraagden Hem Zijn discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen? 29 En Hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan, dan door bidden en vasten. 30 En van daar weggaande, reisden zij door Galilea; en Hij wilde niet, dat het iemand wist. 31 Want Hij leerde Zijn discipelen, en zeide tot hen: De Zoon des mensen zal overgeleverd worden in de handen der mensen, en zij zullen Hem doden, en gedood zijnde, zal Hij ten derden dage wederopstaan. 32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden Hem te vragen. 33 En Hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde Hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg? 34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zou zijn. 35 En nedergezeten zijnde, riep Hij de twaalven, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar. 36 En nemende een kindeken, stelde Hij dat midden onder hen, en omving het met Zijn armen, en zeide tot hen: 37 Zo wie een van zodanige kinderkens zal ontvangen in Mijn Naam, die ontvangt Mij; en zo wie Mij zal ontvangen, die ontvangt Mij niet, maar Dien, Die Mij gezonden heeft. 38 En Johannes antwoordde Hem, zeggende: Meester! wij hebben een gezien, die de duivelen uitwierp in Uw Naam, welke ons niet volgt; en wij hebben het hem verboden, omdat hij ons niet volgt. 39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want er is niemand, die een kracht doen zal in Mijn Naam, en haastelijk van Mij zal kunnen kwalijk spreken. 40 Want wie tegen ons niet is, die is voor ons. 41 Want zo wie ulieden een beker water zal te drinken geven in Mijn Naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zeg Ik u, hij zal zijn loon geenszins verliezen. 42 En zo wie een van deze kleinen, die in Mij geloven, ergert, het ware hem beter, dat een molensteen om zijn hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware. 43 En indien uw hand u ergert, houwt ze af; het is u beter verminkt tot het leven in te gaan, dan de twee handen hebbende, heen te gaan in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 44 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 45 En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur; 46 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 47 En indien uw oog u ergert, werpt het uit; het is u beter maar een oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee ogen hebbende, in het helse vuur geworpen te worden; 48 Waar hun worm niet sterft, en het vuur niet uitgeblust wordt. 49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zout gezouten worden. 50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.


- Willibrordvertaling

Hoofdstuk 9 [1] Ook zei Hij hun: 'Ik verzeker u, er zijn er hier die de dood niet zullen proeven voordat ze hebben gezien dat Gods koninkrijk met kracht gekomen is.' Jezus met Mozes en Elia [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus*, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg* op, waar Hij met hen alleen was. Voor hun ogen veranderde Hij van gedaante, [3] en zijn kleren werden schitterend wit, zoals geen bleker op aarde ze maken kan. [4] Elia verscheen hun samen met Mozes, in gesprek met Jezus. [5] Petrus zei daarop tegen Jezus: 'Rabbi*, het is maar goed dat wij hier zijn; laten wij drie hutten* maken, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een.' [6] Want hij wist niet wat hij moest zeggen; zo vol ontzag* waren ze. [7] Er kwam een wolk die hen overdekte, en er klonk een stem uit de wolk: 'Dit is mijn geliefde Zoon; luister naar Hem.' [8] Toen ze rondkeken, zagen ze ineens niemand meer, alleen Jezus was bij hen. [9] Terwijl ze van de berg afdaalden, bezwoer Hij hun niemand* te vertellen wat ze gezien hadden, voordat de Mensenzoon uit de doden zou zijn opgestaan. [10] Dit woord grepen ze aan om onder elkaar te bespreken waarop dat 'uit de doden opstaan' sloeg. [11] En zij stelden Hem de vraag: 'Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?' [12] Hij zei hun: 'Elia komt eerst en herstelt alles. Maar hoe kan over de Mensenzoon geschreven staan dat Hij veel lijden moet en miskend moet worden? [13] Ik zeg jullie: niet alleen is Elia* al gekomen, ze hebben bovendien met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.' Genezing van een bezeten jongen [14] Toen ze bij de leerlingen kwamen, zagen ze veel mensen om hen heen, onder wie schriftgeleerden, die met hen discussieerden. [15] Meteen toen al die mensen Hem zagen, raakten ze uit hun doen, vlogen op Hem af en begroetten Hem. [16] Hij vroeg hun: 'Wat discussieert u toch met hen?' [17] Iemand uit de menigte gaf Hem ten antwoord: 'Meester, ik heb mijn zoon naar U meegenomen, omdat hij in de greep is van een stomme geest. [18] Wanneer hij hem aangrijpt, knijpt hij hem de keel dicht, en dan staat het schuim hem op de mond, knarst hij met de tanden en wordt hij helemaal stijf. Ik vroeg uw leerlingen hem uit te drijven, maar ze waren er niet toe in staat.' [19] Hij antwoordde hun: 'Ongelovig slag mensen! Hoelang moet Ik nog bij jullie blijven? Hoelang moet Ik jullie nog verdragen? Breng hem bij Me.' [20] En ze brachten hem naar Hem toe. Zodra de geest Hem zag, liet hij hem stuiptrekken. Hij viel op de grond en rolde heen en weer met het schuim op zijn mond. [21] Jezus vroeg zijn vader: 'Hoe lang heeft hij dat al?' Hij zei: 'Van kindsbeen af. [22] Hij heeft hem ook al vaak in het vuur en in het water gegooid om hem te doden. Maar als U enigszins kunt, wees met ons begaan, kom ons te hulp.' [23] Jezus zei tegen hem: 'Of Ik dat zou kunnen? Alles kan voor wie vertrouwen heeft.' [24] Meteen riep de vader van de jongen uit: 'Ik heb vertrouwen. Kom mijn gebrekkig vertrouwen te hulp.' [25] Toen Jezus zag dat de menigte toestroomde, bestrafte hij de onreine geest met de woorden: 'Stomme en dove geest, Ik beveel je, ga uit hem weg en kom niet meer in hem terug.' [26] Onder gekrijs en veel stuiptrekkingen ging hij weg. Hij bleef achter als een lijk, zodat velen zeiden: 'Hij is dood.' [27] Maar Jezus nam hem bij de hand en liet hem opstaan, en hij stond op. [28] Thuisgekomen*, alleen met zijn leerlingen, vroegen dezen Hem: 'Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?' [29] Hij zei tegen hen: 'Dit soort kun je niet anders uitdrijven dan met gebed.' Onderricht aan de leerlingen [30] Ze gingen daar weg en trokken door Galilea. Hij wilde niet dat iemand het te weten kwam, [31] want Hij was bezig met onderricht aan zijn leerlingen. Hij zei tegen hen: 'De Mensenzoon wordt uitgeleverd en valt in de handen van mensen. Ze zullen Hem doden, en drie dagen na zijn dood zal Hij opstaan.' [32] Ze begrepen* dat woord niet, maar ze durfden Hem er ook niets over te vragen. [33] Ze kwamen in Kafarnaüm. Thuis* vroeg Hij hun: 'Waar hadden jullie het onderweg toch over?' [34] Maar ze zwegen, want ze hadden onderweg ruzie gehad over de vraag wie de grootste was. [35] Hij ging zitten, riep de twaalf en zei hun: 'Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen zijn en de dienaar van allen.' [36] Hij haalde er een kind bij, zette het in hun midden, sloeg er zijn armen omheen en zei tegen hen: [37] 'Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij. En wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij gezonden heeft.' [38] Johannes zei tegen Hem: 'Meester, we hebben iemand in uw naam demonen zien uitdrijven, en wij hebben hem tegengehouden, omdat hij geen volgeling van ons was.' [39] Maar Jezus zei: 'Houd hem niet tegen, want iemand die in mijn naam een machtige daad verricht, zal niet gauw kwaad van Me spreken. [40] Immers, wie niet tegen ons is, is vóór ons. [41] Want als iemand je een beker water geeft omdat jullie van Christus zijn, Ik verzeker jullie, zijn loon zal hem niet ontgaan. [42] Wie één van deze kleinen die op Mij vertrouwen ten val brengt, kan beter met een molensteen om zijn nek in zee geworpen worden. [43] Als je hand je ten val brengt, hak haar dan af; je kunt beter verminkt het leven ingaan dan met twee handen in de hel verdwijnen, in het onblusbaar vuur.* [45] Als je voet je ten val brengt, hak hem dan af; je kunt beter kreupel het leven ingaan dan met twee voeten in de hel gegooid worden.* [47] Als je oog je ten val brengt, ruk het dan uit; je kunt beter met één oog het koninkrijk van God ingaan dan met twee ogen in de hel gegooid worden, [48] waar hun worm niet van ophouden weet en het vuur niet dooft. [49] Want iedereen zal met vuur gezouten* worden. [50] Zout is iets goeds. Maar als het zout zouteloos wordt, waarmee zul je het dan weer zout maken? Heb zout in jezelf, en leef in vrede met elkaar.'


- De Nieuwe Bijbelvertaling

Hoofdstuk 9 [1] Verder zei hij ook nog: 'Ik verzeker jullie: sommigen die hier aanwezig zijn zullen niet sterven voordat ze de komst van het koninkrijk van God in al zijn kracht hebben meegemaakt.' Een stem uit de hemel [2] Zes dagen later nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes met zich mee een hoge berg op, waar ze helemaal alleen waren. Voor hun ogen veranderde hij van gedaante, [3] zijn kleren gingen helder wit glanzen, zo wit als geen enkele wolwasser op aarde voor elkaar zou kunnen krijgen. [4] Toen verscheen Elia aan hen, samen met Mozes, en ze spraken met Jezus. [5] Petrus nam het woord en zei tegen Jezus: 'Rabbi, het is goed dat wij hier zijn; laten we drie tenten opslaan, een voor u, een voor Mozes en een voor Elia.' [6] Hij wist niet goed wat hij moest zeggen, want ze waren door schrik overweldigd. [7] Toen viel de schaduw van een wolk over hen, en uit de wolk klonk een stem: 'Dit is mijn geliefde Zoon, luister naar hem!' [8] Ze keken om zich heen en zagen opeens niemand meer, behalve Jezus, die nog bij hen stond. [9] Toen ze de berg afdaalden, zei hij tegen hen dat ze aan niemand mochten vertellen wat ze hadden gezien voordat de Mensenzoon uit de dood zou zijn opgestaan. [10] Ze namen zijn woorden ter harte, maar vroegen zich onder elkaar wel af wat hij bedoelde met deze opstanding uit de dood. [11] Ze vroegen hem: 'Waarom zeggen de schriftgeleerden dat Elia eerst moet komen?' [12] Hij antwoordde: 'Elia komt inderdaad eerst en herstelt alles, maar over de Mensenzoon staat toch geschreven dat hij veel moet lijden en met verachting behandeld zal worden? [13] Ik zeg jullie: Elia is al gekomen, en ze hebben met hem gedaan wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat.' Geloof en ongeloof [14] Toen ze terugkwamen bij de andere leerlingen, zagen ze een grote menigte om hen heen staan. Er waren ook schriftgeleerden bij, die met hen aan het discussiëren waren. [15] De mensen waren verbaasd toen ze hem zagen, en liepen meteen naar hem toe om hem te begroeten. [16] Hij vroeg hun: 'Waarover zijn jullie met hen aan het discussiëren?' [17] Iemand uit de menigte antwoordde: 'Meester, ik heb mijn zoon naar u gebracht omdat hij door een geest bezeten is en niet kan praten; [18] steeds wanneer de geest hem overweldigt, gooit die hem op de grond, en dan komt het schuim hem op de mond te staan, hij knarst met zijn tanden en wordt helemaal stijf. Ik zei tegen uw leerlingen dat ze hem moesten uitdrijven, maar dat konden ze niet.' [19] Hij zei tegen hen: 'Wat zijn jullie toch een ongelovig volk, hoe lang moet ik nog bij jullie blijven? Hoe lang moet ik jullie verdragen? Breng hem bij me.' [20] Ze brachten de jongen bij hem. Toen de geest hem zag, deed hij de jongen meteen stuiptrekken, en met het schuim op de lippen viel hij op de grond en rolde heen en weer. [21] Jezus vroeg aan zijn vader: 'Hoe lang heeft hij hier al last van?' Hij antwoordde: 'Al vanaf zijn vroegste jeugd, [22] en hij heeft hem zelfs vaak in het vuur gegooid en in het water met de bedoeling hem te doden; maar als u iets kunt doen, heb dan medelijden met ons en help ons.' [23] Toen zei Jezus tegen hem: 'Of ik iets kan doen? Alles is mogelijk voor wie gelooft.' [24] Meteen riep de vader van het kind uit: 'Ik geloof! Kom mijn ongeloof te hulp.' [25] Toen Jezus zag dat er een grote groep mensen toestroomde, sprak hij de onreine geest op strenge toon toe en zei: 'Geest die doof en stom maakt, ik gebied je: ga uit hem weg en keer niet meer in hem terug.' [26] Onder geschreeuw en met hevige stuiptrekkingen ging hij uit hem weg; de jongen bleef voor dood achter, zodat de mensen zeiden dat hij was gestorven. [27] Maar Jezus pakte hem bij de hand om hem overeind te helpen en hij stond op. [28] Hij ging een huis in, en toen ze weer alleen waren, vroegen zijn leerlingen hem: 'Waarom konden wij die geest niet uitdrijven?' [29] Hij antwoordde: 'Dit soort kan alleen door gebed worden uitgedreven.' Onderricht aan de leerlingen [30] Ze vertrokken uit die streek en reisden door Galilea, maar hij wilde niet dat iemand dat te weten kwam, [31] want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven. Hij zei tegen hen: 'De Mensenzoon wordt uitgeleverd aan de mensen. Die zullen hem doden, maar na drie dagen zal hij uit de dood opstaan.' [32] Ze begrepen deze uitspraak niet, maar durfden hem geen vragen te stellen. [33] Ze kwamen in Kafarnaüm. Toen ze in huis waren, vroeg hij hun: 'Waarover waren jullie onderweg aan het redetwisten?' [34] Ze zwegen, want ze hadden onderweg met elkaar getwist over de vraag wie van hen de belangrijkste was. [35] Hij ging zitten en riep de twaalf bij zich. Hij zei tegen hen: 'Wie de belangrijkste wil zijn, moet de minste van allemaal willen zijn en ieders dienaar.' [36] Hij pakte een kind op en zette het in hun midden neer; hij sloeg zijn arm eromheen en zei tegen hen: [37] 'Wie in mijn naam één zo'n kind bij zich opneemt, neemt mij op; en wie mij opneemt, neemt niet mij op, maar hem die mij gezonden heeft.' [38] Johannes zei tegen hem: 'Meester, we hebben iemand gezien die in uw naam demonen uitdreef en we hebben geprobeerd hem dat te beletten omdat hij zich niet bij ons wilde aansluiten.' [39] Jezus zei: 'Belet het hem niet. Want iemand die een wonder verricht in mijn naam kan onmogelijk het volgende moment kwaad van mij spreken. [40] Wie niet tegen ons is, is voor ons. [41] Ik verzeker je: wie jullie een beker water te drinken geeft omdat jullie bij Christus horen, die zal zeker beloond worden. [42] Wie een van de geringen die in mij geloven van de goede weg afbrengt, zou beter af zijn als hij met een molensteen om zijn nek in zee gegooid werd. [43] Als je hand je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter verminkt het leven binnengaan dan in het bezit van twee handen naar de Gehenna te moeten gaan, naar het onblusbare vuur.* [45] Als je voet je op de verkeerde weg brengt, hak hem dan af: je kunt beter kreupel het leven binnengaan dan in het bezit van twee voeten in de Gehenna geworpen worden.* [47] En als je oog je op de verkeerde weg brengt, ruk het dan uit: je kunt beter met één oog het koninkrijk van God binnengaan dan in het bezit van twee ogen in de Gehenna geworpen worden, [48] waar de wormen blijven knagen en het vuur niet dooft. [49] Iedereen moet met vuur gezouten worden. [50] Zout is goed! Maar als het zout zijn kracht verliest, hoe zullen jullie het zijn kracht dan teruggeven? Zorg dat jullie het zout in jezelf niet verliezen en bewaar onder elkaar de vrede.'


- De Naardense bijbel

9:1 Ook heeft hij tot hen gezegd: voorwaar, ik zeg u dat er sommigen zijn van wie hier staan die de dood niet zullen proeven voordat zij het koningschap van God hebben zien komen in kracht! Marcus 9:2 Zes dagen hierna neemt Jezus Petrus, Jakobus en Johannes bij zich en voert hen omhoog, een steil bergland in waar ze op zichzelf en alleen zijn. Dan verandert hij voor hun aanschijn van gedaante, 9:3 en zijn klederen worden een en al glans, héél wit, zo wit als geen voller op aarde kan maken. 9:4 En aan hen laat Elia zich zien, samen met Mozes, en die gaan met Jezus in gesprek. 9:5 Ten antwoord zegt Petrus tot Jezus: rabbi, hoe goed is 't ons om hier te zijn!, laten wij drie tenten maken: een voor u, een voor Mozes en een voor Elia! 9:6 Want hij heeft niet geweten wat te antwoorden,- want ze raken buiten zichzelf van vreze. 9:7 En het geschiedt dat een wolk hen overschaduwt, en er geschiedt een stem uit de wolk: hij is mijn beminde zoon, hoort naar hem! 9:8 Maar als zij om zich heen kijken zien zij ineens niemand meer dan alleen Jezus bij hen. 9:9 Terwijl zij uit het bergland afdalen gebiedt hij hun om aan niemand te vertellen wat zij hebben gezien, 'behalve wanneer de mensenzoon uit de doden zal opstaan'. 9:10 Dat woord houden zij bij zich en zoeken er samen naar wat het is, dat 'uit de doden opstaan'. 9:11 Ze stellen hem de vraag en zeggen: de schriftgeleerden zeggen toch dat eerst Elia moet komen? (Mal. 3,23) 9:12 Maar hij brengt uit: ja, Elia komt eerst om alles weer op te richten,- en hoe staat geschreven over de mensenzoon?- dat hij veel moet lijden en als niets geacht zal worden (Jes. 53,3)!- 9:13 Maar ik zeg u dat én Elia is gekomen én ze met hem hebben gedaan al wat ze wilden, zoals over hem geschreven staat! 9:14 Als zij bij de leerlingen aankomen zien ze een grote schare om hen heen en schriftgeleerden met hen in een twistgesprek. 9:15 En heel de schare,- als ze hem zien hollen ze verrast naar hem toe; zo hebben ze hem begroet. 9:16 En hij stelt hen de vraag: waarover zijt ge met hen in twistgesprek? 9:17 Eén uit de schare antwoordt hem: leermeester, ik bracht mijn zoon naar u toe die een geest heeft die maakt dat hij niet praat; 9:18 wanneer die hem aangrijpt, waar dan ook, verscheurt hij hem, en híj schuimbekt en knarst met zijn tanden en verstijft; ik zei tot uw leerlingen dat ze hem moesten uitwerpen, en ze konden het niet! 9:19 Ten antwoord zegt hij tot hen: o geslacht zonder geloof, tot wanneer moet ik bij u zijn, tot wanneer moet ik u verdragen?- brengt hem bij mij! 9:20 Zij brengen hem bij hem. Meteen als de geest hem ziet laat hij hem stuiptrekken; hij valt ter aarde en rolt schuimbekkend heen en weer. 9:21 Hij vraagt aan zijn vader: hoe lange tijd is het al dat hij dit gekregen heeft? En hij zegt: van kind af!, 9:22 en dikwijls ook heeft hij hem in het vuur geworpen en dan weer in het water om hem om te brengen; maar als u íets kunt, help ons dan, wees over ons bewogen! 9:23 Maar Jezus zegt: over dat 'als u kunt',- alles kan voor wie gelooft! 9:24 Meteen heeft de vader van het jongetje met een schreeuw gezegd: ik gelóóf!- help mij in mijn ongeloof! 9:25 Maar Jezus ziet dat er al een schare te hoop loopt en bestraft de onreine geest door tot hem te zeggen: jij geest van niet-kunnen-praten en doofheid, ík beveel jóu: ga uit hem weg en kom niet meer bij hem binnen! 9:26 En schreeuwend en hevig stuiptrekkend gaat hij weg, en hij wordt als een dode, zodat de meesten al zeggen 'hij is gestorven!' 9:27 Maar Jezus grijpt zijn hand vast en wekt hem op, en dan staat hij op. 9:28 Hij gaat een huis binnen en dan, als ze onder elkaar zijn, vragen zijn leerlingen hem: waarom konden wij dat niet, hem uitdrijven? 9:29 Hij zegt tot hen: dit soort kan door niet anders weggaan dan door gebed! 9:30 Daarvandaan weggaand zijn zij verdergetrokken door Galilea, en hij heeft niet gewild dat iemand daarvan kennis zou hebben. 9:31 Want hij was bezig zijn leerlingen onderricht te geven en heeft tot hen gezegd: de mensenzoon wordt overgeleverd in handen van mensen, en ze zullen hem doden, en eenmaal gedood zal hij na drie dagen opstaan! 9:32 Maar zij hebben niets herkend in wat hij zei, en waren bevreesd om hem er naar te vragen. 9:33 Ze komen aan in Kafarnaoem. Als hij in het huis is stelt hij aan hen de vraag: en waarover ging onderweg uw overleg? 9:34 Maar zij hebben er het zwijgen toe gedaan; want ze hadden tegen elkaar overlegd, onderweg, wie de grootste was. 9:35 Hij gaat zitten, roept de twaalf bij zich en zegt tot hen: als iemand de eerste wil zijn, zal hij van allen de laatste zijn: van allen een bediende! 9:36 Hij haalt een kind naar zich toe en zet dat midden tussen hen neer; hij sluit het in zijn armen en zegt tot hen: 9:37 al wie één van zulke kinderen ontvangt, met een beroep op mijn naam, ontvangt mij, en al wie mij ontvangt ontvangt níet mij maar hem die mij heeft gezonden! 9:38 Johannes brengt tot hem uit: leermeester, wij hebben iemand die ons niet volgt in uw naam demonen zien uitdrijven, en omdat hij ons niet volgde hebben wij hem tegengehouden! 9:39 Maar Jezus zegt: houdt hem niet tegen, want er is niemand die met een beroep op mijn naam een daad van macht zal doen en bij machte zal zijn onmiddellijk daarna kwalijk van mij te spreken; 9:40 hier geldt immers: wie niet tegen ons is, is vóór ons!- 9:41 ja, al wie u een drinkbeker water te drinken zal geven in naam daarvan dat ge van Christus zijt, voorwaar, ik zeg u dat hij zijn loon niet zal verliezen; 9:42 en al wie voor een van deze kleinen, die zo vol geloof zijn, een struikelblok zal leggen, voor hem is het maar het beste als er een molensteen om zijn hals ligt en hij in zee wordt geworpen; 9:43 en als je hand je laat struikelen, hak haar af; beter is het verminkt het leven binnen te gaan dan met je twee handen heen te gaan naar de hel, naar het vuur dat niet dooft;* 9:44 * 9:45 en als je voet je laat struikelen, hak hem af; beter is het kreupel het leven binnen te gaan dan met je twee voeten in de hel geworpen te worden;* 9:46 * 9:47 en als je oog je laat struikelen, werp het uit; beter is het dat je met één oog het koninkrijk van God binnengaat dan met twee ogen in de hel geworpen te worden, 9:48 'waar hun worm niet sterft en het vuur niet dooft' (Jes. 66,24); 9:49 want ieder zal met vuur gezouten worden; 9:50 het zout is een goed ding; maar als het zout zouteloos wordt, waarmee moet je het dan kruiden?- behoudt het zout in uzelf en betracht onder elkaar vrede.


- Bible de Jérusalem

1. Et il leur disait: « En vérité je vous le dis, il en est d'ici présents qui ne goûteront pas la mort avant d'avoir vu le Royaume de Dieu venu avec puissance. » 2. Six jours après, Jésus prend avec lui Pierre, Jacques et Jean et les emmène seuls, à l'écart, sur une haute montagne. Et il fut transfiguré devant eux 3. et ses vêtements devinrent resplendissants, d'une telle blancheur qu'aucun foulon sur terre ne peut blanchir de la sorte. 4. Élie leur apparut avec Moïse et ils s'entretenaient avec Jésus. 5. Alors Pierre, prenant la parole, dit à Jésus: « Rabbi, il est heureux que nous soyons ici ; faisons donc trois tentes, une pour toi, une pour Moïse et une pour Élie. » 6. C'est qu'il ne savait que répondre, car ils étaient saisis de frayeur. 7. Et une nuée survint qui les prit sous son ombre, et une voix partit de la nuée: « Celui-ci est mon Fils bien-aimé ; écoutez-le. » 8. Soudain, regardant autour d'eux, ils ne virent plus personne, que Jésus seul avec eux. 9. Comme ils descendaient de la montagne, il leur ordonna de ne raconter à personne ce qu'ils avaient vu, si ce n'est quand le Fils de l'homme serait ressuscité d'entre les morts. 10. Ils gardèrent la recommandation, tout en se demandant entre eux ce que signifiait » ressusciter d'entre les morts ». 11. Et ils lui posaient cette question: « Pourquoi les scribes disent-ils qu'Élie doit venir d'abord ? » 12. Il leur dit: « Oui, Élie doit venir d'abord et tout remettre en ordre. Et comment est-il écrit du Fils de l'homme qu'il doit beaucoup souffrir et être méprisé ? 13. Mais je vous le dis: Élie est bien déjà venu et ils l'ont traité à leur guise, comme il est écrit de lui. » 14. En rejoignant les disciples, ils virent une foule nombreuse qui les entourait et des scribes qui discutaient avec eux. 15. Et aussitôt qu'elle l'aperçut, toute la foule fut très surprise et ils accoururent pour le saluer. 16. Et il leur demanda: « De quoi disputez-vous avec eux ? » 17. Quelqu'un de la foule lui dit: « Maître, je t'ai apporté mon fils qui a un esprit muet. 18. Quand il le saisit, il le jette à terre, et il écume, grince des dents et devient raide. Et j'ai dit à tes disciples de l'expulser et ils n'en ont pas été capables. » - 19. « Engeance incrédule, leur répond-il, jusques à quand serai-je auprès de vous ? Jusques à quand vous supporterai-je ? Apportez-le-moi. » 20. Et ils le lui apportèrent. Sitôt qu'il vit Jésus, l'esprit secoua violemment l'enfant qui tomba à terre et il s'y roulait en écumant. 21. Et Jésus demanda au père: « Combien de temps y a-t-il que cela lui arrive ? » - « Depuis son enfance, dit-il ; 22. et souvent il l'a jeté soit dans le feu soit dans l'eau pour le faire périr. Mais si tu peux quelque chose, viens à notre aide, par pitié pour nous. » - 23. « Si tu peux ! ... reprit Jésus ; tout est possible à celui qui croit. » 24. Aussitôt le père de l'enfant de s'écrier: « Je crois ! Viens en aide à mon peu de foi ! » 25. Jésus, voyant qu'une foule affluait, menaça l'esprit impur en lui disant: « Esprit muet et sourd, je te l'ordonne, sors de lui et n'y rentre plus. » 26. Après avoir crié et l'avoir violemment secoué, il sortit, et l'enfant devint comme mort, si bien que la plupart disaient: « Il a trépassé ! » 27. Mais Jésus, le prenant par la main, le releva et il se tint debout. 28. Quand il fut rentré à la maison, ses disciples lui demandaient dans le privé: « Pourquoi nous autres, n'avons-nous pu l'expulser ? » 29. Il leur dit: « Cette espèce-là ne peut sortir que par la prière. » 30. Étant partis de là, ils faisaient route à travers la Galilée et il ne voulait pas qu'on le sût. 31. Car il instruisait ses disciples et il leur disait: « Le Fils de l'homme est livré aux mains des hommes et ils le tueront, et quand il aura été tué, après trois jours il ressuscitera. » 32. Mais ils ne comprenaient pas cette parole et ils craignaient de l'interroger. 33. Ils vinrent à Capharnaüm ; et une fois à la maison, il leur demandait: « De quoi discutiez-vous en chemin ? » 34. Eux se taisaient, car en chemin ils avaient discuté entre eux qui était le plus grand. 35. Alors, s'étant assis, il appela les Douze et leur dit: « Si quelqu'un veut être le premier, il sera le dernier de tous et le serviteur de tous. » 36. Puis, prenant un petit enfant, il le plaça au milieu d'eux et, l'ayant embrassé, il leur dit: 37. « Quiconque accueille un enfant comme celui-ci à cause de mon nom, c'est moi qu'il accueille ; et quiconque m'accueille, ce n'est pas moi qu'il accueille, mais Celui qui m'a envoyé. » 38. Jean lui dit: « Maître, nous avons vu quelqu'un expulser des démons en ton nom, quelqu'un qui ne nous suit pas, et nous voulions l'empêcher, parce qu'il ne nous suivait pas. » 39. Mais Jésus dit: « Ne l'en empêchez pas, car il n'est personne qui puisse faire un miracle en invoquant mon nom et sitôt après parler mal de moi. 40. Qui n'est pas contre nous est pour nous. 41. « Quiconque vous donnera à boire un verre d'eau pour ce motif que vous êtes au Christ, en vérité, je vous le dis, il ne perdra pas sa récompense. 42. « Mais si quelqu'un doit scandaliser l'un de ces petits qui croient, il serait mieux pour lui de se voir passer autour du cou une de ces meules que tournent les ânes et d'être jeté à la mer. 43. Et si ta main est pour toi une occasion de péché, coupe-la: mieux vaut pour toi entrer manchot dans la Vie que de t'en aller avec tes deux mains dans la géhenne, dans le feu qui ne s'éteint pas 44. 45. Et si ton pied est pour toi une occasion de péché, coupe-le: mieux vaut pour toi entrer estropié dans la Vie que d'être jeté avec tes deux pieds dans la géhenne 46. 47. Et si ton œil est pour toi une occasion de péché, arrache-le: mieux vaut pour toi entrer borgne dans le Royaume de Dieu que d'être jeté avec tes deux yeux dans la géhenne 48. où leur ver ne meurt point et où le feu ne s'éteint point. 49. Car tous seront salés par le feu. 50. C'est une bonne chose que le sel ; mais si le sel devient insipide, avec quoi l'assaisonnerez-vous ? Ayez du sel en vous-mêmes et vivez en paix les uns avec les autres. »


- King James Bible

Mark.9 [1] And he said unto them, Verily I say unto you, That there be some of them that stand here, which shall not taste of death, till they have seen the kingdom of God come with power. [2] And after six days Jesus taketh with him Peter, and James, and John, and leadeth them up into an high mountain apart by themselves: and he was transfigured before them. [3] And his raiment became shining, exceeding white as snow; so as no fuller on earth can white them. [4] And there appeared unto them Elias with Moses: and they were talking with Jesus. [5] And Peter answered and said to Jesus, Master, it is good for us to be here: and let us make three tabernacles; one for thee, and one for Moses, and one for Elias. [6] For he wist not what to say; for they were sore afraid. [7] And there was a cloud that overshadowed them: and a voice came out of the cloud, saying, This is my beloved Son: hear him. [8] And suddenly, when they had looked round about, they saw no man any more, save Jesus only with themselves. [9] And as they came down from the mountain, he charged them that they should tell no man what things they had seen, till the Son of man were risen from the dead. [10] And they kept that saying with themselves, questioning one with another what the rising from the dead should mean. [11] And they asked him, saying, Why say the scribes that Elias must first come? [12] And he answered and told them, Elias verily cometh first, and restoreth all things; and how it is written of the Son of man, that he must suffer many things, and be set at nought. [13] But I say unto you, That Elias is indeed come, and they have done unto him whatsoever they listed, as it is written of him. [14] And when he came to his disciples, he saw a great multitude about them, and the scribes questioning with them. [15] And straightway all the people, when they beheld him, were greatly amazed, and running to him saluted him. [16] And he asked the scribes, What question ye with them? [17] And one of the multitude answered and said, Master, I have brought unto thee my son, which hath a dumb spirit; [18] And wheresoever he taketh him, he teareth him: and he foameth, and gnasheth with his teeth, and pineth away: and I spake to thy disciples that they should cast him out; and they could not. [19] He answereth him, and saith, O faithless generation, how long shall I be with you? how long shall I suffer you? bring him unto me. [20] And they brought him unto him: and when he saw him, straightway the spirit tare him; and he fell on the ground, and wallowed foaming. [21] And he asked his father, How long is it ago since this came unto him? And he said, Of a child. [22] And ofttimes it hath cast him into the fire, and into the waters, to destroy him: but if thou canst do any thing, have compassion on us, and help us. [23] Jesus said unto him, If thou canst believe, all things are possible to him that believeth. [24] And straightway the father of the child cried out, and said with tears, Lord, I believe; help thou mine unbelief. [25] When Jesus saw that the people came running together, he rebuked the foul spirit, saying unto him, Thou dumb and deaf spirit, I charge thee, come out of him, and enter no more into him. [26] And the spirit cried, and rent him sore, and came out of him: and he was as one dead; insomuch that many said, He is dead. [27] But Jesus took him by the hand, and lifted him up; and he arose. [28] And when he was come into the house, his disciples asked him privately, Why could not we cast him out? [29] And he said unto them, This kind can come forth by nothing, but by prayer and fasting. [30] And they departed thence, and passed through Galilee; and he would not that any man should know it. [31] For he taught his disciples, and said unto them, The Son of man is delivered into the hands of men, and they shall kill him; and after that he is killed, he shall rise the third day. [32] But they understood not that saying, and were afraid to ask him. [33] And he came to Capernaum: and being in the house he asked them, What was it that ye disputed among yourselves by the way? [34] But they held their peace: for by the way they had disputed among themselves, who should be the greatest. [35] And he sat down, and called the twelve, and saith unto them, If any man desire to be first, the same shall be last of all, and servant of all. [36] And he took a child, and set him in the midst of them: and when he had taken him in his arms, he said unto them, [37] Whosoever shall receive one of such children in my name, receiveth me: and whosoever shall receive me, receiveth not me, but him that sent me. [38] And John answered him, saying, Master, we saw one casting out devils in thy name, and he followeth not us: and we forbad him, because he followeth not us. [39] But Jesus said, Forbid him not: for there is no man which shall do a miracle in my name, that can lightly speak evil of me. [40] For he that is not against us is on our part. [41] For whosoever shall give you a cup of water to drink in my name, because ye belong to Christ, verily I say unto you, he shall not lose his reward. [42] And whosoever shall offend one of these little ones that believe in me, it is better for him that a millstone were hanged about his neck, and he were cast into the sea. [43] And if thy hand offend thee, cut it off: it is better for thee to enter into life maimed, than having two hands to go into hell, into the fire that never shall be quenched: [44] Where their worm dieth not, and the fire is not quenched. [45] And if thy foot offend thee, cut it off: it is better for thee to enter halt into life, than having two feet to be cast into hell, into the fire that never shall be quenched: [46] Where their worm dieth not, and the fire is not quenched. [47] And if thine eye offend thee, pluck it out: it is better for thee to enter into the kingdom of God with one eye, than having two eyes to be cast into hell fire: [48] Where their worm dieth not, and the fire is not quenched. [49] For every one shall be salted with fire, and every sacrifice shall be salted with salt. [50] Salt is good: but if the salt have lost his saltness, wherewith will ye season it? Have salt in yourselves, and have peace one with another.


- Luther Bibel

91Und er sprach zu ihnen: Wahrlich, ich sage euch: Es stehen einige hier, die werden den Tod nicht schmecken, bis sie sehen das Reich Gottes kommen mit Kraft. Die Verklärung Jesu 2Und nach sechs Tagen nahm Jesus mit sich Petrus, Jakobus und Johannes und führte sie auf einen hohen Berg, nur sie allein. Und er wurde vor ihnen verklärt; 3und seine Kleider wurden hell und sehr weiß, wie sie kein Bleicher auf Erden so weiß machen kann. 4Und es erschien ihnen Elia mit Mose und sie redeten mit Jesus. 5Und Petrus fing an und sprach zu Jesus: Rabbi, hier ist für uns gut sein. Wir wollen drei Hütten bauen, dir eine, Mose eine und Elia eine. 6Er wusste aber nicht, was er redete; denn sie waren ganz verstört. 7Und es kam eine Wolke, die überschattete sie. Und eine Stimme geschah aus der Wolke: Das ist mein lieber Sohn; den sollt ihr hören! 8Und auf einmal, als sie um sich blickten, sahen sie niemand mehr bei sich als Jesus allein. 9Als sie aber vom Berge hinabgingen, gebot ihnen Jesus, dass sie niemandem sagen sollten, was sie gesehen hatten, bis der Menschensohn auferstünde von den Toten. 10Und sie behielten das Wort und befragten sich untereinander: Was ist das, auferstehen von den Toten? 11Und sie fragten ihn und sprachen: Sagen nicht die Schriftgelehrten, dass zuvor Elia kommen muss? 12Er aber sprach zu ihnen: Elia soll ja zuvor kommen und alles wieder zurechtbringen. Und wie steht dann geschrieben von dem Menschensohn, dass er viel leiden und verachtet werden soll? 13Aber ich sage euch: Elia ist gekommen und sie haben ihm angetan, was sie wollten, wie von ihm geschrieben steht. Die Heilung eines besessenen Knaben 14Und sie kamen zu den Jüngern und sahen eine große Menge um sie herum und Schriftgelehrte, die mit ihnen stritten. 15Und sobald die Menge ihn sah, entsetzten sich alle, liefen herbei und grüßten ihn. 16Und er fragte sie: Was streitet ihr mit ihnen? 17Einer aber aus der Menge antwortete: Meister, ich habe meinen Sohn hergebracht zu dir, der hat einen sprachlosen Geist. 18Und wo er ihn erwischt, reißt er ihn; und er hat Schaum vor dem Mund und knirscht mit den Zähnen und wird starr. Und ich habe mit deinen Jüngern geredet, dass sie ihn austreiben sollen, und sie konnten's nicht. 19Er aber antwortete ihnen und sprach: O du ungläubiges Geschlecht, wie lange soll ich bei euch sein? Wie lange soll ich euch ertragen? Bringt ihn her zu mir! 20Und sie brachten ihn zu ihm. Und sogleich, als ihn der Geist sah, riss er ihn. Und er fiel auf die Erde, wälzte sich und hatte Schaum vor dem Mund. 21Und Jesus fragte seinen Vater: Wie lange ist's, dass ihm das widerfährt? Er sprach: Von Kind auf. 22Und oft hat er ihn ins Feuer und ins Wasser geworfen, dass er ihn umbrächte. Wenn du aber etwas kannst, so erbarme dich unser und hilf uns! 23Jesus aber sprach zu ihm: Du sagst: Wenn du kannst – alle Dinge sind möglich dem, der da glaubt. 24Sogleich schrie der Vater des Kindes: Ich glaube; hilf meinem Unglauben! 25Als nun Jesus sah, dass das Volk herbeilief, bedrohte er den unreinen Geist und sprach zu ihm: Du sprachloser und tauber Geist, ich gebiete dir: Fahre von ihm aus und fahre nicht mehr in ihn hinein! 26Da schrie er und riss ihn sehr und fuhr aus. Und der Knabe lag da wie tot, sodass die Menge sagte: Er ist tot. 27Jesus aber ergriff ihn bei der Hand und richtete ihn auf, und er stand auf. 28Und als er heimkam, fragten ihn seine Jünger für sich allein: Warum konnten wir ihn nicht austreiben? 29Und er sprach: Diese Art kann durch nichts ausfahren als durch Beten. Die zweite Ankündigung von Jesu Leiden und Auferstehung 30Und sie gingen von dort weg und zogen durch Galiläa; und er wollte nicht, dass es jemand wissen sollte. 31Denn er lehrte seine Jünger und sprach zu ihnen: Der Menschensohn wird überantwortet werden in die Hände der Menschen und sie werden ihn töten; und wenn er getötet ist, so wird er nach drei Tagen auferstehen. 32Sie aber verstanden das Wort nicht und fürchteten sich, ihn zu fragen. Der Rangstreit der Jünger 33Und sie kamen nach Kapernaum. Und als er daheim war, fragte er sie: Was habt ihr auf dem Weg verhandelt? 34Sie aber schwiegen; denn sie hatten auf dem Weg miteinander verhandelt, wer der Größte sei. 35Und er setzte sich und rief die Zwölf und sprach zu ihnen: Wenn jemand will der Erste sein, der soll der Letzte sein von allen und aller Diener. 36Und er nahm ein Kind, stellte es mitten unter sie und herzte es und sprach zu ihnen: 37Wer ein solches Kind in meinem Namen aufnimmt, der nimmt mich auf; und wer mich aufnimmt, der nimmt nicht mich auf, sondern den, der mich gesandt hat. Der fremde Wundertäter 38Johannes sprach zu ihm: Meister, wir sahen einen, der trieb böse Geister in deinem Namen aus, und wir verboten's ihm, weil er uns nicht nachfolgt. 39Jesus aber sprach: Ihr sollt's ihm nicht verbieten. Denn niemand, der ein Wunder tut in meinem Namen, kann so bald übel von mir reden. 40Denn wer nicht gegen uns ist, der ist für uns. 41Denn wer euch einen Becher Wasser zu trinken gibt deshalb, weil ihr Christus angehört, wahrlich, ich sage euch: Es wird ihm nicht unvergolten bleiben. Warnung vor Verführung zum Abfall 42Und wer einen dieser Kleinen, die an mich glauben, zum Abfall verführt, für den wäre es besser, dass ihm ein Mühlstein an den Hals gehängt und er ins Meer geworfen würde. 43Wenn dich aber deine Hand zum Abfall verführt, so haue sie ab! Es ist besser für dich, dass du verkrüppelt zum Leben eingehst, als dass du zwei Hände hast und fährst in die Hölle, in das Feuer, das nie verlöscht. 44 45Wenn dich dein Fuß zum Abfall verführt, so haue ihn ab! Es ist besser für dich, dass du lahm zum Leben eingehst, als dass du zwei Füße hast und wirst in die Hölle geworfen. 46 47Wenn dich dein Auge zum Abfall verführt, so wirf's von dir! Es ist besser für dich, dass du einäugig in das Reich Gottes gehst, als dass du zwei Augen hast und wirst in die Hölle geworfen, 48wo ihr Wurm nicht stirbt und das Feuer nicht verlöscht. 49Denn jeder wird mit Feuer gesalzen werden. 50Das Salz ist gut; wenn aber das Salz nicht mehr salzt, womit wird man's würzen? Habt Salz bei euch und habt Frieden untereinander!


- Structuur


- Taalgebruik

- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -


- Commentaar