0MARCUSEVANGELIE : TIENDE HOOFDSTUK , MC 10 -
- bijbeloverzicht
-- taalgebruik
-- Mc (Marcus)
-- Mc 10
-
- Mc
10,2-12 - Mc
10,17-30 -- Mc 10,35-45 -
- emptuô (in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) -
- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -
- Marcus
: overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus
taalgebruik A - Marcus
taalgebruik B - Marcus
taalgebruik C - Marcus
taalgebruik D - Marcus
taalgebruik E - Marcus
taalgebruik F - Marcus
taalgebruik G - Marcus
taalgebruik H - Marcus
taalgebruik I - Marcus
taalgebruik J - Marcus
taalgebruik K - Marcus
taalgebruik L - Marcus
taalgebruik M - Marcus
taalgebruik N - Marcus
taalgebruik O - Marcus
taalgebruik P - Marcus
taalgebruik Q - Marcus
taalgebruik R - Marcus
taalgebruik S - Marcus
taalgebruik T - Marcus
taalgebruik U - Marcus
taalgebruik Z -
- Mc
: commentaar .
Overzicht van het Marcusevangelie : Mc
1 , Mc 2
, Mc 3 ,
Mc 4 , Mc
5 , Mc 6
, Mc 7 ,
Mc 8 , Mc
9 , Mc 10
, Mc 11 ,
Mc 12 , Mc
13 , Mc 14
, Mc 15 ,
Mc 16
Tekstuitleg van de pericopen - Mc
10,1 - Mc
10,2-12 - Mc
10,13-16 - Mc
10,17-22 - Mc
10,23-27 - Mc
10,28-30 - Mc
10,31 - Mc
10,32-34 - Mc
10,35-40 - Mc
10,41-45 - Mc
10,46-52
Tekstuitleg : vers per vers - Mc
10,1 - Mc
10,2 - Mc
10,3 - Mc
10,4 - Mc
10,5 - Mc
10,6 - Mc
10,7 - Mc
10,8 - Mc
10,9 - Mc
10,10 - Mc
10,11 - Mc
10,12 - Mc
10,13 - Mc
10,14 - Mc
10,15 - Mc
10,16 - Mc
10,17 - Mc
10,18 - Mc
10,19 - Mc
10,20 - Mc
10,21 - Mc
10,22 - Mc
10,23 - Mc
10,24 - Mc
10,25 - Mc
10,26 - Mc
10,27 - Mc
10,28 - Mc
10,29 - Mc
10,30 - Mc
10,31 - Mc
10,32 - Mc
10,33 - Mc
10,34 - Mc
10,35 - Mc
10,36 - Mc
10,37 - Mc
10,38 - Mc
10,39 - Mc
10,40 - Mc
10,41 - Mc
10,42 - Mc
10,43 - Mc
10,44 - Mc
10,45 - Mc
10,46 - Mc
10,47 - Mc
10,48 - Mc
10,49 - Mc
10,50 - Mc
10,51 - Mc
10,52 -
| ZOEKEN OP DEZE WEBSITE |
| 1. LXX , Griekse tekst N.T. | 2. Vulgata | 3. Synopsis Denaux - Vervenne | 4. Statenvertaling | 5. Willibrordvertaling | 6. Nieuwe Vertaling | 7. Naardense vertaling , zie |
| 8. Bible de Jérusalem | 9. Statenvertaling | 10. King James Bible - King James Bible | 11. Luther-Bibel |
Woordenschat
Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik
- Mc
10,2-12 : 27ste
(zevenentwintigste) zondag door het b-jaar .
- Mc
10,17-30 : 28ste
(achtentwintigste) zondag door het b-jaar .
- Mc
10,35-45 :
Overzicht van de bijbelboeken
- bijbeloverzicht
, taalgebruik
- A
- B
- C
- D
- E
- F
- G
- H
- I
- J
- K
- L
- M
- N
- O
- P
- Q
- R
- S
- T
- U
- V
- W
- X
-Y
- Z -
, Oude Testament
, Pentateuch
, Historische
boeken , Profeten
, Wijsheidsboeken
, NT : overzicht
, Evangelies
, Synoptici
, Brieven
- OT : Gn (Genesis)
, Ex (Exodus)
, Lv (Leviticus)
, Nu (Numeri)
, Dt (Deuteronomium)
, Joz (Jozua)
, Re (Rechters)
, Rt (Ruth) ,
1 S (1 Samuël)
, 2 S (2 Samuël)
, 1 K (1 Koningen)
, 2 K (2 Koningen)
, 1 Kr ( 1 Kronieken)
, 2 Kr (2 Kronieken)
, Ezr (Ezra)
, Neh (Nehemia)
, Tob (Tobia)
, Jdt (Judith)
, Est (Esther)
, 1 Mak (1 Makkabeeën)
, 2 Mak (2 Makkabeeën)
, Job , Ps
(Psalmen ) , Spr
(Spreuken) , Pr
(Prediker) , Hl
(Hooglied) , W
(Wijsheid) , Sir
(Sirach) , Js
(Jesaja) , Jr
(Jeremia) , Kl
(Klaagliederen) , Bar
(Baruch) , Ez
(Ezechiël) , Da
(Daniël) , Hos
(Hosea) , Jl (Joël)
, Am (Amos) ,
Ob (Obadja) ,
Jon (Jona) ,
Mi (Micha) , Nah
(Nahum) , Hab
(Habakuk) , Sef
(Sefanja) , Hag
(Haggai) , Zach
(Zacharia) , Mal
(Maleachi) .
- NT : Mt
(Matteüs) - Mc
(Marcus) - Lc
(Lucas) - Joh
(Johannes) - Hnd
(Handelingen) , Rom
(Rome) , 1 Kor
(Korinte) , 2 Kor
(Korinte) , Gal
(Galatië) , Ef
(Efese) , Fil
(Filippi) , Kol
(Kolosse) , 1 Tes
(Tessalonika) , 2
Tes (Tessalonika) , 1
Tim (Timoteüs) , 2
Tim (Timoteüs) , Tit
(Titus) , Film
(Filemon) , Heb
(Hebreeën) , Jak
(Jakobus) , 1 Pe
(Petrus) , 2 Pe
(Petrus) , 1 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , 2 Joh
(Johannes) , Jud
(Judas) , Apk
(Apokalyps) .
Overzicht van
de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie
bijbel -
bibliografie
van het Oude Testament - bibliografie
Matteüsevangelie - bibliografie
Marcusevangelie - bibliografie
Lucasevangelie - bibliografie
van het Johannesevangelie - bibliografie
van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)
In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse
Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en
Marc Vervenne volgende pericopen in het tiende hoofdstuk van het Marcusevangelie
:
264. Van Galilea naar Judea : Mc
10,1 - Mt
19,1-2 -
265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc
10,2-12 - Mt
19,3-9
267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc
10,13-16 - Mt
19,13-15 - Lc
18,15-17 -
268. De rijke (jonge) man : Mc
10,17-22 - Mt
19,16-22 - Lc
18,18-23 -
269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc
10,23-27 - Mt
19,23-26 - Lc
18,24-27 -
270. Loon voor wie alles verlaten om Jezus te volgen : Mc
10,28-30 - Mt
19,27-29 - Lc
18,28-30 -
271. De eschatologische ommekeer : Mc
10,31 - Mt
19,30 - Mt
20,16 - Lc
13,30 -
273. Derde lijdensvoorspelling : Mc
10,32-34 - Mt
20,17-19 - Lc
18,31-34 -
274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc
10,35-40 - Mt
20,20-23 -
275. Heersen is dienen : Mc
10,41-45 - Mt
20,24-28 - Lc
22,24-27 -
276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc
10,46-52 - Mt
20,29-34 - Lc
18,35-43
Slechts door nauwgezette en doorgedreven studie ontdek je het netwerk van de teksten en kan je de betekenis ervan beter achterhalen.
Eén van de draden wordt gevormd door een samengestelde werkwoordvorm van "poreuomai" = zich op weg begeven - poreuomai = zich op weg begeven (bij Marcus) -
Een tweede draad is het gebruik van een werkwoord met voorzetsel pros... (naar, bij) bij het begin van een pericope. In die gevallen gaat het om een of meerdere personen die bij Jezus komen of worden gebracht.
| Mc 10,2 | Mc 10,13 | Mc 10,17 | Mc 10,35 |
| Kai (en) | Kai (en) | Kai ... (en ...) | Kai (en) |
| proselthontes (zich naderbij bewogen tot - Jezus - ) | proseferon (zij brachten naderbij) | prosdramôn (en naderbijgelopen) | prosporeuonto (zij begeven zich naderbij tot) |
| autôi (hem) | autôi (hem) | ||
| Farisaioi (Farizeeën) | |||
| paidia (kinderen) | |||
| 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - | 267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 - | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 - | 274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 - Mt 20,20-23 - |
Het Marcusevangelie is concentrisch opgebouwd. Vele verhalen zijn op hun beurt concentrisch opgebouwd. A B B' A' structuur. We leren enkele verhalen kennen die merkwaardig sterk op elkaar gelijkend opgebouwd zijn.
| Mc 10,2-12 | Mc 10,17-22 | Mc 10,35-45 | Mc 10,13-16 | Mc 10,23-31 | ||
| inleiding | 35. | |||||
| 36. ho de (hij echter) | ||||||
| A : vraag | Mc 10,2 ... epèrôtôn auton (vroegen hem) ... | 17. epijroota auton (vroeg hem) | 37. hoi de (zij echter) | A | 13a | 23. |
| B : wedervraag | 3. ho de (hij echter) | 18. ho de (hij echter) | 38. ho de (hij echter) | B | 13b. | 24a |
| C | 24b-25 | |||||
| B' : antwoord op wedervraag | 4a. hoi de (zij echter) | 20. ho de (hij echter) | 39a. hoi de (zij echter) | B' | 14-15 | 26 |
| A' : antwoord op de beginvraag | 4b. ho de (hij echter) 11- 12 | 21. ho de (hij echter) | 39b-40. ho de (hij echter) | A' | 16 | 27 |
| 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 // Mt 19,3-9 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23 | 274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 // Mt 20,20-23 | 267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 | 269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27 |
264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,1 - Mt 19,1-2 -
| Mc 10,1 - Mc 10,1 : 264. Van Galilea naar Judea - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,1 - Mt 19,1-2 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen
van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen
bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.
King James Bible . [1] And he arose from thence, and cometh into the coasts
of Judaea by the farther side of Jordan: and the people resort unto him again;
and, as he was wont, he taught them again.
Luther-Bibel . 1 Und er machte sich auf und kam von dort in das Gebiet von Judäa
und jenseits des Jordans. Und abermals lief das Volk in Scharen bei ihm zusammen,
und wie es seine Gewohnheit war, lehrte er sie abermals.
Tekstuitleg van Mc
10,1 . De tekst bestaat uit drie nevengeschikte zinnen (verbonden door het
nevenschikkend voegwoord "kai" = en) .
Het vervoegd werkwoord in de eerste twee hoofdzinnen staat in de onvoltooid
tegenwoordige tijd , in de derde zin in de onvoltooid verleden tijd .
Als onderwerp in de eerste en de derde zin wordt verondersteld dat het Jezus
is ; het onderwerp van de tweede zin zijn de menigten .
De eerste zin bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De zin duidt
de plaatsverandering aan : vanwaar ... waarnaar .
De tekst verwijst naar vorige verhalen : daarvandaan , opnieuw , zoals hij gewoon
was .
We hebben hier te maken met een summarium of samenvatting zoals we er vele in het Marcusevangelie aantreffen . Zo'n summarium bestaat uit een plaatsverandering , een toeloop van het volk en een activiteit van Jezus . Meestal vormt het een overgang .
Mc 10,1.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
2. ekeithen (vanaf hier, vandaar) . Taalgebruik in het N.T. : vanhier,
vandaar . Taalgebruik in Mc : vanhier,
vandaar . Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm
(uit : min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach
voor .
Mc (5) : (1) Mc
6,1 . (2) Mc
6,10 . (3) Mc
6,11 . (4) Mc
7,24 . (5) Mc
10,1 . Voor de vierde maal (op vijf) wordt ekeithen (vanaf hier) gebruikt
. Linken tussen het volk (ochlos) (Mc
7,14), huis (oikos) (Mc
7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc
7,24) . Er zijn opmerkelijke linken tussen (4) Mc
7,24 en (5) Mc
10,1 :
- (4) Mc
7,24 : Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou (vandaar echter
opgestaan ging hij weg naar het gebied van Tyrus) .
- (5) Mc
10,1 : kai ekeithen anastas erchetai eis ta horia tès Ioudaias (en
vandaar opgestaan gaat hij naar het gebied van Judea) .
Het gebied van Tyrus ligt helemaal in het noorden , het gebied van Judea ligt
in het zuiden . Tussen beide hoort dan Mc
9,30 : kakeithen exelthontes pareporeuonto dia tès Galilaias (en vandaar
uitgegaan begaf hij zich zijdelijns door Galilea) .
Er zijn echter belangrijke linken te bespeuren . We merken dat Marcus het woordje
"daarvandaan" (Grieks : ekeithen) driemaal vooraan de zin plaatst
: in Mc
7,24 helemaal vooraan de zin , gevolgd door het partikel "echter"
(Grieks : de) , in Mc
9,30 en Mc
10,1 na het nevenschikkend voegwoord "en" (Grieks : kai) .
"Daarvandaan" verwijst telkens naar het huis waarin Jezus onderricht
gaf aan zijn leerlingen.na een optreden van Jezus in het openbaar : een discussie
met de Farizeeën en schriftgeleerden (Mc 7,1-23) , na een duiveluitdrijving
(Mc 9,14-29)
of na een discussie van de leerlingen onderweg (Mc 9,33-50) . In het volgende
kader geven we de tekst "thuis" en "daarvandaan".
3. act. part. aor. nom. mann. enk. anastas (opgestaan) van het werkw. anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi
(opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi
(opstaan) .
Mc (6) : (1) Mc
1,35 . (2) Mc
2,14 . (3) Mc
7,24 . (4) Mc
10,1 . (5) Mc
14,60 . (6) Mc
16,9 .
1. - 3.
- Mc 7,24
: Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan) .
- Mc 10,1
: Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan) .
Mc 10,1.5.
eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
6. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (4) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
10,32 .
7. nom. + acc. onz. mv. horia van het zelfst. naamw. horion (gebied) . Taalgebruik
in het N.T. : horion
(gebied) . Taalgebruik in Mc : horion
(gebied) .
Mc (2) : (1) Mc
7,24 . (2) Mc
10,1 .
8. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 10 (2) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,25 .
Mc 10,1.10.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
11. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
12. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,25 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
10,33 . (9) Mc
10,45 .
Mc 10,1.14.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
16. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin
(opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin
(opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 10 (4) : (12) Mc
10,1 . (13) Mc
10,10 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
10,32 .
18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,1 * . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,7 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,26 . (6) Mc
10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .
Mc 10,1.18. - 19. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .
19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
Mc 10,1.20.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,1.24.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw.
didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô
(leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô
(leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft
verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc
1,21 . (2) Mc
2,13 . (3) Mc
4,2 . (4) Mc
9,31 . (5) Mc
10,1 . (6) Mc
11,17 .
Mc 10,1.25.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 10 (4) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,6 . (3) Mc
10,32 . (4) Mc
10,42 .
24. - 25. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2) . STAP VOOR STAP !
Mc 10,1.14.
- 25.
- Mc 2,13
: kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous (en de hele
menigte kwam naar hem en hij onderrichtte hen) .
- Mc 10,1
: kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin
edidasken autous (en opnieuw menigten begeven zich samen op weg naar hem
en als gewoonlijk onderrichtte hij hen) .
STAP VOOR STAP !
In Mc
2,13 begint Jezus voor het eerst te onderrichten langs het meer van Galilea
. In Mc
10,1 gaat Jezus naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan
. De periode van Galilea is vanaf hier helemaal achter de rug . Opnieuw begeven
menigten zich samen op weg naar hem . Voor de eerste en enige keer komen we
in Mc
10,1 het mv. ochloi (menigten) tegen . Wellicht zijn het nu menigten uit
Judea (of misschien ook uit Galilea) . Maar die menigten verzamelen zich rond
Jezus in een nieuw gebied , nl. in Judea aan de overkant van de Jordaan .
- ekeithen (vanaf hier) (Mc
10,1) . Verwijzing : ekeithen
(vanhier, vandaar) , zie Mt
4,21 . Het is het 5de en laatste gebruik van ekeithen (vanaf hier) . Link
met en tèi oikiai (in het huis = thuis) (Mc
9,33) .
- anastas
(opgestaan) , zie Mc
1,35 . Link met kathisas (neergezeten) (Mc
9,35) .
- palin
(opnieuw) In 26 verzen bij Marcus zie Mc
2,1 . (12) Mc 10,1 - Mc
10,1 - ochloi (menigten) verwijst wellicht naar Mc 9,25 - Mc
9,14-29 - : ochlos (een menigte) (12b) Mc 10,1 - ochlos
(menigte) bij Marcus - Mc
10,1 - edidasken (hij leerde) verwijst naar Mc 9,31 - Mc
9,30-32 - edidasken (hij leerde) -
kai ekeithen (verwijzing : ekeithen , zie Mc 10,1 ) anastas (verwijzing : anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 ) : en daarvandaan opgestaan .
Het tegendeel van "opstaan" (Grieks : anistèmi)
is liggen of zitten (kathizô : zitten, zich neerzetten). In Mc
9,35 is er sprake van Jezus die "is neergezeten" (Grieks: kathisas)
. Let op de tegenstelling kath- van kata (neer, beneden) en ana (op, omhoog).
In Mc
9,35 als in Mc
10,1 staat een participium aorist, eindigend op -as. Beide bestaan uit 3
lettergrepen.
Waarvandaan stond Jezus op? Mc
9,33 zegt : 'en in het huis gekomen'. Jezus was dus opgestaan in het huis
waar hij gezeten was, en gaat naar...
De twee woorden "daarvandaan" en "opgestaan zijnde" (Mc
10,1) omsluiten met "thuis gekomen" (Mc
9,33) en "zich neergezet hebbende" (Mc
9,35) de tekst Mc 9,33-50. Parallel met de Marcustekst staat Mt
18 (met verschillende aanvullingen) , die bekend staat als de kerkrede,
één van de 5 redes van Matteüs.
- "opnieuw" (Grieks : palin)
Het woordje "palin" (opnieuw) komt in het marcusevangelie 28 X voor, in het matteüsevangelie 17 X , in het lucasevangelie 3 X. Het is wel merkwaardig dat het in onze zin tweemaal voorkomt : bij het samenstromen van het volk en bij het onderricht van Jezus. De laatste maal dat er sprake was van een grote menigte, is in Mc 9,25 (duiveluitdrijving uit een jongen). Het onderricht van het volk door Jezus gebeurde de laatste maal wellicht in Mc 8,34 , waar Jezus oproept tot navolging.
"Zoals hij gewoon was" (Grieks : hoos eioothei) komt in het Marcusevangelie slechts éénmaal voor. Onderwijzen (Grieks : didaskoo) komt er 17 X voor.
15. - zich op weg begeven (Grieks : poreuomai) . Verwijzing : poreuomai = zich op weg begeven , zie Mc 10,1 .Het pleit voor de indeling van Benoit Standaert: Mc 9,30-10,45 vormt een geheel en Mc 10,46-52 vormt een overgangsverhaal. In Mc 9,30 treffen we "pareporeuonto" (gingen - Jezus en zijn leerlingen - zijdelings) aan en in Mc 10,46 (bijna onmiddellijk na de sectie Mc 9,30-10,45) "ekporeuomenou autou" (terwijl hij eruittrekt). Het geheel past in een "trektocht", een gaan van Jezus naar Jeruzalem. Sommigen spreken van een reis van Jezus naar Jeruzalem, maar een reis roept de idee op dat je ergens op bezoek gaat en dan naar huis terugkeert. Dat is hier niet het geval. Het is een definitieve tocht.
Het laat ook aanvoelen dat de andere samengestelde vormen van het werkwoord "poreuomai" (trekken, op weg gaan) ook met het gaan van Jezus naar Jeruzalem te maken heeft.
| Mc 9,30 | Mc 10,1 | Mc 10,17 | Mc 10,35 | Mc 10,46 | Mc 13,1 |
| ... | ... | kai (en) | Kai (en) | kai (en) | kai (en) |
| pareporeuonto (begaven zich naast ) | kai sumporeuountai (en zij begeven zich samen ) | ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus) | prosporeuontai (zij begeven zich naar hem) autôi (hem) | ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus) | ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus) |
| palin (opnieuw) | |||||
| ochloi (menigten) | autou (hij) | Iakoobos kai Iooannijs hoi huioi Zebedaiou (Jakobus en JOhannes, de zonen van Zebedeüs) | autou (hij) | autou (hij) | |
| pros auton (bij hem) | |||||
| eis hodon (op weg) | |||||
| 171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 | 264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 - Mt 19,1-2 | 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 | 274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 - Mt 20,20-23 | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43 |
poreuesthai (op weg te begeven) . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het N.T. . Lc (7) . Joh (1) . Hnd (6) . 1 Kor (2) . Hnd (6) : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 14,16 . (3) Hnd 17,14 . (4) Hnd 19,21 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 25,20 . 1 Kor (2) .
Bij het doorgronden van een tekst komen allerlei vragen bij ons op. Waarom schrijft Marcus nu in de onvoltooid tegenwoordige tijd? Waarom gebruikt hij het enkelvoud? Waar zijn de leerlingen van Jezus gebleven?
Marcus gebruikt de werktijdsvormen vaak door elkaar. Het is nog de vraag of hij dat lukraak doet of dat er een zekere logica aanwezig is. Het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd zien we op een aantal plaatsen opduiken en het gebruik ervan lijkt wel doelbewust gekozen. Jezus en zijn leerlingen gaan naar een stad. Hij onderricht er of hij geneest iemand. Ik schroom er wat voor terug om onze tekst Mc 10,1 in dit lijstje op te nemen vermits Jezus niet naar een stad gaat.
| Mc 1,21 | Mc 6 | Mc 10,1 | Mc 11,15 | Mc 11,27 | Mc 8,22 | Mc 10,46 |
| kai (en) | ... kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | |
| eisporeuontai (zij gaan) | erchetai (hij gaat) | erchetai (hij gaat) | erchontai (zij gaan) | erchontai (zij gaan) | erchontai (zij gaan) | erchontai (zij gaan) |
| eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) | palin (opnieuw) eis (naar) | eis (naar) | eis (naar) |
| Kafarnaoum (Kafarnaüm) | tijn patrida autou ( zijn vaderstad) | ta horia tijs Ioudaias kai peran tou Iordanou (de bergen van Judea en de overzijde van de Jordaan) | Hierosoluma (Jeruzalem) | Hierosoluma (Jeruzalem) | Bijthsaïda (Betsaïda) | Ierichoo (Jericho) |
| kai euthus (en terstond) | kai akolouthousin autooi hoi mathijtai autou (en zijn leerlingen volgen hem) kai (en) | Kai (en) | Kai (en) | |||
| tois sabbasin op sabbat) | genomenou sabbatou (sabbat geworden) | |||||
| eiselthoon (gaande naar) | eiselthoon (gaande naar) | |||||
| eis tijn sunagogijn (naar de synagoge) | eis to hieron (naar de tempel) | |||||
| edidasken (onderwees hij) | ijrksato didaskein (begon hij te onderwijzen) | ... kai ... edidasken (en hij onderwees) | ... kai edidasken (en hij onderwees) | |||
| en tiji sunagoogiji (in de synagoge) | ||||||
| 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 // Mt 4,23-25; 5,1-2 // Lc 4,31 | 145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a // Mt 13,53-58 ( // Lc 4,16-30) | 264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 // Mt 19,1-2 | 283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 // Mt 21,12-13 // Lc 19,45-46 | 287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 // Mt 21,23-27 // Lc 20,1-8 | 161. Genezing van een blinde te Betsaïda : Mc 8,22-26 | 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43 |
In Mc 1,14-15 ging Jezus naar Galilea. In Mc 1,9 ging hij naar Johannes de Doper om zich door hem in de Jordaan te laten dopen. Johannes trad op in Judea. De plaatsen Judea en Jordaan roepen de beginverzen van het marcusevangelie op. Dit kan een reden zijn waarom Marcus hier het enkelvoud gebruikt.
265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -Evangelielezing van de 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar : Mc 10,2-12 . Verwijzing : Mc 10,2-12 .
In die tijd kwamen er Farizeeën die Jezus vroegen: "Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?" Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen. Hij antwoordde hun met een wedervraag: "Wat heeft Mozes u voorgeschreven?" Zij zeiden: "Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen en haar weg te zenden." Doch Jezus antwoordde hun: "Om de hardheid van uw hart heeft hij die bepaling voor u neergeschreven. Maar in het begin, bij de schepping, heeft God hen als man en vrouw gemaakt. Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen één vlees worden. Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden." Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover. Hij sprak tot hen: "Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwt maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk. En wanneer zij haar man verlaat en een andere huwt begaat zij echtbreuk."
De tekst
2. En de bij hem gekomen Farizeeën vroegen hem indien het toegestaan is
aan een man (zijn) vrouw weg te zenden (zich ervan ontdoen, ontbinden, zich
ervan afmaken, scheiden), zij hem op de proef stellende.
3. Hij echter geantwoord hebbende zei hen :
"Wat droeg Mozes jullie op?"
4. Zij echter zeiden :
"toestond Mozes een brief van scheiding te schrijven en te scheiden."
5. Jezus echter zei hen :
"omwille van de hartsclerose van u schreef hij u dit gebod;
vanaf echter het begin van de schepping man en vrouw maakte hij hen; omwille
daarvan verlaat de mens zijn vader en moeder,
8. en zij zullen zijn de twee tot één vlees,
zodat niet meer zij zijn twee maar één vlees
9. wat derhalve God verbond, dat een mens niet scheidde.
10. en in het huis (gekomen) opnieuw de leerlingen hierover stellen zij hem
vragen:
11. en hij zegt hen :
wie zou wegzenden (zich ervan afmaakt) zijn vrouw en zou huwen een ander, hij
pleegt echtbreuk tegen haar,
en indien zij weggezonden hebbende haar man, huwt een ander (man), pleegt echtbreuk
Een eerste kennismaking met de tekst
Mc 10,2-12 vormt een geheel. De tekst handelt over de vraag of een man van
zijn vrouw mag scheiden. De tekst valt in twee delen uiteen. Het eerste deel
(Mc 10,2-9) brengt het vraaggesprek tussen Farizeeën en Jezus, het tweede
deel (Mc 10,10-12) tussen de leerlingen en Jezus. De opbouw van de twee inleidende
zinnen op de vraag (Mc 10,2 en Mc 10,10 zijn parallel en gelijkaardig opgebouwd.
In het eerste deel (Mc 10,2-9)
- stellen de Farizeeën een vraag (Mc 10,2),
- stelt Jezus een wedervraag (Mc 10,3),
- geven de Farizeeën een antwoord (Mc 10,4)
en geeft Jezus daarop zijn antwoord (Mc 10,5-9).
De formulering van de inleidingen op vragen en antwoorden lijken zeer op elkaar.
In het tweede deel (Mc 10,10-12)
stellen de leerlingen een vraag (Mc 10,10)
en geeft Jezus antwoord (Mc 10,11-12).
In het tweede deel (Mc 10,10-12) vragen de leerlingen nadere uitleg zonder dat
zij expliciet een vraag stellen.
De vraag van de Farizeeën bestaat uit vijf woorden: het inleidend voegwoord
: indien, of (Grieks: ei) , het hulpwerkwoord : is het toegelaten (eksestin)
de twee complementaire woorden : man en vrouw (Grieks : andri gunaika) en het
hoofwerkwoord in de infinitiefvorm : wegzenden, ervan afkomen, zich ervan afmaken
(Grieks : apolusai). De Farizeeën stellen de vraag om Jezus op de proef
te stellen. (Het zij treiteraars, pestkoppen, doodpesters). Ze kennen het antwoord
want Mozes (de Wet) is duidelijk. Door een wedervraag van Jezus wordt duidelijk
dat zij het antwoord van Mozes kennen. Welk antwoord verwachtten ze dan van
Jezus. Wellicht een antwoord dat Mozes zou tegenspreken door b.v. te zeggen
dat het niet mag. Jezus verlegt de aandacht van scheiden naar verbinden: in
vers 8 wordt op het einde van de zin zelfs tweemaal één vlees
(Grieks: mia sarks) gegeven. De slotconclusie luidt : wat God verbond, scheidde
geen mens. Er staat "mens (Grieks : anthroopos) en niet man (Grieks : anijr).
In verzen 11-12 wordt dat geconcretiseerd voor wat de man en de vrouw betreft.
| Mc 10,2 | Mc 10,10 | Mc 10,3 | Mc 10,4 | Mc 10,5 | Mc 10,11 |
| Kai (en) | kai (en) | ho de (hij echter) | hoi de (zij echter) | ho de Iijsous (Jezus echter) | kai (en) |
| proselthontes (gekomen zijnde bij) | eis tijn oikian (in het huis) | ||||
| palin (opnieuw) | |||||
| Farisaioi (Farizeeën) | hoi mathijtai (de leerlingen) | ||||
| peri toutou (hierover) | |||||
| epijrootoon vroegen) | epijrootoon vroegen) | apokritheis (antwoordende) | |||
| eipen (zei ) | eipan (zeiden) | eipen (zei ) | legei (zegt) | ||
| auton (hem) | auton (hem) | autois (hen) | autois (hen) | autois (hen) |
| Mc 10,2 - Mc 10,2 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 2 En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een
man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
King James Bible . [2] And the Pharisees came to him, and asked him, Is it lawful
for a man to put away his wife? tempting him.
Luther-Bibel . 2 Und Pharisäer traten zu ihm und fragten ihn, ob ein Mann sich
scheiden dürfe von seiner Frau; und sie versuchten ihn damit.
Tekstuitleg van Mc 10,2 . Het vers Mc 10,2 telt 13 woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Mc 10,2 is 8241 (3 X 41 X 67) .
De Farizeeën zijn de tegenspelers van Jezus . Samen met de schriftgeleerden , priesters en hogepriesters vormen zij een voortdurende levensbedreiging voor Jezus . Zij stellen geen vragen uit nieuwsgierigheid ; zij vragen om na te gaan of Jezus zich aan de wet en de regels houdt . De Farizeeën zijn sinds Mc 3,6 erop uit om Jezus te betrappen op een (in hun ogen) verkeerd antwoord , waarvan zij hem dan kunnen beschuldigen, veroordelen en ter dood brengen .
1. kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
2. part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes van het werkw. proserchomai (naderbijkomen)
. Taalgebruik in het N.T. : proserchomai
(naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai
(naderbijkomen) .
Mc (2) : (1) Mc
6,35 . (2) Mc
10,2 .
Na de onthoofding van Johannes de Doper zegt Jezus dat de menigte is als schapen
zonder herder . Het wordt avond en de leerlingen gaan naar Jezus toe opdat hij
de menigte zou ontbinden (Mc 6,35-36) . Maar Jezus zal zich tonen als een herder
. In Mc
10,2 stellen Farizeeën een vraag die de kwestie van Johannes de Doper
en Herodes oproept .
3. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi
(Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi
(Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,24 . (3) Mc
3,6 . (4) Mc
7,1 . (5) Mc
7,3 . (6) Mc
7,5 . (7) Mc
8,11 . (8) Mc
10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc
2,16 . (2) Mc
2,18 . (3) Mc
8,15 . (4) Mc
12,13 .
4. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud epèrôtôn
(zij 'onder'vroegen) van het werkw. eperôtaô (epi - erôtaô)
: 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) ,
bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô
(epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô
(epi - erôtaô) .
Mc (6) : (1) Mc
7,17 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
9,28 . (4) Mc
10,2 . (5) Mc
10,10 . (6) Mc
12,18 .
De leerlingen : (1) Mc
7,17 . (2) Mc
9,11 . (3) Mc
9,28 . (4) Mc
10,10 . De Farizeeën : (1) Mc
10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc
12,18 .
5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
1. - 5. Vergelijk !
Mc 7,1.5 7,1. kai (en) sunagontai (verzamelen zich) pros
auton (bij hem) hoi farizaioi kai tines tôn grammateôn elthontes
apo Hierosolumôn (Farizeeën en sommige schriftgeleerden , die van
Jeruzalem waren gekomen...) 7,5. eperôtôsin (ondervragen)auton
(hem) hoi Farisaioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) .
Mc 10,2 Kai (en) proselthontes (gekomen bij - Jezus-) Farisaioi ( Farizeeën) epèrôtôn
(vroegen) auton (hem) peirazontes auton (hem op de proef stellende) .
De discussie in Mc 7,1-23 betrof het thema rein - onrein vanuit de opmerking
van de Farizeeën en de schriftgeleerden dat de leerlingen van Jezus met
ongewassen handen aten . Daarop antwoordde Jezus dat zij een menselijke traditie
boven Gods gebod stellen .
In Mc 10,2-12 wordt het gebod van Mozes gesteld tegen het woord van Jezus die
zich beroept op het boek Genesis (dat ook aan Mozes wordt toegeschreven)
6. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,2 . (2) Mc 10,18 .
7. exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin
(het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin
(het is toegelaten) .
Mc (6) : (1) Mc
2,24 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
3,4 . (4) Mc
6,18 . (5) Mc
10,2 . (6) Mc
12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is
niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc
2,24 . (2) Mc
2,26 . (3) Mc
6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
12,14 .
8. dat. mann. enk. andri van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik
in het N.T. : anèr
(man) . Taalgebruik in Mc : anèr
(man) .
Mc (1) : Mc
10,2 . Een vorm van anèr (man) in 4 verzen in Mc : (1) Mc
6,20 . (2) Mc
6,44 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
10,12 .
9. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw)
. Taalgebruik in het N.T. : gunè
(vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè
(vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat.
femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc
6,17 . (2) Mc
6,18 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
10,7 . (5) Mc
10,11 . (6) Mc
12,19 . (7) Mc
12,20 . (8) Mc
12,23 .
10. act. inf. aor. apolusai (ontbinden, loslaten) van het werkw. apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô
(losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc
10,2 . (2) Mc
10,4 .
11. act. part. praes. nom. m. + vr. mv. peirazontes (beproevende) van het werkw.
peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het N.T. : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô
(beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare
(proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh
.
Mc (2) : (1) Mc
8,11 . (2) Mc
10,2 . Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc : (1) Mc
1,13 . (2) Mc
8,11 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
12,15 .
12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
We hebben in Mc 10,1 geschreven dat de komst in de bergen van Judea en de overzijde
van de Jordaan herinneringen oproept aan Mc 1,1-13 . Daar was Johannes de Doper
aan het dopen en Jezus was uit Nazaret in Galilea naar hem gegaan om zich te
laten dopen . Jezus was uit Judea vertrokken toen Johannes de Doper gevangen
werd genomen . In Mc 6,17-20 wordt verteld waarom Johannes werd gevangen genomen
door Herodes nl. omwille van Herodias , de vrouw van zijn broer Filippus , omdat
hij met haar trouwde . "Want Johannes zei aan Herodes dat het hem niet
toegelaten was de vrouw van zijn broer te hebben ."
De vraag van de Farizeeën is een venijnige vraag : zegt Jezus ja op hun
vraag , dan neemt hij afstand van het standpunt van Johannes de Doper ; zegt
hij neen , dan gaat hij in tegen de wet van Mozes . Wat Jezus in besloten kring
aan zijn leerlingen zegt , is duidelijk : hij veroordeelt het gedrag van Herodes
. Dat is natuurlijk heel gevaarlijk , want Johannes heeft het met zijn hoofd
reeds moeten bekopen . Een listiger vraag hadden de Farizeeën niet kunnen
bedenken . Het is ook duidelijk waarom deze tekst hier staat .
De opbouw van de pericope Mc 7,1-23 en Mc 10,2-12 toont grote gelijkenis : vraag van Farizeeën , vraag van leerlingen in een huis . Het onderricht van de leerlingen door Jezus in besloten kring moet begrepen worden vanuit de levensdreiging van Jezus door zijn tegenstanders . Jezus kan niet alles in het openbaar zeggen . Sommige dingen behoudt hij voor een beperkte kring voor .
| Mc 10,3 - Mc 10,3 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 3 Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes
geboden?
King James Bible . [3] And he answered and said unto them, What did Moses command
you?
Luther-Bibel . 3 Er antwortete aber und sprach zu ihnen: Was hat euch Mose geboten?
Tekstuitleg van Mc 10,3 . Het vers Mc 10,3 telt 9 (3 X 3) woorden en 45 (3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 10,3 is 4549 .
Mc 10,3.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
Mc 10,3.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,3.3.
part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai
(antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai
(antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc
3,33 . (2) Mc
6,37 . (3) Mc
8,29 . (4) Mc
9,5 . (5) Mc
9,19 . (6) Mc
10,3 . (7) Mc
10,24 . (8) Mc
10,51 . (9) Mc
11,14 . (10) Mc
11,22 . (11) Mc
12,35 . (12) Mc
14,48 . (13) Mc
15,2 . (14) Mc
15,12 .
Mc 10,3.4.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,36 . (7) Mc
10,38 . (8) Mc
10,39 . (9) Mc
10,49 . (10) Mc
10,51 . (11) Mc
10,52 .
Mc 10,3.5.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,11 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,14 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,32 . (9) Mc
10,36 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 .
Mc 10,3.1.
- 5.
- ho de ... eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc
6,37 . (2) Mc
7,6 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
14,20 .
-- ho de eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (2) : (1) Mc
7,6 . (2) Mc
14,20 .
-- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) :
(1) Mc
6,37 . (2) Mc
10,3 .
In Mc
6,37 antwoordt Jezus op het voorstel van de leerlingen dat Jezus de menigte
zou ontbinden opdat zij eten zouden kopen . In Mc
10,3 antwoordt Jezus op de vraag of het aan een man toegelaten is de vrouw
te ontbinden (hetzelfde werkw. apoluô = ontbinden , wegsturen) . De inleiding
op het antwoord linkt in beide verzen aan de inleiding op het toetreden van
de leerlingen / Farizeeën voor een voorstel / vraag . In beide verzen heeft
apoluô (ontbinden, wegsturen) de betekenis van : aan haar / hun lot overlaten
, in de steek laten .
Mc 10,3.6.
vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,36 . (5) Mc
10,38 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,3.7.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,29 . (5) Mc
10,36 . (6) Mc
10,43 . (7) Mc
10,44 .
Mc 10,3.8.
ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato van het werkw. entellô (bevelen, opdragen,
vragen) . Taalgebruik in het N.T. : entellô
(bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Mc : entellô
(bevelen, opdragen, vragen) .
Mc (2) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
13,34 .
Mc 10,3.9.
nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès
(Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès
(Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
7,10 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
10,4 . (5) Mc
12,19 .
Duality
- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 10,3 .
| Mc 10,4 - Mc 10,4 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te
schrijven, en haar te verlaten.
King James Bible . [4] And they said, Moses suffered to write a bill of divorcement,
and to put her away.
Luther-Bibel . 4 Sie sprachen: Mose hat zugelassen, einen Scheidebrief zu schreiben
und sich zu scheiden.
Tekstuitleg van Mc 10,4 .
Mc 10,4.1.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de,
het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,4 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,26 . (8) Mc
10,31 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,35 . (11) Mc
10,37 . (12) Mc
10,39 . (13) Mc
10,41 . (14) Mc
10,42 .
Mc 10,4.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
3. act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (9) : (1) Mc
8,5 . (2) Mc
8,28 . (3) Mc
10,4 . (4) Mc
10,37 . (5) Mc
10,39 . (6) Mc
11,6 . (7) Mc
12,7 . (8) Mc
12,16 . (9) Mc
16,8 .
1. - 3. hoi de eipan (zij echter zeiden) . Mc (7 / 9) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,16
Mc 10,4.4.
act. ind. aor. 3de pers. enk. epetrepsen (hij stond toe) van het werkw. epitrepô
(overlaten, toevertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : epitrepô
(overlaten, toevertrouwen)
. Taalgebruik in Mc : epitrepô
(overlaten, toevertrouwen) .
Mc (2) : (1) Mc
5,13 . (2) Mc
10,4 .
Mc 10,4.5.
nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès
(Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès
(Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc
1,44 . (2) Mc
7,10 . (3) Mc
10,3 . (4) Mc
10,4 . (5) Mc
12,19 .
Mc 10,4.6. nom. + acc. onz. enk. biblion van het zelfst. naamw. biblion (document, brief) . Taalgebruik in het N.T. : biblion (document, brief) . Taalgebruik in Mc : biblion (document, brief) . Mc (1) : Mc 10,4 .
Mc 10,4.7. gen. onz. enk. apostasiou (van afstand doen, van echtscheiding) van het zelfst. naamw. apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Taalgebruik in het N.T. : apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Taalgebruik in het N.T. : apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Mc (1) : Mc 10,4 .
Mc 10,4.8. act. inf. aor. grapsai van het werkw. grafô (schrijven, grif-fen) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Lat. scribere . Fr. écrire . Mc (1) : Mc 10,4 .
6. - 8. echtscheidingsbrief schrijven :
- Mc 10,4
: biblion apostasiou grapsai (een echtscheidingsbrief te schrijven) .
- Dt 24,1
: kai grapsei autè(i) biblion apostasiou (en hij zal voor haar een echtscheidingsbrief
schrijven) .
Mc 10,4.9.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,4.10.
act. inf. aor. apolusai (ontbinden, loslaten) van het werkw. apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô
(losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc
10,2 . (2) Mc
10,4 .
| Mc 10,5 - Mc 10,5 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 5 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid
uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.
King James Bible . [5] And Jesus answered and said unto them, For the hardness
of your heart he wrote you this precept.
Luther-Bibel . 5 Jesus aber sprach zu ihnen: Um eures Herzens Härte willen hat
er euch dieses Gebot geschrieben;
Tekstuitleg van Mc 10,5 .
Mc 10,5.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
Mc 10,5.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,5.3.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,29 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 . (13) Mc
10,47 . (14) Mc
10,49 . (15) Mc
10,51 . (16) Mc
10,52 . Een vorm van ièsous (Jezus) in 81 verzen .
Mc 10,5.1. - 3. ho de ièsous (Jezus echter) . Mc (21 / 37) . Mc 10 (6 / 16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,21 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39
Mc 10,5.4.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,36 . (7) Mc
10,38 . (8) Mc
10,39 . (9) Mc
10,49 . (10) Mc
10,51 . (11) Mc
10,52 . Een vorm van eipon (ik zei) in 14 verzen in Mc . Een vorm van legô
(ik zeg) in 14 verzen in Mc .
Mc 10,5.5.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,11 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,14 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,32 . (9) Mc
10,36 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 .
Mc 10,5.1. - 5. ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 12,17 . In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in . In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden : is het toegelaten...) . In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in .
Mc 10,5.6.
pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,1 * . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,7 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,26 . (6) Mc
10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .
Mc 10,5.7.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
Mc 10,5.11.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,29 . (5) Mc
10,36 . (6) Mc
10,43 . (7) Mc
10,44 .
Mc 10,5.12.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
Mc 10,5.13.
acc. vr. enk. entolèn (opdracht, gebod) van het zelfst. naamw. entolè
(opdracht, gebod) . Taalgebruik in het N.T. : entolè
(opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè
(opdracht) .
Mc (3) : (1) Mc
7,8 . (2) Mc
7,9 . (3) Mc
10,5 .
Mc 10,5.14.
acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze) .
Taalgebruik : houtos
(deze) . Taalgebruik : houtos
(deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc
4,13 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
11,28 . (4) Mc
12,10 .
| Mc 10,6 - Mc 10,6 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw
gemaakt.
King James Bible . [6] But from the beginning of the creation God made them
male and female.
Luther-Bibel . 6 aber von Beginn der Schöpfung an hat Gott sie geschaffen als
Mann und Frau.
Tekstuitleg van Mc 10,6 .
Mc 10,6.1.
apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo
(af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo
(af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 10 (2) : (1) Mc
10,6 . (2) Mc
10,46 .
Mc 10,6.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,6.3.
gen. vr. enk. archès (begin) van het zelfst. naamw. archè
(begin, heerschappij) . Taalgebruik in het N.T. : archè
(begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè
(begin, heerschappij) .
Mc (2) : (1) Mc
10,6 . (2) Mc
13,19 .
Mc 10,6.4. gen. vr. enk. ktiseôs (schepping) van het zelfst. naamw. ktisis (schepping) . Taalgebruik in het N.T. : ktisis (schepping) . Taalgebruik in Mc : ktisis (schepping) . Mc (2) : (1) Mc 10,6 . (2) Mc 13,19 .
Mc 10,6.1.
3. - 4. vanaf het begin van de schepping :
- Mc 10,6
: apo de archès ktiseôs (vanaf echter het begin van de schepping)
.
- Mc 13,19
: ap'archès ktiseôs (vanaf het begin van de schepping) .
Mc 10,6.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,6.9.
voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 10 (4) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,6 . (3) Mc
10,32 . (4) Mc
10,42 .
| Mc 10,7 - Mc 10,7 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten,
en zal zijn vrouw aanhangen;
King James Bible . [7] For this cause shall a man leave his father and mother,
and cleave to his wife;
Luther-Bibel . 7 Darum wird ein Mann seinen Vater und seine Mutter verlassen
und wird an seiner Frau hängen,
Tekstuitleg van Mc 10,7 .
Mc 10,7.4.
nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos
(mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos
(mens) .
Mc (14) : (1) Mc
1,23 . (2) Mc
2,27 . (3) Mc
3,1 . (4) Mc
4,26 . (5) Mc
5,2 . (6) Mc
7,11 . (7) Mc
8,37 . (8) Mc
10,7 . (9) Mc
10,9 . (10) Mc
12,1 . (11) Mc
13,34 . (12) Mc
14,13 . (13) Mc
14,21 . (14) Mc
15,39 .
5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,12 . (3) Mc
10,19 . (4) Mc
10,49 . (5) Mc
10,50 .
Mc 10,7.6.
acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) .
Taalgebruik in het N.T. : patèr
(vader) . Taalgebruik in Mc : patèr
(vader) .
Mc (8) . (1) Mc
1,20 . (2) Mc
5,40 . (3) Mc
7,10. (4) Mc
9,21 . (5) Mc
10,7 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .
Mc 10,7.7.
pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 10 (8) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,11 . (3) Mc
10,17 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,45 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
10,50 .
Mc 10,7.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,7.9.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
Mc 10,7.11.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,7.13.
pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,1 * . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,7 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,26 . (6) Mc
10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .
Mc 10,7.14.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
Mc 10,7.15.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik
in het N.T. : gunè
(vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè
(vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat.
femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc
6,17 . (2) Mc
6,18 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
10,7 . (5) Mc
10,11 . (6) Mc
12,19 . (7) Mc
12,20 . (8) Mc
12,23 .
| Mc 10,8 - Mc 10,8 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 8 En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet
meer twee zijn, maar een vlees.
King James Bible . [8] And they twain shall be one flesh: so then they are no
more twain, but one flesh.
Luther-Bibel . 8 und die zwei werden "ein" Fleisch sein. So sind sie nun nicht
mehr zwei, sondern "ein" Fleisch.
Tekstuitleg van Mc 10,8 .
Mc 10,8.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
2. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi
(zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (5) : (1) Mc
10,8 . (2) Mc
10,31 . (3) Mc
13,8 . (4) Mc
13,19 . (5) Mc
13,25 .
Mc 10,8.3.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de,
het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,4 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,26 . (8) Mc
10,31 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,35 . (11) Mc
10,37 . (12) Mc
10,39 . (13) Mc
10,41 . (14) Mc
10,42 .
Mc 10,8.5.
eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
Mc 10,8.8.
act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij maakte) van het werkw. poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô
(doen, maken) .
Mc (9) : (1) Mc
2,25 . (2) Mc
3,14 . (3) Mc
3,16 . (4) Mc
5,20 . (5) Mc
6,21 . (6) Mc
10,6 . (7) Mc
14,8 . (8) Mc
14,9 . (9) Mc
15,14 .
Mc 10,8.12.
alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het N.T. : alla
(maar) . Taalgebruik in Mc : alla
(maar) .
Mc (48 - 30 - 18) . Mc 10 (5 - 2 - 3) alla (2) : (1) Mc
10,8 . (2) Mc
10,45 . all' (3) : (1) Mc
10,27 . (2) Mc
10,40 . (3) Mc
10,43 .
| Mc 10,9 - Mc 10,9 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
King James Bible . [9] What therefore God hath joined together, let not man
put asunder.
Luther-Bibel . 9 Was nun Gott zusammengefügt hat, soll der Mensch nicht scheiden.
Tekstuitleg van Mc 10,9 .
1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het
N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
6. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .
7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
| Mc 10,10 - Mc 10,10 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 10 En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van
hetzelve.
King James Bible . [10] And in the house his disciples asked him again of the
same matter.
Luther-Bibel . 10 Und daheim fragten ihn abermals seine Jünger danach.
Tekstuitleg van Mc 10,10 .
Mc 10,10.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,10.2.
eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
Mc 10,10.3.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
5. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin
(opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin
(opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 10 (4) : (12) Mc
10,1 . (13) Mc
10,10 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
10,32 .
Mc 10,10.6.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de,
het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,4 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,26 . (8) Mc
10,31 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,35 . (11) Mc
10,37 . (12) Mc
10,39 . (13) Mc
10,41 . (14) Mc
10,42 .
Mc 10,10.7.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Mc 10,10.10. epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) . Verwijzing : epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) , zie Mc 7,17 . Het werkwoord eperôtaô (epi - erôtaô) : 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Mc (6) . Lc (4) . In zes verzen bij Mc : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .
Mc 10,10.11.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
| leerlingen van Jezus | de Farizeeën en de schriftgeleerden | 1. de leerlingen van Jezus | 2. drie leerlingen van Jezus | 3. de leerlingen van Jezus | de Farizeeën | 4. de leerlingen van Jezus | Sadduceeën |
| Mc 4,10 | Mc 7,5 | Mc 7,17 | Mc 9,11 | Mc 9,28 | Mc 10,2 | Mc 10,10 | Mc 12,18 |
| Kai hote (en toen) | kai (en) | Kai (en) hote (toen) (En nadat) | kai (en) | Kai (en) | kai (en) | Kai (en) | kai (en) |
| egeneto (hij was) | eisèlthen (hij binnenging) (hij was gegaan) | eiselthontos autou (na de thuiskomst van Jezus) | proselthontes Farisaioi (de Farizeeën naderbijgekomen) | erchontai Saddukaioi pros auton (en Sadduceeën kwamen naderbij hem)... | |||
| kata monas (alleen) | eis oikon (naar - in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte) | (vragen van de 3 leerlingen, bij het afdalen van de berg van de verheerlijking) | eis oikian (naar huis) | eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw) | |||
| hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idian (onder elkaar - afgezonderd) | hoi mathètai (de leerlingen) | ||||||
| èrôtôn (vroegen) | eperôtôsin (en zij ondervragen | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | peri toutou (hierover) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) | kai (en) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) |
| auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) | auton (hem) |
| hoi peri auton sun tois dôdeka (die rond hem met de twaalf) | hoi Farisaioi kai hoi grammateis "zij" = de Farizeeën en de schriftgeleerden | hoi mathètai autou ( zijn leerlingen) | legontes (zeggende) | ||||
| tas parabolas (de parabels) | tèn parabolèn (de parabel) | ||||||
| 127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 | 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 | 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - | 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc
9,11-13 - Mt
17,10-13 - |
170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 | 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - | 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38 |
| Mc 10,11 - Mc 10,11 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een
andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
King James Bible . [11] And he saith unto them, Whosoever shall put away his
wife, and marry another, committeth adultery against her.
Luther-Bibel . 11 Und er sprach zu ihnen: Wer sich scheidet von seiner Frau
und heiratet eine andere, der bricht ihr gegenüber die Ehe;
Tekstuitleg van Mc 10,11 . Het vers Mc 10,11 telt 15 (3 X 5) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 10,11 is 6500 (2 X 2 X 5 X 5 X 5 X 13) .
Mc 10,11.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,11.2.
actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het
werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les ,
Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,23 . (3) Mc
10,24 . (4) Mc
10,27 . (5) Mc
10,42 .
Mc 10,11.3.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,11 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,14 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,32 . (9) Mc
10,36 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 .
Mc 10,11.4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 10 (5) : (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .
Mc 10,11.5.
an . Taalgebruik in het N.T. : an
. Taalgebruik in Mc : an
.
Mc (18) . Mc 10 (4) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,15 . (3) Mc
10,43 . (4) Mc
10,44 .
Mc 10,11.6.
act. conj. aor. 3de pers. enk. apolusè(i) van het werkw. apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô
(losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô
(losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
15,11 .
Mc 10,11.7.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
Mc 10,11.8.
acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik
in het N.T. : gunè
(vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè
(vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat.
femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc
6,17 . (2) Mc
6,18 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
10,7 . (5) Mc
10,11 . (6) Mc
12,19 . (7) Mc
12,20 . (8) Mc
12,23 .
Mc 10,11.9.
pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc 10 (8) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,11 . (3) Mc
10,17 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,45 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
10,50 .
Mc 10,11.10.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
11. act. conj. aor. 3de pers. enk. gamèsè(i) (hij / zij zou huwen) gameô (huwen) . Taalgebruik in het N.T. : gameô (huwen) . Taalgebruik in Mc : gameô (huwen) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .
Mc 10,11.12.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
Mc 10,11.13.
act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai van het werkw. moichaomai (echtbreuk
plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moichaomai
(echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai
(echtbreuk plegen) .
Mc (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,12 .
14. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . epi in Mc 10 (2) : (1) Mc
10,22 . (2) Mc
10,24 . ep' in Mc 10 (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,16 .
Mc 10,11.15.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
| Mc 10,12 - Mc 10,12 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 12 En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een
anderen trouwen, die doet overspel.
King James Bible . [12] And if a woman shall put away her husband, and be married
to another, she committeth adultery.
Luther-Bibel . 12 und wenn sich eine Frau scheidet von ihrem Mann und heiratet
einen andern, bricht sie ihre Ehe.
Tekstuitleg van Mc 10,12 .
Mc 10,12.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,12.2.
ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean
(indien) . Taalgebruik in Mc : ean
(indien) .
Mc (32) . Mc 10 : (1) Mc
10,12 . (2) Mc
10,30 . (3) Mc
10,35 .
5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,12 . (3) Mc
10,19 . (4) Mc
10,49 . (5) Mc
10,50 .
Mc 10,12.6.
acc. mann. enk. andra (man) van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik
in het N.T. : anèr
(man) . Taalgebruik in Mc : anèr
(man) .
Mc (2) : (1) Mc
6,20 . (2) Mc
10,12 . Een vorm van anèr (man) in 4 verzen in Mc : (1) Mc
6,20 . (2) Mc
6,44 . (3) Mc
10,2 . (4) Mc
10,12 .
7. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .
Mc 10,12.8. act. conj. aor. 3de pers. enk. gamèsè(i) (hij / zij zou huwen) gameô (huwen) . Taalgebruik in het N.T. : gameô (huwen) . Taalgebruik in Mc : gameô (huwen) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .
Mc 10,12.10.
act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai van het werkw. moichaomai (echtbreuk
plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moichaomai
(echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai
(echtbreuk plegen) .
Mc (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,12 .
'Duality' in Mc 10,2-12 .
- part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes (naderbijgekomen) . Mc (2) : (1)
Mc 6,35
. (2) Mc
10,2 .
- act. inf. aor. apolusai (ontbinden, loslaten) . Mc (2) : (1) Mc
10,2 . (2) Mc
10,4 .
- act. part. praes. nom. m. + vr. mv. peirazontes (beproevende) van het werkw.
peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Mc (2) : (1) Mc
8,11 . (2) Mc
10,2 .
- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) :
(1) Mc
6,37 . (2) Mc
10,3 .
- ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato (hij beval) van het werkw. entellô
(bevelen, opdragen, vragen) . Mc (2) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
13,34 .
- ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (2) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
12,17 .
- vanaf het begin van de schepping :
-- Mc 10,6
: apo de archès ktiseôs (vanaf echter het begin van de schepping)
.
-- Mc
13,19 : ap'archès ktiseôs (vanaf het begin van de schepping)
.
- act. conj. aor. 3de pers. enk. apolusè(i) van het werkw. apoluô
(losmaken) . Mc (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
15,11 .
- act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai van het werkw. moichaomai
(echtbreuk plegen) . Mc (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,12 .
- acc. mann. enk. andra (man) van het zelfst. naamw. anèr (man) . Mc
(2) : (1) Mc
6,20 . (2) Mc
10,12 .
De tekst
13. En zij brachten naar hem kinderen opdat hij hen zou aanraken. De leerlingen
echter berispten hen.
14. Gezien hebbende echter Jezus, was hij verontwaardigd en hij zei hen:
laat toe de kinderen te komen tot mij; hindert hen niet,
want aan dergelijken is het koninkrijk van God.
Voorwaar ik zeg u : wie niet zou ontvangen het koninkrijk van God als een kind,
hij gaat er niet in .
en ze omarmd hebbende zegent hij hen opgelegd hebbende de handen op hen.
Een eerste kennismaking met de tekst
In het Nederlands bemerk je het niet. In het Grieks staat in Mc 10,13 en Mc
10,16 een imperfectumvorm in de hoofdwerkwoorden, in Mc 10,13b - 15 de aoristvorm
(een verleden tijdvorm) in het verhalend gedeelte. Mc 10,16 sluit evenwel goed
aan op Mc 10,13.
7 X is er verwijzing naar kinderen. In Mc 10,15 staat "kind" in de
vergelijking in het enkelvoud.
Mensen brengen kinderen aan opdat Jezus hen zou aanraken. Maar de leerlingen verhinderen het. Jezus komt tussen, spreekt zijn leerlingen, zegt een algemeen woord en laat de kinderen tot hem komen.
267.1. de plaats van het kind
Volgens Benoît Standaert bestaat (3) het tweede deel (Mc 6,14-10,52) van het centraal gedeelte (Mc 1,14-15,47) uit volgende onderdelen : (3.1) een inleiding (Mc 6,14-16) (3.2) een uitweiding (Mc 6,17-29) (3.3) de eerste sectie : A (Mc 6,30-8,21) (3.4) een overgangsverhaal (Mc 8,22-26) (3.5) de tweede sectie : B (Mc 8,27-9,13) (3.6) een overgangsverhaal (Mc 9,14-29) (3.7) de derde sectie : C (Mc 9,30-10,45) (3.8) een overgangsverhaal (Mc 10,46-52).
De derde sectie : C (Mc 9,30-10,45) is eveneens concentrisch opgebouwd:
Mc 9,30-32 --------------------------------------------------------------------
Mc 10,32-34 -------- Mc 10,45
------------ Mc 9,33-35 ----------------------------------------------------------------------
Mc 10,41-44
------------ Mc 9,36-37 ------------------ Mc 10,13-16
------------ Mc 9,38.39-50-----------------------------------------------------------------
Mc 10,35.36-40
------------------Mc 10,1-2------------------------------ Mc 10,17-31
In Mc 9,36-37 neemt Jezus een kind en plaatst het in het midden, want de ontvangst
van een kind betekent de ontvangst van de gezondene van Jezus.
We vermoeden - zoals we hoger hebben vermeld - waarom Marcus Mc10,1-12 hier
plaatst. Bij de echtenis van man en vrouw horen kinderen thuis. Het zou kunnen
verklaren waarom Marcus het verhaal van de kinderen hier plaatst. Het moment
waarop 'ouders" hun kinderen naar Jezus brengen, lijkt voor de leerlingen
niet het geschikste moment, want Jezus is over huwelijksproblemen bezig en dat
hoeven kinderen niet te horen.
vergelijking van Mc 9,36-37 ------------------ Mc 10,13-16
Vergeleken met elkaar vertonen de twee verhalen een chiastische structuur: omarming - woorden van Jezus .
| Mc 9,36-37 | Mc 10,13-16 |
| 1. Jezus neemt een kind | 1. mensen brengen kinderen naar Jezus opdat hij hen de handen zou opleggen |
| 2. Jezus plaatst het kind in het midden van de kring | 2. de leerlingen berispen de kinderen en beletten hen bij Jezus te komen |
| 3. Jezus omarmt het kind | 3. woorden van Jezus : a. Jezus keurt het gedrag van de leerlingen af. b. de plaats van kinderen in de gemeenschap |
| 4. woorden van Jezus over de plaats van het kind in de gemeenschap | 4. Jezus omarmt de kinderen, zegent hen en legt hen de handen op. |
| 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48 | 267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 |
het woord van Jezus
| Mc 9,37 | vervolg | Mc 10,15 | ||
| kai (en) | ||||
| hos an (wie) | hos an (wie) | hos an (wie) | ||
| hen toon toioutoon paidioon (één van dergelijke kinderen) | eme (mij) | mij deksijtai (niet ontvangt) | ||
| deksijtai (ontvangt) | dechijtai (ontvangt) | tijn basileian tou theou (het koninkrijk van God) | ||
| epi tooi onomati mou (in mijn naam) | hoos paidion (als een kind) | |||
| eme (mij) | ouk eme ( niet mij), | |||
| dechijtai (ontvangt) | dechetai (ontvangt) | |||
| alla ton aposteilanta me (maar degene die mij zond) | ||||
| 173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5
// Lc 9,46-48 |
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5
// Lc 9,46-48 |
267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 |
| Mc 10,13 - Mc 10,13 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [13] And they brought young children to him, that he should
touch them: and his disciples rebuked those that brought them.
Luther-Bibel . 13 Und sie brachten Kinder zu ihm, damit er sie anrühre. Die
Jünger aber fuhren sie an.
Tekstuitleg van Mc 10,13 . Het vers Mc 10,13 telt 13 woorden , X lettergrepen en 73 letters. De getalwaarde van Mc 10,13 is 9573 (3 X 3191) .
Mc 10,13.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,13.3.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw.
autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
10,20 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,28 . (6) Mc
10,32 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,35 . (9) Mc
10,37 . (10) Mc
10,39 . (11) Mc
10,48 . (12) Mc
10,49 . (13) Mc
10,51 . (14) Mc
10,52 .
Mc 10,13.4. nom. + acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (2) (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,14 .
Mc 10,13.5.
hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,35 . (4) Mc
10,37 . (5) Mc
10,48 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,13.6.
pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik
in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (37) . Mc 10 (2) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,42 .
Mc 10,13.7. conj. aor. 3de pers. enk. hapsètai (hij zou aanraken) van het werkw. haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het N.T. : haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Lat. tangere , tango , tetigi , tactum : aanraken , belasten , grenzen aan . Gn 20,4 : Hebr. qârab . qërâbh (oorlog, strijd, zie Ps 144,1) . s' avancer < ab ante : vooruit komen , naderen . -> carabine : karabijn ; cabarinière : gendarme , soldaat . Fr. approcher > ad prope : benaderen . Mc (2) : (1) Mc 8,22 . (2) Mc 10,13 .
Mc 10,13.8.
bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de,
het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,4 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,26 . (8) Mc
10,31 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,35 . (11) Mc
10,37 . (12) Mc
10,39 . (13) Mc
10,41 . (14) Mc
10,42 .
Mc 10,13.9.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,13.10.
nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès
(leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès
(leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès
(leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc
2,18 . (2) Mc
2,23 . (3) Mc
5,31 . (4) Mc
6,1 . (5) Mc
6,29 . (6) Mc
6,35 . (7) Mc
7,5 . (8) Mc
7,17 . (9) Mc
8,4 . (10) Mc
8,27 . (11) Mc
9,28 . . (12) Mc
10,10 . (13) Mc
10,13 . (14) Mc
10,24 . (15) Mc
11,14 . (16) Mc
14,12 . (17) Mc
14,16 .
Mc 10,13.8. - 10 : hoi de mathètai (de leerlingen echter) . Mc (2) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,24 .
Mc 10,13.11. act. ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan (zij wezen terecht , zij beletten) van het werkw. epitimaô (nadrukkelijk vermanen, opdragen , opleggen , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het N.T. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Mc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Mc (1) : Mc 10,13 . In Mc 10,48 bevalen velen dat Bartimeüs zou zwijgen zodat hij niet bij Jezus zou kunnen komen .
Mc 10,13.12.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,11 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,14 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,32 . (9) Mc
10,36 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 .
Duality
- acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) .
Mc (2) (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,14 .
- conj. aor. 3de pers. enk. hapsètai (hij zou aanraken) van het
werkw. haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Mc (2) : (1) Mc
8,22 . (2) Mc
10,13 .
- hoi de mathètai (de leerlingen echter) . Mc (2) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,24 .
| Mc 10,14 - Mc 10,14 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [14] But when Jesus saw it, he was much displeased, and
said unto them, Suffer the little children to come unto me, and forbid them
not: for of such is the kingdom of God.
Luther-Bibel . 14 Als es aber Jesus sah, wurde er unwillig und sprach zu ihnen:
Lasst die Kinder zu mir kommen und wehret ihnen nicht; denn solchen gehört das
Reich Gottes.
Tekstuitleg van Mc 10,14 . Het vers Mc 10,14 telt 26 (2 X 13) woorden en 115 (5 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 10,14 is 13913 .
Mc 10,14.1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) . eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 .
Mc 10,14.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,14.3.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
Mc 10,14.4.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,29 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 . (13) Mc
10,47 . (14) Mc
10,49 . (15) Mc
10,51 . (16) Mc
10,52 .
Mc 10,14.1. - 4. idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) . Mc (3) : (1) Mc 2,5 (variante : kai idôn ho ièsous = en Jezus gezien) . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . In Mc 9,25 ziet Jezus een menigte samenstromen bij de vader en het kind met een onreine geest . Jezus beveelt dan aan de onreine geest om uit het kind te gaan . In Mc 10,14 bevelen de leerlingen om de kinderen die aangedragen worden , weg te houden . In Mc 9,17 roept een vader tot Jezus dat hij zijn zoon met een onreine geest tot Jezus heeft gebracht omdat zijn leerlingen niet in staat waren om hem uit te werpen .
Mc 10,14.5.
hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,35 . (4) Mc
10,37 . (5) Mc
10,48 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,14.6.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,14.7.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,36 . (7) Mc
10,38 . (8) Mc
10,39 . (9) Mc
10,49 . (10) Mc
10,51 . (11) Mc
10,52 .
Mc 10,14.8.
pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het
N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,11 . (4) Mc
10,13 . (5) Mc
10,14 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,32 . (9) Mc
10,36 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 .
10. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (4) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
10,32 .
Mc 10,14.11. nom. + acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (2) (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,14 .
13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros
(naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros
(naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,1 * . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,7 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,26 . (6) Mc
10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .
14. pers. voornaamw. acc. mann. enk. me (mij) van het pers. voornaamw. egô
(ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
10,36 . (4) Mc
10,47 . (5) Mc
10,48 .
Mc 10,14.15.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,14.17.
voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (5) : (1) Mc
5,10 . (2) Mc
8,7 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,16 . (5) Mc
15,24 .
19. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar
(want) . Taalgebruik in Mc : gar
(want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car .
Ned. : want .
Mc (63) . Mc (10) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,22 . (3) Mc
10,27 . (4) Mc
10,45 .
21. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi
(zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi
(zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi
(zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn
. E. to be .
Mc (69) . Mc 10 (7) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,24 . (3) Mc
10,25 . (4) Mc
10,29 . (5) Mc
10,40 . (6) Mc
10,43 . (7) Mc
10,47 .
22. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik
in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,25 . (3) Mc
10,29 . (4) Mc
10,38 . (5) Mc
10,40 . (6) Mc
10,52 .
Mc 10,14.23. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .
Mc 10,14.24.
bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,25 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
10,33 . (9) Mc
10,45 .
Mc 10,14.25.
gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik
in het N.T. : theos
(God) . Taalgebruik in Mc : theos
(God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . e vloek dju .
Mc (31) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,15 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
10,24 . (5) Mc
10,25 .
Mc 10,14.22. - 25. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 10,14 (nom.) .
| Mc 10,15 - Mc 10,15 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [15] Verily I say unto you, Whosoever shall not receive
the kingdom of God as a little child, he shall not enter therein.
Luther-Bibel . 15 Wahrlich, ich sage euch: Wer das Reich Gottes nicht empfängt
wie ein Kind, der wird nicht hineinkommen.
Tekstuitleg van Mc 10,15 .
Mc 10,15.1.
amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn
(amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn
(amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc
3,28 . (2) Mc
8,12 . (3) Mc
9,1 . (4) Mc
9,41 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,29 . (7) Mc
11,23 . (8) Mc
12,43 . (9) Mc
13,30 . (10) Mc
14,9 . (11) Mc
14,18 . (12) Mc
14,25 . (13) Mc
14,30 .
Mc 10,15.2. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (19) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,15 . (2) Mc 10,29 .
Mc 10,15.3.
pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw.
humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,29 . (5) Mc
10,36 . (6) Mc
10,43 . (7) Mc
10,44 .
Mc 10,15.1. - 3. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .
Mc 10,15.4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 10 (5) : (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .
Mc 10,15.5.
an . Taalgebruik in het N.T. : an
. Taalgebruik in Mc : an
.
Mc (18) . Mc 10 (4) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,15 . (3) Mc
10,43 . (4) Mc
10,44 .
Mc 10,15.6.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,15.7. conj. aor. 3de pers. enk. dexètai (hij zou ontvangen) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T. : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc : dechomai (ontvangen) . Mc (3) : (1) Mc 6,11 . (2) Mc 9,37 . (3) Mc 10,15 .
Mc 10,15.4.
- 7.
- Mc 6,11
: kai hos an topos mè dexètai (en welke plaats - jullie - niet
zou ontvangen) .
- Mc 9,37
: hos an ... dexètai (wie - één van dergelijke kinderen
- zou ontvangen) kai hos an eme dechètai ( en wie mij zou ontvangen)
.
- Mc 10,15
: kai hos an mè dexètai tèn basileian tou theou hôs
paidion (en wie het koninkrijk van God niet zou ontvangen als een kind) .
Mc 10,15.8.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
9. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia
(koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia
(koninkrijk) .
Mc (9) : (1) Mc
4,30 . 2 : (2) Mc
9,1 . (3) Mc
9,47 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,25 . (8) Mc
13,8 . (9) Mc
15,43 .
10. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in
het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,25 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
10,33 . (9) Mc
10,45 .
11. gen. mann. enk. theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God)
. Taalgebruik in het N.T. : theos
(God) . Taalgebruik in Mc : theos
(God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . e vloek dju .
Mc (31) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,15 . (3) Mc
10,23 . (4) Mc
10,24 . (5) Mc
10,25 .
Mc 10,15.13. nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (5) : (1) Mc 5,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,30 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 10,15 .
14. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou)
. Taalgebruik in het N.T. : ou
- ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou
- ouk - ouch (niet) .
Mc (114 - 42 - 66 - 6) . Mc 10 (6) . ou (2) : (1) Mc
10,15 . (2) Mc
10,27 . ouk (3) : (1) Mc
10,38 . (2) Mc
10,40 . (3) Mc
10,45 . ouch (1) : Mc
10,43 .
Mc 10,15.17.
eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
Mc 10,15.18.
pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T.
: voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (14) : (1) Mc
1,31 . (2) Mc
4,30 . (3) Mc
6,17 . (4) Mc
6,26 . (5) Mc
6,28 . (6) Mc
8,35 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,11 . (9) Mc
10,15 . (10) Mc
11,2 . (11) Mc
11,13 . (12) Mc
12,21 . (13) Mc
12,23 . (14) Mc
14,6 .
| Mc 10,16 - Mc 10,16 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 - | ||||||||||||||||
|
King James Bible . [16] And he took them up in his arms, put his hands upon
them, and blessed them.
Luther-Bibel . 16 Und er herzte sie und legte die Hände auf sie und segnete
sie.
Tekstuitleg van Mc 10,16 . Het vers Mc 10,16 telt 10 (2 X 5) woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 10,16 is 5385 (3 X 5 X 359) .
Mc 10,16.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,16.2.
part. aor. nom. mann. enk. enagkalisamenos (in de armen genomen, omarmd) . enagkalizomai
(omarmen) , in de armen nemen . Taalgebruik in het N.T. : enagkalizomai
(omarmen) . Taalgebruik in Mc : enagkalizomai
(omarmen) .
Mc (2) : (1) Mc
9,36 . (2) Mc
10,16 .
Mc 10,16.3.
voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (5) : (1) Mc
5,10 . (2) Mc
8,7 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,16 . (5) Mc
15,24 .
Mc 10,16.1.
- 3. STAP VOOR STAP !
- Mc 9,36
: kai enagkalisamenos auto (en het - kind - in de armen genomen) .
- Mc 10,16
: kai enagkalisamenos auta ( en hen - de kinderen - in de armen genomen) .
Mc 10,16.4. act. ind. praes. 3de pers. enk. kateulogei van het werkw. kateulogeô (zegenen) . Taalgebruik in het N.T. : kateulogeô (zegenen) . Taalgebruik in Mc : kateulogeô (zegenen) . Mc (1) : Mc 10,16 .
Mc 10,16.5. act. part. praes. nom. mann. enk. titheis (leggend) van het werkw. tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in Mc : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Mc (1) : Mc 10,16 .
Mc 10,16.6.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) . Mc (2) : (1) Mc
10,16 . (2) Mc
10,19 .
Mc 10,16.7.
acc.vr. mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik
in het N.T. : cheir
(hand) . Taalgebruik in Mc : cheir
(hand) .
Mc 5 (11) : (1) Mc
5,23 . (2) Mc
6,5 . (3) Mc
7,3 . (4) Mc
8,23 . (5) Mc
8,25 . (6) Mc
9,31 . (7) Mc
9,43 . (8) Mc
10,16 . (9) Mc
14,41 . (10) Mc
14,46 . (11) Mc
16,18 .
Mc 10,16.8.
epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi
(op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi
(op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . epi in Mc 10 (2) : (1) Mc
10,22 . (2) Mc
10,24 . ep' in Mc 10 (2) : (1) Mc
10,11 . (2) Mc
10,16 .
Mc 10,16.9.
voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. :
voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (5) : (1) Mc
5,10 . (2) Mc
8,7 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,16 . (5) Mc
15,24 .
Mc 10,16.5. - 9. titheis tas cheiras = de handen leggend . Hapax . Meestal wordt een vorm van epitithèmi (op-leggen) + tas chieras (de handen opleggen) gebruikt :
Mc 10,16.8. - 9. ep'auta (erop) . Mc (2) : (1) Mc 10,16 (op de kinderen) . (5) Mc 15,24 (op de kleren) .
268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -
Evangelielezing van de 28ste
(achtentwintigste) zondag door het b-jaar : Mc 10,17-30
(Mc
10,17-30) :
Toen Jezus zich weer op weg begaf kwam er iemand aanlopen die zich voor Hem
op de knieën wierp en vroeg: "Goede Meester, wat moet ik doen om het
eeuwig leven te te verwerven?" Jezus antwoordde: "Waarom noemt ge
Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Ge kent de geboden: Gij zult niet
doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals
getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder." Hij
gaf Hem ten antwoord: "Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af."
Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: "Één ding ontbreekt
u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat
bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen." Dit woord ontstelde
hem en ontdaan ging hij heen omdat hij vele goederen bezat. Toen liet Jezus
zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: "Hoe moeilijk is het
voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!" De leerlingen
stonden verbaasd over wat Jezus zei. Daarom herhaalde Hij: "Kinderen, wat
is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Voor een kameel is het gemakkelijker
door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods
te komen." Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar:
"Wie kan dan nog gered worden?" Jezus keek hen aan en zei: "Dit
ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles
mogelijk."
17. En (toen) hij (uit het huis) uitgaat op weg, aangelopen iemand en geknield
voor hem vroeg :
"goede leermeester, wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal
beërven?"
18. Jezus echter zei hem :
wat (waarom) - zegt gij - dat ik goed ben? niemand is goed tenzij één
,God.
19. de geboden ken jij .
niet doden zal je,
niet echtbreken zal je,
niet stelen zal je,
niet pseudogetuigen zal je,
niet beroven zal je,
eer je vader en je moeder."
20. Hij echter zei :
"Leermeester, dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd."
21. Jezus echter hem aangekeken hebbende hield van hem en zei hem :
"één iets ontbreekt je :
ga heen,
al wat je hebt verkoop (het)
en geef het aan de armen,
en jij zult hebben een schat in de hemel,
en welaan volg mij."
22. Hij echter driestig geworden bij het woord
ging weg bedroefd,
hij was immers hebbende vele goederen.
Eerste kennismaking met de tekst
Toen het evangelie geschreven werd, kreeg het geen genummerde hoofdstukken
en verzen . Dat gebeurde pas later . Wel werden in de tekst aanwijzingen gegeven
om de tekst te lezen of te beluisteren . Het begin van de tekst (het gaan uit
het huis en zich op weg begeven) legt een link met het voorgaande verhaal .
We zouden deze link kunnen weglaten zonder aan het verhaal enige afbreuk te
doen . Wel krijgt het verhaal een bijzondere betekenis door het in de contekst
van de opgang naar Jeruzalem te plaatsen . Verzen 18.20.21.22 (4X) begint de
zin met het Griekse ho de (hij echter) . In vers 18 en 21 volgt op het Griekse
ho de (hij echter) het woord Ièsous (Jezus) . Zo krijgen we de dialoog
: 18. Jezus echter - 20. hij echter - 21. Jezus echter - 22. reactie : hij echter
. De 'nummeraar' heeft zich door de tekst laten inspireren .
Om aan te duiden wie aan het woord is , heeft de evangelist Jezus gevoegd om
het woord van Jezus aan te duiden . Daarenboven staat de werkwoordvorm in de
aoristvorm (een verleden tijdvorm) , terwijl de werkwoordvorm voor de ander
in het imperfectum (onvoltooid tegenwoordige tijd) staat .
Er staan twee zinnen in de futurumvorm (onvoltooid toekomende tijd): v.17. ...
wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?" en v.21. en gij
zult hebben een schat in de hemel . Aan de vraag : "wat zal ik doen"
in v.17 beantwoordt v.21 . "ga, verkoop al wat je bezit en geef het aan
de armen , en welaan volg mij."
Het gaat om een dialoog tussen iemand en Jezus: vraag - wedervraag van Jezus
- antwoord op de wedervraag van Jezus - antwoord van Jezus op de eerste vraag
.
Het verhaal is concentrisch opgebouwd . In het begin komt de persoon aangelopen
, op het einde gaat hij bedroefd weg. enz.
Vers 19 : de geboden . In het Nederlands vertalen we in een toekomstvorm : je
zult... maar het heeft een gebiedende betekenis (in het Grieks aorist conjunctief).
De verboden : 5 X 2 woorden : 10 woorden . Het postief geformuleerde gebod :
7 woorden.
In vers 21 komt "en welaan , volg mij" wat achternahinken . Het zou
- evenals het begin van de tekst in vers 17 - kunnen weggelaten worden ; door
deze elementen, wordt het verhaal in deze contekst opgenomen : op weg naar Jeruzalem.
We zetten de tekst in een structuur :
17. een aangelopen iemand... vroeg hem (imperfectum) :
"goede leermeester , wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven
zal beërven?"
18. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
---------------------- " wat... gij kent de geboden... "
20. hij echter zei (imperfectumvorm) hem :
---------------------- " leermeester, dat alles heb ik onderhouden
vanaf mijn jeugd."
21. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
--------------------- " ... ga, verkoop wat je bezit... en jij zult
hebben een schat in de hemel,..."
22. hij echter ... ging weg bedroefd...
| Mc 10,17-22 | |||
| 18. ho de Ièsous (Jezus echter) | 20. ho de (hij echter) | 21. . ho de Ièsous (Jezus echter) ... | |
| 17. epèrôta (vroeg) | eipen (zei) | efè (zei) | eipen (zei) |
| auton (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) | autôi (hem) |
| didaskale agathe (goed meester) | didaskale (leermeester) | ||
| ti (wat) | ti (wat)... | tauta panta (dat alles) | hen se usterei (één ding ontbreekt jou)... |
| poièsô (zal ik doen) ... | 19. tas entolas oidas (de geboden kent gij) | efulaksamèn (heb ik onderhouden) | hupage, ... ga |
| hina | |||
| hina zôèn aiônion klèronomèsô (opdat ik eeuwig leven zal beërven). | kai hekseis thèsauron en ouranôi (en gij zult hebben een schat in de hemel). |
Het is merkwaardig dat in Mc 9-10 meerdere malen een samengesteld werkwoord van poreuomai = zich op weg begeven , voorkomt. Het werkwoord sun(m)poreuomai (bijeenkomen) komt bij Marcus slechts hier voor. Het werkwoord paraporeuomai (voorbijkomen) komt 4 X voor, o.a. in Mc 9,30. Het werkwoord ekporeuomai (naar buiten gaan) komt 11 X o.a. in Mc 10,17 en Mc 10,46. Het werkwoord prosporeuomai (naar iemand toegaan) komt slechts 1 X voor , nl. in Mc 10,35.
Het pleit voor de indeling van Benoit Standaert: Mc 9,30-10,45 vormt een geheel en Mc 10,46-52 vormt een overgangsverhaal. In Mc 9,30 treffen we "pareporeuonto" (gingen - Jezus en zijn leerlingen - zijdelings) aan en in Mc 10,46 (bijna onmiddellijk na de sectie Mc 9,30-10,45) "ekporeuomenou autou" (terwijl hij eruittrekt). Het geheel past in een "trektocht", een gaan van Jezus naar Jeruzalem. Sommigen spreken van een reis van Jezus naar Jeruzalem, maar een reis roept de idee op dat je ergens op bezoek gaat en dan naar huis terugkeert. Dat is hier niet het geval. Het is een definitieve tocht.
Het laat ook aanvoelen dat de andere samengestelde vormen van het werkwoord "poreuomai" (trekken, op weg gaan) ook met het gaan van Jezus naar Jeruzalem te maken heeft.
eisporeuomai
- Mc 1,21 : kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij gaan op weg naar Kafarnaoum)
ekporeuomai
- exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem)
paraporeuomai
- Mc 2,23 : kai egeneto auton... paraporeuesthai dia tôn sporimôn
(en het gebeurde dat hij langswandelde doorheen de korenvelden)
| Mc 10,17 - Mc 10,17 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 17 En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor
Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat
ik het eeuwige leven beerve?
King James Bible . [17] And when he was gone forth into the way, there came
one running, and kneeled to him, and asked him, Good Master, what shall I do
that I may inherit eternal life?
Luther-Bibel . 17 Und als er sich auf den Weg machte, lief einer herbei, kniete
vor ihm nieder und fragte ihn: Guter Meister, was soll ich tun, damit ich das
ewige Leben ererbe?
Tekstuitleg van Mc 10,17 . Het vers Mc 10,17 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 119 (7 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 10,17 is 13955 (5 X 2791) .
Mc 10,17.1.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,17.2.
part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou van het werkw. ekporeuomai (zich
op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai
(zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig
naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare
plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het
woord behoort tot de groep van varen .
Mc (3) : (1) Mc
10,17 . (2) Mc
10,46 . (3) Mc
13,1 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Mc in 11 verzen
.
Mc 10,17.3.
pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (143) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,11 . (3) Mc
10,17 . (4) Mc
10,23 . (5) Mc
10,24 . (6) Mc
10,45 . (7) Mc
10,46 . (8) Mc
10,50 .
Mc 10,17.3. 2. - 3. ekporeuomenou autou = terwijl hij (Jezus) zich naar buiten op weg begeeft . Losse genitief in Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . In Mc 10,17 vertrekt Jezus uit een huis in de streek van Juda , in Mc 10,46 uit de stad Jericho en in Mc 13,1 uit de tempel van Jeruzalem . Mc 10,17 leidt het verhaal van de rijke man in , die Jezus uiteindelijk niet zal volgen . Mc 10,46 leidt het verhaal van de blinde Bartimeüs in , die Jezus zal volgen . Mc 13,1 leidt het verhaal van de voorzegging van het einde van de tempel in .
Mc 10,17.4.
eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
Mc 10,17.5.
acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in
het N.T. : hodos
(weg) . Taalgebruik in Mc : hodos
(weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg.
E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
4,4 . (5) Mc
4,15 . (6) Mc
6,8 . (7) Mc
10,17 . (8) Mc
10,46 . (9) Mc
11,8 . (10) Mc
12,14 .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc
1,2 . (2) Mc
1,3 . (3) Mc
2,23 . (4) Mc
12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel
. - eis (...) hodon in Mc (3) : (1) Mc
6,8 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
11,8 . Een vorm van hodos (weg) in Mc 10 : (7) Mc
10,17 . (5) Mc
10,32 . (8) Mc
10,46 . (6) Mc
10,52 .
Mc 10,17.5. - 6. eis hodon (voor onderweg - geen lidwoord) : Mc (2) : (1) Mc 6,8 . (2) Mc 10,17 . In Mc 6,8 schrijft Jezus de 12 voor om op zending niets voor onderweg mee te nemen tenzij ... In Mc 10,17 gaat Jezus het huis uit op weg . Het roept het beeld op van Jezus die zijn leerlingen onthechting voorschreef . In deze situatie komt een rijke jongeling aangelopen met de vraag hoe hij het eeuwig leven kan verwerven .
Mc 10,17.6.
act. part. aor. nom. mann. enk. prosdramôn (gerend naar) van het werkw.
prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in het N.T. : prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in Mc : prostrechô
(snellopen naar, hollen naar) . L. adcurrere . F. accourir . N. koersen
, rennen . E. to run .
Mc (1) : Mc
10,17 . Nog een vorm in Mc : prostrechontes (rennende naar) in Mc
9,15 . Na de terugkeer van Jezus van de berg van de verheerlijking loopt
een menigte naar Jezus (Mc
9,15) . In Mc
10,17 rent iemand naar Jezus .
Mc 10,17.7.
heis (onbepaald voornaamwoord , zie : eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis
(naar) . Taalgebruik in Mc : eis
(naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid
, gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,8 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,17 . (6) Mc
10,18 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,32 . (11) Mc
10,33 . (12) Mc
10,37 . (13) Mc
10,46 .
Mc 10,17.8.
kai (en) . Taalgebruik : kai
(en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai
(en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et
. Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,15 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,22 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,27 . (11) Mc
10,36 . (12) Mc
10,38 . (13) Mc
10,40 . (14) Mc
10,43 . (15) Mc
10,50 .
Mc 10,17.9.
act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (op de knie gevallen) van
het werkw. gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het N.T. :
gonupeteô
(op zijn knie vallen) . Taalgebruik in Mc : gonupeteô
(op zijn knie vallen) .
Mc (1) : Mc
10,17 . Een andere vorm in Mc : act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn
(knievallend) : Mc
1,40 .
Mc 10,17.10.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
Mc 10,17.11.
act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het
werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger
: ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô
(epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô
(epi - erôtaô) .
Mc (9) : (1) Mc
5,9 . (2) Mc
8,23 . (3) Mc
8,27 . (4) Mc
8,29 . (5) Mc
9,33 . (6) Mc
10,17. (7) Mc
13,3 . (8) Mc
14,61 . (9) Mc
15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .
Mc 10,17.12.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc
10,1 . (2) Mc
10,2 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,33 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,49 .
Mc 10,17.11. - 12. epèrôta auton (hij vroeg hem uit) . Mc (4) : (1) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus) . (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde) . (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus) . (4) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus) .
Mc 10,17.13.
voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar
, leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos
(leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos
(leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc
4,38 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,38 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,20 . (6) Mc
10,35 . (7) Mc
12,14 . (8) Mc
12,19 . (9) Mc
12,32 . (10) Mc
13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen
.
Mc 10,17.14. voc. enk. agathe van het bijvoegl. naamw. agathos (goed) . Taalgebruik in het N.T. : agathos (goed) . Taalgebruik in Mc : agathos (goed) . Mc (1) : Mc 10,17 .
Mc 10,17.15.
vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,36 . (5) Mc
10,38 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,17.16.
act. ind. fut. 1ste pers. enk. poièsô (ik zal doen) van het
werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô
(doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô
(doen, maken) .
Mc (5) : (1) Mc
1,17 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,36 . (4) Mc
10,51 . (5) Mc
15,12 .
Mc 10,17.17.
hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina
(opdat) . Taalgebruik in Mc : hina
(opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,35 . (4) Mc
10,37 . (5) Mc
10,48 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,17.18.
acc. vr. enk. zôèn (leven) van het zelfst. naamw. zôè
(leven) . Taalgebruik in het N.T. : zôè
(leven) . Taalgebruik in Mc : zôè
(leven) .
Mc (4) : (1) Mc
9,43 . (2) Mc
9,45 . (3) Mc
10,17 . (4) Mc
10,30 .
Mc 10,17.19. nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. aiônion van het bijvoegl. naamw. aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in het N.T. : aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in Mc : aiônios (eeuwig) . Mc (2) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,30 .
18. - 19.
- zôèn aiônion (eeuwig leven) . Mc (2) : (1) Mc
10,17 . (2) Mc
10,30 .
- eiselthein eis tèn zôèn (binnengaan in het leven) . Mc
(2) : (1) Mc
9,43 . (2) Mc
9,45 .
Mc 10,17.20. act. ind. fut. 1ste pers. enk. klèronomèsô (ik zal erven) van het werkw. klèronomeô (erven, verwerven) . Taalgebruik in het N.T. : klèronomeô (erven, verwerven) . Taalgebruik in Mc : klèronomeô (erven, verwerven) . Mc (1) : Mc 10,17 .
| Mc 10,18 - Mc 10,18 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand
is goed, dan Een, namelijk God.
King James Bible . [18] And Jesus said unto him, Why callest thou me good? there
is none good but one, that is, God.
Luther-Bibel . 18 Aber Jesus sprach zu ihm: Was nennst du mich gut? Niemand
ist gut als Gott allein.
Tekstuitleg van Mc 10,18 .
Mc 10,18.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
Mc 10,18.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,18.3.
nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous
(Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous
(Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,23 . (6) Mc
10,24 . (7) Mc
10,27 . (8) Mc
10,29 . (9) Mc
10,32 . (10) Mc
10,38 . (11) Mc
10,39 . (12) Mc
10,42 . (13) Mc
10,47 . (14) Mc
10,49 . (15) Mc
10,51 . (16) Mc
10,52 .
Mc 10,18.1. - 3. ho de ièsous (Jezus echter) . Mc (21 / 37) . Mc 10 (6 / 16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,21 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39
Mc 10,18.4.
act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen)
. Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,14 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,21 . (6) Mc
10,36 . (7) Mc
10,38 . (8) Mc
10,39 . (9) Mc
10,49 . (10) Mc
10,51 . (11) Mc
10,52 .
Mc 10,18.5.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw.
autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
10,20 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,28 . (6) Mc
10,32 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,35 . (9) Mc
10,37 . (10) Mc
10,39 . (11) Mc
10,48 . (12) Mc
10,49 . (13) Mc
10,51 . (14) Mc
10,52 .
Mc 10,18.1. - 5. ho de ièsous eipen autô(i) = Jezus echter zei hem . Mc (2) : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,18 .
Mc 10,18.6.
vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie)
. Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,17 . (3) Mc
10,18 . (4) Mc
10,36 . (5) Mc
10,38 . (6) Mc
10,51 .
Mc 10,18.7.
pers. voornaamw. acc. mann. enk. me (mij) van het pers. voornaamw. egô
(ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,14 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
10,36 . (4) Mc
10,47 . (5) Mc
10,48 .
Mc 10,18.8.
act. ind. praes. 2de pers. enk. legeis (jij zegt) van het werkw. legô
(zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô
(zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô
(zeggen) .
Mc (4) : (1) Mc
5,31 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
14,68 . (4) Mc
15,2 .
Mc 10,18.9.
acc. onz. enk. agathon van het bijvoegl. naamw. agathos (goed) . Taalgebruik
in het N.T. : agathos
(goed) . Taalgebruik in Mc : agathos
(goed) .
Mc (2) : (1) Mc
3,4 . (2) Mc
10,18 .
Mc 10,18.13.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,18.14. Geen lidwoord , maar telwoord heis (één) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . . Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .
12. - 16. ei mè heis ho theos (tenzij de ene God) . Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 10,18 .
| Mc 10,19 - Mc 10,19 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 19 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij
zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven;
gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.
King James Bible . [19] Thou knowest the commandments, Do not commit adultery,
Do not kill, Do not steal, Do not bear false witness, Defraud not, Honour thy
father and mother.
Luther-Bibel . 19 Du kennst die Gebote: »Du sollst nicht töten; du sollst nicht
ehebrechen; du sollst nicht stehlen; du sollst nicht falsch Zeugnis reden; du
sollst niemanden berauben; ehre Vater und Mutter.«
Tekstuitleg van Mc 10,19 .
Mc 10,19.1.
bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) . Mc (2) : (1) Mc
10,16 . (2) Mc
10,19 .
Mc 10,19.4.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,19.6.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,19.7. act. conj. aor. 2de pers. enk. moicheusè(i)s (plegen - geen - echtbreuk) van het werkw. moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moicheuô (echtbreuk plegen) . Mc (1) : Mc 10,19 .
Mc 10,19.8.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,19.10.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,19.12.
mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè
(niet) . Taalgebruik in Mc : mè
(niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc
10,9 . (2) Mc
10,14 . (3) Mc
10,15 . (4) Mc
10,18 . (5) Mc
10,19 . (6) Mc
10,30 .
Mc 10,19.15.
bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc
10,7 . (2) Mc
10,12 . (3) Mc
10,19 . (4) Mc
10,49 . (5) Mc
10,50 .
Mc 10,19.16.
acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) .
Taalgebruik in het N.T. : patèr
(vader) . Taalgebruik in Mc : patèr
(vader) .
Mc (8) . (1) Mc
1,20 . (2) Mc
5,40 . (3) Mc
7,10. (4) Mc
9,21 . (5) Mc
10,7 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,29 . (8) Mc
15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .
Mc 10,19.17. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (27) . Mc 10 (3) : (1) Mc 10,19 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,52 .
Mc 10,19.19.
bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc
10,5 . (2) Mc
10,7 . (3) Mc
10,10 . (4) Mc
10,11 . (5) Mc
10,15 . (6) Mc
10,19 . (7) Mc
10,23 . (8) Mc
10,24 . (9) Mc
10,25 . (10) Mc
10,45 . (11) Mc
10,46 .
| Mc 10,20 - Mc 10,20 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 - | ||||||||||||||||
|
Statenvertaling . 20 Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze
dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
King James Bible . [20] And he answered and said unto him, Master, all these
have I observed from my youth.
Luther-Bibel . 20 Er aber sprach zu ihm: Meister, das habe ich alles gehalten
von meiner Jugend auf.
Tekstuitleg van Mc 10,20 .
Mc 10,20.1.
bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T.
: bepaald
lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald
lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das
enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,5 . (3) Mc
10,9 . (4) Mc
10,14 . (5) Mc
10,18 . (6) Mc
10,20 . (7) Mc
10,21 . (8) Mc
10,22 . (9) Mc
10,23 . (10) Mc
10,24 . (11) Mc
10,27 . (12) Mc
10,28 . (13) Mc
10,29 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,33 . (16) Mc
10,35 . (17) Mc
10,36 . (18) Mc
10,38 . (19) Mc
10,39 . (20) Mc
10,42 . (21) Mc
10,45 . (22) Mc
10,46 . (23) Mc
10,47 . (24) Mc
10,48 . (25) Mc
10,49 . (26) Mc
10,50 . (27) Mc
10,51 . (28) Mc
10,52 .
Mc 10,20.2.
de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de
(echter) . Taalgebruik in Mc : de
(echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het
kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of
situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc
10,3 . (2) Mc
10,4 . (3) Mc
10,5 . (4) Mc
10,6 . (5) Mc
10,13 . (6) Mc
10,14 . (7) Mc
10,18 . (8) Mc
10,20 . (9) Mc
10,21 . (10) Mc
10,22 . (11) Mc
10,24 . (12) Mc
10,26 . (13) Mc
10,31 . (14) Mc
10,32 . (15) Mc
10,36 . (16) Mc
10,37 . (17) Mc
10,38 . (18) Mc
10,39 . (19) Mc
10,40 . (20) Mc
10,43 . (21) Mc
10,48 . (22) Mc
10,50 . (23) Mc
10,51 .
Mc 10,20.4.
pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw.
autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord
autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord
autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc
10,13 . (2) Mc
10,18 . (3) Mc
10,20 . (4) Mc
10,21 . (5) Mc
10,28 . (6) Mc
10,32 . (7) Mc
10,34 . (8) Mc
10,35 . (9) Mc
10,37 . (10) Mc
10,39 . (11) Mc
10,48 . (12) Mc
10,49 . (13) Mc
10,51 . (14) Mc
10,52 .
Mc 10,20.5.
voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar
, leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos
(leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos
(leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc
4,38 . (2) Mc
9,17 . (3) Mc
9,38 . (4) Mc
10,17 . (5) Mc
10,20 . (6) Mc
10,35 . (7) Mc
12,14 . (8) Mc
12,19 . (9) Mc
12,32 . (10) Mc
13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen
.
Mc 10,20.7.
acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (elk, alles) van het bijvoegl. naamw.
pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas
(ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas
(ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder
.
Mc (21) . Mc 10 (3) : (1) Mc
10,20 . (2) Mc
10,27 . (3) Mc
10,29 .
9. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek
(uit) . Taalgebruik in Mc : ek
(uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 - 20) . ek - ex (uit) Mc 10 (3 - 2) : (1) Mc
10,20 . (2) Mc
10,37 . (3) Mc
10,40 . ex (uit) : Mc (10) : (1) Mc
10,37 . (2) Mc
10,40 .
11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. mann. enk. mou (van mij) . Taalgebruik
in het N.T. : persoonlijk
voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk
voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (2) : (1) Mc
10,20 . (2) Mc
10,40 .
12.
| Mc 10,21 - Mc 10,21 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - |