0MARCUSEVANGELIE : TIENDE HOOFDSTUK , MC 10 -
- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -
- Mc 10,2-12 - Mc 10,17-30 -- Mc 10,35-45 -

- emptuô (in iemands gelaat spuwen, uitspuwen) -

- bijbeloverzicht per pericope - bijbeloverzicht per vers - bijbeloverzicht : liturgisch gebruik - bijbeloverzicht : woordgebruik -- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z -- bijbeloverzicht : commentaar -

- Marcus : overzicht .
- Marcus taalgebruik - Marcus taalgebruik A - Marcus taalgebruik B - Marcus taalgebruik C - Marcus taalgebruik D - Marcus taalgebruik E - Marcus taalgebruik F - Marcus taalgebruik G - Marcus taalgebruik H - Marcus taalgebruik I - Marcus taalgebruik J - Marcus taalgebruik K - Marcus taalgebruik L - Marcus taalgebruik M - Marcus taalgebruik N - Marcus taalgebruik O - Marcus taalgebruik P - Marcus taalgebruik Q - Marcus taalgebruik R - Marcus taalgebruik S - Marcus taalgebruik T - Marcus taalgebruik U - Marcus taalgebruik Z -
- Mc : commentaar .

Overzicht van het Marcusevangelie :   Mc 1 , Mc 2 , Mc 3 , Mc 4 , Mc 5 , Mc 6 , Mc 7 , Mc 8 , Mc 9 , Mc 10 , Mc 11 , Mc 12 , Mc 13 , Mc 14 , Mc 15 , Mc 16
Tekstuitleg van de pericopen - Mc 10,1 - Mc 10,2-12 - Mc 10,13-16 - Mc 10,17-22 - Mc 10,23-27 - Mc 10,28-30 - Mc 10,31 - Mc 10,32-34 - Mc 10,35-40 - Mc 10,41-45 - Mc 10,46-52
Tekstuitleg : vers per vers - Mc 10,1 - Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 - Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 - Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 - Mc 10,23 - Mc 10,24 - Mc 10,25 - Mc 10,26 - Mc 10,27 - Mc 10,28 - Mc 10,29 - Mc 10,30 - Mc 10,31 - Mc 10,32 - Mc 10,33 - Mc 10,34 - Mc 10,35 - Mc 10,36 - Mc 10,37 - Mc 10,38 - Mc 10,39 - Mc 10,40 - Mc 10,41 - Mc 10,42 - Mc 10,43 - Mc 10,44 - Mc 10,45 - Mc 10,46 - Mc 10,47 - Mc 10,48 - Mc 10,49 - Mc 10,50 - Mc 10,51 - Mc 10,52 -


Religie.opzijnbest.nl
ZOEKEN OP DEZE WEBSITE
PicoSearch
  Hulp
Verzorgd door PicoSearch
     
 
             
1. LXX , Griekse tekst N.T.   2. Vulgata   3. Synopsis Denaux - Vervenne  4. Statenvertaling   5. Willibrordvertaling   6. Nieuwe Vertaling   7. Naardense vertaling , zie
8. Bible de Jérusalem 9. Statenvertaling   10. King James Bible  - King James Bible 11. Luther-Bibel        

WEDERKERIGHEID (DIVERSITEIT - VICE VERSA) . Meer info : Arseen De Kesel . Email: arseen.de.kesel@pandora.be .
websitenamen : http://users.telenet.be/arseen.de.kesel/ en http://www.interlevensbeschouwelijk.be/index.htm
- STARTPAGINA - AGENDA - BIJ DE HAND - NIEUW - OVERZICHT -  TIJDSCHRIFTEN -
ALFABETISCH OVERZICHT VAN THEMA'S EN WEBSITES :
- A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z
HOOFDTHEMA'S : allochtonen , armoede , bahá'í ,  bezinningsteksten , bijbel , bijbel en koran , boeddhisme , christendom , extreemrechts ( Vlaams Blok ) , fundamentalisme , globalisering en antiglobalisering ,  hindoeïsme , interlevensbeschouwelijke dialoog , interreligieuze meditatie , islam , jodendom , koran , levensbeschouwing , levensbeschouwing / godsdienst en onderwijs , racisme , samenleving , sikhisme , spiritualiteit , tewerkstelling van allochtonen , vluchtelingen en asielzoekers , vrijzinnigheid , witte scholen , multiculturele scholen en concentratiescholen , Eigen-zinnige beschouwingen , Het kleine of grote ongenoegen

Woordenschat

Bibliografie
Literatuur
Liturgisch gebruik

- Mc 10,2-12 : 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar .
- Mc 10,17-30 : 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar .
- Mc 10,35-45 :
Overzicht van de bijbelboeken
-
bijbeloverzicht , taalgebruik - A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X -Y - Z - , Oude Testament , Pentateuch , Historische boeken , Profeten , Wijsheidsboeken , NT : overzicht , Evangelies , Synoptici , Brieven

- OT : Gn (Genesis) , Ex (Exodus) , Lv (Leviticus) , Nu (Numeri) , Dt (Deuteronomium) , Joz (Jozua) , Re (Rechters) , Rt (Ruth) , 1 S (1 Samuël) , 2 S (2 Samuël) , 1 K (1 Koningen) , 2 K (2 Koningen) , 1 Kr ( 1 Kronieken) , 2 Kr (2 Kronieken) , Ezr (Ezra) , Neh (Nehemia) , Tob (Tobia) , Jdt (Judith) , Est (Esther) , 1 Mak (1 Makkabeeën) , 2 Mak (2 Makkabeeën) , Job , Ps (Psalmen ) , Spr (Spreuken) , Pr (Prediker) , Hl (Hooglied) , W (Wijsheid) , Sir (Sirach) , Js (Jesaja) , Jr (Jeremia) , Kl (Klaagliederen) , Bar (Baruch) , Ez (Ezechiël) , Da (Daniël) , Hos (Hosea) , Jl (Joël) , Am (Amos) , Ob (Obadja) , Jon (Jona) , Mi (Micha) , Nah (Nahum) , Hab (Habakuk) , Sef (Sefanja) , Hag (Haggai) , Zach (Zacharia) , Mal (Maleachi) .
- NT : Mt (Matteüs) - Mc (Marcus) - Lc (Lucas) - Joh (Johannes) - Hnd (Handelingen) , Rom (Rome) , 1 Kor (Korinte) , 2 Kor (Korinte) , Gal (Galatië) , Ef (Efese) , Fil (Filippi) , Kol (Kolosse) , 1 Tes (Tessalonika) , 2 Tes (Tessalonika) , 1 Tim (Timoteüs) , 2 Tim (Timoteüs) , Tit (Titus) , Film (Filemon) , Heb (Hebreeën) , Jak (Jakobus) , 1 Pe (Petrus) , 2 Pe (Petrus) , 1 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , 2 Joh (Johannes) , Jud (Judas) , Apk (Apokalyps) .
Overzicht van de bibliografie van de bijbelboeken : - bibliografie bijbel - bibliografie van het Oude Testament - bibliografie Matteüsevangelie - bibliografie Marcusevangelie - bibliografie Lucasevangelie - bibliografie van het Johannesevangelie - bibliografie van het Nieuwe Testament (behalve evangeliën)


In hun synopsis van de eerste drie evangeliën (Leuven, Vlaamse Bijbelstichting, 1986; Turnhout, Brepols, ) onderscheiden Adelbert Denaux en Marc Vervenne volgende pericopen in het tiende hoofdstuk van het Marcusevangelie :
264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 - Mt 19,1-2 -
265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9
267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -
268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -
269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 - Mt 19,23-26 - Lc 18,24-27 -
270. Loon voor wie alles verlaten om Jezus te volgen : Mc 10,28-30 - Mt 19,27-29 - Lc 18,28-30 -
271. De eschatologische ommekeer : Mc 10,31 - Mt 19,30 - Mt 20,16 - Lc 13,30 -
273. Derde lijdensvoorspelling : Mc 10,32-34 - Mt 20,17-19 - Lc 18,31-34 -
274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 - Mt 20,20-23 -
275. Heersen is dienen : Mc 10,41-45 - Mt 20,24-28 - Lc 22,24-27 -
276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43

Slechts door nauwgezette en doorgedreven studie ontdek je het netwerk van de teksten en kan je de betekenis ervan beter achterhalen.

Eén van de draden wordt gevormd door een samengestelde werkwoordvorm van "poreuomai" = zich op weg begeven - poreuomai = zich op weg begeven (bij Marcus) -

Een tweede draad is het gebruik van een werkwoord met voorzetsel pros... (naar, bij) bij het begin van een pericope. In die gevallen gaat het om een of meerdere personen die bij Jezus komen of worden gebracht.

Mc 10,2 Mc 10,13 Mc 10,17 Mc 10,35  
Kai (en) Kai (en) Kai ... (en ...) Kai (en) 
proselthontes (zich naderbij bewogen tot - Jezus - ) proseferon (zij brachten naderbij) prosdramôn (en naderbijgelopen) prosporeuonto (zij begeven zich naderbij tot) 
  autôi (hem)   autôi (hem) 
Farisaioi (Farizeeën)      
  paidia (kinderen)    
265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -  267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -  274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 - Mt 20,20-23 -

Het Marcusevangelie is concentrisch opgebouwd. Vele verhalen zijn op hun beurt concentrisch opgebouwd. A B B' A' structuur. We leren enkele verhalen kennen die merkwaardig sterk op elkaar gelijkend opgebouwd zijn.

  Mc 10,2-12  Mc 10,17-22  Mc 10,35-45   Mc 10,13-16 Mc 10,23-31
inleiding      35.      
      36.  ho de (hij echter)      
A : vraag Mc 10,2  ... epèrôtôn auton (vroegen hem) ... 17.  epijroota auton (vroeg hem) 37. hoi de (zij echter) A 13a 23.
B : wedervraag 3. ho de  (hij echter) 18.  ho de (hij echter) 38. ho de (hij echter)  B 13b. 24a
        C   24b-25
B' : antwoord op wedervraag 4a. hoi de  (zij echter) 20. ho de (hij echter)   39a. hoi de (zij echter) B' 14-15 26
A' : antwoord op de beginvraag  4b. ho de (hij echter)  11- 12 21. ho de (hij echter)  39b-40. ho de (hij echter)  A' 16 27
   265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 // Mt 19,3-9  268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 // Mt 19,16-22 // Lc 18,18-23  274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 // Mt 20,20-23   267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17 269. Het is moeilijk voor de rijken om het Rijk Gods binnen te gaan : Mc 10,23-27 // Mt 19,23-26 // Lc 18,24-27

264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,1 - Mt 19,1-2 -

Mc 10,1 - Mc 10,1 : 264. Van Galilea naar Judea - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,1 - Mt 19,1-2 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
kai ekeithen anastas erchetai eis ta horia tès Ioudaias kai peran tou Iordanou, kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin edidasken autous  et inde exsurgens venit in fines Iudaeae ultra Iordanen et conveniunt iterum turbae ad eum et sicut consueverat iterum docebat illos En hij stond daarvandaan op (en) ging naar het gebied van Judea (en) aan de overkant van de Jordaan; en weer gingen volksmenigten met hem mee, en weer leerde hij hen zoals hij gewoon was. Hij vertrok nu vandaar en ging naar het gebied van Judea en het Overjordaanse. Ook daar kwamen de mensen van alle kanten naar Hem toe en als naar gewoonte onderrichtte Hij hen.   Hij vertrok vandaar en ging naar het gebied van Judea en de overkant van de Jordaan. Weer gingen massa's mensen samen naar Hem op weg, en zoals gewoonlijk gaf Hij hun weer onderricht.  Hij vertrok uit Kafarnaüm naar Judea en het gebied aan de overkant van de Jordaan, en de mensen verzamelden zich weer in groten getale om hem heen; hij onder-wees hen zoals hij gewoon was te doen. Hij staat op, gaat daar weg en komt aan in het gebied van Judea en het Overjordaanse, en weer stromen er scharen bij hem samen, en weer is hij, zoals hij gewoon was, hen gaan onderrichten.  En vanaf hier opgestaan gaat hij naar de bergen van Judea en de overkant van de Jordaan, en opnieuw begeven menigten zich samen naar hem, en zoals hij gewoon was, onderrichtte hij hen opnieuw. 

Statenvertaling . 1 En van daar opgestaan zijnde, ging Hij naar de landpalen van Judea, door de overzijde van de Jordaan; en de scharen kwamen wederom samen bij Hem, en gelijk Hij gewoon was, leerde Hij hen wederom.
King James Bible . [1] And he arose from thence, and cometh into the coasts of Judaea by the farther side of Jordan: and the people resort unto him again; and, as he was wont, he taught them again.
Luther-Bibel . 1 Und er machte sich auf und kam von dort in das Gebiet von Judäa und jenseits des Jordans. Und abermals lief das Volk in Scharen bei ihm zusammen, und wie es seine Gewohnheit war, lehrte er sie abermals.

Tekstuitleg van Mc 10,1 . De tekst bestaat uit drie nevengeschikte zinnen (verbonden door het nevenschikkend voegwoord "kai" = en) .
Het vervoegd werkwoord in de eerste twee hoofdzinnen staat in de onvoltooid tegenwoordige tijd , in de derde zin in de onvoltooid verleden tijd .
Als onderwerp in de eerste en de derde zin wordt verondersteld dat het Jezus is ; het onderwerp van de tweede zin zijn de menigten .
De eerste zin bestaat uit een hoofdzin en een ondergeschikte zin . De zin duidt de plaatsverandering aan : vanwaar ... waarnaar .
De tekst verwijst naar vorige verhalen : daarvandaan , opnieuw , zoals hij gewoon was .

We hebben hier te maken met een summarium of samenvatting zoals we er vele in het Marcusevangelie aantreffen . Zo'n summarium bestaat uit een plaatsverandering , een toeloop van het volk en een activiteit van Jezus . Meestal vormt het een overgang .

Mc 10,1.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

2. ekeithen (vanaf hier, vandaar) . Taalgebruik in het N.T. : vanhier, vandaar . Taalgebruik in Mc : vanhier, vandaar . Het is meestal de vertaling van het Hebreeuwse misjsjâm (uit : min en sjam) . Misjsjâm (vanaf daar) komt in 103 verzen in Tenach voor .
Mc (5) : (1) Mc 6,1 . (2) Mc 6,10 . (3) Mc 6,11 . (4) Mc 7,24 . (5) Mc 10,1 . Voor de vierde maal (op vijf) wordt ekeithen (vanaf hier) gebruikt . Linken tussen het volk (ochlos) (Mc 7,14), huis (oikos) (Mc 7,17) en vanaf hier (ekeithen) (Mc 7,24) . Er zijn opmerkelijke linken tussen (4) Mc 7,24 en (5) Mc 10,1 :
- (4) Mc 7,24 : Ekeithen de anastas apèlthen eis ta horia Turou (vandaar echter opgestaan ging hij weg naar het gebied van Tyrus) .
- (5) Mc 10,1 : kai ekeithen anastas erchetai eis ta horia tès Ioudaias (en vandaar opgestaan gaat hij naar het gebied van Judea) .
Het gebied van Tyrus ligt helemaal in het noorden , het gebied van Judea ligt in het zuiden . Tussen beide hoort dan Mc 9,30 : kakeithen exelthontes pareporeuonto dia tès Galilaias (en vandaar uitgegaan begaf hij zich zijdelijns door Galilea) .
Er zijn echter belangrijke linken te bespeuren . We merken dat Marcus het woordje "daarvandaan" (Grieks : ekeithen) driemaal vooraan de zin plaatst : in Mc 7,24 helemaal vooraan de zin , gevolgd door het partikel "echter" (Grieks : de) , in Mc 9,30 en Mc 10,1 na het nevenschikkend voegwoord "en" (Grieks : kai) .
"Daarvandaan" verwijst telkens naar het huis waarin Jezus onderricht gaf aan zijn leerlingen.na een optreden van Jezus in het openbaar : een discussie met de Farizeeën en schriftgeleerden (Mc 7,1-23) , na een duiveluitdrijving (Mc 9,14-29) of na een discussie van de leerlingen onderweg (Mc 9,33-50) . In het volgende kader geven we de tekst "thuis" en "daarvandaan".

3. act. part. aor. nom. mann. enk. anastas (opgestaan) van het werkw. anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in het N.T. : anistèmi (opstaan) . Taalgebruik in Mc : anistèmi (opstaan) .
Mc (6) : (1) Mc 1,35 . (2) Mc 2,14 . (3) Mc 7,24 . (4) Mc 10,1 . (5) Mc 14,60 . (6) Mc 16,9 .

1. - 3.
- Mc 7,24 : Ekeithen de anastas (Vanaf hier echter opgestaan) .
- Mc 10,1 : Kai ekeithen anastas (En vanaf hier opgestaan) .

Mc 10,1.5. eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

6. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (4) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,32 .

7. nom. + acc. onz. mv. horia van het zelfst. naamw. horion (gebied) . Taalgebruik in het N.T. : horion (gebied) . Taalgebruik in Mc : horion (gebied) .
Mc (2) : (1) Mc 7,24 . (2) Mc 10,1 .

8. bep. lidw. gen. vr. enk. tès (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (65) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,25 .

Mc 10,1.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

11. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

12. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,25 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .

Mc 10,1.14. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

16. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 10 (4) : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 .

18. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,1 * . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,7 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,26 . (6) Mc 10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .

Mc 10,1.18. - 19. pros auton (naar hem, bij hem) . Naar Jezus . Mc (14) : (1) Mc 1,32 . (2) Mc 1,40 . (3) Mc 1,45 . (4) Mc 2,3 . (5) Mc 2,13 . (6) Mc 3,8 . (7) Mc 3,13 . (8) Mc 3,31 . (9) Mc 4,1 . (10) Mc 7,1 . (11) Mc 9,20 . (12) Mc 10,1 . (13) Mc 12,13 . (14) Mc 12,18 .

19. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

Mc 10,1.20. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,1.24. act. ind. imperf. 3de pers. enk. edidasken (hij onderrichtte) van het werkw. didaskô (onderrichten, leren) . Taalgebruik in N.T. : didaskô (leren) . Taalgebruik in Mc : didaskô (leren) . Auto-didact : iemand die door zelfstudie kennis (lering) heeft verworven . Didactiek : leer van het onderrichten .
Mc (6) : (1) Mc 1,21 . (2) Mc 2,13 . (3) Mc 4,2 . (4) Mc 9,31 . (5) Mc 10,1 . (6) Mc 11,17 .

Mc 10,1.25. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 10 (4) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,6 . (3) Mc 10,32 . (4) Mc 10,42 .

24. - 25. edidasken autous (hij onderrichtte hen) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2 . (3) Mc 10,1 . Na het samenstromen van het volk onderricht Jezus de menigte : (1) Mc 2,13 . (2) Mc 4,2) . STAP VOOR STAP !

Mc 10,1.14. - 25.
- Mc 2,13 : kai pas ho ochlos èrcheto pros auton kai edidasken autous (en de hele menigte kwam naar hem en hij onderrichtte hen) .
- Mc 10,1 : kai sumporeuontai palin ochloi pros auton, kai hös eiôthei palin edidasken autous (en opnieuw menigten begeven zich samen op weg naar hem en als gewoonlijk onderrichtte hij hen) .
STAP VOOR STAP !
In Mc 2,13 begint Jezus voor het eerst te onderrichten langs het meer van Galilea . In Mc 10,1 gaat Jezus naar het gebied van Judea aan de overkant van de Jordaan . De periode van Galilea is vanaf hier helemaal achter de rug . Opnieuw begeven menigten zich samen op weg naar hem . Voor de eerste en enige keer komen we in Mc 10,1 het mv. ochloi (menigten) tegen . Wellicht zijn het nu menigten uit Judea (of misschien ook uit Galilea) . Maar die menigten verzamelen zich rond Jezus in een nieuw gebied , nl. in Judea aan de overkant van de Jordaan .

- ekeithen (vanaf hier) (Mc 10,1) . Verwijzing : ekeithen (vanhier, vandaar) , zie Mt 4,21 . Het is het 5de en laatste gebruik van ekeithen (vanaf hier) . Link met en tèi oikiai (in het huis = thuis) (Mc 9,33) .
- anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 . Link met kathisas (neergezeten) (Mc 9,35) .
- palin (opnieuw) In 26 verzen bij Marcus zie Mc 2,1 . (12) Mc 10,1 - Mc 10,1 - ochloi (menigten) verwijst wellicht naar Mc 9,25 - Mc 9,14-29 - : ochlos (een menigte) (12b) Mc 10,1 - ochlos (menigte) bij Marcus - Mc 10,1 - edidasken (hij leerde) verwijst naar Mc 9,31 - Mc 9,30-32 - edidasken (hij leerde) -

kai ekeithen (verwijzing : ekeithen , zie Mc 10,1 ) anastas (verwijzing : anastas (opgestaan) , zie Mc 1,35 ) : en daarvandaan opgestaan .

Het tegendeel van "opstaan" (Grieks : anistèmi) is liggen of zitten (kathizô : zitten, zich neerzetten). In Mc 9,35 is er sprake van Jezus die "is neergezeten" (Grieks: kathisas) . Let op de tegenstelling kath- van kata (neer, beneden) en ana (op, omhoog). In Mc 9,35 als in Mc 10,1 staat een participium aorist, eindigend op -as. Beide bestaan uit 3 lettergrepen.
Waarvandaan stond Jezus op? Mc 9,33 zegt : 'en in het huis gekomen'. Jezus was dus opgestaan in het huis waar hij gezeten was, en gaat naar...
De twee woorden "daarvandaan" en "opgestaan zijnde" (Mc 10,1) omsluiten met "thuis gekomen" (Mc 9,33) en "zich neergezet hebbende" (Mc 9,35) de tekst Mc 9,33-50. Parallel met de Marcustekst staat Mt 18 (met verschillende aanvullingen) , die bekend staat als de kerkrede, één van de 5 redes van Matteüs.

- "opnieuw" (Grieks : palin)

Het woordje "palin" (opnieuw) komt in het marcusevangelie 28 X voor, in het matteüsevangelie 17 X , in het lucasevangelie 3 X. Het is wel merkwaardig dat het in onze zin tweemaal voorkomt : bij het samenstromen van het volk en bij het onderricht van Jezus. De laatste maal dat er sprake was van een grote menigte, is in Mc 9,25 (duiveluitdrijving uit een jongen). Het onderricht van het volk door Jezus gebeurde de laatste maal wellicht in Mc 8,34 , waar Jezus oproept tot navolging.

264.3. "zoals hij gewoon was"

"Zoals hij gewoon was" (Grieks : hoos eioothei) komt in het Marcusevangelie slechts éénmaal voor. Onderwijzen (Grieks : didaskoo) komt er 17 X voor.

15. - zich op weg begeven (Grieks : poreuomai) . Verwijzing : poreuomai = zich op weg begeven , zie Mc 10,1 .
Het is merkwaardig dat in Mc 9-10 meerdere malen een samengesteld werkwoord van poreuomai = zich op weg begeven , voorkomt .

--- su(m)poreuomai (zich samen op weg begeven). sumporeuontai (zij begaven zich samen op weg). Indicatief praesens 3de persoon meervoud. Het komt bij Marcus in deze vorm slechts hier voor. sumporeuetai (hij begaf zich samen op weg). In Ez 33,31.
--- paraporeuomai (langskomen, langsgaan). pareporeuonto (zij kwamen voorbij) . Het komt in 7 verzen in de bijbel voor; in 6 verzen in het O.T. en in Mc 9,30 . pareporeueto (hij kwam langs). Het komt in 3 verzen in het O.T. voor. paraporeuomenos (langskomend). Participium praesens. In 4 verzen in het O.T.
--- ekporeuomai (naar buiten gaan) ekporeuomenos (zich naar buiten begevend). Het komt in 23 verzen in de bijbel voor; in 22 verzen in het O.T. en in Hnd 9,28. ekporeuomenou (zich naar buiten begevend). Participium praesens genitief enkelvoud, losse genitief : (1) Mc 10,17 (2) Mc 10,46 (3) Mc 13,1 . Het komt in 7 verzen in de bijbel voor; in 3 verzen in het O.T., in 3 verzen bij Marcus: , Op 9,18. ekporeuetai (hij gaat naar buiten). Het komt in 24 verzen in de bijbel voor; in 17 verzen in het O.T., in 7 verzen in het N.T. ekporeuontai in 2 verzen in het N.T. 11 X o.a. in Mc 10,17 en Mc 10,46. Het werkwoord prosporeuomai (naar iemand toegaan) komt slechts 1 X voor , nl. in Mc 10,35.

-- exeporeueto (en hij begaf zich op weg naar buiten) . Verwijzing : poreuomai = zich op weg begeven , zie Mc 10,1 .Mediaal imperfectum derde persoon enkelvoud van ekporeuomai (zich op weg begeven naar buiten) . In eenentwintig verzen in de bijbel . O.T. (18) . N. T. (3) : (1) Mt 3,5 . (2) Mc 1,5 . (3) Lc 4,37 .

Het pleit voor de indeling van Benoit Standaert: Mc 9,30-10,45 vormt een geheel en Mc 10,46-52 vormt een overgangsverhaal. In Mc 9,30 treffen we "pareporeuonto" (gingen - Jezus en zijn leerlingen - zijdelings) aan en in Mc 10,46 (bijna onmiddellijk na de sectie Mc 9,30-10,45) "ekporeuomenou autou" (terwijl hij eruittrekt). Het geheel past in een "trektocht", een gaan van Jezus naar Jeruzalem. Sommigen spreken van een reis van Jezus naar Jeruzalem, maar een reis roept de idee op dat je ergens op bezoek gaat en dan naar huis terugkeert. Dat is hier niet het geval. Het is een definitieve tocht.

Het laat ook aanvoelen dat de andere samengestelde vormen van het werkwoord "poreuomai" (trekken, op weg gaan) ook met het gaan van Jezus naar Jeruzalem te maken heeft.

Mc 9,30 Mc 10,1 Mc 10,17 Mc 10,35 Mc 10,46 Mc 13,1
... ... kai (en) Kai (en) kai (en) kai (en)
pareporeuonto (begaven zich naast ) kai sumporeuountai (en zij begeven zich samen ) ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus) prosporeuontai (zij begeven zich naar hem) autôi (hem) ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus) ekporeuomenou (bij het naar buiten treden van Jezus)
  palin (opnieuw)        
  ochloi (menigten) autou (hij) Iakoobos kai Iooannijs hoi huioi Zebedaiou (Jakobus en JOhannes, de zonen van Zebedeüs) autou (hij) autou (hij)
  pros auton (bij hem)        
    eis hodon (op weg)      
171. Tweede lijdensvoorspelling : Mc 9,30-32 - Mt 17,22-23 - Lc 9,43b-45 264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 - Mt 19,1-2 268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 274. Jezus en de zonen van Zebedeüs : Mc 10,35-40 - Mt 20,20-23 276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 - Mt 20,29-34 - Lc 18,35-43  

poreuesthai (op weg te begeven) . In vierenzeventig verzen in de bijbel . In zestien verzen in het N.T. . Lc (7) . Joh (1) . Hnd (6) . 1 Kor (2) . Hnd (6) : (1) Hnd 9,3 . (2) Hnd 14,16 . (3) Hnd 17,14 . (4) Hnd 19,21 . (5) Hnd 20,1 . (6) Hnd 25,20 . 1 Kor (2) .

264.5. gaat hij naar de bergen van Judea en de overkant van de Jordaan

Bij het doorgronden van een tekst komen allerlei vragen bij ons op. Waarom schrijft Marcus nu in de onvoltooid tegenwoordige tijd? Waarom gebruikt hij het enkelvoud? Waar zijn de leerlingen van Jezus gebleven?

Marcus gebruikt de werktijdsvormen vaak door elkaar. Het is nog de vraag of hij dat lukraak doet of dat er een zekere logica aanwezig is. Het gebruik van de onvoltooid tegenwoordige tijd zien we op een aantal plaatsen opduiken en het gebruik ervan lijkt wel doelbewust gekozen. Jezus en zijn leerlingen gaan naar een stad. Hij onderricht er of hij geneest iemand. Ik schroom er wat voor terug om onze tekst Mc 10,1 in dit lijstje op te nemen vermits Jezus niet naar een stad gaat.

 Mc 1,21  Mc 6 Mc 10,1  Mc 11,15 Mc 11,27   Mc 8,22  Mc 10,46
kai (en)  ... kai (en)    Kai (en)   Kai (en)  Kai (en)  Kai (en)
 eisporeuontai (zij gaan)  erchetai (hij gaat)  erchetai (hij gaat)  erchontai (zij gaan)  erchontai (zij gaan)  erchontai (zij gaan)  erchontai (zij gaan)
eis (naar)  eis (naar) eis (naar)  eis (naar) palin (opnieuw) eis (naar)  eis (naar)  eis (naar)
Kafarnaoum (Kafarnaüm)   tijn patrida autou ( zijn vaderstad)  ta horia tijs Ioudaias kai peran tou Iordanou (de bergen van Judea en de overzijde van de Jordaan)  Hierosoluma (Jeruzalem)  Hierosoluma (Jeruzalem)  Bijthsaïda (Betsaïda)  Ierichoo (Jericho)
kai euthus (en terstond)  kai akolouthousin autooi hoi mathijtai autou (en zijn leerlingen volgen hem) kai (en)    Kai (en)  Kai (en)    
tois sabbasin op sabbat) genomenou sabbatou (sabbat geworden)          
eiselthoon (gaande naar)      eiselthoon (gaande naar)       
eis tijn sunagogijn (naar de synagoge)      eis to hieron (naar de tempel)       
edidasken (onderwees hij)   ijrksato didaskein (begon hij te onderwijzen) ... kai ... edidasken (en hij onderwees)  ... kai edidasken (en hij onderwees)       
  en tiji sunagoogiji (in de synagoge)          
 24. Jezus leert en geneest : Mc 1,21 // Mt 4,23-25; 5,1-2 // Lc 4,31 145. Prediking te Nazaret en verwerping : Mc 6,1-6a // Mt 13,53-58 ( // Lc 4,16-30) 264. Van Galilea naar Judea : Mc 10,1 // Mt 19,1-2  283. Tempelreiniging : Mc 11,15-17 // Mt 21,12-13 // Lc 19,45-46  287. Vraag naar Jezus'macht : Mc 11,27-33 // Mt 21,23-27 // Lc 20,1-8   161. Genezing van een blinde te Betsaïda : Mc 8,22-26  276. Genezing van de blinde Bartimeüs : Mc 10,46-52 // Mt 20,29-34 // Lc 18,35-43

In Mc 1,14-15 ging Jezus naar Galilea. In Mc 1,9 ging hij naar Johannes de Doper om zich door hem in de Jordaan te laten dopen. Johannes trad op in Judea. De plaatsen Judea en Jordaan roepen de beginverzen van het marcusevangelie op. Dit kan een reden zijn waarom Marcus hier het enkelvoud gebruikt.

265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 -- bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -

Evangelielezing van de 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar : Mc 10,2-12 . Verwijzing : Mc 10,2-12 .

In die tijd kwamen er Farizeeën die Jezus vroegen: "Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?" Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen. Hij antwoordde hun met een wedervraag: "Wat heeft Mozes u voorgeschreven?" Zij zeiden: "Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen en haar weg te zenden." Doch Jezus antwoordde hun: "Om de hardheid van uw hart heeft hij die bepaling voor u neergeschreven. Maar in het begin, bij de schepping, heeft God hen als man en vrouw gemaakt. Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen één vlees worden. Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn. Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden." Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover. Hij sprak tot hen: "Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwt maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk. En wanneer zij haar man verlaat en een andere huwt begaat zij echtbreuk."

De tekst

2. En de bij hem gekomen Farizeeën vroegen hem indien het toegestaan is aan een man (zijn) vrouw weg te zenden (zich ervan ontdoen, ontbinden, zich ervan afmaken, scheiden), zij hem op de proef stellende.
3. Hij echter geantwoord hebbende zei hen :
"Wat droeg Mozes jullie op?"
4. Zij echter zeiden :
"toestond Mozes een brief van scheiding te schrijven en te scheiden."
5. Jezus echter zei hen :
"omwille van de hartsclerose van u schreef hij u dit gebod;
vanaf echter het begin van de schepping man en vrouw maakte hij hen; omwille daarvan verlaat de mens zijn vader en moeder,
8. en zij zullen zijn de twee tot één vlees,
zodat niet meer zij zijn twee maar één vlees
9. wat derhalve God verbond, dat een mens niet scheidde.

10. en in het huis (gekomen) opnieuw de leerlingen hierover stellen zij hem vragen:
11. en hij zegt hen :
wie zou wegzenden (zich ervan afmaakt) zijn vrouw en zou huwen een ander, hij pleegt echtbreuk tegen haar,
en indien zij weggezonden hebbende haar man, huwt een ander (man), pleegt echtbreuk

Een eerste kennismaking met de tekst

Mc 10,2-12 vormt een geheel. De tekst handelt over de vraag of een man van zijn vrouw mag scheiden. De tekst valt in twee delen uiteen. Het eerste deel (Mc 10,2-9) brengt het vraaggesprek tussen Farizeeën en Jezus, het tweede deel (Mc 10,10-12) tussen de leerlingen en Jezus. De opbouw van de twee inleidende zinnen op de vraag (Mc 10,2 en Mc 10,10 zijn parallel en gelijkaardig opgebouwd. In het eerste deel (Mc 10,2-9)
- stellen de Farizeeën een vraag (Mc 10,2),
- stelt Jezus een wedervraag (Mc 10,3),
- geven de Farizeeën een antwoord (Mc 10,4)
en geeft Jezus daarop zijn antwoord (Mc 10,5-9).
De formulering van de inleidingen op vragen en antwoorden lijken zeer op elkaar.
In het tweede deel (Mc 10,10-12)
stellen de leerlingen een vraag (Mc 10,10)
en geeft Jezus antwoord (Mc 10,11-12).
In het tweede deel (Mc 10,10-12) vragen de leerlingen nadere uitleg zonder dat zij expliciet een vraag stellen.
De vraag van de Farizeeën bestaat uit vijf woorden: het inleidend voegwoord : indien, of (Grieks: ei) , het hulpwerkwoord : is het toegelaten (eksestin) de twee complementaire woorden : man en vrouw (Grieks : andri gunaika) en het hoofwerkwoord in de infinitiefvorm : wegzenden, ervan afkomen, zich ervan afmaken (Grieks : apolusai). De Farizeeën stellen de vraag om Jezus op de proef te stellen. (Het zij treiteraars, pestkoppen, doodpesters). Ze kennen het antwoord want Mozes (de Wet) is duidelijk. Door een wedervraag van Jezus wordt duidelijk dat zij het antwoord van Mozes kennen. Welk antwoord verwachtten ze dan van Jezus. Wellicht een antwoord dat Mozes zou tegenspreken door b.v. te zeggen dat het niet mag. Jezus verlegt de aandacht van scheiden naar verbinden: in vers 8 wordt op het einde van de zin zelfs tweemaal één vlees (Grieks: mia sarks) gegeven. De slotconclusie luidt : wat God verbond, scheidde geen mens. Er staat "mens (Grieks : anthroopos) en niet man (Grieks : anijr). In verzen 11-12 wordt dat geconcretiseerd voor wat de man en de vrouw betreft.

Mc 10,2 Mc 10,10  Mc 10,3  Mc 10,4  Mc 10,5  Mc 10,11
Kai (en) kai (en) ho de (hij echter) hoi de (zij echter)   ho de Iijsous (Jezus echter)  kai (en)
proselthontes (gekomen zijnde bij) eis tijn oikian (in het huis)        
  palin (opnieuw)        
Farisaioi (Farizeeën) hoi mathijtai (de leerlingen)        
  peri toutou (hierover)        
epijrootoon vroegen) epijrootoon vroegen) apokritheis (antwoordende)       
    eipen (zei ) eipan (zeiden) eipen (zei ) legei (zegt)
auton (hem) auton (hem) autois (hen)    autois (hen)  autois (hen)  

 

Mc 10,2 - Mc 10,2 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:2 kai proselthontes farisaioi epèrôtôn auton ei exestin andri gunaika apolusai peirazontes auton 2 et accedentes Pharisaei interrogabant eum si licet viro uxorem dimittere temptantes eum     In die tijd kwamen er Farizeeën die Jezus vroegen: "Staat het een man vrij zijn vrouw te verstoten?" Daarmee wilden zij Hem op de proef stellen.  [2] Er kwamen farizeeën op Hem af met de vraag of een man zijn vrouw mag verstoten; ze wilden Hem op de proef stellen.   [2] Er kwamen ook Farizeeën op hem af. Ze vroegen hem of een man zijn vrouw mag verstoten. Zo wilden ze hem op de proef stellen.  2 Toen zijn er farizeeërs tot hem gekomen en hebben hem de vraag gesteld of het een man vrij staat zich van zijn vrouw los te maken; dit om hem op de proef te stellen.  2. S'approchant, des Pharisiens lui demandaient : « Est-il permis à un mari de répudier sa femme ? » C'était pour le mettre à l'épreuve. 

Statenvertaling . 2 En de Farizeën, tot Hem komende, vraagden Hem, of het een man geoorloofd is, zijn vrouw te verlaten, Hem verzoekende.
King James Bible . [2] And the Pharisees came to him, and asked him, Is it lawful for a man to put away his wife? tempting him.
Luther-Bibel . 2 Und Pharisäer traten zu ihm und fragten ihn, ob ein Mann sich scheiden dürfe von seiner Frau; und sie versuchten ihn damit.

Tekstuitleg van Mc 10,2 . Het vers Mc 10,2 telt 13 woorden en 86 (2 X 43) letters . De getalwaarde van Mc 10,2 is 8241 (3 X 41 X 67) .

De Farizeeën zijn de tegenspelers van Jezus . Samen met de schriftgeleerden , priesters en hogepriesters vormen zij een voortdurende levensbedreiging voor Jezus . Zij stellen geen vragen uit nieuwsgierigheid ; zij vragen om na te gaan of Jezus zich aan de wet en de regels houdt . De Farizeeën zijn sinds Mc 3,6 erop uit om Jezus te betrappen op een (in hun ogen) verkeerd antwoord , waarvan zij hem dan kunnen beschuldigen, veroordelen en ter dood brengen .

1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

2. part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes van het werkw. proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in het N.T. : proserchomai (naderbijkomen) . Taalgebruik in Mc : proserchomai (naderbijkomen) .
Mc (2) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 10,2 .  
Na de onthoofding van Johannes de Doper zegt Jezus dat de menigte is als schapen zonder herder . Het wordt avond en de leerlingen gaan naar Jezus toe opdat hij de menigte zou ontbinden (Mc 6,35-36) . Maar Jezus zal zich tonen als een herder . In Mc 10,2 stellen Farizeeën een vraag die de kwestie van Johannes de Doper en Herodes oproept .

3. nom. mann. mv. farisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in het N.T. : Pharisaioi (Farizeeën) . Taalgebruik in Mc : Pharisaioi (Farizeeën) .
Mc (8) : (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,24 . (3) Mc 3,6 . (4) Mc 7,1 . (5) Mc 7,3 . (6) Mc 7,5 . (7) Mc 8,11 . (8) Mc 10,2 .
gen. mann. mv. farisaiôn (van de Farizeeën) . Mc (4) : (1) Mc 2,16 . (2) Mc 2,18 . (3) Mc 8,15 . (4) Mc 12,13 .

4. actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) van het werkw. eperôtaô (epi - erôtaô) : 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (6) : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 .
De leerlingen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

5. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

1. - 5. Vergelijk !
Mc 7,1.5  7,1. kai (en) sunagontai (verzamelen zich)  pros auton (bij hem) hoi farizaioi kai tines tôn grammateôn elthontes apo Hierosolumôn (Farizeeën en sommige schriftgeleerden , die van Jeruzalem waren gekomen...) 7,5.  eperôtôsin (ondervragen)auton (hem)  hoi Farisaioi kai hoi grammateis (de Farizeeën en de schriftgeleerden) .
Mc 10,2 Kai (en) proselthontes (gekomen bij - Jezus-) Farisaioi ( Farizeeën) epèrôtôn (vroegen) auton (hem) peirazontes auton (hem op de proef stellende) .

De discussie in Mc 7,1-23 betrof het thema rein - onrein vanuit de opmerking van de Farizeeën en de schriftgeleerden dat de leerlingen van Jezus met ongewassen handen aten . Daarop antwoordde Jezus dat zij een menselijke traditie boven Gods gebod stellen .
In Mc 10,2-12 wordt het gebod van Mozes gesteld tegen het woord van Jezus die zich beroept op het boek Genesis (dat ook aan Mozes wordt toegeschreven)

6. act. ind. pr. 2de pers. enk. van het werkw. eimi (zijn) (A) en ei (indien, of) : voegwoord van voorwaarde (B) . Taalgebruik in het N.T. : ei . Taalgebruik in Mc : ei . Mc (42) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,2 . (2) Mc 10,18 .

7. exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in het N.T. : exestin (het is toegelaten) . Taalgebruik in Mc : exestin (het is toegelaten) .
Mc (6) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 3,4 . (4) Mc 6,18 . (5) Mc 10,2 . (6) Mc 12,14 .
In twee soorten zinnen . 1. In een ontkennende zin nl. ouk exestin = het is niet toegelaten . Mc (3) : (1) Mc 2,24 . (2) Mc 2,26 . (3) Mc 6,18 .
2. In een vraagzin nl. exestin = is het toegelaten ? Mc (3) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 12,14 .

8. dat. mann. enk. andri van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Mc : anèr (man) .
Mc (1) : Mc 10,2 . Een vorm van anèr (man) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 6,20 . (2) Mc 6,44 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,12 .

9. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

10. act. inf. aor.  apolusai (ontbinden, loslaten) van het werkw. apoluô (losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô (losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô (losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc 10,2 . (2) Mc 10,4 .

11. act. part. praes. nom. m. + vr. mv. peirazontes (beproevende) van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in het N.T. : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Taalgebruik in Mc : peirazô (beproeven, op de proef stellen) . peira : proef , poging . Lat. probare (proberen , be-proeven) . ex-periment (uit-probering , ervaring) . Hebr. nâsâh .
Mc (2) : (1) Mc 8,11 . (2) Mc 10,2 . Een vorm van peirazô (beproeven) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 1,13 .  (2) Mc 8,11 . (3) Mc 10,2 .  (4) Mc 12,15 .

12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

We hebben in Mc 10,1 geschreven dat de komst in de bergen van Judea en de overzijde van de Jordaan herinneringen oproept aan Mc 1,1-13 . Daar was Johannes de Doper aan het dopen en Jezus was uit Nazaret in Galilea naar hem gegaan om zich te laten dopen . Jezus was uit Judea vertrokken toen Johannes de Doper gevangen werd genomen . In Mc 6,17-20 wordt verteld waarom Johannes werd gevangen genomen door Herodes nl. omwille van Herodias , de vrouw van zijn broer Filippus , omdat hij met haar trouwde . "Want Johannes zei aan Herodes dat het hem niet toegelaten was de vrouw van zijn broer te hebben ."
De vraag van de Farizeeën is een venijnige vraag : zegt Jezus ja op hun vraag , dan neemt hij afstand van het standpunt van Johannes de Doper ; zegt hij neen , dan gaat hij in tegen de wet van Mozes . Wat Jezus in besloten kring aan zijn leerlingen zegt , is duidelijk : hij veroordeelt het gedrag van Herodes . Dat is natuurlijk heel gevaarlijk , want Johannes heeft het met zijn hoofd reeds moeten bekopen . Een listiger vraag hadden de Farizeeën niet kunnen bedenken . Het is ook duidelijk waarom deze tekst hier staat .

De opbouw van de pericope Mc 7,1-23 en Mc 10,2-12 toont grote gelijkenis : vraag van Farizeeën , vraag van leerlingen in een huis . Het onderricht van de leerlingen door Jezus in besloten kring moet begrepen worden vanuit de levensdreiging van Jezus door zijn tegenstanders . Jezus kan niet alles in het openbaar zeggen . Sommige dingen behoudt hij voor een beperkte kring voor .

Mc 10,3 - Mc 10,3 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:3 o de apokritheis eipen autois ti umin eneteilato môusès 3 at ille respondens dixit eis quid vobis praecepit Moses    Hij antwoordde hun met een wedervraag: "Wat heeft Mozes u voorgeschreven?"  [3] Hij gaf hun ten antwoord: ‘Wat heeft Mozes u voorgeschreven?’   [3] Hij vroeg hun: ‘Hoe luidt het voorschrift van Mozes?’  3 Maar ten antwoord zegt hij tot hen: wat heeft Mozes u geboden?  3. Il leur répondit : « Qu'est-ce que Moïse vous a prescrit ? » - 

Statenvertaling . 3 Maar Hij antwoordende, zeide tot hen: Wat heeft u Mozes geboden?
King James Bible . [3] And he answered and said unto them, What did Moses command you?
Luther-Bibel . 3 Er antwortete aber und sprach zu ihnen: Was hat euch Mose geboten?

Tekstuitleg van Mc 10,3 . Het vers Mc 10,3 telt 9 (3 X 3) woorden en 45 (3 X 3 X 5) letters . De getalwaarde van Mc 10,3 is 4549 .

Mc 10,3.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

Mc 10,3.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,3.3. part. aor. nom. mann. enk. apokritheis (geantwoord) van het werkw. apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in het N.T. : apokrinomai (antwoorden) . Taalgebruik in Mc : apokrinomai (antwoorden) .
Mc (14) : (1) Mc 3,33 . (2) Mc 6,37 . (3) Mc 8,29 . (4) Mc 9,5 . (5) Mc 9,19 . (6) Mc 10,3 . (7) Mc 10,24 . (8) Mc 10,51 . (9) Mc 11,14 . (10) Mc 11,22 . (11) Mc 12,35 . (12) Mc 14,48 . (13) Mc 15,2 . (14) Mc 15,12 .

Mc 10,3.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,36 . (7) Mc 10,38 . (8) Mc 10,39 . (9) Mc 10,49 . (10) Mc 10,51 . (11) Mc 10,52 .

Mc 10,3.5. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,11 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 10,36 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 .

Mc 10,3.1. - 5.
- ho de ... eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 7,6 . (3) Mc 10,3 . (4) Mc 14,20 .
-- ho de eipen autois (hij echter zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 7,6 . (2) Mc 14,20 .
-- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 10,3 .
In Mc 6,37 antwoordt Jezus op het voorstel van de leerlingen dat Jezus de menigte zou ontbinden opdat zij eten zouden kopen . In Mc 10,3 antwoordt Jezus op de vraag of het aan een man toegelaten is de vrouw te ontbinden (hetzelfde werkw. apoluô = ontbinden , wegsturen) . De inleiding op het antwoord linkt in beide verzen aan de inleiding op het toetreden van de leerlingen / Farizeeën voor een voorstel / vraag . In beide verzen heeft apoluô (ontbinden, wegsturen) de betekenis van : aan haar / hun lot overlaten , in de steek laten .

Mc 10,3.6. vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,36 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,3.7. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,36 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,44 .

Mc 10,3.8. ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato van het werkw. entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in het N.T. : entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Taalgebruik in Mc : entellô (bevelen, opdragen, vragen) .
Mc (2) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 13,34 .

Mc 10,3.9. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc 1,44 .  (2) Mc 7,10 .  (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,4 .  (5) Mc 12,19 .

Duality

- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 10,3 .

Mc 10,4 - Mc 10,4 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:4 oi de eipan epetrepsen môusès biblion apostasiou grapsai kai apolusai   4 qui dixerunt Moses permisit libellum repudii scribere et dimittere    Zij zeiden: "Mozes heeft toegestaan een scheidingsbrief op te stellen en haar weg te zenden."  [4] Ze zeiden: ‘Mozes heeft toegestaan een scheidingsakte te schrijven en haar dan te verstoten.’   [4] Ze zeiden: ‘Mozes heeft de man toegestaan een scheidingsbrief te schrijven en haar te verstoten.’   4 En zij zeggen: Mozes heeft toegelaten ‘een akte van afstand te schrijven en haar los te laten’!  4. « Moïse, dirent-ils, a permis de rédiger un acte de divorce et de répudier. »  

Statenvertaling . 4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten een scheidbrief te schrijven, en haar te verlaten.
King James Bible . [4] And they said, Moses suffered to write a bill of divorcement, and to put her away.
Luther-Bibel . 4 Sie sprachen: Mose hat zugelassen, einen Scheidebrief zu schreiben und sich zu scheiden.

Tekstuitleg van Mc 10,4 .

Mc 10,4.1. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,4 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,26 . (8) Mc 10,31 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,35 . (11) Mc 10,37 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,41 . (14) Mc 10,42 .

Mc 10,4.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

3. act. ind. aor. 3de p. mv. eipan (zij zeiden) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (9) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,7 . (8) Mc 12,16 . (9) Mc 16,8 .

1. - 3. hoi de eipan (zij echter zeiden) . Mc (7 / 9) : (1) Mc 8,5 . (2) Mc 8,28 . (3) Mc 10,4 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,39 . (6) Mc 11,6 . (7) Mc 12,16

Mc 10,4.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. epetrepsen (hij stond toe) van het werkw. epitrepô (overlaten, toevertrouwen) . Taalgebruik in het N.T. : epitrepô (overlaten, toevertrouwen) . Taalgebruik in Mc : epitrepô (overlaten, toevertrouwen) .
Mc (2) : (1) Mc 5,13 . (2) Mc 10,4 .

Mc 10,4.5. nom. mann. enk. môusès (Mozes) . Taalgebruik in het N.T. : môusès (Mozes) . Taalgebruik in Mc : môusès (Mozes) .
Mc (5) : (1) Mc 1,44 .  (2) Mc 7,10 .  (3) Mc 10,3 . (4) Mc 10,4 .  (5) Mc 12,19 .

Mc 10,4.6. nom. + acc. onz. enk. biblion  van het zelfst. naamw. biblion (document, brief) . Taalgebruik in het N.T. : biblion (document, brief) . Taalgebruik in Mc : biblion (document, brief) . Mc (1) : Mc 10,4 .

Mc 10,4.7. gen. onz. enk. apostasiou (van afstand doen, van echtscheiding) van het zelfst. naamw. apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Taalgebruik in het N.T. : apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Taalgebruik in het N.T. : apostasion (afstand doen, echtscheiding) . Mc (1) : Mc 10,4 .

Mc 10,4.8. act. inf. aor. grapsai van het werkw. grafô (schrijven, grif-fen) . Taalgebruik in het N.T. : grafô (schrijven) . Taalgebruik in Mc : grafô (schrijven) . Lat. scribere . Fr. écrire . Mc (1) : Mc 10,4 .

6. - 8. echtscheidingsbrief schrijven :
- Mc 10,4 : biblion apostasiou grapsai (een echtscheidingsbrief te schrijven) .
- Dt 24,1 : kai grapsei autè(i) biblion apostasiou (en hij zal voor haar een echtscheidingsbrief schrijven) .

Mc 10,4.9. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,4.10. act. inf. aor.  apolusai (ontbinden, loslaten) van het werkw. apoluô (losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô (losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô (losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc 10,2 . (2) Mc 10,4 .

Mc 10,5 - Mc 10,5 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis   27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:5 o de ièsous eipen autois pros tèn sklèrokardian umôn egrapsen umin tèn entolèn tautèn 5 quibus respondens Iesus ait ad duritiam cordis vestri scripsit vobis praeceptum istud    Doch Jezus antwoordde hun: "Om de hardheid van uw hart heeft hij die bepaling voor u neergeschreven  [5] Daarop zei Jezus hun: ‘Omdat u verstokt van hart bent, heeft Mozes u dat voorgeschreven.   [5] Jezus zei tegen hen: ‘Hij heeft dat voor u opgeschreven omdat u zo harteloos en koppig bent.  5 Maar Jezus zegt tot hen: met het oog op uw hardheid van hart heeft hij voor u dat gebod geschreven;  5. Alors Jésus leur dit : « C'est en raison de votre dureté de cœur qu'il a écrit pour vous cette prescription. 

Statenvertaling . 5 En Jezus, antwoordende, zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven.
King James Bible . [5] And Jesus answered and said unto them, For the hardness of your heart he wrote you this precept.
Luther-Bibel . 5 Jesus aber sprach zu ihnen: Um eures Herzens Härte willen hat er euch dieses Gebot geschrieben;

Tekstuitleg van Mc 10,5 .

Mc 10,5.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

Mc 10,5.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,5.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 . Een vorm van ièsous (Jezus) in 81 verzen .

Mc 10,5.1. - 3. ho de ièsous (Jezus echter) . Mc (21 / 37) . Mc 10 (6 / 16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,21 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39

Mc 10,5.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,36 . (7) Mc 10,38 . (8) Mc 10,39 . (9) Mc 10,49 . (10) Mc 10,51 . (11) Mc 10,52 . Een vorm van eipon (ik zei) in 14 verzen in Mc . Een vorm van legô (ik zeg) in 14 verzen in Mc .

Mc 10,5.5. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,11 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 10,36 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 .

Mc 10,5.1. - 5. ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (4) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,38 . (3) Mc 10,39 . (4) Mc 12,17 . In de verzen Mc 10,5 en Mc 12,17 leidt het het antwoord van Jezus op de beginvraag in . In beide verhalen zijn er Farizeeën betrokken bij het stellen van de vraag (beginnend met de woorden : is het toegelaten...) . In de verzen Mc 10,38 en Mc 10,39 leidt het de antwoorden van Jezus op het verzoek van Jakobus en Johannes in .

Mc 10,5.6. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,1 * . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,7 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,26 . (6) Mc 10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .

Mc 10,5.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,5.11. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,36 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,44 .

Mc 10,5.12. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,5.13. acc. vr. enk. entolèn (opdracht, gebod) van het zelfst. naamw. entolè (opdracht, gebod) . Taalgebruik in het N.T. : entolè (opdracht) . Taalgebruik in Mc. : entolè (opdracht) .
Mc (3) : (1) Mc 7,8 . (2) Mc 7,9 . (3) Mc 10,5 .

Mc 10,5.14. acc. vr. enk. tautèn (dit) van het bezitt. voornaamw. houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) . Taalgebruik : houtos (deze) .
Mc (52) . Mc (4) : (1) Mc 4,13 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 11,28 . (4) Mc 12,10 .

Mc 10,6 - Mc 10,6 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:6 apo de archès ktiseôs arsen kai thèlu epoièsen | [autous] | autous  6 ab initio autem creaturae masculum et feminam fecit eos Deus    . Maar in het begin, bij de schepping, heeft God hen als man en vrouw gemaakt.  [6] Maar vanaf het begin van de schepping heeft Hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.  [6] Maar al bij het begin van de schepping heeft God de mens mannelijk en vrouwelijk gemaakt;  6 maar sinds het begin, de schepping, ‘heeft hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt’;  6. Mais dès l'origine de la création Il les fit homme et femme.  

Statenvertaling . 6 Maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.
King James Bible . [6] But from the beginning of the creation God made them male and female.
Luther-Bibel . 6 aber von Beginn der Schöpfung an hat Gott sie geschaffen als Mann und Frau.

Tekstuitleg van Mc 10,6 .

Mc 10,6.1. apo (af, van-weg) . Taalgebruik in het N.T. : apo (af , van-weg) . Taalgebruik in Mc : apo (af , van-weg) . Voorzetsel .
Mc (33) . Mc 10 (2) :   (1) Mc 10,6 . (2) Mc 10,46 .

Mc 10,6.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,6.3. gen. vr. enk. archès (begin) van het zelfst. naamw. archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in het N.T. : archè (begin, heerschappij) . Taalgebruik in Mc : archè (begin, heerschappij) .
Mc (2) : (1) Mc 10,6 . (2) Mc 13,19 .

Mc 10,6.4. gen. vr. enk. ktiseôs  (schepping) van het zelfst. naamw. ktisis (schepping) . Taalgebruik in het N.T. : ktisis (schepping) . Taalgebruik in Mc : ktisis (schepping) . Mc (2) : (1) Mc 10,6 .  (2) Mc 13,19 .

Mc 10,6.1. 3. - 4. vanaf het begin van de schepping :
- Mc 10,6 : apo de archès ktiseôs (vanaf echter het begin van de schepping) .
- Mc 13,19 : ap'archès ktiseôs (vanaf het begin van de schepping) .

Mc 10,6.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,6.9. voornaamw. acc. mann. mv. autous (hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 10 (4) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,6 . (3) Mc 10,32 . (4) Mc 10,42 .

Mc 10,7 - Mc 10,7 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
| 10:7 eneken toutou kataleipsei anthrôpos ton patera autou kai tèn mètera | | [kai proskollèthèsetai pros tèn gunaika autou*] |   7 propter hoc relinquet homo patrem suum et matrem et adherebit ad uxorem suam    Daarom zal de man zijn vader en moeder verlaten om zich te binden aan zijn vrouw en deze twee zullen één vlees worden.  [7] Daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw,  [7] daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich hechten aan zijn vrouw,   7 ‘daarom zal een mens zijn vader en moeder verlaten,  7. Ainsi donc l'homme quittera son père et sa mère, 

Statenvertaling . 7 Daarom zal een mens zijn vader en zijn moeder verlaten, en zal zijn vrouw aanhangen;
King James Bible . [7] For this cause shall a man leave his father and mother, and cleave to his wife;
Luther-Bibel . 7 Darum wird ein Mann seinen Vater und seine Mutter verlassen und wird an seiner Frau hängen,

Tekstuitleg van Mc 10,7 .

Mc 10,7.4. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) .
Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 10,19 . (4) Mc 10,49 . (5) Mc 10,50 .

Mc 10,7.6. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het N.T. : patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) .
Mc (8) . (1) Mc 1,20 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21 .  (5) Mc 10,7 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .

Mc 10,7.7. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 10 (8) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,11 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,45 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 10,50 .

Mc 10,7.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,7.9. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,7.11. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,7.13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,1 * . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,7 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,26 . (6) Mc 10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .

Mc 10,7.14. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,7.15. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

Mc 10,8 - Mc 10,8 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:8 kai esontai oi duo eis sarka mian ôste ouketi eisin duo alla mia sarx  8 et erunt duo in carne una itaque iam non sunt duo sed una caro   Zo zijn zij dus niet langer twee, één vlees als zij geworden zijn  [8] en die twee zullen één zijn. Ze zijn dus niet meer twee, maar één.  [8] en die twee zullen één worden, ze zijn dan niet langer twee, maar één.  8 en de twee zullen tot één vlees zijn’; zodat zij niet meer twéé zijn maar één vlees;  8. et les deux ne feront qu'une seule chair. Ainsi ils ne sont plus deux, mais une seule chair. 

Statenvertaling . 8 En die twee zullen tot een vlees zijn, alzo dat zij niet meer twee zijn, maar een vlees.
King James Bible . [8] And they twain shall be one flesh: so then they are no more twain, but one flesh.
Luther-Bibel . 8 und die zwei werden "ein" Fleisch sein. So sind sie nun nicht mehr zwei, sondern "ein" Fleisch.

Tekstuitleg van Mc 10,8 .

Mc 10,8.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

2. act. ind. fut. 3de pers. mv. esontai (er zullen zijn) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (5) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,31 . (3) Mc 13,8 . (4) Mc 13,19 . (5) Mc 13,25 .

Mc 10,8.3. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,4 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,26 . (8) Mc 10,31 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,35 . (11) Mc 10,37 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,41 . (14) Mc 10,42 .

Mc 10,8.5. eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

Mc 10,8.8. act. ind. aor. 3de p. enk. epoièsen (hij maakte) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) .
Mc (9) : (1) Mc 2,25 . (2) Mc 3,14 . (3) Mc 3,16 . (4) Mc 5,20 . (5) Mc 6,21 . (6) Mc 10,6 . (7) Mc 14,8 . (8) Mc 14,9 . (9) Mc 15,14 .

Mc 10,8.12. alla , afkorting all' (maar) . Taalgebruik in het N.T. : alla (maar) . Taalgebruik in Mc : alla (maar) .
Mc (48 - 30 - 18) . Mc 10 (5 - 2 - 3) alla (2) : (1) Mc 10,8 . (2) Mc 10,45 . all' (3) : (1) Mc 10,27 . (2) Mc 10,40 . (3) Mc 10,43 .

Mc 10,9 - Mc 10,9 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:9 o oun o theos sunezeuxen anthrôpos mè chôrizetô  9 quod ergo Deus iunxit homo non separet     . Wat God derhalve heeft verbonden mag een mens niet scheiden."  [9] Dus: wat God heeft verbonden, moet de mens niet scheiden.’  [9] Wat God heeft verbonden, mag een mens niet scheiden.’  9 wat dan God tot een span heeft gemaakt moet een mens niet willen scheiden!   9. Eh bien ! ce que Dieu a uni, l'homme ne doit point le séparer. »  

Statenvertaling . 9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mens niet.
King James Bible . [9] What therefore God hath joined together, let not man put asunder.
Luther-Bibel . 9 Was nun Gott zusammengefügt hat, soll der Mensch nicht scheiden.

Tekstuitleg van Mc 10,9 .

1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

6. nom. mann. enk. anthrôpos (mens) . Taalgebruik in het N.T. : anthrôpos (mens) . Taalgebruik in Mc : anthrôpos (mens) . Mc (14) : (1) Mc 1,23 . (2) Mc 2,27 . (3) Mc 3,1 . (4) Mc 4,26 . (5) Mc 5,2 . (6) Mc 7,11 . (7) Mc 8,37 . (8) Mc 10,7 . (9) Mc 10,9 . (10) Mc 12,1 . (11) Mc 13,34 . (12) Mc 14,13 . (13) Mc 14,21 . (14) Mc 15,39 .

7. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,10 - Mc 10,10 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10 kai eis tèn oikian palin oi mathètai peri toutou epèrôtôn auton   10 et in domo iterum discipuli eius de eodem interrogaverunt eum   Thuis ondervroegen de leerlingen Hem nogmaals daarover.  
[10] Thuisgekomen* vroegen de leerlingen Hem opnieuw hierover. 
 [10] In huis stelden de leerlingen hem hier weer vragen over. 10 Op weg naar het huis stellen de leerlingen hem wéér vragen hierover.  10. Rentrés à la maison, les disciples l'interrogeaient de nouveau sur ce point.  

Statenvertaling . 10 En in het huis vraagden Hem Zijn discipelen wederom van hetzelve.
King James Bible . [10] And in the house his disciples asked him again of the same matter.
Luther-Bibel . 10 Und daheim fragten ihn abermals seine Jünger danach.

Tekstuitleg van Mc 10,10 .

Mc 10,10.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,10.2. eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

Mc 10,10.3. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

5. palin (opnieuw) . Taalgebruik in het N.T. : palin (opnieuw) . Taalgebruik in Mc : palin (opnieuw) . Fr. de nouveau . E. again . Ned. opnieuw .
Mc (26) . Mc 10 (4) : (12) Mc 10,1 . (13) Mc 10,10 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 10,32 .

Mc 10,10.6. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,4 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,26 . (8) Mc 10,31 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,35 . (11) Mc 10,37 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,41 . (14) Mc 10,42 .

Mc 10,10.7. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .

Mc 10,10.10. epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) . Verwijzing : epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) , zie Mc 7,17 . Het werkwoord eperôtaô (epi - erôtaô) : 'op'-vragen, 'onder'-vragen (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Actief indicatief imperfectum derde persoon meervoud . In dertien verzen in de bijbel . In drie verzen in het O.T. . In tien verzen in het N.T. . Mc (6) . Lc (4) . In zes verzen bij Mc : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,2 . (5) Mc 10,10 . (6) Mc 12,18 . De leerlingen vroegen : (1) Mc 7,17 . (2) Mc 9,11 . (3) Mc 9,28 . (4) Mc 10,10 . De Farizeeën : (1) Mc 10,2 . De Sadduceeën : (1) Mc 12,18 .

Mc 10,10.11. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

leerlingen van Jezus de Farizeeën en de schriftgeleerden 1. de leerlingen van Jezus 2. drie leerlingen van Jezus 3. de leerlingen van Jezus de Farizeeën 4. de leerlingen van Jezus Sadduceeën
Mc 4,10 Mc 7,5 Mc 7,17 Mc 9,11 Mc 9,28 Mc 10,2 Mc 10,10 Mc 12,18
Kai hote (en toen) kai (en) Kai (en) hote (toen) (En nadat) kai (en) Kai (en) kai (en) Kai (en) kai (en)
egeneto (hij was)   eisèlthen (hij binnenging) (hij was gegaan)   eiselthontos autou (na de thuiskomst van Jezus) proselthontes Farisaioi (de Farizeeën naderbijgekomen)   erchontai Saddukaioi pros auton (en Sadduceeën kwamen naderbij hem)...
kata monas (alleen)   eis oikon (naar - in huis) apo tou ochlou (weg van de menigte) (vragen van de 3 leerlingen, bij het afdalen van de berg van de verheerlijking) eis oikian (naar huis)   eis tèn oikian (thuis) palin (opnieuw)  
        hoi mathètai autou (zijn leerlingen) kat'idian (onder elkaar - afgezonderd)   hoi mathètai (de leerlingen)  
èrôtôn (vroegen) eperôtôsin (en zij ondervragen epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) peri toutou (hierover) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen) kai (en) epèrôtôn (zij 'onder'vroegen)
auton (hem) auton (hem) auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem)  auton (hem) 
hoi peri auton sun tois dôdeka (die rond hem met de twaalf) hoi Farisaioi kai hoi grammateis "zij" = de Farizeeën en de schriftgeleerden hoi mathètai autou ( zijn leerlingen) legontes (zeggende)        
tas parabolas (de parabels)   tèn parabolèn (de parabel)          
127. Waarom Jezus in gelijkenissen spreekt : Mc 4,10-12 - Mt 13,10-15 - Lc 8,9-10 154. Twistgesprek met de Farizeeën en schriftgeleerden : Mc 7,1-13 - Mt 15,1-9 155. Rein en onrein : Mc 7,14-23 - Mt 15,10-20 - 169. Vraag omtrent de wederkomst van Elia : Mc 9,11-13 - Mt 17,10-13 -
 170. Genezing van een bezeten kind : Mc 9,14-29 - Mt 17,14-21 - Lc 9,37-43a - 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk : Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 - 292. Vraag van de Sadduceeën over de verrijzenis : Mc 12,18-27 - Mt 22,23-33 - Lc 20,27-38

 

Mc 10,11 - Mc 10,11 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:11 kai legei autois os an apolusè tèn gunaika autou kai gamèsè allèn moichatai ep autèn 11 et dicit illis quicumque dimiserit uxorem suam et aliam duxerit adulterium committit super eam    Hij sprak tot hen: "Wie zijn vrouw wegzendt en een andere huwt maakt zich tegenover haar schuldig aan echtbreuk [11] Hij zei hun: ‘Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt echtbreuk tegenover haar*,  
 [11] Hij zei tegen hen: ‘Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel;
11 Hij zegt tot hen: al wie zich van zijn vrouw zal losmaken en een andere zal huwen, pleegt ontucht tegen haar;  11. Et il leur dit : « Quiconque répudie sa femme et en épouse une autre, commet un adultère à son égard ;  

Statenvertaling . 11 En Hij zeide tot hen: Zo wie zijn vrouw verlaat, en een andere trouwt, die doet overspel tegen haar.
King James Bible . [11] And he saith unto them, Whosoever shall put away his wife, and marry another, committeth adultery against her.
Luther-Bibel . 11 Und er sprach zu ihnen: Wer sich scheidet von seiner Frau und heiratet eine andere, der bricht ihr gegenüber die Ehe;

Tekstuitleg van Mc 10,11 . Het vers Mc 10,11 telt 15 (3 X 5) woorden en 72 (2 X 2 X 2 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 10,11 is 6500 (2 X 2 X 5 X 5 X 5 X 13) .

Mc 10,11.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,11.2. actief indicatief praesens derde persoon enkelvoud legei (hij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . legô komt van de wortel leg- : lezen / lec-tuur ; les , Fr. leçon .
Mc (62) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,23 . (3) Mc 10,24 . (4) Mc 10,27 . (5) Mc 10,42

Mc 10,11.3. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,11 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 10,36 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 .

Mc 10,11.4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 10 (5) : (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .  

Mc 10,11.5. an . Taalgebruik in het N.T. : an . Taalgebruik in Mc : an .
Mc (18) . Mc 10 (4) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,43 . (4) Mc 10,44 .  

Mc 10,11.6. act. conj. aor. 3de pers. enk. apolusè(i)  van het werkw. apoluô (losmaken) . Taalgebruik in het N.T. : apoluô (losmaken) . Taalgebruik in Mc : apoluô (losmaken) .
Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 15,11 .

Mc 10,11.7. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,11.8. acc. vr. enk. gunaika (vrouw) van het zelfst. naamw. gunè (vrouw) . Taalgebruik in het N.T. : gunè (vrouw) . Taalgebruik in Mc : gunè (vrouw) . Hebr. ´isjsjâh . Lat. uxor . Fr. femme (> Lat. femina) . Ned. vrouw . D. Frau .
Mc (8) : (1) Mc 6,17 . (2) Mc 6,18 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,7 . (5) Mc 10,11 . (6) Mc 12,19 . (7) Mc 12,20 . (8) Mc 12,23 .

Mc 10,11.9. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc 10 (8) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,11 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,45 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 10,50 .

Mc 10,11.10. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

11. act. conj.  aor. 3de pers. enk. gamèsè(i) (hij / zij zou huwen) gameô (huwen) . Taalgebruik in het N.T. : gameô (huwen) . Taalgebruik in Mc : gameô (huwen) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .

Mc 10,11.12. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 10,11.13. act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai  van het werkw. moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai (echtbreuk plegen) .
Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .

14. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . epi in Mc 10 (2) : (1) Mc 10,22 . (2) Mc 10,24 . ep' in Mc 10 (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,16 .

Mc 10,11.15. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 10,12 - Mc 10,12 : 265. Onontbindbaarheid van het huwelijk - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,2-12 - Mt 19,3-9 -- Mc 10,2 - Mc 10,3 - Mc 10,4 - Mc 10,5 - Mc 10,6 - Mc 10,7 - Mc 10,8 - Mc 10,9 - Mc 10,10 - Mc 10,11 - Mc 10,12 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 27ste (zevenentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:12 kai ean autè apolusasa ton andra autès gamèsè allon moichatai 12 et si uxor dimiserit virum suum et alii nupserit moechatur     En wanneer zij haar man verlaat en een andere huwt begaat zij echtbreuk."  [12] en als zij haar man verstoot en met een ander trouwt, pleegt zij echtbreuk.’  [12] en als zij haar man verstoot en met een ander trouwt, pleegt zij overspel.’  12 en als zij, losgelaten door haar man, een ander zal huwen, pleegt zij ontucht!  12. et si une femme répudie son mari et en épouse un autre, elle commet un adultère. »  

Statenvertaling . 12 En indien een vrouw haar man zal verlaten, en met een anderen trouwen, die doet overspel.
King James Bible . [12] And if a woman shall put away her husband, and be married to another, she committeth adultery.
Luther-Bibel . 12 und wenn sich eine Frau scheidet von ihrem Mann und heiratet einen andern, bricht sie ihre Ehe.

Tekstuitleg van Mc 10,12 .

Mc 10,12.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,12.2. ean (indien) . Taalgebruik in het N.T. : ean (indien) . Taalgebruik in Mc : ean (indien) .
Mc (32) . Mc 10 : (1) Mc 10,12 . (2) Mc 10,30 . (3) Mc 10,35 .

5. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 10,19 . (4) Mc 10,49 . (5) Mc 10,50 .

Mc 10,12.6. acc. mann. enk. andra (man) van het zelfst. naamw. anèr (man) . Taalgebruik in het N.T. : anèr (man) . Taalgebruik in Mc : anèr (man) .
Mc (2) : (1) Mc 6,20 . (2) Mc 10,12 . Een vorm van anèr (man) in 4 verzen in Mc : (1) Mc 6,20 . (2) Mc 6,44 . (3) Mc 10,2 . (4) Mc 10,12 .

7. pers. voornaamw. gen. vr. enk. autès van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos . Mc (14) : (1) Mc 1,30 . (2) Mc 5,26 . (3) Mc 5,29 . (4) Mc 6,24 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 7,25 . (7) Mc 7,26 . (8) Mc 7,30 . (9) Mc 10,12 . (10) Mc 12,44 . (11) Mc 13,24 . (12) Mc 13,28 . (13) Mc 14,9 . (14) Mc 16,11 .

Mc 10,12.8. act. conj.  aor. 3de pers. enk. gamèsè(i) (hij / zij zou huwen) gameô (huwen) . Taalgebruik in het N.T. : gameô (huwen) . Taalgebruik in Mc : gameô (huwen) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .

Mc 10,12.10. act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai  van het werkw. moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moichaomai (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moichaomai (echtbreuk plegen) .
Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .

'Duality' in Mc 10,2-12 .

- part. aor. nom. m. + vr. mv. proselthontes (naderbijgekomen) . Mc (2) : (1) Mc 6,35 . (2) Mc 10,2 .
- act. inf. aor.  apolusai (ontbinden, loslaten) . Mc (2) : (1) Mc 10,2 . (2) Mc 10,4 .
- act. part. praes. nom. m. + vr. mv. peirazontes (beproevende) van het werkw. peirazô (beproeven, op de proef stellen) . Mc (2) : (1) Mc 8,11 . (2) Mc 10,2 .

- ho de apokritheis eipen autois (hij echter geantwoord zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 6,37 . (2) Mc 10,3 .
- ind. aor. 3de pers. enk. eneteilato (hij beval) van het werkw. entellô (bevelen, opdragen, vragen) . Mc (2) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 13,34 .

- ho de ièsous eipen autois (Jezus echter zei hen) . Mc (2) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 12,17 .

- vanaf het begin van de schepping :
-- Mc 10,6 : apo de archès ktiseôs (vanaf echter het begin van de schepping) .
-- Mc 13,19 : ap'archès ktiseôs (vanaf het begin van de schepping) .

- act. conj. aor. 3de pers. enk. apolusè(i)  van het werkw. apoluô (losmaken) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 15,11 .

- act. ind. praes. 3de pers. enk. moichatai  van het werkw. moichaomai (echtbreuk plegen) . Mc (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,12 .

- acc. mann. enk. andra (man) van het zelfst. naamw. anèr (man) . Mc (2) : (1) Mc 6,20 . (2) Mc 10,12 .

267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 - verwijzingen -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 -

De tekst

13. En zij brachten naar hem kinderen opdat hij hen zou aanraken. De leerlingen echter berispten hen.
14. Gezien hebbende echter Jezus, was hij verontwaardigd en hij zei hen:
laat toe de kinderen te komen tot mij; hindert hen niet,
want aan dergelijken is het koninkrijk van God.
Voorwaar ik zeg u : wie niet zou ontvangen het koninkrijk van God als een kind, hij gaat er niet in .
en ze omarmd hebbende zegent hij hen opgelegd hebbende de handen op hen.

Een eerste kennismaking met de tekst

In het Nederlands bemerk je het niet. In het Grieks staat in Mc 10,13 en Mc 10,16 een imperfectumvorm in de hoofdwerkwoorden, in Mc 10,13b - 15 de aoristvorm (een verleden tijdvorm) in het verhalend gedeelte. Mc 10,16 sluit evenwel goed aan op Mc 10,13.
7 X is er verwijzing naar kinderen. In Mc 10,15 staat "kind" in de vergelijking in het enkelvoud.

Mensen brengen kinderen aan opdat Jezus hen zou aanraken. Maar de leerlingen verhinderen het. Jezus komt tussen, spreekt zijn leerlingen, zegt een algemeen woord en laat de kinderen tot hem komen.

267.1. de plaats van het kind

Volgens Benoît Standaert bestaat (3) het tweede deel (Mc 6,14-10,52) van het centraal gedeelte (Mc 1,14-15,47) uit volgende onderdelen : (3.1) een inleiding (Mc 6,14-16) (3.2) een uitweiding (Mc 6,17-29) (3.3) de eerste sectie : A (Mc 6,30-8,21) (3.4) een overgangsverhaal (Mc 8,22-26) (3.5) de tweede sectie : B (Mc 8,27-9,13) (3.6) een overgangsverhaal (Mc 9,14-29) (3.7) de derde sectie : C (Mc 9,30-10,45) (3.8) een overgangsverhaal (Mc 10,46-52).

De derde sectie : C (Mc 9,30-10,45) is eveneens concentrisch opgebouwd:
Mc 9,30-32 -------------------------------------------------------------------- Mc 10,32-34 -------- Mc 10,45
------------ Mc 9,33-35 ---------------------------------------------------------------------- Mc 10,41-44
------------ Mc 9,36-37 ------------------ Mc 10,13-16
------------ Mc 9,38.39-50----------------------------------------------------------------- Mc 10,35.36-40
------------------Mc 10,1-2------------------------------ Mc 10,17-31

In Mc 9,36-37 neemt Jezus een kind en plaatst het in het midden, want de ontvangst van een kind betekent de ontvangst van de gezondene van Jezus.
We vermoeden - zoals we hoger hebben vermeld - waarom Marcus Mc10,1-12 hier plaatst. Bij de echtenis van man en vrouw horen kinderen thuis. Het zou kunnen verklaren waarom Marcus het verhaal van de kinderen hier plaatst. Het moment waarop 'ouders" hun kinderen naar Jezus brengen, lijkt voor de leerlingen niet het geschikste moment, want Jezus is over huwelijksproblemen bezig en dat hoeven kinderen niet te horen.

vergelijking van Mc 9,36-37 ------------------ Mc 10,13-16

Vergeleken met elkaar vertonen de twee verhalen een chiastische structuur: omarming - woorden van Jezus .

Mc 9,36-37 Mc 10,13-16
1. Jezus neemt een kind 1. mensen brengen kinderen naar Jezus opdat hij hen de handen zou opleggen
2. Jezus plaatst het kind in het midden van de kring 2. de leerlingen berispen de kinderen en beletten hen bij Jezus te komen
3. Jezus omarmt het kind 3. woorden van Jezus : a. Jezus keurt het gedrag van de leerlingen af. b. de plaats van kinderen in de gemeenschap
4. woorden van Jezus over de plaats van het kind in de gemeenschap 4. Jezus omarmt de kinderen, zegent hen en legt hen de handen op.
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48 267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17

het woord van Jezus

Mc 9,37 vervolg   Mc 10,15  
  kai (en)      
hos an (wie) hos an (wie)   hos an (wie)  
hen toon toioutoon paidioon (één van dergelijke kinderen) eme (mij)   mij deksijtai (niet ontvangt)  
deksijtai (ontvangt) dechijtai (ontvangt)   tijn basileian tou theou (het koninkrijk van God)  
epi tooi onomati mou (in mijn naam)     hoos paidion (als een kind)  
eme (mij)  ouk eme ( niet mij),      
dechijtai (ontvangt) dechetai (ontvangt)      
  alla ton aposteilanta me (maar degene die mij zond)      
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48
173. De grootste in het Rijk Gods : Mc 9,33-37 // Mt 18,1-5 // Lc 9,46-48
   267. Jezus ontvangt de kinderen : Mc 10,13-16 // Mt 19,13-15 // Lc 18,15-17  

 

Mc 10,13 - Mc 10,13 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:13 kai proseferon autô paidia ina autôn apsètai oi de mathètai epetimèsan autois      13 et offerebant illi parvulos ut tangeret illos discipuli autem comminabantur offerentibus     13 En zij brachten kinderkens tot Hem, opdat Hij ze aanraken zou; en de discipelen bestraften degenen, die ze tot Hem brachten.   [13] Ze brachten kinderen bij Hem met de bedoeling dat Hij hen zou aanraken. Maar de leerlingen wezen hen terecht.  [13] De mensen probeerden kinderen bij hem te brengen om ze door hem te laten aanraken, maar de leerlingen berispten hen.  13 ¶ Ze hebben kinderen tot hem gebracht, dat hij die zal aanraken. Maar de leerlingen straffen hen af.  13. On lui présentait des petits enfants pour qu'il les touchât, mais les disciples les rabrouèrent.  

King James Bible . [13] And they brought young children to him, that he should touch them: and his disciples rebuked those that brought them.
Luther-Bibel . 13 Und sie brachten Kinder zu ihm, damit er sie anrühre. Die Jünger aber fuhren sie an.

Tekstuitleg van Mc 10,13 . Het vers Mc 10,13 telt 13 woorden , X lettergrepen en 73 letters. De getalwaarde van Mc 10,13 is 9573 (3 X 3191) .

Mc 10,13.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,13.3. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,20 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,28 . (6) Mc 10,32 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,35 . (9) Mc 10,37 . (10) Mc 10,39 . (11) Mc 10,48 . (12) Mc 10,49 . (13) Mc 10,51 . (14) Mc 10,52 .

Mc 10,13.4. nom. + acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (2) (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,14 .

Mc 10,13.5. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,35 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,48 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,13.6. pers. voornaamw. gen. mv. autôn van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (37) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,42 .

Mc 10,13.7. conj. aor. 3de pers. enk. hapsètai (hij zou aanraken) van het werkw. haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in het N.T. : haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Taalgebruik in Mc : haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Lat. tangere , tango , tetigi , tactum : aanraken , belasten , grenzen aan . Gn 20,4 : Hebr. qârab . qërâbh (oorlog, strijd, zie Ps 144,1) . s' avancer < ab ante : vooruit komen , naderen . -> carabine : karabijn ; cabarinière : gendarme , soldaat . Fr. approcher > ad prope : benaderen . Mc (2) : (1) Mc 8,22 . (2) Mc 10,13 .

Mc 10,13.8. bep. lidw. nom. mann. mv. hoi (de) van het bep. lidw. ho , hè , to (de, het) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (101) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,4 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,26 . (8) Mc 10,31 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,35 . (11) Mc 10,37 . (12) Mc 10,39 . (13) Mc 10,41 . (14) Mc 10,42 .

Mc 10,13.9. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,13.10. nom. mann. mv. mathètai (leerlingen) van het zelfst. naamw. mathètès (leerling) . Taalgebruik in het N.T. : mathètès (leerling) . Taalgebruik in Mc : mathètès (leerling) . Bij Mc niet in het enk.
Mc (17) . (1) Mc 2,18 . (2) Mc 2,23 . (3) Mc 5,31 . (4) Mc 6,1 . (5) Mc 6,29 . (6) Mc 6,35 . (7) Mc 7,5 . (8) Mc 7,17 . (9) Mc 8,4 . (10) Mc 8,27 . (11) Mc 9,28 . . (12) Mc 10,10 . (13) Mc 10,13 . (14) Mc 10,24 . (15) Mc 11,14 . (16) Mc 14,12 . (17) Mc 14,16 .

Mc 10,13.8. - 10 : hoi de mathètai (de leerlingen echter) . Mc (2) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,24 .

Mc 10,13.11. act. ind. aor. 3de p. mv. epetimèsan (zij wezen terecht , zij beletten) van het werkw. epitimaô (nadrukkelijk vermanen, opdragen , opleggen , nadrukkelijk vermanen , 'opdragen' , bevelen , berispen) . Taalgebruik in het N.T. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Taalgebruik in Mc. : epitimaô (opleggen, opdragen) . Mc (1) : Mc 10,13 . In Mc 10,48 bevalen velen dat Bartimeüs zou zwijgen zodat hij niet bij Jezus zou kunnen komen .

Mc 10,13.12. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,11 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 10,36 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 .

Duality

- acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Mc (2) (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,14 .
- conj. aor. 3de pers. enk. hapsètai (hij zou aanraken) van het werkw. haptomai (vastgrijpen, aanraken) . Mc (2) : (1) Mc 8,22 . (2) Mc 10,13 .
- hoi de mathètai (de leerlingen echter) . Mc (2) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,24 .

Mc 10,14 - Mc 10,14 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:14 idôn de o ièsous èganaktèsen kai eipen autois afete ta paidia erchesthai pros me mè kôluete auta tôn gar toioutôn estin è basileia tou theou   14 quos cum videret Iesus indigne tulit et ait illis sinite parvulos venire ad me et ne prohibueritis eos talium est enim regnum Dei     14 Maar Jezus, dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot Mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.   [14] Toen Jezus dat zag, werd Hij verontwaardigd: ‘Laat die kinderen bij Me komen, en houd hen niet tegen, want van zulke kinderen is het koninkrijk van God.   [14] Toen Jezus dat zag, wond hij zich erover op en zei tegen hen: ‘Laat de kinderen bij me komen, houd ze niet tegen, want het koninkrijk van God behoort toe aan wie is zoals zij.  14 Maar als Jezus dat ziet neemt hij het niet en zegt tot hen: laat de kinderen tot mij komen, verhindert ze niet; want van mensen als zij is het koninkrijk van God;   14. Ce que voyant, Jésus se fâcha et leur dit : « Laissez les petits enfants venir à moi ; ne les empêchez pas, car c'est à leurs pareils qu'appartient le Royaume de Dieu.  

King James Bible . [14] But when Jesus saw it, he was much displeased, and said unto them, Suffer the little children to come unto me, and forbid them not: for of such is the kingdom of God.
Luther-Bibel . 14 Als es aber Jesus sah, wurde er unwillig und sprach zu ihnen: Lasst die Kinder zu mir kommen und wehret ihnen nicht; denn solchen gehört das Reich Gottes.

Tekstuitleg van Mc 10,14 . Het vers Mc 10,14 telt 26 (2 X 13) woorden en 115 (5 X 23) letters . De getalwaarde van Mc 10,14 is 13913 .

Mc 10,14.1. act. part. aor. nom. mann. enk. idôn (gezien) . eiden (hij zag) . Taalgebruik in het N.T. : eiden (hij zag) . Taalgebruik in Mc. : eiden (hij zag) . L. videre . Fr. voir . Mc (12) : (1) Mc 2,5 . (2) Mc 5,6 . (3) Mc 5,22 . (4) Mc 6,48 . (5) Mc 8,33 . (6) Mc 9,20 . (7) Mc 9,25 . (8) Mc 10,14 . (9) Mc 11,13 . (10) Mc 12,28 . (11) Mc 12,34 . (12) Mc 15,39 .

Mc 10,14.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,14.3. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

Mc 10,14.4. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 .

Mc 10,14.1. - 4. idôn de ho ièsous (gezien echter Jezus) . Mc (3) : (1) Mc 2,5 (variante : kai idôn ho ièsous = en Jezus gezien) . (2) Mc 9,25 . (3) Mc 10,14 . In Mc 9,25 ziet Jezus een menigte samenstromen bij de vader en het kind met een onreine geest . Jezus beveelt dan aan de onreine geest om uit het kind te gaan . In Mc 10,14 bevelen de leerlingen om de kinderen die aangedragen worden , weg te houden . In Mc 9,17 roept een vader tot Jezus dat hij zijn zoon met een onreine geest tot Jezus heeft gebracht omdat zijn leerlingen niet in staat waren om hem uit te werpen .

Mc 10,14.5. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,35 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,48 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,14.6. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,14.7. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,36 . (7) Mc 10,38 . (8) Mc 10,39 . (9) Mc 10,49 . (10) Mc 10,51 . (11) Mc 10,52 .

Mc 10,14.8. pers. voornaamw. dat. mann. en onz. mv. autois (aan hen) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (117) . Mc 10 (12) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,11 . (4) Mc 10,13 . (5) Mc 10,14 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,32 . (9) Mc 10,36 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 .

10. bep. lidw. nom. + acc. onz. mv. ta (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (4) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,32 .

Mc 10,14.11. nom. + acc. onz. mv. paidia (kinderen) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (2) (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,14 .

13. pros (naar, bij) . Taalgebruik in het N.T. : pros (naar, bij) . Taalgebruik in Mc : pros (naar, bij) . Voorzetsel .
Mc (62) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,1 * . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,7 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,26 . (6) Mc 10,50 (pros ton Ièsoun = naar Jezus) .

14. pers. voornaamw. acc. mann. enk. me (mij) van het pers. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,36 . (4) Mc 10,47 . (5) Mc 10,48 .

Mc 10,14.15. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,14.17. voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (5) : (1) Mc 5,10 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,16 . (5) Mc 15,24 .

19. gar (want) . Taalgebruik in het N.T. : gar (want) . Taalgebruik in Mc : gar (want) . Redengevend voegwoord . Hebr. kî . Lat. enim . Fr. car . Ned. : want .
Mc (63) . Mc (10) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,22 . (3) Mc 10,27 . (4) Mc 10,45 .

21. act. ind. praes. 3de pers. enk. estin (hij / het is) van het werkw. eimi (zijn) . Taalgebruik in het N.T. : eimi (zijn) . Taalgebruik in Mc : eimi (zijn) . Hebr. hâjâh . Lat. esse . Fr. être . Ned. zijn . E. to be .
Mc (69) . Mc 10 (7) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,24 . (3) Mc 10,25 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,40 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,47 .

22. bep. lidw. nom. vr. enk. hè (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (76) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,25 . (3) Mc 10,29 . (4) Mc 10,38 . (5) Mc 10,40 . (6) Mc 10,52 .

Mc 10,14.23. nom. + dat enk. basileia(i) (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) . Mc (7) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 3,24 (nom.) . (3) Mc 4,26 (nom.) . (4) Mc 10,14 (nom.) . (5) Mc 11,10 (nom.) . (6) Mc 13,8 (nom.) . (7) Mc 14,25 (dat.) .

Mc 10,14.24. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,25 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .

Mc 10,14.25. gen. mann. enk.  theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . e vloek dju .
Mc (31) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 .

Mc 10,14.22. - 25. hè basileia tou theou (het koninkrijk van God) . Mc (3 / 6) : (1) Mc 1,15 (nom.) . (2) Mc 4,26 (nom.) . (3) Mc 10,14 (nom.) .

Mc 10,15 - Mc 10,15 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:15 amèn legô umin os an mè dexètai tèn basileian tou theou ôs paidion ou mè eiselthè eis autèn  15 amen dico vobis quisque non receperit regnum Dei velut parvulus non intrabit in illud    15 Voorwaar zeg Ik u: Zo wie het Koninkrijk Gods niet ontvangt, gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.  [15] Ik verzeker jullie, wie het koninkrijk van God niet aanneemt als een kind, komt er beslist niet in.’  [15] Ik verzeker jullie: wie niet als een kind openstaat voor het koninkrijk van God, zal er zeker niet binnengaan.’  15 voorwaar, ik zeg u, al wie het koninkrijk van God niet zal ontvangen als een kind, zal het niet binnengaan!   15. En vérité je vous le dis : quiconque n'accueille pas le Royaume de Dieu en petit enfant, n'y entrera pas. »  

King James Bible . [15] Verily I say unto you, Whosoever shall not receive the kingdom of God as a little child, he shall not enter therein.
Luther-Bibel . 15 Wahrlich, ich sage euch: Wer das Reich Gottes nicht empfängt wie ein Kind, der wird nicht hineinkommen.

Tekstuitleg van Mc 10,15 .

Mc 10,15.1. amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in het N.T. : amèn (amen, ja, voorwaar) . Taalgebruik in Mc : amèn (amen, ja, voorwaar) .
Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 10,15.2. act. ind. praes. 1ste pers. enk. legô (ik zeg) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) . Mc (19) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,15 . (2) Mc 10,29 .

Mc 10,15.3. pers. voornaamw. 2de pers. dat. mann. mv. humin (aan jullie) van het pers. voornaamw. humeis (jullie) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (7) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,29 . (5) Mc 10,36 . (6) Mc 10,43 . (7) Mc 10,44 .

Mc 10,15.1. - 3. amèn legô humin (voorwaar ik zeg jullie) . Mc (13) : (1) Mc 3,28 . (2) Mc 8,12 . (3) Mc 9,1 . (4) Mc 9,41 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,29 . (7) Mc 11,23 . (8) Mc 12,43 . (9) Mc 13,30 . (10) Mc 14,9 . (11) Mc 14,18 . (12) Mc 14,25 . (13) Mc 14,30 .

Mc 10,15.4. betrekk. voornaamw. nom. mann. enk. hos (die) . Taalgebruik in het N.T. : betrekkelijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : betrekkelijk voornaamwoord . Mc (25) . Mc 10 (5) : (17) Mc 10,11 . (18) Mc 10,15 . (19) Mc 10,29 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,44 .

Mc 10,15.5. an . Taalgebruik in het N.T. : an . Taalgebruik in Mc : an .
Mc (18) . Mc 10 (4) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,43 . (4) Mc 10,44 .  

Mc 10,15.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,15.7. conj. aor. 3de pers. enk. dexètai  (hij zou ontvangen) van het werkw. dechomai (ontvangen) ; Taalgebruik in het N.T. : dechomai (ontvangen) . Taalgebruik in Mc : dechomai (ontvangen) . Mc (3) : (1) Mc 6,11 .  (2) Mc 9,37 . (3) Mc 10,15 .

Mc 10,15.4. - 7.
- Mc 6,11 : kai hos an topos mè dexètai (en welke plaats - jullie - niet zou ontvangen) .
- Mc 9,37 : hos an ... dexètai (wie - één van dergelijke kinderen - zou ontvangen) kai hos an eme dechètai ( en wie mij zou ontvangen) .
- Mc 10,15 : kai hos an mè dexètai tèn basileian tou theou hôs paidion (en wie het koninkrijk van God niet zou ontvangen als een kind) .

Mc 10,15.8. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

9. acc. vr. enk. basileian (koninkrijk) van het zelfst. naamw. basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in het N.T. : basileia (koninkrijk) . Taalgebruik in Mc : basileia (koninkrijk) .
Mc (9) : (1) Mc 4,30 .  2 : (2) Mc 9,1 . (3) Mc 9,47 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,25 . (8) Mc 13,8 . (9) Mc 15,43 .  

10. bep. lidw. nom. gen. enk. tou (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc 10 (9) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,25 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 10,33 . (9) Mc 10,45 .

11. gen. mann. enk.  theou (van God) van het zelfst. naamw. theos (God) . Taalgebruik in het N.T. : theos (God) . Taalgebruik in Mc : theos (God) . Vergelijk : L. deus , Fr. dieu . e vloek dju .
Mc (31) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,15 . (3) Mc 10,23 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,25 .

Mc 10,15.13. nom. + acc. onz. enk. paidion (kind) van het zelfst. naamw. paidion (kind) . Taalgebruik in het N.T. : paidion (kind) . Taalgebruik in Mc : paidion (kind) . Mc (5) : (1) Mc 5,39 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,30 . (4) Mc 9,36 . (5) Mc 10,15 .

14. ou - ouk - ouch (niet) of betrekk. voornaamw. gen. mann. en onz. enk (hou) . Taalgebruik in het N.T. : ou - ouk - ouch (niet) . Taalgebruik in Mc : ou - ouk - ouch (niet) .
Mc (114 - 42 - 66 - 6) . Mc 10 (6) . ou (2) : (1) Mc 10,15 . (2) Mc 10,27 . ouk (3) : (1) Mc 10,38 . (2) Mc 10,40 . (3) Mc 10,45 . ouch (1) : Mc 10,43 .

Mc 10,15.17. eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc (151) . Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

Mc 10,15.18. pers. voornaamw. acc. vr. enk. autèn (haar) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (14) : (1) Mc 1,31 . (2) Mc 4,30 . (3) Mc 6,17 . (4) Mc 6,26 . (5) Mc 6,28 . (6) Mc 8,35 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,11 . (9) Mc 10,15 . (10) Mc 11,2 . (11) Mc 11,13 . (12) Mc 12,21 . (13) Mc 12,23 . (14) Mc 14,6 .

Mc 10,16 - Mc 10,16 : 267. Jezus ontvangt de kinderen - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 -- Mc 10,13-16 - Mt 19,13-15 - Lc 18,15-17 -- Mc 10,13 - Mc 10,14 - Mc 10,15 - Mc 10,16 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis Statenvertaling Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:16 kai enagkalisamenos auta kateulogei titheis tas cheiras ep auta 16 et conplexans eos et inponens manus super illos benedicebat eos     16 En Hij omving ze met Zijn armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende Hij dezelve.   [16] Hij omarmde hen en zegende hen, terwijl Hij hun de handen oplegde.   [16] Hij nam de kinderen in zijn armen en zegende hen door hun de handen op te leggen.   16 Hij sluit hen in zijn armen en zegent hen, hij legt hun de handen op. 16. Puis il les embrassa et les bénit en leur imposant les mains.  

King James Bible . [16] And he took them up in his arms, put his hands upon them, and blessed them.
Luther-Bibel . 16 Und er herzte sie und legte die Hände auf sie und segnete sie.

Tekstuitleg van Mc 10,16 . Het vers Mc 10,16 telt 10 (2 X 5) woorden en 54 (2 X 3 X 3 X 3) letters . De getalwaarde van Mc 10,16 is 5385 (3 X 5 X 359) .

Mc 10,16.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,16.2. part. aor. nom. mann. enk. enagkalisamenos (in de armen genomen, omarmd) . enagkalizomai (omarmen) , in de armen nemen . Taalgebruik in het N.T. : enagkalizomai (omarmen) . Taalgebruik in Mc : enagkalizomai (omarmen) .
Mc (2) : (1) Mc 9,36 . (2) Mc 10,16 .

Mc 10,16.3. voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (5) : (1) Mc 5,10 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,16 . (5) Mc 15,24 .

Mc 10,16.1. - 3. STAP VOOR STAP !
- Mc 9,36 : kai enagkalisamenos auto (en het - kind - in de armen genomen) .
- Mc 10,16 : kai enagkalisamenos auta ( en hen - de kinderen - in de armen genomen) .

Mc 10,16.4. act. ind. praes. 3de pers. enk. kateulogei  van het werkw. kateulogeô (zegenen) . Taalgebruik in het N.T. : kateulogeô (zegenen) . Taalgebruik in Mc : kateulogeô (zegenen) . Mc (1) : Mc 10,16 .

Mc 10,16.5. act. part. praes. nom. mann. enk. titheis (leggend) van het werkw. tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Taalgebruik in Mc : tithèmi (zetten, plaatsen, maken) . Mc (1) : Mc 10,16 .

Mc 10,16.6. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) . Mc (2) : (1) Mc 10,16 . (2) Mc 10,19 .

Mc 10,16.7. acc.vr.  mv. cheiras (handen) van het zelfst. naamw. cheir (hand) . Taalgebruik in het N.T. : cheir (hand) . Taalgebruik in Mc : cheir (hand) .
Mc 5 (11) : (1) Mc 5,23 . (2) Mc 6,5 . (3) Mc 7,3 . (4) Mc 8,23 . (5) Mc 8,25 . (6) Mc 9,31 . (7) Mc 9,43 . (8) Mc 10,16 . (9) Mc 14,41 . (10) Mc 14,46 .  (11) Mc 16,18

Mc 10,16.8. epi , ep' , ef' (op) . Taalgebruik in het N.T. : epi (op, bij) . Taalgebruik in Mc : epi (op, bij) . Ned. op .
Mc (71) . epi in Mc 10 (2) : (1) Mc 10,22 . (2) Mc 10,24 . ep' in Mc 10 (2) : (1) Mc 10,11 . (2) Mc 10,16 .

Mc 10,16.9. voornaamw. nom. + acc. onz. mv. auta (het, die) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (5) : (1) Mc 5,10 . (2) Mc 8,7 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,16 . (5) Mc 15,24 .

Mc 10,16.5. - 9. titheis tas cheiras = de handen leggend . Hapax . Meestal wordt een vorm van epitithèmi (op-leggen) + tas chieras (de handen opleggen) gebruikt :

Mc 10,16.8. - 9. ep'auta (erop) . Mc (2) : (1) Mc 10,16 (op de kinderen) . (5) Mc 15,24 (op de kleren) .

268. De rijke (jonge) man : Mc 10,17-22 - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -

Evangelielezing van de 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar : Mc 10,17-30 (Mc 10,17-30) :
Toen Jezus zich weer op weg begaf kwam er iemand aanlopen die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg: "Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te te verwerven?" Jezus antwoordde: "Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen. Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder." Hij gaf Hem ten antwoord: "Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af." Toen keek Jezus hem liefdevol aan en sprak: "Één ding ontbreekt u; ga verkopen wat ge bezit en geef het aan de armen, daarmee zult ge een schat bezitten in de hemel, en kom dan terug om Mij te volgen." Dit woord ontstelde hem en ontdaan ging hij heen omdat hij vele goederen bezat. Toen liet Jezus zijn blik gaan over zijn leerlingen en zei tot hen: "Hoe moeilijk is het voor degenen die geld hebben het Koninkrijk Gods binnen te gaan!" De leerlingen stonden verbaasd over wat Jezus zei. Daarom herhaalde Hij: "Kinderen, wat is het moeilijk het Koninkrijk Gods binnen te gaan. Voor een kameel is het gemakkelijker door het oog van een naald te gaan dan voor een rijke in het Koninkrijk Gods te komen." Toen waren ze nog meer verbijsterd en ze zeiden tot elkaar: "Wie kan dan nog gered worden?" Jezus keek hen aan en zei: "Dit ligt niet in de macht der mensen maar wel in die van God: want voor God is alles mogelijk."

17. En (toen) hij (uit het huis) uitgaat op weg, aangelopen iemand en geknield voor hem vroeg :
"goede leermeester, wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?"
18. Jezus echter zei hem :
wat (waarom) - zegt gij - dat ik goed ben? niemand is goed tenzij één ,God.
19. de geboden ken jij .
niet doden zal je,
niet echtbreken zal je,
niet stelen zal je,
niet pseudogetuigen zal je,
niet beroven zal je,
eer je vader en je moeder
."
20. Hij echter zei :
"Leermeester, dat alles onderhield ik vanaf mijn jeugd."
21. Jezus echter hem aangekeken hebbende hield van hem en zei hem :
"één iets ontbreekt je :
ga heen,
al wat je hebt verkoop (het)
en geef het aan de armen,
en jij zult hebben een schat in de hemel,
en welaan volg mij."

22. Hij echter driestig geworden bij het woord
ging weg bedroefd,
hij was immers hebbende vele goederen.

Eerste kennismaking met de tekst

Toen het evangelie geschreven werd, kreeg het geen genummerde hoofdstukken en verzen . Dat gebeurde pas later . Wel werden in de tekst aanwijzingen gegeven om de tekst te lezen of te beluisteren . Het begin van de tekst (het gaan uit het huis en zich op weg begeven) legt een link met het voorgaande verhaal . We zouden deze link kunnen weglaten zonder aan het verhaal enige afbreuk te doen . Wel krijgt het verhaal een bijzondere betekenis door het in de contekst van de opgang naar Jeruzalem te plaatsen . Verzen 18.20.21.22 (4X) begint de zin met het Griekse ho de (hij echter) . In vers 18 en 21 volgt op het Griekse ho de (hij echter) het woord Ièsous (Jezus) . Zo krijgen we de dialoog : 18. Jezus echter - 20. hij echter - 21. Jezus echter - 22. reactie : hij echter . De 'nummeraar' heeft zich door de tekst laten inspireren .
Om aan te duiden wie aan het woord is , heeft de evangelist Jezus gevoegd om het woord van Jezus aan te duiden . Daarenboven staat de werkwoordvorm in de aoristvorm (een verleden tijdvorm) , terwijl de werkwoordvorm voor de ander in het imperfectum (onvoltooid tegenwoordige tijd) staat .
Er staan twee zinnen in de futurumvorm (onvoltooid toekomende tijd): v.17. ... wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?" en v.21. en gij zult hebben een schat in de hemel . Aan de vraag : "wat zal ik doen" in v.17 beantwoordt v.21 . "ga, verkoop al wat je bezit en geef het aan de armen , en welaan volg mij."
Het gaat om een dialoog tussen iemand en Jezus: vraag - wedervraag van Jezus - antwoord op de wedervraag van Jezus - antwoord van Jezus op de eerste vraag .
Het verhaal is concentrisch opgebouwd . In het begin komt de persoon aangelopen , op het einde gaat hij bedroefd weg. enz.
Vers 19 : de geboden . In het Nederlands vertalen we in een toekomstvorm : je zult... maar het heeft een gebiedende betekenis (in het Grieks aorist conjunctief). De verboden : 5 X 2 woorden : 10 woorden . Het postief geformuleerde gebod : 7 woorden.
In vers 21 komt "en welaan , volg mij" wat achternahinken . Het zou - evenals het begin van de tekst in vers 17 - kunnen weggelaten worden ; door deze elementen, wordt het verhaal in deze contekst opgenomen : op weg naar Jeruzalem.

We zetten de tekst in een structuur :

17. een aangelopen iemand... vroeg hem (imperfectum) :
"goede leermeester , wat zal ik doen opdat ik eeuwig leven zal beërven?"
18. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
---------------------- " wat... gij kent de geboden... "
20. hij echter zei (imperfectumvorm) hem :
---------------------- " leermeester, dat alles heb ik onderhouden vanaf mijn jeugd."
21. hij echter JEZUS zei (aoristvorm) hem :
--------------------- " ... ga, verkoop wat je bezit... en jij zult hebben een schat in de hemel,..."
22. hij echter ... ging weg bedroefd...

Mc 10,17-22      
  18. ho de Ièsous (Jezus echter)  20. ho de (hij echter) 21. . ho de Ièsous (Jezus echter) ...
17. epèrôta (vroeg) eipen (zei) efè (zei)  eipen (zei)
auton (hem) autôi (hem)  autôi (hem) autôi (hem)
didaskale agathe (goed meester)   didaskale (leermeester)  
ti (wat) ti (wat)... tauta panta (dat alles)  hen se usterei (één ding ontbreekt jou)...
poièsô (zal ik doen) ... 19. tas entolas oidas (de geboden kent gij) efulaksamèn (heb ik onderhouden)  hupage, ... ga
 hina      
hina zôèn aiônion klèronomèsô (opdat ik eeuwig leven zal beërven).      kai hekseis thèsauron en ouranôi (en gij zult hebben een schat in de hemel).

Het is merkwaardig dat in Mc 9-10 meerdere malen een samengesteld werkwoord van poreuomai = zich op weg begeven , voorkomt. Het werkwoord sun(m)poreuomai (bijeenkomen) komt bij Marcus slechts hier voor. Het werkwoord paraporeuomai (voorbijkomen) komt 4 X voor, o.a. in Mc 9,30. Het werkwoord ekporeuomai (naar buiten gaan) komt 11 X o.a. in Mc 10,17 en Mc 10,46. Het werkwoord prosporeuomai (naar iemand toegaan) komt slechts 1 X voor , nl. in Mc 10,35.

Het pleit voor de indeling van Benoit Standaert: Mc 9,30-10,45 vormt een geheel en Mc 10,46-52 vormt een overgangsverhaal. In Mc 9,30 treffen we "pareporeuonto" (gingen - Jezus en zijn leerlingen - zijdelings) aan en in Mc 10,46 (bijna onmiddellijk na de sectie Mc 9,30-10,45) "ekporeuomenou autou" (terwijl hij eruittrekt). Het geheel past in een "trektocht", een gaan van Jezus naar Jeruzalem. Sommigen spreken van een reis van Jezus naar Jeruzalem, maar een reis roept de idee op dat je ergens op bezoek gaat en dan naar huis terugkeert. Dat is hier niet het geval. Het is een definitieve tocht.

Het laat ook aanvoelen dat de andere samengestelde vormen van het werkwoord "poreuomai" (trekken, op weg gaan) ook met het gaan van Jezus naar Jeruzalem te maken heeft.

eisporeuomai
- Mc 1,21 : kai eisporeuontai eis Kafarnaoum (en zij gaan op weg naar Kafarnaoum)

ekporeuomai
- exeporeueto (trok uit) pros auton (naar hem)

paraporeuomai
- Mc 2,23 : kai egeneto auton... paraporeuesthai dia tôn sporimôn (en het gebeurde dat hij langswandelde doorheen de korenvelden)

Mc 10,17 - Mc 10,17 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:17 kai ekporeuomenou autou eis odon prosdramôn eis kai gonupetèsas auton epèrôta auton didaskale agathe ti poièsô ina zôèn aiônion klèronomèsô   17 et cum egressus esset in viam procurrens quidam genu flexo ante eum rogabat eum magister bone quid faciam ut vitam aeternam percipiam     Toen Jezus zich weer op weg begaf kwam er iemand aanlopen die zich voor Hem op de knieën wierp en vroeg: "Goede Meester, wat moet ik doen om het eeuwig leven te te verwerven?"  [17] Toen Hij zich op weg begaf, kwam er iemand aanlopen. Hij knielde voor Hem neer en vroeg Hem: ‘Goede Meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwig leven?’  [17] Toen hij zijn weg vervolgde, kwam er iemand naar hem toe die voor hem op zijn knieën viel en vroeg: ‘Goede meester, wat moet ik doen om deel te krijgen aan het eeuwige leven?’  17 ¶ Als hij wil uittrekken om zijn weg te vervolgen, komt er één naar hem toe gerend; hij valt op de knieën en stelt hem de vraag: goede meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? 17. Il se mettait en route quand un homme accourut et, s'agenouillant devant lui, il l'interrogeait : « Bon maître, que dois-je faire pour avoir en héritage la vie éternelle ? »  

Statenvertaling . 17 En als Hij uitging op den weg, liep een tot Hem, en voor Hem op de knieën vallende, vraagde Hem: Goede Meester! wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beerve?
King James Bible . [17] And when he was gone forth into the way, there came one running, and kneeled to him, and asked him, Good Master, what shall I do that I may inherit eternal life?
Luther-Bibel . 17 Und als er sich auf den Weg machte, lief einer herbei, kniete vor ihm nieder und fragte ihn: Guter Meister, was soll ich tun, damit ich das ewige Leben ererbe?

Tekstuitleg van Mc 10,17 . Het vers Mc 10,17 telt 20 (2 X 2 X 5) woorden en 119 (7 X 17) letters . De getalwaarde van Mc 10,17 is 13955 (5 X 2791) .

Mc 10,17.1. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc (555) . Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,17.2. part. praes. gen. mann. enk. ekporeuomenou van het werkw. ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in het N;T. : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . Taalgebruik in Mc : ekporeuomai (zich op weg begeven uit) . + por-euomai . p of ph = f -> v + r . Zelfstandig naamwoord poros : weg door een water heen , wad , voorde , veer , doorwaadbare plaats . Lat. por-tus : haven . Mnd. voort , ofries forda , oeng. ford . Het woord behoort tot de groep van varen .
Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . Een vorm van ekporeuomai (zich op weg begeven uit) in Mc in 11 verzen .

Mc 10,17.3. pers. voornaamw. gen. mann. enk. autou (van hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (143) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,11 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,23 . (5) Mc 10,24 . (6) Mc 10,45 . (7) Mc 10,46 . (8) Mc 10,50 .

Mc 10,17.3. 2. - 3. ekporeuomenou autou = terwijl hij (Jezus) zich naar buiten op weg begeeft . Losse genitief in Mc (3) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,46 . (3) Mc 13,1 . In Mc 10,17 vertrekt Jezus uit een huis in de streek van Juda , in Mc 10,46 uit de stad Jericho en in Mc 13,1 uit de tempel van Jeruzalem . Mc 10,17 leidt het verhaal van de rijke man in , die Jezus uiteindelijk niet zal volgen . Mc 10,46 leidt het verhaal van de blinde Bartimeüs in , die Jezus zal volgen . Mc 13,1 leidt het verhaal van de voorzegging van het einde van de tempel in .

Mc 10,17.4. eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

Mc 10,17.5. acc. vr. enk. hodon (weg) van het zelfst. naamw. hodos (weg) . Taalgebruik in het N.T. : hodos (weg) . Taalgebruik in Mc : hodos (weg) . Heb. dèrèch . L. via . Fr. chemin , route . N. weg. E. way . D. Weg .
Mc (10) : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 .  (4) Mc 4,4 . (5) Mc 4,15 .  (6) Mc 6,8 .    (7) Mc 10,17 . (8) Mc 10,46 .  (9) Mc 11,8 .  (10) Mc 12,14 .
In 4 verzen in Mc is hodon (weg) lijdend voorwerp : (1) Mc 1,2 . (2) Mc 1,3 .  (3) Mc 2,23 . (4) Mc 12,14 . In 6 verzen in Mc wordt hodon (weg) voorafgegaan door een voorzetsel . - eis (...) hodon in Mc (3) : (1) Mc 6,8 .  (2) Mc 10,17 .  (3) Mc 11,8 . Een vorm van hodos (weg) in Mc 10 : (7) Mc 10,17 . (5) Mc 10,32 . (8) Mc 10,46 . (6) Mc 10,52 .

Mc 10,17.5. - 6. eis hodon (voor onderweg - geen lidwoord) : Mc (2) : (1) Mc 6,8 .  (2) Mc 10,17 . In Mc 6,8 schrijft Jezus de 12 voor om op zending niets voor onderweg mee te nemen tenzij ... In Mc 10,17 gaat Jezus het huis uit op weg . Het roept het beeld op van Jezus die zijn leerlingen onthechting voorschreef . In deze situatie komt een rijke jongeling aangelopen met de vraag hoe hij het eeuwig leven kan verwerven .

Mc 10,17.6. act. part. aor. nom. mann. enk. prosdramôn (gerend naar) van het werkw. prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in het N.T. : prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . Taalgebruik in Mc : prostrechô (snellopen naar, hollen naar) . L. adcurrere . F. accourir . N. koersen , rennen . E. to run .
Mc (1) : Mc 10,17 . Nog een vorm in Mc : prostrechontes (rennende naar) in Mc 9,15 . Na de terugkeer van Jezus van de berg van de verheerlijking loopt een menigte naar Jezus (Mc 9,15) . In Mc 10,17 rent iemand naar Jezus .

Mc 10,17.7. heis (onbepaald voornaamwoord , zie : eis (naar) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . Voorzetsel van richting . Lat. in . Fr. vers (versus : gedraaid , gekeerd ; vertere : tourner , draaien) . E. for . Ned. naar . D. nach .
Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

Mc 10,17.8. kai (en) . Taalgebruik : kai (en) in N.T. . Taalgebruik in Mc : kai (en) . Nevenschikkend voegwoord . Hebr. : waw (verbindingshaak) . L. : et . Fr. : et . N. : en . E. : and . D. und .
Mc 10 . Van de 52 verzen niet in 15 verzen : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,22 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,27 . (11) Mc 10,36 . (12) Mc 10,38 . (13) Mc 10,40 . (14) Mc 10,43 . (15) Mc 10,50 .

Mc 10,17.9. act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (op de knie gevallen) van het werkw. gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in het N.T. : gonupeteô (op zijn knie vallen) . Taalgebruik in Mc : gonupeteô (op zijn knie vallen) .
Mc (1) : Mc 10,17 . Een andere vorm in Mc : act. part. praes. nom. mann. enk. gonupetôn (knievallend) : Mc 1,40 .

Mc 10,17.10. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

Mc 10,17.11. act. ind. imperf. 3de pers. enk. epèrôta (hij ondervroeg) van het werkw. eperôtaô = 'op'-vragen, 'onder'-vragen, bijvragen . (inter-roger : ondervragen , tussen-vragen) , bijvragen . Taalgebruik in het N.T. : eperotaô (epi - erôtaô) . Taalgebruik in Mc : eperotaô (epi - erôtaô) .
Mc (9) : (1) Mc 5,9 .  (2) Mc 8,23 . (3) Mc 8,27 . (4) Mc 8,29 .   (5) Mc 9,33 . (6) Mc 10,17.   (7) Mc 13,3 . (8) Mc 14,61 . (9) Mc 15,4 . Een vorm van eperôtaô in Mc (25) .

Mc 10,17.12. pers. voornaamw. acc. mann. enk. auton (hem) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (146) . Mc 10 (8) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,2 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,33 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,49 .

Mc 10,17.11. - 12. epèrôta auton (hij vroeg hem uit) . Mc (4) : (1) Mc 5,9 (de man met een onreine geest aan Jezus) . (2) Mc 8,23 (Jezus aan de blinde) . (3) Mc 10,17 (de rijke jongeling aan Jezus) . (4) Mc 14,61 (de hogepriester aan Jezus) .

Mc 10,17.13. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen .

Mc 10,17.14. voc. enk. agathe van het bijvoegl. naamw. agathos (goed) . Taalgebruik in het N.T. : agathos (goed) . Taalgebruik in Mc : agathos (goed) . Mc (1) : Mc 10,17 .

Mc 10,17.15. vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,36 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,17.16. act. ind. fut. 1ste pers. enk. poièsô  (ik zal doen) van het werkw. poieô (doen, maken) . Taalgebruik in het N.T. : poieô (doen, maken) . Taalgebruik in Mc : poieô (doen, maken) .
Mc (5) : (1) Mc 1,17 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,36 . (4) Mc 10,51 . (5) Mc 15,12 .

Mc 10,17.17. hina (opdat) . Taalgebruik in het N.T. : hina (opdat) . Taalgebruik in Mc : hina (opdat) .
Mc (59) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,35 . (4) Mc 10,37 . (5) Mc 10,48 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,17.18. acc. vr. enk. zôèn (leven) van het zelfst. naamw. zôè (leven) . Taalgebruik in het N.T. : zôè (leven) . Taalgebruik in Mc : zôè (leven) .
Mc (4) :  (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 . (3) Mc 10,17 . (4) Mc 10,30 .  

Mc 10,17.19. nom. onz. + acc. mann. + onz. enk. aiônion van het bijvoegl. naamw. aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in het N.T. : aiônios (eeuwig) . Taalgebruik in Mc : aiônios (eeuwig) . Mc (2) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,30 .

18. - 19.
- zôèn aiônion (eeuwig leven) . Mc (2) : (1) Mc 10,17 . (2) Mc 10,30 .
- eiselthein eis tèn zôèn (binnengaan in het leven) . Mc (2) : (1) Mc 9,43 . (2) Mc 9,45 .

Mc 10,17.20. act. ind. fut. 1ste pers. enk. klèronomèsô  (ik zal erven) van het werkw. klèronomeô (erven, verwerven) . Taalgebruik in het N.T. : klèronomeô (erven, verwerven) . Taalgebruik in Mc : klèronomeô (erven, verwerven) . Mc (1) : Mc 10,17 .

Mc 10,18 - Mc 10,18 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:18 o de ièsous eipen autô ti me legeis agathon oudeis agathos ei mè eis o theos  18 Iesus autem dixit ei quid me dicis bonum nemo bonus nisi unus Deus    Jezus antwoordde: "Waarom noemt ge Mij goed? Niemand is goed dan God alleen.  [18] Maar Jezus zei tegen hem: ‘Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed, alleen God.  [18] Jezus antwoordde: ‘Waarom noemt u mij goed? Niemand is goed, behalve God.  18 Maar Jezus zegt tot hem: wat noem je mij goed?– niemand is goed, behalve één: God;   18. Jésus lui dit : « Pourquoi m'appelles-tu bon ? Nul n'est bon que Dieu seul.  

Statenvertaling . 18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij Mij goed? Niemand is goed, dan Een, namelijk God.
King James Bible . [18] And Jesus said unto him, Why callest thou me good? there is none good but one, that is, God.
Luther-Bibel . 18 Aber Jesus sprach zu ihm: Was nennst du mich gut? Niemand ist gut als Gott allein.

Tekstuitleg van Mc 10,18 .

Mc 10,18.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

Mc 10,18.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,18.3. nom. mann. enk. Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in het N.T. : Ièsous (Jezus) . Taalgebruik in Mc : Ièsous (Jezus) .
Mc (57) . Mc 10 (16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,23 . (6) Mc 10,24 . (7) Mc 10,27 . (8) Mc 10,29 . (9) Mc 10,32 . (10) Mc 10,38 . (11) Mc 10,39 . (12) Mc 10,42 . (13) Mc 10,47 . (14) Mc 10,49 . (15) Mc 10,51 . (16) Mc 10,52 .

Mc 10,18.1. - 3. ho de ièsous (Jezus echter) . Mc (21 / 37) . Mc 10 (6 / 16) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,21 . (4) Mc 10,24 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,39

Mc 10,18.4. act. ind. aor. 3de pers. enk. eipen (hij zei) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (56) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,14 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,21 . (6) Mc 10,36 . (7) Mc 10,38 . (8) Mc 10,39 . (9) Mc 10,49 . (10) Mc 10,51 . (11) Mc 10,52 .

Mc 10,18.5. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,20 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,28 . (6) Mc 10,32 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,35 . (9) Mc 10,37 . (10) Mc 10,39 . (11) Mc 10,48 . (12) Mc 10,49 . (13) Mc 10,51 . (14) Mc 10,52 .

Mc 10,18.1. - 5. ho de ièsous eipen autô(i) = Jezus echter zei hem . Mc (2) : (1) Mc 9,23 . (2) Mc 10,18 .

Mc 10,18.6. vrag. voornaamw. acc. onz. enk. ti (wat) van het vrag. voornaamw. tis (wie) . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord tis . Ned. wie , wat ? een .
Mc (60) . Mc 10 (6) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,17 . (3) Mc 10,18 . (4) Mc 10,36 . (5) Mc 10,38 . (6) Mc 10,51 .

Mc 10,18.7. pers. voornaamw. acc. mann. enk. me (mij) van het pers. voornaamw. egô (ik) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc. : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (27) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,14 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,36 . (4) Mc 10,47 . (5) Mc 10,48 .

Mc 10,18.8. act. ind. praes. 2de pers. enk. legeis (jij zegt) van het werkw. legô (zeggen) . Taalgebruik in N.T. : legô (zeggen) . Taalgebruik in Mc : legô (zeggen) .
Mc (4) : (1) Mc 5,31 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 14,68 . (4) Mc 15,2 .

Mc 10,18.9. acc. onz. enk. agathon van het bijvoegl. naamw. agathos (goed) . Taalgebruik in het N.T. : agathos (goed) . Taalgebruik in Mc : agathos (goed) .
Mc (2) : (1) Mc 3,4 . (2) Mc 10,18 .

Mc 10,18.13. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,18.14. Geen lidwoord , maar telwoord heis (één) . Taalgebruik in N.T. : eis (naar) . Taalgebruik in Mc : eis (naar) . . Mc 10 (13) : (1) Mc 10,1 . (2) Mc 10,8 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,15 . (5) Mc 10,17 . (6) Mc 10,18 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,32 . (11) Mc 10,33 . (12) Mc 10,37 . (13) Mc 10,46 .

12. - 16. ei mè heis ho theos (tenzij de ene God) . Mc (2) : (1) Mc 2,7 . (2) Mc 10,18 .

Mc 10,19 - Mc 10,19 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:19 tas entolas oidas mè foneusès mè moicheusès mè klepsès mè pseudomarturèsès mè aposterèsès tima ton patera sou kai tèn mètera  19 praecepta nosti ne adulteres ne occidas ne fureris ne falsum testimonium dixeris ne fraudem feceris honora patrem tuum et matrem     Ge kent de geboden: Gij zult niet doden, gij zult geen echtbreuk plegen, gij zult niet stelen, gij zult niet vals getuigen, gij zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder."  [19] De geboden kent u: Niet doden, geen echtbreuk plegen, niet stelen, niet vals getuigen, niemand oplichten, uw vader en uw moeder eren.  [19] U kent de geboden: pleeg geen moord, pleeg geen overspel, steel niet, leg geen vals getuigenis af, bedrieg niemand, toon eerbied voor uw vader en uw moeder.’  19 de geboden weet je: je zult niet moorden, je zult geen ontucht plegen, je zult niet stelen, je zult geen vals getuigenis spreken, je zult niemand beroven, eer je vader en je moeder!   19. Tu connais les commandements : Ne tue pas, ne commets pas d'adultère, ne vole pas, ne porte pas de faux témoignage, ne fait pas de tort, honore ton père et ta mère. »  

Statenvertaling . 19 Gij weet de geboden: Gij zult geen overspel doen; gij zult niet doden; gij zult niet stelen; gij zult geen valse getuigenis geven; gij zult niemand te kort doen; eer uw vader en uw moeder.
King James Bible . [19] Thou knowest the commandments, Do not commit adultery, Do not kill, Do not steal, Do not bear false witness, Defraud not, Honour thy father and mother.
Luther-Bibel . 19 Du kennst die Gebote: »Du sollst nicht töten; du sollst nicht ehebrechen; du sollst nicht stehlen; du sollst nicht falsch Zeugnis reden; du sollst niemanden berauben; ehre Vater und Mutter.«

Tekstuitleg van Mc 10,19 .

Mc 10,19.1. bep. lidw. acc. vr. mv. tas (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (27) . Mc (2) : (1) Mc 10,16 . (2) Mc 10,19 .

Mc 10,19.4. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,19.6. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,19.7. act. conj. aor. 2de pers. enk. moicheusè(i)s (plegen - geen - echtbreuk) van het werkw. moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in het N.T. : moicheuô (echtbreuk plegen) . Taalgebruik in Mc : moicheuô (echtbreuk plegen) . Mc (1) : Mc 10,19 .

Mc 10,19.8. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,19.10. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,19.12. mè (niet) . Ontkenning . Taalgebruik in het N.T. : mè (niet) . Taalgebruik in Mc : mè (niet) .
Mc 10 (6) : (1) Mc 10,9 . (2) Mc 10,14 . (3) Mc 10,15 . (4) Mc 10,18 . (5) Mc 10,19 . (6) Mc 10,30 .

Mc 10,19.15. bep. lidw. acc. mann. enk. ton (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (124) . Mc 10 (5) : (1) Mc 10,7 . (2) Mc 10,12 . (3) Mc 10,19 . (4) Mc 10,49 . (5) Mc 10,50 .

Mc 10,19.16. acc. mann. enk. patera (vader) van het zelfst. naamw. patèr (vader) . Taalgebruik in het N.T. : patèr (vader) . Taalgebruik in Mc : patèr (vader) .
Mc (8) . (1) Mc 1,20 . (2) Mc 5,40 . (3) Mc 7,10. (4) Mc 9,21 .  (5) Mc 10,7 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,29 . (8) Mc 15,21 . Een vorm van patèr (enk. , vader) in Mc in 17 verzen .

Mc 10,19.17. pers. voornaamw. 2de pers. gen. enk. sou (van jou) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord . Mc (27) . Mc 10 (3) : (1) Mc 10,19 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,52 .

Mc 10,19.19. bep. lidw. acc. vr. enk. tèn (de) . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (109) . Mc 10 (11) : (1) Mc 10,5 . (2) Mc 10,7 . (3) Mc 10,10 . (4) Mc 10,11 . (5) Mc 10,15 . (6) Mc 10,19 . (7) Mc 10,23 . (8) Mc 10,24 . (9) Mc 10,25 . (10) Mc 10,45 . (11) Mc 10,46 .

Mc 10,20 - Mc 10,20 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 - Mc 10,22 -
Griekse tekst Vulgaat Synopsis 28ste (achtentwintigste) zondag door het b-jaar Willibrordvertaling Nieuwe vertaling (2005) Naardense bijbel Bible de Jérusalem
10:20 o de efè autô didaskale tauta panta efulaxamèn ek neotètos mou  20 et ille respondens ait illi magister omnia haec conservavi a iuventute mea     Hij gaf Hem ten antwoord: "Dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af."  [20] Hij zei Hem: ‘Meester, aan dat alles heb ik mij van jongs af gehouden.’  [20] Toen zei de man: ‘Meester, sinds mijn jeugd heb ik me daaraan gehouden.’   20 Maar hij brengt tot hem uit: leermeester, over dat alles heb ik gewaakt van mijn jeugd af!  20. - « Maître, lui dit-il, tout cela, je l'ai observé dès ma jeunesse. »  

Statenvertaling . 20 Doch hij, antwoordende, zeide tot Hem: Meester! al deze dingen heb ik onderhouden van mijn jonkheid af.
King James Bible . [20] And he answered and said unto him, Master, all these have I observed from my youth.
Luther-Bibel . 20 Er aber sprach zu ihm: Meister, das habe ich alles gehalten von meiner Jugend auf.

Tekstuitleg van Mc 10,20 .

Mc 10,20.1. bep. lidw. nom. mann. enk. ho (de) . bepaald lidwoord . Taalgebruik in het N.T. : bepaald lidwoord . Taalgebruik in Mc : bepaald lidwoord . Gr. to.. , tè... N. : de . E. : the . D. der , die , das enz. Fr. le , la enz. (< lat. aanwijz. voornaamwoord il-lum , il-lam) .
Mc (219) . Mc 10 (28) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,5 . (3) Mc 10,9 . (4) Mc 10,14 . (5) Mc 10,18 . (6) Mc 10,20 . (7) Mc 10,21 . (8) Mc 10,22 . (9) Mc 10,23 . (10) Mc 10,24 . (11) Mc 10,27 . (12) Mc 10,28 . (13) Mc 10,29 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,33 . (16) Mc 10,35 . (17) Mc 10,36 . (18) Mc 10,38 . (19) Mc 10,39 . (20) Mc 10,42 . (21) Mc 10,45 . (22) Mc 10,46 . (23) Mc 10,47 . (24) Mc 10,48 . (25) Mc 10,49 . (26) Mc 10,50 . (27) Mc 10,51 . (28) Mc 10,52 .

Mc 10,20.2. de (echter) . Taalgebruik in het N.T. : de (echter) . Taalgebruik in Mc : de (echter) . Partikel . Het staat steeds als tweede woord in de zin . Het kan een lichte tegenstelling aanduiden . Om een verandering van personage of situatie in de zin aan te duiden .
Mc (149) . Mc 10 (23) : (1) Mc 10,3 . (2) Mc 10,4 . (3) Mc 10,5 . (4) Mc 10,6 . (5) Mc 10,13 . (6) Mc 10,14 . (7) Mc 10,18 . (8) Mc 10,20 . (9) Mc 10,21 . (10) Mc 10,22 . (11) Mc 10,24 . (12) Mc 10,26 . (13) Mc 10,31 . (14) Mc 10,32 . (15) Mc 10,36 . (16) Mc 10,37 . (17) Mc 10,38 . (18) Mc 10,39 . (19) Mc 10,40 . (20) Mc 10,43 . (21) Mc 10,48 . (22) Mc 10,50 . (23) Mc 10,51 .

Mc 10,20.4. pers. voornaamw. dat. mann. enk. autô(i) (hem) van het pers. voornaamw. autos . Taalgebruik in het N.T. : voornaamwoord autos . Taalgebruik in Mc. : voornaamwoord autos .
Mc (109) . Mc 10 (14) : (1) Mc 10,13 . (2) Mc 10,18 . (3) Mc 10,20 . (4) Mc 10,21 . (5) Mc 10,28 . (6) Mc 10,32 . (7) Mc 10,34 . (8) Mc 10,35 . (9) Mc 10,37 . (10) Mc 10,39 . (11) Mc 10,48 . (12) Mc 10,49 . (13) Mc 10,51 . (14) Mc 10,52 .

Mc 10,20.5. voc. mann. enk. didaskale (leermeester) van het zelfst. naamw. didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in het N.T. : didaskalos (leraar , leermeester) . Taalgebruik in Mc : didaskalos (leraar , leermeester) .
Mc (10) : (1) Mc 4,38 . (2) Mc 9,17 . (3) Mc 9,38 . (4) Mc 10,17 . (5) Mc 10,20 . (6) Mc 10,35 . (7) Mc 12,14 . (8) Mc 12,19 . (9) Mc 12,32 . (10) Mc 13,1 . Een vorm van didaskalos (leraar , leermeester) in Mc in 12 verzen .

Mc 10,20.7. acc. m. enk. , nom. m. + onz. mv. panta (elk, alles) van het bijvoegl. naamw. pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in het N.T. : pas (ieder, elk, alles) . Taalgebruik in Mc : pas (ieder, elk, alles) . Hebr. kol . Lat. omnis . Fr. tout . Ned. elk , ieder .
Mc (21) . Mc 10 (3) : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,27 . (3) Mc 10,29 .

9. ek - ex (uit) . Taalgebruik in het N.T. : ek (uit) . Taalgebruik in Mc : ek (uit) . Ned. uit . D. aus . E. out . Fr. de .
Mc (38 - 20) . ek - ex (uit) Mc 10 (3 - 2) : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,37 . (3) Mc 10,40 . ex (uit) : Mc (10) : (1) Mc 10,37 . (2) Mc 10,40 .

11. pers. voornaamw. 1ste pers. gen. mann. enk. mou (van mij) . Taalgebruik in het N.T. : persoonlijk voornaamwoord . Taalgebruik in Mc : persoonlijk voornaamwoord .
Mc (34) . Mc 10 (2) : (1) Mc 10,20 . (2) Mc 10,40 .

12.

Mc 10,21 - Mc 10,21 : 268. De rijke (jonge) man - bijbeloverzicht -- taalgebruik -- Mc (Marcus) -- Mc 10 - Mc 10,17-22 - Mt 19,16-22 - Lc 18,18-23 -- Mc 10,17 - Mc 10,18 - Mc 10,19 - Mc 10,20 - Mc 10,21 -